Maandelijks archief: september 2018

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-4-1)

.

Enkele gedachten bij delen van blz. 40 – 44 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Op blz. 34-36 gaat het om de belangrijke tegenstelling sympathie – antipathie. Dat kwam in [2-4] aan de orde. 
Op blz. 40 en verderop, blz. 41, gaat Steiner er weer op door. 

(Het (opnieuw) lezen van [2-4] zal zeker helpen om het volgende beter te doorzien.)

Nun merken Sie schon an dem, was ich jetzt hier entwickelt habe, daß eigentlich das Menschenwesen nur begriffen werden kann im Zusammenhange mit dem Kosmischen. Denn indem wir vorstellen, haben wir das Kosmische in uns. Wir waren im Kosmischen, ehe wir geboren wurden, und unser damaliges Erleben spiegelt sich jetzt in uns; und wir werden wieder im Kosmischen sein, wenn wir die Todespforte durchschritten haben werden, und unser künftiges Leben drückt sich keimhaf t aus in dem, was in unserem Willen waltet. Was in uns unbewußt waltet, das waltet sehr bewußt für das höhere Erkennen im Kosmos.

Nu merkt u al aan hetgeen ik hier ontwikkeld heb, dat het wezen van de mens eigenlijk alleen begrepen kan worden in samenhang met het kosmische. Want als we ons voorstellingen maken, hebben we het kosmische in ons. We waren in de kos­mos voordat we geboren werden en onze belevenissen van toen spiegelen zich nu in ons; en we zullen weer in de kosmos zijn wanneer wij door de poort van de dood zijn gegaan; ons toe­komstige leven wordt uitgedrukt in de kiem die werkt in onze wil. Wat in ons onbewust werkt, dat werkt – voor het hogere kennen zichtbaar – zeer bewust in de kosmos.
GA 293/40
Vertaling/40-41

Niet alleen in [2-4] vind je wat Steiner eerder uitwerkte, ook in [2-2] en [2-3]. 

‘Wat in ons onbewust werkt, dat werkt – voor het hogere kennen zichtbaar – zeer bewust in de kosmos.’

‘Het hogere kennen’: daarover werd gesproken in alles rondom [1-2], m.n.
[1-2-2]

Nadat iets gezegd is over de fysieke plaatsen in ons waar sympathie en antipathie met elkaar in wisselwerking zijn [2-7] gaat Steiner op blz. 41 verder:

Wir sind mit unserem Erleben in den Kosmos eingeschaltet. Ebenso wie wir Tätigkeiten entwickeln, die im Kosmos weiter zu verfolgen sind, so entwickelt wieder mit uns der Kosmos fortwährend Tätigkeiten, denn er entwickelt fortwährend die Tätigkeit von Antipathie und Sympathie. Wenn wir uns als Menschen betrachten, so sind wir wieder selbst ein Ergebnis von Sympathien und Antipathien des Kosmos. Wir entwickeln Antipathie von uns aus: der Kosmos entwickelt mit uns Antipathie; wir entwickeln Sympathie: der Kosmos entwickelt mit uns Sympathie.

Met ons beleven maken we deel uit van de kosmos. Zoals wij activiteiten ontwikkelen die in de kosmos verder gevolgd kun­nen worden, zo ontwikkelt omgekeerd de kosmos voortdurend activiteiten met ons, want de kosmos ontwikkelt voortdurend sympathie en antipathie. Wanneer wij mensen onszelf be­kijken, dan zijn wij weer een resultaat van de sympathie en antipathie van de kosmos. Wij ontwikkelen vanuit onszelf anti­pathie: de kosmos ontwikkelt met ons antipathie; wij ontwikke­len sympathie: de kosmos ontwikkelt met ons sympathie.

Inmiddels heeft Steiner op blz. 42 vanuit een lichamelijk standpunt over de drieledige mens gesproken, over hoofd, romp en ledematen. [2-8] blz. 42-43. 
Wanneer je in staat bent mee te bewegen met de vertrekpunten van Steiners uiteenzetting(en), is het niet zo moeilijk van de ene karakteristiek naar de andere over te gaan. 
De lichamelijke kant is overwegend de karakteristiek van de vorm:
hoofd (rond)
borst (naar het hoofd toe ronder wordend, naar de ledematen toe gestrekter wordend) 
ledematen (gestrekt)

Bij deze lichamelijkheid worden vaak als uitbreidende kenmerken, systeem en stelsel toegevoegd:
hoofd- zenuw-zintuigsysteem/stelsel
romp-ademhalings-bloedsomloopsysteem/stelsel, 
ledematen: stofwisselingssyteem/stelsel

Bij deze lichamelijke kant worden vaak de functies genoemd:
hoofd -denken
borst-voelen
ledematen-willen

Vanuit de ziel worden deze functies eveneens beschreven als:

denken – voelen – willen,

maar aangezien onze belevingen ziel genoemd kunnen worden, zijn ook onze belevingen: denk- gevoels- en wilsbelevingen. En omdat ziel ook genoemd kan worden als een complex van sympathie en antipathie, is ons denken, voelen en willen te zien als vormen van antipathie en sympathie.

Nu zijn we weer bij ‘met ons beleven maken we deel uit van de kosmos (waarin na de dood ons geest/zielenwezen weer terugkeert en ‘daar heersen sympathie en antipathie in hun zuivere gedaante’ (blz. 38).

Op blz. 43 laat Steiner de romp – hij kijkt nu naar de mens als fysiek gevormd wezen – buiten beschouwing en neemt het hoofd en de ledematen als tegenstelling. Dat hoeft ons niet te verbazen: immers denken – willen vormen een duidelijke tegenstelling. 
Het is de tegenstelling van de bedachtzame denker (Rodin) tegenover de druk bewegende – wilsactiviteit ontplooiende kinderen op het schoolplein; het is de tegenstelling van je terugtrekken op je kamer om in je ‘bovenkamer’ de dingen ‘op een rijtje te zetten’, tegenover je koffers pakken en een wereldreis gaan maken.
Er zijn talloze voorbeelden te vinden in de dagelijkse praktijk van het leven.

Wel verrassend is Steiners verklaring waaróm we twee stelsels – hoofd en ledematen hebben:

Nun fragt es sich: Warum haben wir den Gegensatz zwischen Kopfsystem
– lassen wir zunächst das mittlere System unberücksichtigt –
und dem polarischen Gliedmaßensystem mit dem Unterleibssystem?
Wir haben ihn, weil das Kopfsystem in einem bestimmten Zeitpunkte
«ausgeatmet» wird durch den Kosmos. Der Mensch hat durch die Antipathie
des Kosmos seine Hauptesbildung. Wenn dem Kosmos sozusagen
gegenüber dem, was der Mensch in sich trägt, so stark «ekelt», daß
er es ausstößt, so entsteht dieses Abbild. Im Kopfe trägt wirklich der
Mensch das Abbild des Kosmos in sich. Das rund geformte menschliche
Haupt ist ein solches Abbild. Durch eine Antipathie des Kosmos schafft
der Kosmos ein Abbild von sich außerhalb seiner. Das ist unser Haupt.
Wir können uns unseres Hauptes als eines Organs zu unserer Freiheit
deshalb bedienen, weil der Kosmos dieses Haupt zuerst von sich ausgestoßen
hat. Wir betrachten das Haupt nicht richtig, wenn wir es etwa
in demselben Sinne intensiv eingegliedert denken in den Kosmos wie unser Gliedmaßensystem, mit dem die Sexualsphäre ja zusammengehört.
Unser Gliedmaßensystem ist in den Kosmos eingegliedert, und
der Kosmos zieht es an, hat mit ihm Sympathie, wie er dem Haupt
gegenüber Antipathie hat. Im Haupte begegnet unsere Antipathie der
Antipathie des Kosmos, die stoßen dort zusammen. Da, in dem Aufeinanderprallen
unserer Antipathien mit denen des Kosmos, entstehen
unsere Wahrnehmungen. Alles Innenleben, das auf der anderen Seite
des Menschen entsteht, rührt her von dem liebevollen sympathischen
Umschlingen unseres Gliedmaßensystems durch den Kosmos.

Nu is de vraag: waarom is dat zo, dat we — we laten het middengebied in eerste instantie buiten beschouwing – twee tegengestelde stelsels hebben: hoofd en ledematen? Dat is zo omdat het hoofd op een bepaald moment ‘uitgeademd’ wordt door de kosmos. Bij de mens wordt het hoofd gevormd door de antipathie van de kosmos. Wanneer de kosmos als het ware van afschuw vervuld is ten aanzien van hetgeen de mens in zich draagt, en wel zozeer dat de kosmos het afstoot, dan ontstaat dit evenbeeld. De mens draagt werkelijk het evenbeeld van de kosmos met zich mee: het hoofd. Het rond gevormde hoofd van de mens is zo’n evenbeeld. Door een antipathiekracht van de kosmos creëert deze een beeld van zichzelf buiten zichzelf. Dat is ons hoofd. Wij kunnen van ons hoofd – als een orgaan om tot vrijheid te komen – gebruik maken, omdat de kosmos dit hoofd eerst van zich heeft afgestoten. We hebben geen juist idee van het hoofd, wanneer we denken dat het bijvoorbeeld net zo intensief verweven is met de kosmos als ons ledematenstelsel, waartoe ook het seksuele en alles wat daarmee samenhangt behoort. Ons ledematengebied is verweven met de kosmos; de kosmos trekt het aan, staat er in sympathie tegenover, zoals de kosmos tegenover het hoofd in antipathie staat. In het hoofd ontmoet onze antipathie die van de kosmos – die stuiten daar op elkaar. Daar waar onze antipathieën botsen op die van de kosmos ontstaan onze waarnemingen.0 Aan de andere kant heeft al het innerlijk leven van de mens zijn oorsprong in het liefdevol omarmen – in sympathie – van ons ledematengebied door de kosmos.
GA 293/41
Vertaling/43-44

0 Steiner gebruikt hier het woord Wahrnemungen”; deze waarnemingsvoorstellingen onderscheiden zich van de waarnemingsbeelden Zoals de abstractie van de imaginatie

Dit is zeker een lastig te doorgronden onderwerp. De ‘afschuw’ van de kosmos, het ‘afstoten’ door de kosmos. 
Ik kan nog geen ander voorbeeld vinden, een gebeurtenis die wellicht iets identieks laat zien, dan de geboorte van een levend wezen: de moeder – die ik hier gelijkstel aan kosmos – stoot a.h.w. het kind – dat ik hier als ‘hoofd’ zie, af. (Dat het kind voornamelijk ‘hoofd’ is bij de geboorte, doet hier niet ter zake). Het hoofd is t.o.v. van de onbeholpen ledematen het meest ontwikkeld – heeft a.h.w. al een ontwikkeling doorgemaakt, weliswaar in het moederlijf (de kosmos) evenals de ledematen, maar het komt toch meer gevormd ter wereld.

Het is op een bepaalde manier ‘vrij’ van de moeder gekomen. 

Ons hoofd zou – door dit vrijworden van de kosmos – nu een orgaan voor ‘vrijheid’ kunnen worden. 
Dat de kosmos ons weer aantrekt vanuit sympathie, maakt dat we daar veel onvrijer zijn. Alles wat ons aantrekt, ons in de ban krijgt, benadrukt dat. Ook fysiek zie je dat: de wil – dat is fysiek de stofwisseling – kan niet zonder de aarde, de materie: wij zijn gedwongen om ons te voeden; we zijn afhankelijk van de natuur en van de natuurlijke krachten in ons. 

Ons hoofd zou dus een orgaan voor vrijheid kunnen worden. Dat wordt het niet wanneer onze antipathie de antipathie van de kosmos die ook nu nog in ons doorwerkt, blijft ontmoeten. Dan ontstaan er slechts ‘oude’ voorstellingen. Dat kan het worden, wanneer we in staat zijn het nieuwe – de sympathie, dus de wilskrachten – in ons denken te brengen. We zagen al [2-3-2] dat dan het scheppende in het denken ontstaat – een nieuwe vrijheid.

De wil in het denken brengen is een nieuwe vrijheid scheppen.

Methodisch-didactisch betekent dat ‘kunstzinnig onderwijs’.
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1620

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (58)

.

Een juf om blij van te worden.

Dat we van een juf ‘blij’ kunnen worden, is fijn.
Maar is het ook niet tekenend: we zouden toch van iedere juf blij moeten kunnen worden…….

IK HEB GEEN CITO-TOETS NODIG

Zegt Naomi Smits in Trouw, 06-06-2018

Ze neemt haar kinderen waar:
Het is stil in de klas: groep 3 luistert aandachtig. De meesten althans. Moos kijkt namelijk uit het raam, Joey ligt onder de tafel zijn gum te zoeken en Kelly kijkt paniekerig om zich heen. Dan roept Ties enthousiast door de klas: ‘Hee juf, ik heb een neef die Maarten heet!’

De juf worstelt met een probleem, twee problemen, eigenlijk: de kinderen van groep 3 moeten lang stilzitten en constant de aandacht er proberen bij te houden: dat is een hele opgave.

Maar zelf vraagt ze zich ook af wat het belang is van adaptief toetsen van zes-zevenjarigen.

‘Ik weet als leerkracht toch dondersgoed welke stof ze onder de knie hebben, waar ze in uitblinken en waaraan nog extra aandacht moet worden besteed? Ik heb daar geen Cito- of aanverwante toets, met veelal strenge normering, voor nodig. Zo’n toets is en blijft een momentopname en zo’n score blijft het hele jaar aan een leerling kleven. Sterker nog: op basis daarvan stoppen we de leerling in een hokje (lees: instructiegroep). Is dat wat we willen?’

Is dat wat we willen?

Was ik nog actief vrijeschoolleerkracht, dan riep ik: ‘Nee, dat willen wij niet!

En omdat wij ‘willen‘ ook nog inhoud kunnen geven, zou ik vervolgens roepen: ‘En we doen het ook niet!

Dat klinkt strijdbaar!

Maar wie in Michaëlstijd over strijd zingt en reciteert, doet dat ook over MOED.

Wil MOED geen frase blijven, dan moet je het op cruciale ogenblikken tonen.

.

Opspattend grind: alle artikelen

Michaël: alle artikelen

.

1619

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-5)

.

Steiners idee van de ‘sociale driegeleding’ beperkt zich niet tot, wat je nog zou kunnen noemen, een abstractie indeling van een maatschappijstructuur waarin de vrijheid moet gelden voor of in het gebied van het geestesleven; de gelijkheid op het gebied van het rechtsleven en de broederlijkheid op het gebied van het economisch leven.
Hij heeft het ook niet gelaten bij deze abstractere indeling, maar is in detail ingegaan op wat – in het economisch leven bijv. ‘kapitaal’,  ‘arbeid’ betekent en hoe dit beloond moet worden.
In de jaren ’70 – ’80 van de vorige eeuw stonden zijn gezichtspunten veel meer in de belangstelling dan nu. In het tijdschrift ‘Jonas’ werd er in ieder nummer wel iets over geschreven.

De onderwerpen zijn in onze maatschappij nog steeds actueel: met name o.a. de beloning van het werk; de werkeloosheid; staken, basisinkomen.

Onder ‘arbeid’ [9] zullen de nog in mijn bezit zijnde artikelen daarover hier worden gepubliceerd.

Arbeid als unieke aarde-ervaring

Het economische leven is zo ingericht, dat arbeid als onkostenpost verschijnt in de bedrijfshuishouding. Daarmee is de arbeid binnengebracht in het krachtenveld van de onkosten reducerende activiteiten. Concurrentie, noodzaak van kapitaalrendement en zuinigheid met beperkte middelen, nopen elke onderneming ertoe haar onkosten te verminderen, zo mogelijk zelfs te elimineren.
Dit leidt onvermijdelijk tot uitstoten van mensen uit het arbeidsproces. Ik denk dat de werkloosheid van nu nog maar een klein voorproefje is, van hetgeen ons in de tachtiger jaren te wachten staat.
Wanneer deze uitgestotenen niet toegestaan wordt zinvol werk te doen dat nu blijft liggen omdat betaalde arbeidskrachten te duur zijn, en wanneer er geen alternatieve arbeidsbureaus verschijnen die deze mensen en deze arbeidsplaatsen bij elkaar brengen, dan zullen steeds meer mensen tot permanente vrije tijd veroordeeld zijn.

Nu kan men de vraag stellen of dat erg is.
Arbeid is toch een straf en de mensen zullen het toch alleen maar waarderen, wanneer ze niet meer hoeven te werken of, bij een gelijkmatige verdeling van het arbeidsaanbod, steeds minder hoeven te werken. Als de gemeenschap dit kan dragen en voor voldoende brood en spelen zorgt, is er dan nog sprake van een probleem?

Om deze vraag te beantwoorden, moeten we ons een beeld vormen van de situatie waarin de mensheid thans verkeert en de rol die de arbeid in die situatie speelt, of zou moeten spelen. We kunnen dat het beste doen door die situatie te karakteriseren vanuit een ontwikkelingsperspectief.

Steiners antroposofie geeft daartoe de mogelijkheid. Daarin wordt de
mensheidsontwikkeling beschreven als een proces van bewustzijnsontwikkeling. In dit proces treden twee hoofdlijnen naar voren. De ene is te beschrijven als een weg van een dromend, beeldend, mythologisch bewustzijn naar een wakker, zintuiglijk bewustzijn. Doordat de mens steeds meer incarneert in zijn aardse omhullingen, vervagen de mythologische beelden en ontwaakt hij voor de aardse zintuiglijke werkelijkheid.

De andere weg is te beschrijven als een weg van een Wij-bewustzijn naar een Ik-bewustzijn. Aanvankelijk was de mens ingebed in een bloedgemeenschap, een stamgemeenschap, een volk, een clan. Slechts enkelen konden zich, vooruit lopend op de anderen, daaruit losmaken en leiding geven. Stap voor stap voltrekt zich deze emancipatie, steeds meer mensen ontwikkelen hun Ik-gevoel, later hun Ik-bewustzijn, door zich los te maken uit erfelijke en traditionele banden.

Twee grote lijnen die de bewustzijnsontwikkeling van de mensheid kenmerken: incarnatie en emancipatie. De een hangt innig met de ander samen.
Wij leven nu in een tijd waarin deze ontwikkeling gevaarlijk door kan slaan.

De bewustzijnsziel – Steiners benaming voor dit ontwikkelingsstadium – kan zich verharden en inkapselen in materialisme en egoïsme. Het wakker worden voor de zintuiglijke werkelijkheid (de incarnatie), kan ontaarden in het geloof dat er alleen materiële werkelijkheid bestaat. Het vrijheidsbesef van het ontwakend Ik (de emancipatie), kan ontaarden in de illusie van de persoonlijke autonomie, in een egoïsme, waarin voor de medemens geen plaats is.

De bewustzijnsontwikkeling van de mensheid bevindt zich in een
drempelovergang. Hoewel het incarnatie- en het emancipatieproces voor velen nog niet tot het beleven van deze drempel geleid heeft, zijn de gevaren van materialisme en egoïsme zó zichtbaar, dat de noodzaak van een bewuste
drempelovergang zich met kracht aandient. Die overgang heeft te maken met een spirituele verdieping van het zintuiglijke bewustzijn, en met een sociale verwijding van het Ik-bewustzijn.

Antroposofie is in feite een weg in de richting van dit nieuwe bewustzijn. Uitgaande van de zintuiglijke waarneming, geeft zij aanwijzingen hoe deze waarneming, door een intensivering van het denken, als het ware tot imaginatie gedynamiseerd wordt. De in de natuur werkzame levensprocessen worden tot levende imaginaties, waarin het bewustzijn zich met de zelfde wakkerheid staande houdt, als in de zintuiglijke wereld. Op deze weg maakt het denken – zelf deel van deze scheppende levensprocessen -zich los van zijn gebondenheid aan de fysieke hersenen. Zolang deze gebondenheid het geval was kon dit denken zich alleen staande houden in gecontoureerde, statische voorstellingen. Door het excarnatieproces, losmaking van de fysieke gebondenheid, verwijdt het zintuigelijke bewustzijn zich tot een imaginatief.

Over de verdere stappen in dit bewustzijnsontwikkelingsproces (naar een inspiratief en een intuïtief bewustzijn) en hoe deze stappen samen hangen met een voortgaande excarnatie, zal hier niet gesproken worden. [2]

‘In-mancipatie’

Zoals de bewustzijnsontwikkeling bij de overgang van de drempel haar richting verandert van incarnatie naar excarnatie, zo verandert ze deze ook van
emancipatie naar ‘in-mancipatie’, men zou ook – om dit niet bestaande woord te vermijden – kunnen spreken van uittreden en invoegen.

Wat moeten we ons hier onder voorstellen?

In-mancipatie betekent, met behoud van het Ik-bewustzijn, het eigen
oordeelsvermogen en de persoonlijke privacy invoegen in een kleinere of grotere groep, teneinde daarmee samen een opgaaf te vervullen, bijvoorbeeld iets te maken, te verzorgen of te ontwikkelen. Het zoeken naar nieuwe zelf gekozen gemeenschappen, is een aanduiding van dit in-mancipatie streven. Wie voor de drempel terugdeinst, zal zijn bewustzijn niet verruimen door de zintuiglijke waarneming heen en met behoud van de daaraan ontwikkelde wakkerheid, maar hij zal terug vluchten in oude oosterse, die daardoor gekenmerkt worden, dat ze de zintuiglijke wereld als maya beleven en deze dus niet als uitgangspunt voor een scholingsweg nemen. Of hij zal met chemische en andere kunstgrepen het excarnatieproces forceren.

Wie voor de drempel terugdeinst, zal niet door de eenzaamheid van het Ik-beleven en met behoud van zijn zelfgevoel zich vrij invoegen in een groep, organisatie of nog groter verband en daaraan zijn Wij-bewustzijn scholen, maar hij zal zijn ik als het ware (gedeeltelijk) inleveren om de glans van het collectief op zich te voelen afstralen, om de veiligheid van het straf georganiseerde werkverband te ervaren, om de warmte van de kleine groep om zich heen te voelen.

Aarde

Wie het betoog tot nu toe gevolgd heeft, zal het niet ontgaan zijn dat de twee scharnierpunten tussen incarnatie en excarnatie enerzijds en emancipatie en in-mancipatie anderzijds, essentieel met de aarde te doen hebben. In het eerste geval gaat het om de fysiek-zintuiglijke waarneming, zoals die hier op aarde alleen mogelijk is.

In het tweede geval gaat het om arbeid met aardse substanties voor
aards-behoeftige mensen, zoals die alleen hier op aarde alleen mogelijk is.

We willen in het volgende gedeelte het thema incarnatie – excarnatie als zodanig loslaten en ons bezig houden met de sociale component van de bewustzijnsontwikkelingsweg: emancipatie – inmancipatie.
Omdat de twee wegen zo intiem samenhangen, zullen we zien dat de eerstgenoemde weg als het ware door de achterdeur van de laatstgenoemde weer binnenkomt.

Ontwikkelingsplek

We kunnen het beste met het thema van de inmancipatie en de aarde beginnen, door nog op een andere geheimzinnige samenhang van de twee wegen te wijzen. Het natuurwetenschappelijk denken is de bakermat voor het imaginatieve denken. Maar tevens heeft zij de weg geopend voor de techniek enerzijds en voor de oriëntatie op het stoffelijk-materiële anderzijds. In het verlengde daarvan ligt het moderne, op arbeidsverdeling berustende, de hele aarde omspannende economische leven. En het is de problematiek van dit werkleven, dat ons wijst op de noodzaak van de bewustzijnsontwikkeling langs de tweede van de genoemde wegen. In dit werkleven zijn wij zó aangewezen op elkaar, dat we een modern Wij-bewustzijn moeten ontwikkelen, op straffe van ondergang in een strijd van allen tegen allen.

Wanner wij de arbeid beschrijven als de ontwikkelingsplek voor een nieuw Wij-bewustzijn, dan komen we daarin drie maal de aarde tegen: substantieel, sociaal en spiritueel.

Wat de ontmoeting met de aarde in het substantiële betreft: het werkleven gebruikt en verbruikt altijd substanties. Pas langzamerhand begint er, door de milieurampen en door het besef van het opraken der grondstoffen, iets te groeien van het bewustzijn dat we met z’n allen leven van en op één aarde, misschien zelfs van het bewustzijn dat de aarde een levend organisme is, dat bij ons hoort. De vraag rijst: kunnen we ons werkleven zo inrichten, dat we deze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid tegenover die ene aarde gestalte geven?

Op een andere wijze – als het ware door een sociaal transparant – komt de aarde in het gezichtsveld wanneer we het oog richten op de relaties tussen de mensen in het arbeidsproces. Aan de ene kant is er de relatie tot de consument, de afnemer, de gebruiker van diensten en producten. Deze is behoeftig. Dat kan hij alleen zijn omdat hij een aards wezen is, geïncarneerd in een aards lichaam. Ook voor de vervulling van de meest geestelijke behoeften, heeft hij aardse middelen nodig: een potlood om te schrijven, een muziekinstrument om op te spelen e.d. En voor de vervulling van die behoeftes, zijn we steeds meer op elkaar aangewezen. Een tijd lang hebben we ons economische leven nog zo kunnen inrichten, dat we ons weinig écht hebben hoeven te interesseren voor de behoeften van de ander. Het anonieme marktmechanisme plaatste zich daar tussen. Tevens konden we het ons in het Westen nog een tijd veroorloven, onze rijkdom op te bouwen op de armoede van de ontwikkelingslanden. Ik ben ervan overtuigd, dat we ons werkleven steeds bewuster zullen moeten gaan richten op de behoeftige medemens. En dat die medemens zich steeds bewuster zal moeten gaan afvragen, welke behoeften hij eigenlijk heeft, om als geestelijk wezen hier op aarde te leven. Naar mate de realiteit van de geestelijke wereld in het
bewustzijn doordringt, zal in het werkleven de oriëntatie op de aardebehoeften van de ander, steeds meer tot de vraag leiden: ‘Hoe kunnen de aardse behoeften (voeding, kleding, huisvesting e.d.) zó vervuld worden, dat voor de ander zijn weg tot de geest mogelijk wordt?’

De andere wijze waarop de aarde door het sociale transparant in het gezichtsveld verschijnt, is de relatie tot de collegawerker. De arbeidsverdeling betekent een indringende ervaring van onderlinge afhankelijkheid. Ieder heeft zijn eigen inbreng. Ook al zijn de functies gestandaardiseerd, in feite heeft ieder toch een unieke plaats, soms minder door wat hij doet dan wel door de wijze waarop hij het doet, de morele instelling waarmee e.d. En wanneer men zich een moment afvraagt, waardoor deze differentiatie veroorzaakt is, dan komt men op het verschil in aarde-ervaringen, niet alleen in dit leven, maar in alle voorafgaande levens.

Ik ben ervan overtuigd, dat arbeidsorganisaties steeds concreter rekening zullen moeten houden met de reële differentiatie tussen mensen. Dat betekent dat in de dagelijkse samenwerking – die steeds minder voorgeschreven zal kunnen worden – mensen concreet geconfronteerd zullen worden, met de verschillen in de aarde-ervaring die er bestaan tussen degenen, die in reële onderlinge afhankelijkheid zullen moeten samenwerken.

Wanneer wij de arbeid beschrijven als de plaats bij uitstek waarop wij een modern Wij-bewustzijn ontwikkelen, dan verschijnt daarbij nog op een derde wijze de aarde in het gezichtsveld. Niet alleen doordat wij door arbeid de aarde als levend organisme leren verzorgen, niet alleen doordat wij door arbeid relaties opbouwen met mensen, via hun aardse behoeften en hun aards gedifferentieerde capaciteiten, maar ook doordat het voor de geestelijke wereld steeds belangrijker wordt, hoe wij met aardse ervaringen – met name met die welke wij in arbeidssituaties opdoen – omgaan.

De aarde is een unieke werkplaats. Wij kunnen daar ervaringen opdoen die wij noch voor de geboorte, noch na de dood kunnen opdoen. Het is niet alleen voor mijn persoonlijke geestelijke ontwikkeling van belang hoe ik met deze ervaringen omga, maar ook voor de geestelijke wereld zelf. Nadat de hiërarchieën ons volledig ‘geëmaneerd’ hebben, uit zich hebben gezet, zijn zij voor hun eigen verdere ontwikkeling afhankelijk van wat wij aan hen als het ware aanreiken, aan bewust verwerkte aarde-ervaringen. Alleen hier kan het sterven, kan de dood ervaren worden. Maar dankzij het feit dat uit de geestelijk-hiërarchische wereld een wezen – het Christuswezen – zich tot in dit rijk van de dood geofferd heeft, kunnen wij als het ware aan elke aarde-ervaring een hoger licht ontworstelen. Werkelijk onderduiken in een aardse realiteit betekent altijd een sterfproces, maar dankzij de Christuskrachten in ons, kunnen die ervaringen tot opstanding komen, kunnen zij tot licht worden omgevormd. Dat licht betekent niet alleen maar bewustzijnsverwijding voor ons, maar ook reële ‘voeding’ voor een hogere wereld.

Zo kan er in de mens iets groeien van een verantwoordelijkheid tegenover de geestelijke wereld, met betrekking tot het omgaan met aarde-ervaringen, en dan speciaal met die unieke ervaringen die het arbeidsproces mogelijk maakt.

Ik vat nog even samen, op welke wijze de aarde in ons gezichtsveld verscheen bij het arbeidsproces: Wanneer we ons nu afvragen waarom al deze situaties een oefenveld voor de ontwikkeling van het Wij-bewustzijn zijn, dan is het antwoord hierop dat wij de andere mens nodig hebben – zijn informatie, zijn ervaring, zijn oordeel – om erachter te komen, wat het economisch proces voor de aarde betekent, of we echt inspelen op de behoeften van andere mensen, of we de differentiatie tussen de mensen creatief gebruiken, welk inzicht uit een ervaring kan oplichten.

De twee plaatsen waarop we de ander kunnen ontmoeten zijn de associaties en de werkgemeenschappen. In het overleg tussen producenten, handelaren en consumenten in een associatie, en in het overleg tussen de werkers in een werkgemeenschap, wordt het nieuwe Wij-bewustzijn geoefend. Steeds is het de aarde die ons helpt om de stap over de drempel te maken.

Nu is het begrijpelijk dat er ook krachten (wezens) werkzaam zijn, die willen verhinderen, dat de mens in dit arbeidsproces zich in de richting van een nieuw Wij-bewustzijn ontwikkelt. De mens heeft zulke weerstandskrachten ook nodig.

We kunnen deze tegenkrachten aan het werk zien en daardoor is het mogelijk hun strategie te beschrijven. Ze is op drie peilers gebouwd.

De eerste is de werkloosheid. Mensen wordt de mogelijkheid ontnomen voor elkaar te werken. In het begin van het artikel werd de vraag gesteld of dit erg is. Na al het voorgaande zal duidelijk zijn, dat in onze tijd het werkloos worden een fundamentele bedreiging is voor de menselijke biografie.

De tweede strategie-peiler is het feit dat arbeid tegen geld verkocht wordt. Het loon is de prijs die voor de arbeid betaald wordt. Loon maakt mensen
geld-gericht, in plaats van arbeid-gericht. Degene vóór wie men werkt verdwijnt uit het bewustzijn, en degenen mét wie men werkt worden sterk overbelicht, in de zin dat ze een politiek strijdobject worden (bijvoorbeeld de werkgevers tegenover de werknemers), of wel ‘broeders’ in de strijd (werknemers in één vakvereniging), ofwel concurrenten in de strijd om de promotie. In alle gevallen verdwijnt in feite de medemens uit het bewustzijn. De andere kant van deze kapitalistische medaille – het winststreven van de investeerder door concurrentie op een anonieme markt – leidt tot ondoorzichtige economische processen en steeds verder opgezweepte productiedriften. Beide zijn in scherp contrast met het verantwoordelijk en omzichtig omgaan met de aarde.

De derde peiler van de anti-strategie is, het verhinderen dat mensen van hun ervaringen leren. Het is verbijsterend, hóe weinig mensen van ervaringen (willen) leren. Men stuit daarbij op de grootste weerstanden. Het is alsof mensen aanvoelen dat het leren van een aarde-ervaring drempelkwaliteit heeft, dat het proces een pijnlijke confrontatie kan inhouden, dat het in feite door dood en opstanding heen gaat.

Het is mijn beroep mensen in samenwerkingssituaties te helpen, van hun ervaringen te leren opdat zij een stap in hun bewustzijnsontwikkeling kunnen doen. Zo’n terugblik op het eigen handelen, met de bedoeling ervan te leren, heet evaluatie.

Langs verschillende wegen probeert men zich aan zo’n evaluatie te onttrekken. De eerste ontsnappingsweg is door vast te stellen dat evaluatie niet nuttig is, omdat de ervaringen van gisteren niet relevant zijn voor het handelen van morgen. De wereld verandert snel. Het verleden is niet bruikbaar voor de toekomst.

De tweede ontsnappingsweg gaat als volgt: Een groep die regelmatig vergadert en over het verloop ontevreden is, is bereid tot evaluatie en neemt zich voor een deel van haar vergadertijd te reserveren voor een lerende terugblik. Die tijd blijkt er eigenlijk nooit te zijn. Er zijn nog zoveel agendapunten blijven liggen, de toekomst stelt ons zoveel vragen dat we ’t ons niet kunnen veroorloven nu de kostbare tijd te gebruiken om naar het verleden terug te kijken.

Bij de derde weg komt de groep inderdaad tot evaluatie, maar niemand is bereid in de spiegel te kijken en conclusies naar zichzelf toe te trekken. Het zondebok-mechanisme gaat werken. Allerwegen worden schuldigen gezocht.

We kunnen nog op andere verschijnselen wijzen die laten zien, hoe weinig onze samenleving geneigd is het excarnatieproces even zorgvuldig te verzorgen als het incarnatieproces.

Bij het incarnatieproces bereidt men zich voor op een te volbrengen taak, bij het excarnatieproces trekt men zich uit deze taak terug, en verrijkt zijn bewustzijn door de terugblik op het ervaringsproces. Er worden commissies met veel tamtam geïnstalleerd, maar worden ze ook ge-ëxstalleerd? Ze worden misschien wel opgeheven (ook dat soms niet!), en voor hun werk bedankt, maar vindt er in het licht van de ‘behoeftige klant’, een echte evaluatie plaats met betrekking tot het werkproces van de commissie? Mensen worden voor een functie geïnstrueerd, maar worden ze bij het verlaten er van ook ge-exstrueerd? Ze worden overgeplaatst, maken promotie, of worden met ruzie ontslagen. Maar worden de ervaringen in deze functie geëxpliciteerd?

We doen veel aan de voorbereiding van een project, maar verzorgen we ook de nabereiding? We zijn meesters in het structureren en opbouwen van organisaties, maar we zitten met de handen in het haar als het gaat om vorm-oplossen en afbouwen. We noemen dat dan saneren of ‘gesundschrumpfen’ maar een bewustzijnsoogst, zoals dat bij een echt excarnatie-proces het geval is, wordt niet binnen gehaald. Het is een smartelijk beleven, wanneer men ziet hoe op deze wijze kostbare aarde-ervaringen verloren gaan, naar de haaien gaan, of beter gezegd voor de draak zijn. De draak vreet zich zat aan onze aarde-ervaringen, en bouwt er zijn eigen anti-mensen-wereld mee op. Eigenlijk zouden we uit verantwoordelijkheid voor de geestelijke wereld, onze aardse intelligentie moeten gebruiken om onze aarde-ervaringen zó te doorlichten, dat we ze kunnen aanbieden aan Michaël. aeonen lang heeft Michaël de kosmische intelligentie beheerd. Terwille van de vrijheid van de mensen is ze hem ontvallen en is als aardse intelligentie in mensenbereik gekomen. Ze is het zwaard waarmee we de draak, die ons onze aarde-ervaringen wil wegnemen, kunnen verslaan. We kunnen met deze intelligentie onze aarde-ervaringen in het bewustzijns-licht tillen, waardoor ze voor Michaël bereikbaar worden. Hij kan ons dan de weg verlichten aan de andere kant van de drempel. Hij helpt ons dan de brug te bouwen die deze en gene zijde verbindt. Hoe dieper wij – als een slang – door het duistere rijk der aarde-ervaringen kruipen, en hoe meer wij elkaar helpen om deze slang met intelligentie te voeden zodat zij stralend en lichtend wordt, hoe meer zij tot een brug wordt die mensen de mogelijkheid biedt om aarde-wereld en geestelijke-wereld tot een levende eenheid te verbinden.


.

Lex Bos, Jonas 3, 06-10-1978

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

1618

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (18)

 

Op vakantie met baby en peuter

Vakantie heb je als ouders hard nodig om tot rust te komen. Maar voor je baby hoeft het niet echt en ook je dreumes raakt er vaak nog door van slag. Consultatie-verpleegkundige Paulien Bom legt uit hoe je kunt vermijden dat je aan je reis een ‘was dat nou vakantie?’ gevoel overhoudt.

Het tijdschrift over vakanties met kleine kinderen staat vol met aantrekkelijke foto’s: bruine koppies, eigenwijze zonnebrillen, stoere petjes. Aanbiedingen van Texel tot Tunesië (met het hele gezin op kamelen door de woestijn), van Canada tot logeren bij de boer. Van heel ver, en waarschijnlijk ook duur, tot een klassieke strandvakantie op de Wadden. Wat me opvalt is dat de berichten over die vakanties met kinderen stuk voor stuk succesverhalen zijn, terwijl ik in mijn werk toch vaak verhalen hoor over heel wat minder geslaagde vakanties.

Dat behoort dus beslist ook tot de mogelijkheden, van die ‘eens maar nooit weer’ vakanties.

Transatlantisch vliegen 

Als ik het verhaal hoor van een gezin dat met een baby van zeven maanden en een driejarig meisje een week naar New York gaat omdat de vader daar voor zijn werk moet zijn, denk ik: dat is vragen om problemen. De moeder belde me een week na thuiskomst min of meer radeloos op. Ze had zich niet gerealiseerd dat het tijdsverschil voor zoveel problemen zou zorgen. De slaap van beide kinderen was totaal ontregeld en, omdat ze zelf ook redelijk aan haar eind was, compenseerde zij het wakker zijn van ’s nachts ook met slapen overdag. Zo werd het New-Yorkse ritme stevig in stand gehouden.

Het is niet zo moeilijk te voorspellen dat zo’n reis te veel gevraagd is voor een baby. Als je je realiseert hoeveel moeite, geduld en toewijding het kost om met je baby in een goed dag- en nachtritme te komen – en hoe goed hij gedijt als dat ritme is gevonden – dan ligt het niet voor de hand dat te gaan verstoren met een transatlantische vlucht. Bij het genoemde gezin heeft het weken geduurd voordat met name de baby weer lekker in haar vel zat en het oude ritme weer te pakken had. Als ik me – nog afgezien van het tijdsverschil – voorstel hoeveel indrukken er op een kind afkomen op zo’n grote reis en me vervolgens afvraag hoe een baby of peuter die allemaal een plek moet geven, dan zou ik helemaal niet aan zo’n reis beginnen.

Dag- en nachtritme

Ik wil hier een ander reisverhaal tegenover zetten. Een gezin met twee kinderen, waarvan de jongste vier maanden is, vliegt naar Australië om de grootouders daar te bezoeken. De moeder heeft het zo geregeld dat ze pas weer hoeft te gaan werken als de baby zes maanden is. Moeder en kinderen blijven zeven weken bij de grootouders, de vader voegt zich later bij hen. De reis is zwaar omdat de baby nauwelijks tot slapen komt. De eerste dagen in Australië is hij van slag en huilt veel. Daarna lijkt hij te wennen aan het nieuwe dag- en nachtritme en herkent zijn moeder in hem weer de vertrouwde makkelijke en gezellige baby. De grootouders genieten met volle teugen van hun kleinkinderen en ook voor de moeder is het een heerlijke tijd omdat ze veel zorg uit handen kan geven. Terug in Nederland is het weer flink wennen, maar gelukkig heeft de moeder voor ze aan het werk moet nog een week de tijd om de boel weer in het gewone ritme te krijgen. Dat blijkt net voldoende te zijn.

Het grote verschil met het vorige verhaal is de lengte van de reis. Ook deze baby moest twee keer van ritme wisselen, maar kreeg daar wel echt de tijd voor. Verder had deze reis een vanzelfsprekender plek binnen het gezin dan de reis uit het eerste voorbeeld: er wachtten aan het einde van de lange reis een tweede thuis en een opa en oma die ook een beetje recht hebben op hun nieuwe kleinkind.

Snel van slag

Veel vakantieleed kun je vermijden door jezelf bij het plannen van een reis af te vragen wie je met de voorgenomen vakantie een plezier wilt doen. Als dat de baby is, dan kun je in principe de vakantie het beste thuis vieren. Daar is de omgeving vertrouwd en daar gedijen baby’s in. Voor hem hoeft de wereld nog niet veel verder te reiken dan het huis en een blokje om. Als de vakantie niet voor de baby is, dan wellicht voor de andere kinderen in het gezin. Zijn die nog klein, dan zou ik nog steeds geen lange reis maken.

Maar het antwoord kan natuurlijk ook zijn dat de vakantie voor jouzelf als ouder is. Dat is zeer legitiem, want in de vakantie kun je je ontspannen en dat komt iedereen, dus ook je baby, ten goede. In dat geval is het van belang je in je kind in te leven en zijn gedrag een tijdje goed te observeren. Hoe reageert hij op bezoek en op uitstapjes? Rustig en onverstoorbaar, of juist druk en over zijn theewater? Hoe slaapt hij in een vreemd bedje? Hoe reageert hij op nieuwe gezichten? En hoe is het de dag na het bezoek of uitstapje? Slaapt hij even flink bij en kan hij er dan weer tegen, of is hij meer dan één dag van slag? Er zijn onverstoorbare baby’s en peuters die overal wel lekker in hun vel lijken te zitten. Maar er zijn ook kinderen die schrikkerig en snel van slag zijn. Ze hebben moeite zich in te stellen op veranderingen en laten dat merken door te jengelen, moeilijk in te slapen of door te slapen of door slecht te eten. Het in kaart brengen van het gedrag van je baby of peuter bij veranderingen, met name in de dagen erna, kan je helpen richting te geven aan je plannen en mede je reisbestemming bepalen.

Kamperen

Met onrustige, gevoelige baby’s zou ik kamperen bijvoorbeeld al gauw een te riskant plan vinden, omdat een tent alle geluiden en veel licht doorlaat. Kies, enthousiast geworden door de verhalen van anderen, vooral niet voor kamperen met een kleintje als je geen kampeerervaring hebt. Kamperen is, naast oergezond, ook inspannend. Als je dat niet gewend bent, en je moet ook nog ’s morgens vroeg aan de wandel omdat de baby anders de hele camping wakker huilt, dan kan met recht de vraag opkomen: is dit nou vakantie? Als er genoeg prettige momenten tegenover staan, kan het antwoord ‘ja’ zijn. Maar het is ‘nee’ als het kamperen gewoon te veel gevraagd is voor alle partijen.

Geslaagde vakanties met de kinderen behoren voor veel mensen tot de meest gekoesterde herinneringen. Na de vakantie blijken de kinderen vaak flink te zijn gegroeid en steviger op hun beentjes te staan. Allemaal redenen om wél op vakantie te gaan. En als je je gezonde verstand gebruikt en je aanpast aan zijn , behoeften, kan dat ook met een baby.

Enkele praktische adviezen

Als je je baby meeneemt de bergen in, kan de aanpassing aan de hoogte hem zwaar vallen. Een regel die de Nederlandse Bergsportvereniging hanteert is: veilig is een verblijf op maximaal 1500 meter. Te voet naar een hoogte van maximaal 2500 meter gaan is ook geen probleem. Een snelle stijging naar deze hoogte met een gondel of tandradbaan is onverstandig. Ook overnachten is op die hoogte niet aan te raden.

Neem een baby van onder de acht maanden niet in een stoeltje op de rug mee op wandelingen. Hou ook daarna de wandeltijden nog beperkt. Pas als hij goed los kan zitten, kun je ook langere tochten maken. Maak bij het kamperen gebruik van een reiswieg of een campingbedje en kijk of je daar overheen een wat donkerder hemeltje kan fabriceren. Het licht kan het inslapen aanzienlijk bemoeilijken en ervoor zorgen dat de baby zich bij het eerste ochtendkrieken al weer meldt.

Houd zoveel mogelijk vast aan vertrouwde rituelen, met name rond het eten en slapen. Dat geeft houvast en maakt het makkelijker bij thuiskomst de gewone raad weer op te pakken.

Laat als je gaat vliegen de baby tijdens het stijgen en landen aan de borst of de fles drinken, zodat hij de druk op de oren niet zo erg voelt. Als je intercontinentaal vliegt, is het raadzaam de baby in de dagen en nachten erna goed in de gaten te houden en de eerste nachten in dezelfde kamer te slapen. Dit in verband met een verhoogde kans op wiegendood.

En ten slotte: als je met een baby naar een warm land gaat, is schaduw het allerbelangrijkst. Zonnehoedjes, dunne beschermende kleding en parasols zijn bepaald geen overbodige luxe.
.

Paulien Bom, Weleda Puur Kind, nr.7 lente 2001

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1617

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (50)

.

MOED

De zomer heeft haar zonnekracht volop gegeven. Hemel en aarde hebben elkaar in alle glorie en pracht aangeraakt. Nu trekken zij zich weer van elkaar terug: de eerste bladeren kleuren, bessen rijpen, noten vallen, de eerste vogels trekken weer weg… 29 september is de dag ter ere van aartsengel Michaël, de aartsengel die als opdracht heeft de mensheid te helpen om met moed en (ijzer)kracht in het leven te staan, rechtop, tussen hemel en aarde, en verbonden met de werelden om zich heen.

De jonge kinderen genieten van de oogst van Moeder Aarde. De oogst helpt hen om de eigen lichamelijkheid te voeden, opdat zij sterk mogen worden, om eerst letterlijk op eigen benen te gaan staan en later ook figuurlijk ‘op eigen benen’ het leven te leven.
De oudere kinderen strijden met de draak, tonen hun moed in de spelen die op deze feestdag gespeeld worden. Deze spelen vragen aan de kinderen om op het juiste moment een keus te maken en bijvoorbeeld toe te slaan om een stuk van de staart van de draak te bemachtigen. Ook zijn er de spelen waarin gevraagd wordt zo met elkaar samen te werken, dat gezamenlijk iets overwonnen of gewonnen kan worden.
Voor volwassenen kan de nazomertijd, met daarin het Michaëlsfeest, een tijd zijn van inkeer en vragen stellen.

In gesprek met mensen over de jaarfeesten, lijken sommige thema’s na verloop van jaren al zo vaak behandeld te zijn, dat zij wat ‘uitgekauwd’ over kunnen komen.
In schoolkranten en bladen staan (vaak prachtige) artikelen geschreven waarin we kunnen lezen, dat het Michaëlsfeest een feest van de moed is.

Natuurlijk ‘moeten’ wij als mens moedig zijn. Werkelijk stil staan bij wat moed is, blijkt toch moeilijk te zijn. Moed is volgens Wikipedia: “[…] de bereidheid de confrontatie met lichamelijke pijn, tegenslag en levensbedreiging, onzekerheid, angst en intimidatie aan te gaan en te doorstaan. Het is een van de vier kardinale deugden, een psychologisch kenmerk en een karaktertrek. Soms wordt er onderscheid gemaakt tussen lichamelijke moed en morele moed. Moed heeft betrekking op de angst en dreiging in de toekomst, maar bestaat vooral in het heden, het meest nabije raakpunt met de naaste toekomst, stante pede. De wil om in de toekomst moedig te zijn of in het verleden moedig te zijn geweest is veeleer denkbeeldig en laf. Moed is individueel en persoonlijk.
Het is geen geweten maar een besluit, geen mening maar een daad. Moed wordt soms een zaak van wils- of geestkracht genoemd, streven blij te zijn en wel te doen tegenover de hindernissen, die talloos zijn.”

Moed lijkt dus te maken hebben met iets dat nog komen gaat, wat vanuit de toekomst op ons toe komt maar ook met het heden verbonden is.

Jonge kinderen leven in het hier en nu. Zij kunnen zich nog moeilijk een voorstelling maken van de toekomst. Uiteraard kennen jonge kinderen ook angst voor het onbekende dat vanuit de toekomst naar hen toe komt: eerste verjaardagspartijtje, eerste zwemles, naar de grote school toe gaan… Zij hebben zich echter nog weinig of geen beelden kunnen vormen en ervaring op kunnen doen. Door levenservaring bouwen wij als mens onze verhouding tot het verleden en de toekomst op en oefenen zo de moed.

Moed gaat dus blijkbaar over iets dat vanuit de toekomst ons nadert in het heden. Het gaat over iets dat nog niet bestaat maar aan het worden is.

Mandela

In gesprekken over moed komt naar voren dat mensen zich vaak vergelijken met anderen die moediger zouden zijn dan zijzelf. In hun verhalen klinkt ontzag door en eerbied hebben voor die ander. Een schaduwkant van het hebben van ontzag voor een ander is dat wij als mensen ons zó gaan vergelijken met anderen dat we onszelf als klein, nietig en onvolmaakt gaan ervaren.

In de inauguratierede van Nelson Mandela wordt dit gevoel zo verwoord: [1]

“Onze grootste angst is niet dat we onvolmaakt zijn.
Onze grootste angst is dat we mateloos krachtig zijn.
Het is ons Licht, niet onze schaduw, dat ons het meest beangstigt.
We vragen onszelf:.”Wie ben ik om briljant te zijn, prachtig, talentvol, fantastisch?”
Maar wie ben jij om dat niet te zijn?
Je bent een kind van God.

Je onbelangrijk voordoen bewijst de wereld geen dienst. Er is niets verlichts aan je klein te maken, opdat andere mensen zich bij jou niet onzeker zullen voelen.
We zijn allemaal bedoeld om te stralen als kinderen.
We zijn allemaal geboren om de glorie van God die in ons is, te openbaren.
Die is niet alleen maar in sommige van ons, die is in iedereen!
En als wij ons Licht laten stralen, geven we onbewust andere mensen toestemming hetzelfde te doen.
Als wij van onze eigen angst bevrijd zijn, bevrijdt onze aanwezigheid vanzelf anderen.”

[Nelson Mandela 1994]

Nelson Mandela slaat een brug tussen onze eigen persoonlijke angsten en de medemensen. Alléén kunnen wij niet leven, wij hebben elkaar als mens nodig.

Daarnaast wijst Mandela op de wereld van het Licht en de grootsheid van de (geestelijke) wereld die ons angst kan inboezemen,

Michaëla Glöckler schrijft daarover het volgende in Moed als vaardigheid en taak:

“Veel mensen zijn tegenwoordig bang voor de geestelijke wereld. Ze zijn zich hun eigen morele onvolmaaktheid zozeer bewust, dat alleen al de gedachte om een volmaakt wezen in de ogen te moeten kijken onverdraaglijk is.

Maar dit gaat ook op voor mensen onderling. Zo gemakkelijk is het immers niet een ander, verder ontwikkeld dan jijzelf, eerlijk te erkennen. Ligt het niet méér voor de hand een punt van kritiek te zoeken, op grond waarvan je je van hem kunt distantiëren? Als we deemoedig zouden kunnen zijn, dan zouden we als ménsen met elkaar omgaan. Maar doordat we onszelf tot maatstaf maken voor de beoordeling van anderen, vormt het onmenselijke in onze samenleving tevens een indicatie voor ons gebrek aan moed. Want er is moed en zekerheid nodig om tegenover iemand die groter is dan jij je zelfbewustzijn niet te verliezen en je naast hem niet klein en onbevangen te voelen. Zo kan het een actuele opvatting van moed zijn, je onvolmaaktheid te aanvaarden omdat je weet dat het ik iets is dat wordt, dat zichzelf nog moet scheppen en zich niet hoeft te schamen dat het zijn volle kracht en energie nog niet ontplooid heeft. Er is moed nodig om je eigen onvolmaaktheid te verdragen. Daarom kun je mensen die het aan moed ontbreekt, helpen door ze liefde en vertrouwen te schenken en zo zelfrespect en zelfvertrouwen te versterken. Zowel het prijzenswaardige als het problematische moet, vanuit de wil elkaar in het leven bij te staan, openlijk ter sprake kunnen komen. Een dergelijk manier om met elkaar om te gaan, sterkt en bemoedigt het ik.”

Glöckler beschrijft de moed om elkaar liefde en vertrouwen te schenken en zo bij elkaar het gevoel van zelfrespect en zelfvertrouwen te sterken. Als ons dit lukt, dan weeft er tussen mensen een vertrouwensrelatie.

Lex Bos noemt een vertrouwensrelatie een wilsrelatie: “Een vertrouwensrelatie is in feite een wilsrelatie. Wanneer wij trouw blijven aan een eenmaal gemaakte afspraak, wanneer wij trouw blijven aan een partner met wie we getrouwd zijn, wanneer we trouw blijven aan een principe waarvan we de juistheid hebben ingezien, betekent dat in feite, dat we met die afspraak, met die partner, met dat idee een wilsrelatie zijn aangegaan. Met onze wil zijn we veel existentiëler verbonden dan met onze gevoelens of gedachten.

Onze wilsbesluiten zijn een directe uitdrukking van ons Ik. Daarom hebben vertrouwenscrises meestal zo’n existentieel karakter, daarom laat beschaamd of misbruikt vertrouwen zulke diepe wonden na. Het schenken van vertrouwen maakt kwetsbaar. Je wordt afhankelijk van degene aan wie je je vertrouwen hebt geschonken. Die kan het vertrouwen beschamen of ten eigen voordeel benutten. Daarom heeft vertrouwen met angst te maken, met onzekerheid hoe de ruimte die je de ander hebt geschonken door hem wordt opgevuld. En daarom heeft het ontwikkelen van vertrouwenskrachten met moed te maken.” (Lex Bos, Vertrouwen – Fundament voor een gezonde samenleving.)

Emil Bock verbindt de moed waar Michaël ons toe oproept met vertrouwenskrachten:

“Het Michaëlische ligt nooit in dat wat reeds bestaat of af is. Het ligt steeds in het wordende, in dat waarvoor nog gestreden moet worden, waarboven de ster straalt van een volmaaktheid die nagestreefd wordt. Michaël spreekt tot ons in een taal van wilsgezindheid. Hij wil niet dat de mensen zich passief of ontvankelijk opstellen. Hij zoekt naar die mensen die zélf datgene tot stand willen brengen wat zij zich voor de wereld wensen. De blik van Michaël gaat steeds naar de toekomst.

En in die toekomst zullen wij steeds meer tot de conclusie komen dat herstel van onze krachten niet meer van buitenaf zal komen, zelfs niet van de mooie natuur, maar dat onze verbruikte levenskrachten slechts verfrist en vernieuwd kunnen worden van binnenuit: door innerlijke inspanning, door innerlijke activiteit en arbeid.” (Emil Bock, Michaëlstijd: feest van het wordende.)

Jonge kinderen laven zich aan de herstellende krachten van buitenaf: een gezond leefritme, gezonde gewoonte-vorming en voeding, eerbied, natuurbeleving, het vieren van de jaarfeesten, nabootsingswaardige voorbeelden van de volwassenen. Oudere kinderen genieten eveneens van dit alles maar verrijken zich innerlijk ook middels de verhalen en het voorbeeld van de opvoeder die ‘met innerlijke inspanning, activiteit en arbeid’ zich zelf probeert te verfrissen.

Michaël wil ons bijstaan de weg naar de moed te gaan!

Michaëlstijd

Voel je niet de sterke, helende kracht
van de zonnige dagen der herfst?
’t Is Michaël, die spreekt in de stervende pracht,
in de kleurige gloed van de herfst.

Voel je niet de dankbaarheid, diep in je ziel,
voor de rijkdom en oogst van het jaar?
Voor het vruchtgeschenk, dat van de bomen nu viel,
voor het koren, zo goud en zo zwaar?

Voel je niet, dat Michaël van ons nu verwacht,
dat wij ook in de duistere tijd,
als de stormwinden woeden en lang is de nacht,
zijn tot werken en helpen bereid?

Voel je niet, dat nu in de Michaëlstijd,
in de zonnige dagen der herfst,
wij de krachten verzaam’len voor ’t werk en de strijd
van het nieuwe, nu komende jaar?

.

[1] Een aantal mensen meldde dat deze woorden niet van Mandela zijn, maar van Marianne Williamson; ook zou Mandela deze woorden niet hebben uitgesproken.

Literatuur

• Emil Bock, Michaëlstijd: leest van het wordende
• Lex Bos, Vertrouwen – Fundament voor een gezonde samenleving
•Michaëla Glöckler, Moed als vaardigheid en taak
•Nelson Mandela, inauguratierede, 1994
• Wikipedia

.
Loïs Eijgenraam

Dit artikel verscheen eerder in  VRIJE OPVOEDKUNST, herfst 2014.
Hier gepubliceerd met toestemming van de auteur.

.
Boeken van Loïs Eijgenraam

Michaëlalle artikelen

Michaëlsliederen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-8)

.

Enkele gedachten bij blz. 42/43 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

DE DRIELEDIGE MENS

Steiner heeft in zijn leven bijzonder vaak gesproken over dit drieledige mensbeeld.
Bij de toehoorders van de voordrachten ‘Algemene menskunde’ mogen we ervan uitgaan dat zij al goed op de hoogte waren van de inhoudelijke kant.
En hoewel hij er weer wat gezichtspunten aan toevoegt, begint hij a.h.w. met een waarschuwing.

Met pedant wordt hier bedoeld een rigide indeling handhaven van iets wat in wezen niet te scheiden valt: de mens.

Nun sind wir ja als Menschen, indem wir uns äußerlich offenbaren, deutlich gegliedert in das Kopfsystem, in das Brustsystem und in das eigentliche Leibessystem mit den Gliedmaßen. Nun bitte ich aber zu berücksichtigen, daß diese Einteilung in gegliederte Systeme sehr leicht angefochten werden kann, weil die Menschen, wenn sie heute systematisieren, die einzelnen Glieder hübsch nebeneinander haben wollen. Wenn man also sagt: Man unterscheidet am Menschen ein Kopfsystem, ein Brustsystem und ein Unterleibssystem mit den Gliedmaßen, dann muß nach Ansicht der Menschen jedes System eine strenge Grenze haben. Die Menschen wollen Linien ziehen, wenn sie einteilen, und das kann man nicht, wenn man von Realitäten spricht. 

Nu zijn er bij ons mensen, in onze uiterlijke verschijningsvorm, drie stelsels te onderscheiden: hoofd, borst en het ei­genlijke lichaam met de ledematen. Maar ik verzoek u hierbij in aanmerking te nemen, dat deze indeling in afzonderlijke stel­sels zeer gemakkelijk aangevochten kan worden, omdat de mensen – wanneer ze tegenwoordig iets systematisch be­kijken – de afzonderlijke delen netjes naast elkaar willen heb­ben. Wanneer we dus zeggen: we onderscheiden bij de mens de drie systemen hoofd, borst en onderlichaam met de ledematen, dan moet —volgens de mensen —ieder systeem scherp be­grensd zijn. Wanneer de mensen indelen, dan willen ze lijnen trekken en dat kan niet wanneer men over realiteiten spreekt.

So gehen also die Teile ineinander, und wir haben es nicht so bequem mit den Gliedern, wie es die Pedanten haben möchten.

Zo gaan de delen in elkaar over en zo’n indeling is niet zo gemak­kelijk te maken als pedante mensen wel graag zouden willen.

Dat geldt uiteraard ook voor andere indelingen.

Hier is gekeken naar de buitenkant, dus naar de fysieke verschijningsvorm.
Een andere manier van benaderen is kijken naar de psychische verschijningsvorm en daarbij komt Steiner tot de indeling van denken, voelen en willen.
De geestelijke verschijningsvorm wordt ingedeeld in: wakker, dromen, slapen

Telkens zal Steiner een accent leggen: we zijn daar het meest……., maar we zijn het ook daar en daar, maar iets minder pregnant.

Wir sind im Kopf hauptsächlich Kopf, aber der ganze Mensch ist Kopf, nur ist das andere nicht hauptsächlich Kopf.

In ons hoofd zijn we in de eerste plaats hoofd, maar de gehele mens is hoofd – alleen is de rest niet voornamelijk hoofd.

Denn wie wir im Kopfe die eigentlichen Sinneswerkzeuge haben, so haben wir über den ganzen Leib ausgebildet zum Beispiel den Tastsinn und den Wärmesinn; indem wir daher Wärme empfinden, sind wir ganz Kopf. Wir sind nur im Kopfe hauptsächlich Kopf, sonst sind wir «nebenbei> Kopf. Der Kopf setzt sich also fort; er ist nur im Kopfe besonders ausgebildet. 

Want we hebben wel in het hoofd de eigenlijke zintuigen, maar ver­spreid over het gehele lichaam vindt men bijvoorbeeld de tast­zin en de warmtezin; dat wil zeggen: wanneer we warmte ge­waarworden zijn we helemaal hoofd. We zijn alleen in het hoofd hoofdzakelijk hoofd, verder zijn we ‘ook nog’ hoofd. Het hoofd strekt zich dus nog verder uit; het is alleen in het eigenlijke hoofd bijzonder ontwikkeld.
Even verder: het hoofd is een beetje borst.

Ebenso ist es mit der Brust. Brust ist die eigentliche Brust, aber nur hauptsächlich, denn der ganze Mensch ist wiederum Brust. Also auch der Kopf ist etwas Brust und auch der Unterleib mit den Gliedmaßen. 

Net zo is het met de borst. De borst is de eigenlijke borst, maar alleen in hoofdzaak, want de gehele mens is wederom ook borst. Dus ook het hoofd is een beetje borst en ook het onderlichaam met de ledematen.

En weerDie Glieder gehen also ineinander über. 

De delen gaan dus in elkaar over.

Und ebenso ist es mit dem Unterleib.

En precies zo is het gesteld met het onderlichaam.

Op blz. 125 komt dit opnieuw aan de orde:

Sie sehen gerade aus dem, was ich auseinandergesetzt habe, wie in der Welt und insbesondere in der menschlichen Welt alles in einem gewissen Sinne getrennt ist, wie aber das Getrennte auch wieder zusammenwirkt. Wir können den Menschen in bezug auf sein Seelisches nicht begreifen, wenn wir nicht das Seelische trennen, gliedern nach Denken oder denkendem Erkennen, Fühlen und Wollen. Aber nirgends ist denkendes Erkennen, Fühlen und Wollen rein vorhanden, immer wirken die drei ineinander zu einer Einheit, verweben sich.
Und so ist es in der ganzen menschlichen Wesenheit bis in das Leibliche hinein.
Ich habe Ihnen angedeutet, daß der Mensch hauptsächlich Kopf ist im Kopfteil, daß er aber eigentlich ganz Kopf ist. Er ist hauptsächlich Brust als Brustmensch, aber eigentlich ist er ganz Brustmensch, denn auch der Kopf hat Anteil an der Brustnatur und ebenso auch der Gliedmaßenmensch. Und auch der Gliedmaßenmensch ist hauptsächlich Gliedmaßenmensch, aber eigentlich ist der ganze Mensch Gliedmaßenmensch, aber auch die Gliedmaßen haben Anteil an der Kopfnatur und ebenso an der Brustnatur; sie nehmen zum Beispiel auch an der Hautatmung teil und so weiter.
Man kann sagen: Will man sich der Wirklichkeit nähern, insbesondere der Wirklichkeit der Menschennatur, dann muß man sich klar sein, daß alle Gliederung vorgenommen wird in einem Einheitlichen; würde man nur auf das abstrakt Einheitliche gehen, so würde man überhaupt nichts kennenlernen. Würde man niemals gliedern, so bliebe die Welt immer in ei- nem Unbestimmten, wie in der Nacht alle Katzen grau sind. Menschen, die daher alles in abstrakten Einheiten erfassen wollen, sehen die Welt grau in grau. Und würde man nur glie~ern, nur trennen, alles auseinanderhalten, so würde man nie-als zu einer wirklichen Erkenntnis kommen, denn dann würde nan nur Verschiedenes erfassen, und die Erkenntnis bliebe aus.
So ist alles, was im Menschen ist, zum Teil erkennender, zum Feil fühlender, zum Teil wollender Natur. Und was erkennend ist, das ist hauptsächlich erkennend, aber auch gefühlsmäßig und willensmäßig; was fühlend ist, das ist hauptsächlich fühlend, aber auch erkennend und willensmäßig, und ebenso ist es mit dem Wollenden. Dies können wir nun schon auf das an- wenden, was wir gestern als die Sinnessphäre charakterisiert haben. Sie müssen, indem Sie ein solches Kapitel wie das, was ich jetzt bringen werde, begreifen wollen, wirklich, ich möchte sagen, alles Pedantentum ablegen, sonst werden Sie den krassesten Widerspruch vielleicht gerade mit dem finden, was ich im gestrigen Vortrag gesagt habe. Aber aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

(…)  dat alles in de wereld, en met name in de wereld van de mens, in zekere zin gescheiden is, en dat hetgeen gescheiden is ook weer samenwerkt. We kunnen de ziel van de mens niet begrijpen wanneer we de verschillende gebieden van de ziel niet scheiden en onderverdclen in denken of denkend kennen, voelen en willen. Maar nergens bestaan denken, voelen en willen in hun zuivere vorm; ze werken alle drie in elkaar door en zijn met elkaar tot een eenheid verweven. En zo is het met het gehele wezen van de mens, tot in het lichamelijke toe.

Ik heb u geschetst dat de mens in zijn hoofd voornamelijk hoofd is, maar dat hij eigenlijk overal hoofd is. Men is voornamelijk borst als borstmens, maar eigenlijk is men overal borstmens, want ook het hoofd heeft deel aan de aard van de borst; hetzelfde geldt voor de ledematenmens. Ook de ledematenmens is voornamelijk ledemaat, maar eigenlijk is de gehele mens ledematenmens; evenzo hebben de ledematen deel aan de aard van het hoofd en de aard van de borst; de ledematen hebben bijvoorbeeld ook deel aan het ademen van de huid enzovoort.

Wil men de werkelijkheid benaderen, met name de werkelijkheid van de menselijke natuur, dan moet het duidelijk zijn dat iedere onderverdeling een onderverdeling is van een eenheid. Zou men zich alleen richten op die abstracte eenheid, dan zou men niets leren kennen. Zou men nooit indelen, dan zou de wereld altijd in het vage blijven, zoals in de nacht alle katten grauw zijn. Mensen die alles in abstracte eenheden willen begrijpen, zien de wereld alleen in grijzen. En zou men alleen maar indelen, alleen maar scheiden en alles los van elkaar zien, dan zou men nooit tot werkelijk inzicht komen, want dan zou men slechts verschillende elementen zien en het inzicht zou achterwege blijven. Zo is alles in de mens deels kennend, deels voelend, deels willend van aard. Wat kennend is, dat is hoofdzakelijk kennend maar ook gevoelsmatig en wilsmatig; wat voelend is, is hoofdzakelijk voelend, maar ook kennend en willend, en zo is het ook met het willen.
GA 293/128-129

Op blz. 150/151 geeft Steiner nog een voorbeeld:

Man kommt eben nicht zurecht, wie ich Ihnen schon oftmals gesagt habe, wenn man nur schematisch eins ins andere gliedert. Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige. Wir sagen: Wir haben den Gliedmaßenmenschen, der besteht aus den Gliedmaßen. Aber 
sehen Sie, auch der Kopf hat seine Gliedmaßen. Wenn Sie sich den Schädel ordentlich ansehen, dann finden Sie, daß zum Beispiel angesetzt sind an den Schädel die Knochen der hinteren und der vorderen Kinnlade. Sie sind richtig eingesetzt wie Gliedmaßen. Der Schädel hat auch seine Gliedmaßen, und obere und untere Kinnlade sind als Gliedmaßen am Schädel angebracht. Sie sind nur am Schädel verkümmert. Sie sind richtig groß ausgebildet beim übrigen Menschen, am Schädel sind sie verkümmert, sind eigentlich nur Knochengebilde. Und noch einen Unterschied gibt es: wenn Sie die Gliedmaßen des Schadels betrachten, also obere und untere Kinnlade, so werden Sie sehen, daß es bei ihnen ankommt im wesentlichen dar- auf, daß der Knochen seine Wirksamkeit ausführt. Wenn Sie die Gliedmaßen, die an unserem gesamten Leib angesetzt sind, also die eigentliche Wesenheit des Gliedmaßenmenschen ins Auge fassen, dann werden Sie in der Umkleidung mit Muskeln und mit Blutgefäßen das Wesentliche suchen müssen. Gewissermaßen sind unserem Muskel- und Blutsystem für Arme und Beine, Hände und Füße nur eingesetzt die Knochen. Und gewissermaßen sind an der oberen und unteren Kinnlade als Gliedmaßen des Kopfes ganz verkümmert die Muskeln und die Blutgefäße. Was bedeutet das? – Sehen Sie, in Blut und Muskeln liegt die Organik des Willens, wie wir schon gehört haben. Daher sind ausgebildet für den Willen hauptsächlich Arme und Beine, Hände und Füße. Das, was dem Willen vorzugsweise dient, Blut und Muskeln, das ist ja bis zu einem gewissen Grade genommen den Gliedmaßen des Hauptes, weil in ihnen ausgebildet sein soll dasjenige, was zum Intellekt, zum dcnkerischen Erkennen hinneigt. Wollen Sie daher studieren, wie sieh in den äußeren Leibesformen der Wille der Welt offenbart, so studieren Sie Arme und Beine, Hände und Füße.
Wollen Sie studieren, wie sich das Intelligente der Welt offenbart, dann studieren Sie das Haupt als Schädel, als Knochengerüst, und wie sich dem Haupt angliedert obere Kinnlade, untere Kinnlade und auch anderes, was gliedmaßenähnlich aussieht am Haupte. Sie können nämlich überall die äußeren Formen als 0ffenbarungen des Inneren ansehen. Und Sie verstehen
nur dann die äußeren Formen, wenn Sie sie als Offenbarungen des Inneren ansehen.

Het werkt echter niet — zoals ik u al zo vaak heb gezegd — wanneer men de verschillende delen slechts schematisch met elkaar in verband brengt. Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven. We zeggen: we hebben de ledematenmens en die bestaat uit de ledematen. Maar nu moet u weten dat ook het hoofd zijn ledematen heeft. Wanneer u de schedel nauwkeurig bekijkt, dan vindt u daaraan onder andere de boven- en onderkaak. Die zitten er net als ledematen aan. De schedel heeft ook zijn ledematen; de boven- en onderkaak zijn als ledematen aan de schedel bevestigd. Alleen zijn ze aan de schedel onderontwikkeld. Ze zijn tot volle wasdom gekomen aan de rest van de mens, maar aan de schedel zijn ze verkommerd – daar zijn ze eigenlijk alleen vormingen van het bot. En er is nog een verschil: wanneer u de ledematen van de schedel, de onder- en bovenkaak dus, bekijkt, dan zult u zien dat zich daarbij voornamelijk de werking van het bot manifesteert. Wanneer u de ledematen aan ons lichaam bekijkt, dus het eigenlijke wezen van de ledematenmens, dan zult u de essentie moeten zoeken in de omhulling met de spieren en bloedvaten. In zekere zin zijn de botten in onze armen, benen, handen en voeten alleen maar aanwezig ten behoeve van ons spier- en bloedstelsel. En in zekere zin zijn bij de boven- en onderkaak — als ledematen van het hoofd – de spieren en bloedvaten geheel onderontwikkeld. Wat betekent dat? De wil bedient zich van bloed en spieren, zoals we al gehoord hebben. Daarom zijn voor de wil hoofdzakelijk de armen, benen, handen en voeten gevormd. Bloed en spieren – de voornaamste dienaren van de wil – zijn tot op zekere hoogte onthouden aan de ledematen van het hoofd, omdat daarin ontwikkeld moet zijn wat naar het intellect, naar het kennende denkvermogen neigt. Wilt u dus bestuderen hoe de wil van de wereld zich in de uiterlijke vormen van het lichaam openbaart, bestudeert u dan armen en benen, handen en voeten. Wilt u bestuderen hoe de intelligentie van de wereld zich openbaart, bestudeert u dan het hoofd als schedel en kijkt u hoe het uit botten is opgebouwd en hoe aan het hoofd de boven- en onderkaak vastzitten – en ook andere delen die er als ledematen van het hoofd uitzien. U kunt namelijk overal de uiterlijke verschijningsvormen beschouwen als openbaringen van het innerlijk.
GA 293/153-155

In GA 296:

vertaling blz. 82 e.v.

Aber man muß sich entschließen dazu, diese Dreigliederung wirklich innerlich zu erfassen. Ich habe Sie wiederholt von den verschiedensten Gesichtspunkten aus darauf aufmerksam gemacht, wie der Mensch, so wie er vor uns steht, zerfällt in das, was er zunächst als Nerven-Sinnes-Mensch ist, was man populär so ausdrücken kann, daß man sagt: Zunächst ist der Mensch Kopfmensch, Hauptesmensch. Als zweites Glied der menschlichen Wesenheit, äußerlich betrachtet, haben wir denjenigen Menschen, in dem sich hauptsächlich die rhythmischen Vorgänge abspielen, den Brustmenschen; und dann, wie Sie ja wissen, zusammenhängend mit dem ganzen Stoffwechselsystem den Gliedmaßenmenschen, den Stoffwechselmenschen, in dem sich eben der Stoffwechsel als solcher abspielt. Dasjenige, was der Mensch als tätiges Wesen ist, das erschöpft sich äußerlich in der Bildgestalt, in der physischen Bild-gestalt des Menschen in diesen drei Gliedern der menschlichen Gesamtnatur.
Notieren wir uns einmal diese drei Glieder der menschlichen Gesamtnatur: Kopfmensch oder Nerven-Sinnes-Mensch, Brustmensch oder rhythmischer Mensch und dann Gliedmaßenmensch, im weitesten Sinne natürlich, oder Stoffwechselmensch.
Nun handelt es sich darum, daß man diese drei Glieder der menschlichen Natur in ihrem Unterschiede voneinander erfaßt. Das ist ja für den Menschen der Gegenwart unbequem, denn der Mensch der Gegenwart liebt schematische Einteilungen. Er möchte sich, wenn man sagt: der Mensch besteht aus Kopfmensch, Brustmensch, Glied­maßenmensch, am liebsten da einen Strich machen am Halse, was drüber ist, ist Kopfmensch. Dann möchte er sich wieder anderswo einen Strich machen, eine Linie ziehen, um den Brustmenschen zu begrenzen, und so möchte er die eingeteilten Glieder nebeneinander haben. Was sich nicht so schematisch nebeneinanderstellen läßt, dar­auf läßt sich der Mensch der Gegenwart nicht gerne ein.
Aber so ist es in der Wirklichkeit nicht; die Wirklichkeit macht nicht solche Striche. Der Mensch ist zwar über den Schultern haupt­sächlich Kopfmensch, Nerven-Sinnes-Mensch. Aber er ist nicht allein über den Schultern Nerven-Sinnes-Mensch; zum Beispiel der Gefühls­sinn, der Wärmesinn sind über den ganzen Leib ausgedehnt, so daß der Kopf über den ganzen Leib wiederum reicht. Also man kann, wenn man so sprechen will, sagen: der menschliche Kopf ist haupt­sächlich Kopf. Und die Brust ist eben weniger Kopf, aber auch noch Kopf. Die Gliedmaßen oder alles, was Stoffwechselsystem ist, sind noch weniger Kopf, aber auch Kopf. So daß man also eigentlich sagen muß: der ganze Mensch ist Kopf, nur der Kopf ist hauptsächlich Kopf. Wollte man also schematisch zeichnen, so müßte man etwa, wenn man wollte den Kopfmenschen zeichnen, ihn so zeichnen (siehe Zeich­nung, helle Schraffur).
Der Brustmensch ist wiederum nicht bloß in der Brust, er ist hauptsächlich in den Brustorganen, in den Organen, in denen sich das Herz und der Atmungsrhythmus am deutlichsten ausdrücken. Aber die Atmung setzt sich auch in den Kopf hinein fort, die Blutzirku­lation in ihrem Rhythmus setzt sich in den Kopf hinein fort und in die Gliedmaßen. So daß man sagen kann: der Mensch ist Brust aller­dings in dieser Gegend; aber er ist auch hier – zwar weniger – Brust (siehe Zeichnung, mittlere Schraffur) und hier – wiederum weniger Brust. Also wiederum der ganze Mensch ist Brust, aber in der Haupt-sache ist das die Brust, das der Kopf.
Und wiederum der Gliedmaßen- und Stoffwechselmensch, ja er ist schon in der Hauptsache dieses (siehe Zeichnung, dunkle Schraf­fur); aber diese Gliedmaßen setzen sich wiederum so fort, daß sie weniger sind in der Brust, und am wenigsten im Kopfe.
Also ebenso wahr, wie man sagen kann: der Kopf ist Kopf, kann man sagen: der ganze Mensch ist Kopf. Ebenso wahr, wie man sagen kann: die Brust ist Brust, kann man sagen: der ganze Mensch ist Brust und so weiter. Die Dinge schwimmen ineinander in der Wirk­lichkeit. Und unser Begreifen ist so veranlagt, daß wir gerne so neben­einanderstellen die Teile, die Glieder. Dieses zeigt uns, wie wenig wir mit Bezug auf unsere Erkenntnisvorstellungen verwandt sind der äußeren Wirklichkeit. In der äußeren Wirklichkeit schwimmen die Dinge ineinander. Und wir müssen, wenn wir auf der einen Seite trennen: Kopf-, Brust-, Stoffwechselmensch, uns bewußt sein, daß wir dann die getrennten Glieder wieder zusammendenken müssen. Wir dürfen eigentlich niemals bloß auseinanderdenken, wir müssen immer auch wieder zusammendenken. Ein denkender Mensch, der nur aus-einanderdenken
wollte, der gleicht einem Menschen, der nur ein­atmen, nicht aber ausatmen wollte.
Damit haben Sie gleich etwas gegeben, was eintreten muß namentlich für das Denken der Lehrer der Zukunft; die müssen ganz besonders in sich aufnehmen dieses innerlich bewegliche Denken, dieses unschematische Denken. Denn nur dadurch, daß sie dieses unschematische Denken in sich aufnehmen, kommen sie mit ihrer Seele der Wirklichkeit nahe. Aber man wird der Wirklichkeit nicht nahekommen, wenn man nicht dieses Nahekommen von einem gewissen größeren Gesichtspunkte aus als Zeiterscheinung aufzufassen in der Lage ist. Man muß die Vorliebe, welche man gegen die Gegen­wart herein immer mehr entwickelt hat, sich an die Details des Lebens zu halten, wenn man Wissenschaftliches ins Auge faßt, man muß diese Vorliebe überwinden und muß dahin kommen, die Details des Lebens an die großen Lebensfragen anzuknüpfen.

Nu gaat het erom dat men deze drie geledingen van de menselijke natuur in hun onderlinge verschillen begrijpt. Dat valt voor de moderne mens niet mee, want die houdt van schematische indelingen. Hij zou, wanneer men zegt: de mens bestaat uit een hoofd-mens, borst-mens en ledematen-mens het liefst ter hoogte van de hals een streep trekken en denken: wat boven de streep staat is hoofd-mens. En dan nog ergens een streep trekken om de borst-mens te begrenzen, en zo zou hij de ingedeelde geledingen op een rijtje hebben. Wanneer iets niet zo makkelijk in een schema onder te brengen is, laat de moderne mens zich er niet graag mee in.
Maar zo is de werkelijkheid niet; de werkelijkheid kent zulke strepen niet. Boven de schouders is de mens weliswaar voorna­melijk hoofd-mens, zenuw-zintuig-mens. Maar hij is niet alleen boven de schouders zenuw-zintuig-mens; de tastzin en de warmtezin bijvoorbeeld zijn verspreid over het hele lichaam, zodat het ‘hoofd’ zich over het hele lichaam uitstrekt. Men zou, wanneer men dat wil, kunnen zeggen: het menselijk hoofd is voornamelijk hoofd. En de borst is weliswaar minder hoofd, maar ook nog hoofd. De ledematen, of alles wat stofwisselings­systeem is, zijn nog minder hoofd, maar ook hoofd. Dus ei­genlijk moet men zeggen: de hele mens is hoofd, alleen het hoofd is voornamelijk hoofd. Wanneer men een schematische tekening zou willen maken, dan zou de hoofd-mens ongeveer zó getekend worden (zie tekening lichte arcering).

De mens is ook niet alleen in de borst een borst-mens maar is hoofdzakelijk borst-mens in de borstorganen; in die organen waarin het hartritme en het ademritme zich het duidelijkst ui­ten. Maar de adem zet zich ook in het hoofd voort, het ritme van de bloedsomloop zet zich voort in het hoofd en in de lede

maten. Men kan dus zeggen: de mens is vooral in dit gebied borst; maar is ook hier – hoewel minder – borst (zie tekening, rode arcering) en hier ook minder borst. Dus opnieuw: de hele mens is borst, maar voornamelijk is dit de borst en dat het hoofd. En ook voor de ledematen-stofwisselingsmens geldt dat hij hoofdzakelijk hier huist (zie tekening, blauwe arcering); maar de ledematen zetten zich zó voort dat ze minder aanwezig zijn in de borst en nog minder in het hoofd.
Zoals men kan zeggen: het hoofd is hoofd, kan men ook zeggen: de gehele mens is hoofd. Zoals men kan zeggen: de borst is borst, kan men ook zeggen: de gehele mens is borst, enzovoorts. In werkelijkheid vloeien de dingen in elkaar over. En onze manier van begrijpen is zodanig dat wij de drie delen, de geledingen, graag in een rijtje zouden willen onderbrengen. Dat geeft aan hoe weinig onze begripsmatige voorstellingen aan de uiterlijke werkelijkheid verwant zijn. In de uiterlijke werkelijkheid lopen de dingen in elkaar over. Wanneer we de hoofd-, borst- en stofwisselingsmens van elkaar scheiden, moeten we beseffen dat wij daarna de gescheiden delen ook weer moeten samendenken. Eigenlijk zouden wij nooit alleen maar ‘uit elkaar moeten denken’, maar zouden wij ook altijd weer moeten ‘samendenken’. Een denkende mens die alleen uit elkaar wil denken, lijkt op een mens die alleen wil inade­men, en niet wil uitademen.

En dat houdt nog een oproep aan de leerkracht in:

Daarmee heb ik u meteen gewezen op iets dat met name voor het denken van de leraren van belang is. Juist de leraren moeten dit innerlijk beweeglijke denken, dit niet-schematische denken, in zich opnemen. Alleen wanneer zij dit niet-schema­tische denken in zich opnemen, zal hun ziel de werkelijkheid nabij komen. Maar dat zal niet lukken, wanneer men dit niet vanuit een ruimere visie doet. Men moet de voorliefde, die tegenwoordig sterk ontwikkeld is, om zich in wetenschappe­lijk opzicht met de details van het leven bezig te houden over­winnen en men moet ertoe komen de details van het leven te verbinden met de grote levensvragen.
GA 296/70-73

GA 297

Der Mensch ist ein dreigliedriges We­sen. Nur darf man sich nicht vorstellen, daß diese drei Glieder der menschlichen Wesenheit – Nerven-Sinnessystem, rhythmisches System, Stoffwechselsystem – nebeneinander liegen. Nein, sie liegen ineinander, und man muß sie auf geistig-seelische Art von­einander trennen, wenn man überhaupt das Wesen des Menschen durchschauen will; denn selbstverständlich müssen die Nerven 297/252
auch ernährt werden. Das Stoffwechselsystem spielt also auch in das Nervensystem hinein, spielt auch in die Organe des rhythmi­schen Systems hinein; aber die Organe des rhythmischen Systems dienen nur dem Willen, insoferne der Stoffwechsel in sie hinein spielt; dagegen insoferne sie eigentliche rhythmische Bewegungen repräsentieren, dienen sie dem Gefühlsleben. Und wiederum, wenn unser rhythmisches Wesen anstößt, wenn unser Atmungsrhythmus zum Beispiel auf dem Umwege durch das Gehirnwasser anstößt an unser Nervensystem, so entsteht die Wechselwirkung zwischen dem Gefühls- und Vorstellungsleben. Kurz, der Mensch ist ein komplizierteres Wesen, als man gewöhnlich glaubt.

De mens is een drieledig wezen. Maar je mag je niet voorstellen dat deze drie delen van het mensenwezen – zenuw-zintuigsysteem, ritmisch systeem , stofwisselingssyteem – naast elkaar bestaan. Nee, ze doordringen elkaar en je moet ze op een geestelijk-psychische manier van elkaar gescheiden houden, wanneer je inzicht wil krijgen in het wezen van de mens; want vanzelfsprekend moeten de zenuwen ook gevoed worden. Het stofwisselingssyteem komt ook het zenuwsysteem binnen, ook in de organen van het ritmische systeem maar de organen van het ritmische systeem dienen alleen de wil in zo verre de stofwisseling erin een rol speelt; in zo verre ze daarentegen de iegenlijke ritmische bewegingen representeren, dienen ze het gevoelsleven. En ook weer, wanneer ons ritmische wezen, wanneer ons ademhalingsritme bijv. contact maakt met ons zenuwsyteem via de omwetg van het hersenwater, ontstaat de wisselwerking tussen het gevoels- en voorstellingsleven. Kortom, de mens is een gecompliceerder wezen dan men gewoonlijk denkt.
GA 297/251-252
Niet vertaald

In de 2e voordracht van de Algemene menskunde geeft Steiner een nog iets concretere uiteenzetting over de stofwisseling die ook in het hoofd plaatsvindt, met name in de hersenen:

Daß der Kopf Unterleib ist, haben einige Physioiogen bemerkt, denn die sehr feine Ausbildung des Kopf-Nervensystems liegt eigentlich nicht in dem, was unser Stolz ist, im Gehirn, in der äußeren Hirnrinde, sondern die liegt unter der äußeren Hirnrinde. Ja, der kunstvollere Bau, die äußere Hirnrinde, ist gewissermaßen schon eine Rückbildung; da ist der komplizierte Bau schon in Rückbildung begriffen; es ist vielmehr schon ein Ernährungssystem im Gehirnmantel voriiegend. So daß der Mensch, wenn man das so vergleichsweise ausdrücken will, sich auf seinen Gehirnmantel gar nichts Besonderes einzubilden braucht; der ist ein Zurückgehen des komplizierteren Gehirns in ein mehr ernährendes Gehirn. Wir haben den Gehirnmantel mit dazu, daß die Nerven, die mit dem Erkennen zusammen- hängen, ordentlich mit Nahrung versorgt werden. Und daß wir das über das tierische Gehirn hinausgehende bessere Gehirn haben, das ist nur aus dem Grunde, weil wir die Gehirnnerven besser ernähren. Nur dadurch haben wir die Möglichkeit, unser böheres Erkennen zu entfalten, daß wir die Gehirnnerven besser ernähren, als die Tiere es könneii. Aber mit dem eigentlichen Erkennen hat das Gehirn und das Nervensystem überhaupt nichts zu tun, sondern nur mit dem Ausdruck des Erkennens im physischen Organismus.

Dat het hoofd ook onderlichaam is, hebben enige fysiologen opgemerkt, want de fijnste vormen van het hoofd-zenuwstelsel liggen eigenlijk niet in onze trots: de hersenen, de buitenste hersenschors, maar onder de buiten­ste hersenschors. Ja, de gecompliceerdere bouw van de buiten­ste hersenschors is in zekere zin al een degeneratie; daarin is de gecompliceerde bouw al aan het achteruitgaan. Veeleer is er sprake van een systeem voor de voedselvoorziening in de her­senschors. De mens hoeft zich dus, om dat zo maar eens uit te drukken, niets bijzonders in te beelden over zijn hersenschors; dat is een degeneratie van de gecompliceerdere hersenen tot hersenen die meer de voedselvoorziening regelen. We hebben de hersenschors onder andere ook opdat de zenuwen die met het kennen verband houden van voldoende voedsel worden voorzien. En dat we hersenen hebben die uitgaan boven en beter zijn dan die van de dieren, dat komt alleen doordat we de zenuwen in de hersenen beter van voedsel voorzien. Alleen doordat we de zenuwen in de hersenen beter van voedsel voor­zien dan de dieren hebben we de mogelijkheid ons hogere ken­vermogen te ontplooien. Maar met het eigenlijke kennen heb­ben de hersenen en het zenuwstelsel volstrekt niets te maken; ze hebben slechts te maken met de uitdrukking van het kennen in het fysieke organisme.
GA 293/42
Vertaling/42-43

Ik heb nog geen directe aanwijzingen gevonden in wat er al zo over de hersenschors is te vinden, dat het ‘een degeneratie’ zou zijn. Meestal vind je wél bij welke activiteiten van de mens deze hersenschors een rol speelt.
Over de voeding van de hersenen, de stofwisseling daarin, is ook niet meteen veel te vinden.
Wanneer we vanuit het antroposofisch mensbeeld over ‘stofwisseling’ spreken, weten we nu dat andere karakteriseringen ook meehelpen het fenomeen beter te begrijpen. Vaak wordt het in één adem genoemd met ‘wil’ en deze weer met ‘bloed en spieren’. 
Aan dat laatste moest ik denken toen ik las dat de stofwisseling in de hersenen onder bepaalde omstandigheden dezelfde is als in de spieren:

‘Eerder al was gevonden dat stofwisseling en hersendoorbloeding tijdens inspanning aan elkaar gekoppeld zijn. Tot ieders verrassing bleek de stofwisseling van de hersenen meer op die van spieren te lijken dan gedacht. Bij een krachtige inspanning neemt de hoeveelheid beschikbare zuurstof in de hersenen af, en wordt er dus minder glucose omgezet in energie. Spieren gaan in zo’n situatie melkzuur produceren als alternatieve brandstof, en dat geldt ook voor de hersenen.’

Interessant is ook de vraagstelling:

De opmerkelijke vondst werd half oktober 2008 in The FASEB journal gepubliceerd, het blad van de Federation of American Societies for Experimental Biology. ‘Hoe belangrijk deze ontdekking is, weten we nog niet. Maar het roept allerlei intrigerende vragen op’, stelt Van Lieshout. ‘Spieren houden het bij een verminderde toevoer van zuurstof langer vol dan het brein. De hersenfunctie neemt al af wanneer de hoeveelheid zuurstof op negentig procent zit. Dan kom je bij een universele vraag uit: waarom wordt iemand moe? Omdat je spieren niet meer meewerken, of omdat je hersenen de spieren niet langer kunnen aansturen?’
Bron

Ook de ledematenmens is voornamelijk ledemaat, maar eigenlijk is de gehele mens ledematenmens; evenzo hebben de ledematen deel aan de aard van het hoofd (blz. 128/129)

Lees voor ‘ledematenmens’ ‘spier- en bloedmens’ en we zien in het onderzoek van bovengenoemde van Lieshout dat de mens hoofdzakelijk stofwisselingsmens is in de stofwisselings-ledematenmens, maar ook in het hoofd een ‘beetje’ stofwisselings-ledematenmens, zeg ‘bloed-spiermens’ is.

Leber zegt er nog het volgende over:

Speziell wird der Zusammenhang des Unterleibes mit dem Kopf betrachtet, weil daran die Nervenverhältnisse weiter erläutert werden können. Physiologen haben bemerkt, dass die feinste Ausgestaltung des Nervensystems, die nach Größe und Struktur höchst entwickelte Gehirnpartie, worin sich der Mensch von allen Tieren unterscheidet, die Großhirnrinde, eine besondere Verwandtschaft zum Unterleib aufweist. Einerseits erscheint das Großhirn in seiner makroskopischen Struktur dem Gedärm formverwandt, die Wölbungen und Höhlungen des freigelegten Gehirns erscheinen ähnlich dem bei geöffneter Bauchdecke sichtbar werdenden Bauchhöhleninhalt; das Gedärm erscheint, äußerlich gesehen, wie in den Kopf versetzt. Andererseits fällt auf, dass gerade die sichtbare Rindenschicht – sie erscheint grau und wird deshalb auch graue Masse (Griseum) genannt -, durch ihre hohe Vernetzung in der Cytoarchitektur zwar einen außerordentlich kunstvollen Bau aufweist, zugleich aber schon eine Rückbildung darstellt.
Dieser graue Hirnmantel wird von der so genannten weißen Masse (Album) unterlagert, die von Fasern gebildet wird, die in ihrem Verlauf alle Gehirnareale miteinander verbinden. Diese Faserbahnen weisen eher eine lineare Struktur auf, im Gegensatz zum vielfältigen Geflecht der grauen Masse. Hervorgerufen wird das weiße Aussehen durch die starke Myelinisierung der Fasern, d.h., die verbindenden Fasern haben eine sie umgebende kräftige, fettartige, weißliche Umhüllung.
Die Ernährung dieser Schicht ist erheblich geringer als die der Rindenschicht, der Assoziationsfelder. Der mittlere Glukoseverbrauch in den Assoziationsfeldern von 29 – 32 mmol/100 g/min bei ruhigem Wachzustand steigt    bei ruhigem Betrachten im visuellen Kortex auf 45 – 50 mmol/100 g/min    Zahlenangaben nach Heise 1987, oder im Striatum (Streifenhügel mit markhaltigen Fasern) auf 42 – 46 mmol/100 g/min.  in: Heckhausen(Hg.) 1987, S. 404
Während er in den hinteren Regionen der grauen Strukturen in der Schädelgrube nur 25 – 30 mmol/100 g/min beträgt, weist er in der weißen Substand einen bedeutend niedrigeren Wert auf, nämlich nur 15-22 mmol/100 g/min.

Den Grund für die Rückbildung gerade des Mantelteiles des Gehirns sieht Steiner darin, dass dieser Bereich den höchsten Stoffumsatz, den allerintensivsten Stoffwechsel aufweist. Es ist, als liege im Gehirnmantel schon ein Ernährungssystem vor. Der Mensch braucht sich darauf nichts Besonderes einzubilden, denn gerade in den Assoziationsfeldern der Rinde, seinem eigentlichen Reflexionsorgan, auf das er vor allem stolz ist und das er am höchsten entwickelt glaubt, liegt eine Rückbildung des komplizierteren Gehirns zu einem ernährenden Gehirn vor.
Die Rückbildung ist so zu verstehen, dass evolutiv etwas auftritt, was im Grunde der Nervennatur ferner steht: ein Organ, das stärker als die darunter liegende weiße Masse mit Stoffwechselprozessen verbunden ist. Damit wird bereits etwas von der reinen Nervennatur zugunsten des Stoffwechsels aufgegeben und eine stärkere Verbindung des Kopfes zum Unterleib hergestellt, als dies mit den darunter liegenden Schichten geschieht.
Der Gehirnmantel ist zweifellos der Teil des Gehirns, der am stärksten mit dem wachbewussten Erkennen zusammenhängt. Er muss aber besser ernährt werden als der andere Teil. Damit liegt hier eine über die tierische Entwicklung hinausgehende Entwicklung vor. An der reinen Nervenbildung gemessen, haben wir jedoch bereits eine Rückbildung.
Die im Vergleich zum Tier höhere Erkenntnisfähigkeit rührt von der besseren Ernährung des Gehirnmantels her. Erkennen und Denken werden nicht vom Gehirn hervorgebracht; dieses ist lediglich Werkzeug des Denkens im physischen Organismus.

In het bijzonder wordt er gekeken naar de samenhang van het onderlichaam met het hoofd, omdat daarmee weer meer verklaard kan worden hoe het met de zenuwen zit.
Fysiologen hebben opgemerkt dat de fijnste vormen van het zenuwsysteem, het naar grootte en structuur hoogst ontwikkelde deel van de hersenen, waarmee de mens zich van alle dieren onderscheidt, de hersenschors (Cortex cerebri), een bijzondere verwantschap vertoont met het onderlichaam. Enerzijds zien we dat de hersenschors in zijn macroscopische [met het blote oog] structuur qua vorm lijkt op de darmen; de welvingen, de holtes van de blootgelegde hersenen zien er ongeveer zo uit als de inhoud van de buikholte wanneer de buikwand open is; de darmen lijken wel, uiterlijk bekeken, als waren ze naar het hoofd verplaatst.
Anderzijds valt op dat m.n. het zichtbare schorsoppervlak – dat ziet er grijs uit en wordt wel de grijze massa genoemd – vanwege het dichte netwerk in de architectuur van de cyto [holte] weliswaar een buitengewoon kunstige bouw vertoont, tegelijk echter al een teruggang in ontwikkeling laat zien. Onder deze grijze hersenmantel ligt de zogenaamde witte hersenmassa die door uitlopers [neurieten] wordt gevormd die alle hersengebieden met elkaar verbinden. Deze uilopers vertonen eerder een lineaire structuur, in tegenstelling tot het veelvoudige vlechtwerk van de grijze massa. Dat het wit lijkt komt door de sterke aanwezigheid van myeline rondom de uitlopers, d.w.z. dat die met een sterke, vetachtige witte stof zijn bekleed.

De voeding van deze laag is aanzienlijk minder dan die van de hersenschors, de asscociatievelden. Het gemiddelde glucosegebruik in de asscociatievelden van 29 – 32 mmol/100 g/min in een rustige wakkerheidstoestand loopt op. [4] In de visuele cortex tot 45 – 50 mmol/100 g/min  bij rustig kijken. Of in het striatum 42 – 46 mmol/100 g/min. Terwijl dit in de achterste gebieden van de grijze structuren in de schedelgroeve maar 25 – 30 mmol/100 g/min bedraagt, geeft deze in de witte substantie een aanmerkelijk lagere waarde aan, nl. maar 15-22 mmol/100 g/min.

Een mooie illustratie van de witten en grijze stof

Het achteruitgaan moet zo begrepen worden, dat er evolutionair iets plaatsvindt wat fundamenteel verder afstaat van de aard van de zenuwen: een orgaan dat sterker dan de daaronder liggende witte massa met stofwisselingsprocessen verbonden is. Daarmee wordt al iets van de pure zenuwnatuur ten gunste van de stofwisseling weggegeven en een sterkere verbinding van het hoofd met het onderlichaam gemaakt dan dat met de daaronder liggende lagen gebeurt.
Het hogere kenvermogen in vergelijking tot het dier komt door de betere voeding door de hersenmantel .
Kennen en denken worden niet door de hersenen voortgebracht; deze vormen alleen een instrument in het fysieke organisme om te denken.

In zijn boek ‘Mijn brein denkt niet, ik wel’, komt Arie Bos tot dezelfde conclusie, wat ook uit de titel van een uitgave voor jonge(re) mensen blijkt: ‘Gebruik je hersens

.

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

[4] Heckhausen
.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1615

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (49)

.

De Aartsengel Michael

 en de deugd van de moed

Door de opening naar de geestelijke wereld, welke Dr. Rudolf Steiner aan ons heeft gebracht, is het mogelijk om weer enige verbinding te gaan voelen met concrete, geestelijke wezens, welke in diepe zin met ons mens-zijn te maken hebben.

In vroegere tijden (sterker en duidelijker naarmate we verder teruggaan in het verleden van de Middeleeuwen tot in de culturen van de Oudheid), was deze verbinding aanwezig, zonder dat men ook maar de geringste twijfel hieromtrent koesterde. Men achtte het bestaan van ‘deugden’ als leidraden die de ‘goden’ ons in de ziel, in de levensgewoonten inlegden.

Dat is met de sterke opkomst en overheersing van het materialisme in de 19e eeuw (in de zin van de geest-ontkenning) min of meer verdwenen. Maar naarmate wij grondiger en in algemene zin de ‘geestelijke wereld’ weer au sérieux gaan nemen door de moderne geesteswetenschap genaamd antroposophia, kunnen we weer gaan denken en spreken over concrete, geestelijke entiteiten (bijvoorbeeld werkend uit de planetenregionen) welke geestelijke, psychische eigenschappen in ons oproepen, behoeden en versterken.

En dan verbaast het ons ook niet, als we menselijke psychische eigenschappen als samenhangend met ons planetenstelsel gaan herkennen.

In de grandioze cultuur van het antieke Hellas vinden we al een zekere methodische beschouwingswijze van wat we kortgezegd de menselijke deugden noemen.
In deze antieke deugdenleer ontmoeten we dadelijk al het grondmotief van een drieledigheid, kort gezegd de deugden van het hoofd, van de ‘middenmens’ en van de regio van de organen in de buik en de ledematen. Als ‘structuur’ van het deugdenstelsel.

Nu is het opvallend, dat de volken die na tijden van overstroming en verijzing het Europese continent dat zich uit een oudere geografische toestand ontwikkelt, gaan bewonen (Kelten, Germanen en Slaven), sterke overeenkomst vertonen, met name in het feit, dat de ‘middendeugd’ welke zij beschouwen en zelfs waarnemen, gelegen is in de borst, in het hart. Deze middendeugd is de moed.

Guido Reni’s impressie van aartsengel Michael (De abdij van Mont Saint-Michel)
.
Het is niet onbegrijpelijk dat zij als hun belangrijkste deugd de harte-deugd van de moed beschouwen.

Strijdend, bezield door deze hartekracht (deugd), worden het continent en de eilanden van Europa bezet door volken, die een ‘zonne-leiding’ ervaren. Er wordt verteld dat de binnentrekkende Germaanse stammen heel duidelijk een geestelijk wezen waarnemen, dat hen over de Alpen naar het zuiden dirigeert.

We zouden kunnen zeggen: een zonneaartsengel die vanuit Azië over de Oeral, maar ook vanuit noordelijke, noord-westelijke zijde naar die plekken wijst, waar deze stammen ‘Europese’ vestigingen gaan vormen.

Het is al in zeer vroege, christelijke geschriften te vinden, dat deze naar het zuiden gedirigeerde Germaanse stammen dit hoge zonnewezen ‘Michael’ de aartsengel noemen. Ik denk dat we mogen zeggen, dat het nog steeds de zonnekracht is, die in ons hart de kracht wekt van de zonnedeugd moed.

In de jaren die ik als leraar in de Vrije School werkte, werd het Michaelfeest (29 september) ook altijd gevierd met als thema de harte-kracht van de moed.

In de oude liederen van Europese volken wordt Michael als de moedige strijder bezongen.

Laten we niet vergeten dat Michael de kosmisch-goddelijke held is van de deugdkracht van de moed, welke zetelt in ons hart.

.

W.F.Veltman, Dit artikel verscheen eerder in VRIJE OPVOEDKUNST, sept 2016.
Voor plaatsing op deze blog werd toestemming verleend.
.

Michaëlalle artikelen

Michaëlsliederen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel

.

1614

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.