Maandelijks archief: november 2018

VRIJESCHOOL – Advent – op weg naar Kerst (17)

.

Ongeborenheid

Bij de inrichting van het geboortehuis in de Ita Wegman-kliniek op 26 juni 1940, klonken deze woorden van Ita Wegman: “Dit is toch wat Rudolf Steiner als ideaal zag, namelijk, dat de kinderen die ter wereld komen, op de juiste wijze ontvangen worden. Daarmee zal ook de verbetering van de mensheid samenhangen.”

Jaren daarvoor, in 1914, sprak Steiner deze woorden:
“Onsterfelijkheid – ongeborenheid, wie beide verstaat, verstaat de eeuwigheid.”

Spreken over onsterfelijkheid is in Nederland anno 2012* niet meer vreemd; spreken over ongeborenheid roept vragen op. Onsterfelijkheid heeft in de Nederlandse cultuur, onder andere door de kerken, een plek gekregen in het bestaan van de mens: als je sterft ga je naar de Hemel, word je opgenomen in het Al, de kosmos, de hemel, het Oer of in het niets…

De zorg voor het kind tijdens de zwangerschap heeft de laatste decennia een grote sprong gemaakt, kinderen die met 24 weken zwangerschap worden geboren, kunnen, mits aan bepaalde voorwaarden voldaan kan worden, in leven blijven. Er kunnen operaties tijdens de zwangerschap bij het ongeboren kind worden verricht. Wat is een ongeboren kind?
“We vermoeden niet eens wat ons ontbreekt in deze richting” aldus Steiner. [1] Verder schrijft Steiner: “De ongeborenheid is de andere zijde van de eeuwigheid. […] Het leven wordt pas begrijpelijk als men het in zijn geheel bekijkt en er niet alleen een korte tijdspanne, die tussen geboorte en dood verloopt, uitknipt. Want deze tijd is erg afhankelijk van de voorgaande tijd van het vóórgeboortelijke, van de reine geestelijke wereld. Met ons gehele wezen zijn we afhankelijk van wat er in de geestelijke wereld is voorafgegaan aan onze geboorte.”[2]

“We moeten een woord hebben dat zeer duidelijk wijst op onze pre-existentie. We mogen de betekenis die in een woord ligt, niet onderschatten. Je mag nog zoveel denken, nog zo scherpzinnig denken, steeds is er iets in je dat intellectualistisch is. In het ogenblik waarop de gedachte zich omvormt tot een woord, zelfs als dit woord alleen maar gedacht wordt, zoals in de woordmeditatie, op datzelfde ogenblik grift zich dat woord in in de wereld-ether. De gedachte grift zich niet zo in in de wereldether, anders zouden we nooit vrije wezens kunnen worden in ons reine denken. We zijn namelijk gebonden op het moment dat iets zich ingrift. We zijn niet door het woord vrij, maar wel door het reine denken – dat kun je in mijn Filosofie der vrijheid lezen – maar het woord grift zich in in de wereldether. Doordat er geen woord is in de
initiatiewetenschap door ons ‘ongeboren-zijn’, daardoor is de ‘ongeborenheid’ niet ingegrift in de wereldether. Alles wat aan belangrijke woorden van de mensheid in zijn kindheid, in zijn jeugd, in de wereldether is ingegrift, al dat betekent een vreselijk schrikken voor de Ahrimanische machten. ‘Onsterfelijkheid’ ingeschreven in de wereldether verdragen Ahrimanische machten zeer goed, want ‘onsterfelijkheid’ betekent, dat ze met de mensen een nieuwe schepping beginnen en met de mensen uit wandelen willen gaan. Dat irriteert de Ahrimanische wezens niet, als ze steeds de ether doorsuizen, om met mensen hun spel te spelen, als er zoveel over onsterfelijkheid van de preekstoel wordt verkondigd en in de wereldether wordt ingeschreven. Maar het is een vreselijk schrikken voor hen, als ze het woord ‘ongeborenheid’ in de wereldether zien ingeschreven staan. Daar gaat voor hen het licht uit, waarin zij zich bewegen. Daar komen zij niet verder, daar verliezen ze hun richting, daar voelen ze zich als in een afgrond, als in het bodemloze. Zo zie je hoe het een Ahrimanische daad is om de mensen van dit begrip af te houden en niet van ‘ongeborenheid’ te spreken. Ook al mag het de moderne mens nog zo paradoxaal voorkomen om van zulke dingen te spreken, de moderne civilisatie heeft het nodig dat we over zulke dingen spreken. Het is niets minder dan de strijd tegen de Ahrimanische machten, die we zelf moeten opnemen.”[3]

Sixtijnse Madonna

Kijkend naar de Sixtijnse Madonna van Rafael, zien we vele kinderhoofdjes vanachter het groene doek naar Maria kijken. “Wie de kinderen op de Madonna-afbeeldingen van Rafael bekijkt, ziet dat uit hun kinderogen het goddelijke, het verborgene, het bovenmenselijke straalt, waarmee het kind nog in de eerste tijd na zijn geboorte verbonden is.'[4] Misschien kan dit schilderij ons helpen om een verbinding te voelen met de ‘ongeborenheid’ en de vele kinderen die vol verlangen naar de aarde afdalen. Daniël Udo de Haes heeft ooit een verhaal geschreven om het Sinterklaasfeest en het kerstfeest met elkaar te verbinden. Ook hierin het beeld van Maria die kinderen onder haar warme mantel meeneemt naar de aarde en die de mensenkinderen die terug willen keren naar de geestelijke wereld, onder haar kleed mee terugneemt:

“…Eens reed Sint-Nicolaas over de wolken van Spanje naar Holland. Daarboven in de hemel ontmoette hij Maria, die het Kerstkind in haar armen droeg. Zij vertelde aan Sint-Nicolaas dat zij het Kind juist weer voor een poosje naar de aarde wilde brengen. Daar mocht het dan weer met de kinderen spelen. Toen kwamen dadelijk van alle kanten de sterren naderbij en vroegen of ze mee mochten gaan.

Dat mag, zei Maria, als de Maan jullie de weg wil wijzen want jullie passen niet allemaal onder mijn warme mantel.

Dat hoorde Sint-Nicolaas en hij reed op zijn paard snel naar de maan: Goedenavond Maan! Goedenavond Sint-Nicolaas, zei de Maan. Maan, wil je de sterrenkinderen die met Maria mee naar de aarde willen de weg wijzen? Natuurlijk, zei de Maan, als de Zon dan overdag wil helpen…

Sint-Nicolaas reed naar de Zon. Zon, wilt u Maria helpen om de sterrenkinderen de weg naar de aarde te wijzen, de Maan helpt in de nacht, kunt u overdag helpen?.

Wat willen de sterrenkinderen op de aarde doen Sint-Nicolaas? De sterrenkinderen willen spelen met het Kerstkind en de aardekinderen. Ik help graag mee, zei de Zon.

Toen kwam de Zon naast Maria staan en de Maan aan de andere kant. Maria nam vele sterrenkinderen onder haar mantel en de sterrenkinderen zagen de glans van het Kerstkind dat Maria op haar arm droeg. De Zon liet zijn stralen lichten op het pad dat Maria ging…

Sint-Nicolaas reed ondertussen op zijn paard met rasse schreden vooruit over de wolken en kwam als eerste op de aarde aan. Daar aangekomen vertelde hij aan een ieder die het maar wilde horen dat het Kerstkind weldra op aarde zou komen. Sint-Nicolaas gaf de kinderen speelgoed zodat zij straks met het Kerstkind konden spelen. Toen Maria met het Kind op aarde aankwam, sprongen vele sterrenkinderen van haar schoot en waren mensenkinderen geworden. Ze speelden samen.

Na een poosje keerde Maria terug naar de Hemel en vele mensenkinderen mochten met haar mee om daar dicht bij de Zon, Maan en Sterren te zijn…”

“Dit is toch wat Rudolf Steiner als ideaal zag, namelijk dat de kinderen die ter wereld komen, op de juiste wijze ontvangen worden. Daarmee zal ook de verbetering van de mensheid samenhangen.” Met deze woorden van Ita Wegman begon dit artikel. Als het waar is dat de verbetering van de mensheid samenhangt met hoe wij de kinderen ontvangen, hoe kunnen wij de kinderen dan ontvangen?

Gea van Weeren, schoolpsychologe bij de Begeleidingsdienst voor Vrijescholen, sprak afgelopen zomer tijdens een lezing op de Zutphense Zomercursus over: ‘Vraag het de kinderen!’ Als we goed waarnemen laten de kinderen aan ons zien wat zij nodig hebben om op de juiste wijze ontvangen te worden: lichtheid, tederheid, rust, warmte, liefde, geduld, respect, terughouding, openheid en wellicht een diepe verwondering voor de wereld van de ongeborenheid die zij verlaten om over te gaan in de geborenheid.

1 GA 335: Die Krisis der Gegenwart in der Weg zu gesunden Denken.
2 GA 140: Okkulte Untersuchungen Ober das Leben zwischen Tod und neuer Geburt.
3 GA 203: Die Verantwortung des Menschen für die Weltentwicklung.
4 GA 143: Erfohrungen des Übersinnliche – Die drei Wege der Seele zu Christus.
• Bundel 24, Saluto Genese vzw België.

.
Met toestemming van de auteur Loïs Eijgenraam

Website Loïs Eijgenraam

*Dit artikel verscheen eerder in  VRIJE OPVOEDKUNST nr.7/8-2012
Hier gepubliceerd met toestemming van de auteur

.

Boeken van Loïs Eijgenraam

.
Advent: alle artikelen

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: jaarfeesten     jaartafels

.

1667

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rekenen

.

MIJNHEER VAN DALE WACHT OP ANTWOORD

Wie kent het ezelsbruggetje niet?

In een samengestelde som waarin vermenigvuldigd, gedeeld, afgetrokken en opgeteld moet worden,

gaan vermenigvuldigen en delen VOOR op optellen en aftrekken.

optellen en aftrekken wordt gedaan in de volgorde waarin de +  en de –  staan.
DAT IS HETZELFDE GEBLEVEN

VERMENIGVULDIGEN ging vóór DELEN

DAT IS VERANDERD!

 

Ze gaan nog steeds voor op optellen en aftrekken, maar vermenigvuldigen gaat niet meer voor op delen: die worden nu ook gedaan in de volgorde waarin ze staan.

DAT WEET NIET IEDEREEN, getuige laatst nog een radioquiz waarin een ‘mijnheer-van-dale-som moest worden opgelost.

Zeg het ook even tegen de ouders: die hebben allemaal nog de oude vorm geleerd. En als ze bij het huiswerk helpen…..

.

Rekenen: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (9)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Tatatoeks reis naar de kristalberg

Een bijzonder voorleesboek voor de oudste, schoolrijpe kleuters is Tatatoeks reis naar de kristalberg van Jacob Streit.
Tatatoek is een verlegen dwerg die op een dag de opdracht krijgt een kristal voor de koning te halen. De reis gaat over zeven bergen en door zeven dalen. In ieder dal zit een gemene kobold die Tatatoek wil verhinderen naar de hoge kristalberg te gaan. In dit spannende verhaal herkennen kinderen de oerbeelden van moed en doorzettingsvermogen. Het zijn kwaliteiten die ze zelf ook een beetje moeten ontwikkelen als ze de vertrouwde kleuterwereld definitief achter zich laten.

.

boek

.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, lente 1999, nr.3

.

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

1666

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (8)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Annika

Een boek voor peuters en jonge kleuters dat op een vanzelfsprekende manier heen en weer beweegt tussen de fantasiewereld en de dagelijkse realiteit is Annika, het klassieke prentenboek van Elsa Beskow. Als Annika door haar moeder op pad wordt gestuurd om te kijken of de koe Bertha niet in de wei van de buurman is gelopen, gebeuren er allerlei gewone, maar voor een peuter ook spannende dingen. Ze komt een grote hond en een opschepperige buurjongen tegen, ze krijgt het hek van de wei niet open en Bertha glipt inderdaad door een gat in het hek naar de klaverwei van de buurman. Annika besluit kordaat dat ze dat hek moet dichtmaken en pakt een stok uit een berg takken. Maar dan hoort ze een boos stemmetje. Tot haar grote schrikt blijkt de takkenbos een kabouterhuis te zijn en de kaboutervader is behoorlijk boos dat Annika het huis bijna kapot maakte. Als bij toverslag komt Annika in de kabouterwereld terecht en gaat ze op in haar spel met de kabouterkinderen. Ze eet zelfs pannenkoeken in het kabouterhuisje en krijgt een emmertje aardbeitjes mee.

Dan hoort Annika haar moeder roepen. In een oogwenk zijn de kabouters verdwenen en holt Annika naar huis. ’s Avonds eten ze de aardbeien op met suiker en room. Hoewel weinig kinderen dagelijks te maken hebben met een koe in de wei, zijn de belevenissen van Annika volstrekt herkenbaar voor iedere parmantige drie- of vierjarige die alles zelf wil doen. Annika is een boek dat je een heel zomerseizoen lang samen kan lezen en bekijken zonder dat het gaat vervelen.

.

boek
.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, lente 1999, nr.3

.

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1664

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Speelgoed (5-3/2)

.
De keuze voor verantwoord speelgoed, cadeautjes, is soms moeilijk te maken. Wat geef je op welke leeftijd en met welk doel.
Een uitstekende artikelenreeks hierover is Spel en speelgoed

Uiteraard zijn er verschillende opvattingen en soms loopt de keus voor een stukje speelgoed ook per leeftijd uiteen. 

Om 0uders behulpzaam te zijn verschijnen en verschenen allerlei lijstjes met geschikt speelgoed voor een bepaalde leeftijd.

Hier is zo’n lijstje, het verscheen jaren geleden, maar bevat nog altijd suggesties die ook voor nu bruikbaar zijn.

Goede speelvormen en speelmaterialen

van 0-1 .jaar

koord met balletjes;
baby-ballen rammelaar;
bijtring;
drijvende dieren;
belletjeskubus ; ratelkubus;
bal;
pluchebal;
poppen en dierfiguren van zachte stof.

peuter 1-3 jaar

piepfiguren;
pluchen en stoffen figuren en poppen;
dieren die je achter je aan trekt;
duikelaars;
holle kubussen;
bouwbekertjes;
prentenboeken van linnen of zwaar karton;
speelgoed voor zandbak,
tuin en strand;

van 3-6 jaar

kleine houten auto’s van 10-25 cm;
vrij grote vrachtauto’s;
houten trein;
staande schommel;
hobbelpaard;
kleine ladderwagen of geheel gesloten vrachtwagen;
teddybeer en andere stoffen dieren ;
bezem;
wasgerei en dergelijke;
zandspeelgoed;
grote bouwelementen,
speelmeubels;
driewieler;
paardenvoertuig;
verschillende houten voertuigen;
tuinschommel;
kruiwagen;
poppen;
poppenkleding met toebehoren;
poppendraagtas,
poppenbed,
poppenwagen;
tekenbord,
borddoek,
krijt;
vingerverf;
waskrijtblokken en -stiften;
bouwblokken van hout;
speelgoed om te schroeven; insteekbouwmaterialen, met grote delen;
materiaal om te leggen, in te steken, te spijkeren;
rijgkralen;
opstelspeelgoed (steden, dierentuin en andere);
autoped; babypop en- toebehoren;
poppenkamer met poppen; toebehoren voor het’rollenspel’;
winkel;
handspeeldieren;
bouwmateriaal met schroefverbinding;
kaartenhuis;
kneedmateriaal;
gekleurd papier en kinderschaar;
magneet, zaklamp en dergelijke;
eenvoudige gezelschapsspelen;
prentenboeken,
kleurboeken,
voorleesboeken,
eenvoudige puzzels ;

van 6-10 jaar

springtouw; kleine modelvoertuigen;
grote poppenwagen;
handspeelpoppen (‘Jan Klaassen’);
vlechtblaadjes van papier;
waterverf (dekkleuren);
winkel met toebehoren;
kindermuziekinstrumenten (trommel, blokfluit, xylofoon);
huishoudelijk speelgoed (veger, stoffer, blik);
kookstelletje;
kleurstiften met dunne,
kern;
constructie-bouwmateriaal hout);
insteekbouwmateriaal  (plastic);
vellen papier om te knippen;
handenarbeidmateriaal (figuurzagen, verven, werken met klei en dergelijke);
vrij grote modelvoertuigen (metaal);
rolschaatsen en schaatsen;
weefgetouw;
knutselmaterialen;
vrij moeilijke gezelschapsspelen;
badminton;
bouwplaten; constructiebouwdoos (metaal);
goocheldoos;
leesboeken;
puzzels.

van 10 jaar en ouder

een deel van het speelmateriaal van 6-10 jaar;
vlieger;
aquarelverf;
naaimachine;
fornuis en andere elektrische apparaten;
gereedschap;
hobby-materialen;
elektrische modeltrein;
stoommachine,
elektromotor;
technische bouwdozen;
experimenteerdozen;
boeken;
puzzels;
muziekinstrument;
modelbouw (schepen, vliegtuigen);
fototoestel met handleiding.

omgaan, uitproberen, experimenteren en vormen met materiaal

van 0-1 ,jaar

luchtballon;
mobile;
geluidsspelen;
ratel;
grijpspeelgoed;
badkuipspeelgoed;
bal;
werppop;
werpdier;

tussen 1 en 3 jaar

badkuipspeelgoed;
hansworst;
duikelaartje;
kogelbaan;
muziek-speeldoos;
vormen-insteekspel;
insteek-speelgoed (bouwbekers, blikken);
eenvoudige legpuzzel;
hamerspelen;
bouwblokken;
vingerverf;
viltstiften;
vezelstiften;
zandbak;
zandspeelgoed;

tussen 3 en 6 .jaar

zandbak;
zandspeelgoed;
kegelbaan die je uit elkaar kunt nemen;
bouw- en constructiemateriaal;
grote bouwelementen;
verkeerscomplexen zonder aandrijving;
miniatuurvoertuigen;
opstelspeelgoed;
materiaal om te leggen;
plaatjes-legspelen;
legpuzzel;
kaartenhuis;
gekleurd papier;
schaar;
vellen papier om te knippen;
papiervlechten;
rijgkralen;
kneedmateriaal;
bord;
krijt- en viltstiften;
waskrijt;
waterverf;
kleurpotloden;
kleurboeken;
gereedschap;
materiaal om met de handen te werken;
drukken;
handwerken;
weefgetouw;
caleidoscoop;
vlieger;
zweefvliegtuig;

tussen 6 en 10 jaar

materiaal en gereedschap om te bouwen;
schilderen;
drukken; vormen;
met de handen te werken zoals voor 3-6 jaar;
constructiemateriaal;
voertuigen. en verkeerscomplexen met aandrijving (opdraai-mechanisme/ batterij);
schepen;
mini-bobslee;
montagebouw (vaartuig, telefoon);
kabelbaan;
racebaan met aansluiting op lichtnet;
legpuzzel;
plaatjeslegspel;
stempeldoos;
bouwplaten;
boetseermateriaal;
werkbank;
experimenteermateriaal;
caleidoscoop;
speelveer;
vlieger;
denkspelen;
goochelspelen;
geduidspelen;

met 10 jaar en later

materiaal en gereedschap als voor 6 tot 10 jaar;
modelbouwgereedschap en -materiaal;
modeltrein met aansluiting op lichtnet;
naaimachine;
breimachine;
aquarelverf; tekensjablonen;
passer
experimenteermateriaal;

rollenspel – toneelspel

tussen 1 en 3 jaar

stoffen dieren;
werppop of andere eenvoudige pop;
telefoon;
eenvoudige huishoudgereedschappen (bezem, zwabber);
onbreekbaar servies;
speelmeubels;
speelelementen van karton;

tussen 3 en 6 jaar

stoffen dieren;
pop – ook babypop;
poppentoebehoren (kleertjes, bedje, koffer);
telefoon;
pannen;
bakgerei;
huishoudgereedschappen;
breekbaar servies;
poppenkamer met buigpoppetjes;
toebehoren voor andere rollenspelen (arts, astronaut, post, supermarkt);
dingen om te je verkleden;
handspeelpoppen (eenvoudig en licht);
opstelspeelgoed;
miniatuurvoertuigen;
verkeerscomplexen zonder aandrijving;
voertuigen met verschillende functies (kraan, brandweer);
grote bouwelementen;
speelmeubels;
speelelementen;
tent;

tussen 6 en 10 jaar

stoffen dieren;
poppen;
poppetoebehoren;
poppenkamer (meer toebehoren);
huishoudgereedschappen;
rollenspel toebehoren
dingen om je te verkleden;
miniatuurvoertuigen;
voertuigen met aandrijving;
treincomplex zonder en met aandrijving (veerwerk of batterij);
racebaan met aansluiting op lichtnet;
handspeelpoppen;
handspeeldieren;
vereenvoudigde marionetten;
poppenkast (podium);
speelmeubels;
grote speelelementen;
tent;
grote bouwelementen;

met 10 jaar en ouder

poppen; poppentoebehoren;
elektrische apparaten (fornuis, strijkijzer);
dingen om je te verkleden en toneel te spelen;
poppenkast;
handspeelpoppen en -dieren;
marionetten;
speelmeubels;
grote speelelementen;
tent;
grote bouwelementen ;

gezelschapspelen

tussen 3 en 6 jaar

lottospelen;
kleuren- en plaatjesdomino;
snipsnap;
pak me;
kat en muis;
hengelspel;
behendigheidsspelen;
knikkeren;
geheugenspelletjes (memory,
koffer inpakken;
zwartepieten;
kleur-dobbelspelen;
eenvoudige wedstrijd
dobbelspelen (geluksspelen);
spellendoos;

tussen 6 en 10 jaar

geheugenspelletjes (memory, koffer inpakken);
wedstrijddobbelspelen (taktische);
bordspelen (halma, dammen, rollenspel);
letterspelen;
legspelen;
domino;
denkspelen;
kaartspelen;
kwartet;
spellendoos;
behendigheidsspelen, (mikado, labyrint, vlooiènspel);
autoracebaan (lichtnet);
sportspelen (tafeltennis, badminton);
ballen;
werpspelen;
springtouw;
elastiekentwist;
knikkeren;

met 10 jaar en later

gezelschapsspelen als voor 6-10 jaar;
autoracebaan met aansluiting op lichtnet;
moeilijke gezelschapsspelen;
denkspelen;
geduldspelen;
behendigheidsspelen;
goochelspelen;
sportspelen;
sportballen;
blaaspijp;
werpspelen (ringen, schijven, darts….)

Andere mogelijkheden

Andere activiteiten die kinderen leuk vinden is het, op hun eigen manier, meehelpen van de ouders, bijvoorbeeld met het verzorgen van een jonger broertje of zusje; het verzorgen van de planten; met het eten klaar maken; in de tuin helpen. In en rond het huis zijn vaak veel mogelijkheden voor kinderen die ze graag samen met hun ouders doen.
.

bron-vermelding:
– vooral gebaseerd op ‘Aktions-Leitfaden gegen Kriegsspielzeug’; DFG-VK-Bundesgeschaftsstelle, Essen
– Omgaan met agressie. Agressie als communicatiemiddel. Hans Tromp, Everbard Mulder – 1978; 2e herziene druk 1980.
– vooral gebaseerd op; ’Aktion Kriegsspielzeug; Modelle- und
Aktionsvorschläge für Kinder, Jugendlich und Erwachsene1, Deutsches Pax-Christi-Sekretariat) Frankfurt/Main – nr.21, 2-78,
– artikel in Veluwepost dd. 15 nov. 1978.

.

Spel, speelgoedalle artikelen

Rudolf Steiner over spel

.

1663

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Spel en speelgoed (5-4/4)

.

In een viertal korte artikelen zal er aandacht besteed worden aan enige aspecten van spel en speelgoed. Ter sprake zullen komen onderwerpen als: het geven van speelruimte; opheffen van spelbelemmeringen; uitgangspunten voor de keuze van speelgoed; reclame; media; opvoeding tot zinvolle vrijetijdsbesteding waarbinnen het spel centraal staat. Juist in onze* tijd, waarin we overspoeld worden door de media, lijkt me een bezinning over spel en speelgoed van het grootste belang.

{4}

Spel en speelgoed

In het eerste artikel over dit onderwerp hebben we aandacht besteed aan het wezen van het spel; de keuze van speelgoed waarbij de behoeften van het kind uitgangspunt zou moeten zijn; de in-houd van de reclame op de keuze van speelgoed.

In het tweede artikel besteedden we aandacht aan het geven van spelruimte; het uit de weg ruimen van spelbelemmeringen en enkele uitgangspunten voor de keuze van speelgoed.

In het derde artikel besteedden we aandacht aan; verveling en vervreemding; media en consumptie in relatie met spel en speelgoed en vulden we de lijst van uitgangspunten voor de keuze van speelgoed nog aan.

In dit vierde artikel over dit onderwerp en tevens laatste, besteden we aandacht aan het centraal zetten van het spel in de opvoeding tot zinvolle vrijetijdsbesteding. We besluiten met een korte opsomming van een aantal uitgangspunten voor de keuze van speelgoed.

Opvoeding tot zinvolle vrijetijdsbesteding: spel centraal stellen

Opvoeden tot vrijetijdsbesteding is een noodzaak, omdat de vrije tijd de tijd is welke de mens mogelijkheid geeft tot een stukje zelfverwerkelijking.

Bij een opvoeden tot een zinvol gebruik maken van de vrije tijd, gaat het eigenlijk om twee pedagogische criteria. Opvoeden tot vrijetijdsbesteding betekent het kind helpen te komen tot een persoonlijke keuze van vrijetijdsactiviteiten. Opvoeden tot vrijetijdsbesteding betekent ook het kind helpen te komen tot een verantwoorde keuze van vrijetijdsactiviteiten. Dit betekent dat er in de omgeving van het kind, de gemeente, de wijk, de school, een infrastructuur aanwezig moet zijn. Er moeten voor het kind allerlei voorzieningen in de naaste omgeving zijn: een speeltuin, mogelijkheden voor kunstbeoefening, gelegenheden voor sportbeoefening e.d. Dit betekent ook, dat het kind over voldoende en goed speelgoed moet beschikken. Uit dit aanbod aan mogelijkheden, hopelijk tot stand gekomen uit de behoeften van kinderen zelf, moet door het kind op een persoonlijke en verantwoorde manier gekozen kunnen worden. De infrastructuur moet echter ook flexibel zijn, waardoor er allerlei nieuwe mogelijkheden ingebouwd kunnen worden en verouderde vormen weer kunnen verdwijnen. De infrastructuur moet op een democratische wijze tot stand komen en waar mogelijk moeten kinderen dan van zo jongs af aan zelf bij betrokken worden. Het kind moet geholpen worden tot een persoonlijke keuze van zijn vrijetijdsactiviteiten. Het kind zal ook tot een persoonlijke keuze van spelactiviteiten moeten kunnen komen.

Door vrije keuze kan een kind komen tot een stukje eigen verantwoordelijkheid en tot engagement. Een opgedrongen vrijetijdsbesteding betekent onder meer bij het kind bevorderen van zin krijgen in het echt zinvolle en het afhouden van het zinloze. Tegenwoordig is er een groot gevaar aanwezig dat het kind meegezogen wordt met het gemechaniseerd amusement, waarbij het gevaar aanwezig is dat het kind nog nauwelijks creatief is. We moeten het kind helpen zich ook bezig te houden op een creatieve manier in de vrije tijd. Vrije tijd heeft iets met een waardepatroon te maken en speelt derhalve in een opvoeding een rol. Kan het onderwijs nu bijdragen tot een beter gebruik maken van onze vrije tijd? Ons onderwijs is nog steeds fundamenteel en uitsluitend een voorbereiding op de arbeid. Vele nieuwe onderwijsplannen zijn gericht op andere waarden, maar deze programma’s komen moeilijk van de grond en zijn ook uiterst moeilijk meetbaar. We constateren van de ene kant: hoe hoger het onderwijsniveau, hoe meer cognitieve en professionele doelstellingen gaan overheersen en hoe minder er aandacht is voor terreinen anders dan de arbeid.

Van de andere kant: goed en hoger onderwijs verhoogt in het algemeen wel de keuzemogelijkheden t.a.v. de vrije tijd. Onderwijs kan en moet er echter toe bijdragen om van de vrijgemaakte tijd ook vrije tijd te maken. Mensen als Fauré, Janne, Schwartz spreken dan ook van een nieuw type onderwijs in onze samenleving. Het wordt dan meer een onderwijs voor alle leden van een maatschappij, om hun diverse talenten ten volle te ontwikkelen. Het gaat erom mensen meer zelfvertrouwen te geven en ze meer flexibel te maken. Ze in staat stellen om gemakkelijker toegang te laten geven tot cultuur en beslissingsmacht. Natuurlijk, door meer en beter onderwijs aan meer mensen ontstaat er wel een „over-kwalificatie”, wat een zeer moeilijke zaak is voor landen met een economische recessie. Daarom moeten we meer oog hebben voor een
vrijetijdsmaatschappij: ons onderwijs zal daarop moeten voorbereiden met accenten op creativiteit en initiatief.

Een relativeren van cognitieve waarden is noodzakelijk. Het zal nodig zijn dat de school opener wordt door er heel de gemeenschap bij te betrekken.

Juist het spelende kind zou een schakel kunnen zijn tussen onderwijs en gemeenschap.

Het probleem van de zelfverwerkelijking door de vrije tijd is een kwestie van de gehele opvoeding. Opvoeding tot creativiteit is noodzakelijk. Het gaat om een mentaliteitsverandering. Beleefde werkelijkheid en onderwezen werkelijkheid moeten veel meer samenvallen. Het gaat niet alleen om een leren te arbeiden, maar ook om een leren te zijn. Zo kunnen we misschien iets doen tegen de verveling op school, op het werk en ten overstaan van de cultuur. We vluchten te gemakkelijk in ontspanning. We zijn niet echt voorbereid op een zinvolle vrijetijdsbesteding. We kunnen bijna niet meer echt spelen. We moeten in de opvoeding meer werken in de richting van: belangstelling, actieve deelname, creativiteit, verantwoordelijkheid dragen. Een dergelijke opvoeding kan er dan wellicht toe bijdragen dat vervreemdingsverschijnselen voorkomen worden. Dit is hard nodig in onze samenleving, want op talrijke gebieden hebben we te maken met dergelijke verschijnselen. Te denken valt aan het gevoel van onmacht dat vele mensen hebben: we constateren immers een samentrekken van de beslissende macht in handen van een steeds kleinere minderheid. We zien dat op het economische vlak in de vorm van multinationals. Politiek gezien beheersen de grootmachten de meest vitale problemen van oorlog en vrede. Vele mensen worden overweldigd door massale machtconcentraties. Voor de opvoeding betekent dit m.i. dat we kinderen van jongs af aan moeten leren mee te beslissen en niet alles zo maar laten ondergaan.

Onze samenleving verzakelijkt steeds meer. Het meer hebben wordt vaak hoger aangeslagen dan het meer zijn. We leven in een wereld vol tegenstellingen waarin het voor bijna ieder mens moeilijk wordt de zin van het zijn te ontdekken. Bij de opvoeding moeten we m.i. het zijn meer benadrukken dan alleen maar het hebben. We moeten kinderen helpen de zin van hun leven te bepalen. Onze wereld verandert zeer snel op praktisch alle terreinen. Onze waarden staan te wankelen. We zien om ons heen een cynisme, pessimisme, wantrouwen, een op zoek zijn naar identiteit, een op zoek zijn naar innerlijke vrede.

Dit alles wijst op een zoeken naar bindende normen. We zien dat in de vorm van de onrust van de jongeren, de bewustwording van de vrouwen van hun gelijkwaardigheid en bij de problematiek van de bejaarden. In de opvoeding komt het er op neer kinderen te helpen waarden en normen te ontwikkelen. We hebben thans ook te maken met een versplinterende kennis die gemonopoliseerd is door enkelen. Er ontstaat een kloof tussen hen die over informatie beschikken, zij die de kennis hebben en zij die beslissingen moeten nemen.

Voor veel mensen wordt het steeds moeilijker een weg te vinden in de stroom informatie die op hen afkomt. In de opvoeding komt het er op neer kinderen van jongs af aan leren informatie te verwerven en te ordenen en vooral te leren kiezen uit de stroom van informatie. Vele behoeften in onze samenleving worden ons opgedrongen. Zo ontstaat er een hele industrie voor de vrije tijd, die tot consumptietijd wordt. In de opvoeding komt het er onder meer op neer kinderen een kritische houding bij te brengen, zodat ze onderscheid leren maken tussen eigenlijke en opgedrongen behoeften.We leven in een wereld waarin mensen tegen elkaar opgejaagd worden. In onze samenleving gaat het teveel om: elk voor zich en de meest geschikte overleeft. Sociale bindingen spelen een dominerende rol in de eigen positieverbetering. We beseffen nauwelijks dat we ons zelf hier door vereenzamen.
In de opvoeding zal meer accent gelegd moeten worden op sociale bindingen in verband met vrijetijdsbestedingen. De opvoeding tot een zinvolle vrijetijdsbesteding in gezin en in school heeft veel te maken met een mentaliteitsverandering. Kinderen zal van jongs af aan bijgebracht moeten worden dat arbeid en vrije tijd beide belangrijke elementen van ons leven zijn.

Misschien vragen ouders en leerkrachten te weinig wat kinderen in hun vrije tijd doen en komt het bij kinderen over dat ze alleen maar interesse hebben in de schoolsituatie. We zullen kinderen moeten leren dat vrije tijd niet alleen consumptie behoeft te betekenen. Kinderen moeten al van jongs af aan kritisch tegenover de media staan, waar consumptie in de vrije tijd zo aangepraat wordt. We moeten kinderen in staat stellen zelf eigen interesse te ontwikkelen, dit geeft ook een stuk zelfvertrouwen en kan de verveling tegenwerken. Kortom, stel kinderen in staat mee te beslissen zodat ze straks ook kunnen beslissen, ook t.o.v. hun vrije tijd. Veel van het hier genoemde geldt voor de hele opvoeding. Er kan geen sprake zijn van een aparte opvoeding tot het zinvol gebruik maken van de vrije tijd. Het gaat om een totale opvoeding, om een mentaliteitsverandering, die ook zijn neerslag zal hebben t.a.v. de vrije tijd.

Mentaliteitsverandering

We kunnen natuurlijk mooi spreken over een opvoeding tot een zinvolle vrijetijdsbesteding, maar wie zijn die opvoeders? Zelf zijn ze grootgebracht in een tijd waarin er van een opvoeding tot een zinvolle vrijetijdsbesteding nog geen sprake was. Het komt erop aan ook de mentaliteit van die opvoeders te veranderen. Het heeft weinig zin te spreken over opvoeding tot een zinvolle vrijetijdsbesteding of over een beleid als tegelijkertijd niet gewerkt wordt aan een mentaliteitsverandering t.a.v. arbeid en vrije tijd, bij het actieve en niet-actieve deel van onze bevolking. Natuurlijk staan we direct voor het probleem politieke keuze te moeten maken met mogelijk vérgaande consequenties. We zullen voor fundamentele keuzen geplaatst worden; vanzelfsprekendheden zullen we los moeten durven laten, waardegebieden zullen van elkaar onderscheiden moeten worden. Een ieder die met het spelende kind en de vrijetijdsbesteding van volwassenen te maken heeft, staat voor een belangrijke taak. Het is te hopen dat de genoemde uitgangspunten voor de keuze van speelgoed bijdraagt aan een tegemoetkoming van echt kinderlijke behoeften, waardoor kinderen tot zelfverwerkelijking, creativiteit en een harmonieuze ontwikkeling geraken. Het is te hopen, dat ook bij de ontwikkeling van materiaal voor de vrijetijdssector voor de volwassenen, genoemde uitgangspunten gehanteerd zullen worden.

Besluit

Ter afsluiting van deze vier korte artikelen over spel en speelgoed, noemen we nog eens de reeds naar voren gebrachte uitgangspunten voor de keuze van speelgoed.

Speelgoed moet kinderlijke behoeften helpen bevredigen

Het speelgoed van het kind moet aangepast zijn aan de leeftijd, d.w.z. dat het moet beantwoorden aan de door de , leeftijd bepaalde belangstelling en aan het ontwikkelingsniveau van capaciteiten van degene die speelt.

Speelgoed, dat het al ontgroeid is, gaat het kind vervelen. Met speelgoed dat pas voor een latere ontwikkelingsfase geschikt is, kan het kind nog niet op de juiste wijze omgaan. Wanneer de volwassene het kind hiertoe aanzet, beperkt hij het in zijn spelvrijheid en veroorzaakt een ongezonde vroegrijpheid van het spelende kind.

De objectief gerechtvaardigde behoefte van het kind en niet de wensen van de volwassene, zijn bij de keuze van speelgoed doorslaggevend. De subjectieve wensen van het kind op het gebied van speelgoed moeten door de opvoeder in de juiste banen worden geleid.

Speelgoed wordt voornamelijk door volwassenen voor kinderen gekocht. Het is daarom vooral de taak van de speelgoed kopende volwassenen ervoor te zorgen, dat het speelgoed, dat kinderen in handen krijgen, volgens pedagogische inzichten wordt gekozen en dat niet uitsluitend economische inzichten beslissen, waarmee kinderen zullen spelen. De spanning die bestaat tussen de belangen van de speelgoedindustrie aan de ene kant en de belangen van de kinderen en hun opvoeders aan de andere kant, is alleen dan op een voor alle partijen bevredigende wijze op te heffen, wanneer rekening wordt gehouden met de spelbehoeften van de kinderen en hun relatie tot speelgoed.

Speelgoed moet de gelegenheid geven om er langdurig en intensief mee te kunnen spelen.

Speelgoed moet aanzetten tot nieuwsgierigheid en verwondering.

De speelgoedreclame zou zich t.a.v. de keuze van speelgoed moeten beperken tot het aanprijzen van dat speelgoed, dat tegemoet komt aan echt kinderlijke behoeften en ontwikkelingsmogelijkheden.

– Speelgoed zal moeten  aanzetten om de keuzemogelijkheden van het kind te doen vergroten.

Speelgoed zal een confrontatie met de wereld moeten inhouden. Hoe
veelzijdiger confrontatie hoe beter.

Speelgoed zal steeds tot verdere exploratie moeten kunnen aanzetten.

Speelgoed zal afgestemd moeten zijn ook op kinderen die gebrek aan speelruimte hebben en aan een lange en ongestoorde speeltijd.

Speelgoed zal een positieve invloed moeten uitoefenen op spelinstelling en spelgedrag van kinderen.

Speelgoed zal moeten aanzetten tot actief spelen.

Speelgoed zal afgestemd moeten zijn op kinderlijke behoeften.

Speelgoed zal echter een isolering van het kind met de wereld der volwassenen moeten voorkomen.

Via geschikt speelgoed zal het kind de voor zijn ontwikkeling noodzakelijke ervaring moeten opdoen. We kunnen daarbij denken aan speelgoed dat de volwassenenwereld vertegenwoordigt.

Een groot arsenaal speelgoed zou eenvormigheid moeten voorkomen;

nagegaan zou moeten worden welke rol de media zouden kunnen spelen bij het juist kiezen van speelgoed;

de mogelijkheden van onze media zouden positief aangewend moeten worden om kinderen tot spelen aan te zetten. Wellicht moet er eens nagedacht worden over media-speelgoed-programma’s;

– speelgoed mag een massacultuur niet helpen bevorderen, maar zou integendeel deze juist onmogelijk moeten maken;

speelgoed moet uniformiteit tegengaan

– speelgoed moet een reeks gebruiksmogelijkheden bezitten. Het moet een veelzijdige belangstelling bij het kind wekken en het een grote speelruimte laten bij het gebruik;

speelgoed moet zodanig van aard zijn dat het kind er zorg voor kan hebben. Duurzaam speelgoed wordt door het kind lang en intensief gebruikt en het raakt er als aan een voorwerp waarmee het dagelijks omgaat, sterk aan gebonden. Het moet van dusdanige aard zijn, dat de zorgvuldige behandeling bij het spel niet afleidt van het eigenlijke spel. De duurzaamheid moet corresponderen met het aanwezig vermogen van het kind, om zorgvuldig met de dingen om te gaan. Zorg voor het speelgoed hoort bij de opvoeding van het spelende kind.
.

Drs.H.G.Maeter, De Vacature nr.1, 07-01-1987

.

Spel, speelgoedalle artikelen

Rudolf Steiner over spel

.

1662

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Spel en speelgoed (5-4/3)

.

In een viertal korte artikelen zal er aandacht besteed worden aan enige aspecten van spel en speelgoed. Ter sprake zullen komen onderwerpen als: het geven van speelruimte; opheffen van spelbelemmeringen; uitgangspunten voor de keuze van speelgoed; reclame; media; opvoeding tot zinvolle vrijetijdsbesteding waarbinnen het spel centraal staat. Juist in onze* tijd, waarin we overspoeld worden door de media, lijkt me een bezinning over spel en speelgoed van het grootste belang.

{3}

In het eerste artikel over dit onderwerp hebben we aandacht besteed aan het wezen van het spel; de keuze van speelgoed waarbij de behoeften van het kind uitgangspunt zou moeten zijn; de inhoud van de reclame op de keuze van speelgoed.

In het tweede artikel besteedden we aandacht aan het geven van spelruimte; het uit de weg ruimen van spelbelemmeringen en enkele uitgangspunten voor de keuze van speelgoed.

In dit derde korte artikel besteden we aandacht aan de onderwerpen: verveling en vervreemding; media en consumptie in relatie met spel en speelgoed en vullen we de lijst van uitgangspunten voor de keuze van speelgoed (in het tweede artikel gegeven) naar aanleiding hiervan nog wat aan.

De verveling en de vervreemding

Een van de belangrijkste kenmerken van onze vrijetijdscultuur lijkt wel de verveling te zijn. Wij worden er dagelijks mee geconfronteerd, zowel op het werk als buiten de werktijd. In de grond verlangen mensen die zich vervelen niet naar het einde van de arbeidstijd, daar hun problemen hier pas echt beginnen. Volgens Fourastié is de verveling ook een gevolg van de vooruitgang die oorzaak is van eenvormigheid, en dit op allerlei gebieden, zoals bijvoorbeeld de mode, de architectuur, de vrijetijdsbesteding enzovoort. De monotonie leidt tot verveling. Met de hoeveelheid van gelijksoortige goederen die aangeboden wordt, neemt ook de vervreemdende kracht van die producten toe. De vervreemding tendeert dus in feite nog toe te nemen: ondertussen vermindert de vrijheid, onder invloed van de kunstmatig opgeroepen behoeften. Het komt ons voor dat o.a. de media een belangrijke rol spelen bij de verveling en de vervreemding. Daarom in dit verband een enkel woord over onze media.

De media

Het probleem dat zich in elke maatschappij stelt is dit van de waarheid. De gevestigde samenleving heeft er soms alle belang bij dat bepaalde zaken verdoezeld en andere op het voorplan geschoven worden. Uiteraard spelen de media hier een zeer voorname rol. In vele opzichten hebben de media de functie van de familie en van de opvoeders op zich genomen. Langs de media worden de kinderen de te volgen voorbeelden en de te laken daden voorgehouden.

De waarden en de eigenschappen die in de samenleving hoog worden geschat, worden op een al dan niet vervulde manier aan de man gebracht. Door middel van de media kan men hele bevolkingsgroepen bewerken. Meestal hebben de boodschappen die de media brengen een (politiek) sussende én een (economisch) activerende betekenis. Zij zijn de behoeders en de verdedigers van de samenleving.

Beïnvloeding

Mc Luhan heeft er ook de nadruk op gelegd dat sinds het ontstaan van de TV het vooral het onderbewuste is geweest dat aangesproken werd door de reclamemensen. Het bleek namelijk gemakkelijker dit onderbewuste te gebruiken voor verkoopsdoeleinden. De beïnvloeding is hier ook veel groter en verzet wordt al heel moeilijk. Door gebruik te maken van de media en van gespecialiseerde publiciteitsmensen, kan men vandaag de dag praktisch alles aan de man brengen. Hier wordt niet alleen aan goederen gedacht, maar ook aan ideeën. In feite gaan de media bepalen wat een groot deel van de maatschappij gaat denken, voelen, aanbidden en verafschuwen. De echte individuele persoonlijkheid wordt verdrongen en in haar plaats treedt een soort algemene mening op de voorgrond. De gelijkschakeling vergemakkelijkt immers in hoge mate de efficiëntie van de controle.

Media en vrijetijdsbesteding

In verband met het belang van de media in de vrijetijdsbesteding, kan een onderzoek van Thoveron aangehaald worden, dat betrekking heeft op België.

Hieruit bleek dat ongeveer 30 % van de beschikbare vrije tijd aan de media gespendeerd werd. Het TV-kijken speelt hier de belangrijkste rol. Verder bleek ook dat voornamelijk „passieve” activiteiten hieronder te lijden hadden (bioscoopbezoek, lezen enzovoort). De media-consumptie geschiedt ten nadele van de andere vrijetijdsactiviteiten.

Uitschakeling creativiteit

Wat de inhoud van de TV-programma’s betreft, stelt men vast dat deze in hoofdzaak behoudsgezind is, dat hij de in de maatschappij gevestigde normen bevestigt en versterkt. Dit sluit perfect aan bij wat de grote meerderheid denkt en voelt, dit ook onder invloed van de mediaconsumptie. Dit komt tot uiting in de berichtgeving. Er worden debatten en discussies georganiseerd, maar er is weinig plaats voor een echte uitwisseling van ideeën.

Alles wordt met een zelfde ernst aangeboden, doch er is gewoonlijk geen conclusie. Men geeft enkel verscshillende standpunten.

Consumptie

Verder is ook vastgesteld dat de media de mensen aanzet tot voortdurende consumptie. Door allerlei zaken te tonen, worden bepaalde behoeften geschapen, die het individu tracht te bevredigen. Het effect is hier niet zo zeer op korte, dan wel op lange termijn merkbaar. Brightbill noemt het TV-kijken het „sit and watch” fenomeen: het enige wat de mensen doen is naar hun toestel zitten te staren. Berdiner stelde reeds in 1957 vast dat tot 80 % van de Amerikanen hun vrije tijd in en rond de woning doorbrachten, waarvan het grootste deel dan nog TV keek. Op 46 miljoen woningen, waren er 39 miljoen toestellen en de kijktijd bedroeg per gezin reeds vijf en een half uur.

Dit is waarschijnlijk niet altijd bevorderlijk voor opinievorming of ontwikkeling.

Harmonieuze ontwikkeling

Een gevolg van al datgene wat verspreid wordt door de media is wel de massacultuur. Deze wordt door velen (o.a. M. Mead) beschouwd als een soort veiligheidsklep voor het afvoeren van agresssieve neigingen. Anderzijds is het ook zo, dat de massacultuur de gemakkelijkste vorm van ontspanning is, aangezien hier geen inspanning of initiatief vereist is. Het is gewoon de voortzetting van het patroon van de arbeid. Opnieuw wordt de gelijkschakeling in de hand gewerkt. De massacultuur is een cultuur die uiteraard maatschappijbevestigend werkt. Het is geen verschijnsel van vraag en aanbod.

Het is te gemakkelijk alles af te schilderen alsof het allemaal door de verbruiker gewenst wordt. Ingrijpend is de rol van de media. De gewone burger heeft bij de voornaamste media praktisch of helemaal geen inspraak, alles wordt bepaald door economische oogmerken, zonder dat met het individu rekening gehouden wordt. De massacultuur gaat zorgen voor het droomelement in de werkelijkheid, en in feite wordt gestreefd naar het vervangen ervan. Zij brengt uiteindelijk de boodschap van het „eeuwige geluk”. Het geluk wordt hier dan gelijk gesteld met genot en consumptie. Geluk kan je kopen. Terzelfder tijd echter wijst zij ook op de beperktheid van de kleine mens, die het grote politieke en economische gebeuren slechts kan ondergaan: Je kan er toch niets aan veranderen, beter je dan maar met privébezigheden te bekommeren. De massacultuur oefent uiteraard ook een sterke invloed uit op de „vrijetijdscultuur” en op het spelen. Beiden dreigen een uniform karakter te krijgen.

Uitgangspunten voor keuze van speelgoed

Een groot arsenaal speelgoed zou eenvormigheid moeten voorkomen
nagegaan zou moeten worden welke rol de media zouden kunnen spelen bij het juist kiezen van speelgoed
de mogelijkheden van onze media zouden positief aangewend moeten worden om kinderen tot spelen aan te zetten. Wellicht moet er eens nagedacht worden over media-speelgoed-programma’s.
Speelgoed mag een massacultuur niet helpen bevorderen, maar zou integendeel deze juist onmogelijk moeten maken.
speelgoed moet uniformiteit tegen gaan
speelgoed moet een reeks gebruiksmogelijkheden bezitten. Het moet een veelzijdige belangstelling bij het kind wekken en het een grote speelruimte laten bij het gebruik
speelgoed moet zodanig van aard zijn dat het kind er zorg voor kan hebben. Duurzaam speelgoed wordt door het kind lang en intensief gebruikt en het raakt er als aan een voorwerp waarmee het dagelijks omgaat, sterk aan gebonden. Het moet van dusdanige aard zijn, dat de zorgvuldige behandeling bij het spel niet afleidt van het eigenlijke spel. De duurzaamheid moet corresponderen met het aanwezig vermogen van het kind, om zorgvuldig met de dingen om te gaan. Zorg voor het speelgoed hoort bij de opvoeding van het spelende kind.

Wordt vervolgd.

.

Drs.H.G.Maeter, De Vacature nr. 24, 17-12-1986

.

Spel, speelgoedalle artikelen

Rudolf Steiner over spel

.

1661

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Spel en speelgoed (5-4/2)

.

SPEL EN SPEELGOED

In een viertal korte artikelen zal er aandacht besteed worden aan enige aspecten van spel en speelgoed. Ter sprake zullen komen onderwerpen als: het geven van speelruimte; opheffen van spelbelemmeringen; uitgangspunten voor de keuze van speelgoed; reclame; media; opvoeding tot zinvolle vrijetijdsbesteding waarbinnen het spel centraal staat. Juist in onze* tijd, waarin we overspoeld worden door de media, lijkt me een bezinning over spel en speelgoed van het grootste belang.

{2}

In het eerste artikel over dit onderwerp hebben we aandacht besteed aan het wezen van het spel; de keuze van speelgoed waarbij de behoeften van het kind uitgangspunt zou moeten zijn; de inhoud van de reclame op de keuze van speelgoed.

In dit tweede artikel besteden we aandacht aan het geven van spelruimte; het uit de weg ruimen van spelbelemmeringen en enkele uitgangspunten voor de keuze van speelgoed.

Spelruimte geven

Recht op spel betekent de mogelijkheid geven tot spel. Concreet kan dat betekenen dat we kinderen tijd en ruimte voor spel moeten geven.
Zo zullen we moeten overwegen in hoeverre spel in de beperkte ruimte binnenshuis of buiten in de open lucht gerealiseerd kan worden.
In ieder geval zullen we het kind speelruimte moeten geven. In dit verband is ’t van belang te stellen: Het spel in de buitenlucht is niet alleen op grond van lichamelijke gezondheid noodzakelijk. Spel is een grondvorm van de
confrontatie met de buitenwereld. En tot die wereld behoort véél meer dan wat zich binnen de nauwe muren van een huis bevindt. Belangrijk is ook de speelhoek thuis. Vergeet niet dat het kind zijn speelhoek in de woning nodig heeft en tracht dit hoekje zo in te richten dat het beantwoordt aan de behoeften die het kind overeenkomstig zijn leeftijd heeft.

Heb begrip voor het kind, dat vanuit zijn speelhoek in de buitenwereld doordringt en help het bij het vinden van zijn grenzen. Zorg ervoor, dat het kind in de buitenlucht niet uitsluitend de mogelijkheid vindt om zich te bewegen, maar ook de mogelijkheid om al spelend de wereld rondom zich te verkennen en om zorgzaam om te gaan met plant en dier. De meeste openbare speelterreinen bieden te weinig gelegenheid tot echt spelen. Behalve speelruimte is het ook noodzakelijk dat het kind de zo noodzakelijke ongestoorde speeltijd krijgt.

Spelbelemmering en het uit de weg ruimen daarvan

Dit was het thema van de 2e konferentie der I.C.C.P. (International Council for Children’s Play), die in oktober 1960 in Brighton gehouden werd. Aan deze conferentie namen vertegenwoordigers deel uit 12 Europese landen, uit Israël, India, Australië en verschillende Afrikaanse landen. De volgende stellingen werden ter discussie gesteld:

Inschakeling van het kind in de wereld der volwassenen.

a. Echt, en de persoonlijkheidsontwikkeling bevorderend spel kan zich slechts dan ontplooien, als aan het kind en aan zijn spel de gepaste plaats in de wereld der volwassenen wordt toegewezen.

b. Deze vraag wint aan betekenis in gelijke mate als de afstand tussen kinderen volwassenenwereld groter wordt in de loop van de culturele ontwikkeling.

c. De in de laatste eeuw in steeds sneller tempo voortschrijdende industrialisering, mechanisering en verstedelijking hebben dit probleem in vele landen tot een zeer dringende en moeilijk oplosbare kwestie doen worden.

d. Niet alleen de materiële wereld die de volwassenen geschapen hebben is voor het kind ontoegankelijker (vaders werkplaats in huis – fabriekshal), onbegrijpelijker (thuis gesponnen en geweven wol – syntetische vezels waaruit stoffen gefabriceerd worden), en gevaarlijker (bezem – stofzuiger) geworden. Vele gebieden, die vroeger het kind dat spelend de wereld verovert voor zijn spel ter beschikking stonden, zijn nu voor hem gesloten (omgang met dieren, rommelzolders om te snuffelen, met water spelen aan een beek). Ook het „sociale” en „psychische” klimaat, waarin het kind speelt heeft zich wezenlijk veranderd (ouders werken buitenshuis, kleinere gezinnen, gebrek aan basiszekerheid, uit de gejaagdheid en overspanning van de volwassenen en hun „materieel gedrag” voortkomend onbegrip voor het kind en zijn spel, toenemende tegenstelling tussen het intieme gezinsleven en de „onpersoonlijkheid” van de „sociale verplichtingen”).

e. De veranderde levensomstandigheden (zie d.) belemmeren het spel van het kind in drieërlei opzicht:

1. De uiterlijke omstandigheden waaronder het spel zich voltrekt, beperken de mogelijkheid tot spelen aanzienlijk (gebrek aan speelruimte in huis én buiten, belemmering van het spel door het voortdurend rekening moeten houden met medebewoners, verkeer, minder mogelijkheid om deel te nemen aan hetgeen de volwassenen doen, het ontbreken van een lange en ongestoorde speeltijd).

2. Het „sociale” en „psychische” klimaat, waarin de kinderen leven, is vaak
spel-remmend en spel-vijandig (kinderspel is storend voor de volwassenen, kinderen hebben geen deel aan de vrijetijdsbesteding der volwassenen of behoren daar niet bij. De belangstelling van de volwassene voor het kinderspel is miniem, zij zijn niet bereid met de kinderen mee te spelen).

3. De kinderen zelf zijn veranderd in hun spelinstelling en hun spelgedrag (drang om snel volwassen te worden en daarmee boven spelen verheven te zijn, afnemen van de drang naar creativiteit en van het lang volhouden van het spel, toename van neurosen bij kinderen en van de verveling).

f. De essentiële problemen bij het uit de weg ruimen van de belemmerende factoren voor de ontplooiing van het kinderspel zijn de volgende:

1. Noodzakelijke beveiliging van de kinderen tegen de wereld der volwassenen (weghouden bij drukke verkeerswegen, van het passief televisiekijken in plaats van actief spelen, bescherming tegen overprikkeling die het spel stoort). Deze afscherming betekent zowel beveiliging tegen gevaar als beperking van de mogelijkheid om ervaring op te doen.

2. Beschikbaarstelling van een aan de kinderlijke behoeften aangepaste „eigen” leefwereld, waarin het spel en daarmee ook de persoonlijkheid van het kind zich vrij ontplooien kunnen (speelterrein buiten, atmosfeer van rust en veiligheid waarin het kind zonder gejaagdheid en in harmonie met de volwassene spelen kan, speeltijd, speelgoed). Deze aan het kind aangepaste speelwereld brengt naast zijn voordelen ook het gevaar mee van isolering van het kind van de wereld der volwassenen.

3. Het feit dat voor het kind vele gebieden waarin het vroeger zijn spelen kon uitvoeren, zijn afgesloten (zie d.), dat het vaak verwijderd gehouden wordt van de wereld der volwassenen (zie f. 1.) en terugverwezen naar zijn eigen „wereldje” (zie f. 2.) heeft ten gevolge dat zijn mogelijkheden tot het opdoen van ervaring aanmerkelijk beperkt worden. Daaruit vloeit voort de opvoedingstaak, voor al deze beperkingen een zekere mate van vervanging te vinden. Er moeten manieren gevonden worden waarop het kind de voor ontwikkeling noodzakelijke ondervinding kan opdoen, door middel van zijn spel (technische basiservaring door de omgang met eenvoudige materialen, speelgoed dat de volwassenen-wereld vertegenwoordigt, zandbak, piasvijver, verzorging van dieren).

Uitgangspunten voor keuze van speelgoed

Vanuit het voorgaande zijn puntsgewijs reeds een aantal uitgangspunten voor de keuze van speelgoed te noemen:

– Speelgoed moet kinderlijke behoeften helpen bevredigen

– Het speelgoed van het kind moet aangepast zijn aan de leeftijd, d.w.z. dat het moet beantwoorden aan de door de leeftijd bepaalde belangstelling en aan het ontwikkelingsniveau van de capaciteiten van degene die speelt.

Speelgoed, dat het al ontgroeid is, gaat het kind vervelen. Met speelgoed dat pas voor een latere ontwikkelingsfase geschikt is, kan het kind nog niet op de juiste wijze omgaan. Wanneer de volwassene het kind hiertoe aanzet, beperkt het in zijn spelvrijheid en veroorzaakt een ongezonde vroegrijpheid van het spelende kind.

– De objectief gerechtvaardigde behoefte van het kind en niet de wensen van de volwassene, zijn bij de keuze van speelgoed doorslaggevend. De subjectieve wensen van het kind op het gebied van speelgoed moeten door de opvoeder in de juiste banen worden geleid.

– Speelgoed wordt voornamelijk door volwassenen voor kinderen gekocht.

Het is daarom vooral de taak van de speelgoed kopende volwassenen ervoor te zorgen, dat het speelgoed, dat kinderen in handen krijgen, volgens pedagogische inzichten wordt gekozen en dat niet uitsluitend economische inzichten beslissen, waarmee kinderen zullen spelen. De spanning die bestaat tussen de belangen van de speelgoedindustrie aan de ene kant en de belangen van de kinderen en hun opvoeders aan de andere kant, is alleen dan op een voor alle partijen bevredigende wijze op te heffen, wanneer rekening wordt gehouden met de spelbehoeften van de kinderen en hun relatie tot speelgoed.

– Speelgoed moet de gelegenheid geven om er langdurig en intensief mee te kunnen spelen.

– Speelgoed moet aanzetten tot nieuwsgierigheid en verwondering.

– De speelgoedreclame zou zich t.a.v. de keuze van speelgoed moeten beperken tot het aanprijzen van dat speelgoed, dat tegemoet komt aan echt kinderlijke behoeften en ontwikkelingsmogelijkheden.

Speelgoed zal moeten aanzetten om de keuzemogelijkheden van het kind te doen vergroten.

Speelgoed zal een confrontatie met de wereld moeten inhouden. Hoe
veelzijdiger confrontatie hoe beter.

Speelgoed zal steeds tot verder exploratie moeten kunnen aanzetten.

Speelgoed zal afgestemd moeten zijn ook op kinderen die gebrek aan speelruimte hebben en aan een lange en ongestoorde speeltijd.

Speelgoed zal een positieve invloed moeten uitoefenen op spelinstelling en spel-gedrag van kinderen.

Speelgoed zal moeten aanzetten tot actief spelen.

Speelgoed zal afgestemd moeten zijn op kinderlijke behoeften.

Speelgoed zal echter een isolering van het kind met de wereld der volwassenen moeten voorkomen.

Via geschikt speelgoed zal het kind de voor zijn ontwikkeling noodzakelijke ervaring moeten opdoen. We kunnen daarbij denken aan speelgoed dat de volwassenenwereld vertegenwoordigt.

Wordt vervolgd.

.

Drs.H.G.Maeter, De Vacature nr. 23, 03-12-1986

.

Spel, speelgoedalle artikelen

Rudolf Steiner over spel

.

1660

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Spel en speelgoed (5-4/1)

.

Spel en speelgoed

In een viertal korte artikelen zal er aandacht besteed worden aan enige aspecten van spel en speelgoed. Ter sprake zullen komen onderwerpen als: het geven van speelruimte; opheffen van spelbelemmeringen; uitgangspunten voor de keuze van speelgoed; reclame; media; opvoeding tot zinvolle vrijetijdsbesteding waarbinnen het spel centraal staat. Juist in onze* tijd, waarin we overspoeld worden door de media, lijkt me een bezinning over spel en speelgoed van het grootste belang.

Spel

Spel is doel in zichzelf; kenmerkend is de vrijheidsbeleving die met het spel gepaard gaat en het lustgevoel dat er mee gewekt wordt. Wie echt speelt voelt zich vrij en ervaart het spelen als iets prettigs.

Spel is wel doel in zichzelf, maar heeft toch een nuttige functie. Velen zien spel als een voorbereiding op het leven; men denkt dan vooral aan de ontwikkeling van in het leven noodzakelijke functies. Anderen leggen meer de nadruk op het tegemoetkomen aan vitale aandrang of aan een uitleven en kanaliseren van driften; anderen leggen weer meer de nadruk op het afreageren van energie-overschotten. Hoewel dergelijke speltheorieën vermoedelijk allen wel een waar aspect van spel benadrukken, duidt men in deze tijd spel vooral aan als: het zonder verdere bedoeling reageren op het uitnodigen tot activiteit uit de buitenwereld.

Welk speelgoed

Eenieder zal het er over eens zijn dat het uitzoeken van speelgoed bij het overvloedige aanbod in het belang van onze kinderen volgens pedagogische gezichtspunten moet geschieden. Bepaalde spanningen tussen de opvoeders, die speelgoed uitkiezen dat kinderen in hun ontwikkeling bevordert, en de speelgoedfabrikanten en handelaars, die speelgoed aanbieden, zijn er ongetwijfeld altijd al geweest. Want economische gezichtspunten, die bij de productie en de verkoop van speelgoed een doorslaggevende rol spelen, stemmen niet altijd overeen met de pedagogische gezichtspunten, die bij de keuze van speelgoed als opvoedingsmiddel de voorrang zouden moeten hebben. Deze discrepantie tussen speelgoed als opvoedingsmiddel en speelgoed als economische factor is in verband met de ontwikkelingen van de moderne economie ongetwijfeld groter geworden. Ook het speelgoed is in het zog van de productiedruk geraakt. Dat wil zeggen dat met alle middelen, niet in de laatste plaats door reclame, waarvan de invloed meestal aan de controle van de beïnvloede, in dit geval de koper, wordt onttrokken, de consumptie vergroot moet worden, om een vergroting van de productie op te vangen, waarbij op de consumptievergroting automatisch een nieuwe vergroting van de productie volgt, enz. Vergroting van het speelgoedverbruik, niet met het doel om de kinderen beter, d.w.z. op een voor hun ontwikkeling bevorderlijke wijze, te laten spelen, maar met het oog op een grotere speelgoedconsumptie, zodat nieuw kan worden geproduceerd. Het op consumptievergroting gerichte probleem van de productiedruk is een wereldomvattend probleem, dat alle levensterreinen bestrijkt. Kinderspel en kinderspeelgoed lenen zich er absoluut niet voor, om onder deze productiedruk te worden gezet. De verantwoordelijke opvoeder moet daarom, in het belang van het kind, zijn ingenomen pedagogische standpunt tegen het economische standpunt verdedigen. Een belangrijke opdracht.

Toch zijn de problemen niet direct opgelost als we t.a.v. speelgoed het pedagogische standpunt plaatsen tegen het economische standpunt. Wat moet precies dat pedagogisch standpunt zijn?

De behoefte van het kind als uitgangspunt bij de keuze van het speelgoed

Onomstotelijk staat vast dat kinderen behoefte aan spelen hebben. Speelgoed zou men o.a. een middel kunnen noemen om die behoefte te kunnen bevredigen. We kunnen hierbij denken aan behoeften op het ogenblik en aan behoeften over een langere periode uitgespreid. Hiermee correspondeert de behoefte aan gelegenheidsspeelgoed én de behoefte aan duurzaam speelgoed.

De keuze van gelegenheidsspeelgoed is veel eenvoudiger dan van duurzaam speelgoed. De behoefte van het ogenblik doet immers het kind naar gelegenheidsspeelgoed grijpen, het wordt snel afgedankt en ook spoedig vergeten, wanneer het het kind niet bevalt. Met het duurzame speelgoed gaat het kind lange tijd om en het wordt hierdoor langdurig beïnvloed. Het is verbazingwekkend, hoe kinderen vaak al heel vroeg met hun speelgoed vergroeien en er sterk mee verbonden raken. Maar hoe dan ook: bij de keuze van het speelgoed moet de behoefte van het kind de doorslag geven. Wordt gelegenheidsspeelgoed gebruikt, dat voor het moment wordt aangeboden, dan staat deze behoefte zeer nadrukkelijk op de voorgrond. Heel dikwijls echter laat de volwassene zich bij de keuze van het speelgoed door zijn eigen vervulde en niet-vervulde wensen leiden. Wanneer de keuze van het speelgoed alleen gedaan is vanuit het standpunt van de volwassene, dan is het resultaat vaak, dat de volwassene met het speelgoed speelt en het „ondankbare” kind zijn eigen weg laat gaan. Uitgaan van de spelbehoefte van het kind betekent echter niet, dat we elke wens die in het kind opkomt, moeten vervullen. Het spreekt vanzelf, dat de volwassene de wens van het kind, wat speelgoed betreft, en de omgang van het kind met speelgoed, moet richten. Daarom zijn niet de directe wens van het kind, of uitsluitend zijn subjectieve behoefte beslissend bij de keuze van het speelgoed, maar de bestaande objectief gerechtvaardigde behoeften, die de volwassene in overeenstemming moet brengen met de mogelijkheden, om deze te bevredigen. Wanneer we het kind zo eenvoudig mogelijk speelgoed geven, wanneer we het er voortdurend op wijzen, hoe gemakkelijk het is, om het zelf te maken, in plaats van kant en klaar te kopen, wat het graag wil hebben, wanneer we het beletten, alles te hebben, wat ook zijn vriendjes hebben, dan zijn dat noodzakelijke pedagogische maatregelen, die met ongeoorloofde dwang niets te maken hebben. We mogen evenwel niet uit het oog verliezen, dat het kind bepaalde
spelbehoeften heeft, die we in ieder geval moeten bevredigen. Deze noodzakelijke spelbehoeften zijn ondanks alle verschillen, die tussen de individuele kinderen bestaan, in zeer hoge mate afhankelijk van hun ontwikkelingsniveau. De vraag, in hoeverre het speelgoed aangepast moet zijn aan de leeftijd, is daarom een van de meest primaire vragen bij de keuze van het speelgoed. Een enkele opmerking over de behoeftebevrediging lijkt daarom hier op zijn plaats.

Behoeftebevrediging

De gezondheid van een individu hangt in grote mate af van de mogelijkheid tot spel en recreatie in al zijn vormen. Opdat de persoonlijkheid zich zo rijk mogelijk zou kunnen ontwikkelen, is het wenselijk dat iemand meer dan één
interessepunt zou hebben. Hoe breder de waaier van belangstelling, hoe groter de ervaring kan worden. Het individu moet ook een zekere nieuwsgierigheid, verwondering en ook twijfel aan de dag kunnen leggen. Ook hier is het maken van een juiste keuze onontbeerlijk. De maatschappij waarin dit individu zal leven, moet dan ook aangepast zijn. Zij moeten individugericht zijn en niet langer belust op winst. Arbeid en vrije tijd zouden meer rekening moeten (kunnen) houden met behoeften van mensen. De bevrediging van het individu mag niet beperkt worden tot de vrije keuze, maar moet ook uitgebreid worden tot arbeid. Zowel de arbeid als de vrije tijd kunnen een bron van zelfbevestiging en van ontwikkeling zijn. Beide kunnen bijdragen tot het geluk van de mens en moeten dit ook samen doen, aangezien zij onverbrekelijk verbonden zijn.

Als voorbeeld zijn behoeften van kinderen en daarmee samenhangende
spelbehoeften zeer globaal als volgt aan te geven:

– spelend bewegen (0-2 jaar)

– spelend omgaan met voorwerpen (2-3 jaar)

– fantasie- en rollenspel (4 jaar)

– succes- en gezelschapsspelen (5-6 jaar)

Uit dit voorbeeld valt reeds op te maken dat het kind behoefte zal hebben aan ander speelgoed, naarmate het in een andere fase van ontwikkeling terecht gekomen is.

Reclame

Dagelijks worden wij met dit verschijnsel geconfronteerd en of wij het nu willen of niet, wij ondergaan er bewust of eerder onbewust de invloed van. Het is als het ware een onzichtbare hand die ons leven helpt bepalen, en dit zowel materieel als geestelijk. De reclame gaat een zo groot mogelijk publiek trachten aan te spreken en daarom zal zij zich zo eenvoudig mogelijk uitdrukken en zich door allerlei hulpmiddelen trachten te laten helpen. Allerhande facetten van het leven zoals kunst, politiek, enzovoort worden in de boodschap verwerkt, opdat zoveel mogelijk mensen er zich zouden kunnen mee identificeren. Alles wordt tot het functionele, het bruikbare en het aangename herleid. Op zulke wijze worden niet alleen de positieve maar ook veelal de negatieve krachten van een samenleving aangewend. Het gevaarlijke aspect ligt verborgen in het feit dat de reclame gebaseerd is op de opvatting dat gelijk wat, aan gelijk wie, kan aangesmeerd worden. De behoeften en de bevrediging ervan kunnen willekeurig bepaald en gewijzigd worden. Terwijl de mens zich richt naar de reclame, richt die zich op haar beurt naar de mens. De publiciteit is een poging om de principes van de automatie op elk vlak van de samenleving toe te passen. Het ideaal dat nagestreefd wordt, is een geprogrammeerde harmonie tussen behoeften, aspiraties en bevrediging. In feite wordt naar een collectief bewustzijn getracht.

Dit zal gebeuren door een beïnvloeding van het onderbewuste. Zodoende, wordt het individuele, persoonlijke standpunt stilaan verdrongen door een soort algemeen, door iedereen aanvaard patroon. Een gevolg daarvan is dan ondermeer het alom aanwezige abstracte denken en voelen, dat onder andere bevorderd wordt door de literatuur, de film, de reclame. Aangezien de belangstellingssfeer zich stilaan zal gaan beperken tot de onmiddellijke belangen, zal de mens zich gaan opsluiten in een strak egoisme, wat volledig past in ons huidig maatschappelijk stelsel. Allen die de reclame hanteren dienen er zich van bewust te zijn welke invloeden men kan uitoefenen. Juist de speelgoedreclame zou er zich bewust van moeten zijn welke enorme invloed ze op juist jonge mensen uitoefenen, een invloed die veel verder gaat dan het aanprijzen van een artikel. De keuze van juist speelgoed, volgens pedagogische gezichtspunten, wordt door de reclame vaak alleen nog maar moeilijker gemaakt, te meer omdat bij het aanprijzen van speelgoed pedagogische uitgangspunten niet bepaald op de voorgrond staan.

(wordt vervolgd)

Drs.H.GT.M.Daeter, De Vacature, nr. 22, 19-11-1986

.

Spel, speelgoedalle artikelen

Rudolf Steiner over spel

.

1659

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Speelgoed (5-3/1)

.

SPEELGOED

Zoals Steiner al aan het begin van de eerste reeks voordrachten over pedagogie zei, [wegwijzer 3] dat we ons grondig bewust zouden moeten zijn van alles wat we doen – hier in de omgang met het kind – roept dat altijd de vraag op:. wat is grondig genoeg.

Wat moet je doen, laten en/of weten.

Over speelgoed is heel veel geschreven. Ook in vrijeschooltijdschriften. Immers, vooral in de vrijeschoolpedagogoie m.n. voor de kleuters, speelt spel een grote rol. Wat het belang is van spel, is nauw verbonden met wat en waarmee gespeeld wordt.

Niet alleen met Sinterklaas krijgen de kinderen speelgoed. Waar zou je naar kunnen kijken, moeten kijken, wil het speelgoed verantwoord zijn. En wat is dan weer verantwoord.

In deze rubriek SPEELGOED nr. 5 komen allerlei gezichtspunten aan de orde.

Hier volgt alleen een opsomming van mogelijke geschenken:

IDEETJES VOOR ‘SCHOENGESCHENKEN’

+ Van walnoten, muisjes maken, bootjes, wiegjes, enz.
+ Steentjes verven, in een versierd luciferdoosje doen.
+ Tolletje maken (van prikker en rond stukje karton).
+ Houten doosje versieren, te gebruiken om de vele schatten in te doen die elk kind heeft!
+ Van schors stoeltje of tafeltje maken, (voor het poppenhuis b.v. of voor het bouwwerk.)
+ Van hout, goede rechte tak, kabouter snijden, schapenwol opplakken voor baard en haren, muts van vilt op. (Dit kan ook van die houten poppetjes die men in een creativiteitszaak koopt. U kunt natuurlijk vele, vele andere figuurtjes maken, zoals koning, kok, indiaan, prinses, vader, moeder )
+ Mooie ketting maken.
+ Verkleedkleren (ik denk aan een manteltje b.v. Uitgebreide verkleedkleren kunt u (beter) op pakjesavond geven.
+ Gouden kroon, beplakken met bijv. lovertjes zodat het een Koningskroon wordt.
+ Van karton een mooie kaart tekenen, gleuf erin knippen, zodat hier een bewegend voorwerp ingeschoven kan worden.
+ Punnikklosje met garen (een houten klosje hierin spijkers timmeren).
+ Dierenfiguren zelf bakken en versieren.
+ Van een handdoekenrol een verrekijker of sterrenkijker maken (beplakken met mooi,papier of stof, vooral werken met lovertjes of kralen, dan wordt de kijker echt iets bijzonders!)
+ Tasje voor school, van katoen, of zelf geweven of gehaakt of gebreid.

Ideetjes voor pakjesavond

1 j aar
De 1e pop (alleen een zachte lap en hierin wat schapenwol doen en dan afbinden), rammelaar, speeltjes van mooie kleren die aan wieg of ledikant gehangen kunnen worden en die door de wind bewegen. Mobiel, muziekje (ik denk aan speeldoosje, maar let hierbij op zowel het uiterlijk als dat wat eruit voortkomt!!).

2 jaar
Knuffeldier, eenvoudige pop (geen babypop die is voor het schoolkind!) Mobiel, muziekje (en dan behoeft u niet alleen aan iets te denken voor het kind zelf, maar ook waar u als volwassen persoon iets mee kunt spelen voor het kind). Doosje met grote knopen (kinderen van 2 jaar vinden niets fijner om steeds weer doosje open te doen, knopen* erin, dan alles weer eruit en steeds maar weer opnieuw) .Kiekeboe-popje.

3 jaar
Beweegbare houten speeltjes (b.v. zagende kabouters, pikkende kippetjes enz.) Knuffeldier, eenvoudig popje, xylofoon, muziekdoosje (je hebt ze b.v. bij  in een houten kastje, de kinderen draaien dan een handel om en de muziek begint, lijkt een beetje op een ouderwetse koffiemolen).
Kiekeboepopje, grote blokken, houten stepje, poppenwagentje, rieten manden met dennenappels erin, kaboutertjes, kastanjes, stukjes schors, mooi prentenboek, spullen voor de zandbak, (iets voor de wintermaanden: een grote ijzeren wasteil met zand voor in de huiskamer). Houten bootjes, grote houten auto (waar het kind ook zelf in kan zitten en waar ze zo fijn de blokken in kunnen vervoeren). Mooie lappen om te gebruiken bij hun spel.

4 jaar
Verkleedkleren, eenvoudige pop, knuffeldier, kiekeboepop, blokken in alle vormen, vierkant, enz. Denkt u hierbij ook eens aan schijven van bomen en plankjes! Poppenwagentje, grote kar waar ze zelf op kunnen zitten, xylofoon, belletjes, paardenleidsel, stokpaard. Lappen en een wasrek waar ze tenten mee kunnen bouwen, houten figuurtjes, mooie prentenboeken, beweegbare figuren, mobiles voor in hun kamer, gebreide bal.

5 jaar
(hoewel het wel voor de ruim 5-jarige is), poppenhuis met meubeltjes (zelf maken is veel gezelliger, maar ook mooier en voordeliger!). Babypop, knuffeldier, houten blokken in alle vormen, ook gekleurde erbij. Manden, met dennenappels, stenen, eikels, kastanjes, houten figuurtjes kabouters. Wasrek met lappen voor tent en winkeltje en poppenkast. Poppenkastpoppen. Muziekinstrumenten zoals: xylofoon, triangel, belletjes, muziekdoosje.
Houten auto, trein met rails (natuurlijk niet een elektrische, daar is een kleuter nog lang niet aan toe!) Houten boten voor in de watertafel. (In de badkamer een teil met water). Zandbakspullen. Waskrijtblokjes, bijenwas, klei, verf (Akwarius, dit is een plantaardige verf die wij ook op school gebruiken). Teken- en schilderpapier. Rieten mand met knutselmateriaal, zoals mooi papier, kwastje, lijm, luciferdoosje, walnoten, closetrollen, karton in mooie kleuren. Rieten mand met lapjes, wol, schapenwol, naald. Timmerspullen. Verkleedkleren, paardenleidsel, stokpaard.

6 jaar
Poppenhuis met meubeltjes vind ik toch wel meer voor een 6-jarige dan voor een 5-jarige. Een weefraam is ook echt iets voor een 6-jarige. Winkelspullen (en die maakt u dan zelf zoals een rieten mand met noten erin, eikels, kastanjes, erwten, lege doosjes die u bewaard heeft en helemaal mooi wordt het als u dan ook nog een weegschaal er zelf bij maakt. Het gaat niet om die afgewerkte weegschalen in de winkel hoor, een kind van 6 jaar is daar nog lang niet aan toe!). Poppenkast met poppenkastpoppen. Timmerspullen, maar dan een handboortje er b.v. bij, die zijn heel goedkoop in de ijzerwinkels te koop. Verder zijn er voor de leeftijd van 6 jaar nog heel veel dingen geschikt die ik al bij 5 jaar vermelde .

Dorry, nadere gegevens onbekend

*stoppen ze die niet in hun mond?

.

Spel, speelgoedalle artikelen

Rudolf Steiner over spel

pinterest

 

 

 

 

 

 

Op pinterest nog veel meer ideeën

Tineke’s doehoek

via Google

.

1658

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Speelgoed (5-2)

.

SPEELGOED

Over speelgoed kunnen vele artikelen geschreven worden. 
Wanneer is ‘iets’ speelgoed. Aan welke criteria moet het voldoen. En wanneer is het ‘goed’. En is er dus dan ook slecht speelgoed. En wie bepaalt dat?

De laatste vraag komt uiteindelijk toch uit bij …….mensbeeld. Hoe zie je de mens, dus het kind dat opgroeit, wat vind je belangrijk bij dit opgroeien, bij deze ontwikkeling.

Dus: vele meningen, vele gezichtspunten. Die weer andere meningen uitlokken, met andere gezichtspunten.

Hier een aantal van die gezichtspunten:

HET SPELEN – HET SPEL – HET SPEELGOED

“Zeker hebben vele ouders meegemaakt, met hoeveel innerlijke toewijding een meisje een stuk hout heen en weer kan wiegen in haar armen. Vaak wordt deze “pop” met meer zorg omgeven dan een pop in mooie kleertjes… Zo’n pop wordt dan met veel moederlijke vermaningen gedragen, gereden, in het bad gedaan en tenslotte naar bed gebracht. Het meisje denkt er helemaal niet aan dat aan de houten lieveling hoofd, armen en benen mankeren. Haar fantasie tovert het onvolmaakte om in “bloeiend leven”.

Een vader, die het eenvoudige spel van zijn dochtertje heeft gadegeslagen, kwam op het idee een rond stuk hout in de draaibank te spannen. Met enkele handgrepen draaide hij een pop; de eerste pop was ontstaan. Het hoofd en het verdere lichaam werden aangeduid en met enkele ringen versierd. De achterkant werd afgehakt om de pop te kunnen laten liggen. Met bonte, vrolijke kleuren werd ze beschilderd. Zo werden in de 18e eeuw vele poppen uit Berchtesgaden, Oberammergau, Neurenberg en Salzburg de wijde wereld in gezonden om de vele kleine poppenmoeders te verblijden. Veel ambachtelijk kunnen was daarin verborgen en ondanks alle massaproductie bleef het houten speelgoed toch nog handenarbeid. Vooral is in ieder stuk nog de levende bloedwarme hand, die het houtsnijmes hanteerde, waar te nemen; het fluïdum, dat de “Holzschnitzer” zijn werk meegaf, heeft de harten van de kinderen van de hele wereld gewonnen.

Zo wordt in “Spielzeug. Eine bunte Fiebel” von Hans Friedrich Geist, een kostelijk oud speelgoedboekje, verteld.

St.-Nicolaas met zijn goede gaven en het Geboortefeest van het Kind

Nu het St.-Nicolaasfeest weer voor de deur staat, wil ik nog eens enkele dingen ophalen uit het eerste artikeltje [niet op deze blog]. Herbert Hahn, die in de allereerste Vrije School (Stuttgarter Freie Waldorf’schule) leraar was, heeft het volgende over de pop gezegd; In plaats van een pop geeft men het kind dikwijls een Teddybeer of een aap als speelgezel. Men weet dan echter niet dat het kleine kind, indien het ertoe gebracht wordt met een beer net zo als met een mens te spelen, een deel van de intiemste levenskrachten, dus de gestalte- en orgaanvormende opbouwkrachten verliest. Dit in tegenstelling tot het spel van het kind met de menselijke gestalte, die aangeduid wordt in primitieve vorm, waarbij het kind deze levenskrachten volop ter beschikking heeft.

Onvolmaakt gevormde poppen ontwikkelen juist de gezonde fantasiekrachten

Deze steeds weer leven-vernieuwende invloeden van dit gezonde spel werken het hele leven verder in het mensenkind door.

Met het St.-Nicolaasfeest in zicht is het wel zinvol nog op het volgende te wijzen; Een van de ouders heeft mij attent gemaakt op de allernieuwste creatie, een maaksel uit de Amerikaanse massafabricatie; de huilende pop.

Die ouders vroegen zich af wat voor een werking er nu wel van zo’n schepsel uitgaat in de ziel van het kind.

Op die vraag stapte ik verleden jaar naar het warenhuis om het zelf te zien en vooral te horen. Een jongeman, die mij bediende, haalde eerst, aan de kassa een batterij en stopte die in een opening in de rug van de pop… Nu kon het “huilen” beginnen. Deze pop heeft een speen in de mond. „Trekt men die eruit, dan begint de pop te huilen. Er waren ook “zingende poppen”, die op dezelfde manier bediend moesten worden. Wat zegt u van een mensenbeeld waar men een batterij in moet stoppen?

Het is niet onwaarschijnlijk dat het kind, dat zo’n pop heeft gekregen, een ouder broertje heeft, dat met een niet te stuiten onderzoekingsdrang gaat onderzoeken hoe zo’n pop nu eigenlijk functioneert, de pop uit elkaar haalt: en… de pop is kapot. Bovendien zal hst hele gebeuren ook op de jongen zijn negatieve werking niet missen!

Jan Klaassen en de poppen van het poppentheater

Wat voor een creatieve figuur is hij toch, steeds weer weet hij een uitweg, en met zijn vindingrijke natuur gaat hij te keer tegen reuzen, dood en duivel. Nooit is hij bang, steeds verzint hij een list om zelfs de dood in de val te lokken. In het Duitse boek van Hans Friedrich Geist staat aangekondigd “Kasperle tötet den Tod”. De creativiteit overwint ook de dood, wat een heerlijke gedachte. Steeds vrolijk fluitend overwint hij ook de duivel. Soms is hij diep teleurgesteld en diep bedroefd, als het hem niet gelukt is die oude heks te overwinnen, die tracht hem het leven zuur te maken met haar ellendig getreiter en haar plaagzucht.

Moed, kracht en uithoudingsvermogen, vooral zijn diepzinnigheid en dan zijn humor niet te vergeten; met deze eigenschappen overwint hij de ergste boosdoener.

Wat kan er toch een therapeutische werking van hem uitgaan, hij kan alle eenzijdigheden van ieder temperament verlossen, zoals bijv. een diep melancholisch kind met zijn in zichzelf gekeerd gedrag – indien hij zelf diep melancholisch is -. Zo kruipt hij spelend a.h.w. in alle temperamenten om hun eenzijdigheden te helpen overwinnen en te verlossen.

Wat een kostelijk figuur en weldoener kan hij zijn, wanneer hij goed gespeeld wordt en niet alleen met krachtpatserij zijn overwinning behaalt.
.

A.J. Miedaner, nov.1976, nadere gegevens onbekend

.

De karakters van de poppen

“De poppen van het poppenspel van Jan Klaassen: ze zijn markante typen, men kan zeggen oertypen . Iedere pop heeft een bepaalde karaktervorm.
Hij is altijd vrolijk, zijn moed is tegen alle gevaren opgewassen, voor niets is hij bang en als het nodig is, slaat hij er op los.
Een koning heeft een bepaalde waardigheid en bedachtzaamheid. Zijn minister is misschien een huichelaar, maar hij kan ook een oude raadgever vol wijsheid zijn.
In ieder geval vertegenwoordigt iedere persoon alleen één wezenskenmerk, maar dit dan ook ten volle. Zodat zo’n pop geenszins de aanspraak opeist voor de totaliteit van de mens om zijn vertegenwoordiger te zijn. Het tegendeel is waar, Iedere pop stelt in zichzelf een gesloten en eigen ziele- en karaktergebied voor. Alle poppen tezamen zijn pas de hele mens.
Zoals in de sprookjes alle voorkomende figuren samen de mens vertegenwoordigen met zijn goede en kwade eigenschappen. Ook sprookjes kunnen met deze poppen worden opgevoerd, zoals dat reeds hier en daar en vooral in de heilpedagogische instituten regelmatig gebeurt. De stof van de sprookjes werkt op deze kinderen genezend.
.

Rudolf Geiger, Der Elternbrief, nadere gegevens onbekend

.

Spel, speelgoed: alle artikelen

Rudolf Steiner over spel

.

1657

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (2)

.

In de voordrachtenreeks zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

 

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

blz. 24

Ansprachen zu den Weihnachtsspielen aus altem Volkstum Dornach, 3. Januar 1917 anläßlich einer Aufführung des Paradeis-Spiels und des Christ-Geburt-Spielsvor deutschen Internierten aus Basel und Bern

Gestatten Sie, daß ich Sie vor allen Dingen aufs herzlichste begrüße und unsere Befriedigung zum Ausdruck bringe, daß wir Sie heute in unserer Mitte sehen können! Ich bitte Sie, dasjenige, was wir Ihnen werden bieten können, als etwas recht Bescheidenes hinzunehmen. Es soll nicht eine Probe einer vorzüglichen Aufführung oder einer besonderen künstlerischen Leistung sein, sondern, ich möchte sagen, mehr eine historische Darstellung. Und damit die Erwartungen nicht zu hoch gespannt werden, möchte ich nur mit ein paar Worten andeuten, wie es dazu gekommen ist, daß wir gerade diese zwei und einige andere solche Weihnachtspiele, Paradeis-Spiele und dergleichen, in einer etwas indirekten Beziehung mit unserer Sache seit Jahren in einfacher, primitiver Weise zur Aufführung bringen.
Es handelt sich dabei nicht eigentlich um solche Weihnachtspiele und Neujahrspiele, wie man sie sonst auch sehen kann, obwohl selbstverständlich eine Ähnlichkeit vorhanden ist.

TOESPRAAK VAN RUDOLF STEINER N.A.V. EEN OPVOERING VAN HET PARADIJSSPEL EN HET GEBOORTESPEL VOOR DUITSE GEVANGENEN UIT BASEL EN BERN, 3 JANUARI 1917

Sta mij toe dat ik u in de allereerste plaats van harte welkom heet en tot uitdrukking breng hoe fijn we het vinden om u vandaag te midden van ons te kunnen ontmoeten!
Ik vraag u om wat u zullen kunnen aanbieden als iets heel bescheidens op te vatten. Het is geen proeve van een voortreffelijke uitvoering of een bijzonder kunstzinnige prestatie, maar, laat ik zeggen, meer een historische voorstelling. En om de verwachtingen niet al te hoog te spannen, zou ik graag met een paar woorden aangeven hoe het gekomen is dat we nu juist deze twee en een paar andere van deze kerstspelen, paradijsspelen en zo, die op een bepaalde indirecte manier met onze zaak samenhangen, sinds een paar jaar op een eenvoudige, primitieve manier opvoeren.
Het gaat hierbij eigenlijk niet om die kerst- en nieuwjaarsspelen zoals je die ook wel kan zien, hoewel er natuurlijk overeenkomsten zijn.

Ich selbst bin gerade auf diese Weihnachtspiele dadurch verfallen, daß, als ich im Jahre 1879 an die Wiener Technische Hochschule kam, ich dort einen Professor traf, der dann mir sehr intim befreundet wurde: Karl Julius Schröer. Karl Julius Schröer halte ich selbst – er ist längst tot – für einen der bedeutendsten germanistischen Forscher der neueren Zeit, obwohl er, wie es so manchen bedeutenden Menschen geht, gar wenig Anerkennung gefunden hat. Er war zuerst Professor an der Universität in Budapest, dann war er lange an dem deutschen Lyzeum in Preßburg, also einer Stadt auf dem Weg von Wien nach Budapest. Und nachdem zuerst der germanistische Forscher Weinhold begonnen hatte, die vorhandenen Reste alter Weihnacht- und Neujahrspiele aufzuzeichnen, wurde Karl Julius Schröer in den fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts von 

Ik zelf werd juist door deze kerstspelen geraakt, toen ik in 1879 op de Technische Hogeschool in Wenen kwam en daar een professor ontmoette met wie ik heel goed bevriend raakte: Karl Julius Schröer.*
Ik vind Karl Julius Schröer – hij is al lang dood – een van de belangrijkste onderzoekers van de Germaanse talen van de laatste tijd, hoewel hij, zoals het zo vaak met belangrijke personen gaat, weinig erkenning heeft gekregen. Hij was eerst professor aan de universiteit van Boedapest, daarna was hij lang verbonden aan het Duitse Lyceum in Pressburg, dus een stad aan de weg van Wenen naar Boedapest. En nadat eerst de Germaanste talenonderzoeker Weinhold** was begonnen om de nog overgebleven resten van de oude kerst- en nieuwjaarsspelen op te schrijven, ontdekte Karl Julius Schröer in de jaren vijftig van de 19e eeuw

*Karl Julius Schröer, 1825-1890, germanist. Professor aan de Technische Hogeschool in Wenen en uitgever van de ‘Chronik des Wiener Goethe-Vereins’. Van zijn werk over Goethe moet de uitgave van ‘Faust 1 en 2’ ijn Kürshners Deutscher National-Literatur met inleidingen en verklaringen worden genoemd.
**Karl Weinhold, 1823-1901, Germanist. ‘Kerstpelen en – liederen uit Zuid-Duitsland en Silezië’, met inleidngen en verklaringen. 

blz. 25

Preßburg aus aufmerksam auf besondere Darstellungen von Weihnacht- und Neujahrspielen, Paradeis-Spielen, welche in der Nähe von Preßburg unter den dortigen Bauern stattfanden.
Diese Weihnachtspiele hängen natürlich zusammen mit den sonst gesammelten Weihnachtspielen und Neujahrspielen in deutschen Gegenden. Sie sind aber, ich möchte sagen, um einen Grad echter, gerade die von Schröer gesammelten aus der Oberuferer Gegend – von Preßburg zu Fuß in einer halben Stunde zu erreichen, wo eine deutsche Enklave ist -, so daß man ein historisches Dokument an ihnen hat. Sie sind echter als diejenigen in den anderen Gegenden. Erhalten haben sie sich in der Weise, daß einfach die Bauern, die man für geeignet befunden hat, von einem ihrer Ältesten im Herbst, wenn nicht mehr Feldarbeiten zu verrichten waren, zusammenberufen wurden. Und nun wurden diese Weihnachtspiele, die traditionell aufbewahrt worden sind, einstudiert. Sie wurden, ich möchte sagen, in einer wirklich schönen, feierlichen Weise einstudiert, nicht so als irgend etwas bloß Künstlerisches, das man leisten wollte, sondern das hing zusammen mit der ganzen herzlichen Entfaltung der Leute. Man sieht dies schon daraus, daß diejenigen Bauern, die an dem Spiel teilnehmen durften, also die mitspielen sollten, in den Wochen, in denen die Proben statt- fanden und in denen sie auswendig lernen sollten, sich wirklich auch moralisch dazu vorbereiteten. Sie sollten moralisch würdig sein, aufzutreten in diesen Stücken.

vanuit Pressburg bijzondere opvoeringen van kerst- en nieuwjaarsspelen, paradijsspelen in de buurt van Pressburg bij de daar wonende boeren.
Deze kerstspelen hebben natuurlijk te maken met den al eerder verzamelde kerst- en nieuwjaarsspelen in de Duitse streken. Maar ze zijn, laat ik zeggen, net een graadje echter, met name die Schröer verzameld heeft uit de streek van Oberufer – vanuit Pressburg in een half uurtje lopen te bereiken, waar een Duitse enclave ligt – zodat je daarmee een historisch document hebt.
Ze zijn origineler dan die uit andere streken. Ze zijn bewaard gebleven alleen maar doordat boeren die daarvoor geschikt werden geacht, door een van de oudsten onder hen in de herfst, als er geen landwerk meer verricht hoefde te worden, bij elkaar werden geroepen. En dan werden deze kerstspelen, in hun traditionele vorm bewaard, ingestudeerd. Ze werden, zeg ik, op een echte zuivere, waardige manier ingestudeerd, niet dat men er een of ander kunstzinnig iets van wilde maken, maar dat hing samen met hun zo hartelijke gemoedsgesteldheid. Je ziet dat al aan die boeren die aan het spel mochten meedoen, dat ze in de weken waarin de repetities plaatsvonden en waarin ze uit het hoofd moesten leren, zich er ook moreel op voorbereidden. Ze moesten in moreel opzicht het ook waard zijn om in deze spelen op te treden.

Es sind vier Bedingungen gewesen, die der Älteste, welcher jene Manuskripte hatte, die von Generation zu Generation fortgepflanzt wurden, mitteilte. Diejenigen also, die diese Dinge lernen durften, mußten vier Bedingungen erfüllen. Die erste war: sie durften in der Zeit, in der sie lernen und sich auf die Aufführungen vorbereiten sollten, nicht zu einem Dirndl gehen; zweitens durften sie keine Schelmenlieder singen, das ist ausdrücklich als eine Art Katechismus ihnen dargelegt worden; drittens durften sie sich nicht berauschen, überhaupt keine Ausgelassenheiten begehen, wie sie selbstverständlich sonst in diesen Gegenden gang und gäbe waren an den Sonntagen; und viertens mußten sie brav gehorchen dem, der der Älteste war und der sie diese Sachen lehrte, der sie mit ihnen einstudierte und so weiter. Wenn sie 

Er waren vier voorwaarden die de oudste, die de rollen had, die van generatie op generatie doorgegeven werden, afkondigde. Degenen dus die deze dingen mochten leren, moesten aan vier voorwaarden voldoen.
De eerste was: ze mochten in de tijd waarin ze aan het leren waren en zich voorbereidden op de opvoeringen niet naar de meisjes gaan;
ten tweede: ze mochten geen ondeugende liedjes zingen, dat werd hun als een soort catechismus opgelegd;
ten derde: ze mochten zich niet bedrinken, en zeker geen dwaze dingen doen zoals vanzelfsprekend anders in deze streken op zondagen wel schering en inslag was  en
ten vierde: ze moesten echt luisteren naar de oudste die hun deze dingen leerde, enz.
Als ze dan

blz. 26

nun als würdig befunden waren, wurde ihnen eine Abschrift gereicht, und diese durften sie dann behalten. Im nächsten Jahre mußten diejenigen, welche weiter dazu bestimmt waren, diese Sachen abschreiben lassen. So ist es gar nicht so leicht für Schröer gewesen, als er erfahren hatte, daß da draußen auf dem Lande solche Sachen aufgeführt werden, sie richtig zu erhalten. Denn die Dinge waren von Jahr zu Jahr abgeschrieben worden. Ein Weihnachtspiel war im Jahre 1809 bei einer Überschwemmung sogar sehr korrumpiert worden; und es war außerdem sehr schwer, sie zu lesen, es fehlten in verschiedenen Manuskripten verschiedene Stelle. Aber sie lebten so in diesem Volke darinnen, daß zum Beispiel Schröer, als er diese Aufstellungen machte, aus gewissen Zusammenhängen merkte: Da muß etwas fehlen. – Da ließ er solch einen Mann kommen, der den Unterricht gegeben hatte und sagte: Denken Sie einmal nach, ob da etwas fehlt. – Ja, ja, sagte der, und konnte dann manchmal seitenlang ganze Strophen wiederum rezitieren, die ausgefallen waren, seit Jahren vergessen worden waren.

waardig genoeg bevonden werden, kregen ze een geschreven kopie van het spel en die mochten ze dan houden. Het volgende jaar moesten degenen die dan weer mochten meedoen, deze rollen laten overschrijven.
En voor Schröer is het lang niet zo makkelijk geweest, toen hij vernomen had dat daar op het platteland dergelijke opvoeringen waren, ze ook echt in handen te krijgen. Want er werd ieder jaar overgeschreven. Een kerstspel raakte in 1809 bij een overstroming zelfs erg beschadigd; en het was bovendien erg moeilijk om ze te lezen, want in verschillende manuscripten ontbraken verschillende stukken.
Maar onder de bevolking leefde het zo, dat bijv. Schröer, toen hij deze dingen opschreef, vanuit de samenhang merkte: hier ontbreekt iets. Dan vroeg hij een man te laten komen die de regie had gehad en zei: ‘Denk u er eens over na of er nog iets aan ontbreekt.’ ‘Ja, ja,’ zei die dan en kon dan vaak bladzij voor bladzij weer lange stukken  opzeggen die weggevallen waren, ook sinds jaar en dag waren vergeten.

So, nicht wahr, wurden diese Dinge einstudiert. Und wie gesagt, in den vier Wochen vor Weihnachten bis zum Dreikönigstag wurden sie unter den Bauern aufgeführt. Und wir möchten Ihnen eine Art historische Erinnerung`damit geben. Während die Weihnachtspiel-Aufführungen etwa bis ins 11. Jahrhundert zurück nachweisbar sind, sind sie doch eben in der Gestalt vorhanden geblieben, in der sie gelebt hatten im 16., 17. Jahrhundert. Und konservativ ist man geblieben. Von Jahr zu Jahr wurde in der selben Gestalt aufgeführt. Es wurde dann so aufgeführt, daß die Bauern in den verschiedenen Ortschaften herumgingen; keine andere Musik durfte gehört werden. Einmal hat es Schröer selber gesehen, daß die Bauern in einem Dorfe, wo sie hingingen und die Spiele vorführen wollten, mit Musik empfangen wurden. Da waren sie sehr beleidigt, denn sie sagten, sie seien doch keine Komödianten. Sie führten das wirklich auf, ich möchte sagen, wie eine Art Gottesdienst.
In dieser einfachen, primitiven Weise, wie es bei den Bauern gemacht wurde, wollten wir es eigentlich aufführen. Aber Verschiedenes können wir nicht machen. Die Bauern gingen im Dorfe herum; es wurden die Sachen einfach in einem gewöhnlichen Wirtshaus aufgeführt.

Zo werd dat dus ingestudeerd.
En zoals gezegd, in de vier weken voor Kerstmis tot op driekoningendag werden ze onder de boerenbevolking opgevoerd.
En wij zouden u hiermee graag een soort historische herinnering meegeven.
Terwijl je voor de kerstspelopvoeringen al tot in de 11e eeuw terug kan gaan, zijn ze toch in de vorm bewaard gebleven waarin ze in de 16e, 17e eeuw voor handen waren. En men is behoudend gebleven. Ze werden ieder jaar precies zo opgevoerd. De boeren gingen ze in verschillende plaatsen in de buurt opvoeren; er mocht geen andere muziek klinken. Op een keer heeft Schröer zelf gezien dat de boeren in een dorp waar ze naartoe gingen en de spelen wilden opvoeren, met muziek werden ontvangen. Toen waren ze diep beledigd en zeiden dat ze toch zeker geen komedianten waren. Hun opvoeringen waren echt, laat ik zeggen, een soort godsdienstbijeenkomst.
Op deze eenvoudige, primitieve manier zoals dat bij de boeren ging, zo zouden we ze eigenlijk ook willen opvoeren. Maar verschillende dingen kunnen we niet. De boeren liepen door het dorp; de opvoeringen vonden plaats in een gewone kroeg.

blz. 27

Und noch manches was so drum und dran hängt, können wir nicht in der gleichen Weise tun. Der Teufel zum Beispiel zog sich immer viel früher an, zog mit einem Kuhhorn durchs Dorf, pustete in die Fenster hinein und erklärte den Leuten, sie müßten nun kommen. Wenn er irgendeinen Wagen fand, sprang er hinauf, zog die Leute herunter und nahm sie mit zur Aufführung. Und so zogen die Leute von Dorf zu Dorf und führten im Dialekte diese Dinge auf, in einem österreichischen Dialekt, ziemlich ähnlich dem bayrischen, also einem süddeutschen Dialekt, der in jenen Gegenden bei Preßburg heimisch ist.
Von diesem Gesichtspunkte aus bitte ich Sie, diese aus früheren Jahrhunderten bewahrten Dinge aufzunehmen, so anspruchslos, wie sie eben gemeint sind.

En nog veel meer wat er zo omheen speelt, kunnen we niet op dezelfde manier doen. De duivel bijv., kleedde zich altijd veel eerder aan, trok met een koeienhoorn door het dorp, blies door de ramen naar binnen en gag de mensen te kennen dat ze nu moesten komen.
Wanneer hij ergens een kar zag rijden, sprong hij erbovenop, trol de mensen eraf en nam ze mee naar de opvoering.
En op deze manier trokken de mensen van dorp naar dorp en voerden deze dingen in hun dialect op, dat nogal wat op het Beiers lijkt, dus een Zuidduits dialect dat in die streken bij Pressburg gesproken wordt>
Vanuit deze gezichtspunten zou ik u willen vragen naar deze dingen die uit vroegere eeuwen bewaard gebleven zijn, te kijken, net zo in alle eenvoud als ze bedoeld zijn.

.

Rudolf Steiner: toespraken bij de kerstspelen

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1656

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – alle toespraken bij de kerstspelen

.

In de voordrachtenreeks zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
uitgave 1974

ANSPRACHEN ZU DEN
WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

INHOUD:

blz. 7. Vorbemerkung
Voorwoord

blz. 9Von den volkstümlichen Weihnachtspielen. Eine Christfest-Erinnerung. Weihnachten 1922
Over de volkse kerstspelen. Een herinnering aan een christusfeest

Ansprachen vor den Aufführungen der Weihnachtspiele:
Toespraken bij de opvoeringen van de kerstspelen

[I] blz. 14    26 december 1915

[II] blz. 24    3 januari 1917

[III] blz . 27  7 januri 1917

[IV] blz. 33   30 december 1917

[V] blz. 43    6 januari 1918

[VI] blz. 51  19. december 1920

[VII] blz. 57  22. december 1920

[VIII] blz. 63  23. december 1921

[IX] blz. 66   8 januari 1922

[Xblz. 70  24 december 1922

[XI] blz. 75  1 januari 1923 

[XII] blz. 77  14 december 1923

[XIII] blz. 81  24 december 1923

[XIV] blz. 85  25 december 1923

[XV] blz. 89  27 december 1923

[XVI] blz. 93  29 december 1923

[XVII] blz. 97  31 december 1923

XVII] blz 101   6 januari 1924         nog niet oproepbaar

Aanhangsel

blz.107. Karl Schubert: Herinneringen aan de kerstspelen (nog niet oproepbaar)

blz. 110. Leopold van der Pals: Herinneringen van een musicus bij het begin van de kerstspelen

Voetnoten: deze zijn op de betreffende bladzij vermeld

.

[1] GA 274

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1665

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (7)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Kindergeheimen

Als je peuter zich aan de tafel stoot, zal hij boos zijn op de tafel die hem pijn heeft gedaan. Hij maakt nog geen onderscheid tussen dode en levende dingen. Alles is bezield. Zijn teddybeer kan praten en de draak die onder zijn bedje ligt is echt heel gevaarlijk. In de beleving van de peuter en de kleuter liggen de zichtbare en zijn eigen onzichtbare werkelijkheid nog heel dicht bij elkaar. Al spelend leert hij die twee werelden kennen en ermee omgaan.

De magische wereld van het kind heette het boek van kinderpsychologe Selma Fraiberg dat in de jaren zeventig veel opzien baarde. Fraiberg beschrijft daarin hoe de werkelijkheid van het kind is gevuld met wonderen, geheimen en magie. Kabouters en andere onzichtbare vriendjes, maar ook spoken en draken vinden in het spel van kleuters en peuters moeiteloos hun plek. Lang niet alle kinderen praten over deze belevenissen met onzichtbare wezens. En wanneer ze het wel doen, is het voor ouders niet altijd makkelijk daar op een goede manier mee om te gaan. Al te nuchtere opmerkingen van volwassenen maken dat het kind gaat twijfelen of het plezier dat hij aan zijn fantasiespel beleeft wel gerechtvaardigd is, waarna het zijn werkelijkheid nog dieper wegstopt. Anderzijds kan een kleuter ook verlegen raken met de situatie als volwassenen te sterk meegaan in zijn fantasieën. Het pas verschenen boek Kindergeheimen van Susanne Stöcklin-Meier geeft een uitstekende handreiking voor het omgaan met deze magische jaren van het kind. Het is een boek voor ouders waarin, behalve een verhelderende inleiding en allerlei praktische tips, verhalen staan die direct aansluiten bij de kinderlijke belevingswereld. De meeste zijn geschikt om voor te lezen, maar in veel gevallen zullen ze je vooral inspireren tot het in eigen woorden navertellen (zoals de verhaaltjes die stenen en kristallen over zichzelf vertellen). Aan ieder hoofdstuk voegt Stöcklin-Meier suggesties toe voor spelletjes die de bewondering en verbeeldingskracht van kinderen aanwakkeren. Ze geeft voorbeelden voor het omgaan met de wondere wereld van zon, maan en sterren, van vuur- en waterwezens, van kabouters en engelen maar ook voor het scherpen van de zintuigen. Want om het onzichtbare een goede plaats te geven, moet je zeker ook de zichtbare wereld verkennen. Dat doe je door te voelen, te ruiken, te horen, te proeven en te kijken.

boek

.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, lente 1999, nr.3

.

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1664

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde – klas 8 – meteorologie (2)

.

EERSTE meteorologie

De blik omhoog naar naar de lucht waar wolken ontstaan, zich vormen en langzaam weer oplossen, is bij ons, aardebewoners, dikwijls met de hoop verbonden dat het weer ons niet teleurstelt. We weten hoe kwetsbaar voorspellingen zijn. Zeker, vandaag de dag lijken de nieuwsmededelingen en de satellietbeelden meer zekerheid te hebben gebracht, tegelijkertijd ook een voorschot te nemen op het gemak om het net eerst zelf eens te proberen. Om de weersvoorspellingen op het beeldscherm te volgen is zeker indrukwekkend, maar ook voor de opgroeiende leerling geen aansporing meer tot eigen initiatief.
Wat kunnen we doen?
Vele klassenleerkrachten van de middenbouw zullen geneigd zijn de schoonheid van de wolkensoorten in de belangstelling van een klas te plaatsen, waarbij tochtjes de bergen in of naar zee aanleiding geven. Dat is begrijpelijk, maar daarmee komen de eerste vragen op naar de eigenlijke samenhang, waarop ook Goethe wijst, wanneer hij in een brief aan een vriend schrijft:
“Bij nader onderzoek geloof ik te hebben gevonden dat het vormen van de wolkenverschijnselen van de barometerstand afhangt en dientengevolge van de barometerhoogte.'[1]
En ja, Goethe roemde bij zijn eigen weerswaarnemingen de barometer en hij wees er steeds op: ‘De methode om vooral naar de barometer te kijken bij alle atmosferische verschijnselen, was voor mij zeer vruchtbaar en ik ben er bijna overmatig mee bezig geweest.'[2]
Zowel op reis als thuis waren de weerswaarnemingen voor hem belangrijk. Bijkomend vond hij een eigen barometer uit die uit een gesloten glas bestond met daarin water dat naar buiten met een buisje, een zgn. pijpje verbonden is. Al naar gelang de toestand van het weer daalt of stijgt het water in het pijpje en daarmee wordt de luchtdruk zichtbaar. [3]

bron

Ondanks zijn intensieve leven als onderzoeker had Goethe nog geen kennis van de ons nu vertrouwde samenhang van het weer op grote schaal, de hoge- en lagedrukgebieden met de turbulentie en fronten. Des temeer was hij aangewezen op eigen waarnemingen. De beeldrijke taal die hij bij zijn kennis zo bewonderenswaardig kon toepassen, is voor de vrijeschoolleerkracht een grote steun om met de eigen klas een begin te kunnen maken met de meteorologie. Ook hier komt de barometer op de eerste plaats en dat gebeurt op een zinvolle manier in klas 8.
In de 2e leerplanvoordracht spreekt Rudolf Steiner over de natuurkunde en tot slot klinkt dan: Dan sluit u de natuurkunde min of meer af door de aeromechanica, de mechanica dus van de lucht, waarbij alles ter sprake komt, wat te maken heeft met klimaat, werking van de barometer, meteorologie.[4]
Op het einde van de natuurkundeperiode behandelen we dus de werking van de lucht m.b.t. de barometer en tenslotte alles wat de belangstelling voor de weersverschijnselen kan wekken.

Luchtdruk en luchtbeweging

De mens leeft op de bodem van een geweldige luchtoceaan. Hij kan de wisselende luchtdruk niet onmiddellijk waarnemen, wel de luchtbewegingen. Beide zijn die nauw met elkaar verbonden. Met een hulpapparaat om te meten kan het de leerling duidelijk worden. Op de barometer van Goethe is het in het begin veel makkelijker te zien dan op de gebruikelijke (muur)barometer. Als er een periode met mooi weer komt, dan stellen we vast dat de waterstand inhet tuitje naar beneden gaat. Bij slecht weer stijgt die. Een andere mogelijkheid biedt een zelfgemaakt barometer. [3]
Daarvoor hebben we een fles nodig met een wijde hals (de oude melkfles) en daarover bevestigen we een stuk luchtballon en spannen het strak. Dan plakken we een strohalm midden op het membraan met een stukje lucifer eronder. Dan is hij al klaar, hij moet alleen nog op een plaats neergezet worden met gelijkblijvende temperatuur en op de muur moeten we een schaalverdeling plakken waarop de strohalm kan aanwijzen of hij hoger dan wel lager staat.

Met behulp van deze zelfgebouwde barometer, dat kan iedere leerling, kunnen we nu onze eigen waarnemingen doen op de bodem van de ‘luchtoceaan’. Dat moet je niet mechanisch opvatten, veel eerder lijkt die in- en uit te ademen,
vergelijkbaar met een levend wezen.
Zelfs onze eenvoudige barometer maakt het ervaarbaar dat de weersgesteldheid niet echt verandert. Het ‘ademritme’ vindt tweemaal binnen 24 uur plaats en wordt oscillatie (slingering) genoemd en dat heeft Goethe steeds weer beziggehouden:
‘….deze bewegingen hebben iets van een bepaald pulseren, een toe- en afnemen, zonder dat kun je niet aan iets levends denken, het is eveneens een regelmatig uitzetten en samentrekken, dat binnen de 24 uur wordt herhaald, het zwakst in de namiddag en nanacht en dat ’s morgens om 9 uur en ’s avonds op dezelfde tijd het hoogste punt bereikt.
Wanneer we in de les bij het leven van een ‘pulserende’ aarde-omhulling kunnen aanknopen, kunnen we de zwaarte van de lucht in een passende samenhang plaatsen.
Deze twee basisbewegingen noemen we vandaag hoog en laag. Om het beter te begrijpen, kunnen we de volgenden waarnemingen met de leerlingen beproeven:

Het is zomer. Wij zijn op het strand en het weer is onveranderlijk. Op het land en op het water schijnt de zon evenveel, maar het water blijft koeler, terwijl het land sneller opwarmt. Welke conclusie kunnen we nu met de 8-klassers trekken, wanneer de samenhang tussen oorzaak en gevolg bekeken wordt? Er ontstaat drukverschil. Boven land stijgt de warme lucht op. We hebben dus te maken met een opstijgende luchtkolom die tegelijkertijd koude lucht van over zee aanzuigt. Zo ontstaat er een windbeweging van zee naar land die in de loop van de dag sterker wordt. Boven zee ontstaat tegelijkertijd een dalende luchtkolom die veroorzaakt wordt door de beweging hoog in de lucht.

Pas tegen de avond komt alles weer tot rust en draait het, want nu koelt de aarde door de uitstraling sterk af, de zee daarentegen minder. De windrichting en de luchtkolommen gaan de tegenovergestelde richting op.

Wat is dus een hogedrukgebied?
Het is het centrum van een neerdalende luchtkolom. De lucht stroomt weer naar beneden in de richting van minder luchtdruk. Verse lucht komt uit de hogere lagen erachteraan, die wordt warmer en veroorzaakt luchtdruktoename.
Wat is een lagedrukgebied?
Het is het centrum van een opstijgende luchtkolom. Hier stijgt de lucht die vanuit een hogedrukgebied weggestroomd is en daarbij werd verwarmd en boven het aardoppervlak vocht opgenomen heeft, weer omhoog.
Tegelijkertijd vindt er afkoeling plaats en wordt de druk zwakker, later ontstaan wolken en neerslag.
Wat  aan de kust gevormd wordt aan lage- en hogedrukzones, vinden we ook in de bergstreken, waar het op grond van verschillende opwarmingen tot vergelijkbare windbewegingen komt op de hellingen: in de zomer ’s morgens dalwind, ’s avonds bergwind.
Deze voorbeelden van hoge- en lage druk zijn geen voorbeelden van het weer over een langere tijd en van een groter gebied, maar maken duidelijk dat iedere periode van goed of slecht weer verschillende luchtstromingen heeft. Ook bij mooi weer zijn er sterke stromingen omhoog die de zweefvliegers erg op prijs stellen.
De beroemde zweefvliegster Hanna Reitsch noemt ze ‘stijgslangen’ [Aufwärtsschläuche] die meestal een hoogte bereiken van 100 tot 200 meter.

‘Dikwijls wordt zo’n plek met opstijgende wind [Aufwindstelle] zichtbaar door de sterk gerande, ronde wolkenbundels die erboven zweven, de zgn. stapelwolken of cumuli…Ze zijn voor de zweefvlieger de wegwijzer naar de plaatsen waar de wind stijgt. Omdat deze, zoals al opgemerkt, begrensd zijn bij het uitdijen, kun je er alleen in blijven, wanneer je cirkels maakt, alsof je in een onzichtbare reuzenkachel rondvliegt. Hier zijn de buizerds en valken onze leermeester die zonder vleugelslag, steeds rondcirkelend, zich door de warme lucht die van de grond komt en opstijgt, op grote hoogte laten dragen.'[7]

Heel andere factoren vormen het eigenlijke weer. Wat tussen IJsland en de Azoren of de Baltische landen voor het weer bepalend is, zijn heel sterke hoge- en lagedrukwervelingbewegingen, die we tegenwoordig dankzij de satellietopnamen zelf op een beeldscherm kunnen volgen. Het draaien naar rechts gebeurt in het hoge-, naar links in het lagedrukgebied. Deze draaiende bewegingen die voor het noordelijk halfrond gelden, worden tegenwoordig verklaard met de zgn. Corioloskracht.


In een 8e klas kan de aanwijzing voldoende zijn, dat dit proces dat met de aarderotatie te maken heeft, in de bovenbouw later nog ter sprake komt.
Op het zuidelijk halfrond verlopen deze processen in spiegelbeeld, zodat de aarde als geheel de waarnemer die vergelijkingen maakt toch steeds weer aanleiding geeft zich te verbazen en bij alles wat verwarrend lijkt, toch een verborgen harmonie doet vermoeden.

De wolkenvorming en het weer oplossen ervan

Met de leer over de wolken betreden we zonder twijfel een zeer geliefd gebied van de meteorologie, want de vormen vertonen indrukwekkende kenmerken die het de waarnemer mogelijk maken veel voorspellingen te doen.

De volgende voorbeelden maken het begin wellicht wat makkelijk:
op een zonnige morgen klimmen we na een langere beklimming op een alpentop. De zon heeft net het wolkendek doen oplossen, terwijl beneden ons nog een dicht wolkendek ligt, die uiteindelijk door directe warmtestraling omhoog getild wordt. Wij staan op het topje en kunnen nu waarnemen hoe zich door de wind bewogen wolkenflarden in het zonlicht in het niets oplossen. Langzamerhand wordt hierdoor de blik in het dal vrij en ook de aangrenzende bergen worden uiteindelijk zichtbaar. Maar waarheen is het meegevoerde water van de wolken verdampt.
Nu moeten we het begrip ‘dauwpunt‘ gaan bespreken. Wie kent niet het voorbeeld van de koude en de verwarmde badkamer! Wanneer ik namelijk in  een koude ruimte een douche neem, sta ik even later in een damp. Alle harde voorwerpen zoals de spiegel, de tegels en armaturen zijn beslagen. Gebruik ik een warme ruimte, dan is er veel minder condens. Wat betekent dat?

Warme lucht neemt meer vocht op. Het dauwpunt krijg je als een temperatuur de relatieve luchtvochtigheid van ongeveer 100 procent bereikt en iedere temperatuur heeft zijn dauwpunt. Zo zal een kubieke meter lucht bij -10 maar 2,4 gram waterdamp opnemen, bij + 20 is dat 9,4 gram. Daalt de verzadigingstemperatuur, dan ontstaat waterdamp en in de onderste luchtlagen worden dauw en nevel zichtbaar en in de bovenlagen wolken. Wordt die temperatuur hoger dan lossen mist en wolken weer op.
Wolken zijn net als mist dichte verzamelingen van zeer kleine druppeltjes die zich door afkoeling bij het opstijgen vervluchtigd hebben en die door hun geringe afmeting zweven, door de breking van het licht aan ons oog wit en oplichtend zichtbaar worden. Als druppels kunnen ze zoveel dichter worden, dat ze steeds groter en zwaarder worden, tot ze tenslotte zo zwaar zijn, dat ze door de stroming van de lucht net meer kunnen zweven, maar als neerslag naar beneden komen.

Nu weten we ook dat bij een lagedrukgebied het weer als regel slecht wordt, bij een hogedrukgebied op z’n minst even een poosje mooi. Hoe komt dat?
Bij een opstijgende luchtkolom (lage druk) wordt de lucht afgekoeld, daardoor ontstaan er wolken en uiteindelijk neerslag.
Het omgekeerde vindt plaats bij de neergaande luchtkolom, de hogedruk: hier stijgt de temperatuur en de wolken lossen op. Alleen op grotere hoogten leidt de krachtige zonestraalinwerking ertoe dat er cumuluswolken ontstaan.

Zoals Goethe dit proces beschrijft, horen we van Eckermann in een brief van 22.03.1824:
‘Goethe sprak heel veel over het stijgen en dalen van de barometer die hij de ‘waterbevestiging’ en ‘waterontkenning’ noemde (Wasserbejahung, Wasserverneinung). Hij had het over in- en uitademen van de aarde volgens eeuwige wetten, over een mogelijke zondvloed bij voortdurende waterbevestiging…[8]

Dat zou betekenen:

hoog                                         oplossen van wolken             waterbevestiging
laag                                          vormen van wolken               waterontkenning

Op dit tijdstip wordt wel duidelijk dat deze lesstof kennis van natuurkundige processen vereist. Luchtdruk, luchttemperatuur alsook dauwpunt maken dat we de vorming van wolken pas dan kunnen begrijpen. Aan de andere kant hoeft de schoonheid van deze natuurprocessen niet voor de 8e-klasser verloren te gaan. Integendeel. Juist de blik voor de verborgen processen van geestelijke oerbeelden, geeft ons de mogelijkheid het onderwijs een kunstzinnig aanknopingspunt te geven.

Toen de Engelse meteoroloog en farmaceut Luke Howard (1772)-1864) zijn wolkenleer gepubliceerd had, was Goethe daar zo door geroerd, dat hij voor hem, om hem te eren, een trilogiedichtte: ‘

‘Darum danket mein beflügelt Lied
Dem Mann, der Wolken unterschied….'[9]

Bij deze trilogie horen ook de strofen over de vier klassieke wolkenvormen die ook hier moeten klinken, omdat ze een voortreffelijk begin vormen van een eerste wolkenleer.

Stratus

Wenn von dem stillen Wasserspiegel-Plan
Ein Nebel hebt den flachen Teppich an,
Der Mond, dem Wallen des Erscheins vereint,
Als ein Gespenst, Gespenster bildend, scheint,
Dann sind wir alle, das gestehn wir nur,
Erquickt, erfreute Kinder, o Natur!

Dann hebt sich’s wohl am Berge, sammelnd breit
An Streife Streifen; so umdüstert’s weit
Die Mittelhöhe, beidem gleich geneigt,
Ob’s fallend wässert, oder lustig steigt.

Inderdaad: stratusvormen ontstaan hoofdzakelijk ’s nachts en ’s morgens. Wat als mist in de onderste luchtlagen zichtbaar wordt, ontwikkelt zich als wolk op grotere hoogte: gelijkmatig, verticaal niet erg groots, op zich vormloos en hangend. Stratuswolken komen tot ontwikkeling waar vochtige lucht opstijgt.

Cumulus

Und wenn darauf zu höhrer Atmosphäre
Der tüchtige Gehalt berufen wäre,
Steht Wolke hoch, zum herrlichsten geballt.
Verkündet, festgebildet, Machtgewalt,
Und, was ihr fürchtet und auch wohl erlebt,
Wie’s oben drohet, so es unten bebt.

Het zijn de wolken van midden op de dag, wanneer het licht en de warmte het grootst zijn. Goethe: ‘Dit zijn nu die prachtige verschijnselen die eigenlijk pas de naam wolk verdienen.'[10]

Dan op een andere plaats: ‘ De cumulus neemt het middengebied in, daarin wordt eigenlijk de strijd voorbereid of de hogere lucht of de aarde de overwinning gaat behalen. Dit gebied heeft de eigenschap dat het weliswaar veel vocht op kan nemen, alleen niet in een volledige oplossing.'[11]

Cirrus

Doch immer höher steigt der edle Drang!
Erlösung ist ein himmlisch leichter Zwang.
Ein Aufgehauftes, flockig lost sich’s auf,
Wie Schaflein trippelnd, leicht gekammt zu Hauf.
So fliefit zuletzt, was unten leicht entstand,
Dem Vater oben still in Schoss und Hand.

Omdat er op grote hoogte voortdurende luchtbewegingen zijn, gaan ook daar steeds weer vochtige luchtmassa’s omhoog. Hier worden ze echter ook sterk blootgesteld aan de invloed van de zonnestraling: het water verdampt weer – en condenseert meteen door de lage temperaturen. Er zal boven de cumuluswolk in veel gevallen een fijne mist worden gevormd die voornamelijk uit fijn verdeelde ijskristallen bestaat.
Cirruswolken verplaatsen zich onder invloed van de hoge snelle stromingen meestal ook sneller dan de cumuluswolken, ze gaan voorop. Dit kan je vooral ’s avonds waarnemen en voor de voorspelling is dat van groot belang. Cirruswolken zijn vooral avondwolken.

Wolkenschets van Goethe. Aan de achterkant eigenhandig gedateerd: 10 mei 1816. Boven de oostelijke bergen bij Jena. G

Nimbus

Nun lasst auch niederwärts, durch Erdgewalt
Herabgezogen, was sich hoch geballt,
In Donnerwettern wütend sich ergehn,
Heerscharen gleich entrollen und verwehn!
Der Erde tätig-leidendes Geschick! –
Doch mit dem Bilde hebet euren Bliek:
Die Rede geht herab, denn sie beschreibt;
Der Geist will aufwärts, wo er ewig bleibt.

Nimbuswolken zijn regenwolken en met hen met elke dag rekening worden gehouden, wanneer, zoals het Goethe het formuleert, de aardekrachten er met de overwinning vandoor gaan: ‘Als het onderste gebied wint dat geneigd is de grootste vochtigheid naar zich toe te trekken en voelbare druppels te produceren, dan zakt de horizontale basis van de cumulus, de wolk wordt tot stratus, ze hangt en trekt gelaagd verder en eindelijk valt ze dan in regen naar beneden; samen heet dat nimbus.'[12]

Dergelijke wolken worden wanneer ze dalen weer min of meer vormloos. Wanneer ze uiteindelijk regen brengen, hangt van verschillende factoren af. We kennen allemaal dagen  wanneer de hemel schuilgaat achter een heel dicht wolkendek en het ondanks dat, toch niet regent. De condenskernen van de druppeltjes kunnen door de stromingen in de wolk zelf vastgehouden worden, omdat er geen hoger hangende wolken zijn. Zijn er echter ijswolken die heel kleine kristallen laten vallen, dan veroorzaken deze in de diepere lagen een plotselinge afkoeling en dan hebben we plotseling een wolkbreuk.

Nu kan er gesproken worden over dauw, rijp, hagel en stofhagel.
Veel volkse uitspraken kunnen daarbij helpen. [13]

Dat tegenwoordig de vier klassieke wolkensoorten voor de moderne meteorologie niet voldoende zijn, hoeft helemaal niet weggelaten te worden. Internationaal zijn er 10 wolkensoorten geclassificeerd. *

Weersgesteldheid en prognose

Nu volgen een paar voorbeelden, want er zijn verschijnselen aan de hand waarvan zich weersveranderingen laten voorspellen>

Stromingen op grote hoogte: veerwolken (cirrus)  zijn voorboden van wat er met het weer gaat gebeuren en moeten altijd aandachtig waargenomen worden. Wanneer dergelijke wolken zich in de namiddag of de avond als draden in de lengte gaan vertonen, betekent dit dat er op grotere hoogten een krachtige luchtstroom aanwezig is en daardoor een verandering in het weer over een groot gebied. Als de stroming westelijk is, betekent dat een min of meer snelle nadering van een warmtefront met regen.
Ook moet je goed kijken naar de trekrichting: ‘Als regel wordt het op de plaats van de waarneming alleen maar slecht weer, wanneer de veerwolken de trekrichting van de middelhoge of de lagere stratus- of stapelwolken doorsnijden…..een weersverandering  komt er niet, wanneer de stroming over de grond en hoger in dezelfde richting samen of tegen elkaar in, wegtrekken. [15]
Hier geldt de vuistregel: De hoogtestroming bepaalt de ontwikkeling van het weer.

Cumuluswolken:
De kleinere, in de loop van de ochtend zich weer oplossende stapelwolk vormt een bestendiging voor een overheersende toestand van mooi weer. Toenemende warmte doet de vochtopnamecapaciteit van de lucht toenemen (‘waterbevestiging’). Pas de gelijkblijvende stapelwolk met toenemende rafelrand aan de bovenkant, voorafgegaan door een snel groter worden in de hoogte, duidt op onweer.

Stratuswolken
Nu moet je erg op de windrichting letten: vooral wind die uit het westen komt brengt ons de stratuswolk, de oostenwind meestal de cumulus. Wanneer de hoge bewolking sluierachtig daalt en het tot de vorming van grijze stratuswolken komt, houdt dit een kouder worden van de lucht in en het condenseren van de luchtvochtigheid (‘waterontkenning’). Dit echter zijn duidelijke tekens voor het begin van slecht weer, op z’n laatst de volgende dag.

Nimbuswolken
Hoe heftiger de regen naar beneden komt en hoe groter de druppels, des te korter duurt het. Verder trekkende, laaghangende bewolking na aanhoudende regen wijzen niet op een weersverandering: de lucht erachter is vochtig en koud en is niet in staat de wolken op te lossen.

Nog meer punten om op te letten bij het voorspellen, kunnen hier alleen maar aangestipt worden:

Als regel komen luchtbewegingen bij mooi weer ’s avonds tot rust. Wakkert de wind daarentegen op deze tijd aan, dan kun je een verandering verwachten. Vooral het draaien naar het zuiden tot het noordwesten doet onbestendig, naar regen neigend weer vermoeden. –

Ook kleurrijke schemeringsverschijnselen en een blauwe hemel zijn indicaties voor voorspellingen. Zo is bijv. extreem donkerblauw, gepaard gaand met een bijna meer dan helder zicht, een teken van een labiele weerstoestand omdat de lucht op dat ogenblik weinig vertroebelingsdeeltjes (water) bevat, wat een impuls tot evenwicht oproept. De plotselinge weersverslechtering met storm en neerslag blijft meestal niet uit.
Als we een keer na zonsondergang onderweg zijn, kun je de vraag stellen naar de nachtelijke aanwijzingen: een blinken en fonkelen van sterren duidt nl. op turbulente processen in de aardatmosfeer. Na een periode van mooi weer wijst dit op een omschakeling in de lucht die vaak slecht zicht tot gevolg heeft. Rustig sterrenlicht en goed zicht wijzen op een stabiele toestand die in koudere jaargetijden tot vorst leidt.

Tot slot van de opsomming kan ook de vraag naar de kosmische aanwijzingen behandeld worden. De meeste meteorologische boeken trekken de invloed van de maan op het water niet in twijfel, maar wijzen er tegelijkertijd op dat de directe invloed van de maan op het weer tot nu toe niet ondubbelzinnig kon worden bewezen'[16]

In zijn laatste voordracht voor de werknemers aan het Goetheanum spreekt Rudolf Steiner over het weer over een langere periode en hoe dat ontstaat, o.a. over zonnevlekken, maanknopen en de loop van Venus. Dat is allemaal, zoals hij uitlegt, niet zonder invloed, maar voor de gewone waarnemer vermengt zich dat allemaal: ‘Maar er zijn zoveel dingen waar het weer van afhangt, dat men dit niet meer kan overzien….-het wordt te gecompliceerd, omdat het zo door elkaar loopt.'[17]
Goethe wilde onaardse invloeden van het weer helemaal niet onderzoeken, omdat deze, in tegenstelling tot de aardse invloed, volgens hem, niet tot heldere uitspraken leiden: ‘Voor wie ernstig bezig is, blijft niets anders over dan dat hij tot het besluit moet komen dat hij maar ergens in het midden moet gaan zitten en dan maar kijken en zoeken hoe hij de rest vanuit de periferie kan behandelen.'[18]
Dit standpunt van Goethe voor de leer van het weer is tegelijkertijd ook onze eigen methodische instap in dit vak: de waarnemende mens vormt het middelpunt, die wat er in de natuur gebeurt, leert verbinden met fysische wetten. Het weer is gecompliceerd, maar voor de 8e-klasser een passende uitdaging die ze midden in het leven doet staan. ‘Het hele onderwijs moet kennis van het leven opleveren’ (Lebenskunde muss aller Unterricht geben)**. Met deze woorden heeft Rudolf Steiner in het voorjaar van 1919, nog voor de vrijeschool er was, de opdracht van een moderne opvoeding beschreven en het onderwijs opgevat als ‘een kennen van het leven’, het is het motief van de vrijeschoolpedagogie geworden.
De weerswetmatigheden gelden voor de hele aardbol. Daardoor ontstaat de mogelijkheid een brug te slaan naar de aardrijkskunde.
Met het voorbeeld van een meteorologische vergelijking tussen Oost en West eindigt het artikel over de meteorologie.

Moessons en weerfronten

Onvergetelijk blijft voor iedere Europese reiziger die naar Oost-Azië reist de werking van de moesson in de periode van grote hitte, wanneer de regen a.h.w. door geopende sluizen naar beneden komt. Deze gebeurtenis is met niets in Europa te vergelijken! Maar de meeste reizigers weten nauwelijks, dat ze te maken hebben met periodiek wisselende hoge- en lagedrukwerkingen, alleen zijn die reusachtig groot geworden.
Wat wij voor het verschil van opwarming van land en zee binnen 24 uur in het klein hebben geleerd, vind je op onze aardbol gespiegeld in het groot en voltrekt zich in jaarritmen. [19].
Oost-Azië kent twee vormen van moesson, de zomer- en de wintermoesson, vergelijkbaar met een in- en uitademing van een heel continent. Dit wordt hieronder in het kort uitgelegd:

In het voorjaar wordt over het binnenland van Azië de lucht door de bodemverwarming omhoog gestuwd, dit des te sterker, naarmate de ondergrond warmer wordt. Boven Centraal-Azië ontstaat dus een krachtige, naar omhoog wervelende luchtkolom. Vanaf de zeeën die om het zuiden en het oosten van Azië stromen, komen de onderste luchtlagen in beweging en volgen de zuigstroom die ze naar Centraal-Azië ‘slurpt’. Er ontstaat wind vanaf zee. Het water van die zeeën wordt onstuimig, de lucht zuigt zich sterk vol met waterdampen. Nu kunnen de steeds groter wordende wolken die een wilde reis naar Centraal-Azië beginnen, enorme watermassa’s vasthouden.
In de herfst draait de moessonwind en blaast nu uit de tegenovergestelde richting, want de woeste, steenachtige gebieden van Hoog-Azië koelen nu veel sneller en heftiger af dan de warme zee daaromheen. De koude, zware lucht stroomt nu uit dit ijzig koude gebied van Hoog-Azië naar de warme zeeën. De wintermoesson  brengt koelte en droogte en het stof van de Gobi-woestijn die alle belangrijke voedingszouten bevat en alleen maar begoten hoeven te worden om goede oogsten te krijgen.

Een van de eerste onderzoekers van Oost-Azië die zich met de moessons bezighield, was Ferdinand von Richthoven (1833-1905), wiens eerste reis naar China in 1867 die hij in opdracht van de Pruisische regering maakte, door zijn eigen onwetendheid over de gevolgen van de moesson, letterlijk ‘in het water viel,’
Het volgende jaar maakte hij deze fout echter goed door de moessonwolken steeds voor te blijven en voor zijn onderzoekswerk vond hij ideale omstandigheden. Later schreef hij in zijn boek: ‘China. Resultaten van eigen reizen en de daarop gebaseerde studies.’ [20]:
‘Het land is zo groot en strekt zich door zoveel klimaatzones uit, dat je iedere tijd van het jaar kan benutten om de reis te maken zonder regen, wanneer je de streken goed uitzoekt. Dit voordeel is een wezenlijk gevolg van de buitengewone regelmaat waarmee de periodieke verandering van het jaargetijde en de regen in China plaatsvindt en dat zou nauwelijks weleens in een ander land op dezelfde manier aan de hand kunnen zijn.’

Als je de geweldige regens van de zomermoesson, en ook de stof- en zandstormen van de wintermoesson indrukwekkend hebt beschreven, dan heb je als leerkracht een goede gelegenheid om het ritmische jaarverloop van de Aziatische mens en zijn cultuur beleefbaar te maken. De Europeanen zijn deze weersverschijnselen vreemd. Zomer- en wintermoesson hebben zo’n kracht dat ze alle andere windsystemen opheffen of opslokken.

Heel anders zijn de weersverhoudingen op het tegenovergestelde noordelijke halfrond. Noord-Amerika heeft geen moesson. Het is het continent van de weerfronten. Op onze Europese breedte is het weer in de eerste plaats een vereffening tussen warme en koude lucht. Koude lucht heeft de neiging zich op bodemhoogte uit te breiden, warme lucht daarentegen streeft naar omhoog: ‘Daar bij het naderbij komen van een koufront de warme lucht omhoog gaat en bij de nadering van een warmtefront de warme lucht langs de koude lucht stroomt, gaan beide weerstoestanden gepaard met de vorming van wolken en in de meeste gevallen met het ontstaan van regen.'[21].
Het eigenlijke front ligt tussen warme en koude lucht in. Nu is het interessant te zien dat dergelijke warme en koude luchtmassa’s in Europa als regel maar langzaam van karakter veranderen. In Noord-Amerika verloopt dit ‘naast elkaar’ echter veel dramatischer, vooral omdat er geen beschermende bergen in oost-westelijke richting lopen. In tegendeel: de steile, noord-zuid lopende bergen vormen juist openingen voor de polaire stromingen’, zoals de meteorologische onderzoeker H. von Ficker [22] geformujleerd heeft. Wat is daarvan het gevolg voor mens en landschap?

Tussen twee polariteiten vindt een voortdurende uitwisseling plaats. ‘Koude golven en warme golven’ (cold and hot waves) staan voortdurend tegenover elkaar en maken langer durend weer onmogelijk. Temperatuurschommelingen van 30 graden van de ene op de andere dag zijn niets ongewoons. In de ‘plains’, het vlakke land, gaat de koude, stormachtige luchtval dikwijls met sneewuval gepaard, ze worden ‘blizzards’ genoemd. Juist een dergelijke koudeval heeft grote gevolgen, omdat die tot Florida en de Golf van Mexico kan komen en planten en kudden kan doen bevriezen. Dit alles behoort bij de ‘nothers’, zoals deze koude-invallen in Amerika worden genoemd. Omgekeerd kunnen warme luchtstromen nog in oktober (‘Indian Summer’) ver tot in Canada komen, die ook ’s nachts niet afkoelen, omdat de zware vochtigheid van de lucht de nachtelijke uitstraling verhindert.
De voortdurende wisselwerking van hitte en vorst, droogte en vochtigheid heeft zijn stempel gedrukt op het aangezicht van het continent. Pas wanneer dergelijke samenhangen worden opgemerkt, worden bijv. de reusachtige hoeveelheden steen ten oosten van de Rocky Mountains begrijpelijk, alsmede de overal sterke erosiewerking. Vele gebergten zijn in de loop van eonen tot hun kristalkern blootgelegd, wat uiteindelijk aan het grandioze landschap van Monument Valley zo indrukwekkend is te zien. Materie laat in Noord-Amerika dikwijls zonder meer haar gezicht zien.

Dit kan een 8e-klasser alleen begrijpen wanneer er vakoverschrijdende samenhangen worden gemaakt, De volgorde van de perioden

natuurkunde               →         meteorologie          →         aardrijkskunde

geeft ons de mogelijkheid verder te gaan dan de vertrouwde Europese omstandigheden; weerskundige verschijnselen worden verdiept en belangrijke verschillen tussen twee zo aan elkaar tegengestelde continenten in hun spanningsverhouding getoond.
Tot slot wordt het volgende voorstel gedaan:

De natuurkunde kan via de aeromechanica uitmonden in meteorologie die net langer dan twee weken duurt en dan voortgezet wordt met een geografische vergelijking van Oost-Azië en Noord-Amerika, waarbij dan ook andere samenhangen van beide werelddelen goed kunnen aansluiten.

Noten:
1. Cotta’sche Goetheausgabe 1960, Bd. 20, S. 776.
2 a.a.O., S. 889.
3. Zu beziehen: z.Zt. z. B. Versandhaus Paul Schrader & Co., 28182 Bremen.
4 GA 295, S. 167.   vertaald/153
5 H. J. Press: »Spiel, das Wissen schafft«.
6 Cotta, S. 931.
7 Hanna Reitsch: »Fliegen mein Leben«, 1951.
8 Cotta, S. 904.
9 Cotta, S. 814.
10 Cotta, S. 783.
11 Cotta, S. 809.
12 Cotta, S. 809.
13 Günter D. Roth: Wetterkunde für alle, 1977. BLV München.
14 Deutscher Wetterdienst, Seewetteramt Plamburg – Wetterkundliche Lehrmittel.
15 G. D. Roth, S. 52 f.
16 G. D. Roth, S. 28.
17 GA 354, S. 180.
18 Cotta, S. 913.
19 H. J. Flechtner: Du und das Wetter, 1940, S. 127.
20 Band I, Berlin 1877.
21 G. D. Roth, S. 188.
22 H..v.Ficker: Wetter und Wetterentwicklung (Bd.15) Berlin 1972>

*’Kunde’ is kennis, maar ook het vermogen om..’Uit de vele voordrachten waarin dit ter sprake komt, gaat het Steiner er altijd om dat het kind van nu, later als volwassene ‘goed in de wereld staat’; weet heeft van allerlei, maar ook weet te leven. Dat is m.i. ‘kunde’. (phaw)

.

Giselher Wulff, Erziehungskunst jrg. 58, 7/8-1994
.

Nog een artikel over het weer in klas 8

Een mooi artikel over wolken in poëzie en schilderkunst

.

8e klas

.

8e klas natuurkundealle artikelen

8e klasalle artikelen

natuurkundealle artikelen

.

1663

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.