Maandelijks archief: april 2014

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Confucius

De wijsheid van Confucius

Confucius

Als hij in eigen persoon vóór ons kwam staan, zou hij er, in onze ogen, nogal vreemd uitzien, met zijn grote, naar buiten staande neusgaten, zijn spleetogen en grote bult boven op zijn hoofd. Zijn baard en snor hingen in drie strengen omlaag, en zijn gewaad leek op een Japanse kimono. Maar hij was groot en sterk, een hartstochtelijk jager, een begaafd musicus en een intellectueel genie. Zijn grote en subtiele wijsheid wordt in het Westen niet erg gewaardeerd, en toch neemt hij in de hele wereld een unieke plaats in. Hij staat in de geschiedenis geheel op zichzelf als de man die de geest en de gewoonten van een heel volk heeft gevormd.

Confucius leefde in China meer dan 500 jaar voor Christus’ geboorte. Hij was een van de grootste leermeesters der levenskunst en meer dan een van de anderen alleen maar leermeester. Hij was geen heilige en geen profeet. Hij had geen sleutel die paste op alle geheimen van het heelal. Hoewel men over zijn leer dikwijls spreekt als over de godsdienst van China, had hij weinig belang­stelling voor godsdienst of voor de idee van een eeuwig leven. Maar hij bekommerde zich zeer om het goed-zijn. Hij was de uit­vinder van die toverformule, de gulden regel, een van de heiligste schatten van ons eigen evangelie, namelijk de samenvatting van zijn leer: “Doet een ander niet aan wat gij niet wilt dat anderen u aandoen.”

Confucius is soms zo dicht bij het Evangelie van Christus, dat er een heel boek geschreven is over de overeenkomsten en verschillen van deze twee. Overeenkomstig de christelijke leer “Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt” is bijvoorbeeld zijn waarschuwing dat wij bij het beoordelen van anderen, “ons innerlijkste zelf”‘ als maatstaf moeten nemen. Is het niet denkbaar dat wij dezelfde zonde zouden hebben begaan? Maar in tegenstelling tot het christelijk geloof was zijn antwoord, toen iemand hem vroeg wat hij vond van de gedachte dat wij onrecht met vriendelijkheid moesten vergelden: “Waarmee wil je dan vriendelijkheid ver­gelden? Vergeld onrecht met recht, vriendelijkheid met vriende­lijkheid.”

Als jongen had Confucius een levendige belangstelling voor alle soorten ritueel en ceremoniën. Van muziek hield hij ook, en hij leerde zingen en luit en citer spelen. Op middelbare leeftijd reisde hij van zijn geboorteplaats in de kleine provincie Lu naar de hoofdstad, om “de regels van de muziek en het decorum” te bestu­deren en een deskundige te worden in alle vormen van ceremo­nieel gedrag.

Toen Confucius volwassen werd, voorzag hij in zijn levens­onderhoud door leerlingen in huis te nemen. Er was geen vast­gesteld lesgeld, en als de leerling zowel behoeftig als begaafd was, hoefde hij helemaal niets te betalen. De leer van Confucius is tot ons gekomen in de vorm van een uitgebreide verzameling losse opmerkingen en fragmenten van gesprekken die door zijn leer­lingen zijn vastgelegd. Helaas zijn ze niet verbonden met zijn levensgeschiedenis, zoals het geval is met die van Jezus, en dat maakt ze minder leesbaar. Ze zijn ook niet zo welsprekend als de evangeliën. Confucius wantrouwde welsprekendheid. “Het enige dat de taal moet doen,” zei hij, “is een betekenis overdragen.” Hijzelf deed dat met eenvoudige proza-gezegden, zoals:

“Waarheen u ook gaat, ga met uw ganse hart.”
“De ernstige fout is: fouten hebben en niet proberen die te ver­beteren.”
“Acht uzelf niet zo groot, dat andere mensen klein lijken.”

Zijn geest neigde naar het wetenschappelijke. Doordien hij de nadruk legde op de geestelijke lenigheid, de vervanging van het dogma door het feitenonderzoek en het opschorten van een oor­deel was hij zijn tijd 2000 jaar vooruit. Hij heeft als eerste onder woorden gebracht wat men de gulden regel der wetenschap zou kunnen noemen: “Als men iets niet kent, is de erkenning dat men het niet kent, kennis.”
Zo rekende hij af met de verleidingen van bijgeloof en een manier van “denken” waarbij de wens de vader is van de gedachte. Tot hetzelfde doel legde hij grote nadruk op oprechtheid — niet alleen in woorden, maar ook in de persoon­lijke meditatie. Er mag geen innerlijk zelfbedrog bestaan als men op reis gaat langs wat hij noemde “het pad der waarheid”.

Toch was het geen recht en nauw, of onmogelijk moeilijk pad, dat hij wees. “De weg der waarheid,” zei hij, “is als een grote weg. Hij is niet moeilijk te vinden. De kwestie is alleen, dat de mensen er niet naar willen zoeken.” Dit betekent niet dat hij laksheid of toegeeflijkheid jegens onszelf aanried. Confucius was een strenge, veeleisende leermeester. Vergeleken met de lijst met hoedanighe­den waarnaar zijn leerlingen moesten streven, lijken onze zeven hoofddeugden meer op een cursus voor beginners. Onder andere dienden zijn leerlingen te zijn “vlug van begrip, helder van oor­deel, van verreikende intelligentie en alomvattende kennis, ge­schikt om gezag uit te oefenen, grootmoedig en verdraagzaam.” Ze moesten ook “plechtigheid”, “ernst”, “trouw”, “vriendelijk­heid” en “eerbiedige aandacht voor zaken” leren. Zijn gezegden geven mij de indruk dat daaraan de gedachte ten grondslag ligt dat alle mensen zich in een groeiproces bevinden. Hij geloofde dat er in ons allen een stuwkracht werkzaam is, een verlangen om zo al niet anderen, dan toch onszelf te overtreffen.

Evenals Plato 200 jaar later, ontwierp ook Confucius het bouw­plan van een ideale republiek, maar de zijne was zeer verschillend van de streng geordende die Plato bedacht heeft. Confucius’ plan kwam namelijk voort uit zijn verlangen dat de maatschappij zou functioneren als een liefhebbend gezin. Die idee was met name in China nogal utopisch, omdat de familiebanden daar hechter en sterker zijn dan waar ook ter wereld; Chinezen te vragen, alle mensen als hun familieleden te beschouwen, ging wel wat ver. Confucius wist dit, maar hij wilde de wereld althans in de richting van het ideaal zien gaan. En de enige manier om een begin te maken, zo meende hij, was goede en wijze mannen in
machtsposities te krijgen. En ook evenals Plato heeft hij zich zijn hele leven naarstig beijverd om door een van de feodale vorsten in een hoge ambtelijke positie benoemd te worden. Dat viel wel verscheidene van zijn beste leerlingen ten deel, maar hijzelf schijnt nooit veel verder gekomen te zijn dan de positie van hooggeschat leermeester voor dergelijke ambtenaren.

Hoewel hij jarenlang door China rondgetrokken is met een kleine groep leerlingen, op zoek naar een machthebber die hem een kans wilde geven om de wereld te hervormen, stonden bepaal­de karaktertrekken de verwezenlijking van zijn ambities in de weg. Hij schijnt te openhartig geweest te zijn om als politicus te slagen. Tot een onstuimig heerser die hem onderricht vroeg in de kunst van het regeren, zei hij: “Leer eerst uzelf regeren.” Bovendien geloofde Confucius niet werkelijk in erfelijke aristocratie. “Van nature zijn de mensen bijna gelijk,” zei hij. En hoewel de demo­cratie toen nog niet was uitgevonden, verklaarde Confucius — wellicht voor het eerst in de geschiedenis — dat het ware doel van het regeren niet slechts de welvaart, maar het geluk van het volk is.

Ten slotte keerde hij terug naar zijn vaderstad, als een oude ver­moeide man — niet geestelijk gebroken, maar wel overtuigd dat hij mislukt was. Na een paar jaar van rustig onderwijzen stierf hij in die overtuiging. Zijn leerlingen rouwden om hem alsof hij hun vader was geweest. En aangezien het toentertijd in China ge­bruikelijk was dat kinderen drie jaar lang rouwden om een ge­storven vader, hadden ze ruim de tijd. Die brachten ze door met elkaar aan alle belangrijke dingen te herinneren die hij onderwe­zen had, en die op te schrijven. Het boek van hun herinneringen werd de bijbel van het Chinese volk. Meer dan dat: het werd hun boek der etiquette, de geest van hun wetten, de politieke begin­selen die hun goede heersers voorstonden.

Toen in de derde eeuw vóór Christus zekere wrede despoten het confucianisme verboden, zijn geschriften verbrandden en zijn aanhangers doodden, verbreidde deze filosofie zich als een geheim lopend vuurtje — evenals het christendom zich later onder de vervolging zou verbreiden. En eveneens als met het christendom gebeurde, kwam er daarna een bedachtzamer keizer, die het confucianisme aannam en het van staatswege sanctioneerde.

Boek na boek is sindsdien over het confucianisme geschreven, zodat iemand die er in zijn jeugd aan zou beginnen en dan een heel mensenleven zou doorlezen, er niet doorheen zou kunnen komen. Maar door al die boeken straalt de zuivere, hoge, gema­tigde en eenvoudige levenskunst die Confucius zelf onderwezen heeft, en die zal blijven stralen, ongeacht hoevele communistische volksopvoeders hun best doen om haar te vervangen door hun religie van staatstirannie en hun leer dat het doel de middelen heiligt, hoe bloedig en slecht die middelen ook zijn.

alle biografieën

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Kleuterklasimpressie

Voorjaarsliedje van de kleuterklas:

Sneeuwklokjes bengelen, crocusjes bloeien,
het gras gaat weer groeien,
de lente gaat weer komen.

IJs is gesmolten, visjes spartelen,
lammetjes dartelen,
vogeltjes fluiten,
lente wordt het buiten!
laat ons nu zingen en dansen en springen,
lente wordt het buiten.

Dit lied wordt uit volle borst gezongen, want bij ons van binnen, en buiten in de tuin, is het volop lente, al geeft de kalender nog winter* aan.

De dagen lengen en de zon krijgt meer kracht.
Op de sei­zoenentafel is moeder aarde gekomen en tussen de wortels van de bomen liggen kinderen stil te dromen. Bloemenkinderen komen schuchter te voorschijn, want koning winter met z!n witte ijshulpjes is ook nog vlakbij.

De seizoenentafel in de klas verandert regelmatig, maar het speelgoed blijft altijd hetzelfde. Wat mooi dat de kinderen (ook al zijn zij 4, 5 of 6 jaar) het iedere dag weer fijn vinden om daarmee te spelen. Elke dag weer gaat alles van zn plaats en wordt aan het eind van de speeltijd alles weer teruggezet. Poppen toegestopt, kisten en planken teruggezet en de doeken opgevouwen. Dan eten we met zfn allen en komen dan in de kring zitten voor het sprookje. Ook deze hebben ze al vele malen gehoord, maar ze vervelen nooit. Iedere keer weer zijn ze blij dat de geitjes ongeschonden uit de buik van de wolf springen of is het leuk dat het ijverige meisje (van vrouw Holle) met goud wordt overladen en het luie meisje met pek. Zekerheid krijgen de kinderen ervan.Het verhaal loopt altijd zo af. In de klas ligt altijd het­zelfde om mee te spelen, ook al speel je iedere dag wat anders daarmee.

Op elke dag van de week wordt wat anders gedaan (tekenen, schilderen enz.), maar dat is iedere week hetzelfde. De jaargetijden veranderen, maar zijn ieder jaar hetzelfde. Dat steeds weer terug komen en herhalen van de dingen
her­kennen de kinderen. Zij ontwikkelen zich hieraan verder. Zij worden er zeker door en durven het leven aan. Ze spelen het voorjaar tegemoet. We kunnen weer wat langer naar buiten en langzamerhand wordt het gehol met kruiwagens en karren, om warm te blijven, wat minder. Het zand kan weer gezeefd worden en zandtaartjes worden gebakken. We gaan weer een fijne tijd tegemoet.

(Kleuterleidsters vrijeschool Voorschoten, *nadere gegevens onbekend)

 

VRIJESCHOOL – Rekenen – 2e klas (7)

rekenen in de 2e klas

Zo na de week waarin we Driekoningen hebben gevierd en we een taalperiode afsloten die met advent begonnen was, was het mooi tijd om eens flink te gaan rekenen. De tafels! Al in de eerste klas hebben we eindeloos vaak de reeksen gelopen van de tafels 1, 2, 3, 4 en 5. De antwoorden van de tafels 1 t/m 5 kunnen de kinderen wel dromen, zowel heen als terug.
Maar tot nu toe waren ze zich er nog niet van bewust dat we met de tafels bezig waren. In deze nieuwe rekenperiode is die naam voor het eerst gevallen. We gaan de tafels leren!

2 =    1 x 2     1 x 2 =  2     3 = 1 x 3    1 x 3 = 3
4 =    2 x 2    2 x 2 =  4     6 = 2 x 3   2 x 3 = 6
klap  stamp stamp   klap     enz

We begonnen natuurlijk met de tafel van 1  en de antwoorden werden onder elkaar op het bord geschreven. Daarna volgde er iedere dag een nieuwe rij met antwoorden. En al na een paar dagen ontdekten enkele slimmerds dat de tafels niet alleen verticaal, maar ook horizontaal verschenen. Maar er is nog veel meer te ontdekken in zon tafelwereld. Kijkt u zelf maar eens.

tafelvierkant

Ik vroeg de kinderen 1 x 1, 2 x 2,  3 x 3,  4 x 4 etc. (de kwadraten dus) in te kleuren.  Dan de rij naast de kwadraten in een andere kleur. Al heel snel zagen ze  dat die aan beide kanten gelijk was:
2, 6, 12, 20, 30, 42, 56, 72, 90

Er was zelfs een hele pientere die zag dat er steeds 2 meer bij kwamen:

tafels 1

Bij de volgende rij ook, maar nu met oneven getallen:
tafels 2

U begrijpt dat dit laatste lang niet door elk kind gezien werd. Maar het leuke van zon tafelveld is, dat er voor elk kind op zijn eigen niveau iets in te ontdekken valt. Bij­voorbeeld ook het volgende:
3 x4  kun je zo opzoeken, 3 opzij en 4 naar beneden, net zowel als 4 x3 , 4 opzij en 3 naar beneden en je krijgt hetzelfde antwoord. Voor tweede klassers een hele ontdekking!

Het grappige in de klas is dat enkele kinderen pas na een week zelf ontdekken dat er horizontaal ook tafels ontstaan als je ze verticaal opschrijft, de verrassing voor dat kind is net zo groot als voor het kind dat zoiets meteen al door heeft. Opgetogen roept het:  Juffie, de tafels komen ook zo!’ en z’n vinger wijst van links naar rechts. De rest roept: ‘Zie je dat nu pas!’of:  Dat wisten we al lang,’ maar het kind straalt van vreugde over zijn ontdekking. Eindeloos variëren kun je om toch steeds weer die reeksen van antwoorden bij de kinderen paraat te krijgen. Behalve het lopen met klappen, stampen,
grond-aantikken, in de lucht springen etc. hebben we veel met de bal gespeeld. We maakten een grote kring met zn allen, waarbij iedereen een nummer kreeg. De bal werd gegooid naar degene die het juiste antwoord als nummer had. Bij de tafel van 1 kreeg ieder­een dus een beurt. Bij de tafel van 2 om en om. We deden de antwoorden van alle tafels van 1  t/m 10. Wat ze dan al niet ontdekken!

Nr. 7,  13,  17,  19 en 23 beginnen te klagen dat ze nooit eens aan de beurt komen. De priemgetallen! Het woord wordt niet genoemd, maar de beleving is er, daar kun je in een hogere klas op terugkomen.

Als je dergelijke oefeningen iedere dag een keer doet in zon rekenperiode,  zorgen sommige kinderen bij het aftellen, dat ze op plaatsje 12 of 24 komen te staan, dan kom je lekker vaak aan de beurt. Zonder veel te spreken daarover voelen alle kinderen aan dat dit speciale getallen zijn. Een ander kringspel was het volgende:

De kring mocht nu maar uit 10 kinderen bestaan en we telden gewoon door na. de 10, dus nr. 1 was ook nr. 11 en 21. Net zo ver als nodig was om de tafel helemaal van het begin tot het eind te kunnen gooien. Steeds weer nieuwe verrassingen. Bij de tafel van 1  sla je niemand over; bij de tafel van 2 sla je 1 kind over; bij  die van 3  2 kinderen enz.

tafls 3

Snapt u wat een lol heti s als je voor de eerste keer de tafel van 5 doet in zo!n kring van10 kinderen. Natuurlijk kun je zeggen, dat bij de tafel van 5  de antwoorden altijd op een 0 of een 5 eindigen,maar veel leuker is het om als juf niets te verklappen en de kinderen zon balspel te
la­ten doen.Wat een pret voor die twee die op plaatsje 5 en 10 staan.

De volgende dag als je dit weer doet wil iedereen 5 of 10 zijn. En wat dacht u van de tafel van 10?

Nog een leuk spel met de tafel van 2.

Op het ritme van 2 =1 x 2     1 x 2 = 2   klappen steeds 2 kinderen op het antwoord 2 de handen tegen elkaar en bij 1 in de eigen handen en bij 2 weer tegen elkaar.Bij 4 is dat dus als volgt:

tafels 4

4 kinderen klappen de handen 2 aan 2 tegen elkaar dus:

4 =                      2 x 2                        2 x 2                = 4
klap tegen        klap in de              klap in de       klap tegen
elkaar                eigenhand             eigenhand     elkaar

De rij zwelt aan tot 20Gaan we weer terug dan reduceert die lange rij weer 2 aan 2 tot nietsZo wordt een tafel net zon leuk klapspel als bijvoorbeeld ‘Papegaaitje leef je nog’.
Een gezellige, vrolijke rekenperiode was dat in de tweede klas.

(Ria Buscop, nadere gegevens ontbreken)

VRIJESCHOOL – Rekenen – 2e klas (6)

Rekenen in de tweede, een mooi vak om te spelen.

 

Nadat we in de eerste klas het getallenstelsel leerden kennen met zijn ritmiek van het overslaan, zoals — 4-—8— 12 enz, speelt het eerlijke geven en krijgen nu de grootste rol. Daarbij gebruiken we de tafels.

Allereerst zijn de tafels, naast het rekenspel, veel ge­sprongen, geklapt en gesproken. Daarna zijn ze geschreven, getekend en in eenspiegel-vierkant geplaatst. Ook springen we de tafels in het springtouw.

Nu we aan het einde van de tweede klas zijn gekomen, her­halen we alles nog eens, maar nu in een heel speciaal spel: HET     GANZENBORDSPEL.

Het ganzenbordspel is een prachtig voorbeeld voor de eerlijk­heid en gestrengheid in het leven. We tellen de jaren 1 tot en met 63 en verkrijgen zo het werkterrein in de menselijke levensloop.

Alle getallen die de 5 in zich dragen, zoals 5,  14 (1 +4=5), 23(2+3=5), enz., getuigen van de vrijheid van onze hand om te schenken en te ontvangen, waardoor de mens verder komt in zijn leven. Het spel beloont dit met eenzelfde sprong vooruit. Alle getallen, die de 9 in zich dragen, zoals 9, 18, 27 enz., getuigen van de drempels in het leven. Rekenen boven de 10 b.v moet je door eigen activiteit leren.

Vaak is een nieuwe aanloop nodig zoals bij vele moeilijkheden die je in het leven wilt overwinnen.

De 9 getuigt van wat de mens al heeft, terwijl de 10 van een nieuwe orde getuigt, zelfs rekenkundig te zien in het (volg) ordestelsel, de 1 en de 0, die samen iets nieuws betekenen. In het spel maak je dus dezelfde sprong terug, om het in een volgende beurt opnieuw te proberen.

In 59, 5 en 9 samen, maar ook 5+9=14 en 1+4=5, zit een dub­bele betekenis (beide getallen in één én een dubbele bewerking naar de 5 toe). Op 59 aangekomen, kies ik er dan ook voor, om de speler 2 maal zijn sprong vooruit te laten maken, waardoor hij dus hoogstwaarschijnlijk weer een stukje achteruit moet gaan (bij “64” keer je weer om als je er niet precies op komt) De kinderen slaan dus aan het rekenen om deze getallen te vin­den en tellen alle hokjes uit om de héén- en terugkijkende ganzen te tekenen.

Dat was een hele kluif en er ging een zucht van bevrediging door de klas, toen dat karwei geklaard was.

Maar nu het spannendste! In het leven spelen schenken en ont­vangen de grootste rollen.

In de getallenwereld (de leeftijden op het bord) kun je de samenwerking tussen de getallen herkennen door naar hun deel­baarheid te kijken. Voor elke manier van verdelen krijgt het getal een sterretje. Zo krijg je zeer stralende getallen én getallen zonder ster, want aangezien élk getal door 1 en zich­zelf deelbaar is, is dat nietszeggend voor een getal en krijgt het daarvoor géén ster. Zo verschijnen er op het bord een aan­tal duistere priemgetallen. Getallen, die niets kunnen geven of krijgen en zo zielsalleen blijven staan.

Maar voordat dit alles op het ganzenbord komt te staan, zijn alle tafels nog eens op het plein gelopen (tegels overslaan) en geschreven, keurig naast elkaar. Daarna nog eens in het schrift hetzelfde en is ook nog per ge­tal de deelbaarheid getoetst door middel van bonen en opgeschreven in het schrift.

Zo zijn dan alle tafels van 1 tot en met 12, tot 63, vele keren geoefend en zelfs delen uit hogere tafels, die door spiegeling ontdekt werden, zoals b.v. 63=3×21 en 62=2×31, want de “lage” tafels worden tot 63 vervolgd. De priemgetallen krijgen alle een ietwat duistere tekening. Er kan je heel wat gebeuren als je alleen staat in het leven. Je durft alleen die heel smalle brug niet over, je kunt je verliezen in de geneugten van de herberg, je kunt in de put der wanhoop komen, de weg kwijt raken in de doolhof van regels, gebruiken en gewoonten, de verkeerde weg inslaan en in de gevangenis komen en zelfs vroegtijdig sterven, zo­dat je het nog niet bereikte door een hernieuwde levensweg moet gaan bereiken. Op zon tekening beland, moet je 2 maal je beurt voorbij laten gaan, tenzij je verlost wordt uit de put of gevangenis door een medespeler die je aflost.

Onder de 5 jaar is een kind nog totaal opgenomen in het gezin, zodat die priemgetallen hier buiten beschouwing blijven. De andere 6 priemgetallen, waarop je alleen staat, vormen de stilstandsmomenten in het leven. Je ziet het niet meer zitten, staat even stil, 1 beurt in dit spel.

Het ganzenbordspel wordt met 2 stenen gespeeld.
Je gooit minimaal 2 en maximaal 12, gemiddeld dus 7 jaren vooruit per keer. Na dus gemiddeld 9 keer gooien zonder problemen onderweg kan men de 63 halen.
Dan komt men in de tiende levensfase, de fase die een mens geschonken krijgt, want zijn grootste taak zit er op. Wat een mens in die fase dan nog doet, schenkt hij puur zijn medemensen.

Op het bord staat in het midden (is einde van het spel) een
tekening van een gans met jongen, de vruchten van het leven.

Sommige mensen beginnen het leven echter al met bijzondere gaven. In het ganzenbordspel doen we dat zo: je gooit in je eerste worp 9 met een 5 (en een 4;. Dan stroom je gelijk door naar 53. Of je gooit in je eerste worp 9 met een 6 (en een 3). Dan ga je door naar 26.

Zo rekenden en rekenen wij in de tweede klas tijdens het ontwikkelen, het maken en het spelen van het ganzenbordenspel. Alle vier hoofdbewerkingen van het rekenen, d.w.z. optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen, zijn dan aan bod gekomen en met veel plezier geoefend.

(M. Stoop, vrijeschool Leiden, datum onbekend)

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 6e klas (1)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

VAKKENINTEGRATIE
Het op elkaar betrekken van verschillende vakken, is na de zeventiger jaren van de vorige eeuw als ‘vak(ken)integratie bekend geworden; de vraag is wel in hoeverre het in het onderwijs – in ’t algemeen – in de praktijk wordt gebracht.

Steiner wees er al meteen bij het begin van de eerste vrijeschool in Stuttgart op (1919!) hoe zinvol het is dezelfde leerstof vanuit verschillende vakoptieken met de leerlingen te behandelen.

Hij noemde dit af en toe ook ‘economisch’ waarbij je dan ook moet denken aan ‘tijdwinst’ en grotere interesse, betrokkenheid van de leerlingen bij de stof.

Tevens vloeide daaruit voort dat de leerkrachten: klassen- en vakleerkrachten met elkaar zouden moeten overleggen: waar ben jij in het hoofdonderwijs mee bezig en hoe kan ik daar met mijn vak bij aansluiten; of wat doe jij en wat doe ik of doen we allebeid hetzelfde maar dan vanuit een verschillende invalshoek.

Zo zou je bv. wanneer je in klas 6 geschiedenis geeft, de rol van Julius Caesar voor onze streken kunnen belichten door in het Engels een boekje over hem te lezen.

Bij de uitgeverij Ladybird werd ooit gepubliceerd:

JULIUS CAESAR and ROMAN BRITAIN

Een klein, handzaam, goedkoop boekje, met een tekst die voor een 6-klasser – mits hij in de jaren ervoor goed Engels heeft gekregen – niet al te moeilijk is. Bovendien zijn de illustraties heel mooi.

Hier volgen een paar bladzijden. I.v.m. de rechten weet ik niet of ik heel het boekje mag weergeven.*

JULIUS  CAESAR AND  ROMAN BRITAIN

Long before the Romans conquered Britain, men had lived in these islands for hundreds of years. Some of them had come from northern countries like Norway or Denmark, others from France and Spain.

These people were divided into many tribes, each under its own chief. They lived in villages, in houses made of wattle and daub, that is, wooden poles and branches twisted together and covered with dried clay. These houses were usually just one room, thatched with reeds, and with a hole in the roof above the open fire. There was no glass in the small openings which let in the light, and they must have been very cold and draughty.
The men were mostly farmers, growing corn and grazing cattle. Their farming tools were made of bronze or iron by smiths, who also made swords and simple helmets; potters made bowls and jugs for domestic use.
The men and women wore brightly coloured clothes made of wool, and the wives and daughters of the chiefs had golden bracelets and necklaces, which may still be seen today in museums up and down the country.
Those of the Britons who lived by the sea were fishermen as well as farmers, and all of them fished in the rivers, which were cleaner than they are now.
The boats which the fishermen used were called coracles. They were very unlike the boats used today, although similar boats may still be seen in parts of Wales.
The coracles of the Britons were made of willow branches woven into what looked like a large shallow basket. This was covered on the outside with skins and then made waterproof with the resin or gum from pine and other trees. These little boats were very light, and the fisherman could easily carry his boat from his house to the lake or river.
Because they were round and flat, they were also very difficult to upset, and even on a rough sea they were safer than present-day rowing boats. On the west coast of Ireland coracles are still used by the islanders of Great Blasquet to cross the rough waters of the Blasquet Sound, and wrecks are said to be quite unknown.

engels 6e klas 1

engels 6e klas 2

*Bij de uitgever is het uitverkocht. Wie het met zijn klas zou willen lezen: ik kan je de tekst toesturen. Je kunt je bericht sturen naar:

pieterhawitvliet -voeg toe apenstaartje gmail punt com

6e klas geschiedenis: alle artikelen

 

Julius Caesar

Julius Caesar uitgebreide biografie

Julius Caesar in de Nederlanden

 

 

vertelstof: alle biografieën

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs (3)

De klein gedrukte tekst is het Duits van Steiner – de vertaling is van mij en volgt daar steeds op – in zwart.

De tekst in blauw is van mij.

voor een goed begrip: zie de verschenen artikelen  1   en  2  

 Deel 2  eindigde met de tegenstelling ‘bloed-zenuw’. In de 2e voordracht van ‘Algemene menskunde als grondslag voor de pedagogie’ gaat Steiner er uitvoerig op in. [1]

VOORSTELLING -FANTASIE
Hij koppelt ze o.a. aan ‘voorstellingsbeeld’ en ‘fantasiebeeld’. Dat is op zich al een lastig te doorgronden tegenstelling, want wanneer we ‘iets’ fantaseren, verbeelden we ons toch iets, we maken beelden, evenals we dat doen bij het ‘zich voorstellen’. De taal is hier niet meteen hulpvaardig, want wanneer we zeggen: ‘Stel je nu eens voor dat…’ dan gaan we ook op een bepaalde manier ‘fantaseren’. 

Wanneer je deze twee vormen van voorstellen echter aan de begrippen ‘verleden’ en ‘toekomst’ knoopt, kom je een heel eind verder.

Hier heb ik daaraan ook een artikel gewijd. Het gaat daarin vooral over ‘voorstellen’ in de zin van:  je weer iets voor de geest roepen – je herinneren – de verleden kant, dus. Het is niet moeilijk in te zien dat we een voorstelling maken van hetgeen we bv. een keer – vandaag, gisteren, vorig jaar, lang geleden hebben waargenomen. Dat zien we dan op de een of andere manier weer voor ons: een mooi vakantieplekje bv. Daar zijn we niet – we nemen het dus niet concreet waar. We waren er. En we namen het waar. En op de een of andere manier nemen we het nu weer waar, als waren we er aanwezig.  Alsof we naar een foto kijken, een beeld dus. Zo’n (af)beeld(ing) is altijd verbonden met het verleden – toen we het voor het eerst waarnamen. Het is een soort foto – het ogenblik waarop het kiekje is genomen, is voorbij – de herinnering eraan blijft bewaard als foto(beeld).

Als je bv. ergens een poster ziet, met laten we zeggen een heerlijke taart, dan weet je gewoon dat die taart al lang opgegeten is, of weggegooid, of…die bestaat niet meer, is verleden tijd.

Die beelden bedoelt Steiner met voorstellingsbeelden. Je moet soms een behoorlijke denkactiviteit verrichten om ze je weer ‘voor de geest’ te roepen – ze je te herinneren. Reproduceren. Het is in hoge mate een denkactiviteit, maar een letterlijk ‘na’ denken, een ‘aan-terug-denken’.

Zo’n vorm van denken wijst dus a.h.w. naar het verleden terug.
Die vorm van denken is nodig om leerstof te onthouden, te reproduceren, in je hoofd te stampen. Enz. Moet je dat veel doen, voor een examen bv. dan zit je veel achter je bureau, komt niet veel buiten, je wordt er slaperig van – het zijn allemaal verschijnselen die we kennen en niet zo gezond vinden – je krijgt er op den duur bleke wangen van – getuige de voorstelling die we ons maken van een ‘kamergeleerde’.

Als we dit soort voorstellingsdenken aan het verleden moeten koppelen, is de tegenstelling met het fantasiebeeld niet zo moeilijk, immers, dit is er helemaal nog niet. Ik moet dat beeld nog ontwerpen. Het resultaat ligt dus eigenlijk in de toekomst. En hoewel dit ‘fantaseren’ ook een vorm van denken is – je ziet ook allerlei voor je – is het toch een denken van een heel andere kwaliteit, een soort ‘vooruit’ denken. Heel vaak is dat soort denken verbonden met ‘doen’. Je ontwerpt iets – je hebt een idee, een plan. Dit is nog onstoffelijk, nog niet concreet ergens aanwezig, tastbaar. Je kunt er enthousiast voor worden, zin hebben om het te maken.

Je voelt wel, een totaal ander gebied, dan het reproduceren. Een kunstenaar zal ook zo zijn ideeën hebben over het schilderij of het beeld dat hij zal gaan maken. In dat maken ligt nog niets vast – het idee zweeft er een beetje boven, werkt erdoorheen. De kunstenaar zal meestal wel ‘bezield’ zijn door en voor zijn idee, er ‘warm’ voor lopen. Hier past het woord ‘inspiratie’; of vanuit ‘intuïtie – alles is nog ‘wordend’.
En met deze tegenstelling kunnen we nog weer beter aanvoelen wat Steiner met de tegenstelling zenuw-bloed bedoelde.Tot reëel in het fysieke is de zenuw koeler dat het bloed. En daar waar het denken gelokaliseerd is – in het hoofd – moet ook koelte heersen om te kunnen (na)denken. Om te kunnen ‘doen’ moeten de handen wel warm zijn. Wat wij als ‘gezond’ beleven is ‘hoofd koel en voeten warm’. Kom je buiten deze bandbreedte dan ligt het gevaar op de loer een ’heethoofd’ te zijn en met koude voeten komen de meesten van ons niet in de gezonde nachtrustslaap.

Dus, als we ‘fantasie’ veel ruimer denken dan wat we er in eerste instantie wellicht aan vast knopen: fantaseren als ‘verzinnen’, als een soort niet-werkelijkheid, niet met beide benen op de grond, maar het verbinden met creativiteit, met scheppen, ja, met kunst, dan is de tegenstelling ‘voorstelling-fantasie’ wel duidelijk.

OP BASIS VAN HET FYSIEKE
De mens kan alleen maar mens zijn op basis van zijn fysieke lichaam; in Steiners visie betekent dit o.a. dat wat de mens denkt en voelt en ten uitvoer brengt, hij dat alleen kan met behulp van zijn lichaam. Hij ziet het lichaam als een instrument waarmee de mens zich als een denkend, voelend en handelend wezen kan manifesteren. Wij kunnen dat als beleving ervaren. Wanneer we door sterke gevoelens worden beroerd, bv. hevige schrik, dan trekken we wit weg: een  lichamelijke activiteit van het bloed; de adem stokt in de keel; of we worden woedend en het bloed stijgt ons naar het hoofd: letterlijk: we lopen rood aan; er komen tranen als we bedroefd zijn of juist heel erg moeten lachen. Vele voorbeelden zijn er te vinden, waaruit blijkt hoe stemmingen, gevoelens, belevingen direct samenhangen met het fysieke. Pas als we de humor van iets beleven en we moeten lachen, maken spierbewegingen dit mogelijk en geven het gezicht de uitdrukking van vrolijk zijn. Niet andersom: de spieren in de vorm brengen die ze hebben wanneer we pret hebben, levert geen gevoel van plezier op.

Warm lopen voor iets, is wat de ziel doet – fysiek ‘tintelt’ het bloed.

Het moge nu duidelijk zijn dat Steiner met het oog op gezondmakend onderwijs veel belang hecht aan deze tegenstelling: wanneer werk je op de ‘koude’ kant van het denken – bv. het reproduceren en wanneer ga je zo te werk dat het bloed tintelt.

Dat laatste, zoals we zagen, is verbonden met ‘scheppen, creatief zijn, bewegen.

Tegen deze achtergrond zijn deze woorden van Steiner wellicht te doorgronden:

EEN KIND DAT ER WIT, BLEEK UITZIET

(  ) -, ein Kind wird immer blasser und blasser. Berücksichtige ich dann alles aus den pädagogischen In­stinkten heraus, die durch anthroposophische Einsicht vertieft sind, so werde ich vielleicht darauf kommen: dieses Kind habe ich mit Erinne­rungsstoff, mit Gedächtnisstoff überfüttert; ich habe seinem Gedächt­nisse, seiner Erinnerung zuviel zugemutet.Nun wird man bemerken können, wenn so etwas nicht zur rechten Zeit erfaßt wird, daß man ein Kind durch Überwiegen des Gedächt­nisstoffes blaß gemacht hat, daß sich das dann steigert. Wenn man fortfährt, das Kind mit Gedächtnisstoff zu überfüttern, wird die nächste Stufe dann eine Seelenoffenbarung sein: das Kind wird zu aller­lei Ängstlichkeiten, zu Angst- und Furchtzuständen kommen. Auch diese brauchen wiederum nicht robust für eine oberflächliche Beobach­tung hervorzutreten, sondern eben nur für das feinere Beobachten, das sich der Erziehungs- und Unterrichtskünstler eben aneignen muß.Und die letzte Stufe, wenn man fortfährt, aus irgendwelchen theoretischen Vorurteilen heraus immer mehr und mehr Gedächtnisstoff in das Kind hineinzustopfen, sind Wachstumsstörungen. Das Kind bleibt auf irgend­eine Weise sogar im Wachstum zurück.Da sieht man das Ineinanderwirken von Geistig-Seelischem und Physisch-Leiblichem.Da lernt man einsehen, wie notwendig es ist für den Unterrichts- und Erziehungskünstler, eine Vorstellung zu gewin­nen, wie die menschlichen Neigungen zum Gesunden und zum Kranken zu behandeln sind.Durch ein so geartetes Bewußtsein wird man es dahin bringen, in der richtigen Weise einzuhalten mit der Überfütterung des Gedächtnisses und in anderer Weise an das Kind heranzutreten. Und man wird sehen, das Kind wird wiederum eine gesundere Lebensfarbe bekommen, wenn man in der Folgezeit nicht zu stark an seine Erinnerung appelliert, son­dern mehr an dasjenige, was erlebt wird. Sagen wir, man führt ihm an dem einen Tag etwas Schönes vor, an dem es eine unmittelbare Freude hat, und am nächsten Tag etwas anderes Schönes oder das frühere in einer Variante. Man appelliert also in der nächsten Zeit nicht an sein Erinnerungsvermögen.

Een kind gaat er steeds witter uitzien. Bekijk ik dan alles vanuit het pedagogisch gevoel dat door antroposofische inzichten verdiept is, dan kom ik er misschien op: dit kind heb ik met herinneringsstof, geheugenstof overladen; ik heb te veel gevraagd van het geheugen, het herinneringsvermogen. Nu zou je kunnen ervaren, wanneer niet op tijd onderkend wordt dat een kind bleek is gaan zien door een te grote nadruk op onthoudstof, dit dan erger wordt. Wanneer je doorgaat het kind te overladen met geheugenwerk is de volgende fase een uiting van de ziel: het kind wordt bang, komt in angsttoestanden terecht. Ook deze hoeven niet eens zo manifest te zijn voor iemand die oppervlakkig waarneemt, maar wel voor iemand die intensiever waarneemt, wat de opvoedkunstenaar zich eigen moet maken. En de laatste fase, wanneer je doorgaat, uit wat voor theoretische vooroordelen dan ook met het kind vol te proppen met herinneringsstof, zijn storingen in de groei. Het kind blijft op de een of andere manier achter in de groei. Hier zie je hoe dat wat we geest-ziel noemen, inwerkt op het lichamelijk-levende.
Hieraan leer je inzien hoe noodzakelijk het is voor een opvoedkunstenaar om een voorstelling te krijgen van hoe de menselijke neiging tot gezond- en tot ziekzijn behandeld moeten worden. Met een dergelijk bewustzijn kom je ertoe op de juiste manier op te houden met het overladen met geheugenwerk en op een andere manier het kind tegemoet te komen. En dan zie je dat het kind weer een gezondere kleur krijgt wanneer je in de tijd die volgt niet te veel aan zijn geheugen appelleert, maar meer aan wat hij kan beleven. Laten we zeggen, op een keer neem je iets moois voor hem mee, waaraan hij meteen plezier kan beleven; de volgende dag weer iets anders of een variatie op het eerste. Dus je doet de eerste tijd geen beroep op het geheugen. [2]

Op meer plaatsen spreekt Steiner over het bleek worden: (meestal in samenhang met ‘blozen’)

Nehmen wir an, ein Kind habe sich im früheren Lebensalter mit seiner Umgebung so entwickelt, daß in ihm eine gewisse Anlage dazu vorhanden ist, seine gesamten Organisationskräfte nicht so sehr nach außen zu wenden, sondern nach innen zusam­menzuziehen. Das kann insbesondere dann geschehen, wenn das Kind vieles in seiner Umgebung gesehen hat von unmutigen, vielleicht feigen Taten. Wenn das Kind vieles in seiner Umgebung gesehen hat von Zurückweichen vor dem Leben, wenn es vieles empfunden hat von Lebensüberdruß, von Lebensunzufriedenheit und Unbefriedigtheit mit der Umgebung, dann hat das Kind so etwas in sich, was, ich möchte sagen, ein fortwährendes verhaltenes Erblassen beim Kinde bedeutet.

Laten we eens aannemen dat een kind zich op een jongere leeftijd in zijn omgeving zo ontwikkeld heeft dat hij een bepaalde aanleg heeft om zich met heel zijn wezen niet zo zeer op buiten te richten, als wel dat hij zich in zichzelf terugtrekt. Dat kan in het bijzonder dan gebeuren, wanneer het kind in zijn omgeving veel gezien heeft van ‘het leven uit de weg gaan’, wanneer het veel ervaren heeft aan afkeer voor het leven, ontevredenheid met het leven en ontevredenheid met de omgeving, dan heeft het kind zoiets in zich, wat ik zou willen noemen, een voortdurend verholen bleek worden bij het kind. [3]

(  )  Das was auf uns wirkt, wirkt ja wirklich auf den physischen Organismus mit, wenn wir es wahrnehmen, wenn es uns mitgeteilt wird in Worten und so weiter. Daß da der physische Organis­mus mitwirkt, das erfährt derjenige, dem zugemutet wird, daß er etwas der Erinnerung einverleiben soll, daß er etwa ein Gedicht auswendig lernen soll. Man schaue sich den an, der etwas auswendig lernen soll, was er da alles macht mit seinem physischen Organismus, um diesem physi­schen Organismus die Sache einzuverleiben. Was dann aber im physi­schen Organismus sitzt, das kann noch nicht erinnert werden; da muß das, was in den Wachstumskräften, in den Kräften der Ernährung zugrunde liegt, zunächst umgesetzt werden in seelische Kräfte, und in den seelischen Kräften bewirkt es die Erinnerung. Wenn ich dem Kinde zuviel zumute für die Erinnerung, dann entziehe ich ihm zuviel Lebenskräfte, vitale Kräfte, und die Folge davon ist, daß ich sehen kann, wenn ich den ganzen Zusammenhang durchschaue: das Kind wird blaß, das  Kind bekommt etwas, was aus entzogenen organischen Kräften herkommt, es wird ängstlich. Nun muß man ein Auge haben für dieses Blaßwerden, für dieses Ängstlichwerden.

Datgene dat op ons inwerkt, werkt ook daadwerkelijk in op onze lichamelijkheid, wat we waarnemen, wanneer ons iets met woorden wordt meegedeeld* enz. Dat het fysiek organisme erbij betrokken is, dat ervaart iemand die aangespoord wordt iets in zijn geheugen te prenten (indruk!); dat hij bv. een gedicht uit zijn hoofd moet leren.  Wat dan echter in het lichamelijke organisme zit, dat kan als herinnering nog niet worden opgeroepen; eerst moet wat in de groeikrachten, in de voedingskrachten de basis is, omgewerkt worden in krachten voor de ziel en die maken het zich kunnen herinneren mogelijk. Wanneer ik nu teveel  verg van het herinneringsvermogen, dan onttrek ik teveel levenskracht aan het kind en het gevolg daarvan is, wanneer ik de hele samenhang kan doorzien: het kind ziet bleek; het kind krijgt iets wat komt door het onttrekken van orgaankrachten, het wordt bang. Je zou een oog moeten krijgen voor deze vorm van bleek worden, van bang worden.

*het gaat hier om wat meer dan een gewone waarneming of het aanhoren van woorden: om waarnemingen die bv.een schrik teweegbrengen of woorden waardoor je je schaamt of die je boosmaken.
Onze taal heeft daarvoor: ze maken (een) indruk. (Misschien wel letterlijker dan we zo in eerste instantie denken).

(Voor een uitgebreidere uitleg: menskunde en pedagogie)

Dat het fysiek organisme erbij betrokken is, dat ervaart iemand die aangespoord wordt iets in zijn geheugen te prenten (indruk!); dat hij bv. een gedicht uit zijn hoofd moet leren. (Het Duits heeft hier ‘einverleiben’ waarin we het woord Leib zien, dat in het Nederlands te maken heeft met ‘lijf=leven’. Het zit ook nog, deels in beklijven – het langer in de tijd vasthouden = duur. Zie bv. hier over het ‘tijdslijf’= vormkrachtenlijf = etherlijf.
Dit ’tijdslijf’ is, volgens Steiner, de eigenlijke drager van het geheugen, de herinneringen. Maar dit vormkrachtenlijf – het woord zegt het al – is in de eerste 7 jaar vooral nog bezig het fysieke lichaam op te bouwen. Wanneer nu het geheugenwerk een overmaat aan levenskrachten opeist, gaat dat ten koste van de fysiek-etherische opbouw.

Denn wenn man fortwährend in der wüstesten Weise darauf loszielt, dem Kinde zuviel Gedächtnisstoff zuzumuten, dann bleibt es im Wachstum zurück. Dieses Zurückbleiben im Wachstum hat man verursacht durch falsche geistige Zumu­tung, durch einen falschen Gedächtnisstoff. Und was man da anrichtet im Organismus, das drückt sich im spätesten Alter noch aus in den mannigfaltigsten Stoffwechselkrankheiten, indem besonders eine Abla­dung von Harnsäure oder dergleichen im Organismus stattfindet.Da haben Sie dasjenige, was außerordentlich wichtig ist: Man muß die geistige Führung des Kindes so leiten, daß sie in den Organismus in der richtigen Weise hineinwirkt, daß man zum Beispiel nicht so durch das Überladen mit Gedächtnisstoff bei dem Kinde wirkt, daß im späteren Alter Stoffwechselkrankheiten hervorkommen. Und wenn die Leute den Zusammenhang zwischen Gicht und Rheumatismus im späteren Alter und zwischen dem falschen Unterricht in bezug auf die Zumutung mit zu vielem Gedächtnisstoff kennen würden, dann würden sie erst auf einem wirklichkeitsgemäßen Boden in bezug auf die Erziehungskunst stehen. Dann würde man wissen, daß es nicht gilt: eine geistige Erzie­hung für sich, eine sische Erziehung für sich, weil alles, was man in der geistigen Erziehung tut, gerade beim Kinde hineinwirkt in die Physis, und alles was man für die physische Entwicklung tut, wiederum hereinwirkt ins Geistige.

Want wanneer je voortdurend op de meest verschrikkelijke manier erop uit bent om van een kind teveel te vergen van wat het onthouden moet, dan blijft het in de groeikrachten achter. Dit achterblijven in groei heb je veroorzaakt door op een verkeerde manier iets geestelijks te vergen, door verkeerd geheugenwerk. En wat je dan aanricht in het organisme, vind je op een zeer late leeftijd nog terug in stofwisselingsziekten van de meest uiteenlopende soort, in het bijzonder wanneer er een afzetting van urinezuur of iets dergelijks in het organisme plaatsvindt. Hier heb je wat buitengewoon belangrijk is: je moet de geest van het kind zo leiden dat die in het organisme op de juiste manier doorwerkt; dat je bv. door het te overladen met geheugenwerk niet zo op het kind inwerkt dat er op latere leeftijd stofwisselingsziekten uit voortkomen. En als de mensen de samenhang tussen jicht en reuma op latere leeftijd en verkeerd onderwijs wat betreft het te veel vergen van geheugenwerk zouden kennen, zouden ze pas vaste grond onder de voet hebben m.b.t. opvoedkunst. Dan zou men weten dat niet geldt: een geestelijke opvoeding op zichzelf, een lichamelijke opvoeding op zichzelf, omdat alles wat je met geestelijke opvoeding doet, nu juist bij een kind inwerkt op zijn fysieke natuur en alles wat je voor de lichamelijke ontwikkeling doet, weer terugwerkt op de geest. [4]

Nehmen wir an, wir haben ein Kind in der Schule sitzen: das Kind wird immer blasser und blasser. Nehmen wir das als Beispiel an: es ist eine körperliche Eigentümlichkeit, daß es immer blasser und blasser wird. Der Lehrer, der Erzieher hat auf diese körperliche Eigentümlichkeit zu sehen. Liegt bei einem Erwachse­nen das vor, daß er immer blasser und blasser wird, so geht man zum Arzt, und der Arzt wird je nachdem, was er gerade versteht, an diese oder jene Therapie denken. Der Lehrende, der Erziehende, er muß sich vor allen Dingen darauf besinnen: Ist dieses Kind so blaß, wie es jetzt ist, zu mir in die Schule gekommen? Oder hat es da vielleicht eine andere Gesichtsfarbe gehabt? Und siehe da, der Lehrende, der Erziehende kann darauf kommen, wenn er nur überhaupt Menschenerkenntnis hat, sich zu sagen: Dieses Kind hast du selber blaß gemacht, denn du hast ihm zuviel an Gedächtnisarbeit zugemutet; du mußt die Gedächtnisarbeit vermindern. – Da handelt es sich darum, daß man in dem körperlichen Wesen unmittelbar darinnen sieht, was im Seelischen verfehlt worden ist; denn das Kind wird blaß von Überfütterung mit Gedächtnismaterial.

Laten we aannemen dat we een kind op school hebben: het ziet er steeds maar bleker uit. Laten we dat als voorbeeld nemen: dat het er steeds witter begint uit te zien, is een lichamelijk kenmerk. De leerkracht, de opvoeder moet op dit lichamelijke kenmerk letten. Als het zich bij een volwassene voordoet, wanneer die steeds witter gaat zien, gaat hij naar de dokter en de dokter zal na de diagnose aan de een of andere therapie denken.De leerkracht, de opvoeder moet zich er allereerst op bezinnen: ziet dit kind zo wit, zoals nu, toen het bij mij op school kwam? Of had het toen een andere gezichtskleur? En zie je, de leerkracht, de opvoeder kan nu op de gedachte komen, dan moet hij wel over menskundige inzichten beschikken, en zeggen: jij hebt dit kind die witte kleur bezorgd, want je hebt teveel gevraagd van zijn geheugen; je moet minder geheugenwerk geven. Het gaat erom dat je aan het lichaam meteen ziet**, wat er voor de ziel verkeerd gedaan is: het kind wordt bleek van het overladen met geheugenmateriaal. [5]

**‘Es ist für den Lehrer und Erzieher eben in hohem Grade wichtig, daß er den Gesundheitszustand des Kindes in einem gewissen Sinne voraussieht und prophylaktisch wirken kann.

Het is voor de leerkracht en opvoeder nu juist in hoge mate belangrijk dat hij de gezondheidstoestand van het kind in zekere zin in een vooruitziende blik heeft en profylactisch kan werken. [6]

[1] GA 293
Vertaald
[2] GA 303, blz. 95 e.v.
Vertaald
[3] GA 304a, blz. 38
(Niet vertaald)
[4] GA 304a, blz. 135
[5] GA 304a, blz. 150
[6] GA 300b blz 261
(Niet vertaald)

Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs [1]  [2]  [4]

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (37)

Tegenstrijdige meningen over een onderwerp heb ik altijd boeiend gevonden. Het heeft te maken met de zaak van alle kanten bekijken – de tegenstellingen werpen een duidelijker licht op de dingen – zoals Steiner  opmerkte.

Hier volgt een artikel met niet alledaagse opvattingen over Goede Vrijdag.
De Tilburgse filosoof Chareas Vergeer probeert de historische persoon Jezus te ontdekken door een scherpzinnige lezing van de oudste tekst over hem, het Marcusevangelie van rond het jaar 71. Op Goede Vrijdag werd gevochten…

Vergeer wordt geïnterviewd door Jace van de Ven*

Volgens Charles Vergeer, schrijver van onder meer de boeken ‘Jezus de Nazarener’ en ‘Het panterjong’, is er tijdens wat wij de Goede Week noemen, stevig geknokt in Jeruzalem.

Is Jezus in de ogen van de Tilburgse filosoof een revolutionair?
„Ik vind niet zoveel van Jezus. Ik ben naar hem op zoek gegaan uit ordinaire nieuwsgierigheid, omdat ik ervan overtuigd was dat het beeld van hem dat mij als katho­liek jongetje was voorgehouden, niet het juiste kon zijn. Dat bleek te kloppen. Jezus was een geloofsgetrouwe jood en ijveraar voor de Heer en daarin was hij geweldadiger dan ons geleerd is. De oudste evangelist, Marcus, heeft dat al weg willen stoppen. Omdat hij de man in wiens woord hij geloofde, in Rome niet ‘aan de man kon brengen’ als bleek dat die tegen de Romeinen gevochten had.”

Je noemt Jezus ‘de Nazarener’, maar het is toch Jezus van Nazareth?
„Jezus woonde in Kafarnaüm en was ‘Nazarener’. Nazareners wa­ren door een bijzondere eed van trouw aan hun god gebonden. Hij koos volgelingen als Simon ‘de Ze­loot’. Zeloten waren radicale terro­risten net als de gewapende volge­lingen van Johannes de Doper, ‘de Bajonin’, waar Petrus deel van uit­maakte, Sicariërs (dolkvechters) en Galileërs, mensen die Romeinse belastingen weigerden te betalen.”

En Jezus zou zich tot koning van ]udea hebben laten zalven?
„Dat laatste gebeurde op de dag van het Laatste Avondmaal in het huis van Simon de Melaatse in Bethanië. Bij Simon Petrus dus. Het Griekse woord lepra betekent me­laats, maar ook ruw. Jezus zou daar ter voorbereiding op zijn begrafenis gezalfd zijn? Nee hoor, doden werden heel an­ders gezalfd. De vrouw in Bethanië goot zalf op zijn hoofd, zoals in het Oude Testament, de koningen. ‘Toen nam Samuël ene oliekruik goot ze uit op zijn hoofd’ – ge­zalfd werden.’

Dus Jezus wilde koning zijn?
„Jezus en zijn aanhangers waren in de eerste plaats gelovige joden,. Joden die ijverden voor hun god en geloofden dat diens koninkrijk nabij was. Daarmee bedoelden ze wat in hun gebed tot Abba gezegd wordt: dat Jahweh niet alleen in de hemelen maar ook op aarde
ge­hoorzaamd zal worden. Ze ver­wachten dus een gezalfde koning uit het huis van David. Een koning die hen zou bevrijden van de Ro­meinse overheersing. Dat die ge­zalfde in botsing moest komen met hun hogepriesters, die heul­den met het heersende gezag, dat begrepen ze en misschien ook wel dat aan het conflict met de Romeinen niet te ontkomen was.”

Dus de zalving leidde tot Jezus’ kruis­dood. De Romeinen zagen er revolutie in. Wat gebeurde er nu precies op Goe­de Vrijdag?
„Niemand van de evangelisten was erbij. Maar Marcus moet oude
ver­slagen over de gebeurtenissen ge­kend hebben. Zijn probleem was dat de man die hij in Rome be­kend wilde maken als de Zoon van God door de Romeinen veroor­deeld was als misdadiger en dat betekende voor de doorsnee Ro­mein dat hij niet kon deugen.”

Marcus schreef speciaal voor de Romei­nen, beweer je?
„Ja. Dus kon Jezus niet al te anti­romeins zijn. En dus doet Marcus alsof er na het laatste avondmaal nog wat gebeden wordt in een tuin iets buiten de stad. Dat er die nacht fel gevochten werd in de ou­de Davidsstad kunnen we uit an­dere teksten opmaken, met name die van Lucas. Pas tegen de och­tend vinden we Jezus en zijn aan­hangers iets buiten de stad op de steile helling van de Olijfberg. Vol­komen uitgeput en in een shock­toestand, aldus de tekst van Mar­cus.

Marcus noemt Judas ook conse­quent Joudas. Dat komt in het Grieks heel dicht bij ‘jood’. En dat is ook wat deze te Rome schrijven­de man beoogt: niet de Romeinen maar de joden dragen de schuld aan de dood van Jezus.”

Judas in het bijzonder, want hij heeft Je­zus verraden.
„De rol van Judas wekt bevreem­ding. Sleutelwoord in de tekst is het woord dat traditioneel ver­taald wordt met ‘verraden’ maar dat betekent ‘overhandigen’. Wat er overhandigd werd, was Jeruzalem.
Even merkwaardig is de naam Ju­das Iskariot. Is dat misschien een dorpje ergens in Judea? Of gaat achter die moedwillige, verbaste­ring het woord Sicariër schuil? Was deze aanhanger van Jezus een Si­cariër, een leider van een gewa­pende bende die met geweld de heerschappij van de Romeinen be­streed? En wat was hij in de ogen van Jezus, die hem koos als ‘eerste van de twaalf en die door hem omhelsd werd en gekust toen hij met een aantal zwaarbewapenden naar Jezus’schuilplaats kwam?”

En deze Judas verhing zich?
„Op een plek die bloedakker ge­noemd werd. Bloedakker? Toch niet omdat een man zich daar ver­hangen had? Nee, omdat er echt een bloedbad plaats had gevon­den. Nadat Jezus gepakt was, heeft Judas met zijn groep trachten te ontkomen en is daar door de Ro­meinen in de pan gehakt.”

Maar de Joodse Hoge Raad veroordeelt Jezus toch tot de dood?
„De Hoge Raad, het Sanhedrin, kwam niet bij nacht en ontij bij­een. Dat mocht van de Romeinen niet en ze konden niet zomaar een doodvonnis vellen. Ook vroeg een strikte monotheïst als de joodse hogepriester niet aan Jezus of hij de zoon van God meende te zijn, de tweede gestalte van de Drievul­digheid. Zo werd die vraag pas eeuwen later opgevat. De hoge­priester vroeg aan Jezus, afstam­meling van het koninklijk ge­slacht van David, of hij zich had laten zalven tot koning van de Jo­den. En hij is ontsteld als Jezus ‘ja’ zegt. Er staat dan een zinnetje in het Grieks even dubbelzinnig als in onze taal: „Toen scheurde de hogepriester zijn gewaad”. Wij, latere lezers, denken dat het om die valse priester in pronkge­waden gaat, met veel misbaar roept hij iets uit en scheurt daarbij zijn hogepriesterlijk gewaad. Maar de hogepriesters droegen ’s nachts en buiten de tempel hun liturgi­sche gewaden niet. Terwijl Jezus, gezalfd als koning van Judea, in zijn purperen vijfvoudige gewaad stond. Het gewaad dat later als buit verdobbeld zal worden. De hogepriester roept uit dat Jezus des doods schuldig is en scheurt diens koninklijke gewaad”.

En dat vonnis werd onmiddellijk uitge­voerd.
„Maar niet door de joden. Dat mochten ze niet. Dat recht was des keizers, ’s Ochtends vroeg, zegt de tekst, brengen ze Jezus al voor de prefect Pilatus. Dat zegt iets over het grote belang van de zaak. Paulus moest twee jaar wachten op zijn vonnis.”

Pilatus moest de doodstraf bekrachti­gen?
„Jezus indentificeren was genoeg! Jezus bevestigde de vraag: ‘Ben jij het, die het aangedurfd heeft zich te laten zalven tot koning van de joden?’
Daarmee was het vonnis geveld: in Judea en Jeruzalem was er maar één de baas, de Romeinse keizer. Wie zich tot koning van de joden laat zalven, verdient de straf van een weggelopen slaaf: aan het hout geslagen te worden.”

Waarom geeft hij dan het volk de kans om Jezus vrij te stemmen?
„Het lijkt of Pilatus twee figuren voor het volk stelt: Jezus en Barabbas en dan het volk tussen hen laat kiezen: voor wie het hardst geschreeuwd wordt volgt vrijspraak. Onvoorstelbaar dat een Romeins prefect dat toe zou laten. Bar-abbas betekent ‘zoon van de vader’. Er is sprake van ene Jezus, die zoon van de vader, en de andere Jezus, die koning der joden genoemd werd. Pilatus maakte meteen na het doodvonnis duidelijk dat hij  niet Jezus veroordeelde ‘omdat jullie geloven dat hij zoon van jullie god is’, maar omdat hij als koning van  de joden ongehoorzaam is aan de keizer. Het vonnis was vanwege  majesteitsschennis en had geen religieuze bijbedoelingen.’

Daarna volgt de kruisiging
„Wreed en vernederend, de benen van een tot de kruisdood veroordeelde werden wijd gespannen en hij werd meestal met de rug naar de toeschouwers vastgespijkerd. Terwijl de galg of het zwaard snel hun werk deden, was het wrede van de kruisiging de soms dagen en nachten lange marteling. Op­merkelijk is het dat Jezus na zes uur al is gestorven. Dat heeft te maken met een door senaat en volk van Rome gegeven decreet, dat de joden het voor­recht gaf op de dag voor de sabbat vanaf het negende uur gevrij­waard te zijn van rechtsvervol­ging. Dus liet Pilatus voor dat ne­gende uur de veroordeelden afma­ken.”

En toen kwam Jozef van Arimatheia om het lijk te begraven?’ Alweer onwaarschijnlijk. Van het plaatsje Arimatheia heeft nooit ie­mand gehoord. De oplossing van het probleem ligt voor de hand. Marcus wil Jezus schetsen als ‘zoon van god’ en moffelt dus de aardse vader, Jozef, weg. Helemaal lukt dat niet. Zo ook bij de grafleg­ging. Er staat: En toen kwam Jozef, namens de volgelingen, de prefect om het lijk van Jezus verzoeken. In het Grieks is het een kwestie van het herschikken van de woor­den, die destijds aan elkaar ge­schreven werden. Op die manier kun je tot heel andere conclusies komen”.

Jezus wordt door zijn vader begraven?
‘Jezus werd niet begraven. In de eerste plaats niet omdat het al na zonsondergang was net voor de grote sabbat. De rust was al inge­treden en mocht door een begrafe­nis niet doorbroken worden. En de andere reden is dat Marcus niet van een graf spreekt, maar van een herinneringsplaats. Voor de antieken was het graf niet alleen een plaats voor de doden, vóór het graf was een plek waar de levenden bijeenkwamen om de dode te herdenken, een soort voorhal.

Daar heeft Jozef het lijk van zijn zoon, de gezalfde, neergelegd. Er was geen tijd meer om het te rei­nigen, balsemen en begraven. Maar geen dode zal, zeker niet in de heilige stad, ’s nachts boven aarde blijven.

Blijft het feit dat het lijk verdwe­nen was toen na het feest de vrou­wen kwamen om het te balsemen. Het evangelie van Marcus eindigt met het sprakeloos en vol huiver zwijgen van de vrouwen.”

t.t.v dit interview: Brabants Dagblad, *12-04-2003:
Dr. Charles Vergeer doceert Wijsbegeerte aan de Fontys Hogescholen. Hij publiceerde verschillende boeken over filosofie en twee over het leven van Jezus: Een nameloze, Jezus de Nazarener, 19,50 euro en Het Pan-terjong, 24,50 euro, beide bij Uitgeverij Sun.