Maandelijks archief: december 2015

VRIJESCHOOL – Periode-onderwijs (1)

 

Periode-onderwijs

Een van de dingen, die de vrijeschool onderscheidt van andere schooltypen is het zogenaamde periode-onderwijs. Dit betekent, dat de eerste twee lesuren van de dag, als de kinderen nog fris zijn, enkele weken lang steeds aan hetzelfde vak gewijd worden. De vakken, die op deze wijze onderwezen worden zijn: lezen, schrijven, Nederlandse taal, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis, biologie, wiskunde, natuur-en scheikunde. In de benedenbouw (klassen 1 t/m 6) zijn deze vakken over het algemeen in handen van de klassenleraar, die de lengte van de periodes zelf bepaalt, meestal 3, soms 2 of 4 weken, al naar gelang de te behandelen leerstofeenheid.
Aan het begin van het schooljaar stelt hij zijn perioderooster op. Hij houdt daarbij rekening met het jaarritme in de natuur (geen plantkundeperiode in de winter) en de jaarfeesten.
In de bovenbouw, waar het onmogelijk is, dat één leraar al deze vakgebieden bestrijkt, worden ook de periodes door verschillende leraren gegeven.
Als men voor het eerst met deze werkwijze geconfronteerd wordt, welt meestal een stroom van vragen op: “Hoe kan dat nu? Dat is toch veel te weinig tijd per vak en doe je dan niets meer aan meetkunde als geschiedenis aan de beurt is? Hoe gaat dat dan?”
Om al zulke vragen te beantwoorden moeten we wat ingaan op het leer- en verwerkingsproces.
In de eerste plaats kan er in zo’n periode economisch en geconcentreerd gewerkt worden. De aandacht wordt niet elke dag en elk uur op iets anders gericht. Een periode is een afgerond geheel, waar een zekere lijn door loopt. Het is een soort gebouw, dat de leraar samen met zijn klas opzet en wat dan na drie weken klaar is.
En zoals het met de dingen in ons gewone dagelijkse leven gaat, zo gaat het ook hier: wat we afgedaan hebben, leggen we naast ons neer, we vergeten het. Later, als men er ons weer naar vraagt, kunnen we het uit onze herinnering ophalen en staat het ons opnieuw (als nieuw) voor de geest. Zo ook met de periode. Wat intensief beleefd, gemaakt, gedaan of geleerd werd, is tijdens het vergeten gerijpt en komt bij een volgende behandeling verdiept en verrijkt te voorschijn. Het behandelde uit de eerste periode komt snel weer boven en blijkt een “ingeklonken” bodem te zijn geworden, waar men op verder kan bouwen.
De neerslag van dit alles vinden we uiterlijk terug in de periodeschriften. Aanvankelijk klassikaal opgezet, worden ze gaandeweg de zeer persoonlijke verwerking van het behandelde thema. In verzorging en illustraties ademen ze echter van het begin af de eigen geest van de eigenaar.
Tenslotte moeten we nog bedenken dat de inhoud van de periodes ook een zeer belangrijke factor vormt. Rudolf Steiner gaf de hoofdthema’s voor alle leerjaren aan. Thema’s, die afgelezen waren aan de psychische ontwikkelingsfase, waarin het opgroeiende mensenkind zich bevindt. Door deze thema’s aan te houden, is er bij de leerlingen veelal een natuurlijk interesse voor wat er komt en wordt het gehele mensenwezen aangesproken en niet alleen de leer-denkpool.
Periode-onderwijs is een bouwwerk van rust, vreugde en intensieve arbeid.
H.M.de Boer-van Geer, Geert Groteschool Amsterdam, okt.1974

over periodeonderwijs:

periode-onderwijs (2)

Rudolf Steiner over periode-onderwijs

ver. van vrijescholen

steinerschool Gent

begeleidingsdienst voor vrijescholen
.
Artikelen in het blad Vrije Opvoedkunst

.

934

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (16)

 

Tijdens een gesprek in de leraarskamer werd op een dag door mij -bovenbouw biologieleraar- de opmerking gemaakt: bovenbouwers zouden “werkend” een stuk benedenbouw moeten meemaken. Onmiddellijk volgde een uitnodiging een periode dierkunde in de 4e klas te komen geven, waarop ik met enthousiasme inging. Ik zou het inhoudelijke deel van de periode verzorgen; de klasselerares, mejuffrouw Bolt, zou het teken-, schilder- en boetseerwerk voorbereiden en begeleiden.
Al tijdens mijn voorbereiding realiseerde ik me met schrik, dat ik eigenlijk niet wist, hoe je een 4e klas aanspreekt, iets vertelt, laat staan hoe je dit pedagogisch en didactisch verantwoord doet. Nooit was ik dan ook nerveuzer dan vóór de eerste ochtend van deze periode.
Mens- en dierkunde zou behandeld worden, uitgaande van de gestalte, van de vormen, van datgene wat je kunt waarnemen.
In de 3e klas hebben de kinderen het verhaal van de schepping van de mens gehoord: “en God schiep de mens naar Zijn beeld, naar het beeld Gods schiep Hij hen, man en vrouw schiep Hij hen.”
Nu, in de 4e klas, gaan we samen kijken naar dat beeld Gods, we proberen achter de geheimen te komen, die de mens en de dieren ons te vertellen hebben over zichzelf.
De eerste vraag die ik stelde: “Waaraan herken ik een mens als mens, bijvoorbeeld als ik hem in de verte zie lopen?” bleek al direct te abstract. Toch kwamen er leuke antwoorden: “Ze hebben allemaal verschillende gezichten” en: “ze hebben allemaal verschillende kleren aan.”
Maar wat hebben nu alle mensen gemeenschappelijk? Een meisje zei toen: “Ze lopen allemaal rechtop.”
Met dat antwoord was plotseling duidelijk wat ik met mijn vraag had bedoeld en kwamen van alle kanten de antwoorden los. Toch zei ik die eerste ochtend vaak: “Stel je eens voor …”, niet bedenkend dat dat voor een vierdeklasser erg moeilijk is. Hij moet nog echt zien, voelen, boetseren, en ontdekt daardoor de vormen. Dus liet ik, op suggestie van mejuffrouw Bolt, de kinderen voelen aan hun en hun buurmans hoofd.

We ontdekten van de mensengestalte, dat deze bestaat uit hoofd, romp -lijf in kindertaal- en ledematen. Het hoofd bleek rond van vorm als de zon. Afgesloten, hard van buiten, met zijn geheimen van binnen en 7 poorten – de zintuigen- naar de buitenwereld. Het vertoont een vrij geringe, maar fijne beweeglijkheid (mimiek).
De ledematen daarentegen zijn langgestrekt van vorm -als sterrenstralen-, zeer beweeglijk, zacht van buiten, stevig van binnen. Er werd opgemerkt dat alleen de mens echte handen en voeten heeft, dat de voeten alleen maar geschikt zijn om ons te dragen en om te lopen, maar dat de handen alles kunnen: bouwen en graven, grijpen en slaan, schilderen, boetseren, musiceren, bidden, zegenen, groeten en gebaren. Maar: wij moeten werktuigen en instrumenten bedenken om een heleboel dingen net zo goed te kunnen als dieren, die immers speciale graaf- of grijppoten hebben. Omgekeerd: hoe moeilijk is het niet voor een ezeltje om luit te leren spelen! (Grimm)
De romp bleek alles “tussenin” te hebben; afwisselend hard en zacht, half omhullend, je kunt er de vorm van de maansikkel in zien, met hart en longen binnen die omhulling, waarvan de beweging ritmisch is.
Alles wat we zo samen gevonden hadden, werd opgeschreven in een echt periodenschrift, waarbij het voor mij een erg goede oefening was, duidelijk en groot, in 4e klastaal op het bord voor te schrijven wat in de schriften zou komen. De kinderen hadden ook al een hoofd en twee maal een mensenfiguur geboetseerd en ze maakten in hun schrift verrukkelijke tekeningen bij de tekst.
Toen kwam het moment dat de dierkunde begon. Een ochtend om niet gauw te vergeten.
De inktvis was als eerste dier gekozen. Het lukte me, helemaal inktvis te worden en een spannend verhaal te vertellen over dat wonderlijke dier met zijn kop met armen, met zijn haken, zijn inkt en zijn kleuren als het opgewonden is. De stilte in de klas na afloop was een belevenis, en het was geweldig te zien hoe de kinderen toen met waskrijt op grote vellen aan het tekenen gingen.
Na de inktvis volgden mossel en slak, muis, hamster en bever en tot slot paard en kameel, steeds vanuit het dier zelf verteld.
Aan het eind van de periode spraken we er over, met welk deel van de mens inktvis (mossel en slak) het meest overeenkwamen -zij werden kopdieren genoemd-. Muizen waren meer rompjes op hele kleine pootjes en paard en kameel vooral poten-ledematen.
De kinderen hebben ook geschilderd, eerst de mens, later nog paard of kameel en enorm veel getekend, ook gedichtjes gemaakt,
In de loop van de tijd ben ik me verschillende dingen gaan realiseren, maar vooral: dat je als benedenbouw-klassenleraar een duizendpoot moet zijn; creatief, steeds weer in staat iets nieuws te bedenken, maar ondertussen de touwen in handen houdend, je richtend op wat de kinderen van je vragen. En dat het onmogelijke van dit vak,
vrijeschoolleraar te zijn, is dat je het tot nu toe tenminste- eigenlijk nergens kon leren dan alleen maar in de klas.
Ik vind het dan ook erg fijn, de kans gekregen te hebben “werkend” een stuk benedenbouw te leren kennen en mijn respect en bewondering voor de kunst van mijn benedenbouwcollega’s is door dit “werken” enorm gegroeid.
N.Amons-Smink, Geert Grooteschool, okt.1974

Dierkunde: alle artikelen

933

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Salomo

 

Salomo

|

Salomo en Sheba, zoals ze zijn afgeheeld door de 15e eeuwse Italiaanse schilder Piero della Francesca. Door de eeuwen heen zijn Salomo en de koningin van Sheba favoriete onderwerpen voor de kunstenaars geweest. Er bestaan maar weinig aanwijzingen over hoe ze er hebben uitgezien. In dit voorbeeld draagt Salomo de hoofdtooi, die typerend was voor de Semitische mannen in de 15e
eeuw.

Salomo   1015-977 v. Chr.

Veel van de heuvels, meren, bronnen en andere natuurlijke kenmerken van het huidige Israël zouden de oude Israëlieten nog heel bekend voorkomen. Archeologen hebben steden opgegraven, die dateren uit de bijbelse tijd. De voor de inwoners van Israël meest heilige van al deze overblijfselen is de Klaagmuur in de Oude Stad van Jeruzalem. Deze muur grenst aan de rotsachtige heuvel, waarop koning Salomo in de 10e eeuw v. Chr. zijn schitterende tempel liet bouwen. Onder zijn regering bereikte het oude Israël een hoogtepunt, zowel van macht, aanzien als van economische voorspoed.
Salomo volgde zijn vader David als koning op. David was zijn leven begonnen als herder en tot het koningschap opgeklommen. Hij heerste over een rijk dat zich uitstrekte van Egypte tot aan de Eufraat. Salomo was niet de oudste zoon van David. Zijn moeder, Batsheba, drong er echter bij David op aan om Salomo nog tijdens zijn leven als zijn opvolger te kiezen, zodat over de troonopvolging geen meningsverschil zou ontstaan. Na de dood van David liet Salomo zijn rivalen en vijanden vermoorden, omdat hij er zeker van wilde zijn dat zijn gezag door niemand zou worden aangetast.

Door middel van huwelijken werden er verbonden gesloten met de buurstaten. Hij liet op strategische punten garnizoenssteden bouwen, waar hij troepen, paarden en strijdwagens legerde. Verafgelegen gebieden werden door de Israëlieten gekoloniseerd om de belangen van de regering en de handelslieden te beschermen. Israël werd verdeeld in 12 districten. De grenzen liepen dwars door de oude stamgrenzen, om samenzweringen te voorkomen. Elk district moest de koninklijke hofhouding van ongeveer 5000 mensen een maand van het jaar van voedsel voorzien.

De basis voor de economie in het rijk werd voornamelijk gevormd door de handel. De strategische ligging langs de belangrijkste handelswegen tussen Afrika, Azië en het Middellandse Zeegebied werd ten volle uitgebuit. Salomo liet alle karavanen die door zijn gebied kwamen, belasting betalen. Hij verkocht hen voorraden en kocht hun goederen, om ze elders met winst te verkopen. Hij ruilde ook Israëlische produkten, zoals koper, voor de produkten die in zijn eigen land schaars waren. Het is mogelijk, dat hij handel dreef met de koningin van Sheba. Sheba lag aan de Rode Zee, in Zuid-Arabië of in Oost-Afrika. De koningin van Sheba controleerde de scheepvaartroutes naar het oosten en dreef handel in goederen als goud, specerijen en edelstenen. Volgens de legende waren Salomo en de koningin van Sheba geliefden en kregen ze een zoon, die het koninklijk huis van Ethiopië stichtte. Salomo gebruikte de opbrengsten uit de handel om een enorm bouwprogramma te laten uitvoeren. Dit omvatte steden, forten en huizen voor een aantal van zijn vrouwen en buitenlandse kooplieden en gezanten. Maar het grootste deel van het geld werd besteed aan de bouw van een paleis, de beroemde Klaagmuur en een schitterende tempel in de hoofdstad Jeruzalem. De bouw van de tempel duurde zeven jaar. De tempel werd weelderig versierd met gebeeldhouwd cederhout, dat was bedekt met goud en edelstenen. Koning Hiram van Tyrus, een bondgenoot van Salomo, leverde het goud en het cederhout. Ook de bouwmeesters en ambachtslieden kwamen uit Tyrus. Na de voltooiing van de tempel plaatste men daar de Arke des Verbonds. Deze bevatte de tabletten, de stenen tafelen, met de Tien Geboden. Salomo wijdde de tempel zelf in. Duizenden schapen en ossen werden geofferd. Mensen uit alle delen van het rijk waren naar Jeruzalem gekomen om deel te nemen aan het feest, dat zeven dagen duurde. Uiteindelijk eisten het grote bouwprogramma en de koninklijke levensstijl van Salomo toch hun tol. De mensen gingen gebukt onder de hoge belastingen en de dwangarbeid, en werden rusteloos. De oude conflicten tussen de stammen kwamen weer naar boven. Salomo werd ervan beschuldigd zijn God te verloochenen voor de goden van zijn uitheemse vrouwen. Ook de door Salomo onderworpen staten zorgden voor moeilijkheden. Salomo hield het rijk voor de duur van de rest van zijn leven bijeen. Maar zijn zoon Rehabeam die hem opvolgde, was niet zo krachtig en kundig als zijn vader. De tien noordelijke stammen van Israël scheidden zich van het land af. Dit werd daardoor verdeeld in twee landen, Israël en Judea.

De tempel van Salomo bleef bijna 400 jaar staan. De tempel maakte Jeruzalem tot de godsdienstige zo niet politieke hoofdstad van de kinderen Israëls. Nadat de tempel van Salomo in 586 v. Chr. door de Babyloniërs was verwoest, werd hij later weer opgebouwd door de Romeinse heerser Herodes. Daarmee werd in 20 v. Chr. begonnen. De Romeinse keizer Titus vernietigde de tempel van Herodes in 70 na Chr. en verdreef de Israëlieten uit Jeruzalem. De tempel van Salomo werd nooit meer herbouwd. Slechts de westelijke muur van het platform waarop deze tempel stond, is er nog van over. Deze muur, de Klaagmuur, bleef een bron van inspiratie voor de Israëlieten van nu.
.
Salomo behoort ook tot de vertelstof van het Oude Testament in klas 3.
Jakob Streit heeft de bijbelse verhalen naverteld – een voorbeeld van wat beeldend vertellen is – in zijn ‘En het werd licht’
.
vertelstof: alle artikelen
.
932

VRIJESCHOOL – Waarom kunstzinnige opvoeding?

.

Waarom kunstzinnige opvoeding?

“Omdat de kunst het levenselement van de menselijke ziel is”.
Dit antwoord kwam spontaan in mij op, toen ik* ging zitten om een inleidend artikel over bovengenoemde vraag te schrijven, en ik heb me toen tot taak gesteld de juistheid van het spontane antwoord te onderzoeken.
Laten we trachten door een tegenstelling het onderwerp duidelijker te belichten.
Er bestaat een bepaalde kunstuiting, die we hier het drama noemen: het is een samenvatting van een aantal levenslopen, die zich op een bepaald punt kruisen en in korte tijd een ontknoping voeren.
Hoe kunnen we nu de menselijke levensloop beschrijven?
De eerste weg is die van de kroniek. Hier worden de gebeurtenissen en lotgevallen uiterlijk beschreven en in chronologische volgorde opgeteld. Men kan zo de lotgevallen beschrijven van een mens, een hond en van een vulpotlood. Wat er gebeurde wordt vlijtig vastgelegd en daarmee is het afgelopen.

De tweede weg is die van de biografie: ook hier worden de gebeurtenissen vermeld, maar bovendien wordt meer gedaan: niet alleen het gebeurde wordt vastgelegd, maar ook wat van binnenuit tot de gebeurtenissen voerde, wordt doorgrond. En hier stuiten wij op een merkwaardig feit.
Waar iedereen, ja zelfs een filmapparaat een kroniek kan samenstellen, daar kan slechts een kunstenaar een biografie schrijven, want de biografie, en ook het drama, verloopt niet logisch, maar kunstzinnig, en ieder, die uit logische argumenten de biografie belichten wil, maakt zichzelf tot een kroniekschrijver, ja zelfs tot een slecht kroniekschrijver, want de goede kroniekschrijver onthoudt zich tenminste van logisch-oorzakelijke beschouwingen en legt slechts het gebeurde zo nauwkeurig mogelijk vast.
Wat is echter het element in de biografie, dat zich niet volgens logische wetten, maar volgens diepere kunstzinnige wetten zich openbaart? Het is het menselijk ik, zijn diepste wezenskern, die zich in de wereld van het zielenleven van het denken, voelen en willen uitdrukt. En aangezien de biografie, het drama, in de tijd zich afspeelt, kunnen we het vorige samenvatten met de volgende woorden:
De biografie is de dramatische uiting van het ik in de tijd.

Openbaart zich het ik nog anders dan in de stroom van het leven, in de biografie? Ja, het ik openbaart zich in de menselijke gestalte. Juist wat hieraan veranderd is, waar niet de erfelijkheid alleen meer spreekt; wat persoonlijke uitdrukking geworden is, door liefde en leed in het gelaat, in de handen gegrift, is stempel van het ik. Het ik plasticeert aan het gegeven erfelijkheidslichaam en vormt het om naar zijn beeld. Samengevat kan het zo gezegd worden:

De gestalte is de plastische uitdrukking van het ik in de ruimte.

 

Ruimte en tijd, het zijn de twee grondzuilen van onze wereld, en ons ik leeft erin  als plastisch en dramatisch kunstenaar.
Keren we ons van deze algemene beschouwingen af en vragen we ons: wat is de taak van de pedagogie in het algemeen en van de heilpedagogie in ’t bijzonder?
De taak van de pedagogie is dit menselijk ik, deze diepste wezenskern te helpen zich te openbaren in zijn rijkdom en reinheid.
Eens heb ik in een voordracht de opvoeding horen karakteriseren als een aanpassing aan de maatschappij, er werd toen aangetoond dat als men wilde ratten reeds zeer jong aan bepaalde dingen wende, zij minder “lesuren” nodig hadden om het te leren, dan wanneer zij een aantal weken ouder waren; dat er zelfs een grens was, waarna zij niet meer te temmen waren; deze conclusies moesten zonder meer ook voor de mensen-‘temming’ gelden.
Andermaal heb ik de pedagogie horen karakteriseren als een leren van bepaalde vaardigheden die men voor het sociale leven als grondslag nodig had. Deze definitie is al iets sympathieker dan de vorige! Doch beide zijn onvoldoende.
Pedagogie moet meer zijn, het moet er op gericht zijn het “ik” te ontdekken en tot openbaring te brengen en in deze hulp tot het zich doen openbaren, moet de pedagoog een plastisch-en dramatisch kunstenaar zijn,
Geldt dit al voor de gewone pedagogie, hoezeer geldt dit dan voor de orthopedagogie. Hoe moeilijk is het de wezenskern van het misdeelde kind te ontdekken en daarmee de biografie. Makkelijker is de kroniek van de lotgevallen van buiten af.
We hebben twee gebieden min of meer tegenover elkaar geplaatst: de plastische kunst en de dramatische. Is deze opsomming niet zeer eenzijdig?
Hoe staat het met de muziek, hoe met de kleurenwereld van de schilderkunst? De muziek kan men geheel tot het drama, in omvattende zin, rekenen. De muziek verloopt geheel in de wereld van de tijd, zelfs de enkele toon is als trilling zonder tijd ondenkbaar, want haar wezen openbaart zich in de ritmisch-wetmatige beweging. Nietzsche heeft in zijn geniale jeugdwerk “Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik”, al op deze samenwerking gewezen.
Het dramatische element omvat dus het ritmisch-muzikale element, het kleurelement heeft enerzijds een plastisch element in zich, het neigt naar de vorm, anderzijds een dramatisch element: geel en rood, geel en blauw, blauw en rood zijn evenveel drama’s omdat ze hun wezen tegenover elkaar plaatsen en elkaar wederzijds beïnvloeden.
Bestaat de wereld van de logica dan niet? Zeer zeker, maar het is niet het element waarin het Ik kan leven als scheppende persoonlijkheid. De logica is onpersoonlijk, geen twee mensen hebben dezelfde biografie, al geldt voor beiden dezelfde logische wereld waarin zij leven.
Deze logische wereld moeten we leren kennen, dat is een onderdeel van de opgave van de pedagogie, die niet verwaarloosd moet worden; maar als mens leven we niet logisch, maar muzikaal-dramatisch en plastisch-scheppend.
Nemen we een voorbeeld uit de orthopedagogie: het syndroom van Down.
Elk individueel teken is hier afwezig. Familie, land, ras, spreken niet meer, de kinderen lijken op elkaar als broertjes en zusjes van één grote familie.
Een vriend van mij bezocht in Engeland een inrichting waar vele kinderen met dit syndroom bijeen waren gebracht. De rondleidende arts had er plezier in aan te tonen, dat ze allemaal precies op elkaar leken. Een raadselachtige ontwikkelingsstoornis. Naast een volslagen afwezig zijn van intellectuele vermogens staat in elk handboek van de psychiatrie met vette letters vermeld dat ze uitgesproken muzikaal zijn, en bovendien allen geboren acteurs, wat hen bij afwezigheid van het intellect en de blije gezichtsuitdrukking iets levensvrolijks geeft.

heilpedagogie 1

Merkwaardig; wel muzikaal-dramatische aanleg, absoluut gebrek aan plastisch vormende krachten. Hun lichaam, hun handen, hun inwendige organen zijn maar ‘half af’, alsof een beeldhouwer ze half af heeft laten liggen. Laat men ze musiceren, dan kan men ze direct een trommel of triangel geven en in een orkest plaatsen. Laat men ze boetseren dan komen er slechts ongevormde kleiklompen uit zijn handen en het schilderen eindigt onherroepelijk in een paarsachtig moeras, waar alles doorelkaar loopt.
Een van de grondwetten van ons werk is, dat we daar beginnen waar wat is,  en dan langzaamaan werken naar datgene wat er niet is. Zo beginnen we met de syndroom van Downkinderen een dramatisch-muzikale pedagogie. Sprookjes worden gespeeld, liedjes ritmisch in bepaalde vormen, ritmisch, op de grond getekend, gelopen. Het ritme is aanwezig, de vorm ontbreekt, langzaamaan schakelen we steeds meer vormelementen in en wat zien we? De kinderen gaan steeds minder op elkaar lijken en de vorm in het denken en het geheugen wordt langzamerhand geboren. Langzamerhand kunnen ze gaan leren, later ook zonder dat het muzikaal-dramatische element hen helpt.
heilpedagogie 2
Een andere groep kinderen, die nerveus zijn of tot dwangvoorstellingen neigingen hebben, vertonen juist een sterk plastisch vermogen. Kijk eens hoe hun bewegingen angstig afgemeten zijn, hoe ze steeds in hun binnenwereld leven en daar spelen met bepaalde gedachten die ze op allerlei manieren combineren. De inhoud van het geleerde nemen ze zeer snel op, de moeilijkheid begint pas als er in het leven wat mee gedaan moet worden. Het sociale element is hier, bij deze op zichzelf geconcentreerde kinderen, het zwakke punt. Zelf leren, zelf vormen kunnen ze wel; samen doen, op de andere mens letten is moeilijk; zo brengen we hen van het alleen muziek maken tot het orkest en tot het dramatische element van het gemeenschappelijk toneelspelen. Dan komen ze uit zichzelf en ontwikkelen, via het dramatische element, de sociale eigenschappen.
Het geretardeerde kind en de zwaarste psychopaat met dwanghandelingen en voorstellingen hebben een menselijk ik: het moet zich openbaren, ondanks de remmingen van een ongelukkige ‘behuizing’.
Ja, het ik zal deze behuizing zelf moeten herstellen voor het de eigen biografie kan gaan leven.
.
Wat wij in de orthopedagogie willen? Het diep-menselijke IK te voorschijn halen en het laten leven in de zielenwereld van het denken-voelen en willen.
.
*B.C.J.Lievegoed, nadere gegevens onbekend
.
Bernard Lievegoed
Bernardus Cornelis Johannes Lievegoed was een Nederlands psychiater, pedagoog en organisatiedeskundige die nauw betrokken was bij de ontwikkeling van de antroposofische beweging in Nederland. Wikipedia
Geboren
:
2 september 1905, Medan, Indonesië
Overleden: 12 december 1992, Zeist
Boeken: De levensloop van de mens: ontwikkeling en ontwikkelingsmogelijkheden in verschillende levensfasen, meer
.
931

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – oudjaar (3)

 

Uren, dagen, maanden, jaren.
Van Kerstmis naar het einde van het jaar is maar een heel klein stapje, welgeteld vijf dagen. Voor velen tegenwoordig vrije dagen, snipperdagen.
Vroeger op het boerenland gelegenheid tot uitslapen. Tussen Kerstmis en nieuwjaar werd er niet bijster hard gewerkt. In de landbouw was weinig te doen en de veeboeren hadden hun dieren in de stal. Gelegenheid om eens wat anders te doen.
Daarom vrije tijd voor het blazen op de midwinterhoorn, een traditie die in Twente nog steeds in gebruik is, vanaf de eerste zondag van advent tot en met Driekoningen.
In Denekamp, Oldenzaal, Losser, Ootmarsum, Tubbergen, Weerselo en in de omgeving van Almelo, Borne en Hengelo hoort men in deze tijd het vreemde melodieuze geluid van deze herauten van Kerstmis. Over de oorsprong van het midwinterhoornblazen bestaan natuurlijk verschillende meningen. Dat kan nu eenmaal niet anders. En we geven hier een paar opvattingen. De één zegt dat het gebruik zijn ontstaan dankt aan het joelfeest van de oude Germanen, die door het blazen op horens in de midwintertijd de vruchtbaarheid van hun essen wilden beschermen tegen demonische geesten. Een andere mening wil de nadruk leggen op een oud gebruik van de Israëlieten, die de tuba staken om de gasten ter bruiloft te noden.

De hoorn zelf is een kunststuk met een lengte van 1,20 meter. Het geval bestaat uit twee gekuipte tegen elkaar passende stukken hout, die met sterke houten banden aan elkaar worden bevestigd. De hoorn heeft een schuin afgesneden mondstuk, dat bij voorkeur gemaakt wordt van éénjarige vlierloten. Een heel secuur werkje om een midwinterhoorn te maken: het vinden van het juiste hout, het uitsnijden en passend maken, het bespeelbaar maken. Daarbij gaat de hoorn in de waterput, want vocht is bijzonder belangrijk: als het hout uitdroogt gaat het barsten, maar het mag ook weer niet te nat worden omdat het hout anders zou gaan rotten. Een goede hoorn gaat wel lang mee, maar er moet dan veel zorg en aandacht aan worden besteed. Denk vooral niet dat het best meevalt om zo’n hoorn te bespelen. In de eerste plaats is het midwinterhoornblazen een inspannende bezigheid. De niet geoefende blazer brengt slechts een wat benauwd klinkend toontje voort. En dan gaan de boze geesten echt niet op de loop. De ware blazers letten extra op de klankbodem. En dat betekent dat bij voorkeur boven een put wordt geblazen, zodat de tonen een goede resonantie krijgen.

Het blazen zelf kan men nog altijd horen. Want men schat dat er in Twente zo’n tweehonderdvijftig midwinterhoornblazers zijn, die ook in concoursen hun vaardigheid komen bewijzen.
Toon Borghuis schreef er eens een mooi liedje over, natuurlijk in het Twentse dialect.
Holt’n doed’lenden hoorn baven de putte
Kneep vast oewe lipp’ op de vleerholten spool;
En blaost den Adventsroop van Vass’ tot de Lutte
Van Saosel naar Lettrop tot aover nen paol.
In Friesland gaat het niet om een hoorn maar om een klok. Vanaf 21 december – Sint Thomas – tot nieuwjaar wordt in enkele plaatsen zoals Katlijk (uit te spreken als Ketlik), Oudehorne en de buurtschap Brongerga bij Oranjewoud, allemaal in de buurt van Heerenveen het Sint Thomasluiden beoefend. Vrijwel elke dag en nacht wordt dan de klok geluid en met een vasthoudendheid en energie dat de klokkentouwen het nog wel eens willen begeven. Aan het gebeier komt geen einde. Dat werd vroeger een wild feest waarbij niemand zich onbetuigd liet. Gevolg: allerlei baldadigheden en onzedelijke uitspattingen. De grietman van Smallingerland probeerde er in 1842 dan ook een eind aan te maken en liet het klokkentouw verwijderen, maar dat namen de Friezen niet. Het Sint Thomasluiden is gebleven.
M. D. Teenstra uit Drachten rijmde er in 1844 over.
Slechts één dag in ’t jaar, aan Sint Thomas gewijd,
Dan komt men uit het veen, van wijd en zijd,
Dan luidt men te Dragten de klokken,
Dan luidt men, dan drinkt men, dan viert men hier feest,
Doch hoe oud of wat oorsprong ’t gebruik is geweest,
Weet niemand, na veel zoeken en blokken.
Vlak voor oudejaar, op 28 december is het de dag van de onnozele kinderen. Dat herinnert aan het feit dat – zoals in het bijbelverhaal wordt verteld – koning Herodes in Bethlehem alle pasgeboren kinderen liet ombrengen om er zeker van te zijn dat de zo juist geboren Koning der joden, waarover hij van de wijzen uit het Oosten had gehoord, ook gedood zou worden. Daarom zijn in en in de omgeving van Roermond en Venlo op onnozele kinderendag de kinderen de baas. Vooral de jongste kinderen hebben dan veel te zeggen. Zij spelen voor vader en moeder en maken zelfs uit wat er op die dag gegeten zal worden. Een heel bijzonder privilege. Verkleed als grote mensen en met veel muziek wordt dan tevens een tocht door de straten gemaakt om duidelijk te maken dat het Alderkindere is.
En dan oudejaarsdag, 31 december. De dag van de oliebollen en de appelflappen. Alle ellende van een heel jaar wordt vergeten; een nieuw jaar staat voor de deur en vraagt om de nodige bezinning. Vandaar dat de kerkgang voor velen op oudejaar een niet te missen traditie is. Men zingt over de uren, de dagen, de maanden, de jaren die als een schaduw voorbij vlieden. Wel een beetje vreemd dat juist dit lied een nationaal oudejaarslied is geworden. Zwolle’s burgemeester Rhijnvis Feith schreef het indertijd als nieuwjaarslied. Wie het goed leest, zal trouwens gauw ontdekken dat het echt om een nieuwjaarslied gaat, maar dat doet er niet toe, het wordt op oudejaar gezongen. En wat maakt het ook uit? Als de klok ’s nachts om twaalf uur slaat, is er geen verschil meer tussen oud en nieuw. Dat het zover is, blijft bepaald niet onopgemerkt: de klokken beginnen te luiden, de scheepsfluiten gaan gillen, de glazen worden geheven, vuurwerk gaat de lucht in. Een heidens kabaal al die gillende keukenmeiden, rotjes, vuurpijlen en wat dies meer zij. Op een paar gulden meer of minder wordt niet gekeken. Er gaat in een korte spanne tijd voor miljoenen de lucht in.

Hier en daar leven nog speciale gebruiken, zoals in Schildwolde waar men het kloksmeren kent. Kloksmeren is een mooi woord, al weet niemand of dat smeren nu op de klok of de keel van toepassing is. Half december is de kloksmeervergadering, waarbij iedere kloksmeerder zijn eigen traject krijgt aangewezen om het kloksmeergeld bij de bewoners op te halen. Dat is nodig om drank, worst en brood te kopen. Niemand vergeet in Schildwolde dat hij ook eens kloksmeerder is geweest, dus met de opbrengst zit het wel goed. Op oudejaarsavond begint het gebeier van de klok. Het duurt van acht uur op oudejaarsavond tot acht uur op nieuwjaarsdag. Het café is gelukkig aan de overkant, zodat iemand die niet aan het klokkentouw hangt, gemakkelijk even kan gaan doorsmeren. Op die avond komt het hele dorp in het café; er wordt een borreltje geschonken. Voor de gaande en komende man of vrouw. Iedereen wil wel eens zien of de kloksmeerders hun werk wel goed doen. En nog iets zinvols ook. Als er een voordelig saldo is, wordt dat geld voor een goed doel bestemd: hulp bij ongelukken, reisje voor de bejaarden of iets dergelijks.

In Dokkum gaat het weer anders. Op deze avond komt iedereen, ook de jeugd, naar de ‘zijl’, de sluis vlak voor het stadhuis. Als de klok twaalf slaat, wordt er gelukgewenst en omhelsd en trekt jong en oud door de straten. In Friesland is het in verschillende streken op oudejaarsavond oppassen geblazen. Men heeft de gewoonte alles wat ‘los zit’ te verplaatsen of naar een centrale plaats te slepen. Dus niets buiten laten staan; dan wordt het een hele toer om de eigendommen weer terug te vinden. De jeugd die aan de gang is geweest, blijkt bijzonder vindingrijk te zijn. Een fiets opgehangen in een boom is nog maar een kleinigheid; een boerenkar wil nog wel eens boven op een dak terechtkomen en om zo’n kar er weer af te halen wordt een hele klus op nieuwjaarsdag.
oudjaar
.
jaarfeesten: alle artikelen
.
Shell Journaal van Nederlandse folklore 1972

.

930

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (8-2)

 

In dit artikel worden gebruiken beschreven ‘van vroeger”. Soms in de tegenwoordige tijd, alsof deze gebruiken er nog zijn. Dat is niet in alle gevallen zo.

 

OUDE GEBRUIKEN

Jeremias heeft ghesprocken.
Sint Nicolaas heeft nog maar net de aftocht geblazen om een jaar lang weer in Spanje uit te rusten of de kerstbomen komen op de markt. Iedereen komt zijn boompje uitzoeken om thuis zo feestelijk mogelijk op te tuigen met slingers, ballen, glinstertjes en kaarsen. Die kaarsen dreigen* in de verdrukking te komen nu de elektrische kerstboomversiering hand over hand toeneemt, maar zij die nog een beetje gevoel voor traditie hebben, houden het op het levende licht.
Traditie? De kerstboom met kaarsen is in ons land een vrij jong verschijnsel, overgewaaid uit buurland Duitsland waar men de kerstboom al heel lang kende. Pas na de eerste wereldoorlog werd de kerstboom ook in ons land meer algemeen. Nog aan het einde van de vorige eeuw* foeterde dr. Eelco Verwijs ‘Laat Duitschland zijn kerstboom’, maar het is er toch van gekomen, al was er dan vooral in orthodox-protestantse kringen nog vele jaren verzet tegen de kerstboom als een heidens gebruik. Ook de Duitse gewoonte om elkaar met Kerstmis geschenken te geven, neemt in Nederland toe; maar het blijft een zwakke afschaduwing van wat Sinterklaas te schenken heeft.
Kerstmis is in Nederland een huiselijk feest en dat is goed te merken. Men gaat bij voorkeur niet de straat op om het kerstfeest te vieren, de obligate kerkgang of de kerstmis (mis tot viering van Christus’ geboorte) op de avond voor Kerstmis daargelaten. Vroeger was dat wel anders. Vooral de kinderen kwamen op straat om kerstliederen te zingen; radio, televisie en grammofoonplaten waren nog niet uitgevonden. Het zingen toen was nodig om de stemming er in te brengen en – hoewel het repertoire ook straatliederen bevatte – het waren toch vooral kerstliederen die ten gehore werden gebracht, vaak in de hoop dat de geleverde inspanning een materieel beloninkje zou opleveren.
Jeremias heeft ghesprocken,
Dat Hij comen sal,
Uit Davids wortel ghesproten,
Die ons verlossen sal.
Het gezamenlijk buitenshuis zingen is niet helemaal verdwenen. Het is min of meer opgeleefd in de massale volkskerstzang die in verschillende grote steden wordt georganiseerd en waarvan die in Amsterdam een zekere vermaardheid gekregen heeft. Dan klinkt natuurlijk ook het Stille nacht, heilige nacht, dat in 1818 in het dorpje Oberndorf ten noorden van Salzburg ontstond. Uit nood geboren. Vlak voor Kerstmis raakte daar het orgel van de dorpskapel onklaar en er was geen tijd meer om het te repareren. Toen schreef de dorpsonderwijzer en organist van het nabijgelegen Arnsberg een kerstlied waarbij Josef Mohr de melodie componeerde. Een lied om samen te zingen nu het orgel kapot was. Zo ontstond Stille nacht, heilige nacht en het werd internationaal een van de populairste kerstliederen.

Ook de kerstkaart, waarvan er nu jaarlijks vele miljoenen over de hele wereld worden verzonden, werd bij toeval en uit nood geboren. De geschiedenis vertelt dat dat in 1843 was toen Henry Cole, de stichter van het Victoria and Albert Museum in Londen plotseling ontdekte dat hij geen tijd meer had om aan vrienden en relaties voor Kerstmis een brief te schrijven om hen het allerbeste toe te wensen. Goede raad was duur, maar de inventieve Cole vond een oplossing. Hij liet door de schilder J. C. Horsley een kaart ontwerpen. Deze kaart werd gedrukt en verzonden. Cole was zakenman genoeg om er wat meer te laten drukken die hij voor een shilling per stuk verkocht. Hij haalde er zelfs de pers mee, want een dagblad gaf van die eerste kerstkaart een uitvoerige beschrijving. ‘Een omlijsting van lofwerk in Duitse stijl deelde de kaart in een middenpaneel en twee zijstukken. De zijden waren gevuld met afbeeldingen van het spijzigen van de hongerigen en het kleden van de naakten; op het middenstuk werd een familie aan tafel getoond – een oude man, een jonge vrouw met haar man en enige kinderen – en zij waren weergegeven tijdens het uitbrengen van een heildronk met wijn.’ Niet alleen lof voor de eerste kerstkaart. Critici hekelden het feit dat kunst aan industrie werd gepaard doordat het kunstwerk door het te laten drukken was verveelvoudigd. Er waren er ook die vonden dat de afbeelding de dronkenschap zou bevorderen. De laatste jaren is in eigen land nogal kritiek geleverd op de folkloristische kerstkaartenrage als vorm van geldverspilling; bovendien zo traditioneel dat het allemaal niets meer zegt. Maar dat is één opvatting. Velen zouden de kerstkaart echt niet over boord willen zetten. Folklore of niet. Dat Kerstmis in aantocht is, kan men steeds goed merken in Gouda, de kaarsenstad. Daar wordt in de dagen voor Kerstmis de binnenstad in kaarslicht gezet. Duizenden kaarsen verlichten de gevels en een kolossale kerstboom op het marktplein draagt een ontelbaar aantal kaarsen.

Er is ook feeststemming in het Gelderse rivierengebied waar in Tiel de indrukwekkende kerstveiling van het zogenoemde hardfruit – appels en peren – wordt gehouden. Voor het fruit geveild wordt, kan het publiek in de grote veilinghallen de fruitmozaïeken bewonderen. En het publiek kan zelf ook veilen. Iets waar men letterlijk bij staat te watertanden.
Regelrechte confrontatie met hét onderwerp van Kerstmis – de herdenking van de geboorte van Christus -wordt in Rijen, tien kilometer van Breda geboden. Daar is tegen Kerstmis het kerstdorp Klein Bethlehem te bezichtigen. Op een stuk land ter grootte van een voetbalveld wordt Bethlehem herbouwd met stadsmuren, poorten, het paleis van Herodes en natuurlijk de kerststal. In en rond de kerststal lopen tientallen dieren: schapen, kamelen, de ezel, de os. Er staan levensgrote mensenfiguren, gekleed volgens de traditie uit de tijd van Christus.
Ook elders vindt men openbare kerststallen zoals in Den Bosch, terwijl in de schaapskooi in Rheden op het landgoed Heuven de typische kerstsfeer wordt weergegeven op de avond voor Kerstmis. De schaapherder leest dan voor wie het horen wil het kerstevangelie. Wie daar gaat kijken, moet er aan denken dat volgens een oud verhaal de dieren op kerstavond met elkaar praten. Alleen wie rein van hart en geweten is, kan het horen! Wel van te voren informeren, bijvoorbeeld bij de V.V.V., want dit is nu zo’n gebruik dat zo weer verdwijnt.

Konijn, haas, fazant, gans, kalkoen; het zijn typische

kerstlekkernijen die met veel smaak en goed gegarneerd worden verorberd. Daarnaast natuurlijk kerstbrood en de uit Engeland overgewaaide plumpudding. Heel speciaal voor deze gelegenheid is de Noordhollandse duivekater, een soort cakebrood, waarvan het echte recept een zorgvuldig bewaard bedrijfsgeheim is. Een echt oud-Hollandse lekkernij die men zeker eens moet hebben gegeten. En bij dit alles niet vergeten wat een oude dichter eens voor Kerstmis schreef.
Ghy swemt dan in ruyme weelden,
in leckerney, in lust, in bancketteren.
Maar er is meer waaraan men op deze dag moet denken, want hij gaat voort met:
Vermeut o mensch dyn leven,
doet op de poort van ’t slaperich hert en ooren
siet hoe d’Engeltjens sweven
wiens zoet gejuyg ghij kennelyck meugt hooren.
Tweede kerstdag is vroeger in vele streken van ons land een wilde dag geweest; de naamdag van Sint Stefanus of Sint Steffen. Er werden allerlei spelletjes gedaan, zoals het steffen uit de ton jagen, waarbij een kat uit een vat moest worden geknuppeld. De dierenbeschermers hebben voor dit wrede vermaak een stokje gestoken. In Drenthe trok de jeugd naar de boerderijen met hooi en oud brood om de koeien te voeren. Tegen de boer werd gezegd: ‘Ik steffen joe koe’ en dan moest die boer met wat centen of een goed belegde boterham over de brug komen. Er werd ook gezongen.
Hum, koe, hum,
Sunt Steffen is gekomen.
Hard gelopen; duur verkopen.
Honderd gulden veur die koe
En een dikke stoetbrugg toe.
In Gorssel heeft men nog steeds* het Sint Steffenrijden in ere gehouden, waarbij een bepaalde groep een tocht te paard maakt; het paard wordt die dag afgereden. Dat is een gebruik dat van vader op zoon overgaat. Alleen weinigen weten nog waar het vandaan komt.
.
*Uit ‘Shell-Journaal van Nederlandse  folklore 1972

.

kerstmis: alle artikelen
jaarfeesten: alle artikelen

.

929

VRIJESCHOOL – Kerstmis (16-2)

 

het hele verhaal

Onder deze titel verscheen er in Jonas een interview dat Ernst Fuld had met de schrijfster van haar boek over de twee Jezuskinderen.

 

Hella Krause-Zimmer: ‘Het thema van de twee Jezuskinderen is zeer omvangrijk. En het is iets dat kan shockeren. Ik voel me daarvoor zeer verantwoordelijk en weet niet of dat allemaal maar zo in een interview kan. Hopelijk ziet de lezer er slechts een aanmoediging in om zich met het thema bezig te gaan houden, want we kunnen hier niet alles tot in detail behandelen.

‘Misschien kan ik het beste met mijn persoonlijke ervaringen beginnen. Mijn verjaardag valt vlak voor Kerstmis en daardoor beleefde ik vanaf mijn vroegste jeugd de kersttijd als iets heel bijzonders. Mijn moeder kwam terwijl ik nog sliep en maakte een tafeltje met kaarsen naast mijn bed. Ik deed net alsof ik niks merkte en als ik dan mijn ogen opende, dan was het eerste wat ik zag de kribbe met de aanbidding van de herders en de koningen. Dat heeft diepe indruk op mijn gemoed gemaakt en Kerst was voor mij de mooiste dag van het jaar.

Later – zo vanaf mijn zestiende levensjaar – werd ik leeg in mijn gevoel. Het was allemaal wel mooi, maar het deed me niet veel meer. Steeds sterker werd de vraag: waarom is Kerst zo belangrijk? Er waren wel allerlei verklaringen uit de godsdienstlessen, maar die voldeden niet meer voor mijn gevoel. Die intense beleving uit mijn kindertijd was verdwenen en daar werd ik zeer ongelukkig door. Het is toen, tot vertwijfeling van mijn moeder, zelfs zover gekomen dat ik eens bij het kerstfeest ben weggelopen. Zo sterk was de drang dat ik toch ergens Kerst moest kunnen vinden en dat het gewone kerstfeest het niet meer was. Van de mooiste avond was Kerst geworden tot de moeilijkste avond van het jaar. Ik denk dat dat nu voor veel mensen ook zo is.

Later ontdekte ik de antroposofie en daardoor kregen alle feesten, dus ook het kerstfeest, weer nieuwe inhoud. Ik ontdek er steeds weer nieuwe dingen aan en de beleving wordt nog steeds intenser. Bij die ontdekking van de antroposofie hoorde ook dat ik bij Rudolf Steiner iets las over het bestaan van twee Jezuskinderen, die niet even oud waren, maar ongeveer een jaar in leeftijd scheelden. Het was een grote schok voor me. Mijn eerste gevoel was dat Kerst me nu helemaal werd ontnomen. Twee kinderen vond ik minder dan een. Met een kind, het Jezuskind, was ik opgegroeid en vertrouwd. Nu opeens: het zijn er twee geweest. Nu ja, dacht ik, dan kunnen het er ook drie of vier zijn geweest. Maar ondanks de grote schok had ik toch het gevoel dat ik het serieus moest nemen en ik ging het in de bijbel nalezen.

Ik was helemaal niet zo bijbelvast en ik denk ook niet dat je van bijbellezen alleen de oplossing voor de raadsels van het leven mag verwachten. Er staan zoveel wonderlijke en moeilijk te begrijpen verhalen in de bijbel! Voor mij is het veel meer een hulp om de bijbel vanuit een bepaald gekozen gezichtspunt te bevragen. Wanneer je dat doet met de vraag naar het bestaan van twee Jezuskinderen, dan worden een heleboel dingen ronduit opvallend.

Van de vier evangeliën beschrijven alleen Lucas en Mattheus de geboorte van het kind. Die twee verhalen passen op geen enkele wijze bij elkaar. De twee stambomen zijn niet verenigbaar: bij Lucas komt geen lijn over Salomo. Zelfs wanneer je van deze onverenigbaarheid der stambomen afziet, dan nog zijn die twee geboorteverhalen niet bij elkaar te denken. Er zijn wel gedachten dat de evangelisten het als een soort ‘teamwork’ hebben verdeeld. Zo van: de één beschrijft de ene helft, de herders; en de ander nam de koningen voor zijn rekening. Een soort werkverdeling die afgesproken zou zijn. Maar zelfs dat gaat niet op; het past gewoon niet.

Kijk, men zegt meestal dat de herders eerst kwamen en de koningen daarna, een paar dagen later. Bij preciesere en exacte bestudering van de tekst blijkt dat niet te kunnen. Lucas vertelt dat de ouders uit Nazareth kwamen en vanwege de volkstelling naar Bethlehem trokken. Het moet er, waarschijnlijk vanwege die volkstelling, erg druk zijn geweest, want er was geen plaats voor hen in de herberg. Vermoed wordt, dat Maria het kind in een soort grot ter wereld bracht. Het evangelie verhaalt verder hoe de herders, die door de engelen op de hoogte zijn gebracht, komen om het kind te aanbidden. Zij maken ‘alom bekend’ wat zij hebben gezien. Na acht dagen wordt het kind besneden en na veertig dagen, in overeenstemming met de joodse wetten, in de tempel getoond. Dat betekent, dat Maria en Jozef met het kind zo’n veertig dagen in Bethlehem zijn gebleven of in Jeruzalem zijn geweest. In de tempel komen dan twee mensen met profetische gaven, Simeon en Anna, die het kind herkennen en prijzen in het openbaar. Daarna gaan de ouders terug naar Nazareth.

Het Mattheusverhaal is heel anders. Er is geen sprake van een volkstelling of volle herbergen. Ook geen stal of grot, maar het evangelie noemt heel duidelijk een huis waarin Maria en Jozef met het kind zijn. In plaats van herders komen er dan koningen of magiërs om het kind te aanbidden. Er is geen sprake van een reiniging na veertig dagen of opdracht in de tempel. Jozef en Maria vluchten naar Egypte vanwege de kindermoord. Hoe kan het nu, dat, terwijl alle kinderen onder de twee jaar in de omgeving van Bethlehem door Herodes vermoord werden, de ouders, volgens Lucas, zo in het openbaar met het kind waren? Dat kan zich toch niet tegelijkertijd hebben afgespeeld?

Er bestaan schilderijen — die vind je ook in mijn boek – waar, bij de opdracht in de tempel, dus waar het kind veertig dagen oud moet zijn geweest, het Jezuskind al staat voor het altaar. Je ziet een jongetje van vijf of zes jaar oud. Ik vraag me dan af: wat heeft die schilder zich daarbij voorgesteld? Misschien een soort ‘inhaalactie’, zoals ook wel eens de doop later wordt voltrokken? Het wordt wel eens op de fantasie van de schilder geschoven. Nou, ik kan u verzekeren dat de schilders uit de oude tijd bijzonder weinig gefantaseerd hebben. Hoe bestaat het dan, dat een schilder een jongetje van vijf of zes jaar afbeeldt, terwijl het evangelie spreekt van een tonen in de tempel bij de opdracht veertig dagen na de geboorte?

Wijsheid en liefde
Na de eerste aanvankelijke schok werd het thema steeds waardevoller voor me. Ik geloof dat het belangrijk is, dat wij ons met de waarheid bezighouden. Het heeft een objectieve betekenis voor de wereld als wij ons met de waarheid bezighouden. We vergroten daardoor het waarheidsgehalte van de wereld. Groot of klein: elke waarheid heeft ‘op zich’ waarde. En als het om iets gaat dat zo centraal met het christendom te maken heeft, dan zouden wij ons zeker ervoor moeten interesseren.

Naar mijn ervaring vormt het geheim dat er twee Jezuskinderen zijn geweest, een grote sleutel voor het begrip van onze heilsgeschiedenis. Ook voor het begrip van de mensheidsontwikkeling tot in de tegenwoordige tijd aan toe, vormt dit raadsel een belangrijke sleutel. Je krijgt meer begrip voor de wereld en dan sta je ook anders in die wererld. Het is niet zozeer het feit ‘dat’ er twee kinderen zijn geweest, maar vooral ‘hoe’ de verschillen tussen die twee kinderen waren.

Het geboorteverhaal zoals Lucas dat vertelt, gaat over ons eigenlijke Kerstkind. De schilders hebben dat kind altijd naakt op de aarde gelegd. Heel klassiek kun je dat zien bij het zogenaamde Thomasaltaar in Hamburg dat door meester Francke (circa 1424) is vervaardigd. Francke heeft voor één en hetzelfde altaar twee aanbiddingen geschilderd. Bij de Jezus van Lucas is alleen Maria aanwezig. Er zijn geen andere mensen te zien behalve heel in de verte een paar herders. Het is alsof de schilder vooral de natuurverbondenheid van dit kind heeft willen uitdrukken. Maria heeft haar haar loshangen, wat in de middeleeuwen een uitdrukking van maagdelijkheid was. Zij is sober gekleed in een wit gewaad met een gouden zoom. Twee engelen houden een mantel beschermend om haar heen. De stralenkrans van Maria en het kind is echt stralend open. Er is geen Jozef. In de hemel is de God-Vader zichtbaar en uit zijn mond komt een stralenbundel die rechtstreeks tot het kind voert: hij lijkt op de weg waarlangs het kind is afgedaald. Het is een hemelsgeschenk. Zo naakt en onbeschermd als het daar ligt! De schilder laat zien: ‘dit kind heeft zoveel warmte van zichzelf, dat kun je naakt op de aarde leggen.’ De achtergrond bestaat uit bomen en landschap; ‘natuur en geen cultuur’ is het motto voor dit schilderij.

Krause-Zimmer Francke Thomas-altaar 2

‘Heel anders is het met de andere aanbidding die op hetzelfde altaar is afgebeeld door dezelfde schilder. Maria heeft een roze gewaad met blauwe mantel in plaats van wit met goud zoals bij de vorige. Zij heeft haar haar bedekt; de aura is een gesloten schijf. Jozef zit naast haar om de geschenken van de koningen in ontvangst te nemen. Daartoe houdt hij alvast een kist geopend. Het kind staat op Maria’s schoot en is naar de wereld toegekeerd, grijpt zelfs in een kistje! Achter Maria zie je een bed met een rijk geborduurd kussen erop. Ook een huis is zichtbaar, kortom: deze Jozef en Maria zijn rijk, terwijl de vorige arm waren. De koningen hebben rijke gewaden aan. Het is één en al cultuur en minder natuur. Geen God-Vader, engelen en bomen te zien! Wel zie je de ster waar een van de koningen naar kijkt en de ander wijst.

Krause-Zimmer Francke Thomas-altaar 1

 

Zoiets is toch wonderbaarlijk! Je ziet hier het essentiële verschil. Bij Lucas is alles lieflijk, kinderlijk, onschuldig, onbevooroordeeld en warm. Het kind heeft een aura om het gehele lichaam. Terwijl bij Mattheus altijd alleen het wijze hoofd verlicht wordt. Je ziet wijsheid en liefde, licht en warmte, cultuur en natuur. Op een kind reageren volwassenen — ook nu nog gelukkig! — heel anders dan onder elkaar. Men wordt geroerd, vertederd, vriéndelijk en levendig. Dat is de quintessens van Lucas. Mattheuskinderen zijn streng, wijs, volwassen. Ze worden door de schilders nooit naakt op de grond gelegd. Soms lijkt het alsof een Mattheuskind zelfs op een troontje op de schoot van de moeder zit!

Deze twee verschillende houdingen tonen aan dat ze representanten zijn van twee stromingen die tot op de dag van vandaag in de mensen zijn terug te vinden. Het zijn twee manieren van in de wereld staan; het zijn twee idealen. De ene stroom heeft de eenvoud, de natuurverbondenheid, de vroomheid, de armoede als ideaal. En de ander wil cultuur scheppen, wérken in de wereld.

Dat geldt in het klein, maar ook in het groot. Bij het begin van onze jaartelling waren er twee volken die zo’n beetje de wereld uitmaakten: het joodse en het Griekse volk. Dat is een mooi voorbeeld van die twee stromingen. Bij de joden vind je muziek, hymnen, grote profeten, enorme gedichten, koningen die musiceren, maar haast geen beelden. Het religieuze gebod geen beeld van God te mogen maken, voerde zelfs zover, dat het joodse volk niet eens zijn eigen tempel kón bouwen. De joden hadden maar één tempel en zelfs die hebben ze door een niet-jood, Hieram, laten bouwen. Moet je dat eens vergelijken met de Grieken: duizenden tempels, beelden, beelden, en nog eens beelden! Men ziet hier dat de aandacht wordt gevestigd op twee verschillende gebieden.

De Kerk
De tweede verbazing die ik bij de kennismaking met de antroposofie onderging was, dat het de taak van Christus was om deze twee gebieden weer bij elkaar te voegen. Het Lucasevangelie beschrijft de verbazing van de priesters en de ontsteltenis van de ouders doordat deze jongen plotseling zo wijs was toen hij op twaalfjarige leeftijd in de tempel was. De Jezus volgens het Mattheusevangelie stierf kort daarna. Vanaf dat moment was er nog maar één Jezus.
Rudolf Steiner beschrijft hoe de Jezus van Mattheus in een langzaam proces als het ware overstroomt in de ander. Degeen die dat interesseert kan het nazoeken bij Steiner. Men moet de dingen toch grondiger zelf onderzoeken dan in het kader van een interview kan.

Zoals gezegd: voor mij was de kennismaking met deze inzichten niet gemakkelijk. Ik heb er ook nooit aan gedacht om in de traditie van de schilderkunst te gaan zoeken. Ik ben eigenlijk helemaal geen kunsthistorica maar schrijfster. Van jongs af heb ik iets met het woord, geschreven of gesproken, gehad, Als actrice en dramaturge was ik helemaal niet zo op zien of kijken ingesteld. In die tijd had ik twee collega’s waarvan de één naast het acteren schilderde en de ander beeldhouwde. Wanneer we over straat liepen, zagen zij van alles wat ik niet zag. Hoe twee kleuren in de hemel bij elkaar pasten of de bijzondere proporties van een erker aan een huis. Als ze daar dan op wezen, dacht ik: ‘Wat zien zij toch! Ik ben partieel blind, ze leven in een totaal andere wereld.’ Zo werd er in mij de behoefte gewekt om beter te leren kijken. Welnu, dat heb ik in mijn verdere leven rijkelijk mogen inhalen!

Ik trouwde met Erich Zimmer, een architect. Samen hebben we veel studiereizen gemaakt. Naar Griekenland, Turkije, Italië enzovoorts — overal hebben we architectuur en beelden bestudeerd. Het thema van de twee Jezuskinderen speelde geen noemenswaardige rol in mijn leven. Zo had ik ook de Borgognone
(16-1,
kleurenafbeelding aan het eind)  gezien die in Milaan te vinden is. Het is een afbeelding van de twaalfjarige Jezus in de Tempel waar ook een tweede kind op te
zien is. Dat is de afbeelding waar Rudolf Steiner op wijst in een van zijn voordrachten. Ik vond het een mooi schilderij, maar was toch meer op de Griekse beeldhouwkunst en architectuur georiënteerd.
De grote aanleiding om me er meer systematisch mee te gaan bezighouden kwam bij de icoon van
Milos. Hoe kan het dat er nergens in de kerkelijke leer iets gezegd wordt over het bestaan van twee kinderen en het toch heel duidelijk op een schilderij staat? Ik had altijd gedacht dat zo’n inzicht alleen uit de geesteswetenschap te halen zou zijn en niet dat er ook nog zoiets als een geschilderde traditie zou zijn.

Op de icoon van Milos zie je duidelijk dat de twaalfjarige discussieert met een vrouw die links op het beeld staat. Een priester houdt haar een boek voor. Zij maakt een heel ontspannen indruk. Wie is deze vrouw? Het is ook verbazingwekkend dat de hogepriester haar een boek voorhoudt. Aan de rechterkant van de icoon zijn drie schriftgeleerden te zien. Maar ze lijken eerder op de drie wijzen dan op de schriftgeleerden zoals die gebruikelijk worden afgebeeld!

Net zoals je je bij de linker groep afvraagt: ‘Wat doet die discussiërende vrouw daar?’, zo vraag je je hier af: Wie is die jongeling die daar bij de wijzen staat?’ Hij staat daar baardloos, in een groen gewaad. Zijn handen zijn helemaal verborgen en een gedeelte van zijn armen is nog maar zichtbaar. Er gaat geen enkele activiteit van hem uit en uit zijn blik spreekt geen sterke interesse voor wat er verder gebeurt. Zijn hoofd neigt licht naar de andere — zonnige, heldere — jongeling; hij kijkt onnoemelijk weemoedig, treurig, dromerig. Niemand let op hem.

Krause-Zimmer icoon van Milos

Er zitten nog veel meer details in die icoon. Dat kan ik nu niet allemaal beschrijven, daarvoor moet je mijn boek bestuderen. Voor mij vormde Milos de aanleiding om me systematisch met het thema van de twee Jezuskinderen te gaan bezighouden. Toen begon het materiaal te groeien, te groeien, te groeien — het groeit nog steeds!

Mooiste tijd
Zo werd ik steeds wakkerder in het kijken naar kunst. Je moet natuurlijk kritisch blijven, want er zijn vele valkuilen. Je moet bijvoorbeeld Maria’s van Anna’s leren onderscheiden, Verder moet je jezelf streng scholen om niet iets in een schilderij te leggen wat er niet inzit! Bij het schrijven van mijn boek heb ik daarom vaak gedacht: ik wou dat een ander het deed.

Nadat ik eerst Kerstmis was kwijtgeraakt, kreeg ik het steeds meer terug. Allerlei verbanden en samenhangen gingen mij opvallen. De diepe achtergronden maakten mij eerbiedig. Je ziet opeens de samenhang met het jaarverloop. December, dat is donker en naar binnen gekeerd; het begin van de dertien heilige nachten hoort bij Lucas, het eigenlijke kind dat naakt op de aarde ligt, omgeven door duisternis. En januari is voor mij een totaal andere stemming. Meer helderheid, meer licht, meer op de wereld gericht en op het nieuwe jaar ingesteld. Volgens de geesteswetenschap is het Mattheuskind bijna een jaar ouder; de geboorte daarvan ligt rond 6 januari. Daarna volgt de vlucht naar Egypte en de kindermoord. In de zomer wordt Johannes geboren en op 24 december, lang na de dood van Herodes, wordt het Lucaskind geboren. De periode van 24 december tot 6 januari is werkelijk een uitsparing in het jaarverloop. Voor deze bijzondere tijd kan men een gevoel ontwikkelen op grond van inzichten.

Zoiets hoort bij onze tijd: dat men op grond van nieuwe inzichten weer een levendige verhouding tot de feesten kan verwerven. Door alleen het gevoel een beetje op te poetsen lukt dat niet meer om tot religieuze beleving te komen. Inzicht wil nog niet zeggen dat het dan intellectueel moet worden. Aan intellectuele theologische strijdgesprekken heb je niet zoveel. Het intellect levert geen levenswijsheid en ook geen zekerheid. Dat neemt niet weg dat de mens eerbiediger wordt wanneer hij probeert wat meer van de dingen te begrijpen.

Vaak verontschuldigen volwassenen zich wanneer ze een kerstboom hebben staan. Daar schaamt men zich dan voor. ‘We doen het voor de kinderen’, krijg je te horen. Het kind – ik kan mij dat zelf nog maar al te goed herinneren — reageert namelijk niet zo best op zo’n houding. Waarom zou een kind iets serieus nemen als de volwassenen het zelf ook niet serieus nemen. Een kind vóélt of iets echt is en het wil graag meedoen, maar dan ook alleen als je het werkelijk meent. Je zet geen kerstboom neer voor de kinderen of voor jezelf of deze of gene mens. Zoiets heeft alleen zin als je het doet ter ere van het feest zelf. Je zet iets neer dat nergens bestaat. Een boom met kaarsen groeit niet vanzelf — die bestaat helemaal niet! Alleen de mens kan zulke symbolen maken om daarmee de diepere waarheid die erachter zit te eren. Wanneer je een kerstboom neerzet doe je dus iets heel unieks. Je brengt iets bij elkaar dat niet uit zichzelf bij elkaar komt: het eeuwige leven en het eeuwige licht. Dat is niet iets dat alleen zo’n tweeduizend jaar geleden gebeurde en we nu herdenken; het is iets dat wij telkens weer kunnen doen. Uiterlijk gezien heeft het absoluut geen nut om een boom in je huis te halen en hem met licht te versieren. De mens geeft het bestaan een extra dimensie doordat hij zich bezint op deze twee stromen en ze symbolisch met elkaar verbindt. Kerstmis wordt dan weer zowel voor volwassenen als voor kinderen de mooiste tijd van het jaar.’

Ernst Fuld, Jonas 8/9, 19 december 1986

H.Krause-Zimmer, Die zwei Jesusknaben. Freies Geistesleben, Stuttgart

voor meer literatuur: Kerstmis (16-1)

 

928