Maandelijks archief: december 2015

VRIJESCHOOL – Periode-onderwijs (1)

 

Periode-onderwijs

Een van de dingen, die de vrijeschool onderscheidt van andere schooltypen is het zogenaamde periode-onderwijs. Dit betekent, dat de eerste twee lesuren van de dag, als de kinderen nog fris zijn, enkele weken lang steeds aan hetzelfde vak gewijd worden. De vakken, die op deze wijze onderwezen worden zijn: lezen, schrijven, Nederlandse taal, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis, biologie, wiskunde, natuur-en scheikunde. In de benedenbouw (klassen 1 t/m 6) zijn deze vakken over het algemeen in handen van de klassenleraar, die de lengte van de periodes zelf bepaalt, meestal 3, soms 2 of 4 weken, al naar gelang de te behandelen leerstofeenheid.
Aan het begin van het schooljaar stelt hij zijn perioderooster op. Hij houdt daarbij rekening met het jaarritme in de natuur (geen plantkundeperiode in de winter) en de jaarfeesten.
In de bovenbouw, waar het onmogelijk is, dat één leraar al deze vakgebieden bestrijkt, worden ook de periodes door verschillende leraren gegeven.
Als men voor het eerst met deze werkwijze geconfronteerd wordt, welt meestal een stroom van vragen op: “Hoe kan dat nu? Dat is toch veel te weinig tijd per vak en doe je dan niets meer aan meetkunde als geschiedenis aan de beurt is? Hoe gaat dat dan?”
Om al zulke vragen te beantwoorden moeten we wat ingaan op het leer- en verwerkingsproces.
In de eerste plaats kan er in zo’n periode economisch en geconcentreerd gewerkt worden. De aandacht wordt niet elke dag en elk uur op iets anders gericht. Een periode is een afgerond geheel, waar een zekere lijn door loopt. Het is een soort gebouw, dat de leraar samen met zijn klas opzet en wat dan na drie weken klaar is.
En zoals het met de dingen in ons gewone dagelijkse leven gaat, zo gaat het ook hier: wat we afgedaan hebben, leggen we naast ons neer, we vergeten het. Later, als men er ons weer naar vraagt, kunnen we het uit onze herinnering ophalen en staat het ons opnieuw (als nieuw) voor de geest. Zo ook met de periode. Wat intensief beleefd, gemaakt, gedaan of geleerd werd, is tijdens het vergeten gerijpt en komt bij een volgende behandeling verdiept en verrijkt te voorschijn. Het behandelde uit de eerste periode komt snel weer boven en blijkt een “ingeklonken” bodem te zijn geworden, waar men op verder kan bouwen.
De neerslag van dit alles vinden we uiterlijk terug in de periodeschriften. Aanvankelijk klassikaal opgezet, worden ze gaandeweg de zeer persoonlijke verwerking van het behandelde thema. In verzorging en illustraties ademen ze echter van het begin af de eigen geest van de eigenaar.
Tenslotte moeten we nog bedenken dat de inhoud van de periodes ook een zeer belangrijke factor vormt. Rudolf Steiner gaf de hoofdthema’s voor alle leerjaren aan. Thema’s, die afgelezen waren aan de psychische ontwikkelingsfase, waarin het opgroeiende mensenkind zich bevindt. Door deze thema’s aan te houden, is er bij de leerlingen veelal een natuurlijk interesse voor wat er komt en wordt het gehele mensenwezen aangesproken en niet alleen de leer-denkpool.
Periode-onderwijs is een bouwwerk van rust, vreugde en intensieve arbeid.
H.M.de Boer-van Geer, Geert Groteschool Amsterdam, okt.1974

over periodeonderwijs:

periode-onderwijs (2)

Rudolf Steiner over periode-onderwijs

ver. van vrijescholen

steinerschool Gent

begeleidingsdienst voor vrijescholen
.
Artikelen in het blad Vrije Opvoedkunst

.

934

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (16)

 

Tijdens een gesprek in de leraarskamer werd op een dag door mij -bovenbouw biologieleraar- de opmerking gemaakt: bovenbouwers zouden “werkend” een stuk benedenbouw moeten meemaken. Onmiddellijk volgde een uitnodiging een periode dierkunde in de 4e klas te komen geven, waarop ik met enthousiasme inging. Ik zou het inhoudelijke deel van de periode verzorgen; de klasselerares, mejuffrouw Bolt, zou het teken-, schilder- en boetseerwerk voorbereiden en begeleiden.
Al tijdens mijn voorbereiding realiseerde ik me met schrik, dat ik eigenlijk niet wist, hoe je een 4e klas aanspreekt, iets vertelt, laat staan hoe je dit pedagogisch en didactisch verantwoord doet. Nooit was ik dan ook nerveuzer dan vóór de eerste ochtend van deze periode.
Mens- en dierkunde zou behandeld worden, uitgaande van de gestalte, van de vormen, van datgene wat je kunt waarnemen.
In de 3e klas hebben de kinderen het verhaal van de schepping van de mens gehoord: “en God schiep de mens naar Zijn beeld, naar het beeld Gods schiep Hij hen, man en vrouw schiep Hij hen.”
Nu, in de 4e klas, gaan we samen kijken naar dat beeld Gods, we proberen achter de geheimen te komen, die de mens en de dieren ons te vertellen hebben over zichzelf.
De eerste vraag die ik stelde: “Waaraan herken ik een mens als mens, bijvoorbeeld als ik hem in de verte zie lopen?” bleek al direct te abstract. Toch kwamen er leuke antwoorden: “Ze hebben allemaal verschillende gezichten” en: “ze hebben allemaal verschillende kleren aan.”
Maar wat hebben nu alle mensen gemeenschappelijk? Een meisje zei toen: “Ze lopen allemaal rechtop.”
Met dat antwoord was plotseling duidelijk wat ik met mijn vraag had bedoeld en kwamen van alle kanten de antwoorden los. Toch zei ik die eerste ochtend vaak: “Stel je eens voor …”, niet bedenkend dat dat voor een vierdeklasser erg moeilijk is. Hij moet nog echt zien, voelen, boetseren, en ontdekt daardoor de vormen. Dus liet ik, op suggestie van mejuffrouw Bolt, de kinderen voelen aan hun en hun buurmans hoofd.

We ontdekten van de mensengestalte, dat deze bestaat uit hoofd, romp -lijf in kindertaal- en ledematen. Het hoofd bleek rond van vorm als de zon. Afgesloten, hard van buiten, met zijn geheimen van binnen en 7 poorten – de zintuigen- naar de buitenwereld. Het vertoont een vrij geringe, maar fijne beweeglijkheid (mimiek).
De ledematen daarentegen zijn langgestrekt van vorm -als sterrenstralen-, zeer beweeglijk, zacht van buiten, stevig van binnen. Er werd opgemerkt dat alleen de mens echte handen en voeten heeft, dat de voeten alleen maar geschikt zijn om ons te dragen en om te lopen, maar dat de handen alles kunnen: bouwen en graven, grijpen en slaan, schilderen, boetseren, musiceren, bidden, zegenen, groeten en gebaren. Maar: wij moeten werktuigen en instrumenten bedenken om een heleboel dingen net zo goed te kunnen als dieren, die immers speciale graaf- of grijppoten hebben. Omgekeerd: hoe moeilijk is het niet voor een ezeltje om luit te leren spelen! (Grimm)
De romp bleek alles “tussenin” te hebben; afwisselend hard en zacht, half omhullend, je kunt er de vorm van de maansikkel in zien, met hart en longen binnen die omhulling, waarvan de beweging ritmisch is.
Alles wat we zo samen gevonden hadden, werd opgeschreven in een echt periodenschrift, waarbij het voor mij een erg goede oefening was, duidelijk en groot, in 4e klastaal op het bord voor te schrijven wat in de schriften zou komen. De kinderen hadden ook al een hoofd en twee maal een mensenfiguur geboetseerd en ze maakten in hun schrift verrukkelijke tekeningen bij de tekst.
Toen kwam het moment dat de dierkunde begon. Een ochtend om niet gauw te vergeten.
De inktvis was als eerste dier gekozen. Het lukte me, helemaal inktvis te worden en een spannend verhaal te vertellen over dat wonderlijke dier met zijn kop met armen, met zijn haken, zijn inkt en zijn kleuren als het opgewonden is. De stilte in de klas na afloop was een belevenis, en het was geweldig te zien hoe de kinderen toen met waskrijt op grote vellen aan het tekenen gingen.
Na de inktvis volgden mossel en slak, muis, hamster en bever en tot slot paard en kameel, steeds vanuit het dier zelf verteld.
Aan het eind van de periode spraken we er over, met welk deel van de mens inktvis (mossel en slak) het meest overeenkwamen -zij werden kopdieren genoemd-. Muizen waren meer rompjes op hele kleine pootjes en paard en kameel vooral poten-ledematen.
De kinderen hebben ook geschilderd, eerst de mens, later nog paard of kameel en enorm veel getekend, ook gedichtjes gemaakt,
In de loop van de tijd ben ik me verschillende dingen gaan realiseren, maar vooral: dat je als benedenbouw-klassenleraar een duizendpoot moet zijn; creatief, steeds weer in staat iets nieuws te bedenken, maar ondertussen de touwen in handen houdend, je richtend op wat de kinderen van je vragen. En dat het onmogelijke van dit vak,
vrijeschoolleraar te zijn, is dat je het tot nu toe tenminste- eigenlijk nergens kon leren dan alleen maar in de klas.
Ik vind het dan ook erg fijn, de kans gekregen te hebben “werkend” een stuk benedenbouw te leren kennen en mijn respect en bewondering voor de kunst van mijn benedenbouwcollega’s is door dit “werken” enorm gegroeid.
N.Amons-Smink, Geert Grooteschool, okt.1974

Dierkunde: alle artikelen

933

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Salomo

 

Salomo

|

Salomo en Sheba, zoals ze zijn afgeheeld door de 15e eeuwse Italiaanse schilder Piero della Francesca. Door de eeuwen heen zijn Salomo en de koningin van Sheba favoriete onderwerpen voor de kunstenaars geweest. Er bestaan maar weinig aanwijzingen over hoe ze er hebben uitgezien. In dit voorbeeld draagt Salomo de hoofdtooi, die typerend was voor de Semitische mannen in de 15e
eeuw.

Salomo   1015-977 v. Chr.

Veel van de heuvels, meren, bronnen en andere natuurlijke kenmerken van het huidige Israël zouden de oude Israëlieten nog heel bekend voorkomen. Archeologen hebben steden opgegraven, die dateren uit de bijbelse tijd. De voor de inwoners van Israël meest heilige van al deze overblijfselen is de Klaagmuur in de Oude Stad van Jeruzalem. Deze muur grenst aan de rotsachtige heuvel, waarop koning Salomo in de 10e eeuw v. Chr. zijn schitterende tempel liet bouwen. Onder zijn regering bereikte het oude Israël een hoogtepunt, zowel van macht, aanzien als van economische voorspoed.
Salomo volgde zijn vader David als koning op. David was zijn leven begonnen als herder en tot het koningschap opgeklommen. Hij heerste over een rijk dat zich uitstrekte van Egypte tot aan de Eufraat. Salomo was niet de oudste zoon van David. Zijn moeder, Batsheba, drong er echter bij David op aan om Salomo nog tijdens zijn leven als zijn opvolger te kiezen, zodat over de troonopvolging geen meningsverschil zou ontstaan. Na de dood van David liet Salomo zijn rivalen en vijanden vermoorden, omdat hij er zeker van wilde zijn dat zijn gezag door niemand zou worden aangetast.

Door middel van huwelijken werden er verbonden gesloten met de buurstaten. Hij liet op strategische punten garnizoenssteden bouwen, waar hij troepen, paarden en strijdwagens legerde. Verafgelegen gebieden werden door de Israëlieten gekoloniseerd om de belangen van de regering en de handelslieden te beschermen. Israël werd verdeeld in 12 districten. De grenzen liepen dwars door de oude stamgrenzen, om samenzweringen te voorkomen. Elk district moest de koninklijke hofhouding van ongeveer 5000 mensen een maand van het jaar van voedsel voorzien.

De basis voor de economie in het rijk werd voornamelijk gevormd door de handel. De strategische ligging langs de belangrijkste handelswegen tussen Afrika, Azië en het Middellandse Zeegebied werd ten volle uitgebuit. Salomo liet alle karavanen die door zijn gebied kwamen, belasting betalen. Hij verkocht hen voorraden en kocht hun goederen, om ze elders met winst te verkopen. Hij ruilde ook Israëlische produkten, zoals koper, voor de produkten die in zijn eigen land schaars waren. Het is mogelijk, dat hij handel dreef met de koningin van Sheba. Sheba lag aan de Rode Zee, in Zuid-Arabië of in Oost-Afrika. De koningin van Sheba controleerde de scheepvaartroutes naar het oosten en dreef handel in goederen als goud, specerijen en edelstenen. Volgens de legende waren Salomo en de koningin van Sheba geliefden en kregen ze een zoon, die het koninklijk huis van Ethiopië stichtte. Salomo gebruikte de opbrengsten uit de handel om een enorm bouwprogramma te laten uitvoeren. Dit omvatte steden, forten en huizen voor een aantal van zijn vrouwen en buitenlandse kooplieden en gezanten. Maar het grootste deel van het geld werd besteed aan de bouw van een paleis, de beroemde Klaagmuur en een schitterende tempel in de hoofdstad Jeruzalem. De bouw van de tempel duurde zeven jaar. De tempel werd weelderig versierd met gebeeldhouwd cederhout, dat was bedekt met goud en edelstenen. Koning Hiram van Tyrus, een bondgenoot van Salomo, leverde het goud en het cederhout. Ook de bouwmeesters en ambachtslieden kwamen uit Tyrus. Na de voltooiing van de tempel plaatste men daar de Arke des Verbonds. Deze bevatte de tabletten, de stenen tafelen, met de Tien Geboden. Salomo wijdde de tempel zelf in. Duizenden schapen en ossen werden geofferd. Mensen uit alle delen van het rijk waren naar Jeruzalem gekomen om deel te nemen aan het feest, dat zeven dagen duurde. Uiteindelijk eisten het grote bouwprogramma en de koninklijke levensstijl van Salomo toch hun tol. De mensen gingen gebukt onder de hoge belastingen en de dwangarbeid, en werden rusteloos. De oude conflicten tussen de stammen kwamen weer naar boven. Salomo werd ervan beschuldigd zijn God te verloochenen voor de goden van zijn uitheemse vrouwen. Ook de door Salomo onderworpen staten zorgden voor moeilijkheden. Salomo hield het rijk voor de duur van de rest van zijn leven bijeen. Maar zijn zoon Rehabeam die hem opvolgde, was niet zo krachtig en kundig als zijn vader. De tien noordelijke stammen van Israël scheidden zich van het land af. Dit werd daardoor verdeeld in twee landen, Israël en Judea.

De tempel van Salomo bleef bijna 400 jaar staan. De tempel maakte Jeruzalem tot de godsdienstige zo niet politieke hoofdstad van de kinderen Israëls. Nadat de tempel van Salomo in 586 v. Chr. door de Babyloniërs was verwoest, werd hij later weer opgebouwd door de Romeinse heerser Herodes. Daarmee werd in 20 v. Chr. begonnen. De Romeinse keizer Titus vernietigde de tempel van Herodes in 70 na Chr. en verdreef de Israëlieten uit Jeruzalem. De tempel van Salomo werd nooit meer herbouwd. Slechts de westelijke muur van het platform waarop deze tempel stond, is er nog van over. Deze muur, de Klaagmuur, bleef een bron van inspiratie voor de Israëlieten van nu.
.
Salomo behoort ook tot de vertelstof van het Oude Testament in klas 3.
Jakob Streit heeft de bijbelse verhalen naverteld – een voorbeeld van wat beeldend vertellen is – in zijn ‘En het werd licht’
.
vertelstof: alle artikelen
.
932

VRIJESCHOOL – Waarom kunstzinnige opvoeding?

.

Waarom kunstzinnige opvoeding?

“Omdat de kunst het levenselement van de menselijke ziel is”.
Dit antwoord kwam spontaan in mij op, toen ik* ging zitten om een inleidend artikel over bovengenoemde vraag te schrijven, en ik heb me toen tot taak gesteld de juistheid van het spontane antwoord te onderzoeken.
Laten we trachten door een tegenstelling het onderwerp duidelijker te belichten.
Er bestaat een bepaalde kunstuiting, die we hier het drama noemen: het is een samenvatting van een aantal levenslopen, die zich op een bepaald punt kruisen en in korte tijd een ontknoping voeren.
Hoe kunnen we nu de menselijke levensloop beschrijven?
De eerste weg is die van de kroniek. Hier worden de gebeurtenissen en lotgevallen uiterlijk beschreven en in chronologische volgorde opgeteld. Men kan zo de lotgevallen beschrijven van een mens, een hond en van een vulpotlood. Wat er gebeurde wordt vlijtig vastgelegd en daarmee is het afgelopen.

De tweede weg is die van de biografie: ook hier worden de gebeurtenissen vermeld, maar bovendien wordt meer gedaan: niet alleen het gebeurde wordt vastgelegd, maar ook wat van binnenuit tot de gebeurtenissen voerde, wordt doorgrond. En hier stuiten wij op een merkwaardig feit.
Waar iedereen, ja zelfs een filmapparaat een kroniek kan samenstellen, daar kan slechts een kunstenaar een biografie schrijven, want de biografie, en ook het drama, verloopt niet logisch, maar kunstzinnig, en ieder, die uit logische argumenten de biografie belichten wil, maakt zichzelf tot een kroniekschrijver, ja zelfs tot een slecht kroniekschrijver, want de goede kroniekschrijver onthoudt zich tenminste van logisch-oorzakelijke beschouwingen en legt slechts het gebeurde zo nauwkeurig mogelijk vast.
Wat is echter het element in de biografie, dat zich niet volgens logische wetten, maar volgens diepere kunstzinnige wetten zich openbaart? Het is het menselijk ik, zijn diepste wezenskern, die zich in de wereld van het zielenleven van het denken, voelen en willen uitdrukt. En aangezien de biografie, het drama, in de tijd zich afspeelt, kunnen we het vorige samenvatten met de volgende woorden:
De biografie is de dramatische uiting van het ik in de tijd.

Openbaart zich het ik nog anders dan in de stroom van het leven, in de biografie? Ja, het ik openbaart zich in de menselijke gestalte. Juist wat hieraan veranderd is, waar niet de erfelijkheid alleen meer spreekt; wat persoonlijke uitdrukking geworden is, door liefde en leed in het gelaat, in de handen gegrift, is stempel van het ik. Het ik plasticeert aan het gegeven erfelijkheidslichaam en vormt het om naar zijn beeld. Samengevat kan het zo gezegd worden:

De gestalte is de plastische uitdrukking van het ik in de ruimte.

 

Ruimte en tijd, het zijn de twee grondzuilen van onze wereld, en ons ik leeft erin  als plastisch en dramatisch kunstenaar.
Keren we ons van deze algemene beschouwingen af en vragen we ons: wat is de taak van de pedagogie in het algemeen en van de heilpedagogie in ’t bijzonder?
De taak van de pedagogie is dit menselijk ik, deze diepste wezenskern te helpen zich te openbaren in zijn rijkdom en reinheid.
Eens heb ik in een voordracht de opvoeding horen karakteriseren als een aanpassing aan de maatschappij, er werd toen aangetoond dat als men wilde ratten reeds zeer jong aan bepaalde dingen wende, zij minder “lesuren” nodig hadden om het te leren, dan wanneer zij een aantal weken ouder waren; dat er zelfs een grens was, waarna zij niet meer te temmen waren; deze conclusies moesten zonder meer ook voor de mensen-‘temming’ gelden.
Andermaal heb ik de pedagogie horen karakteriseren als een leren van bepaalde vaardigheden die men voor het sociale leven als grondslag nodig had. Deze definitie is al iets sympathieker dan de vorige! Doch beide zijn onvoldoende.
Pedagogie moet meer zijn, het moet er op gericht zijn het “ik” te ontdekken en tot openbaring te brengen en in deze hulp tot het zich doen openbaren, moet de pedagoog een plastisch-en dramatisch kunstenaar zijn,
Geldt dit al voor de gewone pedagogie, hoezeer geldt dit dan voor de orthopedagogie. Hoe moeilijk is het de wezenskern van het misdeelde kind te ontdekken en daarmee de biografie. Makkelijker is de kroniek van de lotgevallen van buiten af.
We hebben twee gebieden min of meer tegenover elkaar geplaatst: de plastische kunst en de dramatische. Is deze opsomming niet zeer eenzijdig?
Hoe staat het met de muziek, hoe met de kleurenwereld van de schilderkunst? De muziek kan men geheel tot het drama, in omvattende zin, rekenen. De muziek verloopt geheel in de wereld van de tijd, zelfs de enkele toon is als trilling zonder tijd ondenkbaar, want haar wezen openbaart zich in de ritmisch-wetmatige beweging. Nietzsche heeft in zijn geniale jeugdwerk “Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik”, al op deze samenwerking gewezen.
Het dramatische element omvat dus het ritmisch-muzikale element, het kleurelement heeft enerzijds een plastisch element in zich, het neigt naar de vorm, anderzijds een dramatisch element: geel en rood, geel en blauw, blauw en rood zijn evenveel drama’s omdat ze hun wezen tegenover elkaar plaatsen en elkaar wederzijds beïnvloeden.
Bestaat de wereld van de logica dan niet? Zeer zeker, maar het is niet het element waarin het Ik kan leven als scheppende persoonlijkheid. De logica is onpersoonlijk, geen twee mensen hebben dezelfde biografie, al geldt voor beiden dezelfde logische wereld waarin zij leven.
Deze logische wereld moeten we leren kennen, dat is een onderdeel van de opgave van de pedagogie, die niet verwaarloosd moet worden; maar als mens leven we niet logisch, maar muzikaal-dramatisch en plastisch-scheppend.
Nemen we een voorbeeld uit de orthopedagogie: het syndroom van Down.
Elk individueel teken is hier afwezig. Familie, land, ras, spreken niet meer, de kinderen lijken op elkaar als broertjes en zusjes van één grote familie.
Een vriend van mij bezocht in Engeland een inrichting waar vele kinderen met dit syndroom bijeen waren gebracht. De rondleidende arts had er plezier in aan te tonen, dat ze allemaal precies op elkaar leken. Een raadselachtige ontwikkelingsstoornis. Naast een volslagen afwezig zijn van intellectuele vermogens staat in elk handboek van de psychiatrie met vette letters vermeld dat ze uitgesproken muzikaal zijn, en bovendien allen geboren acteurs, wat hen bij afwezigheid van het intellect en de blije gezichtsuitdrukking iets levensvrolijks geeft.

heilpedagogie 1

Merkwaardig; wel muzikaal-dramatische aanleg, absoluut gebrek aan plastisch vormende krachten. Hun lichaam, hun handen, hun inwendige organen zijn maar ‘half af’, alsof een beeldhouwer ze half af heeft laten liggen. Laat men ze musiceren, dan kan men ze direct een trommel of triangel geven en in een orkest plaatsen. Laat men ze boetseren dan komen er slechts ongevormde kleiklompen uit zijn handen en het schilderen eindigt onherroepelijk in een paarsachtig moeras, waar alles doorelkaar loopt.
Een van de grondwetten van ons werk is, dat we daar beginnen waar wat is,  en dan langzaamaan werken naar datgene wat er niet is. Zo beginnen we met de syndroom van Downkinderen een dramatisch-muzikale pedagogie. Sprookjes worden gespeeld, liedjes ritmisch in bepaalde vormen, ritmisch, op de grond getekend, gelopen. Het ritme is aanwezig, de vorm ontbreekt, langzaamaan schakelen we steeds meer vormelementen in en wat zien we? De kinderen gaan steeds minder op elkaar lijken en de vorm in het denken en het geheugen wordt langzamerhand geboren. Langzamerhand kunnen ze gaan leren, later ook zonder dat het muzikaal-dramatische element hen helpt.
heilpedagogie 2
Een andere groep kinderen, die nerveus zijn of tot dwangvoorstellingen neigingen hebben, vertonen juist een sterk plastisch vermogen. Kijk eens hoe hun bewegingen angstig afgemeten zijn, hoe ze steeds in hun binnenwereld leven en daar spelen met bepaalde gedachten die ze op allerlei manieren combineren. De inhoud van het geleerde nemen ze zeer snel op, de moeilijkheid begint pas als er in het leven wat mee gedaan moet worden. Het sociale element is hier, bij deze op zichzelf geconcentreerde kinderen, het zwakke punt. Zelf leren, zelf vormen kunnen ze wel; samen doen, op de andere mens letten is moeilijk; zo brengen we hen van het alleen muziek maken tot het orkest en tot het dramatische element van het gemeenschappelijk toneelspelen. Dan komen ze uit zichzelf en ontwikkelen, via het dramatische element, de sociale eigenschappen.
Het geretardeerde kind en de zwaarste psychopaat met dwanghandelingen en voorstellingen hebben een menselijk ik: het moet zich openbaren, ondanks de remmingen van een ongelukkige ‘behuizing’.
Ja, het ik zal deze behuizing zelf moeten herstellen voor het de eigen biografie kan gaan leven.
.
Wat wij in de orthopedagogie willen? Het diep-menselijke IK te voorschijn halen en het laten leven in de zielenwereld van het denken-voelen en willen.
.
*B.C.J.Lievegoed, nadere gegevens onbekend
.
Bernard Lievegoed
Bernardus Cornelis Johannes Lievegoed was een Nederlands psychiater, pedagoog en organisatiedeskundige die nauw betrokken was bij de ontwikkeling van de antroposofische beweging in Nederland. Wikipedia
Geboren
:
2 september 1905, Medan, Indonesië
Overleden: 12 december 1992, Zeist
Boeken: De levensloop van de mens: ontwikkeling en ontwikkelingsmogelijkheden in verschillende levensfasen, meer
.
931

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – oudjaar (3)

 

Uren, dagen, maanden, jaren.
Van Kerstmis naar het einde van het jaar is maar een heel klein stapje, welgeteld vijf dagen. Voor velen tegenwoordig vrije dagen, snipperdagen.
Vroeger op het boerenland gelegenheid tot uitslapen. Tussen Kerstmis en nieuwjaar werd er niet bijster hard gewerkt. In de landbouw was weinig te doen en de veeboeren hadden hun dieren in de stal. Gelegenheid om eens wat anders te doen.
Daarom vrije tijd voor het blazen op de midwinterhoorn, een traditie die in Twente nog steeds in gebruik is, vanaf de eerste zondag van advent tot en met Driekoningen.
In Denekamp, Oldenzaal, Losser, Ootmarsum, Tubbergen, Weerselo en in de omgeving van Almelo, Borne en Hengelo hoort men in deze tijd het vreemde melodieuze geluid van deze herauten van Kerstmis. Over de oorsprong van het midwinterhoornblazen bestaan natuurlijk verschillende meningen. Dat kan nu eenmaal niet anders. En we geven hier een paar opvattingen. De één zegt dat het gebruik zijn ontstaan dankt aan het joelfeest van de oude Germanen, die door het blazen op horens in de midwintertijd de vruchtbaarheid van hun essen wilden beschermen tegen demonische geesten. Een andere mening wil de nadruk leggen op een oud gebruik van de Israëlieten, die de tuba staken om de gasten ter bruiloft te noden.

De hoorn zelf is een kunststuk met een lengte van 1,20 meter. Het geval bestaat uit twee gekuipte tegen elkaar passende stukken hout, die met sterke houten banden aan elkaar worden bevestigd. De hoorn heeft een schuin afgesneden mondstuk, dat bij voorkeur gemaakt wordt van éénjarige vlierloten. Een heel secuur werkje om een midwinterhoorn te maken: het vinden van het juiste hout, het uitsnijden en passend maken, het bespeelbaar maken. Daarbij gaat de hoorn in de waterput, want vocht is bijzonder belangrijk: als het hout uitdroogt gaat het barsten, maar het mag ook weer niet te nat worden omdat het hout anders zou gaan rotten. Een goede hoorn gaat wel lang mee, maar er moet dan veel zorg en aandacht aan worden besteed. Denk vooral niet dat het best meevalt om zo’n hoorn te bespelen. In de eerste plaats is het midwinterhoornblazen een inspannende bezigheid. De niet geoefende blazer brengt slechts een wat benauwd klinkend toontje voort. En dan gaan de boze geesten echt niet op de loop. De ware blazers letten extra op de klankbodem. En dat betekent dat bij voorkeur boven een put wordt geblazen, zodat de tonen een goede resonantie krijgen.

Het blazen zelf kan men nog altijd horen. Want men schat dat er in Twente zo’n tweehonderdvijftig midwinterhoornblazers zijn, die ook in concoursen hun vaardigheid komen bewijzen.
Toon Borghuis schreef er eens een mooi liedje over, natuurlijk in het Twentse dialect.
Holt’n doed’lenden hoorn baven de putte
Kneep vast oewe lipp’ op de vleerholten spool;
En blaost den Adventsroop van Vass’ tot de Lutte
Van Saosel naar Lettrop tot aover nen paol.
In Friesland gaat het niet om een hoorn maar om een klok. Vanaf 21 december – Sint Thomas – tot nieuwjaar wordt in enkele plaatsen zoals Katlijk (uit te spreken als Ketlik), Oudehorne en de buurtschap Brongerga bij Oranjewoud, allemaal in de buurt van Heerenveen het Sint Thomasluiden beoefend. Vrijwel elke dag en nacht wordt dan de klok geluid en met een vasthoudendheid en energie dat de klokkentouwen het nog wel eens willen begeven. Aan het gebeier komt geen einde. Dat werd vroeger een wild feest waarbij niemand zich onbetuigd liet. Gevolg: allerlei baldadigheden en onzedelijke uitspattingen. De grietman van Smallingerland probeerde er in 1842 dan ook een eind aan te maken en liet het klokkentouw verwijderen, maar dat namen de Friezen niet. Het Sint Thomasluiden is gebleven.
M. D. Teenstra uit Drachten rijmde er in 1844 over.
Slechts één dag in ’t jaar, aan Sint Thomas gewijd,
Dan komt men uit het veen, van wijd en zijd,
Dan luidt men te Dragten de klokken,
Dan luidt men, dan drinkt men, dan viert men hier feest,
Doch hoe oud of wat oorsprong ’t gebruik is geweest,
Weet niemand, na veel zoeken en blokken.
Vlak voor oudejaar, op 28 december is het de dag van de onnozele kinderen. Dat herinnert aan het feit dat – zoals in het bijbelverhaal wordt verteld – koning Herodes in Bethlehem alle pasgeboren kinderen liet ombrengen om er zeker van te zijn dat de zo juist geboren Koning der joden, waarover hij van de wijzen uit het Oosten had gehoord, ook gedood zou worden. Daarom zijn in en in de omgeving van Roermond en Venlo op onnozele kinderendag de kinderen de baas. Vooral de jongste kinderen hebben dan veel te zeggen. Zij spelen voor vader en moeder en maken zelfs uit wat er op die dag gegeten zal worden. Een heel bijzonder privilege. Verkleed als grote mensen en met veel muziek wordt dan tevens een tocht door de straten gemaakt om duidelijk te maken dat het Alderkindere is.
En dan oudejaarsdag, 31 december. De dag van de oliebollen en de appelflappen. Alle ellende van een heel jaar wordt vergeten; een nieuw jaar staat voor de deur en vraagt om de nodige bezinning. Vandaar dat de kerkgang voor velen op oudejaar een niet te missen traditie is. Men zingt over de uren, de dagen, de maanden, de jaren die als een schaduw voorbij vlieden. Wel een beetje vreemd dat juist dit lied een nationaal oudejaarslied is geworden. Zwolle’s burgemeester Rhijnvis Feith schreef het indertijd als nieuwjaarslied. Wie het goed leest, zal trouwens gauw ontdekken dat het echt om een nieuwjaarslied gaat, maar dat doet er niet toe, het wordt op oudejaar gezongen. En wat maakt het ook uit? Als de klok ’s nachts om twaalf uur slaat, is er geen verschil meer tussen oud en nieuw. Dat het zover is, blijft bepaald niet onopgemerkt: de klokken beginnen te luiden, de scheepsfluiten gaan gillen, de glazen worden geheven, vuurwerk gaat de lucht in. Een heidens kabaal al die gillende keukenmeiden, rotjes, vuurpijlen en wat dies meer zij. Op een paar gulden meer of minder wordt niet gekeken. Er gaat in een korte spanne tijd voor miljoenen de lucht in.

Hier en daar leven nog speciale gebruiken, zoals in Schildwolde waar men het kloksmeren kent. Kloksmeren is een mooi woord, al weet niemand of dat smeren nu op de klok of de keel van toepassing is. Half december is de kloksmeervergadering, waarbij iedere kloksmeerder zijn eigen traject krijgt aangewezen om het kloksmeergeld bij de bewoners op te halen. Dat is nodig om drank, worst en brood te kopen. Niemand vergeet in Schildwolde dat hij ook eens kloksmeerder is geweest, dus met de opbrengst zit het wel goed. Op oudejaarsavond begint het gebeier van de klok. Het duurt van acht uur op oudejaarsavond tot acht uur op nieuwjaarsdag. Het café is gelukkig aan de overkant, zodat iemand die niet aan het klokkentouw hangt, gemakkelijk even kan gaan doorsmeren. Op die avond komt het hele dorp in het café; er wordt een borreltje geschonken. Voor de gaande en komende man of vrouw. Iedereen wil wel eens zien of de kloksmeerders hun werk wel goed doen. En nog iets zinvols ook. Als er een voordelig saldo is, wordt dat geld voor een goed doel bestemd: hulp bij ongelukken, reisje voor de bejaarden of iets dergelijks.

In Dokkum gaat het weer anders. Op deze avond komt iedereen, ook de jeugd, naar de ‘zijl’, de sluis vlak voor het stadhuis. Als de klok twaalf slaat, wordt er gelukgewenst en omhelsd en trekt jong en oud door de straten. In Friesland is het in verschillende streken op oudejaarsavond oppassen geblazen. Men heeft de gewoonte alles wat ‘los zit’ te verplaatsen of naar een centrale plaats te slepen. Dus niets buiten laten staan; dan wordt het een hele toer om de eigendommen weer terug te vinden. De jeugd die aan de gang is geweest, blijkt bijzonder vindingrijk te zijn. Een fiets opgehangen in een boom is nog maar een kleinigheid; een boerenkar wil nog wel eens boven op een dak terechtkomen en om zo’n kar er weer af te halen wordt een hele klus op nieuwjaarsdag.
oudjaar
.
jaarfeesten: alle artikelen
.
Shell Journaal van Nederlandse folklore 1972

.

930

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (8-2)

 

In dit artikel worden gebruiken beschreven ‘van vroeger”. Soms in de tegenwoordige tijd, alsof deze gebruiken er nog zijn. Dat is niet in alle gevallen zo.

 

OUDE GEBRUIKEN

Jeremias heeft ghesprocken.
Sint Nicolaas heeft nog maar net de aftocht geblazen om een jaar lang weer in Spanje uit te rusten of de kerstbomen komen op de markt. Iedereen komt zijn boompje uitzoeken om thuis zo feestelijk mogelijk op te tuigen met slingers, ballen, glinstertjes en kaarsen. Die kaarsen dreigen* in de verdrukking te komen nu de elektrische kerstboomversiering hand over hand toeneemt, maar zij die nog een beetje gevoel voor traditie hebben, houden het op het levende licht.
Traditie? De kerstboom met kaarsen is in ons land een vrij jong verschijnsel, overgewaaid uit buurland Duitsland waar men de kerstboom al heel lang kende. Pas na de eerste wereldoorlog werd de kerstboom ook in ons land meer algemeen. Nog aan het einde van de vorige eeuw* foeterde dr. Eelco Verwijs ‘Laat Duitschland zijn kerstboom’, maar het is er toch van gekomen, al was er dan vooral in orthodox-protestantse kringen nog vele jaren verzet tegen de kerstboom als een heidens gebruik. Ook de Duitse gewoonte om elkaar met Kerstmis geschenken te geven, neemt in Nederland toe; maar het blijft een zwakke afschaduwing van wat Sinterklaas te schenken heeft.
Kerstmis is in Nederland een huiselijk feest en dat is goed te merken. Men gaat bij voorkeur niet de straat op om het kerstfeest te vieren, de obligate kerkgang of de kerstmis (mis tot viering van Christus’ geboorte) op de avond voor Kerstmis daargelaten. Vroeger was dat wel anders. Vooral de kinderen kwamen op straat om kerstliederen te zingen; radio, televisie en grammofoonplaten waren nog niet uitgevonden. Het zingen toen was nodig om de stemming er in te brengen en – hoewel het repertoire ook straatliederen bevatte – het waren toch vooral kerstliederen die ten gehore werden gebracht, vaak in de hoop dat de geleverde inspanning een materieel beloninkje zou opleveren.
Jeremias heeft ghesprocken,
Dat Hij comen sal,
Uit Davids wortel ghesproten,
Die ons verlossen sal.
Het gezamenlijk buitenshuis zingen is niet helemaal verdwenen. Het is min of meer opgeleefd in de massale volkskerstzang die in verschillende grote steden wordt georganiseerd en waarvan die in Amsterdam een zekere vermaardheid gekregen heeft. Dan klinkt natuurlijk ook het Stille nacht, heilige nacht, dat in 1818 in het dorpje Oberndorf ten noorden van Salzburg ontstond. Uit nood geboren. Vlak voor Kerstmis raakte daar het orgel van de dorpskapel onklaar en er was geen tijd meer om het te repareren. Toen schreef de dorpsonderwijzer en organist van het nabijgelegen Arnsberg een kerstlied waarbij Josef Mohr de melodie componeerde. Een lied om samen te zingen nu het orgel kapot was. Zo ontstond Stille nacht, heilige nacht en het werd internationaal een van de populairste kerstliederen.

Ook de kerstkaart, waarvan er nu jaarlijks vele miljoenen over de hele wereld worden verzonden, werd bij toeval en uit nood geboren. De geschiedenis vertelt dat dat in 1843 was toen Henry Cole, de stichter van het Victoria and Albert Museum in Londen plotseling ontdekte dat hij geen tijd meer had om aan vrienden en relaties voor Kerstmis een brief te schrijven om hen het allerbeste toe te wensen. Goede raad was duur, maar de inventieve Cole vond een oplossing. Hij liet door de schilder J. C. Horsley een kaart ontwerpen. Deze kaart werd gedrukt en verzonden. Cole was zakenman genoeg om er wat meer te laten drukken die hij voor een shilling per stuk verkocht. Hij haalde er zelfs de pers mee, want een dagblad gaf van die eerste kerstkaart een uitvoerige beschrijving. ‘Een omlijsting van lofwerk in Duitse stijl deelde de kaart in een middenpaneel en twee zijstukken. De zijden waren gevuld met afbeeldingen van het spijzigen van de hongerigen en het kleden van de naakten; op het middenstuk werd een familie aan tafel getoond – een oude man, een jonge vrouw met haar man en enige kinderen – en zij waren weergegeven tijdens het uitbrengen van een heildronk met wijn.’ Niet alleen lof voor de eerste kerstkaart. Critici hekelden het feit dat kunst aan industrie werd gepaard doordat het kunstwerk door het te laten drukken was verveelvoudigd. Er waren er ook die vonden dat de afbeelding de dronkenschap zou bevorderen. De laatste jaren is in eigen land nogal kritiek geleverd op de folkloristische kerstkaartenrage als vorm van geldverspilling; bovendien zo traditioneel dat het allemaal niets meer zegt. Maar dat is één opvatting. Velen zouden de kerstkaart echt niet over boord willen zetten. Folklore of niet. Dat Kerstmis in aantocht is, kan men steeds goed merken in Gouda, de kaarsenstad. Daar wordt in de dagen voor Kerstmis de binnenstad in kaarslicht gezet. Duizenden kaarsen verlichten de gevels en een kolossale kerstboom op het marktplein draagt een ontelbaar aantal kaarsen.

Er is ook feeststemming in het Gelderse rivierengebied waar in Tiel de indrukwekkende kerstveiling van het zogenoemde hardfruit – appels en peren – wordt gehouden. Voor het fruit geveild wordt, kan het publiek in de grote veilinghallen de fruitmozaïeken bewonderen. En het publiek kan zelf ook veilen. Iets waar men letterlijk bij staat te watertanden.
Regelrechte confrontatie met hét onderwerp van Kerstmis – de herdenking van de geboorte van Christus -wordt in Rijen, tien kilometer van Breda geboden. Daar is tegen Kerstmis het kerstdorp Klein Bethlehem te bezichtigen. Op een stuk land ter grootte van een voetbalveld wordt Bethlehem herbouwd met stadsmuren, poorten, het paleis van Herodes en natuurlijk de kerststal. In en rond de kerststal lopen tientallen dieren: schapen, kamelen, de ezel, de os. Er staan levensgrote mensenfiguren, gekleed volgens de traditie uit de tijd van Christus.
Ook elders vindt men openbare kerststallen zoals in Den Bosch, terwijl in de schaapskooi in Rheden op het landgoed Heuven de typische kerstsfeer wordt weergegeven op de avond voor Kerstmis. De schaapherder leest dan voor wie het horen wil het kerstevangelie. Wie daar gaat kijken, moet er aan denken dat volgens een oud verhaal de dieren op kerstavond met elkaar praten. Alleen wie rein van hart en geweten is, kan het horen! Wel van te voren informeren, bijvoorbeeld bij de V.V.V., want dit is nu zo’n gebruik dat zo weer verdwijnt.

Konijn, haas, fazant, gans, kalkoen; het zijn typische

kerstlekkernijen die met veel smaak en goed gegarneerd worden verorberd. Daarnaast natuurlijk kerstbrood en de uit Engeland overgewaaide plumpudding. Heel speciaal voor deze gelegenheid is de Noordhollandse duivekater, een soort cakebrood, waarvan het echte recept een zorgvuldig bewaard bedrijfsgeheim is. Een echt oud-Hollandse lekkernij die men zeker eens moet hebben gegeten. En bij dit alles niet vergeten wat een oude dichter eens voor Kerstmis schreef.
Ghy swemt dan in ruyme weelden,
in leckerney, in lust, in bancketteren.
Maar er is meer waaraan men op deze dag moet denken, want hij gaat voort met:
Vermeut o mensch dyn leven,
doet op de poort van ’t slaperich hert en ooren
siet hoe d’Engeltjens sweven
wiens zoet gejuyg ghij kennelyck meugt hooren.
Tweede kerstdag is vroeger in vele streken van ons land een wilde dag geweest; de naamdag van Sint Stefanus of Sint Steffen. Er werden allerlei spelletjes gedaan, zoals het steffen uit de ton jagen, waarbij een kat uit een vat moest worden geknuppeld. De dierenbeschermers hebben voor dit wrede vermaak een stokje gestoken. In Drenthe trok de jeugd naar de boerderijen met hooi en oud brood om de koeien te voeren. Tegen de boer werd gezegd: ‘Ik steffen joe koe’ en dan moest die boer met wat centen of een goed belegde boterham over de brug komen. Er werd ook gezongen.
Hum, koe, hum,
Sunt Steffen is gekomen.
Hard gelopen; duur verkopen.
Honderd gulden veur die koe
En een dikke stoetbrugg toe.
In Gorssel heeft men nog steeds* het Sint Steffenrijden in ere gehouden, waarbij een bepaalde groep een tocht te paard maakt; het paard wordt die dag afgereden. Dat is een gebruik dat van vader op zoon overgaat. Alleen weinigen weten nog waar het vandaan komt.
.
*Uit ‘Shell-Journaal van Nederlandse  folklore 1972

.

kerstmis: alle artikelen
jaarfeesten: alle artikelen

.

929

VRIJESCHOOL – Kerstmis (16-2)

 

het hele verhaal

Onder deze titel verscheen er in Jonas een interview dat Ernst Fuld had met de schrijfster van haar boek over de twee Jezuskinderen.

 

Hella Krause-Zimmer: ‘Het thema van de twee Jezuskinderen is zeer omvangrijk. En het is iets dat kan shockeren. Ik voel me daarvoor zeer verantwoordelijk en weet niet of dat allemaal maar zo in een interview kan. Hopelijk ziet de lezer er slechts een aanmoediging in om zich met het thema bezig te gaan houden, want we kunnen hier niet alles tot in detail behandelen.

‘Misschien kan ik het beste met mijn persoonlijke ervaringen beginnen. Mijn verjaardag valt vlak voor Kerstmis en daardoor beleefde ik vanaf mijn vroegste jeugd de kersttijd als iets heel bijzonders. Mijn moeder kwam terwijl ik nog sliep en maakte een tafeltje met kaarsen naast mijn bed. Ik deed net alsof ik niks merkte en als ik dan mijn ogen opende, dan was het eerste wat ik zag de kribbe met de aanbidding van de herders en de koningen. Dat heeft diepe indruk op mijn gemoed gemaakt en Kerst was voor mij de mooiste dag van het jaar.

Later – zo vanaf mijn zestiende levensjaar – werd ik leeg in mijn gevoel. Het was allemaal wel mooi, maar het deed me niet veel meer. Steeds sterker werd de vraag: waarom is Kerst zo belangrijk? Er waren wel allerlei verklaringen uit de godsdienstlessen, maar die voldeden niet meer voor mijn gevoel. Die intense beleving uit mijn kindertijd was verdwenen en daar werd ik zeer ongelukkig door. Het is toen, tot vertwijfeling van mijn moeder, zelfs zover gekomen dat ik eens bij het kerstfeest ben weggelopen. Zo sterk was de drang dat ik toch ergens Kerst moest kunnen vinden en dat het gewone kerstfeest het niet meer was. Van de mooiste avond was Kerst geworden tot de moeilijkste avond van het jaar. Ik denk dat dat nu voor veel mensen ook zo is.

Later ontdekte ik de antroposofie en daardoor kregen alle feesten, dus ook het kerstfeest, weer nieuwe inhoud. Ik ontdek er steeds weer nieuwe dingen aan en de beleving wordt nog steeds intenser. Bij die ontdekking van de antroposofie hoorde ook dat ik bij Rudolf Steiner iets las over het bestaan van twee Jezuskinderen, die niet even oud waren, maar ongeveer een jaar in leeftijd scheelden. Het was een grote schok voor me. Mijn eerste gevoel was dat Kerst me nu helemaal werd ontnomen. Twee kinderen vond ik minder dan een. Met een kind, het Jezuskind, was ik opgegroeid en vertrouwd. Nu opeens: het zijn er twee geweest. Nu ja, dacht ik, dan kunnen het er ook drie of vier zijn geweest. Maar ondanks de grote schok had ik toch het gevoel dat ik het serieus moest nemen en ik ging het in de bijbel nalezen.

Ik was helemaal niet zo bijbelvast en ik denk ook niet dat je van bijbellezen alleen de oplossing voor de raadsels van het leven mag verwachten. Er staan zoveel wonderlijke en moeilijk te begrijpen verhalen in de bijbel! Voor mij is het veel meer een hulp om de bijbel vanuit een bepaald gekozen gezichtspunt te bevragen. Wanneer je dat doet met de vraag naar het bestaan van twee Jezuskinderen, dan worden een heleboel dingen ronduit opvallend.

Van de vier evangeliën beschrijven alleen Lucas en Mattheus de geboorte van het kind. Die twee verhalen passen op geen enkele wijze bij elkaar. De twee stambomen zijn niet verenigbaar: bij Lucas komt geen lijn over Salomo. Zelfs wanneer je van deze onverenigbaarheid der stambomen afziet, dan nog zijn die twee geboorteverhalen niet bij elkaar te denken. Er zijn wel gedachten dat de evangelisten het als een soort ‘teamwork’ hebben verdeeld. Zo van: de één beschrijft de ene helft, de herders; en de ander nam de koningen voor zijn rekening. Een soort werkverdeling die afgesproken zou zijn. Maar zelfs dat gaat niet op; het past gewoon niet.

Kijk, men zegt meestal dat de herders eerst kwamen en de koningen daarna, een paar dagen later. Bij preciesere en exacte bestudering van de tekst blijkt dat niet te kunnen. Lucas vertelt dat de ouders uit Nazareth kwamen en vanwege de volkstelling naar Bethlehem trokken. Het moet er, waarschijnlijk vanwege die volkstelling, erg druk zijn geweest, want er was geen plaats voor hen in de herberg. Vermoed wordt, dat Maria het kind in een soort grot ter wereld bracht. Het evangelie verhaalt verder hoe de herders, die door de engelen op de hoogte zijn gebracht, komen om het kind te aanbidden. Zij maken ‘alom bekend’ wat zij hebben gezien. Na acht dagen wordt het kind besneden en na veertig dagen, in overeenstemming met de joodse wetten, in de tempel getoond. Dat betekent, dat Maria en Jozef met het kind zo’n veertig dagen in Bethlehem zijn gebleven of in Jeruzalem zijn geweest. In de tempel komen dan twee mensen met profetische gaven, Simeon en Anna, die het kind herkennen en prijzen in het openbaar. Daarna gaan de ouders terug naar Nazareth.

Het Mattheusverhaal is heel anders. Er is geen sprake van een volkstelling of volle herbergen. Ook geen stal of grot, maar het evangelie noemt heel duidelijk een huis waarin Maria en Jozef met het kind zijn. In plaats van herders komen er dan koningen of magiërs om het kind te aanbidden. Er is geen sprake van een reiniging na veertig dagen of opdracht in de tempel. Jozef en Maria vluchten naar Egypte vanwege de kindermoord. Hoe kan het nu, dat, terwijl alle kinderen onder de twee jaar in de omgeving van Bethlehem door Herodes vermoord werden, de ouders, volgens Lucas, zo in het openbaar met het kind waren? Dat kan zich toch niet tegelijkertijd hebben afgespeeld?

Er bestaan schilderijen — die vind je ook in mijn boek – waar, bij de opdracht in de tempel, dus waar het kind veertig dagen oud moet zijn geweest, het Jezuskind al staat voor het altaar. Je ziet een jongetje van vijf of zes jaar oud. Ik vraag me dan af: wat heeft die schilder zich daarbij voorgesteld? Misschien een soort ‘inhaalactie’, zoals ook wel eens de doop later wordt voltrokken? Het wordt wel eens op de fantasie van de schilder geschoven. Nou, ik kan u verzekeren dat de schilders uit de oude tijd bijzonder weinig gefantaseerd hebben. Hoe bestaat het dan, dat een schilder een jongetje van vijf of zes jaar afbeeldt, terwijl het evangelie spreekt van een tonen in de tempel bij de opdracht veertig dagen na de geboorte?

Wijsheid en liefde
Na de eerste aanvankelijke schok werd het thema steeds waardevoller voor me. Ik geloof dat het belangrijk is, dat wij ons met de waarheid bezighouden. Het heeft een objectieve betekenis voor de wereld als wij ons met de waarheid bezighouden. We vergroten daardoor het waarheidsgehalte van de wereld. Groot of klein: elke waarheid heeft ‘op zich’ waarde. En als het om iets gaat dat zo centraal met het christendom te maken heeft, dan zouden wij ons zeker ervoor moeten interesseren.

Naar mijn ervaring vormt het geheim dat er twee Jezuskinderen zijn geweest, een grote sleutel voor het begrip van onze heilsgeschiedenis. Ook voor het begrip van de mensheidsontwikkeling tot in de tegenwoordige tijd aan toe, vormt dit raadsel een belangrijke sleutel. Je krijgt meer begrip voor de wereld en dan sta je ook anders in die wererld. Het is niet zozeer het feit ‘dat’ er twee kinderen zijn geweest, maar vooral ‘hoe’ de verschillen tussen die twee kinderen waren.

Het geboorteverhaal zoals Lucas dat vertelt, gaat over ons eigenlijke Kerstkind. De schilders hebben dat kind altijd naakt op de aarde gelegd. Heel klassiek kun je dat zien bij het zogenaamde Thomasaltaar in Hamburg dat door meester Francke (circa 1424) is vervaardigd. Francke heeft voor één en hetzelfde altaar twee aanbiddingen geschilderd. Bij de Jezus van Lucas is alleen Maria aanwezig. Er zijn geen andere mensen te zien behalve heel in de verte een paar herders. Het is alsof de schilder vooral de natuurverbondenheid van dit kind heeft willen uitdrukken. Maria heeft haar haar loshangen, wat in de middeleeuwen een uitdrukking van maagdelijkheid was. Zij is sober gekleed in een wit gewaad met een gouden zoom. Twee engelen houden een mantel beschermend om haar heen. De stralenkrans van Maria en het kind is echt stralend open. Er is geen Jozef. In de hemel is de God-Vader zichtbaar en uit zijn mond komt een stralenbundel die rechtstreeks tot het kind voert: hij lijkt op de weg waarlangs het kind is afgedaald. Het is een hemelsgeschenk. Zo naakt en onbeschermd als het daar ligt! De schilder laat zien: ‘dit kind heeft zoveel warmte van zichzelf, dat kun je naakt op de aarde leggen.’ De achtergrond bestaat uit bomen en landschap; ‘natuur en geen cultuur’ is het motto voor dit schilderij.

Krause-Zimmer Francke Thomas-altaar 2

‘Heel anders is het met de andere aanbidding die op hetzelfde altaar is afgebeeld door dezelfde schilder. Maria heeft een roze gewaad met blauwe mantel in plaats van wit met goud zoals bij de vorige. Zij heeft haar haar bedekt; de aura is een gesloten schijf. Jozef zit naast haar om de geschenken van de koningen in ontvangst te nemen. Daartoe houdt hij alvast een kist geopend. Het kind staat op Maria’s schoot en is naar de wereld toegekeerd, grijpt zelfs in een kistje! Achter Maria zie je een bed met een rijk geborduurd kussen erop. Ook een huis is zichtbaar, kortom: deze Jozef en Maria zijn rijk, terwijl de vorige arm waren. De koningen hebben rijke gewaden aan. Het is één en al cultuur en minder natuur. Geen God-Vader, engelen en bomen te zien! Wel zie je de ster waar een van de koningen naar kijkt en de ander wijst.

Krause-Zimmer Francke Thomas-altaar 1

 

Zoiets is toch wonderbaarlijk! Je ziet hier het essentiële verschil. Bij Lucas is alles lieflijk, kinderlijk, onschuldig, onbevooroordeeld en warm. Het kind heeft een aura om het gehele lichaam. Terwijl bij Mattheus altijd alleen het wijze hoofd verlicht wordt. Je ziet wijsheid en liefde, licht en warmte, cultuur en natuur. Op een kind reageren volwassenen — ook nu nog gelukkig! — heel anders dan onder elkaar. Men wordt geroerd, vertederd, vriéndelijk en levendig. Dat is de quintessens van Lucas. Mattheuskinderen zijn streng, wijs, volwassen. Ze worden door de schilders nooit naakt op de grond gelegd. Soms lijkt het alsof een Mattheuskind zelfs op een troontje op de schoot van de moeder zit!

Deze twee verschillende houdingen tonen aan dat ze representanten zijn van twee stromingen die tot op de dag van vandaag in de mensen zijn terug te vinden. Het zijn twee manieren van in de wereld staan; het zijn twee idealen. De ene stroom heeft de eenvoud, de natuurverbondenheid, de vroomheid, de armoede als ideaal. En de ander wil cultuur scheppen, wérken in de wereld.

Dat geldt in het klein, maar ook in het groot. Bij het begin van onze jaartelling waren er twee volken die zo’n beetje de wereld uitmaakten: het joodse en het Griekse volk. Dat is een mooi voorbeeld van die twee stromingen. Bij de joden vind je muziek, hymnen, grote profeten, enorme gedichten, koningen die musiceren, maar haast geen beelden. Het religieuze gebod geen beeld van God te mogen maken, voerde zelfs zover, dat het joodse volk niet eens zijn eigen tempel kón bouwen. De joden hadden maar één tempel en zelfs die hebben ze door een niet-jood, Hieram, laten bouwen. Moet je dat eens vergelijken met de Grieken: duizenden tempels, beelden, beelden, en nog eens beelden! Men ziet hier dat de aandacht wordt gevestigd op twee verschillende gebieden.

De Kerk
De tweede verbazing die ik bij de kennismaking met de antroposofie onderging was, dat het de taak van Christus was om deze twee gebieden weer bij elkaar te voegen. Het Lucasevangelie beschrijft de verbazing van de priesters en de ontsteltenis van de ouders doordat deze jongen plotseling zo wijs was toen hij op twaalfjarige leeftijd in de tempel was. De Jezus volgens het Mattheusevangelie stierf kort daarna. Vanaf dat moment was er nog maar één Jezus.
Rudolf Steiner beschrijft hoe de Jezus van Mattheus in een langzaam proces als het ware overstroomt in de ander. Degeen die dat interesseert kan het nazoeken bij Steiner. Men moet de dingen toch grondiger zelf onderzoeken dan in het kader van een interview kan.

Zoals gezegd: voor mij was de kennismaking met deze inzichten niet gemakkelijk. Ik heb er ook nooit aan gedacht om in de traditie van de schilderkunst te gaan zoeken. Ik ben eigenlijk helemaal geen kunsthistorica maar schrijfster. Van jongs af heb ik iets met het woord, geschreven of gesproken, gehad, Als actrice en dramaturge was ik helemaal niet zo op zien of kijken ingesteld. In die tijd had ik twee collega’s waarvan de één naast het acteren schilderde en de ander beeldhouwde. Wanneer we over straat liepen, zagen zij van alles wat ik niet zag. Hoe twee kleuren in de hemel bij elkaar pasten of de bijzondere proporties van een erker aan een huis. Als ze daar dan op wezen, dacht ik: ‘Wat zien zij toch! Ik ben partieel blind, ze leven in een totaal andere wereld.’ Zo werd er in mij de behoefte gewekt om beter te leren kijken. Welnu, dat heb ik in mijn verdere leven rijkelijk mogen inhalen!

Ik trouwde met Erich Zimmer, een architect. Samen hebben we veel studiereizen gemaakt. Naar Griekenland, Turkije, Italië enzovoorts — overal hebben we architectuur en beelden bestudeerd. Het thema van de twee Jezuskinderen speelde geen noemenswaardige rol in mijn leven. Zo had ik ook de Borgognone
(16-1,
kleurenafbeelding aan het eind)  gezien die in Milaan te vinden is. Het is een afbeelding van de twaalfjarige Jezus in de Tempel waar ook een tweede kind op te
zien is. Dat is de afbeelding waar Rudolf Steiner op wijst in een van zijn voordrachten. Ik vond het een mooi schilderij, maar was toch meer op de Griekse beeldhouwkunst en architectuur georiënteerd.
De grote aanleiding om me er meer systematisch mee te gaan bezighouden kwam bij de icoon van
Milos. Hoe kan het dat er nergens in de kerkelijke leer iets gezegd wordt over het bestaan van twee kinderen en het toch heel duidelijk op een schilderij staat? Ik had altijd gedacht dat zo’n inzicht alleen uit de geesteswetenschap te halen zou zijn en niet dat er ook nog zoiets als een geschilderde traditie zou zijn.

Op de icoon van Milos zie je duidelijk dat de twaalfjarige discussieert met een vrouw die links op het beeld staat. Een priester houdt haar een boek voor. Zij maakt een heel ontspannen indruk. Wie is deze vrouw? Het is ook verbazingwekkend dat de hogepriester haar een boek voorhoudt. Aan de rechterkant van de icoon zijn drie schriftgeleerden te zien. Maar ze lijken eerder op de drie wijzen dan op de schriftgeleerden zoals die gebruikelijk worden afgebeeld!

Net zoals je je bij de linker groep afvraagt: ‘Wat doet die discussiërende vrouw daar?’, zo vraag je je hier af: Wie is die jongeling die daar bij de wijzen staat?’ Hij staat daar baardloos, in een groen gewaad. Zijn handen zijn helemaal verborgen en een gedeelte van zijn armen is nog maar zichtbaar. Er gaat geen enkele activiteit van hem uit en uit zijn blik spreekt geen sterke interesse voor wat er verder gebeurt. Zijn hoofd neigt licht naar de andere — zonnige, heldere — jongeling; hij kijkt onnoemelijk weemoedig, treurig, dromerig. Niemand let op hem.

Krause-Zimmer icoon van Milos

Er zitten nog veel meer details in die icoon. Dat kan ik nu niet allemaal beschrijven, daarvoor moet je mijn boek bestuderen. Voor mij vormde Milos de aanleiding om me systematisch met het thema van de twee Jezuskinderen te gaan bezighouden. Toen begon het materiaal te groeien, te groeien, te groeien — het groeit nog steeds!

Mooiste tijd
Zo werd ik steeds wakkerder in het kijken naar kunst. Je moet natuurlijk kritisch blijven, want er zijn vele valkuilen. Je moet bijvoorbeeld Maria’s van Anna’s leren onderscheiden, Verder moet je jezelf streng scholen om niet iets in een schilderij te leggen wat er niet inzit! Bij het schrijven van mijn boek heb ik daarom vaak gedacht: ik wou dat een ander het deed.

Nadat ik eerst Kerstmis was kwijtgeraakt, kreeg ik het steeds meer terug. Allerlei verbanden en samenhangen gingen mij opvallen. De diepe achtergronden maakten mij eerbiedig. Je ziet opeens de samenhang met het jaarverloop. December, dat is donker en naar binnen gekeerd; het begin van de dertien heilige nachten hoort bij Lucas, het eigenlijke kind dat naakt op de aarde ligt, omgeven door duisternis. En januari is voor mij een totaal andere stemming. Meer helderheid, meer licht, meer op de wereld gericht en op het nieuwe jaar ingesteld. Volgens de geesteswetenschap is het Mattheuskind bijna een jaar ouder; de geboorte daarvan ligt rond 6 januari. Daarna volgt de vlucht naar Egypte en de kindermoord. In de zomer wordt Johannes geboren en op 24 december, lang na de dood van Herodes, wordt het Lucaskind geboren. De periode van 24 december tot 6 januari is werkelijk een uitsparing in het jaarverloop. Voor deze bijzondere tijd kan men een gevoel ontwikkelen op grond van inzichten.

Zoiets hoort bij onze tijd: dat men op grond van nieuwe inzichten weer een levendige verhouding tot de feesten kan verwerven. Door alleen het gevoel een beetje op te poetsen lukt dat niet meer om tot religieuze beleving te komen. Inzicht wil nog niet zeggen dat het dan intellectueel moet worden. Aan intellectuele theologische strijdgesprekken heb je niet zoveel. Het intellect levert geen levenswijsheid en ook geen zekerheid. Dat neemt niet weg dat de mens eerbiediger wordt wanneer hij probeert wat meer van de dingen te begrijpen.

Vaak verontschuldigen volwassenen zich wanneer ze een kerstboom hebben staan. Daar schaamt men zich dan voor. ‘We doen het voor de kinderen’, krijg je te horen. Het kind – ik kan mij dat zelf nog maar al te goed herinneren — reageert namelijk niet zo best op zo’n houding. Waarom zou een kind iets serieus nemen als de volwassenen het zelf ook niet serieus nemen. Een kind vóélt of iets echt is en het wil graag meedoen, maar dan ook alleen als je het werkelijk meent. Je zet geen kerstboom neer voor de kinderen of voor jezelf of deze of gene mens. Zoiets heeft alleen zin als je het doet ter ere van het feest zelf. Je zet iets neer dat nergens bestaat. Een boom met kaarsen groeit niet vanzelf — die bestaat helemaal niet! Alleen de mens kan zulke symbolen maken om daarmee de diepere waarheid die erachter zit te eren. Wanneer je een kerstboom neerzet doe je dus iets heel unieks. Je brengt iets bij elkaar dat niet uit zichzelf bij elkaar komt: het eeuwige leven en het eeuwige licht. Dat is niet iets dat alleen zo’n tweeduizend jaar geleden gebeurde en we nu herdenken; het is iets dat wij telkens weer kunnen doen. Uiterlijk gezien heeft het absoluut geen nut om een boom in je huis te halen en hem met licht te versieren. De mens geeft het bestaan een extra dimensie doordat hij zich bezint op deze twee stromen en ze symbolisch met elkaar verbindt. Kerstmis wordt dan weer zowel voor volwassenen als voor kinderen de mooiste tijd van het jaar.’

Ernst Fuld, Jonas 8/9, 19 december 1986

H.Krause-Zimmer, Die zwei Jesusknaben. Freies Geistesleben, Stuttgart

voor meer literatuur: Kerstmis (16-1)

 

928

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Mozes

 

mozes

Mozes

Er bestaan geen historische gegevens die aanwijzingen geven over hoe Mozes eruitzag. Toch hebben veel kunstenaars geprobeerd hem te portretteren. Het door de Italiaan Michelangelo gemaakte beeld van Mozes, is een van de bekendste voorbeelden. Dit werk uit de zestiende eeuw is te bezichtigen in de kerk van St.-Pieter in Ketenen in Rome.

In het Oude Testament wordt verteld, dat Jehova of Jahwe aan Mozes verscheen en hem vertelde, dat het zijn taak zou zijn om zijn volk te redden. ‘Wie ben ik, ’ protesteerde Mozes. Maar God hield aan en Mozes gaf uiteindelijk toe. Mozes leek niet de beste keus om het volk van Israël uit de Egyptische ballingschap naar het beloofde land te leiden. Hij stotterde en dit spraakgebrek maakte het voor hem moeilijk, de mensen toe te spreken. Hij had in het verleden een Egyptische bewaker vermoord om een andere Israëliet het leven te redden.
Na de aangrijpende ontsnapping uit Egypte zwierven de Israëlieten 40 jaar door de Sinaïwoestijn. Hun moreel leed daar natuurlijk zeer onder. Ze klaagden en Mozes kreeg overal de schuld van. Er waren er zelfs, die hem smeekten naar Egypte terug te keren. Mozes raakte ook zelf ontmoedigd. Maar hij bleef hopen op de hulp van God. Mozes wist de discipline bij zijn volk te herstellen en schonk hun het gevoel, dat ze een uitverkoren volk waren. Uiteindelijk bereikten ze veilig het beloofde land. Ze veroverden het en begonnen hun natie op te bouwen.

De Israëlieten, die door Mozes naar Kanaan werden geleid, haalden hun inspiratie en wilskracht uit de wetten, die door God aan Mozes waren doorgegeven. Op zijn beurt leerde Mozes deze geboden tijdens de 40 jaar durende exodus (uittocht) aan zijn volk. Het verhaal wil, dat Mozes de meeste van deze wetten tijdens de derde maand in de woestijn te horen kreeg. God gaf Mozes de opdracht de berg Sinaï te beklimmen. Daar openbaarde Hij hem de burgerlijke, strafrechtelijke en religieuze wetten. De Israëlieten moesten voortaan volgens die wetten leven. Mozes bracht bij zijn terugkeer twee tabletten (van gebakken klei) mee, waarop de belangrijkste wetten waren ge

schreven. Daarop stonden de Tien Geboden.
3 klas vertelstof Mozes
een paginagrote afbeelding uit de Grandval Bijbel uit de 9e eeuw. Mozes heeft van God, Yahweh, Jehova) de ‘Tafelen van de Wet’ gekregen en toont ze aan het volk Israel.

Mozes trok zelf niet met zijn volk het beloofde land binnen. Zijn werk was ten einde toen ze de grens hadden bereikt. Hij klom naar de top van de berg Nebo om een glimp van Kanaän te kunnen opvangen. Maar hij kwam nooit in Kanaän zelf. Hij stierf zoals hij was geboren, in een vreemd land.

De juiste bijzonderheden over de dood en de begrafenis van Mozes zijn niet bekend. Zijn geboorte is echter in een beroemd verhaal vastgelegd. Hij kwam, waarschijnlijk aan het eind van de 14e eeuw v. Chr., in Egypte ter wereld. De Israëlieten waren ongeveer 400 jaar eerder uit Kanaän, waar hongersnood heerste, weggevlucht en hadden zich in Egypte gevestigd. Het grootste deel van de tijd hadden ze daar in vrede en voorspoed geleefd. Hun aantal was gegroeid. De farao Ramses II was bang dat hun macht te groot zou worden. Hij onderwierp hen aan de slavernij. Toen de slavernij hun aantal niet deed afnemen, gaf de farao het bevel, dat alle nieuwgeboren zonen gedood moesten worden.

Mozes overleefde zijn kindertijd, omdat zijn moeder hem direct na zijn geboorte verborg. Toen hij een paar maanden oud was, zette zijn moeder hem in een mand in het riet langs de oever van de Nijl. Hij werd door niemand minder dan de dochter van de farao gevonden. Die adopteerde hem en voedde hem op als een lid van de koninklijke hofhouding.

Als volwassene ontdekte Mozes het lot van zijn volk en probeerde hen te helpen. De farao kreeg dit te horen en dreigde hem te laten vermoorden. Mozes vluchtte. Hij vestigde zich in het land

Midian in Noordwest-Arabië. Daar trouwde hij met de dochter van Jetro, de hoofdman van een stam uit Midian. Mozes hoedde de schaapskudden van Jetro en maakte lange tochten op zoek naar grasland. Op een dag, in de buurt van de berg Sinaï, kwam hij bij een brandend struikgewas, dat evenwel niet door de vlammen werd verteerd. Toen sprak God tot Mozes en gaf hem de opdracht zijn levenstaak te verrichten. Hij keerde naar Egypte terug en begon met de moeilijke taak de mensen ervan te overtuigen dat God tot hem had gesproken en hen zou helpen uit Egypte te vluchten. Hij werd daarbij geholpen door zijn broer Aäron, die welbespraakter was dan Mozes. De farao was niet zo snel overtuigd. Hij was niet geneigd de bevelen van een onbekende God te aanvaarden en nog minder was hij bereid een groot aantal van zijn slaven de vrijheid te geven. Maar Egypte werd door een groot aantal plagen getroffen. Het water van de Nijl werd bloedrood. Kikkers, luizen, vliegen en sprinkhanen teisterden het land. Uiteindelijk, toen elk eerstgeboren kind van elk Egyptisch gezin stierf, veranderde de farao enigszins van gedachten.
De Israëlieten werden voor deze plaag behoed. God had hun de opdracht gegeven een lam te offeren en het bloed ervan op de deuren van hun huizen te smeren, zodat ze zouden worden overgeslagen. De farao liet zich vermurwen. Hij was wanhopig over het verlies van zijn eigen zoon en de rampspoed die het land had getroffen. De Israëlieten slaagden erin te ontvluchten. Ze werden achtervolgd door Egyptische troepen, die hen bij de Rode Zee in het nauw dreven. Er stak een storm op, die het water van de Rode Zee opzij blies. Ze konden veilig de overkant bereiken. De Egyptenaren joegen achter hen aan, maar de wind begon plotseling uit een andere richting te waaien, waardoor de Egyptenaren allemaal verdronken. Volgens het Oude Testament was het God zelf, die zorgde voor de wonderbaarlijke ontsnapping van de Israëlieten uit Egypte. Hij bleef hen helpen bij alle beproevingen en moeilijkheden die daarna volgden. Mozes was Zijn woordvoerder. Door Mozes leerden de Israëlieten zich te zien als het uitverkoren volk en over hun opdracht om naar het ‘beloofde land’ terug te keren. Voornamelijk dankzij hem slaagden ze daarin.
.
biografieën: alle biografieën
vertelstof: alle artikelen
klas 3: alle artikelen
.
927

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – herders en koningen

 

herders en koningen in het kerstspel uit oberufer

In de 16e tot aan het begin van de 17e eeuw namen de Duitse boeren die van de Bodensee naar Hongarije emigreerden, hun kerstspelen mee naar hun nieuwe woonplaats op het eiland Oberufer, een vooreiland van het eiland Schütt, dat door de Donau beneden Linz en Pressburg werd gevormd.

Deze spelen werden door mondelinge overlevering met precieze speel’regels’, weken voor Kerstmis ingestudeerd; en men was er zich bewust van, dat de diepe Bijbelse geheimen die deze spelen onthulden, een bijzonder moreel bewustzijn van iedere speler afzonderlijk verlangde. Alle rollen werden door de meer of minder wilde knapen uit het dorp gespeeld, wanneer ze bereid waren aan de volgende voorwaarden te voldoen:
in deze tijd niet naar de meisjes gaan; geen schunnige liedjes zingen en een deugdzaam leven leiden.

Er waren drie spelen: het Paradiis- het Geboorte- en het Driekoningenspel, die Karl Julius Schröer tussen 1840 en 1850 in Oberufer ontdekte (op soortgelijke manier waarop Elias Lönnrot, de Finse arts, het grote nationale epos  ‘De Kalewala) van de ondergang redde). Hij kon een tijdlang bij de heideboeren wonen en hen zorgvuldig over de spelen bevragen. Er was geen volledig manuscript. Er waren maar een paar rollen van de spelen aanwezig. Persoonlijk overgedragen gingen ze van generatie op generatie.
Schröer stelde de teksten na gewetensvolle bestudering weer samen, die Rudolf Steiner, zijn leerling, weer toevertrouwde aan de leraren van de vrijeschool Stuttgart.
Sindsdien worden ieder jaar op alle vrijescholen in de wereld tenminste één van deze drie spelen als een geschenk voor de kinderen en de ouders door de leerkrachten van de vrijescholen gespeeld.

Iets belangrijks in de drie spelen is het oerbeeld van iedere rol. De eerste twee spelen: het Pearadijsspel en het Geboortespel hangen innerlijk met elkaar samen, zoals Adam-en Evadag op 24 december samenhangt met de daaropvolgende 25e december. De zondeval, die in het eerste spel getoond wordt, wordt door het Geboortespel ongedaan gemaakt, zoals de engel in het Paradijsspel al verkondigd had, toen Adam en Eva bij de verdrijving uit het Paradijs werd beloofd: ‘Tot ik u langzaam wederkeren heet’.

Wanneer we de drie herders van het Geboortespel met de drie koningen van het Driekoningenspel vergelijken, dan valt in de hele entourage en compositie van elk van de spelen de tegenstelling op van de wereld van de herders en die van de koningen.

Bij de herders heerst een verinnerlijkte zielenstemming die helemaal past bij de omgeving van de geboorteplaats van het kind. De stille vrede van het land Galilea kan zeer zeker ook overgebracht worden naar de plek waar de spelen opnieuw gestalte krijgen. Je proeft in het herdersspel iets van de gemoedelijkheid van het Duitse dat de boeren meenamen naar hun nieuwe vaderland Hongarije, zoals weerspiegeld wordt in de talrijke kerstherdersliederen uit Beieren, Tirol en Oostenrijk. Een ervan is representatief voor vele andere, waarin een vergelijkbare zielenstemming heerst zoals in het Geboortespel:

‘Es blühen die Maien;
in klater Winterszeit
ist alles im Freien
auf unsrer Schäfersweid’,
ja, alles ist in schönster Blüe,
die Erd’ bringt süssen G’ruch herfür’.

De aarde zingt van wereldgeheimen en de herders begrijpen het in een droomachtige helderziendheid. Zo’n stemming heerst in het Geboortespel. En wanneer hier de herders Gallus, Stichl en Witok heten, dan zijn dat namen die vanuit het toenmalige landschap zijn ontstaan. In een ander lied heet een herder Lippai of Jost en in het boek van Felix Timmermans ‘Het kindeke Jezus in Vlaanderen’ hebben ze echt Vlaamse namen.
Ieder is een herder en niet de herder. En toch wordt in hun gedaante zichtbaar iets wat zo’n oerbeeld is, en dat ondanks de verschillende werelden, ook zoiets, bij de drie koningen is te vinden.

Daar hebben we de eerste herder: Gallus, die over een heel wakkere waarnemingsgave beschikt. Hij is de eerste die opkomt; hij neemt waar dat het geijzeld heeft; hij herinnert zich als eerste wat de engel verkondigd heeft; hij neemt de uiterlijke situatie goed waar en zingt: ‘ick docht in enen stal te gaan.’
Wanneer hij de engel waarneemt, denkt hij in eerste instantie met een ‘gespook’ te doen te hebben. Hij staat met zijn wakkere vragen, met zijn zorg voor de uiterlijke dingen het dichtst bij ons: ‘Welke geschenken zullen we aanbieden?’ Hij besluit aan de pasgeborene wol en meel te geven, iets van wat leeft: de wol en wat fijn gemalen is: het meel. Op weg naar Bethlehem ziet hij weer als eerste het ‘strohuis’. En als eerste aanbidt hij het kind en benoemt precies ‘het bedje van stro, het ‘neuzeken fijn’ en de oogjes. Later kan hij dan zijn oude, bijna dove kameraad Crispijn die bij de ‘kudden en schaopen’ de wacht hield toen zij drieën naar Bethlehem togen, precies vertellen waar het kindje, tussen os en eselken, te vinden is.

Qua leeftijd staat Gallus tussen de jonge Stiechel en de oude Witok. Stiechel, de jongste, heeft ook de meeste vragen die enerzijds op een sterk interesse in de wereldse zaken wijzen. Als Witok iets van zijn vrouw meebrengt, vraagt Stiechel: ‘Is er ook spek bij, altemet?’ Maar bij de vraag aan Gallus voel je dat hij over de zichtbare dingen verder denkt: ‘Moet dan meteen ook alles wolf heten?’, betekent toch niets anders dan: er zijn nog andere oorzaken voor het verlies van de lammeren dan een wolf. En wanneer hij vraagt: ‘Wat hebt jij wel gedroomd?’, geeft hij als zijn antwoord, dat hij een engel mocht zien, een bode van de geestelijke wereld. Als hij de verkondiging waarneemt, ziet hij ‘over zijn hoed zo’n fel licht’ en ook hier weer neemt hij van boven het aardeding hoed, het licht van de hemelglans waar. Stiechel heeft de diepe slaap van de jonge mens. Nadat hij de verkondiging meebeleefd heeft, valt hij in een diepe slaap en slechts door het ijverig bemoeien van Gallus en Witok wordt hij wakker en valt door de gladheid languit achterover. Door deze brute val op de harde grond herinnert hij zich de boodschap van de engel. Stiechel bevindt zich ook hier weer duidelijk tussen hemel en aarde.
Ook bij de aanbidding neemt hij enerzijds het kindje waar, hoe het ‘arm, naakt en bloot’ ligt, anderzijds is hij in staat het kind in de ‘hemelzaal’ te schouwen. Als gave brengt hij het kindje melk, die ‘de enige substantie – althans in essentie de enige is – die de slapende geest kan wekken.'[1]
‘Het geesteswezen van de natuur schept iets wat de brug kan slaan naar de spraakgeest van het kind: de melk. Het laat uit de ledematen, uit de ledematenmens een substantie ontstaan die – omdat ze met de ledematenmens verbonden is – iets van die ledematenmens in zich heeft. [1]

Wat betekent het veel voor Stiechel, die de jeugdkracht heeft die naar de toekomst wijst, om een geschenk te geven dat boven de fysieke materie uitgaand een werking heeft die geestelijk wekkend is!
Nog iets wezenlijks is in het hele Geboortespel bij Stiechel te zien: het contact met de andere mens, zijn uitgesproken sociale vaardigheid. Hij begroet – als enige trouwens – Jozef en wel met het vertrouwde ‘oud-vadertje’. Hij ziet als eerste Crispijn en spreekt hem – net als Gallus en Witok – met ‘broeder’ aan.

De derde herder is de oudste, Witok. Hij heeft de rijkste levenservaring die hem een sterk, dikwijls een bezorgd gevoel heeft gegeven: ‘Wee, onze jammer en onze ellende!’ Hij weet van ‘ongeluk op ongeluk’. – Hij vertelt zijn kameraden dat er ‘onlangs nogal breedvoerig’ werd verteld. Zijn vertrouwen in een zonnige toekomst, waarin men ‘verlost zou zijn van kommer en kwel.’ Hij ziet bij de verkondiging noch een ‘gespook’, zoals Gallus, noch een ‘fel licht’ zoals Stiechel, maar hij hoort. Ingekeerd luisterend, neemt hij waar, zonder een bevestiging van buitenaf nodig te hebben. En wat hij daarna in zijn lied over deze beleving weet uit te drukken, is alsof het uit de ziel van een oude mysticus komt:

‘In stille kerstnacht op het land,
door een diepe slaap werd ik overmand,
mijn hart vloeide over
van zoete vreugd en honing goed
en rozen bloeiden.’

Uit deze tere zielenstemming kunnen we ook zijn bijzondere verhouding tot het vrouwelijke begrijpen. Hij is de enige die over zijn vrouw spreekt; hij mocht van haar niet weggaan alvorens de oude schoenen opgeknapt te hebben. Ze gaf hem wel ‘zelfgebakken grutten’ mee.
Bij de aanbidding begroet hij het kindje met  ‘lief kindeke, lief Jezuke; gelaafd door ‘zijns moeders borst.’ En zijn ingetogen wezen met de bijna mystiek aandoende trekken doet hem als offergave een  lammetje schenken, leven dat echter geofferd moet worden door de slacht, zoals het kind later als het lam Gods het offer brengt voor de verlossing van de mensheid.
Hij weet dat het kindje:
‘Op de aarde kwam
om medelijden met ons te hebben
In het hemelrijk is hij zelfs aan de engelen gelijk.’

‘Dat deed hij zodat de mens kan leren
zich van hoogmoed af te keren
dat hij niet leeft in rijkdom en pracht,
maar waarlijk deemoedig probeert te leven.’

Hij neemt niet alleen maar de uiterlijke wereld waar, maar hij vormt door zijn gemoed oordelen waaruit iets moreels spreekt.

Wij zien in deze drieheid van de herders in wezen de drie zieleneigenschappen van de mens: denken, voelen en willen uitgedrukt, steeds met de nadruk op een van de eigenschappen in een van de herders.
Gallus leeft meer uit de zenuw-zintuigorganisatie in zijn wakker waarnemen. Stiechel is de actieve willer; Witok de uit zijn hart voelende.

In het Driekoningenspel komen we opnieuw drie koningen tegen.
Maar wat een andere wereld komt ons nu tegemoet. De koningen staan aan de top van de sociale ladder. Zij zijn – elk van hen – heerser over een grondgebied dat slechts van hen is. Het zijn drie zeer bewuste individualiteiten die met hun namen Melchior, Balthasar en Caspar niet te verwarren zijn en ze staan voor ons met een duidelijke opgave.
Melchior komt uit het met het goud der wijsheid doordrongen Perzië, de wereld van hoge wiskunde en astronomische berekeningen. Hij kan het gematerialiseerde zonnegoud als gave van wijsheid meebrengen.
Hij is weliswaar net als Gallus de eerste die de vraag van een geschenk stelt; maar hij ‘bedenkt het met zorg’. Hij leeft ook in de zintuigen, zoals Gallus, maar hij heeft alles helder doorzien. Wat bij de herders meer dromend beleefd wordt, is bij de koningen als een bewust weten aanwezig, omdat ze een wetenschap ontwikkeld hebben aan de wereldverschijnselen die hun het mogelijk maakt waar te nemen wat op aarde belangrijk is. [2]
Melchiors relatie met de Oude Schrift (Jesaja) is duidelijk; steeds weer wijst hij met nadruk op Jeruzalem; hij waarschuwt in zijn laatste woorden nog voor ‘het huis van Herodes’. Hieraan wordt duidelijk hoe het Driekoningenspel opgebouwd is met werelddramatiek. Heel het decadente van het koningshuis van Herodes; de overtrokken, verintellectualiseerde wereld van de Schriftgeleerden; de zwarte wereld van de duivel, het staat in schril contrast met de koninklijke waardigheid van de drie wijzen.
Kun je bij het herdersspel een zweem opvangen van een muzikaal-lyrische zielenstemming, het driekoningenspel ademt de dramatiek van de grote te,genstelling in de wereld: die van goed en kwaad. Hier is de spanning maatgevend: licht en duisternis. Licht en donker, wit en zwart.

Uit Ethiopië komt Caspar, de jongste koning en op dit punt met de herder Stiechel te vergelijken. Ook zijn onstuimig karakter. In zijn taalgebruik zitten krachtige uitdrukkingen: ‘grootste vrolijkheid’, ‘groot misbaar’, ‘groot wonder’,
‘uitzonderlijke ster’ zijn een paar van zijn kranige uitspraken.
Ook heeft hij met Stiechel gemeen: het directe contact met zijn omgeving. Hij begroet als eerste en enige Herodes met de woorden; hij neemt na het geven van de geschenken als enige duidelijk afscheid van Jozef.
Wanneer we naar de gaven kijken: Melchior – de rode koning – Goud; bij Caspar, de groene koning – is het Mirre, de geneeskrachtige plant. Interessant zou het zijn eens een vergelijking te maken van de drie herdersgaven met die van de drie koningen.
Ik laat het aan de lezer zelf over meer met het gevoel van het verschil te leven, dan met een over en weer vergelijken, waarbij steeds het gevaar dreigt van te veel intellectualisme.

Balthasar, de blauwe koning, zou uit het verre Indië zijn gekomen. Hij beroept zich steeds op de ster, maar op de ster ‘waarin een jonkvrouw met een kind’ staat.
Zoals Witok bij de herders met het vrouwelijke is verbonden, is bij Balthasar de toewijding tot de jonkvrouw bijzonder groot. Hij begroet als enige Maria als ‘jonkvrouw teer’. – Wat bij de herder Witok nog zorgen waren voor de last van alledag, is bij Balthasar omgevormd tot koninklijke zekerheid: ‘Nu behoedt u de almachtige god voor kommer, angst en alle nood.’
Hij brengt het kind wierook, de vluchtigste, maar ook de ‘geestelijke’ substantie die in het welriekende uitstroomt en opstijgt tot in de ‘hogere werelden’. Opmerkelijk krachtig zijn de laatste woorden van Balthasar, die zich vol dramatiek op Herodes richten: ‘Herodes, is dat uw boze strerven, dan hoeden wij ons ervoor naar u terug te keren.’
Hij die zich richt op de jonkvrouwster, kan zich op dit actuele moment in deze situatie in de wereld volledig tegenover zijn tegenstander opstellen.

Een korte blik op Goethes sprookje zij mij vergund. Al in 1899 wees de jonge Rudolf Steiner op de samenhang van de gouden koning met het denken, de zilveren met het voelen, de koperen met het wollen.
‘In de mens die op weg is een vrije persoonlijkheid te worden, zijn 3 zielenkrachten vermengd werkzaam: de wil (het koper), het voelen (het zilver), de kennis (het goud). Wat de ziel door deze 3 krachten zich eigen maakt, wordt in de loop van het bestaan door de levenservaring geopenbaard: de kracht waarin de deugd werkzaam is, komt tot uiting in de wil; de schoonheid ( de schone schijn) tot uiting in het voelen; de wijsheid in het kennen [3]. De schone jongeling ontvangt 3 gaven: de gouden koning zet hem de eikenkrans op het hoofd met de woorden: ‘Leer het hoogste kennen’. –
Hier is het het gevormde goud waarmee hij gekroond wordt. De zilveren koning geeft hem de scepter en hij spreekt de zin: ‘Weidt de schapen’. (We weten nog hoe de ‘zilveren’ herder Witok in het Geboortespel een lam als gave meebracht). De scepter wordt voor het hart gehouden.
Van de ijzeren koning krijgt hij het zwaard met de opdracht: ‘Het zwaard links: rechts vrij.” Hier worden op een speciale manier de ledematen aangesproken.

Vatten we het geheel nog eens samen in een overzicht, dan zie we een wereld van verschil, maar ook een wereld van overeenstemming tussen koningen en herders.

herders en koningen

 

 

Erika Schulz, Erziehungskunst, 23-11-1959

[1] GA 293/165
vertaald/167
[2] GA 203/15
[3] GA 22/76

*er is ook sprake van ‘koper’. Zie daarvoor de voordracht in GA 22

926

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (22)

 

DRIEKONINGEN

De winter is de tijd van abstractie. De bomen zijn kaal, onbekleed is de natuur en naakt tonen zich haar patronen. Naar hun silhouet kan men het wezen der bomen nu goed onderscheiden!
Zo gaat nu ook de mens nadenken, zijn ervaringsbeelden afpellen om er de les uit te trekken en dan het beeld op te ruimen, lezend, denkend en tezamen sprekend, bij lampschijnsel in het besloten huis, ontdekt men de achtergronden der feiten, de zin van het gebeuren.
De kinderen doen spelletjes die overblijfselen zijn van heilige handelingen der volwassenen in een ver verleden. Dansen en optochten  die het wezen van een seizoen uitbeelden.
Op elf november vierden zij Sint – Maarten, gingen in optocht door het dorp, elk met een uitgeholde mangelwortel, waarin venstertjes waren uitgesneden, en een lichtje binnenin. Wat stelde dat voor?
Het lichaam waar het licht van de geest door uitschijnt!
Een ander maal spelen zij Jan Huygen. Eén kind staat middenin; de andere, in een kring er om heen dansend en zingend:
.
Jan Huygen in de ton mrt een hoepeltje erom
Jan Huygen, Jan Huygen,
en de ton die viel in duigen!
.
De kring, die de ton vormde, waar Jan Huygen in zat, wordt op die laatste regel verbroken en de kinderen, als de duigen, tuimelen gierend van de pret over de grond.
De ton is de levensvorm, die in het najaar ontbonden wordt. Maar J.H., het geestelijk wezen, dat zich van de stoffelijke belichaming bediende, dat is gebleven en komt nu des te duidelijker uit!
De kersttijd wordt besloten met het feest van Driekoningen, op 6 jan. Na de 12 heilige nachten van 24 december tot 5 jan. is dit de dertiende dag, waarop men voor’t eerst weer bonen mag eten. Daarom zit in het Driekoningenbrood een heilige boon verstopt.

De kersttijd is immers de tijd waarin de levensgeest neerdaalt in de stof met een nieuwe uitstorting van zonnekracht voor de mensen. Hij grijpt aan in de bonen, de zaden de bollen in alle kiemen die verborgen zijn in de moederschoot der aarde. Het is de heilige tijd der conceptie. Nu hebben de kiemen de heilige zonnekrachten ontvangen en kunnen gaan groeien. Zo verborgen als zij in de aarde, ligt de heilige boon in het driekoningenbrood.

Een Oudhollands kinderspel op driekoningenavond is ‘het kaarsje aan de deur”.
De kinderen dansen in een kring om een brandend kaarsje. Drie van hen zijn verkleed als de drie koningen, waarvan één, de Zwarte Melkert*, een zwarte Jood uit Abessinië was. Daarom heeft het kind dat koning Melchior voorstelt, zijn gezicht roetzwart gemaakt. Dan zingen zij onder het dansen:
.
Vinger in de roet, wie er mee doet!
Vanavond, met een kaarsje,
met ’n lichtje aan de deur,
hoezee!
.
Op de laatste regel laten zij elkaar los en rollen over de grond. Evenals in J.H. wordt de stoffelijke vorm ontbonden en wordt de heilige geestelijke kern zichtbaar.
De zwarte Melchior werd later Zwarte Piet. In het Friese dorp Grouw wordt op 6 jan., dus op driekoningen, het feest gevierd van Zwarte Piet, zonder Sinterklaas. (In dit artikel is sprake van in februari)
Elk van de driekoningen beeldt een deel van de mens uit.
Zwart is de kleur van stof. Het is de rouwkleur in die materialistische landen, waar men staart op het stoffelijk overschot en zijn vergankelijkheid. Terwijl toch juist de geestvonk door het afvallen van het stoffelijk kleed bevrijd is! De zwarte koning Melchior beeldt het stoffelijk lichaam van de mens uit. Hij bracht de bittere mirre mee: een kostbare medicijn, die als tonicum en antisepticum het stoffelijk lichaam versterkt. Koning Caspar bracht het goud mee, dat behoort bij het hart en het gevoel, het astraal lichaam van de mens, dat, als het rein is gevoelens bergt, zuiver als goud. En koning Balthasar voerde de wierook mee, Weih-rauch gewijde rook van het hars van de boom olibanum. De wolken wierookgeur behoren tot het luchtelement, zij stijgen ten hemel zoals de gedachten die zich tot God verheffen. De wierook beeldt het verheven denken uit, het mentaal lichaam van de mens.
Wilsdaad, gevoel en verstand: dat zijn de drie koningen in de mens, die zijn karakter tezamen binden. Als een vat, waarin het wezen, de geestvonk, besloten is en wonen mag.
De drie koningen brachten hun gaven mee voor de godszoon. De drie lichamen of vermogens van de mens zijn er voor het geestlicht van binnen. Opdat het ze heilige en er doorheen schijne naar buiten.
In de heilige wintertijd zien wij het onverhulde licht zelf. Opdat wij het kennen en later zullen herkennen, ook door de bekleedsels heen.
.
Ieder mens draagt het licht.

.

(De Kaarsvlam, 27-01-1973)

.

*In het Oberuferer driekoningenspel heten de koningen Melchior (rood gekleed; goud), Balthasar (blauw gekleed; wierook), de donker kleurige Caspar, groen gekleed: mirre).

.

Driekoningen: alle artikelen

.

 

926

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (10)

 

vrijheid

Vrijheid, zoals deze tot uitdrukking komt in de naam “vrije”school die heeft niets te maken  met willekeur of flierefluiterij, zoals wel eens wordt verondersteld.
Maar wel alles met een gezonde ontwikkeling van het geestelijk-culturele leven. Vrijheid hangt samen met mens-zijn.
Het dier kent geen vrijheid – zijn doen en laten worden bepaald door instincten en driften; Mensen kunnen ook als dieren gaan leven, of als automaten – iedereen heeft daar wel neiging toe, het is gemakkelijk. Maar, het is niet “menselijk”..
Als een kind wordt geboren, neemt het een lichaam aan. Dit lichaam hangt samen met de aarde, met krachten uit het verleden. Daar ligt al veel vast, is al geworden. Het ik-wezen van het kind komt uit een ander rijk, een rijk dat niet zo verdicht en verhard is. Dit ik-wezen brengt een wilsimpuls mee, streeft naar een toekomst toe. Daar is nog vrijheid.
Zeven, veertien, eenentwintig jaren op aarde zijn nodig om het lichaam te laten groeien, zo ver te brengen dat het geestwezen zich er geheel mee kan verbinden, geheel is geïncarneerd en dit lichaam als instrument kan gebruiken. Dan pas kan er van vrijheid sprake zijn.
Vrijheid hangt samen met keuze, met het nemen van besluiten.
De prins uit het sprookje, die er op uit trekt om zich het koninkrijk waardig te tonen, komt al gauw bij een tweesprong. Er staat een handwijzer met raadselachtige opschriften. Welke kant zal hij uitgaan? Wat moet hij kiezen? Het is beslissend voor de toekomst.
Maar hij staat hier niet onvoorbereid voor. Hij is immers een koningszoon en heeft een koninklijke opvoeding gehad. Rijkdommen stonden hem ter beschikking, vele vaardigheden heeft hij geleerd. Als laatste worden nu zijn krachten in moeilijke opdrachten gestaald.
Ieder mens staat, als hij eenmaal volwassen is, telkens weer voor een keuze, vele malen per dag, bij wat hij doet of laat. Het is een geweldig appèl aan je bewustzijn, aan het kennen van de wereld en van jezelf, en aan je wil.
Zeven, veertien jaar en langer krijg je als kind de kans om je op dit leven voor te bereiden. Je ontmoet mensen, dingen, krachten, in altijd wisselende situaties en verhoudingen en in wisselwerking met jezelf. Je ontmoet jezelf in je bezig zijn; spelend, tekenend, vormend, sprekend, denkend, schrijvend. Het is een lange leertijd, onevenredig lang als je het vergelijkt met het volwassen worden van een dier. Die lange jeugd, waarin je geleid wordt, is een bijzonder voorrecht van het mens-zijn. Maar is ook nodig, want veel hangt er van af voor het latere leven en voor de wereld.
De koningen in de sprookjes leefden heel lang geleden. Daarmee zijn zij tot een beeld geworden, een ideaalbeeld, en in dit beeld ligt de waarheid van het sprookje. In onze tijd mag je in ieder mens een koningszoon vermoeden, ook in het dappere snijdertje of in de “domme” boerenjongen.
Het ideaal is ze allen een koninklijke opvoeding te geven – een opvoeding tot vrijheid.
.
(Annet Schukking, Geert Grooteschool Amsterdam, juni 1976)

.
Over vrijheid: sociale driegeleding [7-1]

opvoedingsvragen: alle artikelen

925

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (9)

 

Bedplassen

En het kind, het plaste voort…

Bedplassen: een probleem waar betrokkenen niet graag over praten. Kinderen die gezien hun leeftijd zindelijk zouden kunnen zijn, schamen zich ervoor. Ouders worden geplaagd door schuldgevoelens. Het kind merkt dat bedplassen niet ‘hoort’. Ouders vragen zichzelf af of ze wel voldoende aandacht hebben geschonken aan hun kind.
De kinderpsychiater Dick Hütter plaatst het probleem in een breder kader. ‘Bedplassen: een poging tot zelfgenezing’.
Als we de ontwikkeling van een kind in de eerste drie levensjaren bezien, dan kan ons het volgende opvallen. De pasgeborene spartelt met armen en benen, maar van enige gerichte beweging is nog geen sprake. Daarentegen is de baby met een groot aantal reflexbewegingen begiftigd, waardoor hij (of zij) zowel de tepel kan zoeken, kan drinken als ook op tal van prikkels uit de buitenwereld het beste antwoord kan geven.
We zien dan dat het kind langzamerhand een uitgebreidere greep op zijn bewegend lichaam krijgt en dat dit gepaard gaat met een geleidelijk verdwijnen van de reflexbewegingen. Dit greep-krijgen op de eigen bewegingsmogelijkheden gaat van boven naar beneden, van het hoofd, via de armen en handen tot in de benen en voeten.

Eerst kan het kindje voorwerpen slechts met de ogen en het hoofd volgen, dan kan hij er met de handjes naar grijpen en al die tijd spartelen de beentjes op hun eigen houtje en kan men merken dat het kindje er zelfs geen notie van heeft dat die benen ook bij hem horen, van hem zijn. Verschijnt er een eigen voetje in zijn blikveld, dan pakt hij dat alsof het een rammelaar of iets dergelijks is en probeer het dadelijk in zijn mond te steken. De mond is toch het eerste lichaamsdeel waarvan het kind zich bewust is geworden en dat hem dus door de tastzin kennis van de wereld overbrengt.

Vervolgens gaat ons kind zitten, kruipen, staan en lopen. Allemaal vermogens, die het verworven heeft door de indaling van een bewust en willekeurig kunnen gebruiken van zijn lichaamsbewegingen. Men kan dus met de heilpedagogisch arts Thomas Weihs stellen dat het kind evengoed ‘neergroeit’ als ‘opgroeit’. Het bewustzijn als essentiële eigenschap van het menselijke geestes-zielewezen daalt in de levende lichamelijkheid in, drukt dit laatste zijn stempel op en gaat het hanteren. In zeker opzicht groeit het er ook mee samen en vormt er een éénheid mee.

We merkten reeds op dat de voedselopname, het drinken van de melk dus, geschiedt door een aangeboren reflexbeweging. Dat wil zeggen, drinken hoeft het kindje niet te leren, zoals kruipen, staan en lopen. Als het kindje op vast voedsel overgaat, verandert er al iets. Dan moet het leren kauwen. Het is altijd een aandoenlijk tafereel om een jong kind de eerste ervaringen met vast voedsel te zien hebben. Het begint met het vertrouwde tastritueel om dan met verbazing te merken dat het voorwerp eetbaar is, dat je het naar binnen kan werken. Sabbelen, proppen, weken in je wangen, maar ook het weer naar buiten kunnen blazen zijn dan even grote ernstige speelleer-activiteiten als voorwerpen pakken en weggooien met de handen en voor- en achteruit kruipen of lopen later met benen en voeten. Het is dan nog een hele weg om zelf met je lepel of vork te leren eten en niet langer af en toe je eten over de tafel op je liefhebbende moeder te blazen.

De uitscheidingsorganen, de endeldarm en de waterblaas, zijn geruime tijd nog geheel buiten het bewustzijn van het kind. Dat wil zeggen dat deze organen zich ontledigen op prikkels vanuit het lichaam; druk- of krampachtige prikkels. En het eerste wat het kind gaat merken is, dat een ontlediging gebeurd is. Ook dat is in feite een hoogst merkwaardig en belangrijk moment in de ontwikkeling, als het kind je gaat vertellen dat het een natte of volle broek heeft. Eigenlijk is dat moment het meest gunstige om met de zindelijkheidstraining te beginnen, omdat kennelijk dan pas het bewustzijn in de onderkant van de romp voldoende wakker is geworden om ‘er wat mee te doen’.
’s Nachts is het kind tijdens het slapen weer in een lager bewustzijn gedompeld en we zien dan ook dat het ’s nachts zindelijk zijn later optreedt dan het overdag zindelijk worden.
Zoals bij alle ontwikkelingsfacetten, komen ook op dit gebied storingen voor: sommige kinderen worden pas heel laat zindelijk, sommige plassen in bed, sommige ook overdag in hun broek. Meestal gelukt het wel om de ontlasting bewust te gaan regelen, maar de plassen blijven dan toch komen, voor je er erg in hebt. Andere kinderen ‘vallen terug’.
Ze zijn zindelijk geweest en beginnen dan weer te bedplassen, soms ook overdag natte of zelfs vuile broeken te maken.
Over de oorzaken van deze partiële ontwikkelingsstoornis zijn boekenplanken vol geschreven. Dat is altijd een ontmoedigende zaak voor ouders en kinderen, die met dit probleem te kampen hebben. Het betekent óf dat men de oorzaak niet weet, óf dat er vele verschillende oorzaken van dit symptoom zijn en in elk geval dat er niet voor al die kinderen één altijd afdoende behandeling bekend is. Ook mijn ervaring is, dat de omgeving zich vaak uitput in allerlei maatregelen en therapieën en zich steeds wanhopiger en onmachtiger voelt worden, terwijl, om de woorden van een bekende dichter te parafraseren: ‘en het kind, het plaste voort’.

Toch brengt dit ons op een belangrijk gegeven, dat bij vele partiële ontwikkelingsstoornissen aan te treffen is. En wel het volgende. Door de een of andere aangeboren of verworven stoornis is een kind niet zonder meer in staat om een bepaalde vaardigheid te verwerven op een leeftijd waarop de overige kinderen dit wel gelukt. Vaak zal dit een motorische vaardigheid betreffen. Het kind leert wat later lopen of spreken of het loopt en spreekt wel op tijd, maar op een wat slordige manier. Het kan zijn dat zo’n kind vaker valt of meer dingen ondersteboven loopt of lang krom blijft praten.

En ook de ontwikkeling van die vaardigheden kost dat kind kennelijk meer moeite dan gewoonlijk. Trappenlopen, ergens opklimmen of van iets afspringen, het gaat allemaal wat onhandig en stuntelig. Observeert men deze kinderen dan kan opvallen dat ze kennelijk moeite hebben met de beheersing van hun bewegingen, ze lijken niet goed genoeg waar te nemen wat hun armen, benen of spraakorganen voor bewegingen uitvoeren. Nogmaals dat kan heel goed slechts één bepaald gebied voornamelijk betreffen, er zijn kinderen die bijzonder onhandig in hun ledematen zijn en heel goed spreken en vele andere variaties. Zegt men nu dat deze kinderen zich onvoldoende bewust zijn van hun lichaamsverrichtingen, dan dient men wel te bedenken dat men het niet over het heldere bewustzijn heeft, dat ontstaat als men ergens de aandacht op richt. Het is bijna omgekeerd. Probeer maar eens welbewust de aandacht op de eigen bewegingen te richten als je loopt of fietst of een trap bestijgt. Alle vanzelf verlopende souplesse en ritmiek wordt ernstig verstoord en als je al niet hopeloos in de war raakt, worden de bewegingen houterig en onhandig. Bij alle motorische vaardigheden verloopt het leerproces kennelijk op dezelfde wijze: eerst probeert men bewust de handgrepen of bewegingen te leren en dan komt een moment dat het ‘vanzelf’ gaat en dat men de vaardigheid kan gaan gebruiken voor een los daarvan staand doel. Zo hebben we leren schrijven en fietsen en tal van dingen meer. De pen en de fiets zijn op een gegeven moment als het ware onderdelen van het eigen lichaam geworden, extra lichaamsdelen. Dit betekent echter dat een vaardigheid op een bepaald moment van het leerproces weer uit de aandacht moet verdwijnen.

Bij al die kinderen met partiële ontwikkelingsstoornissen ziet men nu hetzelfde gebeuren. Een onvolmaakt ontwikkelde vaardigheid wordt op een bepaald moment niet verder via een leerproces ontwikkeld maar zo goed en zo kwaad als het gaat in gebruik gesteld. Het kind leert te leven met zijn onhandigheid om de weg vrij te krijgen voor een volgend ontwikkelingsdoel. Daarmee wordt echter wel tegelijk de weg afgesloten om die slechte vaardigheid bewust verder te oefenen. Daarbij komt natuurlijk ook dat geen kind het plezierig vindt om steeds met zijn zwakke kanten geconfronteerd te worden. Zelfvertrouwen ontwikkelt zich door de groei van vaardigheden en niet door een eindeloze reeks van mislukkingen. Kort en goed: het kind past zich aan bij zijn beperkingen en verdringt deze uit zijn bewustzijn om er geen last van te ondervinden.
Kinderen zijn meesters in dit soort verdringingen en ik hoop aangetoond te hebben dat dit een zelftherapie is om de moed er in te houden, om vertrouwen in de toekomst te blijven hebben. De realiteit blijft hen echter confronteren met de ontwikkelingsbeperking en juist de spanning tussen de ervaringen en de verdringing maakt dat ze in een constant intern basisconflict leven.

In de Groninger kinderpsychiatrische Universiteitskliniek hebben we destijds een vervolgstudie gedaan van kinderen, die in de verloskundige kliniek geboren waren. We onderzochten daartoe alle baby’s op de bovenvermelde reflexen en vonden dat lang niet alle kinderen even volmaakt met deze reflexen ter wereld kwamen. En ook het verdwijnen van deze reflexen verliep niet bij alle kinderen even probleemloos. Voor een goed begrip, dit waren dus geen kinderen met duidelijke neurologische afwijkingen als verlammingen of spastische verschijnselen. Het waren ogenschijnlijk allemaal normale baby’s. Het bleek nu bij het volgen van deze kinderen dat er in de groep met de lichte afwijkingen in de reflexontwikkeling statistisch veel meer bedplassers voorkwamen dan in de ‘gave’ groep. En de bedplassers hadden soms wel en soms ook geen andere ontwikkelingsproblemen in de motoriek of, later op school, in het aanleren van schoolse vaardigheden zoals schrijven, rekenen en lezen.

Dit onderzoek leverde dus krachtige argumenten voor een factor bij bedplassen van een aangeboren moeilijkheid om voldoende greep op de lichaamshantering te krijgen, los van de opvoeding. Maar de opvoeding speelt natuurlijk wel een grote rol. Niet alle kinderen uit de eerste groep werden bedplassers en er waren ook in de tweede groep wel enkele bedplassers.
Nu is er nog een statistisch interessant gegeven dat juist de rol van de opvoeding in het blikveld brengt. In Engeland is het namelijk de gewoonte* om de kinderen vrij vroeg zindelijk te maken en wel vanaf het moment dat ze stevig op het potje kunnen zitten. Dat wil zeggen dat de training in het begin van het tweede levensjaar plaatsvindt. Op het continent wachten de moeders meestal tot de tweede helft van het tweede levensjaar of tot het derde levensjaar met de
zindelijkheidstraining. Dat betekent dat de Engelse moeders mikken op de reflextraining en de continentale moeders op het ontluikende bewustzijn van hun kinderen voor de eigen uitscheidingen. Het bleek nu, alweer statistisch, dat Engelse kinderen vaker terugvallen dan de andere.
Vervolgens is bekend dat een kind dat in een permanente toestand van spanning moet leven omdat er in zijn omgeving iets essentieels ontbreekt of omdat de omstandigheden meer van hem eisen dan het op kan brengen, als een soort zelfgenezing grijpt naar de regressie. Dat wil zeggen, dat het terugvalt in een reeds doorgemaakte ontwikkelingsfase. Dat kan dan weer een totale regressie zijn of een partiële. Symptomen kunnen zijn: spelletjes gaan spelen die het vroeger heeft gespeeld, met een kleuterstemmetje gaan praten, weer een afhankelijker houding aannemen dan bij de leeftijd past, of: bedplassen. En tenslotte is het een ervaring dat een symptoom van een ontwikkelingsstoornis kan ‘beklijven’. Dat het een gewoonte is geworden. De oorzaken zijn niet meer aanwezig, maar het symptoom blijft bestaan. Dit laatste is in feite de schaduwzijde van een gegeven waar alle opvoeding zo’n dankbaar gebruik van maakt, namelijk dat bij een kind gewoontes aan te leren zijn. Van tanden poetsen tot zindelijk worden, van omgangsnormen tot allerlei ‘goede eigenschappen’ zijn het gewoontes, die tot in het levensgevoel verankerd liggen en heel moeilijk weer uit te wissen zijn. Slechts van onze slechte gewoontes betreuren we dit.

Nu is me bij een groot aantal bedplassers opgevallen, dat veel van wat ik kort aangestipt heb, aanwezig is. Er is vaak een constitutionele factor aan te tonen:

– Het bewustzijn voor de eigen lichamelijkheid is gebrekkig, ze merken de aandrang niet, of ze beleven de natte broek of het natte bed niet als onaangenaam.
– Vaak blijven ze ook op ander gebied lichte problemen te hebben: concentratiestoornissen of lichte motorische problemen. Dan kan men soms de verdringing constateren: ze zeggen wel dat ze het vervelend vinden, maar je merkt daar eigenlijk niet veel van.
Ook de regressie speelt soms een rol. Af en toe kan je je niet aan de indruk onttrekken dat het kind het zelfs wel lekker lijkt te vinden om in een warm nat bed wakker te worden.
Tenslotte is er bij velen een soort berusting, een zekere resignatie opgetreden: ik heb er wel last van, kan niet mee op het kamp of uit logeren gaan, maar er is toch niets aan te doen.
Al deze factoren maken dat het bedplassende kind meestal in een situatie is, die een bewuste wilsinzet om er af te komen niet bijster begunstigt. Er zijn al zoveel mislukkingen geweest, het gebeurt altijd als het slaapt en zelf dus ‘vertrokken’ is. Dan is er toch wel steeds een zekere schaamte, alhoewel die soms overdekt wordt door een onverschilligheid als afweer tegen deze schaamte. En de omgeving is vaak evenmin in een situatie om veel steun te verlenen. Straffen heeft geen zin, belonen is op niets uitgelopen, allerlei toestanden als niet drinken, medicijnen, het bed schuin zetten, ’s nachts opnemen, of de elektrische wekker hebben evenmin succes geboekt. En vaak gaat het gezin met het kind mee in de resignatie: men probeert te leren leven met de vervelende gewoonte, die kennelijk voorlopig niet meer af te leren is.
Hoeveel bedplassers er rondlopen is moeilijk te schatten. En wel omdat slechts een deel in behandeling is en waarschijnlijk een groot deel in de bovengeschetste situatie is beland van afwachten en hopen dat het vanzelf wel eens over zal gaan. Verder is het een probleem waar je niet graag over praat. Het kind schaamt zich ervoor en verder krijg je tegenwoordig als ouders toch al snel overal de schuld van. Er zal wel wat haperen aan de onderlinge relaties in het gezin en dan niet in de zin van een te verhelpen situatie, die slechts aanwezig is omdat een mens in een situatie die nu eenmaal moeilijker overziet, dan een mens die van buiten de situatie een overzicht probeert te krijgen.
Nee, schuldgevoelens steken de kop op, verwaarlozing, prikkelbaarheid, onvoldoende standvastigheid in de opvoeding, ongezelligheid, en tientallen andere vermeende onvolkomenheden ontdekt men bij zichzelf en het bedplassende kind zou wel eens meer vuile was naar buiten kunnen brengen dan alleen de beddelakens en de pyjama.

Hoe dan wel verder? Wel, ten eerste zijn er nog altijd veel meer kinderen van hun bedplassen afgekomen dan dat er mensen zijn die tot in hun volwassenheid aan deze vervelende kwaal zijn blijven lijden. Ten tweede blijkt het dus wel een voorwaarde te zijn dat het kind weer zelfvertrouwen krijgt en echt zelf er ook van af wil komen. Dat betekent dat voor ieder kind in iedere situatie een individueel plan moet worden opgezet. Wie gaat het kind erbij helpen, wie geeft het kind vertrouwen? Fijn als het de ouders zijn. Maar als die al een reeks mislukkingen achter de rug hebben, hebben ze vaak wel wat vertrouwen ingeboet. Niet omdat het zulke slechte ouders zijn, maar vanuit de gemeenschappelijke ervaring van mislukte pogingen. Soms zal men ook helemaal niet beginnen met het bedplassen aan te pakken, maar moeten ontdekken waarvan het een uiting is en op een geheel ander gebied het kind moeten helpen. Dat kan dan zijn dat men een therapie instelt die ten doel heeft de weerstanden te doen afnemen tegen het greep krijgen op de eigen lichamelijkheid, dus oefeningen, heileuritmie, fysiotherapie en dergelijke. Maar het is ook mogelijk dat men de levenssituatie kan veranderen door bijvoorbeeld een andere school voor het kind te zoeken, die meer aangepast is bij de leervermogens van het kind. Soms kan men bij gefixeerde gewoontes succes hebben met een suggestieve therapie, maar dan moet wel eerst een relatie geschapen worden waarop zulk een therapie kan rusten. Hoewel ik daar met bedplassers geen ervaring mee heb, kan ik me goed voorstellen dat gespreksgroepen van ouders met jonge of oudere bedplassende kinderen bijzonder goed zouden kunnen werken, gezien de ervaringen met groepen, waar andere problemen in de opvoeding een rol speelden.

Noch schaamte noch onverschilligheid is een goed uitgangspunt. En toch neigt het kind zelf tot deze twee grondhoudingen. Noch een ongeduldig bestrijden, noch een resignatie is een goed uitgangspunt. Toch neigen ouders vaak tot deze opstelling. Het is werkelijk geen wonder dat het hier vaak een zo hardnekkige toestand wordt. Daarbij komt dat men in een gezin nog wel wat meer met elkaar te doen en te laten, te beleven en te ontwikkelen heeft dan alleen dat probleem van die bedplasser. Vandaar dat het voor de hand ligt, dat een hulp van buiten het gezin vaak onontbeerlijk is.
Men zal steeds het kind zelf bij de behandeling moeten betrekken. Niet als passief persoon waarop het één en ander wordt toegepast, maar als actieve medewerker. Wel samen doen. Niet het kind alleen laten staan in zijn strijd. Maar ook niet dat iedereen vecht, behalve het kind zelf. In wezen is hulp bij bedplassen, hulp bij het gaan van een stuk ontwikkelingsweg voor het kind. Geduld, moed geven, optimisme, vertrouwen, leiden en begeleiden zijn hierbij alle van grote betekenis. Heeft men die vermogens niet voldoende als ouder, welnu dan geeft het bedplassende kind je alle kans om die eigenschappen zelf te ontwikkelen en daarmee ook wat aan jezelf te doen.
Daarbij is een opmerking van Rudolf Steiner van onschatbare waarde, waarin hij zegt dat het niet zozeer de verworven eigenschappen van de opvoeder zijn die het kind helpen in zijn ontwikkeling, maar veel meer de krachten, die vrijkomen bij de zelfontwikkeling van de opvoeder. Ergo: een geduldige ouder te hebben is fijn voor een kind. Een ongeduldige ouder, die zich oefent in geduld, is mogelijk nog fijner. Het kind ervaart aan deze laatste dat het niet alleen staat in zijn ontwikkeling en dat eigenschappen niet onveranderlijk zijn. Doch dat het wezen van de mens zijn ontwikkeling is. Deze ervaring is de stevigste grond voor ieder zelfvertrouwen.
Dick Hütter, Jonas 1, 04-09-1981

*1981

Opvoedingsvragen: alle artikelen

 

924

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen – (21)

 

 

goud, wierook en mirre

Zij, die aan het kind in de kribbe de symbolen gebracht hebben, of beter gezegd de symbolische gaven goud, wierook en mirre, zij hebben van de sterren afgelezen op de manier van een duizenden jaren oude wetenschap, het mysterie van de geboorte uit de Maagd – dus het kerstmysterie. En zij, de wijzen met het goud, de wierook en de mirre, waren op die manier zoals de oude wijsheid dit opvatte, astrologen; zij waren op de hoogte met die geestelijke processen die zich in de kosmos afspelen, wanneer bepaalde tekens zich aan de hemel vertonen.

Zo’n teken was voor hen dat in de nacht van 24 op 25 december – in het jaar dat wij tegenwoordig als het geboortejaar van Christus Jezus benoemen – toen de zon, het grote wereldsymbool van de wereldverlosser, vanuit het hemelgewelf neerfonkelde uit het sterrenbeeld van de maagd. Zij zeiden: wanneer de constellatie aan de hemel zichtbaar zal zijn, dat de zon in de nacht van 24 op 25 december in het sterrenbeeld maagd staat – dan zal er met de aarde een belangrijke verandering plaatsvinden. Dan is de tijd aangebroken dat wij het goud, d.w.z. het symbool van onze kennis van het goddelijk wereldbestuur, dat we tot nog toe alleen in de constellatie van de sterren hebben gezocht, zullen brengen aan de weerkende kracht die nu deel wordt van de ontwikkeling der mensheid op aarde;
dat wij de wierook die tegelijkertijd de hoogste menselijke deugd symboliseert, zo kunnen offeren dat wij ons om deze hoogste menselijke deugd ten uitvoer te kunnen brengen, ons verbinden met de kracht die van Christus uitgaat, die geboren zal worden in die menselijke persoon  die wij de wierook als symbolische gave brengen; en ten derde de mirre –als het symbool van wat eeuwig is in de mens. Wat wij als verbonden gevoeld hebben door de millennia heen met de krachten die uit de sterrenconstellaties ons een taal spreken, wij zoeken het verder, wanneer wij het als gave brengen aan hem die de mensheid een nieuwe impuls zal geven. Wij zoeken onze onsterfelijkheid ddor onze ziel te verbinden aan de impuls van Christus Jezus. Wanneer uit de maagd het kosmische symbool van de wereldkracht, de zonnewereldkracht, neerwaarts lichten zal, dan zal er een nieuwe tijd op aarde aanbreken.

Zo werd het geloofd, zo werd het gezien gedurende duizenden jaren. En toen de wijzen zich geroepen voelden de wijsheid van het goddelijke, het menselijke gevoel van de deugd, het tastend voelen van de menselijke onsterfelijkheid – symbolisch uitgedrukt in goud, wierook en mirre – aan de voeten van het goddelijke kind te leggen, herhaalden ze als een historische gebeurtenis wat in talloze mysteriën, in talloze offerhandelingen door de duizenden jaren heen, even symbolisch gedaan werd, toen ze als een profetische verwijzing naar de gebeurtenis die zou beginnen wanneer de zon om middernacht van 24 op 25 december vanuit de maagd vanuit de hemel neerwaarts zou schijnen, aan het symbolische godskind dat in de oude tempels als de representant van de zon behoed werd, in deze kerstnacht schonken: goud, wierook en mirre.

Rudolf Steiner: GA 180/9

Driekoningen: alle artikelen

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Abraham

 

abraham

AbrahamPortret door de 17e eeuwse schilder Guercino uit Bologna. Er bestaat geen enkel verslag over hoe Abraham er in werkelijkheid uitzag, dus maakte de schilder gebruik van zijn fantasie.

De geschiedenis van twee volkeren en drie gods­diensten begint ongeveer 1800 v. Chr. bij Abra­ham. Hij werd toen nog Abram genoemd. Hij was een eenvoudige herder, die in de omgeving van de stad Ur zijn kudden hoedde. Het Oude Testament stelt, dat Abram door God werd uit­verkoren om naar een nieuw land te reizen, Kanaän. Daar ontstonden volgens de overlevering uit zijn zoon Izaäk het joodse volk, het jodendom en het christendom, en uit zijn zoon Ismaël het Arabische volk en de islam.

Ur was één van de vele steden in de vruchtbare laagvlakte tussen de rivieren de Eufraat en de Tigris, in het huidige Irak, toen bekend als Mesopotamië. Het was één van de twee gebieden in het Midden-Oosten waar de mensen zich het eerst vestigden en waar beschavingen ontstonden. Egypte, in het dal van de Nijl, was het andere ge­bied. De boog van bevloeid land die hen verbond, werd de vruchtbare maansikkel genoemd. De meeste mensen in Mesopotamië waren Soemeriërs. Maar Abraham behoorde tot de stam van de Arameeën, die veehoudende nomaden waren. Oorspronkelijk kwamen de Arameeën waarschijnlijk van het Arabisch schiereiland en waren ze naar de bevloeide gebieden rond de steden getrokken om water en voedsel voor hun kudden te vinden.

Babylon 8

Niemand weet, waarom Abrahams vader Terah het besluit nam om uit Ur te vertrekken en naar Haran in het noorden te verhuizen. Hij zocht misschien beter grasland en koos Haran, omdat het een vriendelijke stad was, waarvan de inwoners dezelfde goden aanbaden als in Ur. Terah stierf in Haran en Abraham werd het hoofd van de familie. Volgens de legende sprak er in dezelfde tijd een tot dan onbekende God tot Abraham. Hij vertelde dat hij zijn vrouw Sara en zijn neef Lot moest meenemen naar een nieuw land. Abraham volgde de bevelen op en ging met Sara en Lot op reis. Hij trok dwars door de vruchtbare maansikkel, tot hij bij Kanaän kwam. Dat was een heuvelachtig gebied ten westen van de rivier de Jordaan. Daar verscheen God weer aan Abraham en zei: ‘Ik zal dit land aan uw nageslacht schenken.’ Abraham zette zijn tenten op, bouwde een altaar voor God, en liet zijn schapen grazen. In de jaren daarna maakte hij lange zwerftochten, soms helemaal tot in Egypte. Maar hij keerde altijd terug naar Kanaän, het land dat door God aan zijn nakomelingen was beloofd.

Abraham had nog steeds een probleem. Hij had geen kinderen. Sara was onvruchtbaar. Ze stelde voor, dat Abraham bij een andere vrouw een kind moest nemen. Dat was niet in strijd met de gewoonten van die tijd. Ze koos zelf een vrouw voor hem uit, haar Egyptische slavin Hagar. Niet lang daarna werd Hagar zwanger van Abraham. Maar Sara reageerde daarop door haar de woestijn in te jagen. God verscheen aan Hagar. Hij vertelde haar, dat ze een zoon zou baren, die ze Ismaël moest noemen. Hij zou de aartsvader worden van een eigen volk. Hagar keerde terug naar Abraham en bracht na enige tijd een zoon ter wereld. Later-werd ze weer naar de woestijn verdreven. God behoedde haar en haar kind.

Haar kind, Ismaël, groeide op en trouwde met een Egyptische, die hem twaalf zonen schonk. Deze zonen, hun vader en hun grootvader (Abraham) worden door de Arabieren beschouwd als de stichters van hun natie. Ismaël bleef niet Abrahams enige zoon. Volgens de legende verscheen God met een lijst geboden en openbaringen. Hij gaf Abraham opdracht zijn naam van Abram te veranderen in Abraham: de ‘vader der volkeren’. God onthulde dat Sara een zoon zou baren, die Izaäk moest gaan heten. Zowel Abraham als Sara lachten toen ze dat hoorden, want Sara was 90 jaar en Abraham 100. Maar binnen een jaar baarde Sara een zoon.

In het Oude Testament wordt verteld over de smart van Abraham, toen hij van God de opdracht kreeg zijn 12-jarige zoon Izaäk te offeren. Toch bereidde hij zich voor om Gods wil ten uitvoer te brengen. Hij bond brandhout op de schouders van zijn zoon. Samen beklommen ze de berg Moriah, waar het offer moest plaatsvinden. Abraham bond Izaäk vast en zette hem bovenop het hout. Toen hij op het punt stond om de jongen met zijn mes te doorsteken, weerhield God hem daarvan. Abraham had zijn geloof bewezen. De redding van Izaäk leek Abraham van nageslacht te verzekeren, maar zijn werk was nog niet voltooid. Er moest voor Izaäk een vrouw worden gevonden. Abraham wilde niet dat zijn zoon een van de vrouwen uit Kanaän zou trouwen. Zo’n bruid zou niet in zijn God geloven. Daarom stuurde hij één van zijn trouwste bedienden naar Haran om onder zijn eigen volk een vrouw te kiezen. De bediende vond Rebecca, de kleindochter van Abrahams broer Nahor.

In het begin leek het of Rebecca, net als Sara, onvruchtbaar was. Maar uiteindelijk baarde ze twee zonen, een tweeling: Ezau en Jakob. Ezau, de eerstgeborene, verkocht voor voedsel zijn recht van eerstgeborene aan Jakob. Het verhaal wil, dat de 12 zonen van Jakob de stichters waren van de 12 stammen van de kinderen Israëls.

Er gingen honderden jaren voorbij, voordat de afstammelingen van Abraham en Jakob een natie vormden en Kanaän als hun vaderland regeerden. Zij heersten er niet lang. Ze werden in alle windrichtingen uiteengejaagd.

Maar nooit vergaten ze Abraham en wat God had beloofd. Meer dan 2000 jaar later keerden ze terug om – in het land waar Abraham ooit zijn schapen liet grazen – de moderne staat Israël te stichten.

Zeer beeldend wordt over Abraham verteld in:
Jakob Streit: ‘En het werd licht’

alle biografieën

vertelstof: alle artikelen

922

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden (4)

 

Nadat de nazi’s de vrijeschool in Stuttgart hadden verboden, zodat deze haar deuren moest sluiten, gingen deze na de overgave van Duitsland op zeker ogenblik weer open: het schoolleven kwam weer op gang. Het tijdschrift ‘Erziehungskunst’, dat in de jaren 1938-1947 niet verscheen, hervatte de uitgaven in 1948. Uit het decembernummer van dit jaar vertaalde ik onderstaand artikel.
Opmerkelijk is de stemming die Ernst Bindel (ook leraar aan de vrijeschool Stuttgart) hier verwoordt.
Die stemming heb ik – vanaf begin jaren’70 van de vorige eeuw – vaak geproefd. Vooral bij de kleinere kinderen, tot een jaar of 10, 11. En bij de volwassenen.
Maar de groep daartussenin? Bij hen is die stemming niet meer vanzelfsprekend. Daarvoor zijn vele oorzaken te noemen – al doe ik dat hier nu niet.
Wel kan ik me voorstellen dat er leraren zijn die voor de bovenbouw (vanaf 12/13 jaar) een nieuwe vorm proberen te vinden – en zo speelt het Novalis College in Eindhoven al enkele jaren een geheel eigen Driekoningenspel.

 

‘Op alle vrijescholen voeren de leerkrachten als een kerstgeschenk voor hun leerlingen de oude kerstspelen uit Oberufer op. In het intiemere schoolleven dat in de adventstijd verlicht wordt door de kerstverwachting, vormen de kerstspelen een echt hoogtepunt in het jaar.
Om de ouders en vrienden van de school aan dit feest van de schoolgemeenschap te kunnen laten deelnemen, worden er ook openbare opvoeringen gehouden. De openingswoorden die wij hier laten volgen zijn een jaar geleden bij zo’n opvoering gesproken. Daarbij werden verklaringen van Rudolf Steiner gebruikt die hij gaf bij een opvoering van de kerstspelen in Dornach voor Duitse krijgsgevangenen en geïnterneerden ten tijde van de 1e Wereldoorlog – inhoudelijke verklaringen en gedeeltelijk letterlijk gebruikt uit het gepubliceerde ‘Weihnachtsspiele aus deutschem Volkstum’.

Voor de opvoering van het Oberuferer kerstspel

Inleidende woorden voor de ouders van de vrijeschool Stuttgart.

Voor het gordijn open gaat, sta mij toe een paar woorden als inleiding tot u te spreken! Ze gaan over iets wat de opvoering zelf niet kan vertellen. Wat op het toneel gebeurt, spreekt duidelijk genoeg voor zich. Maar hoe deze spelen zijn ontstaan, van waaruit en op welke bodem ze ontsproten, dat kom je door de opvoering niet te weten. Wellicht kan het de indrukken wat verdiepen die door de opvoering gegeven worden, als je er iets over weet.

Weliswaar heten de spelen ‘de Oberuferer kerstspelen’ en tot Oberufer is het een heel eind (‘machtig veer’). Maar de plaats waar ze ontstaan zijn, ligt veel dichter bij ons. Hun thuis is de omgeving van de Bodensee waar de Rijn doorheen stroomt. Op een bepaalde plaats in het spel komt dat naar voren: als de sterrenzanger in zijn begroetingswoorden bij het kerstspel de woorden spreekt:

‘Laten we de os en de ezel groeten
die daar bij het kribje staan.
Laten we ze groeten door de zon- en de maneschijn,
waarvan het licht straalt over het meer en over de Rijn!’

(In het Nederlands zoals Mevrouw Bruinier dit samenstelde:

‘Groetenme oock os end’ eselken
die daor staene by het krebbeken.
Groetenmens deur son- ende maôneschyn
dwelc lighten al over seen en over den Ryn,’)

Geachte aanwezigen! Dit meer is niet anders dan ons Schwabische meer met de Rijn. Daar zijn de spelen ontstaan en voor het eerst opgevoerd.
Toen moesten de mensen daar weg uit hun streek, zoals het de Duitsers vaak overkwam en ver, ver weg, naar andere landen trekken om daar te proberen het brood te verdienen. En de spelen zijn op die manier met hen meegegaan en in het verre Oberufer terecht gekomen, waar de Donau vanuit Hongarije Oostenrijk in stroomt en zich in verschillende zijarmen vertakt en zo een paar kleinere en grotere eilanden vormt; op een daarvan ligt het dorpje Oberufer. Als een kostbaar kleinood werden door hen in den vreemde, midden tussen onbekende volksstammen, de meegenomen spelen behoed. Om ze zo zuiver mogelijk te houden, was hun grootste zorg. Wat zal er niet allemaal door hun ziel gegaan zijn, wanneer rond de kersttijd tijdens de opvoeringen de woorden klonken:

Groetenmens deur son- ende maôneschyn
dwelc lighten al over seen en over den Ryn,’

Dan zullen ze in gedachten wel weer in hun geliefde vaderland teruggekeerd zijn, op hun boerderijen, waaruit ze noodgedwongen moesten vertrekken.

Het opvoeren van de spelen gaf hun nieuwe kracht om het in den vreemde uit te houden en te aarden.
De spelen gingen van generatie op generatie over, mondeling en zo getrouw mogelijk. Er mocht niets aan veranderd worden. Zo ging het in de 17e en 18e eeuw, tot de 19e aanbrak die overal in het leven het materialisme bracht en toen liepen de spelen ook gevaar, aangetast te worden of zelfs in vergetelheid te raken.

Maar toen was daar, op het juiste ogenblik eigenlijk, iemand die ze voor onze tijd veilig stelde. De man heet Karl Julius Schröer. Hij was weliswaar een geleerde, maar wel zo een die het hart op de juiste plek had. Hij had een heel mooi onderzoeksveld gekozen: de studie van de dialecten van al die kleine Duitse gemeenschappen die over Oostenrijk en Hongarije verstrooid waren. Wanneer je die wil leren kennen, kun je niet aan je bureau blijven zitten om woordenboeken uit te pluizen, maar je moest die woordenboeken eerst zelf samenstellen en daarom bij de mensen zelf aankloppen die deze dialecten spraken en trouw waren gebleven.

Zo kwam hij tijdens zijn reizen ook op het eilandje Oberufer en daar deed hij de ontdekking van onze kerstspelen. Een daar in aanzien staande boer, had de voor iedere speler uitgeschreven rol in zijn bezit, waarmee Schröer dan een manuscript kon samenstellen, want als geheel was dat niet voorhanden.
De boer moet hebben gemerkt dat hij met Schröer geen nieuwsgierige geleerde voor zich had, en hij vertrouwde hem. Hij kon hem veel meedelen wat met de voorbereiding van de spelen te maken had. Voor iemand anders had hij dit geheim gehouden. Hij vertelde hem hoe deze boer, die van zijn voorouders het recht op de spelen geërfd had – we zouden nu zeggen de opvoeringsrechten –  – wanneer de oogst er opzat en de stillere maanden van het jaar aanbraken, dan een groep jongens bij elkaar riep die hij als speler verkozen had. Het was een grote eer om aan de spelen te mogen meedoen. Maar deze eer had een hoge prijs.
Er waren vier voorwaarden waaraan de knapen moesten voldoen.
In de maanden van de voorbereiding en het instuderen mocht geen van hen met de meisjes omgaan, wat voor sommigen wel moeilijk geweest zal zijn. Er mochten door hen geen ondeugende liedjes worden gezongen. Bovendien moesten ze de hele tijd fatsoenlijk leven en ze mochten bij het repeteren nooit protesteren, maar ze moesten zonder meer luisteren naar de  ‘meester die het claor kan speulen’.
Zo werd er dus in oktober en november ijverig geoefend tot de adventstijd en daarmee de tijd van de opvoering. En dan was het eindelijk zo ver. De spelersgroep kwam op de dag van de opvoering bij elkaar en trok als ‘kompanij’ door het dorp, de sterrenzanger voorop met de engel en de duivel achteraan. Hij en de engel waren al verkleed, de anderen nog niet. De hele groep ging na de processie naar de herberg waar de opvoering zou plaatsvinden, trok de toneelkleren aan, bracht alles voor de opvoering in gereedheid. In die tussentijd bleef de duivel in het dorp  en haalde onder de dorpsbewoners zijn streken uit. Hij blies op een koeienhoorn die hij met zich meedroeg, praatte op de mensen in en maakte zoveel stampei, opdat maar heel veel mensen naar de opvoering zouden komen. Maar nodig was dat niet, want de opvoering was de grootste gebeurtenis van het hele jaar. Of er ook iemand was die niet ging? Ja, er was iemand en tijdens Schröers tijd was dat uitgerekend de schoolmeester, die tegelijkertijd ook het aanzien van een burgemeester of notaris genoot. Hij, als vertegenwoordiger van het intellect, hield niet van de spelen. Misschien stak het hem dat de spelen helemaal niet bij één van de godsdiensten hoorde, want ze werden zowel voor katholieken als door protestanten opgevoerd en de spelers waren zowel katholiek als protestant. Misschien was hij ook geïrriteerd, omdat de vrouwenrollen, bv. die van Eva en Maria, door jongens gespeeld werden.
Maar laten we de schoolmeester vergeten!
Tijdens de opvoering zaten de toeschouwers in een halve kring, in hoefijzervorm om de in het midden daarvan spelende groep en zo konden ze zich helemaal één voelen.
Tot zover over de manier hoe een opvoering tot stand kwam en verliep!

Toen Schröer oud geworden was en als professor aan de universiteit van Wenen werkte, volgde een jonge student zijn colleges, die we allemaal kennen en op wie we van harte zijn gesteld. Hij heet Rudolf Steiner. De oude Schröer had al snel in de gaten met wie hij te maken had en sloot hem in zijn hart. Beide, de oudere en de jongere waren spoedig diep bevriend. Het kon niet uitblijven dat Schröer de ander tot assistent en mederaadgever maakte bij alles wat hem zelf zo dierbaar was en zo gaf hij hem de kerstspelen uit Oberufer als een kostbaar erfstuk.
De jonge Rudolf Steiner heeft ze trouw bewaard.
Toen hij zelf ouder was en zich rondom hem een grote groep mensen aaneensloot die enthousiast was voor het nieuwe en het grootse wat hij te brengen had, was het ook aan de tijd de spelen die hij gekregen had weer een plaats te geven in het leven, eerst in Dornach en dan, toen de vrijeschool in Stuttgart opgericht was, ook daar.
Hij gaf ze de toenmalige lerarengroep als geschenk en zo werd in 1921 door de leraren van de vrijeschool, met persoonlijke aanwijzingen van Rudolf Steiner, het herdersspel opgevoerd. (Het is voor ons een mooie gedachte, dat twee van de leraren van toen, ook vandaag weer meespelen in de rollen waarin ze toen al opgingen: de sterrenzanger en de engel. Drie van hen die de jaren daarna met iedere kerst trouwe medespelers waren, zijn reeds door de poort van de dood gegaan.)

Zo loopt er een levende lijn vanaf de boeren uit Oberufer over Karl Julius Schröer en Rudolf Steiner naar de leerkrachten van de vrijeschool Stuttgart.
Maar de ketting heeft nog een schakel. Want tegelijk met ons en naast ons leerkrachten wedijveren oud-vrijeschoolleerlingen om deze spelen in een grotere openbaarheid door te dragen.
Tien jaar lang was het ons niet gegund de Oberuferer kerstspelen op deze plaats in deze zaal op te voeren. De vrijeschool was verboden en de grote zaal lag in puin. Die is weer opgebouwd en zo konden de drie voorbije avonden de leraren hierin hun kerstgeschenk aan de leerlingen geven. Dat was ook wat Rudolf Steiner graag wilde.
Uit het schoolleven van de vrijeschool zijn de spelen niet meer weg te denken. De leerlingen weten dit het beste. Ze verheugen zich, je zou willen zeggen, al een heel jaar, op het ogenblijk waarop ze naar de zaal komen en het gordijn opengaat.

U allen, beste aanwezigen, willen wij leraren, aan de vreugde van dit geschenk dat voor onze leerlingen is, laten deelnemen.

Ernst Bindel, Erziehungskunst 12e jaargang dec.1948

 

Kerstspelen: alle artikelen

 

 

921