Tagarchief: klas 3 vertelstof

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (46)

.

de hogepriester

Zie, daar komt hij, in zijn prachtige klederen.
Onderaan zijn priesterrok klingelen de gouden belletjes. Op zijn voorhoofd, juist onder de priesterlijke hoed, draagt hij een gouden plaat; daarop staat: Heiligheid den Heere.

De hogepriester Aäron was een beeld, een type van de hemelse Hogepriester.

De hogepriester met zijn ,, kleding tot sieraad’

Twee schouderstenen
Op elke schouder van de hogepriester was een edelsteen bevestigd, een sardonix.
Exodus 28 : 9 – 14.
In elk van deze stenen waren zes namen gegraveerd, namelijk de twaalf namen van de stamvaders van het volk Israël.
Symbolisch droeg zo de hogepriester het hele volk van God op zijn schouders.

In vers 10 bij staat: naar hun geboorten. Ze moesten op de steen gezet worden naar de volgorde van hun geboorte. D.w.z. de volgorde van de namen was naar de volgorde van de geboorte van de aartsvaders: Ruben, Simeon, Levi, Juda enz. Het is logisch dat men tot het volk Israël alleen kon behoren door geboorte.

Het borstschild met de twaalf stenen
Exodus 28:12-29
Het volk wordt in het beeld van de twee sardonixstenen gedragen op de schouders van de hogepriester.
Daar komt nu iets bij dat zo mogelijk nog rijker is: Ieder lid van het volk droeg hij ook apart, en wel op zijn borst.

Een onderdeel van het hogepriesterlijk kleed was de borstlap of het borstschild, een span breed en lang. Een span is bij een uitgestrekte hand de afstand van de top van de duim tot de top van de pink, ongeveer twintig centimeter.

Dit borstschild was geborduurd in vier prachtige kleuren en daarop waren, in goud gevat, twaalf kostbare stenen. Drie rijen van vier edelstenen.

Op de schouders waren het 2 x 6 namen, de twaalf stammen als geheel, op het borstschild 12 x 1, de namen van de twaalf stamvaders ieder op een aparte steen.

Over het borstschild wordt extra vermeld dat hij de namen op zijn hart droeg. Het hart spreekt van de liefde.

1e rij v.l.n.r.:
1] sardis
2] topaas
3] karbonkel

2e rij v.l.n.r.:
4] smaragd
5] saffier
6] diamant

3e rij v.l.n.r.:
7] opaal
8] agaat
9] amethist

4e rij v.l.n.r.:
10] turkoois
11] sardonix
12] jaspis

Edelstenen in de Bijbel
Bij de vertaling van de namen der edelstenen weten we in enkele gevallen niet of niet zeker wat de betekenis van een bepaalde edelsteennaam is.
Daarbij komt dat sedert bijbelse tijden verschillende edelstenen andere namen hebben gekregen.

Uit de verschillende bijbelvertalingen  is een keus gemaakt, veelal uit de Statenvertaling. Deze is weer grotendeels in overeenstemming met de in Duitsland veel gebruikte ‘Elberfelder Bibel’, die aansluit bij de vertalingen in Engels en Frans van J.N Darby en W. Kelly.

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament       [43] borstlap

3e klas: vertelstof

Mineralogie

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas Oude Testament

.

1204

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (45)

.

AFGODERIJ

leven-o-t-203

1. Masseben (opgerichte stenen van Gezer).
„Binnen de stad of althans in haar onmiddellijke nabijheid was voor de KanaÄnieten de plaats, waar de goden worden vereerd (Statenvert. „hoogten”). Zo’n hoogte, die niet minder dan vijftien eeuwen achtereen in hoge eer is geweest, hebben de opgravingen in Gezer ons weer voor ogen gesteld. Daardoor kunnen we ons althans met enige zekerheid een beeld vormen van de bekende „hoogtedienst” waartegen Israëls profeten zo lang hebben gestreden. We vinden hier een aantal „opgerichte stenen”; onder deze trekt de kleine de meeste aandacht: het bovenste deel ervan is gepolijst, zoals dat alleen kan ontstaan door de altijd weer vernieuwde aanraking van devote lippen, die met vuur de steen kussen, of wel van handen, die in bloed of olie gedoopt, daarmee de steen zalven ter ere van de godheid. (A. Noordtzij).

leven-o-t-204

2. Babylonische godheid in de gedaante van een vis. Deze godheid herinnert aan de Filistijnse god Dagon. Men neemt gewoonlijk aan, dat hij een visgod was. Uit 1 Sam. 5 blijkt, dat het Dagonbeeld van Asdod hoofd en armen had. Of het onderstuk in visvorm uitliep, hangt af van de vraag, of we vers 4 aldus moeten lezen: „slechts zijn visvorm was op hem gebleven”, dan wel: „slechts zijn romp was op hem gebleven”. In het eerste geval (dat nog steeds waarschijnlijk is) heeft Dagon het hoofd en het bovenlijf van een mens gehad, waarschijnlijk de romp van een vis.” (Prof. Noordtzij).

leven-o-t-205

3. Vrouwelijke godheid.
De figuur is gehuld in een nauwsluitende kledij, die de lichaamsvormen goed doet uitkomen; de godin draagt halsketting, gordel en enkelring. Op het hoofd heeft zij een kroon naar Hethietisch model. De vrouwelijke godheid van het Kanaänietisch heidendom is de pendant van de mannelijken Baäl, naast wie zij herhaaldelijk wordt genoemd (Richt. 2 : 13; 10 : 6; 1 Sam. 7 : 4; 12 : 10). De naam is: Astarte, in het Hebreeuws As’toreth; meervoudsvorm Astaroth; daarnaast ook Asjerah. De Statenvert. heeft hiervoor „bos” maar het is duidelijk, dat wij b.v. in de „vierhonderd profeten van het bos” (1 Kon. 18 : 19) te doen hebben met dienaren van deze godheid. (Daarnaast komt het woord Asjerah ook nog in een andere zin voor, namelijk als de benaming van een voorwerp, dat tot de Kanaänietische eredienst behoorde; wel heeft de Statenvert. hiervoor ook „bos”, maar dit voorwerp is hoogstens een enkele boom, liever nog een boomstam of paal). Astarte vertegenwoordigt de vrouwelijke natuurkracht en wordt als de bron van alle vruchtbaarheid, als de verwekkende en onderhoudende godin van het leven vereerd” (Prof. G. C. Aalders).

leven-o-t-206

4. Baäl.
De naam van de mannelijke godheid in het Kanaänietisch heidendom. Oorspronkelijk is Baäl geen eigennaam; de goden werden niet bij hun naam genoemd, maar deze vervangen door het vage „baäl” d. i. heer of eigenaar van bepaalde heilige bronnen, bomen, dieren, bergen, stenen of plaatsen. Van deze lokale Baäls, die dus waarschijnlijk slechts beschouwd werden als de verpersoonlijking van de grote mannelijke godheid, smeekte de Kanaäniet de vruchtbaarheid van zijn land en alle goede gaven (Hosea 2:4). — De Baäldienst in de dagen van Achab en Izebel was gewijd aan de god der Feniciërs; deze dienst te bestrijden was dus nationale en godsdienstige plicht.

leven-o-t-207

1. Moloch
(volgens H. Vincent). Moloch is een woord, dat eigenlijk hetzelfde is als „melek”, dat koning betekent; vermoedelijk is Moloch hetzij slechts een andere naam voor Baäl in zijn verderfbrengende gedaante, hetzij een van de verschillende Baäls van Kanaän geweest. In Jer. 32 : 35 worden Moloch en Baäl gelijkgesteld. Moloch is de god van de verterende zon, die door de ritus van het „door het vuur gaan” gediend werd (Lev. 21 : 21; 2 Kon. 23 : 10). — De hier afgebeelde „Moloch” is een „stierenkop”, die ook herinneringen wekt aan de kalverendienst (1 Kon. 12 : 28) en drukt de gedachte aan de zinnelijke dienst uit door het mannelijk lid boven de neus op het voorhoofd. — Maar het is een betwiste kwestie of dit beeld wel „echt” is.

leven-o-t-208

2. Babylonisch levermodel.
Bij de Babyloniërs speelde de waarzegging uit de lever (hepatoscopie) een grote rol. Men beschouwde de lever van het geslachte dier met grote aandacht; „de lever bezien” (Ezech. 21 : 21) was geen uitvinding van mensen maar een gave van de godheid. De zonnegod „bepaalde de juiste stand van de ingewanden in het lijf van het schaap” en „schreef zelf in het lijf van het offerlam het orakel op”. Geen schaapslever is volkomen gelijk aan de andere. Steunende op dit feit, heeft men een geheel stelsel opgebouwd, om uit de lever der offerdieren de toekomst te voorspellen. Zo in het gezicht van Ezechiël 21 : 21. De koning van Babel staat op de kruisweg, aan het begin van de beide wegen om waarzeggerij te plegen: hij schudt de pijlen, ondervraagt de terafim, beziet de lever. — Nu werd ook bij Israël de lever wel beschouwd als de zetel van het leven en van het gevoel (Spr. 7 : 23; Klaagl. 2 : 11). Maar de Israëlietische wet heeft de bijgelovige praktijken onmogelijk gemaakt, door het voorschrift dat de leverkwabben der offerdieren verbrand moesten worden (Ex. 29:13; Lev. 3:4; 4:9).

leven-o-t-2093. „Assyrische” goden.
Relief van Tiglath Pileser III uit Kalach. Assyrische soldaten met spitse krijgshelm dragen godenbeelden; misschien als buit; in dat geval zijn het geen Assyrische goden. De voorste (a, b) schijnen vrouwelijke godheden te zijn; beide zitten. De derde godheid is grotendeels verborgen in een kast (c). De vierde (d) godheid is een bliksemgod met de dubbele bliksem in de linker- en de bijl in de rechterhand. De processie kan een trotse uiting wezen, hoe Assyrië’s macht sterker is dan de goden der volken (Jes. 36 : 19; 2 Kon. 18 : 34).

leven-o-t-210

4.Beeld van de godin Diana in de tempel te Efeze. Diana, de Latijnse naam voor de Grieksche godin Artemis was een godheid, die in de Grieks-Oosterse wereld veel geëerd was. De dienst van Artemis van Efeze, de „Diana der Efeziërs” was wijd verbreid („aan welke gans Azië en de gehele wereld godsdienst bewijst”, Hand. 19 : 27). Oorspronkelijk was de dienst van deze godheid een Oosters getinte natuurdienst; het beeld van Diana had dan ook verschillende zinnebeeldige kentekenen, die wezen op vruchtbaarheid en groeikracht. Afbeeldingen werden als wijgeschenk door vereerders van Diana meegenomen naar huis (Hand. 19 : 24).

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: vertelstof

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas Oude Testament

 

1160

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (44)

.

SYNAGOGE YAN KAPERNAUM

leven-o-t-201

1. De Synagoge van Kapernaum
zoals die was in de eerste eeuw

leven-o-t-202

2. Doorsnede en gezicht in deze Synagoge (naar Heinrich Kohl en Carl Watzinger, Antike Synagogen in Galilea).
Op een in zee vooruitstekende landberg liggen de oude ruïnes van de Synagoge van Kapernaüm: de benedenstukken van de muren staan nog overeind. Het was tot 1905 een ruïne; daarna hebben in de jaren tussen 1905 en 1921 onderzoekingen plaats gevonden; met grote toewijding is alles minitieus nagegaan; Franciscaner monniken, die met de wacht zijn belast, hebben getracht uit de voorhanden stukken het zó te groeperen, dat men een beeld van de Synagoge kreeg. En de geleerden Kohl en Watzinger hebben in hun boek over oude Synagogen in Galilea enkele tekeningen gegeven, die een reconstructie geven van de oude Synagoge in Kapernaüm. Het is, naar grote waarschijnlijkheid, de in Lukas 7 : 5 vermelde Synagoge, door de Romeinse centurio, de hoofdman over honderd, gebouwd. De Synagoge van Kapernaüm was gebouwd op een terras, iets hoger dan het oeverland: wie binnen wil treden, moet dus eerst dit terras beklimmen, dat 3.30 m. breed is; in het Westen (links) voert een trap van vier treden, in het Oosten een trap van dertien treden (rechts); dat verschil in treden is een gevolg van het feit, dat het terrein in Oostelijke richting daalt. De lengteas van het gebouw is Noord-Zuid; het voorfront is dus Zuid; de richting naar Jeruzalem, naar de Heilige stad, waarheen de Joden bij het gebed hun aangezicht wendden. Van het terras geven drie poorten toegang tot de eigenlijke Synagoge; de vierde deur rechts tot een hof, die aan de westzijde begrensd is door de muur van de Synagoge, aan de drie andere zijden door zuilenhallen. De Synagoges in Galilea hadden in de frontzijde drie deuren. In de hof was vermoedelijk een fontein, waarin men handen en voeten kon wassen.

Van binnen had de Synagoge aan drie zijden een zuilenhal; daarboven waren (wellicht) de plaatsen voor de vrouwen (ƒ). De stenen vloer in het midden (nu nog te zien) is dan de oude plaats van de Synagoge: daar is dus de plaats, waar de voeten van de Heiland  de bodem hebben betreden: hier heeft hij genezen de man wiens rechterhand dor was (Lukas 6 : 6). In deze synagoge heeft hij geleerd en hier heeft de Heiland de bezetene verlost van de onreinen geest (Markus 1 : 21—28). Hier heeft Christus gesproken van het Brood dat uit de hemel gedaald is: deze dingen zeide Hij in de synagoge, lerende te Kapernaüm (Joh. 6 : 59).

Vlak achter de frontzijde was een estrade (verhoogde plaats) met een lessenaar voor de lezing van de wet en met de kast of ark (bij c) voor de wetsrollen en de heilige boeken. Aan weerszijden daarvan staan twee kandelaars.

Links (bij g) is de hof; de lijn boven is een golvende lijn van het heuvellandschap.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: vertelstof

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas Oude Testament

 

1153

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL- 3e klas – het leven in het Oude Testament (43)

.

HEILIGE PERSONEN, GEBEDSRIEM

leven-o-t-196

1. Hogepriester.
De Hogepriester droeg over het priesterkleed:
a. Een bovenkleed, geheel geweven, ongenaaid, violetkleurig, met een door boord omgeven halsgat om er het hoofd door te steken, zonder mouwen, dat ongeveer tot even beneden de knieën reikte, zodat de witte linnen priesterrok zichtbaar was. Van onderen was de rand versierd met granaatappelen, gemaakt van dubbeldraadsgaren, afgewisseld met gouden klokjes.
b. De efod, vervaardigd uit violette, purperkleurige, karmozijnkleurige en witte draden, met gouddraad doorweven. Dit was waarschijnlijk een kledingstuk, dat de hogepriester droeg onder de armen over borst en rug. Het was vast om het lichaam gesnoerd; van achteren waren twee schouderstukken, die over de schouders heen, van voren aan de efod verbonden waren. Op de schouders waren twee onyxsteenen bevestigd in gouden rosetten gevat, en waarin de namen der twaalf stammen van Israël, zes op elke steen, gegraveerd waren.
c. Op deze efod bevond zich de borstlap; het was dubbelgevouwen en vormde een soort tas. Aan de buitenzijde bevonden zich twaalf edelstenen, vier rijen van drie, waarin de namen der twaalf stammen van Israël gegraveerd stonden. De borstlap diende tot bewaring van de Urim en Thummim.
d. Tot hoofdbedekking diende de Hogepriester een muts, waaraan door middel van een violetkleurige band bevestigd was een diadeem van zuiver goud, waarop de woorden „den Heere heilig” gegraveerd waren.

leven-o-t-197

2 en 3. Priesters
(naar Prof. de Groot). De priesters hadden voor hun dienst in het heiligdom een ambtskleding:
a. een lange rok met mouwen van wit linnen, geheel geweven, zonder dat eraan genaaid was;
b. een korte witte broek;
c. een muts van wit linnen tot hoofdbedekking, kegelvormig gewonden;
d. een gordel vervaardigd van dezelfde stoffen en in dezelfde kleuren als de voorhang van de Tabernakel (Ex. 39 : 29). „De beide einden van deze gordel konden tot de aarde reiken, doch werden, als de priester dienst had (3) over de linkerschouder geslagen (2). Deze gordel was vele meters lang en werd verscheiden malen van onder de oksels tot de heupen om het lichaam gewonden” (Prof. Dr Joh. de Groot).

leven-o-t-198

 

 

leven-o-t-199

4. Een Nazireeër.
Eigenlijk is het een gewezen Nazireeër. Wilde hij zijn gelofte beëindigen, dan nam hij de geschoren haardos in de linkerhand en voordat hij weer in het gewone leven mag terugkeeren, moet hij de offers brengen, die in Num. 6 : 13 v.v. worden opgesomd.

leven-o-t-200

5. Gebedsriemen (tefilliem):
zij bestaan uit een riem, waaraan een, uit zeer sterk perkament vervaardigd, zwart gelakt vierhoekig doosje (a) bevestigd is. In dit doosje bevinden zich vier op perkament geschreven gedeelten der Thora en wel: Ex. 13 : 1 en 11 : 6; verder Deut. 6 : 4—9 en 11 : 13—21. Op grond van Deut. 6 : 4—9 zijn er twee gebedsriemen: een voor het hoofd en een voor de arm. De gebedsriemen worden nu zó bevestigd, dat het ene kastje op het hoofd komt, tussen de ogen (zetel van het verstand) en het andere op de linkerarm, tegenover het hart (zetel van het handelen en van het gevoel, om aan te duiden, dat men met zijn hart de Heer liefheeft). De gebedsriemen heten in de Statenvert. van het Nieuwe Testament gedenkcedels (Matth. 23 : 5).

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

1146

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (42)

.

TEMPEL VAN HERODES (naar Schick).

leven-o-t-195

 

 

 

 

 

 

 

Op de voorgronde is een brug (a) over de beek Kedroti (2 Sam. 15 : 23; Johannes 18 : 1). Op de berg Moria (2 Kron. 3 : 1) of Zion (1 Maccab. 14 : 26) ligt het wijde grootse tempelplein. Aan de oostzijde van het tempelplein verheft zich in blanke schoonheid een zuilengalerij: dat is (c) de hal van Salomo (of voorhof van Salomo, Joh. 10 : 23; Hand. 3 : 11; 5 :12). Het schoonste is de koninklijke hal van Herodes (b) aan de zuidzijde; in één van die hallen daar heeft de twaalfjarige Jezus gezeten in het midden der leraren (Luk. 2 : 46). Aan de noord-westzijde is de oude burcht Baris, door Herodes de Groote vernieuwd, versterkt en omgedoopt tot Antonia (k); in de statenvert. „legerplaats” genoemd (Hand. 21 : 34); in de vert. van het Bijbelgenootschap „kazerne”. Van het tempelplein leiden trappen (j) opwaarts naar de burcht (Paulus staande op de trappen, Hand. 21 : 40). De grote voorhof (p) aan de zuidzijde is de „voorhof der heidenen”. Midden op het plein verheft zich een platform omgeven door een lage muur (d). Op zuilen zijn opschriften aangebracht, die iedere Jood verbieden niet verder te gaan. Daarom is het een zware beschuldiging tegen Paulus als de Joden van Azië het uitroepen: Deze heeft Grieken in de tempel gebracht en deze heilige plaats ontheiligd (Hand. 21 : 28). — Klimt men omhoog, dan is men op het platform. Negen poorten geven toegang: vier van het noorden, vier aan het zuiden, een aan het oosten. Deze laatste is de voornaamste (bij e); hier is de Schone Poort (Hand. 3 : 2). De Schone Poort geeft toegang tot het Voorhof der Vrouwen (ƒ). Daar waren tijdens het Loofhuttenfeest twee grote standaarden elk met vier lichten; elke avond verzamelde zich de menigte met brandende fakkels en werden de lichten met gejuich ontstoken. Het is naar aanleiding daarvan dat de Heiland spreekt: Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben (Joh. 8 : 12). Daar, op het voorhof der vrouwen was ook „de schatkist” (Mark. 12 : 41—44). Een hoge trap (i) van 15 treden geeft toegang tot het hoger gelegen voorhof der Israëlieten (g). Op die trap bij (i) mogen wij ons denken de plaats, waar Anna de profetes de Heere heeft beleden en waar de oude Simeon jubelde over het „Licht tot verlichting der heidenen” (die daarbuiten op het grote Tempelplein wandelden) en „tot heerlijkheid van het volk Israël” dat mocht naderen tot het heiligdom (Lukas 2 : 25—38). Van het voorhof der Israëlieten scheidt een lage borstwering van het Voorhof der Priesters (h) ; hier zijn Brandofferaltaar en Wasvat. Twaalf trappen ten westen van het altaar voeren naar het voorhuis van de Tempels; op die trappen zegenen de Priesters het volk; hier heeft de stomme Zacharia gewenkt tot de schare (Luk. 1 : 22). Achter het voorhuis zijn het Heilige en het Heilige der Heiligen. Hier is bij de dood van Jezus het voorhangsel gescheurd (Matth. 27 : 51).
Het is niet met zekerheid te zeggen, waar men zich moet denken „de tinnen van de tempels”; wel wordt aangenomen de hoge hoektoren in het zuidoosten, oprijzend boven de Kedronvallei (bij m). Aan de westzijde van het tempelplein was in de oudheid een dal, het dal Tyropeon (thans met puin gevuld); over dat dal leidde een brug (n) naar de Bovenstad, naar de stad Jeruzalem.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1139

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (41)

.

VOORHOF VAN DE TEMPEL

leven-o-t-194


Voorhof in de Tempel
(naar een voorstelling van Ch. Chipiez en G. Perrot). Op de achterzijde van de voorhof, vóór het Tempelgebouw, staan de zuilen Jachin en Boaz (b en c). De hoogte van deze kolossale bronzen zuilen (1 Kon. 7 : 15 w.; 2 Kon. 25 : 13 v.v.; 2 Kron. 3 : 15 v.v.; Jer. 52 : 21 v.v.) was 18 ellen (9 m); „een draad van twaalf ellen omving de pilaar” (1 Kon. 7 : 15) wat dus wijst op een doorsnede van 39/11 el — ongeveer 1.90; de dikte was vier vingers en de pilaar was hol (Jer. 52 : 21). Boven op de schacht was een kapiteel van vijf ellen (21 m. hoog) en omgeven door een bronzen vlechtwerk met twee rijen granaatappelen, elk 100 in getal. Hoe die kapitelen er precies uitzagen, weet men niet (zie 40 no. 3). Vermoedelijk waren zij vóór het tempelgebouw, en hadden zij geen draagfunctie. Tussen de zuilen ziet men (bij h) de ingang tot de voorhal: een dubbele deur van cypressenhout; de deurposten van olijvenhout. Daarboven de tempelmuur van massieve, zeer grote en forse stenen opgebouwd (met volmaakte steen, zodat geen hameren, noch bijl of enig ijzeren gereedschap gehoord werd in het huis, als het gebouwd werd; 1 Kon. 6 : 7). — De Salomonische tempel stond in een groten voorhof (a); men neemt aan, dat de vloer met stenen platen is bedekt. Dit plein heet “In de Bijbel de „binnenste voorhof” (1 Kon. 6 : 36; 1 Kon. 7 : 12). Vóór de ballingschap had het volk vrije toegang tot deze voorhof, waar de feesthoudende menigte dan samenstroomde (Jes. 1 : 12). In deze voorhof stond het grote brandofferaltaar (d, e); de koperen zee (maar zeer gedeeltelijk te zien bij i) en de rijdende ketelwagens (ƒ). Het brandofferaltaar is een statig bouwwerk van steen. Aan de oostzijde van het altaar is (naar de voorstelling in Ezechiël 43 : 17) een trap (in de tempel van Herodes was de opgang aan de zuidzijde en dan zonder trappen naar het oude gebod in Exodus 20 : 26). Rechts en links van het grote brandofferaltaar waren vijf rijdende ketelwagens (ƒ) het zijn in horizontale doorsnede vierhoekige stellages, twee meter in het vierkant, anderhalve meter hoog, van lijstwerk of repen brons gemaakt, waarop een ketel staat met een inhoud van ongeveer 141 hl. (Prof. Dr Joh. de Groot). Immers die „wasvaten” (gelijk de statenvert. 1 Kon. 7 : 38 ze noemt) hielden veertig bath (en 1 bath = 6 hin = 36,44 l, dus 40 bath 40 x  36,44 l = 1457,6 l). Op het lijstwerk van de stelling waren versieringen nl. leeuwen, runderen, cherubs (1 Kon. 7 : 29). De stellages reden op raderen (1 Kon. 7 : 33).

De voorhof was mogelijkerwijze (naar de reconstructie van Chipiez en Perrot) omgeven door een zuilengalerij; het tempelcomplex zelf was omringd door zijgebouwen (g).

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1133

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (40)

.

HET HEILIGE

leven-o-t-1931. Het Heilige was van het Heilige der Heiligen
afgescheiden door de Voorhang (F) die daar aan vier pilaren is opgehangen. De wanden rechts en links zijn opgetrokken uit houten berderen.* Aan de zuidzijde (Ex. 40 : 24) staat de Kandelaar (A) beter: luchter (Ex. 25 : 6; 35 : 8) want tot verlichting van het heiligdom diende „reine olie van olijven, gestoten tot de luchter” (Ex. 27 : 20). Het is een kunstwerk van louter goud. Op het voetstuk verheft zich de schacht (de recht opgaande stam): daaruit schieten drie paar rieten uit, die met hun top gelijk in hoogte staan met de top van de schacht. Op die top en op de zes rieten zijn „schaaltjes gelijk als amandelnoten”; daarin werden lampen met olie geplaatst. Onder het schaaltje ziet men een versiering van knopen en bloemen (Ex. 25 : 35). De lichten van de lampen in de amandelnoten op de rieten branden „aan zijn zijden” (Ex. 25 : 3, eigenlijk staat er: naar ‘de kant van zijn aangezicht”, dus aan het voorste deel). Bij de luchter behoorden nog kleinere gereedschappen „snuiters” en „blusvaten” (D links). — Vlak tegenover de gouden luchter stond aan de noordzijde (Exod. 40 : 22) de Tafel der Toonbrooden (bij C). De beschrijving is in Ex. 25 : 23—30 en 37 : 10—16. De tafel was van sittimhout** met goud overtrokken. Aan alle zijden was haar blad omgeven door een gouden krans (c); onder de krans was een lijst van een hand breed en onder die lijst weer een gouden krans; zij stond op vier pooten; verder waren er vier gouden ringen en daardoor werden de handbomen gestoken (bij H). Bij de tafel waren verschillende gereedschappen: schotels, rookschalen, [vermoedelijk kleinere schalen om daarin wierook te doen; die wierook maakte, naar Lev. 24 : 7, 8 het brood ten gedenkoffer] ; platelen (lage bekers) en kroezen (offerkannen). De broden waren twaalf in getal in twee rijen, zes bij zes, op de reine tafel (Lev. 24 : 6; daarbij was dan de wierook). — Het Reukaltaar (B) (Ex. 30 : 1—7; 37 : 25— 28) was van sittimhout overtrokken met louter goud; aan de hoeken zijn hoornen. — In Ex. 30 : 7, 8 wordt van Aaron gezegd, dat hij het gouden Reukaltaar zou aansteken; Aaron deed het bij de inwijding van de Tabernakel, bij de aanvaarding van zijn priesterdom, gelijk hij en de Hogepriesters na hem het deden op de Grote Verzoendag, op de Sabbath, op het feest der nieuwe maan en op de gezette hoge feesten. (Zo’n geval is hier voorgesteld op de tekening, waar de Hogepriester staat bij het Reukaltaar). Het reukwerk bestond uit vier bestanddelen (Ex. 30 : 34—36). – Het is dit reukwerk waarvan David bij vergelijking zegt: Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht (Ps. 141 : 2).

2. De koperen zee (koper is brons). De hoogte van de koperen zee (a), het bekken bedraagt ongeveer 2½ m„ de doorsnede aan de bovenrand ongeveer 4.90 m.; de dikte is één handbreed. Het bekken wordt gedragen door vier groepen van drie runderen (b) alle van brons vervaardigd (1 Kon. 7 : 23 v.v.; 2 Kron. 4 : 2v.v.).

3. Twee vormen, hoe men zich de zuilen Jachin en Boaz voorstelt. De kapitelen zijn omgeven door een bronzen vlechtwerk met twee rijen granaatappelen.

*oud woord voor plank, bord
**sittimhout

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1131

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.