VRIJESCHOOL – 3e klas – vertelstof

.
M.C.Benning, Erziehungskunst jrg. 17 nr.9 1953

.

Het Oude Testament als cultuurgeschiedenis in het 9e levensjaar

De ontwikkelingsfasen van het kind staan in een innerlijk verband met de ontwikkelingsfasen van de mensheid.* Op zoek naar de historische
gebeurtenissen die als menselijke geschiedenis onthullen wat het 8-9-
jarige kind doormaakt, voelde de schrijfster zich terugverwezen naar die tijdperken waarin het historische en het mythische nog een eenheid vormden.
Ze neemt een mythe van centraal belang om van daaruit de verhalende stof uit het Oude Testament in zijn unieke betekenis te belichten.

.

In de Orfische mysteriën van Eleusis werd de leerling in de mysteriën geleid naar het beleven en herkennen van zijn eigen eeuwige wezen in drievoudige vorm.
In de beelden van de Dionysossage vinden we een weerspiegeling van deze ervaringen.
Zeus, de geest van de wereld, trouwde met Persephone, de dochter van de aardemoeder Demeter. Persephone baarde hem de zoon die voor wereldheerschappij bestemd was, Dionysos-Zagreus.
Op een dag bekeek het kind zichzelf in een spiegel en werd zich bewust van zijn eigen beeld.
Toen vielen de Titanen, die uit de aarde oprezen, het aan en verscheurden het. Athene bracht het hart van de jongen naar Zeus. Hij bewaarde het in zijn heup. De Titanen sloeg hij met bliksemschichten neer. Uit de verbrijzelde Titanen en het in stukken gesneden lichaam van Dionysos ontstonden de mensen. Uit het hart van Dionysos, dat in de schoot van Zeus leefde, kwamen de helden en genieën voort. Uit hem zal op een dag de nieuwe Dionysus voortkomen, die de in de lijdende mensheid uiteengereten Dionysus in zich zal opnemen en hem tot eenheid in zijn eigen wezen zal voeren. 

Dat ontwaken uit het met de wereld verbonden bewustzijn tot zelfbewustzijn, dat hier in het mythische beeld wordt beschreven, voltrekt zich bij het kind
in het 9e, 10e levensjaar. Dan kijkt het kind „in de spiegel” en herkent zichzelf als Zelf. De titanische krachten van de aarde stijgen in hem op en scheiden hem af van de mensen, van de dieren, planten en stenen en dingen van de wereld, waarmee hij tot het 9e levensjaar een eenheid in zijn gevoelens vormde. Het kind ervaart „vervreemding”, voelt hoe zijn ik-bewustzijn, dat zich over de hele wereld uitstrekte, „versnipperd” raakt.

Rudolf Steiner heeft in zijn pedagogische voordrachten vaak gewezen op de betekenisvolle bewustzijnsverandering op deze leeftijd, en de opvoeder die zich in zijn „Menskunde“ schoolt, kan in de omgang met de 9- en 10-jarige dit feit en de betekenis ervan ervaren.

De ‘uiteengevallen Dionysos’ – het moge toegestaan zijn om bij dit beeld te blijven – openbaart zich met het ontwakende zelfbewustzijn in het kind. De eerste, over de wereld uitgestrekte vorm van de ik-beleving, de onverdeelde Dionysos-Zagreus, is verloren gegaan. Met dit individualiseringsproces komen nu alle mogelijkheden tot egoïsme naar voren. Vanaf dat moment werpen alle gevaren die voortkomen uit de “Titanen-erfenis” van het aardse bestaan ​​hun schaduw over de levens van mensen naarmate zij zich ontwikkelen.

Kan de opvoeder het kind in deze strijd bijstaan? De weg naar de nieuwe Dionysos – die in de wereldgeest leeft – en naar het nieuwe zelfbewustzijn dat zich uitstrekt voorbij de grenzen van het individu, kan slechts worden bewandeld met de hulp van Pallas Athena, de hoedster van het gerijpte menselijke kenvermogen. Door waarachtig kennen kan de uiteengereten Dionysos in de “nieuwe Dionysos” weer opstaan; de menselijke geest kan de geest in de kosmos herontdekken en zich verheffen boven zijn eigen isolement.

Over gerijpte kenvermogens beschikt het kind echter nog niet. De opvoeder kan daarop geen beroep doen. Toch kan hij helpen – want in wezen is alle opvoeding slechts voorbereiding. Door een kunstzinnige benadering van al het onderwijs – en vooral door het innerlijk bezielende beeld dat het gevoel van het kind aanspreekt – bereidt hij het kind voor om met een intuïtief voorgevoel de geest in de natuur en de geest in de menselijke geschiedenis waar te nemen.

Dit eerste inzicht – dat zich vóór het veertiende levensjaar ontwikkelt – en de daaropvolgende directe scholing van het denkvermogen voeren het kind voorbij zijn toestand van in-zichzelf-gekeerd-zijn.

Het leerplan van de vrijeschool beoogt deze vorm van ontwikkelingsondersteuning te bieden, zowel in zijn geheel als in elk van de afzonderlijke onderdelen.
Wat het derde schooljaar betreft, vermeldt het leerplan onder meer: ​​”De stof voor het vertellen en navertellen in dit jaar is ontleend aan de verhalen uit het Oude Testament; deze vormen voor het kind het allereerste begin van de wereld- en cultuurgeschiedenis.”
Het vertellen vindt doorgaans plaats aan het einde van de twee uur durende ‘hoofdles’ (het periodeonderwijs, dat wordt gevolgd door vaklessen). Deze leerstof begeleidt het kind dus gedurende zijn tiende levensjaar. In het vierde schooljaar wordt dit opgevolgd door de Germaanse mythologie, en in het vijfde jaar – wanneer voor het eerst de eigenlijke geschiedenisles begint – wordt de draad weer opgepakt met de sagen uit de klassieke oudheid. Vanaf de zesde klas neemt de studie van volkeren en culturen deze plaats in.**

In onze tijd zijn veel mensen de levende verbinding met het Oude Testament kwijtgeraakt. Het zal sommigen daarom wellicht verbazen – of misschien zelfs vreemd in de oren klinken – dat het Oude Testament zo’n bijzondere plaats inneemt in het onderwijsprogramma van een school die niet aan een specifieke levensbeschouwing is gebonden en die streeft naar een moderne, eigentijdse onderwijsaanpak.

De geschiedenis van het Oude Testament weerspiegelt de transformatie van het menselijk bewustzijn. Weliswaar zou een kind deze bewustzijnsmetamorfose binnen de menselijke evolutie ook kunnen ervaren via aspecten van de Keltische mythologie en geschiedenis, of via een deel van de Griekse culturele ontwikkeling. Het universele menselijke element neemt echter bij verschillende volkeren individuele vormen aan, en de kosmische taak om bepaalde ontwikkelingsstadia te belichamen, gaat van het ene volk op het andere over. Juist deze individuele vorm – en de missie van het jodendom in een bepaalde tijd – verleent het Oude Testament zijn unieke karakter. Met ijver en heftigheid keerden vertegenwoordigers van het Joodse volk zich in de periode na Salomo tegen de natuurverbondenheid van heidense volkeren, en daarmee ook tegen hun eigen verleden. Zij bestreden de esoterische leringen en mysteriecentra van andere naties – praktijken die op veel plaatsen in verval waren geraakt. Maar waar deze in hun zuiverheid bewaard waren gebleven – zoals deels in Griekenland of bij de Keltische druïden het geval was – dienden ze, ook in die tijd, nog steeds als een wezenlijke voorbereiding op een vorm van christendom die in het teken stond van de Opstanding; dat wil zeggen: op de esoterisch-christelijke stroming.

Het exoterische, historische christendom wordt voorbereid door het jodendom.
“In zijn vertegenwoordigers „woont de innerlijke God” Door afstand te doen van het oude, droomachtige besef van een universele verbondenheid met de natuur en door uitsluitend de ontwakende intellectuele vermogens te bevestigen, vervult dit volk zijn ware missie. Inderdaad lopen deze twee grondthema’s als een rode draad door zijn geschiedenis: soms roepen ze een grote tragedie op; op andere momenten — in de figuren van vooraanstaande leiders — worden ze op heroïsche wijze beheerst, met tegenwoordigheid van geest en overgave aan het lot; en soms wordt, door een profetische blik op de toekomst, de ware betekenis van deze missie diep doorleefd en met jubel en vreugde vervuld.
Zijn dit niet precies de twee grondthema’s die het negenjarige kind in de diepste lagen van zijn ziel beroeren als levende levensvragen? Het maakt zich los van de band met de natuur en ervaart, naast zijn ontwakende verstand, de eerste angsten van het individu-worden. Zo wordt het kind — via de spiegel van de cultuurgeschiedenis — zijn eigen problematiek voorgehouden als een vraagstuk van de mensheid, en als de geschiedenis en specifieke taak van een volk, in grootse en levendige verhalen. Het voelt de betekenis van zijn eigen worsteling aan door het licht dat vanuit het tijdperk na de geboorte van Christus op de Joodse geschiedenis valt.

De werken van Emil Bock over “Het Oude Testament en de geestesgeschiedenis van de mensheid” (uitgegeven door Verlag Urachhaus) kunnen van onschatbare waarde zijn bij de poging om het Oude Testament te leren herkennen en lezen als een cultuurhistorisch document. In dit driedelige werk laat Bock zien dat het Oude Testament pas tegen het einde ervan over specifiek Joodse geschiedenis handelt; dat het eigenlijke Jodendom pas gestalte kreeg in de periode na Salomo, toen de stam Juda – een van de twaalf Israëlitische stammen – op de voorgrond trad. Tot dat moment verwijzen de figuren uit de vroegste tijden – van Noach, Abraham, Isaak, Jakob en Jozef tot Mozes en zelfs tot aan David – stuk voor stuk naar stadia in de evolutie van het menselijk bewustzijn in het algemeen; een feit dat treffend kan worden geïllustreerd door parallellen te trekken met Griekse tegenhangers.

 

*Vaak wordt dit geïnterpreteerd als een soort recapitulatietheorie.
Het gaat hier niet om ‘herhaling’, maar om een vorm van bewustzijnsontwikkeling die we én bij de mensheid zien én bij de individuele mens.
**Meestal wordt voor de 6e klas de Romeinse mythologie genoemd, uitmondend in de geschiedenis gebaseerd op geschreven bronnen.

.

3e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 3e klas

.

3585-3378

.

.

.

.

 

 

 

 

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.