VRIJESCHOOL – 10e klas – aardrijkskunde

.
Er was Steiner veel aan gelegen dat de (jonge) mens zich verbonden weet met o.a. de aarde.
De aardrijkskunde biedt daartoe mogelijkheden, zoals hieronder wordt geschetst.
Dit artikel is een kleine 50 jaar geleden geschreven, de inhoud is niet verouderd; misschien wél de mogelijkheden om aardrijkskunde in de bovenbouw te geven met bovengenoemd doel i.v.m. exameneisen. En als deze gaan prevaleren boven de achtergronden, zijn er straks ook geen leerkrachten meer die het vak op de bedoelde vrijeschoolmanier kunnen geven. Of is straks reeds nu?
.

Andreas Suchantke, Erziehuingskunst jrg. 41 nr 12 1977

.

de aarde de mens

Over aardrijkskunde in de tiende klas

Tot verrassing van de leerlingen begon de periode niet met de gebruikelijke, langdradige presentatie van de docent, maar met het verzoek om de grote wereldkaart nauwkeurig en grondig te bestuderen: zowel het geheel als de details in zich op te nemen, de continenten met elkaar te vergelijken en – heel open – delen welke waarnemingen er in hen opkwamen.
Het was niet zo dat de docent slecht voorbereid was; hij keerde na lange afwezigheid terug in de klas. De leerlingen waren in de tussentijd veranderd, en de opgave was nu om een ​​stijl en toon te vinden die pasten bij hun huidige ontwikkelingsfase.
Deze eerste les kon dan ook niet zomaar kant-en-klaar worden gepresenteerd; hij moest samen met de leerlingen worden ontwikkeld en vormgegeven, wilde de docent niet het risico lopen de plank volledig mis te slaan.
Wat tijdens deze les naar voren kwam – en in vervolglessen werd voortgezet en in latere blokken verder uitgediept – verdient het om vastgelegd te worden; het is sindsdien gebleken een uitstekend aanknopingspunt te zijn voor de periode in de tiende klas die gewijd is aan holistische geografische thema’s. Maar ook  omdat het ruimte biedt voor verdere uitbreiding…
De eerste opmerkingen grepen terug op zaken die al bekend waren of eerder besproken – zoals het feit dat op het noordelijk halfrond landmassa’s overheersen, terwijl op het zuidelijk halfrond de oceanen domineren, of waarnemingen over het ‘bergkruis’: de oost-westoriëntatie van plooiingsgebergten in de Oude Wereld tegenover de noord-zuidrichting in de Nieuwe Wereld.
Dit bood de eerste gelegenheid om leven te blazen in deze waarnemingen, die voorheen wat abstract hadden geleken; zoals zo vaak waren de specifieke details van eerdere besprekingen in de vergetelheid geraakt. Bijvoorbeeld door erop te wijzen dat deze bergketens wijzen op bewegingsrichtingen die zich zowel in de natuurlijke wereld als in de menselijke en culturele sfeer manifesteren.
Oost-westconflicten hebben bijvoorbeeld herhaaldelijk een beslissende rol gespeeld in de Europese cultuur – tot op de dag van vandaag; sterker nog, juist door deze conflicten vond Europa zijn eigen identiteit.
Een schoolvoorbeeld hiervan, helemaal aan het begin, is het afslaan van de Perzen door de Grieken.

Veel vertegenwoordigers van onze inheemse flora en fauna zijn immigranten uit Azië die zich hier na de laatste ijstijd hebben gevestigd; onze vlinders zijn bijvoorbeeld grotendeels afkomstig uit het Verre Oosten – zij het niet uit het zuiden, waar hoge bergketens als barrière fungeren.
In Amerika vond daarentegen een intensieve uitwisseling in noord-zuidrichting plaats via de migratieroute die gevormd werd door de Cordillera en de westkust. Terwijl het vooral landbewonende soorten waren – zowel mensen als talloze dieren zoals lama’s en poema’s – die vanuit het noorden naar het zuiden trokken, waren het voornamelijk zeedieren en soorten die aangepast waren aan een koel, vochtig zeeklimaat uit Antarctische en sub-Antarctische gebieden die zich noordwaarts verplaatsten: zo bereikten Galápagospinguïns de evenaar en verspreidden circumpolaire fuchsia’s zich door de regenrijke bergbossen, van Vuurland tot Mexico. Ook kolibries rukten op tot in Alaska.

Vervolgens moeten deleerlingen de ruimtelijke ligging van de continenten bestuderen en nagaan of er sprake is van een waarneembare ordening, dan wel of de verdeling willekeurig en toevallig lijkt.
Het eerste kenmerk dat steevast opvalt, is de passende aansluiting tussen de oostkust van Zuid-Amerika en de westkust van Afrika. De betekenis van dit verschijnsel laten we voorlopig in het midden; het zal dienen als uitgangspunt voor de latere bespreking van continentverschuiving en platentektoniek.
Daarna merken de leerlingen al snel de overeenkomsten op tussen de twee Amerikaanse continenten. Deze details worden nader bekeken en bevestigd: de algemene vorm komt overeen – breed in het noorden, uitlopend in smalle schiereilanden in het zuiden. Op deze manier weerspiegelen beide continenten, op kleinere schaal, de structurele indeling van de aarde als geheel, die bestaat uit een noordelijk landhemisfeer en een zuidelijk waterhemisfeer. Verdere overeenkomsten zijn te vinden in de jonge, hoge bergketens in het westen, die contrasteren met lagere, oude bergketens in het oosten. Daartussen liggen uitgestrekte riviersystemen die enorme alluviale vlakten hebben gevormd.
Er zijn echter ook elders in de wereld paren van continenten te vinden – bijvoorbeeld Afrika en Europa. Hier ligt de situatie heel anders; in plaats van overeenkomsten treft men hier de grootst mogelijke contrasten aan. In het noorden ligt een klein, sterk geleed continent met alle denkbare soorten landschappen en terreinvormen – op kleine schaal fijnmazig gestructureerd in het westen, maar uitgestrekt en uniform in het oosten; langs de kusten grijpen land en zee nauw in elkaar door een veelheid aan eilanden en schiereilanden. Afrika vormt hierop een scherp contrast: uitgestrekte plateaus en laaglanden van enorme omvang, en een kustlijn van opmerkelijke eenvoud. Het is een continent dat gedurende lange geologische tijdperken “geschiedenisloos” bleef – in tegenstelling tot Europa, waarvan de sterk gelede structuur voortkomt uit oorzaken die ver in het verleden liggen – alsof de rijke en turbulente culturele evolutie van het continent al werd vooruitgelopen door een soortgelijke ontwikkeling van de aarde zelf.

Bij het derde continentenpaar – Azië en Australië – nemen de verschillen toe tot een uiterste polariteit: in het noorden ligt de omvangrijkste landmassa van de aarde, met gebieden die verder van de zee verwijderd zijn dan enig ander punt op het land. In het zuiden daarentegen ligt een continent dat grotendeels uit water bestaat – althans wanneer men niet slechts Australië, maar heel Oceanië in beschouwing neemt – en dat wordt gekenmerkt door de grote mate waarin de afzonderlijke ‘landen’ door de omringende oceaan van elkaar gescheiden zijn.
Van een willekeurige verdeling van de continenten is geen sprake; integendeel. Er zijn drie continentenparen die elk een vergelijkbare, duidelijke polariteit vertonen: in het westen is er sprake van overeenstemming tussen de noordelijke en zuidelijke partners, terwijl in het oosten het grootst mogelijke contrast heerst. Het is alsof deze paren drie stadia van ontwikkeling en rijping vertegenwoordigen: het oosten, met zijn sterk gedifferentieerde vorm, lijkt alle mogelijkheden tot structurele vorming te hebben uitgeput en verwezenlijkt – en staat daarmee symbool voor de ouderdom. Het westen daarentegen wekt de indruk ongedifferentieerd te zijn; door de eenvoud van zijn structurele opbouw lijkt het zich nog maar aan het begin te bevinden – en staat het symbool voor de jeugd. Het middelste paar bevat elementen van beide – van zowel het westen als het oosten – wat tot uiting komt in de structurele eenvoud van Afrika en de rijk gearticuleerde vorm van Europa.
De situatie rond het oostelijke continentenpaar – Azië en Oceanië – ligt echter complexer. Ertussenin ligt een bemiddelend gebied van overgangen en een sterke vervlechting van land en zee, bestaande uit talloze eilanden en schiereilanden die zich uitstrekken van India, via Indonesië, tot aan Japan. Beschikt deze tussenliggende zone over eigen, onderscheidende kenmerken, of is het slechts een overgangsgebied tussen noord en zuid, zonder eigen karakter? Juist op dit punt, en in reactie op deze vraag, ontstond het beslissende inzicht – midden in de les, tijdens een levendige discussie en het gezamenlijke proces van verkenning en ontdekking door leerling en docent: dit centrale gebied van Zuid-Azië vormt, in zijn noordelijke delen, de bakermat van de grote beschavingen.

De directe vervolgvraag – hoe verhoudt dit zich tot andere paren van continenten? – leidde tot een blik op het Middellandse Zeegebied als de zone tussen Afrika en Europa; langs de randen, eilanden en schiereilanden daarvan ontstonden de grote westerse culturen en volgden ze elkaar op. Een soortgelijk patroon is zichtbaar in Amerika: de hoogculturen van Mexico vonden hun oorsprong in de Centraal-Amerikaanse regio. Een andere inheemse cultuur – die van de Inca’s – strekte zich echter diep uit over het Zuid-Amerikaanse continent. Dit vormt een interessant contrast met Azië, waar vroege hoogculturen in China zich eveneens ver naar het noorden uitstrekten. De achterliggende betekenis van dit patroon vraagt ​​om nader onderzoek via een vergelijkende studie van de essentiële kenmerken van deze culturen, bezien tegen de achtergrond van de hieronder geschetste onderlinge verbanden.
De volgende vraag betrof de huidige situatie in deze tussenliggende gebieden. Wat is er gebeurd sinds India, het Middellandse Zeegebied en Centraal-Amerika hun vooraanstaande rol als centra van culturele schepping verloren – of, nauwkeuriger gezegd, afstonden aan andere regio’s?
Het antwoord van een leerling volgde snel: wereldwijd zijn culturele zwaartepunten naar het noorden verschoven – in Azië richting China, Japan en de Aziatische gebieden van de Sovjet-Unie; in Amerika richting de VS; en – het duidelijkst te volgen – in de centrale zone, van Egypte via het Nabije Oosten, Griekenland en Rome naar Centraal-, West- en Noordwest-Europa.
Dit laatste voorbeeld laat zien dat het proces niet slechts een verschuiving naar het noorden inhoudt, maar tegelijkertijd een beweging naar het westen van de dominante culturele centra. Deze twee trends zijn met elkaar verweven en worden zichtbaar wanneer men de wereld als geheel beschouwt: de weg liep van India, via het Nabije Oosten en het Middellandse Zeegebied, naar Noord-Amerika.
Hoe veranderde de cultuur tijdens dit proces? Een vraag die de docent nu opnieuw oppakt en – aan de hand van illustratieve voorbeelden – zo  gepresenteerd moet worden, dat de overgang zichtbaar wordt: de verschuiving van een macrokosmisch bewustzijn in oude oosterse culturen – waarbij het rijk der goden een hogere graad van werkelijkheid bezat dan de aarde waarop de mensen leefden – naar het agnosticisme en de materialistische mentaliteit van de moderne Noordwest-Europese beschaving.

In het midden van deze weg staat de Griekse cultuur. Voor het eerst stelt zij de mens centraal, de harmonieus geproportioneerde mens – wiens fysieke schoonheid de uitdrukking is van de innerlijke en uiterlijke harmonie van de ziel. De wereld is nog steeds bevolkt door goden; het geweten is nog geen geïnternaliseerde zielskracht, maar wordt ervaren en gepersonifieerd – op cyclische wijze – in de Erinyen. En toch verschijnen in de grote filosofen voor het eerst individuele, zelfstandige denkers die putten uit hun eigen innerlijk: de Griekse cultuur op het snijvlak van binnen en buiten, van kosmos en zelf. Bij dit alles kan men voortbouwen op wat de leerlingen al bekend is en een algemeen overzicht schetsen dat – zonder expliciet zo te worden benoemd – voelbaar wordt als een geboorte, een incarnatieproces, dat leidt tot een volledige “losmaking” van het menselijk bewustzijn van spirituele krachten en daarmee de voorwaarde schept voor vrijheid. Terwijl de impulsen van de cultuurhistorische ontwikkeling tot in de moderne tijd in oost-westrichting verlopen, geldt dit niet voor het natuurhistorische domein. Dit staat geens话说 in tegenspraak met de eerder genoemde oost-west-expansiebewegingen; integendeel: de dieren- en plantenwereld op de noordelijke breedtegraden vertoont zoveel gelijkenis dat Europa, Noord-Amerika en Azië (tot aan de Himalaya in het zuiden) zelfs worden samengevoegd tot één biogeografische zone: het “Holarctisch gebied”. Een soortgelijke situatie doet zich voor bij de zuidelijke continenten; hoewel deze door hun ruimtelijke scheiding andere soorten en families herbergen, delen ze vergelijkbare levensvormen (bijv. bestuivende vogels: kolibries in Amerika, honingzuigers in Afrika en Zuid-Azië, honingeters in Australië) en landschappen (tropisch regenwoud, savanne, enz.). Nee, de grote verschillen in de natuur zijn zichtbaar tussen noord en zuid, tussen het Noordpoolgebied enerzijds en de evenaar en het zuidelijk halfrond anderzijds.
Binnen dit spanningsveld heerst een krachtige dynamiek die samenhangt met de seizoenen – denk maar aan de vogeltrek of de noordelijke en zuidelijke moessons. Dit zijn ritmische processen binnen een gedifferentieerde ruimtelijke structuur: de ademhalingsbewegingen van een enorm organisme.

De gang van oost naar west vertegenwoordigt de migratie van de mensheid door de tijd en weerspiegelt haar spirituele evolutie. De noord-zuid-as, doortrokken van ritmes, drukt de ruimtelijke organisatie van de mens uit – en wel specifiek de menselijke gestalte:

Aangezien leerlingen al van jongs af aan vertrouwd zijn met de drieledigheid van het menselijk lichaam, zullen ze gemakkelijk een overeenkomstige drieledige structuur herkennen in de noord-zuid-configuratie van de aarde – met name de polariteit tussen de ‘vormpool’ en de ‘bewegingspool’ van de aarde. In het noorden overheersen niet alleen vaste afzettingen, maar ondergaan deze ook een bijzonder sterke ontwikkeling; in deze regio zijn culturen geëvolueerd van een beleving gebaseerd op gevoel en emotie naar het intellect en rationeel denken. Het zuidelijk halfrond correspondeert met het stofwisselings- en ledematensysteem; hier domineren bewegingssystemen het aardoppervlak – wat zich zowel uit in oceaanstromingen als in de dynamiek van de aardkorst, zoals blijkt uit de enorme verschuivingen van de fragmenten van het oude supercontinent Gondwana (Zuid-Amerika, Australië, Antarctica, India en Afrika). Het zuidelijke deel van de aarde wordt inderdaad veel sterker gekenmerkt door bewegingsprocessen dan het tektonisch stijvere noordelijk halfrond. En als we kijken naar de mondiale verhoudingen binnen onze huidige cultuur, vormen de zuidelijke continenten inderdaad de stofwisselingspool – zij zijn de leveranciers van grondstoffen – terwijl de technisch-wetenschappelijke en economisch-politieke intelligentsia geconcentreerd is in het noorden.
Dat deze twee sferen vervreemd van elkaar zijn geraakt en de spanning ertussen toeneemt, komt cultuurgeografisch tot uiting in het feit dat het “centrum” – de zone van de werkelijke culturele oorsprong – zijn betekenis heeft verloren; cultuurpolitiek gezien uit dit zich in het ontbreken van enig gevoel van broederschap en in de zwakte van de ethisch en moreel gemotiveerde achting tussen deze polen, die vreemden voor elkaar zijn geworden. Het ontbreekt aan krachten die niet louter voortkomen uit het intellect of uit een pure, voorwaarts gerichte wilskracht, maar juist uit het centrum – uit het hart. Zo zien we vandaag de dag, in plaats van polariteiten die elkaar aanvullen en ondersteunen, tegenstellingen die los van elkaar staan ​​en zich manifesteren als scherpe contrasten: tussen zwart en wit, tussen industrielanden en ontwikkelingslanden, enzovoort. Wanneer de periode “menskunde” in de tiende klas reeds is behandeld, kan ook op een ander verband worden gewezen: binnen het menselijk organisme bestaan ​​er kenmerkende verschillen in het samenspel tussen orgaan en orgaanproces, afhankelijk van of het gaat om het stofwisselings- en ledematensysteem of het hoofdsysteem. Terwijl in het stofwisselingssysteem het orgaan en zijn activiteit als het ware “op één lijn liggen” – en zozeer samenvallen dat er geen onderscheid tussen te maken valt, waardoor de processen in het orgaan zelf en de functies ervan onderzocht en vastgesteld kunnen worden – onderscheiden de hersenen en het zenuwstelsel zich doordat de ermee verbonden activiteiten (bewuste gewaarwording en denken) zich zo volledig van het orgaan hebben losgemaakt, dat ze er niet langer in kunnen worden aangetroffen of bestudeerd. Het waarnemen van impulsgeleiding in de zenuwen of het onderzoeken van de hersenen onthult niet hoe gedachten worden gevormd, gestalte krijgen en met elkaar worden verbonden; evenmin verklaart dit de kwaliteiten van de zintuiglijke waarneming.

In tegenstelling tot het stofwisselingsgebied hebben we hier te maken met twee gescheiden domeinen; we weten slechts dat ze op de een of andere manier met elkaar verbonden zijn – dat de zenuwen dienen als de fysieke ondergrond, de banen of de dragers voor onze bewuste ervaring. Deze scheiding bestaat niet vanaf het allereerste begin. Ze ontstaat naarmate de hersenen rijpen en de groeiprocessen hun voltooiing bereiken; op dat moment trekken de vormgevende krachten zich uit het orgaan terug – ze ‘excarneren’ tot op zekere hoogte en komen beschikbaar als denkkrachten. Als gevolg van dit vrijkomen van vormkrachten loopt het organische substraat – dat min of meer aan zichzelf is overgelaten – het risico af te sterven en te vervallen; dit proces moet worden gereguleerd door een intensieve toevoer van levenskrachten vanuit de tegenpool, het stofwisselingssysteem. In dat gebied zijn de levenskrachten nog volop werkzaam in de organen – het is de pool van het leven, maar wel een zonder waakbewustzijn. Wanneer men dit vergelijkt met de bewustzijnsvormen bij ‘noordelijke’ en ‘zuidelijke’ volkeren, komen ook daar parallellen naar voren. Het ‘Ik’ van de inheemse volkeren in tropische gebieden leeft in een toestand van dromende sluimering, uitgebreid tot in de omringende omgeving – niet in de kosmische weidsheid die kenmerkend is voor vroege oosterse culturen, maar veeleer binnen de natuurkrachten, dieren, bomen, de aarde en de weersverschijnselen van de wisselende seizoenen; ondergedompeld in de organische processen van het organisme van de aarde zelf. Anders ligt dit bij vertegenwoordigers van de moderne technisch-wetenschappelijke beschaving van het noorden, die – niet alleen in hun denken maar ook in hun levensgewoonten – een ongekende vervreemding en losmaking van de natuurlijke invloeden van hun omgeving hebben ondergaan. Een direct gevolg hiervan is dat de levende natuur wegkwijnt waar ze wordt blootgesteld aan dit bewustzijn, dat van haar vervreemd is geraakt.
Uiteraard kan men hier niet blijven staan.
Het losmaken van het menselijk bewustzijn uit de beperkingen van de natuur is immers tegelijkertijd een bevrijdingsproces dat nieuwe mogelijkheden biedt: namelijk om juist te handelen en de evolutie niet onbewust en instinctief voort te zetten, maar op basis van een bewust inzicht in de onderlinge samenhang. Dit is iets wat niet mogelijk is voor de stagnerende culturen van inheemse volkeren.

De Aarde: een beeld van de mensheid in zowel haar ruimtelijke als haar tijdelijke verschijningsvorm” –

 onder dit motto zouden de ontdekte overeenkomsten kunnen worden samengevat. Ze brengen een besef over van de onderlinge verbondenheid en verwantschap tussen aarde en mensheid – een ervaring die voor jongeren (wier belangstelling en innerlijke betrokkenheid zich in deze jaren tot wereldwijde schaal uitbreiden) een noodzakelijk tegenwicht vormt voor de dagelijkse indrukken van een mensheid die verscheurd wordt door spanningen en tegenstellingen.
Dit is des te belangrijker omdat de ontdekte verbanden sommige van deze tegenstellingen begrijpelijk maken – zonder te proberen ze weg te verklaren via simplistische, oppervlakkige redeneringen. Is de huidige intellectualistische denkwijze ontstaan ​​doordat culturen naar het noorden verschoven, of migreerden ze daarheen toen de tijd rijp was om deze vorm van bewustzijn te ontwikkelen – en omdat dit op noordelijke breedtegraden beter mogelijk was? Die laatste benadering lijkt passender in een context waarin het gaat om associaties, parallellen en correlaties, en niet om directe oorzakelijke verbanden. Een dergelijk perspectief biedt meer vrijheid; het ondergeschikt maken van het ene verschijnsel aan het andere blijft achterwege. In plaats daarvan worden de fasen van de menselijke culturele ontwikkeling gepresenteerd als zijnde in harmonie met geografische factoren, zonder erdoor te worden bepaald.
Op deze manier werpen de twee domeinen – de menselijke culturele evolutie en de vorm van de aarde – licht op elkaar. Men begint beter te begrijpen waarom Rudolf Steiner zoveel waarde hecht aan de verbinding tussen geografie en geschiedenis:
Bij deze benadering van de geografie is het nu de taak om te laten zien hoe de gebeurtenissen die zich in de geschiedenis voltrekken, afhangen van de aarde – van klimatologische omstandigheden en van alles wat de aarde op haar verschillende locaties voortbrengt aan wetmatige configuratie en structuur.

Zodra men inzicht heeft in de samenhang tussen zee, land en klimaat in het oude Griekenland, kan men terugvoeren wat voorheen louter als symptoom van de innerlijke evolutie van de mensheid werd gepresenteerd – namelijk het karakter van de Griekse beschaving – naar die fysieke basis. Er kan dan een diepgaand verband worden ontdekt tussen het geografische beeld van de aarde en de historische evolutie. In het ideale geval zouden beschrijvingen van aardse regio’s en verslagen van historische evolutie altijd in elkaar moeten grijpen.”*

*R. Steiner, GA 301/voordracht 12  Duits en vertaling  deze blog.

.

Dit kan uiteraard op uiteenlopende niveaus plaatsvinden; het zal niet altijd mogelijk – of zelfs maar nodig – zijn om diep in te gaan op fundamentele verbanden. Men kan zich ook beperken tot het ogenschijnlijk oppervlakkige beeld en vertrouwen op de zeggingskracht daarvan – bijvoorbeeld bij de bestudering van Noord-Amerika, door de extreme klimatologische contrasten zo te schetsen dat de agressieve hardheid van het continent tastbaar wordt. De natuur en het landschap bieden daar geen zachtheid, uitnodiging of gevoel van geborgenheid, maar werpen juist obstakels op; het is een natuur die als het ware vraagt ​​om een ​​’pioniersgeest’ en die in zekere zin de bodem bereidt voor de ontplooiing van karaktereigenschappen als moed, vasthoudendheid, uithoudingsvermogen en koelbloedigheid, maar ook meedogenloosheid en gewetenloosheid – eigenschappen waarvoor het milde klimaat van een land als Italië daarentegen geen enkele voedingsbodem biedt.
Op een ander niveau liggen de vragen die voortkomen uit de overheersende noord-zuid-as in de landschapsstructuur van dit continent – ​​een as die, zoals we hebben gezien, verband houdt met de fysieke configuratie van het organisme aarde, maar niet de lijn van de culturele en spirituele evolutie vertegenwoordigt. Vanuit dit perspectief zouden bepaalde tendensen in de moderne cultuur – die hun oorsprong in Amerika vinden – wellicht helderder begrepen en inzichtelijker gepresenteerd kunnen worden.
Dergelijke gezamenlijke ontdekkingen door docent en leerlingen – zoals die in dit artikel worden beschreven – zijn bovendien zeldzaam en vormen bijzondere momenten die niet dagelijks voorkomen.
En toch is dit in de geografie waarschijnlijk haalbaarder en bereikbaarder dan in veel andere disciplines: de vorm van het organisme aarde – in zijn beeldtaal – is nog lang niet ontcijferd; er valt nog oneindig veel te ontsluiten en op geheel nieuwe wijze te begrijpen wat betreft zijn vormen en processen, ten behoeve van een toekomstige morfologie en fysiologie van de a
arde.

.
Werk van de auteur:
Zum Sehen geboren
Insect forms and patterns
Metamorphose
Een artikel op deze blog
.

10e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3617-4009

.

.

 

.

 

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.