WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 3200 artikelen

Kleinere en grotere, makkelijk toegankelijke en die meer studie vragen; direct met de vrijeschool te maken hebbend of zijdelings: de meest uitgebreide vrijeschoolsite die er te vinden is.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken
leeftijden
over illustraties

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

EURITMIE
Alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GEZONDHEID – die van de leerkracht
Alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
alle artikelen

HANDVAARDIGHEIDSONDERWIJS
a
lle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
Alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1; klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7; klas 8; klas 9: klas 10; klas 11; klas 12

LEERPLAN
alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
Alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
Alle artikelen

SCHILDEREN
Alle artikelen

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
Alle artikelen

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
Niet elders gerubriceerd: alle artikelen

Auschwitz en Gaza 2025
Ahriman en/in het onderwijs;
Grafische vormgeving bij Steiner
Interviews met oud-leerlingen
Is het alles goud wat er blinkt….?
Kritiek op de vrijeschool
Kunstzinnige vormgeving van een klaslokaal
Naamgeving en schrijfwijze vrijeschool;
Ochtendspreuk;
Organische architectuur;
Steiner lezen?
Uitgangspunten vrijeschool;
Vrijeschool en antroposofie;
Vrijheid van onderwijs;  
Worden wie je bent

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

.
EN VERDER:

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cyprus; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israël; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouwen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Qatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – arbeid (9-10)

.
Steiner heeft veel over ‘arbeid’ gesproken en ook geschreven, o.a. in zijn boek: ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk  (GA 23)
In de jaren 1950 publiceerde Mellie Uyldert in boeken en in haar blad ‘De kaarsvlam’ over diverse onderwerpen die ook in de antroposofie aan de orde komen. Er zijn overeenkomsten, maar ook verschillen. Ondanks dat is het toch nog steeds de moeite waard, met haar inzichten kennis te maken. Haar gedachten kunnen aanleiding zijn tot het scherpen van de eigen gezichtspunten, ter ondersteuning of juist tot een gefundeerd afwijzen.
.

Mellie Uyldert, De Kaarsvlam, 10e jrg., nr.6, 1956
.

HEILIGE EN ONHEILIGE ARBEID

De mens en zijn werk

Is arbeid een straf? Een noodzaak? Of een zegen?

Arbeid is zeker geen straf voor zonde, want dan zou arbeid niet zo heerlijk en gelukkig makend kunnen zijn, en dan zou niet-arbeiden niet zo verre van paradijselijk, niet zo’n gruwelijke leegheid en verveling kunnen blijken.
Elk levend wezen arbeidt, elke cel arbeidt levenslang!

Arbeid is een noodzaak om in onze levensbehoeften te kunnen voorzien en hangt dus af van wat wij als onze behoeften beschouwen.

Er leeft ergens een indianenstam die volmaakt gelukkig is en vrijwel niet arbeidt: men vangt enkele visjes en plukt enkele vruchten als voedsel, verder zingt en danst men van levensvreugde, er is daar geen wet en, geen godsdienst, geen ziekte, geen verdriet en geen ruzie, men loopt naakt en slaapt in ’n hangmat buiten.

Wij werken hoofdzakelijk voor onze gewaande behoeften: wij begeren datgene wat een ander heeft, wat de advertenties en uitstallingen aanprijzen. Wie zich daarvan vrij houdt, heeft al heel wat minder behoeften. Wij begeren in de stof wat wij in de eigen ziel en het eigen lichaam reeds bezitten, maar verwaarlozen: wij moeten geld verdienen om onze kolenrekening te betalen, maar wij bezitten allen in ons lichaam een ingebouwd elektrisch kacheltje, dat de stroom uit de kosmos door middel van de adem betrekt, om niet, dat is de milt. Door de speciale lange uitademing (toemo oefening) kan men die kachel activeren en geheel warm zijn in de ergste kou. — Wij menen veel geld te moeten verdienen voor voedsel, maar ’t is in de hongerwinter toch wel gebleken, dat wij met veel minder eten toe kunnen komen en dan juist veel gezonder zijn en psychisch veel beter functioneren: bij vasten wordt ons veel meer bewust, ontplooien zich onbekende gaven der ziel (dichten!) door de bloedreiniging die inzet en blijken zich onze krachten en ons uithoudingsvermogen en vooral onze fijngevoeligheid te vergroten! Drie maaltijden per dag is te veel, men kan met twee of één toe komen, en als men dan ook maar het ware voedsel eet, dat de natuur onbedorven oplevert, zoals de wilde planten (brandnetels, melde, beukennoten, paddenstoelen, bosbessen, bv.) heeft men aan weinig genoeg. — En als men dan ten derde zijn door God gegeven krachten niet verdoet in een overdreven geslachtsleven, maar ze laat opstijgen naar de ziel, waar ze ons alle nodige goede invallen geven, dan bevrijden wij onszelf hoe langer hoe meer van die noodzaak om te werken voor geld.
Ook kunnen wij zoveel werk, dat wij nu met bewuste krachten ten koste van veel energie doen, beter aan onze onbewuste krachten overlaten, die anders bij gebrek aan bevelen maar gaan woekeren: het studieboek onder het hoofdkussen met de geconcentreerde intentie vóór het inslapen om deze leerstof ’s nachts op te nemen, kan ons moeiteloos klaar maken voor het examen: op een vraag geven wij dan van het onbewuste uit het goede antwoord, al weten wij niet dat wij het weten. (Dit is dus weer het innerlijke proces, waarvan de grammofoon onder het hoofdkussen ( bij de Amerikaanse studenten c.s. uiterlijke projectie in de stof is, net als radio en televisie)
Ten slotte wordt ons een enorme hoeveelheid arbeid en energie bespaard als wij de etherische stromingen gebruiken, die er vanzelf zijn, bv. onze vliegtuigen laten vliegen op die stromingen zoals een schip dat de rivier afvaart en zoals de Kontiki-expeditie over de oceaan, de vliegende schotels doen dat en hun bemanning moet wel medelijdend glimlachen om ons moeizaam kolen en petroleum winnen! — Wie met de tijden van de dag en van het jaar meedeint, dus ’s morgens handenwerk, ’s avonds zielenwerk, ’s zomers buiten- en lichaamswerk, ’s winters binnen- en zielen- en geesteswerk doet, die verslijt niet. Wie datgene doet, waar hij zin in heeft, wordt er niet door vermoeid, maar opgefrist door zijn concentratie van krachten, zijn onbelemmerde doorstroming, zijn gelukkig-zijn, zo presteert men het meest en wordt er gezond en wijs en gelukkig door!

Zo verandert de arbeid van een noodzaak in een zegen, zo wordt ze gelijk aan spel, dat eenvoudig spontane arbeid is, die bij ons past. Een kind dat geconcentreerd speelt, doet het werk dat God wil, dat is heilige arbeid, een deel van het groeiproces van de menselijke ziel. Als wij doen wat onze bestemming is, wat vanzelf van binnen uit komt en wat wij dan ook met ons hele hart doen in volledige concentratie aller krachten op het ene doel, dan zijn wij de transformator, die de kosmische krachten gebruiken om zich door middel van ons, levende schepselen (al het zg. levenloze meegerekend) te manifesteren, tot aanzijn te geraken. De voortstuwende krachten (de elektrische) laten ons scheppend werk doen, de zuigende (magnetische) voeren door ons het verlossende werk uit. Dat is de heilige arbeid die het doel van ons menselijk bestaan op aarde is — geen straf en niet zozeer noodzaak, maar een opdracht en taak, die het spel der goden is en die ons mensen gezond en gelukkig maakt en houdt!

Daarom is deze passende arbeid het meest economisch, want efficiency zit niet zozeer in besparing van manuren, maar in het verkrijgen van de hoogste prestatie bij het minste energieverbruik! Als de maatschappij zó wordt ingericht, naar het voorbeeld van de echte Montessori-school, waarvoor wij de nieuwe generaties immers al steeds klaarmaken, besparen wij al de kosten van ziekte en ongelukkig zijn, dat is bv. al de hele snoepindustrie, de alcohol en de sigaretten, want daar taalt een gelukkig, tevreden en gezond mens niet naar, en al de ziekten, die enkel correcties door de natuur zijn op een foutieve leefwijze en verkeerde arbeid.
En wij besparen al de misdaad en de seksuele wantoestand, die het gevolg zijn van de ledigheid der ziel bij werk dat de krachten van het hart niet nodig heeft — zodat die krachten, niet tot samenbundeling opgeroepen, zich verspreiden en automatisch de bv. in film en detective-story (zielverpestende feuilletons der dagbladen!) gegeven voorbeelden gaan verwerkelijken!

Onheilige arbeid vraagt vakantie tot redding van ons organisme, dat zich dan even herstellen kan uit de verwringing. Zo vraagt nu de bóer zelfs om vakantie, daar hij niet meer als vroeger in het ritme der natuur meewerkt en daardoor gedragen wordt, maar een industrieel geworden is en daardoor zichzelf net zo opgebruikt als hij het zijn als machines behandelde koeien en kippen doet.
Als iemands gewenste vakantie bestaat in niets-doen, dan is die mens al erg ziek en moet blijkbaar uit de verwringing eerst terug in de nul, vóór hij aan zijn ware zijn toekomt (en dan is de vakantie net weer om) — op die manier komt hij nóóit tot het ware werk, de heilige arbeid die zijn opdracht is, en al wat hij zijn leven lang, na zijn kindertijd misschien, gedáán heeft, gaat als waardeloos op de kosmische vuilnishoop — dit hele leven zal hij weer over moeten doen.

De hedendaagse jeugd heeft groot gelijk, als zij zich niet door hoge lonen voor zieldodend werk laat omkopen en steeds van baan wisselt tot zij gevonden heeft wat haar past, wat met de persoonlijke opdracht en bestemming overeenkomt.

Heilige arbeid is die arbeid, die vanzelf gedaan wordt door de krachten die de mens dan onbelemmerd doorstromen en waarin de mens zich zonder voorbehoud in dienst stelt van die krachten, zoals een gaaf kind doet. In dat opzicht moeten wij weer als de kinderen worden.

De mens die naar onafhankelijkheid streeft, laat zich geen behoeften en begeerten suggereren, maar ontwikkelt zijn eigen ingeboren vermogens en gebruikt de kosmische krachten die zich om niet aanbieden. Met zijn maats (zijn medemensen in dezelfde fase) bouwt hij daardoor vanzelf een nieuwe maatschappij op, die een paradijs kan heten, omdat de mens daarin gelukkig is, vrij van problemen, ziekten, verdriet en zorg, angst en vrees, vrij van overbevolking en „schadelijke” dieren of andere „vijanden”, want allen vanzelfsprekend samenwerkend. Want de harmonie der sferen is het patroon waarnaar de menselijke samenleving vanzelf opgroeit als de mens het proces niet meer verstoort, maar er in medewerkt.

De duimendraaiende leeghoofdige rentenier is geen ideaal, maar het onnatuurlijkste wat bestaat, want zoals God zelf zonder ophouden arbeidt, zo arbeiden zijn dienaren: de planeetkrachten, en zo arbeidt de mens als onmisbare medewerker mee in het Grote Werk.
Wil men de arbeid plicht noemen, goed, maar dan de innerlijke plicht, niet de uiterlijke die bestaat voor het geld verdienen om onnodige dingen te kopen, die de mens innerlijk onontwikkeld, primitief en hulpeloos houden. De innerlijke plicht van de mens is om zijn vermogens te oefenen en te ontplooien, zodat hij zelf als een god kan leven, vrij door inschakeling in de grote orde: „goden willen wij zijn, naakt en zuiver en rein, en van een edele waarde — vrij door ons zelve te zijn, geleiders van Zonne’s schijn — ja góden, góden op aarde!”

Loon naar werken

Dat wij werken is vanzelfsprekend, onze krachten willen iets doen.
Dat wij het materiaal ontvangen, waarmee onze krachten werken willen, dus onze ware levensbehoeften, is even vanzelfsprekend. Als praktische neutrale tussenvorm tussen dit geven en nemen, om het een in het ander te kunnen omzetten, heeft de mens het geld uitgevonden. Werken en ontvangen is een natuurlijke kringloop. Wij werken niet om het geld, wij werken en alle werk heeft resultaat — dit resultaat kan eenvoudig uitgedrukt of omgezet worden in een andere vorm, met behulp van de tussenvorm geld, die geen waarde of betekenis in zichzélf bezit.
Geld is neutraal. Wil men geen geld aannemen dat door uitbuiting is verdiend, omdat er „bloed aan kleeft”, dan hecht men ten onrechte een voorstelling aan dat geld, en leeft dan in de geldwaan. Beter kan men het wél aannemen en het voor iets góeds besteden! Zo kan men het „kwade” in het „goede” omzetten.
Geld is niets — maar de mens die er zijn eigen krachten in de vorm van wens en begeerte, toewijding en idealisering, geloof en verering, aan meedeelt, op projecteert, in belegt, laadt dat geld, dat niets is, op tot een machtige afgod, die hem kan tiranniseren, doordat die mens dat zelf wil! De slaven maken de tiran.’t Is maar wat men in het geld ziet. De saturnale mens wil „zijn geld eerlijk verdienen door inspanning en plichtsbetrachting” en slooft zich af voor een vast en bescheiden loon. — De joviale (Jupiter-)mens ziet in geld iets om te besteden en geeft al trakterend en royaal levend het geld uit, dat door de zuinige Saturnus-mens verdiend en opgespaard is.
Terwijl de joviale mens zijn god ziet als de goede vader, die de leliën des velds en het kleinste musje voedt, al arbeiden zij niet, beschouwt de saturnale mens zijn god als de grote boekhouder die nagaat en bijhoudt of men z’n kleine vreugden wel naar eer en geweten met arbeid verdiend heeft, en of de mens het kapitaal, door zijn schepper in hem gestoken, wel opbrengt. Als de balans niet sluit, moet hij door boete en straf het tekort aanzuiveren.
Zo ziet dan ook de saturnale mens het loon naar prestatie als het enig billijke en de joviale mens het loon naar behoefte. De eerste zegt: men moet maar alles aanpakken, opdat men geen schulden hoeft te maken! De laatste zegt: men moet edel leven door anderen te helpen en zichzelf niet te verminken, en wat men daarvoor aan geld nodig heeft, desnoods lenen. — Zo gunt de joviale mens het grote gezin z’n kinderbijslag, terwijl de saturnale mens zegt: de ouders hebben toch hun verantwoordelijkheidsgevoel gekregen om hun kindertal zo nodig te bepérken! Waarom moet de wel-gewetensvolle mens werken voor het seksuele gemak van de ander, die niet-gewetensvol is?!
De saturnale mens verzekert zich. De joviale rekent er maar op dat anderen hem wel zullen bijspringen in nood, en dat gebeurt ook, doordat hij anderen veel geholpen heeft.
Rente trekken vindt de saturnale mens ontoelaatbaar, omdat dan tegenover dat credit geen debet staat. De joviale mens zegt: alles in de natuur vermenigvuldigt zich, waarom dan het geld niet, dat een andere gedaante is van natuurlijke rijkdom, zoals een olijfboom die veel vrucht draagt?
Zo heeft ieder type zijn eigen geldmoraal, die een uitdrukking is van zijn aard en gebruikt wordt om die aard te handhaven en te excuseren waar nodig.
Men vraagt wel eens: mag een genezer, die nu eenmaal uit zichzelf de gave van het genezen bezit, voor zijn genezingen geld vragen of aannemen?
Uit wat voor soort denken komt zo’n vraagstelling voort?
Uit het boekhouders-denken, het geld-denken van Saturnus. Men redeneert: een arts heeft een dure opleiding achter de rug, die moet hem nu weer iets opbrengen. Een genezer heeft er geen geld in gestoken, dan hoeft hij er ook niets uit terug te krijgen. (Dit zou dan echter alleen gelden voor een werkstudent, die zijn studie zelf betaald heeft; als men de vader inschakelt, die de studie gefinancierd heeft, komt men tot een en de genezer wel! Als het loon gegeven wordt voor het ware resultaat (groepziel-moraal.) Dat is weer debet en credit, en loon naar werken. Maar dat klopt toch ook weer niet, als de arts zijn patiënt niet geneest, van het werk, moet men arts en genezer beide alleen betalen als men genezen is. Een slecht arts, die wel gestudeerd heeft, maar niet de gave van het genezen heeft, kan dan maar beter een ander beroep gaan uitoefenen.
Als men de beloning „aan de beleefdheid overlaat”, als het een honorarium, dus een ere-loon is, omdat de prestatie ook eigenlijk niet in geld is uit te drukken, althans niet daarmee gelijk te stellen, dan geven de gierigen te weinig voor het door hen ontvangene terug. Dan krijgen we het verschijnsel van de „arme kunstenaars” en de goedige mensenhelpers, die zich laten uitbuiten, en die daardoor niet alleen honger lijden, wat een les voor hen zou kunnen zijn, maar die bovendien hun medemensen slecht maken, door de gelegenheid tot uitbuiting te geven. Met het oog op dit gevaar is het dus misschien maar beter dat de genezer rekeningen schrijft.
Vroeger werd het geld verdiend in ’t duister door de mannen, terwijl de vrouwen niet wisten hoe. Daardoor werd het begrip „vies” en „vuil” aan het geld gekoppeld, en werd „liefdewerk”, nl. onbetaalde arbeid, veel hoger gewaardeerd dan betaald werk, dat met evenveel liefde werd gedaan, door hen, die géén kapitaal achter zich hadden. En daarom werd het dan weer afgekeurd als iemand zijn gaven wegschonk „voor geld”, bv. zingen. Tegenwoordig nu vrijwel iedereen z’n brood door arbeid moet verdienen, is het heel gewoon dat men voor welk werk dan ook betaald wordt, eenvoudig omdat iedereen leven moet van datgene waaraan hij zijn tijd en zijn krachten besteedt. En het is te lastig om te leven van fruitmanden en dergelijke attenties.

Zodra men geen onheilig werk meer verricht „om het geld”, verdwijnt ook de gewaande onheiligheid van het geld!

Is er eigenlijk wel zo’n duidelijk en precies verschil tussen een groep die zijn kennis en een groep die zijn aangeboren gaven gebruikt? Is het leervermogen ook niet een gave, en gebruiken wij niet allemaal de een of andere gave voor ons werk? Alle gaven zijn toch om niet ontvangen, en alle mensen hebben toch wat geld nodig om te leven? Speelt in deze hele probleemstelling niet weer dat boekhoudersdenken een rol, die vindt dat arbeid beslist naar en zuur moet zijn, omdat men anders het loon ervoor niet verdient? Dat het geld die zure arbeid moet verzoeten? — En is dat niet helemaal in strijd met wat wij gevonden hebben, dat de ware arbeid de mens vreugde schenkt, geheel onafhankelijk van en niets te maken hebbende met het loon? Alleen de onheilige arbeid dwingt om loon om evenwicht te maken. Het loon is dan ook helemaal niet te beschouwen als een tegenwicht van de geleverde arbeid, maar als een vorm van de vanzelfsprekende voorziening in de werkelijke behoeften, die ieder mens ontvangt als hij in het Grote Werk mee arbeidt. Wij werken niet om het loon of om het geld, maar omdat het onze taak en bestemming is. En wat wij aan de gemeenschap geven, ontvangen wij van de gemeenschap terug volgens kosmische wet en dat kan dan in de vorm van geld omgezet worden waar nuttig.

Wij hebben dus bij de keuze van ons werk niet te denken aan het mogelijke loon, want dat heeft er niets mee te maken.

De gedachte aan het loon zou ons tot de keuze van het verkeerde werk kunnen verleiden en dan gaat alles verder scheef, ook bij uiterlijk „succes”. Ons werk vult ergens een tekort, en wordt dus tegelijk van binnenuit (door ons overschot aan productie) als van buitenaf (door een overconsumptie in de omgeving) bepaald. Dit gebeurt vanzelf, als wij ons met ons hele hart in dienst van God stellen, en zo wordt de keuze voor ons bepaald, door de Orde zelf, door God, door de Bestemming, niet door de statistiek (al kan die in ’n enkel geval ook wel eens een werktuig zijn.).

Het verkeerde denken, hier het gelddenken, trekt de zaak scheef. De Cyprioten bv. hebben als alle andere volken en volksgroepen een natuurlijk recht op zelfbeschikking en zelfregering of op een vrije keuze van een regering — het geld-denken brengt de staat Engeland er toe, om te zeggen: al hebben wij het zelfbeschikkingsrecht der volken mede-ondertekend, de olie van Koeweit is voor ons reden om het recht te verkrachten en om wie er voor opkomt te vermoorden — right or wrong, my country! ofwel: my money.

Niet het geld, maar het geld-denken bederft de onderlinge verhoudingen van volken en staten, van mensen onderling (werkgever en werknemer, ouders en kinderen, huwelijkspartners, collega’s die er door tot concurrenten worden, enz.) en van mensen en andere schepselen (uitbuiting van plant en dier en van Moeder Aarde’s lichaam!).
Het geld-denken verminkt het vrije geven tot iets-terug-doen, ofwel het doet een spontane gift ervoor aanzien.
Het schenkt de opvoeding een verkeerd doel: het schoolhuiswerk gaat door dik en dun voor de natuurlijke spelbehoefte, om een betere baan te verwerven, d.w.z. een die meer geld opbrengt. De ontplooiing der ingeboren talenten echter leidt tot het passende werk, dat gelukkig maakt en iets wezenlijks is, terwijl het dode werk, gedaan met een dood hart om niets dan geld, niets goeds opbrengt of nalaat.

Het geld-denken bederft de natuurlijke waardering der dingen.

Het laatste stukje ontbreekt. 

.

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3516-3304

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over godsdienstonderwijs (GA 309)

.

Als Rudolf Steiner in 1919 de cursussen geeft voor de op- en inrichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart, worden uiteraard ook de vakken genoemd die onderwezen gaan worden.

Het was in die tijd gebruikelijk dat in het ‘openbare’ onderwijs – laat ik voor het gemak maar zeggen: dominee of pastoor – onderwijs gaven over de geloofsrichting die zij vertegenwoordigden: die dienst die ze aan hun god wilden bewijzen, dus godsdienstonderwijs.

De kinderen die naar de vrijeschool komen, krijgen geen antroposofische godsdienst. Steiner wil van de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school maken, ‘slechts’ een methodeschool.
Dat heeft hij vele keren benadrukt!

Maar wanneer niet-confessionele ouders – aanvankelijk de antroposofisch zich oriënterende ouders – ook voor hun kinderen godsdienstonderwijs ‘vanuit de antroposofie’ willen, geeft Steiner daar richtlijnen voor. Dat noemt hij bewust ‘wereldbeschouwing’, antroposofisch georiënteerde wereldbeschouwing’.

GA 309  op deze blog vertaald

.

Anthroposophische Pädagogik und ihre Voraussetzungen

Uitgangspunten van het vrijeschoolonderwijs

Voordracht 2, Bern 14 april 1924

Blz. 24-25     vert. 24/25

Ich möchte nun wie als eine Anmerkung erwähnen, daß wir ja in
Stuttgart, wo wir in der Lage sind, seit Jahren im Sinne der anthropo-
sophischen Pädagogik in der Waldorfschule zu wirken, auch nach
außen hin ganz klar erkennen ließen, daß es nicht darauf ankommt,
Anthroposophie als solche in die Schule hineinzutragen. Wir haben
einfach den Religionsunterricht als solchen übergeben für katholische
Kinder dem katholischen Priester, für evangelische Kinder dem evangelischen Pfarrer, und nur für diejenigen Kinder, deren Eltern wünschen, daß sie eine freie Religionslehre bekommen, für die werden freie Religionslehren aus der Anthroposophie heraus gegeben; so daß das Weltanschauungsmäßige in der Waldorfschule eigentlich nicht berührt wird.

Ik zou nu  willen opmerken, dat wij in Stuttgart, waar we in staat zijn, sinds jaren in de zin van de antroposofische pedagogie op de vrijeschool te werken, ook naar de buitenwereld heel duidelijk lieten weten, dat het er niet op aankomt, antroposofie als zodanig in de school te introduceren. We hebben eenvoudig het godsdienstonderwijs als zodanig overgedragen aan de priester voor de katholieke kinderen en aan de evangelische dominee voor de evangelische kinderen en alleen voor die kinderen waarvan de ouders wilden dat ze een vrije godsdienstleer zouden krijgen, voor hen worden vrije godsdienstlessen gegeven vanuit de antroposofie; zodat wereldbeschouwing op de vrijeschool eigenlijk niet aan bod komt.
GA 309/24-25
Op deze blog vertaald/24-25

Blz. 92-93    vert. 92-93

Vragenbeantwoording bij de 3e voordracht, Bern 15 april 1924 

Frage:    Zur Frage des Religionsunterrichts.

Ich habe schon erwähnt, daß wir in der Waldorfschule das so einge­richtet haben, daß wir den Religionsunterricht der katholischen Kin­der durch den katholischen Priester, den der evangelischen Kinder durch den Pastor besorgen lassen, daß wir nur diejenigen Kinder frei-religiös erziehen, deren Eltern dies wünschen. Für diese Kinder ist zunächst eine Art von Pädagogik-Didaktik für den Religionsunterricht
.

Vraag:
Over het godsdienstonderwijs

Ik heb al gezegd dat wij op de vrijeschool het zo georganiseerd hebben, dat wij het godsdienstonderwijs voor de katholieke kinderen door de katholieke priester, voor de evangelische kinderen door de pastor laten verzorgen, dat wij alleen die kinderen op een vrij-religieuze manier opvoeden van wie de ouders dat willen. Voor deze kinderen moest eerst een soort pedagogie-didactiek voor het godsdienstonderwijs

Blz. 93   vert. 93

auszuarbeiten gewesen. Für die Pflege des katholischen und evangelischen Unterrichtes sind die betreffenden Lehrer maßgebend. Das­jenige, was in unserem freien Religionsunterricht gepflegt wird, unter­liegt ganz denselben Gesetzen wie der übrige Unterricht, insofern sie auf geistiger Menschenerkenntnis überhaupt beruhen. Man richtet den Religionsunterricht so ein, daß man vor allen Dingen davon ausgeht, das im Kinde seelisch-geistig entwickeln zu lassen in der zweiten Le­bensepoche, was in der ersten Lebensepoche naturhaft vorhanden ist. Ich habe auseinandergesetzt, wie in der ersten Lebensepoche der Leib des Kindes sich naturhaft-religiös zu der Umgebung verhält. Das tritt dann zurück ins Seelische, indem der Leib sich emanzipiert, und man muß nun im Seelisch-Geistigen wiedererwecken diese Hingabe an die Umgebung. Das erreicht man am besten, wenn man versucht, ein Ge­fühl vor allen Dingen in dem Kinde zu entwickeln für das, was man ihm märchenhaft, legendenhaft übermittelt. Darum handelt es sich vor allen Dingen, daß man versucht, in ihm die Empfindung der Dank­barkeit für das Dasein, für die Schönheiten, die die Welt bietet, zu er­wecken. Ist man in der Lage, die Dankbarkeit zu erwecken, dann geht dieses schon allmählich über in das Gefühl der Liebe. Daraus läßt sich das Moralische entwickeln.

uitgewerkt worden. Voor de verzorging van het katholieke en evangelische onderwijs zijn de betreffende leerkrachten leidinggevend. Wat in ons vrije godsdienstonderwijs verzorgd wordt, is aan dezelfde eisen onderhevig als de rest van het onderwijs, voor zover dit berust op geestelijke menskunde. Het godsdienstonderwijs wordt zo georganiseerd dat men er boven alles vanuit gaat, dat in de ziel en de geest van het kind zich dat in de tweede levensfase laat ontwikkelen, wat in de eerste fase van nature aanwezig is. Ik heb uiteengezet hoe in de eerste levensfase het lichaam van het kind in een natuurlijk-religieuze verhouding staat tot de omgeving. Dat trekt zicht terug in de ziel, wanneer het lichaam zelfstandiger wordt en in ziel en geest moet je nu weer deze overgave aan de omgeving wekken. Dat bereik je het beste wanneer je probeert in het kind een gevoel voor alles te ontwikkelen, wat je dan in de vorm van sprookjes, legenden vertelt. Daarom gaat het er in de eerste plaats om dat je probeert in hem een gevoel van dankbaarheid op te roepen voor het bestaan, voor het mooie dat de wereld biedt. Ben je in staat dankbaarheid te wekken, dan gaat dit al langzaam over in een gevoel van liefde. Daaruit kan het morele dan ontwikkeld worden.
GA 309/92-93
Op deze blog vertaald/92-93

Rudolf Steiner: godsdienstonderwijs alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3517-3303

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (98)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

NIELS HOLGERSSON

Dit beroemde jeugdboek van Selma Lagerlöf vertelt over Niels (Nils) die door zijn gedrag door de huiskabouter voor straf net zo groot wordt als hij is. Niels verlaat zijn huis en gaat mee met de wilde ganzen die op trektocht naar het noorden zijn. Onderweg beleeft hij met de ganzen allerlei avonturen: hoe gevaarlijk is Smirre, de vos. Van Akka van Kebnekajse, een naam die je niet meer vergeet, leert Niels veel over het leven.
Lagerlöf weeft er vele verhalen tussen die een blik geven op het Zweedse landschap, of ze vertelt sprookjesachtige geschiedenissen over streken en steden.
Soms is Niels in gevaar, maar dan is er altijd Akke, en niet te vergeten Maarten, de ganzerik, die bijna nooit zonder Niels op zijn rug, vliegt.
Er zijn van het boek allerlei uitgaven, het is verfilmd bv.
Het exemplaar hierboven is geïllustreerd door Anton Pieck.

Selma Lagerlöf

Niels Holgersson

Uitgeverij Gottmer

v.a. 8 jaar

 

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3516-3302

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL- actueel- Palmpasen – Pasen

.

Palmpasen en Pasen: alle artikelen

Pasen wordt met een hoofdletter geschreven; alle afleidingen en samenstellingen met een kleine: paashaas, paaszondag.

Dat geldt ook voor Palmpasen; palmpasenstok.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Palmpasen – Pasen

.

.

VRIJESCHOOL – Mededeling – Sociale driegeleding – agenda/activiteiten

.

‘SOCIALE DRIEGELEDING’

website

Nummers van tijdschrift Driegonaal

Nieuwsbrief sociale driegeleding

Nr. 7 / 16 januari 2026

Zéker te weten: stuur deze Nieuwsbrief gerust door naar een ieder die beseft dat we het met maatschappelijk knip- en plakwerk niet gaan redden en dat er fundamentele veranderingen gevraagd worden. Zij zijn noodzakelijk om in deze woelige tijden het mens-zijn te behouden.

Actueel

Macht (en moraliteit)

De  combinatie van macht en moraliteit doet een beetje denken aan die van water en  olie. En het uitoefenen van macht, zelfs wanneer dat vanuit wezenlijke  moraliteit gebeurt, betekent een aantasting van diezelfde moraliteit Lees verder »

Janboel

Cultuur, politiek en economie zijn drie heel verschillende aangelegenheden. Voor alle drie geldt: zij gedijen het best wanneer zij op eigen benen staan en hun eigen ding doen. Als zij op één hoop worden gegooid, wordt het een janboel.

Dan krijg je … Lees verder »

Artikelen
Wat is sociale driegeleding?

Is sociale driegeleding zo ingewikkeld? Maar,… het is toch niet zo moeilijk in te zien dat,… Lees verder »

Driegeleding in vraag & antwoord

Waarom zou de samenleving uit drie delen bestaan? Lees verder »

Agenda
Bekijk de volledige agenda: KLIK HIER

Een krant over Sleipnir

In een zojuist verschenen krant wordt een uitvoerig beeld gegeven van de  ervaringen die worden opgedaan met het ondernemen zonder dat er sprake is van privé-eigendom.

Moet ieder in de economie zijn eigen belang najagen en levert dat voor het geheel de beste situatie op? Is het nodig dat een ondernemer zijn bedrijf bezit?

Uit de concrete praktijk van ruim 35 ondernemingen die zijn aangesloten bij Stichting Sleipnir, blijkt iets heel anders!

In de eenmalige krant vind je een schat aan praktijkervaringen, interviews, beschrijvingen van wat er binnen de samenwerking ontwikkeld is en wordt – en natuurlijk de inzichten die uit de sociale driegeleding en associatieve economie geput kunnen worden.

Je kunt de krant HIER downloaden

Exemplaren van de krant ontvangen?
Je krijgt de krant, vanaf minimaal 10 exemplaren, gratis thuisgestuurd.
Mail naar info@nearchus.nl en vermeld het aantal dat je ontvangen wil.



Sociale driegeleding: alle artikelen op deze blog

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over godsdienstonderwijs (GA 307)

.

Als Rudolf Steiner in 1919 de cursussen geeft voor de op- en inrichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart, worden uiteraard ook de vakken genoemd die onderwezen gaan worden.

Het was in die tijd gebruikelijk dat in het ‘openbare’ onderwijs – laat ik voor het gemak maar zeggen: dominee of pastoor – onderwijs gaven over de geloofsrichting die zij vertegenwoordigden: die dienst die ze aan hun god wilden bewijzen, dus godsdienstonderwijs.

De kinderen die naar de vrijeschool komen, krijgen geen antroposofische godsdienst. Steiner wil van de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school maken, ‘slechts’ een methodeschool.
Dat heeft hij vele keren benadrukt!

Maar wanneer niet-confessionele ouders – aanvankelijk de antroposofisch zich oriënterende ouders – ook voor hun kinderen godsdienstonderwijs ‘vanuit de antroposofie’ willen, geeft Steiner daar richtlijnen voor. Dat noemt hij bewust ‘wereldbeschouwing’, antroposofisch georiënteerde wereldbeschouwing’.

In deze voordracht gaat het over:

Vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school <1>  <4>
Verschillende godsdiensten vertegenwoordigd door hun geestelijken (priester, dominee) <2>
Godsdienstonderwijs vanuit de antroposofie voor de ouders die dat voor hun kinderen willen <3> <12>
Dit godsdienstonderwijs is door en door christelijk <5>
Voor het ‘hoe’ is de leeftijd bepalend: tot het 9e jr. het Vaderprincipe<6>
Dankbaarheid <7> liefde <8> plicht <9>
Christus en het mysterie van Golgotha <10>
Voorbereiding op het Nieuwe Testament <11>
Zondagshandeling <13>
Waarom dit godsdienstonderwijs <14>

GA 307    vertaald

Gegenwärtiges Geistesleben und Erziehung

Opvoeding en moderne cultuur

Voordracht 11, Illkley 15 augustus 1923

Begründung und Einrichtung der Waldorfschule

Grondslagen en inrichting van de vrijeschool 

Blz. 203  vert. 260/261

Dieses Allgemein-Menschliche im Unterrichts- und Erziehungswesen, das ich für die verschiedensten Unterrichtszweige charakterisieren mußte, das muß sich im Waldorfschul-Prinzip besonders dadurch ausleben, daß diese Waldorfschule nach keiner Richtung hin eine Schule der religiösen oder philosophischen Überzeugung oder eine Schule einer bestimmten Weltanschauung ist. Und nach dieser Richtung war es ja natürlich notwendig, gerade für ein Schulwesen, das sich aus der Anthroposophie heraus entwickelt hat, darauf hinzuarbeiten, daß nun ja diese Waldorfschule weit, weit davon entfernt sei, etwa eine Anthroposophenschule zu werden oder eine anthroposophische Schule zu

<1>Dit algemeen-menselijke in onderwijs en opvoeding dat ik voor de meest uiteenlopende takken van onderwijs moest karakteriseren, dat moet in het vrijeschool-principe gestalte krijgen doordat deze vrijeschool in geen enkele richting een school is met religieuze of filosofische overtuiging, of een school met een bepaalde wereldbeschouwing. En in dit opzicht was het natuurlijk nodig, juist voor een schoolsysteem dat zich vanuit de antroposofie heeft ontwikkeld, ernaar te streven dat nu deze vrijeschool in de verste verte niet een antroposofenschool wordt of een antroposofische school is.

Blz. 204  vert. 261

sein. Das darf sie ganz gewiß nicht sein. Man möchte sagen: jeden Tag aufs neue strebt man wieder danach, nun ja nicht irgendwie durch den Übereifer eines Lehrers, oder durch die ehrliche Überzeugung, die ja selbstverständlich bei den Waldorfschullehrern für die Anthroposophie vorhanden ist, da sie Anthroposophen sind, irgendwie in eine anthroposophische Einseitigkeit zu verfallen. Der Mensch, nicht der Mensch einer bestimmten Weltanschauung, muß in didaktisch-pädagogischer Beziehung einzig und allein für das Waldorfschul-Prinzip in Frage kommen.
Damit war es geboten, den Religionsgesellschaften gegenüber, ich möchte sagen, eben ein durch die Zeit gefordertes Kompromiß einzugehen, gar nicht auf etwas anderes zunächst zu sehen für die Schüler, als auf das Methodische einer allgemein-menschlichen Erziehung. Der Religionsunterricht wurde zunächst den Religionslehrern ihrer Konfession übergeben. Und so wird der katholische Religionsunterricht in der Waldorfschule von dem katholischen Priester, der evangelische Religionsunterricht von dem evangelischen Pfarrer erteilt.

Dat mag ze zeer beslist niet zijn. Je zou willen zeggen: elke dag opnieuw streeft men er weer naar, nu ja niet op de een of andere manier door de al te grote ijver van een leerkracht, of door de oprechte overtuiging die immers vanzelfsprekend bij de vrijeschoolleerkrachten voor de antroposofie aanwezig is, aangezien ze antroposoof zijn, op enigerlei wijze in een antroposofische eenzijdigheid te raken. De mens, niet de mens van een bepaalde wereldbeschouwing, moet in didactisch-pedagogisch opzicht enkel en alleen voor het vrijeschool-principe in aanmerking komen.<1> <2> Daarmee was het nodig tegenover de religieuze instellingen, ik zou willen zeggen, juist een door de tijd verlangd compromis aan te gaan, voor de leerlingen helemaal niet op iets anders te letten dan op het methodische van een algemeen-menselijke opvoeding. Het godsdienstonderwijs werd in eerste instantie overgelaten aan de godsdienstleraren van hun eigen geloofsgemeenschap. En zo wordt het katholieke godsdienstonderwijs in de vrijeschool door de katholieke priester gegeven, het protestantse godsdienstonderwijs door de protestantse dominee. <2>

Aber es gibt eine ganze Menge von Schülern in der Waldorfschule, die, wie man in Mitteleuropa sagt, eben Dissidentenkinder sind, die einfach keinen Religionsunterricht nehmen würden, wenn eben nur katholischer und evangelischer Religionsunterricht da wäre. Dadurch, daß sich die Waldorfschule zunächst aus dem Proletarierstande herausgebildet hat – sie war die Schule eines Industrieunternehmens, sie ist das heute längst nicht mehr, sie ist eine Schule für alle Klassen geworden -, waren anfangs namentlich überwiegend konfessionslose Kinder da. Diese Kinder hätten nun, wie es ja in sehr vielen Schulen Mitteleuropas der Fall ist, gar keinen Religionsunterricht gehabt. So haben wir gerade für diese Kinder, die sonst gar keinen Religionsunterricht gehabt hätten, einen sogenannten freien Religionsunterricht eingeführt.
Dieser freie Religionsunterricht, der ist auch nicht darauf abgestellt,
theoretische Anthroposophie in die Waldorfschule hineinzutragen. Das
würde ganz falsch sein. Die anthroposophische Überzeugung ist bis heute für Erwachsene ausgebildet, und man spricht ja über Anthroposophie zu Erwachsenen. Man kleidet daher alle Begriffe, alle Empfindungen in dasjenige, was für Erwachsene gut ist. Dasjenige, was in

<3> Maar er is in de vrijeschool een groot aantal leerlingen die, zoals men in Midden-Europa zegt, nu eenmaal dissidente kinderen zijn, die gewoonweg geen godsdienstonderwijs zouden volgen als er alleen katholiek en protestants godsdienstonderwijs zou zijn. Doordat de vrijeschool in de eerste plaats de proletarische stand heeft ontwikkeld – ze was de school van een industriële onderneming, dat is ze vandaag allang niet meer, ze is een school voor alle standen geworden -, waren er in het begin met name overwegend niet-confessionele kinderen. Deze kinderen zouden nu, zoals in veel scholen in Midden-Europa het geval is, helemaal geen godsdienstonderwijs hebben gehad. Zo hebben we juist voor deze kinderen die anders helemaal geen godsdienstonderwijs hadden gekregen, een zogeheten vrij godsdienstonderwijs ingevoerd. <4> Dit vrije godsdienstonderwijs, dat is er ook niet op gericht theoretische antroposofie in de vrijeschool binnen te brengen. Dat zou helemaal verkeerd zijn. De antroposofische overtuiging is tot de huidige dag voor volwassenen ontwikkeld, en je spreekt over antroposofie tot volwassenen, nietwaar. Je drukt daarom alle begrippen, alle gevoelens uit in dat wat voor volwassenen goed is. Wat in

Blz. 205  vert. 262

unserer anthroposophischen Literatur für Erwachsene bestimmt ist, einfach zu nehmen und es nun in die Schule hineinzutragen, hieße gerade dem Pädagogisch-Didaktischen im Waldorfschul-Prinzip schnurstracks zuwiderhandeln. Da handelt es sich darum, für diejenigen Kinder, die uns übergeben werden, freiwillig übergeben werden zum freien religiösen Unterricht, nun auch im strengsten Sinne des Wortes wiederum das religiöse Element, und was ihnen als Religionsunterricht zu geben ist, abzulesen von ihrem Lebensalter.
So darf man auch nicht unter dem freien Religionsunterricht der
Waldorfschule, der sogar mit einem entsprechenden Kultus verbunden
ist, sich etwas vorstellen wie eine in die Schule hineingetragene anthroposophische Weltanschauung. Man wird gerade sehen, daß in diesem
freien Religionsunterricht überall dem Lebensalter des Kindes in ausgiebigstem Maße Rechnung getragen wird. Wir können nichts dafür, daß dieser freie Religionsunterricht in der Waldorfschule von den meisten Kindern besucht wird, trotzdem wir es uns zur strengen Regel machen, nur auf Wunsch der Eltern das Kind zu diesem freien Religionsunterricht zuzulassen.

antroposofïsche literatuur voor volwassenen bestemd is, eenvoudigweg te pakken en het in de school binnen te brengen, zou betekenen lijnrecht in strijd met juist het pedagogisch-didactische in het vrijeschool-principe te handelen. Daar gaat het erom voor die kinderen die ons worden toevertrouwd, vrijwillig worden toevertrouwd voor het vrije godsdienstonderwijs, nu ook in de meest strikte zin van het woord wederom het religieuze element, en wat hun als godsdienstonderwijs te geven is, af te lezen van hun leeftijd.
Zo mogen we ons ook niet bij het vrije godsdienstonderwijs van de vrijeschool, dat zelfs met een passende cultus verbonden is, iets voorstellen als een in de school binnengebrachte antroposofische wereldbeschouwing. 
<4> Je zult zien dat in dit vrije godsdienstonderwijs overal in zeer uitvoerige mate rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind. We kunnen er niets aan doen dat dit vrije godsdienstonderwijs in de vrijeschool door de meeste kinderen wordt bezocht, hoewel wij het als strenge regel hanteren alleen op wens van de ouders het kind toe te laten tot dit vrije godsdienstonderwijs. <3

Allein es spielt ja dabei doch das pädagogisch-didaktische Element eine außerordentliche Rolle, und da unser freier Religionsunterricht wiederum im strengsten Sinne ein christlicher ist, so schicken diejenigen Eltern, die ihre Kinder christlich erzogen, aber nach dem Schulprinzip, nach der Pädagogik und Didaktik der Waldorfschule unterrichtet und erzogen wissen wollen, uns eben ihre Kinder in den freien Religionsunterricht, der ein durch und
durch christlicher ist, der sogar so christlich wirkt, daß die ganze Schule in eine Atmosphäre von Christlichkeit getaucht ist. Feste, Weihnachtsfest, Osterfest, werden bei uns von den Kindern aus dem freien christlichen Religionsunterricht heraus mit einer ganz anderen Innigkeit empfunden, als das sonst bei diesen Festen heute der Fall ist.
Nun handelt es sich darum, daß gerade im Religionsunterricht das Lebensalter des Kindes berücksichtigt werden muß. Gerade da ist es von großem Schaden, wenn irgend etwas zu früh an das Kind herangetragen wird. Deshalb ist unser freier Religionsunterricht so eingerichtet, daß das Kind zunächst zur Erfassung des Allgemein-Göttlichen in der Welt kommt.

<5> Alleen speelt daarbij toch het pedagogisch-didactische element een uitzonderlijke rol. En omdat ons vrije godsdienstonderwijs weer in de meest strikte zin christelijk godsdienstonderwijs is, sturen die ouders die willen dat hun kinderen christelijk worden opgevoed, echter onderwezen en opgevoed volgens het schoolprincipe, de pedagogie en didaktiek van de vrijeschool, hun kinderen bij ons naar het vrije godsdienstonderwijs; dat is door en door christelijk, dat heeft zelfs zo’n christelijke uitwerking dat de hele school in een atmosfeer van christelijkheid is gedompeld. Feesten, kerstfeest, paasfeest, worden bij ons door de kinderen vanuit het vrije christelijke godsdienstonderwijs met een heel andere innerlijkheid ervaren dat anders bij deze feesten tegenwoordig het geval is. <5>
<6> Nu gaat het erom dat juist bij het godsdienstonderwijs de leeftijd van het kind in aanmerking moet worden genomen.’ Juist daar is het zeer schadelijk als wat dan ook het kind te vroeg aangeboden wordt. Daarom is ons vrije godsdienstonderwijs zo ingericht dat het kind in de eerste plaats tot begrip van de algemeen-goddelijke wereld komt. 

Blz. 206  vert. 263

Sie erinnern sich, wir unterrichten das Kind zunächst, wenn es in die Schule hereinkommt zwischen dem siebenten und neunten oder zehnten Jahre so, daß wir die Pflanzen sprechen lassen, die Wolken sprechen lassen, die Quellen sprechen lassen. Die ganze Umgebung des Menschenkindes ist belebt. Da läßt sich nun leicht der Unterricht hinführen zu dem die Welt durchlebenden, allgemeinen göttlichen Vaterprinzip. Daß alles seinen Ursprung in einem Göttlichen hat, das läßt sich für das Kind, gerade wenn man den übrigen Unterricht so führt, wie ich es geschildert habe, in einer vorzüglichen Weise hinstellen.
Und so knüpfen wir an dasjenige an, was das Kind weiß, wissen lernt auf märchenhafte Weise, auf phantasiemäßige Weise über die Natur. An das knüpfen wir an, um das Kind zunächst gegenüber allem, was in der Welt geschieht, zu einer gewissen Dankbarkeit zu führen. Dankbarkeit gegenüber allem, was Menschen uns tun, aber gegenüber allem auch, was uns die Natur gewährt, das ist dasjenige, was das religiöse Empfinden auf den richtigen Weg bringt. Überhaupt ist die Erziehung zur Dankbarkeit etwas unendlich Wichtiges und Bedeutungsvolles.

U herinnert zich dat we het kind in eerste instantie wanneer het de school in komt tussen het zevende en negende of tiende jaar, zodanig onderwijzen dat we de planten laten spreken, de wolken laten spreken, de bronnen laten spreken. De hele omgeving van het mensenkind is van leven doortrokken. Daar laat het onderwijs zich nu gemakkelijk leiden naar het algemeen goddelijke Vaderprincipe, dat levend door de wereld heen aanwezig is. Dat alles zijn oorsprong in het goddelijke heeft, dat laat zich op uitstekende wijze voor het kind neerzetten, juist wanneer we het overige onderwijs geven zoals ik dat heb beschreven.
En zo sluiten we aan bij datgene wat het kind weet, leert kennen op sprookjesachtige wijze, op fantasiematige wijze over de natuur. <7> Daar sluiten we bij aan om het kind in de eerste plaats tot een zekere dankbaarheid te brengen jegens alles wat in de wereld gebeurt. Dankbaarheid jegens alles wat mensen voor ons doen, maar ook jegens alles wat ons de natuur geeft, dat is wat het religieuze gevoel op de juiste weg brengt. Überhaupt is de opvoeding tot dankbaarheid buitengewoon belangrijk en veelbetekenend. 

Der Mensch sollte sich dazu entwickeln, wirklich auch ein gewisses
Dankesgefühl zu haben, wenn – vielleicht klingt das sogar paradox, und dennoch ist es tief wahr – zur rechten Zeit, wo er dies oder jenes zu tun hat, ihm das geeignete Wetter zuteil wird. Gegenüber dem All, dem Kosmos Dankbarkeit entwickeln zu können, wenn das auch, ich möchte sagen, in einem imaginativen Welterleben nur geschehen kann, das ist dasjenige, was unsere ganze Weltempfindung religiös vertiefen kann.
Zu dieser Dankbarkeit brauchen wir dann die Liebe gegenüber allem. Und wir können wiederum leicht, wenn wir das Kind also bis gegen das neunte, zehnte Jahr hinführen, wie es angedeutet worden ist, in all dem Belebten, das wir dem Kind hinstellen, zugleich etwas für das Kind offenbaren, was das Kind liebgewinnen muß. Liebe zu jeder Blume, Liebe zu jedem Baum, Liebe zu Sonnenschein und Regen, das ist dasjenige, was das Weltempfinden wiederum religiös vertiefen kann.
Wenn wir Dankbarkeit und Liebe in dem Kinde vor dem zehnten Jahre entwickeln, dann können wir auch in der richtigen Weise das-

De mens zou zich ertoe moeten ontwikkelen werkelijk ook een zeker gevoel van dank te hebben wanneer – misschien klinkt dit zelfs paradoxaal, en toch is het een diepe waarheid – op het juiste ogenblik waarop hij dit of dat te doen heeft, hem het geschikte weer ten deel valt. Jegens het heelal, de kosmos dankbaarheid te kunnen ontwikkelen, al kan dat, ik zou willen zeggen, alleen maar in een imaginatief wereldbeleven gebeuren, dat is wat ons hele wereldgevoel religieus kan verdiepen. <7>
<8> Bij deze dankbaarheid hebben we dan de liefde tegenover alles nodig. En we kunnen weer gemakkelijk, als we het kind dus naar het negende, tiende jaar toe leiden, zoals we hebben aangegeven, in al het beleefde dat we het kind aanreiken, tegelijk iets voor het kind openbaren waarvan het kind dan stilaan moet gaan houden. Liefde voor elke bloem, liefde voor elke boom, liefde voor zonneschijn en regen, dat is wat het wereldgevoel weer religieus kan verdiepen.
Als we dankbaarheid en liefde in het kind voor het tiende jaar ontwikkelen, dan kunnen we ook op de juiste wijze datgene

Blz. 207  vert. 264

jenige entwickeln, was wir die Pflicht nennen. Die Pflicht durch Gebote zu früh entwickeln, führt zu keiner religiösen Innigkeit. Wir müssen vor allen Dingen in dem Kinde Dankbarkeit und Liebe entwickeln, dann entfalten wir das Kind sowohl ethisch-moralisch in der richtigen Weise wie auch religiös.
Wer im tiefsten Sinne des Wortes das Kind im christlichen Sinne erziehen will, der hat nötig, darauf zu sehen, daß dasjenige, was sich vor die Welt in dem Mysterium von Golgatha hinstellt, in alledem, was an die Persönlichkeit und Gotteswesenhaftigkeit des Christus Jesus geknüpft ist, sich vor dem neunten und zehnten Jahre nicht in der richtigen Weise vor die kindliche Seele hinstellen läßt. Großen Gefahren setzt man das Kind aus, wenn man es nicht vor diesem Lebensmomente in das allgemein Göttliche einführt, ich möchte sagen: in das göttliche Vaterprinzip; ihm zeigt, wie in allem in der Natur das Göttliche lebt, wie in aller Menschenentwickelung das Göttliche lebt, wie überall, wo wir hinschauen, in den Steinen, aber auch in dem Herzen des anderen Menschen, in jeder Tat, die der andere Mensch dem Kinde tut, überall das Göttliche lebt.

ontwikkelen wat we de ‘plicht’ noemen.<8>  <9> Plicht door middel van geboden te vroeg ontwikkelen leidt tot geen enkele religieuze innigheid. Wc moeten voor alles in het kind dankbaarheid en liefde ontwikkelen, dan brengen we het kind op de juiste wijze zowel ethisch-moreel als ook religieus tot volle wasdom. <9>
<10> Wie het kind in de diepste zin van het woord in christelijke zin wil opvoeden, die heeft nodig erop toe te zien dat datgene wat in het mysterie van Golgotha voor de wereld wordt geplaatst, in alles wat verbonden is met de persoonlijkheid en het goddelijk-zijn van de Christus Jezus, zich voor het negende en tiende jaar niet op de juiste wijze voor de ziel van het kind laat plaatsen. Je stelt het kind aan grote gevaren bloot als je het niet voor dit levensmoment vertrouwd maakt met het algemeen goddelijke, laat ik zeggen: met het goddelijke Vaderprincipe; daaruit blijkt hoe in alles in de natuur het goddelijke leeft, hoe in alle mensenontwikkeling het goddelijke leeft, hoe overal waar we kijken, in de stenen, maar ook in de harten van andere mensen, in elke handeling die de andere mens voor het kind doet, overal het goddelijke leeft.

Dieses allgemein Göttliche, das müssen wir in Dankbarkeit empfinden, in Liebe das Kind fühlen lehren durch die selbstverständliche Autorität des Lehrers. Dann bereiten wir uns vor, zu diesem Mysterium von Golgatha gerade zwischen dem neunten und zehnten Jahre die richtige Stellung bekommen zu können.
Da ist es so unendlich wichtig, das Menschenwesen auch hinsichtlich seiner zeitlichen Entwickelung verstehen zu lernen. Versuchen Sie es nur einmal, sich den Unterschied klarzumachen, der besteht, wenn man dem Kinde irgend etwas vom Neuen Testament beibringen will im siebenten und achten Lebensjahre, oder – nachdem man zunächst aus jedem Naturwesen das Gottesbewußtsein im allgemeinen hat anregen wollen – mit diesem Neuen Testament kommt zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahre, um es nachher erst als solches dem Kinde zu entwickeln. Da ist es in der richtigen Weise vorbereitet, da lebt es sich in das ganz überweltlich Große hinein, das im Evangelium enthalten ist. Bringen Sie es ihm vorher bei, dann bleibt es Wort, dann bleibt es starrer nüchterner Begriff, dann ergreift es nicht den ganzen 

Dit algemeen goddelijke, dat moeten we in dankbaarheid voelen, in liefde het kind voelen leren door de vanzelfsprekende autoriteit van de leraar. Dan bereiden we ons voor om de juiste houding tegenover dit mysterie van Golgotha juist tussen het negende en tiende jaar te kunnen krijgen. <10>
<11> Dan is het ontzettend belangrijk het menselijk wezen ook ten aanzien van zijn ontwikkeling in de tijd te leren begrijpen. Probeert u maar eens het verschil duidelijk te krijgen dat er bestaat als je het kind iets van het Nieuwe Testament wilt bijbrengen op zijn zevende of achtste jaar, of – nadat je vooreerst uit elk natuurwezen het godsbewustzijn in het algemeen hebt willen wekken — met dit Nieuwe Testament komt tussen het negende en tiende jaar, om het naderhand pas als zodanig voor het kind te ontwikkelen. Dan is het op de juiste wijze voorbereid, dan leeft het zich in in het heel bovenzinnelijke grote dat het evangelie behelst. Brengt u het hem voor die tijd bij, dan blijven het woorden, dan blijft het een star nuchter begrip, dan grijpt het niet de hele

Blz. 208   vert. 265

Menschen, dann laufen Sie Gefahr, daß das Religiöse im Kinde verhärtet, und der Mensch es als verhärtetes Element durch das Leben trägt, nicht in Lebendigkeit als etwas sein ganzes Weltempfinden Durchsetzendes. Man bereitet das Kind im schönsten Maße vor, die Glorie des Christus Jesus in sich aufzunehmen vom neunten, zehnten Jahre an, wenn man es vorher in die allgemeine Göttlichkeit der ganzen Welt hineinführt.
Und das strebt gerade der nun auch auf das rein Menschliche gebaute Religionsunterricht an, den wir als freien christlichen Religionsunterricht in der Waldorfschule erteilen für diejenigen Kinder, deren Eltern dies wünschen, die eigentlich immer mehr werden gegenüber den anderen, und den wir auch in einen gewissen Kultus gekleidet haben. Sonntäglich findet für diese Kinder, die diesem freien Religionsunterricht beiwohnen, eine Kultushandlung statt. Wenn diese Kinder aus der Schule entlassen werden, wird diese Kultushandlung metamorphosiert. Auch eine Kultushandlung, die sogar dem Meßopfer sehr ähnlich ist, aber durchaus dem entsprechenden Lebensalter angemessen ist, ist verbunden mit diesem auf den freien Religionsunterricht gestützten religiösen Leben in der Waldorfschule.

mens aan, dan loopt u gevaar dat het religieuze in het kind verhardt, en de mens het als verhard element door het leven heen draagt, niet in alle levendigheid als iets waarvan zijn wereldgevoel is doortrokken. Je bereidt het kind vanaf het negende, tiende jaar het mooiste voor de glorie van de Christus Jezus in zich op te nemen als je het voor die tijd in de algemene goddelijkheid van de hele wereld binnenleidt. <6>
<12> En dat streeft precies het nu ook op het zuiver menselijke gebouwde godsdienstonderwijs na dat we als vrij christelijk godsdienstonderwijs in de vrijeschool geven aan die kinderen van wie de ouders dat wensen, die eigenlijk in aantal steeds groter worden vergeleken bij de anderen, en waarin we ook een bepaalde cultus hebben ingebracht. <12>  <13> ’s Zondags vindt er voor deze kinderen die dit vrije godsdienstonderwijs bijwonen, een cultushandeling plaats. Wanneer deze kinderen van school zullen gaan, wordt deze cultushandeling
gemetamorfoseerd. Ook een cultushandeling, die zelfs heel sterk lijkt op het misoffer, maar helemaal overeenkomt met de erbij behorende leeftijd, is verbonden met dit op vrije godsdienstonderwijs gebaseerde religieuze leven in de vrijeschool. 
<13>

Es war besonders schwierig, dasjenige in das religiöse Element hineinzubringen, was wir in der Waldorfschule ausbilden wollen: das rein menschliche Entwickelungsprinzip. Denn in bezug auf das Religiöse sind ja heute die Menschen noch am wenigsten geneigt, von ihrem Speziellen abzugehen. Man redet vielfach von einem allgemeinmenschlich Religiösen. Das aber ist doch bei dem einzelnen Menschen so gefärbt, wie seine Spezial-Religionsgemeinschaft es ihm färbt. Wenn wir die Aufgabe der Menschheit in die Zukunft hinein richtig verstehen, so wird dieser Aufgabe schon auch im rechten Maße gedient durch diesen freien religiösen Unterricht, mit dem wir in der Waldorfschule eigentlich erst begonnen haben.
Anthroposophie, so wie diese für Erwachsene heute vorgetragen wird, wird ganz gewiß nicht in die Waldorfschule hineingetragen; dagegen dasjenige, wonach der Mensch lechzt: das Ergreifen des Göttlichen – des Göttlichen in der Natur, des Göttlichen in der Menschheitsgeschichte – durch das richtige Einstellen auf das Mysterium von

<14>Het was bijzonder moeilijk datgene in het religieuze element binnen te brengen wat we in de vrijeschool willen ontwikkelen: het zuiver menselijke ontwikkelingsprincipe. Want met betrekking tot het religieuze, nietwaar, zijn de mensen tegenwoordig nog het minst geneigd het specifieke ervan te verlaten. Men spreekt vaak over iets algemeen menselijk religieus. Maar dat is bij de afzonderlijke mensen zo gekleurd zoals zijn speciale religieuze gemeenschap het voor hem kleurt. Als we de taak van de mensheid naar de toekomst toe goed begrijpen, dan wordt deze taak ook al op de juiste wijze gediend door dit vrije godsdienstonderwijs waarmee we in de vrijeschool eigenlijk pas zijn begonnen.
Antroposofie, zoals die tegenwoordig voor volwassenen wordt gebracht, wordt heel zeker niet in de vrijeschool gebracht. Echter datgene waar de mens naar snakt: het begrijpen van het goddelijke – van het goddelijke in de natuur, van het goddelijke in de mensheidsgeschiedenis – door het juiste afstemmen op het mysterie van

Blz. 209  vert. 267

Golgatha. Das ist es, was im rechten Sinne hineinzutragen auch in den
Unterricht wir als unsere Aufgabe betrachten.
Damit erreichen wir es aber auch, daß wir dem ganzen Unterricht dasjenige Kolorit geben können, das er braucht. Ich habe schon gesagt, der Lehrer muß eigentlich dazu kommen, daß alles Unterrichten für ihn eine sittliche, eine religiöse Tat werde, daß er sozusagen in dem Unterrichten selber eine Art Gottesdienst sehe.
Das können wir nur erreichen, wenn wir imstande sind, für diejenigen Menschen, die es heute schon wollen, auch das religiös-sittliche Element in der richtigen Weise in die Schule hineinzustellen. Das haben wir eben, so weit das schon heute gegenüber den sozialen Verhältnissen geht, in bezug auf den Religionsunterricht in der Waldorfschule versucht.

 Golgotha, dat is het wat we als onze taak beschouwen om in de goede zin ook in het onderwijs binnen te brengen. Daarmee bereiken we echter ook dat we het hele onderwijs het coloriet kunnen geven dat het nodig heeft. Ik heb al gezegd dat de leraar er eigenlijk toe moet komen dat al het onderwijzen voor hem een morele, een religieuze daad wordt, dat hij om zo te zeggen in het onderwijzen zelf een soort godsdienstoefening ziet. Dat kunnen we alleen bereiken als we in staat zijn voor die mensen die dat vandaag al willen, ook het religieus-morele element op de juiste wijze in de school binnen te brengen. Dat hebben we eenvoudigweg, voor zover het vandaag de dag al tegenover de sociale omstandigheden gaat, met betrekking tot het godsdienstonderwijs in de vrijeschool geprobeerd.

Wir haben ganz gewiß damit nicht irgendwie nach einem blind
rationalistischen Christentum hinarbeiten wollen, sondern gerade nach
dem richtigen Erfassen des Christus-Impulses in der ganzen Erdenentwickelung der Menschheit. Wir haben nichts anderes gewollt damit, als dasjenige dem Menschen zu geben, was er dann noch braucht, wenn er durch allen anderen Unterricht ein ganzer Mensch geworden ist.
Denn, meine sehr verehrten Anwesenden, man kann durch allen anderen Unterricht schon ein ganzer Mensch geworden sein – etwas braucht man dann noch, wenn man auch schon sonst ein ganzer Mensch geworden ist, um diesen ganzen Menschen wiederum in einer allseitigen Weise so in die Welt hineinzustellen, daß er seinem ihm eingeborenen Wesen gemäß in dieser Welt drinnen steht: die religiöse Vertiefung.
Den ganzen Menschen erziehen, diesen als ganzen Menschen erzogenen
Menschen religiös zu vertiefen, das haben wir als eine der bedeutsamsten Aufgaben des Waldorfschul-Prinzipes zu erfassen gesucht.

We hebben daarmee absoluut niet op de een of andere manier volgens een blind rationalistisch christendom willen werken, maar juist volgens het op de juiste wijze begrijpen van de Christusimpuls in de hele aardeontwikkeling van de mensheid. We wilden daarmee niets anders dan aan de mens datgene te geven wat hij dan nog nodig heeft wanneer hij door alle andere onderwijs een heel mens is geworden. 
Want, geachte aanwezigen, je kunt door al het andere onderwijs wel een heel mens zijn geworden – iets heb je dan nog nodig als je ook al op andere wijze een heel mens bent geworden, om deze hele mens weer op een alzijdige wijze zo in de wereld te plaatsen dat hij overeenkomstig zijn hem aangeboren wezen in deze wereld staat: de religieuze verdieping. De héle mens opvoeden, deze als hele mens opgevoede mens religieus te verdiepen, dat probeerden we als een van de belangrijkste taken van het vrijeschool-principe te pakken te krijgen. <14>
GA 307/203-209
Vertaald/260-267

.

Rudolf Steiner: godsdienstonderwijs alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Nabootsing

 

Op deze blog staan veel opmerkingen van Steiner over het grote belang van de nabootsing in de ontwikkeling van het kind.
Bij een aantal artikelen staan ook foto’s van kinderen in een ‘nabootsende toestand’.
Die foto’s kunnen overal ter wereld gemaakt worden.

Soms kom je beschrijvingen tegen in literatuur, maar die liggen niet voor het oprapen.

Bij het herlezen van het jeugdboek ‘Schimmels voor de koets’ van Nienke van Hichtum, vond ik zo’n beschrijving.

In het verhaal breekt Sjoerd, een oudere jongen in het gezin, zijn been.
Op zeker ogenblik gaat hij oefenen met krukken, Zijn jongere broertje Bouwe doet hem na:

‘Op een goeie dag zag ze (de oudere zus) kleine Bouwe binnenkomen met een paar dikke stokken. Hij deed net of dit ook krukken waren en — kijk, daar strompelde hij waarlijk achter zijn broertje aan! Bleef Sjoerd even staan om adem te scheppen — dan rustte Bouwe ook; maar pas ging de oudere broer er weer vandoor — of — de kleine man er achteraan!

Gelukkig dat Marijke het merkte voordat Sjoerd er zelf erg in had! Ze moest wél eventjes lachen om dat grappige kleine kereltje, maar toch wist ze hem met een mooi praatje de deur uit te krijgen. En, terwijl ze in ’t achterhuis grapjes met hem stond te maken, borg moeder Minke, die haar gevolgd was, stilletjes de stokken weg. Zo — nu was dat spelletje meteen uit, en Bouwe scheen er — o, wonder! — zelf niet meer aan te denken. Hij vroeg zelfs niet, waar zijn stokken gebleven waren.’

Schimmels voor de koets – Nienke van Hichtum

Rudolf Steiner over nabootsing: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: [14] Nabootsing

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3514-3300

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (8)

.

Het is al weer een paar jaar geleden dat we in Nederland stilstonden bij 100 jaar vrijeschool. 
De eerste Nederlandse vrijeschool opende in september 1923 in Den Haag haar deuren; 4 jaar eerder was dat in Stuttgart gebeurd: de 1e vrijeschool ter wereld.

N.a.v. e.e.a. werd er ook een filmpje gemaakt dat op You Tube is te vinden in verschillende talen.

Nederlands:

 

.

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3513-3299

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Uit LEO KLEINs aantekeningen

.

Dit verhaaltje schreef Leo voor een lagere klas, dat kan klas 1 of 2 zijn geweest, gezien het sprookjessfeerkarakter. Een aanwijzing voor welke klas is niet vermeld. 

Verteltijd ca 5 min.

DE DRIE VRAGEN

Een jonge prins gaat op weg om de drie vragen van de wereld te ontmoeten. 
Hij gaat over bergen en dalen, door rivieren en onder de sterren. 
Dan ontmoet hij Idoha, een lichtwezen. ‘Ik weet wat je zoekt, Prins’, zegt deze.
Ik geef je drie raadsels. 
Na drie dagen zullen we elkaar hier weer ontmoeten, als je de antwoorden hebt gevonden. 
‘Wanneer zijn oog en oor vrienden? 
Wanneer is het oog en wanneer is het oor de poort voor wonderlijke gevoelens?’

De prins ziet Idoha daarna verdwijnen in het eigen licht.
Hij gaat op weg met kloppend hart.
Hij ziet de kristallen, vallend water, vogels, een hert. 
De mooiste kleuren heeft hij nog niet gevonden.
Op het eind van de dag ziet hij hoe elfen, serafijnen en cherubijnen zich losmaken van de ondergaande zon en weven en zweven door het firmament. Zij golven in de kleuren die hun sporen zijn.
De prins zuigt het tafereel in zich op als water in een droge spons. Ten slotte ziet hij de serafijnen oplossen in de kleuren.
Bij de ondergaande zon sluit hij zijn ogen en valt in slaap.

De volgende morgen beseft hij dat hij al één deel van het raadsel heeft opgelost.

Hij gaat op weg en hoort het vallende water, de wind door de bomen, de vogels, zijn eigen stap. Soms zit hij en luistert alleen maar, soms met gesloten ogen. Hij is verheugd dat de geluiden zo mooi zijn, maar hij voelt dat dit nog niet het mooiste is.
Hij valt in slaap en hoort muziek die hij kent.
Op de drempel van de droomwereld die hij nu binnengaat, beseft hij dat de wonderbaarlijke klanken door engelen gemaakt worden. Met een glimlach volgt hij een groot deel van de nacht de muziek.

De volgende morgen besef hij dat hij het antwoord op de tweede vraag heeft gevonden.

Hij ziet en hoort hanengekraai, paardengedraaf, een roepende boer en bliksem en donder. Zou hier het antwoord zijn?
Maar nu ziet hij voor zich een rotsspleet waaruit licht komt. Hij nadeert deze. De wanden wijken en uit de lichtnevel in de grot ontstaat een gestalte die hij als mens herkent. Maar hij hoort ook een stem en hij beleeft een wonder wanneer hij de woorden hoort die de gestalte spreekt. Want bij ieder woord dat hij hoort, ziet hij iets: de wolken, een helling, bergen, mensen, vogels, een ravijn. Hij ziet en hoort ze in het licht van de nevel en de glans waarin de sprekende gestalte is gehuld. Al luiserend worden machtige beelden zichtbaar.
In verbazing lijkt het of hij wegzweeft in het geluid van de nevel.

De derde morgen ontwaakt hij en beseft dat hij nu het laatste antwoord heeft gevonden.

Hij keert terug, kijkend, luisterend, verbeeldend, naar de plek waar hij Idoha heeft ontmoet.
Als hij daar is aangekomen, verschijnt Idoha en spreekt: ‘Ik weet dat je de antwoorden hebt gevonden. Daarvoor zal ik je belonen.

Je zult een dichter, muzikant en schilder worden en met de mensen uit je rijk de schoonheid van je verworvenheden delen.’

Toen verdween Idoha, loste op in het licht, maar liet een warme glans in het hart van de prins achter. 

Toen hij was teruggekeerd in het paleis, waren er niet drie dagen, maar vele jaren verstreken.

Kort na zijn thuiskomst stierf zijn vader en werd hij koning.

De mensen uit zijn rijk hielden van hem en vereerden hem omdat hij naast wijsheid en vrede ook het schone in het land tot bloei bracht.

Zo leefden zij vele jaren in geluk en werkten hard.
Velen schilderden, dichtten en musiceerden.

.

Vrijeschool in beeld: Leo Klein  [1]  [2]

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3512-3298

.

.

.

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Leo Klein

.

Pas dit weekend hoorde ik van het overlijden van Leo Klein op 11 februari jl.

In 2017 noemde ik zijn naam al eens op deze blog toen ik vertelde hoe ik de vrijeschool leerde kennen:

Dat gebeurde door wat ik tijdens een hospiteerperiode in een vrijeschoolklas zag. (We spreken nu over ‘stage’). Als leerling – je sprak nog niet van ‘student’ – van de Gemeentelijke Kweekschool in Rotterdam, (de Pabo moest nog worden geboren) – kwam ik in de 5e klas van de Rotterdamse vrijeschool.

Daar zag ik Leo aan het werk en dat maakte zo’n indruk op me, dat ik meteen wist, dat ik ook zó met leerlingen wilde omgaan en zó les wilde geven.
De kinderen liepen hexameters; bakten kleitabletten met spijkerschrifttekens; luisterden met net zoveel spanning als ik naar de verhalen uit de Griekse mythologie: Phrixos en Helle; Jason en de Argonauten, door Leo’s gloedvol en beeldend vertellen werden ze bijna tastbaar.

Weliswaar met grote tussenpozen ontmoette ik Leo vaker, bv. op de zomercursus in Zutphen. 
We nodigden hem uit om op onze school schilderlessen aan de leerkrachten te geven en onder zijn inspirerende leiding leerden we voor de 6e klas o.a. wolken schilderen.

Een aantal jaren geleden zocht ik hem op in zijn  huis in Rotterdam waar ik dus zo’n kleine 60 jaar geleden ook al eens kwam.
We praatten honderduit en Leo gaf mij vele aantekeningen mee uit zijn rijke voorbereidingstijd voor zijn vrijeschoolklassen met het verzoek ze op deze blog te plaatsen. Vele zijn hier al te vinden.

Ook twee bundels met allerlei rijmpjes en versjes, rijkelijk geïllustreerd, kregen op mijn ‘Vrijeschool in beeld’ een plaats.  [1]  [2]

Zoals ik ooit al eerder schreef: ik ben het lot buitengewoon dankbaar dat ik zo’n inspirerend mens mocht ontmoeten. 

Door hem kreeg ik dat prachtige vak: vrijeschoolleerkracht!

.

Verwijzing naar zijn aantekeningen

Meer werk van Leo

 

.

VRIJESCHOOL – Taalraadsel (nieuw)

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

Analyseren en synthetiseren

 

Weet je de betekenis van alle woorden?
Zoek die op in het woordenboek.
Kun  je nu dat woord in een zin gebruiken?

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – vergeten (18-7)

.

Wolfgang Rudolph, Erziehugskunst jrg.14, sept. 1950

.

het belang van vergeten

In verband met het in perioden gegeven hoofdonderwijs op Waldorfscholen, vragen bezorgde ouders en leraren in het openbaar onderwijs zich vaak af: vergeten de kinderen niet te veel tijdens de lange pauzes tussen de perioden van een vakgebied?

Periodeonderwijs

De volgende alinea’s zullen ingaan op deze vraag over vergeten en herinneren, die zo belangrijk is voor elke opvoeder. Op Waldorfscholen moeten alle vakken die de leerling door kennis en inzicht worden gegeven, van klas 1 tot en met klas 12 in perioden van het hoofdonderwijs worden gegeven. Duits, wiskunde, natuurkunde, scheikunde, alle natuurwetenschappen zoals menskunde, dierkunde, plantkunde en geologie, aardrijkskunde en geschiedenis, en ook geschiedenis, literatuur en kunst worden in blokken van twee tot vier weken gegeven, elk van twee uur per ochtend. Dit maakt het mogelijk om eenzelfde leerstofgebied een langere tijd op de voorgrond te plaatsen.

Alle andere vakken die de leerling alleen door voldoende, herhaalde oefening kan beheersen, staan ​​als aparte lessen in het rooster. Dit omvat alle taallessen, zoals Engels, Frans en de klassieke talen*; alle technische-artistieke lessen, zoals euritmie, muziek, gymnastiek, tuinbouw, handvaardigheid. Rekenen neemt een tussenpositie in en wordt ook regelmatig geoefend.

*Vanaf de start van de vrijeschool werd er in de onderbouw ook Grieks en Latijn gegeven. Later bleek dat teveel te zijn.

Door middel van het hoofdonderwijs kan concentratie een gunstig effect hebben op zowel leraar als leerling, waardoor fragmentatie en verdeeldheid worden tegengegaan. Een gezonde efficiëntie van het onderwijs wordt bereikt door de artistieke vormgeving ervan, zo leerde Rudolf Steiner ons.
Als elke les levendig in het geheugen van de leraar gegrift staat, en als hij de les kunstzinnig zo kan vormgeven dat hij in elke hoofdles, de een na de ander en met sterke nadruk, contemplatieve gedachten, diepe gevoelens en doelbewuste beweging oproept, dan draagt ​​hij bewust bij aan de harmonisatie van de zielskrachten van het kind – denken, voelen en willen. Hij verzamelt en ontketent, consolideert en laat los, dag na dag, als in een grote inademing en uitademing, de zielen van de leerlingen.

De afzonderlijke leerfasen moeten lang genoeg duren zodat alle leerlingen zich volledig in de stof kunnen verdiepen en deze met volledige beheersing kunnen hanteren, zonder overweldigd te raken. Elke fase moet eindigen met een spannend hoogtepunt. Vervolgens kijken de leerlingen reikhalzend uit naar de voortzetting op een hoger niveau in het volgende schooljaar. De oplettende leerkracht observeert de unieke effecten van elke fase. Wiskunde heeft een vormende en disciplinerende werking op denken en handelen. Een daaropvolgende geschiedenisperiode kan de zaken steeds opnieuw in beweging zetten. Natuurwetenschappen vergaren kennis, bevorderen onbaatzuchtigheid en cultiveren ‘intuïtief oordeel’ in de zin van Goethe. Kunstgeschiedenis en literatuur vervullen leerlingen met enthousiasme en bewondering, kunnen ontzag opwekken en een gevoel van menselijke grootsheid cultiveren. Door de afzonderlijke leerfasen op een bijna therapeutische manier vakkundig te structureren, wordt de leerkracht een ware vormgever van authentieke menselijkheid. Hij predikt ze niet en hoeft ze ook niet te eisen, maar hij creëert ze wanneer hij met een scherp verstand, tactvol inzicht en zorgvuldige hand de koers van het jaar bepaalt.

De ervaren docent gebruikt de emotionele lading van de seizoenen in het lesplan om het geheugen te stimuleren. Bepaalde natuurwetenschappelijke onderwerpen die ons naar buiten brengen, kunnen in de zomer, wanneer de schoonheid van de wereld onze zintuigen betovert, op een levendige manier worden behandeld. Geometrie in de late herfst sluit aan bij de eisen van het seizoen voor verzamelen en onderzoek, conclusies trekken en verantwoording afleggen. Geschiedenis en literatuur, en alle vakken die het menselijk lot en lijden, maar ook transformatie, nieuw begin en wederopstanding onderzoeken, kunnen bijzonder vruchtbaar zijn rond Kerstmis en in de aanloop naar Pasen, wanneer ze resoneren met de diepste gevoelens van de leerlingen.

De structuur van de lessen gedurende het schooljaar hangt af van de open, aandachtige en zorgvuldige samenwerking van de docent met de klas. Maar als je eenmaal hebt ervaren wat het betekent voor de geheugenvorming om dezelfde of vergelijkbare onderwerpen in hetzelfde seizoen, door de jaren heen, met je groeiende klas te behandelen – waardoor het leren doordrenkt raakt met de geur en pracht, het ontkiemen en uitlopen, het bloeien en rijpen, het verwelken en voorbijgaan van het jaar, en het wordt gekruid met de zoetheid en bitterheid van het seizoen – dan wil je de levendige voordelen van dergelijk periodeonderwijs niet meer missen.

Vergeten

Wordt er niet te veel vergeten als leerlingen bijvoorbeeld geschiedenis slechts in één of twee blokken van meerdere weken per jaar bestuderen, met lange pauzes ertussen? Zeker, er wordt veel vergeten. Maar de leerstof, die sluimert in de diepte van het geheugen, groeit mee met de leeftijd van de leerling.

Wanneer dan een nieuwe geschiedenisperiode begint, staat de leerling daar als een nieuw mens tegenover als deze er iets nieuws ontdekt. Wat vergeten werd zonk weg in het onderbewustzijn, dat wil zeggen, in het orgaanvormende lichaam. (het etherlijf) Het was werkelijk ‘vergeten’ en werd daardoor effectief in de stofwisseling.

Wanneer de Engelsman iets ‘uit het hoofd’ opzegt, de Fransman ‘uit het hart’, duidt hun taalkundig genius erop dat de herinneringen worden opgeroepen uit de organen die aan de bewuste controle zijn onttrokken en het bewustzijn binnengaan, waarin ze inderdaad waarneembaar en transparant zijn, maar hun orgaanvormende creatieve kracht hebben verloren. De donkere en onbewuste, maar creatieve en actieve metabolische pool in de mens is de drager van de krachten van wil en vernieuwing en van alle organische vormingsprocessen. Elk wakker bewustzijn wordt verkregen en doorstaan ​​door processen van verval en dood. Het begrijpen van de wisselwerking tussen slaap en wakker zijn, vergeten en herinneren, orgaanontwikkeling en bewustzijn is een essentiële voorwaarde voor al het onderwijs op onze scholen.

Herinneren en vergeten behoren tot de grote raadselachtige vragen van onze tijd. Als iemand deze vragen correct kan beantwoorden, krijgt hij niet alleen een dieper inzicht in zichzelf, maar verwerft hij ook essentiële inzichten voor de ontwikkeling van het individu.

We weten allemaal dat traumatische ervaringen en ziekten kunnen leiden tot het vergeten en herinneren van hele hoofdstukken uit iemands leven.

We weten dat ouderen zich de vroege jaren van hun kindertijd levendig herinneren, terwijl de middelste jaren van hun leven in een waas gehuld lijken. We hebben verhalen gehoord van mensen die op sterven lagen en die in een oogwenk hun levensverhaal in omgekeerde volgorde in levendige beelden zagen ontvouwen, als een groots verlicht panorama. We hebben allemaal gezien hoe vreemd een geur, een reeks geluiden, een bepaalde lichtinval of een gebaar hele herinneringsreeksen kan oproepen.

Herinneren

Wat is vergeten eigenlijk? Wat gebeurt er tijdens het herinneren?

Rudolf Steiner gaf een uitgebreide beschrijving van het geheugen, die hier slechts in grote lijnen samengevat kan worden: Wanneer we iets waarnemen met onze zintuigen (of bewust de inhoud van een gedachte bevatten), gaat deze waarneming niet onmiddellijk verloren, maar wordt opgenomen door ons levenslichaam of ons vormende krachtlichaam. Dit levenslijf doordringt ons fysieke lichaam gedurende ons aardse leven en beschermt het tegen de materiële ontbinding die alle organismen overkomt wanneer dit levenslichaam zich bij de dood van het fysieke lichaam scheidt. Dan blijven alleen de fysische en chemische wetten van de dode, minerale wereld van kracht. Deze levenskracht of vormende kracht omvat echter de som van alle vormende krachten die het lichaam en al zijn organen creëren, plastisch maken, laten functioneren en in stand houden. Alle verworven en alle geleden levenservaringen worden door deze levenskracht of vormende kracht in de vormen van onze fysieke organen ingebouwd en geïntegreerd in en verweven met hun functies. Dit geldt in de eerste plaats voor onze mythische** organen, met name het hart, maar ook voor de organen van de stofwisseling, interne secretie, enz., die volledig buiten onze bewuste controle vallen.

**mythisch laat zich niet anders vertalen dan door ‘mythisch’, samenhangend met de mythe. Misschien was mystisch bedoeld, het raadselachtige.

We staan ​​er vaak versteld van dat het patroon, vooral van de duimlijnen, volledig individueel en uniek is bij ieder levend mens. Maar is het niet veel verbazingwekkender en bewonderenswaardiger dat de subtiele verschillen van hart tot hart een adequate weerspiegeling zijn van de diversiteit aan levenservaringen? Onze ervaringen “worden deel van ons wezen” omdat ieder van ons zijn eigen unieke levensverhaal en individuele biografie heeft tussen geboorte en dood, en ieder van ons ook zijn eigen lichaam heeft met een volledig individuele vorming.

En in deze individuele vormgeving van onze organen hebben we we de door het vergeten belichaamde, naar de diepte weggezonken waarnemingen, voorstellingen en gedachten, zien.

Daarom spreekt de Duitse taalgenius ook van “Er-innern” (zich her inneren), een naar binnen kijken, en van “Ver-gessen” (ver-geten), dat wil zeggen van een volledige verwerking en daarmee effectief worden in het domein van de materiële structuur.
De Engelsman spreekt van “learning by heart” (uit het hoofd leren), de Fransman van “savoir par coeur” (kennis uit het hart). Al deze culturen wijzen dus op het feit, dat in onze huidige psychologie nog onvoldoende aandacht krijgt, dat geheugen geen opslagplaats in de hersenen en het zenuwstelsel is, maar dat vergeten het proces van individualisering van ons fysieke wezen door middel van vormende krachten inhoudt, terwijl herinneren de transformatie van deze groeivormende krachten in waarneembare, bewuste beelden inhoudt. Vergeten is een genadegave die de grondige individualisering van het menselijk lichaam teweegbrengt. Het niet toestaan ​​dat het vergeten wordt, dat wil zeggen, voortdurend willen ophalen en continu “kennis controleren”, leidt niet tot geïndividualiseerde, maar hoogstens tot getypiseerde, en meestal gestandaardiseerde of zelfs ongevormde reuzenlichamen en misvormingen.

De aandachtige opvoeder zal daarom rekening moeten houden met de twee kanten van de menselijke natuur: de beeldrijke dagzijde van het bewuste verbeeldingsvermogen en het gedachteleven, en de beeldloze, maar vormende nachtzijde van de orgaanvormende realiteit, die bewust schept in de bewegende en metabolische mens.

In deze wereld van vergeten, van omvorming, ontstaan ​​menselijke vermogens. Rudolf Steiner wees ons er vaak op dat alle ware bekwaamheid gebaseerd is op vergeten. Als ik me bewust alles wilde herinneren wat mijn leraar me op school had geleerd: “Streep omhoog, streep omlaag, streep omhoog, stip erop!” – dan zou ik nooit hebben kunnen schrijven. Deze kennis transformeerde, werd een tweede natuur, werd vergeten, en nu schrijf ik niet meer vanuit mijn hoofd, maar vanuit mijn pols. Het kon gewoon niet anders! Zo beginnen we de ware betekenis van vergeten te begrijpen: in waarneming en denken nemen we de realiteit van de omgeving in ons op en we laten die in het cognitieproces in ons herrijzen.

Deze wereldrealiteit, die in ons opkomt wanneer we naar buiten kijken, zinkt weg in het “onbewuste”, dat wil zeggen, in de fysieke vorm. Door naar binnen te kijken, wordt ze “herinnerd” en opnieuw bewust, nadat ze vergeten was, een vermogen was geworden en de individualisering van onze lichaamsorganen teweeg had gebracht. Als we verder willen komen van lesgeven naar opvoeden en vormen, mogen we het belang en de zegen van deze wisselwerking tussen objectbewuste waarneming en denken niet over het hoofd zien. Dit denken dringt door tot de instinctieve vermogens die inherent zijn aan de organen en het kan vervolgens weer in het individuele geheugen naar het bewustzijn worden gebracht.

Het ritmisch afwisselen tussen direct beschikbare visuele prikkels en een creatief leven van fysieke, constructieve realiteit, vrij van willekeur, heeft een helende werking op de psyche, net zoals de afwisseling tussen waken en slapen een helende werking heeft op het lichaam. Tegen de achtergrond van dit inzicht ontwikkelt de leerkracht een geheel andere en compleet nieuwe houding in het praktische onderwijs dan die welke tegenwoordig gangbaar is. Alleen vanuit dit perspectief kan een instelling zoals periodeonderwijs, met zijn pauzes waarin de vergeten stof voortleeft en werkelijk en diep in de leerling wordt verankerd, überhaupt worden begrepen. Zo wordt instructie en onderwijs door de docent werk aan de levensziel van de leerling. Het wordt tegelijkertijd een overwinning op de dood waaraan de ziel moet bezwijken als het onderwijs zich uitsluitend richt op de constante paraatheid van ideeën, beelden en kennis, terwijl de levenschenkende, heilzame kracht van het vergeten en de internaliserende activiteit van aandachtig herinneren worden verwaarloosd. Correct kunnen vergeten en levendig kunnen herinneren wat vergeten is, is een oefening in ‘sterven en worden’, een integraal onderdeel van een gezonde menselijke natuur.

.

Geheugen en herinneren: alle artikelen

Rudolf Steiner over geheugen en herinnerenalle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3511-3297

.

.

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Breinbreker (nieuw)

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

Wanneer de hamster in zijn wiel begint te lopen, beginnen ook alle radertjes te draaien, die een weegschaal naar een bepaalde kant doet overslaan.

Is dat naar rechts of naar links?

Oplossing later

 

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over godsdienstonderwijs (GA 306)

.

Als Rudolf Steiner in 1919 de cursussen geeft voor de op- en inrichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart, worden uiteraard ook de vakken genoemd die onderwezen gaan worden.

Het was in die tijd gebruikelijk dat in het ‘openbare’ onderwijs – laat ik voor het gemak maar zeggen: dominee of pastoor – onderwijs gaven over de geloofsrichting die zij vertegenwoordigden: die dienst die ze aan hun god wilden bewijzen, dus godsdienstonderwijs.

De kinderen die naar de vrijeschool komen, krijgen geen antroposofische godsdienst. Steiner wil van de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school maken, ‘slechts’ een methodeschool.
Dat heeft hij vele keren benadrukt!

Maar wanneer niet-confessionele ouders – aanvankelijk de antroposofisch zich oriënterende ouders – ook voor hun kinderen godsdienstonderwijs ‘vanuit de antroposofie’ willen, geeft Steiner daar richtlijnen voor. Dat noemt hij bewust ‘wereldbeschouwing’, antroposofisch georiënteerde wereldbeschouwing’.

GA 306      op deze blog vertaald

Vragenbeantwoording, Dornach  18 april 1923

Blz. 175

De tekst is volledig hier te vinden.
.

Rudolf Steiner: godsdienstonderwijs alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3510-3296

.

.

.