WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 3300 artikelen

Kleinere en grotere, makkelijk toegankelijke en die meer studie vragen; direct met de vrijeschool te maken hebbend of zijdelings: de meest uitgebreide vrijeschoolsite die er te vinden is.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken
leeftijden
over illustraties

BEWEGEN in de klas
alle artikelen

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

EURITMIE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GEZONDHEID – die van de leerkracht
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
alle artikelen

HANDVAARDIGHEIDSONDERWIJS
a
lle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1; klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7; klas 8; klas 9: klas 10; klas 11; klas 12

LEERPLAN
alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
alle artikelen

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
Alle artikelen

SCHILDEREN
Alle artikelen

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
alle artikelen

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
Niet elders gerubriceerd: alle artikelen

Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
Auschwitz en Gaza 2025
Ahriman en/in het onderwijs;
Grafische vormgeving bij Steiner
Interviews met oud-leerlingen
Is het alles goud wat er blinkt….?
Kritiek op de vrijeschool
Kunstzinnige vormgeving van een klaslokaal
Naamgeving en schrijfwijze vrijeschool;
Ochtendspreuk;
Organische architectuur;
Steiner lezen?
Uitgangspunten vrijeschool;
Vrijeschool en antroposofie;
Vrijheid van onderwijs;  
Worden wie je bent

.
EN VERDER:

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cyprus; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israël; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouwen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Qatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 16 januari 1921

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

Voorschriften van het ministerie en een gebrek aan daadkracht vanuit de sociale driegeleding <1>
Uitbreiding van de school en geldzorgen <2>
Muziek integreren in lessen? I.v.m. het kunstzinnige is Steiner er niet voor. <3>
Kind met een slecht handschrift. <4>
[Er volgen meer problemen waarover Steiner een mening heeft en oplossingen geeft. Die kunnen wij m.i. niet zomaar navolgen, zolang ons dat inzicht ontbreekt]
Kinderen die vervroegd van school gaan <5>
Later of nog niet kunnen schrijven <6>
Kloof tussen arbeiders- en niet-arbeiderskinderen <7>
Kinderen met problemen <8>
Projectie in klas 6 en projectieve meetkunde in het algemeen <9>
Lied von der Glocke, Schiller <10>
Het botert niet tussen twee leerkrachten die elkaar in één klas assisteren <11>
Meerstemmig zingen v.a. klas 5; in koor spreken, lang niet ieder kind kan het dan individueel! <12>
Handwerken en kunstzinnigheid; handvaardigheid: beweegbaar speelgoed, lepels, geen ‘Fröbel’. <13>

RUDOLF STEINER

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924

Erster Band Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1 Het eerste en tweede schooljaar

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A

Vergadering van zondag 16 januari 1921, 9.45u

Blz. 255

Dr. Steiner: Da wir nur diesen Winkel der Zeit hatten, werden wir die allernotwendigsten Dinge besprechen müssen. Vielleicht sind Sie so gut und bringen die Dinge zur Sprache, die aus dem Kollegium heraus vorgebracht werden sollen.

Aangezien we slechts over een kort tijdsbestek beschikken, moeten we ons beperken tot de meest essentiële zaken. Misschien wilt u zo vriendelijk zijn de punten naar voren te brengen die het lerarencorps wil bespreken.

X.: Die Schule ist zwar genehmigt, aber es ist jetzt ein Erlaß der Behörde
gekommen, der festsetzt, wieviel Kinder wir im 1. Schuljahr aufnehmen dürfen. Das müßte besprochen werden.

X.: Hoewel de school is goedgekeurd, hebben de autoriteiten nu een verordening uitgevaardigd waarin wordt vastgelegd hoeveel kinderen we tot de eerste klas mogen toelaten. Dat is een punt dat besproken moet worden.

Dr. Steiner: Das Besprechen hilft nicht viel. Der Erlaß besagt doch, daß wir im besten Falle, so lange es der Regierung gefällt, die ersten Klassen nur so groß machen dürfen, als sie in diesen beiden Schuljahren sind, daß wir nicht mehr Kinder aufnehmen dürfen. Das ist das, was glattweg darinnensteht. Daß die Schule in beliebiger Weise fortgeführt werden kann, davon kann gar keine Rede sein. Wir dürfen nicht mehr Schüler aufnehmen, als wir bisher hatten.
Was darüber zu sagen wäre, ist dies: wenn wir noch einen wirklich bestehenden Bund für Dreigliederung hätten, so müßte der die Agitation gegen dieses Schulgesetz aufnehmen.

<1> Discussie zal weinig uithalen. In de verordening staat heel duidelijk dat we – in het gunstigste geval en zolang de overheid dat passend acht – onze klassen van de eerste klas niet groter mogen maken dan ze in deze twee schooljaren zijn; we mogen niet meer kinderen toelaten. Dat staat er precies zo. Er is absoluut geen sprake van dat de school op willekeurige wijze kan voortbestaan. We mogen niet meer leerlingen toelaten dan we tot nu toe hebben gehad.
Wat hierover gezegd moet worden, is het volgende: als we nog een werkelijk actieve Bond voor de Driegeleding van het Sociale Organisme zouden hebben, zou die de strijd tegen deze onderwijswet moeten aangaan.

In bezug auf diese Dinge wird im einzelnen nichts erreicht; es muß gegen diese Tendenzen in umfassender Weise Stellung genommen werden. Etwas anderes ist darüber nicht zu sagen. Wir können mit dem Erlaß sonst nichts machen.
Gegen die Einschränkung in dieser Beziehung muß ich mich auch auf einem anderen Gebiet wenden. Es ist nie aus unserer Anthroposophischen Gesellschaft die Tendenz hervorgegangen, gegen die Einschränkung durch die Ärztetyrannei irgend etwas öffentlich zu tun.
Dagegen besteht ständig die Tendenz, irgendwie zur Kurpfuscherei anzuregen. Das ist dasjenige, was auch unsere Bewegung ruiniert, dieses heimliche Wollen von etwas, wogegen man öffentlich nicht angehen will; daß das fortwuchert. (Zu einem Lehrer:) Sie waren heute mutig genug, indem Sie Tropfigkeit gesagt haben. Es kann zu Konsequenzen führen, gewiß, das schadet nichts.
Es ist so, daß es durchaus ausgesprochen werden muß, es ist eine der
Tatsachen, daß die Dreigliederungszeitung seit Ende Mai kein einziger abonniert hat. Daß der Bund für Dreigliederung absolut nicht funktioniert, das ist etwas, was gesagt werden muß.

Wat deze zaken betreft: het heeft geen zin om op details in te gaan; er moet een principieel standpunt worden ingenomen tegen deze tendensen. Er valt verder niets over dit onderwerp te zeggen. We kunnen niets anders met het besluit.
Ik moet me ook vanuit een ander gezichtspunt tegen de beperking in deze kwestie verzetten. De neiging om publiekelijk stelling te nemen tegen de beperkingen die door medische tirannie worden opgelegd, is binnen onze Antroposofische Vereniging nooit ontstaan.
Daarentegen bestaat er een voortdurende neiging om kwakzalverij op de een of andere manier in de hand te werken. Dat is wat onze beweging ruïneert: dat heimelijke verlangen naar iets waartegen men niet publiekelijk durft op te treden; de manier waarop dat blijft etteren.
(Tegen een leraar:) U was vandaag moedig genoeg om van “gezwets”
te spreken. Dat kan gevolgen hebben – zeker – maar dat kan geen kwaad.
Het feit is – en dat moet ronduit gezegd worden – dat er sinds eind mei
niemand meer geabonneerd is op de krant van de ‘Dreigliederung’.
[Sociale Driegeleding]. Het feit dat de Bond voor Sociale Driegeleding
totaal niet functioneert, moet ook worden uitgesproken. <1>

X.; Das Schulgebäude wird nicht rechtzeitig fertig werden. Man muß vielleicht eine Baracke zur Aushilfe nehmen.

<2> X.: Het schoolgebouw zal niet op tijd klaar zijn. Misschien
moeten we een tijdelijk onderkomen als noodoplossing gebruiken.

Blz. 256

Dr. Steiner: Wahrscheinlich wird es daraufhinauskommen, daß man eine solche Baracke bauen muß. Es ist außerordentlich wenig Aussicht vorhanden, daß dieses große Schulgebäude, das also Millionen kostet, in der nächsten Zeit geleistet werden kann. Das Geld müßte geleistet werden von Seiten des Kommenden Tages. Daß es geleistet werden kann, das ist nicht sehr wahrscheinlich, denn der Kommende Tag hat, wenn er zurecht kommt, eine ganze Reihe von Dingen zu tun, die eigentlich unbedingt geschehen müßten. Und es ist fast unmöglich, etwa das erste Geld für den Bau des Schulhauses zu
verwenden. Wenn nicht das erste Geld verwendet werden kann, dann ist nicht daran zu denken, daß das Schulhaus für das nächste Schuljahr fertiggestellt werden könnte. Technisch fertigstellen könnte man es ja , aber es wir  finanziell nicht möglich sein.

Het zal er waarschijnlijk op neerkomen dat we zo’n tijdelijk gebouw moeten neerzetten. Er is weinig uitzicht op de spoedige realisatie van het grote schoolgebouw – dat miljoenen zou kosten. De financiering zou door ‘Der Kommende Tag’ moeten worden opgebracht. Het is niet erg waarschijnlijk dat dit haalbaar is, want ‘Der Kommende Tag’ heeft – zelfs als het bedrijf erin slaagt op eigen benen te staan ​​– een hele reeks taken die absoluut uitgevoerd moeten worden. En het is vrijwel onmogelijk om het startkapitaal te gebruiken voor de bouw van het schoolgebouw. ​​Als dat startkapitaal niet kan worden aangewend, is er geen hoop dat het schoolgebouw op tijd voor het volgende schooljaar klaar zal zijn. Technisch gezien zou de bouw natuurlijk wel mogelijk zijn, maar financieel gezien zal het niet lukken.

Mehrere Lehrer sprechen über die Wege, Geld zu schaffen.

Enkele leraren bespreken manieren om fondsen te werven.

Dr. Steiner: Es steht nichts im Wege, Geld irgendwie zu bekommen.
Diese Art von Propaganda hängt davon ab, daß sie mit einigem Humor gemacht wird. Nicht wahr, ich konnte mich ja in der letzten Zeit zu wenig in der Waldorfschule umsehen. Es war mir furchtbar schmerzlich; ich bin niemals mit so schmerzlichen Gefühlen weggegangen als diesmal. Einiges werde ich sagen.

Niets belet ons om op de een of andere manier aan geld te komen. Bij dergelijke wervingsacties komt het erop aan dat ze met een vleugje humor worden uitgevoerd. Weet u, ik heb de laatste tijd niet veel in de Waldorfschool kunnen rondkijken. Dat deed me ontzettend veel pijn; ik ben nog nooit met zulke pijnlijke gevoelens vertrokken als deze keer. Ik zal daar het een en ander over zeggen.

Es erscheint mir nicht möglich, daß unsere jetzigen Waldorflehrer zu einer solchen Propaganda etwas beitragen können. Im großen ganzen hat es den Eindruck gemacht, daß die Waldorflehrer mit der Sorge für die Hochschulkurse schon genügend belastet sind. Es wäre notwendig, daß sie für manche Dinge entlastet würden, wenn die Schule richtig gedeihen soll. Ich habe den Eindruck, daß Sie nicht weiter belastet werden können. Man braucht, wenn man lehren will, wirklich eine gewisse Zeit des Vorbereitens. Man muß die Sachen gründlich verarbeiten. Einzelne sind so überlastet, daß das nicht mehr möglich ist. — Also ich würde dem Dr. Stein entschieden raten, wenn man von Seiten des Bundes für Dreigliederung ihm etwas zuschiebt, daß er es energisch zurückweist, damit die Dinge auf diese Weise einige Korrektur erfahren. Wenn der Bund für Dreigliederung diejenigen Dinge, die in seiner Aufgabe stehen, auf Sie abschiebt und sich darauf beschränkt, sich zurückzuziehen in seine Räume, dann ist das eine Methode, die wenigen Leute, die arbeiten, so zu ruinieren mit der Überlastung und die anderen auf die Festung sich zurückziehen zu lassen, daß es nicht weitergehen kann.

Het lijkt mij onmogelijk dat onze huidige vrijeschoolleraren iets zouden kunnen bijdragen aan dergelijke propaganda. Over het algemeen bestaat de indruk dat de vrijeschoolleraren al zwaar genoeg belast zijn met de verantwoordelijkheid voor de cursussen in het hoger onderwijs. Het zou nodig zijn hen van bepaalde taken te ontlasten, wil de school werkelijk tot bloei kunnen komen. Ik heb de indruk dat zij geen extra lasten meer op zich kunnen nemen. Wie les wil geven, heeft nu eenmaal een zekere voorbereidingstijd nodig; men moet de stof zich grondig eigen maken. Sommigen zijn zo overbelast dat dit niet meer mogelijk is. — Daarom zou ik dr. Stein dringend willen adviseren: als de Bond voor de Driegeleding van het Sociale Organisme taken op hem probeert af te schuiven, moet hij die resoluut van de hand wijzen, zodat de situatie kan worden rechtgezet. Wanneer de Bond voor de Driegeleding zijn eigen verantwoordelijkheden op u afschuift en zich ondertussen terugtrekt in zijn eigen kantoren, is dat een manier om de weinige mensen die daadwerkelijk werken te gronde te richten door hen te overbelasten, terwijl de anderen zich in hun bolwerk terugtrekken – een toestand die niet kan voortduren.

X.: Vorträge sollte ich halten. Ich weiß schon lange, daß ich absolut nicht
diese Vorbereitung aufbringen kann, die notwendig ist.

X.: Ik zou lezingen gaan geven. Ik weet al lang dat ik absoluut niet in staat ben om de nodige voorbereidingstijd vrij te maken.

Blz. 257

Dr. Steiner: Ich tadle nicht! Ich wollte nicht Kritik üben. Es wäre
unangebracht, an der besten Institution Kritik zu üben. Es müssen
die Dinge durchaus eingeteilt werden. Man kann zugeben, wenn das
Arrangement in Ordnung ist, daß Sie solche Dinge machen, wie die in
Darmstadt; dann müßte ein viel intensiveres Zusammenarbeiten mit
dem Bund für Dreigliederung da sein. Jedenfalls müssen Sie sehen,
daß man Ihnen nicht so etwas aufhalst, was eminenteste Pflicht der
Leute vom Bund für Dreigliederung ist. Die anderen Herren auch.
Vor allen Dingen haben wir für die Schule zu sorgen, das ist in erster
Linie unsere Aufgabe. Forschungsinstitut und Schule gehören zusammen, um daraus ein Einverständnis zu bewirken. Das gehört zusammen.

Ik ben niet aan het bekritiseren! Het was niet mijn bedoeling kritiek te leveren. Het zou ongepast zijn om kritiek te uiten op de beste instelling. De zaken moeten uiteraard wel goed georganiseerd worden. Men kan erkennen – mits de opzet deugdelijk is – dat u activiteiten zou kunnen ontplooien zoals die in Darmstadt; in dat geval zou er echter sprake moeten zijn van een veel nauwere samenwerking met de Bond voor de Drieledige Sociale Orde. Hoe dan ook moet u ervoor zorgen dat u niet wordt opgezadeld met taken die in de eerste plaats de verantwoordelijkheid zijn van de mensen van de Bond voor de Drieledige Sociale Orde. Dat geldt ook voor de andere heren. Bovenal moeten we zorg dragen voor de school; dat is onze voornaamste taak. Het onderzoeksinstituut en de school horen bij elkaar om een ​​gemeenschappelijk begrip te bevorderen. Ze horen bij elkaar. <2>

X.: Ich hätte gerne gefragt, wie ist es mit der Beigabe von Musik zum Unterricht. Ich hatte es so gemacht: um die Stimmung vorzubereiten, hatte ich am Beginn ein Stück Klavier vorspielen lassen.

<3> X.: Ik zou graag iets willen vragen over het integreren van muziek in de lessen. Wat ik heb gedaan, is dit: om de juiste sfeer te scheppen, liet ik aan het begin een pianostuk spelen.

Dr. Steiner: Dieses, was Sie jetzt auseinandersetzten, das ist ein Unfug. Denn nicht wahr, wir dürfen nicht die Sitte einführen, welche sowohl den Unterricht nach einer Seite durch eine künstlich erzeugte Stimmung beeinträchtigt; auf der anderen Seite dürfen wir nicht eine Kunst zu einem solchen Mittel verwenden. Der Kunst muß schon gewahrt bleiben, daß sie Selbstzweck ist, daß sie ja nicht dazu dient, Stimmung vorzubereiten. Es erscheint mir eine bedenkliche Annäherung an spiritistische Sitzungen. Ich glaube nicht, daß das weiter verfolgt werden darf. Etwas anderes ist es, wenn über Akustik vorgetragen wird.

Wat u zojuist heeft beschreven, is onzin. We moeten immers geen werkwijze invoeren die – enerzijds – het onderwijs schaadt door middel van een kunstmatig opgewekte stemming, en we moeten – anderzijds – kunst niet als middel daartoe gebruiken. Kunst moet haar status als doel op zich behouden; ze mag zeker niet dienen om een ​​stemming voor te bereiden. Ik vind dit een zorgwekkende benadering, die doet denken aan spiritistische séances. Ik ben niet van mening dat deze werkwijze moet worden voortgezet. Anders ligt het wanneer het om akoestiek gaat.

X.: Ich habe immer Zusammenhänge gesucht.

X.: Ik heb altijd naar verbanden gezocht.

Dr. Steiner: Es gibt keinen Zusammenhang zwischen den Punischen
Kriegen und einer musikalischen Sache. Was gibt es für einen Zusammenhang? Worauf soll das hinaus? Auch Eurythmie nicht! Sicherlich, Sie können nicht eine Eurythmieaufführung machen, um eine Stimmung zu machen für eine Schattenkonstruktion. Wollen Sie Eurythmieaufführungen machen, um nachher Frachtbriefe zu schreiben? Das wäre eine Ausweitung nach der anderen Seite. Wir haben die Aufgabe, den Unterricht so musisch zu gestalten, innerlich so musisch wie möglich, nicht durch rein äußerliche Mittel. Das ist schädlich für den Inhalt dessen, was vorgebracht wird, wie für die Kunst selber. Man kann nicht ein Märchen erzählen, um hinterher Farbenlehre zu behandeln. Es würde der Unterricht auf eine ganz falsche Bahn gebracht werden. Der Unterricht muß in sich so gestal-

Er is geen verband tussen de Punische Oorlogen en een muzikale kwestie. Wat voor verband zou er kunnen zijn? Wat is daar het nut van? Hetzelfde geldt voor de euritmie! U kunt toch geen euritmie-uitvoering opvoeren om een ​​stemming te creëren voor een les over schaduwconstructie? Bent u van plan euritmie-uitvoeringen te organiseren, enkel en alleen zodat er daarna vrachtbrieven kunnen worden opgesteld? Dat zou een ontwikkeling in de verkeerde richting zijn. Onze taak is het om het onderwijs vanuit een artistieke geest vorm te geven – innerlijk zo artistiek mogelijk – en niet door middel van louter uiterlijke middelen. Dat is nadelig voor zowel de inhoud van de behandelde stof als voor de kunst zelf. U kunt niet zomaar een sprookje vertellen om vervolgens over te gaan op een les kleurenleer. Dat zou het onderwijs op een volledig verkeerd spoor zetten. Het onderwijs moet zo worden opgezet dat de stemming eruit voortkomt.

Blz. 258

tet sein, daß er Stimmung erzeugt. Wenn man nötig hat, durch
irgendeine dekorative Sache die Stimmung erst zu erzeugen — wobei
die Kunst leidet —, so würde man aussprechen, daß man durch den
Inhalt des Unterrichts nicht diese Stimmung hervorbringen wollte
oder könnte. Mir war es bedenklich, wenn man manchmal anthroposophischen Erläuterungen irgendein Musikstück vorausgeschickt hat, was ja noch immerhin etwas anderes ist, weil es erwachsene Leute sind. Im Schulunterricht geht es nicht. Da werden wir es abschaffen können.

Als men het nodig acht om eerst de juiste sfeer te scheppen door middel van een decoratief element – ​​waardoor de kunst zelf tekort wordt gedaan – impliceert dit de erkenning dat de lesstof op zichzelf die sfeer niet kon, of niet moest, oproepen. Ik vond het twijfelachtig wanneer er soms muziek werd gespeeld voorafgaand aan antroposofische uiteenzettingen – al ligt dat wat anders, aangezien het publiek uit volwassenen bestaat. In schoollessen is dit echter niet gepast; daar kunnen we die gewoonte achterwege laten.

X..” Ob wir das in der Physik verwenden können als eine Brücke vom Musikalischen zum Akustischen?

X…: Zouden we dit bij natuurkunde kunnen gebruiken als brug tussen het muzikale en het akoestische?

Dr. Steiner: Da wäre es wünschenswert, daß man die Akustik musikalischer macht, daß man eine Akustik herauskriegt, die man verbinden kann durch eine Art künstlerischer Brücke mit dem Musikalischen. Es gibt schon diese Möglichkeit, in die Sache so etwas Musisches hineinzubringen. Man darf nicht versuchen, es auf die vorhin erwähnte Art möglich zu machen. Ich weiß auch gar nicht, was übrigbleiben soll für den Punischen Krieg, wenn Sie eine halbe
Stunde wegnehmen für alles das.

Het zou wenselijk zijn om de studie van de akoestiek muzikaler te maken – om een ​​benadering van de akoestiek te ontwikkelen die via een of andere artistieke brug met het muzikale domein kan worden verbonden. Het is inderdaad mogelijk om het vak een muzikaal karakter te geven. Men moet alleen niet proberen dit te bereiken op de eerder genoemde manier. Bovendien zie ik niet in hoeveel tijd er nog overblijft voor de Punische Oorlogen als je aan dat alles een half uur zou besteden.

Eine Eurythmielehrerin: Es war ein ganz kurzes Gedicht.

Een euritmiedocent: Het was een heel kort gedicht.

Dr. Steiner: Das ist eine phantastische Pädagogik! Es ist das beste
Mittel, die Eurythmie lächerlich zu machen.

Dat is een fantastische soort pedagogie! Het is de beste
manier om euritmie belachelijk te maken.

Eurythmielehrerin: Ich hatte die Wirkung in der Klasse, daß die Klasse sehr
interessiert war.

Euritmiedocent: Het effect op de klas was dat ze zeer
geïnteresseerd waren.

Dr. Steiner: Vielleicht ist sie noch mehr interessiert, wenn Sie einen
kleinen Film vorführen. Wir dürfen nie daraufgehen, wie die Kinder
interessiert sind durch irgend etwas. Da könnten wir ein Tänzchen
aufführen lassen. Es kommt nicht darauf an, daß sie interessiert sind,
das wäre eine furchtbar phantastische Pädagogik. Wenn das einreißen würde, dann würde unser Unterricht leiden und die Eurythmie diskreditiert sein. Entweder ist es im Prinzip richtig, dann müßte es gemacht werden, oder es ist falsch. Das kann man nicht erwidern. Dies ist jedenfalls etwas, das nicht gehen kann.
Da war der eine junge T. L. in der 6b, der mit der Schrift die Schwierigkeit hat, dereinen Strich in den anderen hineinmacht. Bei solchen Dingen, wo im zentralen Nervensystem vorliegt eine leichte Neigung zu nicht herauskommenden Krämpfen, die vielleicht sogar in späterem Lebensalter zu Schreibkrampf führen können, da müßte man versuchen, dem sehr früh entgegenzuarbeiten. Und bei diesem Buben

Misschien zouden ze nog meer geïnteresseerd zijn als u een filmpje liet zien. We mogen onze aanpak nooit baseren op wat de belangstelling van de kinderen wekt. We zouden net zo goed een dansoptreden kunnen hebben. Het gaat er niet om of ze geïnteresseerd zijn – dat zou een geweldige pedagogie zijn. Als dat voet aan de grond zou krijgen, zou ons onderwijs eronder lijden en zou euritmie in diskrediet raken. Ofwel het is in principe juist – en dan moet het gebeuren – ofwel het is onjuist. Daar valt niet over te twisten. Hoe dan ook, dit kan absoluut niet. <3>

<4> Dan was er nog die jongen, T.L., uit klas 6b, die moeite heeft met zijn handschrift – hij laat de ene streek in de andere overvloeien.
In zulke gevallen – waarbij er in het centrale zenuwstelsel een lichte neiging bestaat tot latente krampen, wat later in het leven zelfs tot schrijverskramp zou kunnen leiden – moet je proberen dit in een zeer vroeg stadium tegen te gaan. 

Blz. 259

den sollte man Eurythmie machen lassen mit Hanteln; er müßte die Bewegung mit Hanteln machen. Sie brauchen vielleicht nicht besonders schwer zu sein, aber er soll Eurythmie mit Hanteln machen. Sie werden bemerken, daß dadurch die Schrift sich korrigiert. — Man könnte auch noch andere Dinge machen. Man könnte versuchen, ihm eine andere Federrichtung zu geben. Es gibt solche
Federn — ich weiß nicht, ob es sie nach dem Kriege noch gibt —, die im Winkel angesetzt sind an den Federstiel. Da ist es notwendig, daß ein solcher Bub sich erst gewöhnt an die andere Einstellung. Das hilft ihm auch, wenn er Bewußtsein in die Fingerhaltung hineinbringt. —
Dann hat er zu stark konvergierende Augenachsen; man müßte ihn veranlassen, die Augen etwas weiter vom Papier zu halten, damit die Augenachsen sich weniger konvergierend einstellen. Man müßte abwarten, wie sich die Schrift unter Einfluß dieser mehr organischen Mittel ändert. Wenn man es beobachtet, daß er sich Mühe gibt, daß er irgend etwas ordentlich schreibt, dann kann man ihn lenken, dann kann sein bewußter Wille eingreifen.
Der andere Bub R. F., der ist etwas stumpfsinnig. Im Schreiben habe
ich ihn nicht gesehen.

Je zou hem ertoe moeten aanzetten euritmie met halters te doen; hij zou de bewegingen moeten uitvoeren terwijl hij halters vasthoudt. Ze hoeven misschien niet bijzonder zwaar te zijn, maar hij zou euritmie met halters moeten doen. U zult merken dat zijn handschrift zich daardoor corrigeert. — Je zou ook andere dingen kunnen proberen. Je zou kunnen proberen hem een ​​ander soort pen te laten gebruiken. Er zijn pennen — ik weet niet of ze na de oorlog nog verkrijgbaar zijn — waarbij de penpunt onder een hoek aan de houder is bevestigd. In dat geval moet de jongen wennen aan de andere stand. Het helpt hem ook als hij zich bewust wordt van de manier waarop hij zijn vingers houdt. — Dan is er nog het probleem dat zijn ogen te sterk naar elkaar toe
draaien (convergeren); men zou hem moeten aanmoedigen zijn ogen wat
verder van het papier te houden, zodat de oogassen niet zo sterk naar
elkaar toe lopen. Je moet afwachten hoe het handschrift verandert onder
invloed van deze meer organische maatregelen. Zodra je ziet dat hij
moeite doet om iets netjes te schrijven, kan je hem begeleiden; dan
kan zijn bewuste wil een rol gaan spelen.
De andere jongen, R. F., is wat traag van begrip. Ik heb hem niet
zien schrijven.

X.: Seine Schrift ist ganz schön. Er hat eineinhalb Stunden geschrieben.

X.: Zijn handschrift is heel netjes. Hij heeft anderhalf uur lang geschreven.

Dr. Steiner: Man braucht nicht mit einer Kur einzusetzen. Er war immer ein Sorgenkind. Es ist jetzt wohl kaum viel mit ihm zu machen. Bis ihm der Knopf aufgeht, muß man ihn, trotzdem er Schwierigkeiten macht, öfters mal fragen, so daß er sieht, daß man ihm Liebe zuwendet. Und dann, daß er denkt: Ich kann öfter gefragt werden!
Man muß bei solchen Kindern daran denken, daß man sie öfters aufruft, und vielleicht manchmal von den fortgehenden Dingen abrückt auf Nebengeleise. Vieles andere kann man mit ihnen nicht tun.
Kurzsichtig ist er nebenbei. Er ist stumpfsinnig. Es ist wahrscheinlich, daß da organische Sachen zugrunde liegen; da müßte man sich im einzelnen mit ihm beschäftigen. Wahrscheinlich leidet der Bub an organischen Sachen. Ich hatte den Eindruck, daß der Bub behandelt werden müßte jeden zweiten Tag mit Wurmzucker, durch vierzehn Tage. Es müßte geprüft werden. Ich glaube, daß er an Würmern leidet. Wenn man dies kurieren könnte, so wird die Sache besser werden. Man müßte sich mit diesen Dingen der Schülerschaft beschäftigen. Vielleicht sehen Sie ihn einmal an, Dr. Kolisko, ob dies oder etwas ähnliches im Verdauungssystem vorliegt. Vielleicht liegt sonstein Grund zu einer besonders trägen Verdauung vor. Man wird die

Het is niet nodig om met een behandeling te beginnen. Hij is altijd al een kind geweest dat zorgen baarde. Er valt op dit moment waarschijnlijk niet veel met hem te beginnen. Totdat de doorbraak komt, moet je hem vaak aan het woord laten – ook al veroorzaakt hij moeilijkheden – zodat hij ziet dat men hem liefde toont. En zodat hij denkt: “Misschien word ik wel vaker aan de beurt geroepen!”
Bij zulke kinderen moet je eraan denken hen vaak aan het woord te laten en misschien soms van het hoofdthema over te stappen op bijzaken. Veel anders valt er niet met hen te doen. Overigens is hij bijziend. Hij is traag van begrip. Waarschijnlijk liggen er organische oorzaken aan ten grondslag; je zou zijn specifieke geval moeten onderzoeken. De jongen heeft waarschijnlijk last van organische problemen. Ik had de indruk dat de jongen gedurende twee weken om de dag behandeld zou moeten worden met wormafdrijvende tabletten.
Dit zou moeten worden nagekeken. Ik geloof dat hij last heeft van wormen. Als dat verholpen zou kunnen worden, zou er verbetering optreden. Men moet bij de leerlingen op dit soort zaken letten.
Misschien zou u hem kunnen onderzoeken, dr. Kolisko, om te zien of er sprake is van zoiets in het spijsverteringsstelsel. Of misschien is er een andere reden voor een bijzonder trage spijsvertering. Je zal de

Blz. 260

eigentliche Ursache seines Stumpfsinns im Verdauungssystem zu suchen haben.
Bitte vergessen Sie nicht, wenn ähnliche Sachen vorliegen, wie mit diesen zwei Schülern, das noch vorzubringen. Nicht so sehr wegen des einzelnen Falles, sondern daß sich überhaupt durch Besprechung einer Anzahl von solchen Fällen, wo Schüler im einzelnen durchgenommen werden müssen, nach und nach eine Erfahrung ergibt.
Vergessen Sie nicht, diese Dinge vorzubringen, die Ihnen sonst noch
notwendig oder fruchtbar erscheinen.
Dann diese Sache mit den Austritten, wie verhält sich das?

de werkelijke oorzaak van zijn traagheid moeten zoeken in het spijsverteringsstelsel.
Vergeet niet dit ter sprake te brengen als zich soortgelijke situaties voordoen – zoals die met deze twee leerlingen. Niet zozeer vanwege het individuele geval, maar omdat het bespreken van een aantal van dergelijke gevallen – waarbij leerlingen individueel onderzocht moeten worden – geleidelijk aan ervaring oplevert.
Vergeet niet alle andere zaken aan te kaarten die u nodig of nuttig lijken. <4>

<5>Dan is er nog de kwestie van leerlingen die de school verlaten; hoe is de situatie daar?

X.: Viele Eltern nehmen die Kinder nach der 8. Klasse heraus, um sie in einen
Beruf zu stecken. Die Proletarier sind übermäßig empfindlich.

X.: Veel ouders halen hun kinderen na de achtste klas van school om ze een vak te laten leren. Arbeiders zijn hier zeer gevoelig voor.

Dr. Steiner: Nicht wahr, das wird wahrscheinlich schwer gehen, wenn wir nicht in der Lage sind, für die höheren Klassen hinauf den Unterricht zu erweitern durch irgendwelche Dinge, die die Leute so ansehen können, daß es ihnen Ersatz gibt für das, was sie durch irgendeine Lehrlingszeit haben. Da müßten wir unsere höheren Klassen so einrichten, wie es in meinen Volkspädagogischen Vorträgen steht. Dann würde man das erreichen können, daß die Kinder bleiben. Aber wenn wir also nicht zu dem übergehen, dann wird es sehr schwer werden, daß die Eltern sie darin lassen.

Inderdaad, dat zal waarschijnlijk moeilijk blijken, tenzij we het leerplan voor de hogere klassen kunnen uitbreiden met elementen die mensen zien als een vervanging voor de ervaring die tijdens een leerlingschap wordt opgedaan. We zouden onze hogere klassen moeten structureren zoals beschreven in mijn voordrachten over volksopvoeding. Op die manier zouden we de kinderen kunnen behouden. Maar als we die richting niet inslaan, wordt het erg moeilijk om ouders ervan te overtuigen hun kinderen op school te houden.

Es werden viele nicht einsehen, worauf das hinaus will bei ihren Kindern. Wir stehen immer vor der Schwierigkeit, daß man die Kinder bis zum Abiturientenexamen bringt. Das ist eine sachliche Schwierigkeit. Da müßte
man einen Ausweg suchen. Möglich wäre es trotzdem, die Kinder zum Abiturientenexamen zu bringen, wenn sie auch praktisch arbeiten. Es müßten diejenigen, die für praktische Arbeit geeignet sind, mehr für das Praktische unterrichtet werden, ohne daß man die Schule gabelt. Ich glaube nicht, wenn wir die Schule auslaufen lassen in eine „höhere Lehranstalt”, daß wir dann darum herumkommen, daß mit dem fünfzehnten Lebensjahr eine Anzahl austritt.

Velen zullen niet begrijpen waar dit allemaal om draait voor hun kinderen. We worden altijd geconfronteerd met de moeilijkheid om de kinderen te laten slagen voor het toelatingsexamen voor de universiteit. Dat is een praktisch probleem. We zouden een oplossing moeten vinden. Het zou nog steeds mogelijk zijn om de kinderen te laten slagen voor het toelatingsexamen als ze ook praktijkervaring opdoen. Degenen die geschikt zijn voor praktijkwerk zouden meer praktijkonderwijs moeten krijgen zonder de school op te splitsen. Ik geloof niet dat we, door de school geleidelijk af te bouwen tot een “hogere onderwijsinstelling”, kunnen voorkomen dat een aantal leerlingen op vijftienjarige leeftijd afhaakt.

X.: Ich habe nur den Wunsch, daß die Kinder der Proletarier so lange wie
möglich in der Schule erhalten bleiben.

X.: Mijn enige wens is dat de kinderen van het proletariaat zo lang mogelijk op school blijven.

Dr. Steiner: Erst haben die Eltern kein Verständnis, was bei sozialdemokratischen Kreisen nicht weit geht. „Unsere Jungen sollen
etwas Besseres werden”; da hätten sie vielleicht Verständnis. Jetzt ist
die Gesinnung sehr wenig vorhanden. Da hätten sie vielleicht die
Gelegenheit ergriffen, auf billige Weise die Mädchen unterrichten zu
lassen.

Ten eerste begrijpen de ouders het niet, wat niet veel oplevert in sociaaldemocratische kringen. “Onze jongens moeten iets beters worden”; dat zouden ze misschien wel begrijpen. Nu is die gedachte nauwelijks meer aanwezig. Ze hadden misschien de kans gegrepen om de meisjes goedkoop les te laten geven.

Blz. 261 

Auf eine andere Weise werden wir gegenüber dem, was in
Lebensgewohnheiten liegt, nicht sofort etwas erreichen. Es wird auch nicht leicht sein mit den Kindern, die nicht wenigstens die ganze Volksschule von unten herauf gemacht haben, also mit den später eingetretenen, die wir nur ein Jahr lang in der 8. Klasse gehabt haben, die nun hinaufsteigen zu lassen in die höheren Klassen. Die Kinder sind nicht danach, daß sie hinaufsteigen könnten. Wir haben in der 8. Klasse gar nicht so viel Proletarier gehabt.

We zullen niet direct resultaat boeken wat betreft ingesleten levensgewoonten door simpelweg een andere aanpak te kiezen. Evenmin zal het eenvoudig zijn om kinderen te laten doorstromen naar de hogere klassen als ze niet het volledige leerplan van de lagere school van onderop hebben doorlopen – met name degenen die later zijn ingestroomd en die we slechts één jaar in de achtste klas hebben gehad. Deze kinderen zijn niet geschikt voor doorstroming naar de hogere klassen. We hadden overigens niet zo heel veel kinderen uit arbeidersgezinnen in de achtste klas.

X.: Es sind neun ausgetreten. Es ist schwer, den Schülern in der 8. Klasse das
beizubringen, was sie für die höheren Klassen brauchen.

X.: Er zijn er negen vertrokken. Het is lastig om leerlingen van de achtste klas de kennis bij te brengen die ze nodig hebben voor de hogere klassen.

Dr. Steiner: Sie sind in ihrer ganzen Lebensverfassung — wobei ich in
keiner Weise irgend etwas anderes meine —, in der innerlichen Seelenverfassung sind sie nicht in das hinaufzubringen, was man gewöhnlich hat als höhere Schule. In die höhere Schule, die eine Art Bourgeoisanstalt ist, da ist der Proletarier — er ist als Streber hineinzukriegen, wenn er hinaufrücken will in die Bourgeoisie. Man müßte die Schule einrichten, wie ich es in den Volkspädagogischen Vorträgen beschrieben habe. Dann würde es sich herausstellen, wie man diese Schüler durchbringt zu einer richtigen Bildung. So lange man genötigt ist, etwas von der Schulverfassung des Gymnasiums zu
haben, was die reine Bourgeoisieschule ist — es gibt nichts, was nicht
zugeschnitten wäre auf die Bourgeoisie —, da wird der Proletarier
nicht hineinpassen.

Gezien hun gehele levensconstitutie – en ik bedoel daarmee niets anders – en hun innerlijke zielsgesteldheid, kunnen ze niet worden ondergebracht in de omgeving die kenmerkend is voor scholen voor voortgezet onderwijs. Dat type school is in wezen een burgerlijke instelling; een arbeiderskind kan daar alleen aarden door een ambitieuze klimmer te worden, als hij wil opklimmen tot de burgerij. De school zou moeten worden ingericht zoals ik heb beschreven in de voordrachten over volksonderwijs. Dan zou duidelijk worden hoe we deze leerlingen naar een werkelijke vorming kunnen leiden. Zolang we gedwongen zijn elementen van de structuur van het ‘Gymnasium’ over te nemen – een puur burgerlijk schoolsysteem dat volledig op de burgerij is afgestemd – zal het arbeiderskind daar niet passen. <5>

Ich möchte nur über diese Note des Nur-Lehrens, daß also man irgend etwas nicht in die Kinder hineinbringt, sagen: da handelt es sich darum, daß die Methode, die wir angefangen haben, die auseinandergelegt worden ist in meinen didaktischen Vorträgen, sehr viel vermag in der Ökonomisierung des Unterrichts, wenn sie richtig ausgebildet wird, und daß auch mehr hineingearbeitet werden sollte auf die Ökonomisierung des Unterrichts. Nicht wahr, diese Ökonomisierung ist durchaus notwendig, damit man die anderen Dinge auch einhalten kann.
Ich habe nicht gerügt, daß die Kinder noch nicht schreiben können.
Sie werden etwas anderes können in diesem Lebensabschnitt! Ich möchte das Beispiel von der R. F. M. erwähnen. Die hat mit neun Jahren noch nicht schreiben gekonnt, hat viel später schreiben gelernt als alle anderen Kinder, sie hat die Buchstaben gemalt. Jetzt ist sie sechzehneinhalb Jahre alt und ist verlobt. Sie ist außerordentlich tüchtig im Helfen in einem Betrieb. Das ist doch eine andere Tour! So spät wie das Mädchen lesen konnte — sie hat das letzte Jahr

Ik wil graag even ingaan op dit aspect van het ‘louter onderwijzen’ – het idee dat men kinderen niet zomaar bepaalde zaken bijbrengt: het gaat erom dat de methode die we zijn gestart – en die in mijn voordrachten over didactiek uitvoerig is besproken – aanzienlijk kan bijdragen aan een efficiëntere inrichting van het onderwijs, mits deze goed wordt uitgewerkt; we zouden ons inderdaad meer op die efficiëntie moeten richten. Een dergelijke efficiëntie is immers absoluut noodzakelijk willen we ook de andere onderdelen van het leerplan aankunnen.
<6> Ik heb geen kritiek geuit op het feit dat de kinderen nog niet kunnen schrijven.
Ze zijn in deze levensfase tot andere dingen in staat! Ik wil graag het voorbeeld van R.F.M. aanhalen. Zij kon op negenjarige leeftijd nog niet schrijven; ze leerde het veel later dan alle andere kinderen – ze tekende de letters aanvankelijk. Nu is ze zestien en een half en verloofd. Ze is buitengewoon bekwaam als het gaat om het helpen in een bedrijf. Dat is een heel andere weg! Hoewel ze pas laat leerde lezen, kreeg ze een extra jaar aangeboden aan de handelsschool en werd ze aangesteld als secretaresse van de directeur!

Blz. 262

der Handelsschule gratis bekommen und wurde zum Sekretär des
Direktors ernannt!
Es werden solche Dinge nicht genügend berücksichtigt. Es fördert die Tüchtigkeit ganz entschieden, wenn nicht zu früh diese Dinge, wie das Schreiben und Lesen unserer jetzigen Schrift, die mit der menschlichen Natur nicht zusammenhängen, wenn die nicht zu früh beigebracht werden. Das späte Lesen- und Schreibenlernen, das ist etwas, was schon einen gewissen Wert hat.

de handelsschool en werd ze aangesteld als secretaresse van de directeur!
Met dergelijke zaken wordt onvoldoende rekening gehouden. De bekwaamheid wordt aanzienlijk bevorderd wanneer zaken als lezen en schrijven – gebruikmakend van ons huidige schrift, dat geen wezenlijke band heeft met de menselijke natuur – niet te vroeg worden aangeleerd. Het op latere leeftijd leren lezen en schrijven is van werkelijke waarde. <6>

X.: Es wird bei den Eltern geredet, daß in der Schule ein Gegensatz bestände
zwischen den proletarischen Kindern und den anderen.

<7> X.: Ouders zeggen dat er op school een kloof bestaat tussen de kinderen van het proletariaat en de andere kinderen.

Dr. Steiner: Wie ist das im gegenseitigen Verhalten zutage getreten?

Hoe komt dat tot uiting in hun onderlinge omgang?

X.: Bei den Kindern untereinander konnte ich nichts konstatieren. Nur dieser
kleine W. A., der zaubert so Sachen heraus: „Den Reichen erlaubt man immer,
daß sie herausgehen, nur uns Armen erlaubt man es nicht.” Trotzdem ist nie die
Stimmung gewesen, daß etwas gegen die Proletarier ist.

X.: Ik heb bij de kinderen zelf niets dergelijks waargenomen. Alleen de kleine W.A. maakt wel eens opmerkingen als: “De rijken mogen altijd naar buiten, maar wij armen niet.” Toch is er nooit sprake geweest van een vijandige sfeer jegens de kinderen van de arbeiders. <7>

Dr. Steiner: Das ist für unsere Schulentwickelung nicht besonders
charakteristisch, denn hier hat er sich gebessert. Er ist viel zivilisierter, als er war. Er ist ein Wildling gewesen, wie er hereingekommen ist. Er hat sich entschieden gebessert. Ich glaube nicht, daß der für den Gegensatz zum Proletariat charakteristisch ist.

<8> Dat geval is niet bepaald representatief voor de ontwikkeling van onze school, want hij is vooruitgegaan. Hij is nu veel beschaafder dan voorheen. Toen hij hier net kwam, was hij een wild kind. Hij is beslist verbeterd. Ik geloof niet dat hij een typisch voorbeeld is van de kloof met betrekking tot het proletariaat.

X.: Er kann sich nicht konzentrieren.

X.: Hij kan zich niet concentreren.

Dr. Steiner: Bei ihm würde man, sobald man sich vom Standpunkt der Pathologie mit den Kindern beschäftigen kann, etwas erreichen, wenn man ihm ein paar Schröpfköpfe setzen würde. Das würde einmal zur Pädagogik gehören. Jetzt würden wir furchtbaren Anstoß erregen.
Sie würden auch einiges mit ihm erreichen, wenn Sie ihn gewöhnen würden, ganz scharf irgend etwas mit Konsequenz vom Anfang bis zum Ende durchzuführen. Wenn er bei einer solchen Geschichte etwas ausfrißt, müßte er es niederschreiben. Irgendwie muß man bei ihm in reinlicher Weise die Sache durchführen bis zur letzten Konsequenz. Man kann sehr viel erreichen, wenn man ihn eine Sache machen läßt, bis er sie reinlich durchgeführt hat. Er leidet vor allen Dingen an einer zu starken inneren Regsamkeit des Blutes. Es ist eine
furchtbare Spannung in ihm, und er ist, was ich nennen möchte einen physischen Renommisten. Er will renommieren. Sein Körper renommiert. Das würde durch eine Behandlung des Blutes wesentlich geändert werden.
Bei manchen könnte man sehr viel machen, sobald man die Sache an
einem richtigen Ende packt. Ich werde in jeder Klasse ein paar her-

In zijn geval – zodra men in staat is de kinderen vanuit een pathologisch gezichtspunt te benaderen – zou men iets kunnen bereiken door enkele cupping-glazen [moderne versie van ‘aderlaten’] toe te passen. Dat zou eigenlijk deel moeten uitmaken van de pedagogie. Op dit moment zouden we echter voor veel ophef zorgen.
Men zou ook veel bij hem kunnen bereiken door hem te laten wennen aan het van begin tot eind volbrengen van een taak – met grote nauwkeurigheid en consequentie. Als hij zich tijdens zo’n activiteit zou misdragen, zou hij dat moeten opschrijven. Op de een of andere manier moet je de zaak met hem op een zuivere, grondige manier tot het einde toe doorzetten. Er valt veel te bereiken door hem aan een taak te laten werken totdat hij deze naar behoren heeft uitgevoerd. Hij heeft vooral last van een overmatige innerlijke activiteit van het bloed. Er heerst een enorme spanning in hem en hij is wat ik een “fysieke uitslover” zou noemen. Hij wil zich profileren; zijn lichaam profileert zich. Dat zou aanzienlijk veranderen door het bloed te behandelen.
Bij sommige kinderen zou men veel kunnen bereiken door de zaak simpelweg vanuit de juiste invalshoek aan te pakken. Ik zal uit elke klas enkele leerlingen

Blz. 263

aussuchen, die körperlich behandelt werden müßten. Bei K. R. ist es
entschieden so, daß er richtig behandelt werden müßte. Er müßte
behandelt werden auf eine gewisse Diät, auf Dinge, die ich gesagt habe.
Diese Institution des Schularztes müßte man einrichten und so gestalten, daß es akzeptiert werden könnte von der öffentlichen Meinung. Man sollte eine besondere Institution des Schularztes schaffen.

Wat K. R. betreft, is het beslist noodzakelijk dat hij op de juiste wijze wordt behandeld. Hij moet op een specifiek dieet worden gezet – volgens het regime dat ik heb beschreven.
We zouden de rol van een schoolarts moeten vastleggen en zo vormgeven
dat deze door de publieke opinie wordt geaccepteerd. Er zou een specifieke
functie voor een schoolarts moeten worden gecreëerd.

X.: Könnte das nicht sehr rasch in Angriff genommen werden?

X.: Zou dat niet vrij snel kunnen worden aangepakt?

Dr. Steiner: Ich weiß nicht, ob von Dr. Kolisko so etwas gemacht werden könnte. Der Schularzt, der meiner Idee nach da sein müßte, der müßte sämtliche Schulkinder kennen und im Auge behalten, der müßte im Grunde genommen nicht einen speziellen Unterricht haben, sondern sich mit den Kindern sämtlicher Klassen beschäftigen, wie es sich ergibt. Den Gesundheitszustand sämtlicher Kinder müßte er wissen. Da läßt sich viel sagen. Ich habe öfter betont, die Leute sagen, es gibt so viele Krankheiten und nur eine Gesundheit.
Es gibt aber ebenso viele Gesundheiten, als es Krankheiten gibt.
Diese Institution des Schularztes, der alle Kinder kennt und im Auge behält, das würde eine vollamtliche Beschäftigung sein; der müßte ganz in unsere Dienste treten. Ich glaube nicht, daß wir es machen können. Wir sind finanziell nicht so weit, daß wir es verantworten können. Es müßte streng durchgeführt werden. Nur dadurch würde es akzeptiert werden. Er muß jemand sein, der ganz in der Schule drinnensteht.

Ik weet niet of dr. Kolisko zoiets op zich zou kunnen nemen. De schoolarts – zoals ik die rol voor me zie – zou alle schoolkinderen moeten kennen en een oogje in het zeil moeten houden; in feite zou hij er niet zijn om specifieke lessen te geven, maar zou hij zich – waar nodig – moeten bekommeren om kinderen uit alle klassen. Hij zou op de hoogte moeten zijn van de gezondheidstoestand van elk kind. Er valt veel over dit onderwerp te zeggen. Ik heb vaak benadrukt – men zegt dat er zoveel ziekten zijn, maar slechts één gezondheidstoestand.
Toch zijn er net zoveel gezondheidstoestanden als er ziekten zijn.
Deze rol van schoolarts – iemand die alle kinderen kent en op hen let – zou een voltijdse baan moeten zijn; hij zou volledig bij ons in dienst moeten treden. Ik denk niet dat we dat kunnen doen. We verkeren niet in een financiële positie om dat te rechtvaardigen. Het zou consequent moeten worden doorgevoerd. Alleen dan zou het worden geaccepteerd.
Hij moet iemand zijn die volledig in het schoolleven is geïntegreerd.

Es wird gefragt wegen W. L. und R. D.

Er is een vraag over W. L. en R. D.

Dr. Steiner: Der R. D. ist viel besser geworden. Der war im vorigen Jahr nicht in dem Zustand. Warum haben Sie ihn nach rückwärts gesetzt? Er ist das vorige Mal ganz am Ofen gesessen.

R. D. is enorm vooruitgegaan. Vorig jaar verkeerde hij niet in deze toestand. Waarom hebt u hem naar achteren verplaatst? De vorige keer zat hij vlak bij de kachel.

X.: Das ist mehr, weil er sich mit dem E. zu sehr befaßt.

X.: Dat komt vooral doordat hij zich te veel met E. bezighoudt.

Dr. Steiner: Jedenfalls ist der R. D. jetzt besser.
Bei W. L., da ist auch nur das allgemeine Befinden. Ich habe mich
noch nicht so weit mit ihm beschäftigt. Er hat etwas körperlich. Der
R. D. ist hysterisch. Ausgesprochen männliche Hysterie. Der andere
hat vielleicht auch so etwas Ähnliches. Da müßte man ihn untersuchen, wenn so etwas organisch vorliegt.

Hoe dan ook, met R. D. gaat het nu beter.
Wat W. L. betreft: het is een kwestie van zijn algemene toestand. Ik heb zijn geval nog niet grondig bekeken. Hij heeft een lichamelijke aandoening. R. D. is hysterisch – een duidelijk geval van mannelijke hysterie. De andere jongen heeft misschien iets soortgelijks; men zou hem moeten onderzoeken om te zien of er een organische oorzaak aan ten grondslag ligt.

X.: Darf ich fragen, ob Sie sich des Jungen D. R. erinnern?

X.: Mag ik vragen of u zich de jongen D. R. herinnert?

Blz. 264

Dr. Steiner: Der Junge ist physisch klein geblieben. Er sieht sehr neugierig aus. Ich glaube, der Junge braucht, daß er die Sicherheit hat, daß er öfter erleben würde, daß man ihn gerne hat. Zuhause wird er wenig Liebe erfahren. Die Mutter mag gescheit herumreden. Man sollte ihm in der Schule etwas Liebe geben. Man sollte ihn öfter anreden und Ähnliches, was einem schwer wird, weil er einen unsympathischen Eindruck macht. Man sollte ihn öfter anreden, ihn über dies oder jenes fragen. Es macht ganz den Eindruck, daß er nach dieser Richtung hin angefaßt werden müßte. Der Junge ist nur etwas vereist.

De jongen is fysiek klein gebleven. Hij ziet er erg leergierig uit. Ik geloof dat de jongen de zekerheid nodig heeft – vaker moet ervaren – dat mensen hem mogen. Waarschijnlijk krijgt hij thuis weinig liefde. Zijn moeder praat graag op een slimme manier. Op school zou je hem wat liefde moeten tonen. Je zou vaker met hem moeten praten en dergelijke dingen moeten doen – wat lastig is, omdat hij een onaantrekkelijke indruk maakt. Je zou vaker met hem moeten praten, hem eens iets moeten vragen. Het lijkt er echt op dat dit de juiste aanpak voor hem is. De jongen is gewoon een beetje bevroren.

X.: Soll ich mit dem Mädchen N. M. auch etwas Besonderes machen?

X.: Moet ik ook iets bijzonders doen met het meisje N. M.?

Dr. Steiner: Es fragt sich, ob man es nicht besonders aufwecken
könnte.

De vraag is of zij niet op een bijzondere manier gewekt zou kunnen worden.

X.: Sie ist ganz zerstreut und hat die Augen in einer schiefen Lage.

X.: Ze is erg verstrooid en haar ogen staan ​​in een vreemde hoek.

Dr. Steiner: Sie hat einen schwachen Intellekt. Für solche müßten wir doch die Schwachsinnigenklasse haben, daß man sie systematisch behandeln kann. Diese Kinder würden sehr gewinnen, wenn man nicht Schreiben und Lesen geben würde, sondern Dinge, die aber doch ein gewisses Denken fordern. Solche elementare Aufgaben, daß man sagt, sie muß in neun aufeinanderfolgende Becher eine Anzahl von kleinen Kugeln legen und in jedem dritten Becher
müssen zwei rote und eine weiße sein. So etwas, daß sie kombinieren muß. Dann würde man schon etwas erreichen. Wir müßten eine Lehrkraft für diese psychopathischen Kinder haben.

Ze heeft een zwak verstand. Voor kinderen zoals zij zouden we eigenlijk een klas voor verstandelijk gehandicapten moeten hebben, zodat ze systematisch behandeld kunnen worden. Deze kinderen zouden er veel baat bij hebben als ze,
in plaats van lezen en schrijven, taken kregen die toch een zekere mate van denkwerk vereisen. Eenvoudige taken – haar bijvoorbeeld opdragen om een ​​aantal kleine balletjes in negen opeenvolgende bekers te doen, waarbij in elke derde beker twee rode en één wit balletje moeten komen. Iets waarbij ze elementen moet combineren. Dan zouden we iets bereiken.
We zouden een leerkracht moeten hebben die specifiek voor deze psychopathische kinderen is. <8>

X.: Ich bin in der 9. Klasse bis 1790 gekommen in der Geschichte. Ich sollte
bei der Gegenwart angelangt sein. Ich komme langsam vorwärts.

X.: Bij geschiedenis ben ik met de negende klas tot het jaar 1790 gekomen. Eigenlijk had ik inmiddels bij het heden moeten zijn. Ik boek maar langzaam vooruitgang.

Dr. Steiner: Ich habe neulich nicht entnehmen können, wie rasch Sie
vorwärtsgegangen sind. Woran liegt es nach Ihrer eigenen Meinung?

Ik heb de laatste tijd niet precies kunnen volgen hoe snel u vordert. Wat is daar volgens u de reden van?

X.; Das liegt daran, daß ich selbst diese Geschichte sehr wenig kenne. Das
Vorbereiten, um ganze Epochen zu umspannen, geht eben sehr langsam.

X.: Dat komt doordat ik zelf maar weinig van deze geschiedenis afweet. De voorbereiding om hele tijdperken te behandelen kost enorm veel tijd.

Dr. Steiner: Mit was haben Sie angefangen?

Waar ben je begonnen?

X.: Mit der Reformationszeit.

Met de reformatie.

Dr. Steiner: Man müßte sehen — die Folgezeit ist kurz —, möglichst
bald bis zur Gegenwart zu kommen.

Je moet echt proberen – aangezien de daaropvolgende periode kort is – om zo snel mogelijk bij het heden te komen.

X.; Ist es besser, in der Projektions- und Schattenlehre in der 6. Klasse vom
Künstlerischen auszugehen oder vom Geometrischen?

<9>X.: Is het bij het behandelen van de projectie- en schaduwleer in de zesde klas beter om uit te gaan van een artistiek of van een meetkundig perspectief?

Blz. 265

Dr. Steiner: Es ist unter Umständen das das beste, was eine Brücke baut zwischen einem Unterricht, der nüchtern geometrisch ist, und einem solchen, der doch zur Kunst hinüberführt. Ich glaube nicht, daß man das künstlerisch behandeln kann. Gemeint ist die Zentralprojektion. Ich würde doch glauben, daß die Kinder auch wirklich wissen müßten, wie also der Schatten eines Kegels auf einer so gearteten Ebene ist; daß sie eine innere Anschauung haben.

Het is wellicht de beste manier om een ​​brug te slaan tussen onderwijs dat puur meetkundig is en onderwijs dat overgaat naar het gebied van de kunst. Ik geloof niet dat je dit op een artistieke manier kan behandelen – ik doel hier op de centrale projectie. Toch ben ik van mening dat kinderen werkelijk moeten weten hoe de schaduw van een kegel op een dergelijk vlak eruitziet; dat ze er een innerlijk voorstellingsbeeld van moeten hebben.

X.: Soll man solche Ausdrücke verwenden wie Lichtstrahlen, Schattenstrahlen?

X.: Zou je termen als “lichtstralen” of “schaduwstralen” moeten gebruiken?

Dr. Steiner: Das ist nun ja eine allgemeinere Frage. Es ist nicht gut, Dinge in der projektiven Geometrie anzuwenden, die es nicht gibt. Es gibt keine Lichtstrahlen, noch weniger Schattenstrahlen. Das ist nicht nötig, daß man mit diesen Begriffen in der Projektionslehre arbeitet. Man sollte arbeiten mit gestalteten Rauminhalten. Es gibt nicht Lichtstrahlen und Schattenstrahlen. Es gibt Zylinder und Kegel. Es gibt einen Schattenkörper, der entsteht, wenn ich einen Kegel habe, der schief ist und von einem Punkt beleuchtet wird, und den Schatten auffallen läßt auf eine geneigte Ebene. Dann habe ich einen Schattenkörper, der da ist. Diesen Schattenkörper als solchen, die Kurvenbegrenzung des Schattenkörpers, das sollte auch schon das Kind verstehen.

Dat is natuurlijk een algemenere vraag. Het is niet goed om in de projectieve meetkunde begrippen toe te passen die in werkelijkheid niet bestaan. Er zijn geen lichtstralen, en zeker geen schaduwstralen. Het is niet nodig om in de projectietheorie met dergelijke begrippen te werken. Je dient met ruimtelijke vormen te werken. Er zijn geen lichtstralen of schaduwstralen; er zijn cilinders en kegels. Er ontstaat een schaduwvolume wanneer ik een scheve kegel vanuit één enkel punt laat verlichten, waardoor deze zijn schaduw op een schuin vlak werpt. Dat levert een specifiek schaduwvolume op. Het kind moet in staat zijn dit schaduwvolume als zodanig te vatten – en de gekromde begrenzing ervan.

Geradeso wie es später in der projektiven Geometrie verstehen muß, wenn ein Zylinder einen anderen mit kleinerem Durchmesser durchschneidet. Das ist ungemein nützlich, die Kinder dies zu lehren. Es bringt nicht ab vom Künstlerischen. Es läßt die Kinder im Künstlerischen. Es macht das Vorstellen geschmeidig.
Man kann geschmeidig vorstellen, wenn man von vornherein weiß, was für eine Schnittkurve entsteht, wenn sich Zylinder durchschneiden. Das ist ganz wichtig, daß man diese Dinge bringt, aber nicht Abstraktionen.

Net zoals je later in de projectieve meetkunde moet begrijpen wat er gebeurt wanneer de ene cilinder de andere – met een kleinere diameter – snijdt. Het is buitengewoon nuttig om kinderen dit te leren. Het doet geen afbreuk aan het artistieke aspect.
Het houdt de kinderen binnen de sfeer van het artistieke. Het maakt de verbeeldingskracht flexibel.
Je kan je zaken flexibel voor de geest halen als je van meet af aan weet
wat voor soort snijlijn er ontstaat wanneer cilinders elkaar snijden. Het is erg belangrijk om deze zaken te behandelen – maar niet als abstracties.

X. fragt nach darstellender Geometrie.

X. vraagt ​​naar beschrijvende meetkunde.

Dr. Steiner: Da bin ich vielleicht mitten in die Stunde hineingekommen. Ich würde in diesem Teil finden, daß man anschaulicher vorgehen soll. Wie die Kinder geantwortet haben, das könnte rationeller gemacht werden; das fiel auseinander. Die Kinder redeten verworren. Und das kann natürlich anders sein, wenn man saftigere Begriffe beibringt. Ich würde mehr vom Anschaulichen ausgehen, würde dem Kinde beibringen, wie verschieden ein Gebäude ausschaut vom Luftballon gesehen, und wie es ausschaut, wenn man Gebäude, hinter denen ein Berg ist, von dort herab anschaut. Ich würde auf diese Weise zuerst aus dem komplizierten Objekt heraus die Begriffe:

Misschien ben ik midden in de les binnengekomen. Wat dit onderdeel betreft zou ik zeggen dat je op een meer visueel-intuïtieve manier te werk moet gaan. De manier waarop de kinderen antwoordden, had systematischer aangepakt kunnen worden; het was onsamenhangend. De kinderen spraken op een verwarde manier. En dat kan natuurlijk veranderen als je begrippen introduceert die levendiger en inhoudelijker zijn. Ik zou meer vanuit het visuele vertrekken; ik zou het kind leren hoe anders een gebouw eruitziet wanneer je het vanuit
een luchtballon bekijkt, en hoe het eruitziet wanneer je een gebouw –
met een berg erachter – vanuit een hooggelegen standpunt bekijkt. Op die manier zou ik eerst uit het complexe object de begrippen afleiden:

Blz. 266

Grundriß, Aufriß beibringen, bevor ich zur Darstellung des Punktes gehe.
Diese Geometrie wäre etwas, was die Kinder mit Leidenschaft treiben könnten, wenn man es ihnen beibringen würde. Es ist etwas ungeheuer Fruchtbares. Ich finde, daß es zu lange herumgeredet war, in die Fläche eines Dreiecks einen Punkt hineinzusetzen. Wenn Sie im Anfang der Stunde den Punkt hineinzeichnen, und am Ende der Stunde wird über allerlei zu den Dingen herumgeredet, ohne daß Sie dazu gekommen sind, die Linien zu ziehen, so glaube ich, daß Sie die Vorstellungen zu stark auseinandertreiben. Wenn das Kind über soviel Vorstellungen sich verbreitet, dann verliert es den Zusammenhang, den Faden. Es wird alles so weit, daß die Kinder — nicht wahr, man faßt es nicht mehr; es ist auseinander gezerrt.

het grondvlak en het basisaangezicht, voordat ik overga op de weergave van het punt.
Deze meetkunde is iets waar kinderen zich vol passie in zouden kunnen verdiepen, als het hun maar werd bijgebracht. Het is iets dat enorm vruchtbaar is. Ik heb het gevoel dat er te veel loze praat is geweest over het plaatsen van een punt binnen het oppervlak van een driehoek. Als je het punt aan het begin van de les tekent, en er aan het einde van de les allerlei zaken in relatie daartoe worden besproken zonder dat je de lijnen daadwerkelijk hebt getekend, dan geloof ik dat je de begrippen te ver uit elkaar laat drijven. Als de geest van het kind langs zoveel begrippen dwaalt, verliest het de samenhang – de rode draad. Alles wordt zo diffuus dat de kinderen – tja, je kunt het niet meer vatten; het valt uiteen. <9

X.: Hat es einen künstlerischen Wert, wenn man „Das Lied von der Glocke”
lernen läßt?

<10> X.: Heeft het enige kunstzinnige waarde om leerlingen “Das Lied von der Glocke” te laten leren?

Dr. Steiner: Man kann es schon machen, wenn man es heraufhebt in eine freiere Auffassung. Das ,,Lied von der Glocke” ist eines von den Gedichten, bei denen Schiller der Philistrosität Konzessionen gemacht hat. Manches darinnen ist eigentlich spießig. Viele Vorstellungen sind ganz unwahr. Deshalb ist es gefährlich. Natürlich werden die Proletarierkinder es ihren Eltern erzählen. Das ist auch nicht wünschenswert. Es wird empfunden als ein Philistergedicht.

Dat kan wel, mits je het optilt naar een vrijer niveau van begrip. “Das Lied von der Glocke” is een van die gedichten waarin Schiller concessies deed aan de bekrompen burgerlijkheid. Sommige delen ervan zijn eigenlijk benauwend en conventioneel. Veel van de ideeën zijn nogal onwaar.
Daarom is het gevaarlijk. Natuurlijk zullen kinderen uit arbeidersmilieus het aan hun ouders vertellen. Dat is ook niet wenselijk. Het komt over als een bekrompen burgerlijk gedicht. <10>

Wie steht es mit der 1. Klasse?

Hoe staat het met de eerste klas?

X. berichtet.

X. doet verslag.

Dr. Steiner: In Ihrer Klasse macht die Homogenität einen guten Eindruck. Die Kinder sind in beiden ersten Klassen so, daß sie nicht als besonders Begabte und Unbegabte hervortreten.

De homogeniteit van uw klas maakt een goede indruk. De kinderen in beide eerste klassen zijn zodanig dat er niemand uitspringt als bijzonder begaafd of juist niet begaafd.

X.: Es sind einzelne da, bei denen ist es etwas schwierig.

X.: Er zijn er een paar met wie het wat lastig is.

Dr. Steiner: Das ist auch gut, einzelne muß man wecken. Im ganzen habe ich mich gefreut bei beiden ersten Klassen, daß sie doch verhältnismäßig ruhig sind, während die zweite eine schreckliche Schreiklasse ist. Sie tun sich schon höllisch schwer; sie sind auch unruhig.
In dieser Beziehung sind die ersten Klassen sehr gut.

Dat is eigenlijk goed; zulke individuen moet je zien te prikkelen. Over het geheel genomen was ik blij te zien dat beide eerste klassen relatief rustig zijn, terwijl de tweede klas er een is die vreselijk schreeuwt. Ze hebben het ontzettend moeilijk; ze zijn ook onrustig.
Wat dat betreft zijn de eerste klassen erg goed.

X.: Etwas schwerer ist die Sprachstunde.

X.: De taalles is wat lastiger.

Dr. Steiner: Im ganzen ist diese Klasse so, daß man zufrieden sein
kann mit ihnen. Es sind auch ein paar, die zurückgeblieben sind.
Diese Kleine in der ersten Bank, in der linkesten Reihe, die

Al met al is dit een klas waar men tevreden over kan zijn. Er zijn er echter wel een paar die achterblijven. De kleine op de voorste , in de rij helemaal links –

Blz. 267

kommt schwer vorwärts.
Der kleine B. R. ist nicht besonders begabt.

komt moeilijk emee
De kleine B.R. is niet bepaald begaafd.

Dr. Steiner hatte vorgeschlagen, daß eine jüngere Lehrerin, Frl. S. einer älteren Klassenlehrerin, Frl. H. im Unterricht helfen sollte. Es wird nun gefragt, wie das Zusammenarbeiten im einzelnen geschehen solle.

<11>U had voorgesteld dat een jongere leerkracht, juffrouw S., een oudere klasleerkracht, juffrouw H., tijdens de lessen zou bijstaan. Nu rijst de vraag
hoe deze samenwerking in de praktijk vorm zou moeten krijgen.

Dr. Steiner: Ich habe so gemeint erst, daß Sie sich ablösen, aber daß,
während die andere nichts zu tun hat, sie nicht bloß zuhört, sondern
auch ein bißchen herumgeht, um so ein bißchen nebenher die Disziplin zu bewahren.

Mijn eerste idee was dat zij elkaar zouden afwisselen, maar dat —
terwijl de ander niets specifieks te doen heeft — zij niet alleen maar zou luisteren, maar ook wat zou rondlopen, om zo en passant de discipline te handhaven.

X.: Wir hatten das nicht getan, da wir es für unersprießlich hielten.

X.: Dat hebben we niet gedaan, omdat we dat niet productief vonden.

Dr. Steiner: In abstrakter Beziehung mag es richtig sein. Intim ist es nicht so. Fräulein H. ist furchtbar angestrengt. Also wenn Sie dahinten herumgehen würden, könnten Sie manches, was herumspringt, am Sitzplatz erhalten. Das ist ersprießlicher, als wenn Sie bloß zuhören.

In theorie klopt dat misschien. In de praktijk is dat niet zo. Juffrouw H. staat onder enorme druk. Als u dus achterin zou rondlopen, zou u enkele van de kinderen die op hun stoel op en neer springen, in bedwang kunnen houden. Dat is productiever dan alleen maar luisteren.

X.: Wenn ich den Kindern etwas sage, sagt Frl. H. das Gegenteil.

X.: Als ik iets tegen de kinderen zeg, zegt juffrouw H. precies het tegenovergestelde.

Dr. Steiner: Das kommt nicht in Frage, wenn Sie bloß daraufsehen, daß ein Kind, das herumspringt, am Platze sitzen bleibt. Ich meine, nicht wahr, wir wollen uns nicht über Prinzipien unterhalten. Bei dieser Klasse ist es eigentümlich, daß die Kinder bunt durcheinanderlaufen. Da kann man sie abhalten von diesem Durcheinanderlaufen.
Wie will Frl. H. das Gegenteil sagen?

Dat zou geen probleem zijn als u zich er simpelweg op zou richten om een ​​kind dat op zijn stoel springt, in bedwang te houden. Ik bedoel — we willen hier immers niet over principes discussiëren. Het is een opvallend kenmerk van deze klas dat de kinderen in een chaotische mengelmoes rondrennen.
U kunt voorkomen dat ze zo rondrennen.
Hoe zou juffrouw H. dan het tegenovergestelde kunnen zeggen?

Ich will nicht hoffen, daß Sie untereinander uneinig sind. Ich meine nicht, wenn berechtigterweise ein Kind vorgeht, daß man es zurückhält. Es handelt sich um die offenbaren Fälle, daß die Kinder ungezogen sind und daß man schwer Disziplin hält, daß die Kinder zu reichlich schwätzen.
Machen Sie es ganz unauffällig, so daß Sie gar nichts tun können, wozu das Fräulein H. das Gegenteil sagen könnte.
Sollte es wirklich so schwer sein, die Sache zu machen? Es ist vorgeschlagen in der Absicht, daß Fräulein H. geholfen werden sollte, weil die Klasse für sie zu groß ist und die Kinder in einer etwas schwer zu behandelnden Weise zusammengewürfelt sind. Solch ein Experiment kann man nicht machen, wenn es ein Experiment bleibt. Ich könnte mir aber gut denken, daß Sie so weit kommen, sich fünf Minuten darüber zu besprechen, was der Unterrichtsgegenstand am nächsten Morgen sein wird.

Ik hoop van harte dat er geen onenigheid onder jullie bestaat. Ik bedoel niet dat je een kind moet laten zitten als er een geldige reden is om het kind vooruit te helpen; ik doel op die overduidelijke gevallen waarin kinderen onhandelbaar zijn, het moeilijk is om de discipline te handhaven, of de kinderen overmatig kletsen. Pak het zo onopvallend aan dat je niets doet waar juffrouw H. bezwaar tegen kan maken. Is het echt zo moeilijk om dit in de praktijk te brengen? Het voorstel is gedaan met de bedoeling juffrouw H. te helpen, omdat de klas te groot voor haar is en de kinderen zo zijn ingedeeld dat ze moeilijk te beheersen zijn. Zo’n experiment kan niet slagen als het slechts een experiment blijft. Ik kan me echter goed voorstellen dat jullie op een gegeven moment vijf minuten besteden aan het bespreken van de lesstof voor de les van de volgende ochtend. <11>

Hier scheint eine Frage gestellt worden zu sein nach Märchenerzählen.

Het lijkt erop dat hier een vraag is gesteld over het vertellen van sprookjes.

Dr. Steiner: Wenn Sie finden, daß es sachlich gerechtfertigt ist. Ich möchte davor warnen, gewisse Zeiten auszufüllen mit Märchenerzählen. Es soll alles sehr gut pädagogisch eingeteilt sein. Ich möchte nicht, daß diese Dinge zu stark hervortreten, daß der Unterricht undurchdacht würde; daß man, wenn man nicht weiß in einem bestimmten Moment, was man tun soll, ein Märchen erzählt. In jeder Minute muß der Unterricht durchdacht sein. Nicht wahr, Märchenerzählen ist ganz gut, wenn man es festgesetzt hat, daß man es tut.
Eigentlich ist es im Sinne unserer pädagogischen Anschauung, daß diese zwei Stunden am Morgen ein in sich geschlossenes Ganzes sind, nicht daß man irgendwelche divergierenden Interessen hat.
Sie werden nur durchkommen, wenn Sie beide ganz ein Herz und eine Seele sind. Wenn Sie gewissermaßen brennen daranzukommen, um die Sache gegenseitig fortzusetzen. Ganz ein Herz und eine Seele: das ist das, was natürlich fast unerläßlich ist.

Als u dat feitelijk gerechtvaardigd acht. Ik zou willen waarschuwen voor het opvullen van bepaalde tijd met het vertellen van sprookjes. Alles dient pedagogisch gezien zeer goed gestructureerd te zijn. Ik wil niet dat deze zaken te veel op de voorgrond treden, waardoor het onderwijs een ondoordacht karakter krijgt – waarbij je, als je op een bepaald moment niet weet wat te doen, simpelweg een sprookje vertelt. Het onderwijs moet tot in de puntjes doordacht zijn. Begrijp me goed: sprookjes vertellen is prima, mits men daarvoor een concreet plan heeft gemaakt.
Het sluit zelfs aan bij onze pedagogische opvatting dat die twee ochtenduren een afgerond geheel moeten vormen, in plaats van een mengeling van uiteenlopende zaken te zijn.
Het zal alleen slagen als u beiden werkelijk één van hart en ziel bent. Als u, bij wijze van spreken, brandt van verlangen om het stokje over te nemen en het werk voort te zetten waar de ander is gebleven.
Werkelijk één van hart en ziel: dat is natuurlijk vrijwel onmisbaar. <11>

X..Fräulein Lang will uns verlassen, weil sie sich verheiratet.

X.: Juffrouw Lang verlaat ons omdat ze gaat trouwen.

Dr. Steiner: Da können wir nichts anderes sagen, als daß es schade
ist.
Da werden wir eine andere Lehrkraft haben müssen. Es ist absolut
notwendig, daß jemand ernannt wird, der sich ganz aus vollem Herzen hineinfindet in den Geist der Waldorfschule. Wir sind bald herum um die Leute, die als Lehrer in Betracht kommen. Viele dürften nicht noch heiraten!
Wann würde Boy frei werden? Ich habe von ihm einen sehr vernünftigen Brief bekommen. Es fragt sich, ob er mit Herz und Seele dabei sein kann. Er steht der Sache ein bißchen fern. Ich hatte das Gefühl, er könnte herkommen mit einer vorgefaßten Meinung über Unterricht und sich nicht ganz in unsere Methode hineinfinden, weil diese Lehrer an solchen Schulen ihre kuriosen Ideen haben. Aus manchen Anzeichen sehe ich, daß er nicht in diese Dinge eingefahren ist.
Natürlich müßte ich wissen, daß er mit Herz und Seele dabei sein könnte. Ich würde Herrn Boy sehr gerne persönlich kennenlernen.
Boy war damals an einem Landerziehungsheim tätig.
Es wird noch über andere Kandidaten gesprochen.

We kunnen alleen maar zeggen dat het jammer is.
We zullen een andere leerkracht moeten vinden. Het is van cruciaal belang dat we iemand aanstellen die zich met hart en ziel kan inleven in de geest van de vrijeschool. De spoeling qua potentiële kandidaten voor de lesgevende functies wordt dunner. Velen van hen zouden eigenlijk niet moeten trouwen!
Wanneer zou Boy beschikbaar zijn? Ik heb een zeer verstandige brief van hem ontvangen. De vraag is of hij zich er volledig voor kan inzetten – met hart en ziel. Hij lijkt wat afstandelijk tegenover de zaak te staan. Ik had het gevoel dat hij misschien met vooropgezette ideeën over lesgeven zou komen en zich niet volledig aan onze methode zou aanpassen; leerkrachten van dergelijke scholen hebben immers vaak hun eigen, eigenaardige opvattingen. Bepaalde tekenen wijzen erop dat hij niet goed thuis is in deze materie.
Uiteraard moet ik weten of hij zich er met hart en ziel voor kan inzetten. Ik zou meneer Boy heel graag persoonlijk ontmoeten.
In die tijd werkte Boy op een internaat op het platteland.
Er wordt ook over andere kandidaten gesproken.

Dr. Steiner: Wir bleiben dabei, daß wir Herrn Ruhtenberg die eine Klasse geben und uns um Boy oder einen anderen bemühen. Darf ich Boy persönlich kennenlernen?

We houden vast aan het plan om de ene klas aan meneer Ruhtenberg toe te wijzen en voor de andere klas achter Boy – of iemand anders – aan te gaan. Mag ik Boy persoonlijk ontmoeten?

Gibt es noch Anstandsunterricht?

Wordt er nog steeds lesgegeven in etiquette?

Blz. 269

X.: Ich habe es ganz in den Musikunterricht hineingenommen.

X.: Ik heb het volledig in de muzieklessen geïntegreerd.

Dr. Steiner: Es ist ja, wenn man es richtig macht, von gutem Effekt.
Man muß nur bei diesem Unterricht die Sache so anlegen, daß man auf Wiederholungen zurückkommt, damit die Kinder durch den Rhythmus der Wiederholungen gepackt werden.

Bij deze lessen moet de aanpak echter zo worden opgezet dat je telkens weer terugkeert naar herhalingen, zodat de kinderen geboeid raken door het ritme van die herhaling.

Wanneer het goed wordt aangepakt, is het inderdaad zeer effectief.

Noch gar nicht viel habe ich von der Eurythmie gesehen.

Ik heb nog niet veel van de euritmie gezien.

X. fragt nach Heileurythmie, wie besonders schwierige Fälle zu behandeln sind.

X. vraagt ​​naar de euritmietherapie en hoe bijzonder moeilijke gevallen behandeld moeten worden.

Dr. Steiner: Es ist seit langem daran gedacht, dieses System der Heileurythmie auszubilden. Es ist mir schwer geworden in der letzten Zeit, diese Sache noch zu machen. Man müßte die Heileurythmie ausarbeiten. Natürlich läßt sich manches für die psychologische Pathologie machen. Wenn man die Kinder hat, läßt sich auch manches machen.

Er zijn al lang plannen om dit systeem van euritmietherapie te ontwikkelen. De laatste tijd vind ik het echter lastig om deze zaak verder ter hand te nemen. Het systeem van euritmietherapie moet nog worden uitgewerkt. Uiteraard kan er veel worden bereikt op het gebied van psychologische pathologie. Als de kinderen er zijn, is er veel te bereiken.

X. berichtet über den Gesangsunterricht.

X. doet verslag van de zanglessen.

Dr. Steiner: Es wird sich kaum empfehlen, bei den kleinen Kindern
Zweistimmiges zu gebrauchen. Man könnte es erst bei der 5. Klasse
anfangen. Bei den Kindern bis zum zehnten Jahre würde ich in der
Hauptsache beim Einstimmigen bleiben. Haben Sie eine Möglichkeit, im großen Maßstab die Kinder das, was sie im Chor singen, auch solo singen zu lassen?

<12> Het is niet echt aan te raden om met jonge kinderen meerstemmig (tweestemmig) te zingen. Daarmee zou je in de vijfde klas kunnen beginnen. Bij kinderen tot tien jaar zou ik me voornamelijk beperken tot eenstemmig
zingen. Ziet u een mogelijkheid om de kinderen datgene wat ze in het koor zingen, ook op grote schaal als solostuk te laten zingen?

X.: Jetzt kann ich es schon machen.

X.: Dat kan ik nu doen.

Dr. Steiner: Das ist etwas, was sonst auch in Betracht kommt. Ich meine, man muß viel Rücksicht nehmen darauf, doch die Kinder nicht nur im Chor singen zu lassen; ja nicht deshalb darüber das Solo versäumen. Namentlich bei den Dingen, die im Chor gesprochen werden, werden Sie finden, die Gruppenseele regt sich. Manche machen es sehr gut im Chor; Sie rufen sie einzeln auf, und sie kriegen nichts heraus. Man muß darauf sehen, daß die Kinder auch einzeln
das können, was sie im Chor können, insbesondere beim Sprachunterricht.

Dat is nog een mogelijkheid die het overwegen waard is. Ik bedoel: je moet er goed op letten dat de kinderen niet alleen in koor zingen – zeker niet ten koste van solowerk.
Vooral bij teksten die in koor worden gesproken, zul je merken dat de groepsziel zich roert. Sommigen presteren heel goed in het koor, maar als je ze individueel aanspreekt, krijgen ze geen woord over hun lippen. Je moet ervoor zorgen dat de kinderen ook individueel kunnen wat ze in koor kunnen – vooral tijdens de spraaklessen.

Wie ist es mit den Größten im Gesangsunterricht?

Hoe zit het met de oudsten tijdens de zanglessen?

X.: Die Jungen haben Stimmbruch, die bekommen Theorie und rhythmische
Übungen. Die älteren Kinder beschäftige ich in verschiedener Weise. Vielleicht
können wir einen gemischten Chor bilden. Das würde Spaß machen.

X.: De jongens zitten in de stemwisseling; zij krijgen les in theorie en ritmische oefeningen. Ik houd de oudere kinderen op verschillende manieren bezig. Misschien zouden we een gemengd koor kunnen vormen. Dat zou leuk zijn.

Dr. Steiner: Das müßte man sicher machen.

Dat is zeker iets wat gedaan zou moeten worden. <12>

Wie ist es mit dem Handarbeitsunterricht?

Hoe zit het met de handwerklessen?

Es wird berichtet.

Er wordt verslag uitgebracht.

Blz. 270

Dr. Steiner: Sie müssen sich bei der Wahl der Arbeiten anpassen an die Bedürfnisse. Es gibt nicht die Möglichkeit, auf alles ein gewisses
künstlerisches Tun anzuwenden. Man sollte das Entwickeln des
Künstlerischen nicht versäumen, den künstlerischen Sinn nicht verdorren lassen. Aber Sie können nicht viel mit dem künstlerischen Sinn anfangen, wenn die Kinder einen Strumpf stricken sollen. Wenn ein Kind einen Strumpf gestrickt hat, kann man immer unterbrechen und irgendeine Niedlichkeit dazwischen machen lassen. Wir wollen in die Zusammenkunft am Abend soziale Pikanterien hineinbringen, wollen ganz kleine geschmackvolle Bändchen machen lassen mit etwas Anhänglichem aus Papier. Ja nicht ins Fröbeln kommen! Dinge, die man brauchen kann, die im Leben eine Bedeutung haben, die kann man geschmackvoll künstlerisch machen. Keine Konzessionen! Nicht Dinge machen lassen, die nur Finessen oder Koketterien entspringen. — Nicht für vieles wird man Papier anwenden können. Ich hoffe auch noch hineinzugehen.

<13> Bij de keuze van de werkstukken moet u zich richten op de werkelijke behoeften. Het is niet mogelijk om op alles dezelfde kunstzinnige benadering toe te passen. Je mag de ontwikkeling van het kunstzinnige vermogen niet verwaarlozen, noch het artistieke gevoel laten verschralen. Maar met dat kunstzinnige gevoel kunt u weinig beginnen wanneer de kinderen geacht worden een kous te breien. Zodra een kind een kous heeft gebreid, kan je altijd even pauzeren en het kind een charmant detail laten toevoegen. We willen in de avondbijeenkomsten elementen van sociale betrokkenheid  brengen; we willen dat ze kleine, smaakvolle lintjes maken met een klein papieren accent. Wat u ook doet, vermijd de valkuil van oefeningen in de stijl van Fröbel! Dingen die nuttig zijn en betekenis hebben in het echte leven – dat zijn de zaken die met kunstzinnige smaak vervaardigd kunnen worden. Geen concessies! Laat ze geen dingen maken die slechts voortkomen uit kunstige trucjes of aanstellerij. — Papier zal voor veel werkstukken niet geschikt zijn. Ik hoop hier zelf nog nader naar te kijken.

Herr Wolffhügel, mit dem Handfertigkeitsunterricht haben Sie wohl
noch nicht besondere Erfahrungen!

Meneer Wolffhügel, ik neem aan dat u nog niet veel ervaring heeft met handvaardigheidsonderwijs?

X.: Die Kinder haben angefangen, Spielzeug zu machen, sind aber noch nicht
fertig geworden.

X.: De kinderen zijn begonnen met het maken van speelgoed, maar hebben het nog niet af.

Dr. Steiner: Es ist durchaus nichts einzuwenden, daß die Kinder Kochlöffel machen. Ganz Fernliegendes brauchen sie nicht zu machen. Möglichst keinen Luxus.

Er is absoluut geen bezwaar tegen dat de kinderen houten lepels maken. Ze hoeven geen dingen te maken die ver van de werkelijkheid afstaan. Vermijd luxeartikelen zoveel mogelijk. <13>

Es wird ein Zweijahresbericht erwähnt.

Er wordt gesproken over een tweejarig verslag.

Dr. Steirier: Es ist jederzeit gut, wenn der Jahresbericht erscheint. Man kann nicht genug über die Waldorfschule und ihre Prinzipien und Absichten und ihre Art arbeiten. Es ist schade, wenn es nicht immer wieder geschieht in sachlicher Weise. — Dann will ich sehen, daß ich die Sache schreibe. Es soll nicht lang werden.

Het is altijd goed als het jaarverslag verschijnt. Je kan niet genoeg zeggen over de Waldorfschool, haar principes, haar intenties en haar werkwijze. Het is jammer als dit niet herhaaldelijk op objectieve wijze gebeurt. — Dan zal ik ervoor
zorgen dat het wordt opgesteld. Het hoeft niet lang te zijn.

X.: Ich habe den Eltern meiner Kinder auf einem Elternabend einen Vortrag
gehalten und sie unterrichtet über alles, was ich die Kinder gelehrt habe.

X.: Ik heb een toespraak gehouden voor de ouders van mijn leerlingen tijdens een ouderavond en hen geïnformeerd over alles wat ik de kinderen had bijgebracht.

Dr. Steiner: Dagegen ist nichts einzuwenden. Aber es kann niemals Vorschrift werden. Wer es tun will, der kann es tun. Man muß meinen, daß es notwendig ist. Es wird es nicht jeder tun können. Man muß schon viel Überkräfte wie Sie haben, wenn man diese Dinge auch noch machen will.
Natürlich müssen Sie bedenken, daß die Waldorfschule als solche — wenn wir auch gar nicht darauf ausgehen, die Schülerzahl zu vermehren, was bei den Raumschwierigkeiten gar nicht geht, abgesehen

Daar is geen bezwaar tegen. Maar het mag nooit een verplichting worden. Wie dat wil, mag het doen. Je moet het als noodzakelijk ervaren. Niet iedereen zal het kunnen doen. Je hebt veel extra energie nodig – zoals u die heeft – als je
ook deze dingen op je wil nemen.
Natuurlijk moet u bedenken dat de Waldorfschool als zodanig – ook al streven we er niet naar het aantal leerlingen te vergroten, wat gezien de beperkte ruimte onmogelijk is – en nog afgezien

Blz. 271

von dem Erlaß – , es bleibt immerhin, daß der Bestand der Waldorfschule für unsere gesamte Sache agitiert. Sie ist wichtig.
Es ist wichtig, die Bestrebungen der Waldorfschule ins rechte Licht gesetzt zu
bekommen. Innerhalb der Dreigliederung ist es viel wichtiger, daß die charakterisierten Tendenzen der Waldorfschule in sachlicher Weise vorgeführt werden. Nicht als Reklame für die Schule, sondern als Charakteristik unserer Sache als solcher. Das wäre bei den Mitgliedern des Bundes für Dreigliederung viel notwendiger als über Tolstoi zu reden. Sie ist jetzt schon bis zu einem gewissen Grade bekannt. Sie müßte viel gründlicher bekanntwerden, namentlich ihre Grundsätze. Dann müßte sehr scharf betont werden die Freiheit des Lehrerkollegiums, die republikanisch-demokratische Einrichtung des Lehrerkollegiums, um zu beweisen, daß man sogar in den begrenzten Möglichkeiten, die man hatte, ein freies Geistesleben sich denken kann.

van het decreet – dat het feit blijft dat het bestaan ​​van de
Waldorfschool op zich al pleit voor onze gehele zaak. Dat is belangrijk.
Het is van belang de doelstellingen van de vrijeschool in het juiste licht te stellen. Binnen de context van de sociale driegeleding is het veel belangrijker dat de kenmerkende eigenschappen van de vrijeschool objectief worden gepresenteerd – niet als reclame voor de school, maar als een typering van de zaak zelf. Voor leden van de Bond voor Sociale Driegeleding is dit veel noodzakelijker dan spreken over Tolstoj. De school is al tot op zekere hoogte bekend, maar ze moet veel grondiger bekend worden – en dan met name de principes ervan. Bovendien moet er grote nadruk worden gelegd op de vrijheid van het lerarenkorps en de republikeins-democratische organisatie van het docententeam, om te laten zien dat een vrij geestesleven zelfs binnen de beperkte mogelijkheden kan worden gerealiseerd.

X.: Ist es sehr ratsam, weiter nach dem Norden zu gehen, um Vorträge zu
halten?

X.: Is het zeer aan te raden om verder naar het noorden te reizen om lezingen te geven?

Dr. Steiner: Nicht wahr, es kommt darauf hinaus, daß man in jedem einzelnen Falle entscheiden kann, ob etwas dabei herauskommt. Wenn die Sachen gut arrangiert sind, ist es jedesmal günstig, daß soviel Leute, als nur möglich ist, gehen könnten und vortragen.

Wel, het komt er eigenlijk op neer dat per geval moet worden beslist of er iets van terechtkomt. Als de zaken goed georganiseerd zijn, is het altijd zinvol dat zoveel mogelijk mensen lezingen gaan geven.

Frau Dr. Steiner: Herr L. will morgen mit mir sprechen wegen einer Aufführung in einer anderen Stadt.

Mevr.Steiner: De heer L. wil morgen met mij spreken over een optreden in een andere stad.

Dr. Steiner: In großem Maßstabe kann das nicht gemacht werden, daß die Kinder der Waldorfschule herumfahren. Ich weiß nicht, ob man damit gerade anfangen soll, wenn die ganze Aufmachung dabei eine tantenhafte ist. Man kann nicht die Waldorfkinder ewig herumschicken, das muß eine seltene Ausnahme sein. Waldorfkinder können keine Wandertruppe werden. Aus diesem Zusammenhang halte ich es nicht für angemessen. Wir können für die Kindereurythmie eintreten. Man sollte die Leute veranlassen, Reisen zu machen, um die Kindereurythmie hier zu sehen. Es muß viel ernster eingeleitet werden, als es Frau P. und Herr L. tun würden. Die wollen eine Art Gschaftlhuberei machen. Das ist zuviel verschwendete Kraft, in diesem Zusammenhang viel Vorträge zu halten. Wir müssen nicht dieser Tee-Anthroposophie zu stark entgegenkommen.
Wer Zeit hat, mag ja hingehen. Es ist ein bißchen verschwendete Kraft. Wer will, kann zu Vorträgen gehen. Die volkstümlichen Zelebritäten haben schon vorgetragen. Es ist ziemlich sicher, daß dort

Het kan niet op grote schaal gebeuren dat de kinderen van de Waldorfschool rondreizen. Ik weet niet of je daarmee moet beginnen wanneer de hele presentatie zo’n gekunstelde, amateuristische indruk maakt. Je kan niet
eeuwig doorgaan met het rondsturen van Waldorfkinderen; dat moet een hoge uitzondering blijven. Waldorfkinderen kunnen geen reizend gezelschap worden. In deze context vind ik het niet gepast. We kunnen wel pleiten voor kindereuritmie. Mensen moeten worden aangemoedigd om hierheen te komen en naar de kindereuritmie te kijken. Dit moet veel serieuzer worden aangepakt
dan mevrouw P. en de heer L. van plan zijn. Zij willen zich inlaten met een soort overijverige bedrijvigheid. Het is zonde van de energie om in dit kader talloze lezingen te geven. We hoeven niet al te zeer toe te geven aan dit soort “theekransjes-antroposofie”. Wie tijd heeft, mag natuurlijk gaan. Het is wel een beetje verspilling van energie. Wie dat wil, kan de lezingen bijwonen.
De bekende persoonlijkheden hebben hun praatjes al gehouden.
Het staat vrijwel vast dat het publiek daar geen echte belofte inhoudt.

Blz. 272

kein aussichtsvolles Publikum ist. So ein bißchen gemischt aus Bohemiens und Salonmenschen. Nicht Leute, die irgendwie zur Fortführung der anthroposophischen Bewegung beitragen.
In Bayern ist die absolute Philisterei die tonangebende Partei. Diese
Idealisten haben Unfug gemacht, so ist es leicht, mit dem Philisterium durchzukommen. Der Bayer sagt, ein Wittelsbacher, und er meint, gute Bratwürste.
Ist sonst etwas Sachliches? Ich meinerseits möchte nur wünschen,
daß ich mich mehr der Waldorfschule widmen könnte.

Een beetje een mengeling van bohemiens en salonfiguren. Geen mensen die op enigerlei wijze bijdragen aan het voortzetten van de antroposofische beweging.
In Beieren geeft een volslagen filisterdom de toon aan. Deze idealisten hebben er een potje van gemaakt, dus is het gemakkelijk om met de filisters door één deur te kunnen. De Beier spreekt over een Wittelsbacher [bier] en denkt daarbij aan goede braadworst.
Is er verder nog iets van inhoudelijke aard? Wat mij betreft zou ik alleen willen
dat ik meer tijd aan de vrijeschool kon besteden.
.
GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden.
.

3579-3372

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Mededeling – Sociale driegeleding – agenda/activiteiten

.

‘SOCIALE DRIEGELEDING’

Website

Nummers van tijdschrift Driegonaal

Een zekere rust én betrokkenheid: dat zijn ingrediënten om de ontwikkelingen in de wereld te kunnen volgen. Inzicht en verbondenheid zijn ingrediënten om te weten wat ons te doen staat. En dan nog de moed om samen in beweging te komen.
Op www.socialedriegeleding.nl proberen we je hiertoe te inspireren!

Nieuwsbrief sociale driegeleding

Nr. 9  /  23 juni 2026
Alles dat we in onze beschaving aantreffen komt voort uit inzichten, gedachten, woorden. Nu overal duidelijk wordt dat we ons op een doodlopende weg bevinden… wordt het tijd voor een nieuw denken, nieuwe inzichten, nieuwe woorden.

Actueel

De gewoonste zaak van de wereld

Dingen die mensen vroeger deden en die we nu niet meer doen. We kijken er meewarig naar terug. Hoe kwamen ze erbij? – Maar denk eens aan staalslakken, PFAS of sigarettenpeuken? Lees verder »

Weerbaar Europa

Wij horen het alom: Europa moet weerbaar worden, op eigen benen staan, in essentiële economische sectoren een eigen Europese industrie opbouwen. – Best begrijpelijk. Maar gaat dat ons brengen waar we willen komen? Lees verder »

Elon naar Mars

Technoking Elon Musk heeft vele kwaliteiten, waaronder het verkopen van hypes en fraaie vergezichten. Die kwaliteit maakte hem tot de eerste mens die 1000 miljard bezit. Lees verder »

Artikelen

Goed kunnen lezen
Philip Bakker

Jongeren informeren zich via de sociale media. Het leesonderwijs in Nederland wordt naar het schijnt steeds beroerder. Maar… hoe belangrijk is het nog om goed te kunnen lezen? Lees verder »

Inzicht is noodzakelijk
Rudolf Steiner

In de tijd van zijn inzet voor de driegeleding van het sociale organisme, schreef Rudolf Steiner korte artikelen die in het toenmalige driegeledingsweekblad in Duitsland werden gepubliceerd. Deze artikelen raken stuk voor stuk aan de essentie van de sociale driegeleding en bieden tevens oefenstof voor het ontwikkelen van het denken dat nodig is om het sociale leven te kunnen bevatten. Lees verder »

Onze ‘gastschrijver’ Drs. Teentjes levert alleen bijdragen die positief-ironisch gestemd zijn.

Zó kan het ook!

Wachtlijsten voor de kinderopvang? Een schreeuwend gebrek aan leraren? Opgebrande werkers in de zorg? Te weinig installateurs of technisch geschoolde werkers? Overwinsten voor aandeelhouders? Enge miljardairs die van gekkigheid niet weten wat zij met hun geld moeten?
Zó kan het ook: Lees verder »

Driegeleding in vraag & antwoord

Waarom zou de samenleving uit drie delen bestaan? Lees verder »

Agenda

28 juni: Dag van de sociale driegeleding (Zeist)
7-9 augustus: Zomerse driegeledingsdriedaagse (Zoetermeer)
kijk de volledige agenda: KLIK HIER


Verschenen:

Driegonaal – jrg 40, nr.4/5
dubbelnummer

Een lekker dik nummer met héél veel inhoud. Waaronder:
– De Caleidoscoop: wat gebeurt er eigenlijk als de ene mens (of instelling) de ander krediet geeft? Hoe is het met de Amerikaanse droom? En niet te vergeten: heeft u al een passief inkomen?
– Gerald Häfner in gesprek met Vandana Shiva over het in stand houden van het universum.
– Jörgen Smit: Laten we oefenend beginnen aan de grote opgaven waarvoor de samenleving ons plaatst
– Terug naar de bron: woorden van Rudolf Steiner als hulp bij het vormen van een sociaal oordeel
– Is het historische moment voor de driegeleding voorbij? Is dat wat de driegeleding te bieden heeft niet meer aan de orde? Fionn Meijer schreef er een artikel over.
– Een  interview met actrice Dette Glashouwer die met haar ‘stand up economy’ door het land gaat. Hoe is haar verhouding met geld?
 Feiko van der Veen bespreekt de visie van Carlijn Kingma en Thomas Bollen over de manco’s van het huidige financiële systeem. Het fenomeen geldschepping speelt daarin een belangrijke rol. Hoe kan je daar vanuit de driegeleding naar kijken?
– Rudolf Steiner: een ‘uiterste houdbaarheidsdatum’ voor geld
– Een beschouwing over een gezond geldstelsel, mét aandacht voor een eigentijds spookverschijnsel, de cryptomunt – door Arjen Nijeboer

Aanbieding voor de lezers van deze Nieuwsbrief:

Dit dubbelnummer plus het voorgaande nummer van Driegonaal voor € 12,00 thuisgestuurd (binnen NL)
Mail naar: info@driegonaal.nl
Aanbieding geldt tot en met maandag 29 juni a.s.

Op Zoek naar Vrede – een documentaire over de eerste wereldoorlog en de geboorte van de sociale driegeleding

Historisch gezien is 1917, het jaar waarin de eerste wereldoorlog al drie jaar woedde, het geboortemoment van de sociale driegeleding. Het is het jaar waarin Europa de regie over het eigen lot uit handen gaf, of liet nemen.
Het feit dat Rudolf Steiner in dat jaar zijn inzet  voor de sociale driegeleding begon, moet beslist ook gezien worden in het licht van de dramatische gebeurtenissen op het wereldtoneel en was een oproep aan Europa om niet toe te geven aan wat vanuit het oosten (de Russische Revolutie) en vanuit het westen (de ‘onderwerping van de wereld’ door het kapitalisme van de Verenigde Staten) op Europa toekwam.

Robbert Clignett werkt al geruime tijd aan een documentaire die als titel krijgt: Op Zoek naar Vrede.
Clignett: “We leven op dit moment in een tijd waarin polarisatie, desinformatie en verborgen machtsstructuren een grote rol spelen. Het in beeld brengen van wat er in de periode van de Eerste Wereldoorlog gebeurt en de aanloop daar naartoe geven de kijker van de film in mijn ogen belangrijke context voor waar we ook nu nog mee te maken hebben. Met deze film wil ik bewustzijn creëren over de geschiedenis, maar ik wil vooral ook inspiratie geven en mensen zelf laten denken, zodat iedereen zelf in vrijheid zijn eigen ideeën kan vormen en keuzes kan maken.”

De documentaire ontrafelt de geopolitieke geschiedenis van Europa. Experts zoals Daniele Ganser, Thomas Meyer, Harrie Salman, John Hogervorst en Terry Boardman delen in deze documentaire hun inzichten en perspectieven.

Oproep

De productie kost veel tijd en geld. Maar kennis is in deze tijd van historische ongeletterdheid van groot belang om te begrijpen hoe oorlogen tot stand komen.
Een teaser, meer informatie en de mogelijkheid om te doneren 
VIND JE HIER

 

Sociale driegeleding: alle artikelen op deze blog

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Mededeling Nationale Vertelschool

.

Vooraankondigingen & Agenda

Landelijke Sprookjesdag

Landelijke Sprookjesdag:

Zaterdag 3 oktober 2026
Arnhem
Zet hem alvast groots in de agenda: de Landelijke Sprookjesdag rondom het betoverende Franse volksverhaal.
Welkom op deze Landelijke Sprookjesdag, waar we ons dit year met volle overgave laten meevoeren door het Zuid-Franse sprookje “De man in alle kleuren”. Dit verhaal, afkomstig uit Gascogne, is een krachtig beeld van de menselijke ontwikkelingsweg en de loutering van het ‘ik’.
Meer informatie »

 

Voordracht Zutphen

Voordracht: Tussen Dood & nieuwe Geboorte

Woensdag 28 oktober 2026
Zutphen
Een avond over de herkomst en wording van de individuele mens. Een samenwerking tussen Waldorfschool Auryn Zutphen en de Nationale Vertelschool.

Inspirerende en troostrijke voordracht:

  • Het geheim en de blauwdruk van het kind
  • De reis van de ziel na de drempel van de dood
  • Loutering en wijsheid in de planeetsferen
  • Inzichten uit de geesteswetenschap van Steiner
  • Voor leerkrachten, ouders en pedagogen

De kosmische reis van de mensenziel en haar karmische bestemming.

Meer informatie »

 

Vertelstof: alle artikelen

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – actueel

.

Verzamel de granen, nu het nog kan!
.

Rudolf Steiner:
U weet, hoe ik dikwijls over zo‘n beschou­wing van de natuur heb gesproken, en hoe ik verschillende besprekingen besloot met woorden als deze: er zijn tegenwoordig onder de stedelingen helaas heel wat mensen, die, wan­neer ze buiten op het platteland komen, geen tarwe van rogge kunnen onderscheiden. Het komt daarbij niet op de naam aan, maar op een levende verhouding tot die dingen. Wie de menselijke natuur kent, weet dat er iets zeer belangrijks voor de mens verloren gaat, als hij niet op het juiste ogenblik  — en de ontwikkeling van de menselijke vermogens moet steeds op het juiste ogenblik plaatsvinden — als hij niet op het juiste ogenblik leert te onderscheiden, als hij niet leert – (u weet, het is slechts als symptoom bedoeld) – rogge van tarwe te onderscheiden; wat hier bedoeld wordt omvat natuurlijk nog zeer, zeer veel meer.
GA 192/95
Vertaald

Over het waarom

.

VRIJESCHOOL – Uit LEO KLEINs aantekeningen

.

Dit verhaaltje schreef Leo voor een lagere klas, dat kan klas 1 of 2 zijn geweest, gezien het sprookjessfeerkarakter. Een aanwijzing voor welke klas is niet vermeld. 
Het is goed denkbaar dat hij hiermee de eerste schilderles is begonnen.
Met een klein verhaal het bijzondere van een vak introduceren hoort bij een kunstzinnige aanpak. 

‘Het beeld zal ons aan begrippen helpen‘ (Steiner-15-)

Verteltijd ca 4 min.

Het bijzondere schilderij

Er was een prins met goudblond haar. Het blauw van zijn ogen had hij gekregen van het blauw van de hemel.
Op een nacht droomde hij dat hij een lichtwezen zag en een prinses zo mooi als sterrenlicht.
Een stem sprak: ‘Schilder de prinses. Je zal het schilderij nodig hebben om je haar te kunnen herinneren. Het werk moet na drie dagen klaar zijn. Op de kristallen bergtop zal je de verf vinden en een wit paard zal je brengen waar je maar wil. Vind de prinses en trouw met haar!
Toen verdween het lichtwezen dat gesproken had, langzaam.

De volgende dag klom de prins in een eik. Na een tijdje zag hij het schitterende ros met de golvende manen en staart over de velden draven. Hij stopte precies onder de tak waarop de prins zat. De prins liet zich op het paard zakken en meteen galoppeerde het ros weg, zo snel als de zwaluw die boven hem vloog.
Ze kwamen bij een lange, platte witte steen. Het steenwezen zei dat de wolken en de sneeuw de wens van de vroeger zwarte steen had gehoord en de steen hadden wit gemaakt. Van deze steen sprong het paard omhoog tot boven in de wolken. Daar ontmoette hij twee wolkenwezens, Ronder en Roller. Ze waren erg treurig omdat ze niemand hadden om mee te spelen. Maar de prins zocht en vond een paar wolkenwezens en Ronder en Roller waren heel blij. Nu kan je ze nog steeds in de wolken zien.

De prins nam lichten en grijzen en donker en ronde vormen voor zijn schilderij, het ros bracht hem terug naar de aarde, waar hij van de bloemen prachtige kleuren kreeg.
Hiermee gingen ze naar de kristallen berg en op de top verzamelde de prins regenboogkleuren en golven van engelenmuziek.
Hij maakte speciale olie van zonnebloemen die op het veld groeiden waar eens de Leraar van Mensenliefde die op kerstavond wad geboren, had gelopen.
Hij mengde de olie met de kleuren en schilderde met deze verf het portret van de prinses. Hij voltooide het net op tijd na drie dagen.
Op zijn paard reisde hij naar het koninkrijk waar de prinses woonde.
Hij vond haar en vroeg haar meteen ten huwelijk.
Zij zei: ‘In mijn land leeft een monster met een vlammenmuil. Breng sneeuw om dat in zijn bek te stoppen om het vuur te doven en geef antwoord op deze vraag: hoe kan je licht maken zonder vuur. Als je dit kan, kunnen we trouwen.’

De prins ging op weg met zijn ros naar de wolken en nam daarvan wat sneeuw, deed dat in de bek van het monster zodat het vuur doofde.
Hij gaf het antwoord: ‘Door mensen lief te hebben, dan is het net zoals het lieve zonlicht.’

Toen trouwden ze.
De koning zegende hen en wenste hen een vreedzaam en liefdevol leven.
Er kwamen muzikanten en dansers.
Ze aten bessentaart met slagroom.
Ook Ronder en Roller waren er met hun vrienden en ze genoten van al het heerlijks.

Later werden de prins en de prinses koning en koningin en zij en de mensen in hun rijk waren gelukkig, een heel lange tijd.

Vrijeschool in beeld: Leo Klein  [1]  [2]

Vertelstof: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.
3578-3371

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’ (19)

.

Dit artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
.

Zie ‘voorwoord‘.

.
Ook dit artikel, hoewel lang geleden geschreven, bevat inhoud waar we vandaag de dag nog steeds mee te maken hebben. Het schetst in het kort ook enkele belangrijke kenmerken van het vrijeschoolonderwijs.
.

Dr. A. H. Bos, Zeist
.

Vrijeschoolonderwijs en het beroepsleven van volwassenen
.

Dit tijdschrift streeft er voortdurend naar een nieuw licht te werpen op het vrijeschoolonderwijs – zowel wat betreft de fundamenten die door Rudolf Steiner zijn gelegd als de praktische toepassing ervan in talloze zelfstandige vrijescholen.
In dit artikel willen we laten zien hoe deze ideeën op vruchtbare wijze zijn aangepast voor volwasseneneducatie en hoe de kwestie kan worden bekeken vanuit het totaal andere perspectief van het ‘sociale driegeleding’.

Als je het wezenlijke verschil tussen het vrijeschoolonderwijs en vrijwel alle andere schooltypen en onderwijshervormingsbewegingen zou moeten verwoorden, zou dat als volgt kunnen: het basisconcept van de vrijeschool is het mensbeeld van de zich ontwikkelende mens.
De jaren die een kind op school doorbrengt, maken deel uit van een machtige stroom; de oorsprong daarvan in het voorgeboortelijke sfeergebied onttrekt zich aan ons zicht, net zoals het leven na de dood buiten ons huidige begripsvermogen valt.
In zijn boeken en voordrachten schetste Rudolf Steiner een beeld van de enorme ontwikkelingsreis van het individu en van de mensheid als geheel.
Mensen komen ter wereld met een veelheid aan vermogens en mogelijkheden; de opgave is om deze tot ontplooiing te brengen. We brengen een diepe wijsheid mee uit het voorgeboortelijke sfeergebied, en het doel is om de herinnering daaraan te wekken. We hoeven niets ‘toe te voegen’; we hoeven slechts datgene te wekken en in zijn ontwikkeling te stimuleren wat de ziel reeds in zich draagt. Het is duidelijk hoe deze pedagogische benadering contrasteert met andere onderwijsmethoden die geworteld zijn in het negentiende-eeuwse positivistisch-mechanistische mensbeeld – een visie die de mens beschouwt als een ‘tabula rasa’ (een onbeschreven blad) waarin allerlei zaken moeten worden ingebracht en waarin de leerstof moet worden ingeprent. Net als bij een machine kan er dan – qua vermogens en potentieel – niets meer uitkomen dan wat er door de ontwerper in is gestopt.

Op de vrijeschool is iedere lesstof ontwikkelingsstof. We hoeven niets toe te voegen; we moeten veeleer voeding bieden aan de ontwikkelingsmogelijkheden die inherent zijn aan de ziel. Uiteraard moeten we ook bedenken dat de zich ontwikkelende mens zijn plaats in de moderne wereld moet innemen. Hij moet fundamentele vaardigheden als lezen, schrijven en rekenen beheersen; hij moet zijn weg vinden in de uiterlijke wereld en de spelregels begrijpen, de weg kennen enz.

Niets hiervan mag echter ooit een doel op zich zijn – zoals in de meeste scholen wel het geval is – want dan gaat het ten koste van de menselijke ziel. Het is geen kunst om een ​​kind te leren rekenen; de vraag is of we dat kunnen doen op een manier die de ontwikkeling van morele krachten bevordert.
Het is geen kunst om een ​​kind een aantal historische feiten bij te brengen; de vraag is of we die zo kunnen overbrengen dat het kind een innerlijke band opbouwt met de geschiedenis en de eigen tijd, en dat er wilskrachten worden gewekt om de toekomst actief vorm te geven.
Wanneer iemand de school verlaat, wordt het leven zelf de school. In bredere zin wordt de enorme maatschappelijke wereld daarbuiten een leeromgeving.

De beroepswereld draagt ​​het stempel van dezelfde filosofie – en hetzelfde mensbeeld – als de zojuist beschreven schoolvormen. Het beroepsleven richt zich op uiterlijke productiviteit – op wat tastbaar, meetbaar en zichtbaar is als positief economisch resultaat (examenresultaten!) – en niet op de innerlijke beleving van degene die het werk verricht. Het beroepsleven is pragmatisch en zakelijk. Wie spreekt over menselijke ontwikkeling, krijgt vaak een standaardreactie: “Wij zijn hier geen onderwijsinstelling; mensen moeten zichzelf ontwikkelen – maar dan wel in hun vrije tijd.”

Weliswaar heeft de beroepswereld inmiddels ontdekt dat mensen kunnen leren en dat dit economische voordelen oplevert. Daarom wordt ons tijdperk overspoeld met bijscholing, cursussen, workshops en dergelijke. Toch worden deze bijna allemaal gekenmerkt door de poging om er iets “in te stoppen” zodat het er snel weer “uitgehaald” kan worden. Bovendien zijn veel van deze opleidingsactiviteiten eenzijdig; ze zijn niet gericht op de mens, maar op de functie. Het doel is om het individu toe te snijden op een specifieke rol. Dergelijke activiteiten staan ​​ver af van het idee dat werk zelf zou kunnen dienen als een voortdurende bron van persoonlijke ontwikkeling. Doorgaans vinden deze activiteiten plaats als aanvulling op het eigenlijke werk – fysiek gescheiden daarvan en buiten de werkplek – en voorafgaand aan het aanvaarden van de betreffende functie. Zodra men echter met het werk is begonnen, verdwijnt elke gedachte aan opleiding en ontwikkeling meestal naar de achtergrond. Het doel wordt puur economisch: er moeten specifieke goederen worden geproduceerd of diensten worden verleend tegen zeer concurrerende prijzen. De toegepaste technische en organisatorische methoden zijn nauw afgestemd op dit economische doel. We zien hier dezelfde mentaliteit als bij het ontwerp van gereedschappen en machines ontstaan ​​door een proces van logische analyse, gebaseerd op een helder omschreven kwantitatief doel, gevolgd door een rationele constructie uit afzonderlijke onderdelen. Wie zich verdiept in de moderne organisatietheorie – die de basis vormt voor de structuur van vrijwel alle grote maatschappelijke instellingen (bedrijven, overheidsinstanties, verenigingen, onderwijsinstellingen, enzovoort) – komt overal de figuur van de ontwerper tegen. Alles is logisch bedacht en rationeel op elkaar afgestemd, maar nergens komt je de mens tegen. De machine fungeert hierbij als het onderliggende archetype.

De noodzaak om als mens binnen een dergelijk logisch systeem te functioneren, roept een gevoel van onbehagen op; men merkt dat het systeem als zodanig de mens niet werkelijk kent – ​​dat wil zeggen: het slaagt er niet in om creativiteit, initiatief of verantwoordelijkheidsbesef aan te spreken; kortom, het doet geen beroep op het specifiek menselijke ontwikkelingspotentieel.

Dit onbehagen bleef lange tijd sluimerend, omdat er aanvankelijk meer primaire behoeften vervuld moesten worden. Zolang er sprake is van werkelijke behoeften op puur fysiek niveau, komen hogere behoeften nog niet tot uiting. Naarmate de welvaart toeneemt en er een basis van fysieke verzadiging is gelegd, ontstaat er ruimte voor behoeften van de ziel – zoals erkenning, waardering, positieve menselijke relaties, een gevoel van vervulling in het werk, enzovoort. De afgelopen decennia is er veel aandacht besteed aan deze kwesties (denk aan ‘human relations’ en personeelsmanagement). Gaandeweg wordt echter duidelijk dat de problematiek rond de mens in het arbeidsproces niet louter op het niveau van de ziel kan worden opgelost – tenzij men erkent dat er zich een spirituele ‘Ik-kern’ in de menselijke ziel wil ontwikkelen en dat er aan de behoeften van de ziel nog fundamentelere spirituele behoeften ten grondslag liggen. Deze laatste behoeften zijn verbonden met de menselijke ontwikkeling in de loop van een heel leven. Wie gedurende langere tijd de gelegenheid heeft gehad om met mensen op alle niveaus te spreken – uit uiteenlopende maatschappelijke lagen en in de meest uiteenlopende beroepssituaties – en daarbij ook de ervaringen van anderen betrekt zoals die in recente literatuur naar voren komen, komt tot de conclusie dat er een groeiende weerstand tegen werken bestaat. Mensen willen zich nergens meer aan verbinden; ze missen de wil daartoe; ze ervaren werk als iets negatiefs, enzovoort. Deze verschijnselen wijzen op een opkomende kloof in onze cultuur die catastrofale gevolgen zou kunnen hebben. Ze leiden tot een kloof die het individu dwingt in twee werelden te leven: de ene is de wereld van het beroep – een domein waar steeds minder ruimte is voor de mens, waar men er als het ware ‘uit wordt georganiseerd’, en waar men zich moet neerleggen bij het feit dat hij vele uren per dag zielsdodend werk moet verrichten – werk waarbij hij geen persoonlijk belang heeft bij de doelstellingen en methoden ervan; de andere wereld is die van de vrije tijd, waarin iemand het verdiende geld kan gebruiken – mits hij “geluk” heeft in zijn beroepsleven – om een ​​zekere mate van “mens-zijn” te kopen, en waarin hij hoopt opnieuw menselijkheid te ervaren.

Dit dualisme kan niet eeuwig blijven bestaan: want als de ene sfeer van het menselijk bestaan ​​wordt opgeofferd, zullen de krachten die zich daarvan meester maken onvermijdelijk proberen zich ook de andere sfeer toe te eigenen. We zien de eerste tekenen hiervan al in de commercialisering van de vrije tijd en in het feit dat de menselijkheid die men in de vrije tijd koopt, een namaakmenselijkheid is – een menselijkheid die op den duur een groeiende leegte in de ziel achterlaat.

Het beroepsleven moet worden vermenselijkt – niet door intermenselijke relaties een rooskleurig vernisje te geven, maar door de filosofie en praktijk van leiderschap en organisatie te doordringen van een nieuwe inhoud, gebaseerd op het concept van de zich ontwikkelende mens. Op die manier treedt het individu werkelijk als een zelfbewust wezen het beroepsleven binnen. Bij elke functie moet men, naast de twee eerder genoemde vragen, een derde vraag stellen: niet slechts of de functie doelgericht is – dat wil zeggen, of ze uiteindelijk bijdraagt ​​aan het bevredigen van klantbehoeften (wat de economische taak van de onderneming is) – en evenmin enkel of ze logisch past in de totale functiestructuur (organisatie in strikte zin vertegenwoordigt het “juridische aspect” van het bedrijf, aangezien ze in wezen een complex van regels, normen en afspraken vormt met betrekking tot de gebieden waarop iedereen op gelijke voet staat); maar ook of de functie een zinvolle rol kan spelen in de geestelijke ontwikkeling van de medewerkers.

Dit betekent dat er, als het ware, een volledig nieuwe dimensie wordt toegevoegd aan het functioneren van de onderneming. We weten nog weinig over de ontwikkelingsdynamiek van de volwassene; we hebben weinig inzicht in welke soorten werk – in de verschillende fasen van de menselijke levensloop – de ontwikkeling remmen of juist bevorderen; en we hebben nog weinig geleerd over de vraag of alternatieve combinaties van functies, taakverdelingen, taakontwerpen, communicatiemethoden, besluitvormingsprocedures en dergelijke een positieve invloed op het individu zouden kunnen hebben. Toch is het dringend noodzakelijk dat we ons met deze vragen bezighouden. Hier ligt een grotendeels onontgonnen terrein, zowel voor wetenschappelijk onderzoek als voor organisatorische en pedagogische verbeeldingskracht en creativiteit. Net zoals er voor elke vrijeschoolleerkracht een pedagogische uitdaging erin bestaat om lesstof om te zetten in materiaal voor persoonlijke ontwikkeling, staan ​​we voor een vergelijkbare uitdaging: elke werksituatie omzetten in een kans voor ontwikkeling.

Met “ons” bedoelen we het Nederlands Pedagogisch Instituut in Zeist, Nederland, dat – onder leiding van professor Lievegoed – zich al tien jaar in de praktijk met deze vraagstukken bezighoudt. Dit sociaal-pedagogische werk heeft ook in Zwitserland wortel geschoten.

Dr.Bos was medewerker van het NPI.
Hij schreef boeken en artikelen.  
Op deze blog staan een aantal van zijn artikelen.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3577-3370

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’ (18)

.

Dit artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
.

Zie ‘voorwoord‘.

In de uitgave is ook een heel kleine bijdrage opgenomen met een aantal uitspraken van Steiner:

Aantekeningen van Rudolf Steiner op een vel papier

1.) Praktische vakken moeten beslist in het schoolleerplan worden opgenomen na het begin van de puberteit. De mens moet de aard van het moderne technologische tijdperk leren begrijpen. Op school, niet in de fabriek. —

2.) Om dit echter in evenwicht te brengen, moet er door middel van esthetischeopvoeding een tegenpool worden gecreëerd. Indrukken van schoonheid verbinden de mens met zijn kindertijd – en daardoor met de eeuwigheid. Ze bieden wat nodig is om de moed op te brengen de grenzen van de kennis te overschrijden en het geloof te doordringen met de inhoud van de geleefde ervaring. Ze verhogen de waarde van arbeid en rechtvaardigen de vrije tijd. In kennis bezit de mens iets dat naar het beeld van het goddelijke leidt; in wilsimpulsen iets dat slechts een kiem blijft. In schoonheid wordt dat beeld begiftigd met alle betovering van de werkelijkheid, en toch stelt het geen eisen zoals een wilsimpuls dat doet. —

3.) De verbinding met de geest wordt verbroken als deze niet door schoonheid in stand wordt gehouden. Schoonheid verbindt het “Ik” met het lichaam. —

De datum en context van deze notitie kunnen niet worden vastgesteld. Gezien het feit dat er een Engels citaat in voorkomt en de notitie is gemarkeerd met het Romeinse cijfer XIV, is het mogelijk dat de notitie is geschreven in verband met de 14e voordracht (5 januari 1922) van de zogenaamde kerstcursus. Zie: ‘Die gesunde Entwicklung des Leiblich-Physischen als Grundlage der freien Entfaltung des Seelisch-Geistigen’ [De gezonde ontwikkeling van het fysieke lichaam als basis voor de vrije ontplooiing van de ziel en het spirituele], Dornach 1969. GA 303
Vertaald

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3576-3369

.,

.

.

.

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’ (17)

.

Dit artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
.

Zie ‘voorwoord‘.

Hoe ervaren de leerlingen de stages. Hieronder wat ze beleefden en hoe hun gedachten en meningen werden gevormd.
.

Uit de verslagen van de leerlingen

De industriële stage van klas 11b bij de ijzergieterij Rexroth in Lohr am Main

Werkzaamheden in de verschillende fabriekshallen

Het is half zeven ’s ochtends, een koude, mistige ochtend waarop onze adem in flarden uit onze monden ontsnapt. Het is de eerste keer dat we ons een weg banen door het stadje Lohr, dat er op dit uur zo somber uitziet, op weg naar de fabriek. Met onze nog schone werkkleding onder de arm gaan we een avontuur tegemoet waarvan niemand de afloop nog precies kent.

We hoeven niet lang te wachten bij de portiersloge aan de hoofdingang – al is de tijd lang genoeg om een ​​eerste duidelijke indruk van het fabrieksterrein te krijgen. De hyperbolische vormen van de ventilatietorens verdwijnen in de mist. Fabrieksmedewerkers stromen langs ons heen naar hun werkplekken – langs de kantoorgebouwen en de kantine, langs de prikklok die dag in dag uit hun aankomst en vertrek registreert – op weg naar hun kluisjes of kantoren. Om 07.00 uur worden we hartelijk verwelkomd door de heer Tatarko, hoofd personeelszaken, en de heer Herrmann, hoofd opleidingen.

Er gaat een compleet nieuwe wereld voor ons open, met eigen successen en uitdagingen die overwonnen moeten worden. Vervolgens worden we direct meegenomen naar de productieprocessen waar we de komende drie weken meer over zullen leren. We lopen langs de koepelovens – waar de ‘Roxy’-methode voor het toevoeren van ijzersnippers aan het smeltbad wordt uitgelegd – en vervolgen onze weg door de gieterij met permanente mallen, de afdeling voor zware vormgeving en de afdelingen voor machinebouw. ​​Een constante stroom van nieuwe indrukken komt op ons af; het is duidelijk dat we nog vele malen door de fabriek zullen lopen voordat we begrijpen hoe alles met elkaar samenhangt.

De rondleiding door de fabriek werd afgesloten met een welkomstwoord van de heer Alfred Rexroth en de heer Funtsch, de fabrieksmanager. Na een lichte snack in de kantine gingen we naar onze respectievelijke werkplekken.

Mijn groep, bestaande uit vijf personen, zal nu een week in de modelbouwwerkplaats werken. De heer Herrmann stelde ons voor aan de voormannen.

Terwijl onze groep een week in de modelbouwwerkplaats werkte, was een andere groep bezig in de kernenmakerij en weer een andere in de gieterij voor grote objecten. Na een week wisselde de werkplek, zodat iedereen aan het einde van de drie weken vertrouwd was geraakt met alle drie de afdelingen van de fabriek. Dit gold natuurlijk ook voor de meisjes in onze klas, die ook kernen en zand moesten hanteren, met veiligheidsschoenen en helmen op!

Werken in de modelbouwwerkplaats

Om een ​​gietstuk te produceren, is een model nodig dat qua vorm en afmetingen in wezen overeenkomt met de buitenvorm van het te maken gietstuk. Als het te gieten stuk geen holte heeft, komt het model qua vorm perfect overeen met het gietstuk. Zo’n model wordt een natuurlijk model genoemd. Als het echter een hol gietstuk betreft, moet de holte worden weergegeven door een “kern” voor het gietstuk. De kern zelf bestaat uit het stuk dat overeenkomt met de vorm van de holte en een of meer steunen voor de kern in de mal. Deze steunen zijn op het model aanwezig als “kernmarkeringen”, omdat ze tegelijkertijd de positie van de kern in de mal bepalen. Een kernvormer is nodig om de kern te produceren. Het vervaardigen van dit alles is de taak van de modelmaker. Aan de hand van tekeningen die het te produceren gietstuk met alle benodigde afmetingen in vooraanzicht en dwarsdoorsnede weergeven, moet de modelmaker de meest efficiënte modelconstructie en de meest praktische opstelling van het model voor de gieter bepalen. Maar wacht, hier begint mijn werk, dat bestaat uit het vervaardigen van een kunststof kernvormer. De productie van zo’n kernvormer is interessant omdat het niet iets is wat je vaak ziet in een modelbouwwerkplaats. De modellen worden immers meestal van hout gemaakt.

De meest gebruikte houtsoorten zijn dennenhout en walnoothout. Dennenhout wordt over het algemeen gebruikt voor grote modellen, elzenhout voor kleinere. De eerste vereiste voor het maken van modellen is dat het hout volledig droog is; anders zal het kromtrekken, wat resulteert in onnauwkeurige gietsels. De tweede vereiste voor het bouwen van een model is om aandacht te besteden aan de tapsheid. Alle modellen moeten een voldoende “hefhelling” hebben om ze gemakkelijk uit de mal te kunnen verwijderen. Met verticale wanden houdt het verdichte vormzand het model stevig vast als een bankschroef. Zo’n model is moeilijk uit het zand te verwijderen en kan niet worden verwijderd zonder de mal aanzienlijk te beschadigen.

De levensduur van zo’n model zou erg kort zijn vanwege de sterke loslating. De conische specificaties (doorgaans 2,5:100) staan ​​nauwkeurig aangegeven in de productietekeningen.

Maar ik hoef me daar niet mee bezig te houden, aangezien ik weinig met hout werk.

Om een ​​kunststof kernkast te maken, moet er eerst een zogenaamde “binnenkern” van de juiste afmetingen beschikbaar zijn. Deze wordt van meet af aan in twee delen van hout gemaakt, zodat het plastic er later nauwkeurig in gegoten kan worden. Zodra deze binnenkern klaar is, wordt deze op een houten grondplaat geschroefd, waarrond een houten rand van de kernkast wordt gemonteerd. Deze rand, samen met de binnenkern en de grondplaat, wordt driemaal gewaxt en gepolijst. Dit alles wordt gedaan voor elke helft van de ronde binnenkern. In feite moeten er dus twee kernkasten worden voorbereid, elk met een binnenkernhelft. Daarna breng ik een oppervlaktecoating aan op de contouren van de binnenkern. Terwijl de hars droogt, snijd ik glasvezel, die vervolgens in twee lagen om de kern wordt gewikkeld om de latere harsvulling te versterken. Vervolgens vul ik de hele kernkast met vulmateriaal. Een bijzonder duurzame toplaag maakt het werk af. Na al die voorbereiding lijkt het een klus die in één dag geklaard kan worden. Niets is minder waar! Door de lange droogtijden van de hars zijn de vijf dagen goed gevuld met dit werk. Tijdens de pauzes maak ik harsinzetstukken die in vormmachines worden gebruikt voor verwarmingskernen.

Vijf dagen zijn snel voorbijgevlogen. Je bent nog maar net gewend aan het werk en je omgeving of het is alweer voorbij. Ik geniet van het werken in de modelbouwwerkplaats. Vooral onder de uitstekende begeleiding van meneer Krehtz vliegen de dagen voorbij. Het is vrijdagmiddag. We hebben een week in de modelbouwwerkplaats gewerkt. Met gemengde gevoelens van verdriet en verwachting voor wat komen gaat, nemen we afscheid van iedereen die ons in zo’n gezelschap heeft geholpen het ambacht van modelbouw te leren kennen.

Werken in de grote gieterij

Hoewel we in de modelwerkplaats de typische werkzaamheden van een ijzergieterij niet hadden kunnen observeren, bevonden we ons nu midden in de smeltinstallatie. Meneer Natscher, de voorman van de grote gieterij, stelde ons voor aan onze collega’s. Het toeval wilde dat ik met meneer Ott en meneer Rüfer aan de slag ging; het duurde minder dan een half uur om een ​​goede band op te bouwen. Ik hielp mee met een gietstuk van tien ton. Deze mal zou later de enorme machinebasis vormen voor een boormachine in een fabriek in Europa. Te midden van het lawaai, het stof en het gekletter van de pneumatische stampers werden de modellen voor onze mal met een kraan aangevoerd. Ik had het maken ervan al in de modelwerkplaats gezien. Het ene model na het andere werd in de uitgegraven mal geplaatst.

Klaar — de kraan is niet meer nodig. Maar ik wel, want nu moeten alle modellen worden gevuld met vormzand (rivierzand gebonden met synthetische hars). Na elke twee lagen zand wordt het verdicht met de pneumatische stampers (6 atmosfeer). Dit betekent altijd een korte pauze voor mij. Dit gaat door totdat de modellen volledig in het verdichte vormzand zijn ingebed. Maar dan gaat de middagbel. Van 12 tot 1 uur is het lunchtijd voor de grootschalig modelbouwers. De pneumatische hamers zwijgen, de kraanmachinist klimt uit zijn kraan en met een “Lunchtijd” nemen we afscheid om naar de kantine te gaan. Het eten is er, zoals altijd, heerlijk. Maar een lunchpauze van een uur vliegt veel te snel voorbij. Er is net genoeg tijd voor een half uurtje op het bankje bij de forellenvijver of een wandeling naar de Main. Om precies 1 uur zijn we terug in de hal. Verfrist en vol energie gaan we aan de slag. Het zand wordt gladgestreken met een metalen plaat, vervolgens gepolijst met een troffel en daarna bestrooid met wit kwartszand. Dit kwartszand is bedoeld om te voorkomen dat de vormdozen, die erop komen te staan, te sterk aan het vormzand vastgroeien. Maar het werk gaat morgenochtend verder. De werkdag eindigt om 16.00 uur.

Een werkdag van acht uur ligt achter me. Een dag die voor de vormers net als alle andere was, maar die mij veel nieuwe en interessante dingen heeft geleerd.

De volgende ochtend worden de grote, rastervormige vormbakken op de mal geplaatst. Deze ijzeren bakken dienen om het vormzand stevig in de roosters te houden. Tegelijkertijd absorberen de wanden van de bakken de zijdelingse druk van het gietmateriaal. Het verdichten van het zand in de bakken kost veel tijd, dus ook deze dag loopt snel ten einde. De vormer draagt ​​een grote verantwoordelijkheid bij het maken van zijn mal, vooral bij een grote gietvorm zoals deze. Er zijn zoveel kleine details om rekening mee te houden, maar ze zijn absoluut cruciaal voor het succes. Zo moeten bijvoorbeeld de opstijgers, gietgaten en ontluchtingsopeningen zorgvuldig worden geplaatst. De zijsteunen tussen de roosters van de vormbakken moeten correct worden gepositioneerd. Nadat de bakken zijn gedroogd, wat minstens een dag duurt, worden ze verwijderd en worden de modellen met behulp van een kraan uit de zandmal getild. Het zand wordt vervolgens hersteld en met grafiet bespoten. Bovendien heb ik aan sommige randen van de mal ijzeren verstevigingen aangebracht, die de slijtvastheid nog verder vergroten. Een grote zak met verstevigingspinnen is in een mum van tijd opgebruikt. Ik vind het vooral leuk om de negatieve zandvorm te repareren, waarin later het gesmolten ijzer zal vloeien. Als dat allemaal klaar is, worden de vormdozen, maar niet de modellen, terug op de mal geplaatst. De mal wordt verwarmd en tegelijkertijd gedroogd met behulp van enorme droogmachines. Ondertussen zitten we echter niet stil. Als er niets te doen is aan deze mal, beginnen we meteen aan de volgende, kleinere. Zo gaat het altijd. De gieter kan niet anders werken, want voor elke mal die hij maakt, heeft hij slechts een beperkt aantal gietlepels tot zijn beschikking. Als een mal breekt, of als er onvoorziene schade ontstaat door nalatigheid van de gieter, is de tijd die hij nodig heeft om de fout te herstellen voor hem verloren. Na verschillende reparaties en injecties is het moment eindelijk daar. De markeringen worden aangebracht. De mallen worden blootgelegd en de hele mal wordt verzwaard tot driemaal zijn eigen gewicht. De stijgbuisopeningen en de gietmonden zijn vrij. Drie grote gietlepels met gesmolten ijzer rollen naar voren. Alle drie worden tegelijk in de openingen gegoten totdat het gloeiende gesmolten ijzer weer uit de stijgbuizen omhoog komt. Het tien ton wegende gietstuk is voltooid. Meer dan een week hard en zorgvuldig gietwerk heeft dit tot stand gebracht. H. d. V.

Een leerling rapporteert:

… Meneer Hepp stemde ermee in om me vertrouwd te maken met het werk daar, en al snel was het niet langer nieuw of onbekend. De eerste dagen mocht ik een kraan gebruiken om zandkernen in de gietvorm te laden. Deze werden vervolgens zeer nauwkeurig, met kleine tussenruimtes, in de mal geplaatst. Ik sloot de nu afgewerkte mal af met verschillende asbeststrips en plaatste er een afdekplaat bovenop. Toen alles klaar was, kon het gieten beginnen. Een kraan verplaatste twee grote containers met gesmolten ijzer voor de mal, waarna twee arbeiders het ijzer ontdeden van slakken. Daarna kon het eigenlijke gietproces beginnen. Twee containers werden gekanteld en het gesmolten ijzer stroomde in de mal totdat de luchtkanalen gevuld waren. Ik kon meerdere keren per dag aan deze gietprocessen deelnemen, en het was altijd een bijzondere ervaring voor ons wanneer het gloeiend hete, oogverblindend gele ijzer onze gezichten en die van onze collega’s helder verlichtte… G. B.

Een vennootschap onder firma

Gedurende de drie weken die we in de fabriek doorbrachten, hadden we ruime gelegenheid om onze medewerkers te leren kennen en waarderen. Ze waren altijd open, communicatief en vriendelijk. Ik bestookte ze vaak met vragen, maar ze beantwoordden ze altijd geduldig, zelfs de meest onnozele. Ze stonden ook altijd klaar om me te helpen of iets uit te leggen wat ik niet begreep. Ze waren ook behulpzaam voor de buren en ik heb nooit een ruzie meegemaakt. De vriendelijke sfeer in de fabriek leek op de mensen af ​​te stralen, of andersom… G. B.

Het werk in de modelwerkplaats, de kernwerkplaats en de werkplaats voor grote modellen sprak me erg aan, omdat dit praktische werk voor mij als schooljongen volkomen nieuw was. —

Wat me vooral opviel, was dat hoewel dit bedrijf tot de zware industrie behoort, veel waarde hecht aan schone productiehallen, die aangenaam verlicht worden door grote ramen in de dakconstructie. Ook er wordt alles aan gedaan om te voorkomen dat medewerkers te veel onder stukloondruk komen te staan. Ze worden aangemoedigd om hun werk zo zelfstandig mogelijk af te ronden en tegelijkertijd een overzicht te krijgen van het gehele werkproces. Dit werd me duidelijk toen we voor het eerst de productiehallen en het werkproces te zien kregen, voordat we de technische details bespraken. Doordat medewerkers zo’n persoonlijke band met hun werk ontwikkelen, neemt hun verantwoordelijkheidsgevoel toe. Omdat medewerkers als individuen worden behandeld, is het geen wonder dat de sfeer onder hen, en daarmee de algehele werkomgeving, uitstekend is. R.S.

Het bedrijf Rexroth verdient speciale vermelding voor zijn partnerschap. Dit partnerschap is ontstaan ​​vanuit de toewijding van het bedrijf om mensen binnen de organisatie eerlijk te behandelen. Het doel is om elk individu in staat te stellen zich op een dieper niveau met zijn of haar werk te verbinden. Het resultaat hiervan is een goede relatie tussen alle mensen die in de fabriek werken, wat ook een positieve invloed heeft op de winstgevendheid… E. M. G.

Tegenwoordig heeft Rexroth vestigingen in heel Europa en zelfs daarbuiten. Hoewel Amerika bijvoorbeeld ook goede ijzergietstukken produceert, staat Rexroth bekend om zijn bijzonder hoogwaardige gietstukken (HK-specialgietstukken, nodulair gietijzer, enz.).

Werknemers delen in het economische succes van het bedrijf. Dit partnerschap heeft een positief effect op de werksfeer en de werkethiek. De fabriek heeft de afgelopen jaren steeds meer werknemers aangenomen. Waar er in 1951 slechts 300 mensen werkten, was dit aantal in 1965 al gestegen tot 1350. Dit illustreert ook hoe het bedrijf is gegroeid. M.S.

Stage maatschappelijk werk in een tehuis voor kinderen met speciale behoeften

Omdat er weer een schoolreis op het programma stond, begonnen we begin 1968 met de voorbereidingen. Maar wij – de toenmalige 12e klas 12a – werden gehinderd door onze besluiteloosheid. Uiteindelijk kwam meneer Schad met de reddende suggestie: we zouden een tijdje in een tehuis voor kinderen met speciale behoeften en een beperking moeten doorbrengen om inzicht te krijgen in dit aspect van het leven. Hoewel ons enthousiasme niet bepaald grenzeloos was, stemden we ondanks onze scepsis toch in met het project. Zo werd onze stage maatschappelijk werk werkelijkheid en is het sindsdien een integraal onderdeel van het leerplan van de Pforzheim-school geworden. De internaten in Föhrenbühl, Bruckfelden en Brachenreuthe, vlakbij de Bodensee, boden aan ons te ontvangen.

Dus op 1 juli vertrokken we met gemengde gevoelens naar de Bodensee. Omdat er oorspronkelijk een andere datum was gepland, vormde onze accommodatie  een probleem, maar we konden dat tijdelijk oplossen met een aantal tenten.

Bij aankomst in Föhrenbühl begonnen we al snel met het inrichten van onze accommodatie op het bovenste, onbebouwde deel van het terrein. De oprichters van het kindertehuis hadden inderdaad een prachtige plek uitgekozen. Vanaf de Heiligenberg hadden we uitzicht over het Bodenmeer beneden ons, tot aan de bergen van het Berner Oberland.

Het grootste deel van onze klas zou hier in Föhrenbühl gestationeerd worden, drie andere klasgenoten in Bruckfelden en de twee meisjes in Brachenreuthe. Diezelfde avond kregen we te horen wat ons werk inhield. Er was zeker genoeg te doen, maar aardappels schillen in de keuken en soortgelijke klusjes rechtvaardigden deze onderneming, die ons van onze schooldagen afhield, nauwelijks. In de voorbereidende gesprekken tussen meneer Schad en vertegenwoordigers van de tehuizen was besloten dat ieder van ons een kind zou krijgen om voor te zorgen. Deze oplossing was waarschijnlijk de beste, omdat het ons (zoals we later ontdekten) een uitgebreid inzicht gaf in het leven van een gehandicapte.

Nadat we waren ingelicht over de details van onze stage, kwamen we tijdens het avondeten voor het eerst in contact met de kinderen in het tehuis. We waren deels verrast en verheugd door het warme welkom en het snelle vertrouwen dat de kinderen ons gaven, maar deels voelden we ons ook wat onzeker over de taken die ons nog te wachten stonden. Als complete nieuwelingen vreesden we dat we eerder een belemmering dan een hulp zouden zijn. Later werd ons verzekerd dat dit niet het geval was. Maar toen iedereen de volgende ochtend voor “zijn” kind zorgde, was onze aanvankelijke scepsis al snel vergeten.

De meeste kinderen in Föhrenbühl hebben een cerebrale parese. Ze hebben geen volledige controle over hun lichaam, maar zijn over het algemeen mentaal normaal. Natuurlijk beïnvloedt hun verstoorde relatie met hun lichaam ook hun persoonlijkheid, waardoor hun lichaam hun verder normale geest niet volledig laat ontwikkelen. Sommige mensen met spasticiteit kunnen niet spreken, anderen zijn ware specialisten, zoals een elfjarige die bijna uitsluitend in het verleden leeft, maar ons daarmee ver overtrof in historische kennis.

In elk geval namen we deel aan de volledige dagelijkse routine van “onze kinderen”, brachten we ze naar school en waren we aanwezig in hun lessen. Het hele leven in het tehuis maakte grote indruk op ons. De leerkrachten en verzorgers in het speciaal onderwijs ontvangen geen salaris in de gebruikelijke zin; in plaats daarvan worden al hun behoeften gefinancierd uit een gemeenschappelijk fonds van het tehuis. Wat ons ook opviel, was het wijdverbreide gebruik van het informele “Du” (jij) als aanspreekvorm, dat de kinderen tegen de hoofdbegeleider gebruikten, net zoals de verzorgers dat tegen elkaar deden.

Föhrenbühl bestaat uit drie huizen, waarin de kinderen in gezinsachtige groepen wonen, elk verzorgd door een ouderpaar. De dagelijkse routine die we meemaakten zag er ongeveer zo uit: de kinderen wassen, aankleden, een

Een korte ochtendopening met een spreuk en een lied, daarna ontbijt en vervolgens school. Na de lunch twee uur rust voor de kinderen – dan terug naar school, spelen of een wandeling met de kinderen, gevolgd door avondeten, wassen en naar bed gaan.

Op een algemene rustdag bezochten we de nabijgelegen dorpsgemeenschap Lehenhof, waar volwassenen met een beperking wonen en werken in verschillende werkplaatsen. Net als de kindertehuizen behoort Lehenhof tot de Camphill-beweging, opgericht door Dr. König. Hier, net als bij de kinderen, merkten we dat de mensen met een beperking, ondanks hun duidelijk moeilijke omstandigheden, erg gelukkig zijn. Degenen met een beperking, die we voorheen met medelijden maar ook enigszins neerbuigend hadden bekeken, bezitten een bijzonder rijk innerlijk leven dat hun fysieke beperkingen ruimschoots compenseert. Dit is precies wat we tijdens deze stage hebben ervaren, en een aantal vooroordelen waarmee we waren gekomen, zijn verdwenen.

Aan de vooravond van ons vertrek, toen we de begeleiders en de directeuren van de tehuizen ontmoetten voor onze laatste evaluatie, konden we het project als een volledig succes beschouwen. Ook de directeuren van de tehuizen spraken hun lof uit. Er werd daarom besloten dat deze stage in de toekomst door andere klassen zou worden gedaan. We waren het allemaal eens over één ding: negen dagen was te kort. We vonden het allemaal jammer dat we het fijne contact met de kinderen zo snel moesten beëindigen. Voor alle toekomstige klassen die ons naar Föhrenbühl, Bruckfelden en Brachenreuthe zullen volgen, zou een langere periode, ongeveer twee weken, moeten worden ingepland voor deze werkelijk interessante en verrijkende ervaring. M. P., Klas 12a

Bedrijfsstage in de EGO-fabriek in Oberderdingen

Daar zitten ze dan, de arbeiders, aan lange productielijnen, precies zoals ik ze me thuis had voorgesteld. En toch dringt de ernst van deze realiteit pas echt tot me door, tijdens onze rondleiding door EGO-fabriek II in Oberderdingen. Die arme arbeiders, denk ik, hoe kunnen ze hier überhaupt menselijk zijn, in een wereld waar slechts een fractie van hun vaardigheden nodig is? De rest is niet eens nodig, want onder bepaalde omstandigheden kan het het machinale werkproces alleen maar verstoren en vertragen. Zodra je je bewust wordt van hoe automatisch je je handelingen uitvoert, struikel je immers gemakkelijk over je bewegingen. Wanneer ik vervolgens zelf achter een werkstation plaatsneem en kabels strip, wordt dit vermoeden bevestigd door het gevoel erg onproductief te zijn, vooral wanneer ik even de pinnen voor dummy-stekkers op een hefboompers vastzet. Het werk spreekt blijkbaar niet mijn hele wezen aan, maar vereist slechts een paar, zeer eenzijdige bewegingen.

Na een korte inwerktijd in kabelverwerking maak ik me los van wat ik doe en van ‘de rest’. Ik verwijder de isolatie met de hand, doop de draadeinden in soldeerpasta, vertin ze en veeg de pasta van de isolatie. Op die manier kan ik zo’n tweehonderdvijftig stuks per dag verwerken. Het gaat om de bekende groene kabels die voor die kleine elektrische scheerapparaten worden gebruikt. Je krijgt medelijden met de arbeiders die ‘de rest’ doen en in zo’n grauwe, eentonige wereld moeten leven. Als je het er met hen over hebt, willen de ouderen – vooral degenen die stukwerk doen – het niet eens anders; ze zijn eraan gewend geraakt en alles verloopt zo automatisch dat ze zich nauwelijks kunnen voorstellen dat ze iets anders zouden willen. De jongeren, die zich hun schooltijd nog goed herinneren, zeggen dat ze liever op school waren gebleven; ze raden me aan mijn school af te maken en een goed vak te leren, zodat ik later niet als ongeschoolde arbeider mijn brood hoef te verdienen.

Eigenlijk zijn de omstandigheden bij EGO niet zo onpersoonlijk of hard als ze in eerste instantie leken. Al na een paar dagen maakt onze afdelingsleider de indruk een oprecht menselijk persoon te zijn. Natuurlijk moet hij achter de jonge arbeiders aan – in onze afdeling vooral gastarbeiders, die geen stukwerk mogen doen – om ze überhaupt iets te laten uitvoeren; toch kijkt hij vaak toe hoe de arbeiders lastigere klussen aanpakken en vraagt ​​hij af en toe of alles vlot verloopt. Als dat niet zo is, steekt hij met geoefend gemak zijn wandelstok in de zak van zijn werkkiel, probeert de taak zelf uit en vindt misschien zelfs een betere, comfortabelere methode. Hoewel dit uiteindelijk de kwaliteit van het eindproduct ten goede komt, is de algemene indruk dat niemand het onmogelijke van de arbeiders verwacht.
Zelfs de meest bekwame managers kunnen dat aspect van de fabrieksarbeid dat ik fundamenteel in strijd acht met menselijke behoeften, niet vermenselijken: werk dat wordt gedicteerd door de machine, een proces waarin een mens zijn potentieel nauwelijks kan ontplooien gedurende meer dan een derde van zijn leven. De elementen van vermenselijking die in sterk gespecialiseerde massaproductie voorkomen, komen niet voort uit de menselijke kant, maar uit de technologie zelf. Zoals het voorbeeld van EGO aantoont, kunnen leidinggevenden fatsoenlijke, humane mensen zijn, en toch raken arbeiders uitgeput door hun interactie met de machines. Dit is duidelijk te zien aan de hardnekkige, nauwe blik waarmee stukloonarbeiders naar hun taken kijken. Ze zijn volledig gebonden aan het ritme van de machine of de druk van het stukloonsysteem. Omdat niets buiten de werkplek met dezelfde intensiteit op hen inwerkt, worden de gevolgen van dit moordende tempo het sterkst gevoeld: nervositeit, uitputting en apathie.

Na enkele jaren stukloonarbeid verliezen arbeiders vaak alle zin om zich verder te scholen. Als gevolg daarvan worden algemene onderwijsprogramma’s die door het bedrijf worden aangeboden, meestal afgewezen. Toch heb ikzelf – aangezien ik veel langer in de schoolbanken heb gezeten dan de meeste arbeiders – aan den lijve ondervonden welk verschil een bredere opleiding kan maken. Het stelt iemand in staat om werk niet louter als een middel om geld te verdienen te zien, maar als een dienst aan de gemeenschap. De productie is immers niet op mij persoonlijk gericht; tienduizend kookplaten hebben voor mij als individu geen nut, al zijn ze in het algemeen van grote waarde.

Ik ben van mening dat juist arbeiders een brede vorming zouden moeten krijgen – niet omdat dit noodzakelijk is voor hun werk, maar zodat ze ten volle mens kunnen blijven door zich bewust te blijven van het doel van hun arbeid (het dienen van de gemeenschap). Bovendien zouden we dan niet langer op arbeiders neerzien als tweederangsburgers, maar hen juist dankbaar zijn.

Dit waren mijn ervaringen bij de EGO – ervaringen die eerder van intellectuele dan van zintuiglijke aard waren. De ideeën zelf werden echter mede gevormd tijdens de avondlessen en discussiebijeenkomsten. M. W., klas 12b

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.
3575-3368

.

.

.

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’ (16)

.

Dit artikel komt uitAlle onderwijs moet inzicht in het leven geven
.

Zie ‘voorwoord‘.

In het kader van de stages volgt hier een verslag uit de praktijk van een stagebezoek van een 10e klas aan een fabriek.

.
Giinter Winkelmann, Wanne-Eickel
.

Een bedrijfsbezoek van de tiende klas

Klas 10b maakte in de herfst een uitstapje naar de regio Spessart. Tien dagen prachtig herfstweer in de schitterende Spessart! Maar de Spessart was niet eens het belangrijkste aspect. Een volle werkweek lang verkende de klas een ijzerfabriek in die regio – specifiek de Rexroth-ijzerfabriek in Lohr am Main. Dit bedrijf is een partner van onze school.

Dat verklaart wellicht het een en ander. Het is immers opmerkelijk dat een klas uit het Ruhrgebied helemaal naar de Spessart-streek reist om een ​​industriële fabriek te verkennen. De nadruk ligt hierbij op ‘verkennen’. Er moet sprake zijn van een sterke vriendschapsband wil een industrieel bedrijf bereid zijn veertig jongeren een week lang over de vloer te hebben – jongeren die, vanuit het perspectief van een bedrijf dat nauwkeurig rekent en een hoge productiviteit moet handhaven, eigenlijk alleen maar nutteloos in de weg lopen, hun neus in elke hoek steken, voortdurend vragen stellen en het personeel van het werk afhouden.

Maar er speelt nog iets anders mee. Hier vonden we een fabriek waar we de industriële ‘levenscyclus’ van ijzer – bij wijze van spreken – onder één dak konden bestuderen: de volledige, lange, fascinerende en technisch veelzijdige reis, van de productie in een koepeloven tot de ‘eindvorm’ in een uiterst complex besturingsmechanisme. Dit illustreert een van de doelstellingen van ons bedrijfsbezoek: ijzertechnologie bestuderen binnen de realiteit van een industriële omgeving.

Ingenieurs en voormannen van de fabriek begeleidden ons tijdens dit proces. Ze lieten ons zien hoe we hun werk en de taken rondom de ijzerverwerking op de juiste manier konden bekijken. Veel persoonlijke welwillendheid, openheid voor ons project en een natuurlijk pedagogisch inzicht – waarbij ze zowel begrepen wat de jongeren wilden weten als wat de materie zelf te bieden had – zorgden ervoor dat dit deel van ons bezoek waardevolle resultaten opleverde. Overigens ontdekten we een verrassend eenvoudige, maar uiterst effectieve pedagogische formule voor dit werk. Die werd bedacht door een van de mannen van de fabriek: “Zij [de leraren] helpen bij de vragen – wij [de mannen van de fabriek] helpen bij het kijken!”

Er valt hier nog iets anders op te merken. We hadden ons vooraf grondig voorbereid tijdens onze ‘periode-lessen’. IJzertechnologie in het klaslokaal is één ding; ijzertechnologie in de industriële realiteit is heel iets anders. Logischerwijs verschilt ook het taalgebruik in beide contexten. De taal van de technologie werd voor ons begrijpelijk omdat we ons in de les al intensief met de materie hadden beziggehouden.

Onze excursie was bedoeld om inzicht te geven in de beroepspraktijk – en dat deed ze op prachtige wijze. Het ging er echter niet zozeer om de veertig vijftienjarigen kennis te laten maken met het enorme scala aan uiteenlopende beroepsactiviteiten, we wilden de verschillende industrieën laten zien, omdat dit hen zou kunnen helpen bij hun carrièrekeuze. Onze jongens en meisjes moeten immers volgend schooljaar beslissen wat ze willen gaan doen.

We hebben ons fabrieksbezoek bewust zo ontworpen dat ze deze grote diversiteit zelf zouden ervaren. Ons doel was als volgt: Bijna duizend mensen werken aan één enkele taak. Deze taak is wat de fabriek produceert voor de wereld. Het gaat om gietstukken van uitzonderlijke kwaliteit en samenstelling, gegoten in een grote verscheidenheid aan vormen als halffabricaten voor andere fabrieken, en om hydraulische apparatuur en besturingssystemen. Al deze duizenden mensen zijn betrokken bij het volbrengen van deze taak, ieder met zijn eigen rol, professionele vaardigheden en kennis. Dag na dag zagen we steeds duidelijker en bewuster hoe een groot team van werknemers een project, hun project, voltooit. Zonder poespas, zakelijk, betrouwbaar, heel natuurlijk, waarbij iedereen onvoorwaardelijk op de ander vertrouwt. Dag na dag werden onze ogen scherper in het doorgronden van de wisselwerking tussen talloze individuele inspanningen en tegelijkertijd in het nauwkeurig en zorgvuldig observeren van de activiteiten van ieder individu op zijn of haar werkplek. We ontwikkelden ook een gevoel voor hoe een plannende, organiserende en berekenende kracht achter alles schuilgaat. Hoe er niets gebeurt behalve orde.

Tijdens de eerste rondleiding door de fabriek op de dag van aankomst was de grote hoeveelheid indrukken overweldigend. Een warboel van wazige, chaotische beeldfragmenten had zich opgehoopt: wanorde, willekeur, betekenisloosheid. Tegen de laatste dag kenden ze alle veertig de weg in “hun” fabriek. De orde en het systeem van het productieproces waren doorgrond. Iedereen, vanuit elke plek in de fabriek, kon zich oriënteren in de gehele werkplaats en het productieproces.

En er gebeurde nog iets anders in die dagen, iets wat een beroepsoriëntatiereis ook moet teweegbrengen. Onze geest werd beroerd. Het begon met een soort eenvoudige verwondering. Dit veranderde vervolgens in bijna eerbiedige verbazing. En uiteindelijk transformeerde het in diep respect en bewondering. Waarom werken al die mensen hier? Het was, God weet, vaak geen baan die enthousiasme opwekte. Nauwelijks grote taken. Veel taken waren zelfs niet prettig. En het was elke dag hetzelfde.

De jongens en meisjes stelden in die tijd veel vragen. Wat ze wilden weten was lastig te formuleren, omdat het in wezen om de basiszaken ging. Het klonk echter altijd eenvoudig genoeg: “Houd je van je werk?” — “Vind je het leuk om hier te werken?” — “Waarom doet u dit werk?” – Dergelijke vragen riepen vaak een bijzondere reactie op. Wie wordt er immers graag zo voor het blok gezet? Toch kreeg iedereen die een vraag stelde, ook antwoord. Het waren immers jongeren die hun ouderen – midden in hun werkomgeving – vroegen naar zaken die er echt toe doen, zoals werk en beroep. Het was hartverwarmend om te zien hoe een groot verantwoordelijkheidsgevoel voor begeleiding zich op zo’n eenvoudige, bescheiden manier uitte! Er werd degelijk, oprecht advies en richting gegeven. Juist in deze ontmoetingen tussen jong en oud lag de ware waarde van ons bedrijfsbezoek – een waarde die een blijvende indruk op ons zou achterlaten. We hebben alle reden tot dankbaarheid!

Tot slot probeerden we de fabriek ook vanuit een ondernemersperspectief te begrijpen. Dat was geen eenvoudige opgave. Want hoeveel kun je vanuit die invalshoek nu eigenlijk echt zien? Zelfs volwassenen slagen er zelden in om dat volledig te doorgronden. Toch drong het tot ons door dat hier alles plaatsvindt wat het voor duizend mensen mogelijk maakt om het werk in de fabriek uit te voeren: plannen, organiseren, calculeren, risico’s afwegen, inkopen en verkopen.

Ook nog een paar woorden over onze werkdag en de organisatie van het bezoek. We verbleven in Slot Rothenfels, hoog boven de rivier de Main, tien kilometer ten zuiden van Lohr. Elke ochtend namen we, gekleed in passende werkkleding, de bus naar de fabriek en keerden we na afloop van de dienst weer terug. Onze werkdag begon om negen uur. We werden verwelkomd door de heer Stockhausen, een medewerker van de fabriek die ons die dagen voortdurend begeleidde. We waren opgedeeld in zes groepen, die elk onder leiding stonden van een voorman.

Van 9.00 tot 11.30 uur verbleef elke groep op één specifieke afdeling: de smeltafdeling (koepeloven, elektrische oven), de vormerij, de kernmakerij, de gieterij of de afdeling apparatenbouw. ​​De deelnemers mochten rondkijken en maakten kennis met de werkzaamheden op de afdeling; ze konden vragen stellen, observeren en soms zelfs zelf een handje helpen bij de werkzaamheden. Uiteindelijk kreeg elke groep, volgens een dagelijks roulatieschema, een rondleiding door de gehele fabriek. Om 11.30 uur werd de lunch in de kantine geserveerd. Om 13.30 uur begon de groep met het verwerken en verduidelijken van wat men in de ochtend had gezien en ervaren. Ook werden afspraken gemaakt over de focus voor de volgende dag, werden tips tussen de groepen uitgewisseld en ervaringen gedeeld. Van 14.30 tot 16.00 uur volgde een sessie waarin de bedrijfsvoering van de faciliteit systematisch en instructief werd doorgenomen, in aanwezigheid van de verantwoordelijke leidinggevende van de locatie.

Dit waren onze onderwerpen:

Dag 1: Oriëntatie: de fabriek, de geschiedenis en de productie.

Dag 2: IJzertechnologie. Het productieproces in de fabriek.

Dag 3: Het bedrijf “Lohrer Eisenwerke”.

Dag 4: Het personeel — de individuele werknemer.

Dag 5: Evaluatie — overzicht.

Vol nieuwe ervaringen en vragen keerden de leerlingen terug naar hun lessen op school.

.

10e klas: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3574-3367

.

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – handvaardigheid – alle artikelen

.

Er is geen definitieverschil gemaakt tussen hand(e)narbeid, handwerken of handvaardigheid.

.

Boetseren in een 7e klas
Wolfgang Stammen over: puberteit en evenwicht; evenwicht en rechtvaardigheid; voorbeeld Robin Hood, boogschutter van Bourdell.

Handvaardigheid in 5, 6 en 7
E. Weltevrede
 over: werken met hout; houtkennis, materiaalkennis; wat maak je in de verschillende klassen; voorbeelden.

Hoe kinderen hout leren kennen
Martin Zacharias over: met een 7e klas het bos in; hout zagen en kloven; verder bewerken tot voorwerpen.

Wij willen leren werken
Kurt Königsman over: werken met de handen in klas 7, 8, 9 ,10; pedagogisch doel; hout, metaal, textiel; machine.

Zie ook: handvaardigheidalle artikelen

.

7e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3573-3366

.

.

.

 

.

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’ (15)

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

.

Zie ‘voorwoord‘.

 

Werner Spalinger, Zürich
.

Over landmeten

Tijdens het tiende of elfde leerjaar worden op onze school regelmatig geoefend in landmeten, de afgelopen jaren als onderdeel van een kamp van één tot twee weken.
Dit is een van Rudolf Steiners suggesties die verrassend is, aangezien landmeten slechts in zeer weinig scholen in het leerplan voorkomt. Waarom deze praktijk?

Uiteraard zijn externe redenen of beroepsvoorbereiding niet doorslaggevend. De doorslaggevende factor is veeleer of landmeten een bijzonder vormende impact kan hebben op deze leeftijdsgroep. Dat dit het geval is, wordt duidelijk wanneer je de innerlijke gesteldheid van die leeftijd in ogenschouw neemt:

Een leerling in het tiende of elfde leerjaar is op weg om de wereld van het denken te veroveren – net zoals hij als klein kind de buitenwereld moest verkennen door te tasten en op zijn tenen te lopen. Hij wil de oordelen van volwassenen niet langer blindelings accepteren: hij wil zijn eigen oordelen vormen. En hoe! Scherp, doortastend, absoluut, snel, haastig, of aarzelend, terughoudend, nog onduidelijk. Ze zijn sterk subjectief en afhankelijk van zijn eigen directe situatie. Waar hij steeds meer naar streeft, is een weloverwogen oordeel, een heldere gedachtegang, zodat de zaak voor zichzelf spreekt en niet zijn eigen mening – iets wat volwassenen ook als hun dagelijkse menselijke taak erkennen. De adolescent heeft ondersteuning nodig op deze weg van subjectieve mening naar een objectieve weergave van de zaak.

Een resultaat van het onderzoek is de kaart. Daarbij is het beperkte, persoonlijke perspectief niet langer doorslaggevend; ik laat dat achter me en probeer tot een universeel geldig beeld van dit stukje aardoppervlak te komen. Dit gaat gepaard met een sterk abstractieproces, waarbij het landschap wordt omgezet in talloze symbolische tekens. Tegenwoordig werken deskundigen al met kaarten die uitsluitend uit cijfers bestaan, zonder enige visuele weergave.

Alle taken zelf uitvoeren – van het opmeten van het terrein en het vastleggen van de gegevens tot het vervaardigen van de uiteindelijke kaart – is een indrukwekkende prestatie. Je moet het werk zelf een tijdje hebben gedaan om het echt op waarde te kunnen schatten.

Wat een kalmte en doorzettingsvermogen vereist bijvoorbeeld een eenvoudige lengtemeting over 150 meter golvend terrein, uitgevoerd met meetstokken van vier of vijf meter lang! De ene stok moet achter de andere worden geplaatst en vervolgens – met millimeterprecisie – perfect horizontaal op het doel worden gericht. Als er onvoorzichtig tegen een houten lat wordt gestoten waardoor deze verschuift, of als de telling van de latten niet klopt, kan urenlang werk voor niets zijn geweest. De leerlingen werken in groepjes van vier of vijf, wat direct leidt tot een zinvolle taakverdeling. De nauwkeurigheid van hun werk blijkt wanneer de afstand ter controle opnieuw wordt gemeten: het verschil mag slechts enkele centimeters bedragen. Ze doen uiteenlopende ervaringen op: de ene groep begint vol enthousiasme en meet uiterst nauwkeurig, totdat na twee uur de concentratie verslapt – en dan zijn er al ernstige fouten gemaakt. Anderen willen zo snel mogelijk vooruit en resultaat zien, maar ontdekken vervolgens dat hun haastige werkwijze onbruikbare resultaten heeft opgeleverd. Je moet een gestaag, gelijkmatig tempo aannemen, zoals dat van een bedachtzame bergbeklimmer; constante aandacht voor de handelingen is vereist om goed werk te kunnen leveren.

De leerlingen – zowel jongens als meisjes – werken ook graag met de theodoliet, omdat hiermee de metingen zeer nauwkeurig kunnen worden gecontroleerd. Het is een precisie-instrument, voorzien van een kijker en een afleesmicroscoop, waarmee hoeken worden gemeten. Op het terrein van het SAC-huis waar we verbleven, zetten we een grote vijfhoek uit; we markeerden de hoekpunten met rood-witte meetstokken en verplaatsten vervolgens het meetinstrument van het ene naar het andere hoekpunt, waarbij we vanuit elk punt de twee aangrenzende stokken in het vizier namen om de hoeken te meten. Het instrument moet precies boven het punt worden opgesteld en met behulp van een waterpas horizontaal worden uitgelijnd. Op hellingen, bij regenachtig weer of bij harde wind kan het tot een half uur duren totdat het instrument perfect gepositioneerd is! Pas dan kan de eigenlijke meting beginnen. Je mag het statief niet aanraken of erop leunen tijdens het aflezen; anders verschuift het instrument, waardoor de waarden onmiddellijk veranderen. Wat een voldoening geeft het als een groep zo goed heeft samengewerkt dat de som van de vijf gemeten hoeken tot op de seconde nauwkeurig is!

Een soortgelijk verhaal zou je kunnen vertellen over nivellering – het bepalen van hoogteverschillen door middel van een geduldig, stapsgewijs proces. Na een hele dag gewerkt te hebben aan een relatief klein stuk terrein – misschien driehonderd meter – en de volgende dag de terugmeting te hebben uitgevoerd, is het zeer indrukwekkend om te ontdekken dat de route van Marseille naar Genève wekenlang met exact dezelfde methoden is opgemeten om de hoogte van Genève boven zeeniveau te bepalen. Al onze kaartgegevens zijn hierop gebaseerd. Hoewel we al blij waren als de waarden van onze heen- en terugmetingen slechts vijf centimeter verschilden over ons traject van driehonderd meter, ontdekken we vervolgens dat nationale landmeetkundige onderzoeken een tolerantie van slechts anderhalve millimeter per kilometer toestaan!

Zo verkrijgt je een krachtig inzicht: het bereiken van zelfs een redelijk nauwkeurig resultaat vereist grote toewijding, geduld, doorzettingsvermogen, precisie en aandacht. Dit besef wordt niet alleen intellectueel begrepen; je ervaart en ontdekt het uit de eerste hand, letterlijk met eigen handen en voeten. Met andere woorden, je leert dat het vergaren van betrouwbare kennis aanzienlijke tijd en persoonlijke inspanning vergt.

Matthias Claudius verwoordde dit feit ooit als volgt:

“Woorden zijn slechts woorden, en waar ze lichtvoetig en behendig voortschrijden, wees dan op je hoede; want de paarden die een met goederen beladen wagen trekken, bewegen zich langzamer voort.”

Wat hierboven is beschreven, is slechts één aspect van landmeten, maar het werd ons tijdens het laatste kamp opnieuw bijzonder duidelijk.

Een ander artikel over landmeten

In Vrije Opvoedkunst  [1]   [2]

Niet in dit artikel genoemd:
Er zijn vele termen en namen die bij het landmeten horen.
Vele daarvan worden tijdens het kamp of de periode gebruikt.
Hier een indruk van de taal van het landmeten (geodesie/surveying):

Instrumenten
Theodoliet
Total station
Waterpasinstrument
Digitale waterpas
Laserwaterpas
Rotatielaser
GNSS-ontvanger (GPS-landmeetapparatuur)
Prisma
Prismahouder
Meetstok
Baak (waterpasbaak)
Meetlint
Rolmaat
Afstandsmeter (laser)
Jalon
Piketpaal
Hamer voor piketten
Drone (voor fotogrammetrie)
3D-laserscanner

Belangrijke termen
Coördinaten
Nulpunt
Referentiepunt
Meetpunt
Peilmerk
Hoogte
Hoogtemeting
Waterpassing
Nivelleren
Inmeten
Uitzetten
Opmeten
Azimut
Richting
Horizontale hoek
Verticale hoek
Afstand
Hellingshoek
Profielmeting
Dwarsprofiel
Lengteprofiel
Contourlijn
Maaiveld
Perceelgrens
Kadastrale grens
Referentievlak
Coördinatenstelsel
Nauwkeurigheid
Meetfout
Correctie
Kalibratie
Oriëntatie
Station
Vrije opstelling
Achterwaartse insnijding
Voorwaartse insnijding
Trilateratie
Triangulatie
Polygonering
Topografie
Geodesie
Fotogrammetrie
Puntswolk
Digitaal terreinmodel (DTM)
Digitaal hoogtemodel (DHM)

Veelgebruikte afkortingen
GPS – Global Positioning System
GNSS – Global Navigation Satellite System
RTK – Real Time Kinematic
DTM – Digitaal Terreinmodel
DHM – Digitaal Hoogtemodel
CAD – Computer Aided Design
GIS – Geografisch Informatiesysteem
Deze termen worden veel gebruikt door landmeters bij bouwprojecten, wegenbouw, infrastructuur, kadastrale metingen en topografische opnames.

.

10e klas: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3572-3366

.

.

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven‘

Zie ‘voorwoord‘.

J. Christen, Bern

Landmeten in de tiende klas

Volgens het Waldorfleerplan hoort landmeten thuis in de tiende klas. 
Het is echter onpraktisch om landmeten in het reguliere lesprogramma in of rond de stad in te passen: er is nauwelijks land dat men mag betreden en de routes naar de werklocatie zijn lang en tijdrovend. Daarom organiseren de meeste Rudolf Steiner-scholen landmeten tijdens een kamp.

Kort na de voorjaarsvakantie brachten de leerlingen van het tiende leerjaar een aantal uren door op het schoolplein met oefenen in het richten, het hanteren van meetlinten, geodriehoeken, gradenbogen en schietlood. Ten slotte leerden ze hoe ze de meettafels moesten opzetten en bedienen. We werkten met deze instrumenten volgens een eenvoudige methode die elke leerling snel begreep. Later moesten er meetbladen worden voorbereid en twee meisjes stelden menu’s samen, inclusief alle bijbehorende berekeningen. Soms was het werk zo intensief dat het zelfs in hun dromen doorwerkte. Tijdens het kamp werd hun voorbereidende werk zeer gewaardeerd – al namen enkele niet-ingewijde toeschouwers het voor lief. Toen de voorbereidingen klaar waren, brachten onze ouders ons met de auto naar onze hut in de omgeving van Rosenlaui.

Het weer leek echter niet mee te werken. Kort nadat onze ouders waren vertrokken, begon het te regenen. We waren blij dat we ons konden terugtrekken in de hut, waar een vuur knetterde in de keuken. Wie door het raam keek, zag niets anders dan wervelende, opbollende mistbanken. We voelden ons behaaglijk en veilig. Die gezellige sfeer werd nog versterkt toen onze specialist de petroleumlamp aanstak. Maar hoe moesten we in dit weer het landmeetkundig werk uitvoeren? Maandagochtend bracht uitkomst: de mist was opgetrokken en de zon brak door het wolkendek. Het was tijd om hoogteverschillen te meten! De ene groep kreeg de opdracht een dwarsdoorsnede van het terrein te maken, terwijl de andere twee groepen een grote opdracht aanpakten met onze oude waterpasinstrumenten. Er werd volop heen en weer gelopen, statieven werden opgezet en waterpassen werden nauwkeurig afgesteld. Het bleek lastig om de vier meter lange nivelleerlatten precies verticaal te houden; herhaaldelijk klonk de roep: “Recht houden!” ’s Avonds moesten de metingen in de hut worden verwerkt.

De daaropvolgende dagen werkten we aan een meetplan voor de gehele alpenweide. Elke groep kreeg een specifiek deel toegewezen. We brachten alpenhutten, bronnen, weggetjes, paden, beekjes en bosranden in kaart – dit alles vergezeld door het geluid van grazende koeien. Er deden zich ook grappige taferelen voor: een leerling uit de tiende klas, die zich met al zijn aandacht via de kijker op een verre richtstok concentreerde, merkte niet dat een nieuwsgierige koe van achteren naderde en onderzoekend aan het zitvlak van zijn broek likte. Er waren ook varkens – dieren die bijna het meetlint van twee leerlingen opaten. — Er werd ijverig gewerkt en ondanks een nieuwe regenbui boekten we goede vooruitgang. Er bleef zelfs tijd over voor twee korte uitstapjes.

Veel ouders zullen zich wellicht afvragen waarom landmeten zo’n belangrijke plaats inneemt in het lesprogramma van de tiende klas. In feite dient het belangrijke doelen in deze ontwikkelingsfase. Voor jongeren van deze leeftijd is de lichamelijke groei grotendeels voltooid; De krachten die het lichaam hebben opgebouwd, komen nu vrij voor intellectuele activiteit. De zestienjarigen hebben de beschermde wereld van de kindertijd definitief achter zich gelaten. Met hun ontwakende intellectuele vermogens moeten zij een nieuwe wereld opbouwen. De leerling is in staat logische, scherpzinnige vragen te stellen, en veel hangt af van hoe die worden beantwoord: hij wijst het af om betutteld of autoritair aangestuurd te worden, maar accepteert wel graag objectieve correctie – hij is immers op zoek naar de principes die aan deze wereld ten grondslag liggen. De leerling ervaart zo’n correctie wanneer hem gevraagd wordt een bepaalde afstand eerst op het oog te schatten, deze vervolgens al lopend af te passen en ten slotte nauwkeurig met een meetlint op te meten. Bij deze aanpak convergeren de aanvankelijk sterk uiteenlopende resultaten tot er nog maar één meting overblijft – een meting die door iedereen als juist wordt erkend. Ook een louter ruwe schets vindt de leerling onbevredigend; hij geniet ervan landmeetkundige methoden toe te passen, en het tekenen van de nauwkeurige plattegrond geeft hem een ​​gevoel van voldoening.

Daarbij komen de verbanden tussen landmeten en meetkunde, het vervaardigen van kaarten – en daarmee de geografie – en de astronomische bepaling van plaats en tijd. Ten slotte kent het vakgebied ook een cultuurhistorische achtergrond, die teruggaat tot het oude Egypte. De ‘harpedonaptai’ (touwspanners) genoten koninklijke achting en zagen toe op de jaarlijkse opmeting van de velden langs de Nijl. Kortom: landmeten is – en is altijd geweest – een onmisbaar onderdeel van het leven. Het doel is om jongeren inzicht te geven in deze belangrijke vorm van praktische activiteit.

Bijna alle landmeetkundige opdrachten moeten in groepsverband worden uitgevoerd. Dit brengt een sociaal aspect met zich mee. Iedereen moet volledig kunnen vertrouwen op het werk van de anderen; want of een afstand nu verkeerd wordt gemeten, een meting onleesbaar of foutief wordt genoteerd, of een punt onnauwkeurig wordt uitgezet, het resultaat is altijd hetzelfde: het werk is onbruikbaar! Groepen waarin de individuen harmonieus samenwerken, boeken snel vooruitgang.

Het doel van landmeten is niet het overdragen van specialistische kennis – dat zou op deze leeftijd voorbarig zijn en behoort niet tot de taak van een algemene school – maar veeleer het bieden van zoveel mogelijk inzicht in de wereld om ons heen. Rudolf Steiner omschrijft het omringd zijn door een wereld die men niet begrijpt als “spirituele blindheid” – denk bijvoorbeeld aan het meerijden in een tram zonder enig idee te hebben van de krachten die het voertuig in beweging zetten. Men zou op zijn minst de basisbeginselen moeten begrijpen. Praktisch bezig zijn – zoals zo mooi het geval is bij landmeten, waarbij de hele mens wordt aangesproken – heeft een veel diepgaandere uitwerking dan het louter theoretisch in gedachten behandelen van een onderwerp. Landmeten maakt deel uit van praktische levensvaardigheden, net als spinnen en weven.

Men zou zich kunnen afvragen waarom juist landmeten is gekozen als vak om iets te leren over het praktische leven. Waren er niet veel belangrijkere zaken? We moeten ons realiseren dat elke straat en elk pad dat we bewandelen, en elk huis waarin we wonen, is opgemeten en in het kadaster is vastgelegd. Nauwkeurig waterpassen is onmisbaar bij elke bouwput, evenals bij de aanleg van wegen, spoorwegen, tunnels, energiecentrales, kanalen, waterleiding- en rioleringssystemen en nog veel meer. Ook in de moderne vliegtuigbouw zijn uiterst nauwkeurige waterpasinstrumenten vereist.

Niet in dit artikel genoemd:
Er zijn vele termen en namen die bij het landmeten horen.
Vele daarvan worden tijdens het kamp of de periode gebruikt.
Hier een indruk van de taal van het landmeten (geodesie/surveying):

Instrumenten
Theodoliet
Total station
Waterpasinstrument
Digitale waterpas
Laserwaterpas
Rotatielaser
GNSS-ontvanger (GPS-landmeetapparatuur)
Prisma
Prismahouder
Meetstok
Baak (waterpasbaak)
Meetlint
Rolmaat
Afstandsmeter (laser)
Jalon
Piketpaal
Hamer voor piketten
Drone (voor fotogrammetrie)
3D-laserscanner

Belangrijke termen
Coördinaten
Nulpunt
Referentiepunt
Meetpunt
Peilmerk
Hoogte
Hoogtemeting
Waterpassing
Nivelleren
Inmeten
Uitzetten
Opmeten
Azimut
Richting
Horizontale hoek
Verticale hoek
Afstand
Hellingshoek
Profielmeting
Dwarsprofiel
Lengteprofiel
Contourlijn
Maaiveld
Perceelgrens
Kadastrale grens
Referentievlak
Coördinatenstelsel
Nauwkeurigheid
Meetfout
Correctie
Kalibratie
Oriëntatie
Station
Vrije opstelling
Achterwaartse insnijding
Voorwaartse insnijding
Trilateratie
Triangulatie
Polygonering
Topografie
Geodesie
Fotogrammetrie
Puntswolk
Digitaal terreinmodel (DTM)
Digitaal hoogtemodel (DHM)

Veelgebruikte afkortingen
GPS – Global Positioning System
GNSS – Global Navigation Satellite System
RTK – Real Time Kinematic
DTM – Digitaal Terreinmodel
DHM – Digitaal Hoogtemodel
CAD – Computer Aided Design
GIS – Geografisch Informatiesysteem
Deze termen worden veel gebruikt door landmeters bij bouwprojecten, wegenbouw, infrastructuur, kadastrale metingen en topografische opnames.

.

10e klas: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3571-3365

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven‘

.

Zie ‘voorwoord‘.

In de zgn. ‘praktische stroom’ heeft de 7e klas hier op de Hiberniaschool een periode bosbouw.

Ook volgen nog gezichtspunten over beroepsonderwijs in klas 9.

.

Hellmuth Britsche, Wanne-Eickel

Uit het hoofdlesblok “Algemene beroepsoriëntatie”
.

Als er op een dag na het avondeten een zoon of dochter met een opgewekte uitdrukking en een ingebonden schrift onder de arm in het gezin verschijnt, weten ouders en broers en zussen dat ze op het punt staan ​​een geslaagd hoofdlesboek te zien. Dit keer is het gebonden in olijfgroene kaft en de auteur vertelt de toehoorders dat het het blok “Beroepsoriëntatie” behandelt – een onderwerp waar ze, zoals iedereen weet, wekenlang zeer ijverig aan hebben gewerkt. De ouders wisselen veelbetekenende blikken uit, want ze herinneren zich de situatie nog goed: amper drie weken geleden liep de avond voor de inleverdatum uit op een late avond, omdat er nog aantekeningen moesten worden gemaakt en het inbinden nogal lastig bleek. Maar de inspanning heeft zijn vruchten afgeworpen. Op de laatste pagina heeft de docent een zeer bevredigende en bemoedigende beoordeling gegeven, en een blik door het werk bevestigt dat de lof terecht is.

Een hoofdlesboek geeft echter slechts een onvolledig beeld van de werkelijke ervaring in de klas; het kan het leer- en ontdekkingsproces dat de kinderen hebben doorgemaakt niet volledig weergeven. De titel van dit lesblok voor de zevende klas is “woud”.
De tekst van het eerste hoofdstuk over het bos laat zien hoe de leerkracht tijdens de klassikale gesprekken gebruikmaakte van de directe natuurervaringen van de kinderen. Het was ongetwijfeld geen gemakkelijke taak om de gebeurtenissen van een boswandeling te herinneren en in woorden te beschrijven.

De tekst van het volgende hoofdstuk bevat verschillende schetsen: een zaadje, een zaailing en de vorm van een jonge boom illustreren de groeistadia. Je voelt de aard van de discussie over het feit dat een bos vele decennia nodig heeft om te rijpen. De boswachter en zijn helpers hebben het voorbereid en aangelegd, zieke bomen verwijderd en het gebied beschermd tegen menselijke onachtzaamheid. Waarschijnlijk hebben de kinderen nu pas de betekenis van het waarschuwingsbord tegen het aansteken van open vuur om bosbranden te voorkomen volledig begrepen.

In het hoofdstuk “Een boomring” wordt nog duidelijker hoe de kinderen zijn geëvolueerd van het simpelweg ervaren van de natuur naar het nauwkeurig observeren ervan. Ze onderzochten de dwarsdoorsnede van een boomstam en illustreerden de belangrijkste kenmerken ervan – samen met de bijbehorende termen – in een handgetekende schets. Hier* kan de leerkracht verder bouwen op de ervaringen die de leerlingen van de zevende klas hebben opgedaan in de houtbewerkingswerkplaats.

Het duurt amper een half uur
om een ​​mooie boom te vellen.
Bedenk dat het een eeuw duurt
voordat een boom groot genoeg
is om bewonderd te worden.

Letterlijke vertaling van:

Zu fallen einen schonen Baum
braucht’s eine halbe Stunde kaum.
Zu wachsen, bis man ihn bewundert,
braucht er, bedenk’ es, ein Jahrhundert.

Dit staat boven het hoofdstuk waarin de techniek van het vellen van bomen wordt beschreven. Het ervaren en observeren van de natuur vormt nu slechts de achtergrond. Tegen deze achtergrond werken de kinderen na over hoe een boom geveld moet worden, hoe de gereedschappen bijl, zaag en wig de menselijke kracht vergroten, en hoe de stam vervolgens wordt ontbast, in stukken gezaagd en naar de zagerij wordt vervoerd. Hier wordt een belangrijk aspect van de beroepsopleiding aangestipt, een aspect dat steeds belangrijker zal worden naarmate deze les vordert: het oefenen van de voorbereiding en reflectie op de eigen handelingen. In de ochtendles gebruikten de docent en de leerlingen dit voorbeeld om de denkprocessen te volgen die leidden tot het inzicht in hoe een taak georganiseerd en effectief verdeeld kan worden. In de praktijkles in de middag pakt de docent deze inzichten op in de werkplaats en past ze toe op het oplossen van een nieuw probleem.

“Een boomstam wordt in stukken gezaagd,” luidt de titel van het volgende hoofdstuk. Hoe werkt een zagerij? — De schetsen illustreren de bewegingen van de aanvoer en de zaagsnede. Door ze te vergelijken met het handmatig zagen van hout, ontstaat een gevoel van verwondering over de mogelijkheden die de mens in een machine heeft gelegd. Waar moet de zaagmachinebediende rekening mee houden? — Hij onderzoekt de boomstammen vakkundig en bepaalt welk hout er het beste uit te halen valt, hoe de werkstappen voor het produceren van gezaagde planken van een specifieke dikte in de juiste volgorde moeten verlopen en hoe zorgvuldig het commerciële product “gezaagd hout” moet worden opgeslagen en gemarkeerd.

Een simpele plank – wat is dat eigenlijk? Ouders zullen deze vraag niet in het periodeschrift van hun kind vinden, omdat kinderen er niet over kunnen schrijven. Als je de gevoelens van kinderen in een antwoord zou moeten vatten, zou het ongeveer zo klinken: Een plank – dat is de trotse, eerbiedwaardige boom die de mensheid wil dienen en daarom is geveld en in bruikbare vormen is gezaagd. Menselijke arbeid en zorgvuldige overwegingen zijn in deze plank gestoken; zorgvuldig ermee omgaan en deskundig behandelen.

Alleen volwassenen hebben zich de gewoonte eigen gemaakt om alle zorg, alle inspanning en al het bijbehorende werk af te meten aan de prijs. Onze kinderen kijken dieper. Zij houden zich nog niet bezig met geld. Wanneer ze de plank in handen hebben, worden hun zielen vervuld van eerbied voor wat de natuur heeft voortgebracht en van dankbaarheid voor menselijke inspanning.

Zo bespreken we in ons algemene beroepsonderwijs eerst de materialen en proberen we bij de leerlingen begrip te wekken voor het materiaal dat hun is toevertrouwd. Het vervolg van deze periode sluit daar op natuurlijke wijze bij aan: voortbouwend op de ervaringen uit de werkplaatsen, worden deze omgezet in lessen over vaardigheden en kennis van gereedschap. Het is duidelijk dat nauwe samenwerking essentieel is tussen de docenten die de leerlingen begeleiden bij het praktische werk en degenen die de praktische aspecten op intellectueel vlak verkennen, vooral omdat de resultaten van beide gebieden voortdurend met elkaar verweven zijn. Het bijzondere en nieuwe aspect van de Hibernia-school is dat hier de noodzakelijke voorwaarden zijn gecreëerd om aan deze pedagogische eis te voldoen. Uiteindelijk leidt deze samenwerking ertoe dat leerlingen in de zevende en achtste klas in staat zijn hun praktische activiteiten zinvol te organiseren en vorm te geven, door middel van passende voorbereidende overwegingen en de toepassing van theoretische kennis.

Hoewel het onderdeel beroepsonderwijs in de negende klas begint met staal en voorbeelden behandelt van industriële verwerking en metaalbewerking, volgen de meisjes dit onderwijs samen met de jongens. Dit alleen al maakt duidelijk dat het doel niet is om specifieke technische kennis van metaalbewerking op te doen, maar veeleer om vaardigheden en inzichten te ontwikkelen die onmisbaar zijn voor elke toekomstige loopbaan en voor het leven in onze moderne wereld. Ook hier ligt de nadruk vooral op het ervaren van de aard en de waarde van het materiaal. Nieuw is echter de eis die nu – passend bij de leeftijd van de leerlingen – zowel in de theorie als in de praktijk van het vormgeven wordt gesteld: ze moeten leren werken volgens vooraf bepaalde afmetingen en vastgestelde normen.

Hoewel we weten dat een schrift dat bij een bepaalde onderwijsperiode hoort slechts een onvolledig beeld kan geven, komen de essentiële punten toch naar voren. Ontwerp en annotatie krijgen nu een ‘technisch karakter’. De benodigde illustraties worden nauwkeurig met inkt getekend en de toelichtingen bij de tekeningen worden in technisch-standaardschrift geschreven. De introductie in technisch tekenen neemt een belangrijk deel van het schriftje in beslag. Wie ooit heeft gezien hoe een technische tekening tot stand komt, weet hoeveel nadenkwerk hieraan vooraf moet gaan en de mate van vakmanschap die nodig is om tot een geslaagd resultaat te komen.

Om een ​​weergave volgens de normen te garanderen, moeten drie aanzichten van het werkstuk op een specifieke manier ten opzichte van elkaar worden geplaatst. Bij het weergeven van verhoudingen moet een uniforme schaal worden gehanteerd en dienen nauwkeurige regels te worden gevolgd voor de aanduiding, begrenzing en plaatsing van lineaire maatvoering. Zelfs de lijndikte van cijfers en letters moet worden afgestemd op hun grootte. De normen schrijven voor dat kleine letters vijf zevende van de hoogte van hoofdletters moeten zijn en dat de lijndikte – bij gebruik van Oost-Indische inkt – een zevende van de hoofdletterhoogte moet bedragen.

Dergelijk werk vereist een gestructureerde, doordachte aanpak. Wanneer denken en handelen samenkomen, ontstaat techniek. Deze taak bevordert dan ook de aanleg voor technisch handelen. Zowel jongens als meisjes hebben behoefte aan deze fundamentele ervaringen met techniek. Ze leren gaandeweg hun werk te baseren op een vooraf gevormd idee, een plan of een tekening; hun werk dienovereenkomstig te structureren; en de uitvoering ervan zelf te bewaken. Het ontwikkelen van dit vermogen is het doel van het algemene beroepsvoorbereidende vak in de tiende klas.

.

7e klas: alle artikelen

9e klas: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3570-3364

.l

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 305 – voordracht 10

.

GA 305 bevat 12 voordrachten, 2 toespraken en een slotwoord.
De eerste negen voordrachten werden vertaald.
De vertaalde toespraken vind je op deze blog, het nawoord volgt nog.

De laatste drie gaan niet specifiek over vrijeschoolpedagogie(k), maar wel over sociale driegeleding. Vrijheid van onderwijs is een voorwaarde om het door Steiner bedoelde vrijeschoolonderwijs te kunnen realiseren.

Sociale driegeleding en vrijeschool hebben in Nederland niet zo’n hechte relatie, terwijl je zou kunnen zeggen dat de sociale driegeleding de moederschoot van de vrijeschoolpedagogie(k) is.

Er zullen redenen zijn om de voordrachten 10 t/m 12 niet op te nemen. Hopelijk is daar de ‘desinteresse’ niet bij……

.
Inhoud van de voordracht:

De evolutie van het sociale leven in de mensheid.
De ontoereikendheid van gangbare opvattingen over de complexiteit van het moderne sociale leven; de noodzaak om de werking van het verleden en de kiemen van de toekomst in het heden te onderkennen.
De sociale evolutie van de mensheid: de stroom van oosterse theocratieën – eenvormige ordening door goddelijke inspiratie.
De stroom van het door recht gevormde staatsleven (Rome); de opkomst van handel, industrie en arbeid; dialectisch-logisch denken; rechtsgeleerdheid en theologie.
De ontwikkeling van het moderne wetenschappelijke denken.
De opkomst en ontwikkeling van het marxisme; de ​​invloed daarvan op Rusland. De derde, westerse stroom van het economische leven, gevormd door industrie en machine.

GA 305

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst
Spirituelle Werte in Erziehung und sozialem Leben

Opvoeding en onderwijs
Spirituele grondslagen

Die soziale Frage

                                                      Het sociale vraagstuk

Blz. 183

Voordracht 10, Oxford, 26 augustus 1922 

Die Entwickelung des sozialen Lebens in der Menschheit

Meine Damen und Herren! Es ist in der Gegenwart eine allgemeine
Angelegenheit der ganzen Menschheit geworden, die soziale Frage zu
betrachten, und innerhalb der sozialen Frage diejenigen Antworten zu
finden, welche gerade in der Gegenwart geeignet sind, ein Handeln der
Menschen hervorzurufen, das unsere sozialen Verhältnisse derjenigen
Richtung zuführen kann, die als ein Unbestimmtes, ich möchte sagen,
nebelhaftes Zukunftsgebilde vielen Menschen vorschwebt, über die aber keineswegs heute schon irgendwelche klaren Begriffe vorhanden sein können, ich sage: können, und nicht: vorhanden sind.
Wenn ich mir erlaube, in drei kurzen Vorträgen über die soziale Frage zu sprechen, so ist es ja selbstverständlich, daß ich nur einige recht unbefriedigende Gesichtspunkte werde geben können, und daß manches von dem, was ich nur vage andeuten kann wegen der Kürze der Zeit, erst wird Gestalt gewinnen müssen, in dem, was die verehrten Zuhörer aus meinen Worten machen werden. Die Vorträge bitte ich daher nur als ganz vage Andeutungen zu betrachten, die einige Anregungen geben wollen.

De ontwikkeling van het sociale leven in de mensheid

Dames en heren! In onze tijd is de sociale kwestie een zaak geworden die de gehele mensheid aangaat. Het gaat erom binnen die kwestie antwoorden te vinden – antwoorden die passen bij het huidige moment – ​​die menselijk handelen kunnen inspireren; een handelen dat in staat is onze maatschappelijke verhoudingen te sturen naar een toekomstige toestand die velen slechts als iets onbepaalds, of misschien moet ik zeggen ‘neveligs’, voor zich zien; een toestand waarover – en ik benadruk dat deze ‘kan’ bestaan, niet dat hij ‘reeds’ bestaat – nog geen heldere begrippen kunnen bestaan.
Wanneer ik mij erop toeleg om in drie korte voordrachten over de sociale kwestie te spreken, spreekt het vanzelf dat ik slechts enkele, vrij onvolledige gezichtspunten kan bieden. Bovendien zal veel van datgene waar ik vanwege de beperkte tijd slechts vaag op kan zinspelen, vorm moeten krijgen door wat u, mijn geachte toehoorders, met mijn woorden doet. Ik verzoek u daarom deze voordrachten slechts te beschouwen als zeer vage aanduidingen, bedoeld om enkele aanknopingspunten te bieden voor verdere overdenking.

Die soziale Frage, wie liegt sie uns denn eigentlich heute vor? Sie liegt uns durchaus nicht, wenn wir unbefangen das Menschenleben der Gegenwart betrachten, so vor, daß wir eine klare Formulierung von ihr haben, daß wir wüßten, das ist die soziale Frage, und so kann man sie lösen. Das ist ja gar nicht der Fall. Was uns vorliegt, ist eine große Summe von differenzierten Lebensverhältnissen über die Erde hin, welche Klüfte und Abgründe zwischen den inneren menschlichen Erfahrungen und Erlebnissen und dem äußeren wirtschaftlichen Lebensstande innerhalb der Menschheit hervorgerufen haben. Diese mannigfaltig differenzierten Verhältnisse sind da. Wie mannigfaltig sie differenziert sind, das kann derjenige sich leicht vor die Seele rücken, der
hinschaut auf die ganz verschiedene Art, wie diese Lebensverhältnisse

Hoe doet de sociale kwestie zich vandaag de dag eigenlijk aan ons voor? Als we zonder vooroordelen naar het hedendaagse menselijke leven kijken, verschijnt deze zeker niet als iets dat helder geformuleerd is – iets waarvan we zouden kunnen zeggen: “Dit is de sociale kwestie en zo kan ze worden opgelost.” Dat is geenszins het geval. Waarmee we worden geconfronteerd, is een enorme verscheidenheid aan levensomstandigheden over de hele wereld – omstandigheden die kloven en diepe scheidslijnen hebben getrokken tussen de innerlijke menselijke beleving en de uiterlijke economische omstandigheden. Deze veelsoortige en uiteenlopende omstandigheden bestaan ​​nu eenmaal. Men kan zich de omvang van deze verscheidenheid gemakkelijk voor de geest halen door de totaal verschillende aard van de levensomstandigheden van vóór

Blz. 184

waren vor dem furchtbaren Weltkriege, und wie sie jetzt sind nach dem Weltkriege.
Wenn man nur ein wenig ein größeres Territorium der Erde in Betracht zieht, dann wird man bald finden, daß die Differenzierung in den sozialen Lebensverhältnissen vor und nach dem Kriege etwas Grundverschiedenes ist gegenüber auch den Verhältnissen, wie sie etwa noch vor fünfzig Jahren auf demselben Territorium waren.
Wir schauen vielleicht heute, und man muß sagen, Gott sei Dank, mehr mit unserem Herzen in diese Lebensverhältnisse hinein, empfinden das Tragische; aber der Verstand, der Intellekt, so sehr er auch ausgebildet worden ist in den letzten Jahrhunderten, er kam nicht nach.
Das ist das Eigentümliche in allen sozialen Verhältnissen der Gegenwart, daß die Frage der Wirklichkeit, des unmittelbaren Lebens ungeheuer drängen, und daß das Begreifen der Menschen nicht nachkommen will.
Wenn wir uns fragen: Wo sind die fruchtbaren sozialen Ideen? – dann werden wir wenig finden, was wir bei völliger Unbefangenheit so bezeichnen können. Gerade die Gedanken der Menschen pflegen, wenn es sich um das soziale Leben handelt, zu versagen.

de verschrikkelijke wereldoorlog te vergelijken met de situatie van nu, in de nasleep van die oorlog. Wie ook maar een enigszins groter gebied van de aarde in ogenschouw neemt, zal al snel ontdekken dat het verschil in sociale levensomstandigheden van voor en na de oorlog iets fundamenteel anders vertegenwoordigt dan de omstandigheden die in datzelfde gebied heersten – laten we zeggen – vijftig jaar geleden.

Vandaag de dag kijken we wellicht meer met het hart naar deze levensomstandigheden – en, zo kan je wel zeggen, godzijdank daarvoor – en voelen we de tragiek ervan aan; toch is het verstand, het intellect – hoe hoogontwikkeld dat in de afgelopen eeuwen ook is geraakt – er niet in geslaagd gelijke tred te houden.
Dit is het kenmerkende van alle hedendaagse sociale verhoudingen: vragen omtrent de werkelijkheid en het directe leven dringen zich met enorme urgentie aan ons op, terwijl het menselijk begripsvermogen moeite heeft om bij te blijven.
Als we ons afvragen: “Waar zijn de vruchtbare sociale ideeën?”, vinden we weinig dat – volkomen onbevooroordeeld bezien – werkelijk als zodanig kan worden bestempeld. Juist wanneer het om het sociale leven gaat, schiet het menselijk denken vaak tekort.

Nun, heute ist infolge der sozialen Entwickelung, die die Menschheit
genommen hat, die Frage des sozialen Zusammenlebens unmittelbar geknüpft an eine andere Frage, in der nur Sachkenntnisse den Ausschlag geben können, nur die wirkliche Einsicht in das Konkrete den Ausschlag geben kann.
Meine Damen und Herren, über ein Paradies auf Erden, in dem die Menschen gut leben können, in dem alle Menschen zufrieden sein können, zu denken, ist sehr leicht. Das ergibt sich, man möchte sagen, von selbst. Zu sagen, wie aus der Konfiguration unseres Wirtschaftslebens, aus den einzelnen konkreten Tatsachen, die sich aus der Natur, aus der menschlichen Arbeit, aus dem menschlichen Erfindungs-und Kombinationsgeist ergeben, zu sagen, wie da heraus für die Menschen allmählich ein menschenwürdiges Dasein sich entwickeln soll, das erfordert eine so eingehende tiefe Sachkenntnis, wie kein Zweig der Wissenschaft, wie kein Zweig innerhalb der Naturerkenntnis. Denn gegenüber der Komplikation der sozialen wirtschaftlichen Tatsache ist

Vandaag de dag is, als gevolg van de maatschappelijke evolutie die de mensheid heeft doorgemaakt, de kwestie van het maatschappelijk samenleven direct verbonden met een andere vraagstuk – een kwestie waarbij alleen deskundige kennis, alleen werkelijk inzicht in de concrete werkelijkheid, de doorslag kan geven.
Dames en heren, het is heel eenvoudig om zich een aards paradijs voor te stellen waar mensen een goed leven kunnen leiden en tevredenheid kunnen vinden. Dat idee dient zich, zo zou je kunnen zeggen, heel vanzelfsprekend aan. Maar om uiteen te zetten hoe zich voor mensen – vanuit de constellatie van ons economisch leven, vanuit de specifieke, concrete feiten die voortkomen uit de natuur, de menselijke arbeid en de menselijke geest van vindingrijkheid en synthese – geleidelijk een werkelijk menselijk bestaan ​​kan ontwikkelen, is een diepgaande deskundigheid vereist die die van elke wetenschappelijke discipline of elk natuuronderzoek overstijgt. Want vergeleken met de complexiteit van de maatschappelijke en economische werkelijkheid is

Blz. 185

dasjenige, was wir unter dem Mikroskop sehen und durch das Teleskop am
Himmel beobachten, außerordentlich einfach. So muß man sagen: Gerade auf dem Gebiete der sozialen Frage möchte heute jeder mitreden, und die wenigsten Menschen haben die Geduld und die Ausdauer und auch nur die Gelegenheit, sich die konkreten Sachkenntnisse zu erwerben. Daher haben wir hinter uns ein Zeitalter in bezug auf die soziale Frage, von dem wir sagen müssen: Wir danken Gott, daß es hinter uns ist. – Es ist das Zeitalter der Utopie,
das Zeitalter, wo man, ich möchte sagen, in romanhafter Weise ausgedacht hat, wie die Menschen in der Zukunft leben sollen, damit sie eine Art Paradies auf Erden finden. Ob man diese Utopie niedergeschrieben hat, oder ob man sie in der Wirklichkeit begründen will, wie das Owen in England oder Oppenheimer in Deutschland wollen, das ist es nicht, worauf es ankommt. Ob man Utopien in ein Buch schreibt, bei dem man einsehen kann, das läßt sich nicht verwirklichen, oder ob man irgendwo in einer kleinen Kolonie einen wirtschaftlichen Parasiten gründet, der nur bestehen kann, weil noch die andere Welt da ist, und der nur bestehen kann, solange als er sich als Parasit der Wirtschaftswelt erhält und dann zugrunde geht, das ist im Grunde genommen in bezug auf das gegenwärtige Leben der Menschheit, in bezug auf
das Soziale ganz das gleiche. 

datgene wat we onder de microscoop of door de telescoop aan de hemel waarnemen, buitengewoon eenvoudig. Er moet dus worden vastgesteld: vooral wat de sociale kwestie betreft, wil iedereen tegenwoordig meepraten, maar slechts weinigen beschikken over het geduld, het doorzettingsvermogen of zelfs maar de gelegenheid om concrete, feitelijke kennis op te doen. Daarmee hebben we een tijdperk rond de sociale kwestie achter ons gelaten waarvan we moeten zeggen: godzijdank is het voorbij. Het is het tijdperk van de utopie – een tijd waarin men, op een manier die aan fictie deed denken, bedacht hoe de mensheid in de toekomst zou moeten leven om een ​​soort aards paradijs te vinden. Het maakt daarbij niet uit of je die utopie slechts op papier zet of probeert die in de werkelijkheid te verwezenlijken – zoals Owen in Engeland of Oppenheimer in Duitsland probeerde te doen. Of je nu utopieën in een boek beschrijft – in het volle besef dat ze niet te realiseren zijn – dan wel een economische parasiet in de vorm van een kleine kolonie vestigt (die slechts kan voortbestaan ​​bij de gratie van de buitenwereld, en slechts zolang ze als parasiet op het economische systeem leeft alvorens uiteindelijk ineen te storten): het resultaat is, in wezen, precies hetzelfde voor het huidige leven van de mensheid en de sociale sfeer.

Nun handelt es sich darum, daß man vor allen Dingen, will man über die soziale Frage sprechen, sich ein Auge, einen Sinn aneignen muß für dasjenige, was in den Untergründen der Menschheit sozial pulsiert, was in der Vergangenheit war, was in der Gegenwart da ist, was in die Zukunft hineinwirken will, denn das, was in die Zukunft hineinwirken will, ist zum großen Teile im Unbewußten der Menschen überall vorhanden. Wir werden daher in diesen Vorträgen gerade auf dieses Unbewußte in den Menschen außerordentlich stark hinweisen müssen. Aber vor allen Dingen ist es notwendig, daß man sich einen Begriff davon macht, wie die Verhältnisse über die Erde hin in bezug auf das soziale Leben im großen sind, wie sie sich geschichtlich entwickelt haben.
Denn, meine Damen und Herren, dasjenige, was einstmals vor langen Zeiten war, das ist ja noch immer unter uns als Tradition, als Rest, und wir

Wie over de sociale kwestie wil spreken, moet allereerst oog krijgen – een gevoel ontwikkelen – voor de sociale krachten die in de diepten van de mensheid pulseren: voor wat er in het verleden bestond, wat er heden ten dage aanwezig is en wat in de toekomst wil doorwerken; want datgene wat de toekomst wil vormgeven, is grotendeels aanwezig in het onbewuste van mensen overal ter wereld. In deze voordrachten zullen we daarom grote nadruk moeten leggen op dit onbewuste element in de mens. Bovenal is het echter essentieel om inzicht te verwerven in de algemene omstandigheden van het maatschappelijk leven wereldwijd en de wijze waarop deze zich historisch hebben ontwikkeld.
Want, dames en heren, wat lang geleden bestond, is nog steeds onder ons – als traditie, als overblijfsel – en we

Blz. 186

können das, was unter uns dasteht, nur verstehen, wenn wir dasjenige verstehen, was einmal vor langen Zeiten da war. Und dasjenige, was Gegenwart ist, vermischt sich immer schon mit etwas, was hintendiert nach der Zukunft, und wir müssen verstehen, was da schon Zukünftiges, Keimhaftes in unserer Gegenwart herinnensteckt. Wir dürfen die Vergangenheit nicht bloß als etwas betrachten, was vor Jahrhunderten war, sondern was vielfach noch unter uns lebt, und was auch wirkt, und was wir nur verstehen als ein gegenwärtig Vergangenes oder vergangenes Gegenwärtiges, wenn wir es richtig zu taxieren verstehen. Da ergeben sich nur Einsichten, wenn wir die äußeren Symptome auf die tief erliegenden Gründe zurückführen können.
Mißverstehen Sie mich nicht, meine Damen und Herren, man muß, wenn man solche Dinge ausspricht, manchmal etwas stark auf die Dinge hinweisen, und es könnte scheinen, als ob man manches tadeln wollte, was man nur charakterisieren will. Also, ich will nicht tadeln, wenn das Vergangene heute in der Gegenwart noch drinnensteckt, ich kann sogar dieses Vergangene bewundern und außerordentlich sympathisch finden, indem es sich in die Gegenwart hineinstellt, aber ich muß wissen, wenn ich sozial denken will, daß es ein Vergangenes ist, und sich auch als Vergangenes eben richtig in die Gegenwart hineinstellen muß. So muß sich ein Gefühl für das unmittelbare soziale Leben mir aneignen
können.

kunnen datgene wat zich nu aan ons voordoet slechts begrijpen als we begrijpen wat er ooit in een ver verleden bestond. Datgene wat het heden uitmaakt, is altijd al verweven met iets dat naar de toekomst neigt; we moeten de elementen van de toekomst – de kiemen van wat komen gaat – begrijpen die reeds in ons heden besloten liggen. We mogen het verleden niet louter beschouwen als iets dat eeuwen geleden bestond, maar veeleer als iets dat vaak nog onder ons leeft en werkzaam blijft – iets dat we slechts als een “heden-verleden” of een “verleden-heden” kunnen doorgronden als we het op de juiste wijze weten te duiden. Inzichten ontstaan ​​pas wanneer we uiterlijke verschijnselen kunnen herleiden tot hun dieperliggende oorzaken. Begrijp me niet verkeerd, dames en heren: bij het verwoorden van dergelijke zaken moet je soms met nadruk spreken, en kan het lijken alsof er kritiek geleverd wordt op iets dat je in feite slechts wil typeren. Het is niet mijn bedoeling kritiek te leveren op het feit dat het verleden in het heden voortleeft; sterker nog, ik kan dat verleden bewonderen en het bijzonder aansprekend vinden in de manier waarop het zich in het heden manifesteert. Wil ik echter in sociale termen denken, dan moet ik het erkennen als iets dat tot het verleden behoort – iets dat zijn juiste plaats in het heden moet innemen, maar dan als verleden. Op die manier moet ik in staat zijn een waarachtig gevoel voor het directe sociale leven te ontwikkelen.

Zum Beispiel – Sie verzeihen, wenn ich aus der unmittelbarsten Gegenwart ein vielleicht etwas merkwürdiges, aber ganz gewiß nicht irgendwie verletzend gemeintes Symptom Ihnen anführe – gestern begegnete uns auf der Straße der verehrte Chairman im Talar und mit dem Barett. Er sah sehr schön aus. Ich mußte ihn bewundern. Aber, meine sehr verehrten Damen und Herren, ich hatte nicht nur das Mittelalter vor mir, sondern ich dachte, es käme mir jemand entgegen aus den alten orientalischen Theokratien in der unmittelbaren Gegenwart.
Nicht wahr, in dem Talar steckte ja in diesem Falle eine ganz gegenwärtige Seele, sogar eine Anthroposophenseele, die sich vielleicht sogar noch zuschreibt, Zukunft in sich zu haben; aber dasjenige, was unmittelbar symptomatisch physiognomisch, möchte ich sagen, sich ausdrückte, das ist Geschichte, das ist Geschichte in der Gegenwart.

Neem bijvoorbeeld – u zal het mij niet kwalijk nemen als ik een verschijnsel uit het directe heden aanhaal, iets wat misschien wat eigenaardig is, maar zeker niet beledigend bedoeld – gisteren kwamen we de geachte voorzitter op straat tegen, gekleed in zijn academische toga en baret. Hij zag er voortreffelijk uit; ik kon niet anders dan bewondering voor hem voelen. Toch, dames en heren, had ik niet alleen het gevoel dat de middeleeuwen voor mij stonden, maar dat ik iemand ontmoette uit de oude theocratieën van het Oosten – hier, in het directe heden. Weliswaar huisde in die toga een door en door hedendaagse ziel – zelfs een antroposofische ziel, die zichzelf wellicht beschouwt als belichaming van de toekomst – maar wat zich daar op een, ik zou bijna zeggen, direct symptomatische en fysionomische wijze manifesteerde, was de geschiedenis; het was geschiedenis in het heden.

Blz. 187

Und so müssen wir, wenn wir das soziale Leben verstehen wollen,
wenn wir selbst die wirtschaftlichen Verhältnisse verstehen wollen,
die tagtäglich auf unserem Kaffeetisch am Morgen wirksam sind, die
bewirken, wieviel wir aus unserem Portemonnaie nehmen müssen,
um diesen Frühstückstisch zu besorgen, wir müssen, um diese Verhältnisse zu verstehen, einen Überblick haben über die soziale Entwickelung
der Menschheit. Und diese soziale Entwickelung der Menschheit wird
heute, gerade wenn man die soziale Frage anschaut, fast nur im materialistischen Sinne behandelt.
Man muß zuerst hinschauen auf ganz andersartige Verhältnisse, die
einmal innerhalb der geschichtlichen und vorgeschichtlichen Entwickelung der Menschheit waren. Man muß schon hinschauen auf jene sozialen Gemeinschaften, die man gerade als die orientalischen, noch
stark nach Westen herüberwirkenden Theokratien auffassen kann.
Das waren ganz andere soziale Gemeinschaften. Das waren soziale
Gemeinschaften, in denen die Struktur der menschlichen Verhältnisse
bewirkt worden war durch die Inspiration einer den übrigen Verhältnissen der Welt fremden Priesterschaft.

Als we dus het maatschappelijk leven willen begrijpen – en daarmee de economische omstandigheden die ons dagelijks aan de ontbijttafel raken en bepalen hoeveel we uit onze portemonnee moeten halen om die maaltijd te bekostigen – dan moeten we zicht hebben op de sociale evolutie van de mensheid. Toch wordt deze evolutie tegenwoordig, vooral wanneer de ‘sociale kwestie’ wordt bestudeerd, bijna uitsluitend vanuit een materialistisch perspectief benaderd.
We moeten allereerst kijken naar de sterk uiteenlopende omstandigheden die heersten in de verschillende stadia van de menselijke geschiedenis en prehistorie. We moeten aandacht besteden aan die sociale gemeenschappen die kunnen worden gekenschetst als oosterse theocratieën – systemen die een krachtige invloed uitoefenden die tot in het westen reikte. Het ging hier om sociale gemeenschappen van een totaal andere aard; gemeenschappen waarin de structuur van de menselijke verhoudingen werd gevormd door de inspiratie van een priesterklasse die losstond van de overige wereldse omstandigheden.

Da hat man herausgeholt aus demjenigen, was sich einem an geistigen Impulsen ergab, die Impulse für die äußere Welt. Wenn Sie noch sehen, wie in Griechenland, in Rom, die soziale Struktur ist: ein ungeheures Sklavenheer, darüber eine in sich selbst zufriedene, wohlhabende – die Worte sind natürlich relativ gemeint – Oberschicht, dann können Sie diese soziale Struktur nicht
verstehen, ohne daß Sie hinschauen auf deren Ursprung, auf den theokratischen Ursprung, innerhalb dessen es möglich war, diese soziale Struktur als ein Gottgegebenes oder Göttergegebenes den Menschen glaubhaft zu machen, glaubhaft nicht nur für den Kopf, glaubhaft für das Herz, glaubhaft für den ganzen Menschen; so daß der Sklave tatsächlich sich in der richtigen Weise durch die göttliche Weltenordnung einmal an seinen Platz hingestellt fühlte. Nur aus dem Durchsetztsein der äußeren materiell-physischen sozialen Struktur mit inspirierten Geboten ist das soziale Leben in alten Zeiten der Menschheit zu erklären.
Und aus diesen Geboten, die eine der Welt entzogene Priesterschaft von außerhalb der Welt zu bekommen suchte, aus diesen Geboten ging 

Uit de spirituele impulsen die zich aandienden, putten mensen de impulsen voor de uiterlijke wereld. Wie de sociale structuur in Griekenland of Rome beschouwt – een enorm leger van slaven met daarboven een zelfvoldane, vermogende bovenlaag (begrippen die uiteraard relatief moeten worden opgevat) – kan die structuur niet begrijpen zonder naar de oorsprong ervan te kijken: de theocratische oorsprong die het mogelijk maakte deze maatschappelijke orde aan mensen te presenteren als iets dat door God of de goden was verordend – en wel op een wijze die niet slechts het verstand, maar ook het hart en de gehele mens overtuigde. Zo voelde de slaaf zich door de goddelijke kosmische orde werkelijk en terecht op zijn plaats gesteld. Het sociale leven in het verre verleden van de mensheid laat zich slechts verklaren door het feit dat de uiterlijke, materieel-fysieke sociale structuur doordrongen was van geïnspireerde geboden. En uit deze geboden – die een zich uit de wereld teruggetrokken priesterschap trachtte te ontvangen vanuit een sfeer buiten de wereld –

Blz. 188

nicht nur dasjenige hervor, was der Mensch für sein Seelenheil haben sollte, nicht nur, was er über Geburt und Tod dachte und empfand, sondern es ging dasjenige hervor, was das Verhältnis bilden sollte zwischen Mensch und Mensch.
Aus dem weiten Orient herüber tönt nicht nur das Wort: «Liebe Gott über Alles», sondern auch das andere: «und deinen Nächsten als dich selbst.» Wir nehmen heute ein solches Wort «deinen Nächsten als dich selbst» sehr abstrakt auf. Es war nicht so abstrakt in der Zeit, als von dem inspirierten Priester dieses Wort in die Menge klang. Da wurde es zu etwas zwischen den Menschen Wirkendem, wofür später alle diejenigen konkreten Verhältnisse traten, die wir unter dem Namen des Rechtes und der Moral zusammenfassen.

Denn diese Verhältnisse des Rechtes und der Moral, die sich erst später der Menschenentwickelung eingliedern, die waren in dem ursprünglichen göttlichen Gebote: «Liebe deinen Nächsten als dich selbst» enthalten durch die ganze Art und Weise, wie sie durch die inspirierte Priesterschaft in der Theokratie in die Welt hineingetragen wurden.

kwam niet alleen voort wat nodig was voor het heil van de menselijke ziel, of hoe men dacht en voelde over geboorte en dood, maar ook de aard van de onderlinge menselijke verhoudingen zelf.
Uit het weidse Oosten klinkt niet alleen het gebod “Heb God lief boven alles”, maar ook het andere: “en uw naaste als uzelf”. Tegenwoordig vatten wij de uitdrukking “uw naaste als uzelf” in zeer abstracte zin op. Zo abstract was dat niet in de tijd dat dit woord, uitgesproken door een geïnspireerde priester,
weerklonk voor de menigte. Het werd een kracht die tussen mensen werkte –
een kracht die later werd vervangen door de concrete verhoudingen die wij scharen onder de noemers van recht en moraal.
Want die verhoudingen van recht en moraal – die pas in een later stadium
in de menselijke evolutie werden opgenomen – lagen reeds besloten in het oorspronkelijke goddelijke gebod “Heb uw naaste lief als uzelf”, en wel door de wijze waarop dat gebod door het geïnspireerde priesterschap binnen de theocratie in de wereld was gebracht.

Ebenso waren die Verrichtungen des Wirtschaftslebens, dasjenige, was der Mensch tun sollte, was er tun sollte mit dem Vieh, was er tun sollte mit Grund und Boden – Sie finden den Nachklang dazu noch in der mosaischen Gesetzgebung -, das war aus den göttlich gedachten Eingebungen heraus festgestellt. Der Mensch fühlte sich als von den göttlichen Mächten in bezug auf sein geistiges Leben, in bezug auf sein Rechtsleben und moralisches Leben, in bezug auf sein Wirtschaftsleben in das Irdische hineingestellt. Eine einheitliche Struktur, wo die Glieder deshalb, weil ein Impuls in ihnen steckte, zusammenwirkten, war die Theokratie. Die drei Glieder: Geistesleben, Rechts-, dasjenige was wir heute auch Staatsleben nennen, dasjenige was wir Wirtschaftsleben nennen, war in einem einheitlichen Organismus, der durchpulst wurde von dem, was nicht auf der Erde zu finden war an Impulsen, zusammengefaßt.
In der weiteren Entwickelung der Menschheit ist das das Eigentümliche, daß diese drei Impulse, Geistesleben, staatlich-juristisch-moralisches Leben, und wirtschaftliches Leben, auseinanderdrängten, sich differenzierten. Aus dem einen Strom, der in den Theokratien als einheitliches Menschenleben dahinfloß, wurden allmählich zwei, wie ich 

Evenzo werden de activiteiten van het economische leven – wat de mens moest doen, hoe hij moest omgaan met vee en land (waarvan men de weerklank nog in de Mozaïsche wetgeving kan vinden) – bepaald door goddelijk geïnspireerde impulsen. De mens voelde zich door goddelijke machten in de aardse sfeer geplaatst – wat betreft zijn geestelijk leven, zijn juridisch en moreel leven en zijn economisch leven. De theocratie vormde een samenhangend geheel waarin deze onderdelen samenwerkten, omdat ze werden gedreven door een gemeenschappelijke impuls. De drie sferen – het geestelijk leven, het juridisch-politiek-morele leven (wat wij tegenwoordig het staatsleven noemen) en het economisch leven – waren verenigd in één enkel organisme, dat doordrongen was van impulsen die niet op aarde hun oorsprong vonden. Een kenmerkend aspect van de verdere evolutie van de mensheid is dat deze drie impulsen – het geestelijk leven, het staatsrechtelijk-morele leven en het economisch leven – uiteen zijn gedreven en zich hebben gedifferentieerd. De ene stroom, die in theocratieën als een verenigd menselijk bestaan ​​vloeide, splitste zich geleidelijk in tweeën – zoals ik 

Blz. 189

gleich nachher zeigen werde, und nachher drei; und diesen drei Strömen stehen wir heute gegenüber.
Dasjenige, was sich aus diesem einen Strom der Theokratie ergeben
hat, will ich nachher in dem zweiten Teile nach der Übersetzung besprechen.
Meine Damen und Herren, die Theokratie, so wie sie in alten Zeiten
bestanden hat mit der Inspiration der Mysterienpriester, die hineinfloß
in die soziale Struktur, in das juristisch-moralische und auch in das
wirtschaftliche Leben, diese Theokratie wird, um nur das eine anzuführen, im wirtschaftlichen Leben bloß fertig, kann nur zustande kommen mit demjenigen, was im wirtschaftlichen Leben bis zur Landwirtschaft geht, mit demjenigen, was zu tun hat mit dem Verhältnis des Menschen zu Grund und Boden. Es lassen sich gebotartige Verhaltungsmaßregeln für das wirtschaftliche Leben herausgestalten aus der Inspiration, wenn das wirtschaftliche Leben in seiner Hauptsache im Grund und Boden, in der Landwirtschaft, Viehzucht und so weiter begründet ist.

zo dadelijk zal aantonen – en later in drieën; en het zijn deze drie stromen waarmee wij vandaag de dag worden geconfronteerd.
Ik ben van plan om later, in het tweede deel na de vertaling, te bespreken wat er uit deze ene stroom van theocratie is voortgekomen.
Dames en heren, de theocratie – zoals die in de oudheid bestond, waarbij de inspiratie van de mysteriepriesters doorwerkte in de maatschappelijke structuur, in het juridisch-morele leven en in het economische leven – kon binnen de economische sfeer slechts functioneren of ontstaan ​​door zich te richten op zaken die de landbouw betroffen: namelijk de verhouding van de mens tot de grond. Uit een dergelijke inspiratie kunnen richtlijnen voor het economische leven worden afgeleid wanneer dat economische leven voornamelijk op de grond is gebaseerd – op landbouw, veeteelt en dergelijke.

Das beruht darauf, daß eben ein eigentümliches Verhältnis besteht zwischen dem Menschen, der an den Grund und Boden sich anschmiegt. Er hat in seinem Herzen dasjenige, was entgegenkommen kann dem, was aus der Theokratie herauskommt.
In dem Augenblicke, wo in der Entwickelung der Menschheit anfangen Handel und Gewerbe eine größere Rolle zu spielen, in dem Augenblicke wird es anders. Die alten, die ältesten Theokratien, sie können nur verstanden werden, wenn man weiß, daß im wesentlichen alles wirtschaftliche Leben auf der Zugehörigkeit des Menschen zu Grund und Boden beruht, daß Handel und Gewerbe gewissermaßen nur oben aufgesetzt waren. Sie waren ja da, aber sie entwickelten sich so, daß sie sich im Anschluß an die Verhältnisse in bezug auf Grund und
Boden, die Landwirtschaft entwickelten. Wir sehen in der Entwickelung der Menschheit, wie Handel und Gewerbe sich gewissermaßen emanzipieren von dem Landwirtschaftlichen, erst ganz in seinem Anfange im alten Griechenland, und dann deutlicher in dem alten römischen Reiche. Da sehen wir, wie gewissermaßen herauswächst wie etwas 

Dit berust op het feit dat er een bijzondere band bestaat tussen de mens en de grond waarmee hij nauw verbonden is. Hij draagt ​​in zijn hart iets dat kan reageren op wat uit de theocratie voortkomt. De situatie verandert zodra handel en nijverheid een grotere rol gaan spelen in de ontwikkeling van de mensheid. De oude – ja, de alleroudste – theocratieën zijn slechts te begrijpen als men beseft dat het gehele economische leven in wezen rustte op de verbondenheid van het individu met de grond, en dat handel en nijverheid er als het ware slechts bovenop lagen. Ze bestonden weliswaar, maar ontwikkelden zich in samenhang met de omstandigheden die de landbouw en het grondgebruik bepaalden. In de loop van de menselijke evolutie zien we hoe handel en nijverheid zich geleidelijk losmaken van de landbouw – eerst in een vroeg stadium in het oude Griekenland, en vervolgens duidelijker in het Romeinse Rijk. We zien hoe de menselijke activiteit op het gebied van handel en nijverheid zich losmaakt uit de sociale structuur en iets

Blz. 190

Selbständiges in der sozialen Struktur die Betätigung des Menschen im Handel und Gewerbe, und das gibt dem ganzen römischen Leben namentlich seine Konfiguration.
Als dasjenige, was sich für die Menschen aus dieser Emanzipation
ergab im römischen Reiche, tief zu Herzen ging den Gracchen, Tiberius
Sempronius Gracchus, Cajus Gracchus, als es in deren Herzen Wort
annahm, zur Tat wurde, da entstanden die großen sozialen Kämpfe des
alten Rom. Die erste Streikbewegung war im Grunde genommen im
alten Rom, als die Menschen hinauszogen auf den «Heiligen Berg» und
ihre Rechte verlangten, da entstand das Drängen nach einer Neugestaltung in die Zukunft hinein.
Und dasjenige, was man jetzt erst als etwas Selbständiges bemerkte, was früher hineingegliedert war in die ganze soziale Struktur, das ist die menschliche Arbeit, die ein besonderes Verhältnis von Mensch zu Mensch begründet. Wenn aus den Geboten heraus der Mensch weiß, er steht als ein Niedriggestellter einem Höhergestellten gegenüber, so fragt er nicht, wie er die Arbeit gestalten soll; dies ergibt sich aus dem menschlichen Verhältnis.

zelfstandigs wordt; precies dit geeft het Romeinse leven zijn kenmerkende vorm.
Toen de gevolgen van deze emancipatie voor de bevolking van het Romeinse Rijk de gebroeders Gracchus — Tiberius Sempronius Gracchus en Gaius Gracchus — diep beroerden, en toen dit besef in hun hart vorm kreeg en tot daden leidde, ontstonden de grote sociale strijdtonelen van het oude Rome. De eerste stakingsbeweging — in wezen die van het oude Rome, toen het volk naar de ‘Heilige Berg’ trok om zijn rechten op te eisen — markeerde het ontstaan ​​van het streven om de toekomst opnieuw vorm te geven. Wat nu als iets afzonderlijks werd gezien — iets dat voorheen deel uitmaakte van de algehele maatschappelijke structuur — was menselijke arbeid, die een specifieke verhouding tussen mensen tot stand brengt. Wanneer iemand op grond van vaststaande regels weet dat hij als ondergeschikte tegenover een meerdere staat, vraagt ​​hij zich niet af hoe het werk georganiseerd moet worden; dat wordt bepaald door de menselijke verhouding zelf.

In dem Augenblicke, wo die Arbeit als etwas Emanzipiertes, Selbständiges auftritt, ergibt sich die Frage: Wie stelle ich mich zu meinem Mitmenschen, damit meine Arbeit in der richtigen Weise sich hineingliedert in die soziale Struktur? – Handel, Gewerbe, Arbeit, das sind die drei wirtschaftlichen Faktoren, aus denen dann der Mensch angeregt wird, hervorzutreiben aus sich dasjenige, was das Recht ist, und auch, was die abgezogene Moral ist, die aus der Religion herausgezogene Moral. Und der Mensch fühlt sich dadurch veranlaßt, aus dem einen Strome der Theokratie zwei hervorgehen zu lassen: die alte Theokratie weiter gehen zu lassen und einen zweiten Strom, den
Strom, der im wesentlichen der Strom des Kriegerischen und namentlich des Juristischen ist, daneben fließen zu lassen.
Daher sehen wir, wie, indem die orientalische Kultur sich herüberentwickelt nach Europa unter dem Einflüsse von Handel, Gewerbe und Arbeit, das alte theokratische Denken übergeht in das juristische Denken, wie an die Stelle der alten Verhältnisse, die gar nicht Rechtsverhältnisse waren – versuchen Sie sich das klarzumachen noch aus der mosaischen Gesetzgebung -, sich entwickeln die Rechtsverhältnisse 

Zodra arbeid zich als iets geëmancipeerds en zelfstandigs manifesteert, rijst de vraag: hoe verhoud ik mij tot mijn medemensen, zodat mijn arbeid op passende wijze in de maatschappelijke structuur integreert? Handel, industrie en arbeid – dat zijn de drie economische factoren die de mens ertoe aanzetten om vanuit zijn innerlijk zowel de aard van het recht als de moraliteit – die uit de religie is gedestilleerd, oftewel eruit is afgeleid – voort te brengen. Hierdoor wordt de mens ertoe bewogen om vanuit de ene stroom van de theocratie twee stromen te laten ontstaan: enerzijds de oude theocratie te laten voortbestaan, en anderzijds een tweede stroom ernaast te laten vloeien – een stroom die in wezen wordt gekenmerkt door het krijgshaftige en, bovenal, het juridische. Zo zien we hoe – naarmate de oosterse cultuur zich onder invloed van handel, industrie en arbeid tot de Europese cultuur ontwikkelt – het oude theocratische denken plaatsmaakt voor juridisch denken; hoe in de plaats van de oude verhoudingen (die in feite geen rechtsverhoudingen waren – probeer dit te doorgronden door naar de Mozaïsche wet te kijken) de juridische

Blz. 191

des Eigentums, die Verhältnisse, die ausdrücken sollen die Beziehungen von Mensch zu Mensch.
Man sieht das entstehen im Keime zur Zeit der Gracchen, später
mehr aufgehen zur Zeit des Diokletian; man sieht da, wie der zweite
Strom neben den ersten sich hinstellt, und man sieht dieses im ganzen
menschlichen Leben sich ausdrücken.
Man kann sagen: Im Oriente drüben, in den alten Theokratien war
das, was die Menschen als Geistiges über die übersinnlichen Welten
wissen sollten, alles selbstverständliche Theosophie. Theo-Sophia ist die
konkrete Weisheit, die empfangen wurde durch Inspiration.
Als der Strom nach Europa herübergeht, stellt sich neben ihn die
Jurisprudenz. Die Jurisprudenz kann keine Sophia mehr sein, denn sie
handelt nicht von etwas, was einem eingegeben wird, sondern von etwas,
was der Mensch selbst immer mehr und mehr im Verkehr von Mensch
zu Mensch entwickelt. Da wird das Urteil maßgebend.

eigendomsverhoudingen ontstaan: verhoudingen die bedoeld zijn om de onderlinge verbindingen tussen mensen tot uitdrukking te brengen.
Men ziet dit in de tijd van de Gracchen in een beginstadium opkomen, om later
tot volle ontplooiing te komen in de tijd van Diocletianus; men ziet hoe een tweede stroom naast de eerste komt te staan, en men ziet dit tot uitdrukking komen in het menselijk leven.
Men zou kunnen zeggen: in het Oosten, in de oude theocratieën, werd alle kennis die de mens over de bovenzinnelijke werelden – over het geestelijke – bezat, simpelweg als theosofie beschouwd.
Theosofie is concrete wijsheid die door inspiratie wordt ontvangen.
Wanneer de stroom zich naar Europa verplaatst, komt de rechtsgeleerdheid
ernaast te staan. Rechtsgeleerdheid kan niet langer ‘Sophia’ zijn, want zij houdt zich niet bezig met iets dat door inspiratie wordt overgedragen, maar met iets dat mensen zelf in toenemende mate ontwikkelen door hun onderlinge omgang. Hier wordt het menselijk oordeel de beslissende factor.

Da tritt an der Stelle der Sophia die Logik auf, und die Jurisprudenz, in die jetzt alle soziale Struktur hineingegossen wird, wird vorzugsweise logisch. Die Logik, die Dialektik entwickeln ihre Triumphe, nicht etwa in der Naturwissenschaft, sondern gerade in dem juristischen Leben, und alles menschliche Leben wird in diesen zweiten Strom, in die Logik hineingezwängt. Begriff des Eigentums, Begriff des persönlichen Rechtes, all das sind ja realisierte logische Kategorien.
Und die Sache hat eine so starke Kraft in dieser zweiten Strömung, daß diese Kraft auf die erste Strömung abfärbt. Aus der Theosophia wird eine Theologia. Der erste Strom wird also durchaus beeinflußt von dem zweiten Strom. Und wir haben jetzt nebeneinander ein Altbewahrtes, eine alte Theosophia, die, indem sie weniger lebendig, etwas dürrer, etwas magerer auch geworden ist, als sie in ihrer Jugend war, nun Theologia wird, und daneben die Jurisprudentia, die eigentlich in dieser Art alles umfaßt bis ins 15., 16., 17. Jahrhundert hinein, was in den verschiedenen Masken auftritt, die auch noch wirkt in dem gesamten wirtschaftlichen Leben der Menschheit.
Jurisprudenz wirkte auch in Adam Smith, auch wenn er das wirtschaftliche Leben in Betracht ziehen will. Lesen Sie Adam Smith einmal mit dem Gefühl, da rumort juristisches Denken;

Hier treedt de logica in de plaats van Sophia, en de rechtsgeleerdheid – waarin de gehele maatschappelijke structuur nu wordt gegoten – wordt overwegend logisch van aard. Logica en dialectiek vieren hun triomfen niet in de natuurwetenschap, maar juist op het gebied van het recht; het gehele menselijke leven wordt in deze tweede stroom gedwongen: de stroom van de logica. Het eigendomsbegrip, het begrip van persoonlijke rechten – dit zijn allemaal gerealiseerde logische categorieën. En deze tweede stroom oefent zo’n krachtige invloed uit dat hij overvloeit in de eerste. ‘Theosophia’ verandert in ‘Theologia’. Zo wordt de eerste stroom diepgaand beïnvloed door de tweede. We zien nu, zij aan zij, een eeuwenoud erfgoed – een oude ‘Theosophia’ die zich ontwikkelt tot ‘Theologia’ (en daarbij minder vitaal, wat droger en schraler is geworden dan in haar jeugd) – en daarnaast de ‘Jurisprudentia’. Deze laatste kracht, die in uiteenlopende gedaanten verschijnt, omvat alles tot in de 15e, 16e en 17e eeuw en blijft het gehele economische leven van de mensheid vormgeven. Ook bij Adam Smith was de rechtsgeleerdheid werkzaam, zelfs wanneer hij het economische leven onderzocht. Probeer Adam Smith eens te lezen met besef van het juridische denken dat onder de oppervlakte broeit;

Blz. 192

aber das Wirtschaftliehe Leben kommt herauf. Nun will er in die alten Begriffe des Juristischen – damals waren sie ja schon wiederum alt geworden -, da will er hineinzwängen, was als wirtschaftliches Leben in Komplikationen heraufkommt, nachdem das naturwissenschaftliche Denken die Technik und so weiter ergriffen hat.
Und so sehen wir, wie eine Zeitlang innerhalb der eigentlichen zivilisierten Menschheit die zwei Ströme sich herausbilden, die Theologia, die dann auf der einen Seite in die Wissenschaft einmündet – denn es ist ja überall nachzuweisen, wie die späteren Wissenschaften, auch die Naturwissenschaft, sich aus der Theologia heraus entwickeln.
Aber die Menschen haben mittlerweile das dialektisch-logische Denken
gelernt, das tragen sie jetzt in alles hinein, auch in die Wissenschaft.
Und so entwickelt sich die neuere Zeit. Mit überwältigender Komplikation kommen die sozialen Verhältnisse, die wirtschaftlichen Verhältnisse herauf. Die Menschen sind gewohnt noch an das theologisch juristische Denken, und das tragen sie nun noch extra in die Naturwissenschaft hinein. In der Naturwissenschaft bemerkt man es nicht mehr.

maar het economische leven komt op. Nu probeert men de complexiteit van dit opkomende economische leven – dat ontstond nadat het wetenschappelijk denken vat had gekregen op technologie en dergelijke – te dwingen in oude, juridische begrippen (begrippen die destijds eigenlijk al verouderd waren).
Zo zien we gedurende enige tijd twee stromingen ontstaan ​​binnen de beschaafde mensheid: de ‘theologia’, die uiteindelijk uitmondt in de wetenschap – want overal valt aan te tonen dat de latere wetenschappen, waaronder de natuurwetenschap, uit de ‘theologia’ zijn voortgekomen.
Men had zich inmiddels echter het dialectisch-logische denken eigen gemaakt en paste dit nu op alles toe, ook op de wetenschap.
Op deze wijze ontwikkelde zich de moderne tijd. Er ontstonden maatschappelijke en economische verhoudingen van een overweldigende complexiteit. Men was nog steeds gewend aan theologisch-juridisch denken en droeg dit ook over op de natuurwetenschap – al wordt die invloed binnen de natuurwetenschap zelf niet meer bewust waargenomen.

Man glaubt nicht, wenn man das Auge über das Mikroskop hält, oder wenn man durch das Teleskop in den Sternenhimmel hineinschaut, oder wenn man gar ein niederes Tier zergliedert, um daran den Organismus zu studieren, man glaubt es nicht, daß man eine historische Phase des menschheitlichen Denkens da hineingetragen hat, und nicht etwas Absolutes. Und so nimmt in der neueren Zeit dieses naturwissenschaftliche Denken durchaus die Menschheit, die Zivilisation in Anspruch: es soll über alles so gedacht werden, wie naturwissenschaftlich gedacht wird. Das ist heute nicht etwa bloß in den Gebildeten sitzend, das sitzt in der ganzen Menschheit, bis in den primitivsten Menschen hinein.
Ich möchte nicht mißverstanden werden auch hier, aber ich möchte eine Bemerkung machen. Wenn heute so etwas auseinandergesetzt wird, wie ich es zum Beispiel in bezug auf die Erziehung in den verflossenen Tagen tat, da muß auch dasjenige hineingebracht werden, was vom Spirituellen aus die Naturwissenschaft beleuchtet. Wenn der heutige Mensch, der an der Naturwissenschaft herangebildet ist, an diese Dinge herankommt, dann findet er: Ja, was da gesagt wird, das steht nicht in 

Wanneer men het oog aan een microscoop zet, of door een telescoop naar de sterrenhemel tuurt, of zelfs een nederig schepsel ontleedt om het organisme ervan te bestuderen, beseft men niet – men beseft het simpelweg niet – dat men daarbij een specifieke historische fase van het menselijk denken hanteert, in plaats van iets absoluuts. Zo is deze wetenschappelijke denkwijze in de moderne tijd volledig gaan domineren over de mensheid en de beschaving: de verwachting is dat alles door de bril van het wetenschappelijk denken moet worden bekeken. Deze houding beperkt zich niet tot de ontwikkelde klassen; ze doordringt de gehele mensheid en reikt zelfs tot de meest primitieve individuen.
Ik wil hier niet verkeerd begrepen worden, maar ik wil graag een opmerking maken. Wanneer kwesties worden uiteengezet zoals die welke ik onlangs met betrekking tot het onderwijs heb besproken, is het essentieel om perspectieven te betrekken die de natuurwetenschap vanuit een spiritueel standpunt belichten. Wanneer de moderne mens – gevormd door een wetenschappelijke opvoeding – met deze ideeën in aanraking komt, is de reactie vaak: “Welnu, wat hier wordt gezegd, staat niet in

Blz. 193

einem Physiologiebuch; was da gesagt wird, das habe ich nicht gehört vom physiologischen Katheder herunter, also ist es falsch.
Man setzt nicht voraus, daß dasjenige, was dort nicht gesagt werden kann, daß
all das, was von mir in bezug auf Naturwissenschaftliches gesagt ist, durchaus nachgeprüft ist, daß es voll berücksichtigt dasjenige, was im Physiologiebuch steht, und was vom Katheder herunter als Physiologie gelehrt wird. Aber es ist die Menschheit heute so gestaltet, daß man gar nicht weiß, wie das eine aus dem anderen heraus sich ergibt. Und so ist heute die glänzende Naturwissenschaft, die ja voll anerkannt wird innerhalb des Anthroposophischen, diese Naturwissenschaft ist heute – nicht durch das, was sie selber sagt, sondern durch die Menschen, durch die Art, wie die Menschen sie auffassen – ein Hemmnis. Und ich möchte sagen, man kann es in der Entwickelung der neuesten Menschheit handgreiflich machen, wie sie ein Hemmnis ist.
Sehen Sie, da gab es einen Menschen, der Ihnen seinem Namen nach gut bekannt ist, Karl Marx, der in der neueren Zeit besonders eindringlich für Millionen und Millionen von Menschen über das soziale Leben
geredet hat.

de fysiologieboeken; ik heb dit nooit vanaf het katheder van de fysiologiedocent gehoord – dus moet het wel onjuist zijn.”
Er wordt niet van uitgegaan dat alles wat ik over natuurwetenschappen heb gezegd – of zelfs datgene wat daar niet in uitgedrukt kan worden – volledig is geverifieerd, of dat het volledig rekening houdt met de inhoud van fysiologieleerboeken en wat er vanuit de collegezaal als fysiologie wordt onderwezen. Toch is de huidige staat van de mensheid zodanig dat mensen geen idee hebben hoe het een uit het ander voortkomt. En zo is briljante natuurwetenschap – die binnen de antroposofische beweging volledig wordt erkend – tegenwoordig een belemmering geworden; niet vanwege wat de wetenschap zelf zegt, maar vanwege de mensen – vanwege de manier waarop ze het waarnemen. En ik zou zeggen dat men binnen de context van de moderne menselijke ontwikkeling heel tastbaar kan aantonen hoe het als een belemmering werkt.
Neem bijvoorbeeld een man wiens naam u welbekend is: Karl Marx – iemand die in recentere tijden met grote impact tot miljoenen mensen sprak over het sociale leven.

Wie hat er geredet? Nun, er hat geredet, wie der repräsentative Mensch des naturwissenschaftlichen Zeitalters über das soziale Leben reden muß.
Stellen wir uns einmal vor Augen, wie dieser repräsentative Mensch
reden muß. Der Naturwissenschafter, der hat die Gedanken im Kopfe.
Darauf gibt er nicht viel; er gibt erst etwas auf die Gedanken, wenn sie
sich ihm verifiziert haben unter dem Mikroskop oder durch einen anderen Versuch oder durch irgendeine Beobachtung. Aber dasjenige, was
er beobachtet, das muß ganz vom Menschen abgesondert sein, das darf
nicht irgendwie verknüpft sein, das muß herangetragen sein. Und so
muß derjenige, der naturwissenschaftlich denkt, einen Abgrund sehen
zwischen seinem Denken und dem, was ihm herangetragen wird.
Nun, Karl Marx hat dieses Denken, das man nicht heranlassen will
an die äußere Welt, zwar nicht ganz im Sinne der neuesten Naturwissenschaft gelernt, möchte ich sagen, aber er hat es in einer älteren Form gelernt als Hegelsche Dialektik. Es ist im Grunde genommen nur eine andere Färbung des naturwissenschaftlichen Denkens. Da, als er dieses Denken des modernen Menschen lernte, da stand er in seinem Milieu drinnen.

Hoe sprak hij? Wel, hij sprak precies zoals de representatieve figuur van het wetenschappelijke tijdperk noodzakelijkerwijs over het maatschappelijk leven spreekt.
Laten we ons voor de geest halen hoe zo’n representatieve figuur moet spreken. De natuurwetenschapper draagt ​​gedachten met zich mee.
Hij hecht daar niet veel waarde aan; hij waardeert gedachten pas zodra ze voor hem zijn geverifieerd onder de microscoop, of door middel van een ander experiment of een andere waarneming. Toch moet datgene wat hij waarneemt volledig losstaan ​​van de mens; het mag op geen enkele wijze daarmee verbonden zijn; het moet iets zijn dat hem van buitenaf wordt aangereikt. Wie op natuurwetenschappelijke wijze denkt, ziet zich dan ook genoodzaakt een kloof waar te nemen tussen zijn eigen denken en datgene wat hem wordt voorgelegd.
Nu heeft Karl Marx – hoewel hij deze denkwijze (die afstand wil bewaren tot de buitenwereld) strikt genomen niet in de geest van de meest recente natuurwetenschap heeft verworven – haar wel in een eerdere vorm leren kennen: als de Hegeliaanse dialectiek. In wezen is dit slechts een andere nuance van wetenschappelijk denken. En toen hij zich deze voor de moderne mens kenmerkende denkwijze eigen maakte, was hij diep geworteld in zijn eigen specifieke milieu.

Blz. 194

Aber er war Repräsentant des naturwissenschaftlichen Zeitalters, da konnte er ja gar nichts damit anfangen. Er war ein Deutscher, er stand drinnen in der deutschen logisch-dialektischen Denkweise. Aber aus der heraus konnte er nichts anfangen, geradeso wie der Naturwissenschafter nichts anfangen kann mit seinen Gedanken. Er wartet, was ihm das Mikroskop oder Teleskop zeigt. Das muß von außen kommen. Karl Marx konnte mit seinen Gedanken nichts
anfangen. Und da er schon einmal aus seiner Haut nicht herausfahren konnte, fuhr er aus Deutschland heraus und ging nach England. Da traten ihm die sozialen Verhältnisse von außen gegenüber, wie dem Naturwissenschafter das Mikroskop oder Teleskop. Da hatte er eine Außenwelt. Da konnte er so reden und eine soziale Theorie nach naturwissenschaftlichem Muster begründen, wie der Naturwissenschafter seine Theorie begründet. Und weil diese Denkweise den Leuten tief im Leibe sitzt, wurde das ungeheuer populär. Und weil nun schon einmal das, was sich bloß auf die äußere Natur bezieht, maßgebend ist, wenn man über den Menschen so redet wie über die äußere Natur, wie es Karl Marx getan hat, so schaut das alles, was man über den Menschen sagt, auch über seine sozialen Verhältnisse, so aus, wie wenn es Natur wäre.

Maar hij was een vertegenwoordiger van het natuurwetenschappelijke tijdperk; daar kon hij natuurlijk helemaal niets mee beginnen. Hij was een Duitser; hij bevond zich midden in de Duitse logisch-dialectische denkwijze. Maar daaruit kon hij niets halen, net zoals de natuurwetenschapper niets kan beginnen met zijn gedachten. Hij wacht af wat de microscoop of de telescoop hem laat zien. Dat moet van buitenaf komen. Karl Marx kon met zijn gedachten niets beginnen. En aangezien hij niet uit zijn eigen huid kon stappen, verliet hij Duitsland en ging naar Engeland. Daar werd hij van buitenaf geconfronteerd met de sociale verhoudingen, net zoals de natuurwetenschapper met de microscoop of telescoop. Daar had hij een buitenwereld. Toen kon hij zo spreken en een sociale theorie volgens een natuurwetenschappelijk model onderbouwen, zoals de natuurwetenschapper zijn theorie onderbouwt. En omdat deze manier van denken diep in het wezen van de mensen zit, werd het enorm populair. En omdat nu eenmaal datgene wat zich louter op de uiterlijke natuur betrekt, doorslaggevend is, wanneer men over de mens spreekt zoals over de uiterlijke natuur, zoals Karl Marx heeft gedaan, lijkt alles wat men over de mens zegt,
ook over zijn sociale verhoudingen, alsof het de natuur zelf is.

Was ich über den Jupiter sage, was ich über das Veilchen sage, was ich über den Regenwurm sage, das kann ich in Island ebenso sagen wie in Neuseeland, und in England ebenso wie in Rußland. Das gilt für die ganze Welt. Da brauche ich mich nicht zu konkretisieren, das muß allgemein gelten.
Wenn man also nach dem Muster des Naturwissenschaftlichen eine soziale Theorie begründet, so begründet man scheinbar etwas, was über die ganze Erde hin gilt, was überall daraufgesetzt werden kann. Das ist überhaupt die Eigentümlichkeit der juristisch-staatlichen Denkweise, die nur ihren Gipfelpunkt in dem Marxismus gefunden hat, daß sie das Allgemein-Abstrakte wie ein allgemeines Kleid überall draufsetzen will. Das finden Sie schon da, wo noch gar nicht sozialistisch, sondern nur juristisch-logisch gedacht wird, zum Beispiel bei Kant mit dem kategorischen Imperativ, der Ihnen ja vielleicht auch als etwas Ausländisches bekannt sein wird.
Meine Damen und Herren, dieser kategorische Imperativ, der sagt:

Wat ik over Jupiter zeg, wat ik over het viooltje zeg, wat ik over de regenworm zeg, dat kan ik net zo goed in IJsland zeggen als in Nieuw-Zeeland, en in Engeland net zo goed als in Rusland. Dat geldt voor de hele wereld. Ik hoef daar niet concreet op in te gaan, het moet algemeen gelden.
Als men dus naar het voorbeeld van de natuurwetenschappen een sociale theorie onderbouwt, dan onderbouwt men schijnbaar iets dat over de hele aarde geldt, dat overal op toegepast kan worden. Dat is juist het eigenaardige aan de juridisch-staatsrechtelijke denkwijze, die pas in het marxisme haar hoogtepunt heeft gevonden, dat men het algemene en abstracte als een soort universele mantel overal overheen wil leggen. Dat ziet u al daar waar nog helemaal niet socialistisch, maar alleen juridisch-logisch wordt gedacht, bijvoorbeeld bij Kant met de categorische imperatief, die u wellicht ook als iets vreemds bekend zal zijn.
Dames en heren, deze categorische imperatief, die zegt:

Blz. 195

Handle so, daß die Maxime deines Handelns für jeden Menschen gelten kann. – Im konkreten Leben läßt sich das nicht anwenden, denn man kann niemandem sagen: Laß dir vom Schneider deinen Rock so machen, daß er für jeden Menschen passen kann. Aber nach diesem Muster, das überhaupt das logische Muster ist, nach diesem Muster ist schon das alte juristisch-staatliche Denken geformt. Das erreicht seinen Gipfelpunkt im marxistisch-sozialen Denken.
Und so sieht man, wie zuerst realisiert, verwirklicht wird dasjenige, was durch Marx auf naturwissenschaftliche Art beobachtet ist, indem er deutsches Denken betätigte am englischen Wirtschaftsdasein.
Nun wird es wieder zurückgetragen nach Mitteleuropa. Da lebt es sich in den Willensimpulsen der Menschen aus. Und dann wird es noch weitergetragen ganz nach dem Osten. Im Osten nun ist sogar vorbereitet dieses Überstülpen des rein Abstrakten über die konkret menschlichen Verhältnisse. Denn im Osten sehen wir, wie dem Marx schon vorgearbeitet hat Peter der Große.

Handel zo, dat de maxime [de praktische regels]  van uw handeling op ieder mens van toepassing kan zijn. In de praktijk is dit niet toepasbaar; men kan immers niet tegen iemand zeggen: “Laat uw kleermaker uw jas zo maken dat hij iedereen past.” Toch is juist dit patroon – dat in feite het logische patroon is – hetgeen de oude juridische en staatkundige denkwijze heeft gevormd. Dit bereikte zijn hoogtepunt in het marxistisch-socialistische denken.
Zo zien we de verwezenlijking en actualisering van wat Marx waarnam via een natuurwetenschappelijke benadering – waarbij Duitse denkpatronen werden toegepast op de economische realiteit van Engeland. Nu wordt dit teruggevoerd naar Centraal-Europa, waar het zich manifesteert in de impulsen van de menselijke wil.
Van daaruit wordt het nog verder gedragen, helemaal tot in het Oosten. In het Oosten was het toneel al bereid voor deze oplegging van het louter abstracte aan de concrete menselijke omstandigheden; daar zien we immers hoe Peter de Grote de weg voor Marx al had geëffend.

Peter der Große hat schon den Westen in das russische Leben hineingeschoben, während Rußland in seiner Seele vielfach orientalischen Charakter trägt und die
Menschen die Theokratie noch stark im Leibe haben, wurde durch ihn das Juristisch-Staatliche hineingetragen und Petersburg mehr im Westen, neben Moskau gesetzt.
Man verstand nicht, daß das zwei Welten sind, Petersburg Europa ist und Moskau Rußland ist, wo noch tief hineinspielt die orientalische Theokratie in ihrer Reinheit. So daß, als dann Solowjow eine Philosophie bildete, sie natürlich nicht so wurde wie die dialektisch-naturwissenschaftliche Philosophie des Herbert Spencer, sondern sie wurde theosophisch. Aber Solowjow ist Moskau. Solowjow ist nicht Petersburg. Ich meine auch nicht, daß in Rußland nur so die Dinge geographisch getrennt werden können. Dostojewski, er mag noch so sehr an Moskau gekettet sein, Dostojewski, er mag noch so weit nach Osten
gehen, ist Petersburg. Und die Erlebnisse in Rußland verlaufen zwischen Petersburg und Moskau. Moskau ist Asien, theokratisch angeschaut, heute noch; Petersburg ist Europa.
Und in Petersburg wurde bereits vorbereitet auf staatlich-juristische Art dasjenige, was dann der Leninismus vollständig an Rußland verbrochen hat, wo etwas dem russischen Wesen so Fremdes, 

Peter de Grote introduceerde het Westen in het Russische leven; maar hoewel
de Russische ziel een grotendeels oosters karakter draagt ​​– en de bevolking diep doordrongen blijft van theocratie – introduceerde hij het juridisch-staatkundige element en stichtte hij Sint-Petersburg als een westerse tegenhanger van Moskou.
Men begreep niet dat dit twee werelden zijn: Sint-Petersburg is Europa, terwijl Moskou Rusland is – een plek waar de oosterse theocratie in haar zuivere vorm nog steeds een diepgaande invloed uitoefent.
Toen Solovjov vervolgens een filosofie ontwikkelde, nam deze niet de vorm aan van de dialectische, natuurwetenschappelijke filosofie van Herbert Spencer;
in plaats daarvan werd ze theosofisch. Toch vertegenwoordigt Solovjov Moskou; Solovjov is niet Sint-Petersburg. Evenmin wil ik suggereren dat de zaken in Rusland uitsluitend langs geografische lijnen kunnen worden gescheiden. Dostojevski – hoezeer hij ook verbonden was met Moskou, hoe ver naar het oosten hij zich ook mocht begeven – hoort bij Sint-Petersburg. En de loop der gebeurtenissen in Rusland speelt zich af tussen Sint-Petersburg en Moskou. Moskou is Azië – gezien door een theocratische bril, zelfs vandaag de dag nog; Sint-Petersburg is Europa.
En in Sint-Petersburg werd reeds de basis gelegd – op een staatkundig-juridische wijze – voor wat het leninisme later volledig aan Rusland zou opleggen: het opdringen van iets dat volkomen vreemd was aan de Russische geest

Blz. 196

aber als die letzte Konsequenz des westeuropäischen Wesens aufgeprägt wurde, als etwas Abstraktes, so Fremdes, daß man sagen kann: Ebensogut hätte man dasjenige, was Lenin da in Rußland gemacht hat, auf dem Monde
oder irgendwo anders machen können. Es kam gar nicht in Betracht, daß das Rußland ist, wo gerade Lenin regieren wollte.
So haben sich allmählich die Verhältnisse ergeben, daß man gar nicht sich konkretisiert, indem man auf das Soziale hinsieht. Aber das muß man, meine Damen und Herren. Man muß sich klar sein darüber, daß in der Entwicklung der Menschheit das geistige Leben früher entstanden ist als das juristisch-staatliche, daß das als ein zweiter Strom sich neben den ersten gestellt hat, und daß vielleicht jetzt auch etwas anderes eintreten muß, als dieses bloße Abfärben der Jurisprudenz auf die Theosophie, so daß sie sie in die Theologie verwandelt; daß vielleicht das geistige Leben neu erwachen muß in einer neuen Form.
Denn die Sache ist doch so, daß die Evolution der Menschheit so vor sich ging, daß mancherlei aus dem geistigen Leben der alten Zeit seine Form in sich noch behalten hat.

maar dat wel de uiterste consequentie vormde van de West-Europese geest – als iets abstracts en zo vreemds dat men zou kunnen zeggen: Wat Lenin in Rusland deed, had net zo goed op de maan of waar dan ook kunnen gebeuren. Het feit dat Lenin juist in Rusland wilde regeren, deed er niet toe.
De omstandigheden hebben geleid tot een situatie waarin men er niet in slaagt concreet te worden wanneer men naar het maatschappelijke aspect kijkt. Toch moet men dat wel doen, dames en heren. Men moet zich realiseren dat in de loop van de menselijke evolutie het geestelijk leven eerder ontstond dan de rechts- en staatsorde – dat het zich als een tweede stroom naast de eerste vestigde – en dat er nu wellicht iets anders moet gebeuren dan slechts het overdragen van de rechtswetenschap op de theosofie (waardoor deze in theologie verandert); dat het geestelijk leven wellicht in een nieuwe vorm opnieuw moet ontwaken.
Want het is een feit dat de menselijke evolutie zich zo heeft voltrokken, dat diverse elementen uit het geestelijk leven van de oudheid hun oorspronkelijke vorm hebben behouden.

Es hat nicht bloß den Talar und das Barett, es hat auch die Gedankenformen behalten. Diese Gedankenformen, die passen nicht mehr auf eine Welt, in die Handel, Gewerbe und Arbeit hineingetragen wurden als emanzipiert, so daß das
geistige Leben heute vielfach als ein abgesondertes Glied neben dem übrigen Leben steht, am meisten, je mehr man nach Westen kommt.
In Rußland, in Moskau-Rußland ist es noch am wenigsten der Fall.
In Mitteleuropa drehen sich alle Kämpfe, auch die sozialen, darum, daß man kein rechtes Verhältnis findet zwischen dem dialektisch-juristisch-staatlichen Element und dem theokratischen Element. Man weiß nicht, ob man nun den Talar und das Barett behalten kann, wenn man sich als Richter hinsetzt, oder ob man sie ausziehen soll. Die Rechtsanwälte schämen sich heute schon damit, die Richter finden noch etwas sehr Würdiges dabei, den Talar anzuhaben. Man weiß es nicht. In Mitteleuropa ist ein starker Kampf; in Westeuropa ist das Theokratische sehr stark konserviert in dem geistigen Leben, sehr stark in den Gedankenformen konserviert.
Aber der zweite Strom in der Menschheit hat sich ja herauf entwickelt.

Niet alleen de toga en de baret zijn behouden gebleven, maar ook de denkvormen. Deze denkvormen passen niet meer bij een wereld waarin handel, industrie en arbeid als geëmancipeerde krachten zijn binnengekomen; met als gevolg dat het geestelijk leven tegenwoordig vaak als een afzonderlijke entiteit naast de rest van het leven staat – een tendens die sterker wordt naarmate men zich meer naar het westen begeeft.
In Rusland – in het Rusland van Moskou – is dit het minst het geval.
In Centraal-Europa draaien alle conflicten – ook de sociale – om het onvermogen om een ​​juiste verhouding te vinden tussen het dialectisch-juridisch-staatkundige element en het theocratische element. Men weet niet of men de toga en baret moet aanhouden wanneer men als rechter zitting houdt, of dat men ze moet afleggen.
Juristen voelen zich er tegenwoordig al ongemakkelijk bij, terwijl rechters het dragen van de toga nog steeds iets zeer waardigs vinden. Er is geen consensus. In Centraal-Europa woedt een hevige strijd; in West-Europa blijft het theocratische element sterk bewaard binnen het geestelijk leven – sterk bewaard, wel te verstaan, binnen de denkvormen.
Toch heeft de tweede stroom in de mensheid zich wel degelijk ontwikkeld.

Blz. 197

Wir haben auf der einen Seite den Menschen, wenn wir das als Symptom
betrachten, wunderbar konservierend das Alte – Talar, Barett – und
nun möchte man sehen, daß er Talar und Barett ausziehe und darunter
etwas anderes hätte, ein zweites, ob es nun ein Königsmantel oder ein
Kriegermantel sei, aber es müßte etwas sein, was nun in das Rechtsverhältnis, in das Staatsverhältnis sich hineinstellt. Und so, ich möchte
sagen, wenn man ihm auf der Straße heute begegnet, möchte man ihm,
um ihn als einen vollständigen Menschen zu sehen, Talar und Barett
ausziehen und darunter etwas wie eine Art Kriegermantel finden, oder
etwas, was in die Juristenstube paßt; dann würde man die zwei Strömungen im Menschen nebeneinander lebend haben.
Ich muß Ihnen gestehen – nicht wahr, es ist scherzhaft ausgesprochen,
aber es ist doch sehr real gemeint -, wenn ich heute einem Menschen in
Talar und Barett auf der Straße begegne, so kommt mir der Gedanke:
Ja, wenn du jetzt einen Brief schreiben solltest, du wüßtest doch nicht,
sollst du 768 vor Christi Geburt schreiben, oder sollst du schreiben,
weil doch wiederum vielleicht in diesem Talar drinnen ein Rechtsgelehrter ist, 1265 nach Christi Geburt?

Enerzijds zien we het individu – en ik beschouw dit als een symptoom – dat op bewonderenswaardige wijze het oude in stand houdt: de toga en de baret. Toch zou men graag zien dat hij die toga uitdoet en de baret afzet en daaronder iets anders onthult – een tweede laag, zoals een koninklijke mantel of een krijgersmantel – iets dat een directe verbinding aangaat met de wereld van het recht en de staat. Sterker nog, als men vandaag de dag zo iemand op straat tegenkomt, zou men – om hem als een volledig mens te kunnen zien – het liefst de toga willen uitdoen en baret van zijn hoofd willen halen om daaronder iets als een krijgersmantel aan te treffen, of wellicht iets dat past bij het studeervertrek van een jurist; op die manier zou men zien hoe de twee stromingen in die persoon naast elkaar bestaan.
Ik moet u bekennen – en begrijp me goed, dit is half grappend bedoeld, al is de gedachte erachter zeer serieus – dat wanneer ik vandaag de dag iemand in toga en met baret op straat tegenkom, de gedachte bij me opkomt: “Als u nu een brief zou schrijven, zou u niet weten of u die moet dateren op 768 v.Chr. of – aangezien er in die toga wellicht een rechtsgeleerde schuilgaat – op 1265 n.Chr.”

Man kommt mit dem Datum nicht zurecht, weil Vergangenheit, ältere und mittlere Vergangenheit – Gegenwart braucht man dabei noch gar nicht zu berücksichtigen, auf das heutige Datum würde ich zuletzt kommen bei der Sache – weil sich weiter zurückliegende Vergangenheit und weniger weit zurückliegende Vergangenheit nebeneinanderstellen als zwei Strömungen. Und sie stellen sich so nebeneinander wie Moskau und Petersburg.
Und man hat die Frage vor sich: Wie kommt wirkliche Organisation, wirkliche Gliederung hinein in dasjenige, was heute nebeneinander steht? Diese Zweigliederung, die ich bis jetzt angeführt habe, werden wir dann auslaufen sehen in eine Dreigliederung in der modernen Zeit, wo die drei Glieder ebenso nebeneinander stehen.
Dreigliederung, meine Damen und Herren, ist ja nicht so gemeint, daß man jetzt eine schöne Einheit hat im sozialen Leben und nun drei Schnitte machen soll, daß die drei Glieder sich nebeneinander entwickeln, sondern die Dreigliederung ist so gemeint, daß sie da ist, wie im Menschen die drei Glieder sind: Kopf-Nervensystem, das rhythmische System und das Stoffwechselsystem. Nur müssen die ordentlich zusammenwirken, 

Het is lastig om greep te krijgen op de chronologie, omdat het verleden – zowel het verdere als het recentere verleden (het heden hoeven we nog niet eens in beschouwing te nemen; de huidige tijd zou ik pas als laatste behandelen) – zich voordoet als twee stromingen die naast elkaar bestaan. Ze staan ​​naast elkaar, net zoals Moskou en Sint-Petersburg dat doen.
En we staan ​​voor de vraag: hoe kan er werkelijke ordening – werkelijke geleding – worden gebracht in wat momenteel naast elkaar bestaat? We zullen zien hoe deze tweeledige structuur, die ik tot nu toe heb beschreven, zich in de moderne tijd ontwikkelt tot een drieledige structuur, waarin de drie elementen eveneens naast elkaar staan.
De drieledige structuur, dames en heren, moet niet zo worden begrepen dat men het ene, samenhangende maatschappelijke leven simpelweg in drieën deelt, zodat de drie delen naast elkaar ontstaan; ze is veeleer bedoeld om te bestaan ​​zoals de drie systemen in de mens bestaan: het zenuw-zintuigstelsel, het ritmische systeem en het stofwisselingssysteem. Het komt erop aan dat ze goed

Blz. 198

und es muß jedem das Seine zugeteilt werden.
Wenn der Verdauungsorganismus wenig arbeitet und zuviel von seiner
Arbeit an den Kopf abgibt, dann entstehen allerlei migräneartige
Krankheiten.
Wenn das geistige Glied des sozialen Organismus nicht ordentlich
arbeitet, zuviel, sagen wir, an das Wirtschaftliche abgibt, denn das ist
der Kopf heute des sozialen Organismus, dann entstehen allerlei soziale
Krankheiten.
So muß man diese Dinge mit der Entwickelung, mit der Evolution
der Menschheit in Zusammenhang bringen, wenn man hineinsehen will
in das soziale Leben. Dieses gestattet am allerwenigsten eine Oberflächenansicht. So müssen wir schon dahin kommen, in Talar und
Barett solche Formen hineinzubringen, die einem nun auch möglich
machen, die zwei geschichtlichen Daten ineinander zu denken. Das ist
dann Gegenwart. Sonst bleibt Vergangenheit Vergangenheit mit den
nebeneinanderlaufenden Strömungen, die heute eben gerade als der
Urgrund der sozialen Krankheit in der Welt dastehen, wenn es auch
die Menschen nicht glauben. Das Weitere will ich dann im dritten Teile
meines heutigen Vortrages sagen.

samenwerken en dat elk zijn eigen, passende functie vervult. Als het spijsverteringsstelsel weinig werk verricht en te veel van zijn activiteit afwentelt op het hoofd, ontstaan ​​er allerlei migraine-achtige klachten.
Wanneer het geestelijke deel van het sociale organisme niet naar behoren functioneert – wanneer het, laten we zeggen, te zeer toegeeft aan de economische sfeer (die immers tegenwoordig het hoofd van het sociale organisme vormt) – dan ontstaan ​​er allerlei maatschappelijke kwalen.

Men moet deze zaken dus in het licht van de ontwikkeling en evolutie van de mensheid beschouwen als men inzicht wil krijgen in het sociale leven; een gebied dat zich allerminst leent voor een oppervlakkige blik. We moeten daarom tot een punt komen waarop we vormen kunnen introduceren – als het ware gesymboliseerd door de academische toga en baret – die ons in staat stellen deze twee historische tijdperken als met elkaar verweven te zien. Dat is wat het heden vereist. Anders blijft het verleden slechts verleden, waarbij de parallelle stromingen ervan blijven voortbestaan ​​als de dieperliggende oorzaak van de maatschappelijke kwalen in de wereld – ook al geloven mensen dat niet. Op het vervolg zal ik ingaan in het derde deel van de lezing van vandaag.

Meine Damen und Herren, da die Zeit vorgeschritten ist, werde ich
dasjenige, was ich heute noch zu Ihnen zu sagen habe, sehr kurz halten.
Es führt uns ja auch bereits in die Gegenwart, in diese Tage herein, und daher werde ich mir das Wesentlichste aufzusparen haben auf den nächsten Vortrag. Was ich heute noch sagen möchte, ist dieses: Zu jenen zwei Strömungen, die ich charakterisiert habe, kommt immer mehr und mehr von dem Beginn des 15. bis 16. Jahrhunderts an, am deutlichsten aber im 19. Jahrhundert, ein dritter Strom. Er kommt um so deutlicher hinzu, je mehr sich die Kultur nach dem Westen bewegt. Es kommt zu demjenigen, was ursprünglich theokratisch angepaßt war dem Grund und Boden, der Landwirtschaft, zu dem kommt hinzu in den mittleren Gegenden das Juristische, das angepaßt ist Handel, Gewerbe, Arbeit.
Und im Westen kommt nun hinzu immer mehr und mehr das, was man später begreift unter dem Namen des Industriellen, des eigentlich Industriellen mit all dem, was technisch sich diesem Industriellen einfügt.

Dames en heren, aangezien het al laat is, zal ik het bij wat ik u vandaag nog te zeggen heb, zeer kort houden. De materie leidt ons immers al naar het heden – naar de tijd waarin wij nu leven – zodat ik de meest essentiële punten zal moeten bewaren voor de volgende voordracht. Wat ik vandaag wil zeggen, is dit: aan de twee stromingen die ik heb geschetst, wordt een derde stroom toegevoegd – in toenemende mate vanaf de overgang van de 15e naar de 16e eeuw, maar het duidelijkst in de 19e eeuw. Deze derde stroom treedt des te duidelijker naar voren naarmate de cultuur zich naar het Westen verplaatst. Naast datgene wat oorspronkelijk theocratisch van aard was – afgestemd op het land, de bodem en de landbouw – ontstaat in de centrale gebieden een juridisch element dat is afgestemd op handel, nijverheid en arbeid. En in het Westen komt daar in toenemende mate bij wat later onder de term ‘industrieel’ is gaan vallen: de werkelijk industriële sfeer, met alle technische aspecten die daarmee samenhangen.

Blz. 199

Bedenken Sie nur, was die Einfügung des eigentlichen industriellen
Elements in die Evolution der Menschheit bedeutet. Die heutigen Verhältnisse ließen sich leicht umrechnen auf dasjenige, was ich jetzt anführen will, aber ich will es für einen etwas früheren Zeitpunkt anführen, ungefähr für die achtziger Jahre des vorigen Jahrhunderts. Da konnte man schon sagen: Wenn man die physischen Menschen auf der Erde zählen würde, man würde etwa 1500 Millionen Menschen finden.
Aber das ist nicht die richtige Bevölkerung der Erde. Das wäre nur die
richtige Bevölkerung der Erde, wenn wir noch im tiefen Altertum drinnen lebten, wo die Menschen im wesentlichen alle Arbeit verrichteten
durch ihre Hände oder durch dasjenige, was etwa zusammenhing mit
dem Menschen, so wie die Hand beim Führen des Pfluges oder beim
Führen des Pferdes und so weiter. Es war bereits im 19. Jahrhundert
eingezogen in die Erdenwelt eine ganz neue Bevölkerung; die Maschinen, die dem Menschen einen Teil der Arbeit abgenommen haben.

Denk eens na over wat het betekent als het eigenlijke industriële element er in de evolutie van de mensheid bijkomt. Hoewel de huidige omstandigheden zich gemakkelijk zouden laten vertalen in de termen die ik ga gebruiken, geef ik er de voorkeur aan de situatie te schetsen zoals die in een iets eerder tijdperk bestond – grofweg in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Zelfs toen al kon men zeggen: als men de fysieke mensen op aarde zou tellen, zou men uitkomen op ongeveer 1500 miljoen mensen. Toch vertegenwoordigt dat niet de werkelijke bevolking van de aarde. Dat cijfer zou slechts kloppen als we nog in de verre oudheid leefden, een tijd waarin mensen vrijwel al hun werk met de eigen handen verrichtten – of met hulpmiddelen die direct met het menselijk lichaam verbonden waren, zoals de hand die een ploeg of een paard aanstuurt. In de negentiende eeuw was er echter een geheel nieuwe bevolkingsgroep in de aardse sfeer verschenen: de machines, die een deel overnamen van het werk dat voorheen door mensen werd gedaan.

Und wenn man rechnet, auch schon für die achtziger Jahre des vorigen
Jahrhunderts, wieviel an menschlicher Arbeit die Maschine dem Menschen abgenommen hat, dann kommt man dazu, daß man als Erdenbevölkerung dann anzusehen hat 2000 Millionen Menschen, 25 Prozent
mehr. Heute ist es, wenigstens vor dem Kriege war es noch viel mehr
so, daß wir, wenn wir bloß physisch die Menschen heute anschauen
auf der Erde, eine ganz falsche Erdenbevölkerungszahl bekommen. Wir
müssen 500 Millionen mehr Menschen auf der Erde annehmen nach der
verrichteten Arbeit.
Das hat in der Tat zu dem alten theokratischen und juristischen
Strome ein ganz neues Element gebracht, einen ganz neuen Strom in
den realen Verhältnissen, denn es hat den Menschen nicht etwa näher
hingebracht an die Außenwelt, sondern es hat den Menschen mehr auf
sich selbst zurückgewiesen. Der Mensch stand im Mittelalter so, daß ein
Teil von ihm war, was er, sagen wir, als einen Schlüssel machte zu einem
Schloß oder das Schloß selber. Da ging, was der Mensch betätigte, in
die Arbeit über. Wenn der Mensch an der Maschine steht, es ist ihm
ganz einerlei, etwas relativ gesprochen, wie sein Verhältnis zur Maschine ist. Dadurch wird er um so mehr auf sich zurückgewiesen.
Seine Menschlichkeit empfindet er. Der Mensch tritt als ein ganz

En als men berekent – ​​zelfs terugkijkend tot de jaren tachtig van de negentiende eeuw – hoeveel menselijke arbeid de machine van de mens heeft overgenomen, komt men tot de conclusie dat de wereldbevolking moet worden beschouwd als bestaande uit 2000 miljoen mensen: een toename van 25 procent. Vandaag de dag – of althans vóór de oorlog – krijgen we een volkomen onjuist beeld van de wereldbevolking als we enkel kijken naar de fysieke mensen op aarde; op basis van de verrichte arbeid moeten we aannemen dat er 500 miljoen mensen meer op aarde zijn.
Dit heeft inderdaad een volledig nieuw element geïntroduceerd – een geheel nieuwe stroming binnen de werkelijkheid – naast de oude theocratische en juridische stromingen; want het heeft de mens niet dichter bij de uiterlijke wereld gebracht, maar het individu juist op zichzelf teruggeworpen. In de middeleeuwen was het wezen van de mens verbonden met wat hij voortbracht – bijvoorbeeld een sleutel voor een slot, of het slot zelf; zijn activiteit vloeide rechtstreeks in het werk. Wanneer iemand echter aan een machine staat, is zijn verhouding tot die machine – relatief gezien – voor hem van ondergeschikt belang. Daardoor is hij des te meer op zichzelf teruggeworpen. Hij wordt zich bewust van zijn eigen mens-zijn. De mens treedt het evolutieproces binnen als een geheel

Blz. 200

neues Wesen in die Entwickelung ein. Er löst sich los von seiner
äußeren Betätigung. Das ist es, was im Westen als das demokratische Element in den letzten Jahrhunderten heraufkommt, aber erst als eine Forderung, als
ein Postulat, nicht wie irgend etwas Realisiertes. Denn die Verhältnisse
überwältigen den Menschen. Die Menschen können nur theokratisch
oder juristisch denken. Aber das Leben wird industriell-wirtschaftlich
mit überwältigenden Forderungen. Da hinein gehen noch nicht die
Gedanken. Selbst ein solcher Mensch wie Marx hat nur juristisch gedacht. Und das Verständnis, das er gefunden hat bei Millionen und
Millionen, ist nur juristisch.
Und so kann man sagen: Dadurch trat eine dritte Strömung, über die
wir namentlich im nächsten Vortrag werden zu sprechen haben, neben
die zwei anderen hin. Der proletarische Mensch wird geboren. Das, was
im proletarischen Menschen rumort, das lebt sich aus als eine bestimmte
Auffassung über Kapitalismus, über Arbeit. Die Menschen sind gezwungen, diese Probleme aus dem Leben heraus sich vorzuhalten. Jetzt
ist die Evolution der Menschheit eigentlich erst Gegenwart. 

nieuwe soort wezen, doordat hij zich losmaakt van zijn uiterlijke activiteit.
Dit is wat zich de afgelopen eeuwen in het Westen heeft ontwikkeld als het democratische element – ​​zij het aanvankelijk slechts als eis, als postulaat, en niet als iets dat daadwerkelijk was verwezenlijkt. De heersende omstandigheden overstelpen immers het individu. Mensen zijn slechts in staat in theocratische of juridische termen te denken, terwijl het leven zelf een industrieel en economisch karakter krijgt en overweldigende eisen stelt. Het menselijk denken is tot dit domein nog niet doorgedrongen. Zelfs een figuur als Marx dacht in louter juridische termen, en het begrip dat hij bij miljoenen mensen vond, was eveneens van louter juridische aard.
Zo ontstond er, naast de twee andere, een derde stroming – die we in de volgende voordracht nader zullen bespreken. Het proletarische individu wordt geboren. Wat er in de proletariër leeft, komt tot uitdrukking in een specifieke opvatting over kapitalisme en arbeid. Mensen worden gedwongen zich met deze vraagstukken bezig te houden, omdat ze voortkomen uit de realiteit van het leven. Pas nu is de evolutie van de mensheid werkelijk in het heden aangekomen.

Man könnte sagen: da steht der Mann mit dem Talar und Barett, wunderbar schön, herrlich; er ragt herein aus der Vergangenheit. Da steht der Mann mit dem Kriegermantel und mit dem Degen als Verkörperung des Juristischen – das Kriegerische ist nur eine andere Seite des Juristischen -, die spätere Vergangenheit, noch nicht Gegenwart.
Und wenn ich den Mann in Talar und Barett sehe, so kann er ja noch, weil sich die Menschheit schon jahrhundertelang da hinein gewöhnt hat, unter Umständen ein guter Rechtsanwalt, ein guter Advokat sein. Da werde ich die Disharmonie noch nicht so stark empfinden. Aber wenn er nun ins wirtschaftliche Leben hineingestellt sein soll – da habe ich fast die Vermutung, wenn er nicht trotz Barett und Talar gerade dazu befähigt ist, sich ins wirtschaftliche Leben aktiv hineinzustellen, daß er bloß sein Geld verlieren wird! Denn die Menschheit ist im allgemeinen noch nicht hineingewachsen in dasjenige, was diese dritte Strömung im Leben bedeutet. Und das ist sie auch im großen nicht. Daher steht die soziale Frage vor uns als eine Menschheitsfrage. Denn neben die Maschine ist der Mensch hingestellt. Wir müssen heute die soziale Frage

Men zou kunnen zeggen: daar staat de man in toga en baret –prachtig, indrukwekkend; hij reikt vanuit het verleden tot in het heden.
Daar staat de man in krijgersmantel en met zwaard, de belichaming van de rechtssfeer – want het krijgshaftige aspect is slechts een andere kant van het juridische – en hij vertegenwoordigt een recenter verleden, zij het nog niet het heden.
En wanneer ik de man in toga en baret zie, kan hij – juist omdat de mensheid door de eeuwen heen aan deze rol gewend is geraakt – heel goed een bekwaam jurist of advocaat zijn. In dat geval ervaar ik de dissonantie niet zo scherp. Maar als hij in het economische leven wordt geplaatst… tja, dan vermoed ik sterk dat hij – tenzij hij over de specifieke aanleg beschikt om actief aan het economische leven deel te nemen, ongeacht zijn toga en baret – simpelweg zijn geld zal verliezen! Want de mensheid als geheel is nog niet gegroeid in de werkelijkheid die door deze derde levensstroom wordt vertegenwoordigd; dat is op grote schaal nog niet gebeurd.
Zo stelt de sociale kwestie zich aan ons voor als een vraagstuk dat de mensheid zelf aangaat. Want de mens is naast de machine komen te staan. 

Blz. 201

nicht als eine Wirtschaftsfrage, wir müssen sie als eine Menschheitsfrage erfassen können, und wir müssen verstehen, daß wir sie innerhalb der Menschheit lösen müssen.
Dazu fehlen aber noch die Gedankenimpulse, wie sie vorhanden
waren für das Theokratische und für das Juristische. Für das Wirtschaftliche fehlen sie noch. Und die Kämpfe der Gegenwart gehen
darum, Gedankenimpulse zu finden für das Wirtschaftliche, wie man
sie gefunden hat für das Theokratische und für das Juristische. Das
ist im wesentlichen heute noch der Inhalt der sozialen Frage. Im
großen ist man dabei noch weniger auf einem heilsamen Wege als im
kleinen. Die Staaten, die plötzlich empfangen sollten dieses industrielle
Wirtschaftsleben, die haben es sich in ihre alten juristischen Formen
eingliedern wollen.

Vandaag de dag moeten we de sociale kwestie niet slechts als een economisch vraagstuk zien, we moeten het kunnen vatten als een kwestie die de gehele mensheid aangaat, en we moeten inzien dat we het binnen de context van de mensheid moeten oplossen.
Voor het economische gebied ontbreken echter nog de noodzakelijke denkimpulsen – zoals die er wel waren voor de theocratische en de juridische sfeer. De huidige strijd draait om het vinden van dergelijke impulsen voor het economische domein, net zoals die gevonden werden voor het theocratische en het juridische domein. Dat vormt in wezen de kern van het sociale vraagstuk van vandaag. Op macroniveau zijn we nog verder verwijderd van een constructieve weg dan op microniveau. Landen die dit industriële economische leven plotseling overnamen, probeerden het te integreren in hun bestaande rechtsstructuren.

Und da sie das nicht gekonnt haben, verfielen sie auf dasjenige, was eine Art Ventil war, um es nicht nötig zu haben zunächst, das Wirtschaftsleben wirklich neben das Staatsleben hinzuentwickeln. Und dieses Ventil ist das Kolonisieren. Weil man nicht die Möglichkeit fand zu starken sozialen Ideen im Inneren, machte man sich zunächst etwas wie einen Ausweg im Kolonisieren.
Das ging bei England. Bei Deutschland ging es nicht. Deutschland konnte sich seine Industrie nicht eingliedern, unzweifelbar deshalb, weil das Kolonisieren nicht ging. Und die große Frage steht heute vor der Menschheit: Wie macht es der Mensch mit dem wirtschaftlichen Leben, ebenso wie er es einstmals mit dem theokratischen, wie er es mit dem Juristischen gemacht hat.
Diese große Frage glaubt man heute, könne auf rein materialistische Weise gelöst werden. Jeder will sie aus dem Wirtschaftsleben heraus lösen. Hier soll gezeigt werden in bescheidenen Anfängen, daß sie nur auf spirituellem Wege gelöst werden kann. Das soll dann der Inhalt meiner zwei nächsten Vorträge sein.

En omdat ze daartoe niet in staat waren, grepen ze naar wat diende als een soort veiligheidsventiel; dit bespaarde hun de directe noodzaak om het economische leven werkelijk te ontwikkelen naast het staatsleven. Dat ventiel was de kolonisatie. Omdat men geen manier vond om intern sterke maatschappelijke ideeën te ontwikkelen, werd kolonisatie aanvankelijk aangegrepen als een soort uitlaatklep.
Voor Engeland werkte dit. Voor Duitsland niet. Duitsland kon zijn industrie niet integreren – ongetwijfeld omdat kolonisatie geen optie was. En vandaag de dag staat de mensheid voor een grote vraag: hoe moet de mens omgaan met het economische leven, net zoals hij ooit omging met het theocratische leven en met
het rechtsleven?
Tegenwoordig heerst de opvatting dat deze grote vraag op puur materialistische wijze kan worden opgelost. Iedereen probeert haar op te lossen vanuit het economische leven zelf. Hier wil ik aantonen – zij het in bescheiden aanzet – dat ze alleen kan worden opgelost via een geestelijke weg. Dat zal het onderwerp zijn
van mijn volgende twee voordrachten.
GA 305/184  

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Rudolf Steiner over pedagogie: vindplaatsen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3569-3353

.

.

.

.

.