WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.
Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

.
VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 1500 artikelen

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
via de blog van Madelief Weideveld

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

 

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

 

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

Advertenties

VRIJESCHOOL – 4e klas – actueel

.

Verzamel de granen, als het nog kan!

(Op veel plaatsen is het oogsten in volle gang of al klaar!)

Rudolf Steiner:
U weet, hoe ik dikwijls over zo‘n beschou­wing van de natuur heb gesproken, en hoe ik verschillende besprekingen besloot met woorden als deze: er zijn tegenwoordig onder de stedelingen helaas heel wat mensen, die, wan­neer ze buiten op het platteland komen, geen tarwe van rogge kunnen onderscheiden. Het komt daarbij niet op de naam aan, maar op een levende verhouding tot die dingen. Wie de menselijke natuur kent, weet dat er iets zeer belangrijks voor de mens verloren gaat, als hij niet op het juiste ogenblik  — en de ontwikkeling van de menselijke vermogens moet steeds op het juiste ogenblik plaatsvinden — als hij niet op het juiste ogenblik leert te onderscheiden, als hij niet leert – (u weet, het is slechts als symptoom bedoeld) – rogge van tarwe te onderscheiden; wat hier bedoeld wordt omvat natuurlijk nog zeer, zeer veel meer.
GA 192/95
Vertaald

Over het waarom

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – wegwijzer (209)

.

In het geschreven werk van Rudolf Steiner, maar ook in zijn opgetekende voordrachten vind ik vaak uitspraken, die – enigszins los van hun verband – op zich een inhoud hebben waarover je lang kan nadenken. Een tijdlang zo’n zin regelmatig op je laten inwerken, kan tot gevolg hebben dat deze zin je in een bepaalde situatie plotseling invalt en dan een antwoord of een richting blijkt te geven voor waarmee je op dat ogenblik bezig bent.
Ze wijzen je een weg; misschien ‘de’ weg; en ze wijzen je weg van het alledaagse.

‘wegwijzers’ dus

209
Binnen in het kind werkt de god in de mens, en die werkt door het levende*-fysieke heen.

im Kinde drinnen wirkt der Gott im Men­schen, wirkt durch das Leiblich-Physische hindurch.
GA 310/22
vertaald /22

*de vertaling heeft ‘lichamelijk’ voor het Duitse ‘leiblich’. Zie voor het verschil.

.

Rudolf Steineralle wegwijzers

Rudolf Steineralle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – actueel – getuigschriften

.

Getuigschriften: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Waarschuwing: valse informatie op Wikipedia

.

Waarschuwing: valse informatie op Wikipedia

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-5-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 38-40 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

ZENUWEN

Wanneer Steiner bloed en zenuw als polariteiten beschrijft, komt hij ook tot de uitspraak dat er geen verschil is tussen motorische en sensitieve zenuwen.

Voor een leek zoals ik, is dat een onderwerp waarover ik – zonder gedegen studie en verdieping in allerhande literatuur – niet veel kan bijdragen.
Voorbeelden uit het eigen (dagelijks) ervaarbare leven zijn er niet.
En neuro-wetenschapstechnisch gebeuren er in deze tijd allerlei tot nog toe niet mogelijke ‘wonderen’ bij mensen die bijv. door de mogelijkheid elektrische impulsen, gestimuleerd door hun denken, naar een lichaamsdeel te zenden, dat door verlamming of andere beschadigingen tot dan toe niet meer functioneerde.
Dat gebeurt door de kennis van de zenuwen waarbij het onderscheid ‘motorisch-sensitief’ een grote rol speelt.

Steiner over sensitieve en motorische zenuwen:

Op blz. 39:
‘Om te spreken van motorische zenuwen – zoals gangbaar geworden is – is onzinnig, aangezien dat wat met ‘motorische zenuwen’ bedoeld wordt eigenlijk de bloedbanen zijn.’

In het schema vinden we de zenuw opzij van het rijtje waarbij ook het kennen staat; het bloed bij het rijtje waarbij het willen staat. In Steiners optiek behoren zowel de sensitieve als de motorische aan de kenniskant.

Op blz. 40 noemt hij het spreken over motorische en sensitieve zenuwen ‘een spel met woorden’. 

‘Er wordt van motorische zenu­wen gesproken, omdat het een feit is dat de mens niet kan lopen wanneer bepaalde zenuwen beschadigd zijn, bijvoorbeeld die welke naar de benen lopen. Men zegt dat de mens dan niet kan lopen omdat die zenuwen verlamd zijn die zijn benen in bewe­ging zetten; die zenuwen worden de ‘motorische’ genoemd. In werkelijkheid is het zo, dat men in zo’n geval niet kan lopen omdat men zijn eigen benen niet kan waarnemen.’

( ) die Naturwissenschaft ist nicht fähig, den Menschen in der richtigen Weise zu beurteilen. Sie sagt zum Beispiel den krassen Unsinn : Wenn Sie etwas fühlen, das Gefühl sei auch durch das Nervensystem vermittelt. Es ist der reine Unsinn. Das Gefühl ist direkt ebenso durch das Atmungssystem, das rhyth­mische System vermittelt, wie der Gedanke durch das Nerven­-Sinnessystem. Und der Wille ist durch den Stoffwechsel vermittelt, gar nicht durch das Nervensystem in elementarer Weise. Erst der Gedanke des Wollens ist durch das Nervensystem vermittelt. Nur indem Sie als Menschen ein deutliches Bewußtsein haben von dem Wollen, ist das Nervensystem beteiligt. Indem Sie Ihr Wollen mit­denken, ist das Nervensystem beteiligt. Weil man das nicht weiß, ist herausgekommen jenes furchtbar Beirrende der heutigen Physiologie und Anatomie, daß man sensitive Nerven und Bewegungsnerven unterscheidet. Es gibt gar keine krassere Unrichtigkeit als diese Unter­scheidung der sensitiven Nerven und Bewegungsnerven im mensch­lichen Leibe. Die Anatomen sind immer in Verlegenheit, wenn sie dieses Kapitel besprechen, aber sie kommen nicht darüber hinaus. Sie sind in furchtbarer Verlegenheit, weil sich anatomisch diese beiden Arten von Nerven nicht unterscheiden. Das ist reine Spekulation. Und alles das, was sich durch Untersuchungen der Tabes anschließt, das ist durchaus alles ohne Halt. Die Bewegungsnerven unterscheiden sich nicht von den sensitiven Nerven, weil die Bewegungsnerven nicht dazu da sind, die Muskeln in Bewegung zu setzen. Die Muskeln werden in Bewegung gesetzt durch den Stoffwechsel. Und während Sie mit den sogenannten sensitiven Nerven auf dem Umweg durch die Sinne die Außenwelt wahrnehmen, nehmen Sie mit den anderen Nerven ihre eigenen Bewegungen, die Muskelbewegungen wahr. Die heutige Physiologie nennt sie nur falscherweise Bewegungsnerven.

( ) de natuurwetenschap is niet in staat de mens op de juiste manier te beoordelen. Ze zegt bijv. deze krasse onzin: wanneer u iets voelt, wordt dit door het zenwusysteem overgebracht. Dat is je reinste onzin. Het gevoel wordt direct net zo door het ademhalingssysteem, het ritmische systeem overgebracht, als de gedachte door het zenuw-zintuigsysteem. En de wil wordt door de stofwisseling overgebracht, helemaal niet door het zenuwsysteem op elementaire manier. Pas de gedachte aan de wil wordt door het zenuwsysteem overgebracht. Alleen als u als mens een duidelijk bewustzijn hebt van het willen, doet het zenuwssyteem mee. Als u meedenkt met uw wil, heeft het zenuwsysteem daar deel aan. Omdat men dat niet weet, is die vreselijke verwarring van de huidige fysiologie en anatomie ontstaan van het onderscheiden van sensitieve en motorische zenuwen in het mensenlichaam. De anatomen komen steeds in verlegenheid wanneer ze dit hoofdstuk bespreken, maar ze komen niet verder. Ze zitten vreselijk in verlegenheid omdat er anatomisch geen verschil bestaat tussen deze zenuwen. Dat is pure speculatie. En alles wat er nog bij komt door onderzoek naar de tabes is eigenlijk van weinig belang. Er is geen verschil tussen tussen sensitieve en motorische zenuwen, omdat de motorische zenuwen niet de functie hebben om de spieren in beweging te brengen. Die worden in beweging gebracht door de stofwisseling. En terwijl u met de zogenaamde sensitieve zenuwen via de omweg door de zintuigen de buitenwereld waarneemt, zo neemt u met de andere zenuwen uw eigen bewegingen, de spierbewegingen, waar. De huidige fysiologie noemt deze alleen abusievelijk bewegingszenuwen.
GA 192/ 51-52
Niet vertaald

En op blz. 153:

Der Unterschied zwischen sensitiven und motorischen Nerven ist ein Unding, weil die sogenannten motorischen Nerven zu nichts anderem da sind als zu dem, wozu die sensitiven Nerven auch da sind. Ein sensitiver Nerv, ein Sinnesnerv ist dazu da, daβ er Werkzeug ist, um das wahrzunehmen, was in unserer Sinnesorganisation vorgeht. Und ein sogenannter motorischer Nerv ist kein motorischer Nerv, sondern auch ein sensitiver Nerv; er ist nur dazu da, daβ ich meine eigene Handbewegung, die aus anderen Gründen heraus kommen als aus den motorischen Nerven, wahrnehmen kann. Motorische Nerven sind innere Sinnesnerven zur Wahrnehmung meiner eigenen Willensentschlüβe. Damit ich das Äuβere, was sich in meinem Sinnesapparat abspielt, wahrnehme, dazu sind die sensitiven Nerven da, und damit ich mir nicht ein unbekanntes Wesen bleibe, indem ich selber gehe, schlage oder greife, ohne daβ ich etwas davon weiβ, dazu sind die sogenannten motorischen Nerven da, also nicht zur Anspannung des Willens, sondern zur Wahrnehmung dessen, was der Wille in uns tut.
Es gibt kein anderer Unterschied als das die einen sensitiv sind für das, was drauβen ist, und die andern für das, was im eigenen Körper ist.

Het verschil tussen sensitieve en motorische zenuwen is een onding, omdat de zgn. motorische zenuwen er voor niets anders zijn dan waarvoor de sensitieve zenuwen er ook zijn. Een sensitieve zenuw, een zintuigzenuw is een instrument om waar te nemen wat er in onze zintuigorganisatie gebeurt. En een zgn. motorische zenuw is geen bewegingszenuw, maar ook een sensitieve zenuw; deze is er alleen maar om mijn eigen handbeweging die door een andere oorzaak ontstaat dan door de motorische zenuw, waar te nemen. Motorische zenuwen zijn inwendige zintuigzenuwen om mijn eigen wilsbesluiten waar te nemen. Om het uiterlijke, wat zich in mijn zintuigapparaat afspeelt, te kunnen waarnemen, heb ik sensitieve zenuwen en om geen onbekende voor mezelf te blijven, heb ik, wanneer ik zelf loop, sla, of grijp, de zgn. motorische zenuwen, dus niet om de wil in beweging te brengen, maar om waar te nemen wat de wil in ons doet.
GA 192/153-154
Niet vertaald

Op blz. 172:

Es gibt kein Unterschied zwischen sensitive und motorische Nerven: sie sind alle sensitiv.Die sogenannten motorischen Nerven sind nur dazu da, daβ wir innerlich unsere Bewegungen wahrnehmen, daβ wir sensitiv sind mit Bezug auf das, was wir selbst als Menschen tun. Geradeso wie der Mensch mit dem sensitiven Augennerv die Farbe sich vermittelt, so vermittelt er sich die eigene Beinbewegung durch die „motorischen“ Nerven, die nicht da sind, um das Bein in Bewegung zu setzen, sondern um wahrzunehmen, daβ die Bewegung des Beines ausgeführt wird.

Er bestaat geen verschil tussen sensitieve en motorische zenuwen: ze zijn allebei sensitief. De zgn. motorische zenuwen zijn er alleen maar om inwendig onze bewegingen te kunnen waarnemen, dat we sensitief zijn voor wat we zelf als mens doen. Precies zoals de mens met zijn sensitieve oogzenuw kennis neemt van de kleur, zo neemt hij kennis van zijn eigen beenbeweging door de ‘motorische’ zenuwen, die er niet zijn om het been te laten bewegen, maar om waar te nemen dat de beweging van het been uitgevoerd wordt.
GA 192/172

En in GA 293 op blz. 41:
‘Met waarnemen en willen is het niet zo dat er iets van een sensitieve zenuw naar een motorische zenuw wordt omgeleid, maar er springt recht­streeks een stroom van de ene zenuw over op de andere en daardoor wordt in ons, in de hersenen en in het ruggenmerg, de zielenwereld aangeroerd.’

Dit is op zich ook alweer een raadselachtige opmerking. Het ‘overspringen van een stroom’ is echter iets dat tegenwoordig als realiteit onderkend wordt.

In GA 201 benadert Steiner dit zo:

Sehen sie, wenn heute der materialistisch gesinnte Physiologie von dem Willen spricht, der sich zB in einer menschlichen Gliedbewegung offenbart, so denkt er, da wird irgendein telegraphisch Zeichen vom Zentralorgan, vom Gehirn abgeschickt, geht durch den sogenannten motorischen Nerv und bewegt dann, sagen wir das rechte Bein. ( ) Das ist eine unrichtige Hypothese.Wenn das rechte Bein gehoben wird durch den Willen, so geschieht von der Ich-Wesenheit des Menschen, von der wirklichen Ich-Wesenheit ein unmittelbarer Einfluβ auf das Bein und das Bein wird unmittelbar durch die Ich-Wesenheit gehoben. Nur verläuft das alles so, wie die Tätigkeit des Schlafens. Das Bewuβtsein weiβ nichts davon. Daβ hier Nerven eingeschaltet sind, die dann zum Zentralorgan gehen, das unterrichtet uns bloβ davon, daβ wir ein Bein haben, das unterrichtet uns nur fortwährend von der Anwesenheit dieses Beines. Dieser Nerv hat als solcher nichts zu tun mit der Wirkung des Ich auf das Bein. Es ist eine unmittelbare Korrespondenz zwischen dem Bein und dem Willen, der beim Menschen verknüpt ist mit der Ich-Wesenheit, beim Tiere verknüpft ist mit dem astralischen Leib.

Kijk, wanneer tegenwoordig de materialistisch gezinde fysiologie over de wil spreekt, die bijv. tot uiting komt in een menselijke ledematenbeweging, dan denkt hij dat er een of ander telegrafisch sein van het centrale orgaan, vanuit de hersenen gestuurd wordt, dat door de zgn. motorische zenwu gaat en dat dat het, laten we zeggen, rechterbeen beweegt. ( ) Dat is een verkeerd uitgangspunt. Wanneer het rechterbeen opgetild wordt door de wil, dan gaat er van het Ik van de mens, van zijn daadwerkelijke Ik-wezen, een directe invloed uit naar het been en het been wordt direct door het Ik opgetild. Alleen verloopt dit allemaal net zoals het in de slaap gaat. Het bewustzijn weet er niets van. Dat hier zenuwen ingeschakeld zijn die dan naar het centrale orgaan gaan, leert ons alleen dat we een been hebben, dat zegt ons alleen maar voortdurend dat dit been er is. Deze zenuw als zodanig heeft niets te maken met de invloed van Ik op het been. Tussen het been en de wil bestaat een direct contact, dat verbonden is met het Ik; bij het dier met het astraallijf.
GA 201/134
Niet vertaald

In GA 205:
Erstens lernt man aufgeben das Vorurteil, als ob unser See­lisches nur beigeordnet wäre dem Nerven-Sinnesapparat. Nur die Vor­stellungswelt ist dem Nerven-Sinnesapparat beigeordnet, die Gefühls­welt schon nicht mehr. Die Gefühlswelt ist direkt dem rhythmischen Organismus beigeordnet, und die Willenswelt ist dem Stoffwechsel-­Gliedmaßenorganismus beigeordnet. Wenn ich etwas will, so muß in meinem Stoffwechsel-Gliedmaßenorganismus etwas vor sich gehen. Das Nervensystem ist nur dazu da, daß man Vorstellungen haben kann von dem, was im Willen eigentlich geschieht. Es gibt keine Willens-nerven, ich habe das oftmals ausgesprochen; die Einteilung der Nerven in sensitive und in Willensnerven ist ein Unsinn. Die Nerven sind einer­lei Art, und die sogenannten Willensnerven sind zu nichts anderem da, als die Vorgänge des Willens innerlich wahrzunehmen; sie sind auch sensitive Nerven.

Allereerst laat je het vooroordeel achter je [wanneer je dit geesteswetenschappelijk bekijkt] dat ons zielenleven slechts gekoppeld zou kunnen worden aan het zenuw-zintuigapparaat. Alleen de wereld van de voorstellingen is aan het zenuw-zintuigapparaat te koppelen; de gevoelswereld al niet meer. De gevoelswereld is direct verbonden met het ritmische organisme en de wil hoort bij het stofwisselings-ledematenstelsel. Wanneer ik iets wil, moet er in mijn stofwisselings-ledematenstelsel iets gebeuren. Het zenuwsysteem is er alleen maar om voorstellingen te kunnen hebben van hetgeen er in de wil in feite gebeurt. Wilszenuwen bestaan niet, ik heb dat al vaak gezegd; de indeling in motorische en sensitieve zenuwen is onzin. De zenuwen zijn hetzelfde en de zgn. wilszenuwen zijn er voor niets anders dan de processen van de wil inwendig waar te nemen; het zijn ook sensitieve zenuwen.
GA 205/100
Niet vertaald

Ook in verschillende pedagogische voordrachten behandelt Steiner de zenuwen vanuit deze optiek.

GA 301

blz. 30

Das Nervenleben hat nicht die Beziehung zum Wol­len, die man ihm gewöhnlich zuschreibt, sondern der Wille hat un­mittelbar eine Beziehung zum Stoffwechsel, und diese Beziehung zum Stoffwechsel nimmt der vorstellende Mensch erst wiederum wahr durch das Nervensystem. Das ist die wirkliche Beziehung. Das Nervensystem hat keine andere Aufgabe als vorzustellen. Ob vorgestellt wird irgend­ein äußerer Gegenstand, ob vorgestellt wird dasjenige, was durch den Willen im Zusammenhange mit dem Stoffwechsel geschieht, der Nerv hat immer die gleiche Aufgabe. Die heutige Wissenschaft unterscheidet sensitive Nerven, die da sein sollen, um von der Körperperipherie aus gewissermaßen die Eindrücke der Außenwelt zum Zentralorgan, wie man sagt, zu tragen; dann wiederum sollen motorische Nerven da sein, welche dasjenige, was vom Zentralsystem als Willensimpuls ausgehen

Het zenuwleven heeft niet die relatie tot het willen, die men er gewoonlijk aan toeschrijft, maar de wil heeft een onmiddellijke relatie tot de stofwisseling en deze relatie neemt de zich voorstellende mens pas weer waar door het zenuwsysteem. Dat is de werkelijke relatie. Het zenuwsysteem heeft geen andere opdracht dan het voorstellen. Of er nu een of ander voorwerp van buiten, of voorgesteld wordt wat via de wil samenhangt met de stofwisseling, de zenuw heeft steeds dezelfde opgave. De wetenschap van tegenwoordig onderscheidt sensitieve zenuwen die zouden bestaan om vanuit de lichaamsperiferie bepaalde indrukken uit de buitenwereld naar het centrale orgaan – zoals men zegt – te transporteren; en dan zouden er motorische zenuwen zijn, die dan wat vanuit het centrale zenuwstelsel als wilsimpuls uit moet gaan

blz. 31

soll, nach der Peripherie des Körpers zu tragen haben. Man hat, ich werde davon noch genauer reden, sehr geistreiche – geistreich sind sie ja, die Dinge -, sehr geistreiche Theorien ersonnen, um nachzuwei­sen, wie man durch Durchschneiden und so weiter von Nerven be­weisen könne, daß ein solcher Unterschied besteht zwischen sensitiven und motorischen Nerven. Aber in Wirklichkeit existiert er nicht. Und viel bedeutungsyoller als alle im Laufe der Zeit geistreich ersonnenen Theorien über den Unterschied von motorischen und sensitiven Nerven ist die andere Tatsache, daß man allerdings den sogenannten moto­rischen Nerv zerschneiden kann, sein Ende zusammenstückeln kann mit dem Ende eines ebenfalls durchschnittenen sensitiven Nervs, und daß dies dann wiederum einen Nerv von einer Nervenart gibt. Das ist viel mehr sprechend als alles übrige, was sonst ersonnen worden ist, daß ein Unterschied in der wirklichen Funktion zwischen motori­schen und sensitiven Nerven nicht gefunden werden kann. Er kann auch in anatomisch-physiologischer Beziehung nicht gefunden werden. Die sogenannten motorischen Nerven sind nicht dasjenige, was den Willensimpuls vom Zentralorgan zu der Peripherie des Menschen trägt, sondern diese motorischen Nerven sind in Wirklichkeit auch sensitive Nerven.

naar de periferie van het lichaam moeten brengen. Men heeft, ik zal daar nog preciezer over spreken, zeer geestrijke – geestrijk zijn ze, die dingen -, zeer geestrijke theorieën bedacht om na te gaan hoe je door het doorsnijden van zenuwen kan bewijzen, dat er tussen sensitieve en motorische zenuwen zo’n onderscheid bestaat. Maar in werkelijkheid bestaat dat niet. En veel belangrijker dan alle in de loop van de tijd geestrijk bedachte theorieën over het verschil in motorische en sensitieve zenuwen, is het andere feit dat je dus de zogenaamde motorische zenuw door kan snijden, het eind ervan aan het eind van een eveneens doorgesneden sensitieve zenuw kan koppelen en dat dit dan weer een zenuw van een van de soorten oplevert. Dat is veel sprekender dan al het andere, wat maar bedacht is, dat een onderscheid in de werkelijke functie tussen motorische en sensitieve zenuwen niet kan worden gevonden. Ook in anatomisch-fysiologisch verband kan dit niet worden gevonden. De zogenaamde motorische zenuwen zijn niet datgene wat de wilsimpuls van het centraalorgaan naar de periferie van de mens brengt, maar deze motorische zenuwen zijn in werkelijkheid ook sensitieve zenuwen.

Sie sind dazu da, sagen wir, wenn ich zum Beispiel einen Finger bewege, daß eine unmittelbare Beziehung zwischen dem Willensentschluß und dem Stoffwechsel des Fingers zustande kommt, daß der unmittelbare Einfluß, der vom Willen ausgeübt wird, den Stoffwechsel des Fingers ergreift. Diese Stoffwechseländerung, dieser Stoffwechselvorgang wird durch den sogenannten motorischen Nerv wahrgenommen. Und wenn ich den Stoffwechselvorgang nicht wahr-nehme, dann erfolgt auch kein Willensentschluß, weil der Mensch darauf angewiesen ist, dasjenige, was in ihm vorgeht, ebenso wahr­zunehmen, wenn er dadurch etwas wissen soll, sich beteiligen soll daran, wie irgend etwas in der äußeren Welt wahrzunehmen ist, wenn er daran beteiligt sein soll.
Es ist geradezu, ich möchte sagen, diese Unterscheidung von sen­sitiven Nerven und motorischen Nerven der bequemste Knecht des Materialismus, allerdings ein Knecht, der nur hat heraufziehen können in der materialistischen Wissenschaft dadurch, daß man einen billigen Vergleich gefunden hat in dieser neueren Zeit, nämlich den des Tele-graphen. Man telegraphiert von einer Station zur anderen hin, und dann telegraphiert man wiederum zurück. Nach diesem Bilde des Telegraphierens

Ze zijn er om, laten we zeggen, als ik bijv. een vinger beweeg, dat er een directe verbinding tussen het wilsbesluit en de stofwisseling van de vinger tot stand komt, dat de directe invloed die door de wil uitgevoerd wordt, in de stofwisseling van de vinger dringt. Deze stofwisselingsverandering, dit stofwisselingsproces wordt door de zogenaamde motorische zenuw waargenomen. En wanneer ik het stofwisselingsproces niet waarneem, dan volgt er geen wilsbesluit, omdat de mens erop aangewezen is wat er in hem gebeurt, net zo waar te nemen, als wanneer hij iets weten moet, er deel van uit moet maken, hoe iets in de buitenwereld waar te nemen is, wanneer hij daar deel van uit moet maken.
Met name – zou ik willen zeggen – is dit onderscheid van sensitieve en motorische zenuwen de hulpvaardigste knecht van het materialisme, zeker een knecht die in de materialistische wetenschap opgeklommen is door een goedkope vergelijking te vinden in deze moderne tijd, die van de telegraaf. Men telegrafeert van het ene station naar het andere en dan telegrafeert men weer terug. Met dit beeld van telegraferen

blz. 32

stellt man sich ungefähr heute die Vorgänge vor von der Peripherie nach dem Zentralorgan und wiederum zurück durch sensitive und motorische Nerven. Das ganze Bild ist natürlich nur möglich in einem Zeitalter, in dem eben gerade die Telegraphie eine solche Rolle zu spielen hat wie im 19. Jahrhundert. Wäre die Telegraphie nicht da, so hätte man ja auch dieses Bild nicht gefunden, und man wäre vielleicht zu einer naturgemäßeren Anschauung der entsprechenden Vorgänge gekommen.
Sehen Sie, es sieht aus, als wenn man, ich möchte sagen, aus einem gewissen Radikalismus heraus, aus Kritikasterei dasjenige in Grund und Boden treten wollte, mit dem sich so viele Menschen soviel ernst­liche Mühe gegeben haben. Aber glauben Sie nicht, daß das leicht ist. Glauben Sie nicht, daß einem das leicht wird. Ich habe mich als ganz junger Mann zu beschäftigen angefangen mit der Nervenlehre, und es war für mich etwas Erschütterndes, zu bemerken, wie gerade diese Nervenlehre der schlechte Knecht des Materialismus ist, weil dasjenige, was ein unmittelbarer seelischer Einfluß des Willens auf den Stoff­wechsel ist, dadurch vermaterialisiert wird, daß man sich vorstellt, der materielle Nervenstrang trage den Willensimpuls vom Zetitralorgan zu der Peripherie des Menschen, das heißt zum Muskel, zum Be­wegungsorgan. Man zeichnet so die materiellen Prozesse in den Or­ganismus hinein.

stelt men zich min of meer tegenwoordig het proces voor van de periferie naar het centraalorgaan en weer terug door de sensitieve en motorische zenuwen. Dit hele beeld is natuurlijk slechts mogelijk in een tijd waarin nu juist de telegrafie een grote rol moest spelen, zoals in de 19e eeuw. Wanneer de telegrafie er niet was geweest, dan zou men dit beeld ook niet hebben gevonden en was man wellicht op een meer natuurgetrouwe opvatting van de onderhavige procesen gekomen.*
Kijk, het lijkt erop dat men – zou ik zeggen – vanuit een zeker radicaliteit, vanuit criticasterij dat waarmee veel mensen ernstig bezig waren geweest, in de grond wilde boren. Maar geloof maar niet dat dit makkelijk is. Geloof maar niet dat dit iemand makkelijk afgaat. Ik ben als heel jong mens me al gaan bezighouden met de leer van de zenuwen en het was voor mij nogal schokkend te merken hoe met name deze leer de slechte bediende van het materialisme is, omdat hetgeen een directe gevoelsmatige invloed van de wil op de stofwisseling is, materialistisch gemaakt wordt door zich voor te stellen dat een stoffelijke zenuwbaan de wilsimpuls van het centraalorgaan naar de periferie van de mens transporteert, d.w.z. naar de spieren, naar het bewegingsorgaan. Op die manier stelt men zich de stoffelijke processen in het organisme voor.

In Wahrheit ist bei einem Willensakt zunächst durchaus ein un­mittelbarer Zusammenhang zwischen dem, was der seelische Willens­impuls ist, und irgendeinemProzeß desStoffwechsels.DerNerv ist eben nur dazu da, um die Wahrnehmung dieses Prozesses zu vermitteln. Ebenso ist der Nerv nur dazu da, um jene Wahrnehmung zu ver­mitteln, welche bestehen muß für den Menschen, wenn zwischen seinem Fühlen und irgendeinem solchen Vorgang, der sich ausdrückt in Zir­kulation, eine Beziehung entsteht. Das ist immer dann der Fall, wenn wir fühlen. Da liegt zunächst nicht zugrunde irgendein nervöser Pro­zeß, sondern es liegt zugrunde eine Modifikation unseres Zirkulations­wesens. Bei irgendeinem Gefühl liegt immer ein Vorgang im, jetzt nicht Stoffwechsel, sondern im rhythmischen Gange der Zirkulations­prozesse vor. Und das, was vorgeht, was im Blute, in der Lymph­bildung vorgeht, in dem Sauerstoffwechsel, was aber nicht ein wirk­licher Stoffwechsel ist – der Sauerstoffwechsel ist schon ein Stoffwechsel, insofern gehört er aber zu den Willensvermittlern -, aber insofern wir

In waarheid is er bij een wilsactivieit allereerst een directe samenhang tussen wat de wilsimpuls van de ziel is en een of ander stofwisselingsproces. De zenuw is er alleen maar voor om de waarneming van dit proces over te brengen. Net zo is de zenuw er om iedere waarneming over te brengen die er voor de mens moet zijn, wanneer er tussen zijn voelen en een dergelijk proces dat zich uitdrukt in de circulatie, een relatie ontstaat. Dat is steeds het geval wanneer we voelen. Daaraan ligt niet meteen een of ander zenuwproces ten grondslag, maar er aan ten grondslag ligt een modificatie van ons circulatiewezen. Bij een of ander gevoel is er altijd een proces in – nu niet de stofwisseling – maar in het ritmisch verloop van het circulatieproces. En wat er gebeurt, wat in het bloed, in de lymfevorming plaatsvindt, in de zuurstofuitwisseling, die geen echte stofwisseling is – zuurstofuitwisseling is wel stofwisseling, in zoverre die hoort bij het overbrengen van de wil -, maar in zover wij

blz. 33

es zu tun haben mit einem rhythmischen Prozesse der Atmung, gehört das zum Fühlen. Alles Fühlen ist direkt zugeordnet dem rhythmischen Prozesse. Und wiederum sind die Nerven nur dazu da, um dasjenige wahrzunehmen, was sich da unmittelbar abspielt zwischen dem see­lischen Fühlen und dem rhythmischen Prozesse im Organismus. Ner­ven sind also auch da wiederum nur Wahrnehmungsorgane. So daß wir, ich möchte sagen, in dieser geisteswissenschaftlichen Unter­suchung erst sehen, was es eigentlich bedeutet, wenn wir in Lehrbüchern der Physiologie oder auch der Psychologie immer wieder und wie­derum finden mußten: Ja, man muß aus der Theorie heraus hypothe­tisch annehmen, der Mensch habe sensitive und motorische Nerven; aber anatomisch unterscheiden sich die beiden höchstens ein wenig durch ihre Dicke, jedenfalls nicht durch irgend etwas anderes. Speku­lationen bei der Tabes und dergleichen, die man gemacht hat – auf die werde ich noch zurückkommen. Ich wollte heute nur eben andeuten zu­nächst, daß eine unbefangene Betrachtung des menschlichen Organis­mus diesen als einen dreigliedrigen uns zeigt: den Nerven-Sinnes-Or­ganismus, der zugeordnet ist dem vorstellenden Seelenleben, dann den Organismus, der in Rhythmen lebt, zugeordnet dem Gefühlsseelen­leben, den Organismus, der im Stoffwechsel lebt, im weitesten Sinne, zugeordnet unmittelbar dem Willensteil des Seelenlebens.

te maken hebben met een ritmisch proces van de adem, hoort die bij het voelen. Alle voelen hoort direct bij het ritmische proces. En ook hier zijn de zenuwen er alleen maar om waar te nemen wat zich daar direct afspeelt tussen het voelen van de ziel en het ritmische proces in het organisme. Zenuwen zijn ook daar weer slechts waarnemingsorganen. Zodat we, in dit geesteswetenschappelijk onderzoek pas zien, wat het uiteindelijk betekent, wanneer we in de studieboeken over fysiologie of ook over psychologie steeds opnieuw weer moeten aantreffen: Ja, men moet vanuit de theorie hypothetisch aannemen dat de mens sensitieve en motorische zenuwen heeft; echter, anatomisch verschillen die twee hoogstens wat de dikte betreft, in ieder geval niet door iets anders. Op speculaties die men gemaakt heeft bij de tabes e.d. kom ik nog terug. Ik wilde nu allereerst even aanduiden dat een onbevangen waarnemen van het menselijk organisme ons dit als drieledig verschijnt: het zenuw-zintuigorganisme, dat hoort bij de zich voorstellende ziel, dan het organisme dat in ritmen leeft, behorend tot het gevoelsleven van de ziel; het organisme dat in de stofwisseling leeft, in de ruimste zin van het woord, direct behorend bij het wilsdeel van het zielenleven.
GA 301/30-33
Vertaald

GA 302A:

Sie wissen, die äußere Wissen­schaft unterscheidet heute am Menschen sogenannte Sinnesnerven, die von den Sinnen zum Gehirn beziehungsweise zu dem Zentralorgan ge­hen sollen und dort vermitteln sollen alles, was Wahrnehmen und Vor­stellen ist, und sie unterscheidet von diesen Sinnesnerven die sogenann­ten motorischen Nerven, die von dem Zentralorgan aus zu den Bewe­gungsorganen hingehen sollen und die Bewegungsorgane in Bewegung setzen sollen. Sie wissen, daß wir vom Gesichtspunkte der Initiations­wissenschaft aus diese Gliederung anfechten müssen. Es besteht absolut kein solcher Unterschied zwischen den sogenannten Sinnesnerven und den motorischen Nerven. Beide sind ein und desselben Wesens, und die motorischen Nerven dienen im wesentlichen zu nichts anderem als dazu, in dem Augenblick, wo wir uns bewegen sollen, das bewegende Organ und den Bewegungsvorgang selbst wahrzunehmen; sie haben nichts zu tun mit der Impulsierung des Willens als solchem.

Zoals u weet onderscheidt de uiterlijke wetenschap van tegenwoordig bij de mens zogenaamde sensibele zenuwen, die van de zintuigen naar de hersenen,       respectievelijk naar het centrale zenuwstelsel moeten gaan en alles wat bestaat uit waarnemen en voorstellen daarheen moeten overbrengen; die wetenschap onderscheidt van die sensibele zenuwen de zogenaamde motorische zenuwen,  die van het centrale zenuwstelsel naar de bewegingsorganen zouden lopen en de bewegingsorganen in beweging zouden moeten zetten. U weet dat we vanuit het gezichtspunt van de antroposofie deze onderverdeling moeten aanvechten. Zo’n verschil tussen de zogenaamde sensibele en de motorische zenuwen bestaat er absoluut niet. Beide zijn ze van één en hetzelfde wezen, en de motorische zenuwen dienen in wezen nergens anders toe  dan om op het ogenblik waarop we ons moeten bewegen, het bewegende orgaan en het bewegingsverloop zelf waar te nemen. Ze hebben niets te maken met de impulsering van de wil als zodanig.

Daher wer­den wir also sagen können: Wir haben Nerven, welche von unserer Peri­pherie mehr gegen das Zentrum hingehen, und dann haben wir Nerven, die vom Zentrum aus zu den Enden der Bewegungsorgane verlaufen. Aber das sind im Grunde genommen einheitliche Nervenstränge, und das Wesentliche ist nur, daß diese einheitlichen Nervenstränge unter­brochen sind, daß also gewissermaßen der innervierende seelische Strom, der zum Beispiel von einem Sinnesnerven nach dem Zentrum geht, im Zentrum unterbrochen wird und nun überspringen muß, wo­durch aber der innervierende Seelenstrom nichts anderes wird – wie etwa ein elektrischer Funke oder der elektrische Strom durch eine Um­schaltungsstelle überspringt, wo die Übertragung unterbrochen ist -, auf den sogenannten motorischen Nerv, der aber in jeder Beziehung dadurch zu nichts anderem wird, der vielmehr genau dasselbe ist wie302a/43 dem Sinnesnerv. Er ist nur dazu veranlagt, den Bewegungsvorgang und das bewegende Organ selbst wahrzunehmen. Aber es gibt etwas, das uns besonders intim hineinschauen läßt in diesen ganzen organischen Vorgang, in dem ineinanderwirken die seelischen Strömungen und die leiblichen Vorgänge.

Daarom kunnen we dus zeggen: we hebben zenuwen die vanuit de periferie meer naar het centrum lopen, en voorts hebben we zenuwen die vanuit het centrum naar de uiteinden van de bewegingsorganen lopen. Maar dat zijn in feite dezelfde soort zenuwstrengen en het wezenlijke is alleen dat die zelfde zenuwstrengen onderbroken zijn, dat de innerverende psychische stroom, die bijvoorbeeld van een sensibe­le zenuw naar het centrum gaat, in het centrum onderbroken wordt en nu moet overspringen, waardoor echter de innerverende psychische stroom niet iets anders wordt – ongeveer zoals een elektrische vonk of een elektrische stroom over­springt door een transformatorhuis, waar de overdracht
on­derbroken is -, op de zogenaamde motorische zenuw, die echter in ieder opzicht daardoor niet tot iets anders wordt, die integendeel precies hetzelfde is als de sensibele zenuw. Alleen is die zogenaamde motorische zenuw zo aangelegd dat die het bewegingsverloop en het bewegende orgaan zelf kan waarnemen.
GA 302A/42-43
vertaald/44-45

GA 303:

blz. 206

Sehen Sie, heute hat sich ja alles, möchte ich sagen, was der Mensch über den Menschen denkt, nach dem Kopfe hin geschlagen, und ob­wohl uns der Kopf selber fortwährend in das Materielle hineindrängt, eigentlich uns jeden Tag totschlagen will, wendet sich alle Menschenbetrachtung heute im Grunde genommen dem Kopfe zu. Das ist das Ungesunde der heutigen Menschenbetrachtung. Sie geht eigentlich von der Wissenschaft aus, diese Menschenbetrachtung, denn man denkt sich: im Kopfe ist das Gehirn, alles wird vom Gehirn aus dirigiert. Nun weiß ich nicht, wie man es gemacht hätte, wenn man diese Theo­rie in einem Zeitalter ausgebildet hätte, wo es noch keine Telegraphen gegeben hat, wo man also nicht von Telegraphenleitungen die Analogie hat hernehmen können. Aber das braucht uns ja auch nicht weiter zu interessieren. Die Theorie von dem Nervensystem ist ja ausgebildet worden, nachdem man die Telegraphenleitungen als einen Anhalts­punkt hatte, um eine Analogie zu bilden. Und so hat man denn das Gehirn als eine Art Zentralstation, sagen wir, London. (Es wird ge­zeichnet.) Dann hat man, wenn das das Zentrum ist, dann hat man vielleicht da Oxford, da Dover. Und nun, indem man London als das Zentrum betrachtet, sagt man sich: es geht eine Leitung von Oxford nach London; da wird umgeschaltet, und das geht dann weiter nach Dover. Man kann sich das ja unter gewissen Fällen so vorstellen.
Nun, so stellt man sich das Gehirn vor. Der Nerv geht zu dem Sinnesorgan hin, die Sensation tritt auf, wird bis zum Gehirn geleitet;

blz. 233 vert.

Ziet u, tegenwoordig is immers alles, laat ik zeggen, wat de mens over de mens denkt, naar het hoofd gestegen, en hoewel het hoofd zelf ons voortdurend het materiële doet binnen­dringen, ons eigenlijk iedere dag wil ‘doodslaan’, wendt tegenwoordig eigenlijk iedere beschouwing van de mens zich tot het hoofd. Dat is het ongezonde in de huidige beschou­wing van de mens. Die gaat eigenlijk uit van de wetenschap, deze beschouwing van de mens, want men denkt: in het hoofd zitten de hersenen, alles wordt vanuit de hersenen gestuurd. Nu weet ik niet hoe men het gedaan zou hebben als men deze theorie in een tijdperk ontwikkeld zou hebben toen de tele­graaf nog niet bestond, waar men dus niet aan de telegraafleidingen de analogie had kunnen ontlenen.* Maar dat hoeft ons verder niet te interesseren. De theorie van het zenuwstelsel is immers ontwikkeld nadat men de telegraafleidingen als een aangrijpingspunt had om een analogie te vormen. En zo heeft men dan de hersenen als een soort centraal station, laten we zeggen, Londen [het wordt getekend; bordtekening 8, zie blz. 197]. Als dit het centrum is, dan heeft men misschien daar Oxford, daar Dover. En nu, omdat men Londen als het cen­trum beschouwt, zegt men: er loopt een leiding van Oxford naar Londen; daar wordt omgeschakeld en dat gaat dan ver­der naar Dover. Men kan zich dat immers in bepaalde geval­len zo voorstellen. Welnu, zo stelt men zich de hersenen voor. De zenuw loopt naar het zintuigorgaan, de sensatie treedt op, wordt naar de hersenen geleid;

blz. 207

da im Gehirn ist die Zentralstation, das menschliche London. Dann geht der motorische Nerv vom Gehirn zu den Bewegungsorganen hin und treibt in Gemäßheit der Gedanken, die da irgendwie dazwischen sitzen, das Wollen, die Bewegung hervor.
Man kann, wenn man eine solche Theorie ausgesonnen hat, sogar die Tatsachen so registrieren, daß sie diese Theorie zu bestätigen schei­nen. Sie können ja heute jedes Physiologiebuch in die Hand nehmen und Sie werden, wenn Sie nicht sehr vorurteilsvoll sind – denn die Dinge schauen alle sehr plausibel aus -, da einfach sehen, wie die Expe­rimente mit dem Nervenzerschneiden gemacht werden, wie die Kon­klusionen gezogen werden aus der Reaktion und so weiter, und alles stimmt wunderbar. Es stimmt nur nicht vor einer eindringlichen Men­schenerkenntnis. Da ist es schließlich nicht so.
Ich will ganz absehen davon, daß ja schließlich die sensitiven von den motorischen Nerven anatomisch fast gar nicht zu unterscheiden sind; die einen sind höchstens etwas dicker als die anderen; aber in bezug auf die Struktur ist wirklich ein wesentlicher Unterschied nicht vorhanden. 

daar in de hersenen bevindt zich het centrale station, het ‘menselijke Londen’. Dan loopt de motorische zenuw van de hersenen naar de bewegingsorganen en brengt in overeenstemming met de gedachten die er op een of andere manier tussen zitten, het willen, de beweging op gang. Men kan, als men zo’n theorie bedacht heeft, de feiten zo registreren dat het lijkt alsof ze deze theorie bevestigen. U kunt immers tegenwoordig ieder fysiologieboek ter hand nemen en u zult, als u niet met al te veel vooroordelen behept bent – want de dingen zien er allemaal heel plausibel uit, daar eenvoudig zien hoe de experimenten met het doorsnij­den van zenuwen uitgevoerd worden, hoe de conclusies uit de reacties getrokken worden enzovoort, en alles klopt prachtig. Alleen, voor een dieper menskundig inzicht is het niet waar. Daar klopt het uiteindelijk niet.
Ik wil er nu helemaal van afzien dat uiteindelijk anato­misch de sensorische zenuwen bijna niet te onderscheiden zijn van de motorische zenuwen. De ene zijn hoogstens iets dikker dan de andere; maar wat de structuur betreft: is er echt geen wezenlijk onderscheid aanwezig.

Was anthroposophische Forschung in dieser Beziehung lehrt – ich kann das nur andeuten, nur Ergebnisse mitteilen, ich müßte sonst anthroposophische Physiologie vortragen -, das ist dieses, daß die Nerven durchaus einheitliche Organe sind, daß es ein Unding ist, von zweierlei Nerven, von sensitiven und motorischen Nerven zu sprechen. Da im Seelischen das Willensmäßige und Empfindungsmäßige überall durchgebildet ist, stelle ich es jedem frei, motorisch oder sensitiv zu sagen, aber er muß einheitlich werten, denn sie sind absolut einheit­lich, es gibt keinen Unterschied. Der Unterschied liegt nämlich nur in der Richtung der Funktion. Wenn der sensitive Nerv nach dem Auge hingeht, so öffnet er sich den Eindrücken des Lichtes, und es wirkt wiederum dasjenige, was an der Peripherie des Menschen liegt, auf einen anderen Nerv, den die heutige Physiologie als einen motorischen Nerv anspricht. Wenn er nun vom Gehirn ausgeht nach dem übrigen Organismus, so ist dieser Nerv dazu da, daß er dasjenige wahrnimmt, was bei einer Bewegung vorgeht. Eine richtige Behandlung der Tabes gibt schon auch durchaus Bestätigung dieses Resultates.
Der Nerv also, der motorischer Nerv genannt ist, der ist dazu da,

blz. 234 vert.

Wat het antroposo­fisch onderzoek in dit verband leert – ik kan dat alleen aan­duiden, alleen resultaten meedelen, anders zou ik voordrach­ten over antroposofische fysiologie2 moeten houden —, is het volgende: de zenuwen zijn organen die absoluut één geheel vormen. Het is een onmogelijkheid om over twee verschil­lende soorten zenuwen, over sensorische en motorische zenu­wen te spreken. Omdat in het psychische het wilsmatige en gevoelsmatige overal goed ontwikkeld is, staat het wat mij betreft iedereen vrij motorisch of sensorisch te zeggen, maar hij moet ze uniform beoordelen, want ze zijn absoluut het­zelfde, er is geen verschil tussen. Het verschil zit hem eigenlijk alleen in de richting van de functie. De sensorische zenuw loopt naar het oog, zij opent zich voor de lichtindrukken, en datgene wat aan de periferie van de mens ligt werkt anderzijds op een andere zenuw, die de hedendaagse fysiologie een moto­rische zenuw noemt. Als die nu van de hersenen naar de rest van het organisme uitgaat, dan is deze zenuw daar aanwezig om waar te nemen wat er bij een beweging plaatsvindt. Een juiste behandeling van tabes dorsalis3 geeft eveneens een vol­ledige bevestiging van dit resultaat. De zenuw dus die motorische zenuw genoemd wordt, is er om

  1. voordrachten over antroposofische fysiologie: In 1911 hield Steiner de voordrachtenreeks Spirituele fysiologie, (Okkulte Physiologie) GA 128. Uitgeverij Pentagon, Amsterdam 2014.
  2. Tabes dorsalis: ook wel syfilitische myelopathie, een langzame degeneratie (specifiek demyelinatie) van de zenuwen voorna­melijk in de dorsale kolommen (posterior kolommen) van het ruggenmerg (het deel het dichtst bij de achterkant van het lichaam).

blz. 208

um die Bewegungsimpulse, das, was da während der Bewegung vor­geht, wahrzunehmen, nicht um der Bewegung den Impuls zu geben. Nerven sind überall die Vermittlungsorgane für die Wahrnehmungen, die sensitiven Nerven für die Wahrnehmungen nach außen, die so­genannten motorischen Nerven, die auch sensitive Nerven sind, für die Wahrnehmungen nach innen. Es gibt nur einen Nerv. Und nur eine materialistischewissenschaftsgesinnung hat dieseTelegraphengeschichte als Analogon erfunden.
Diese materialistische Wissenschaftsgesinnung glaubt nämlich, eben­so wie sie für die Sensation, für die Empfindung, für die Wahrneh­mung der Vermittelung der Nerven bedarf, bedürfe sie auch der Ver­mittelung des Nervs für die Willensimpulse. Das ist aber nicht der Fall. Der Willensimpuls geht von dem Geistig-Seelischen aus. Da beginnt er, und er wirkt im Leibe, unmittelbar, nicht auf dem Umweg des Nervs, unmittelbar auf das Gliedmaßen-Stoffwechselsystem. Und der Nerv, der in das Gliedmaßen-Stoffwechselsystem hineingeht, vermit­telt nur die Wahrnehmung desjenigen, was das Geistig-Seelische an dem ganzen Menschen in bezug auf sein Gliedmaßen-Stoffwechselsystem tut. Wir nehmen dasjenige wahr, was eine Folge ist seelisch-geistiger Willensprozesse in der Blutzirkulation, im übrigen Stoffwechsel und auch in der mechanischen Bewegung der Glieder; wir nehmen das wahr.

blz. 235 vert.

de bewegingsimpulsen, dus wat er tijdens de beweging gebeurt, waar te nemen, niet om de beweging de impuls te geven. Zenuwen zijn overal de bemiddelingsorganen voor de waarnemingen, de sensorische zenuwen voor de waarnemin­gen naar buiten, de zogenaamde motorische zenuwen, die ook sensorische zenuwen zijn, voor de waarnemingen naar binnen. Er bestaat slechts één soort zenuw. En alleen een materialistische wetenschappelijke gezindheid heeft dit tele- graafverhaal als analogie verzonnen.
Deze materialistische wetenschappelijke gezindheid ge­looft namelijk dat net zoals ze voor de gewaarwording, voor het gevoel, voor de waarneming de bemiddeling van de zenu­wen nodig heeft, zij ook voor de wilsimpulsen de bemidde­ling van de zenuw nodig heeft. Dat is echter niet het geval. De wilsimpuls gaat van het geestelijk-psychische uit. Daar begint hij en hij werkt in het lichaam, direct, niet via de omweg van de zenuw. En de zenuw die in het ledematen-stofwisselings- systeem binnenkomt, brengt alleen de waarneming tot stand van datgene wat het psychisch-geestelijke aan de hele mens doet met betrekking tot het ledematen-stofwisselingssysteem. We nemen datgene waar wat het gevolg is van psychisch-gees­telijke wilsprocessen in de bloedsomloop, in de overige stof­wisseling en in de mechanische beweging van de ledematen. We nemen dat waar.

Die sogenannten motorischen Nerven sind keine motorischen Nerven, die sind bloß dasjenige, was die Außerungen, den Impuls des Willens wahrnimmt. Ehe man diesen Zusammenhang nicht einsehen wird, eher wird man nicht zu einer durchsichtigen Menschenerkenntnis kommen. Wenn Sie aber diesen Zusammenhang voll einsehen, dann werden Sie es auch begreiflich finden, daß ich nun eben ein Paradoxon, eine Ket­zerei vor Sie hinstellen muß: denn dann wirkt das Geistig-Seelische ja eben auf den ganzen übrigen Menschen.
Beim Kinde also bis gegen das zwölfte Jahr hin äußern sich die Wir­kungen nach Maßgabe des eben Geschilderten in den Muskelkräften, die ein intimes Verhältnis zur Atmung und zum Zirkulationssystem haben. Beim Kinde vom zwölften Jahre an bis zur Geschlechtsreife nach denjenigen Kräften hin, die gegen das Skelett gehen. So daß wir also vor dem zwölften Jahre mehr dasjenige, was noch in unseren Mus­keln

De zogenaamde motorische zenuwen zijn geen motorische zenuwen. Die zijn slechts dat wat de uitingen, de impuls van de wil waarneemt. Zolang men deze samenhang niet duidelijk inziet kan men niet tot een transpa­rant menskundig inzicht komen. Maar als u deze samenhang duidelijk inziet, zult u het ook begrijpelijk vinden dat ik u nu een paradox, een ketterij moet voorschotelen: want dan werkt het geestelijk-psychische immers op de totale overige mens. Bij het kind uiten de werkingen volgens wat zojuist be­schreven is zich dus tegen het twaalfde levensjaar in de spier­krachten, die een intieme verhouding hebben tot de ademha­ling en de bloedsomloop. Bij het kind vanaf het twaalfde jaar tot aan de geslachtsrijpheid in die krachten die naar het skelet gaan. Zodat we dus voor het twaalfde jaar meer datgene wat nog in onze spieren

blz. 209

liegt, mit dem sogenannten motorischen Nerv wahrnehmen, nach dem zwölften Jahre nehmen wir mit diesem sogenannten motorischen Nerv mehr dasjenige wahr, was in unseren Muskeln und Knochen vor­geht. Nun, wenn Sie bedenken, daß in allem Denken etwas Willens-mäßiges liegt – es ist ja Wille, was da wirkt, wenn ich Vorstellungen synthetisch zusammenfasse oder analytisch trenne, es ist überall Wille darinnen-, so müssen Sie diesen Willen auch im Organismus aufsuchen. Und gerade dieser Wille in der seelischen Funktion des Denkens ist in dieser Art angeschlossen, wie ich es jetzt geschildert habe. Indem wir ins zwölfte Jahr eintreten, lernen wir ein solches Denken, das nach der Willensnatur seine Vorgänge in den Knochen, in der Skelettdynamik hat. Wir machen da den wichtigen Übergang vom weichen System des Menschen zum ganz harten System, das sich, ich möchte sagen, wie ein objektives Hebelsystem in die Welt hineinstellt.

blz. 236 vert.

ligt, met de zogenaamde motorische zenuwen waarnemen; na het twaalfde jaar nemen we met deze zogenaamde motorische zenuwen waar wat in onze spieren en botten gebeurt. Welnu, als u bedenkt dat in al het denken iets wilsmatigs aanwezig is – het is immers wil wat er werkt wanneer ik voor­stellingen synthetisch samenvat of analytisch scheidt, daarin is overal wil aanwezig -, dan moet u deze wil ook in het orga­nisme opzoeken. En juist deze wil in de psychische functie van het denken is toegevoegd op de wijze waarop ik dat nu beschreven heb. Als we aan het twaalfde levensjaar beginnen, leren we een dergelijk denken dat volgens de aard van de wil zijn activiteiten in de botten, in de dynamiek van het skelet heeft. We maken dan de belangrijke overgang van het weke systeem van de mens naar het zeer harde systeem, dat zich, laat ik zeggen, als een objectief hefboomsysteem in de wereld plaatst.
GA 303/206-209
Vertaald/233-236

*Toen ik zelf met dit onderwerp in aanraking kwam, was de telegraaf in zekere zin al ‘ouderwets’ en in de voorbeelden vervangen door de telefoon, de telefooncentrale. Na het populair worden van de computer is er veelvuldig sprake van ‘bedrading’, ‘harde schijf’ enz.

Stefan Leber heeft in zijn boek ‘Kommentar zu Steiners Algemeine Menschenkunde’ ruim aandacht besteed aan dit onderwerp, waarbij hij ook andere bronnen dan Steiner betrekt.

Een vertaling daarvan zal volgen.

Van antroposofische zijde heeft Wolfgang Schad dit probleem belicht en in Nederland de arts Leen Mees  Hoe beweegt de mens zich; gezond denken over beweging

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (1-3/3)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

ROODKAPJE

Het sprookje van Roodkapje heeft iets weg van het sprookje van de wolf en de zeven geitjes. Maar nu spelen de handelingen zich niet af in de instinctieve sfeer, maar we horen hier over de ziel zelf.

Er was eens een lief klein meisje; iedereen die haar zag hield veel van haar, maar het allermeest haar grootmoeder, en die had haar wel alles willen geven. Op een keer gaf zij haar een mutsje van rood fluweel en omdat het haar zo goed stond en zij niets anders meer op wilde zetten werd zij enkel Roodkapje genoemd.

Onervaren, naïef en onschuldig verschijnt de kinderlijke ziel waarvan iedereen houdt. Het rode kapje van grootmoeder is haar opvallende en belangrijke bezit. ‘Ich nehme das auf meine Kappe’, is een beeldrijke uitdrukking in het Duits. Niet bedoeld is de uiterlijke kap, net zo min als de uiterlijke hoed, wanneer we zeggen: ‘Da geht mir der Hut hoch’. [In het Nederlands kennen we ook wel dergelijke uitdrukkingen: ‘het gaat boven mijn pet’; ‘iets onder de pet houden’, gooi het maar in mijn pet’.]
Wat is echter de innerlijke kap? Ons eigen-denken is het, ons aan de hersenen gebonden denken. De hersenen zitten toch als een soort kap op het hoofd. En zoals deze ons bedenkt en naar boven afsluit, zo betekent ook ons hoofddenken een zekere afsluiting. Toch leeft daarin onze heel persoonlijke binnenwereld. Deze binnenwereld sluit ons aanvankelijk af van een geestelijke wereld boven ons. Denkend kunnen we weliswaar weer met deze wereld in contact komen, maar niet, wanneer we als Roodkapje na:ief en onervaren zijn. Want dan beleven we eigenlijk alleen maar onze subjectievie voorstellingen over de wereld.
Terwijl de vroegere mens door helderziende beelden tot kennis kwam – nog in de antieke oudheid schouwde de mens de wraakgeesten in de gestalte van de erinnynen of furie”s -, moet de hedendaagse mens de gevolgen van zijn daad denkend in zijn geweten verwerken, hij moet die ‘auf seine Kappe’ nemen.
Wanneer het sprookje erop wil wijzen dat het bloed van invloed is op dit hersendenken, spreekt het over de rode kap. Als een positief en negatief beeld komt de rode kap in verschillende Europse sprookjes voor. In het bloed leeft de hartstochtnatuur: ‘Ich sehe rot’, zegt menigeen in zijn opwinding; maar ook ons Ik is van het bloed afhankelijk. Gezond rood bloed maakt ons wakker, drukt de persoonlijkheid uit, die anders zwak en apathisch zou worden. De kwaliteit van het denken wordt zichtbaar in de kleur van de kap, het proces zelf echter wordt zowel in cultus als gewoonten en zeden zichtbaar. Witte kappen duiden erop dat het denken zich meer op het onstoffelijke, het bovenzintuiglijke richt (zie de hoofdbedenking in klooster, de mijters van bisschoppen, o.a.) De zwarte kap betekent het tegendeel: het denken is gericht op de aardse wereld. In een cultische handeling moet het hoofd van de priester onbedekt zijn, in zijn toepsraak of preek, waarbij de eigen gedachten tot uitdrukking komen, wordt een zwart hoofddeksel opgezet. Ook een rechter zet bij het uitspreken van de veroordeling bijv. zijn zwarte ambtsbaret op, want hij moet de uit eigen inzicht gewonnen veroordeling ‘auf seine Kappe nehmen’, op de ambts’kappe’ [verantwoorden]
Overal waar de hoed afgenomen wordt voor achtbare personen, stamt dit uit dezelfde opvatting: voor jou geldt mijn eigendenken niet, mijn wezen staat voor jouw wezen open. Dat wil dit gebruik zeggen.
Grootmoeder heeft het kind het rode kap geschonken: uit het oude voorvoelende weten – [ahnenden Wissen] vergelijk Ahnung [voorgevoel] en Ahne [voorouder] -heeft zich dit ik-achtige [ichhafte], persoonlijke hoofddenken voorbereid. Zij zelf heeft het niet. Zij is ‘ziek en zwak’. Een nieuw ontstane en een naar het einde gaande ontwikkeling staan tegenover elkaar. De ziel die met ik-kracht denkt is in verschijning getrreden en iedereen is blij met deze ontwikkeling.

Op een dag zei naar moeder tegen haar: ‘Kom, Roodkapje, hier heb je een stuk koek en een fles wijn, breng dat naar je grootmoeder, zij is ziek en zwak en dit zal haar goed doen. Ga nu maar voor het te warm wordt en als je buiten komt, loop dan netjes en rustig en dwaal niet van het pad af, anders val je en breek je de fles en dan heeft grootmoeder niets. En als je haar kamer binnen komt, vergeet dan niet goedemorgen te zeggen en snuffel niet eerst overal rond.’ ‘Ik zal goed oppassen,’ zei Roodkapje tegen haar moeder en gaf er haar de hand op.

Oude voorouderwijsheid heeft liefdevolle aandacht nodig en aan de herinneringen moet zorg worden besteed. Brood en wijn zijn heilige gaven. De moederlijke ziel geeft ze, de kinderlijke moet ze wegbrengen. Hoe kinderlijk schetst het sprookje voor ons met een paar woorden. Gaat niet ieder Roodkapje van het pad af en volgt zijn eigen hoofd? En beleefdheid jegens anderen moet voortdurend worden geoefend, omdat we anders te veel met ons zelf bezig zijn. Nieuwsgierigheid is evenwel rijkelijk aanwezig, want je moet toch de wereld tot in alle uithoeken leren kennen.
Hier wordt ons de ziel die nog onervaren is in het denken getoond, de naïeve ziel wat het denken betreft. Zo was het in de mensheid toen het intellectuele denken begon, zo gaat het met ieder mens wanneer die voor het eerst naar school gaat. Dit tijdstip houdt een crisis in.

Grootmoeder woonde echter buiten in het bos een half uur van het dorp. Toen Roodkapje nu in het bos kwam ontmoette zij de wolf. Roodkapje wist echter niet wat voor een boos dier het was en was niet bang voor hem. ‘Goedemorgen, Roodkapje,’ sprak hij. ‘Dag Wolf.’ – ‘Waarheen ben je zo vroeg op pad, Roodkapje?’ – ‘Naar grootmoeder.’ – ‘Wat draag je daar onder je schortje?’ – ‘Koek en wijn, wij hebben gisteren gebakken en nu zal grootmoeder die ziek en zwak is zich tegoed kunnen doen en weer aansterken.’ – ‘Roodkapje, waar woont je grootmoeder?’ – ‘Nog ruim een kwartiertje lopen verder het bos in, onder de drie grote eiken, daar staat haar huis, en beneden staan de notehagen, dat weet je vast wel,’ zei Roodkapje. De wolf dacht bij zichzelf: dat jonge tere ding dat is een mals hapje, dat smaakt nog lekkerder dan die oude vrouw; je moet het slim aanleggen zodat je ze allebei vangt.

In ‘Doornroosje’ hebben we de macht van het boze leren kennen, die onze voorouders Loki noemden, de Bijbel Lucifer, hier staat een macht voor ons die in de Bijbel Satan wordt genoemd. Tegenwoordig wordt er tussen deze twee niet veel verschil gemaakt, ze worden simpelweg duivel genoemd. Maar de sprookjes maken een heel precies onderscheid in spirituele verhoudingen. Het is de bekende, maar niet doorgronde macht van list en bedrog die de waarheid voor de mens verduistert en hem de wereld van de zintuigen voorschotelt als de enige echte en hem uitlevert aan het eenzijdige materialisme. Bedoeld is het ‘onschuldige’ dier wolf. Onze voorouders noemden hem de Fenriswolf, bij de Perzen had deze macht de naam Ahriman.
De Germaanse mythe zegt dat hij de godenschemering dichterbij zal brengen. Wanneer echter een goddelijke wereld verduistert en niet meer gezien kan worden, is elke individuele ziel overgeleverd aan de duisternis. Roodkapje toont ons de innerlijke crisis door de invloed van de wolf. het grote gevaar wat het boze betreft, is de naïviteit die het niet herkent. Roodkapje wist niet wat voor kwaadaardig dier het was. Nee, ze verklapt hem zelfs de weg naar grootmoeder, laat daarmee zien waar de eerbiedwaardige oertoestand zich bevindt. Voor de Germanen heersten in Midden-Europa de Kelten. Zij hadden een hoog ontwikkelde priesterstand, de Druïden. (In het Grieks betekent drys de eik…) Voor het huis van een Druïde stonden als een teken van waarheid drie eiken. Zij waren de grote strijders tegen de ook in Noorden oprukkende verduistering van spirituele overleveringen van een nog kosmisch weten. Zij kenden de wolf. De hazelnootstruik gold in de Keltische beeldspraak als een soort levensboom. Daar waar de Druïdenoverlevering nog heerst, onder de drie grote eikenbomen, daar bevindt zich ook het centrum van de levenskracht (notenhaag). Dat zul je wel weten, zegt Roodkapje; spreekt de grootste naïviteit.

Daarop liep hij een eindje met Roodkapje mee en zei toen: ‘Roodkapje, zie je al die mooie bloemen niet die overal in het rond staan, waarom kijk je niet om je heen? Ik geloof dat je niet eens hoort hoe liefelijk de vogeltjes zingen. Je loopt maar door alsof je naar school gaat en dat terwijl het hier buiten in het bos zo verrukkelijk is.’
Roodkapje keek op en toen zij de zonnestralen door de bomen zag dansen en zag hoeveel mooie bloemen er overal stonden, dacht zij: Als ik voor grootmoeder een vers geplukt boeketje meebreng zal zij dat heerlijk vinden; het is nog zo vroeg op de dag dat ik toch wel op tijd kom. Daarmee liep zij van het pad af het bos in en ging bloemen zoeken. En toen zij er één geplukt had, dacht zij dat er verderop een nog mooiere stond en liep daarheen en raakte steeds dieper het bos in.

Roodkapje keek op: toen vielen haar de schellen van de ogen, zoals in de Bijbel na de verleiding door de slang. De blik wordt afgeleid van de eigen diepe zielenwereld en op de buitenwereld gericht. De ziel haast zich van indruk tot indrik, van de ene vruegde van de zintuigen naar de volgende; als bloemen in een boeket worden ze verzameld.

Maar de wolf liep rechtstreeks naar het huis van grootmoeder en klopte aan de deur. ‘Wie is daar?’ – ‘Roodkapje, ik breng koek en wijn doe de deur maar open.’ – ‘Druk maar op de klink, ik ben te zwak en kan niet opstaan,’ riep grootmoeder. De wolf drukte op de klink, de deur ging open en hij liep, zonder een woord te zeggen, recht op grootmoeders bed af en slokte haar op. Toen trok hij haar kleren aan, zette haar muts op, ging in het bed liggen en trok de gordijnen dicht. Roodkapje echter had rondgelopen en bloemen geplukt en toen zij er zoveel bij elkaar had dat zij er niet meer kon dragen, herinnerde zij zich haar grootmoeder weer en ging op weg naar haar toe. Zij was verbaasd dat de deur openstond en toen zij de kamer instapte was het haar zo vreemd te moede dat zij dacht: Lieve hemel, wat vind ik het hier griezelig vandaag, terwijl ik anders toch zo graag bij grootmoeder ben. Zij riep: ‘Goedemorgen,’ maar kreeg geen antwoord. Toen liep zij naar het bed en schoof de gordijnen opzij. Daar lag grootmoeder met de muts over het gezicht getrokken en zij zag er erg vreemd uit. ‘O, grootmoeder,’ zei zij, ‘wat heb je grote oren.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen horen.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote ogen.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen zien.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote handen.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen pakken.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je een verschrikkelijk grote mond.’ – ‘Dat is om je beter op te eten.’ En nauwelijks had de wolf dat gezegd, of hij was met een sprong het bed uit en verslond het arme Roodkapje.

Terwijl de ziel alleen nog maar gericht is op de zintuigewereld – dat zou goed zijn, wanneer het niet op aanraden van de wolf gebeurd zou zijn – valt de voorouderwijsheid (grootmoeder) ten prooi aan het lot van de verduistering. Zoals waardige zeden en oude gebruiken als eerste verdwenen en eeuwenlange overleveringen door de mensheid geminacht werden, toen het moderne denken tot ontplooiing kwam, zo gaat ook individeel voorouderlijk gevoel, oerweten dat lang gold, verloren. De mens zelf levert het uit zonder het te beseffen aan die macht die het leven belemmert en vernietigt, die onze voorouders wolf noemden. Hij sluipt hier welisiwaar niet in schaapskleren rond, maar in de kleren van grootmoeder, d.w.z. hij trekt op die manier de mantel aan van het overgeleverde weten, de onervarenheid denkt hier oude, wijze taal horen, maar die is tot leugen verworden. Geen menselijke ziel kijkt naar de ander, maar dierlijke begeerte. Egoïsme en begeerte grijpen naar haar en verslinden haar en zo valt de ziel aan de verduistering ten prooi.

Toen de wolf zat was ging hij weer in het bed liggen, viel in slaap en begon heel hard te snurken. Toen kwam net de jagersman voorbij die bij zichzelf dacht: Wat is die oude vrouw aan het snurken. Ik zal eens even kijken of haar iets mankeert. Hij ging de kamer binnen en toen hij bij het bed kwam zag hij dat de wolf erin lag. ‘Moet ik je hier vinden, ouwe boosdoener,’ zei hij, ‘ik heb lang naar je gezocht.’ Hij wilde net zijn geweer aanleggen toen hij ineens bedacht dat de wolf de grootmoeder wel eens opgeslokt zou kunnen hebben en dat zij misschien nog gered kon worden en dus schoot hij niet maar nam een schaar en begon de buik van de slapende wolf open te knippen. Hij had nog maar een klein eindje geknipt toen hij het rode kapje zag glanzen en na nog een paar knippen sprong het meisje eruit en riep: ‘Ach, wat ben ik geschrokken, wat was het donker in de buik van de wolf.’ En toen kwam de oude grootmoeder er ook nog levend en wel uit, al snakte zij naar adem. Roodkapje haalde echter vlug grote stenen en daarmee vulden zij de buik van de wolf en toen hij wakker werd wilde hij weglopen, maar de stenen waren zo zwaar dat hij meteen in elkaar zakte en dood ter aarde viel.

In de Germaanse mythen stopt Widar, de zwijgende onder de Asen die lang had gewacht – want de wolf nam zijn eigen tijd – zijn schoen in de bek van de Fenriswolf en overwint hem in de strijd. Als daar op een grote geestesstrijd van de mensheid wordt gewezen, dan verhaalt het sprookje over wat er persoonlijk in de ziel geneurt. Het is, zoals Wilhel, Grimm zegt, een stukje van de gebarsten edensteenmythe. De helpende jaren verschijnt, hij verbeeldt een kracht die doelgericht wilde driften ‘op de korrel neemt’ en ze vernietigt. Maar hier moet de schaar worden gebruikt. De schaar die uit twee messen bestaat, is een teken voor de dubbel geslepen oordeelskracht. Deze kracht alleen is in staat de ziel weer te bevrijden. ‘Ach, wat was het donker in de buik van de wolf’: hoe duister was de tijd omdat de wolf niet werd herkend. Aan zijn eigen dodelijk materialisme (de stenen) moet hij ten gronde gaan.

Toen waren zij alle drie blij. De jager stroopte het vel van de wolf af en ging ermee naar huis, de grootmoeder at de koek op en dronk de wijn die Roodkapje had meegebracht en knapte weer op, maar Roodkapje dacht bij zichzelf: Zolang ik leef, zal ik nooit meer in mijn eentje van het pad afgaan en het bos inlopen, wanneer mijn moeder mij dat verboden heeft.

.

Friedel Lenz ‘Bildsprache der Märchen

 

Sprookjes: alle artikelen

.
VRIJESCHOOL in beeld: 1e klassprookjesillustraties

.

26 Grimm Roodkapje 2