WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 3300 artikelen

Kleinere en grotere, makkelijk toegankelijke en die meer studie vragen; direct met de vrijeschool te maken hebbend of zijdelings: de meest uitgebreide vrijeschoolsite die er te vinden is.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken
leeftijden
over illustraties

BEWEGEN in de klas
alle artikelen

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

EURITMIE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GEZONDHEID – die van de leerkracht
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
alle artikelen

HANDVAARDIGHEIDSONDERWIJS
a
lle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1; klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7; klas 8; klas 9: klas 10; klas 11; klas 12

LEERPLAN
alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
alle artikelen

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
Alle artikelen

SCHILDEREN
Alle artikelen

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
alle artikelen

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
Niet elders gerubriceerd: alle artikelen

Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
Auschwitz en Gaza 2025
Ahriman en/in het onderwijs;
Grafische vormgeving bij Steiner
Interviews met oud-leerlingen
Is het alles goud wat er blinkt….?
Kritiek op de vrijeschool
Kunstzinnige vormgeving van een klaslokaal
Naamgeving en schrijfwijze vrijeschool;
Ochtendspreuk;
Organische architectuur;
Steiner lezen?
Uitgangspunten vrijeschool;
Vrijeschool en antroposofie;
Vrijheid van onderwijs;  
Worden wie je bent

.
EN VERDER:

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cyprus; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israël; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouwen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Qatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – Mededeling – Sociale driegeleding – agenda/activiteiten

.

‘SOCIALE DRIEGELEDING’

Website

Nummers van tijdschrift Driegonaal

Een zekere rust én betrokkenheid: dat zijn ingrediënten om de ontwikkelingen in de wereld te kunnen volgen. Inzicht en verbondenheid zijn ingrediënten om te weten wat ons te doen staat. En dan nog de moed om samen in beweging te komen.
Op www.socialedriegeleding.nl proberen we je hiertoe te inspireren!

Nieuwsbrief sociale driegeleding

Nr. 9  /  23 juni 2026
Alles dat we in onze beschaving aantreffen komt voort uit inzichten, gedachten, woorden. Nu overal duidelijk wordt dat we ons op een doodlopende weg bevinden… wordt het tijd voor een nieuw denken, nieuwe inzichten, nieuwe woorden.

Actueel

De gewoonste zaak van de wereld

Dingen die mensen vroeger deden en die we nu niet meer doen. We kijken er meewarig naar terug. Hoe kwamen ze erbij? – Maar denk eens aan staalslakken, PFAS of sigarettenpeuken? Lees verder »

Weerbaar Europa

Wij horen het alom: Europa moet weerbaar worden, op eigen benen staan, in essentiële economische sectoren een eigen Europese industrie opbouwen. – Best begrijpelijk. Maar gaat dat ons brengen waar we willen komen? Lees verder »

Elon naar Mars

Technoking Elon Musk heeft vele kwaliteiten, waaronder het verkopen van hypes en fraaie vergezichten. Die kwaliteit maakte hem tot de eerste mens die 1000 miljard bezit. Lees verder »

Artikelen

Goed kunnen lezen
Philip Bakker

Jongeren informeren zich via de sociale media. Het leesonderwijs in Nederland wordt naar het schijnt steeds beroerder. Maar… hoe belangrijk is het nog om goed te kunnen lezen? Lees verder »

Inzicht is noodzakelijk
Rudolf Steiner

In de tijd van zijn inzet voor de driegeleding van het sociale organisme, schreef Rudolf Steiner korte artikelen die in het toenmalige driegeledingsweekblad in Duitsland werden gepubliceerd. Deze artikelen raken stuk voor stuk aan de essentie van de sociale driegeleding en bieden tevens oefenstof voor het ontwikkelen van het denken dat nodig is om het sociale leven te kunnen bevatten. Lees verder »

Onze ‘gastschrijver’ Drs. Teentjes levert alleen bijdragen die positief-ironisch gestemd zijn.

Zó kan het ook!

Wachtlijsten voor de kinderopvang? Een schreeuwend gebrek aan leraren? Opgebrande werkers in de zorg? Te weinig installateurs of technisch geschoolde werkers? Overwinsten voor aandeelhouders? Enge miljardairs die van gekkigheid niet weten wat zij met hun geld moeten?
Zó kan het ook: Lees verder »

Driegeleding in vraag & antwoord

Waarom zou de samenleving uit drie delen bestaan? Lees verder »

Agenda

28 juni: Dag van de sociale driegeleding (Zeist)
7-9 augustus: Zomerse driegeledingsdriedaagse (Zoetermeer)
kijk de volledige agenda: KLIK HIER


Verschenen:

Driegonaal – jrg 40, nr.4/5
dubbelnummer

Een lekker dik nummer met héél veel inhoud. Waaronder:
– De Caleidoscoop: wat gebeurt er eigenlijk als de ene mens (of instelling) de ander krediet geeft? Hoe is het met de Amerikaanse droom? En niet te vergeten: heeft u al een passief inkomen?
– Gerald Häfner in gesprek met Vandana Shiva over het in stand houden van het universum.
– Jörgen Smit: Laten we oefenend beginnen aan de grote opgaven waarvoor de samenleving ons plaatst
– Terug naar de bron: woorden van Rudolf Steiner als hulp bij het vormen van een sociaal oordeel
– Is het historische moment voor de driegeleding voorbij? Is dat wat de driegeleding te bieden heeft niet meer aan de orde? Fionn Meijer schreef er een artikel over.
– Een  interview met actrice Dette Glashouwer die met haar ‘stand up economy’ door het land gaat. Hoe is haar verhouding met geld?
 Feiko van der Veen bespreekt de visie van Carlijn Kingma en Thomas Bollen over de manco’s van het huidige financiële systeem. Het fenomeen geldschepping speelt daarin een belangrijke rol. Hoe kan je daar vanuit de driegeleding naar kijken?
– Rudolf Steiner: een ‘uiterste houdbaarheidsdatum’ voor geld
– Een beschouwing over een gezond geldstelsel, mét aandacht voor een eigentijds spookverschijnsel, de cryptomunt – door Arjen Nijeboer

Aanbieding voor de lezers van deze Nieuwsbrief:

Dit dubbelnummer plus het voorgaande nummer van Driegonaal voor € 12,00 thuisgestuurd (binnen NL)
Mail naar: info@driegonaal.nl
Aanbieding geldt tot en met maandag 29 juni a.s.

Op Zoek naar Vrede – een documentaire over de eerste wereldoorlog en de geboorte van de sociale driegeleding

Historisch gezien is 1917, het jaar waarin de eerste wereldoorlog al drie jaar woedde, het geboortemoment van de sociale driegeleding. Het is het jaar waarin Europa de regie over het eigen lot uit handen gaf, of liet nemen.
Het feit dat Rudolf Steiner in dat jaar zijn inzet  voor de sociale driegeleding begon, moet beslist ook gezien worden in het licht van de dramatische gebeurtenissen op het wereldtoneel en was een oproep aan Europa om niet toe te geven aan wat vanuit het oosten (de Russische Revolutie) en vanuit het westen (de ‘onderwerping van de wereld’ door het kapitalisme van de Verenigde Staten) op Europa toekwam.

Robbert Clignett werkt al geruime tijd aan een documentaire die als titel krijgt: Op Zoek naar Vrede.
Clignett: “We leven op dit moment in een tijd waarin polarisatie, desinformatie en verborgen machtsstructuren een grote rol spelen. Het in beeld brengen van wat er in de periode van de Eerste Wereldoorlog gebeurt en de aanloop daar naartoe geven de kijker van de film in mijn ogen belangrijke context voor waar we ook nu nog mee te maken hebben. Met deze film wil ik bewustzijn creëren over de geschiedenis, maar ik wil vooral ook inspiratie geven en mensen zelf laten denken, zodat iedereen zelf in vrijheid zijn eigen ideeën kan vormen en keuzes kan maken.”

De documentaire ontrafelt de geopolitieke geschiedenis van Europa. Experts zoals Daniele Ganser, Thomas Meyer, Harrie Salman, John Hogervorst en Terry Boardman delen in deze documentaire hun inzichten en perspectieven.

Oproep

De productie kost veel tijd en geld. Maar kennis is in deze tijd van historische ongeletterdheid van groot belang om te begrijpen hoe oorlogen tot stand komen.
Een teaser, meer informatie en de mogelijkheid om te doneren 
VIND JE HIER

 

Sociale driegeleding: alle artikelen op deze blog

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Mededeling Nationale Vertelschool

.

Vooraankondigingen & Agenda

Landelijke Sprookjesdag

Landelijke Sprookjesdag:

Zaterdag 3 oktober 2026
Arnhem
Zet hem alvast groots in de agenda: de Landelijke Sprookjesdag rondom het betoverende Franse volksverhaal.
Welkom op deze Landelijke Sprookjesdag, waar we ons dit year met volle overgave laten meevoeren door het Zuid-Franse sprookje “De man in alle kleuren”. Dit verhaal, afkomstig uit Gascogne, is een krachtig beeld van de menselijke ontwikkelingsweg en de loutering van het ‘ik’.
Meer informatie »

 

Voordracht Zutphen

Voordracht: Tussen Dood & nieuwe Geboorte

Woensdag 28 oktober 2026
Zutphen
Een avond over de herkomst en wording van de individuele mens. Een samenwerking tussen Waldorfschool Auryn Zutphen en de Nationale Vertelschool.

Inspirerende en troostrijke voordracht:

  • Het geheim en de blauwdruk van het kind
  • De reis van de ziel na de drempel van de dood
  • Loutering en wijsheid in de planeetsferen
  • Inzichten uit de geesteswetenschap van Steiner
  • Voor leerkrachten, ouders en pedagogen

De kosmische reis van de mensenziel en haar karmische bestemming.

Meer informatie »

 

Vertelstof: alle artikelen

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – actueel

.

Verzamel de granen, nu het MISSCHIEN nog kan!
.

Rudolf Steiner:
U weet, hoe ik dikwijls over zo‘n beschou­wing van de natuur heb gesproken, en hoe ik verschillende besprekingen besloot met woorden als deze: er zijn tegenwoordig onder de stedelingen helaas heel wat mensen, die, wan­neer ze buiten op het platteland komen, geen tarwe van rogge kunnen onderscheiden. Het komt daarbij niet op de naam aan, maar op een levende verhouding tot die dingen. Wie de menselijke natuur kent, weet dat er iets zeer belangrijks voor de mens verloren gaat, als hij niet op het juiste ogenblik  — en de ontwikkeling van de menselijke vermogens moet steeds op het juiste ogenblik plaatsvinden — als hij niet op het juiste ogenblik leert te onderscheiden, als hij niet leert – (u weet, het is slechts als symptoom bedoeld) – rogge van tarwe te onderscheiden; wat hier bedoeld wordt omvat natuurlijk nog zeer, zeer veel meer.
GA 192/95
Vertaald

Over het waarom

.

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven‘

.

Zie ‘voorwoord‘.

In de uitgave is een stukje van een voordracht van Steiner opgenomen die hij in 1923 in Ilkley hield.
In de inhoudsopgave van de voordracht valt het onder:

‘Kunstonderwijs wekt begrip voor mens en wereld’

Ik heb de passage – i.t.t. de uitgave – in z’n geheel weergegeven.

Blz. 223

Und das ist von einer ganz besonderen Bedeutung für diejenigen Erziehungsprinzipien, die durch die Waldorfschule verwirklicht werden sollen, daß das Kind auch in das entsprechende Kunstverständnis im rechten Lebensalter hineinkommt. In demselben Lebensalter, in dem das Kind
begreifen lernen muß: die Natur ist nach abstrakten, durch den Verstand zu begreifenden Naturgesetzen geordnet, in demselben Lebensalter, wo man in der Physik kennenlernen muß, wie Ursache und Wirkung in den einzelnen Fällen zusammenhängen, in demselben Lebensalter sollen wir Kunstverständnis schaffen als das Gegengewicht, sollen in das Verständnis einführen, wie sich die einzelnen Künste in den verschiedenen Epochen der Menschengeschichte entwickelt haben, wie das eine oder das andere Kunstmotiv in diesem oder jenem Zeitalter eingreift. Dadurch erst wird dasjenige in dem Kinde wirklich angeregt, was der Mensch braucht, wenn er zu einer allseitigen Entfaltung seines Wesens kommen will. Dadurch wird auch dasjenige in der richtigen Weise entwickelt, wie ich morgen dann zeigen will, was für den Moralunterricht in ganz besonderer Art notwendig ist.
Dadurch, daß der Mensch Kunstverständnis sich erringt, wird er
auch dem Menschen selbst, seinem Nebenmenschen, seinem Mitmenschen in einer ganz anderen Weise gegenüberstehen, als wenn ihm dieses

Het is van bijzonder groot belang voor die op­voedingsprincipes die door de vrijeschool moeten worden verwezenlijkt, dat het kind op de geschikte leeftijd ook in de passende kunstzin thuisraakt.
Op dezelfde leeftijd waarop het kind moet leren begrij­pen: de natuur is geordend volgens abstracte, door het ver­stand te begrijpen natuurwetten, op dezelfde leeftijd waarop je in de natuurkunde moet leren kennen hoe oorzaak en ge­volg in de afzonderlijke gevallen samenhangen, op diezelfde leeftijd moeten we kunstzin scheppen als het tegenwicht, moeten we in het begrip invoeren hoe zich de afzonderlijke kunsten in de diverse tijdperken van de geschiedenis van de mens hebben ontwikkeld; hoe het een of andere kunstmo­tief in het een of andere tijdperk optreedt. Daardoor pas wordt datgene in het kind werkelijk gewekt wat de mens no­dig heeft als hij tot een veelzijdige ontplooiing van zijn we­zen wil komen. Daardoor wordt ook datgene op de juiste wijze ontwikkeld – zoals ik morgen dan zal laten zien – wat voor het morele onderwijs op heel speciale manier nodig is.
Doordat de mens zich kunstzin verwerft, zal hij ook op een geheel andere manier tegenover de mens zelf, zijn naas­te, zijn medemens staan dan als hij deze kunstzin mist.

Blz. 224

Kunstverständnis fehlt. Denn, was ist das Wesentliche im Weltverständnis? Daß wir die abstrakten Begriffe im rechten Momente verlassen können, um Einsicht, Verständnis für die Welt gewinnen zu können.
Wenn man Mineralien begreifen will, kann man das nach Ursache und Wirkung. Physikalisches läßt sich so begreifen. Kommt man zu den Pflanzen herauf, dann ist es schon unmöglich, alles durch Logik, durch Verstand, durch Intellekt zu begreifen. Da muß schon das plastische Prinzip im Menschen sich regen, da gehen die Begriffe, die Ideen über in bildhafte Formen. Und alles, was wir an plastischer Geschicklichkeit dem Kinde beibringen, gibt ihm die Befähigung, das Pflanzenwesen seinen Gestaltungen nach zu begreifen. Wollen wir das Tierreich begreifen, wir können es nicht anders, als wenn wir in uns die Verständnisbegriffe durch die moralische Erziehung veranlagen lassen. Dann erst werden in uns diejenigen Kräfte rege, die hinüberschauen können zu dem Aufbauenden, zu dem aus dem Unsichtbaren heraus Aufbauenden des Tieres. Wie wenige Menschen, auch wie wenige Physiologen wissen heute, woher die Gestalt eines Tieres kommt!

Want wat is wezenlijk in het begrijpen van de wereld? Dat we de abstrakte begrippen op het juiste moment kunnen verlaten om inzicht in, begrip voor de wereld te kunnen verwerven.
Als je mineralen wilt begrijpen, kun je dat volgens oor­zaak en gevolg. Het fysische laat zich zo begrijpen. Klim je op naar het plantaardige, dan is het al onmogelijk om alles door logica, door verstand, door intellect te begrijpen. Daar moet al het plastische principe in de mens bovenkomen, daar gaan de begrippen, de ideeën over in plastische vor­men. En alles wat we het kind aan plastische vaardigheid bijbrengen, geeft hem de bekwaamheid, het plantenwezen in zijn samenstellingen te begrijpen.
Willen we het dierenrijk begrijpen, dan kunnen we niet anders dan in ons de verstandelijke begrippen door de mo­rele opvoeding te laten aanleggen. Dan pas worden in ons de krachten levendig die naar de overkant kunnen kijken naar het opbouwende, naar het vanuit het onzichtbare op­bouwende van het dier. Hoeveel mensen, ook hoeveel fysio­logen weten tegenwoordig waar de gestalte van een dier van­daan komt!

Die Gestalt eines Tieres kommt nämlich aus der Bildung gerade derjenigen Organe, die beim Menschen nachher Sprachorgane und Gesangsorgane werden. Das ist das Zentrum der Formbildung, der Gestaltbildung des Tieres. Das Tier kommt nicht zur artikulierten Sprache; das Tier kommt auch nur zu jenem Gesang, den wir bei dem Vogel kennen. Aber ebenso wie in Gesang und Sprache die Gestaltung ausströmt und die Luftwellen bildet, wodurch das Hörbare entsteht, ebenso geht dasjenige, was in dem Sprachorganismus, in dem Gesangsorganismus sich aus einem vitalen Prinzip entwickelt, zurück in das Tier.
Und derjenige erkennt erst die Tierform, der weiß, wie gewissermaßen
«musikalisch» diese Tierform gerade sich aus den später beim Menschen zu den musikalischen Organen metamorphosierten Gliedern herausbildet.
Und wollen wir zum Menschen heraufkommen, dann brauchen wir ein umfassendes Kunstverständnis. Denn alles, was am Menschen ist, ist nur seinem unorganischen Ingredienz nach durch den Verstand begreifbar. Wenn wir im rechten Momente wissen, Vorstellung in künst-

De gestalte van een dier komt namelijk uit de ontwikkeling van juist die organen die bij de mens later spraakorganen en zangorganen worden. Dat is het centrum van de vormontwikkeling, de gestalteontwikkeling van het dier. Het dier komt niet tot gearticuleerd spreken; het dier komt ook alleen tot dat zingen dat we bij de vogel kennen. Maar net zoals in zingen en spreken de gestalte naar buiten stroomt en de luchtgolven vormt, waardoor het hoorbare ontstaat, net zo keert dat wat zich in het spraakorganisme, in het zangorganisme uit een vitaal principe ontwikkelt, te­rug naar het dier. En diegene kent pas de diervorm die weet hoe deze diervorm zich in zekere zin ‘muzikaal’ ontwikkelt uit de later bij de mens tot muzikale organen gemetamorfo­seerde delen.
En willen we opstijgen tot de mens, dan hebben we een veelomvattende kunstzin nodig. Want alles wat bij de mens aanwezig is, is alleen wat zijn anorganische bestanddeel be­treft met het verstand te begrijpen. Als we op het juiste mo­ment een voorstelling in een kunstzinnig opvatten weten om te zetten,

lerisches Erfassen überzuführen, dann erst haben wir die Möglichkeit
eines Menschen Verständnisses.
Das aber muß besonders durch den Kunstunterricht erweckt werden.
Wenn wir als Lehrer selber, ausgerüstet mit künstlerischem Sinn, im
rechten Lebensalter das Kind hinzuführen vermögen vor Leonardos
Abendmahl oder vor Raffaels Sixtinische Madonna, wenn wir ihm
zeigen können, wie da jede einzelne Gestalt zu der anderen in einem
bestimmten Verhältnisse steht, wie aber gerade dasjenige Zeitalter in
seiner historischen Entwickelung, in welchem Leonardo oder Raffael
gestanden haben, in dieser Weise mit der Farbe verfuhr, in dieser Weise
mit der inneren Perspektive verfuhr und so weiter, wenn wir allen übrigen Natur- und Geschichtsunterricht beseelen können durch einen auf
das Kunstverständnis führenden Unterricht: dann bringen wir in allen
Unterricht das menschliche, das humane Prinzip hinein.
Darauf müssen wir sehen, daß wir nichts, was nötig ist an künstlerischem Sich-Durchdringen bei dem Kinde, diesem Kinde im rechten Lebensalter entziehen.

dan pas hebben we de mogelijkheid tot het be­grijpen van de mens.
Dat moet echter in ’t bijzonder door het kunstonderwijs worden opgewekt. Als wij als leraar zelf, uitgerust met kunst­zinnige vermogens, het kind op de juiste leeftijd naar Leonardo’s ‘Laatste Avondmaal’ of naar Rafaëls ‘Sixtijnse Ma­donna’ leiden, als we hem kunnen laten zien hoe daar elke afzonderlijke gestalte in een bepaalde verhouding staat tot de andere, hoe echter juist dat tijdperk in zijn historische ontwikkeling waarin Leonardo of Rafaël stonden, op die manier met de kleur omging, op die manier met de innerlij­ke perspectief omging enzovoort, als we alle overige natuur-en geschiedenisonderwijs kunnen bezielen door een naar het kunstbegrip leidend onderwijs: dan brengen we in al het on­derwijs het menselijke, het humane principe binnen.
We moeten erop toezien dat we het kind niets ontnemen van wat voor het kind nodig is aan het zich-doordringen met het kunstzinnige op de juiste leeftijd.

Unsere Zivilisation kann nur dadurch den ihr notwendigen Aufschwung, den Aufstieg erlangen, wenn wir mehr Künstlerisches in die Schule hineinbringen; nicht nur dasjenige, was ich in allen diesen Stunden angedeutet habe: die Durchdringung des gesamten Unterrichts mit einem artistischen, künstlerischen Element, sondern wenn wir auch für alles prosaische Auffassen von Natur und Geschichte ein Gegengewicht schaffen durch ein lebendiges, selber von künstlerischer Schöpferkraft getragenes Unterrichten in Kunstverständnis.
Das ist dasjenige, was wir nun als ein besonderes Ingredienz im Unterricht, in der Erziehungskunst der Waldorfschule auch befolgen wollen, was wir für notwendig halten, weil es einfach wahr ist, was jeder wahre Künstler auch gefühlt hat: daß die Kunst nicht bloß etwas vom Menschen Erfundenes ist, sondern ein Gebiet, in dem der Mensch auf einem anderen Niveau, als durch das sonstige Begreifen, in die Geheimnisse der Natur hineinzuschauen vermag, in die Geheimnisse der ganzen Welt überhaupt hineinzublicken vermag. Erst in dem Momente, wo der Mensch begreifen lernt: die Welt selber ist ein Kunstwerk, wo der Mensch lernt, in alle Natur und alles Naturgeschehen

Onze civilisatie kan alleen daardoor haar noodzakelijke opbloei, haar weg omhoog verkrijgen als we meer aan kunstzinnigs in de school binnenbrengen; niet alleen dat wat ik in al deze voordrach­ten heb aangeduid: het doordringen van het hele onderwijs met een artistiek, kunstzinnig element, nee, als we ook voor al het prozaïsch opvatten van natuur en geschiedenis een te­genwicht scheppen door een levendig, zelf door kunstzinni­ge scheppingskracht gedragen lesgeven in kunstbegrip.
Dat is wat we nu als een speciaal bestanddeel in het on­derwijs, in de opvoedkunst van de vrijeschool ook willen hanteren, wat we voor noodzakelijk houden omdat het een­voudigweg waar is wat elke ware kunstenaar ook voelde: dat de kunst niet iets is wat louter door de mens is uitgevonden, maar een gebied waarin de mens op een ander niveau dan door de overige manier van begrijpen in de geheimen van de na­tuur kan binnenkijken, überhaupt in de geheimen van de hele wereld inzage mag krijgen. Pas op het moment dat de mens leert begrijpen: de wereld zelf is een kunstwerk, dat de mens leert in de hele natuur en in alle natuurgebeuren

Blz. 226

so hineinzuschauen, daß er in der Natur eine schöpferische Künstlerin sieht, erst in dem Momente ist der Mensch auf dem Wege, auch zur religiösen Vertiefung hinaufzudringen. Nicht umsonst sagte der Dichter Mitteleuropas: «Nur durch das Morgenrot des Schönen dringst du in der Erkenntnis Land.» Wahr ist es: wenn wir durch die Kunst den ganzen Menschen ergreifen, bewirken wir in dem Menschen auch wiederum ein entsprechendes Weltverständnis, das auf das Ganze, auf das Totale der Welt geht. Daher sollen wir, soviel es nur möglich ist,
zu dem, was nun schon einmal für die Prosakultur und -Zivilisation
notwendig ist, im Unterricht dasjenige hinzufügen, was rein menschlich ist. Und das kann nicht nur durch einen künstlerischen Unterricht, sondern auch durch eine entsprechende Unterweisung im Kunstverständnis einzig und allein geschehen. Kunst und Wissenschaft führen dann im rechten Maße, wie wir
morgen sehen werden, zur moralischen und zur religiösen Vertiefung.
Dafür aber, daß der Mensch in religiöser und moralischer Beziehung
vorwärtskomme, muß eben die Vorbereitung geschaffen werden durch die Tatsache, daß der Unterricht wie zu einer Waage wird. Auf der einen Seite liegt alles dasjenige, was in die Prosa des Lebens führt, was den Menschen sozusagen an die Erde bindet; auf der anderen Seite liegt das Gleichgewichtbewirkende alles dessen, was zur Kunst führt, was den Menschen in jedem Augenblicke seines Lebens das, was er in Prosa erarbeiten muß, auch künstlerisch erhöhen und so unmittelbar wiederum in den Geist hineinführen kann.

zo binnen te kijken dat hij in die natuur een scheppend kun­stenares ziet, op dat moment pas is de mens op weg ook tot religieuze verdieping omhoog te komen. Niet voor niets heeft de dichter van Midden-Europa gezegd: ‘Alleen door het morgenrood van het schone dring je door tot het land van de kennis.’4 Het is waar: wanneer we door de kunst de hele mens vatten, veroorzaken we in de mens ook weer een passend begrip voor de wereld dat uitziet op het geheel, het totaal van de wereld. Daarom moeten we zoveel als maar mogelijk is aan dat wat nu eenmaal voor de prozakultuur en -civilisatie nodig is, in het onderwijs datgene toevoegen wat zuiver menselijk is. En dat kan niet alleen door kunstzinnig lesgeven, maar ook door enkel en alleen een behoorlijk on­derwijs in het kunstbegrip gebeuren.
Kunst en wetenschap leiden dan, zoals we morgen zullen zien, in de juiste proporties tot morele en religieuze verdie­ping. Maar opdat de mens in religieus en moreel opzicht vooruitkomt, moet nu eenmaal de voorbereiding worden getroffen door het feit dat het onderwijs als het ware een weegschaal wordt. Aan de ene kant ligt alles wat naar het proza van het leven voert, wat de mensen om zo te zeggen aan de aarde bindt; aan de andere kant ligt het-evenwicht-veroorzakende van alles wat tot de kunst voert, wat de mens op elk ogenblik van zijn leven datgene wat hij zich in proza moet eigen maken, ook kunstzinnig kan optillen en zo di­rect weer binnen kan voeren in de geest.
GA 307/223-226
Vertaald/283-289

.

3566-3350

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven‘

.

Zie ‘voorwoord‘.

.

Günther Oling, Dornach

.

Kunstonderwijs in de negende klas
.

Elk vak past op organische wijze in het totale leerplan. Er komen specifieke thema’s aan bod – passend bij de leeftijd van de leerlingen – die niet willekeurig, maar op weloverwogen momenten in de klas worden geïntroduceerd. De leerlingen worden aangemoedigd zich met deze stof bezig te houden, zodat de aangeboden inhoud werkelijk kan doorwerken. Al in de jongste klassen hebben kinderen zich beziggehouden met boetseren en zich op speelse wijze ondergedompeld in het beeldhouwkundige element. Ook bij het schilderen hebben ze zich kunnen overgeven aan het levendige scheppen van kleurharmonieën. Het is verbazingwekkend hoe onbevangen jonge kinderen vaak werk maken dat een vitaliteit bezit die een kunstenaar soms pas na jarenlange scholing bereikt. Dit is vaak het duidelijkst zichtbaar bij kinderen jonger dan zeven jaar. Het gaat hierbij niet om figuratieve weergave, maar om de handeling van het puur beeldhouwkundig vormgeven en de ervaring van het leven in de kleur. Naarmate de jaren verstrijken, vervagen deze aangeboren vermogens. Jongeren moeten zich steeds meer inspannen om bewust terug te winnen wat ooit onbewust in hen leefde. Dit is vaak een lang en moeizaam proces, dat alleen door voortdurende oefening kan slagen. Zo kan een leerkracht bij geschiedenisles in de vijfde klas oude culturen nog op een zeer elementaire wijze benaderen. Voortbouwend op artistieke ervaringen roept de leerkracht beelden op die de kinderen vervolgens omzetten in kleurrijke composities of opnieuw tot leven brengen in schriftelijke opstellen. Ook hier leidt het potentieel van deze leeftijdsgroep tot werk van een aard die later niet meer te evenaren is. Dit vermogen om te putten uit de krachten van de kindertijd neemt geleidelijk af naarmate men ouder wordt. We moeten het element dat in het jonge kind aanwezig is, meenemen naar de oudere leeftijdsgroepen, zodat jongeren kunnen leren die levende stroom bewust te vatten.

Wanneer in de negende klas met beeldhouwen wordt begonnen, moeten we de puur beeldhouwkundige kwaliteit gaan cultiveren en naar voren halen. De vorm moet voortkomen uit een vlak dat in beweging is gebracht. Er kunnen oefeningen worden gedaan die voortkomen uit het element van pure, plastische beweging – waarbij nooit het stadium van de naturalistische vorm wordt bereikt, maar het bij eenvoudige bewegingsstudies blijft. Later kan het werk zich uitbreiden naar het vormgeven van dier- en mensfiguren. Op deze manier werken de leerlingen vanuit een totaal ander uitgangspunt dan wanneer ze direct met naturalistische vormen zouden beginnen. Wanneer we ons in de negende klas met dergelijke wordingsprocessen bezighouden, is ook het moment aangebroken om kunstgeschiedenis in het curriculum voor deze leeftijdsgroep op te nemen. De term “kunstgeschiedenis” zou hier niet van toepassing zijn, aangezien dit gehele vakgebied zo moet worden opgezet dat de bovengenoemde elementen de boventoon voeren; wat doorgaans als ‘geschiedenis’ wordt aangeduid, speelt slechts een ondergeschikte rol. De te behandelen stof is omvangrijk. Het vrijeschoolleerplan van Rudolf Steiner stelt voor om een ​​overzicht te bieden. Als een school niet over een twaalfde klas beschikt, is men genoodzaakt een compromis te sluiten door de studie van beeldende kunst en architectuur in de negende klas te combineren. Het leerplan voorziet erin de nadruk in de twaalfde klas op architectuur te leggen en in de negende op beeldende kunst. Hierdoor kunnen de verschillende aspecten die de menselijke ontwikkeling bevorderen, diepgaander en gedetailleerder worden behandeld. Bovendien kan de studie van architectuur zo worden gekoppeld aan een leeftijd die bij de leerstof past.

We kunnen de lessen zo vormgeven dat de beelden die in de vijfde klas—toen oude culturen werden besproken—indruk maakten, opnieuw tot leven komen, zonder dat de kinderen er expliciet aan herinnerd hoeven te worden. In deze nieuwe fase ontstaan ​​beelden die thema’s die eerder al aan de orde kwamen, vanuit een fris perspectief belichten.

Uiteraard is het onmogelijk om in dit kader een volledig beeld te schetsen van het verloop van een dergelijke periode—die bovendien doordrenkt moet zijn van artistieke activiteit. Enkele beschrijvingen kunnen echter de essentiële punten verduidelijken. Op deze leeftijd worden bepaalde zaken misschien nog niet intellectueel doorgrond, maar oefenen ze wel invloed uit op de zich ontwikkelende mens.

Bij het bekijken van Egyptische kunst zien we menselijke figuren naast godheden die weliswaar een menselijk lichaam hebben, maar een dierenkop. De oude Egyptenaar leefde in een toestand waarin de goden zich openbaarden in een vorm die bij zijn aard paste. Net als het dierenrijk stond hij enigszins los van de alledaagse wereld en ontving hij leiding vanuit het goddelijke rijk. Toch verschijnt er ook een figuur die bestaat uit een dierenlichaam met een menselijk gezicht: de sfinx. Deze sfinxfiguren zijn bijzonder indrukwekkend wanneer ze de weg naar de tempelingang flankeren. De Egyptenaren liepen in processie over deze sfinxenlaan naar de tempel toe. Ze zagen de torenhoge obelisken die naar de hemel reikten en de massale pylonen, met daartussen de ingang—een smalle doorgang waar ze doorheen stapten. Binnen wachtten de imposante zuilen. Wanneer we ons zo’n processie voor de geest halen—waarbij de priester het volk naar de tempel leidt—begrijpen we de strikt afgemeten tred van de Egyptenaren, zoals die in hun kunst wordt weergegeven. Men zou dit een statisch, architectonisch element kunnen noemen. De omgeving werkt in op het individu en vormt het.

In Griekenland treffen we een totaal ander karakter aan – een opvallend contrast. Ook hier zijn er processies, maar die hebben een veel ontspannener karakter. Wanneer de Egyptenaar over de Sfinxenallee liep, keek hij uit op een ondoordringbare gevel van torenhoge architectuur. Binnen in de tempel stonden de zuilen, en helemaal achterin bevond zich het allerheiligste – een ruimte die alleen door de priester mocht worden betreden. —

In Griekenland is de opzet omgekeerd. De zuilen die het dak dragen, staan ​​aan de buitenzijde en omsluiten de ‘cella’, waarin het cultusbeeld staat opgesteld. Het altaar bevindt zich in de openlucht en is voor iedereen zichtbaar. Laten we in dit verband kijken naar het westelijke fronton van de Tempel van Zeus in Olympia. Het toont de strijd tussen de Lapithen en de Centauren – een scène vol intense dramatiek. De Centauren – wezens met het lichaam van een paard en een menselijk bovenlichaam – vechten met brute kracht. Toch weten de Grieken, met hun nobele houding, hen te overwinnen. Boven het strijdgewoel uit torent de god Apollo.

Een ander aspect vinden we bij het Parthenon op de Akropolis van Athene: een fries van ruiters in reliëf. De paarden maken lichte sprongen; de ruiter vormt één geheel met zijn rijdier, maar blijft er toch van onderscheiden en heeft het dier volledig onder controle. De Wagenmenner van Delphi staat zo recht als een zuil; zijn blik is op het doel gericht terwijl hij de paarden met de teugels bestuurt; zijn houding straalt rust en beheersing uit. — Terug op de Akropolis: de kariatiden van het Erechtheion, die fier overeind staan ​​en gezamenlijk het dak van de Zuilengang van de Maagden dragen. — In tegenstelling tot de soberheid van de Egyptische kunst, stralen deze werken beweging en vitaliteit uit.

Om het motief dat centraal staat in onze bespreking te verduidelijken, richten we onze aandacht op een verschijnsel in de christelijke kunst. Hier verschijnen de wezens – adelaar, leeuw, stier en engel, die we ook bij de sfinx zagen – in verband met de evangelisten. Johannes wordt afgebeeld als adelaar, Lucas als stier, Marcus wordt vertegenwoordigd door een leeuw en Mattheüs door een engel; ze worden alle afgebeeld met grote vleugels in een kosmische omgeving, zoals te zien is in de basiliek Sant’Apollinare in Classe. Op andere afbeeldingen zien we de evangelisten met de wezens op de achtergrond – Mattheüs met de engel. Een mooi voorbeeld hiervan is te vinden bij het Gallusportaal van de Munster van Bazel. In de loop van de artistieke evolutie laten de afbeeldingen zien hoe de menselijke figuur zich steeds meer losmaakt van de verbinding met het dier. In de christelijke kunst vertegenwoordigen de apocalyptische wezens iets dat lijkt op een omkering van wat in eerdere tijden te zien was.

Een ander perspectief komt naar voren door de aan elkaar tegengestelde  zuidelijke en noordelijke artistieke traditie. Want pas door de wisselwerking tussen deze tegengestelde krachten ontstaat een geheel. Het is daarom de moeite waard om kunstwerken van diverse kunstenaars uit deze contrasterende sferen te bestuderen. In het werk van de schilder Cimabue – of ook dat van zijn leerling Duccio – bezitten de figuren een zekere onpersoonlijke kwaliteit. Alles is verheven boven het louter menselijke; dit staat in contrast met noordelijke kunstwerken, die een krachtig spiritueel element en een persoonlijke, individuele uitdrukkingskracht vertonen.

Een voorbeeld van zuidelijke artistieke scheppingskracht is het reliëf ‘De aanbidding der wijzen’ van Pisano, dat zich op de kansel van het Baptisterium in Pisa bevindt:

De figuren hebben een algemeen karakter; ze missen de uitgesproken individualiteit die bijvoorbeeld te zien is in de beeldhouwwerken van de Dom van Bamberg – werken die in dezelfde periode ontstonden en een treffend voorbeeld vormen van de noordelijke artistieke traditie. Daar draagt ​​elke figuur een uniek spiritueel stempel; dit onderscheid is ook zichtbaar in de weergave van de gewaden.

Als we de evolutie van de kunst volgen – van Cimabue in de schilderkunst en Pisano in de beeldhouwkunst tot aan Leonardo da Vinci, Michelangelo en Rafaël enerzijds, en van Bernward van Hildesheim en Konrad von Soest tot Dürer, Grünewald en Holbein in het noorden anderzijds – beginnen we te begrijpen hoe deze tegengestelde krachten werken en hoe ze in elkaar grijpen.

Dit komt bijzonder duidelijk naar voren in het werk van Rafaël. Hij schilderde zelden scènes uit het lijden van Christus; zijn ‘Graflegging’ bezit een harmonieuze schoonheid die scherp contrasteert met de ‘Kruisiging’ van Grünewald in het Isenheimer altaarstuk in Colmar. In dat laatste werk wordt de gebeurtenis met schokkend realisme weergegeven. Gezien de artistieke perfectie kun je het werk niet lelijk noemen, en toch belichaamt het de noordelijke kunst in tegenstelling tot de zuidelijke schoonheid.

Rafael: Graflegging:

Grünewald: Isenheimer Altar:

 

Op dit kruisigingspaneel manifesteren de tegengestelde krachten zich binnen één beeld: aan weerszijden van de gekruisigde figuur staan ​​de heiligen Sebastiaan en Antonius. Een in extase verkerende Sebastiaan staat voor een ronde zuil, zijn blik naar de hemel gericht; hij lijkt zich van niets bewust en voelt ogenschijnlijk niet hoe de pijlen zijn lichaam doorboren. Achter hem is een venster zichtbaar dat twee engelen toont die een krans dragen. — Aan de linkerzijde staat Antonius voor een vierkante zuil. Hij lijkt diep in gedachten verzonken. Achter hem bevindt zich een raam van kleine glasruitjes met een centrale verdikking (zogenaamde ‘oogjes’), dat de duivel aan het verbrijzelen is. Deze contrasterende figuren flankeren Christus, die met gespreide armen staat en zijn evenwicht bewaart als een weegschaal.

De tegenstellingen waaraan de mens blootstaat – en die in evenwicht moeten worden gebracht – worden hier als centraal motief geschetst. Kunstenaars door de eeuwen heen hebben zich met dit thema beziggehouden. Het komt bijzonder tot uiting in de behandeling van licht en donker in de schilderkunst – elementen die we in een grote verscheidenheid aan nuances en gradaties tegenkomen. Ook leerlingen moeten zich telkens weer met deze tegenstellingen verhouden: bij het schilderen met warme en koele kleuren; bij het vormgeven – zoals in vlakvormgeving, waar het samenspel van positieve en negatieve ruimte een gevoel van lichtheid creëert; of in de euritmie, door bewegingen van samentrekken en uitspreiden, dan wel het contrast tussen majeur en mineur. Leerlingen die zich met deze elementen verbinden, zullen een weg vinden om aansluiting te vinden bij de bovengenoemde begrippen.

Dit bereidt ons voor om onze verkenning af te ronden met een blik op de grote meester van licht en donker: Rembrandt. Aan de hand van zijn schilderijen kunnen we zien hoe een levende vorm ontstaat uit de wisselwerking tussen licht en donker. Niets kan voortkomen uit louter licht of louter donker. Juist door hun verweving – in de verdeling van licht en donker – ontstaat een derde element: het kunstwerk zelf. Rembrandt heeft dit op volmaakte wijze bereikt.

Vanuit dit perspectief kunnen we onze blik op het heden richten en kijken naar het houten beeldhouwwerk van Rudolf Steiner, dat zich in het Goetheanum in Dornach bevindt. Hier worden de tegengestelde krachten van licht en donker in hun wezenlijke aard weergegeven; ze werken op elkaar in als levende entiteiten. De ‘Representant van de Mensheid’ – rechtop schrijdend en evenwicht scheppend – treedt in hun midden als degene die hen overwint. Lucifer stort zich in de diepte, terwijl Ahriman gebonden in een grot ligt. Dit motief komt ook in kleur tot uitdrukking in het schilderij ‘Licht en Donker’: het blauw-violet contrasteert met het geel-rood, terwijl het groen in het midden het evenwicht vormt. De mens wordt voortdurend opgeroepen zich tot deze tegenstellingen te verhouden. Zijn taak is het vinden van het evenwicht tussen tegengestelde krachten.

Steiner Mensheidsrepresentant:

Het kan ons doel zijn om jongeren – door hen te confronteren met grote kunstwerken – binnen te leiden in de stroom van artistieke schepping; een stroom waarin kunstenaars datgene hebben gelegd wat altijd een vormende invloed op de mensheid heeft gehad en wat ook harmoniserend werkt op opgroeiende leerlingen, door hen richtinggevende krachten aan te reiken.

(Illustraties door mij toegevoegd)

.
9e klas: alle artikelen

Kunstgeschiedenis: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3565-3349

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven‘

.

Zie ‘voorwoord‘.

Het waarom van de stages staat in dit artikel. In onderstaande artikel zien we een praktische uitwerking.

Deze beschrijving van een 9e klas doet me denken aan een soortgelijke ervaring die ik zelf met een 7e klas had – die bestond toen nog – tijdens een werkweek op een bd-boerderij. De leerlingen deden werk dat ertoe deed, bv. het uitmesten van een kippenverblijf; wieden, poten en oogsten. Elke dag was er afwisselend als groep een kookploeg – ook de inkopen doen – een corveeploeg. ’s Middags ontspannen activiteiten, bv. per roeiboot een verkenningstocht over de daar aanwezige wateren.

De idee om 7e klassen een week op een b.d.-boerderij te laten werken, werd o.a. met niet aflatende ijver gepromoot door wijlen Hans Peelen, ouder, uit Den Haag, ook de mede-initiator van de nu nog zo populaire herfst- en voorjaarsmarkten/bazaars op vrijescholen.

.
Werner Bode, Bochum

.

Landbouwstage voor de negende klas in Wörme

 

Het was de tweede keer dat de school uit Bochum met een negende klas een stage op het platteland kon organiseren.

Het idee voor dergelijke projecten ontstond tijdens recente vergaderingen, toen de vraag opkwam hoe het onderwijs in de hogere klassen beter kon worden gekoppeld aan de praktijk. De noodzaak om leerlingen praktijkervaring te laten opdoen, is in onze tijd immers steeds dringender geworden.

Het is belangrijk om jongeren, terwijl ze nog op school zitten, de kans te geven kennis te maken met de echte arbeidswereld en zich daarin te bewijzen. Vooral wanneer ze de adolescentie bereiken, hebben zowel jongens als meisjes behoefte aan ervaringen die ze opdoen door directe betrokkenheid bij de concrete realiteit van moderne werkprocessen.

Voor onze leerlingen van de negende klas leek een ervaring waarbij ze volledig in het boerenleven opgingen, een logische en bij hun leeftijd passende keuze. In deze levensfase komen vragen over de fundamentele processen van het bestaan ​​met bijzondere intensiteit naar boven. Wat is de verhouding van de mens tot de aarde, tot de plantenwereld en tot dieren? Welke problemen veroorzaken technologie en moderne maatschappelijke omstandigheden voor mensen? Kortom, alle prangende levensvragen worden opnieuw gesteld en houden hun ontwakende bewustzijn meer dan ooit bezig. Gepaard aan een oerdrang om hun lichaam krachtig in te zetten, willen jongeren van deze leeftijd hun wilskracht op de proef stellen en taken uitvoeren die energie, bedachtzaamheid, moed en tegenwoordigheid van geest vereisen. Daarbij komt de gezonde, natuurlijke wens om in de natuur te zijn – een behoefte die in onze industriële regio [Ruhrgebied]maar al te zelden wordt vervuld.

Met dit in gedachten is het een groot geluk dat onze school een band heeft opgebouwd met landgoed “Wörme”. De boerderij ligt aan de noordrand van de Lüneburger Heide, op een enigszins afgelegen en rustige plek in een prachtig landschap. Uitgestrekte dennenbossen en echte heidevelden strekken zich in alle richtingen uit. Het landgoed van circa 160 hectare omvat alle essentiële elementen van een boerderij: naast bos, akkers en weilanden zijn er heidevelden en stukken onontgonnen land die nog voor landbouwdoeleinden geschikt gemaakt zouden kunnen worden. Een waterrijke rivier en diverse zijbeken zorgen voor een gunstige watervoorziening en maken de aanleg van vijvers mogelijk. Er worden rogge, haver en gerst verbouwd. Een waardevol ras heideaardappel, dat ter plaatse is ontwikkeld, gedijt hier goed en wordt voortdurend verder veredeld. Daarnaast worden er diverse wortelgewassen en groentesoorten geteeld. De boerderij biedt onderdak aan koeien, varkens, paarden, ganzen en kippen, en zelfs aan een aanzienlijke kudde Heidschnucke-schapen. Het kan dan ook worden omschreven als een volwaardig agrarisch bedrijf. Even belangrijk voor ons stageconcept is echter het feit dat de boer die met zijn grote gezin op landgoed Wörme woont, zelf ouder is van een kind op een vrijeschool. Het gaat hier om de heer Von Hörsten, die bij velen al bekendstaat om zijn werk in de biologisch-dynamische landbouw.

De heer Von Hörsten zet zich al jaren in voor het opzetten van landbouwgerelateerde jongerenprogramma’s. Op zijn initiatief ontstond jongerencentrum “Wörme” in een gerestaureerde voormalige schaapskooi.

Net als veel klassen van vrijescholen uit Hannover, Rendsburg en Bremen – die er voorheen alleen op excursie kwamen – verbleef ook onze negende klas in deze inmiddels wijd en zijd bekende “schaapskooi”.

Onze stage duurde helaas maar twee weken. Die twee weken zaten echter boordevol activiteiten. Er werd zes uur per dag gewerkt. De ene groep werkte op het land en oogstte aardappelen, wortelen en knollen. Een tweede groep werkte in het bos, waar in een moerassig gebied een forellenvijver werd aangelegd. De derde groep bleef op het landgoed en kreeg kookles van mevrouw Von Hörsten; de “leerling-koks” moesten daarbij ook maaltijden bereiden voor iedereen die op de boerderij werkte. En het smaakte heerlijk! De groepen wisselden elke paar dagen van werkplek.

Wat betreft de zorg en gastvrijheid die onze klas tijdens de stage heeft ervaren, kunnen we de heer en mevrouw Von Hörsten en hun hele gezin alleen maar hartelijk bedanken! Wie kan werkelijk beseffen wat het betekent om 38 leerlingen in de huiselijke kring op te nemen? We vernamen ook, bijna terloops, dat er speciaal voor ons een varken was geslacht. Ook de kwaliteit van het Demeter-gecertificeerde voedsel – waarvan een deel op de boerderij zelf was geproduceerd – droeg in grote mate bij aan onze energie en ons enthousiasme.

De productie van dit Demeter-gecertificeerde voedsel vormde tevens het uitgangspunt voor de intellectuele verdieping die de leerlingen kregen: deels tijdens het werk, maar vooral ’s avonds, na de nabespreking van de dagactiviteiten door de heer Von Hörsten. Op die manier werden de levensomstandigheden die planten en dieren nodig hebben om op een boerderij te gedijen, vanuit steeds weer nieuwe invalshoeken bekeken.

’s Avonds kwamen ook vragen aan de orde die specifiek waren voor deze boerderij, zoals heggen die oorspronkelijk als windkering waren geplant, ontwikkelden zich bijvoorbeeld gaandeweg tot “levensaders” voor vogels en vele andere nuttige kleine dieren. Ook werden ervaringen uitgewisseld over de positieve effecten van omheinde weiden op de veehouderij. De problemen rond bemesting en plaagbestrijding waren bijzonder interessant, aangezien deze direct verband houden met de tegenwoordig veelbesproken bijwerkingen veroorzaakt door het gebruik van chemische middelen. Daartegenover kon de heer Von Hörsten de methoden beschrijven die hij – in de loop van jarenlange arbeid – had ontwikkeld om hogere opbrengsten te behalen zonder kunstmest of giftige bestrijdingsmiddelen. Het revitaliseren van de bodem stond bij hem centraal. Gedurende deze dagen ontwikkelden alle betrokkenen een steeds rijker en veelzijdiger inzicht in de boerderij als levend organisme. Geïnspireerd door hun ervaringen in Wörme, bloeide onze negende klas op en straalde ze een vreugdevolle, innerlijke vitaliteit uit. Ondanks het zware werk leken de leerlingen te bruisen van energie. Het is moeilijk onder woorden te brengen hoeveel plezier en uitbundige vrolijkheid elke dag met zich meebracht.

De grootste voldoening kwam echter voort uit de uitstekend gekozen opdracht: het aanleggen van een forellenvijver. Aan de noordrand van het boerderijterrein lag een moerassige laagte, begroeid met elzen, waar een beekje doorheen stroomde. Men vond er een geschikte plek om door middel van een dam een ​​grote vijver te creëren. Daarvoor moesten echter eerst honderden kleine bomen worden gekapt en vele grote boomstronken worden uitgegraven. Bestond er een mooiere taak voor negendeklassers? Wie zich de locatie voor de geest haalt, ziet de leerlingen daar stuk voor stuk aan het werk: men kon zich verwonderen over de uiteenlopende houdingen, variërend van koppige vastberadenheid tot een oprechte opgaan in de elementen van het moerassige terrein!

Wat werkelijk inspireerde, was het bijna ongelooflijke eindresultaat: tegen de laatste dag was er daadwerkelijk een enorme vijver ontstaan. Tijdens een ceremoniële handeling werden er tien forellen in uitgezet. Een timmerman had speciaal voor de vijver een zogenaamde ‘monnik’ – een uitlaatconstructie – gemaakt, waardoor de installatie vakkundig werd aangelegd. De stage in Wörme was voor alle leerlingen en docenten, maar ook voor het personeel van de boerderij, een geheel nieuwe ervaring van leren in de praktijk. Uiteraard kon dit verslag slechts enkele hoogtepunten belichten. Een dagtocht naar Hamburg en een avond waarop de klas huiselijke muziek ten gehore bracht voor de boerderijgemeenschap, vormden de afsluiting van de tijd in Wörme.

Voor alle deelnemers was het een ware ontmoeting: een ontmoeting met mensen die op het platteland werken en midden in de tijdgeest staan, maar ook een ontmoeting met de wereld van de landbouw, waaraan wij sinds mensenheugenis ons dagelijks brood te danken hebben.

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3564-3348

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

.

Zie ‘voorwoord‘.

.

Toen er in 1958 in Bochum een nieuwe bovenbouw werd opgericht, volgde men niet traditiegetrouw de sinds 1919 betreden paden, maar probeerde men vanuit de tijdgeest te luisteren naar wat voor de leerlingen – de volwassenen van de toekomst – in hun tijd, essentieel is.

Dat kan ook 70 jaar later tot gezichtspunten leiden die het leerplan verrijken.

.

Johannes Kiersch, Bochum
.

Over het leerplan van de bovenbouw
.

Bij de oprichting van de Rudolf Steiner-school in Bochum in 1958 leefde onder de vrienden en oprichters de sterke wil om dit nieuwe onderwijsinitiatief op effectieve wijze te verankeren in de specifieke maatschappelijke omstandigheden van het Ruhrgebied. Men zag het voor zich als een ‘Rudolf Steinerschool voor het Ruhrgebied’ – niet louter omdat ze in het hart van dit industriegebied zou worden gevestigd, maar omdat ze kinderen die opgroeiden in een geïndustrialiseerde, hoogtechnologische omgeving wilde helpen om – dankzij haar genezende en veilige kracht – op verantwoorde wijze hun plaats in te nemen binnen de levensomstandigheden van hun medemensen en bij te dragen aan de bescherming van die omstandigheden om vanuit eigen inzicht samen te werken. Het was niet de bedoeling een “pedagogische provincie” te creëren – een plek waar cultuur en onderwijs worden gecultiveerd, los van het werkelijke leven en louter omwille van zichzelf – maar veeleer een school voor actieve mensenliefde in een moderne vorm.

Dit voornemen van de oprichters – dat volledig werd onderschreven door het nieuwe lerarenteam – zou onvermijdelijk een grote invloed hebben op alle inspanningen rondom het werk in onze bovenbouw. ​​Het doel was om verder te kijken dan het traditionele vrijeschoolleerplan en programma’s op te zetten die bij adolescenten een besef konden wekken van de veelzijdige verantwoordelijkheden die het volwassen leven in een hoogontwikkelde, professionele wereld uiteindelijk van ieder van hen zou vragen. Het was noodzakelijk om doelen, mijlpalen en duidelijke fasen van inzicht vast te stellen, die de weg naar dit verantwoordelijkheidsgevoel tastbaar zouden maken door middel van een boeiende, logische opbouw.

Zo werden er praktische stages ingevoerd: een landbouwstage in de negende klas (zeven jaar geleden ingevoerd), een techniekstage in de tiende, en in de elfde klas een stage in de industrie (zes jaar geleden) of in de heilpedagogie (vijf jaar geleden). Evenzo werd het concept van een “jaarproject”, [eindwerkstuk] in de twaalfde klas – dat elders al zijn waarde had bewezen – overgenomen en verder ontwikkeld om aan te sluiten bij het vrijeschoolleerplan; dit leidde tot de creatie van een vrijeschool-eindexamen dat een betekenisvolle afsluiting van ons onderwijsprogramma vormt. Het vreemdetalenonderwijs werd uitgebreid – met een nieuwe nadruk op moderne vreemde talen – en aanzienlijk versterkt door maatregelen om de werkdruk voor individuele leerlingen te verminderen en door het werken met niveaugroepen. Momenteel ontwikkelen we drie aanvullende beroepsvoorbereidende cursussen – in houtbewerking, metaalbewerking en sociaal werk – voor leerlingen uit de elfde en twaalfde klas die nog maar één vreemde taal volgen.

Al deze initiatieven geven een duidelijke structuur aan de beleving van de bovenbouwjaren, zoals die door de gehele schoolgemeenschap wordt ervaren. Net zoals individuele onderwijsperiodes altijd als iets bijzonders werden gezien – als een kostbaar geschenk van het betreffende schooljaar – en met vreugdevolle verwachting werden tegemoetgezien door leerlingen, ouders en leraren, zo is het nu ook bekend dat de negende klas naar Wörme reist, de tiende naar Hallig Hooge en de elfde naar Lohr. Deze namen beloven niet slechts een avontuurlijke schoolreis; ze fungeren als sleutels tot nieuwe omgevingen; ze bieden kansen om zich buiten de muren van het klaslokaal te bewijzen en wekken een verantwoordelijkheidsgevoel op voor menselijke en mondiale vraagstukken – een besef dat gaandeweg de weg naar de eindexamens steeds meer een individuele invulling krijgt, totdat het op het moment van de overgang naar het beroepsleven zijn eigen, diep persoonlijke en een gestructureerde vorm aanneemt. Een sterk besef van doelgerichtheid doordringt het werk in de bovenbouw wanneer leraren en ouders erin slagen de nieuwe aspecten van het leerplan doordacht vorm te geven – een doelgerichtheid die het werk van onze jongeren stuurt met het oog op de toekomst, in plaats van op de tradities van het verleden. De eerbiedwaardige monumenten uit het verleden – waarvan de vrijeschool zich te midden van een afbrokkelende cultuur als hoeder beschouwt – krijgen nieuw leven naast dit hernieuwde engagement voor de toekomst.
De theocratische culturen van India, Perzië, Egypte en de klassieke oudheid – waarvan de prestaties in het leerplan van de tiende klas van de vrijeschool uitzonderlijk veel ruimte krijgen via vier weken ‘periodeonderwijs’ – verschijnen nu naast de nuchtere techniek van het landmeten; de mysterieuze spirituele reizen van Parzival en zijn wereld worden diepgaand beleefd terwijl de indrukken van de industriële stage in de elfde klas nog in de geest van de leerlingen nazinderen; de existentiële worstelingen van Faust in de twaalfde klas gaan hand in hand met het omgaan met de individuele uitdagingen van het jaarlange zelfstandige project.

Men ervaart dat de Rudolf Steinerschool bewust probeert de schijnbaar onoverbrugbare tegenstellingen van het werkelijke leven met elkaar te verzoenen; dat ze niet terugdeinst voor de raadsels van het moderne bestaan, maar leerlingen juist begeleidt om deze met kalme vastberadenheid het hoofd te bieden. Wanneer dit met volledige toewijding wordt nagestreefd, raken veel van de vragen die het onderwijsdebat op andere scholen domineren grotendeels naar de achtergrond. Het is dan niet langer nodig om verhit te debatteren over zaken als de democratisering van het schoolleven, audiovisuele hulpmiddelen en onderwijsmachines, wijzigingen in de examenstof, seksuele voorlichting, de modernisering van verouderde leerboeken en dergelijke.

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3563-3347

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

.

Zie ‘voorwoord‘.

Gezichtspunten over de stage in de bovenbouw.

 

Wolfgang Schad, Pforzheim

.

Over de inrichting van de bovenbouw

Waar dient een school voor? Om de kennis van de ouderen door te geven aan de volgende generaties? Om leerlingen voor te bereiden op de huidige samenleving? Om de jeugd toe te rusten voor de toekomst? Welke kennis? Op welke samenleving? Voor welke toekomst?

Wie op basis van dergelijke en soortgelijke doelstellingen – hoe goedbedoeld die ook mogen zijn – wil opvoeden en onderwijzen, doet geen recht aan zijn taak ten opzichte van het kind of de jongere dat voor hem zit. Want ook de opgroeiende mens is er niet om te voldoen aan de eisen van welke kant van de volwassen wereld dan ook. Elk kind, elke jongere, elke volwassene draagt een eigen, in zichzelf rustend, met zichzelf identiek doel in zich, dat, eenmaal bevrijd, uiteindelijk meer voor de samenleving betekent dan welk door de samenleving voorgeschreven doel dan ook.

Hoe moet er dan worden opgevoed? We beschikken over het culturele erfgoed van vele voorbije eeuwen, we laten ons inspireren door de vooruitzichten op de toekomst, en we beschikken in de Waldorfscholen over de onschatbare aanwijzingen van Rudolf Steiner. Misschien wel zijn belangrijkste advies was uiteindelijk om zich nooit te laten leiden door programma’s of formules, maar juist – vanuit de jongere zelf – die spirituele, zielvolle en fysieke behoeften te onderkennen die voorbij woorden liggen; en zo elke generatie en elk tijdperk een onderwijsaanpak te bieden die zich in de leerkracht voortdurend vernieuwt – onderwijs dat werkelijk bij hen past.

Het kind is altijd al een mens, maar geen volwassene in miniatuurformaat. Het is dan ook de eerste taak van de opvoeder om de waardigheid en het eigen karakter van elke leeftijdsfase niet alleen te erkennen, maar ook te koesteren. Een plant moet eerst wortel schieten voordat ze al haar bladeren ontvouwt, en moet eerst bloeien voordat ze vrucht draagt. Een pedagogiek die te snel veel te veel onmiddellijke resultaten wil, zonder de levenswetten van de menselijke ontwikkeling te kennen, maakt van het kind een proefkonijn.

Moeder, vader, kleuterleidster en leraar moeten zich ervan bewust zijn dat de opgroeiende mens in de opeenvolging van drie grote levensfasen van elk zeven jaar zichzelf en daarmee het volwassen zijn stap voor stap verwezenlijkt. Op school zijn het de tweede zeven jaar die in al hun kinderlijke glans als oases uit de volwassen wereld mogen oprijzen, waar het kind-zijn zich in zijn wonderbaarlijke pracht krachtig kan ontplooien aan de hand van de passende leerstof.

Hoezeer dit gebied tot de leeftijd van veertien jaar ook beschermd moet worden, daarna geldt juist het tegenovergestelde. De opgroeiende jongere maakt de overgang van kindertijd naar jeugd door. De kinderlijke verbeeldingswereld valt uiteen; wat daar te veel van blijft hangen, komt nu kinderachtig over. Er vindt een ingrijpende verandering plaats, die zelfs tot in het lichaam doordringt. Er openen zich nieuwe geestelijke horizonten, nieuwe belevingsvermogens en het eerste zelfstandige – zij het meestal nog niet creatieve – denken wordt met vreugde ontdekt. En hoe sterk verandert daarmee, voor de jongere zelf onverwacht, zijn beeld van de volwassenen! Waar voorheen puur vertrouwen heerste, begint de innerlijke toetsing van de volwassene. Daarmee wordt echter een nieuwe stap gezet, juist in de richting van de vermogens van de volwassen wereld. De school mag nu niet langer slechts een omhulsel zijn, maar de muren van het schoolgebouw moeten doorzichtig worden en het zicht vrijmaken op de hedendaagse beschaving en samenleving met al hun enorme problemen.

Toen op 7 september 1919, vijftig jaar geleden, [artikel uit 1969] de eerste Waldorfschool in Stuttgart haar deuren opende, had Steiner nog maar vijf en een half jaar te leven om aanwijzingen en hulp te geven voor de nieuwe pedagogiek. Dat had tot gevolg dat we voor de destijds als laatste uitgewerkte bovenbouw minder concrete aanwijzingen en afzonderlijke uiteenzettingen van Steiner hebben dan voor de midden- en onderbouw. Zeker, we handelen volgens de aanwijzing om vanaf de veertiende, vijftiende levensjaar de nauwe band met een klassenleraar, die het gehele hoofdonderwijs verzorgt, los te laten. De jongere moet een rijker spectrum aan leraren leren kennen. Er is niet alleen een overvloed aan belangrijke aanwijzingen voor het leerplan van de bovenbouw, maar deze zijn ook daadwerkelijk in praktijk gebracht. Toch is de situatie onduidelijker in vergelijking met de onder- en middenbouw. Als de leraar in de bovenbouw Waldorfpedagogiek wil beoefenen, moet hij in de lessen in zeer bijzondere mate putten uit zijn eigen creativiteit. Daartegenover staat dat de laatste schooljaren, zoals in geen enkele andere fase van de schooltijd, gemakkelijk te programmeren zijn op basis van de eisen van externe examens. Wat te doen?

Op de school in Pforzheim zijn we, vanuit de overweging om de bovenbouw meer doorlopend te structureren en de band met het echte leven te verdiepen, tot de invoering van stages gekomen. Het veldmeten bestaat al vele jaren als zo’n activiteit waarbij een hele klas buiten het schoolterrein aan de slag gaat. Daar komen nu drie extra stages bij, zodat elk leerjaar van de bovenbouw een stage krijgt die bij de leeftijd past:

10e klas: landbouw- of bosbouwstage,

11e klas: veldmeetstage,

12a-klas: sociale stage,
afgewisseld
12b-klas: industriële stage.

Bij alle stages is het de bedoeling om de leerlingen in contact te brengen met de hedendaagse arbeidswereld. Zo gaat het bij de eerste stage niet om het ophalen van herinneringen aan het ‘mooie, oude boerenleven op het platteland’ voor de leerlingen, maar om hen te laten meewerken op biodynamische boerderijen of op intensief bewerkte landbouwbedrijven, om zo onder begeleiding van de docent kennis te maken met de huidige omstandigheden en problemen. Hetzelfde geldt voor het meewerken in de bosbouw en voor de sociale en industriële stage.

Na de Pinkstervakantie liep de tiende klas onder leiding van de lerares tuinbouw op de Buckenberg in het wildpark stage in de bosbouw. Dit was tegelijkertijd bedoeld als een geschenk van de school aan de stad ter ere van ons jubileum dit jaar. Een week lang hebben de leerlingen struiken gerooid, omheiningen aangelegd, paden aangelegd en verbeterd, egalisatiewerkzaamheden uitgevoerd en het wild gevoerd. De stad zorgde daarbij voor de lunch. De bijzondere waarde van dit initiatief lag ook in het feit dat de leerlingen niet uit winstbejag, maar vanuit maatschappelijk begrip met plezier fysiek werk verrichtten. Ze hebben de hen opgedragen taken uitstekend uitgevoerd.

De klas 12a ging begin juli naar de omgeving van het Bodenmeer om een week lang mee te werken in drie internaten voor kinderen met een beperking (Föhrenbühl, Bruckfelden en Brachenreuthe bij Überlingen). Het is moeilijk om de kracht van de indrukken die de klas opdeed onder woorden te brengen. Zo schokkend als de eerste indruk voor de leerlingen was, zo ontroerend was het voor hen om al na enkele dagen te ervaren dat in elk van de lichamelijk zo gehandicapte kinderen — het waren voornamelijk kinderen met spastische en autistische stoornissen — een volwaardig mens schuilging. Al op de derde dag leek het voor velen alsof de kinderen helemaal niet ziek waren – zozeer overheerste de persoonlijk opgebouwde band het uiterlijk zichtbare. Want dat was de volgende ervaring: deze kinderen – vaak niet eens in staat om fatsoenlijk te spreken of te lopen – getuigen van zo’n hartelijkheid, dankbaarheid en leergierigheid dat de zogenaamde ‘normale’ mens zich ervoor schaamt en zich afvraagt wie hij zelf eigenlijk is. De klas verliet dit werk met tegenzin, want iedereen had zich de vraag over de mens gesteld: wat is hij eigenlijk?

Na de zomervakantie reisde de elfde klas naar Sainte Marie aux Mines in de Vogezen om daar onder begeleiding van twee leraren een Duitse soldatenbegraafplaats uit de Eerste Wereldoorlog in kaart te brengen. Ook hier stond geen ‘droogoefening om te leren zwemmen’ op het programma, maar het maken van een noodzakelijke kaart die de Volksbund für Kriegsgräber nodig heeft om deze begraafplaats te laten herinrichten. Het werk kon binnen veertien dagen volledig worden afgerond. Het goedmaken van iets van het ongelukkige lot tussen de volkeren gaf deze dagen hun innerlijke sfeer.

In november begon de nieuwe twaalfde klas aan de eerste industriële stage van veertien dagen bij een bedrijf dat onderdelen voor elektrische apparaten produceert. De dertien jongens en twee meisjes werden ingezet bij de lopende bandproductie van elektrische onderdelen en hebben twee weken lang de volledige werkdag meegemaakt.

In de puur zakelijke, eentonige dagelijkse werksfeer van de fabriek, te midden van lokale werknemers en gastarbeiders, hebben onze leerlingen nu ‘aan den lijve’ ervaren welke sociale problemen onze industriële samenleving in zich draagt. Daarna volgden gesprekken met de bedrijfsleiding en de ondernemingsraad. De pedagogische leiding was in handen van een leraar. Juist na de sociale stage kon de klas de tegenovergestelde arbeidswereld ervaren en zich realiseren dat het grootste deel van de bevolking in deze beroepswereld leeft.

Als men de vier stages in hun samenhang bekijkt, blijkt: uiteindelijk zijn ze allemaal sociale stages geworden. Daarin ligt hun gezamenlijke rechtvaardiging. Het kind leert op school nog voor ‘de leraar’. De jongere komt een stap verder, naar zichzelf toe: hij leert voor zichzelf. Tijdens de stages ervaart hij een derde aspect: dat het ‘leren voor zichzelf’ zijn menselijke waarde krijgt wanneer het eenmaal sociaal effectief wordt voor anderen. Ze vormen een voorbereiding op de stap naar de volledig verantwoordelijke volwassenheid van de eenentwintigjarige en bieden zo de opgroeiende jongere een noodzakelijke oriëntatiehulp, juist in het derde jaar van de zevenjaarsfasen.

Deze aanwijzingen moeten tegelijkertijd aan de hand van voorbeelden laten zien uit welke bronnen een Waldorfschool haar pedagogische vormgeving put en waaruit zij de mogelijkheden voor verdere ontwikkeling haalt: uit de totale behoeften van uitsluitend de opgroeiende mens zelf, die zij door haar opvoeding wil dienen. Zo moet ook na vijftig jaar Waldorfpedagogiek* de blik niet alleen gericht zijn op het bereikte, maar steeds meer ook op het nog te bereiken. Want: hoe zal de volgende generatie kinderen er wel niet uitzien?

*(nu kan dit gezegd worden met ‘na honderd jaar’), eigenlijk is dit weer eens een voorbeeld van gezichtspunten van ‘lang geleden’ die niet zijn achterhaald. Die zelfs nog volop kiemkracht hebben voor de toekomst. 

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3562-3346

.

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Aanvulling Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-3)

.
In [1-2-3] gaf ik verschillende meningen over ‘geest’, ‘bewustzijn’, brein.
Er vindt veel hersenonderzoek plaats en op grond daarvan worden meningen gevormd.

In ‘HersenMagazine’ = Bewustzijn = 16e jrg. nr.3 2018 is een interview afgedrukt. 
Er worden gezichtspunten gegeven, die, wanneer je je verdiept in het werk van Steiner, bekend voorkomen.* 

‘Bewustzijn is ongrijpbaar’

.

Is bewustzijn verbonden met de hersenen? Zo ja, hoe? En kun je bewustzijn in de hersenen aanwijzen? Negen vragen aan psychiater en filosoof prof. Gerrit Glas van de Vrije Universiteit Amsterdam over dit boeiende onderwerp.

Wat is bewustzijn?

‘De term bewustzijn heeft verschillende betekenissen. Als iemand “bij bewustzijn” is, dan is die persoon wakker. Bewustzijn hebben we nodig om bijvoorbeeld ons gedrag te kunnen coördineren en te kunnen plannen. Er is ook zelfbewustzijn: we zijn ons vrijwel voortdurend bewust van onszelf.’

Wat is het verband tussen bewustzijn en de hersenen? 

‘Zonder hersenen is er geen bewustzijn. De hersenen zijn betrokken bij alles wat met bewustzijn te maken heeft. Maar de precieze relatie is niet duidelijk. Bewustzijn is niet te verklaren door één proces in de hersenen. Het is ook moeilijk om die relatie te onderzoeken. Als een wetenschapper op een hersenscan een bepaalde verandering in de hersenen ziet optreden, dan is dat op zich nog geen verklaring voor het bewustzijnsproces.’

Hoe vindt onderzoek plaats naar bewustzijn?

‘Veel bewustzijnsonderzoek richt zich op aandacht, planning en het sturen van gedrag. Tijdens bewustzijnsonderzoek krijgen proefpersonen een opdracht en wordt er onderzocht welke hersenprocessen op dat moment spelen. Er zijn ook studies met patiënten die in een vegetatieve toestand verkeren: de patiënt is dus niet bij bewustzijn. Men dacht altijd dat het brein dan ook niet functioneert. Toch wordt soms wel iets van hersenactiviteit waargenomen, bijvoorbeeld als deze mensen reageren op geluid of op een vraag. Er zijn aanwijzingen dat een deel van deze patiënten toch een vorm van bewustzijn kan hebben.’

Verandert dit de kijk op de hersenen?

‘Jazeker. Vroeger was het idee dat het brein grofweg is opgebouwd uit drie delen: een deel dat de lichaamsfuncties regelt, een emotioneel deel en een deel voor organisatie en planning van wat je doet. Als het ware een gebouw met drie verdiepingen, waarbij bij coma de bovenste twee verdiepingen voor emotie en planning weg zijn. Maar dit is een te eenvoudig beeld. Het ligt ingewikkelder en subtieler.’

Waren er vroeger al ideeën over hersenen en bewustzijn?

‘Van oudsher werden lichaam en “geest”, oftewel bewustzijn, vaak los van elkaar gezien. Hersenonderzoek laat zien dat bewustzijn heel nauw met ons lichaam en dus ook met onze hersenen verbonden is. Zo is ons zelfbewustzijn heel sterk verbonden met allerlei signalen die we uit ons lichaam ontvangen.’

Hoe wordt nu gedacht over hersenen en bewustzijn?

‘Een belangrijk nieuw idee is dat het brein is ingebed in het hele lichaam, onder andere via het zenuwstelsel. Het lichaam staat op zijn beurt in relatie tot de omgeving en reageert op de omgeving via de zintuigen. We kunnen iemands psychologisch functioneren daarom niet los zien van de omgeving. Vroeger zagen we de hersenen als een orgaan dat zich in de schedel bevindt. Tegenwoordig beschouwen we het brein als een enorm complex geheel van netwerken, die zelf ook weer verbonden zijn met het lichaam en de omgeving.’

Is er ook een relatie tussen omgeving en bewustzijn?

‘Bewustzijn werd vaak alleen maar gezien als een product van de hersenen. Net zoals de galblaas gal produceert. Nu speelt de omgeving – de context – inderdaad een grotere rol. Op allerlei niveaus, van de basale biologie tot aan de psychologie, moet de omgeving worden meegewogen. Maar hoe betrek je de omgeving bij hersenonderzoek? Dat is ingewikkeld. In de psychiatrie worden daarmee nu de eerste stappen gezet.’

Zelfbewustzijn bestaat ook uit gedachten over ziekte. Kun je die gedachten beïnvloeden?

‘Er vindt momenteel veel onderzoek plaats naar het effect van meditatie op iemands functioneren en op het algehele gevoel van welbevinden en gezondheid. Dat effect blijkt positief. Het is mogelijk om met meditatie bijvoorbeeld angst te verminderen. Vaak is dat tijdelijk, maar het kan iemand toch helpen.’

Waarom vinden we bewustzijn interessant of belangrijk?

‘Bewustzijn heeft iets mysterieus. Het is ongrijpbaar en we kunnen niet aanwijzen waar het precies zit in het lichaam. En bewustzijn is nauw verbonden met zelfbewustzijn. Dat roept filosofische vragen op. In hoeverre kan ik mijn gedrag en mijn leven sturen? Waar blijft het bewustzijn na de dood? Is er een hiernamaals? Hoe ziet dat eruit? Bestaan er andere werelden die niet voldoen aan de wetmatigheden zoals we die hier kennen? Voor vrijwel iedereen zijn dat boeiende onderwerpen. Het antwoord op die vragen bepaalt hoe je in het leven staat.’

*Antwoorden op bovenstaande vragen vind je ruimschoots in het werk van Steiner.
Neem de hier gestelde vraag: ‘Bestaan er andere werelden die niet voldoen aan de wetmatigheden zoals we die hier kennen?‘, dan is een antwoord daarop al in dit artikel gegeven:
Immers: als het bewustzijn – hier ook gelijkgesteld aan geest = ongrijpbaar is, dan kan er maar één conclusie zijn: dan hoort het niet bij de grijpbare wereld. Dat is de fysieke wereld, zoals Steiner deze noemt. Dan behoort het bewustzijn tot een niet-fysieke wereld. Dus tot een andere wereld. Waarom zouden we die niet de wereld van het bewustzijn noemen of de wereld van de geest. 

Daarmee spreek je uit dat de geest een realiteit is, een andere dan de fysieke, maar wél een realiteit. 

Waarom zien we vaker deze gezichtspunten, maar wordt de gedachte niet consequent dóór gedacht: er is dus kennelijk een niet-fysiek zichtbare tweede wereld: die van de geest. 

Je kan de Hersenstichting steunen met een gift op rekeningnummer

NL18 INGB 0000 000 860

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Breinbreker (nieuw)

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing volgt later

Alle breinbrekers

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle ‘gewone’ raadsels

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

.

Zie ‘voorwoord‘.

In GA 294 – Opvoedkunst – spreekt Steiner aan het begin van voordracht 12 (3 sept.1919) over dit onderwerp.
Die tekst is als artikel weergegeven. Er zijn een aantal passages weggelaten. Die heb ik erin gelaten.

Het gevoel dat Steiner hier beschrijft van onvrede wanneer je iets uit je omgeving niet snapt, kennen de meesten van ons – ik in ieder geval – wel. Bv. wanneer er iets niet lukt op de pc. Je begrijpt niet hoe het werkt en wat je moet doen. Dat lukt wellicht door informatie, maar niet door eigen inzicht en kennis.
En zo worden we elke dag omringd door talloze dingen waarvan we gebruik maken, maar niet weten hoe ze eigenlijk werken of zijn gemaakt.

Steiner noemt uiteraard dingen die er in zijn tijd waren en nu niet meer: wie reist er nog per stoomtrein.
Maar de idee is springlevend. Want hoe goed zou het niet zijn dat jongelui de basale werking van de computer begrijpen; dat ze zelf eenvoudig kunnen programmeren; dat ze doorzien wat een algoritme is; hoe hun telefoon werkt, enz. enz. Ik weet dat er vrijescholen zijn die daar bewust mee bezig zijn.
En ook in de verschillende stageperiodes kunnen de leerlingen van dichtbij het ‘echte leven’ ervaren.

Hoe techniekonderwijs werkt
.

We moeten onder ogen zien dat de relaties van de mens met zijn omgeving veel gecompliceerder zijn en meer omvatten dan de dingen die wij ons altijd bewust zijn.
Vanuit de meest verschillende gezichtspunten heb ik u, zoals u weet, het karakter en de betekenis proberen duidelijk te maken van de onbewuste en onderbewuste
processen in de ziel.°
° Voetnoot in de vertaling: 
onbewuste en onderbewuste processen in de ziel: Zie vooral de zesde en negende voordracht in Algemene menskunde

En vooral op het gebied van de pedagogie, van het onderwijs, is het van groot belang dat de mens opgevoed wordt op een manier die niet alleen recht doet aan zijn bewustzijn, maar ook aan zijn onderbewustzijn, zijn onder- en onbewuste zielenkrachten.
Daarom moeten we, als we werkelijk opvoeder en pedagoog willen zijn, op de subtielere kanten van de menselijke natuur ingaan.

We hebben de drie fasen in de menselijke ontwikkeling leren kennen die zich manifesteren tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid en die tot de eerste jaren na de basisschool reiken. En daarbij moeten we goed bedenken dat vooral in de laatste van deze levensfasen het onderbewuste naast het bewustzijn een grote rol speelt, een rol die van betekenis is voor het hele verdere leven.
Ik zou dit willen verduidelijken door de zaak nog vanuit een ander gezichtspunt te benaderen.

Bedenkt u eens hoeveel mensen tegenwoordig met elektrische treinen reizen, die er geen flauw benul van hebben waar de voortbeweging van zo’n elektrische trein eigenlijk op berust. Bedenkt u hoeveel mensen tegenwoordig zelfs nog een stoommachine in de vorm van een locomotief voorbij zien razen, zonder dat ze enig besef hebben van de natuurkundige en mechanische krachten die zo’n stoommachine in beweging brengen. Denkt u zich eens in, hoe wij door dit niet-weten eigenlijk als mensen tegenover onze omgeving staan – een omgeving waar we zelfs gebruik van maken. Wij leven in een wereld die door mensen is gemaakt, die naar menselijke gedachten is gevormd, die we gebruiken en waar we niets van begrijpen. Dat we niets begrijpen van iets wat door mensen
is gevormd, wat in feite het product van menselijke gedachten is, dat heeft een groot effect op de hele psychische en geestelijke stemming van de mens. De mensen moeten zichzelf eigenlijk verdoven om de werkingen die hiervan uitgaan niet waar te nemen.
Ik vind het altijd heel bevredigend als ik zie dat mensen uit – tja, hoe moet je dat noemen, zonder te kwetsen –, uit de betere standen een fabriek binnenstappen en zich daar bepaald onbehaaglijk voelen. Dat komt doordat ze merken dat er uit hun onderbewuste een gevoel opduikt, het gevoel dat ze alles wat er in die fabriek geproduceerd wordt gebruiken en toch zelf als mens geen enkele relatie hebben met wat er in die fabriek gebeurt. Ze weten er niets van. Als je – om iets bekends te noemen  – het onbehagen waarneemt bij iemand die een echte roker is, die de Waldorf Astoria-sigarettenfabriek binnenstapt en geen flauw benul heeft van wat daar gebeurt om hem zijn sigaretten te bezorgen, dan ben je eigenlijk al blij dat deze persoon in ieder geval zijn niet-weten nog kan waarnemen, het feit dat hij niets weet van deze uit menselijke gedachten voortgekomen omgeving waarin hij leeft en waarvan hij de producten gebruikt. En wanneer mensen die niets van de werking van een elektrische tram begrijpen, steeds met een licht gevoel van onbehagen de tram in- en uitstappen, dan ben je al blij.
Want dat lichte gevoel van onbehagen is al het eerste begin van een
verbetering op dit gebied.

Het ergste is deel uit te maken van een door mensen gemaakte wereld, zonder naar die wereld om te kijken.

Deze dingen kunnen we alleen tegengaan als we daarmee al in het twaalfde jaar beginnen. We moeten leerlingen van veertien, vijftien jaar niet van school laten gaan ° zonder dat ze tenminste een elementair begrip hebben van de belangrijkste maatschappelijke processen.
° Voetnoot in de vertaling:
leerlingen van veertien, vijftien jaar niet van school laten gaan: Deze uitspraak houdt verband met de Duitse Volksschule.

Dan krijgen ze het verlangen om bij iedere gelegenheid nieuwsgierig, weetgierig te zijn naar wat er om hen heen gebeurt, en dan ontwikkelen ze vanuit deze nieuwsgierigheid en weetgierigheid hun kennis verder.
Daarom moeten we in de eerste jaren van de bovenbouw alle afzonderlijke lesthema’s breed inzetten voor de sociale vorming van de mens, op dezelfde manier als we zulke afzonderlijke thema’s in de aardrijkskunde verwerken om,
zoals ik dat in de vorige voordracht exemplarisch beschreven heb, tot een soort totaal-aardrijkskunde te komen.
Dat wil zeggen, we moeten niet nalaten de kinderen vanuit de natuurkundige begrippen die we behandeld hebben vertrouwd te maken met het arbeidsproces in ieder geval in die bedrijfstakken die ze kennen. Over het algemeen moet een kind met veertien, vijftien jaar een idee hebben van wat er in een zeepfabriek
of in een spinnerij gebeurt. We moeten dat natuurlijk zo economisch mogelijk doen. Ieder veelomvattend arbeidsproces laat zich wel terugbrengen tot iets kernachtigs; wat zich gecompliceerd afspeelt kan heel elementair worden samengevat. Ik denk dat de heer Molt ° mij gelijk geeft als ik beweer dat we door economisch te werk te gaan kinderen heel goed in enkele korte zinnen het hele fabricageproces van sigaretten kunnen bijbrengen, zelfs van begin tot eind, als ze daarbij tenminste kunnen teruggrijpen op de al behandelde leerstof.
° Voetnoot in de vertaling:
Emil Molt (1876-1936), eigenaar van de Waldorf-Astoria-sigarettenfabriek in Stuttgart en initiator van de ‘Freie Waldorfschule’.

Het is een grote weldaad voor kinderen van dertien, veertien, vijftien, zestien jaar wanneer ze op deze manier in verkorte vorm bedrijfstakken leren kennen.

Het zou goed zijn als ze in die jaren een soort schrift zouden aanleggen waarin zou staan: ‘Zeepfabriek’, ‘Sigarettenfabriek’, ‘Spinnerij’, ‘Weverij’ enzovoort. We hoeven echt niet meteen uitvoerig op mechanische of chemische technologie in te gaan, maar als de leerlingen zo’n schrift zouden aanleggen, zouden ze daar heel veel aan hebben.
Zelfs al zouden ze het kwijtraken, er blijft toch een residu. Aan zo’n schrift zou een mens niet alleen te danken hebben dat hij die dingen weet, nee, het belangrijkste is dat hij later in zijn leven en in zijn beroep voelt: ik heb die dingen ooit leren kennen, ik heb ze doorgenomen. Dat geeft namelijk een bepaalde zekerheid van handelen. Dat versterkt de zekerheid waarmee een mens in de wereld optreedt. Dat is heel belangrijk voor de wilskracht en besluitvaardigheid van een mens. U zult in geen enkel beroep doortastende, initiatiefrijke mensen krijgen, als ze niet zo in de wereld staan dat ze ook bij dingen die niet tot hun beroep behoren het gevoel hebben: ooit heb ik dat – al was het elementair – leren kennen. Ook al zijn ze dat vergeten, een residu, een rest daarvan nemen ze met zich mee.
Ja, we leren natuurlijk al heel veel op school. En in het aanschouwelijk onderwijs, dat zo vaak ontaardt in banaliteiten, wordt de leerlingen natuurlijk ook zoiets bijgebracht. Maar dan kunnen we meemaken dat er later helemaal niet het gevoel bestaat: dat heb ik meegekregen, en wat een geluk dat ik dat heb meegekregen – nee, dan is er het gevoel: dat ben ik godzijdank vergeten, en het is goed dat ik vergeten ben wat ik toen geleerd heb. Dit gevoel moeten we eigenlijk nooit in mensen oproepen. Ontelbare dingen zullen later, wanneer we in een of ander beroep terechtkomen, uit ons onderbewuste omhoogschieten, als we in onze jeugd onderwijzers hebben gehad die in acht hebben genomen wat ik net heb gezegd.

Tegenwoordig is alles in het leven gespecialiseerd. Dat specialiseren is eigenlijk vreselijk. En er is in het leven hoofdzakelijk zoveel gespecialiseerd omdat we in het onderwijs al met specialiseren beginnen.
Wat daarmee is gezegd zou je kunnen samenvatten met de woorden: alles wat een kind in de loop van zijn schooljaren leert, moet uiteindelijk zodanig verbreed worden dat overal lijnen getrokken kunnen worden naar de praktijk. Nietwaar, heel veel dingen die nu niet sociaal zijn, zouden sociaal gemaakt kunnen worden als bij ieder van ons tenminste een beginnend inzicht zou worden opgeroepen in dingen die niet direct met ons latere beroep te maken hebben.
Zo zou de vakwereld eigenlijk ook eens goed moeten bekijken hoe de dingen worden aangepakt op gebieden waar nog volgens oudere, goede – zij het misschien atavistische – pedagogische inzichten wordt gewerkt. Ik wijs daarbij altijd graag op een heel opmerkelijk verschijnsel.

Toen wij, die al wat ouder zijn, in Oostenrijk naar de Mittelschule gingen, hadden we relatief goede leerboeken voor meetkunde en rekenen. Die zijn nu verdwenen. Een paar jaar geleden heb ik in Wenen in allerlei antiquariaten rondgeneusd, op zoek naar oudere boeken over meetkunde. Want ik wilde nog een keer fysiek voor ogen hebben wat wij jongens bijvoorbeeld in Wiener-Neustadt met zoveel plezier hebben meegemaakt:°
°Voetnoot in de vertaling:
in Wiener-Neustadt … hebben meegemaakt: In Wiener-Neustadt, ten zuiden van Wenen, bezocht Rudolf Steiner de ‘Realschule’, een middelbare
school met de nadruk op bèta-vakken.

op de eerste schooldag kwamen de leerlingen van de tweede klas altijd naar de nieuwe eersteklassers toe op de gang en riepen: ‘Fialkowskiy, Fialkowskiy, morgen moet hij betaald worden!’
Dat wil zeggen, wij leerlingen van de eerste klas namen het meetkundeboek van Fialkowskiy ° over van de leerlingen uit de tweede klas en we namen de volgende dag het geld voor ze mee.
° Voetnoot in de vertaling:
Nikolaus Fialkowskiy, architect en leraar geometrie en geometrisch tekenen aan de Weense ‘Communal-Realschule’. Bedoeld is zijn Lehrbuch der Geometrie und des Zeichnens geometrischer Ornamente, Wenen en Leipzig 1882

Zo’n ‘Fialkowskiy’ heb ik weer opgedoken, en dat heeft me veel plezier gedaan, want je ziet aan dat boek dat ze vroeger eigenlijk veel betere meetkundeboeken konden schrijven dan later. Want de boeken van tegenwoordig die in de plaats van die oudere zijn gekomen, zijn eigenlijk heel vreselijk. Met name op het gebied van rekenkunde en meetkunde is het erg.
Maar als we een klein beetje teruggaan in de tijd en aan de generaties denken die voor ons waren en die wij nog hebben meegemaakt, dan waren de leerboeken toen nog beter. Die waren bijna allemaal voortgekomen uit de school van de Oostenrijkse benedictijnen. Het zijn de benedictijnen die die wiskunde- en meetkundeboeken hebben geschreven. En die waren heel goed, omdat de benedictijner orde de katholieke orde is die er zeer aan hecht dat haar leden goed meetkunde- en wiskundeonderwijs krijgen. In het algemeen hebben de benedictijnen de instelling dat het eigenlijk dwaasheid is als iemand de kansel op gaat en het volk toespreekt zonder dat hij meetkunde en wiskunde kent.

Dit eenheidsideaal, dat de menselijke ziel vervult, dat moet het onderwijs doortrekken. Er moet iets van de hele wereld leven in ieder beroep. En vooral iets van de tegenpolen van je beroep, van wat je denkt in je beroep bijna niet te kunnen gebruiken, moet erin zitten. Een mens moet zich als het ware met het tegengestelde van zijn eigen beroep bezighouden. Maar het verlangen om dat te
doen krijgt hij alleen als hij zo onderwezen wordt als ik het nu heb aangeduid.

Met name in de tijd waarin het materialisme zich sterk heeft uitgebreid, in de laatste dertig jaar van de negentiende eeuw, is dit materialisme ook diep doorgedrongen in de didactiek, met het gevolg dat men de specialisatie als zeer belangrijk beschouwde. Denkt u niet dat u een kind idealistisch maakt, als u in de jaren van de bovenbouw niet het verband legt tussen de leerstof en de praktijk. Denkt u niet dat een kind idealistischer wordt in zijn latere leven, als u het in die jaren opstellen laat schrijven over allerlei sentimentele gevoelens ten aanzien van de wereld: over de zachtmoedigheid van het lam, over de wildheid van de leeuw en dat soort dingen, over de goddelijke natuur. Daardoor maakt u een kind niet idealistisch. In werkelijkheid stimuleert u ook het idealisme in een kind veel beter, als u niet zo direct, zo plompverloren op dat idealisme aanstuurt.
Waardoor zijn de mensen de laatste tijd eigenlijk zo a-religieus geworden? Eenvoudig doordat er veel te sentimenteel en abstract wordt gepreekt. De mensen zijn zo a-religieus geworden omdat de kerk de goddelijke geboden zo weinig in acht neemt. Neem bijvoorbeeld het gebod: ‘Gij zult de naam van de Heer, uw God, niet ijdel gebruiken.’ Wie dat gebod in acht neemt en niet na iedere vijfde zin de naam Jezus Christus noemt of over de goddelijke wereldorde spreekt, die krijgt meteen verwijten van de kant van zogenaamd kerkelijke mensen, want die horen het liefst dat je in iedere zin Jezus Christus en God zegt. Een ingetogenheid die van een innerlijk godsbesef uitgaat, die het zelfs vermijdt voortdurend ‘Heer, Heer’ in de mond te nemen, die ingetogen houding wordt tegenwoordig juist in kerkelijke kringen niet als religieus beschouwd. En als de boodschap die iemand te brengen heeft, doortrokken is van dit beschroomd zich uitende goddelijke, dat hij niet sentimenteel voor op de tong heeft, dan hoort hij tegenwoordig van alle kanten, als gevolg van een verkeerde opvoeding:
‘Nu, die zou veel meer over het christendom en dergelijke moeten spreken.’

Wat ik hier aanstip, moet wel degelijk ook in het onderwijs in acht worden genomen, en wel door de leerstof met name in het dertiende, veertiende, vijftiende levensjaar niet zozeer in het sentimentele te trekken, maar meer in lijn te brengen met de praktijk. Zo zou eigenlijk ieder veertienjarig kind in de rekenles de regels van tenminste de eenvoudigste boekhoudsystemen moeten
hebben geleerd. En de principes van de grammatica, de taalregels moeten in die jaren niet zozeer in het soort opstellen worden geoefend die een menselijke binnenwereld presenteren waarin zogezegd alleen suikerstroop circuleert – want zo zijn die opstellen meestal die men kinderen van twaalf tot vijftien jaar laat schrijven: een soort veredelde afspiegeling van de geest die tijdens borreluurtjes of bij theekransjes heerst – nee, men moet de taalles laten uitmonden in het zakelijke opstel, de zakelijke brief. En ieder kind zou op zijn zestiende tenminste een paar standaardvoorbeelden van zakelijke brieven geschreven moeten hebben.
Zegt u niet dat een kind dat later ook nog wel kan leren. Natuurlijk, als iemand grote hindernissen weet te overwinnen, kan hij dat later ook nog leren, maar inderdaad alleen met verschrikkelijk veel moeite.
U bewijst kinderen een grote weldaad als u ze leert om hun grammaticale kennis, hun taalkennis toe te passen in zakelijke opstellen, zakelijke brieven. In onze tijd mag er eigenlijk niemand zijn die nooit een fatsoenlijke zakelijke brief heeft leren schrijven. Natuurlijk, het is mogelijk dat hij het later niet nodig heeft, maar
toch zou iedereen ooit een adequate zakelijke brief geschreven moeten hebben. Hebben we een kind in zijn dertiende tot vijftiende jaar hoofdzakelijk met sentimenteel idealisme overvoerd, dan krijgt het later een afkeer van idealisme en wordt het een materialist. Brengen we een kind in die jaren in aanraking met de praktijk van het leven, dan houdt het ook een gezonde relatie tot de idealistische behoeften van zijn ziel, die alleen uitgedoofd kunnen worden wanneer daaraan op jonge leeftijd een onzinnig appel wordt gedaan.

GA 294 voordracht 12
Vertaald/163 bij Stichting Rudolf Steinervertalingen.
Je kan de stichting steunen zodat er meer van Steiner vertaald kan worden.

.

3e klas heemkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 3e klas heemkunde

[4-2Handvaardigheid
Hugo Pronk over: spinnen in klas 10.

[4-3Koperslaan klas 10
Kleine impressie van het koperslaan in een vrijeschoolklas

Een bezoek aan de bouwplaats

.

3561-3345

.

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – woordallerlei (121)

.
Toegevoegd aan de lijst

HANDHAVEN

Dit werkwoord komen we tegen in de betekenis ‘zorgen voor de naleving van (de orde of regels en wetten)’, maar ook – denk aan de spreuk op ons wapen ‘ik zal handhaven’ – ik houd vol.
Je kan je mening handhaven – die neem je dan niet terug.

Het komt ook wederkerig voor – ‘zich handhaven’, d.i. je staande houden, bv. in moeilijke tijden; ‘over iets waken’ of ‘beschermen’.

Handhaven komt uit het Frans ‘maintenir’ -‘je maintiendrai’ op het Rijkswapen.

In het Volkslatijn bestaat manutenere, met de betekenis ‘bewaren, beschermen’. Dat zie je in het Engels terug: to mantain en het Duits heeft handhaben (hanteren, bedienen, toepassen).

Manus = hand en tenere = houden.

Maar het is ook verwant met havenen, dat nu beschadigen (denk aan ‘gehavend’) en mishandelen betekent, maar dat in het Middelnederlands een veel minder ongunstige betekenis had (‘met zorg behandelen’ of ‘van het nodige voorzien’). Net als havenen gaat het tweede deel van handhaven terug op dezelfde voor-Germaanse woordvorm waarop ons werkwoord hebben (bezitten, beschikken over, in handen houden/hebben) terug te voeren is. O.a. ‘de levende have’, ‘have en goed’ en het Engelse to have.

.

Zie ook spelling

Nederlandse taalalle artikelen

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 22 november 1920

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

Kinderen met problemen: lethargisch, apathisch, lichaamsoriëntatie; geen slapheden tolereren: krijtje goed vasthouden, niet sjokken; gedachtevlucht, onsamenhangend schrijven; soms niet meteen ingaan op een gedraging, maar pas de volgende dag. <1>
Spreken in koor goed, maar individueel controleren! <2>
Kletsen, lawaai, niet opletten; spanning, nieuwsgierigheid wekken <3>
Snel gekwetst, invloed moeder <4>
Geen interesse in euritmie: vormen tekenen en uitvoeren <5>
Prentenboek met beweegbare platen <6>
Hulpje om GGD vast te stellen <7>

 

RUDOLF STEINER

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924

Erster Band Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1 Het eerste en tweede schooljaar

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A

Blz. 244

Vergadering van maandag 22 november 1920, 16—18.30u

Blz. 244 en 245 zijn hier vertaald met het oog op de muurversieringen in de school.

Blz. 245/246

Dann ist da eine Sache, die ich zur Sprache bringen muß. Es sind allerlei Dinge im Bau begriffen. Nun, nicht wahr, ist es so, daß der musikalische Unterricht unter dem Nichtvorhandensein von geeigneten Räumen an allen Möglichkeiten des fruchtbaren Unterrichtes leidet. Das ist doch eine Kalamität. Nicht wahr, wenn halt der Musiklehrer taub wird dadurch, daß er in einem ganz ungeeigneten Raum unterrichten muß, so ist das eine Kalamität. Das ist etwas, dem abgeholfen werden müßte. Man hat eine solche Befriedigung für die
Waldorfschule, wenn so ein Quartett auftritt. Das zeigt, was geleistet werden könnte, wenn alle Grundlagen da wären. Es wäre gut, wenn eine gewisse Sicherheit dafür vorhanden ist, daß darauf Rücksicht genommen wird, daß die Musik tatsächlich einmal für drei, vier Jahre ordentlich untergebracht ist.

Dan is er nog één ding dat ik moet aankaarten.
Er wordt van alles gebouwd. Is het niet zo dat muziekonderwijs lijdt onder het gebrek aan geschikte ruimtes, waardoor vruchtbaar onderwijs onmogelijk wordt? Dat is een ramp. Is het niet zo dat als de muziekdocent doof wordt doordat hij les moet geven in een volstrekt ongeschikte ruimte, dat ook een ramp is? Dat moet verholpen worden. Je krijgt zoveel voldoening van de Waldorfschool als zo’n kwartet optreedt. Dat laat zien wat er bereikt kan worden als alle fundamenten op hun plaats liggen. Het zou goed zijn als er enige garantie was dat er rekening wordt gehouden met de huisvesting van muziek gedurende drie of vier jaar.

X.: Ein Musiksaal ist vorgesehen.

X.: Er is een muziekzaal gepland.

Dr. Steiner: Ist der Musiklehrer als Sachverständiger zugezogen worden? Das wäre notwendig, daß Sie das selbst anordnen, was Sie
wollen. Es müßte schon dafür gesorgt werden, daß die Turnhalle zu
gleicher Zeit für den musikalischen Teil der Schule etwas hat.

Is de muziekdocent als expert geraadpleegd? Dat zou nodig zijn, zodat u zelf kunt regelen wat u wilt. Er moet voor gezorgd worden dat de gymzaal tegelijkertijd ook beschikbaar is voor het muziekonderwijs van de school.

Der Musiklehrer: Ich brauche auch für die Vorbereitung des Unterrichts einen
geeigneten Raum. Ich müßte etwas klanglich ausprobieren.

De muziekleraar: Ik heb ook een geschikte ruimte nodig voor de lesvoorbereiding. Ik moet wat experimenteren met geluiden.

Dr. Steiner: Es wäre notwendig, daß diese Sachen so eingerichtet werden, wie Sie es selbst angeben.
Werden genügend große Räume da sein für den Handfertigkeitsunterricht? Wie kommen Sie durch mit allen Kindern? Wenn Sie immer solch einen Trupp haben, dann können Sie kaum durchkommen.

Het is noodzakelijk dat deze ruimtes worden ingericht zoals u zelf aangeeft.
Zijn er voldoende grote ruimtes voor de handvaardigheidslessen? Hoe gaat om al die kinderen in toom houden? Als u altijd zo’n grote groep hebt, zult u het nauwelijks redden.

X.: Es fängt mit der 6. erst an.

X.: Het begint pas in de 6e.

Dr. Steiner: Trotzdem weiß ich nicht, ob Sie durchkommen können.
Viel mehr hat man nicht Platz in den Räumen, die ein Winkelwerk
sind. Die Kinder werden krank werden. Das wären Fingerzeige, die
notwendig gewesen wären zu beachten.
Jetzt möchte ich, daß sich die Freunde aussprechen über die Dinge,
die sie gerne besprochen hätten.

Zelfs dan weet ik niet of u het wel aankunt.

Er is niet veel ruimte meer in de lokalen, die een doolhof van hoekjes zijn. De kinderen zullen ziek worden. Dit zijn waarschuwingssignalen waar men rekening mee had moeten houden.
Nu wil ik graag dat de vrienden vertellen wat ze graag hadden willen bespreken.

X.: Ich wollte fragen, wie man Kinder behandeln soll, die lethargisch sind.

<1> X.: Ik wil graag vragen hoe je omgaat met kinderen die lusteloos zijn.

Dr. Steiner: Wie ist der Sch. im Handfertigkeitsunterricht? Er geht
so komisch. Ich habe im vorigen Jahre bei einigen schwach begreifenden Kindern so etwas als Grundübungen angegeben, daß sie am
eigenen Körper denken mußten. ,,Greife mit dem rechten dritten
Finger deine linke Schulter an.” Solche Dinge werden sie am eigenen

Hoe gaat het met Sch. in de handvaardigheidsles? Hij loopt zo vreemd. Vorig jaar gaf ik een aantal kinderen met leerproblemen eenvoudige oefeningen waarbij ze in termen van hun eigen lichaam moesten denken. “Pak je linkerschouder vast met je rechter middelvinger.” Ze moeten over zulke dingen nadenken in termen van hun eigen lichaam.

Körper denken müssen. Ich habe auch gezeigt, man zeichnet ihnen etwas auf, was man stilisiert; sie müssen daraufkommen, was das ist.
Oder man läßt sie das Symmetrische dazu machen. Man bildet Anschauungen, die mit dem Körperbau zusammenhängen. Diese Übungen in den Unterricht eingefügt, sind außerordentlich weckend für schläfrige Kinder. Bei diesem Jungen ist das Schlaf.
Ich würde Sie darum bitten, bei den Kindern keine Lässigkeit im Kleinen zu dulden. Nicht dulden, daß die Kinder die Kreide halten wie die Feder, daß die Kinder keine Ungeschicklichkeit begehen.
Auf solche Sachen würde ich ganz stark achten. Fast die Hälfte der Kinder hält die Kreide schlecht. Das muß man ihnen nicht durchlassen. Auf diese Dinge muß man doch furchtbar stark sehen.
Ich würde den Kindern nicht gestatten, so herauszutröpfeln, wie heute das kleine Mädchen. Da würde ich trachten, daß die sich den Gang bessern kann. Das hat ungeheuer viel Weckendes.
Der N. in der 6. ist auch so sehr apathisch. Bei dem würden solche Übungen sehr rasch helfen.
Ich würde auch eine Zeitlang sehr sehen auf das kleine Mädchen in der 4. Klasse, rückwärts auf der rechten Seite. Die neigt dazu, sich furchtbar viel auszudenken. Sie hat sich ausgedacht, daß die ganze Szene von dem ,,Lied vom braven Mann” am Mittelländischen Meer spielt. 

Ik heb ook laten zien dat je iets gestileerds tekent; ze moeten dan bedenken wat het voorstelt.

Of je laat ze de symmetrie daarbij vinden. Je vormt concepten die te maken hebben met de structuur van het lichaam. Deze oefeningen, die in de lessen zijn verwerkt, zijn buitengewoon stimulerend voor slaperige kinderen. In het geval van deze jongen is dat slaap.

Ik wil u daarom vragen om geen enkele onzorgvuldigheid bij de kinderen te tolereren, zelfs niet in kleine dingen. Tolereer niet dat de kinderen het krijtje als een pen vasthouden, tolereer niet dat de kinderen onhandig zijn. Ik zou daar heel goed op letten. Bijna de helft van de kinderen houdt het krijtje slecht vast. Dat mag u niet laten gebeuren. U moet hier heel goed op letten.

Ik zou de kinderen niet laten sjokken met hun gangetje, zoals het meisje vandaag deed. Ik zou proberen ervoor te zorgen dat ze haar gangetje kan verbeteren. Dat heeft een enorm stimulerend effect.

N. in groep 6 is ook erg apathisch. Zulke oefeningen zouden hem snel helpen.

Ik zou ook het meisje in groep 4, rechtsachter, een tijdje goed in de gaten houden. Ze verzint namelijk van alles. Zo heeft ze zich bijvoorbeeld voorgesteld dat de hele scène uit “Het lied van de goede man” zich afspeelt aan de Middellandse Zee.

Das alles schreibt sie in Anlehnung an das Lied vom braven Mann. „Der Tauwind kam vom Mittagsmeer.” Von da aus macht sie eine phantastische Geographie. Mit diesem kleinen Mädchen muß man oft sprechen, die ist der Gefahr ausgesetzt, an Gedankenflucht zu leiden. „Das Ägäische Meer fließt ins Mittelländische Meer.”
Der Junge, der Kleine — es sind einzelne darunter, die haben eine reizende Schrift, einzelne sind sehr weit —, der kleine Junge schreibt so, wie mancher kommunistische Redner redet. Er paßt dann nicht auf. Er schreibt ohne Zusammenhang, wie ein Redner vom Kommunismus redet. Für den wären auch solche Übungen weckend.

Ze schrijft dit alles met verwijzing naar het lied over de dappere man. “De dooi kwam van de middagzee.” Van daaruit creëert ze een fantastische geografie. Je moet vaak met dit meisje praten; ze loopt het risico op gedachtevlucht. “De Egeïsche Zee stroomt in de Middellandse Zee.”

De jongen, de kleine – sommigen hebben een charmant handschrift, anderen zijn heel begaafd – de kleine jongen schrijft zoals sommige communistische redenaars praten. Hij let dan niet op. Hij schrijft onsamenhangend, zoals een spreker over het communisme praat. Zulke oefeningen zouden hem ook stimuleren.

-X. fragt wegen F. L.

-X. vraagt ​​naar F.L.

Dr. Steiner: Der Junge, der F. L., müßte vielleicht doch oft aufgerufen werden. Es ist nicht so schlimm. Er ist nur verträumt. Er kommt mit sich selbst schwer zurecht. Er müßte das Gefühl haben, man interessiert sich für ihn. Dann wird es sofort gehen. Es geht doch jetzt besser.

De jongen, F.L., zou misschien vaker aan het woord moeten komen. Het is niet zo erg. Hij is gewoon een beetje dromerig. Hij heeft moeite om met zichzelf om te gaan. Hij moet voelen dat iemand in hem geïnteresseerd is. Dan zal het meteen lukken. Het gaat nu beter.

X.: Er spricht in der Stunde nicht mit.

X.: Hij spreekt niet mee in de les.

Dr. Steiner: Ob er sich nicht aufraffen könnte? Er hat eine

Blz. 248

fortwährende Angst, daß man ihn nicht lieb hat. Das ist sein Grundphänomen. Man soll nicht hinter ihm etwas suchen.

Zou hij zich niet kunnen herpakken? Hij heeft een aanhoudende angst dat hij niet geliefd is. Dat is zijn fundamentele karaktertrek. Je moet niet achter zijn gedrag een diepere betekenis zoeken.

X.: Was würden Sie raten für Ch. D. in der 2. Klasse?

X.: Wat zou u  aanraden voor Ch. D. in de tweede klas?

Dr. Steiner: Hat sie etwas angenommen vom Unterrichtsinhalt? Was
haben Sie gegen sie?

Heeft ze iets van de lesstof begrepen? Wat heeft u tegen haar?

X.; Ich werde charakterlich nicht fertig.

X.: Ik kan haar karakter niet aan.

Dr. Steiner: Setzen Sie sich ganz in die Nähe und bemerken Sie nicht, wenn sie mit Ihnen kokettiert. Bemerken Sie es zunächst nicht, und immer erst am nächsten Tag sprechen Sie mit ein paar Worten über das, was sie ausgefressen hat am ersten Tag. Nicht wenn es gerade ausgefressen wird, sondern vierundzwanzig Stunden danach.

Ga heel dicht bij haar zitten en doe alsof u niet merkt dat ze met u koketteert. Merk het in eerste instantie niet op, en spreek pas de volgende dag met een paar woorden over wat ze de eerste dag heeft uitgehaald. Niet wanneer het net gebeurt, maar vierentwintig uur later.

X.: Bei mir in der 4. ist der W. R. K. Der folgt nicht; er lernt nicht und stört
dauernd die anderen Kinder. Er ist schläfrig und apathisch.

X.: Bij mij in de vierde klas zit W. R. K. Hij volgt de les niet; hij leert niet en stoort voortdurend de andere kinderen. Hij is slaperig en apathisch.

Dr. Steiner: Da würde ich es auch versuchen mit diesen Übungen.
Alles von Grund auf mit den Kindern machen, daß sie keine Schablonen in die Hand bekommen, noch ausgesprochene Formen, die übersichtlich sind.

Dan zou ik het ook met deze oefeningen proberen.
Alles vanaf de basis met de kinderen doen, zodat ze geen sjablonen in handen krijgen, noch uitgesproken vormen die overzichtelijk zijn. <1>

X. (der die 5. Klasse übernommen hat, weil Frau K. krank wurde): Es ist vor
allem eins, daß dadurch, daß die Klassen viel an Lehrern gewechselt haben, im
Rechnen die Kenntnisse ungleichmäßig sind. Soll ich das Rechnen abbrechen
und lieber einen anderen Gegenstand nehmen?

X. (die de 5e klas heeft overgenomen omdat mevrouw K. ziek werd): Het is vooral zo dat, doordat de klassen vaak van leraar zijn gewisseld, de kennis van rekenen ongelijkmatig is. Moet ik met rekenen stoppen en liever een ander vak nemen?

Dr. Steiner: Wie lange glauben Sie zu brauchen, daß jedes Kind so
weit ist, daß es geht?

Hoe lang denkt u nodig te hebben voordat elk kind zo
ver is dat het kan?

X..-Die Majorität in der Klasse ist nicht schlecht im Rechnen.

X..De meerderheid van de klas is niet slecht in rekenen.

Dr. Steiner: Nun meine ich das: der Unterricht im Chor ist gut; er ist gut mit Maß gemacht. Wenn allzuviel im Chor gesprochen wird, dann bitte ich nicht zu vergessen, daß die Gruppenseele eine Realität ist, daß Sie nie darauf rechnen können, daß die Kinder als einzelne das können, was sie im Chor richtig machen. Man hat so das Gefühl, wenn die Kinder im Chor sprechen, daß man sie leichter ruhig erhält.
Ein so gutes Mittel es ist, mäßig betrieben, damit die Gruppenseelenhaftigkeit in Regsamkeit kommt, so wenig ist es doch gut, die Kinder allzusehr der Gruppenseele zu überlassen. Sie können als einzelne nicht das, was sie im Chor können. Da müßte noch weiser geschaltet werden. Sie müssen die Kinder einzeln recht viel fragen. Man muß es tun. Es hat seinen großen erzieherischen Wert. Ja nicht glauben,

<2> Wat ik bedoel is dit: het lesgeven in koor is goed; het is goed gedoseerd. Als er te veel in koor wordt gesproken, dan vraag ik u niet te vergeten dat de groepsziel een realiteit is, dat u er nooit op kunt rekenen dat de kinderen als individuen
kunnen wat ze in koor goed doen. Men heeft zo het gevoel dat wanneer de kinderen in koor spreken, men ze gemakkelijker rustig houdt.
Hoe goed dit middel ook is, mits met mate toegepast, om de groepsgeest tot leven te brengen, het is toch niet goed om de kinderen te veel aan de groepsgeest over te laten. Ze kunnen als individuen niet wat ze in koor kunnen. Daar zou nog verstandiger mee omgegaan moeten worden.
Je moet de kinderen afzonderlijk heel vaak vragen stellen. Dat moet je doen. Het heeft een grote pedagogische waarde. Geloof vooral niet,

Blz. 249

wenn die Kinder unruhig werden, daß man sie dann im Chor sprechen lassen muß.

dat als de kinderen onrustig worden,  je ze dan in koor moet laten spreken. <2>

X.: Was soll man gegen die Unruhe tun?

X.: Wat moet je tegen die onrust doen?

Dr. Steiner: Was machen die Kinder dann?

Wat doen de kinderen dan?

X.: Sie sprechen, schwätzen, lärmen.

<3> X.: Ze praten, kletsen, maken lawaai.

Dr. Steiner: Es scheint beim Rechenunterricht zu sein. Neulich, wie ich da war, waren die Kinder wunderbar ruhig.

Het lijkt tijdens de rekenles te zijn. Onlangs, toen ik daar was, waren de kinderen heerlijk rustig.

X.: Die haben Angst gehabt vor Dr. Steiner, das haben die anderen nachher
gesagt.

X.: Ze waren bang voor Dr. Steiner, dat hebben de anderen achteraf
gezegd

Dr. Steiner: Sie müssen es eine Zeitlang so machen, daß Sie versuchen, die Neugierde der Kinder zu erregen, daß sie unter einer gewissen Spannung dem Unterricht folgen; durch die Sache selbst, nicht durch außerunterrichtliche Mittel.

U moet het een tijdje zo aanpakken dat u probeert de nieuwsgierigheid van de kinderen te prikkelen, zodat ze onder een zekere spanning de les volgen; door de les zelf, niet door middelen buiten de les om. <3>

(Zu Fräulein Hauck): Nicht wahr, die Kinder im Handarbeitsunterricht, ich habe sie noch nie unartig gefunden. Ich glaube, es wird sich auch geben. Die Kinder werden sich an Sie gewöhnen. Die 4. ist eigentlich artig und regsam. Sie gingen auf eine schwierige Auseinandersetzung ein und dachten gründlich nach. Ich habe etwas darüber gesprochen. Sie müssen nur nicht gleich — Sie sind ganz noch jung und morgenschön als Lehrerin der Waldorfschule; Sie müssen noch warten, bis die Kinder kommen, Sie nahe zu sehen.

(Tegen juffrouw Hauck): Nietwaar, de kinderen tijdens de handwerkles, ik heb ze nog nooit onhandelbaar gevonden. Ik geloof dat het wel goed komt. De kinderen zullen aan u wennen. De 4e klas is eigenlijk braaf en levendig. Ze gingen in op een moeilijke discussie en dachten grondig na. Ik heb er iets over gezegd. U moet alleen niet meteen — u bent nog heel jong en veelbelovend als lerares op de Waldorfschool; u moet nog even wachten tot de kinderen u van dichtbij leren kennen.

X.: Der G. Z. leidet an Heimweh. Er hat einen großen Fragetrieb.

X.: G. Z. heeft heimwee. Hij stelt heel veel vragen.

Dr. Steiner: Er ist auch im Physikunterricht ganz aufmerksam. Ich war verwundert darüber, daß er so artig ist. Die Frau, bei der er wohnt, sagt, er kritisiert sehr stark und schimpft furchtbar über die Lehrer und über die Schule und sagt, auf anderen Schulen hat er viel mehr gelernt. Man müßte wissen, ob es stimmt.

Ook tijdens de natuurkundeles is hij heel aandachtig. Ik was verbaasd dat hij zo braaf is. De vrouw bij wie hij woont, zegt dat hij erg kritisch is en vreselijk scheldt op de leraren en de school, en dat hij op andere scholen veel meer heeft geleerd. Men zou moeten weten of dat klopt.

X.: Das Kind G. D. fühlt sich leicht gekränkt und ungerecht behandelt.

<4> X.: Het kind G. D. voelt zich snel gekwetst en onrechtvaardig behandeld.

Dr. Steiner: Die Mutter hält sich für eine geistvolle Dame und da scheint sie manchen Kohl zu reden. Sie hat fürchterliches Zeug im Laufe der Jahre geredet. Was ist für eine Kalamität vorhanden?

De moeder beschouwt zichzelf als een geestrijke dame en daarbij lijkt ze nogal wat onzin uit te kramen. Ze heeft in de loop der jaren vreselijke dingen gezegd. Wat voor vreselijks is er aan de hand?

X.: Die Mutter beklagt sich, ich würde das Kind überanstrengen.

X.: De moeder klaagt dat ik het kind te veel zou belasten.

Dr. Steiner: Ich glaube nicht, daß man mit der Mutter so leicht fertig
wird. Sie ist so eine Salonspinne.
Man bemerkt oftmals bei den Kindern, die noch lenkbar sind und
mit denen man im Grunde alles machen könnte, daß bei denen die

Ik geloof niet dat je het zo gemakkelijk met de moeder voor elkaar krijgt. Ze is zo’n salon-spinnetje.
Je merkt vaak bij kinderen die nog beïnvloedbaar zijn en met wie je in principe alles zou kunnen doen, dat er bij hen 

Blz. 250

schrecklichsten Familienverhältnisse zugrunde liegen. Dieser kleinere Bruder, der bei einer vorsichtigen Behandlung ein ausgezeichneter Junge wäre, der kann nicht hochkommen in diesem Milieu. Er ist begabt, er hat alle die Krankheiten, die seine Mutter hat, in erhöhtem Maße, nur in anderer Form. Auf diese Dinge braucht man nicht zu achten, dann tut man sofort das Richtige.

vreselijke gezinsomstandigheden aan ten grondslag. Deze jongere broer, die bij een zorgvuldige begeleiding een uitstekende jongen zou zijn, kan in deze omgeving niet tot zijn recht komen. Hij is begaafd, hij heeft alle kwalen die zijn moeder heeft, in verhoogde mate, alleen in een andere vorm. Aan deze dingen hoef je geen aandacht te besteden, dan doe je meteen het juiste. <4>

Eine Eurythmielehrerin: Bei R. F. gelingt es mir nicht, daß er Interesse an der
Eurythmie gewinnt.

<5> Een euritmielerares: Bij R. F. lukt het me niet om hem interesse te laten krijgen in de euritmie.

Dr. Steiner: Ironisieren Sie ihn doch einmal! Er war in einer Klosterschule. Die Hauptsache ist, daß er in der Eurythmie nicht mittut. Ich würde doch versuchen, ihn Eurythmieformen zunächst zeichnen zu lassen. Er soll Ihnen Formen zeichnen. Wenn er gezeichnet hat, dann lassen Sie ihn sie machen.

Probeer hem toch eens op een ironische manier te benaderen! Hij zat op een kloosterschool. Het belangrijkste is dat hij niet meedoet aan de euritmie. Ik
zou toch proberen hem eerst euritmievormen te laten tekenen. Hij moet vormen voor u tekenen. Als hij ze heeft getekend, laat hem ze dan uitvoeren. <5>

Dr. Steiner: Nun haben wir Ihre Fibel. Die Sache ist ausgezeichnet und würde für den, der sie benützt, außerordentlich anregend sein. Es könnte sich das Allerverschiedenartigste daran knüpfen. Die Sache jetzt als eine Probe des Geistes, der in der Waldorfschule waltet, zu geben, das wäre sehr gut. Wie ich überhaupt meine, daß es gut wäre, wenn man von dieser Art das, was auf den Unterricht Bezug hat, herausgeben würde. Nicht bloß die Aufsätze, sondern das, was im Unterricht sich betätigt. Es kostet aber ein Kapital. Es handelt sich
darum, wie wir zurechtkommen. So wie Sie es zusammengestellt haben, wenn diese Zeichnungen darin sind, muß das auch entsprechend gedruckt sein.

Nu hebben we uw leerboek. Het is uitstekend en zou voor degene die het gebruikt buitengewoon stimulerend zijn. Er zouden de meest uiteenlopende dingen aan gekoppeld kunnen worden. Het zou heel goed zijn om dit nu te presenteren als een voorbeeld van de geest die in de Waldorfschool heerst. Ik vind het overigens in het algemeen een goed idee om dit soort materiaal dat betrekking heeft op de lessen, uit te geven. Niet alleen de opstellen, maar ook wat er tijdens de lessen gebeurt. Het kost echter veel geld. Het gaat erom
hoe we dit kunnen financieren. Zoals u het hebt samengesteld, als deze tekeningen erin staan, moet het ook op de juiste manier worden gedrukt.

Die Schrift herbekommen, das kann man schon. Man kann sie machen. Wir machen auch das Titelblatt. Die Schriften, die jetzt zu haben sind, sind fürchterlich. Es handelt sich darum, das durch das ganze Buch durchzuführen. Das Ganze würde 20 000 Mark kosten; wenn wir zunächst darauf rechnen, daß wir 1000 absetzen, so müssen wir solch eine Fibel für 40 Mark verkaufen. Wie kommen wir da finanziell zurecht! Es wäre interessant, sich darüber zu unterhalten, wie man es machen kann. Man müßte es überlegen. Bücher sind furchtbar teuer. Sie können diese Dinge nicht mit einer gewöhnlichen Schrift machen. Es ist etwas so eigenartiges und als Fibel so charakteristisch, daß es gefördert werden sollte. Nun würde ich ein Nachwort dazu schreiben. Wenn es so hinauskommt, versteht es kein Mensch. Es würde darüber gesprochen werden.
Jetzt haben sie ein System, das ich ganz brauchbar finde, für ein Bilderbuch mit verschiebbaren Bildern, wo man unten an Schnüren

Het lettertype regelen, dat kan wel. Dat kunnen we zelf doen. We maken ook de titelpagina. De lettertypes die nu verkrijgbaar zijn, zijn vreselijk. Het gaat erom
dat we dit door het hele boek heen doorvoeren. Het geheel zou 20 000 mark kosten; als we er in eerste instantie vanuit gaan dat we er 1000 verkopen, dan moeten we zo’n leesboekje voor 40 mark verkopen. Hoe krijgen we dat financieel voor elkaar! Het zou interessant zijn om te bespreken hoe we dit kunnen aanpakken. We zouden er over moeten nadenken. Boeken zijn vreselijk duur. Je kunt dit soort dingen niet met een gewoon lettertype maken. Het is iets zo bijzonders en als leesboek zo karakteristiek, dat het ondersteund zou moeten worden. Nu zou ik er een nawoord bij willen schrijven. Als het zo uitpakt,
begrijpt niemand er iets van. Er zou over gesproken worden.
<6> Nu hebben ze een systeem dat ik heel bruikbaar vind, voor een prentenboek met verschuifbare plaatjes, waarbij je onderaan aan touwtjes

Blz. 251

zieht, wo man einen kurzen Text hat und oben verschiebbare Bilder. Ein solches Bilderbuch würde außerordentlich notwendig sein beim Kindergarten. Wenn Sie sich damit beschäftigen würden! Fürchterlich philiströs sind die heutigen Bücher.

trekt, waarbij je een korte tekst hebt en daarboven verschuifbare afbeeldingen.
Zo’n prentenboek zou buitengewoon noodzakelijk zijn op de kleuterschool. Als u zich daar eens mee bezig zou houden! De boeken van tegenwoordig zijn vreselijk bekrompen. <6>

X.: Ich wollte fragen, ob man im Religionsunterricht auch alte Dokumente heranziehen kann.

X.: Ik wilde vragen of men in de godsdienstles ook oude documenten kan gebruiken.

Dr. Steiner: Natürlich. Auch Selbsterfundenes. — Ich meine, daß man Herrn A. schon den Vorschlag machen sollte, daß er die Hälfte der Religionsklasse übernimmt. Geben Sie ihm nur die Hälfte. Wählen Sie selbst aus die, die Sie loshaben wollen. Er wird trotz seines Alters ebenso jung und morgenschön sein.

Natuurlijk. Ook zelf bedachte dingen. — Ik vind dat men de heer A. al het voorstel zou moeten doen dat hij de helft van de godsdienstklas op zich neemt. Geef hem maar de helft. Kies zelf de kinderen die u dan af wil staan. Hij zal ondanks zijn leeftijd net zo goed jong en stralend zijn.

X.: Würde Herr A. auch teilnehmen an den Handlungen?

X.: Gaat de heer A. ook deelnemen aan de Handelingen?

Dr. Steiner: Das wird sehr bald nötig sein.

Dat zal zeer binnenkort nodig zijn.

(Zu Fräulein H.): Jetzt möchte ich, daß Fräulein S. zu Ihnen kommt. Ich meine, daß es gut wäre, wenn Fräulein S. bei Ihnen darin wäre, daß Sie ihr die Fortsetzung des Unterrichts überlassen. Sie unterrichten eine Stunde, Sie sind darin, bleiben im Kontakt. Dazwischen jemand anderes. Mir kommt vor, daß Sie das wollen sollten.
Natürlich braucht das nicht pedantisch durchgeführt zu werden. Nur meine ich, daß angefangen werden sollte, denn in diesem Raum ist diese Klasse von Ihnen allein nicht zu bewältigen.

(Tegen juffrouw H.): Nu zou ik graag willen dat juffrouw S. bij u komt. Ik denk dat het goed zou zijn als juffrouw S. erbij zou zijn, zodat u haar de voortzetting van de les kunt overlaten. U geeft een uur les, u bent erbij, u houdt contact. Tussendoor iemand anders. Het lijkt mij dat u dat zou moeten willen. Dat hoeft natuurlijk niet pedant te worden uitgevoerd. Maar ik vind dat er een begin mee moet worden gemaakt, want in deze ruimte is deze klas voor u alleen niet te bolwerken.

Ich habe sicher gedacht, daß ich Ihnen diesen Bericht geben kann. Ich habe so viel zu tun, daß ich ihn erst von Dornach aus schicken kann. Das war mir eine Beruhigung, daß Sie auch nicht fertig sind.
Für das Goetheanum habe ich schon geschrieben. Da haben Sie noch
nicht geschrieben.

Ik dacht er zeker van te zijn dat ik u dit verslag kon geven. Ik heb het zo druk dat ik het pas vanuit Dornach kan versturen. Het stelde me gerust dat u ook nog niet klaar bent. Voor het Goetheanum heb ik al geschreven. Dat heeft u nog niet geschreven.

X.: Ich möchte den Jahresbericht jetzt doch setzen lassen.

X.: Ik wil het jaarverslag nu toch laten opstellen.

Dr. Steiner: Ich schreibe ihn wirklich, wenn ich in Dornach ankomme. Ich gebe ihn Herrn M. mit. Man müßte diese Beiträge durchredigieren. Wenn ich nur Zeit hätte! Ich müßte ihn mitnehmen und ihn machen in Dornach.

 Ik ga het echt schrijven zodra ik in Dornach aankom. Ik geef het mee aan de heer M. Deze bijdragen zouden grondig moeten worden geredigeerd. Had ik maar tijd! Ik zou het mee moeten nemen en het in Dornach moeten afmaken.

Dr. W. ist auch unglücklich und macht schon so verdrossene Gesichter den ganzen Tag. Sie sollen die Vorträge von H. machen? Mein Vater hat zwar, wie ich immer mit einer gewissen psychologischen Sensation erzähle, die Liebesbriefe für die Burschen des ganzen Ortes geschrieben. Die sind immer gekommen und haben sich die Liebesbriefe schreiben lassen. Die Mädchen waren furchtbar entzückt. Aber daß Sie die H.’sehen Vorträge machen sollen! Ich werde in

Dr. W. is ook ongelukkig en trekt al de hele dag zo’n chagrijnig gezichten. Moet u de lezingen van H. verzorgen? Mijn vader heeft, zoals ik altijd met een zekere psychologische sensatie vertel, de liefdesbrieven voor de jongens van het hele dorp geschreven. Die kwamen altijd langs en lieten zich de liefdesbrieven schrijven. De meisjes waren er ontzettend blij mee. Maar dat u de lezingen van H. moet houden! Ik zal in

Blz. 252

Zürich Vorträge zu halten haben, ich werde dem H. sagen, daß er seine Vorträge selbst machen muß.
Dann habe ich daran zu denken, Sie möchten eine Art Ritual für die
Weihnachtshandlung haben. Ist sonst eine Frage noch zu besprechen ?
Anschaulichkeit hat man nicht bloß, um das, was zu erklären ist, anschaulich zu machen, sondern auch, um den Geist beweglicher zu machen. So würde ich es gar nicht unberechtigt finden, wenn man das größte gemeinschaftliche Maß durch Zeichnungen so veranschaulichen würde, daß man die in beiden Zahlen enthaltenen Primzahlen in ein Gefäß hineinwirft; dann sind nur die Primzahlen, die in beiden sind, darin. Man hat die Möglichkeit, das ins Anschauliche zu versetzen. Ein großes Gefäß, man nimmt den Primfaktor 2, den schmeißt man hinein. Das ist ein Maß, mit dem kann man beides messen.
Es handelt sich darum, nicht bloß das zu unterstützen, was man begreiflich machen will, sondern das Gedächtnis wird dadurch unterstützt, daß man Raumesvorstellungen einführt, die anschaulich sind; daß die Kinder genötigt sind, da Raumesvorstellungen zu haben. Es ist das kein Tadel.

Zürich lezingen moeten houden; ik zal de heer H. zeggen dat hij zijn lezingen zelf moet geven.
Dan moet ik er nog aan denken dat u een soort ritueel wilt voor de kersthandeling.
Is er verder nog een vraag die besproken moet worden?
Concretisering dient niet alleen om datgene wat uitgelegd moet worden concreet te maken, maar ook om de geest flexibeler te maken.
<7> Ik zou het dan ook helemaal niet ongegrond vinden als je de grootste gemeenschappelijke deler door middel van tekeningen zo zou illustreren dat je de priemgetallen die in beide getallen voorkomen in een vat gooit; dan zitten er alleen de priemgetallen in die in beide voorkomen. Je hebt de mogelijkheid om dit concreet te maken. Een grote schaal, je neemt de priemfactor 2, die
gooit je erin. Dat is een maat waarmee je beide kan meten.
Het gaat erom niet alleen datgene te ondersteunen wat je begrijpelijk wil maken, maar het geheugen wordt ook ondersteund doordat je ruimtelijke voorstellingen introduceert die aanschouwelijk zijn; zodat de kinderen gedwongen worden om daar ruimtelijke voorstellingen van te hebben. Dat is geen kritiek. <7>

Diese Stunde war schon eine ausgezeichnete. Es könnte sich daran etwas anschließen, um die Kinder zum räumlichen Vorstellen zu bringen.
Wenn niemand mehr etwas zu fragen hat, werden wir abschließen. Ich
kann nur sagen, dies, was zum Teil herumgesprochen wird, daß die ganze Schule durch die Zunahme der Kinderzahl an Intimität verloren hat, kann ich nicht als Mangel empfinden. Ich kann nicht sagen, daß es etwas ist, was man besonders unangenehm empfinden muß.
Das muß man nehmen, wie es ist. Im übrigen, eigentlich kann ich sagen, ich finde, daß die Schule doch recht gute Fortschritte gemacht hat nach jeder Richtung hin. Hat jemand eine andere Meinung?
Nun möchte ich noch erwähnen; unsere Stuttgarter Unternehmungen müssen in einer gewissen Beziehung ein harmonisches Ganzes sein und müssen als solches empfunden werden. Es muß ein harmonisches Zusammenwirken sich immer mehr herausbilden. Wenn die Dinge überall so gegangen wären, wie sie im vorigen Jahr in der Waldorfschule gegangen sind, in bezug auf das Pädagogisch-Didaktische, so würde es gut sein. Die Waldorflehrer wirken wacker mit, damit das andere auch unterstützt werden kann. Es muß das, was hier in Stuttgart ist, als Ganzes betrachtet werden. Die Anthroposophische Gesellschaft mit der Waldorfschule zusammen ist der geistige Teil des dreigliedrigen Organismus. Der Bund für Dreigliederung muß ein politischer Teil sein; dazu müssen die Waldorflehrer

Dit was echt een uitstekende les. Er zou hierop iets kunnen volgen om de kinderen ruimtelijk denken bij te brengen.
Als niemand meer vragen heeft, ronden we af. Ik kan alleen maar zeggen dat wat er deels wordt beweerd, namelijk dat de hele school door de toename van het aantal leerlingen aan intimiteit heeft ingeboet, ik dat niet als een tekortkoming beschouw. Ik kan niet zeggen dat het iets is wat men als bijzonder onaangenaam hoeft te ervaren.
Dat moet men nemen zoals het is. Overigens kan ik eigenlijk zeggen dat ik vind dat de school toch behoorlijk goede vooruitgang heeft geboekt op alle vlakken. Heeft iemand een andere mening?
Nu wil ik nog het volgende vermelden: onze activiteiten in Stuttgart moeten in zekere zin een harmonieus geheel vormen en als zodanig worden ervaren. Er moet zich steeds meer een harmonieuze samenwerking ontwikkelen. Als de zaken overal zo zouden zijn verlopen als vorig jaar in de Waldorfschool, wat betreft het pedagogisch-didactische aspect, dan zou dat goed zijn. De Waldorfleraren werken dapper mee, zodat ook het andere kan worden ondersteund. Wat hier in Stuttgart is, moet als een geheel worden beschouwd. De Antroposofische Vereniging vormt samen met de Waldorfschool het geestelijke deel van het drieledige organisme. De Bond voor Driegeleding moet een politiek deel zijn; daarvoor moeten de Waldorfleraren

Blz. 253

durch ihren Rat beitragen. Der Kommende Tag wäre der wirtschaftliche Teil im Ganzen. Die Waldorfschule ginge ja fort. Jeder muß das Nötige dazu tun, daß die anderen Dinge nicht einschlafen. Namentlich der Bund für Dreigliederung, von dessen Regsamkeit hängt alles ab. Wir müssen darauf bedacht sein, daß uns mit jedem neuen Schritt neue Aufgaben erwachsen. Dadurch, daß die Del Montesche Fabrik hinzugekommen ist, haben wir eine Schar von Arbeitern. Eine solche Betriebsversammlung, wie wir sie gehalten haben, ist ja vom heutigen sozialen Leben aus gesehen wirklich ganz deutlich. Es ist jede Brücke abgebrochen zwischen Arbeiterschaft und führenden Klassen. Wenn wir nicht in der Lage sind, durch die Dreigliederungsbewegung gemeinsame Interessen hervorzurufen, wie sie in den siebziger Jahren vorhanden waren in der europäischen Bevölkerung, wo die Proletarier sich interessiert haben für die demokratische Idee, so daß gemeinsame Interessen vorhanden sind, daß man auf etwas anderes denkt als bloß das Brot, wenn das nicht der Fall sein kann, kommen wir auf keinem Gebiete weiter. Wir müssen eine geistige Atmosphäre schaffen. In bezug darauf schläft das Stuttgarter geistige Leben in den letzten fünf Monaten einen tiefen Schlaf, und es muß wiederum auferweckt werden.

door hun advies een bijdrage te leveren. ‘De komende dag’ zou in het teken moeten staan van het economische aspect in zijn geheel. De Waldorfschool zou immers doorgaan. Iedereen moet het nodige doen om te voorkomen dat de andere zaken in de vergetelheid raken. Met name de Bond voor Driegeleding, waarvan de activiteit alles bepaalt. We moeten er rekening mee houden dat elke nieuwe stap nieuwe taken met zich meebrengt.
Doordat de fabriek van Del Monte erbij is gekomen, hebben we een hele groep arbeiders. Zo’n bedrijfsvergadering, zoals we die hebben gehouden, is vanuit het huidige sociale leven gezien echt heel duidelijk. Elke brug tussen de arbeidersklasse en de leidende klassen is verbroken. Als we niet in staat zijn om via de driegeledingsbeweging gemeenschappelijke belangen te creëren, zoals die in de jaren zeventig bestonden onder de Europese bevolking, waar de proletariërs zich interesseerden voor het democratische idee, zodat er gemeenschappelijke belangen zijn en men aan iets anders denkt dan alleen maar aan brood, als dat niet het geval kan zijn, komen we op geen enkel gebied verder. We moeten een geestelijke sfeer scheppen. Wat dat betreft slaapt het geestelijke leven in Stuttgart al vijf maanden een diepe slaap, en het moet weer tot leven worden gewekt.

Das tritt dadurch hervor, daß die Dreigliederungszeitung, die so gut ist, als sie sein kann, in den letzten fünf Monaten gar nicht an Leserzahl zugenommen hat. Sie hat auch nicht zugenommen an Mitarbeiterzahl. Wir brauchen Mitarbeiter für die Dreigliederungszeitung.
Das Ziel muß uns vor Augen schweben, die Dreigliederungszeitung möglichst schnell in eine Tageszeitung zu verwandeln. Wenn gewisse Konsequenzen gezogen werden, wenn wir also solche Betriebe angliedern, ohne daß wir etwas Positives leisten für die politische Bewegung Mitteleuropas, dann überleben wir das nicht. Wir können nicht Betriebe nach und nach aufnehmen und nicht zu gleicher Zeit etwas mit Stoßkraft leisten, was etwas ist.
Im politischen Leben und im sozialen Leben sind nicht Dinge einfach wahr, sondern sie sind, wenn man heute zu einer solchen Versammlung geht, etwas sagt, das ist heute wahr, aber wenn man sich nicht entsprechend verhält in den nächsten Monaten, so ist es nicht mehr wahr, so wird es unwahr. Wenn der Kommende Tag so etwas bleibt wie eine gewöhnliche Unternehmung, so wird das unwahr. Es ist wahr, wenn es uns gelingt, wirklich mit Stoßkraft vorwärtszukommen. Da handelt es sich darum, wie weit wir in der nächsten Zeit gegen alle Vorurteile im Aktuellen zugreifen.
Solch ein Mensch wie der Stinnes hat eine große Bedeutung für die nächste Zukunft.

Dat blijkt uit het feit dat de Driegeledingskrant, die zo goed is als ze maar kan zijn, de afgelopen vijf maanden helemaal geen groei in het lezersaantal heeft gekend. Ook het aantal medewerkers is niet toegenomen. We hebben medewerkers nodig voor de Driegeledingskrant. We moeten ons ten doel stellen om de Driegeledingskrant zo snel mogelijk om te vormen tot een dagblad. Als bepaalde consequenties worden getrokken, dat wil zeggen als we dergelijke ondernemingen onder onze vleugels nemen zonder dat we iets positiefs bijdragen aan de politieke beweging in Midden-Europa, dan zullen we dat niet overleven. We kunnen niet stukje bij beetje ondernemingen opnemen en tegelijkertijd met daadkracht iets van betekenis tot stand brengen.
In het politieke en sociale leven zijn dingen niet zomaar waar, maar als je vandaag naar zo’n bijeenkomst gaat en iets zegt, dan is dat vandaag waar, maar als je je de komende maanden niet dienovereenkomstig gedraagt, dan is het niet meer waar, dan wordt het onwaar. Als de „Kommende Tag” zoiets blijft als een gewone onderneming, dan wordt dat onwaar. Het is waar als het ons lukt om echt met daadkracht vooruit te komen. Het gaat erom in hoeverre we de komende tijd tegen alle vooroordelen in ingrijpen in de actualiteit.
Zo iemand als Stinnes is van groot belang voor de

Blz. 254

nächste Zukunft. Seine Ideen gewinnen an Anhang. Insbesondere in seiner Partei, der Deutsch-Idiotischen Partei, das heißt der deutschen Industrie-Partei, da gewinnen diese Ideen eine agitatorische Kraft.
Man muß sich klar sein, daß da geniale Hintermänner sind. Er strebt an, es dahin zu bringen durch eine Riesenvertrustung des geistigen Lebens und der wirtschaftlichen Unternehmungen, daß das Proletariat knierutschend vor den Toren seiner Unternehmungen erscheint, um Einlaß zu bitten. Dazu ist er auf dem besten Wege. Und es ist systematisch, was er tut. Und mit solchen Leuten steht schon wiederum die geistige Bewegung in Deutschland in einem gewissen
Zusammenhang. Bei uns versteht man die Mache viel zu wenig. Graf Keyserling (in Darmstadt) hat die Mache sehr gut verstanden. Er hat starke Finanzkräfte hinter sich. Dasjenige, was mit Stinnes heraufzieht — Sie können das verfolgen in den Badenschen Zeitungen —, wird als eine Heilslehre hingestellt. Das bringt eine Art von Dreigliederung herauf, aber in ahrimanischer Ausgabe. Sie kommt als Teufelswerk, wenn sie nicht so gemacht wird, wie wir sie machen können.
Nun handelt es sich darum, daß man die Augen sehend, die Ohren hörend, die Nasen riechend macht für alles das, was heraufzieht. Es ist schön, absolute Theorien hinzustellen. Es ist notwendig, daß man das Größte an die Einzelheiten anknüpft. Unser Wirken muß aktuell werden. Ich habe in meinem Vortrag in der Liederhalle am Bergarbeiterstreik angeknüpft. Wir sollen vom Alltäglichen die Leute heraufheben zu großen Gesichtspunkten.

nabije toekomst. Zijn ideeën winnen aan aanhang. Met name in zijn partij, de Deutsch-Idiotische Partei, dat wil zeggen de Duitse Industriepartij, krijgen deze ideeën een opruiende kracht.
Men moet zich goed realiseren dat er geniale krachten achter zitten. Hij streeft
ernaar dit te bereiken door een enorme concentratie van het intellectuele
leven en de economische ondernemingen te bewerkstelligen dat het proletariaat op zijn knieën voor de poorten van zijn ondernemingen verschijnt om toegang te vragen. Daar is hij goed op weg. En wat hij doet, is systematisch. En met zulke mensen staat op haar beurt de intellectuele beweging in Duitsland weer in een zekere samenhang. Bij ons begrijpt men het gekunstelde veel te weinig. Graaf
Keyserling (in Darmstadt) heeft het onechte heel goed begrepen. Hij heeft
sterke financiële krachten achter zich. Wat er met Stinnes opkomt — u kunt dat volgen in de Badense kranten —, wordt voorgesteld als een heilsleer. Dat brengt een soort driegeleding teweeg, maar dan in een ahrimanische versie. Het komt over als duivels werk, als het niet zo wordt gedaan zoals wij het kunnen doen.
Het gaat er nu om dat men de ogen laat zien, de oren laten horen en de neuzen laten ruiken voor alles wat er opkomt. Het is mooi om absolute theorieën te formuleren. Het is noodzakelijk dat men het grote geheel aan de details koppelt. Ons werk moet actueel worden. In mijn voordracht in de Liederhalle heb ik aangeknoopt bij de mijnwerkersstaking. We moeten de mensen vanuit het alledaagse naar grotere perspectieven tillen.

Da muß schon hier alles zusammenwirken. Der Kommende Tag wird dadurch wahrscheinlich funktionieren. Dem Bund für Dreigliederung schadet es nicht, wenn ihm manchmal ein bißchen Feuer unter den Sitz gemacht wird.
Unmittelbar aktuell ist die Frage, was wird mit der Kinderschar der neu übernommenen Fabriken? Das ist die Frage, die ein Vorwurf wird, wenn wir nicht zugreifen. Nun, nicht wahr, Dr. Ungers Betrieb hat eine Kinderschar, Del Montes Betrieb hat eine Kinderschar; dadurch, daß wir sie übernommen haben, wächst uns die Aufgabe, wie gründen wir dafür eine Waldorfschule. Wir müßten dafür sorgen.
Ebensogut möchte ich erinnern an das, was ich gestern an einem anderen Ort gesagt habe; die Studenten, die sich engagiert haben dafür, diesen Aufruf zu verbreiten, gegen die haben wir die heilige Pflicht, sie nicht sitzen zu lassen. Da müssen wir fest dahinter sein.
Der Aufruf ist eine furchtbar wackere Tat. Er schlägt ein. Die landwirtschaftlichen Schüler von Hohenheim haben reagiert darauf. Wir
müssen unsere Bewegung als eine solche auffassen, die nicht stehenbleiben kann, die mit jedem Tag fortschreiten muß, sonst hat sie gar keinen Sinn. Ins Austragsstübel können wir uns noch nicht setzen.

Alles moet hier dus samenwerken. ‘De komende dag’ zal daardoor waarschijnlijk
goed verlopen. Het kan voor de Bond voor Driegeleding geen kwaad als er af en toe een beetje vuur onder de stoel wordt aangestoken.
De vraag die nu op de voorgrond staat, is: wat gebeurt er met de kinderen van de
nieuw overgenomen fabrieken? Dat is de vraag die een verwijt zal worden als we geen actie ondernemen. Welnu, nietwaar, de fabriek van Dr. Unger heeft een groep kinderen, de fabriek van Del Monte heeft een groep kinderen; doordat we ze hebben overgenomen, groeit onze taak: hoe richten we daarvoor een Waldorfschool op? Daar moeten we voor zorgen.
Ik wil ook graag herinneren aan wat ik gisteren op een andere plek heb gezegd; de studenten die zich hebben ingezet om deze oproep te verspreiden, tegenover hen hebben we de heilige plicht om hen niet in de steek te laten. Daar moeten we volledig achter staan.
De oproep is een ontzettend moedige daad. Hij slaat aan. De landbouwstudenten van Hohenheim hebben erop gereageerd. We moeten onze beweging zien als een beweging die niet stil kan blijven staan, die elke dag vooruit moet gaan, anders heeft ze helemaal geen zin. We kunnen nog niet achter de geraniums gaan zitten.

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3560-3344

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Klas 7, 8, 9 en 10 – Menskunde

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

.

Zie ‘voorwoord‘.

.

Christine Britsche, Wanne-Eickel

Menskunde in de middenbouw*
.

*Zie voor de begrippen hier.
.

Rond het twaalfde levensjaar vindt er een ingrijpende verandering plaats in de ontwikkeling van het kind. Dit is het proces van de beginnende aardse rijpheid. Alles wat voorheen nog in beeldende vorm via de dier- en plantkunde aan het kind werd aangeboden, kan vanaf nu meer op intellectuele wijze worden opgenomen en verwerkt.
De vraag die nu bij het kind opdringt: ‘Wat ben ik zelf als mens?’, vindt haar antwoord in de leerstof van de vier menskundeperioden.

In de zevende klas beginnen we met de ademhaling. Om de mysterieuze processen te doorgronden die zich daarbij in ons afspelen, kijken we eerst naar de plant en ontdekken we in de assimilatie een weerspiegeling van de menselijke ademhaling. Wat zich in het bloed en in het groene sap van de plant met behulp van lucht en zonlicht aan stofomzettingen voltrekt, komt overeen met wat zich op mysterieuze wijze in de menselijke ademhaling tussen de zuurstof en het rode bloed afspeelt. Dat dit proces plaatsvindt in een eeuwige afwisseling, die we dan, met achttien ademhalingen per minuut, het ademhalingsritme noemen, kunnen we zelfs aan onszelf aflezen. Daarbij ontdekken we de nauwe verbondenheid van de mens met de omgeving, met name met de plantenwereld, en vinden we al snel voorbeelden, zoals dag en nacht, inademing en uitademing, geboorte en dood.

De verbanden met de buitenwereld komen nog duidelijker tot uiting in de voeding. Wat bij onze ademhaling nog onbewust, bijna als in een droom, gebeurt, verloopt bij de voeding bewust. Terwijl we bij het ademen alle lucht moeten aannemen die onze omgeving ons biedt, kunnen we bij de voeding vrij en bewust beslissen wat en wanneer we eten. Hoe geweldig deze voorziening voor ons mensen is, maar ook welke gevaren ze in zich draagt, kunnen de leerlingen zelf ontdekken als je ze op zoek laat gaan naar oude volkswijsheden over goede en slechte eetgewoonten, zoals bijvoorbeeld:

Droog brood maakt de wangen rood
Goed gekauwd is half verteerd
Het oog eet mee
Honger is de beste kok
Eet matig, maar regelmatig
Zout moet je spaarzaam gebruiken
Te veel koks bederven de brij
Eet ’s ochtends als een vorst, ’s middags als een burger en ’s avonds als een bedelaar.

Aan de hand van deze uitspraken kun je de leerlingen laten zien hoe essentieel een natuurlijke voeding voor onze gezondheid is. De gezondheid is altijd onderhevig aan twee afwijkingen. De ene neigt naar verharding, de andere naar afbraak. Voor beide kunnen de leerlingen zelf weer voorbeelden zoeken en zullen ze enerzijds alle soorten steenvorming in het lichaam opsommen, anderzijds de vele mogelijkheden van zweer- en gezwelvorming noemen. Koorts, als genezende zelfhulp van ons lichaam, blijft bij deze behandeling nooit onvermeld. Het is het genezende middel van het lichaam bij het zoeken naar en herstellen van zijn evenwicht.

Aan het einde van deze periode moeten de leerlingen het belang van het innerlijke evenwicht hebben ingezien, zoals ze dat symbolisch hebben leren kennen in het ritme van de ademhaling, maar ook in alle voedings- en gezondheidskwesties.

Het jaar daarop, in de achtste klas, ervaart de leerling het wonder van de menselijke botstructuur. Op deze leeftijd heeft hij een bijzondere band met de kracht en de sterkte van zijn eigen botten. Dat zien we aan de onbeholpenheid waarmee hij zijn ledematen beweegt. Bij nadere beschouwing van het skelet kan het de leerling duidelijk worden hoe de afzonderlijke botten van boven (vanaf het hoofd) naar beneden (naar de ledematen) steeds meer worden onderverdeeld en verfijnd.
Wat aan het hoofd nog stevig samengevoegd en compact lijkt, zoals een bol = de schedelkapsel, lost zich naar beneden toe steeds meer op en straalt uit in de afzonderlijke kleine, losjes samengevoegde botjes van de tenen en vingers. Als je deze transformatie vervolgens in elk deel van het menselijk skelet met hen opzoekt, vinden ze uiteindelijk zelf de grootse wetmatigheid en ontdekken ze het samentrekken van de vormen naar boven toe en het oplossen van de vormen naar beneden toe; bij het hoofd bijvoorbeeld is het voorhoofd hoofdachtig gevormd, de onderkaak daarentegen ledemaatachtig.
Bij een vergelijking met het dier ontdekken we al in de uiterlijke bouw het verschil met de mens. Het dier vertoont een voor- en achterkant in zijn kop en staart, en leeft dus in het horizontale vlak, altijd naar de aarde geneigd. De mens daarentegen kan zich oprichten. Hij draagt zijn hoofd vrij naar boven, staat met zijn voeten stevig op de aarde en kan zijn handen vrij inzetten om voor zichzelf en anderen te werken. Welk inzicht moet de leerling uit deze vergelijking putten?

De mens die het dierlijke in zijn eigen lichaamsvorm overwint, die niet alleen levend en bezield is, zoals het dier met zijn onbewuste, aangeboren instinctieve krachten — hij toont zich daarentegen volledig getransformeerd en vergeestelijkt. Hij kan zijn krachten, die uit het onbewuste opstijgen, beheersen, ermee omgaan en ze omzetten in gedachten en ideeën. Over dit thema kunnen de leerlingen veel voorbeelden uit de dierenwereld zoeken die instinctieve handelingen weergeven, bijvoorbeeld de trek van vogels naar het zuiden, winterslaap, het zoeken naar voedsel vóór het intreden van de kou en nog veel meer.

Ook worden voorbeelden gegeven die de transformatiemogelijkheden van de mens illustreren: het dier moet eten als het honger voelt, moet vluchten uit angst; de mens heeft dat allemaal niet nodig, hij kan erover nadenken, zijn eigen wil inzetten, zichzelf beheersen en zelf beslissen. 

In de negende klas worden vervolgens de organen van de stofwisseling en hun functies uitvoerig besproken; alles wat onbewust in ons plaatsvindt, in voortdurende wisselwerking met het minerale aspect van de stoffelijke wereld. Het zijn processen die vooral onder het middenrif plaatsvinden, bijvoorbeeld bij de spijsvertering, maar al snel ontdekken we dat niet alleen afzonderlijke organen verantwoordelijk zijn voor de spijsvertering of de stofwisseling, maar dat deze stofwisseling overal in ons lichaam plaatsvindt, in elke kleinste cel, bijvoorbeeld bij de zweetafscheiding via de poriën in de huid.
In tegenstelling tot de lagere stofwisselingspool beschouwen we vervolgens de zenuwpool als centrum met zijn lichamelijke basis, de hersenen, waarvan de werking zich eveneens over het hele lichaam uitstrekt; want we vinden fijne en uiterst fijne zenuwen verspreid tot in onze vingertoppen en spreken dan van ‘vingertopgevoel’.

In verband met deze twee polen kunnen vervolgens op een hoger niveau de bewustzijnsprocessen met hun afbrekende werking in de bovenste pool, de hersenen, worden beschreven, en daarnaast de tegenpool in de stofwisseling met zijn meer opbouwende levens- en regeneratiekracht. Het moet de leerlingen daarbij duidelijk worden dat, waar in een levend wezen een hogere mate van bewustzijn optreedt, de regeneratiekracht afneemt, en dat waar een sterke regeneratiekracht aanwezig is, zoals bijvoorbeeld bij lagere dieren (wormen, insecten), nauwelijks bewustzijn waarneembaar is. Maar als, zoals bij de mens, de onbewust werkende levenskracht is toegenomen en is omgezet in bewuste gedachten, dan kan je de uitspraak begrijpen: „Hij heeft een grote gedachte voortgebracht.”

In de tiende klas kijken we dan terug op drie ‘zelfstandige’ mensen en benaderen we hen nu minder vanuit het fysieke en psychische aspect, maar meer vanuit het geestelijke standpunt. Aan de hand van het voorbeeld van het oog en het oor wordt de zenuw-zintuigmens behandeld, de stofwisselingsmens in zijn onbewuste werking en de ademhalingsmens, die alles doordringt en verbindt. Daarbij moet de leerling ontdekken dat al deze drie functiesystemen zijn opgebouwd als instrumenten waarop hij als mens moet leren spelen, harmonieus en fijn afgestemd zoals in een orkest.

Dat alles in de afzonderlijke levensfuncties op harmonie is gericht, weten de leerlingen nu uit de voorgaande periodes. Nu moeten ze leren begrijpen wat het betekent om zijn temperament te beteugelen of in evenwicht te brengen, welke betekenis een ware zielsverzorging heeft en wat je kan doen voor de eigen karaktervorming. Het besef dat het lichaam van de mens het instrument van de ziel is, moeten ze aan het einde van deze periode meenemen.

Wanneer bepaalde aspecten van de menskunde worden behandeld, verschilt soms per leerplan. Oog en oor komen vaak in de 8e klas ter sprake bv. 

.

7e klas voedingsleer: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

9e klas:

10e klas: alle artikelen

.

3559-3343

.

.

.

.