WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 3300 artikelen

Kleinere en grotere, makkelijk toegankelijke en die meer studie vragen; direct met de vrijeschool te maken hebbend of zijdelings: de meest uitgebreide vrijeschoolsite die er te vinden is.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken
leeftijden
over illustraties

BEWEGEN in de klas
alle artikelen

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

EURITMIE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GEZONDHEID – die van de leerkracht
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
alle artikelen

HANDVAARDIGHEIDSONDERWIJS
a
lle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1; klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7; klas 8; klas 9: klas 10; klas 11; klas 12

LEERPLAN
alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
alle artikelen

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
Alle artikelen

SCHILDEREN
Alle artikelen

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
alle artikelen

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
Niet elders gerubriceerd: alle artikelen

Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
Auschwitz en Gaza 2025
Ahriman en/in het onderwijs;
Grafische vormgeving bij Steiner
Interviews met oud-leerlingen
Is het alles goud wat er blinkt….?
Kritiek op de vrijeschool
Kunstzinnige vormgeving van een klaslokaal
Naamgeving en schrijfwijze vrijeschool;
Ochtendspreuk;
Organische architectuur;
Steiner lezen?
Uitgangspunten vrijeschool;
Vrijeschool en antroposofie;
Vrijheid van onderwijs;  
Worden wie je bent

.
EN VERDER:

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cyprus; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israël; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouwen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Qatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – 12e klas – geschiedenis

.
Onderstaand artikel is van 1953. Dat is bijna 75 jaar geleden.
In die 75 jaar is er weer heel wat gebeurt waarover in dit artikel uiteraard niets is te vinden.
Inmiddels is het ook moeilijker geworden door o.a. exameneisen de aanwijzingen van Steiner voor het geschiedenisonderwijs in klas 12 te volgen.
En inmiddels zijn er ook veel jongere leerkrachten die met een geschiedenisopleiding achter de rug dit vak moeten geven, zonder dat ze wellicht van de oorspronkelijke visie op de hoogte zijn.
Van die visie vinden we in dit artikel nog van alles terug.
Wellicht kan het de gezichtspunten voor deze tijd helpen verdiepen.
Vandaar de vertaling.
Literatuur waarnaar verwezen wordt, vermeld ik gewoon, in het besef dat er voor het Nederlandse taalgebied ook andere belangrijk werk is.
.

Johannes Tautz, Erziehungskunst jrg. 17 nr.9 1953
.

De samenhang van historische ontwikkeling

Voor geschiedenislessen in de twaalfde klas 

In de twaalfde klas wordt van de achttienjarige verwacht dat hij een overzicht krijgt van de verschillende kennisgebieden.
Bij geschiedenis is het doel om dieper op de stof in te gaan en – op een boeiende en op het individu gerichte wijze – de stap te zetten van een louter oorzakelijke benadering van de geschiedenis naar het geheel. Dit is het uitgangspunt in het leerplan van de Vrije Waldorfschool.

Niemand zal de moeilijkheid onderschatten om “geschiedenis als geheel” te behandelen. Het idee dat de geschiedenis, als een organisme in de tijd, haar eigen ontwikkelingswet in zich draagt, wordt al honderd jaar met scepsis bekeken.

In de tijd van Goethe ontstond de behoefte aan een alomvattende visie op de geschiedenis. Lessing vatte deze op als de voortschrijdende opvoeding van de mensheid. “De opvoeding van het menselijk geslacht” werd zijn testament. Onder invloed van dit werk ontwikkelde Herder zijn “Ideeën voor een filosofie van de geschiedenis van de mensheid“. Hij zocht naar de geschiedenis binnen de geschiedenis, naar de innerlijke samenhang van het geheel. Hegel bestudeerde de ontwikkelingsstadia. Voor hem was de geschiedenis “de vooruitgang van de mensheid in het bewustzijn van vrijheid.” Schiller vroeg: “Wat is wereldgeschiedenis en met welk doel bestuderen we die?” Hij antwoordde: Wereldgeschiedenis onderzoekt de gebeurtenissen die een aanzienlijke invloed hebben gehad op de huidige gedaante van de wereld en van de mensheid. Men bestudeert wereldgeschiedenis om de eigen positie en taak in het heden te kunnen herkennen.
Uit dit inzicht ontstaan ​​dankbaarheid voor de erfenis van het verleden en de vastberadenheid om aan de toekomst te werken.
   Sinds de tijd van Goethe bestaat er bij mensen een diepgewortelde behoefte
om inzicht te krijgen in de ware, geestelijke samenhang van de historische
ontwikkeling. Het hedendaagse historische onderzoek heeft echter nog niet in deze behoefte voorzien. Daarom wordt van de leraar verwacht dat hij het antwoord geeft dat hij voor zichzelf heeft uitgewerkt.
   Voor de geschiedenisles in de twaalfde klas neemt de leerling een overzicht mee van de voorchristelijke wereldgeschiedenis uit de tiende klas en een overzicht van de christelijke wereldgeschiedenis uit de elfde klas. Hij heeft kennisgemaakt met de wortels van de westerse cultuur in het Middellandse Zeegebied, het Nabije Oosten en Zuidoost-Azië, en heeft de verschuiving van culturele centra van oost naar west gevolgd.
Buiten de westerse cultuursfeer lagen het Verre Oosten (China), het Verre Westen (het precolumbiaanse Amerika) en vroege volkeren – de zogenaamde ‘primitieve’ samenlevingen. Deze komen in de twaalfde klas aan bod, evenals de wereldwijde verspreiding van de Europese natuurwetenschap en technologie.
Het leerplan schrijft voor dat de geschiedenis in haar geheel vanuit het perspectief van de huidige ontwikkelingen wordt besproken en dat er uiteindelijk een blik wordt geworpen op de vormen die de toekomst aanneemt.
Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben ontwikkelingen geleid tot een situatie waarin vrijwel de gehele wereldbevolking in twee groepen is verdeeld.
De scheidslijn loopt dwars door Duitsland heen. Terwijl de westerse dominantie in het oosten en zuidoosten afneemt, ontstaat er in het westen een krachtig zwaartepunt. Centraal-Europa – politiek machteloos en economisch afhankelijk – wordt opgeroepen een culturele bijdrage te leveren.
Leerlingen zullen ontdekken welke vorm deze bijdrage kan aannemen; zij hoeven slechts inzicht te krijgen in de moderne eisen ten aanzien van de mensheid, die voor het eerst tijdens de Franse Revolutie werden verwoord.
Ernst von Aster besluit zijn werk *De Franse Revolutie in de ontwikkeling van haar politieke ideeën* als volgt: “Vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn de idealen van de Revolutie. De Revolutie van 1789 werd gevoerd in naam van de vrijheid; die van 1793 in naam van de gelijkheid. Wanneer zal de revolutie komen die het idee van broederschap boven beide verheft? Als zij er moet komen — als deze revolutie van de toekomst mogelijk moet zijn — dan moet zij ongetwijfeld dieper graven en verder reiken dan een louter politieke omwenteling of zelfs een maatschappelijke vernieuwing; het moet een revolutie van de geest en de ziel zijn.” Zodra dit werkelijkheid wordt, zal vrijheid zegevieren op het gebied van het culturele en geestelijke leven, gelijkheid op het gebied van rechten en staat, en broederschap op het gebied van het economische leven. Rudolf Steiner wees in 1919 op deze oplossing. [1]
Dit brengt de noodzaak met zich mee om een ​​historische onderbouwing te bieden voor het sociale organisme, gestructureerd in de sferen van cultureel-geestelijk leven, rechts- en staatsleven en economisch leven. Docenten zullen waardevol studiemateriaal vinden in Diether Vogels *Freiheitliche Ordnung von Kultur, Staat und Wirtschaft. Die soziale Problematik im Lichte von Goethes Metamorphosenlehre* [Een vrije orde van cultuur, staat en economie: De sociale kwestie in het licht van Goethe’s metamorfosenleer]. 

   Uit de les kwam de volgende samenvatting naar voren: de hoogstaande beschavingen van het Oude Nabije Oosten, het Verre Oosten en het Verre Westen waren theocratieën. Religie, die vanuit de tempelcentra uitstraalde, stond centraal in het leven. Het recht deed zich voor als een goddelijk gebod. De economie speelde slechts een ondergeschikte rol. In Griekenland en Rome werden de fundamentele vormen van het sociaal-politieke leven ontwikkeld – vormen die vandaag de dag nog steeds Griekse en Latijnse namen dragen (democratie, republiek). Politiek bestuur ontstond naast het priesterkoningschap. In de middeleeuwen uitte dit dubbele leiderschap zich in het conflict tussen het pausdom en het keizerrijk. De economie bleef haar ondergeschikte rol behouden. In de moderne tijd werd de economie steeds dominanter. Het theocratische tijdperk werd gevolgd door het politieke tijdperk, en dit weer door het industriële. In de huidige tijd zijn de drie geledingen van het sociale organisme tot ontwikkeling gekomen, maar ontbreekt de juiste onderlinge verhouding. De economie en het geestesleven blijven verweven met de staat; de culturele, politieke en economische sferen moeten echter uiteindelijk tot zelfbestuur komen.
De leerling dient te beseffen dat de toekomst mede afhangt van zijn eigen verantwoordelijkheid.
Wanneer het werk in dit geschiedkundige tijdperk dit stadium heeft bereikt, volgt de ontwikkeling van de moderne staat op organische wijze. Hierbij hoeft de leerkracht slechts de studies van Karl Heyer te volgen, waarvan het belang reeds werd erkend in het tijdschrift *Erziehungskunst* (1952, nr. 8). [niet op deze blog] In deze context krijgt de typering van Frederik II, zoals gegeven door Burckhardt in zijn werk *De cultuur der Renaissance*, betekenis. De Hohenstaufenheerser creëerde in Zuid-Italië het model van de moderne machtsstaat. De steden in Midden- en Noord-Italië volgden dit voorbeeld. Deze ontwikkeling zette zich voort in Frankrijk: het tijdperk van het absolutisme brak aan. Een matiging van dit systeem deed zich voor in de vorm van het zogenaamde ‘verlicht absolutisme’ van Frederik van Pruisen en Jozef van Oostenrijk. Er begonnen zich tegenkrachten te roeren die zich verzetten tegen de almacht van de staat. In Frankrijk brak een revolutie uit.
Gangbare beschrijvingen van de Franse Revolutie belichten de oorzaken en gevolgen ervan. In de twaalfde klas dient de docent echter verder te kijken dan louter causale historische aspecten – door middel van een aanpak die zowel levendig is als gericht op het individu – om zo het totaalbeeld te kunnen vatten. Het onlangs verschenen werk van Karl Heyer, *Gestalten und Ereignisse vor der Französischen Revolution* (Figuren en gebeurtenissen vóór de Franse Revolutie; 301 blz., 1952, is in dit opzicht van onschatbare waarde.
De *Großer Ploetz* stelt: “Alle onevenwichtigheden en grieven werden steeds scherper ervaren, omdat vanaf het midden van de eeuw de kritische geest de Franse samenleving beheerste. Naast de encyclopedisten en hun rationalisme – dat geen enkele autoriteit onbetwist liet – kwam Rousseaus gepassioneerde roep om vrijheid naar voren.”
Karl Heyer beschrijft tot in detail hoe een moment van inspiratie de bron werd voor Rousseaus wereldveranderende geschriften. Gezien het belang ervan is hier het verslag opgenomen dat Rousseau in een brief aan Malesherbes over deze inspirerende ervaring gaf:
‘Ik was onderweg om Diderot te bezoeken, die destijds in Vincennes gevangen zat. Ik had een exemplaar van de *Mercure de France* bij me en bladerde er onderweg doorheen. Mijn oog viel op de prijsvraag van de Academie van Dijon – precies de vraag die aanleiding gaf tot mijn eerste geschrift. Als er ooit iets op een plotselinge ingeving leek, dan was het wel de emotionele vloedgolf die me overviel toen ik die woorden las. Plotseling werd mijn geest verblind door duizend lichtstralen; een menigte levendige ideeën drong zich tegelijkertijd aan me op, met zo’n kracht en in zo’n overvloed dat ik in een staat van onbeschrijfelijke verbijstering raakte. Ik voelde een duizeling in mijn hoofd die op dronkenschap leek. Een hevige onrust maakte zich van mij meester en deed mijn borst op en neer gaan. Omdat ik tijdens het lopen niet op adem kon komen, liet ik me onder een van de bomen langs de weg zakken; ik verkeerde daar een half uur lang in zo’n staat van opwinding dat ik, toen ik weer opstond, merkte dat de voorkant van mijn jas volledig doordrenkt was van de tranen die ik had vergoten zonder dat ik het zelf in de gaten had gehad. Och, had ik maar een kwart kunnen opschrijven van wat ik onder die boom zag en voelde! Met wat een helderheid zou ik alle tegenstrijdigheden van de maatschappelijke orde hebben blootgelegd; met wat een kracht zou ik de misstanden van onze instellingen aan de kaak hebben gesteld; met wat een eenvoud zou ik hebben aangetoond dat de mens van nature goed is en dat het louter onze instellingen zijn die mensen slecht maken. Toch is van die schat aan grote waarheden die mijn geest verlichtten tijdens die kwartier onder de boom, slechts een vage en verbrokkelde herinnering overgebleven in de drie belangrijkste van mijn geschriften.” (Heyer, op. cit., blz. 101 e.v.)

   Een achttienjarige dient vertrouwd te raken met dergelijke feiten. Ze illustreren hoe de ontwikkeling verloopt en hoe de wereld verandert. Iemand kan een bijdrage gaan leveren aan zijn eigen tijdperk – en zelfs aan de wereldgeschiedenis als geheel – zodra de geestelijke samenhangen duidelijk worden.
In de moderne tijd is de economie de overheersende kracht geworden; jongeren moeten zich daarom vertrouwd maken met de fundamentele realiteit ervan. Zoals de menskunde aantoont, begint het begrip hiervan na het twaalfde levensjaar, naarmate de lichamelijke rijping nadert. Daarom doen leerlingen op vrijescholen vanaf hun dertiende jaar ervaring op met overzichtelijke economische ondernemingen, zoals een zeepfabriek of een spinnerij.
De geschiedenislessen in de twaalfde klas, waarin de economische evolutie wordt behandeld, kunnen op dit fundament voortbouwen. Ter oriëntatie voor de leerkracht wordt gewezen op het werk van Folkert Wilken (recentst: *Selbstgestaltung der Wirtschaft* [Zelfvorming van de economie], Freiburg 1949) en *Vom Wesen der Weltwirtschaft* [Over de aard van de wereldeconomie] van Emil Leinhas (Lorch-Stuttgart, z.j.).
Uit de klassengesprekken kwam de volgende samenvatting naar voren: Sinds het einde van de negentiende eeuw is er, naast (en aanvankelijk als aanvulling op) de wereldhandel, een ‘wereldeconomie’ ontstaan. Deze ontwikkeling maakt de industrie afhankelijk van de regelmatige invoer van buitenlandse grondstoffen. Geen enkele nationale economie kan in afzondering bestaan; ze zijn onderling van elkaar afhankelijk. De aarde begint één economische sfeer te vormen. Deze evolutie naar een wereldeconomie stuit echter op tal van obstakels. De doorslaggevende weerstand komt voort uit de moderne economische mentaliteit, die het belang van het individu of de natie als drijvende kracht van de economie beschouwt. In plaats van een wereldeconomie in de ware zin van het woord, hebben zich grootschalige regionale economische blokken gevormd. In het tijdperk van de nationale economie heerste nationaal egoïsme; in het tijdperk van grootschalige economische blokken heerst imperialistisch egoïsme. Toch kan de wereldeconomie niet op egoïsme gebaseerd zijn; omdat ze de gehele aardbol omspant, vereist ze wederzijdse consideratie tussen de economische actoren.

   Vanuit deze basis wordt het mogelijk om de “sociale hoofdwet” [2] te bespreken die Rudolf Steiner in 1905 formuleerde.
Een grondige uiteenzetting vereist aandacht voor de “Industriële Revolutie”, waarvan de tweede fase na de laatste wereldoorlog begon.
Bij een geslaagde aanpak kan een afsluitende samenvatting de fundamentele krachten van het heden zichtbaar maken. Het vormgeven van deze krachten zal de taak van de jongere worden. Zij dienen zich het inzicht van Novalis eigen te maken: “Het Duitse wezen is kosmopolitisme, vermengd met de krachtigste individualiteit.”
Er wordt inderdaad veel gevraagd: alomvattende overzichten die de rede bevredigen; een verdieping in het geestelijke die het gevoelsleven verwarmt; en verbindingen met het heden, gecombineerd met een toekomstvisie die de wilskracht aanwakkert.
Als dit uitblijft, bestaat het gevaar dat jongeren bezwijken onder de geestelijke verlamming die velen vandaag de dag in haar greep houdt. Gelatenheid ten aanzien van de huidige omstandigheden neemt toe. Toch zouden jongeren, wanneer ze vanuit school het leven instappen, hun energie moeten inbrengen in een omgeving die vernieuwing behoeft. Geschiedenisonderwijs van de soort die hier wordt beoogd, kan hen tot “deelnemers aan de grote besluiten van het lot” maken (zoals Goethe over zichzelf zei tijdens zijn verblijf in Italië). Dan kan in hen op een dag het besluit rijpen: wij willen medewerkers worden bij de grote daden die ons tijdperk vereist.
.
[1] Sociale driegeleding: alle artikelen

[2] Over de sociale hoofdwet

12e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.


3595-3388
.
.
.
.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 23 maart 1921

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven.
Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan.
De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

Onrustige klas – hoe werkt het imponderabele <1>
8e klas geschiedenis: lezen Schiller ‘De dertigjarige oorlog’ <2>
Leerlingen lezen elkaar voor in Engelse les klas 7 Christmas Carol <3>

RUDOLF STEINER

.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart

1919 bis 1924

Erster Band

Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1

Het eerste en tweede schooljaar

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

Toevoegingen in blauw zijn van mij.

GA 300A

Blz. 273

Konferenz vom Mittwoch 23. März 1921, wohl abends

Vergadering van woensdag 23 maart 1921 – waarschijnlijk ’s avonds

Dr. Steiner (zu Ruhtenberg, der vertretungsweise die 5b übernommen hatte): Wie haben Sie sich hineingefunden in die 5. Klasse?

<1> (tot Ruhtenberg, die tijdelijk de leiding over klas 5b op zich had genomen): Hoe is het in de vijfde klas gegaan?

X.: Die Kinder sind schwatzhaft und unruhig.

X.: De kinderen zijn kletserig en onrustig.


Dr. Steiner: Auf was ist die Schwatzhaftigkeit zurückzuführen? Die frühere Lehrerin, Fräulein Lang, ist immer zurechtgekommen.

Wat is de oorzaak van dat kletsen? De vorige leerkracht, juffrouw Lang, had de zaak altijd goed onder controle.

X.: Ich habe bei ihr zugehört, bei ihr waren die Kinder durchaus ruhig.

X.: Ik heb haar lessen bijgewoond; bij haar waren de kinderen volkomen stil.

X.: Diese Klasse war immer besonders schwierig.

X.: Deze klas is altijd al bijzonder lastig geweest.

Dr. Steiner: Das ist eine eigentümliche Erscheinung. Fräulein Lang hat sie ruhig gehalten, da liegt immerhin ein Rätsel verborgen.

Dat is een merkwaardig verschijnsel. Juffrouw Lang hield ze rustig; daar schuilt een raadsel in.

X.; Sie war sehr streng.

X.: Ze was erg streng.

Dr. Steiner: Ich mache Sie darauf aufmerksam, daß da etwas vorliegt, was für uns wichtig ist. Fräulein Lang ist eine in Württemberg geprüfte Lehrerin. Wenn wir beurteilt werden, dann wird man die Neigung haben, die stramme Disziplin auf die seminaristische Ausbildung in Württemberg zurückzuführen. Als dazumal die drei inspizierenden Weisen in der Schule waren, da hat einer ganz besonders bei der Frau K. gesagt: Man hätte gesehen, daß es mit der Disziplin nicht ginge bei den nicht Geprüften. Sie hätten es in der Klasse gemerkt, wenn eine richtig geprüfte Lehrerin da war.

Ik wil u erop wijzen dat hier iets aan de hand is dat voor ons van belang is. Juffrouw Lang is een in Württemberg gediplomeerd leerkracht. Bij inspecties zal men geneigd zijn die strenge discipline toe te schrijven aan de lerarenopleiding die zij in Württemberg heeft gevolgd. Toen de drie inspecterende wijzen de school bezochten, merkte een van hen op – specifiek met betrekking tot
mevrouw K. – dat het duidelijk was dat de discipline niet gehandhaafd kon worden door ongediplomeerde leerkrachten; ze konden in de klas het verschil merken wanneer er een gediplomeerd leerkracht aanwezig was.

X.: Ich habe den Eindruck, es liege daran, daß es mir nicht genügend möglich war, mich zu präparieren.

X.: Ik heb de indruk dat het voortkomt uit het feit dat ik me niet voldoende heb kunnen voorbereiden.

Dr. Steiner: Da kommen wir zu den Imponderabilien. Es ist nicht bloß wichtig, was der Lehrer tut, sondern was der Lehrer ist, wie er in der Seelenverfassung ist. Das ist einmal durchaus so. Das muß in Betracht gezogen werden. Solche Dinge treten einem besonders stark entgegen an den Gymnasien, wo sehr häufig die Lehrer des Morgens mit starkem Kater in die Schule kommen, weil sie abends in der Kneipe sind. Da ist der Teufel los, nur durch die Tatsache, daß der Lehrer einen Brummschädel hat. Das gehört zu den Imponderabilien. Das ist der radikalste Fall. Sobald das Eigentümliche eintritt, daß man nicht genügend präpariert ist, da vibriert die Seele anders als sonst. Das spiegelt sich sehr leicht in der Disziplinlosigkeit. Daß man wirklich präpariert ist, das ist die Schwierigkeit bei unseren Lehrern in der Waldorfschule. Es ist bei der anstrengenden Tätigkeit furchtbar schwer, zu präparieren. Warum lachen Sie?

Dat brengt ons bij de niet-meetbare factoren. Het gaat niet alleen om wat de leraar doet, maar om wat de leraar *is* – de toestand van zijn ziel. Dat is zeker het geval; daarmee moet rekening worden gehouden. Dergelijke zaken komen vooral aan het licht op gymnasiums, waar leraren ’s ochtends vaak met een enorme kater op school verschijnen omdat ze de avond ervoor in de kroeg hebben doorgebracht. Er ontstaat chaos, simpelweg omdat de leraar bonzende hoofdpijn heeft. Dat valt onder de categorie van het imponderabele. Dat is het meest extreme voorbeeld. Zodra zich de situatie voordoet dat men niet voldoende voorbereid is, trilt de ziel anders dan gewoonlijk. Dit vertaalt zich maar al te gemakkelijk in een gebrek aan discipline. Werkelijk voorbereid zijn – dat is de moeilijkheid voor onze leraren op de vrijeschool. Gezien de zwaarte van het werk is het ontzettend moeilijk om zich voor te bereiden. Waarom lacht u? <1>

Blz. 274

X.; Weil es so ist!

X. Omdat het zo is!

Dr. Steiner: Wollen wir uns noch einmal zum Bewußtsein bringen, welche Lehrkräfte wir brauchen. — Ja, da wäre die 6. Die braucht nicht geteilt zu werden. 54 Kinder, das kann man noch ertragen.
Aber dann müssen wir an die 9. denken. Dann müssen wir eine 10. anschließen. Da werden wir eine Einteilung treffen.

Es werden die Klassen mit ihren Klassenfachlehrern durchgegangen und verteilt.

Laten we ons nog eens voor de geest halen welke leraren we nodig hebben. — Wel, er is de zesde klas. Die hoeft niet gesplitst te worden. 54 kinderen – dat is nog wel te doen.
Maar dan moeten we kijken naar de negende klas. En dan moeten we een tiende klas toevoegen. Daar zullen we regelingen voor treffen.

De klassen worden samen met de vakleerkrachten doorgenomen en de taken worden verdeeld.

Dr. Steiner: Ich möchte, daß Fräulein Dr. Röschl herkommt. Ich finde sie sehr geeignet. Ich möchte sie sehr gerne hier haben für Lateinisch und Griechisch. Sie kann erst vom Herbst an.
Ist Ruhtenberg frei? Mit Rücksicht darauf, daß ich Fräulein Dr. Röschl durchaus dahaben möchte, würde ich meinen, daß es gut wäre, wenn diese 5b für die Dauer von Herrn Ruhtenberg besorgt würde.
Es würde sich dann nur um zwei neue Lehrkräfte handeln.
Ist nicht Fräulein Klara Michels Fachlehrerin? Sie würde dann wohl nur für eine höhere Klasse in Betracht kommen.
Dr. Kolisko sagt, daß er vom Herbst an an die Schule kommen könnte.

Ik zou graag willen dat Fräulein Dr. Röschl hierheen komt. Ik acht haar zeer geschikt. Ik zou haar hier heel graag hebben voor Latijn en Grieks. Ze kan echter pas in de herfst beginnen.
Is Ruhtenberg beschikbaar? Aangezien ik absoluut wil dat Fräulein Dr. Röschl hier komt, lijkt het me goed als de heer Ruhtenberg voorlopig deze klas 5b op zich neemt.
Dat zou betekenen dat we nog maar twee nieuwe leraren nodig hebben.
Is Fräulein Klara Michels geen vakleerkracht? Zij zou waarschijnlijk alleen voor een hogere klas in aanmerking komen.
Dr. Kolisko zegt dat hij vanaf de herfst naar de school zou kunnen komen.

Dr. Steiner: Wenn dann Dr. Kolisko eintritt, könnte es sich etwas verschieben. — Es ist nicht leicht, Lehrkräfte zu finden. Beworben haben sich riesig viele, aber keine brauchbaren.

Als Dr. Kolisko er dan bij komt, kan de situatie misschien wat verschuiven. — Het is niet eenvoudig om leraren te vinden. Er hebben zich enorm veel mensen aangemeld, maar niemand was geschikt.

X.: Ich bin im Geschichtsunterricht in der 9. Klasse bei der Gegenwart angekommen.

X.: In mijn geschiedenislessen aan de negende klas ben ik bij het heden aangekomen.

Dr. Steiner: Sie dachten zu Jean Paul überzugehen. Ich würde meinen, das, was wir festgelegt haben, müßte fest eingehalten werden. Mit der 8. sind Sie auch bis zur Gegenwart gekommen? Ich würde Ihnen empfehlen, mit der 8. Klasse zu lesen die ersten Kapitel von Schillers „Dreißigjährigem Krieg”. Darin ist sehr viel Bildendes; darin sind sehr viele Dinge, die bis zur Gegenwart gehen.

U was van plan over te gaan op Jean Paul. Ik ben van mening dat we ons strikt <2> aan de gemaakte afspraken moeten houden. Bent u met de achtste klas ook al bij het heden aanbeland? Ik zou u aanraden om met de achtste klas de eerste hoofdstukken van Schillers *Dertigjarige Oorlog* te lezen. Dat bevat veel vormend materiaal; het behandelt tal van zaken die tot in het heden doorwerken. <2>

X.: Sollte es nicht möglich sein, im englischen Unterricht in der 7. Klasse irgend etwas aus einem Buch zu lesen?

<3> X.: Zou het niet mogelijk zijn om tijdens de Engelse les in de zevende klas iets uit een boek te lezen?

Dr. Steiner: Vielleicht ist es doch möglich. Wieviel Zeit werden Sie haben, um zu lesen? Wie könnte man das bewirken, daß „Christmas Carol” gelesen würde? Es ist außerordentlich instruktiv, wenn jedes Kind das Buch hat und man sie einzeln herausruft und vor den anderen in zwangloser Weise vorlesen läßt, damit sie zusammenlesend denkend arbeiten. 6a, 6b: Poetisches; Prosa nach der Poesie.

Misschien is dat toch mogelijk. Hoeveel tijd heeft u voor het lezen? Hoe zouden we het kunnen aanpakken om *A Christmas Carol* te lezen? Het is buitengewoon leerzaam als elk kind het boek heeft en u ze individueel vraagt ​​om op een ontspannen manier voor de klas voor te lezen, zodat ze samenwerken – waarbij ze gezamenlijk lezen en nadenken. 6a, 6b: Poëtisch materiaal; proza ​​volgend op poëzie. <3>

Blz. 275

Im Lateinkurs kann man Ovid oder Vergil lesen. Plutarch, kleine Geschichten.

Bij Latijn kan men Ovidius of Vergilius lezen. Plutarchus – korte verhalen.

X. sagt, er habe Ovid gelesen.

X. zegt dat hij Ovidius heeft gelezen.

Dr. Steiner: Bleiben Sie dabei, bis sie arg viel können.

Blijf ermee doorgaan totdat ze de stof goed beheersen.

Es wird nach Plinius gefragt.

Er wordt een vraag gesteld over Plinius.


Dr. Steiner: Plinius ist eine gute Lektüre. Livius für die ältesten Schüler: da muß man auf die Intimitäten eingehen. Livius hat eine sehr schlechte Überlieferung; er ist der berühmte Schriftsteller, bei dem man immer Konjekturen macht.
Im Griechischen würde ich solche Sprüche mit ihnen durchnehmen
(Dr. Steiner gibt ein Beispiel); es gibt sehr viel solche Zweizeiler im Griechischen.

Plinius is goede lectuur. Livius voor de oudste leerlingen – daar moet men dieper ingaan op de fijnere punten. De tekstoverlevering van Livius is zeer gebrekkig; hij is de beroemde auteur wiens werk voortdurend om tekstcorrecties vraagt.
Bij Grieks zou ik dergelijke spreuken met hen doornemen (Dr. Steiner geeft een voorbeeld); er zijn heel veel van zulke disticha in het Grieks.

Es wird gefragt wegen des Religionsunterrichts.

Er wordt een vraag gesteld over godsdienstonderwijs.

Ein Klassenlehrer: Ich war mit darin in der Klasse 6b. Das ging ganz gut.

Een klassenleerkracht: Ik heb de les in klas 6b ook bijgewoond. Het verliep heel goed.

Dr. Steiner: Man kann jemandem viel helfen, wenn man mit in der Klasse ist.

Je kunt iemand enorm helpen door in de klas aanwezig te zijn.

Wie steht die Sache mit der Eurythmie? Da wollte ich, daß es Frau Doktor hört.

Hoe staat het met de euritmie? Ik wilde dat Mevrouw Steiner daarvan op de hoogte is.

Es wird berichtet. Es war eine Extraklasse gemacht worden.

Er wordt verslag uitgebracht. Er was een extra klas opgezet.

Frau Dr. Steiner: Für einige junge Herren und Damen ist es nicht schlecht, wenn sie bloß zuschauen.

Mevrouw Steiner: Voor sommige jongemannen en jonge vrouwen is het niet erg als ze alleen maar toekijken.

Dr. Steiner: Es ist das Prinzip, die Eurythmie der Schule zu zeigen, dadurch durchbrochen, daß man einen Extrakurs macht. Wenn es richtiges Schulprinzip ist, wird man das nicht machen; man wird nicht eine Extragruppe zubereiten. Aus dem gewöhnlich verlaufenden Schulunterricht würde man es dadurch herausnehmen. Daß man eine Schüleraristokratie macht, das ist etwas, was das Pädagogische in der Schule stört.

Het principe van het presenteren van de euritmie van de school wordt geschonden door een aparte cursus te geven. Als men het ware schoolprincipe volgt, zou men dat niet doen; men zou geen speciale groep voorbereiden. Dat zou de activiteit losmaken uit de reguliere stroom van schoollessen. Het creëren van een aristocratie van leerlingen verstoort het pedagogische werk van de school.

X: Es ist deshalb gemacht worden, weil einige Kinder für Aufführungen gebraucht wurden.

X: Het gebeurde omdat er enkele kinderen nodig waren voor optredens.

Dr. Stemer: Es müssen unter den gewöhnlichen Schülern einige sein, die man brauchen kann. Daß man extra welche präpariert, in einer besonderen Gruppe, das ist unpädagogisch.

Er moeten onder de reguliere leerlingen wel enkelen zijn die ingezet kunnen worden. Er een paar uitpikken om ze in een speciale groep voor te bereiden, is onpedagogisch.

X.: Ich habe mit Herrn N. gesprochen, und er meinte, ob es nicht besser wäre,einen Kurs außerhalb der Schule zu machen.

X: Ik heb met de heer N. gesproken en hij vroeg zich af of het misschien beter zou zijn om een cursus buiten de school om te houden.

Blz. 276

Dr. Steiner: Dann können wir niemals sagen, daß wir die Waldorfschulkinder vorführen. Das ist ein Gesichtspunkt, der für die Öffentlichkeit in Betracht kommt. Es ist niemals in einer Konferenz von einem solchen Extrakurs die Rede gewesen.

Dan kunnen we nooit zeggen dat we de vrijeschoolleerlingen tentoonstellen. Dat is een gezichtspunt dat voor het publiek van belang is. Er is in een lerarenvergadering nooit sprake geweest van zo’n speciale cursus.

X.: Das hat sich bei der ersten Aufführung ergeben.

X.: Dat idee ontstond tijdens de eerste uitvoering.

Dr. Steiner: Es müßten solche einschneidenden Sachen innerhalb der Konferenz zur Sprache kommen. Sonst könnte eines Tages von irgendjemand beschlossen werden, eine Anzahl Kinder auszuwählen und einen Schachkurs zu machen. Prinzipiell ist es dasselbe. Es geht eigentlich nicht. Es ist eine Aristokratie, die man bildet.

Zulke belangrijke zaken moeten in de lerarenvergadering worden besproken. Anders zou iemand op een dag kunnen besluiten een aantal kinderen te selecteren en een schaakcursus te geven. In principe komt het op hetzelfde neer. Dat kan echt niet. Het creëert een soort aristocratie.

Frau Dr. Steiner: Ich begreife das.

Mevrouw Steiner): Dat begrijp ik.

X.: Ich wollte fragen, ob der Gedanke an den Kindergarten aufgegeben ist.

X.: Ik wilde vragen of het idee van de kleuterschool is opgegeven.

Dr. Steiner: Aufgegeben ist er nicht. Wir müssen nur warten, bis wir ihn einrichten können.

Die is niet opgegeven. We moeten alleen wachten tot we het kunnen opzetten.

X.; Wir wollten die Frage der Fortbildungsschule vorbringen.

X.: We wilden de kwestie van de vervolgschool aan de orde stellen.

Dr. Steiner: Gibt es da konkrete Möglichkeiten? Wir müssen einmal den Lehrplan der 10. Klasse festsetzen. Da muß etwas hinein, was wirkliche Lebenspraxis ist. Aber Fortbildungsschule? Liegen denn konkrete Möglichkeiten dafür vor?

Zijn daar concrete mogelijkheden voor? We moeten op enig moment het leerplan voor de tiende klas vaststellen. Dat moet iets bevatten dat verband houdt met de praktijk van alledag. Maar een vervolgschool? Zijn daar concrete mogelijkheden voor?

X.: Es handelt sich um die Kinder, die ausgetreten sind, daß man die gefaßt hätte. Es war jetzt nicht möglich, aus Platzmangel und Geldmangel. Man müßte es vorbereiten für das nächste Jahr.

X.: Het gaat om de kinderen die de school hebben verlaten; het idee was om hen samen te brengen. Dat was op dit moment niet mogelijk vanwege een gebrek aan ruimte en middelen. We zouden ons daarop moeten voorbereiden voor volgend jaar.

Dr. Steiner: Die Vorbereitung würde darin bestehen, zu sorgen, daß die Behörden uns nicht in die Suppe spucken.

De voorbereiding zou eruit moeten bestaan ​​dat we ervoor zorgen dat de autoriteiten geen roet in het eten gooien.

X.: Es ist so, daß nichtstaatliche Fortbildungsschulen vorgesehen sind. Sie müssen nachweisen, daß der Lehrplan nicht unter dem der andern ist.

X.: De situatie is zo dat er voorzieningen zijn voor niet-overheidsgebonden scholen voor vervolgonderwijs. Men moet aantonen dat het leerplan niet onderdoet voor dat van de andere scholen.

Dr. Steiner: Wir hätten den Wahnsinn machen sollen, die Kinder in spezielle Sachen hineinzustecken. Wir können das nicht mitmachen, wenn wir bei unserer Pädagogik bleiben wollen. Wir können doch nur dasjenige einrichten, was den Menschen vorwärtsbringt. Wenn wir Fortbildungsschulen errichten wollen, müssen wir es so einrichten, daß die Kinder etwas davon haben für ihre menschliche Fortbildung. Von uns wird entschieden, was für eine Schule wir errichten wollen. Es hat kein Mensch bezweifelt, daß Strakosch berufen war zu einer

We zouden hebben moeten meegaan in de waanzin om de kinderen in gespecialiseerde programma’s onder te brengen. Daar kunnen we niet aan meedoen als we trouw willen blijven aan onze onderwijsaanpak. We kunnen immers alleen iets opzetten dat de menselijke ontwikkeling bevordert. Als we scholen voor vervolgonderwijs willen oprichten, moeten we ze zo inrichten dat de kinderen er daadwerkelijk baat bij hebben voor hun menselijke ontwikkeling. Het is aan ons om te beslissen wat voor soort school we willen oprichten. Niemand twijfelde eraan dat Strakosch de juiste persoon was voor een

Blz. 277

allgemeinen Fortbildungsschule. Es sollte eine Art praktisch-gymnasiale Fortbildung sein, eine menschliche Fortbildungsschule. Eine andere Sache zu errichten, haben wir nicht die geringste Veranlassung. Es ist doch nicht nötig, daß man dasselbe macht, was die anderen auch machen.

algemene school voor vervolgonderwijs. Het was de bedoeling dat het een soort praktisch en tegelijk gymnasiumvervolgonderwijs zou worden – een school voor menselijke ontwikkeling. We hebben niet de minste reden om iets anders op te zetten. Het is niet nodig dat wij precies doen wat anderen doen.

X.: Die Sache ist so: die Kinder, die in einen Beruf hineinkommen, müssen eine von den staatlichen Schulen besuchen.

X.: De situatie is als volgt: kinderen die een vakopleiding volgen, moeten naar een van de staatsscholen.

Dr. Steiner: Die, die schon in solche Fachschulen gehen, kommen doch nicht zu uns hinein. Wir werden niemand darinnen haben in unseren Klassen. Was uns fehlt, ist die Möglichkeit, die Kinder vom fünfzehnten Jahr an nach unserem Lehrplan zu unterrichten. Das ist dazumal konstatiert worden. Die Frage ist vorläufig erledigt. Das haben wir schon einmal verhandelt; wir können es hier nicht weiter erörtern. Die ganze Frage ist die akuteste: wie ist die Zeit auszufüllen zwischen Volksschule und Hochschule? Wenn wir die Möglichkeit dadurch schaffen könnten, daß wir die Behörden dazu kriegen, uns anzuerkennen, dann würden wir furchtbar Zulauf haben. Ist denn eine Möglichkeit vorhanden, wenn nicht eine solche Lehrlingszeit vorliegt, daß jemand solche Leute in einen Betrieb aufnimmt?

Degenen die al dergelijke beroepsscholen bezoeken, zullen niet naar ons toe komen. Wij zullen hen niet in onze klassen hebben. Wat ons ontbreekt, is de mogelijkheid om kinderen vanaf hun vijftiende levensjaar volgens ons eigen leerplan les te geven. Dat is destijds zo vastgelegd. De zaak is voorlopig afgehandeld. We hebben dit al besproken; we kunnen er hier niet verder op ingaan.
De allerbelangrijkste vraag is: hoe moet de tijd tussen de lagere school en het hoger onderwijs worden ingevuld? Als we de mogelijkheid zouden kunnen creëren — door erkenning van de autoriteiten te verkrijgen — dan zouden we een enorme toestroom van leerlingen zien.
Bestaat er, bij gebrek aan een dergelijke leerlingopleiding, een mogelijkheid voor iemand om zulke jongeren in een bedrijf op te nemen?

X.: Wer nicht bei einem anerkannten Meister gelernt hat, kann nicht angestellt werden.

X.: Iemand die niet is opgeleid door een erkende meester, kan niet worden aangenomen.

Dr. Steiner: Man kann nichts machen! Es ist alles so abgezirkelt, daß es bloß noch kein Gesetz gibt, wie man die Gabel halten muß. Die Frage müßte studiert werden, auf welche Weise man Fortbildungsschulen einrichten kann, daß sie im Sinne der volkspädagogischen Aufsätze Fortbildungsschulen sein können. Die Waldorfschule müßte versuchen, das bei den Behörden durchzudrücken. Man müßte der Schule mehr Ansehen verschaffen.

Er is niets aan te doen! Alles is zo streng gereguleerd dat alleen een wet die voorschrijft hoe men een vork moet vasthouden, nog ontbreekt. We moeten onderzoeken hoe we scholen voor vervolgonderwijs kunnen opzetten zodat ze ook werkelijk als zodanig functioneren, in de geest van de essays over openbaar onderwijs. De Waldorfschool zou moeten proberen dit bij de autoriteiten gedaan te krijgen.
We moeten meer aanzien voor de school verwerven.
.

GA 300A/273-277

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parzifal (7)

.
lngeborg Sehröder, Erziehungskunst jrg. 25 nr. 5 1961
.

van zwivel tot saelde
.

Over het hoofdthema van de elfde klas: Wolfram von Eschenbachs *Parzival*

   Zelfs na jarenlange bestudering van *Parzival* kan het inzicht in wat nu precies het slot van dit gedicht vormt, ontoereikend blijven. De vraag wat uiteindelijk de doorslag geeft voor Parzivals tweede roeping tot de Graal, lijkt – alles bij elkaar genomen – onopgelost. We bevinden ons in de positie van Trevrizent, die weliswaar erkent dat hij zich had vergist toen hij meende te weten

daz den grâl ze keinen zîten
iemen möhte erstriten
(dat niemand ooit de Graal zou kunnen verwerven)

die zich niettemin gedwongen ziet erover te spreken als over een ondoorgrondelijk wonder. “Nooit heeft een groter wonder plaatsgevonden dan dat jij van God de gunst hebt afgedwongen dat Hij – in Zijn eeuwige Drie-eenheid – een medestrijder voor jouw wil werd.” Het feit dat Parzival de Graalburcht een tweede maal betreedt, en wel na een doelbewuste zoektocht, bewijst dat Trevrizent ongelijk had. Toch biedt dit feit geen verklaring. Op welke wijze verwierf Parzival de Graal? Hoe kwam het dat de woorden van Sigune over de burcht Munsalvaesche.

swer die suochet flîzeclîche
leider der envint ir niht
(wie ze ijverig zoekt, kan ze niet vinden)

zijn kracht verloor?

   De gebeurtenissen in Boek IX – de hereniging met Sigune, het gevecht met de Tempelridder, de onderrichting door de Grijze Ridder, het paasgesprek met Trevrizent – ​​markeren stuk voor stuk een cruciaal keerpunt in Parzivals leven; ze brengen hem tot inzicht in de toestand van *zwivel* (spirituele twijfel en innerlijke verscheurdheid) die hij voorheen zonder begrip had doorstaan. Toch leiden het pijnlijke, heldere besef van zijn eigen schuld en de ontdekking van het mysterie van de Graalburcht – die hem met ontzag vervult – op zichzelf niet tot *saelde*: die staat van volmaakte gelukzaligheid en de rust van de ziel in God. Door de gebeurtenissen in de vijf daaropvolgende boeken laat Wolfram hem een ​​weg afleggen die onzeker, vreugdeloos en onvervuld blijft. Op het eerste gezicht lijkt het er zelfs op dat de gevechten die vlak voor zijn tweede roeping plaatsvonden – gevechten tegen een vriend en tegen zijn eigen broer – hem door hun volstrekte zinloosheid verder dan ooit van zijn doel zouden verwijderen. Dat juist deze ‘zinloze’ gevechten de voorwaarden scheppen voor de tweede roeping tot de Graal, lijkt aanvankelijk een feit dat net zo raadselachtig is als de roeping zelf.
   Wat is er aan deze gevechten waardoor we ze kunnen zien als Parzivals laatste, noodzakelijke stap vooruit – die zelfs de inzichten van het negende boek overstijgt – van *zwivel* (twijfel) naar *saelde* (gelukzaligheid/heil), als de voorwaarde die hij zelf schiep voor zijn uiteindelijke roeping tot de Graal?
   Laten we alles wat volgt op het afscheid van Trevrizent eens nader bekijken. Om te beginnen zet Wolfram Parzivals verhaal niet direct voort – zoals hij dat wel deed na het zesde boek en de vloek van Kundry. Parzival rijdt over wegen waarover niets te vertellen valt. In plaats daarvan vergezellen we Gawan op zijn avontuurlijke tocht naar Klinschors bolwerk, het magische kasteel Schastelmarveile. Samen met Gawan zijn we getuige van de greep van magische krachten; we zien hoe standvastigheid en onbevreesdheid de macht van de boze betovering breken. Samen met de bevrijde vrouwen van Schastelmarveile en de ridders van de Ronde Tafel zien we Gawan “in geluk” – in *saelde*.
   Maar waar is de man wiens taak het is om de heilige magie van Munsalvaesche te bewaken? Waar is degene die *saelde* zo pijnlijk ontbeert? We vernemen dat ook hij op het terrein van Schastelmarveile heeft gestreden, maar er niet is gebleven; hij zocht niet, zoals Gawan, de weg naar het binnenste heiligdom van het betoverde kasteel.
Uiteindelijk, dagen later, vroeg in de ochtend, komen we hem opnieuw tegen, al herkennen we hem niet direct. Hij verschijnt voor ons – en voor zijn vriend Gawan – als een vreemdeling. Zijn gehavende schild verraadt hem als een man die al lange tijd op avontuur uit is. De rijke krans van de boom van koning Gramoflanz zet Gawan op het verkeerde been wanneer hij op de vreemdeling afstormt; hij waant zich tegenover de trotse koning Gramoflanz zelf, die bij de rivier de Sahins wacht op het afgesproken beslissende tweegevecht. Zo begint de strijd tussen de vrienden die elkaar niet herkennen – een gevecht “waarin de overwinnaar weinig kon winnen, maar veel kon verliezen.” In de hevige botsing stoten ze elkaar uit het zadel; scherven van schilden vermengen zich met het groene gras. Maar voordat Gawans nederlaag een feit is, herkent Parzival zijn tegenstander. Ontdaan werpt hij zijn zwaard weg en vervalt in zelfverwijt: “Ellendig en onwaardig ben ik,” zegt hij huilend; “ik heb alle genade, alle geluk, alle zaligheid verspeeld! Dat ik mijn vriend in zulk gevaar heb gebracht – dat was een zware dwaasheid, een zinloze daad. De schuld ligt volledig bij mij; want het is mijn ongelukkige noodlot dat zich hier opnieuw heeft gemanifesteerd, de draden van het lot heeft verward en mij voorgoed van de genade heeft afgesneden; ach, dat ik gedwongen was te strijden tegen mijn edele vriend Gawan!”

ich hân mich selben überstrîten
(Ik leidde de dodelijke aanval op mezelf)

“Hier trof mij het ongeluk, en hier ontglipte mij het geluk voorgoed!”
Maar Gawan ziet dit gevecht anders. Hij stelt zijn wanhopige vriend gerust met de woorden: “Dan is alles goed. Dan zijn de kronkelpaden van de dwaasheid eindelijk rechtgetrokken! Want jouw hand heeft ons beiden overwonnen. Je hebt jezelf overwonnen – mits je dit gevecht beschouwt als een daad die voortkwam uit de trouw van je hart.” Wanneer de twee vrienden, na zulke beproevingen te hebben doorstaan, bij de Tafelronde aankomen, wordt Parzival hartelijk verwelkomd door alle ridders en jonkvrouwen; bij het zien van deze oprechte erkenning verdwijnen zijn ongemak en verdriet. “Hij was gelukkig en vrij van bitterheid” en vroeg om opnieuw te worden toegelaten tot de Tafelronde, waarvan een “nu onbegrijpelijk wonder” hem ooit had gescheiden.

   Gawan had een nieuwe ontmoeting met Gramoflanz geregeld.
Maar opnieuw staan ​​de verkeerde tegenstanders tegenover elkaar. Ditmaal arriveert Gramoflanz als eerste op het afgesproken strijdperk. Hij treft Parzival aan, die in alle vroegte stiekem uit het kamp is geglipt. Wederom kruisen waardige tegenstanders de degens; want Gramoflanz is zo trots dat hij zijn krachten slechts met twee tegenstanders tegelijk wil meten – afgezien van Gawan. Parzival strijdt namens zijn vriend tegen de geduchte krijger. Net wanneer Parzival op het punt staat te overwinnen, worden de strijders gescheiden. Gramoflanz erkent Parzival als overwinnaar en verzoent zich uiteindelijk met zijn vriend Gawan. Binnen de kring van het hof van Arthur worden voorbereidingen getroffen voor een feest ter ere van de huwelijken van Gawan met Orgeluse en Gramoflanz met Itonje.
   Toch voelt Parzival de vreugdeloosheid van zijn ellendige omzwervingen sterker dan ooit; een plotseling verlangen naar zijn koningin overvalt hem.

“Moeten mijn ogen hier op het vreugdevolle rusten, terwijl mijn hart slechts ellende en verlangen kent? Dat gaat niet samen. Welke plaats is er voor wie geen vreugde kent te midden van de vreugdevolle, voor de ongelukkige te midden van de gelukkige? Moge God de gelukkigen vreugde schenken. Maar ik wil van deze vreugde weggaan.”

   Hij zadelt zijn paard, bewapent zich en rijdt weg zonder afscheid te nemen. Toen hij van Trevrizent afscheid nam, brak de dag net aan.
   Hiermee eindigt het veertiende boek. Het begin van het vijftiende boek bevat een zeer korte – en gemakkelijk over het hoofd te zien – aanwijzing van Wolfram dat juist deze laatste strijd, deze ultieme beproeving die Parzival moet doorstaan, de beslissende stap vooruit vormt in zijn streven naar de Graal. Het is het tweede ‘wonder’ van Parzivals reis, en toch is het geen herhaling van het eerste. De eerste keer kwam hij bij Munsalvaesche aan zonder naar de burcht op zoek te zijn geweest. Wat betreft de tweede, zo vurig verlangde roeping tot de Graal, zegt Wolfram

Parzival daz wirbet (Parzival krijgt het voor elkaar)

maar, zo vervolgt Wolfram: “Mogen moed en zelfbeheersing hem nu standvastigheid schenken, zodat hij zijn leven kan behouden. Want op zijn onbevreesde weg treft hij iemand die een meester is in elk gevecht – een heiden.”
Parzival rijdt op een groot woud af en ontmoet op een open plek de vreemdeling, die een rijk en machtig man blijkt te zijn. De ogen van beide ridders lichten op wanneer ze elkaar zien naderen. Ze stormen met hun lansen op elkaar af, maar geen van beiden slaagt erin de ander uit het zadel te lichten. Vervolgens vechten ze te paard met hun zwaarden. De heiden zet de gedoopte ridder zwaar onder druk; de paarden raken door het zwoegen oververhit en uiteindelijk stappen beide mannen af. De heiden is sterk, en zijn heidense strijdkreet verdubbelt zijn kracht. Op dit punt merkt Wolfram op: “Hun strijd ging om niets minder dan vreugde, heil (*saelde*) en eer. Maar wie hier ook zou zegevieren, zou alle vreugde verliezen en slechts verdriet winnen.” Tot nu toe heeft Parzival in stilte gevochten. Enkele slagen van de heiden hadden hem op de knieën gedwongen, maar Wolfram spoort hem aan om de strijdkreet van de heiden te beantwoorden met een eigen kreet. Dan herinnert Parzival het zich en vindt hij zijn strijdkreet: “Pelrapeire!” roept hij als antwoord op de “Thabronit!” van de heiden. En over land en zee komt Condwiramurs haar ridder te hulp. Met een machtige slag dwingt Parzival de heiden nu op de knieën; maar zijn zwaard breekt in stukken tijdens de beslissende uithaal. Het was het zwaard dat hij ooit in zijn dwaasheid van Ither had buitgemaakt; hier viel het uiteen in scherven. Wie is de overwinnaar? De heiden werpt zijn eigen zwaard achter zich, om geen oneerlijk voordeel te hebben, en de strijdmoede krijgers gaan in het gras zitten. Dan blijkt dat de twee die hier vochten broers zijn: Feirefiz, de gevlekte zoon van Belakane, en Parzival, de zoon van Herzeloyde, die in twijfel verkeert. Beiden dragen de kleuren van de ekster. Beiden zijn zonen van Gahmuret.
   Nogmaals klinken de woorden die Gawan na het gevecht tussen vrienden had gesproken:

mit dir selben hastu hie gestritn,
gein mir selbn ich kom ûf strît geritn,
mich selben het ich gern erslagn:
dune wertest mir mîn selbes lîp.

(Je vocht hier tegen jezelf,
ik ging hier de strijd aan tegen mezelf;
ik zou mezelf hier bijna hebben gedood,
als je niet zo onverschrokken
mijn leven voor me had verdedigd.)

   Wanneer de broeders terugkeren naar de Tafelronde, roept Kundry Parzival terug naar de Graalburcht.
   De laatste stap van twijfel (*zwivel*) naar gelukzaligheid (*saelde*) zou dus niet het paasgesprek met de kluizenaar zijn, noch de schuldbelijdenis en het besef van de gevolgen daarvan, en evenmin de vraag die voortkomt uit mededogen – een vraag die, nu Parzival weet dat hij haar moet stellen, een enigszins onbevredigend, formeel karakter heeft.
Zou de laatste stap – de ultieme stap die de weg naar genade vrijmaakt – de drievoudige strijd tegen zichzelf kunnen zijn? Zou het de overwinning op het eigen ik zijn die Parzival leidt naar de “hōher funt”, naar het hoogste dat hij kan vinden? En zou *saelde* de zielstoestand zijn van iemand die, na die laatste, uiterlijke zelfoverwinning, ervaart hoe “Gods goedheid in hem zegeviert” (hoe de goedheid – de genade – van God meester over hem wordt; hoe zijn eigen wil nu vervuld wordt door een andere, hogere wil; hoe een hoger ik in hem intrek neemt)?
   Destijds, op die Goede Vrijdag, toen Parzival voor het eerst een beslissende
keuze kon maken die het tij van zijn lot zou keren, zei hij – terwijl hij de teugels
over de oren van zijn paard liet hangen – “nu geng nâch gotes kür!” (Ga nu zoals God wil!)
Nu zijn die woorden op hemzelf van toepassing: “Ga nu als iemand in wiens wil
Gods wil werkzaam is!”

De interpretatie van de slothoofdstukken van *Parzival* die hier wordt gepresenteerd, is zeker niet nieuw; ze is vermoedelijk ergens terug te vinden in de omvangrijke literatuur over Wolframs *Parzival*. Toch heb ik haar niet aan boeken ontleend, maar aan de samenwerking met mijn laatstejaarsklas in Hamburg. Juist omdat deze beschouwingen voortkomen uit de levendige betrokkenheid van één specifieke klas bij deze vraagstukken, kunnen ze van waarde zijn voor ouders en collega’s. Dat is de enige geest waarin ze worden aangeboden.

.

11e klas: alle artikelen (w.o. over Parzival

Vertelstof: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3593-3386

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-1-1/25)

.

Wanneer Rudolf Steiner in deze 9e voordracht over ‘ontwikkelingsfasen van het kind’ spreekt, is dat niet voor de eerste keer.

Al in 1907 schrijft hij erover in een artikel in het tijdschrift Lucifer-Gnosis 1907.: ‘Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft”. 

Oorspronkelijk heette het artikel…vom Gesichtspunkte der Theosophie,  – inmiddels was het artikel als boekje verschenen – maar Steiner veranderde ‘theosofie’ (na zijn breuk met de theosofische beweging in 1909) in ‘geesteswetenschap’.

In een Nederlandse vertaling werd dat dan weer ‘in het licht van de antroposofie’.

De laatste vertaling heet simpelweg ‘De opvoeding van het kind‘.

GA 34/309 

In dit dit deel gaat het over:..

Ontwikkelingsfase 0 – 7 jr. Invloed van buitenaf, kind een en al zintuig; rachitus, slecht gebit, ontstekingen, vertraagd denken.<1>
Kind nabootsend wezen, doet de omgeving na.<2>
Scheppende fantasiekracht ontwikkelen, lappenpop versus ‘mooie pop’.<3>
Invloed van kleuren, rood en groen. <4>
Invloed van buitenaf.<5>

  

In GA 100

                                   Theosophie und Rosenkreuzertum

                            Theosofie en de leer van de Rozenkruizers

In voordracht 5, Kassel 20 juni 1907

Blz. 60

Die Außenwelt ist der Bildner und Gestalter unseres ganzen Leibes. Das ist sehr wichtig für das praktische Leben, wie ja Theosophie immer für das praktische Leben ist. Das ist auch ungeheuer wichtig für die Erziehung, denn ganz richtig kann nur erzogen werden, wenn der Erzieher tief in die Natur des Menschen hineinzuschauen vermag. Bis zum Zahnwechsel entwickelt sich der physische Leib, bis zum vierzehnten, fünfzehnten Jahr etwa der Ätherleib, bis zum einundzwanzigsten Jahr der Astralleib. Alles das muß man wissen, wenn man praktisch und nicht phantastisch in die Erziehung eingreifen will. Wenn also bis zum siebenten Jahre ganz besonders die Veranlagung des physischen Leibes in Betracht kommt, dann müssen bei der Erziehung diese physischen Eindrücke, das heißt also alles, was das Kind mit seinen Sinnesorganen wahrnimmt, tief und gründlich berücksichtigt werden. Was bis zum siebenten Jahre in diesem Kindesleib an Formen und Veranlagung der physischen Organe versäumt wird, das ist für alle Zeiten des Lebens verloren. Die Einsicht in diesen letzten Satz gibt gerade der Medizin ungeheuer viel Richtlinien für eine sachgemäße Behandlungsweise, unter anderem zum Beispiel der Rachitis. Wie kommt es, daß diese Erkrankung gerade in dieser Lebensperiode auftritt? Eben weil da das Kind seinen Körper formt, und deshalb äußern sich diese Symptome gerade in der Form: krummer Knochenbau, schlechte Zähne, falsche Schädelform und so weiter. Deshalb ist aber auch das Kind gerade in der Zeit bis zum Zahnwechsel noch fähig, diese falschen Formen auf die Norm zurückzuführen. Wir sehen, daß bei sachgemäßer Behandlung selbst die krummsten Beine vollkommen gerade werden können, und daß selbst bei schlechtesten Milchzähnen ein vollkommen gesundes zweites Gebiß sich entwickeln kann, während krumme Beine, die bis zum siebenten Jahre nicht korrigiert sind, für das ganze Leben bleiben. Auch das Gehirn ist bis zum siebenten Lebensjahr in der Ausbildung seiner plastischen Formen begriffen, und was bis dahin an diesen feinen

<1>De buitenwereld vormt en boetseert ons gehele fysieke lichaam. Dit is van groot belang voor het praktische leven – net zoals de theosofie altijd betrekking heeft op het praktische leven. Het is ook van enorm belang voor de opvoeding, want ware opvoeding is alleen mogelijk wanneer de opvoeder in staat is diep in de menselijke natuur te kijken.
Het fysieke lichaam ontwikkelt zich tot aan de tijd van de tandenwissel; het etherlijf ontwikkelt zich tot ongeveer het veertiende of vijftiende levensjaar; en het astrale lichaam ontwikkelt zich tot het eenentwintigste jaar. Je moet dit alles weten om op een praktische manier en niet als een fantast in de opvoeding te kunnen ingrijpen.
Als de constitutie van het fysieke lichaam tot de leeftijd van zeven jaar dus het belangrijkste uitgangspunt vormt, dan moet er bij de opvoeding terdege rekening worden gehouden met fysieke indrukken – dat wil zeggen alles wat het kind via zijn zintuigen waarneemt. Wat vóór het zevende levensjaar wordt verzuimd met betrekking tot de vormen en de fysieke constitutie van het kinderlichaam, gaat voor de rest van het leven verloren.
Inzicht in dit laatste punt biedt de geneeskunde cruciale richtlijnen voor een passende behandeling – bijvoorbeeld bij rachitis. Waarom treedt deze aandoening juist in deze levensfase op? Juist omdat het kind in deze tijd zijn lichaam vormgeeft; dientengevolge manifesteren de symptomen zich in de fysieke structuur: kromme botten, een slecht gebit, een onregelmatige schedelvorm, enzovoort. Toch blijft het kind – tot aan de tandenwissel – juist hierdoor – in staat deze onregelmatigheden te corrigeren en het lichaam weer in de juiste vorm te brengen. We zien dat bij een passende behandeling zelfs de kromste benen kaarsrecht kunnen worden en dat er, zelfs bij een zeer slecht melkgebit, een volkomen gezond blijvend gebit kan ontstaan; terwijl kromme benen die tegen de leeftijd van zeven jaar niet zijn gecorrigeerd, een leven lang zo zullen blijven. Ook de hersenen zijn tot de leeftijd van zeven jaar bezig hun plastische vormen te ontwikkelen; wat zich tegen die tijd niet heeft ontwikkeld wat betreft deze subtiele 

Blz. 61

Ausbildungen, Ausgestaltungen der Form nicht ausgebildet ist, das ist für immer verloren. Und da ja das physische Gehirn das Instrument ist, durch welches sich der Geist äußert, ist es von ungeheurer Wichtigkeit, daß dieses Instrument so fein als möglich ausgearbeitet, respektive in den ersten sieben Jahren veranlagt wird. Denn mit einem mangelhaft ausgebildeten Gehirn kann selbst der größte Geist nichts anfangen, sowenig wie der größte Pianist auf einem verstimmten Klavier gut spielen kann. Gerade auch in bezug auf die Ausbildung des Gehirns werden von der Geisteswissenschaft sowohl der Erziehung als auch der Medizin sehr wichtige Richtlinien gegeben. Gerade hier stößt man sehr häufig in der modernen Medizin auf eine vollkommene Verkennung der Tatsachen. Geradeso wie sich die Rachitis in einer Mißbildung und Mißgestaltung der Knochen äußert, so äußert sie sich sehr häufig auch zugleich in einer Mißbildung im Drüsensystem und in den Schleimhäuten; das heißt, die von Rachitis befallenen Kinder zeigen sehr häufig die Erscheinungen von Drüsenschwellungen, adenoide Wucherungen und so weiter. Und als dritte Krankheitserscheinung bemerkt man bei diesen Kindern sehr häufig, daß sie auch geistig zurückbleiben, daß sie in der Schule zurückbleiben, unaufmerksam, ja direkt etwas blöde werden. Das ist aber in Wirklichkeit dieselbe mangelhafte Ausbildung des physischen Gehirns, namentlich der sogenannten Rindensubstanz, die ja gerade in diesen Jahren in ihrer feinsten Organisation ausgebildet werden muß und die wie die andern Erscheinungen auf einem Entwickelungsmangel beruht. Nun ist in einem solchen Falle der heutige moderne Mediziner infolge seiner ganzen modern-naturwissenschaftlichen Erziehung und Einstellung nur zu geneigt, es genauso zu machen wie die heutige Naturwissenschaft, und mit völliger Außerachtlassung der tieferen geistigen Ursachen einfach die zutage tretenden äußeren Erscheinungen als Ursache und Wirkung direkt aneinanderzureihen, wie die Perlen an einer Kette, was ist die Folge? Die Tatsachen sind: rachitische Knochen, adenoide Wucherungen, Nachlassen der Aufmerksamkeit und der Aufnahmefähigkeit, Sofort ist die Schlußfolgerung: Kinder, die adenoide Wucherungen haben, werden durch diese geistig schwach – also müssen diese Wucherungen entfernt werden. Die Wucherungen werden also operativ entfernt. Wenn nun diese Schlußfolgerung richtig

formaties en de vorming van de structuur, gaat voorgoed verloren. En aangezien de fysieke hersenen het instrument zijn waarmee de geest zich uitdrukt, is het van enorm belang dat dit instrument zo verfijnd mogelijk wordt gevormd – of liever gezegd: wordt aangelegd tijdens de eerste zeven jaar. Want zelfs de grootste geest kan niets beginnen met slecht ontwikkelde hersenen, net zoals de beste pianist niet goed kan spelen op een ontstemde piano. Juist op het gebied van de hersenontwikkeling biedt de geesteswetenschap essentiële richtlijnen voor zowel de opvoeding als de geneeskunde.

Toch vertoont de moderne geneeskunde op dit vlak vaak een totaal verkeerd begrip van de feiten. Zoals rachitis zich uit in een misvorming of afwijking van de botten, zo gaat dit vaak gepaard met een misvorming van het klierstelsel en de slijmvliezen; kinderen met rachitis vertonen namelijk vaak symptomen als gezwollen klieren, neusamandelgroei, enzovoort. Een derde symptoom dat bij deze kinderen vaak wordt waargenomen, is een verstandelijke achterstand: ze blijven achter op school, worden onoplettend of lijken zelfs wat traag van begrip. In werkelijkheid komt dit echter voort uit dezelfde gebrekkige ontwikkeling van de fysieke hersenen – met name de hersenschors, die juist in deze jaren haar fijnste structuur moet verkrijgen – en vindt het, net als de andere symptomen, zijn oorsprong in een ontwikkelingsachterstand. In dergelijke gevallen is de moderne arts – gevormd door een hedendaagse wetenschappelijke opleiding en denkwijze – maar al te snel geneigd de aanpak van de moderne natuurwetenschap te volgen: men negeert de diepere geestelijke oorzaken volledig en rijgt de zichtbare, uiterlijke symptomen simpelweg aaneen als oorzaak en gevolg, als parels aan een snoer. Wat is het resultaat? De feiten zijn: rachitische botten, neusamandelgroei en een afname van de aandacht en het leervermogen. De directe conclusie die men trekt, is dat kinderen met neusamandelgroei daardoor verstandelijk achteruitgaan – en dat deze gezwellen dus verwijderd moeten worden. Vervolgens worden de gezwellen operatief verwijderd. Als die conclusie nu juist zou zijn,

Blz. 62

wäre, müßte ein jedes Kind, das so behandelt wäre, mit einem Nachlassen und Verschwinden der Hemmungen von Seiten des Gehirns antworten. Was ist aber nach einer solchen Behandlungsweise in den allermeisten Fällen zu beobachten? Daß der Eingriff nur einen ganz vorübergehenden Scheinerfolg hat, und daß in ganz kurzer Zeit die Wucherungen wieder nachgewachsen sind.Wird aber die Krankheit sachgemäß an der Wurzel angefaßt – und das ist sehr wohl möglich, nur würde es uns hier zu weit vom Thema abführen -, dann schwinden sowohl die krummen Knochen, als auch die Wucherungen der Schleimhäute und Drüsen, als auch die Trägheit des Gehirns. Nach dieser Abschweifung kehren wir wieder zum Thema zurück. Also an der Außenwelt entzünden und gestalten sich die richtigen physischen Formen. Das Kind ist in Wirklichkeit bis zum siebenten Jahre eigentlich nur Sinnesorgan. Alles, was es mit seinen Sinnen aufnimmt, verarbeitet es, und so auch vor allen Dingen alles, was es in seiner allernächsten Umgebung sieht und hört. Das Kind ist daher bis zum Zahnwechsel ein nachahmendes Wesen, und das geht bis in seine physische Organisation hinein.

zou elk kind dat op deze wijze wordt behandeld, onvermijdelijk reageren met een afname en verdwijning van de cerebrale remmingen. Wat wordt er echter in de overgrote meerderheid van de gevallen na een dergelijke behandeling waargenomen? Dat de ingreep slechts een zeer vluchtig, schijnbaar succes oplevert en dat de woekeringen binnen zeer korte tijd terugkeren. Wanneer de aandoening echter bij de wortel wordt aangepakt – en dit is heel goed mogelijk, al zou een bespreking daarvan hier te ver voeren – dan verdwijnen de misvormde botten, de woekeringen van slijmvliezen en klieren, en de cerebrale traagheid.
Na deze uitweiding keren we terug naar het eigenlijke onderwerp. <1>
<2> De juiste fysieke vormen worden dus door wisselwerking met de buitenwereld geactiveerd en gevormd. In werkelijkheid is het kind tot de leeftijd van zeven jaar in wezen niets anders dan een en al zintuig. Het verwerkt alles wat het via de zintuigen waarneemt – en dit geldt vooral voor alles wat het in zijn directe omgeving ziet en hoort. Bijgevolg is het kind tot aan de tandenwisseling een nabootsend wezen, en dit strekt zich zelfs uit tot in zijn fysieke constitutie.

Das ist ja etwas ganz Natürliches. Das Kind nimmt durch die Sinnesorgane seine ganze Umgebung in sich auf. Es übt sich auch in dem Gebrauch seiner Glieder. Es sieht, wie der Vater, die Mutter und so weiter dieses oder jenes machen und macht dies ohne weiteres nach. Das geht bis in jede Bewegung der Hände und Beine hinein. Sind Mutter oder Vater zum Beispiel zappelig, so wird wohl in unzähligen Fällen auch das Kind zappelig; ist die Mutter ruhig, wird ganz selbstverständlich auch das Kind ruhig. Da muß man also versuchen, durch die richtige Umgebung die richtige Gegenwirkung hervorzurufen. Damit das Kind nun zur Ausbildung seines physischen Gehirns gerade die richtigen Richtlinien bekommt, ist es unbedingt nötig, daß, neben den sinnlichen Eindrücken, der Phantasie Anregungen gegeben werden. Deshalb ist es unbedingt erforderlich, dem kleinen Kinde möglichst einfache Spielsachen in die Hand zu geben. So wird ein natürliches Kind immer wieder, wenn es auch eine noch so «schöne» Puppe hat, zu der alten Puppe greifen, die aus einem Lappen besteht. Nur die verbildeten Kinder unseres Zeitalters werden mit «schönen» Puppen aufgezogen. Worauf beruht das?
Das Kind muß seine Phantasie

Dit is immers iets volkomen natuurlijks. Het kind neemt zijn hele omgeving in zich op via zijn zintuigen. Ook oefent het in het gebruik van zijn ledematen. Het observeert hoe vader, moeder en anderen allerlei dingen doen en imiteert hen spontaan. Dit strekt zich uit tot elke beweging van handen en benen. Als bijvoorbeeld vader of moeder onrustig is, zal het kind in talloze gevallen ook onrustig worden; is de moeder kalm, dan zal het kind heel vanzelf ook kalm worden. Men moet dus proberen de juiste reactie uit te lokken door de juiste omgeving te scheppen. <2>
<3> Om ervoor te zorgen dat het kind de juiste begeleiding krijgt bij de ontwikkeling van zijn fysieke hersenen, is het essentieel dat – naast zintuiglijke indrukken – ook de verbeeldingskracht wordt gestimuleerd. Daarom is het absoluut noodzakelijk om het jonge kind zo eenvoudig mogelijk speelgoed te geven. Een kind dat dicht bij de natuur staat, zal bijvoorbeeld telkens weer naar een oude lappenpop grijpen, ook al bezit het een pop die veel ‘mooier’ is. Alleen de verwende kinderen van onze tijd worden grootgebracht met ‘mooie’ poppen. Wat is daarvan de reden?
Het kind moet zijn verbeeldingskracht


anstrengen, um das Gebilde in seiner Phantasie so umzugestalten, daß es ähnlich einer menschlichen Figur wird, und das ist gerade eine gesunde Übung für das Gehirn. Genau wie der Arm durch Turnen gestärkt wird, so wird das Gehirn durch diese Übung ausgebildet. Wichtig sind auch die Farben in der Umgebung, die beim kleinen Kind ganz anders wirken als beim Erwachsenen. Man glaubt heute vielfach, grün wirke auf ein Kind beruhigend. Das ist durchaus falsch. Einem zappeligen Kind soll man eine rote Umgebung geben, und einem ruhigen Kinde eine grüne oder blaugrüne. Die Wirkung des Rot auf das Kind ist so: Wenn Sie auf ein helles Rot sehen und dann schnell weg auf ein weißes Papier, dann sehen Sie die komplementäre Farbe: grün. Das ist die Tendenz, die Gegenfarbe hervorzubringen. Das versucht auch das Kind*, es versucht innerlich die Tätigkeit zu entfalten, die die Gegenfarbe hervorruft. – Das war ein Beispiel dafür, wie die Umgebung wirkt. Und so wirkt die ganze Umgebung – neben vielen, vielen andern Dingen, die wir später und an anderer Stelle erörtern werden – in außerordentlich hohem Maße mit an der Bildung des kindlichen physischen Körpers von der Geburt bis zum Zahnwechsel, an der Bildung des Ätherleibes vom siebenten bis vierzehnten Jahre, des Astralleibes vom vierzehnten bis einundzwanzigsten Jahre und so weiter.

anstrengen, um das Gebilde in seiner Phantasie so umzugestalten, daß es ähnlich einer menschlichen Figur wird, und das ist gerade eine gesunde Übung für das Gehirn. Genau wie der Arm durch Turnen gestärkt wird, so wird das Gehirn durch diese Übung ausgebildet. Wichtig sind auch die Farben in der Umgebung, die beim kleinen Kind ganz anders wirken als beim Erwachsenen. Man glaubt heute vielfach, grün wirke auf ein Kind beruhigend. Das ist durchaus falsch. Einem zappeligen Kind soll man eine rote Umgebung geben, und einem ruhigen Kinde eine grüne oder blaugrüne. Die Wirkung des Rot auf das Kind ist so: Wenn Sie auf ein helles Rot sehen und dann schnell weg auf ein weißes Papier, dann sehen Sie die komplementäre Farbe: grün. Das ist die Tendenz, die Gegenfarbe hervorzubringen. Das versucht auch das Kind*, es versucht innerlich die Tätigkeit zu entfalten, die die Gegenfarbe hervorruft. – Das war ein Beispiel dafür, wie die Umgebung wirkt. Und so wirkt die ganze Umgebung – neben vielen, vielen andern Dingen, die wir später und an anderer Stelle erörtern werden – in außerordentlich hohem Maße mit an der Bildung des kindlichen physischen Körpers von der Geburt bis zum Zahnwechsel, an der Bildung des Ätherleibes vom siebenten bis vierzehnten Jahre, des Astralleibes vom vierzehnten bis einundzwanzigsten Jahre und so weiter.

aanwenden om de vorm in zijn geest om te vormen totdat deze op een menselijke gestalte lijkt; dit is precies een gezonde oefening voor de hersenen. Zoals de arm door gymnastiek wordt versterkt, zo worden de hersenen door deze oefening ontwikkeld. <3>
<4> Ook de kleuren in de omgeving zijn van belang; ze werken heel anders in op een jong kind dan op een volwassene. Tegenwoordig wordt vaak gedacht dat groen een kalmerende invloed heeft op een kind. Dat is volkomen onjuist. Een onrustig kind zou in een rode omgeving moeten worden geplaatst, en een rustig kind in een groene of blauwgroene omgeving. Het effect van rood op het kind is als volgt: als je naar een heldere kleur rood kijkt en de blik vervolgens snel naar een vel wit papier verlegt, zie je de complementaire kleur – groen. Dit illustreert de neiging om de tegenovergestelde kleur voort te brengen. Ook het kind doet dit; het probeert innerlijk de activiteit op te wekken die de tegenovergestelde kleur oproept. Dit was een voorbeeld van de werking van de omgeving. <4>
<5> Op deze wijze speelt de gehele omgeving – naast vele andere factoren die we later en elders zullen bespreken – een buitengewoon belangrijke rol bij de vorming van het fysieke lichaam van het kind (van de geboorte tot de tandenwisseling), het etherlijf (van het zevende tot het veertiende jaar), het astraallijf (van het veertiende tot het eenentwintigste jaar), enzovoort.

Ja, während des ganzen Lebens macht sich der Einfluß der Umwelt auf den einzelnen Menschen geltend. Das Sprichwort: Sage mir, womit du umgehst, und ich sage dir, wer du bist – beruht ja auf dieser Einsicht, denn «womit ich umgehe», heißt doch «was in meiner Umgebung vor sich geht». Diese Umgebung hat also einen starken Einfluß auf mich. Das gilt ja ganz besonders für die Zeit der Ausbildung des Astralleibes vom vierzehnten bis einundzwanzigsten Jahre, und es ist eine fast alltägliche Erfahrung, daß ein junger Mensch in diesen Jahren leicht durch seine Umgebung astral verdorben wird.

Ja, de invloed van de omgeving laat zich gedurende het hele leven van het individu gelden. Het gezegde “Zeg me met wie je omgaat, en ik zal je zeggen wie je bent” berust inderdaad op dit inzicht, want “met wie ik omga” betekent in wezen “wat er zich in mijn omgeving afspeelt”. Deze omgeving oefent dus een sterke invloed op mij uit. Dit geldt in het bijzonder voor de periode waarin het astraallijf zich ontwikkelt – tussen het veertiende en eenentwintigste levensjaar – en het is een bekend verschijnsel dat een jongere in deze jaren gemakkelijk astraal door zijn omgeving kan worden bedorven.

GA 100/60-63

Niet vertaald

Algemene menskunde: voordracht 9

Hier vind je de verwijzingen naar ‘ontwikkelingsfasen’

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3592-3385

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 10e klas – wiskunde

.

Ernst Bindel, Erziehungskunst jrg. 23 nr. 10 1959
.

De klinkende rekenliniaal
.

Uit de wiskundeles van de tiende klas *

Beste ouders! U heeft mij gevraagd een lesvoorbeeld te geven volgens de Waldorfmethode. Ik neem het voorbeeld uit een wiskundeles voor de tiende klas, waarin de theorie van logaritmen aan bod komt.

Logaritmen vormen de hoogste trede op de ladder van de rekenkunde. Daarom is het raadzaam om een ​​overzicht van de bewerkingen te geven en de leerlingen als het ware de ladder te laten beklimmen.
Als je goed telt, zijn er in totaal negen bewerkingen, waarvan er altijd drie een samenhangende groep vormen.
De eerste groep wordt aangevoerd door optellen, de tweede door vermenigvuldigen en de derde door machtsverheffen.
Dit zijn de drie belangrijkste stappen van de rekenkunde, elk vergezeld van twee substappen, waardoor er een nieuwigheid ontstaat.
De twee substappen van elk van de drie belangrijkste stappen ontstaan ​​doordat elke hoofdstap wordt beheerst door een polariteit die een dubbele inversie van de hoofdstap mogelijk maakt.

Optelniveau: Voorbeeld 3 + 4 = 7
Hier is de polariteit van de actieve en passieve factor van belang. 3 wordt verhoogd, en 4 voert de inversie uit.
3 staat aan de passieve kant, 4 aan de actieve kant.

De twee inversies:

Ofwel: 7 verminderd met 4 levert 3 op; dit is de actieve inversie, de echte aftrekking. Dezelfde 4, die de inversie uitvoerde, voert nu de vermindering uit.

Ofwel: 7 vergeleken met 3 levert de aftrekking van 4 op; dit is de passieve inversie, de vergelijking die het verschil creëert.

Een voorbeeld uit het dagelijks leven kan deze twee mogelijke manieren van terugkijken illustreren. Iemand heeft 30 euro en geeft er 12 uit. Hij houdt 18 euro over. Men moet ofwel zeggen “30 min 12 is 18” of “30 vergeleken met 18 resulteert in het wegnemen van 12, het verschil tussen wat men had en wat men nu heeft.”

Vermenigvuldigingsniveau: Voorbeeld 3   4 keer is 12.
Hier zien we opnieuw de polariteit van het actieve en het passieve.
3 wordt vermenigvuldigd en 4 is verantwoordelijk voor de vermenigvuldiging.
3 staat aan de passieve kant, 4 aan de actieve kant.

 De twee vormen van inverse relaties:

Ofwel: 12 gedeeld door 4 is 3;
dit is de actieve inverse relatie, de feitelijke deling.

Of: 3 is 4 keer in 12 vervat;
dit is de passieve inverse relatie, het vervat zijn, het met elkaar in verband staan, de vergelijking die relaties vaststelt.
Alle metingen horen hier thuis, omdat ze het vergelijken van een te meten hoeveelheid met een gekozen meeteenheid inhouden.

Machtverheffingsniveau: Voorbeeld  34 = 81
Hier speelt de polariteit van actief en passief weer een rol. 3 wordt tot een macht verheven, verhoogd, terwijl 4 verheft, potentieert, oftewel de machtsverheffing wordt uitgevoerd.

De twee manieren om terug te kijken:

Ofwel: de vierde wortel van 81 is 3;
dit is de actieve manier van terugkijken in de vorm van een wortelberekening.

Ofwel: 81 vergeleken met het oorspronkelijke getal 3 levert het vermeerderingsgetal 4 op;
de wiskundige zegt in plaats daarvan: “de logaritme van 81 met grondgetal 3 is 4”.

Dit is de passieve manier van terugkijken in de vorm van een logaritmeberekening.
Logaritmen zijn dus niets meer dan exponenten van machten, en het nemen van de logaritme betekent het afleiden van de exponent uit de macht en het grondgetal.

Het is essentieel om het machtsniveau visueel duidelijk te maken voor leerlingen, anders kunnen er aanzienlijke problemen met het begrip ontstaan.

Hoe kunnen we de opgave 34 = 81 illustreren?
Teken op het bord een boomachtige structuur waarbij de kroon 81 uit de stam I ontspruit via vier vertakkingen. Dit is alleen mogelijk als elke tak zich herhaaldelijk in 3 twijgen splitst.

0.  vertakkingsniveau      30   = 1  = stam
1.                 ==                    31   = 3
2.                ==                    32   = 9
3.                ==                    33  = 27
4.                ==                    34 = 81

(Zo’n boomachtige figuur wordt op het bord getekend.)
Het machtsverheffen is dus een groeiproces: 3 is het grondgetal, volgens
welk de boom groeit, 81 is het kroongetal en 4 het getal van de groeikracht.
Logaritmiseren betekent het bepalen van de groeikracht, in dit geval dus de 4,
en een wortel trekken betekent het bepalen van het grondgetal volgens welk de boom is gegroeid, in dit geval de 3.
Van bijzonder belang voor de mens zijn de drie passieve omkeringen; in welk opzicht, zal na een samenvattende inleiding worden toegelicht.

De drie passieve omkeringen waren:
verschilvormende vergelijking
verhoudingsvormende vergelijking
groeivormende vergelijking
Als voorbeeld wordt 64 vergeleken met 4:

I. Verschil     64-4 = 60
2. Verhouding 64:4 = 16 (:I)
3. Groei 4log 81 = 3

Tussen 4 en 64 ligt het verschilgetal 60, het verhoudingsgetal 16 en
het groeigetal 3.
Dit drievoudige vergelijkingsproces wordt door de luisterende mens in uitzonderlijke mate toegepast:
Als we een enkele toon horen, passen we soms het onderscheidende vergelijken toe.
Als we twee verschillende tonen horen, vormen we hun verhouding.
Als we drie of meer tonen horen, onderzoeken we hoe ze uit elkaar voortkomen.

Ik wil deze drie beweringen, die op het eerste gezicht onbegrijpelijk zijn en waarvan de eerste zelfs zinloos lijkt, nader toelichten.

Het horen van een enkele toon:
Hoe kan men hier überhaupt van een vergelijking spreken! Voor een vergelijking zijn er toch minstens twee nodig. De tegenstrijdigheid verdwijnt wanneer het
gaat om twee tonen die door ons oor slechts als één enkele worden gehoord.
Dergelijke tonen ontstaan wanneer het oor twee tonen te horen krijgt die qua toonhoogte zeer dicht bij elkaar liggen, bijvoorbeeld met 435 en 440 trillingen per seconde. Dan wordt slechts één enkele toon gehoord, maar dan trillend, zwevend. Dergelijke zwevende tonen worden bij het orgel gebruikt voor bepaalde etherisch klinkende registers zoals de vox celesta, de Aeolische harp enz. Bij zo’n toon horen dan telkens twee pijpen die lichtjes ten opzichte van elkaar ontstemd zijn.

Wanneer een harmonium zulke tonen produceert, wordt elke toon geproduceerd door twee rietjes die iets uit stemming zijn. In het genoemde voorbeeld hoort men de zogenaamde concerttoon A met precies 5 slagen of trillingen per seconde. Het oor maakt dus een vergelijking die een onderscheid creëert: 440 – 435 = 5. Deze vijfvoudige toename en afname van de toon vindt al plaats in het akoestische luchtproces. De natuurkundige noemt dit een interferentie van twee trillingen. Het oor zou slecht georganiseerd moeten zijn als het dit externe luchtproces niet zou kunnen waarnemen. Dit vermogen van de horende mens is daarom niets bijzonders, omdat het extern en fysiek geconditioneerd en verklaarbaar is. Met de waarneming van het zweeffenomeen hebben we dus nog niet het domein van het lichamelijke-levende overschreden.

Twee tonen horen:

Als de twee tonen echter verder uit elkaar liggen, horen we geen zweving meer, maar twee verschillende tonen. Dit zijn de twee tonen met 435 en 870 trillingen per seconde. De hogere toon trilt dus twee keer zo snel als de lagere. Het oor bepaalt vervolgens dat de twee tonen zich verhouden als een priemgetal tot een octaaf. Het registreert een zogenaamd interval, in dit geval het octaafinterval. De trillingsfrequenties van het priemgetal en het octaaf verhouden zich als 1:2. De waarneming van zo’n interval is daarom onbewust gelijk aan de wiskundige vergelijking die de verhouding vaststelt. Een intervalervaring is niet langer een zintuiglijke waarneming, maar een mentale ervaring gebaseerd op de zintuiglijke waarneming van twee ver uit elkaar liggende tonen.

Het horen van drie of meer ‘tonen’

Stel dat er nu aan de twee tonen nog een derde wordt toegevoegd met 1740 trillingen per seconde, zodat het gaat om akoestische trillingen van 435, 870 en 1740 “Hertz”. In deze drie tonen zien we de oorspronkelijke vorm van een toonladder, een toonreeks.
Wat is er rekenkundig gezien aan de hand bij juist deze drie tonen?
Voor hun trillingsfrequenties geldt de verhouding:
435 : 870 = 870 : 1740 = 1 : 2
Hier gaat het niet langer louter om een vergelijking van twee tonen, een interval, maar om een vergelijking van twee vergelijkingen, om een vergelijking van twee
intervallen. Daarvoor zijn immers minstens drie tonen nodig. Het afzonderlijke interval is een vergelijking; de toonladder maakt het mogelijk om, verdergaand dan de afzonderlijke vergelijking, de intervallen te vergelijken, de vergelijkingen te vergelijken.
Wiskundig gezien is dit de overgang van de verhouding naar de proportie; de Grieken zouden zeggen: van de logos naar de analogie.

Belangrijk, maar vaak over het hoofd gezien, is een verbetering van de luisterervaring die verder gaat dan de loutere waarneming van intervallen. Ik hoop dat ik dit duidelijk genoeg kan uitleggen.

We horen hetzelfde toonhoogte-interval, dezelfde “toonhoogtestap”, tussen 435 en 870 als tussen 870 en 1740, namelijk in beide gevallen de octaafstap. Maar het interval tussen 435 en 870 is anders dan dat tussen 870 en 1740. Het laatstgenoemde interval is groter, zelfs twee keer zo groot, en toch hoort het menselijk oor in beide gevallen hetzelfde interval, namelijk de octaafstap. Uit deze schijnbare tegenstrijdigheid leiden we af dat men hier geen onderscheidingsvergelijking kan toepassen, en toch lijkt het oor zo’n vergelijking te eisen. Hoe verdwijnt de tegenstrijdigheid? Door de hoogste vorm van vergelijking toe te passen, de groei-creërende vergelijking, zoals die voortkomt uit de verhoudings-creërende vergelijking. Hij slaagt erin twee gelijke stappen in te voegen, namelijk de twee octaafstappen, tussen de drie getallen 1, 2 en 4, die hier centraal staan ​​bij het reduceren van de drie trillingsfrequenties 435, 870 en 1740 met 435, door de drie getallen te schrijven als machten van hetzelfde grondgetal 2:

1 =     20                 2 =  21      4 =  22

In de reeks van exponenten 0 1 2 wordt duidelijk dat de stap van 0 naar 1 dezelfde is als die van 1 naar 2.
Zo vindt de luisterervaring van een toonladder zijn passende uitdrukking in de opeenvolging van exponenten met dezelfde basis.
Wat doet het oor bij het waarnemen van de intervalreeks van meerdere tonen? Het verricht een mysterieuze mentale handeling, die voor het rekenende verstand verschijnt als een omzetting van de trillingsgetallen van deze tonen in puur machten van dezelfde basis, waarbij de machten exact de toonafstanden, de toonsprongen tussen de opeenvolgende tonen weergeven.
Rijen van machten op dezelfde basis noemt de wiskundige een logaritmisch systeem.

Een toonladder is rekenkundig gezien niets anders dan zo’n logaritmisch systeem.
Was de beleving van het interval nog een louter zielse aangelegenheid van de luisterende mens, zo groeit de beleving van de toonladder daarbovenuit uit naar een meer geestelijke sfeer.

Samenvattend kan dus worden gezegd:
Vanuit het luisteren bezien wijst de drie-eenheid van het vergelijken, die zich manifesteert in verschil, verhouding en groei, verborgen op de oerdrie-eenheid van lichaam, ziel en geest. Zo is het mogelijk om vanuit het puur wiskundige, met aandacht voor de luisterende mens, tot een begrip te komen van de oerdrie-eenheid van alle drie-eenheden, van lichaam, ziel en geest.

Laten we na deze overwegingen eens kijken naar het toetsenbord van een toetsinstrument!
Van octaaftoets tot octaaftoets is de afstand, zoals het hoort, gelijk, omdat het van 1 naar 2 naar 4 naar 8 naar 16 … telkens, logaritmisch
bekeken, dezelfde afstand is. Precies zo is het bij de rekenliniaal die is gebaseerd op de logaritmen.
Deze begint niet met 0 zoals een gewone schaal, maar met 1. Verder volgen op de gewone schaal de getallen 0, 1, 2, 3, 4, 5, … elkaar op in gelijke afstanden.
Bij de logaritmische schaal volgen daarentegen de getallen 1, 2, 4, 8, 16, … elkaar op in gelijke afstanden.
Achter deze gegraveerde getallen moet men zich nu juist de machten 0, 1, 2,
3, 4, … voorstellen.
Wat is dan het klavier van een piano, een harmonium of een orgel? Niets anders dan een klinkende logaritmische reeks.

De gebruikelijke benadering van de leer van de logaritmen laat de opmerkelijke
muzikale achtergrond ervan buiten beschouwing. Door deze mee te nemen, verliezen de logaritmen het rationele karakter dat er anders aan kleeft. Door de
juist begrepen logaritmen wordt een brug geslagen van de wiskunde naar
de muziek. En dat niet alleen! De mens kijkt erdoorheen in zijn lichamelijk-ziels- en geestelijke structuur.

In het jaar 1544 verscheen van een zekere Michael Stifel een boek met de titel
„Arithmetica integra“ (de volledige getallenleer). Daarin vindt men het volgende
reekspaar.

1   2   4   8   16   32    …..
0  1    2   3    4     5 

Hier schrijft Stifel de zin bij:

“Over de wonderbaarlijke eigenschappen van dit reekspaar zou een heel
nieuw boek geschreven kunnen worden. Maar ik onthoud me van deze taak en ga
met gesloten ogen weg.”

Ongeveer 60 jaar later werden vervolgens door twee wiskundigen, de Schot
Lord Neper en de Zwitser Jost Bürgi, onafhankelijk van elkaar de logaritmen ontdekt.

* Lezing tijdens een vergadering van de Ouderraad van de Vrije Waldorfschool, Stuttgart, Uhlandshöhe, op 8 mei 1959.

10e klas: alle artikelen

Algebra en rekenen: alle artikelen

Meetkunde: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3591-3384

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Mededeling – Sociale driegeleding – agenda/activiteiten

.

‘SOCIALE DRIEGELEDING’

Website

Nummers van tijdschrift Driegonaal

Een zekere rust én betrokkenheid: dat zijn ingrediënten om de ontwikkelingen in de wereld te kunnen volgen. Inzicht en verbondenheid zijn ingrediënten om te weten wat ons te doen staat. En dan nog de moed om samen in beweging te komen.
Op www.socialedriegeleding.nl proberen we je hiertoe te inspireren!

Nieuwsbrief sociale driegeleding

Nr. 9  /  23 juni 2026
Alles dat we in onze beschaving aantreffen komt voort uit inzichten, gedachten, woorden. Nu overal duidelijk wordt dat we ons op een doodlopende weg bevinden… wordt het tijd voor een nieuw denken, nieuwe inzichten, nieuwe woorden.

Actueel

De gewoonste zaak van de wereld

Dingen die mensen vroeger deden en die we nu niet meer doen. We kijken er meewarig naar terug. Hoe kwamen ze erbij? – Maar denk eens aan staalslakken, PFAS of sigarettenpeuken? Lees verder »

Weerbaar Europa

Wij horen het alom: Europa moet weerbaar worden, op eigen benen staan, in essentiële economische sectoren een eigen Europese industrie opbouwen. – Best begrijpelijk. Maar gaat dat ons brengen waar we willen komen? Lees verder »

Elon naar Mars

Technoking Elon Musk heeft vele kwaliteiten, waaronder het verkopen van hypes en fraaie vergezichten. Die kwaliteit maakte hem tot de eerste mens die 1000 miljard bezit. Lees verder »

Artikelen

Goed kunnen lezen
Philip Bakker

Jongeren informeren zich via de sociale media. Het leesonderwijs in Nederland wordt naar het schijnt steeds beroerder. Maar… hoe belangrijk is het nog om goed te kunnen lezen? Lees verder »

Inzicht is noodzakelijk
Rudolf Steiner

In de tijd van zijn inzet voor de driegeleding van het sociale organisme, schreef Rudolf Steiner korte artikelen die in het toenmalige driegeledingsweekblad in Duitsland werden gepubliceerd. Deze artikelen raken stuk voor stuk aan de essentie van de sociale driegeleding en bieden tevens oefenstof voor het ontwikkelen van het denken dat nodig is om het sociale leven te kunnen bevatten. Lees verder »

Onze ‘gastschrijver’ Drs. Teentjes levert alleen bijdragen die positief-ironisch gestemd zijn.

Zó kan het ook!

Wachtlijsten voor de kinderopvang? Een schreeuwend gebrek aan leraren? Opgebrande werkers in de zorg? Te weinig installateurs of technisch geschoolde werkers? Overwinsten voor aandeelhouders? Enge miljardairs die van gekkigheid niet weten wat zij met hun geld moeten?
Zó kan het ook: Lees verder »

Driegeleding in vraag & antwoord

Waarom zou de samenleving uit drie delen bestaan? Lees verder »

Agenda

28 juni: Dag van de sociale driegeleding (Zeist)
7-9 augustus: Zomerse driegeledingsdriedaagse (Zoetermeer)
kijk de volledige agenda: KLIK HIER


Verschenen:

Driegonaal – jrg 40, nr.4/5
dubbelnummer

Een lekker dik nummer met héél veel inhoud. Waaronder:
– De Caleidoscoop: wat gebeurt er eigenlijk als de ene mens (of instelling) de ander krediet geeft? Hoe is het met de Amerikaanse droom? En niet te vergeten: heeft u al een passief inkomen?
– Gerald Häfner in gesprek met Vandana Shiva over het in stand houden van het universum.
– Jörgen Smit: Laten we oefenend beginnen aan de grote opgaven waarvoor de samenleving ons plaatst
– Terug naar de bron: woorden van Rudolf Steiner als hulp bij het vormen van een sociaal oordeel
– Is het historische moment voor de driegeleding voorbij? Is dat wat de driegeleding te bieden heeft niet meer aan de orde? Fionn Meijer schreef er een artikel over.
– Een  interview met actrice Dette Glashouwer die met haar ‘stand up economy’ door het land gaat. Hoe is haar verhouding met geld?
 Feiko van der Veen bespreekt de visie van Carlijn Kingma en Thomas Bollen over de manco’s van het huidige financiële systeem. Het fenomeen geldschepping speelt daarin een belangrijke rol. Hoe kan je daar vanuit de driegeleding naar kijken?
– Rudolf Steiner: een ‘uiterste houdbaarheidsdatum’ voor geld
– Een beschouwing over een gezond geldstelsel, mét aandacht voor een eigentijds spookverschijnsel, de cryptomunt – door Arjen Nijeboer

Aanbieding voor de lezers van deze Nieuwsbrief:

Dit dubbelnummer plus het voorgaande nummer van Driegonaal voor € 12,00 thuisgestuurd (binnen NL)
Mail naar: info@driegonaal.nl
Aanbieding geldt tot en met maandag 29 juni a.s.

Op Zoek naar Vrede – een documentaire over de eerste wereldoorlog en de geboorte van de sociale driegeleding

Historisch gezien is 1917, het jaar waarin de eerste wereldoorlog al drie jaar woedde, het geboortemoment van de sociale driegeleding. Het is het jaar waarin Europa de regie over het eigen lot uit handen gaf, of liet nemen.
Het feit dat Rudolf Steiner in dat jaar zijn inzet  voor de sociale driegeleding begon, moet beslist ook gezien worden in het licht van de dramatische gebeurtenissen op het wereldtoneel en was een oproep aan Europa om niet toe te geven aan wat vanuit het oosten (de Russische Revolutie) en vanuit het westen (de ‘onderwerping van de wereld’ door het kapitalisme van de Verenigde Staten) op Europa toekwam.

Robbert Clignett werkt al geruime tijd aan een documentaire die als titel krijgt: Op Zoek naar Vrede.
Clignett: “We leven op dit moment in een tijd waarin polarisatie, desinformatie en verborgen machtsstructuren een grote rol spelen. Het in beeld brengen van wat er in de periode van de Eerste Wereldoorlog gebeurt en de aanloop daar naartoe geven de kijker van de film in mijn ogen belangrijke context voor waar we ook nu nog mee te maken hebben. Met deze film wil ik bewustzijn creëren over de geschiedenis, maar ik wil vooral ook inspiratie geven en mensen zelf laten denken, zodat iedereen zelf in vrijheid zijn eigen ideeën kan vormen en keuzes kan maken.”

De documentaire ontrafelt de geopolitieke geschiedenis van Europa. Experts zoals Daniele Ganser, Thomas Meyer, Harrie Salman, John Hogervorst en Terry Boardman delen in deze documentaire hun inzichten en perspectieven.

Oproep

De productie kost veel tijd en geld. Maar kennis is in deze tijd van historische ongeletterdheid van groot belang om te begrijpen hoe oorlogen tot stand komen.
Een teaser, meer informatie en de mogelijkheid om te doneren 
VIND JE HIER

 

Sociale driegeleding: alle artikelen op deze blog

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Mededeling Nationale Vertelschool

.

Save the Dates: Vooruitblik naar het najaar!
Nieuwe voordrachten, workshops en ontmoetingen

Kom alvast in de stemming met onze najaarsprogrammering

De zomer is aangebroken, maar achter de schermen kijken we alweer vol inspiratie vooruit naar de komende maanden. Heb je op dit moment de mogelijkheid? Pak dan je agenda erbij en prik deze data meteen vast. Maar lig je nu lekker in de hangmat en heb je geen pen bij de hand? Geen enkel probleem: wij onthouden het voor je! Later in  augustus en nog een keer in september sturen we gewoon weer een verse update.
Voor de snelle planners onder ons — zet deze prachtige activiteiten er alvast in:
Freeman Festival
20 t/m 23 augustus: Freeman Festival
De Nationale Vertelschool verzorgt voor dit festival het theatergeluid, licht en de heerlijkste koffies met haar barista! Baarlo Noord-Limburg
Website »
Vertelworkshops
11 september: De mooiste vertelworkshops
Rijksmonument de Kasbah, Hengelo Ov.
Lees meer »
Landelijke sprookjesdag
3 oktober: Landelijke sprookjesdag
De man in alle kleuren (Arnhem)
Lees meer »
Jaartraining Drenthe
9 oktober: Jaartraining Drenthe
De inwijdingsweg in de 21e eeuw
Lees meer »
Filosofie van de Vrijheid
24 sep. – 12 nov.   Filosofie vd Vrijheid
Verder verdiepen (Vorden / Zutphen)
Lees meer »

 

Vertelstof: alle artikelen

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Actueel: Rudolf Steiner over de 1e klas

.

Rudolf Steiner over de 1e klas

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – actueel

.

Verzamel de granen, nu het (misschien) nog kan!
.

Rudolf Steiner:
U weet, hoe ik dikwijls over zo‘n beschou­wing van de natuur heb gesproken, en hoe ik verschillende besprekingen besloot met woorden als deze: er zijn tegenwoordig onder de stedelingen helaas heel wat mensen, die, wan­neer ze buiten op het platteland komen, geen tarwe van rogge kunnen onderscheiden. Het komt daarbij niet op de naam aan, maar op een levende verhouding tot die dingen. Wie de menselijke natuur kent, weet dat er iets zeer belangrijks voor de mens verloren gaat, als hij niet op het juiste ogenblik  — en de ontwikkeling van de menselijke vermogens moet steeds op het juiste ogenblik plaatsvinden — als hij niet op het juiste ogenblik leert te onderscheiden, als hij niet leert – (u weet, het is slechts als symptoom bedoeld) – rogge van tarwe te onderscheiden; wat hier bedoeld wordt omvat natuurlijk nog zeer, zeer veel meer.
GA 192/95
Vertaald

Over het waarom

.

VRIJESCHOOL – 9e klas – scheikunde (1)

.
Gerhard Ott, Erziehungskunst jrg. 20 nr.1 1956
.

De affiniteit van stoffen om met elkaar verbindingen aan te gaan

.
Uit de scheikundelessen van de negende klas
.
Cursief van de auteur

Artikelen over scheikundelessen in de zevende en achtste klas* toonden aan hoe noodzakelijk het is – op die leeftijd – om levendige, beeldende begrippen te gebruiken bij het beschrijven van de processen die zich afspelen, en om de aard van de stoffen zelf dicht bij de directe menselijke ervaring te brengen. Het is op deze leeftijd dan ook van groot belang dat processen zoals verbranding, kalkvorming, de werking van water, enzovoort, gepaard gaan met een sterke emotionele betrokkenheid. Men zou kunnen zeggen dat in deze klassen de begripsmatige samenhangen op de achtergrond blijven; de nadruk ligt op rijke, zintuiglijke waarneming – op het emotioneel doorgronden van de verschijnselen en het van binnenuit diepgaand beleven ervan.

In de negende klas echter – na het intreden van de puberteit – ontstaat als een fundamenteel nieuw element het vermogen van het kind tot zelfstandig denken. De jongere probeert nu, vanuit deze nieuwe vorm van levend denken, datgene te herkennen wat voorheen vooral via beelden werd ervaren en met emotionele betrokkenheid werd waargenomen. Voor deze leeftijdsgroep is niet zozeer nieuwe leerstof van belang, maar veeleer een nieuwe wijze van doorgronden van wat reeds bekend was – waarbij gebruik wordt gemaakt van die nieuw verworven zielskracht: het denkvermogen.

Maar zelfs in dit stadium, waarin de dingen van de materiële wereld zich verder beginnen te verwijderen van directe emotionele empathie en beleving, is het van belang begrippen te ontwikkelen waarbij de jongere toch een innerlijke verbondenheid voelt.

Dit kan worden bereikt door chemische stoffen nu sterker te beschrijven in termen van hun posities, maar ze toch te zien als entiteiten die begiftigd zijn met bijzondere eigenschappen, neigingen en vermogens, en uit wier activiteit hun “chemische lotsbestemming” voortkomt wanneer ze andere materiële wezens ontmoeten. En inderdaad: als een weerspiegeling van wat zich in deze periode ook in de psyche van de jongere afspeelt – driften en verlangens, neigingen en afkeer, verwantschap en vervreemding – werkt alles wat nu in het gedrag van chemische wezens waarneembaar is, door op een dieper niveau.
Goethe verwoordde deze merkwaardige relatie tussen de wetten van de chemische wereld en de wereld van de ziel op schitterende wijze in het vierde hoofdstuk van *De Wahlverwandtschaften* (De keuze-verwantschappen). “
In dit loslaten en grijpen, in dit vluchten en zoeken,” zo zegt hij daar, “meent men werkelijk een hoger doel te zien; men schrijft dergelijke wezens een soort wil en keuze toe en beschouwt de kunstmatige term ‘keuze-verwantschappen’ als volkomen gerechtvaardigd.”

Juist deze werkzaamheid van stoffen, die zo dicht bij de eigen psychische sfeer ligt, zorgt ervoor dat de jongere een bijzondere verwantschap voelt met de gebeurtenissen in de chemische processen.

Hierin schuilt het buitengewoon vruchtbare pedagogische potentieel van deze presentatiewijze; de ​​menselijke resonantie ervan kan het begrip bevorderen, zelfs bij het doorgronden van de meest complexe chemische processen. Door een dergelijke presentatie ervaart het kind chemische reacties als het zich voltrekken van een ‘drama’, waarin de elementaire stoffen optreden als de personages. Hun inherente eigenschappen bepalen het verloop van het drama. Als leerkracht kan men waarnemen hoe deze benadering – die nauw aansluit bij het gevoelsleven en de wil van de jongere – zelfs minder theoretisch ingestelde kinderen in staat stelt een werkelijk levendig begrip van chemische processen te ontwikkelen.
Laten we, om dit te verduidelijken, enkele specifieke chemische processen vanuit dit perspectief bekijken.

Wanneer we bijvoorbeeld waterstof vanuit een waterstofcilinder door een aangesloten slang en glazen tuit laten stromen en er een brandende lucifer bij houden, brandt het gas aanvankelijk kleurloos, maar vervolgens – door de invloed van het glas – met een gelige vlam. (1)
We gaan zien dat waterstof een vurig element is: het wil voortdurend branden. Het confronteert ons met deze specifieke eigenschap – als het fundamentele tegenbeeld van zuurstof, dat, zoals we weten, zelf niet brandt, maar juist de verbranding van andere stoffen mogelijk maakt.

Aan deze eigenschap van waterstof – de licht ontvlambare aard – wordt direct een tweede toegevoegd: het is een zo licht gas dat het altijd naar boven toe ontsnapt. Het drijft simpelweg weg uit een rechtopstaande, open cilinder waarin het wordt geleid; omgekeerd kan het van onderaf in een omgekeerde cilinder worden gebracht. In zekere zin keert de aard ervan de wetten om die voor aardse materie gelden: het vertoont lichtheid, geen zwaarte! Een vluchtigheid die van de aarde wegstreeft en een extreme ontvlambaarheid vormen de essentie ervan. Daartegenover staat de aard-affiniteit – de op de aarde gerichte aard – van zuurstof en de uitgesproken onbrandbaarheid ervan. In deze twee stoffen worden we geconfronteerd met oeroude tegenstellingen.

Maar hoe reageren ze op elkaar? Om daarachter te komen, gieten we de waterstof terug in een omgekeerde cilinder en plaatsen we vervolgens snel een brandende kaars bij de onderste rand. Er klinkt een zacht plofje en als we goed kijken, zien we dat de waterstof onder in de cilinder brandt met een vrijwel kleurloze vlam. (3) Maar als we de kaars dieper in de met waterstof gevulde cilinder brengen, dooft de vlam. (4) Als we de kaars er weer uithalen, ontbrandt hij opnieuw aan de onderkant van de cilinder. Dit kan meerdere keren worden herhaald. En omdat de brandende waterstof van een afstand nauwelijks zichtbaar is, lijkt het voor de kinderen aanvankelijk op magie, totdat ze de werkelijke oorzaak van het proces doorzien: namelijk dat waterstof – hoe graag het ook wil branden – alleen kan verbranden als er zuurstof beschikbaar is, maar dat het op zichzelf daartoe volstrekt niet in staat is. Daarom dooft de brandende kaars bij gebrek aan zuurstof, zelfs in een omgeving van uiterst brandbaar waterstofgas. Niets typeert de bijzondere eigenschappen van de twee stoffen treffender. Dergelijke tot nadenken stemmende experimenten, waarbij het zintuiglijk waarneembare proces alleen kan worden verklaard door de afzonderlijke processen met elkaar in verband te brengen, zijn van het grootste belang. Dit zijn bij uitstek ontwakingsprocessen voor de kinderlijke denkvermogens die zich moeizaam een ​​weg naar buiten banen.

Maar wat gebeurde er tijdens de verbranding van de “vuurgeest”? Wat was de “as” van het lichte waterstofgas na de verbranding? We kunnen dit waarnemen als we beter kijken: de cilinder is beslagen; er hebben zich waterdruppels gevormd.
Water is de as van waterstof!

Voor de kinderen is dit een diepgaand inzicht: water verschijnt als de as van het vuurwezen waterstof, wanneer dit door zuurstof wordt gegrepen, verbrand en vanuit zijn staat van aardse vluchtigheid naar aardse zwaarte wordt getrokken. Zuurstof trekt waterstof het aardse rijk in en transformeert het door hun verbinding tot water. Het brandbare vuurwezen zelf wordt geconfronteerd met de krachtige geest van de branddrang, en het in evenwicht brengen van deze oer-tegenstellingen leidt tot de vorming van water.

De vlam – het vuurelement zelf – is echter de kracht die de aanzet geeft tot deze meest intieme van alle verbindingen. Om dit verschijnsel duidelijker voor ogen te krijgen, kan men waterstof en zuurstof achtereenvolgens uit twee cilinders in een kleine open cilinder laten stromen en het gasmengsel met de kaars aansteken, net als voorheen. (5) Nu stormen de twee partners met plotseling geweld op elkaar af: het mengsel van waterstof en zuurstof – knalgas – explodeert!

De verbinding komt tot stand met elementaire kracht. Met een luide knal stroomt de lucht de ruimte in die door de gassen is vrijgekomen, terwijl de wand van de cilinder opnieuw beslaat door waterdamp. (Hetzelfde proces is – zij het minder heftig – waar te nemen wanneer men een kleine hoeveelheid waterstof uit een lange, rechtopstaande cilinder laat ontsnappen en er vervolgens een brandende lucifer in laat vallen: dit levert slechts een geluid op – een fluitend geluid dat wordt veroorzaakt doordat de lucht het lichte vacuüm instroomt.)
 
Nu kunnen we de kinderen echter ook laten zien dat deze vreemde, tegengestelde entiteiten – waterstof en zuurstof – pas ontstaan ​​wanneer we water zelf door middel van een elektrische stroom ontleden. De kracht van elektriciteit verbreekt de hogere eenheid van de stof water en drijft deze uiteen in de polariteiten van waterstof en zuurstof. Daardoor dragen deze elementen een voortdurend streven naar hereniging in zich; ze zoeken elkaar voortdurend op, en juist door dit inherente streven – deze keuzeaffiniteit – brengen ze een veelheid aan chemische processen teweeg.
Deze bespreking wordt afgesloten met een experiment dat deze feiten op bijzonder indrukwekkende wijze demonstreert. Tegelijkertijd vormt het een tegenhanger van het experiment dat in een eerder essay werd beschreven.**
We hebben dezelfde proefopstelling nodig als voorheen: een glazen buis met een bolvormig middendeel, maar ditmaal met daarin een “verbrande” stof – een as – in de vorm van een zwart poeder: koperas, oftewel koperoxide. En de cilinder die gas in deze buis voert, bevat nu brandbare waterstof. Er gebeurt iets opmerkelijks wanneer ik een brander onder de glazen buis houd, precies op de plek waar de as ligt: ​​de waterstofvlam aan het andere uiteinde van de buis krimpt, terwijl de zwarte koperas roodachtig begint te gloeien (en blijft gloeien, zelfs nadat ik de brander heb weggehaald), en aan het uiteinde van de schuin gehouden buis vormt zich een duidelijk zichtbare hoeveelheid water! (6)

Opnieuw krijgen de kinderen een reeks gebeurtenissen te zien die alleen als geheel te doorgronden is door een manier van denken die – dankzij eerdere experimenten – al inzicht heeft verworven in de wezenlijke kenmerken van de betrokken stoffen. Het is voor de kinderen een heerlijk gevoel om – via het pas ontwaakte geestelijke denkvermogen – de verschijnselen die ze met hun alerte zintuigen waarnemen te kunnen begrijpen en ordenen, en daarmee het noodzakelijke verloop van dit proces te kunnen doorgronden.

Want wat leert deze gedachtegang ons? Dit: met behulp van warmte kon de waterstof de zuurstof grijpen die verborgen – of ‘latent’ – aanwezig was in de koperas (zoals in alle asachtige stoffen); de waterstof kon deze zuurstof bevrijden uit haar gebonden staat in dat asmateriaal en zich ermee verbinden. De sterke affiniteit tussen waterstof en zuurstof maakte dit proces mogelijk; zo vond er in de verhitte buis een stille verbranding plaats – een verbinding van de twee tot water. Daardoor nam de vlam aan het uiteinde van de buis onvermijdelijk af, aangezien een aanzienlijk deel van de waterstof al was verbruikt. Maar wat gebeurde er met de zwarte koperas waaruit de zuurstof was onttrokken? Deze veranderde in rood koper – of werd ‘gereduceerd‘, zoals de term luidt. De stof kon terugkeren naar de staat waarin ze verkeerde voordat de zuurstof zich met het koper had verbonden en het tot zwarte as had verbrand.
Hier zien we opnieuw een opgang en neergang van elementaire stoffen: het waterstofgas ‘daalt af’ en verbrandt tot water door de zuurstof die uit de koperas vrijkomt, terwijl de koperas ‘opstijgt’ tot de stralende staat van koper naarmate ze van de zuurstof wordt bevrijd. Waterstof wordt geoxideerd; koperas wordt gereduceerd. Waterstof moet tot as worden, opdat koperas stralend koper kan worden. De ene stof moet zich ‘opofferen’ opdat de andere verheven kan worden! En ook hierin ligt een diepgaand principe besloten dat zijn weerga vindt in de sfeer van de ziel.
Zo worden materiële processen tot beelden die een nauwe en vruchtbare relatie aangaan met de ziel van het kind. Door deze gedachten te denken, vormt zij zichzelf. Tegelijkertijd voelt zij zich – vooral in deze moeilijke leeftijd van aardse rijping – geestelijk geborgen in de wetenschap dat ook het rijk van de materie door wetten wordt beheerst; wetten die in een hogere staat van volmaaktheid en vorm terug te vinden zijn in het rijk van haar eigen ziel.

*Zie scheikunde 7e klas onder nr. 3

**Niet op deze blog

9e klas: alle artikelen

Scheikunde: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen 

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3590-3383

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 8e klas – geschiedenis (4)

.
Steiner geeft slechts enkele aanwijzingen voor het vak geschiedenis in klas 8.
En dat is ook al een eeuw geleden.
Wat is nu belangrijk voor de mensvorming van de 8e-klasser waaraan ‘geschiedenis’ een bijdrage kan leveren.
Het is logisch dat daar in het verleden een antwoord voor werd gezocht en het is m.i. belangrijk steeds te blijven zoeken.
Een van de meest uitgewerkte achtergrondideeën zijn te vinden in ‘Geschichte lehren’ van Lindenberg.
Een deel daarvan staat vertaald op deze blog, nog niet echter de klassen vanaf 7.
In onderstaande artikel worden ook gezichtspunten aangedragen.
Het is m.i. zeker belangrijk de historische slogan goed te laten beleven, vooral met het oog op Steiner sociale driegeleding die daar in zekere zin een
metamorfose van is en waarmee m.i. in deze tijd de leerlingen van de hoogste klassen (11 en/of 12) ook gedegen kennis van zouden moeten krijgen om te zien of deze ideeën nu en of in de toekomst een oplossing kunnen bieden voor talloze maatschappelijke problemen. 
.

Jozef Zimmermann, Erziehungskunst jrg. 19 nr. 9 1955
.

Vrijheid, gelijkheid, broederschap

Geschiedenisles bij het aanbreken van de puberteit

Met het bereiken van lichamelijke volwassenheid begint de jongere – vanuit zijn innerlijke beleving – een tijdgenoot van zijn eigen tijd te worden. Er ontstaat dan een innerlijke behoefte aan geschiedenislessen die tot in het heden doorlopen.
De beelden van de moderne geschiedenis hebben een ander karakter dan die van de middeleeuwen. Gebeurtenissen van vóór de vijftiende eeuw worden grotendeels overschaduwd door bovennatuurlijke verschijnselen; ze dragen vaak legendarische of mythische trekken en laten zich zelden herleiden tot louter historische feiten. Wie zou bijvoorbeeld de bijdrage van middeleeuwse kloosters aan het aanzien van handenarbeid kunnen beschrijven zonder te wijzen op de aureool van Benedictus van Nursia – een glans die eeuwenlang de kloosterwereld en het bewustzijn van de monniken verlichtte? Wie zou de volle waarheid over de kruistochten kunnen overbrengen zonder te vertellen hoe Karel de Grote als heldenfiguur vooropging in de stoet van kruisvaarders?
Hoe verder we terugkijken in de geschiedenis, des te meer zien we bovennatuurlijke krachten werkzaam op het toneel van de gebeurtenissen.

Daarentegen is het historische beeld van de moderne tijd niet langer doordrongen van het handelen van goden, helden en heiligen. Hier staat het menselijke – en vaak het maar al te menselijke – onverhuld voor ons. Het is begrijpelijk dat een jongere, in deze levensfase waarin hij dichter bij zijn eigen lichamelijke natuur komt te staan, de betekenis van een dergelijk louter menselijk historisch drama kan gaan doorgronden. Het is echter lastig om te bepalen vanuit welke invalshoeken de historische verhalen van de moderne tijd – wat betreft hun wezenlijke waarheid – van pedagogische betekenis kunnen zijn voor jongeren.

De strijdkreet van de Franse Revolutie – “Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap” – biedt ons een sleutel tot het ideale element dat als een rode draad door de gebeurtenissen van de moderne tijd loopt. Dit drietal idealen kwam ruim 200 jaar geleden naar voren als een eis van de moderne mensheid en weerspiegelde precies de krachten die sinds de 15e eeuw onder de oppervlakte van de gebeurtenissen gistten.

Vrijheid: Het streven naar vrijheid markeert het aanbreken van de moderne tijd. We komen het in de Reformatie tegen als een eis tot gewetensvrijheid. Het treedt ons tegemoet in de opbloeiende wetenschap door het gedurfde streven naar onderzoeksdoelen die nooit eerder waren nagestreefd. Als vitaal element van een nieuwe artistieke geest verbrijzelt het oude ketenen. Jonge mensen herkennen zichzelf in de beeldtaal van dit tijdperk; voor velen wakkerden de beelden van vrijheid uit de vroegmoderne tijd de impuls aan tot een individueel, onafhankelijk geestelijk leven.
Men kan in detail beschrijven hoe deze ontluikende geestelijke vrijheid geleidelijk werd onderdrukt door de macht van de heersende klasse.
Slechts negen jaar na de dood van Luther maakte de Vrede van Augsburg een einde aan de gewetensvrijheid (*cuius regio, eius religio*). Onderzoekers liepen het risico op gevangenschap en gedwongen herroeping van hun opvattingen. De Dertigjarige Oorlog speelde de krachten van onderdrukking in de kaart, en het daaropvolgende tijdperk van het absolutisme bleek de tegenpool te zijn van wat oorspronkelijk tot ontwikkeling had willen komen.

Gelijkheid: Het inzicht van Rousseau – dat vrijheid niet kan bestaan ​​zonder rechtsgelijkheid – vormt de afsluiting van de eerste akte van de moderne geschiedenis. Alleen Engeland verankerde de vrijheid stap voor stap door wijzigingen in de rechtsorde, waardoor deze tot bloei kon komen. Elders in Europa – en eerder al bij de stichting van de Verenigde Staten van Amerika – vonden gewelddadige omwentelingen plaats waarbij men streefde naar rechtssystemen die op gelijkheid waren gebaseerd, “omdat vrijheid zonder die systemen niet kan bestaan.”
De burgerij van de 19e eeuw zette voort wat de Franse Revolutie was begonnen, door te streven naar een constitutioneel bestuur. Reactionaire krachten konden deze tweede beweging in de moderne geschiedenis slechts korte tijd stuiten; het jaar 1848 maakte de weg opnieuw vrij.
Het onderwijs zal op levendige wijze de ontwikkelingen schetsen die leidden tot de afschaffing van standen-kiesstelsels, de emancipatie van slaven in de VS en het einde van de lijfeigenschap in Rusland.

Broederschap: Het pleit voor de bourgeoisie dat zij de maatschappelijke verhoudingen zo krachtig heeft ontwikkeld. Toch schiet de burgerlijke orde tekort wanneer zij wordt geconfronteerd met de derde en moeilijkste vraag van het maatschappelijk leven.
Engeland, dat aanvankelijk vooropliep in de vooruitgang, was het eerste land dat de problemen blootlegde die voortvloeiden uit de industriële expansie. Het merendeel van de bevolking raakte geproletariseerd en werd overgeleverd aan de grillen van economische cycli en moordende concurrentie. Wat betekenen ‘gelijkheid voor de wet’ en ‘geestelijke vrijheid’ voor mensen zonder bezit, wanneer economische schommelingen hen van de ene op de andere dag tot bedelaars kunnen maken? Hoewel de erbarmelijke omstandigheden sindsdien zijn verzacht, blijft er een fundamenteel probleem bestaan. Want zelfs onder de gunstigste omstandigheden – zoals bij grote, moderne Amerikaanse ondernemingen die profiteren van economische bloei – blijft de observatie van L. Vaubel van kracht: “Het principe dat de bedrijfsleiding altijd de belangen van de werknemers voorop moet stellen, geldt alleen bij ‘mooi weer’. Zodra er moeilijke tijden aanbreken, wordt de leiding gedwongen haar beleid te wijzigen. Hoe oprecht de leiding ook gelooft in haar eigen paternalistische welwillendheid, voor de werknemer komt deze houding onvermijdelijk over als hypocrisie.”

De Franse Revolutie stelde ‘broederschap’ voorop als het ideaal dat op het gebied van economische arbeid verwezenlijkt had moeten worden. Dit doel bleef echter vaag, en juist op dit punt faalde de Franse Revolutie. Ze schond het beginsel van broederschap op twee manieren: tijdens de Terreur stortte inflatie het land in een periode van torenhoge prijzen, terwijl enkele honderden speculanten een fabelachtig vermogen vergaarden – pogingen om de geldeconomie aan banden te leggen, bleven zonder succes. Ondertussen leidde de opkomst van het nationalisme de aandacht af van het werkelijke sociale vraagstuk en dreef het volk in de armen van de veroveraar. Gedurende de hele negentiende eeuw en tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog werd de historische vooruitgang belemmerd, met name door de nationalistische ambities die door het Franse voorbeeld waren aangewakkerd.
Het jaar 1848, dat de juridische hervorming had bevorderd, bracht tegelijkertijd het manifest van de klassenstrijd voort. Deze strijd ondermijnde echter de fundamenten van de rechtsorde; het beginsel van een partijstelsel gebaseerd op klassenconflict tastte het juridische klimaat aan. Economische belangen – gedreven door maatschappelijke standen waarvan de onderlinge verhoudingen nieuw en ongereguleerd waren – begonnen door te dringen tot het rechtsdomein.
De meest schrijnende vormen van proletarische nood werden geleidelijk verlicht. Bismarcks sociale wetgeving – en de latere uitbreidingen daarvan – introduceerde ouderdomspensioenen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, ziektegeld en werkloosheidsverzekeringen. In onze tijd zijn het concept van medezeggenschap en, in sommige kringen, winstdeling opgekomen.

Toch blijven er cruciale vragen openstaan:
De waarde van arbeid is gestegen, maar blijft overgeleverd aan chaotische omstandigheden; ze bestaat nog niet binnen een geordende economische wereld waarin zij als vanzelfsprekend een inherente, volle waarde zou kunnen bezitten.
Alles wat jongeren aanschouwelijk wordt gemaakt over stukloon en uurloon, vakbonden en economische opbrengsten, roept vragen en overpeinzingen bij hen op. Ze gaan begrijpen hoe de opkomst van het nationaalsocialisme voortkwam uit werkloosheid en hoe het Oost-Westconflict voortvloeit uit uiteenlopende maatschappelijke structuren. Te midden van deze grote historische confrontatie kan de jongere zijn eigen plaats bepalen.
Men kan hun geen kant-en-klare formule aanbieden om de vraagstukken van de toekomst op te lossen. Wel moeten ze inzicht krijgen in de ontwikkelingen uit het verleden en de diverse facetten van de “sociale kwestie”, zodat ze leren hun weg te vinden in de stroom van de hedendaagse geschiedenis.
Hiermee is de reikwijdte van het geschiedenisonderwijs in de achtste klas nog niet uitgeput. Er moeten hier perspectieven worden geboden die het mogelijk maken om de verschillende samenhangen te ordenen en in onderling verband te plaatsen. 

8e klas geschiedenis: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

Sociale driegelding: alle artikelen
veel onderwerpen die in de geschiedenislesstof van 8 t/m 12 besproken kunnen worden!

Driegonaal

.

3589-3382

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – menskunde (8)

.
De auteur schets heel duidelijk de drieledige mens; aspecten daarvan die in de menskunde van klas 7 aan de orde (kunnen) komen. De inhoud is vooral gericht op de houding van de leerkracht wat betreft zijn denken over de mens.
Het had ook in zijn algemeenheid voor meerdere klassen geschreven kunnen zijn.
.

Karl Ege, deel 1 Erziehungskunst jrg.1 nr. 2/3 1927
deel 2* jrg. 1 nr. 4 1928

.

Over de menskunde in de zevende klas

Deel 1

Wanneer het kind de zevende klas bereikt – en daarmee de leeftijd van twaalf of dertien jaar – dient het onderwijs in de menskunde een ervaring te bieden van de eigen fysieke gestalte en wezenlijke aard. Op deze leeftijd kan dit echter niet worden bereikt door louter kennis en inzichten over te dragen omtrent anatomische en fysiologische feiten; de leerkracht moet er veeleer naar streven deze feiten te verheffen tot levendige, beeldende voorstellingen, en het kind zo een levendig beeld geven van de functies en organen van zijn lichaam.

De reden dat dit onderwijs juist op dit moment plaatsvindt, is dat het kind in zijn innerlijk leven – als het ware – dieper in zijn lichaam is afgedaald. Voorbij de ervaring van de ritmes van bloed en lichaamsvocht en de vormkrachten van de groei, dringt het kind door tot het niveau van het skelet. Het begint de dynamiek van de botten te voelen en daarmee de wetten die de aardse zwaartekracht beheersen. Het is alsof diepe aardse tonen meeklinken in het bruisen en klinken van het stromende bloed en de vloeistoffen en in de melodieën van zwellende spieren en organen; alsof de hartslag van de aarde ingrijpt in die kosmische ritmes. Pas nu begint het kind te voelen dat het – met stevige, substantiële botten – op de vaste, bestendige aarde staat. Wanneer het onderwijs naast deze droomachtige ervaring ook kennis over het lichaam aanreikt, kan het kind met meer vertrouwen en helderheid op deze aarde staan. En omdat het zich nog niet van deze ervaring heeft losgemaakt door abstractie, loopt het niet het gevaar zich te verliezen in kleinburgerlijke, egoïstische gedachten over de verzorging van dit lichaam; in plaats daarvan leert het de harmonieuze samenhang van zijn fysieke leven te eerbiedigen en dit belangeloos lief te hebben als de grondslag van zijn aardse bestaan.

Het skelet vormt de basis voor de vorm van het menselijk lichaam. Een blik erop kan een totaalbeeld van de mens oproepen. In zijn scherp afgetekende driedelige structuur weerspiegelt het de functionele driedeling van de mens: hoofd, borst en ledematen – corresponderend met het zenuw-zintuigstelsel, de ademhaling en bloedsomloop, en de stofwisseling en ledematenorganisatie.
Het hoofd is rond en in zichzelf besloten; het weerspiegelt de sfeer. De harde botten omsluiten de wereld van de hersenen. Bij het aanschouwen ervan moet men denken aan het weidse, diepe hemelgewelf en voelt men de sprankelende, stralende verhevenheid van de vaste sterren.
De botten van de ledematen dienen niet langer als omhulsel, maar slechts als steun voor de organen; ze worden omgeven door spieren. De aarde heeft ze naar beneden getrokken en daardoor in de lengte uitgerekt. Als benen moeten ze het lichaam over de aarde dragen; als handen moeten ze actief vormgeven aan aardse stoffen.
Het borstgebied bevindt zich tussen de sferisch afrondende, verhardende vormkrachten van het hoofd en de oplossende tendensen van het stofwisselingssysteem. Zo buigen de bovenste ribben zich rond om de borstkas stevig te omsluiten, terwijl de onderste ribben zo klein worden dat ze elkaar niet meer raken. Het is alsof het hoofd de borstkas tot een hoofd wil omvormen, terwijl het stofwisselingssysteem deze langzaam oplost.

Elk van deze drie delen brengt een andere soort relatie tot stand tussen de mens en zijn omgeving. Via de stofwisseling treedt de mens in wisselwerking met vloeibare en vaste elementen. In het borstgebied is men met de wereld verbonden door middel van de lucht. Via de zintuiglijke activiteit onderhoudt het hoofd de “meest subtiele” relatie met de wereld. Door middel van spijsvertering, ademhaling en zintuiglijke waarneming verheft de mens de natuur tot het domein van zijn eigen wezen en drukt hij haar zijn eigen aard en wetmatigheden op.
Deze samenhangende, drieledige aard van het lichaam is een uitdrukking van de drieledige eenheid van de ziel. Het hoofd, dat zo fijnzinnig op het lichaam rust, laat zich zacht en kalm door de wereld dragen. Het verdraagt ​​niets dat “schokkend” is; zelfs beweging of onrust zou zijn activiteit verstoren; het heeft rust en stilte nodig. Immers, gedachten huizen erin, en denken is slechts mogelijk in een staat van stilte en afzondering.
In de borst huist het “hartelijke en innige” gevoel. Daar stroomt en circuleert het bloed en klopt het rusteloze hart. Daar bevrijden we ons van de beklemmende lucht die vanuit het lichaam opstijgt en verfrissen we ons in de frisse, lichtvolle atmosfeer.
De wil vindt zijn fysieke basis in de ledematen. De wil moet in onze spieren stromen wanneer we willen bewegen. In het gebied van de ledematen heerst een enorme beweging en activiteit; armen strekken zich uit en benen worden uitgestrekt. En in het stofwisselingssysteem – dat nauw verbonden is met de activiteit van de ledematen – worden stoffen afgebroken en omgevormd; hier verkeren opbouw- en afbraakprocessen in een voortdurende wisselwerking. Door middel van beelden die deze en andere gedachten belichamen, moet het kind in staat worden gesteld om – hoe intuïtief ook – het mysterie van de mens als drieledig wezen te ervaren, geplaatst te midden van de krachten van de hoogte, de weidsheid en de diepte. Juist het slechts aanduidingen geven van de hoogste en uiteindelijke waarheden maakt het onderwijs pedagogisch effectief. Dergelijke waarheden mogen niet expliciet worden uitgesproken; ze moeten veeleer werken als vormende impulsen. Ze vormen en ordenen afzonderlijke uiterlijke feiten tot een levend beeld. Zo ontstaat door de woorden van de leerkracht een beeld van de mens voor het kind – een beeld dat innerlijk bezield, met een ziel vervuld en met geest doordrongen is door de opvatting over de menselijke natuur die in de ziel van de leerkracht zelf leeft. Het is dit onuitgesproken element dat op genezende en ontwikkelingsbevorderende wijze op het kind inwerkt en zelfs tot in zijn fysieke leven doorwerkt. En wij leerkrachten zijn Rudolf Steiner dankbaar dat hij ons in staat heeft gesteld om opnieuw krachtige gedachten over de aard van de mens te vormen en deze vormend in ons onderwijs toe te passen.

Deel 2

Het lijkt een vanzelfsprekendheid te eisen dat het onderwijs over de mens het kind een beeld geeft van de levende mens. En toch leidt het materiaal dat anatomie en fysiologie de leerkracht bieden, niet werkelijk tot die levende mens. Bij de anatomische en fysiologische beschrijving van spieren is het bijvoorbeeld geenszins vanzelfsprekend waarom een ​​mens kan bewegen, hoe het samentrekken en strekken van spieren tot stand komt, of hoe deze activiteit zich verhoudt tot de materiële substantie ervan – dat wil zeggen: waarom een ​​specifiek type eiwitverbinding juist deze activiteit mogelijk zou maken. Hier moet de leerkracht de anatoom erop wijzen dat, hoewel deze een gevarieerde – ja, enorme – rijkdom aan details, afzonderlijke elementen en bouwstenen voor het onderwijs levert, de leerkracht ook behoefte heeft aan het bouwplan: datgene wat deze details samenvoegt tot de levende, bezielde menselijke gestalte. Bij deze zoektocht kan de leerkracht geholpen worden door – via grondige zelfwaarneming en de studie van de geesteswetenschappen, naast de bevindingen van anatomie en fysiologie – een levendig beeld te ontwikkelen van een onzichtbaar functioneel organisme dat ten grondslag ligt aan het gehele uiterlijk zichtbare organisme. Binnen dit functionele organisme bestaan ​​alle organen en delen van het zichtbare lichaam als ‘functies’. Men zou in gedachten alle uiterlijke materialiteit kunnen weghalen en een lichaam overhouden – een organisme – dat is opgebouwd uit velerlei krachten die op elkaar inwerken en met elkaar verweven zijn, corresponderend met de organen van het zichtbare lichaam. De zichtbare organen vormen de basis voor de functionele organen.

Men kan ook ervaren hoe deze orgaanfuncties – werkzaam op de beschreven wijze – de door het bloed (via spijsverteringsprocessen) aangevoerde stoffen in hun werkingssfeer opnemen, deze omvormen en er de voor hen kenmerkende orgaanvorm en materiële aard aan verlenen. Tijdens de eigenlijke les zouden afbeeldingen, schema’s, diagrammen en modellen de leerkracht echter slechts belemmeren in zijn streven om het kind een dergelijke ervaring te laten opdoen. In plaats daarvan zal de leerkracht het kind begeleiden om deze functies in zichzelf te voelen en op te sporen. Een – wellicht imperfecte – schets van een orgaan of lichaamsdeel, door de leerkracht op het juiste moment organisch uit de levendige les voortkomend, zal beter voorzien in het noodzakelijke visuele houvast.
Een beschouwende blik op de processen van stofopname en -afscheiding kan de voorname rol van het ‘functionele lichaam’ ten opzichte van de zichtbare organen direct duidelijk maken.
De assimilatie van stoffen – de opbouw van het lichaam – begint bij de spijsvertering. Stoffen uit de buitenwereld die de mens als voedsel tot zich neemt, worden tijdens het spijsverteringsproces geleidelijk zo voorbereid dat ze kunnen worden opgenomen in de eigen ordeningsprincipes van het lichaam. Deze voorbereiding houdt in dat ze worden ontdaan van elke specifieke vorm en eigen wetmatigheid, totdat ze – als voedselbrij in de darm – voldoende zijn aangepast aan de menselijke fysiologische principes om door de darmwand heen in het inwendige van het lichaam te kunnen treden. Vervolgens worden ze aan het bloed afgegeven als een nog ongedifferentieerde, homogene substantie. Hier treden ze volledig binnen in de sfeer van de menselijke ziel- en geestesnatuur en nemen ze de ordeningsprincipes daarvan over. Vanuit het bloed worden deze bouwstoffen – die nu ‘menselijk’ zijn geworden – over alle lichaamsdelen verspreid; afhankelijk van de vraag of een stof het spiergebied bereikt, wordt deze omgevormd tot spierweefsel, of – in het gebied van de nierfunctie – tot nierweefsel. De functies die aan de organen ten grondslag liggen, onttrekken de benodigde stoffen aan het bloed en vormen deze om – zowel wat betreft hun uiterlijke vorm als hun inwendige materiële samenstelling – in overeenstemming met de wetmatigheden en krachten die daarin werkzaam zijn. De mens voltrekt aldus een transsubstantiatie van de stoffen uit de uiterlijke natuur – een proces dat magisch is in de ware zin van het woord.

Elke beweging en elke activiteit van het menselijk bewustzijn brengt een afbraakproces in het organisme teweeg, dat zichtbaar wordt in de uitscheidingsprocessen. Stoffen die als voedsel zijn opgenomen – nadat ze enige tijd deel hebben uitgemaakt van het menselijk leven – worden weer afgegeven aan de uiterlijke natuur waaruit ze afkomstig waren. Zo stroomt er een voortdurende stroom van aardse materie door de mens heen: stoffen treden zijn sfeer binnen, worden door hem omgevormd, dienen enige tijd als grondslag voor de ontplooiing van het ziels- en geestesleven, verlaten hem en keren terug naar de natuur – maar nu wel gemerkt en getekend door het stempel van die mens.
Een opmerkelijke periodiciteit beheerst deze opbouw en afbraak van het menselijk lichaam: de gehele materiële substantie van de mens wordt in een cyclus van zeven jaar vernieuwd, en aan het begin van elke dergelijke periode van zeven jaar – gerekend vanaf de geboorte – vindt een belangrijk ontwikkelingsmoment plaats dat zich fysiek manifesteert. Het einde van de eerste zevenjaarsperiode brengt de tandenwisseling met zich mee; het einde van de tweede de geslachtsrijpheid; en bij de derde wordt de mens “volwassen”. Latere perioden worden wellicht niet gekenmerkt door zulke opvallende fysieke veranderingen, maar ze worden wel zichtbaar in de ontwikkeling van de ziel. Dit hele verloop van het menselijk leven voltrekt zich zodanig dat het lichaam met elke periode steeds meer verhardt, minder vitaal en brozer wordt, terwijl het ziels- en geesteswezen steeds groter, ervarener, sterker en wijzer wordt – totdat uiteindelijk het moment aanbreekt waarop het lichaam, oud en ongeschikt voor zijn doel geworden, zijn taak als medium voor de aardse ervaringen van de geest heeft vervuld. Het valt dan af en bevrijdt de geest, die zijn aardse ervaringen en de vruchten van zijn leven meeneemt naar een geestelijk bestaan, om ze daar verder te verwerken en geheel nieuwe ervaringen op te doen: dit is wat wij de menselijke dood noemen.

De ware bouwer en architect van het lichaam is het bloed; het neemt stoffen op, verleent ze een specifiek menselijk karakter en geeft ze vervolgens af aan de verschillende organen. In het bloed worden deze stoffen volledig onttrokken aan de wetten van het aardse rijk en komen ze onder de omvormende invloed van de menselijke geest te staan. Ze zijn zelf geest geworden. Ze zijn nu zo ‘fijn’ en ‘elastisch’ dat ze reageren op de geringste roering van de ziel: vreugde doet het hart sneller kloppen, en het is alsof het bloed zelf lichtgevender, lichter en vrijer wordt. Angst en schok doen het bloed haperen en drijven het terug naar binnen. De taal wijst op dergelijke verbanden wanneer ze spreekt van een ‘hartelijk’ mens – iemand met ‘het hart op de juiste plaats’ –, wanneer ze een ‘brandend hart’ koestert, of wanneer rode woede uit het bloed opflakkert en hartstochten erin branden, enzovoort. Het is daarom nauwelijks verrassend dat het lichaam – dat wordt opgebouwd, afgescheiden en ‘uitgezweten’ door het bloed (waarin de geest huist en dat dient als een uiterst fijngevoelig instrument voor de ziel) – een beeld wordt van deze geestelijke mens en diens trekken draagt.

Net zoals de leraar aan het kind de “bloedmens” beschrijft – met zijn centrum, zijn hart en zijn ritme en in zijn anatomische structuur –, zo zal hij hem ook de “spierenmens” tonen. Het kind zal hem, net als de “bloedmens”, in zijn eigen wezen waarnemen en – bij het uitproberen van zijn bewegingsmogelijkheden – ervaren als een gewillig instrument van zijn wil. De spierenmens reageert echter niet meer zo “fijn en gevoelig” op elke roersel van de ziel als het bloed, maar slechts op de krachtige wil. Maar net als de “bloedmens” is ook hij onttrokken aan de wetten van de aarde. Hij biedt weerstand aan de zwaarte van de aarde en richt het lichaam op; hij tilt het zelfs in een sprong van de grond, beweegt het over de aarde en maakt het geschikt voor actief, tastbaar aards werk. Aan de hand van een gedetailleerde beschrijving van de “botmens” kan het kind vervolgens waarnemen hoe het bewuste geestesleven niet langer binnen de botten werkzaam is. De “botmens” vormt slechts een steun voor de andere orgaansystemen en wordt bewogen door de “spierenmens”. Hijzelf, de botmens, is dood. De “fijne”, levende substantie – die nog in het bloed aanwezig is – is eruit weggegleden, als het ware via de inwendige organen, de spieren en de zenuwen, naar het krachtenveld van de zware, minerale aarde. Maar hoe wonderbaarlijk mooi en welgevormd, hoe harmonieus van structuur en opbouw is hij – gevormd door precies datzelfde hoge principe dat de mens tot een rechtopstaand, vrij wezen heeft gemaakt.

Het is deze kracht die bijvoorbeeld de voorste ledematen aan de zwaartekracht van de aarde heeft ontrukt en ze heeft gevormd tot handen – wonderbaarlijk melodieus en prachtig gearticuleerd. Hierdoor zijn ze vrij en behendig geworden voor taken die verder reiken dan het bevredigen van louter dierlijke behoeften, en kunnen ze de medemens dienen door het scheppen van werken van arbeid, kunst en techniek. Puur anatomisch beschouwd – bijvoorbeeld in tegenstelling tot de voeten – zijn de handen, zoals Rudolf Steiner het uitdrukt, een getuigenis van menselijke waardigheid en vrijheid. En wie zijn handen werkelijk zou waarnemen en begrijpen, zou het gevoel ontwikkelen dat hij niet slechts voor zichzelf bestaat, maar ook voor de aarde en voor zijn medemensen. Ten slotte is de “zenuwmens” de reden dat we heldere kennis kunnen hebben van de wereld om ons heen en van ons eigen lichaam. In hem zijn de levensprocessen vrijwel volledig tot stilstand gekomen. Toch blijft hij in belangrijke mate onttrokken aan de zwaartekracht van de aarde, omdat hij zweeft: de hersenen zweven in hersenvocht, het ruggenmerg in ruggenmergvocht en de zenuwen in zenuwvocht. Dit vocht verlost hem – dit wezen dat bijna dood is – van het grootste deel van de aardse zwaartekracht, waardoor hij een instrument kan worden voor bewust denken en voorstellingsvermogen. Met zijn bleke draden reikt hij het lichaam in, weeft er een fijn netwerk overheen en strekt zich uit tot in de zintuigen, waarbij hij overal “kennis” overbrengt. Stilte en bleekheid heersen in zijn rijk; het bruisende, bloedrijke leven is in hem verstomd. Toch is hij de reden dat we niet als dromers bestaan, maar als volledig wakkere wezens die helder door de wereld gaan.

Met dergelijke gedachten en gevoelens in de ziel kan een leerkracht de stof van anatomische feiten vormgeven en deze aan het kind presenteren als een studie van de mens – een mensbeeld. En deze les heeft haar doel bereikt wanneer, naast de feitenkennis die moet worden overgedragen, in de ziel van het kind een gevoel van eerbiedig intuïtief besef ontwaakt – iets dat zich in woorden als deze zou kunnen uitdrukken: “Je hebt nu iets over je lichaam geleerd. Het kan worden waargenomen en beschreven als een deel van de natuur. Toch leeft en beweegt zich daarbinnen een geheimzinnig beeld – een beeld dat voor mijn blik verborgen en versluierd blijft door dit lichaam van mij. Maar ik voel en besef intuïtief hoe de ware vorm van dat beeld door deze sluier heen straalt en er zijn afdruk op achterlaat.” Maar wie is het die achter deze sluier schuilgaat? Wat is de mens? Wie ben ik?
.
7e klas: alle artikelen

Drieledige mens: zie de hier genoemde artikelen

Algemene menskunde: o.a. in 10e voordracht: drieledige mens

Vrijeschool in beeld: 7e klas

.

3588-3381

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas Nederlandse taal (3)

.

Hoewel er in het leerplan dat n.a.v. Steiners aanwijzingen is opgeschreven, en ook bv. in wat Caroline von Heydebrandt erover opmerkt, heeft het schrijven van zakenbrieven nooit zoveel aandacht gekregen.
Ik moet eerlijk bekennen dat ik het in mijn 6e klassen nooit heb gedaan. Waarom weet ik eigenlijk niet goed. Misschien omdat het in het verlengde van de behandeling van de aanvoegende wijs wordt behandeld. En die gebruiken wij in het Nederlands nauwelijks meer! Het was in de meeste scholen geen item.

Ook in een blad als Erziehungskunst vind je er maar weinig over.

Een heel klein artikel in de 14e jaargang (1950):

.
Grete Ruhtenberg, Erziehungskunst jrg. 14 nr 6, 1950

.

Zakenbrieven in de zesde klas

.

Toen ik met mijn klas van twaalfjarigen (zesde klas) tijdens de lessen Duits [ voor ons dus Nederlands] aan de slag ging met het schrijven van zakelijke brieven, was ik enorm verrast door het enthousiasme waarmee de kinderen de opdracht oppakten. Pas toen besefte ik waarom Rudolf Steiner er zoveel waarde aan hecht om deze vaardigheid juist op twaalfjarige leeftijd te oefenen.* De kinderen kozen een scenario dat voor hen, als echte kinderen van deze tijd, heel relevant aanvoelde: het bestellen van een auto uit Amerika. Vervolgens werkten we zorgvuldig het onderscheid uit tussen persoonlijke en zakelijke brieven.

Waar de schrijver van een persoonlijke brief ervan mag uitgaan dat de ontvanger geïnteresseerd is in zijn persoonlijke omstandigheden en meningen, richt een zakelijke brief zich uitsluitend op wat de ontvanger moet weten over de kwestie op zich; de ​​gevoelens van de schrijver doen er niet toe.

Het was duidelijk te zien hoeveel plezier de kinderen beleefden aan het – zo bondig mogelijk – formuleren van hun verzoeken, zodat de tijd van de ontvanger niet verspild zou worden, maar wel helder genoeg om vervolgvragen overbodig te maken.
Ze waren diep onder de indruk van het besef van verplichting en verbondenheid dat in een gegeven woord besloten ligt – bijvoorbeeld het inzicht dat het plaatsen van een bestelling de verplichting inhoudt om de goederen te accepteren en te betalen.
Het verwerken van begrippen als rente en korting – onderwerpen die in de rekenlessen van dit schooljaar aan bod kwamen – gaf deze kleine zakelijke brieven nog meer realiteitswaarde.
Tijdens de lessen werd duidelijk hoe het schrijven van zakelijke brieven op deze leeftijd tegemoetkomt aan het streven van leerlingen om hun plek in de sociale wereld te vinden, en hoe ze plezier beleven aan een zakelijke, objectieve vorm van menselijke samenwerking.
Ook hier kon men opnieuw bewondering hebben voor het diepgaande inzicht in de behoeften van de menselijke ziel dat aan het vrijeschoolcurriculum ten grondslag ligt.

Nun lasse man die Briefe übergehen in leichte, anschauliche Ge­schäftsaufsätze, worin wirklich solche Dinge behandelt werden, die das Kind von anderswoher schon kennengelernt hat. Man kann ja im drit­ten Schuljahr das, was man über Wiese, Wald und so weiter sagt, schon ausdehnen auf geschäftliche Beziehungen, so daß später Stoff da ist für das Ableisten einfacher Geschäftsaufsätze.

*En nu laat men de brieven overgaan in eenvoudige, concrete, zakelijke brieven, waarin werkelijk dingen behandeld worden die het kind ergens anders al heeft leren kennen. Men kan immers in de derde klas datgene wat men vertelt over weide en bos en dergelijke heel goed uitbreiden tot zakelijke gegevens, zodat er later stof is voor het vervaardigen van eenvoudige zakenbrieven.
GA 295/158-159
Vertaald/147

Dr. Steiner: Unglaublich unorthographisch schreiben die Kinder in der 6. Klasse. Wenn sie glücklich mit zwei k schreiben, sind sie über­glücklich; Es ist viel wichtiger, daß sie Geschäftsbriefe schreiben und Buchstabenrechnung lernen, als daß sie glücklich mit zwei k schrei­ben.

Dr. Steiner: In de 6e klas schrijven de kinderen ongelofelijk veel taalfouten. Wanneer ze gelukkig met drie k’s schrijven, zijn ze wel erg gelukkig. Het is veel belangrijker dat ze zakenbrieven schrijven en algebra leren dan dat ze gelukkig met drie k’s schrijven.
GA 300a/129
Op deze blog vertaald/129

In de 7e klas wordt dit verder geoefend.

Klas 6: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 6e klas alle beelden

.

3587-3380

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 5e klas geschiedenis (8-2)

.

Ernst Bentz, Erziehungskunst jrg. jrg. 26 nr.1 1962
.

Tijdlijn of opeenvolging van generaties?

.

Over de introductie van het tijdsbegrip in de geschiedenislessen voor de vijfde klas

Een kind in de vroege schooljaren beschikt nog niet over een historisch tijdsbesef. Het komt in aanraking met ‘tijd’ via het ‘Er was eens’ uit sprookjes, het ‘In het begin schiep God’ uit de Bijbel, het ‘Het was de oertijd’ uit de Edda of het ‘Lang geleden’ uit mythen en sagen.
Voor het kind is dit verleden geen tastbare, meetbare tijdsduur die aan het heden voorafgaat; het is veeleer een mythische oertijd – een tijd die buiten de gewone tijd staat – en die kwalitatief totaal anders is: eerder een rijk van de geest dan een aards verleden, en daarmee een herinnering aan de oorspronkelijke thuishaven van zowel het individu als de mensheid.
Het kind is er niet op uit om precies te doorgronden wat er is gebeurd of hoe de zaken in elkaar zaten, in de zin van Ranke’s adagium. [“de geschiedenis weergeven zoals zij werkelijk heeft plaatsgevonden”] Men zou ook kunnen zeggen: voor het kind is alles het heden.

Met het pedagogisch belangrijke ‘keerpunt naar de echte wereld’ [Duits: Realwendung, een term uit de moderne psychologie] staat de leerkracht van klas 4 voor de taak om het kind kennis te laten maken met een meer aards tijdsbesef, aangezien het zich nu richt op het oriënteren in de wereld.
De heemkunde laat het kennismaken met de biologische tijd van groei (bijvoorbeeld bij de behandeling van de boerderij) en de ‘menselijke’ tijd van bouwen (handwerk). Dit vak sluit nauw aan bij de omgeving.
In klas 5 beginnen de geschiedenislessen met  de vroegste stadia van de menselijke geschiedenis. De leerkracht moet niet alleen de tijdsafstand van de vertelde gebeurtenissen tastbaar maken door de manier waarop ze worden gepresenteerd, maar ook bij het kind een eerste besef van ‘historische’ tijd wekken.

De volgende uiteenzetting beoogt enkele gedachten bij te dragen aan deze pedagogische opgave. Door uit te gaan van de suggesties in een veelgebruikt geschiedenisleerboek – en deze te vergelijken met de wijze waarop in vrijescholen met het tijdsbegrip wordt omgegaan – is het niet de bedoeling kritiek te leveren op een andere onderwijsmethode; deze vergelijking maakt het juist mogelijk de kwestie helderder te doorgronden en de intenties van het vrijeschoolonderwijs scherper te verwoorden. Ook dient vooraf te worden opgemerkt dat de nadruk hier niet ligt op het wetenschappelijke vraagstuk van de datering van geologische en prehistorische tijdperken, noch op de methodologische vraag naar het gebruik van visuele hulpmiddelen in het onderwijs in het algemeen; onze beschouwingen beperken zich tot de introductie van het historische tijdsbegrip op deze specifieke leeftijd.

Een leermiddel dat in het reguliere onderwijs (en daarbuiten) veelvuldig wordt gebruikt om leerlingen vertrouwd te maken met het tellen in jaren, is de tijdlijn. Deze is populair omdat leerlingen hiermee de verhoudingen tussen verschillende tijdsduren gemakkelijk kunnen waarnemen en zich eigen kunnen maken. Dergelijke tijdlijnen worden ofwel door uitgeverijen van leermiddelen aangeleverd, ofwel door de leerlingen zelf vervaardigd onder begeleiding van de leerkracht. De leerkracht vertrekt vanuit tijdsbegrippen die het kind al kent – ​​zoals de eigen leeftijd, die van de ouders, enzovoort – en vertaalt deze tijdsperioden naar een op schaal getekende lijn. Om te illustreren hoe een tijdlijn wordt gemaakt en gebruikt, citeren we uit een geschiedenisleerboek voor de vijfde klas van Ebeling, dat enkele jaren geleden [artikel is uit 1962] is verschenen.
“Neem een ​​houten lat of smalle stroken karton met een totale lengte van 2 meter en teken er een ‘tijdlijn’ op. Laat elk jaar overeenkomen met één centimeter. Zet het jaar 2000 aan het einde, gevolgd door 1999, 1998, enzovoort… terug tot 1800. Plaats een klein kartonnen figuurtje bij je geboortejaar; dit stelt jou voor. Geef op dezelfde manier de geboortejaren van je ouders… grootouders en overgrootouders aan, en werk zo terug naar het begin van de strook.
Op deze manier kun je zien hoe de ene ‘familielijn’ of ‘generatie’ op de andere volgt, als schakels van een ketting.”
Na deze inleiding volgen verhalen over de steentijd; om de chronologie in kaart te brengen, maken we een nieuwe tijdlijn: “We nemen… twintig stroken stevig wit karton, elk 1 meter lang en ongeveer 30 cm breed. Op elke strook tekenen we opnieuw een ‘tijdliniaal’… Onder de basislijn laten we ruimte vrij voor de generaties mensen die we hier uitbeelden (plak er een papieren uitknipsel van een echtpaar op – vader en moeder!). We beginnen bij het heden; elke generatie beslaat ongeveer 25 jaar… Deze opdracht kan als groepsproject worden uitgevoerd door nette en handige kinderen: tweetallen tekenen op het karton, terwijl een andere groep de papieren figuren maakt… We bevestigen deze kartonnen stroken in een doorlopende rij aan de muren van het klaslokaal (bij voorkeur boven het schoolbord). Dat levert twintig strekkende meter op… We ‘nummeren’ onze tijdlijn dienovereenkomstig: beginnend bij het toekomstige jaar 2000 – 1950, 1900, 1850, 1800, enzovoort, terug tot het jaar 1… Daar hebben we ons laatste echtpaar geplakt. We kunnen hier ook een heel bekend figuur plaatsen. Je kent hem wel van de godsdienstles! Voeg een passende afbeelding toe! Maar houdt het verleden hier op? Jezus had ook ouders – je kent ze wel: Maria en Jozef. Weer een echtpaar – maar waar moeten zij komen? En Jezus’ grootmoeder, Anna?… We maken nog een paar kartonnen stroken met de tijdliniaal klaar…”

Maar waar passen de ijstijd, de steentijd en de prehistorische mens eigenlijk in het geheel? Waar kunnen we ze op onze tijdlijn plaatsen? Hier zijn de jaartallen: Paleolithicum (oude steentijd) 600.000–10.000 v.Chr…. We beseffen: de menselijke geschiedenis is zo omvangrijk dat we de volle omvang ervan nauwelijks kunnen bevatten, en we kunnen haar ook niet eeuw voor eeuw op onze tijdlijn in de klas weergeven. We moeten een nieuwe ‘schaal’ kiezen. Aan de hand van kaarten in onze atlas frissen we op wat een ‘schaal’ precies is. We besluiten het zo in te delen dat 10.000 jaar menselijke geschiedenis wordt weergegeven door één meter… De jongens halen hun vliegertouw erbij. We meten het uit: 60 meter voor de 600.000 jaar vóór de geboorte van Christus – plus een klein stukje extra voor de tijd tot aan het heden (hoeveel precies?). Vervolgens spannen we het touw uit op het schoolplein en zetten we kinderen met een bordje op specifieke punten neer: het begin van het paleolithicum… Op deze manier wordt onze tijdlijn de ‘snelweg van de geschiedenis’, die we gebruiken voor onze reis naar het verleden. Langs deze snelweg zullen we specifieke punten, data en jaartallen uit ons hoofd leren. Het zijn de mijlpalen op de snelweg van de geschiedenis.

Om het onderliggende principe te illustreren, kan een wetenschappelijk werk worden aangehaald:
“De lezer dient te trachten deze chronologische vraagstukken met de nodige ernst te benaderen, niet in de laatste plaats om een ​​algemeen beeld te krijgen van de ouderdom van het menselijk ras.
Het — helaas nog steeds wijdverbreide — idee dat de mens de kroon op de schepping is, die volgens de Oudtestamentische traditie zo’n 6000 jaar geleden ontstond, zou plaats moeten maken voor een beter inzicht…
Aangezien de mensheid al ongeveer een miljoen jaar bestaat, kan het geen kwaad
te beseffen dat de ‘mens’ niet altijd ‘de maat van alle dingen’ is.” 

En in het hoofdstuk “De plaats van de mens in het geheel der dingen”:
Deze bevindingen, die qua datering met elkaar overeenstemmen, wijzen erop dat er zich ongeveer vier tot vijf miljard jaar geleden een gebeurtenis heeft voorgedaan – een gebeurtenis die leidde tot de vorming van materie uit de bouwstenen van atomen. Dit markeert het ruimtelijke en temporele begin van het universum, de ware en unieke daad van schepping. Vergeleken met de vier miljard jaar die sindsdien zijn verstreken – de berekende ouderdom van de wereld – lijkt de geschiedenis van de mensheid, die een half miljoen tot een miljoen jaar beslaat, uiterst bescheiden. Deze tijdsspannen zijn zo enorm dat ze slechts te bevatten zijn door ze te vertalen naar een gecomprimeerde schaal. Als men ze plaatst binnen de scheppingsweek van zes dagen (of 144 uur), wordt duidelijk dat de mens niet louter het product is van de zesde dag; integendeel, de gehele periode van geologische formaties – teruggaand tot het begin van het Cambrium – zou binnen die ene dag vallen. Toch verschijnt de mens – als primitief wezen gewapend met een steen – pas op zijn vroegst twee minuten voor middernacht op de laatste scheppingsdag ten tonele; en de volledige zogeheten ‘wereldgeschiedenis’, die zo’n vier millennia omspant, zou op deze schaal neerkomen op slechts een halve seconde. Niets kan duidelijker illustreren welke ondergeschikte rol het individu – of zelfs de mensheid als geheel – speelt in het grote geheel van kosmische gebeurtenissen.” 

Rudolf Steiner gaf de leerkrachten van de eerste Waldorfschool de volgende korte suggestie voor het introduceren van het concept tijd: “Wanneer ik verhalen vertel over Karel de Grote, moet ik de tijdsafstand tastbaar maken; ik moet dat doen door te zeggen: ‘Stel je voor dat je nu een klein jongetje bent en je de hand van je vader pakt.’ Dat geeft hem iets concreets om zich voor te stellen. Dan maak ik hem duidelijk hoeveel ouder de vader is – en dan: de grootvader pakt de hand van zijn vader, en die pakt op zijn beurt de hand van zijn grootvader, enzovoort”
GA 302/53
Menskunde en opvoeding/53

Hoe verschillen de twee methoden, met name in hun effect op een tienjarig kind?

De tijdlijn vervangt tijd door iets ruimtelijks – sterker nog, lineairs – dat kan worden weergegeven en gemeten als een lengte (een ‘tijdliniaal’!). Dit maakt het ongrijpbare tastbaar voor de zintuigen – zichtbaar en tastbaar in de letterlijke zin. Maar wat gebeurt er door deze vertaling van tijd naar ruimte – of, in principe, zelfs naar een tweedimensionale vorm? (We laten hier de kwestie van het verkleinen even buiten beschouwing – een proces dat, zoals Grabmann opmerkt, alleen zinvol is wanneer het wordt toegepast op tijdsgrootheden, hoewel seconden helaas niet visueel waarneembaar zijn.) Tijd wordt geëxternaliseerd. Daarbij wordt de specifieke kwaliteit ervan volledig ontdaan! De implicaties hiervan kunnen worden geïllustreerd met een paar eenvoudige voorbeelden: stel je een tijdlijn voor die een jaar voorstelt – bijvoorbeeld 365 cm lang (het is al vervelend dat een jaar geen 400 of, beter nog, 100 dagen telt – wat betekent dat je niet met ronde decimalen kunt rekenen; denk bijvoorbeeld aan het beginpunt van het jaar 2000 op Ebelings tijdlijn! Je zou ook kunnen denken aan de cirkel van 400 graden of de voorgestelde kalenderhervorming). De seizoenen, maanfasen, enzovoort, worden slechts “over elkaar heen gelegd” – ze vormen niet het jaar zelf, maar zijn secundaire kenmerken.

Het ritmische element, als de essentie van kosmische en biologische tijd, laat zich niet vatten.

Want welke zin heeft een tijdlijn waarop de biografie van een mens wordt uitgezet? De centimeters of decimeters die de jaren vertegenwoordigen, zouden door het lot worden ‘ingevuld’. Ook hier is de kwaliteit van ondergeschikt belang. Het wordt duidelijk dat onze natuurkundige tijdsopvatting aan deze tijdlijn ten grondslag ligt. Maar daarmee wordt het kind – al bij de eerste kennismaking met geschiedenis – iets wezenlijks ontnomen: deze beperking verhindert de ontwikkeling van een gevoel voor levende tijd, voor een beleving van het kwalitatieve.
Een tweede, nauw daarmee samenhangend aspect is de achteloze overname van onze telwijze, waarbij jaar na jaar wordt opgeteld – net zoals de Joden en Romeinen dat aanvankelijk deden (de Egyptenaren telden aan de hand van koningen en hun Nijlreizen of dynastieën, de Grieken aan de hand van Olympiades). Deze oriëntatie vereist een hoge mate van intellect en abstract denkvermogen; immers, slechts weinig leerlingen en leerkrachten zien het begin van onze tijdrekening – de geboorte van Jezus – als het ‘keerpunt’, het begin van iets nieuws. Bij de Romeinen en Joden lag dat anders: voor hen vormden de stichting van de stad of de schepping van de wereld werkelijk een oerbegin dat nauw met hun bestaan ​​verbonden was. Tegenwoordig ervaart vrijwel niemand zichzelf als iemand die leeft in het 1962e jaar na de geboorte van Jezus .
(Het is verhelderend om te zien hoe Ebeling het jaar 1 behandelt – en de geboorte van Jezus gebruikt om de nummering verder door te trekken.)
Ons systeem van jaartelling is een loutere conventie geworden! Het kind moet het gewoon accepteren; het wordt er niet van bewust gemaakt dat het een conventie is, noch kan de aanduiding “jaar 1” diepgaand aan hem worden uitgelegd, aangezien de onderliggende gebeurtenis een onderwerp is voor godsdienstonderwijs. Dit negeert echter het feit dat de kwestie niet primair religieus is – dat zou natuurlijk aan de eigen overtuigingen van de leerkracht worden overgelaten – maar historisch; want de geschiedenis van het Westen van de afgelopen twee millennia kan niet worden begrepen zonder de invloed van het christendom.

Een derde punt: Kinderen raken overweldigd wanneer hen wordt gevraagd tijdsconcepten te vormen, zoals de 600.000 jaar die Ebeling en andere auteurs van leerboeken berekenen. De hulp van een “geschaalde” weergave met behulp van een vliegerlijn maskeert het feit dat een dergelijke tijdsspanne conceptueel of imaginair niet door het kind kan worden begrepen; misschien nog belangrijker is dat ze er ook geen emotionele band mee kunnen opbouwen. Geologische en prehistorische getallen overstijgen zelfs het voorstellingsvermogen van een volwassene – en dat is precies de reden waarom Grabmann een schaalrepresentatie gebruikt. Het probleem wordt nog duidelijker wanneer Grabmanns tijdsgetallen worden omgezet naar de schaal van Ebeling (10.000 jaar = 1 meter). Waarom zou een leraar kinderen immers geen idee willen geven van de ouderdom van de aarde met behulp van dit gedachte-experiment?

Dit zou worden weergegeven door 400 km (!), de geschiedenis van de mensheid door 60 m, en de tijd sinds de geboorte van Christus door 19,61 cm.
Om de totale lengte echter voor het kind te kunnen bevatten, moet de schaal
verkleind worden; laten we aannemen dat 1 miljoen jaar overeenkomt met 1 m: zelfs dan zoueen vliegersnoer niet meer volstaan, want we zouden 4 km moeten lopen om de leeftijd van de aarde te overbruggen (menselijke evolutie: 60 cm; het postchristelijke tijdperk: 1,961 mm!). Welke lengtes komen dan overeen met een mensenleven of de tien jaar van het kind dat deze concepten moet internaliseren? Ze bedragen respectievelijk 0,07 en 0,01 van 4 miljoen millimeter – een verwaarloosbaar kleinigheid! De cijfers voor de Ebeling-schaal – die alleen de geschiedenis van de mensheid omvat – zijn respectievelijk 7 en
1, op een schaal van 60.000 millimeter.

Hoe beïnvloeden dergelijke vergelijkingen de ziel van het kind? Deze oefeningen met schalen en getallen werden heel bewust gedetailleerd beschreven. We willen de lezer immers uitnodigen zich te herinneren wat hij of zij deed tijdens het lezen van al deze getallen en overwegingen. Was het voor hen mogelijk – hebben ze het überhaupt geprobeerd – om de genoemde getallen en tijdsperioden te visualiseren? Hoewel je ermee kunt rekenen als wiskundige grootheden, blijven ze verstoken van werkelijke betekenis. Hoeveel te meer geldt dit voor het kind! En heeft de lezer zich werkelijk een levendig mentaal beeld gevormd van de genoemde lineaire metingen? Alleen zo kunnen we wellicht de vraag beantwoorden over de indruk die ze op de ziel van het kind maken; alleen dan kunnen we ons in de positie verplaatsen van het kind dat 60 meter vliegertouw afmeet op het schoolplein, waarna de juf wijst op de enkele millimeter die zijn of haar eigen leven vertegenwoordigt. (Inleidende lessen in de astronomie gebruiken vaak een vergelijkbare aanpak om astronomische grootheden en afstanden te illustreren met behulp van schaalmodellen.)
Een volwassene die dergelijke vertalingen van tijd naar ruimte tegenkomt, kan zich ervan bewust zijn dat hij of zij, door middel van zijn of haar intellectuele vermogen, iets – in dubbele zin onbegrijpelijk – tastbaar heeft gemaakt. Ze begrijpen ook de basis voor de wetenschappelijke postulaten die ermee gepaard gaan; voor hen kan deze ‘lege’ tijd ‘gevulde’ tijd worden door kennis van biologische, geologische en andere feiten. Natuurlijk kunnen we dit wetenschappelijke materiaal – of de daaruit getrokken conclusies over de duur – nog niet aan een tienjarige presenteren. (Merk op hoe de sporen van gebeurtenissen aan de wetenschapper worden gepresenteerd en hoe hij, door middel van zijn denken, de overeenkomstige tijdsconcepten construeert – door ze te vergelijken met de duur van hedendaagse afzettingen, enzovoort.) Het kind kan daarom de ‘realiteit’ van deze tijdsperioden niet bevatten – sterker nog, het kan de tijdsperioden zelf niet eens bevatten. Een weergave op schaal – voortgekomen uit de poging van de leraar om het abstracte concreet te maken – blijkt een intellectuele truc te zijn die de illusie van begrip wekt, waardoor de tienjarige juist op het verkeerde spoor wordt gezet, op het moment dat hij de realiteit probeert te doorgronden.

Nog zorgwekkender dan de daaruit voortvloeiende schijnkennis is echter iets anders dat dergelijke vergelijkingen in de ziel van het kind oproepen (we herinneren ons: 1 mm op het 60 meter lange touw!): het weergeven van een mensenleven in millimeters berooft het van zijn kwaliteit en waardigheid. Het gevoel slechts “enkele millimeters” op dat ellenlange touw te zijn, wekt geen besef van historische verantwoordelijkheid op; integendeel, het zaait de kiem van onverschilligheid of gelatenheid. Het abstraheren van een tijdsperiode tot een (minuscule) numerieke eenheid vernietigt het gevoel voor de uniciteit van een individu en een historisch tijdperk – voor het eigen karakter ervan. Er moet daarom met klem worden gesteld dat een dergelijke methode een demoraliserend effect heeft en daarmee indruist tegen de doelstellingen van geschiedenisonderwijs.
De vrijeschoolleerkracht zal de overgang van de mythische tijdsbeleving van het kind naar een meer aardse beleving niet abrupt laten verlopen: de beschrijving van de oosterse cultuurtijdperken na de ijstijd – van het “Oud-Indische” tot het Griekse tijdperk – leidt op natuurlijke wijze vanuit een mythische wereld naar de historische tastbaarheid en helderheid van de oudheid. Hij zal ons tijdsbegrip niet helemaal aan het begin introduceren, maar pas voorafgaand aan de behandeling van de Griekse geschiedenis – of op zijn vroegst bij de behandeling van Egypte.
Wat betekent het voor het kind wanneer de leerkracht deze eenvoudige suggestie van Rudolf Steiner oppakt en verder uitwerkt?

Het eerste wat opvalt, is dat niet het intellect van het kind, maar juist zijn verbeelding wordt aangesproken en tot actie wordt aangezet. Door het verhaal van de leerkracht ontstaat er een keten van generaties – die het kind zelf met het verleden verbindt – voor het kind; de tijd wordt niet zichtbaar of aanwezig in de buitenwereld, maar presenteert zich aan het innerlijke oog van het kind, waardoor het kind het verleden innerlijk in het heden moet oproepen. Deze benadering alleen al is toereikend voor de essentie van tijd, de essentie van geschiedenis en het epische karakter van geschiedenislessen – in tegenstelling tot de concepten ruimte of de lineaire tijdlijn. (Men zou dit kunnen vergelijken met Rudolf Steiners opmerkingen over het contrast tussen geografie en geschiedenis in de hier geciteerde voordracht.) Het kind roept levende mensen – mensen met een bestemming, dat wil zeggen, met een geschiedenis – voor zijn innerlijke oog; zij zijn en blijven levend, in schril contrast met de dode abstractie van kartonnen figuren. Het wordt voor het kind gemakkelijk om het verband te begrijpen tussen deze voorouders en de bredere geschiedenis, want zij hebben zelf geschiedenis gemaakt én ondergaan. Een ontluikend besef ontstaat: dat alleen mensen geschiedenis kunnen bezitten, en dat er zonder menselijkheid geen geschiedenis is.

Pas nadat deze opeenvolging van generaties geruime tijd in de verbeelding van het kind heeft geleefd – als een concept dat voortdurend kan veranderen – kan de leerkracht het vervolgens met de klas uitbeelden:

Het ene kind pakt het andere bij de hand; elk kind kan zich met zijn rol identificeren en opnieuw wordt de verbeeldingskracht aangesproken: de klasgenoot – een levend mens – verandert in een historische figuur. Vergelijk dit eens met de lesmethode van Ebeling, waarbij kinderen en hun voorouders direct worden weergegeven door papieren knipsels – figuren die al snel als ‘mijlpalen’ aan een touw hangen!
Wie zich in beide gevallen in de kinderen verplaatst, ziet direct het enorme verschil in beleving.
Een stap verder gaand zou de leerkracht kunnen zeggen: “Jij bent tien
jaar geleden geboren. Je vader is veertig jaar oud; dat betekent dat hij dertig jaar vóór jou is geboren,” enzovoort.
In deze context vullen drie of vier generaties niet simpelweg een reeds bestaande eeuw (op een tijdlijn); het is juist hun bestaan ​​dat de tijd zelf creëert.
Dit versterkt bij het kind het besef van de verbondenheid tussen mensheid en geschiedenis.

Pas nu stappen we over op het in onze westerse cultuur gebruikelijke jaartelsysteem: “Wij – en ook vooraanstaande persoonlijkheden – noemen het jaar waarin we nu leven 1962; we noemen het jaar waarin jij geboren bent 1952, enzovoort.” Het conventionele karakter hiervan – de mogelijkheid om het anders te doen – wordt ervaren; tegelijkertijd ervaart men het menselijk vermogen om op eigen initiatief iets vast te leggen, evenals het vermogen om zich daar binnen een gemeenschap aan te houden. Beide zijn fundamentele historische verschijnselen: de daad van vrije vastlegging op basis van inzicht, en de daad van het zich voegen naar de krachtige invloed van een gemeenschap en traditie. Het feit dat deze aanduiding van een “keerpunt in de tijd” verwijst naar een gebeurtenis van enorme historische betekenis, zal de sfeer in de klas doordringen – tenzij de leerkracht er de voorkeur aan geeft dieper in te gaan op de gevoelens van de mensen die dat keerpunt teweegbrachten.
De reeks generaties die op deze manier met een klas in beeld kan worden gebracht, reikt grofweg terug tot het begin van het Frankische Rijk; een verdubbeling van die tijdsspanne zou de periode van de Grieks-Romeinse geschiedenis omvatten. Wiskundig gezien zou de reeks natuurlijk helemaal kunnen worden teruggevoerd tot de “eerste mens” van 600.000 jaar geleden, wat zou neerkomen op 18.000 generaties (uitgaande van drie generaties per eeuw). Toch zou deze methode stuiten op dezelfde bezwaren die we tegen de tijdlijn hadden: 18.000 – dat zijn geen mensen meer, maar louter getallen! Als we het zich ontwikkelende tijdsbesef van het kind concreet willen houden, moeten we ons daarom beperken tot de laatste twee of drie millennia.

In het tiende levensjaar richt de jongere zich intensiever op de buitenwereld; dit veronderstelt een groeiend besef van afscheiding daarvan, aangezien in de voorgaande jaren de grens tussen het zelf en de buitenwereld nog niet werd onderkend. Het kind wordt zich steeds meer bewust van de eigen individualiteit en die van anderen in zijn omgeving; de eerste tekenen van bewust sociaal gedrag en een kritische blik op de gemeenschap dienen zich aan. De ervaring van de klasgemeenschap – het naast en met elkaar zijn – in combinatie met het besef van het eigen ‘ik’, transformeert het voorstellingsvermogen van generatiecontinuïteit tot een doorleefde ervaring van opeenvolging in de tijd. Het individu wordt daardoor niet uitgewist, noch gereduceerd tot een nauwelijks zichtbare, niet te onderscheiden eenheid binnen een totaal; veeleer ervaart het zichzelf en anderen als schakels in een tastbare, begrijpelijke keten van generaties – een keten die, net als de klasgemeenschap, alleen kan voortbestaan ​​door wederzijdse verantwoordelijkheid. Een dergelijke onderwijsaanpak dient dus niet slechts om kennis over te dragen, maar ook om het morele karakter te vormen.
De voorgaande uiteenzetting heeft slechts een klein deel van het onderwijs in één enkel vak belicht. Het doel was aan te tonen dat de brede doelstellingen van geschiedenisonderwijs – zoals vastgelegd in leerplannen en beleidsstukken – pas vrucht dragen wanneer de leerkracht ze tot leven brengt in elke handeling binnen de dagelijkse pedagogische praktijk. Uiteindelijk hangt dit af van het vermogen van de leerkracht om de juiste werkvormen te ontwikkelen, voortkomend uit inzicht in de menselijke natuur en de eigen artistieke vaardigheden.

.

Rudolf Steiner als didacticus: hoe maak je de tijd duidelijk

5e klas geschiedenis: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 5e klas geschiedenis

.

3586-3379

.

.

.

.