WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.
Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

.
VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 1750 artikelen

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
via de blog van Madelief Weideveld

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

 

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

 

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

Advertenties

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – wegwijzer (271)

.

In het geschreven werk van Rudolf Steiner, maar ook in zijn opgetekende voordrachten vind ik vaak uitspraken, die – enigszins los van hun verband – op zich een inhoud hebben waarover je lang kan nadenken. Een tijdlang zo’n zin regelmatig op je laten inwerken, kan tot gevolg hebben dat deze zin je in een bepaalde situatie plotseling invalt en dan een antwoord of een richting blijkt te geven voor waarmee je op dat ogenblik bezig bent.
Ze wijzen je een weg; misschien ‘de’ weg; en ze wijzen je weg van het alledaagse of geven je juist daarop een andere kijk.

‘wegwijzers’ dus

271
De leraar moet een mens zijn die innerlijk nooit een compromis sluit met onwaarheid.

Der Lehrer soll ein Mensch sein, der in seinem Inneren nie ein Kompromiß schließt mit dem Unwahren.
GA 294/193
Vertaald/205

.

Rudolf Steineralle wegwijzers

Rudolf Steineralle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL –– Het leerplan – Caroline von Heydebrand (4e klas)

.

Kort na het overlijden van Rudolf Steiner in maart 1925 verscheen voor de eerste keer een schriftelijke weergave van het leerplan van de vrijeschool.
Die werd samengesteld door Caroline von Heydebrand die vanaf het begin in 1919 aan de vrijeschool in Stuttgart was verbonden. Zij had ook de begincursus – GA 293294 en 295 – bijgewoond en de vele lerarenvergaderingen met Rudolf Steiner (GA 300abc). 
In de jaren 1919 – 1925 tekenden zich de contouren van een leerplan af dat nadien in grote lijnen hetzelfde is gebleven.
Dat betekent echter niet dat het ‘achterhaald’ zou zijn. In velerlei opzichten zijn de ideeën nog altijd even verfrissend en laten ruimte voor ontwikkeling.

Caroline von Heydebrand, Mitteilungsblatt, okt. 1925

.

HET SCHOOLKIND VAN HET NEGENDE JAAR tot het elfde jaar

Het negende jaar betekent een belangrijke ingrijpende gebeurtenis in de ontwikkeling van de wordende mens en moet in opvoeding en onderwijs zorgvuldig waargenomen worden en serieus genomen. Het is de leeftijd waarop het kind zijn losmaken van de omgeving waarmee het zo vanzelfsprekend samenleefde, nu echt voltrekt. Zijn Ik-bewustzijn wordt merkbaar groter, zijn zielsleven wordt innerlijker. Alle bewustzijnskrachten gaan zich roeren. Het kind wil de wereld en de opvoeder van een nieuwe kant leren kennen, het wil bewust vereren wat het voordien op een kinderlijke wijze liefhad, maar het wil ook merken dat zijn verering terecht is. Deze leeftijdsfase doet een groot beroep op de wijsheid en tact van de leerkracht. Hij moet het kind voor teleurstellingen behoeden die het in deze tijd, juist wat betreft de volwassen mens, makkelijk kan overkomen.

De vierde klas

[De vakken zijn door mij in alfabetische volgorde gezet]

Aardrijkskunde  zie heemkunde

Biologie

In het negende levensjaar van het kind mag de leerkracht ertoe overgaan van de fantasievol-morele behandeling van de natuurrijken, naar een manier van kijken waarbij het kind meer objectief waarnemend en erover denkend de natuurfenomenen benadert.
De eigenlijke biologie begint wanneer het kind door zijn eigen wezen deze grotere objectiviteit ontwikkeld heeft.
Op kunstzinnige manier en met eerbied wordt vooraf op een elementaire manier een menskunde aan het kind meegegeven, daarna de dierenwereld met zijn bijzondere relatie tot de mens.
Er worden dieren besproken en hun wezen wordt vergeleken met dat van de mens. Zo leren de kinderen de veelvuldigheid van de dierenwereld ervaren die in de mens tot een vaste ordening en harmonie verenigd is.

Euritmie

Zoals in de Nederlandse en niet-Nederlandse taal de grammatica ervan vanuit het bewustzijn begrepen gaat worden, zo wordt ook in de euritmie begonnen de grammaticale elementen van de taal in ruimtelijke vormen zichtbaar te maken. De vormen voor de werkwoorden en zelfstandige naamwoorden worden door het kind ruimtelijk weergegeven. Een naar voren gelopen rechte lijn wordt door een kind anders beleefd dan een lijn die naar achteren gaat; een cirkelboog naar voren anders dan naar achter enz. Door dergelijke vormen die de uitdrukking zijn voor het wezenklijke in een woord, begrijpt het kind het grammaticale van de taal niet alleen met het hoofd, maar met zijn hele gevoels- en wilsleven.
Groepsoefeningen voor het sociale worden intensiever gedaan en er komen nieuwe bij: bv. ‘planetendans’, spiraaloefeningen voor ‘vraag en antwoord’, ‘energie- en vredesdans’ enz. Omdat in het hoofdonderwijs de Siegfriedsage wordt behandeld, kan er met deze tekst aan alliteratie-oefeningen gewerkt worden.

Tooneuritmie

In de tooneuritmie wordt overgegaan tot het leren van de eenvoudige kruis- en moltoonsoorten en tot het uitbeelden van melodieën daarin. Ook hier wordt er rekening mee gehouden dat het kind in zijn negende, tiende jaar met een ander bewustzijn dan dat nog toe in de wereld staat. Kruis en mol beginnen hier pas een zekere inhoud voor het kind te krijgen. Daarom kan in de tooneuritmie de intervalbeweging voor de grote en kleine terts aan het kind worden geleerd. Het mineur-achtige van de muziek wordt echter euritmisch nog niet uitgewerkt, omdat het wezen van de tienjarige nog niet toe is aan het begrijpend meebeleven van het zo diep naar binnen gaan van het muzikale in de aardse mens.
Het weergeven van de intervallen en tonen is een buitengewoon werkzaam middel voor de gehoorsvorming. Nu kan ook begonnen worden om het kind muzikaal-instrumentale ritmen te laten horen en door het lopen dat daarbij hoort, de lange en korte passen te laten uitbeelden.

Gymnastiek

Aan de apparaten zoals in klas 3. Voornamelijk gaat het om: wandrek, touwen, ringen, paard, bok, en om te springen. 

[Er staat nog bij ‘Reigen’, waarvoor een vertaling ‘rei- rondedansen’ is]

Handwerken

De kinderen leren exact naaien en de verschillende steeksoorten, bv. aan een kleine handwerktas. Daarbij kan het kunstzinnig vormgeven verder worden ervaren door de tas op een zinvolle manier te borduren zodat ook bij het borduren van de tas gekeken wordt naar hoe die als vorm is gemaakt. Het opsieren van een voorwerp moet zo worden gedaan dat het kind de zin ervan tot uitdrukkung kan brengen.

Heemkunde

De omgeving denkend benaderen wordt toegepast op de geschiedenis en aardrijkskunde van de omgeving van het kind. Wat er in het thuisgebied van het kind aanwezig is, wordt in zijn ontstaan geschiedkundig bekeken. Je vertelt bv. hoe fruitteelt en wijnbereiding in de omgeving kwamen, hoe de verschillende industrieën in de omgeving zijn ontstaan enz.

Muziek

Van het tiende tot het twaalfde jaar laat je het kind de grote en kleine terts beleven. Gebruikte je in de eerste schooljaren de muziek om het kind te leren luisteren en zingen, dan werk je nu zo dat het kind zich kan aanpassen aan wat de muzikale kunst vraagt.
Eenvoudige theoretische begrippen laat je aan ritmische, melodieuze, harmonische oefeningen ontstaan. Luisterend leert het kennen wat muzikaal waardevol is.

De 4e klas in het bijzonder:

Het lezen van noten wordt voortgezet. Er wordt tweestemmig gezongen; ook canons.

Niet-Nederlandse talen

Engels en Frans

In overeenstemming met de bewustzijnsfase van het kind wordt begonnen met de grammatica van de niet-Nederlandse talen en wordt tegelijkertijd de overgang sterker van de in de eerste drie jaren bijna uitsluitend gebruikte poëzie en prosa. Grammatica wordt alleen maar ontwikkeld en geoefend aan proza en wel inductief aan vrij gevonden voorbeelden. Maar niet de voorbeelden, doch de regels moeten uit het hoofd worden geleerd. Uit het taalkundig ontleden wordt met de werkwoorden begonnen.
Er wordt begonnen met het schrijven in de niet-Nederlandse taal en met een vorm van vertalen waarbij het niet gaat om het letterlijke vertalen, maar om wat er bedoeld wordt.

Rekenen

In het rekenen wordt de overgang gezocht naar het rekenen met breuken en tiendelige breuken

Schilderen en tekenen

Bootsten de kinderen in de eerste jaren meer na wat de leerkracht hun aangaf of voordeed, vanaf nu werken ze meer vanuit de kracht van hun eigen scheppende fantasie. 
Door het werken met de vloeiende kleuren is de kleurzin van de kinderen nu zover ontwikkeld, dat ze zelfstandiger de kleur ook als uitdrukkingsmiddel kunnen gebruiken voor wat ze in het onderwijs beleefd hebben.
Bij tekenen en boetseren hebben de kinderen geleerd naar de reine vorm te kijken en bezig zijnd te ervaren, hun gevoel voor ronde, scherpe, halfronde, ovale en rechte vormen enz. is gewekt; nu kan je ze verder brengen en deze vormen aan uiterlijke voorwerpen laten vinden, bv. bij de hoeken van een stoel. Ze mogen nu ook uiterlijke vormen natekenen omdat ze de vormen innerlijk al in eigen werkzaamheid ervaren hebben.

Taal

Alles wat het kind tot nog toe geleerd heeft aan schriftelijk navertellen en beschrijven, wordt nu toegepast op het maken van brieven van allerlei aard, ook kleine zakenbrieven. 
Zorgvuldig maak je een duidelijke voorstelling van de tijden, van alles wat door het veranderen van het werkwoord tot uitdrukking komt. Ook moet het kind gevoelsmatig instinctief de samenhang leren ervaren die er tussen een voorzetsel en het woord dat erbij hoort, bestaat. De taal plastisch en in onderdclen ervaren moet aan de moedertaal geoefend worden wanneer het kind tussen het negende en het tiende jaar is.

Tekenen   zie schilderen

Vertelstof

Vertel- en leesstof voor deze klas vormen o.a. de sagen van de Germaanse mythologie en heldentijd.

Meer artikelen over het leerplan

Vrijeschool in beeld alle beelden

.

1907

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Breinbreker (nieuw)

.

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.

Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’.

HET BOOTJE IN DE SLUIS

Er ligt een bootje in de sluis van het kanaal. Aan de zijkant hangt een touwladder in het water. Het water staat zo hoog dat er nog 4 sporten droog zijn. De afstand tussen de sporten is 37cm.
Nu gaat de sluis open en het water stijgt met 3 cm per seconde. Als na 25 seconden de deuren van de sluis open gaan, hoeveel sporten zijn er dan nog droog?

Oplossing later.

Alle breinbrekers

Alle rekenraadsels

Alle ‘gewone’ raadsels

Taalraadsels

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (25)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.
In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Pieter HA Witvliet

OP DE BOERDERIJ

Met dit boek van Gerda van Cleemput kun je uren met de (aller)kleinsten dicht bij je vertellen en kijken naar allerlei bosdieren die bijzonder smaakvol-kunstzinnig zijn getekend door Nemo.

We zien o.a. een hond, een poes, een koe, een varken, kippen enz.

Tekst van hierboven:

IN GALOP OP LANGE POTEN

Gloria, de bruine merrie, heeft een veulen. Het heet Pony. Heel de dag brengen Gloria en Pony op de weide door. Ze stappen, ze draven, ze galopperen.

— Kijk, de bomen staan in bloei, zegt Gloria. Zie je wel hoe mooi die bloesems zijn. Zie je ook hoe mooi mijn zoon is. En hoe flink ?

Gloria is erg trots op Pony. Maar dat mag ook wel, want Pony is het mooiste dier op de hele boerderij.

 

Gerda van Cleemput

Op de boerderij

Ill. Nemo

Vanaf 2jr

Op internet was het boek niet te vinden

.

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1906

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (13)

.

GERBERT GROHMANN

 

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 97                                                                                                     hoofdstuk 13

Over de kruisspin

De kruisspinnen weven hun web altijd overal waar ze zoveel mogelijk kunnen verschalken. Hun buit bestaat vooral uit vliegen en muggen. Daarom vind je spinnenwebben met name in bossen of in de buurt van water en omdat hun slachtoffers meestal niet zo hoog boven de grond vliegen, bouwen ook de spinnen hun web zelden hoger dan menshoogte. In de boomtoppen zitten geen webben meer.

Spinnen zijn in hoge mate geen dieren die samenleven. Ze staan zelfs vijandig tegenover hun soortgenoten. Daarom moeten ze dan ook alles alleen doen. Hoe anders is dat toch wel niet bij de bijen die steeds in een talrijk volk bij elkaar zijn en samen moeten bouwen. Als je dan ook nog bedenkt dat de spinnen hun web niet eens kunnen zien, omdat ze nu eenmaal geen insectenogen hebben, maar alleen maar acht kleine puntoogjes boven op hun kop waarmee ze hooguit licht en donker kunnen onderscheiden, dan wordt het raadsel pas echt groot. Alles wat de spin aan wonderlijks verricht, doet ze met haar tastzin. Gewoonlijk zit ze niet in haar web, maar ergens ernaast in een schuilhoekje, maar ze heeft wél een signaaldraad gespannen naar het midden van het web. Zodra er iets in beweegt, voelt de waakzame spin dat aan haar poten en bliksemsnel komt ze tevoorschijn. Maar als het een regendruppel is die erop terechtkomt, dan weet de spin het verschil en blijft ze rustig zitten. Ze kent ook de wind en laat zich niet voor de gek houden. De signaaldraad, ja heel het web is voor de spin een heel gevoelig tastinstrument dat ze zelf heeft gemaakt.

Nu wordt er beschreven wat een spin eigenlijk gaat doen als ze een web wil weven.
Eerst zoekt ze een geschikte plaats, een tak of ook wel een hoek van het raam; dan trekt ze boven de ‘loopdraad’ van de ene naar de andere kant. Ze maakt die sterker door een paar keer heen en weer te lopen, waarbij ze elke keer een nieuwe draad op de andere plakt. Vaak laat ze zich, in plaats van heen en weer te lopen, simpelweg vallen en trekt de draad door haar gewicht uit haar lijfje naar buiten. Met het achterste potenpaar kan ze de val vertragen. Dan klimt ze weer naar boven en maakt de tweede draad vast waarbij ze met de poten handig voorkomt dat de draden aan elkaar vastplakken en dan maakt ze met de eerste draad een grote driehoek met de punt naar beneden.


Wanneer de loopdraad – zo heet de eerste, de meerdere keren verdikte draad – dwars gespannen is, trekt de spin haar volgende draden zo, dat die met de loopdraad samen een onregelmatige vierhoek vormen. Ook deze draden moeten sterker gemaakt worden. Hiermee heeft de spin allereerst een bepaald raamwerk gemaakt en daarin gaat ze dan haar web hangen. Maar ze kan ook over een hindernis: een sloot of boven het water een web spannen. Dan laat ze de eerste draad door de wind naar de andere kant waaien tot die ergens aan vast blijft zitten en zij erheen kan klimmen. Waar een draad te slap is, wordt deze door een dwarsdraad aangetrokken. Al naar gelang de toestand van de plek waar het web moet komen, moet de kruisspin natuurlijk steeds weer iets anders doen. Het kijken daarnaar is een van de meest leerrijke dingen die je maar kan bedenken.
Met het eigenlijke web begint de spin door zich midden in het raamwerk te laten zakken, waardoor het vlak in twee helften verdeeld wordt. Dan gaat ze naar het midden van deze draad en daarmee is het middenpunt bepaald. Nu trekt ze met de achterpoten hele bundels draden uit haar spinklierentepels tevoorschijn en maakt er een soort kluwen van waarop ze later met de kop naar beneden kan zitten en op de prooi kan loeren.
Het volgende dat moet worden gedaan is het aanleggen van de spaken. De spin trekt deze vanuit het middelpunt naar buiten toe, door eerst weer in de middendraad omhoog te klimmen om dan de nieuwe draad op de juiste afstand van de eerste aan te brengen. Met deze moet er een driehoek ontstaan. Omdat de spin alle volgende spaakdraden ook vanuit het middelpunt uit trekt, gaat ze daar weer naar terug. Bij deze gelegenheid versterkt ze opnieuw de eerste met een tweede die ze daar opplakt. De volgende spaak wordt nu vanuit het middelpunt van het web naar beneden getrokken en op de terugweg weer versterkt en zo gaat dat maar door, spaak na spaak, tot de cirkel rond is. Wie het helder voor ogen wil zien, kan het makkelijk tekenen.
Als laatste trekt de spin de eerste grote spiraal tussen de spaken van binnen naar buiten, door van de ene spaak verder te gaan met de andere en iedere keer de spiraaldraad vast te maken. Daarbij wordt het duidelijk wat een voortreffelijk meetinstrument zij in haar lange poten heeft, want ze gebruikt haar voorpoten ijverig als een passer om de afstanden van de spiraalpunten te meten. Zo trekt ze omtrek na omtrek, tot ze aan de buitenkant is; toch is de eerste spriaal nog tamelijk wijd. Als de spin dan begint, maar nu om van buiten naar binnen gaand de eigenlijke vangspiralen te trekken, maakt ze de omtrekken dichter bij elkaar. Op het laatst wordt de eerste, niet plakkende spiraaldraad, de hulpspiraal eenvoudig doorgebeten en daarmee is het kunstvolle werk klaar.

De voor de slachtoffers zo verderfelijke spiraal is uiteindelijk de vangspiraal. De spin perst die draaden ook uit andere klieren dan die tot nog toe voor de bouw van het web werden gebruikt. Het geheim is dat deze draad in de lucht niet helemaal hard wordt, maar aan de oppervlakte samentrekt tot allerkleinste bolletjes van een wonderbaarlijke regelmaat. Vaak kan je zien hoe de dauw als een parelsnoer daarop neerslaat en toch zijn de kleefdruppeltjes nog vele malen kleiner. Bij mist of dauw kan je ook zien dat de kleefdraden niet strak gespannen staan, maar wat losser hangen. De wind kan ze heen en weer bewegen. Wat moeten we de spin bewonderen om de kunst dat ze alle draden zo regelmatig losjes spannen kan! De regen kan de parels er niet afspoelen en toch moet ieder diertje ook al komt het er maar even mee in aanraking, er zonder meer aan vast blijven zitten. Een duivels werktuig van deze valbouwster spin! Wee het mugje of het vlindertje: ze komen niet meer los!

Vaak zijn die grote kunst en wijsheid bewonderd die in de activiteit van de kruisspin ingeplant zijn en steeds werd weer de vraag gesteld wie dit toch aan haar heeft geleerd. Niemand hoeft het haar te leren, want wie gebouwd is als een kruisspin, heeft van niemand les nodig. Haar eigen ledematen leren het haar steeds weer. Zij begrijpt het en kan alles vanaf het allereerste ogenblik uiternate volkmaakt.

Uiteindelijk, nadat ze ook de signaaldraden getrokken heeft, gaat de spin in het verborgen hoekje zitten. Ze maakt daar een echte verstopplaats van door bladeren samen te trekken en bij elkaar te spinnen. De verstopplaats kan behoorlijk ver van het web verwijderd zijn, verschillende meters, maar de spin blijft met de poot vast aan de signaaldraad en wacht bewegingsloos. Ja, ze wacht en wacht maar. Dat kan ze wekenlang uithouden, tot er eindelijk een slachtoffer in het web gevangen wordt. Dat doet haar niets, want het wachten, het geduld, is haar wapen.
Zodra haar slachtoffer in het web zit, komt ze onmiddellijk en bliksemsnel aangeschoten. Aan de bewegingen van het web, merkt ze meteen of ze het gevangen dier aankan. Een grotere kever bv., zou alleen maar het web kapot maken en daarom bevrijdt ze die zelfs uit het weefsel door simpelweg de draden waaraan hij vastzit, door te bijten. Hij moet nog zien hoe hij zich van zijn banden waaraan hij vastzit, bevrijdt! Dan wordt het web meteen hersteld. Wie spinwebben onderzoekt zal er zeker veel vinden die alleen maar uit reparaties bestaan. Die plekken zijn natuurlijk niet meer zo regelmatig als het eerste web.

Laten we eens luisteren naar een spinnenonderzoeker die het hele proces dat hij vaak genoeg bekeken heeft, beschrijft: ‘De vlinder of de vlieg die in het web terecht zijn gekomen, proberen meteen door heftige bewegingen vrij te komen. Daardoor raken ze steeds meer vangdraden en die kleine haakjes en stekeltjes en wat op nog veel meer plaatsen aan het insectenlijf zit, is de ondergang van de beestjes. Het slachtoffer raakt steeds meer verstrikt en is uit het dradenwerk van de val niet meer te redden. De pogingen om zich te bevrijden doen het tere bouwsel zeer heftig bewegen. Veel draden breken, maar winden zich weldra om het lijf van de gevangenen.
Ondertussen echter hebben de bewegingen die zich verplaatsen via de spandraden, de bazin van het web op de hoogte gebracht van het succes van de gebouwde val. Zij haast zich met grote behendigheid ernaartoe om de buit veilig te stellen en te voorkomen dat het web al te zeer beschadigd wordt. Een groter insect wordt met een rap tempo omsponnen en daarbij gaat de spin op een heel eenvoudige manier te werk; ze plakt de uiteinden van talloze spindraden aan de prooi vast die zij uit haar achterlichaamseinde tegen een willekeurige plek op het insect drukt. Dan trekt ze de draden een stuk verder naar buiten en begint het gevangen dier met behulp van het derde en vierde paar poten zo snel ze kan, rond te draaien. Als een breed lint stromen dan de draden uit haar gezamenlijke klieren naar buiten. In nauwelijks drie seconden wordt de naar verhouding sterke prooi zo omwikkeld dat die zich niet meer kan bewegen.
Tijdens dit alles maakt de spin ook gebruik van haar gif. Het gebeten dier gaat na een paar seconden dood, Een vlinder of een grotere vlieg worden ter plaatse, waar ze in het web terecht zijn gekomen, leeggezogen. Kleine insecten worden op de rustplek in het midden van het web of naar het huisje gesleept om daar opgebruikt te worden.’

De klauwachtige gifkaken van de kruisspin – ze heeft twee krachtige aan haar kop – kunnen als knipmessen naar binnen geslagen worden. Het gif wordt in twee grote klieren direct onder de kaken gevormd en vloeit aan het uiteinde uit een kleine opening. Het doodt het sachtoffer niet alleen, maar verteert het tegelijkertijd. De kruisspin kan namelijk geen vast voedsel in zich opnemen. Ze zuigt ook geen bloed op van haar prooi, zoals bv. insecten doen. Ze maakt de prooi buiten haar lichaam vloeibaar. Het spinnengif lost het binnenste van de prooi op tot een brij die de spin begerig in zich opzuigt. Ze drink dus haar slachtoffer leeg. Het pantser blijft natuurlijk over. Je ziet vaak in oude spinnenwebben van die lege vliegen of muggen die dan zo licht als de lucht zijn. Zolang de spin echter met het web werkt, bijt ze haar leeggedronken prooien eruit en maakt ze weer heel wat kapot gegaan is.

Maar hoe kan een spin nu over haar web klimmen, als een bliksemflits eroverheen lopen, zonder naar beneden te vallen of het ook maar een beetje te beschadigen? Ja, dat wonder wordt niet kleiner, maar steeds groter, als je erover na gaat denken. De spin is de behendigste koorddanser die je je maar kan bedenken en de instrumenten die ze gebruikt zijn haar eigen poten. Ze heeft geen kromme nagels zoals de vogels, maar heel kleine klauwtjes aan de punten van haar poten, zo klein dat je ze met het blote oog niet kan zien. Tussen deze grijpertjes kan ze de webdraden klemmen. Ze kan die naar boven wegslaan als de spin ergens anders loopt dan op haar web.
Dus voor de kunst van het koorddansen heeft de spin ook geen leraar nodig, want ze leert het van haar eigen poten.

Om de volmaakte instrumenten van een spinnenlichaam echt te kunnen bewonderen, moet je ook weten hoe de draden van het web gesponnen worden. Iedere aparte draad bestaat uit ongeveer 600 deeldraden. Dat is mogelijk doordat iedere draad uit ontelbare klieren van de spintepels geperst wordt. De spin kan klevende of niet-klevende draden trekken, al naar gelang welke klieren ze leegdrukt. Voor ons is een mensenhaar wel het dunste, maar de enkele draad van een spinnenweb is in vergelijking daarmee net zoiets als een scheepstouw en naaigaren. Wanneer je in het bos per ongeluk in spinrag terechtkomt, kan je, zonder dat je het wil, de proef op de som nemen hoe elastisch, uitrekbaar en bijna niet kapot te krijgen zo’n draad is.
Dus heeft de spin ook hier weer iets wat in haar lichaam ingebouwd is, wat de mens, wanneer hij dat nodig heeft, met zijn verstand moet uitdenken en dan met hulpmiddelen uit moet voeren. Ook een scheepstouw, dat zoals we weten aan de sterkste krachten moet voldoen, bestaat uit vele dunnere touwen. De mens heeft ervaringen opgedaan en die gebruikt hij, de spin draagt echter al wijsheid met zich mee zonder eraan te hoeven denken.

Wanneer de kruisspin zich aan haar draad van boven laat zakken, kan je zien dat ze haar achterste poten als spoelen gebruikt door de draden door haar klauwen te trekken. Zo kan ze het dan ook voor elkaar krijgen dat de trekkracht van haar lichaamsgewicht van geen invloed meer is en langzamer naar beneden gaan of juist in de lucht blijven staan.

Ten slotte werpen we nog de vraag op waar de jonge spinnetjes vandaan komen en hoe die eruit zien. Spinnen die niet tot de insecten horen, maken geen verandering door zoals bv. de vlinder. Ze hebben ook geen zes poten zoals deze, maar acht en kunnen niet vliegen. Daarom zit ook al hun kunstvaardigheid in hun poten. In plaats van te vliegen, weven zij in de lucht. Als je ernaar kijkt, kan het lijken alsof een spin bijna helemaal geen kop heeft. Ze heeft er natuurlijk wel een, maar die vormt met de borst een geheel, zodat je beide niet kan onderscheiden. De grote facetogen van de insecten zijn daarbij evenwel verloren gegaan. Alleen de kleine oogjes op de schedel zijn overgebleven.
Spinnen leggen eitjes zoals ook de insecten. De tijd van voortplanting valt in de late zomer. Dan verlaat de oude spin haar web en weeft een cocon. Daarin worden vele eitjes samengeweven en dan laat de ze die eenvoudigweg hangen. Van tevoren heeft ze natuurlijk een beschermd plekje, onder oude bladeren of in bastscheuren, gezocht. Merkwaardigerwijs komen de jongen er pas in de daarop volgende meimaand uit. Dus moeten de eieren in de lucht overwinteren. Zijn dan de nietige spinnetjes eindelijk uitgekropen, blijven ze zeker nog een week lang op een dicht kluitje bij elkaar zitten en wanneer je losmaakt, rennen ze snel weer naar elkaar. Uiteindelijk lopen ze dan toch weg.
Al gauw daarna beginnen ze heel kleine webjes te spinnen. Het eerste web van zo’n jong kruisspinnetje heeft maar een doorsnee van 2½ cm. Dan overwinteren de spinnetjes, nog niet eens een halve centimeter groot. Pas het volgende jaar krijgen ze hun volle grootte.
De grootste zijn de tweejarige vrouwtjes. De mannetjes zijn kleiner en weven kleinere webben. Wanneer mannetjes en vrouwtjes elkaar tegenkomen, wordt het voor het kleinere mannetje heel gevaarlijk, want wanneer het niet meteen op de vlucht slaat, wordt het door het vrouwtje gewoon opgegeten. Hoe zou een spin haars gelijke naast zich dulden! Het is het tweede en laatste jaar van haar leven, waarin de kruisspin haar eieren legt; want wanneer de nieuwe winter aanbreekt, sterft de grote meesteres, de meesteres in spinnen en weven. 

 

fabel

‘Eens, toen ik nog kon zien,
vertelde de spin aan haar buurvrouw, de libelle, 
‘vergat ik bijna te eten, alleen maar omdat ik
steeds de heerlijkheid van de hemel bewonderde.

Toen echter werd ik met blindheid geslagen.
Sindsdien doe ik onophoudelijk mijn best
Op aarde met mijn handen, je ziet het,
de bogen van de hemel na te bootsen.’

‘En je slachtoffers, uit wie je zo begerig
de levenssappen zuigt?’ sprak de libelle.
‘Ik moet voorkomen’, wendde de spin zonder bezwaar voor,
‘dat die mijn hemelsbogen kapot maken!’ 

.
Meer info   foto’s   video’s       bionica: de spin als bron van innovaties.

Christuslegende: hoe de kruisspin aan haar naam komt

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1905

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (24)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Pieter HA Witvliet

EEN BOS VOL DIERENKINDEREN

Met dit boek van Gerda van Cleemput kun je uren met de (aller)kleinsten dicht bij je vertellen en kijken naar allerlei bosdieren die bijzonder smaakvol-kunstzinnig zijn getekend door Nemo.
We zien o.a. zwijntjes, hert, vos en een paar uitheemse dieren, zoals het buideldier.

tekst van hierboven:

VOS, VOS, SLUWE VOS

— Zeg vader, vossen zijn knappe dieren, hè.

Dat heb je goed gezegd, Reintje.

— Vertel eens wat over de vos, vader.

— Een vos is een slimmerd. Hij gaat op zoek naar een huis. Zodra hij een geschikt hol vindt gaat hij er wonen. Heel vaak kiest hij het hol van een das. En de das gaat gauw op de loop. Dat komt omdat een vos niet al te best ruikt, Reintje.

— Wat nog meer, vader?

— Een vos eet alles. Hazen, konijntjes, vruchten en kippen. Hij lust patrijs en vis. Hij lust zelfs honig. Ja Reintje, een vos is knap en slim. Een vos kan alles!

— Echt alles, vader?

— Natuurlijk, Reintje. Zwemmen, springen en klimmen. Hard lopen en heel stil sluipen.

— Kan een vos een kip pakken, vader?

— Nou en of. Dat is maar een klein kunstje voor een vos.

— Toe vader, pak dan eens gauw een lekker kippetje voor Reintje. 

 

Gerda van Cleemput

Een bos vol dierenkinderen

Ill. Nemo

Vanaf 2jr

Op internet was het boek niet te vinden

.

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

 

1904

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL Opspattend grind (72)

.

VINCENT

Gisteren – 15 september 2019 – werd de RIDE FOR THE ROSES  gereden. 
Ruim 7000 mensen fietsten afstanden van 10 tot 100km.
Die hadden zich laten sponseren door familie, vrienden en kennissen.
De opbrengst van hun inspanning is bestemd voor het KWF voor méér onderzoek om mensen met kanker te kunnen helpen, uiteindelijk te genezen.

Terwijl ik stond te wachten op de binnenkomst van een familielid die ook meereed, zag ik vóór mij twee jongetjes staan van ca 8 à 9 jaar oud. Ze hadden ook meegereden en op hun shirt stond: ‘ik rijd voor Vincent’. Ook onmiskenbaar de moeder – ze droeg geen hoofddoek – had voor Vincent gereden. Want dat doen de deelnemers meestal: ze kennen iemand met kanker of hebben een dierbare aan die vreselijke ziekte verloren.

Ze zetten zich dus in voor LEVEN.

Ondertussen dacht ik aan de kinderen die nu – terwijl er voor Vincents leven werd gereden – op hun weekendschool zitten te leren dat de Vincents in onze samenleving  – al dan niet lijdend aan kanker – gerust geDOOD mogen worden: ze behoren immers niet tot het ware geloof……. 

.

Opspattend grind: alle artikelen

Zo’n honderd jaar geleden uitgesproken, maar nog altijd actueel:

Een van de belangrijkste gebreken van onze huidige sociale toestan­den is, dat de ene mens zo weinig begrijpt van wat de ander doet. We moeten zover komen dat we niet als geïso­leerde, afzonderlijke mensen of groepen komen te staan, maar vol begrip voor elkaar.

Rudolf Steiner: wegwijzer (186)

.

1903

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.