WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 3300 artikelen

Kleinere en grotere, makkelijk toegankelijke en die meer studie vragen; direct met de vrijeschool te maken hebbend of zijdelings: de meest uitgebreide vrijeschoolsite die er te vinden is.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken
leeftijden
over illustraties

BEWEGEN in de klas
alle artikelen

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

EURITMIE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GEZONDHEID – die van de leerkracht
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
alle artikelen

HANDVAARDIGHEIDSONDERWIJS
a
lle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1; klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7; klas 8; klas 9: klas 10; klas 11; klas 12

LEERPLAN
alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
alle artikelen

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
Alle artikelen

SCHILDEREN
Alle artikelen

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
alle artikelen

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
Niet elders gerubriceerd: alle artikelen

Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
Auschwitz en Gaza 2025
Ahriman en/in het onderwijs;
Grafische vormgeving bij Steiner
Interviews met oud-leerlingen
Is het alles goud wat er blinkt….?
Kritiek op de vrijeschool
Kunstzinnige vormgeving van een klaslokaal
Naamgeving en schrijfwijze vrijeschool;
Ochtendspreuk;
Organische architectuur;
Steiner lezen?
Uitgangspunten vrijeschool;
Vrijeschool en antroposofie;
Vrijheid van onderwijs;  
Worden wie je bent

.
EN VERDER:

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cyprus; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israël; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouwen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Qatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – We moeten de kindertijd van onze kinderen redden (1/1)

.
Elk ouderstel heeft – verschillend per generatie lijkt het wel – te maken met zorgen over hoe het hun kind(eren) zal vergaan.
Dat geldt ook vanuit de grootouders wat hun kinderen én bijna nog meer hun kleinkinderen betreft.
In welke wereld leven ze; in welke wereld komen ze te leven als volwassenen; wat zijn de bedreigingen.

Want die zijn er, en steeds meer en heftiger.
Toen wij in de jaren 1970-1980 onze kinderen kregen, waren vanaf hun puberteit alcohol en roken de grootste zorg en maatschappelijk de ontwikkeling van atoombommen.
Een generatie daarvoor was ongeveer de grootste bedreiging dat je dochter ongehuwd zwanger zou worden en je zoon te wild met de brommer zou omgaan.
Nu hebben we te maken én met alcohol, met roken, en vooral met drugs.
Een wereld vol bedreiging: oorlogen, mensontering, klimaat, fake-nieuws en zo meer.
In de jaren 1960 werd ook van alles aan bedreiging gevoeld en in het onderstaande artikel is dat verwoord. 
Wat is voor de opvoeder een wijze aanpak.

De auteur heeft verschillende woorden van spaties voorzien; ik heb die cursief gemaakt.
.

Elisabeth Klein, der Elternbrief’ 8-1966

.

We moeten de kindertijd van onze kinderen redden

.

Stel je voor dat de kinderen uit ons leven zouden verdwijnen: het leven zou zijn als een landschap zonder zon.
Waar halen kinderen – álle kinderen – die uitstraling, die scheppende geest, die levenskracht vandaan? Zelfs kinderen van saaie ouders bezitten die.

Hier is een voorbeeld van zo’n verfrissend gedrag:
een moeder zit in de tuin van een hotel en leest een geïllustreerd tijdschrift. Haar achtjarige zoon vermaakt zich met een halfvolle fles mineraalwater; hij laat het water steeds weer bruisen door de fles te kantelen en eruit te drinken. Al doende ervaart hij onbewust allerlei natuurkundige principes. Het vierjarige meisje schreeuwt simpelweg omdat ze niet mag weglopen om te spelen – een protest tegen de situatie! Beide kinderen zijn productief bezig. Waar halen ze dit vandaan? Zeker niet van die moeder. Ze hebben het in hun ziel meegekregen vanuit het rijk waar de ziel van elk kind vandaan komt en waar alle creativiteit haar oorsprong vindt. En in de kinderen voor ons zien we een weerspiegeling van precies die wereld waar wij zelf uit voortkomen. Daarom moeten we zoveel van hen houden.

Maar hoe komt die scheppende, levende kwaliteit die elk kind met zich meebrengt, terecht in het werkelijke leven? We weten dat dit tegenwoordig niet gebeurt; integendeel, de levenskrachten van kinderen worden door hun omgeving vernietigd. Zo’n chaos in de opvoeding is alleen mogelijk wanneer grote natuurwetten worden genegeerd. Laten we ons herinneren: enkele decennia geleden werd de wereld getroffen door een catastrofe van bodemerosie, doordat levende grond verkeerd werd behandeld en natuurwetten werden miskend. Hetzelfde gebeurt vandaag de dag op het gebied van de opvoeding.

Tijdens de kindertijd ondergaat de mens metamorfoses die hun weerga niet kennen in latere levensfasen. Via drie grote krachtimpulsen – die werkzaam zijn in de drie leeftijdsfasen, gemarkeerd door de mijlpalen van de tandenwissel en het begin van de puberteit – stroomt vanuit de spirituele wereld de ondersteuning voor de opbouw van het lichaam en de vermogens van de ziel het leven van het kind binnen. Laten we hiernaar kijken aan de hand van drie beelden die de hoogtepunten van deze periodes kenmerken – dat wil zeggen: hoe een jong mens is rond de leeftijd van drieënhalf, tien of zestien jaar – wat de aard ervan is, en laten we onderzoeken of deze grote veranderingswetten ten grondslag liggen aan het onderwijsleven van vandaag.

We kijken naar een klein kind – misschien in een zonnige tuin, naast de moeder die daar aan het werk is. Met zijn schepje graaft het kind net als de moeder, maakt kleine hoopjes aarde, loopt naar de kraan en geeft de planten water met een klein gietertje; het imiteert wat het ’s avonds zijn vader heeft zien doen. Er komt bezoek – misschien met een hondje dat kwispelt en blaft – en het kind heeft alleen nog maar oog voor het tafereel en gaat er helemaal in op. Een paar dagen later zal het ‘hondje’ spelen.

Een groep tienjarigen in de buitenwijk, net ontsnapt aan school. Het is middag. Een groepje bomen – enkelen zijn er al in geklommen met de behendigheid die zo eigen is aan die leeftijd; een vaardigheid die ze voorheen niet hadden en later niet meer zullen hebben. Deze jongens en meisjes hebben een scherp instinct en een levendige belangstelling voor hun omgeving. Ongetwijfeld ziet een van hen een interessante larve op de bosgrond en bergt die als een kostbare schat op in een zakdoek. Ze trekken verder, langs tuinen met lage muurtjes of weilanden met hekken. Al snel balanceren ze achter elkaar voort – dat perfecte evenwicht tussen lichtheid en zwaartekracht: een prachtig gezicht! Dan door naar het voetbalveld, dat ’s middags leeg is en klaarligt voor hun spelletjes. Ogen die stralen, rennen en achter elkaar aan zitten, elkaar uitdagen, politie en boef spelen, enzovoort. In deze fase groeien de borstkassen van de kinderen – en de organen daarbinnen, het hart en de longen. De adem van de wijde wereld waait door de longen van deze rennende, spelende kinderen en vervult hen met vreugde. Na er zo tussenuit te zijn geglipt bij hun ouders, is het heerlijk om ’s avonds thuis te komen en al de avonturen te vertellen.

Een adolescent in de klas. Een leraar bespreekt ‘Parzival‘ met geestigheid en inzicht. Het onderwerp grijpt hem aan. Toch loert hij op een moment om in de discussie in te haken; hij wil zijn geest oefenen en zijn denken scherpen aan de stof. Jongeren zijn absoluut in hun oordeel. De ene leraar is een fijne vent; die andere is saai en doet niet wat hij predikt. ’s Middags staat vioolstudie voorop. Deze jongen speelt al jaren viool. Zijn ouders luisteren en horen nu een heel andere, diep doorvoelde toon. Een jongere als deze legt veel van zijn innerlijk in zijn vioolspel. Hij wil alleen op zijn kamer zijn. Hij denkt na; hij piekert. Dan doemt voor zijn geestesoog het beeld op van het meisje dat beloofd heeft die avond met hem te gaan dansen. In de eerdere fase van ‘cowboy en cowgirl’ lijken jongens en meisjes sterk op elkaar. Pas hier wordt het verschil scherp gevoeld. Driften en vragen roeren zich: “Ik ben niet knap – mijn lange ledematen, mijn sproeten; meisjes vinden mij niet zo leuk als die oppervlakkige, knappe jongens die veel minder kunnen dan ik.” De vraag naar de eigen bestemming komt voor het eerst op.

Zo wordt de aard van kinderen zichtbaar in drie grote transformaties. Wie dit zonder vooroordelen bekijkt, beseft dat de vermogens van kinderen niet allemaal in hetzelfde tempo groeien; in plaats daarvan komen in elke levensfase groepen samenhangende vermogens op, bereiken een hoogtepunt en lijken dan te verdwijnen om plaats te maken voor een nieuwe groep. Spelen met poppen wordt niet simpelweg intensiever; met de tandenwisseling komen andere vermogens op en bereiken een hoogtepunt; ook spelletjes als ‘politie en boef’ blijven niet bestaan ​​– de mens verandert opnieuw bij de volgende levensfase.

De natuur volgen zou betekenen dat men – door middel van uiterlijke maatregelen – ondersteunt en ontwikkelt wat de natuur in elke levensfase biedt en vereist. Tegenwoordig is dat geenszins het geval. Op lagere en middelbare scholen gebeuren dingen die sterk afwijken van wat jongeren werkelijk nodig hebben. Waarom? Omdat de staat het onderwijs in eigen hand heeft genomen. De staat heeft zijn ambtenaren, bankiers en officieren voor ogen. Van de jongere wordt verwacht dat hij zich snel in dit leven voegt. De snelste weg wordt tegenwoordig beschouwd als de beste voor praktische bekwaamheid in het leven, maar in werkelijkheid heeft dit geleid tot de onderwijscatastrofe van onze tijd.

Kwalijk is dat de adolescent ervaart niet van school en thuis meekrijgt – maar wat hij wel nodig heeft, is bijvoorbeeld een wereldbeeld waarmee hij kan leven, een levenswijze die hem beschermt tegen vroegtijdige seksualiteit.

Toch kan iemand later in het leven inhalen wat hier is uitgebleven.

Ernstiger is het wanneer een basisschoolkind iets essentieels mist of met iets schadelijks in zijn leven te maken heeft; zelfs dit kan – met grote inspanning – later nog worden hersteld. Het ergste is wat een peuter of kleuter mist – zaken die nodig zijn voor de ontwikkeling – of de schadelijke elementen in zijn omgeving. Wat er dan gebeurt, kan nooit meer ongedaan worden gemaakt. Laten we daarom eerst stilstaan ​​bij deze cruciale levensfase.

In ons deel van de wereld zijn kinderen van deze leeftijd nog vrij; als ouders kunnen we doen wat wij juist achten. Die vrijheid bestaat niet meer in de VS, Rusland of China, waar kleuteronderwijs verplicht is.

Juist op deze leeftijd duiken vele verleidingen op die zich voordoen als vooruitgang. Zo is de eis om al op twee- of driejarige leeftijd te leren lezen een nieuwe trend die vanuit het Westen komt. Europa volgt het Amerikaanse voorbeeld en ouders laten zich meeslepen in deze wedloop. Toch zullen er nog genoeg ouders zijn die aanvoelen dat dergelijke pogingen afwijkingen in de opvoeding zijn – bedacht door het verstand in plaats van voortkomend uit de natuur. Dit zou men alleen kunnen bewijzen door zulke kinderen te volgen tot in hun dertiger, veertiger en vijftiger jaren.

Het leven voltrekt zich over lange perioden. We hebben echter allemaal genoeg waargenomen bij kinderen die te vroeg volwassen worden: het ontbreekt hun vaak aan veerkracht in het leven. We moeten hun een volledige kindertijd gunnen en de juiste duur daarvan respecteren. Het vormt de krachtbron voor hun hele leven.

Wat hoort er dan werkelijk bij deze periode?

Wat vraagt ​​de aard van het kind? In deze tijd voltrekt zich een uniek en vitaal proces in het lichaam van het kind. Bij de geboorte heeft het kind een teer, zacht lichaam – bijna engelachtig van aard. Pas in de daaropvolgende periode wordt het lichaam robuuster en krijgen alle organen van het lichaam de vorm die ze hun leven lang behouden. De maag bijvoorbeeld is bij de geboorte niet veel meer dan een klein zakje. Het krijgt nu de vorm die wij herkennen, net als al zijn organen. Krachtige vormkrachten voltrekken dit werk in het lichaam van het kind. Pas bij de tandenwisseling – die het einde van deze periode markeert – worden deze processen uiterlijk zichtbaar. De tweede tanden – die een leven lang mee moeten gaan – worden gevormd. Hoe vaak zouden we niet willen dat we drie keer tanden konden krijgen! We kunnen de tanden zien die de melktanden vervangen. We kunnen niet op dezelfde manier zien wat er zich in het lichaam afspeelt, maar ook daar krijgt alles vormen die een leven lang meegaan; daarna vindt alleen nog groei plaats.

Het innerlijke leven van het kind is in deze periode nauw met dit proces verbonden. Wat is het middelpunt ervan? Spelen! Wat is de ziel van het spel? — Nabootsing! Wat is nabootsing? Het kind houdt zich met zijn hele lichaam bezig met vormende activiteiten. Alle echte kinderspelen uit deze periode – in alle culturen – zijn spelen van nabootsing of beweging: taartjes bakken in het zand, spelen met poppen, timmermannetje spelen, treintje spelen of een doopfeest naspelen, evenals ‘paardje rijden’ en al die heerlijke vinger- en ledemaatspelletjes die kleintjes steeds opnieuw willen doen. Kinderen wijden zich met grote ernst aan deze activiteiten. Een grootvader vraagt ​​aan zijn kleinzoon in de zandbak: “Nou, kleintje, wat ben je aan het spelen?” Het verontwaardigde antwoord luidt: “Opa, ik ben niet aan het spelen – ik ben aan het werk!” [vrijwel hetzelfde maakte ik mee met ons 3-jarig zoontje en ik niet alleen!] Hier voelt men al het verband tussen gezond spel en het vermogen tot werken en leren later in het leven.

Hoe komt het kind tot nabootsing? Door zintuiglijke indrukken. Het kind is “een en al oog” of “een en al oor”. Zintuiglijke indrukken dringen door tot het gebied van de vormkrachten, trekken door het kind heen en komen weer naar buiten in de vormende activiteit van de nabootsing. — Wat heeft het kind in deze tijd dan nodig? Het heeft gezonde zintuiglijke indrukken en activiteiten nodig die het kan nabootsen – activiteiten echter die ook geworteld moeten zijn in een gezond innerlijk leven. Dit vormt de voeding voor het werk van de vormkrachten. Deze activiteit vindt zijn afsluiting bij de tandenwisseling.

Zoals eerder vermeld, bouwen de vormkrachten vóór de tandenwisseling de organen van het lichaam op en geven ze deze de structuur die het hele leven behouden blijft. Toch hangt de aanleg voor gezondheid of ziekte op latere leeftijd juist van deze organen af. Een orgaan waarvan de ontwikkeling voortdurend wordt verstoord door onrust, verveling of nervositeit in de omgeving, kan zich niet gezond ontwikkelen. Het ligt in de handen van de ouders om te bepalen met welke aanleg voor gezondheid of ziekte zij hun kinderen de wereld in sturen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat tegenwoordig – nu gezonde zintuiglijke indrukken en voorbeelden die navolging verdienen grotendeels in de omgeving van kinderen ontbreken – zelfs acht- en negenjarigen lijden aan aandoeningen die voorheen volstrekt onbekend waren. Wat in deze periode wordt gemist, kan later in het leven niet meer worden ingehaald.

Wanneer een kind naar school gaat, wordt duidelijk of dit proces goed is verlopen. En wat een ziekelijke, onrustige en moeilijk onderwijsbare kinderen komen er tegenwoordig op school!

Maar wat gebeurt er met die vormkrachten die, bij de tandenwisseling, hun werkzaamheid bij het vormgeven van het lichaam hebben afgerond? Sommige daarvan blijven zeker de groei dienen, maar andere zijn in zekere zin vrijgekomen.

Het zijn actieve, zij het onzichtbare krachten die zich nu – nu ze niet meer in het lichaam werkzaam zijn – manifesteren als zielskwaliteiten.

Welke zielskwaliteiten komen na de tandenwisseling duidelijk naar voren? De periode tussen de tandenwisseling en de volwassenheid is de belangrijkste tijd voor de ontwikkeling van het geheugen. Daarvoor kun je kleintjes al wel rijmpjes en liedjes leren, maar alleen op een volkomen vrije en speelse manier. Vanaf nu kan het kind echter met behulp van het geheugen leren; dit vormt de belangrijkste basis voor het leervermogen. Men kan iets in het geheugen ‘opnemen’. Kinderen kunnen in deze fase geen genoeg krijgen van verhalen met plaatjes. In deze zich ontwikkelende geestelijke vermogens is nog steeds de samenhang met het fysieke vermogen tot beeldende expressie zichtbaar. Maar ook de nabootsing ondergaat in dit stadium een ​​verandering. Een klein kind heeft onhandige handen. Nu worden de handen vaardiger en voelen kinderen de behoefte – wanneer ze papier en kleurpotloden krijgen – om vormen te tekenen, letters te leren, en te leren schrijven en lezen. Ook in deze activiteiten is de samenhang met het fysieke vermogen tot beeldende expressie nog duidelijk merkbaar. Zoals gras uit de grond opkomt, zo ontspruiten na de tandenwisseling de zielenvermogens – getransformeerde groei en nabootsingsvermogens uit het hoofd en de vingertoppen van het kind.

Dit proces is onzichtbaar en toch heel reëel – vergelijkbaar met een tweede geboorte. De vormkrachten omsloten dat aspect van de zielskwaliteiten – waar nu mee geleerd kan worden– in een omhulsel, net zoals het embryo wordt omhuld door de schoot van de moeder.

Deze krachten komen nu  vrij naar buiten toe.
Er moet iets zeer ernstigs worden gezegd over wat hier een soort “tweede geboorte” wordt genoemd, wanneer we de volgende punten in overweging nemen.

Het embryo leeft en groeit in het lichaam van de moeder en haalt daaruit zijn voeding. Tussen de geboorte en de tandenwisseling voeden de vormkrachten zich met gezonde zintuigindrukken. Iedereen kent de misvormingen van de ongelukkige thalidomidekinderen – een aandoening die ontstond doordat het embryo niet door gezonde vloeistoffen werd gevoed, maar door chemische, anorganische en giftige stoffen. Iets dat hier precies op lijkt, kan zich voordoen tussen de geboorte en de tandenwisseling. Als het kind, in plaats van gezonde zintuigindrukken uit de organische wereld, wordt blootgesteld aan ongezonde, anorganische en giftige zintuigindrukken, ontstaat er tijdens deze tweede geboorte een soortgelijke misvorming – een gebeurtenis die van even groot belang is voor het leven, ook al voltrekt ze zich onzichtbaar. Het gaat hierbij doorgaans niet om fysieke misvormingen, maar om vreselijke, verwrongen uitwassen in de wereld van vormkrachten in het kind – verschijnselen die net zo ver van gezondheid afstaan ​​als de woekerende aardappelscheuten in een kelder verschillen van gezonde bladeren.

De leerkracht van de eerste en tweede klas is degene die deze volkomen verwrongen, ziekelijke karikaturen van zielskrachten waarneemt. Op vrijescholen kan de situatie enigszins worden hersteld door middel van orthopedagogiek, door opnieuw aandacht te besteden aan wat het kind in de vroege kinderjaren had moeten ervaren. Op veel andere scholen moeten dergelijke kinderen echter simpelweg blijven zitten of naar het speciaal onderwijs worden verwezen, omdat ze niet tot leren in staat zijn. Ouders zijn vaak ontdaan; het ontbreekt hun aan de basis om te kunnen beoordelen wat een kind in die vroege jaren werkelijk nodig heeft.

Dit voltrekt zich vandaag de dag als een catastrofe in de vroege kinderjaren binnen onze samenleving. Toch ligt het in de macht van ouders en kleuterleid(st)ers om dit proces te stoppen en – door inzicht in de aard van het kind – om te buigen naar een gezonde ontwikkeling.

Meer hierover in het tweede artikel.

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3564-3348

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

.

Zie ‘voorwoord‘.

.

Toen er in 1958 in Bochum een nieuwe bovenbouw werd opgericht, volgde men niet traditiegetrouw de sinds 1919 betreden paden, maar probeerde men vanuit de tijdgeest te luisteren naar wat voor de leerlingen – de volwassenen van de toekomst – in hun tijd, essentieel is.

Dat kan ook 70 jaar later tot gezichtspunten leiden die het leerplan verrijken.

.

Johannes Kiersch, Bochum
.

Over het leerplan van de bovenbouw
.

Bij de oprichting van de Rudolf Steiner-school in Bochum in 1958 leefde onder de vrienden en oprichters de sterke wil om dit nieuwe onderwijsinitiatief op effectieve wijze te verankeren in de specifieke maatschappelijke omstandigheden van het Ruhrgebied. Men zag het voor zich als een ‘Rudolf Steinerschool voor het Ruhrgebied’ – niet louter omdat ze in het hart van dit industriegebied zou worden gevestigd, maar omdat ze kinderen die opgroeiden in een geïndustrialiseerde, hoogtechnologische omgeving wilde helpen om – dankzij haar genezende en veilige kracht – op verantwoorde wijze hun plaats in te nemen binnen de levensomstandigheden van hun medemensen en bij te dragen aan de bescherming van die omstandigheden om vanuit eigen inzicht samen te werken. Het was niet de bedoeling een “pedagogische provincie” te creëren – een plek waar cultuur en onderwijs worden gecultiveerd, los van het werkelijke leven en louter omwille van zichzelf – maar veeleer een school voor actieve mensenliefde in een moderne vorm.

Dit voornemen van de oprichters – dat volledig werd onderschreven door het nieuwe lerarenteam – zou onvermijdelijk een grote invloed hebben op alle inspanningen rondom het werk in onze bovenbouw. ​​Het doel was om verder te kijken dan het traditionele vrijeschoolleerplan en programma’s op te zetten die bij adolescenten een besef konden wekken van de veelzijdige verantwoordelijkheden die het volwassen leven in een hoogontwikkelde, professionele wereld uiteindelijk van ieder van hen zou vragen. Het was noodzakelijk om doelen, mijlpalen en duidelijke fasen van inzicht vast te stellen, die de weg naar dit verantwoordelijkheidsgevoel tastbaar zouden maken door middel van een boeiende, logische opbouw.

Zo werden er praktische stages ingevoerd: een landbouwstage in de negende klas (zeven jaar geleden ingevoerd), een techniekstage in de tiende, en in de elfde klas een stage in de industrie (zes jaar geleden) of in de heilpedagogie (vijf jaar geleden). Evenzo werd het concept van een “jaarproject”, [eindwerkstuk] in de twaalfde klas – dat elders al zijn waarde had bewezen – overgenomen en verder ontwikkeld om aan te sluiten bij het vrijeschoolleerplan; dit leidde tot de creatie van een vrijeschool-eindexamen dat een betekenisvolle afsluiting van ons onderwijsprogramma vormt. Het vreemdetalenonderwijs werd uitgebreid – met een nieuwe nadruk op moderne vreemde talen – en aanzienlijk versterkt door maatregelen om de werkdruk voor individuele leerlingen te verminderen en door het werken met niveaugroepen. Momenteel ontwikkelen we drie aanvullende beroepsvoorbereidende cursussen – in houtbewerking, metaalbewerking en sociaal werk – voor leerlingen uit de elfde en twaalfde klas die nog maar één vreemde taal volgen.

Al deze initiatieven geven een duidelijke structuur aan de beleving van de bovenbouwjaren, zoals die door de gehele schoolgemeenschap wordt ervaren. Net zoals individuele onderwijsperiodes altijd als iets bijzonders werden gezien – als een kostbaar geschenk van het betreffende schooljaar – en met vreugdevolle verwachting werden tegemoetgezien door leerlingen, ouders en leraren, zo is het nu ook bekend dat de negende klas naar Wörme reist, de tiende naar Hallig Hooge en de elfde naar Lohr. Deze namen beloven niet slechts een avontuurlijke schoolreis; ze fungeren als sleutels tot nieuwe omgevingen; ze bieden kansen om zich buiten de muren van het klaslokaal te bewijzen en wekken een verantwoordelijkheidsgevoel op voor menselijke en mondiale vraagstukken – een besef dat gaandeweg de weg naar de eindexamens steeds meer een individuele invulling krijgt, totdat het op het moment van de overgang naar het beroepsleven zijn eigen, diep persoonlijke en een gestructureerde vorm aanneemt. Een sterk besef van doelgerichtheid doordringt het werk in de bovenbouw wanneer leraren en ouders erin slagen de nieuwe aspecten van het leerplan doordacht vorm te geven – een doelgerichtheid die het werk van onze jongeren stuurt met het oog op de toekomst, in plaats van op de tradities van het verleden. De eerbiedwaardige monumenten uit het verleden – waarvan de vrijeschool zich te midden van een afbrokkelende cultuur als hoeder beschouwt – krijgen nieuw leven naast dit hernieuwde engagement voor de toekomst.
De theocratische culturen van India, Perzië, Egypte en de klassieke oudheid – waarvan de prestaties in het leerplan van de tiende klas van de vrijeschool uitzonderlijk veel ruimte krijgen via vier weken ‘periodeonderwijs’ – verschijnen nu naast de nuchtere techniek van het landmeten; de mysterieuze spirituele reizen van Parzival en zijn wereld worden diepgaand beleefd terwijl de indrukken van de industriële stage in de elfde klas nog in de geest van de leerlingen nazinderen; de existentiële worstelingen van Faust in de twaalfde klas gaan hand in hand met het omgaan met de individuele uitdagingen van het jaarlange zelfstandige project.

Men ervaart dat de Rudolf Steinerschool bewust probeert de schijnbaar onoverbrugbare tegenstellingen van het werkelijke leven met elkaar te verzoenen; dat ze niet terugdeinst voor de raadsels van het moderne bestaan, maar leerlingen juist begeleidt om deze met kalme vastberadenheid het hoofd te bieden. Wanneer dit met volledige toewijding wordt nagestreefd, raken veel van de vragen die het onderwijsdebat op andere scholen domineren grotendeels naar de achtergrond. Het is dan niet langer nodig om verhit te debatteren over zaken als de democratisering van het schoolleven, audiovisuele hulpmiddelen en onderwijsmachines, wijzigingen in de examenstof, seksuele voorlichting, de modernisering van verouderde leerboeken en dergelijke.

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3563-3347

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Mededeling – Sociale driegeleding – agenda/activiteiten

.

‘SOCIALE DRIEGELEDING’

Website

Nummers van tijdschrift Driegonaal

Een zekere rust én betrokkenheid: dat zijn ingrediënten om de ontwikkelingen in de wereld te kunnen volgen. Inzicht en verbondenheid zijn ingrediënten om te weten wat ons te doen staat. En dan nog de moed om samen in beweging te komen.
Op www.socialedriegeleding.nl proberen we je hiertoe te inspireren!

Nieuwsbrief sociale driegeleding

Nr. 9  /  23 juni 2026
Alles dat we in onze beschaving aantreffen komt voort uit inzichten, gedachten, woorden. Nu overal duidelijk wordt dat we ons op een doodlopende weg bevinden… wordt het tijd voor een nieuw denken, nieuwe inzichten, nieuwe woorden.

Actueel

De gewoonste zaak van de wereld

Dingen die mensen vroeger deden en die we nu niet meer doen. We kijken er meewarig naar terug. Hoe kwamen ze erbij? – Maar denk eens aan staalslakken, PFAS of sigarettenpeuken? Lees verder »

Weerbaar Europa

Wij horen het alom: Europa moet weerbaar worden, op eigen benen staan, in essentiële economische sectoren een eigen Europese industrie opbouwen. – Best begrijpelijk. Maar gaat dat ons brengen waar we willen komen? Lees verder »

Elon naar Mars

Technoking Elon Musk heeft vele kwaliteiten, waaronder het verkopen van hypes en fraaie vergezichten. Die kwaliteit maakte hem tot de eerste mens die 1000 miljard bezit. Lees verder »

Artikelen

Goed kunnen lezen
Philip Bakker

Jongeren informeren zich via de sociale media. Het leesonderwijs in Nederland wordt naar het schijnt steeds beroerder. Maar… hoe belangrijk is het nog om goed te kunnen lezen? Lees verder »

Inzicht is noodzakelijk
Rudolf Steiner

In de tijd van zijn inzet voor de driegeleding van het sociale organisme, schreef Rudolf Steiner korte artikelen die in het toenmalige driegeledingsweekblad in Duitsland werden gepubliceerd. Deze artikelen raken stuk voor stuk aan de essentie van de sociale driegeleding en bieden tevens oefenstof voor het ontwikkelen van het denken dat nodig is om het sociale leven te kunnen bevatten. Lees verder »

Onze ‘gastschrijver’ Drs. Teentjes levert alleen bijdragen die positief-ironisch gestemd zijn.

Zó kan het ook!

Wachtlijsten voor de kinderopvang? Een schreeuwend gebrek aan leraren? Opgebrande werkers in de zorg? Te weinig installateurs of technisch geschoolde werkers? Overwinsten voor aandeelhouders? Enge miljardairs die van gekkigheid niet weten wat zij met hun geld moeten?
Zó kan het ook: Lees verder »

Driegeleding in vraag & antwoord

Waarom zou de samenleving uit drie delen bestaan? Lees verder »

Agenda

28 juni: Dag van de sociale driegeleding (Zeist)
7-9 augustus: Zomerse driegeledingsdriedaagse (Zoetermeer)
kijk de volledige agenda: KLIK HIER


Verschenen:

Driegonaal – jrg 40, nr.4/5
dubbelnummer

Een lekker dik nummer met héél veel inhoud. Waaronder:
– De Caleidoscoop: wat gebeurt er eigenlijk als de ene mens (of instelling) de ander krediet geeft? Hoe is het met de Amerikaanse droom? En niet te vergeten: heeft u al een passief inkomen?
– Gerald Häfner in gesprek met Vandana Shiva over het in stand houden van het universum.
– Jörgen Smit: Laten we oefenend beginnen aan de grote opgaven waarvoor de samenleving ons plaatst
– Terug naar de bron: woorden van Rudolf Steiner als hulp bij het vormen van een sociaal oordeel
– Is het historische moment voor de driegeleding voorbij? Is dat wat de driegeleding te bieden heeft niet meer aan de orde? Fionn Meijer schreef er een artikel over.
– Een  interview met actrice Dette Glashouwer die met haar ‘stand up economy’ door het land gaat. Hoe is haar verhouding met geld?
 Feiko van der Veen bespreekt de visie van Carlijn Kingma en Thomas Bollen over de manco’s van het huidige financiële systeem. Het fenomeen geldschepping speelt daarin een belangrijke rol. Hoe kan je daar vanuit de driegeleding naar kijken?
– Rudolf Steiner: een ‘uiterste houdbaarheidsdatum’ voor geld
– Een beschouwing over een gezond geldstelsel, mét aandacht voor een eigentijds spookverschijnsel, de cryptomunt – door Arjen Nijeboer

Aanbieding voor de lezers van deze Nieuwsbrief:

Dit dubbelnummer plus het voorgaande nummer van Driegonaal voor € 12,00 thuisgestuurd (binnen NL)
Mail naar: info@driegonaal.nl
Aanbieding geldt tot en met maandag 29 juni a.s.

Op Zoek naar Vrede – een documentaire over de eerste wereldoorlog en de geboorte van de sociale driegeleding

Historisch gezien is 1917, het jaar waarin de eerste wereldoorlog al drie jaar woedde, het geboortemoment van de sociale driegeleding. Het is het jaar waarin Europa de regie over het eigen lot uit handen gaf, of liet nemen.
Het feit dat Rudolf Steiner in dat jaar zijn inzet  voor de sociale driegeleding begon, moet beslist ook gezien worden in het licht van de dramatische gebeurtenissen op het wereldtoneel en was een oproep aan Europa om niet toe te geven aan wat vanuit het oosten (de Russische Revolutie) en vanuit het westen (de ‘onderwerping van de wereld’ door het kapitalisme van de Verenigde Staten) op Europa toekwam.

Robbert Clignett werkt al geruime tijd aan een documentaire die als titel krijgt: Op Zoek naar Vrede.
Clignett: “We leven op dit moment in een tijd waarin polarisatie, desinformatie en verborgen machtsstructuren een grote rol spelen. Het in beeld brengen van wat er in de periode van de Eerste Wereldoorlog gebeurt en de aanloop daar naartoe geven de kijker van de film in mijn ogen belangrijke context voor waar we ook nu nog mee te maken hebben. Met deze film wil ik bewustzijn creëren over de geschiedenis, maar ik wil vooral ook inspiratie geven en mensen zelf laten denken, zodat iedereen zelf in vrijheid zijn eigen ideeën kan vormen en keuzes kan maken.”

De documentaire ontrafelt de geopolitieke geschiedenis van Europa. Experts zoals Daniele Ganser, Thomas Meyer, Harrie Salman, John Hogervorst en Terry Boardman delen in deze documentaire hun inzichten en perspectieven.

Oproep

De productie kost veel tijd en geld. Maar kennis is in deze tijd van historische ongeletterdheid van groot belang om te begrijpen hoe oorlogen tot stand komen.
Een teaser, meer informatie en de mogelijkheid om te doneren 
VIND JE HIER

 

Sociale driegeleding: alle artikelen op deze blog

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Mededeling Nationale Vertelschool

.

Vooraankondigingen & Agenda

Landelijke Sprookjesdag

Landelijke Sprookjesdag:

Zaterdag 3 oktober 2026
Arnhem
Zet hem alvast groots in de agenda: de Landelijke Sprookjesdag rondom het betoverende Franse volksverhaal.
Welkom op deze Landelijke Sprookjesdag, waar we ons dit year met volle overgave laten meevoeren door het Zuid-Franse sprookje “De man in alle kleuren”. Dit verhaal, afkomstig uit Gascogne, is een krachtig beeld van de menselijke ontwikkelingsweg en de loutering van het ‘ik’.
Meer informatie »

 

Voordracht Zutphen

Voordracht: Tussen Dood & nieuwe Geboorte

Woensdag 28 oktober 2026
Zutphen
Een avond over de herkomst en wording van de individuele mens. Een samenwerking tussen Waldorfschool Auryn Zutphen en de Nationale Vertelschool.

Inspirerende en troostrijke voordracht:

  • Het geheim en de blauwdruk van het kind
  • De reis van de ziel na de drempel van de dood
  • Loutering en wijsheid in de planeetsferen
  • Inzichten uit de geesteswetenschap van Steiner
  • Voor leerkrachten, ouders en pedagogen

De kosmische reis van de mensenziel en haar karmische bestemming.

Meer informatie »

 

Vertelstof: alle artikelen

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – actueel – schoolrijpheid

.

Schoolrijpheid: alle artikelen

zie ook een interessant gezichtspunt van Ewald Vervaet i.v.m. het leesvaardigheidsvermogen van kleuters.

.

VRIJESCHOOL – actueel – getuigschriften

.

Getuigschriften: alle artikelen

Is het alles goud wat er blinkt….?

..

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

.

Zie ‘voorwoord‘.

Gezichtspunten over de stage in de bovenbouw.

 

Wolfgang Schad, Pforzheim

.

Over de inrichting van de bovenbouw

Waar dient een school voor? Om de kennis van de ouderen door te geven aan de volgende generaties? Om leerlingen voor te bereiden op de huidige samenleving? Om de jeugd toe te rusten voor de toekomst? Welke kennis? Op welke samenleving? Voor welke toekomst?

Wie op basis van dergelijke en soortgelijke doelstellingen – hoe goedbedoeld die ook mogen zijn – wil opvoeden en onderwijzen, doet geen recht aan zijn taak ten opzichte van het kind of de jongere dat voor hem zit. Want ook de opgroeiende mens is er niet om te voldoen aan de eisen van welke kant van de volwassen wereld dan ook. Elk kind, elke jongere, elke volwassene draagt een eigen, in zichzelf rustend, met zichzelf identiek doel in zich, dat, eenmaal bevrijd, uiteindelijk meer voor de samenleving betekent dan welk door de samenleving voorgeschreven doel dan ook.

Hoe moet er dan worden opgevoed? We beschikken over het culturele erfgoed van vele voorbije eeuwen, we laten ons inspireren door de vooruitzichten op de toekomst, en we beschikken in de Waldorfscholen over de onschatbare aanwijzingen van Rudolf Steiner. Misschien wel zijn belangrijkste advies was uiteindelijk om zich nooit te laten leiden door programma’s of formules, maar juist – vanuit de jongere zelf – die spirituele, zielvolle en fysieke behoeften te onderkennen die voorbij woorden liggen; en zo elke generatie en elk tijdperk een onderwijsaanpak te bieden die zich in de leerkracht voortdurend vernieuwt – onderwijs dat werkelijk bij hen past.

Het kind is altijd al een mens, maar geen volwassene in miniatuurformaat. Het is dan ook de eerste taak van de opvoeder om de waardigheid en het eigen karakter van elke leeftijdsfase niet alleen te erkennen, maar ook te koesteren. Een plant moet eerst wortel schieten voordat ze al haar bladeren ontvouwt, en moet eerst bloeien voordat ze vrucht draagt. Een pedagogiek die te snel veel te veel onmiddellijke resultaten wil, zonder de levenswetten van de menselijke ontwikkeling te kennen, maakt van het kind een proefkonijn.

Moeder, vader, kleuterleidster en leraar moeten zich ervan bewust zijn dat de opgroeiende mens in de opeenvolging van drie grote levensfasen van elk zeven jaar zichzelf en daarmee het volwassen zijn stap voor stap verwezenlijkt. Op school zijn het de tweede zeven jaar die in al hun kinderlijke glans als oases uit de volwassen wereld mogen oprijzen, waar het kind-zijn zich in zijn wonderbaarlijke pracht krachtig kan ontplooien aan de hand van de passende leerstof.

Hoezeer dit gebied tot de leeftijd van veertien jaar ook beschermd moet worden, daarna geldt juist het tegenovergestelde. De opgroeiende jongere maakt de overgang van kindertijd naar jeugd door. De kinderlijke verbeeldingswereld valt uiteen; wat daar te veel van blijft hangen, komt nu kinderachtig over. Er vindt een ingrijpende verandering plaats, die zelfs tot in het lichaam doordringt. Er openen zich nieuwe geestelijke horizonten, nieuwe belevingsvermogens en het eerste zelfstandige – zij het meestal nog niet creatieve – denken wordt met vreugde ontdekt. En hoe sterk verandert daarmee, voor de jongere zelf onverwacht, zijn beeld van de volwassenen! Waar voorheen puur vertrouwen heerste, begint de innerlijke toetsing van de volwassene. Daarmee wordt echter een nieuwe stap gezet, juist in de richting van de vermogens van de volwassen wereld. De school mag nu niet langer slechts een omhulsel zijn, maar de muren van het schoolgebouw moeten doorzichtig worden en het zicht vrijmaken op de hedendaagse beschaving en samenleving met al hun enorme problemen.

Toen op 7 september 1919, vijftig jaar geleden, [artikel uit 1969] de eerste Waldorfschool in Stuttgart haar deuren opende, had Steiner nog maar vijf en een half jaar te leven om aanwijzingen en hulp te geven voor de nieuwe pedagogiek. Dat had tot gevolg dat we voor de destijds als laatste uitgewerkte bovenbouw minder concrete aanwijzingen en afzonderlijke uiteenzettingen van Steiner hebben dan voor de midden- en onderbouw. Zeker, we handelen volgens de aanwijzing om vanaf de veertiende, vijftiende levensjaar de nauwe band met een klassenleraar, die het gehele hoofdonderwijs verzorgt, los te laten. De jongere moet een rijker spectrum aan leraren leren kennen. Er is niet alleen een overvloed aan belangrijke aanwijzingen voor het leerplan van de bovenbouw, maar deze zijn ook daadwerkelijk in praktijk gebracht. Toch is de situatie onduidelijker in vergelijking met de onder- en middenbouw. Als de leraar in de bovenbouw Waldorfpedagogiek wil beoefenen, moet hij in de lessen in zeer bijzondere mate putten uit zijn eigen creativiteit. Daartegenover staat dat de laatste schooljaren, zoals in geen enkele andere fase van de schooltijd, gemakkelijk te programmeren zijn op basis van de eisen van externe examens. Wat te doen?

Op de school in Pforzheim zijn we, vanuit de overweging om de bovenbouw meer doorlopend te structureren en de band met het echte leven te verdiepen, tot de invoering van stages gekomen. Het veldmeten bestaat al vele jaren als zo’n activiteit waarbij een hele klas buiten het schoolterrein aan de slag gaat. Daar komen nu drie extra stages bij, zodat elk leerjaar van de bovenbouw een stage krijgt die bij de leeftijd past:

10e klas: landbouw- of bosbouwstage,

11e klas: veldmeetstage,

12a-klas: sociale stage,
afgewisseld
12b-klas: industriële stage.

Bij alle stages is het de bedoeling om de leerlingen in contact te brengen met de hedendaagse arbeidswereld. Zo gaat het bij de eerste stage niet om het ophalen van herinneringen aan het ‘mooie, oude boerenleven op het platteland’ voor de leerlingen, maar om hen te laten meewerken op biodynamische boerderijen of op intensief bewerkte landbouwbedrijven, om zo onder begeleiding van de docent kennis te maken met de huidige omstandigheden en problemen. Hetzelfde geldt voor het meewerken in de bosbouw en voor de sociale en industriële stage.

Na de Pinkstervakantie liep de tiende klas onder leiding van de lerares tuinbouw op de Buckenberg in het wildpark stage in de bosbouw. Dit was tegelijkertijd bedoeld als een geschenk van de school aan de stad ter ere van ons jubileum dit jaar. Een week lang hebben de leerlingen struiken gerooid, omheiningen aangelegd, paden aangelegd en verbeterd, egalisatiewerkzaamheden uitgevoerd en het wild gevoerd. De stad zorgde daarbij voor de lunch. De bijzondere waarde van dit initiatief lag ook in het feit dat de leerlingen niet uit winstbejag, maar vanuit maatschappelijk begrip met plezier fysiek werk verrichtten. Ze hebben de hen opgedragen taken uitstekend uitgevoerd.

De klas 12a ging begin juli naar de omgeving van het Bodenmeer om een week lang mee te werken in drie internaten voor kinderen met een beperking (Föhrenbühl, Bruckfelden en Brachenreuthe bij Überlingen). Het is moeilijk om de kracht van de indrukken die de klas opdeed onder woorden te brengen. Zo schokkend als de eerste indruk voor de leerlingen was, zo ontroerend was het voor hen om al na enkele dagen te ervaren dat in elk van de lichamelijk zo gehandicapte kinderen — het waren voornamelijk kinderen met spastische en autistische stoornissen — een volwaardig mens schuilging. Al op de derde dag leek het voor velen alsof de kinderen helemaal niet ziek waren – zozeer overheerste de persoonlijk opgebouwde band het uiterlijk zichtbare. Want dat was de volgende ervaring: deze kinderen – vaak niet eens in staat om fatsoenlijk te spreken of te lopen – getuigen van zo’n hartelijkheid, dankbaarheid en leergierigheid dat de zogenaamde ‘normale’ mens zich ervoor schaamt en zich afvraagt wie hij zelf eigenlijk is. De klas verliet dit werk met tegenzin, want iedereen had zich de vraag over de mens gesteld: wat is hij eigenlijk?

Na de zomervakantie reisde de elfde klas naar Sainte Marie aux Mines in de Vogezen om daar onder begeleiding van twee leraren een Duitse soldatenbegraafplaats uit de Eerste Wereldoorlog in kaart te brengen. Ook hier stond geen ‘droogoefening om te leren zwemmen’ op het programma, maar het maken van een noodzakelijke kaart die de Volksbund für Kriegsgräber nodig heeft om deze begraafplaats te laten herinrichten. Het werk kon binnen veertien dagen volledig worden afgerond. Het goedmaken van iets van het ongelukkige lot tussen de volkeren gaf deze dagen hun innerlijke sfeer.

In november begon de nieuwe twaalfde klas aan de eerste industriële stage van veertien dagen bij een bedrijf dat onderdelen voor elektrische apparaten produceert. De dertien jongens en twee meisjes werden ingezet bij de lopende bandproductie van elektrische onderdelen en hebben twee weken lang de volledige werkdag meegemaakt.

In de puur zakelijke, eentonige dagelijkse werksfeer van de fabriek, te midden van lokale werknemers en gastarbeiders, hebben onze leerlingen nu ‘aan den lijve’ ervaren welke sociale problemen onze industriële samenleving in zich draagt. Daarna volgden gesprekken met de bedrijfsleiding en de ondernemingsraad. De pedagogische leiding was in handen van een leraar. Juist na de sociale stage kon de klas de tegenovergestelde arbeidswereld ervaren en zich realiseren dat het grootste deel van de bevolking in deze beroepswereld leeft.

Als men de vier stages in hun samenhang bekijkt, blijkt: uiteindelijk zijn ze allemaal sociale stages geworden. Daarin ligt hun gezamenlijke rechtvaardiging. Het kind leert op school nog voor ‘de leraar’. De jongere komt een stap verder, naar zichzelf toe: hij leert voor zichzelf. Tijdens de stages ervaart hij een derde aspect: dat het ‘leren voor zichzelf’ zijn menselijke waarde krijgt wanneer het eenmaal sociaal effectief wordt voor anderen. Ze vormen een voorbereiding op de stap naar de volledig verantwoordelijke volwassenheid van de eenentwintigjarige en bieden zo de opgroeiende jongere een noodzakelijke oriëntatiehulp, juist in het derde jaar van de zevenjaarsfasen.

Deze aanwijzingen moeten tegelijkertijd aan de hand van voorbeelden laten zien uit welke bronnen een Waldorfschool haar pedagogische vormgeving put en waaruit zij de mogelijkheden voor verdere ontwikkeling haalt: uit de totale behoeften van uitsluitend de opgroeiende mens zelf, die zij door haar opvoeding wil dienen. Zo moet ook na vijftig jaar Waldorfpedagogiek* de blik niet alleen gericht zijn op het bereikte, maar steeds meer ook op het nog te bereiken. Want: hoe zal de volgende generatie kinderen er wel niet uitzien?

*(nu kan dit gezegd worden met ‘na honderd jaar’), eigenlijk is dit weer eens een voorbeeld van gezichtspunten van ‘lang geleden’ die niet zijn achterhaald. Die zelfs nog volop kiemkracht hebben voor de toekomst. 

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3562-3346

.

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Aanvulling Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-3)

.
In [1-2-3] gaf ik verschillende meningen over ‘geest’, ‘bewustzijn’, brein.
Er vindt veel hersenonderzoek plaats en op grond daarvan worden meningen gevormd.

In ‘HersenMagazine’ = Bewustzijn = 16e jrg. nr.3 2018 is een interview afgedrukt. 
Er worden gezichtspunten gegeven, die, wanneer je je verdiept in het werk van Steiner, bekend voorkomen.* 

‘Bewustzijn is ongrijpbaar’

.

Is bewustzijn verbonden met de hersenen? Zo ja, hoe? En kun je bewustzijn in de hersenen aanwijzen? Negen vragen aan psychiater en filosoof prof. Gerrit Glas van de Vrije Universiteit Amsterdam over dit boeiende onderwerp.

Wat is bewustzijn?

‘De term bewustzijn heeft verschillende betekenissen. Als iemand “bij bewustzijn” is, dan is die persoon wakker. Bewustzijn hebben we nodig om bijvoorbeeld ons gedrag te kunnen coördineren en te kunnen plannen. Er is ook zelfbewustzijn: we zijn ons vrijwel voortdurend bewust van onszelf.’

Wat is het verband tussen bewustzijn en de hersenen? 

‘Zonder hersenen is er geen bewustzijn. De hersenen zijn betrokken bij alles wat met bewustzijn te maken heeft. Maar de precieze relatie is niet duidelijk. Bewustzijn is niet te verklaren door één proces in de hersenen. Het is ook moeilijk om die relatie te onderzoeken. Als een wetenschapper op een hersenscan een bepaalde verandering in de hersenen ziet optreden, dan is dat op zich nog geen verklaring voor het bewustzijnsproces.’

Hoe vindt onderzoek plaats naar bewustzijn?

‘Veel bewustzijnsonderzoek richt zich op aandacht, planning en het sturen van gedrag. Tijdens bewustzijnsonderzoek krijgen proefpersonen een opdracht en wordt er onderzocht welke hersenprocessen op dat moment spelen. Er zijn ook studies met patiënten die in een vegetatieve toestand verkeren: de patiënt is dus niet bij bewustzijn. Men dacht altijd dat het brein dan ook niet functioneert. Toch wordt soms wel iets van hersenactiviteit waargenomen, bijvoorbeeld als deze mensen reageren op geluid of op een vraag. Er zijn aanwijzingen dat een deel van deze patiënten toch een vorm van bewustzijn kan hebben.’

Verandert dit de kijk op de hersenen?

‘Jazeker. Vroeger was het idee dat het brein grofweg is opgebouwd uit drie delen: een deel dat de lichaamsfuncties regelt, een emotioneel deel en een deel voor organisatie en planning van wat je doet. Als het ware een gebouw met drie verdiepingen, waarbij bij coma de bovenste twee verdiepingen voor emotie en planning weg zijn. Maar dit is een te eenvoudig beeld. Het ligt ingewikkelder en subtieler.’

Waren er vroeger al ideeën over hersenen en bewustzijn?

‘Van oudsher werden lichaam en “geest”, oftewel bewustzijn, vaak los van elkaar gezien. Hersenonderzoek laat zien dat bewustzijn heel nauw met ons lichaam en dus ook met onze hersenen verbonden is. Zo is ons zelfbewustzijn heel sterk verbonden met allerlei signalen die we uit ons lichaam ontvangen.’

Hoe wordt nu gedacht over hersenen en bewustzijn?

‘Een belangrijk nieuw idee is dat het brein is ingebed in het hele lichaam, onder andere via het zenuwstelsel. Het lichaam staat op zijn beurt in relatie tot de omgeving en reageert op de omgeving via de zintuigen. We kunnen iemands psychologisch functioneren daarom niet los zien van de omgeving. Vroeger zagen we de hersenen als een orgaan dat zich in de schedel bevindt. Tegenwoordig beschouwen we het brein als een enorm complex geheel van netwerken, die zelf ook weer verbonden zijn met het lichaam en de omgeving.’

Is er ook een relatie tussen omgeving en bewustzijn?

‘Bewustzijn werd vaak alleen maar gezien als een product van de hersenen. Net zoals de galblaas gal produceert. Nu speelt de omgeving – de context – inderdaad een grotere rol. Op allerlei niveaus, van de basale biologie tot aan de psychologie, moet de omgeving worden meegewogen. Maar hoe betrek je de omgeving bij hersenonderzoek? Dat is ingewikkeld. In de psychiatrie worden daarmee nu de eerste stappen gezet.’

Zelfbewustzijn bestaat ook uit gedachten over ziekte. Kun je die gedachten beïnvloeden?

‘Er vindt momenteel veel onderzoek plaats naar het effect van meditatie op iemands functioneren en op het algehele gevoel van welbevinden en gezondheid. Dat effect blijkt positief. Het is mogelijk om met meditatie bijvoorbeeld angst te verminderen. Vaak is dat tijdelijk, maar het kan iemand toch helpen.’

Waarom vinden we bewustzijn interessant of belangrijk?

‘Bewustzijn heeft iets mysterieus. Het is ongrijpbaar en we kunnen niet aanwijzen waar het precies zit in het lichaam. En bewustzijn is nauw verbonden met zelfbewustzijn. Dat roept filosofische vragen op. In hoeverre kan ik mijn gedrag en mijn leven sturen? Waar blijft het bewustzijn na de dood? Is er een hiernamaals? Hoe ziet dat eruit? Bestaan er andere werelden die niet voldoen aan de wetmatigheden zoals we die hier kennen? Voor vrijwel iedereen zijn dat boeiende onderwerpen. Het antwoord op die vragen bepaalt hoe je in het leven staat.’

*Antwoorden op bovenstaande vragen vind je ruimschoots in het werk van Steiner.
Neem de hier gestelde vraag: ‘Bestaan er andere werelden die niet voldoen aan de wetmatigheden zoals we die hier kennen?‘, dan is een antwoord daarop al in dit artikel gegeven:
Immers: als het bewustzijn – hier ook gelijkgesteld aan geest = ongrijpbaar is, dan kan er maar één conclusie zijn: dan hoort het niet bij de grijpbare wereld. Dat is de fysieke wereld, zoals Steiner deze noemt. Dan behoort het bewustzijn tot een niet-fysieke wereld. Dus tot een andere wereld. Waarom zouden we die niet de wereld van het bewustzijn noemen of de wereld van de geest. 

Daarmee spreek je uit dat de geest een realiteit is, een andere dan de fysieke, maar wél een realiteit. 

Waarom zien we vaker deze gezichtspunten, maar wordt de gedachte niet consequent dóór gedacht: er is dus kennelijk een niet-fysiek zichtbare tweede wereld: die van de geest. 

Je kan de Hersenstichting steunen met een gift op rekeningnummer

NL18 INGB 0000 000 860

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Breinbreker (nieuw)

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing volgt later

Alle breinbrekers

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle ‘gewone’ raadsels

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

.

Zie ‘voorwoord‘.

In GA 294 – Opvoedkunst – spreekt Steiner aan het begin van voordracht 12 (3 sept.1919) over dit onderwerp.
Die tekst is als artikel weergegeven. Er zijn een aantal passages weggelaten. Die heb ik erin gelaten.

Het gevoel dat Steiner hier beschrijft van onvrede wanneer je iets uit je omgeving niet snapt, kennen de meesten van ons – ik in ieder geval – wel. Bv. wanneer er iets niet lukt op de pc. Je begrijpt niet hoe het werkt en wat je moet doen. Dat lukt wellicht door informatie, maar niet door eigen inzicht en kennis.
En zo worden we elke dag omringd door talloze dingen waarvan we gebruik maken, maar niet weten hoe ze eigenlijk werken of zijn gemaakt.

Steiner noemt uiteraard dingen die er in zijn tijd waren en nu niet meer: wie reist er nog per stoomtrein.
Maar de idee is springlevend. Want hoe goed zou het niet zijn dat jongelui de basale werking van de computer begrijpen; dat ze zelf eenvoudig kunnen programmeren; dat ze doorzien wat een algoritme is; hoe hun telefoon werkt, enz. enz. Ik weet dat er vrijescholen zijn die daar bewust mee bezig zijn.
En ook in de verschillende stageperiodes kunnen de leerlingen van dichtbij het ‘echte leven’ ervaren.

Hoe techniekonderwijs werkt
.

We moeten onder ogen zien dat de relaties van de mens met zijn omgeving veel gecompliceerder zijn en meer omvatten dan de dingen die wij ons altijd bewust zijn.
Vanuit de meest verschillende gezichtspunten heb ik u, zoals u weet, het karakter en de betekenis proberen duidelijk te maken van de onbewuste en onderbewuste
processen in de ziel.°
° Voetnoot in de vertaling: 
onbewuste en onderbewuste processen in de ziel: Zie vooral de zesde en negende voordracht in Algemene menskunde

En vooral op het gebied van de pedagogie, van het onderwijs, is het van groot belang dat de mens opgevoed wordt op een manier die niet alleen recht doet aan zijn bewustzijn, maar ook aan zijn onderbewustzijn, zijn onder- en onbewuste zielenkrachten.
Daarom moeten we, als we werkelijk opvoeder en pedagoog willen zijn, op de subtielere kanten van de menselijke natuur ingaan.

We hebben de drie fasen in de menselijke ontwikkeling leren kennen die zich manifesteren tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid en die tot de eerste jaren na de basisschool reiken. En daarbij moeten we goed bedenken dat vooral in de laatste van deze levensfasen het onderbewuste naast het bewustzijn een grote rol speelt, een rol die van betekenis is voor het hele verdere leven.
Ik zou dit willen verduidelijken door de zaak nog vanuit een ander gezichtspunt te benaderen.

Bedenkt u eens hoeveel mensen tegenwoordig met elektrische treinen reizen, die er geen flauw benul van hebben waar de voortbeweging van zo’n elektrische trein eigenlijk op berust. Bedenkt u hoeveel mensen tegenwoordig zelfs nog een stoommachine in de vorm van een locomotief voorbij zien razen, zonder dat ze enig besef hebben van de natuurkundige en mechanische krachten die zo’n stoommachine in beweging brengen. Denkt u zich eens in, hoe wij door dit niet-weten eigenlijk als mensen tegenover onze omgeving staan – een omgeving waar we zelfs gebruik van maken. Wij leven in een wereld die door mensen is gemaakt, die naar menselijke gedachten is gevormd, die we gebruiken en waar we niets van begrijpen. Dat we niets begrijpen van iets wat door mensen
is gevormd, wat in feite het product van menselijke gedachten is, dat heeft een groot effect op de hele psychische en geestelijke stemming van de mens. De mensen moeten zichzelf eigenlijk verdoven om de werkingen die hiervan uitgaan niet waar te nemen.
Ik vind het altijd heel bevredigend als ik zie dat mensen uit – tja, hoe moet je dat noemen, zonder te kwetsen –, uit de betere standen een fabriek binnenstappen en zich daar bepaald onbehaaglijk voelen. Dat komt doordat ze merken dat er uit hun onderbewuste een gevoel opduikt, het gevoel dat ze alles wat er in die fabriek geproduceerd wordt gebruiken en toch zelf als mens geen enkele relatie hebben met wat er in die fabriek gebeurt. Ze weten er niets van. Als je – om iets bekends te noemen  – het onbehagen waarneemt bij iemand die een echte roker is, die de Waldorf Astoria-sigarettenfabriek binnenstapt en geen flauw benul heeft van wat daar gebeurt om hem zijn sigaretten te bezorgen, dan ben je eigenlijk al blij dat deze persoon in ieder geval zijn niet-weten nog kan waarnemen, het feit dat hij niets weet van deze uit menselijke gedachten voortgekomen omgeving waarin hij leeft en waarvan hij de producten gebruikt. En wanneer mensen die niets van de werking van een elektrische tram begrijpen, steeds met een licht gevoel van onbehagen de tram in- en uitstappen, dan ben je al blij.
Want dat lichte gevoel van onbehagen is al het eerste begin van een
verbetering op dit gebied.

Het ergste is deel uit te maken van een door mensen gemaakte wereld, zonder naar die wereld om te kijken.

Deze dingen kunnen we alleen tegengaan als we daarmee al in het twaalfde jaar beginnen. We moeten leerlingen van veertien, vijftien jaar niet van school laten gaan ° zonder dat ze tenminste een elementair begrip hebben van de belangrijkste maatschappelijke processen.
° Voetnoot in de vertaling:
leerlingen van veertien, vijftien jaar niet van school laten gaan: Deze uitspraak houdt verband met de Duitse Volksschule.

Dan krijgen ze het verlangen om bij iedere gelegenheid nieuwsgierig, weetgierig te zijn naar wat er om hen heen gebeurt, en dan ontwikkelen ze vanuit deze nieuwsgierigheid en weetgierigheid hun kennis verder.
Daarom moeten we in de eerste jaren van de bovenbouw alle afzonderlijke lesthema’s breed inzetten voor de sociale vorming van de mens, op dezelfde manier als we zulke afzonderlijke thema’s in de aardrijkskunde verwerken om,
zoals ik dat in de vorige voordracht exemplarisch beschreven heb, tot een soort totaal-aardrijkskunde te komen.
Dat wil zeggen, we moeten niet nalaten de kinderen vanuit de natuurkundige begrippen die we behandeld hebben vertrouwd te maken met het arbeidsproces in ieder geval in die bedrijfstakken die ze kennen. Over het algemeen moet een kind met veertien, vijftien jaar een idee hebben van wat er in een zeepfabriek
of in een spinnerij gebeurt. We moeten dat natuurlijk zo economisch mogelijk doen. Ieder veelomvattend arbeidsproces laat zich wel terugbrengen tot iets kernachtigs; wat zich gecompliceerd afspeelt kan heel elementair worden samengevat. Ik denk dat de heer Molt ° mij gelijk geeft als ik beweer dat we door economisch te werk te gaan kinderen heel goed in enkele korte zinnen het hele fabricageproces van sigaretten kunnen bijbrengen, zelfs van begin tot eind, als ze daarbij tenminste kunnen teruggrijpen op de al behandelde leerstof.
° Voetnoot in de vertaling:
Emil Molt (1876-1936), eigenaar van de Waldorf-Astoria-sigarettenfabriek in Stuttgart en initiator van de ‘Freie Waldorfschule’.

Het is een grote weldaad voor kinderen van dertien, veertien, vijftien, zestien jaar wanneer ze op deze manier in verkorte vorm bedrijfstakken leren kennen.

Het zou goed zijn als ze in die jaren een soort schrift zouden aanleggen waarin zou staan: ‘Zeepfabriek’, ‘Sigarettenfabriek’, ‘Spinnerij’, ‘Weverij’ enzovoort. We hoeven echt niet meteen uitvoerig op mechanische of chemische technologie in te gaan, maar als de leerlingen zo’n schrift zouden aanleggen, zouden ze daar heel veel aan hebben.
Zelfs al zouden ze het kwijtraken, er blijft toch een residu. Aan zo’n schrift zou een mens niet alleen te danken hebben dat hij die dingen weet, nee, het belangrijkste is dat hij later in zijn leven en in zijn beroep voelt: ik heb die dingen ooit leren kennen, ik heb ze doorgenomen. Dat geeft namelijk een bepaalde zekerheid van handelen. Dat versterkt de zekerheid waarmee een mens in de wereld optreedt. Dat is heel belangrijk voor de wilskracht en besluitvaardigheid van een mens. U zult in geen enkel beroep doortastende, initiatiefrijke mensen krijgen, als ze niet zo in de wereld staan dat ze ook bij dingen die niet tot hun beroep behoren het gevoel hebben: ooit heb ik dat – al was het elementair – leren kennen. Ook al zijn ze dat vergeten, een residu, een rest daarvan nemen ze met zich mee.
Ja, we leren natuurlijk al heel veel op school. En in het aanschouwelijk onderwijs, dat zo vaak ontaardt in banaliteiten, wordt de leerlingen natuurlijk ook zoiets bijgebracht. Maar dan kunnen we meemaken dat er later helemaal niet het gevoel bestaat: dat heb ik meegekregen, en wat een geluk dat ik dat heb meegekregen – nee, dan is er het gevoel: dat ben ik godzijdank vergeten, en het is goed dat ik vergeten ben wat ik toen geleerd heb. Dit gevoel moeten we eigenlijk nooit in mensen oproepen. Ontelbare dingen zullen later, wanneer we in een of ander beroep terechtkomen, uit ons onderbewuste omhoogschieten, als we in onze jeugd onderwijzers hebben gehad die in acht hebben genomen wat ik net heb gezegd.

Tegenwoordig is alles in het leven gespecialiseerd. Dat specialiseren is eigenlijk vreselijk. En er is in het leven hoofdzakelijk zoveel gespecialiseerd omdat we in het onderwijs al met specialiseren beginnen.
Wat daarmee is gezegd zou je kunnen samenvatten met de woorden: alles wat een kind in de loop van zijn schooljaren leert, moet uiteindelijk zodanig verbreed worden dat overal lijnen getrokken kunnen worden naar de praktijk. Nietwaar, heel veel dingen die nu niet sociaal zijn, zouden sociaal gemaakt kunnen worden als bij ieder van ons tenminste een beginnend inzicht zou worden opgeroepen in dingen die niet direct met ons latere beroep te maken hebben.
Zo zou de vakwereld eigenlijk ook eens goed moeten bekijken hoe de dingen worden aangepakt op gebieden waar nog volgens oudere, goede – zij het misschien atavistische – pedagogische inzichten wordt gewerkt. Ik wijs daarbij altijd graag op een heel opmerkelijk verschijnsel.

Toen wij, die al wat ouder zijn, in Oostenrijk naar de Mittelschule gingen, hadden we relatief goede leerboeken voor meetkunde en rekenen. Die zijn nu verdwenen. Een paar jaar geleden heb ik in Wenen in allerlei antiquariaten rondgeneusd, op zoek naar oudere boeken over meetkunde. Want ik wilde nog een keer fysiek voor ogen hebben wat wij jongens bijvoorbeeld in Wiener-Neustadt met zoveel plezier hebben meegemaakt:°
°Voetnoot in de vertaling:
in Wiener-Neustadt … hebben meegemaakt: In Wiener-Neustadt, ten zuiden van Wenen, bezocht Rudolf Steiner de ‘Realschule’, een middelbare
school met de nadruk op bèta-vakken.

op de eerste schooldag kwamen de leerlingen van de tweede klas altijd naar de nieuwe eersteklassers toe op de gang en riepen: ‘Fialkowskiy, Fialkowskiy, morgen moet hij betaald worden!’
Dat wil zeggen, wij leerlingen van de eerste klas namen het meetkundeboek van Fialkowskiy ° over van de leerlingen uit de tweede klas en we namen de volgende dag het geld voor ze mee.
° Voetnoot in de vertaling:
Nikolaus Fialkowskiy, architect en leraar geometrie en geometrisch tekenen aan de Weense ‘Communal-Realschule’. Bedoeld is zijn Lehrbuch der Geometrie und des Zeichnens geometrischer Ornamente, Wenen en Leipzig 1882

Zo’n ‘Fialkowskiy’ heb ik weer opgedoken, en dat heeft me veel plezier gedaan, want je ziet aan dat boek dat ze vroeger eigenlijk veel betere meetkundeboeken konden schrijven dan later. Want de boeken van tegenwoordig die in de plaats van die oudere zijn gekomen, zijn eigenlijk heel vreselijk. Met name op het gebied van rekenkunde en meetkunde is het erg.
Maar als we een klein beetje teruggaan in de tijd en aan de generaties denken die voor ons waren en die wij nog hebben meegemaakt, dan waren de leerboeken toen nog beter. Die waren bijna allemaal voortgekomen uit de school van de Oostenrijkse benedictijnen. Het zijn de benedictijnen die die wiskunde- en meetkundeboeken hebben geschreven. En die waren heel goed, omdat de benedictijner orde de katholieke orde is die er zeer aan hecht dat haar leden goed meetkunde- en wiskundeonderwijs krijgen. In het algemeen hebben de benedictijnen de instelling dat het eigenlijk dwaasheid is als iemand de kansel op gaat en het volk toespreekt zonder dat hij meetkunde en wiskunde kent.

Dit eenheidsideaal, dat de menselijke ziel vervult, dat moet het onderwijs doortrekken. Er moet iets van de hele wereld leven in ieder beroep. En vooral iets van de tegenpolen van je beroep, van wat je denkt in je beroep bijna niet te kunnen gebruiken, moet erin zitten. Een mens moet zich als het ware met het tegengestelde van zijn eigen beroep bezighouden. Maar het verlangen om dat te
doen krijgt hij alleen als hij zo onderwezen wordt als ik het nu heb aangeduid.

Met name in de tijd waarin het materialisme zich sterk heeft uitgebreid, in de laatste dertig jaar van de negentiende eeuw, is dit materialisme ook diep doorgedrongen in de didactiek, met het gevolg dat men de specialisatie als zeer belangrijk beschouwde. Denkt u niet dat u een kind idealistisch maakt, als u in de jaren van de bovenbouw niet het verband legt tussen de leerstof en de praktijk. Denkt u niet dat een kind idealistischer wordt in zijn latere leven, als u het in die jaren opstellen laat schrijven over allerlei sentimentele gevoelens ten aanzien van de wereld: over de zachtmoedigheid van het lam, over de wildheid van de leeuw en dat soort dingen, over de goddelijke natuur. Daardoor maakt u een kind niet idealistisch. In werkelijkheid stimuleert u ook het idealisme in een kind veel beter, als u niet zo direct, zo plompverloren op dat idealisme aanstuurt.
Waardoor zijn de mensen de laatste tijd eigenlijk zo a-religieus geworden? Eenvoudig doordat er veel te sentimenteel en abstract wordt gepreekt. De mensen zijn zo a-religieus geworden omdat de kerk de goddelijke geboden zo weinig in acht neemt. Neem bijvoorbeeld het gebod: ‘Gij zult de naam van de Heer, uw God, niet ijdel gebruiken.’ Wie dat gebod in acht neemt en niet na iedere vijfde zin de naam Jezus Christus noemt of over de goddelijke wereldorde spreekt, die krijgt meteen verwijten van de kant van zogenaamd kerkelijke mensen, want die horen het liefst dat je in iedere zin Jezus Christus en God zegt. Een ingetogenheid die van een innerlijk godsbesef uitgaat, die het zelfs vermijdt voortdurend ‘Heer, Heer’ in de mond te nemen, die ingetogen houding wordt tegenwoordig juist in kerkelijke kringen niet als religieus beschouwd. En als de boodschap die iemand te brengen heeft, doortrokken is van dit beschroomd zich uitende goddelijke, dat hij niet sentimenteel voor op de tong heeft, dan hoort hij tegenwoordig van alle kanten, als gevolg van een verkeerde opvoeding:
‘Nu, die zou veel meer over het christendom en dergelijke moeten spreken.’

Wat ik hier aanstip, moet wel degelijk ook in het onderwijs in acht worden genomen, en wel door de leerstof met name in het dertiende, veertiende, vijftiende levensjaar niet zozeer in het sentimentele te trekken, maar meer in lijn te brengen met de praktijk. Zo zou eigenlijk ieder veertienjarig kind in de rekenles de regels van tenminste de eenvoudigste boekhoudsystemen moeten
hebben geleerd. En de principes van de grammatica, de taalregels moeten in die jaren niet zozeer in het soort opstellen worden geoefend die een menselijke binnenwereld presenteren waarin zogezegd alleen suikerstroop circuleert – want zo zijn die opstellen meestal die men kinderen van twaalf tot vijftien jaar laat schrijven: een soort veredelde afspiegeling van de geest die tijdens borreluurtjes of bij theekransjes heerst – nee, men moet de taalles laten uitmonden in het zakelijke opstel, de zakelijke brief. En ieder kind zou op zijn zestiende tenminste een paar standaardvoorbeelden van zakelijke brieven geschreven moeten hebben.
Zegt u niet dat een kind dat later ook nog wel kan leren. Natuurlijk, als iemand grote hindernissen weet te overwinnen, kan hij dat later ook nog leren, maar inderdaad alleen met verschrikkelijk veel moeite.
U bewijst kinderen een grote weldaad als u ze leert om hun grammaticale kennis, hun taalkennis toe te passen in zakelijke opstellen, zakelijke brieven. In onze tijd mag er eigenlijk niemand zijn die nooit een fatsoenlijke zakelijke brief heeft leren schrijven. Natuurlijk, het is mogelijk dat hij het later niet nodig heeft, maar
toch zou iedereen ooit een adequate zakelijke brief geschreven moeten hebben. Hebben we een kind in zijn dertiende tot vijftiende jaar hoofdzakelijk met sentimenteel idealisme overvoerd, dan krijgt het later een afkeer van idealisme en wordt het een materialist. Brengen we een kind in die jaren in aanraking met de praktijk van het leven, dan houdt het ook een gezonde relatie tot de idealistische behoeften van zijn ziel, die alleen uitgedoofd kunnen worden wanneer daaraan op jonge leeftijd een onzinnig appel wordt gedaan.

GA 294 voordracht 12
Vertaald/163 bij Stichting Rudolf Steinervertalingen.
Je kan de stichting steunen zodat er meer van Steiner vertaald kan worden.

.

3e klas heemkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 3e klas heemkunde

[4-2Handvaardigheid
Hugo Pronk over: spinnen in klas 10.

[4-3Koperslaan klas 10
Kleine impressie van het koperslaan in een vrijeschoolklas

Een bezoek aan de bouwplaats

.

3561-3345

.

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – woordallerlei (121)

.
Toegevoegd aan de lijst

HANDHAVEN

Dit werkwoord komen we tegen in de betekenis ‘zorgen voor de naleving van (de orde of regels en wetten)’, maar ook – denk aan de spreuk op ons wapen ‘ik zal handhaven’ – ik houd vol.
Je kan je mening handhaven – die neem je dan niet terug.

Het komt ook wederkerig voor – ‘zich handhaven’, d.i. je staande houden, bv. in moeilijke tijden; ‘over iets waken’ of ‘beschermen’.

Handhaven komt uit het Frans ‘maintenir’ -‘je maintiendrai’ op het Rijkswapen.

In het Volkslatijn bestaat manutenere, met de betekenis ‘bewaren, beschermen’. Dat zie je in het Engels terug: to mantain en het Duits heeft handhaben (hanteren, bedienen, toepassen).

Manus = hand en tenere = houden.

Maar het is ook verwant met havenen, dat nu beschadigen (denk aan ‘gehavend’) en mishandelen betekent, maar dat in het Middelnederlands een veel minder ongunstige betekenis had (‘met zorg behandelen’ of ‘van het nodige voorzien’). Net als havenen gaat het tweede deel van handhaven terug op dezelfde voor-Germaanse woordvorm waarop ons werkwoord hebben (bezitten, beschikken over, in handen houden/hebben) terug te voeren is. O.a. ‘de levende have’, ‘have en goed’ en het Engelse to have.

.

Zie ook spelling

Nederlandse taalalle artikelen

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 22 november 1920

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

Kinderen met problemen: lethargisch, apathisch, lichaamsoriëntatie; geen slapheden tolereren: krijtje goed vasthouden, niet sjokken; gedachtevlucht, onsamenhangend schrijven; soms niet meteen ingaan op een gedraging, maar pas de volgende dag. <1>
Spreken in koor goed, maar individueel controleren! <2>
Kletsen, lawaai, niet opletten; spanning, nieuwsgierigheid wekken <3>
Snel gekwetst, invloed moeder <4>
Geen interesse in euritmie: vormen tekenen en uitvoeren <5>
Prentenboek met beweegbare platen <6>
Hulpje om GGD vast te stellen <7>

 

RUDOLF STEINER

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924

Erster Band Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1 Het eerste en tweede schooljaar

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A

Blz. 244

Vergadering van maandag 22 november 1920, 16—18.30u

Blz. 244 en 245 zijn hier vertaald met het oog op de muurversieringen in de school.

Blz. 245/246

Dann ist da eine Sache, die ich zur Sprache bringen muß. Es sind allerlei Dinge im Bau begriffen. Nun, nicht wahr, ist es so, daß der musikalische Unterricht unter dem Nichtvorhandensein von geeigneten Räumen an allen Möglichkeiten des fruchtbaren Unterrichtes leidet. Das ist doch eine Kalamität. Nicht wahr, wenn halt der Musiklehrer taub wird dadurch, daß er in einem ganz ungeeigneten Raum unterrichten muß, so ist das eine Kalamität. Das ist etwas, dem abgeholfen werden müßte. Man hat eine solche Befriedigung für die
Waldorfschule, wenn so ein Quartett auftritt. Das zeigt, was geleistet werden könnte, wenn alle Grundlagen da wären. Es wäre gut, wenn eine gewisse Sicherheit dafür vorhanden ist, daß darauf Rücksicht genommen wird, daß die Musik tatsächlich einmal für drei, vier Jahre ordentlich untergebracht ist.

Dan is er nog één ding dat ik moet aankaarten.
Er wordt van alles gebouwd. Is het niet zo dat muziekonderwijs lijdt onder het gebrek aan geschikte ruimtes, waardoor vruchtbaar onderwijs onmogelijk wordt? Dat is een ramp. Is het niet zo dat als de muziekdocent doof wordt doordat hij les moet geven in een volstrekt ongeschikte ruimte, dat ook een ramp is? Dat moet verholpen worden. Je krijgt zoveel voldoening van de Waldorfschool als zo’n kwartet optreedt. Dat laat zien wat er bereikt kan worden als alle fundamenten op hun plaats liggen. Het zou goed zijn als er enige garantie was dat er rekening wordt gehouden met de huisvesting van muziek gedurende drie of vier jaar.

X.: Ein Musiksaal ist vorgesehen.

X.: Er is een muziekzaal gepland.

Dr. Steiner: Ist der Musiklehrer als Sachverständiger zugezogen worden? Das wäre notwendig, daß Sie das selbst anordnen, was Sie
wollen. Es müßte schon dafür gesorgt werden, daß die Turnhalle zu
gleicher Zeit für den musikalischen Teil der Schule etwas hat.

Is de muziekdocent als expert geraadpleegd? Dat zou nodig zijn, zodat u zelf kunt regelen wat u wilt. Er moet voor gezorgd worden dat de gymzaal tegelijkertijd ook beschikbaar is voor het muziekonderwijs van de school.

Der Musiklehrer: Ich brauche auch für die Vorbereitung des Unterrichts einen
geeigneten Raum. Ich müßte etwas klanglich ausprobieren.

De muziekleraar: Ik heb ook een geschikte ruimte nodig voor de lesvoorbereiding. Ik moet wat experimenteren met geluiden.

Dr. Steiner: Es wäre notwendig, daß diese Sachen so eingerichtet werden, wie Sie es selbst angeben.
Werden genügend große Räume da sein für den Handfertigkeitsunterricht? Wie kommen Sie durch mit allen Kindern? Wenn Sie immer solch einen Trupp haben, dann können Sie kaum durchkommen.

Het is noodzakelijk dat deze ruimtes worden ingericht zoals u zelf aangeeft.
Zijn er voldoende grote ruimtes voor de handvaardigheidslessen? Hoe gaat om al die kinderen in toom houden? Als u altijd zo’n grote groep hebt, zult u het nauwelijks redden.

X.: Es fängt mit der 6. erst an.

X.: Het begint pas in de 6e.

Dr. Steiner: Trotzdem weiß ich nicht, ob Sie durchkommen können.
Viel mehr hat man nicht Platz in den Räumen, die ein Winkelwerk
sind. Die Kinder werden krank werden. Das wären Fingerzeige, die
notwendig gewesen wären zu beachten.
Jetzt möchte ich, daß sich die Freunde aussprechen über die Dinge,
die sie gerne besprochen hätten.

Zelfs dan weet ik niet of u het wel aankunt.

Er is niet veel ruimte meer in de lokalen, die een doolhof van hoekjes zijn. De kinderen zullen ziek worden. Dit zijn waarschuwingssignalen waar men rekening mee had moeten houden.
Nu wil ik graag dat de vrienden vertellen wat ze graag hadden willen bespreken.

X.: Ich wollte fragen, wie man Kinder behandeln soll, die lethargisch sind.

<1> X.: Ik wil graag vragen hoe je omgaat met kinderen die lusteloos zijn.

Dr. Steiner: Wie ist der Sch. im Handfertigkeitsunterricht? Er geht
so komisch. Ich habe im vorigen Jahre bei einigen schwach begreifenden Kindern so etwas als Grundübungen angegeben, daß sie am
eigenen Körper denken mußten. ,,Greife mit dem rechten dritten
Finger deine linke Schulter an.” Solche Dinge werden sie am eigenen

Hoe gaat het met Sch. in de handvaardigheidsles? Hij loopt zo vreemd. Vorig jaar gaf ik een aantal kinderen met leerproblemen eenvoudige oefeningen waarbij ze in termen van hun eigen lichaam moesten denken. “Pak je linkerschouder vast met je rechter middelvinger.” Ze moeten over zulke dingen nadenken in termen van hun eigen lichaam.

Körper denken müssen. Ich habe auch gezeigt, man zeichnet ihnen etwas auf, was man stilisiert; sie müssen daraufkommen, was das ist.
Oder man läßt sie das Symmetrische dazu machen. Man bildet Anschauungen, die mit dem Körperbau zusammenhängen. Diese Übungen in den Unterricht eingefügt, sind außerordentlich weckend für schläfrige Kinder. Bei diesem Jungen ist das Schlaf.
Ich würde Sie darum bitten, bei den Kindern keine Lässigkeit im Kleinen zu dulden. Nicht dulden, daß die Kinder die Kreide halten wie die Feder, daß die Kinder keine Ungeschicklichkeit begehen.
Auf solche Sachen würde ich ganz stark achten. Fast die Hälfte der Kinder hält die Kreide schlecht. Das muß man ihnen nicht durchlassen. Auf diese Dinge muß man doch furchtbar stark sehen.
Ich würde den Kindern nicht gestatten, so herauszutröpfeln, wie heute das kleine Mädchen. Da würde ich trachten, daß die sich den Gang bessern kann. Das hat ungeheuer viel Weckendes.
Der N. in der 6. ist auch so sehr apathisch. Bei dem würden solche Übungen sehr rasch helfen.
Ich würde auch eine Zeitlang sehr sehen auf das kleine Mädchen in der 4. Klasse, rückwärts auf der rechten Seite. Die neigt dazu, sich furchtbar viel auszudenken. Sie hat sich ausgedacht, daß die ganze Szene von dem ,,Lied vom braven Mann” am Mittelländischen Meer spielt. 

Ik heb ook laten zien dat je iets gestileerds tekent; ze moeten dan bedenken wat het voorstelt.

Of je laat ze de symmetrie daarbij vinden. Je vormt concepten die te maken hebben met de structuur van het lichaam. Deze oefeningen, die in de lessen zijn verwerkt, zijn buitengewoon stimulerend voor slaperige kinderen. In het geval van deze jongen is dat slaap.

Ik wil u daarom vragen om geen enkele onzorgvuldigheid bij de kinderen te tolereren, zelfs niet in kleine dingen. Tolereer niet dat de kinderen het krijtje als een pen vasthouden, tolereer niet dat de kinderen onhandig zijn. Ik zou daar heel goed op letten. Bijna de helft van de kinderen houdt het krijtje slecht vast. Dat mag u niet laten gebeuren. U moet hier heel goed op letten.

Ik zou de kinderen niet laten sjokken met hun gangetje, zoals het meisje vandaag deed. Ik zou proberen ervoor te zorgen dat ze haar gangetje kan verbeteren. Dat heeft een enorm stimulerend effect.

N. in groep 6 is ook erg apathisch. Zulke oefeningen zouden hem snel helpen.

Ik zou ook het meisje in groep 4, rechtsachter, een tijdje goed in de gaten houden. Ze verzint namelijk van alles. Zo heeft ze zich bijvoorbeeld voorgesteld dat de hele scène uit “Het lied van de goede man” zich afspeelt aan de Middellandse Zee.

Das alles schreibt sie in Anlehnung an das Lied vom braven Mann. „Der Tauwind kam vom Mittagsmeer.” Von da aus macht sie eine phantastische Geographie. Mit diesem kleinen Mädchen muß man oft sprechen, die ist der Gefahr ausgesetzt, an Gedankenflucht zu leiden. „Das Ägäische Meer fließt ins Mittelländische Meer.”
Der Junge, der Kleine — es sind einzelne darunter, die haben eine reizende Schrift, einzelne sind sehr weit —, der kleine Junge schreibt so, wie mancher kommunistische Redner redet. Er paßt dann nicht auf. Er schreibt ohne Zusammenhang, wie ein Redner vom Kommunismus redet. Für den wären auch solche Übungen weckend.

Ze schrijft dit alles met verwijzing naar het lied over de dappere man. “De dooi kwam van de middagzee.” Van daaruit creëert ze een fantastische geografie. Je moet vaak met dit meisje praten; ze loopt het risico op gedachtevlucht. “De Egeïsche Zee stroomt in de Middellandse Zee.”

De jongen, de kleine – sommigen hebben een charmant handschrift, anderen zijn heel begaafd – de kleine jongen schrijft zoals sommige communistische redenaars praten. Hij let dan niet op. Hij schrijft onsamenhangend, zoals een spreker over het communisme praat. Zulke oefeningen zouden hem ook stimuleren.

-X. fragt wegen F. L.

-X. vraagt ​​naar F.L.

Dr. Steiner: Der Junge, der F. L., müßte vielleicht doch oft aufgerufen werden. Es ist nicht so schlimm. Er ist nur verträumt. Er kommt mit sich selbst schwer zurecht. Er müßte das Gefühl haben, man interessiert sich für ihn. Dann wird es sofort gehen. Es geht doch jetzt besser.

De jongen, F.L., zou misschien vaker aan het woord moeten komen. Het is niet zo erg. Hij is gewoon een beetje dromerig. Hij heeft moeite om met zichzelf om te gaan. Hij moet voelen dat iemand in hem geïnteresseerd is. Dan zal het meteen lukken. Het gaat nu beter.

X.: Er spricht in der Stunde nicht mit.

X.: Hij spreekt niet mee in de les.

Dr. Steiner: Ob er sich nicht aufraffen könnte? Er hat eine

Blz. 248

fortwährende Angst, daß man ihn nicht lieb hat. Das ist sein Grundphänomen. Man soll nicht hinter ihm etwas suchen.

Zou hij zich niet kunnen herpakken? Hij heeft een aanhoudende angst dat hij niet geliefd is. Dat is zijn fundamentele karaktertrek. Je moet niet achter zijn gedrag een diepere betekenis zoeken.

X.: Was würden Sie raten für Ch. D. in der 2. Klasse?

X.: Wat zou u  aanraden voor Ch. D. in de tweede klas?

Dr. Steiner: Hat sie etwas angenommen vom Unterrichtsinhalt? Was
haben Sie gegen sie?

Heeft ze iets van de lesstof begrepen? Wat heeft u tegen haar?

X.; Ich werde charakterlich nicht fertig.

X.: Ik kan haar karakter niet aan.

Dr. Steiner: Setzen Sie sich ganz in die Nähe und bemerken Sie nicht, wenn sie mit Ihnen kokettiert. Bemerken Sie es zunächst nicht, und immer erst am nächsten Tag sprechen Sie mit ein paar Worten über das, was sie ausgefressen hat am ersten Tag. Nicht wenn es gerade ausgefressen wird, sondern vierundzwanzig Stunden danach.

Ga heel dicht bij haar zitten en doe alsof u niet merkt dat ze met u koketteert. Merk het in eerste instantie niet op, en spreek pas de volgende dag met een paar woorden over wat ze de eerste dag heeft uitgehaald. Niet wanneer het net gebeurt, maar vierentwintig uur later.

X.: Bei mir in der 4. ist der W. R. K. Der folgt nicht; er lernt nicht und stört
dauernd die anderen Kinder. Er ist schläfrig und apathisch.

X.: Bij mij in de vierde klas zit W. R. K. Hij volgt de les niet; hij leert niet en stoort voortdurend de andere kinderen. Hij is slaperig en apathisch.

Dr. Steiner: Da würde ich es auch versuchen mit diesen Übungen.
Alles von Grund auf mit den Kindern machen, daß sie keine Schablonen in die Hand bekommen, noch ausgesprochene Formen, die übersichtlich sind.

Dan zou ik het ook met deze oefeningen proberen.
Alles vanaf de basis met de kinderen doen, zodat ze geen sjablonen in handen krijgen, noch uitgesproken vormen die overzichtelijk zijn. <1>

X. (der die 5. Klasse übernommen hat, weil Frau K. krank wurde): Es ist vor
allem eins, daß dadurch, daß die Klassen viel an Lehrern gewechselt haben, im
Rechnen die Kenntnisse ungleichmäßig sind. Soll ich das Rechnen abbrechen
und lieber einen anderen Gegenstand nehmen?

X. (die de 5e klas heeft overgenomen omdat mevrouw K. ziek werd): Het is vooral zo dat, doordat de klassen vaak van leraar zijn gewisseld, de kennis van rekenen ongelijkmatig is. Moet ik met rekenen stoppen en liever een ander vak nemen?

Dr. Steiner: Wie lange glauben Sie zu brauchen, daß jedes Kind so
weit ist, daß es geht?

Hoe lang denkt u nodig te hebben voordat elk kind zo
ver is dat het kan?

X..-Die Majorität in der Klasse ist nicht schlecht im Rechnen.

X..De meerderheid van de klas is niet slecht in rekenen.

Dr. Steiner: Nun meine ich das: der Unterricht im Chor ist gut; er ist gut mit Maß gemacht. Wenn allzuviel im Chor gesprochen wird, dann bitte ich nicht zu vergessen, daß die Gruppenseele eine Realität ist, daß Sie nie darauf rechnen können, daß die Kinder als einzelne das können, was sie im Chor richtig machen. Man hat so das Gefühl, wenn die Kinder im Chor sprechen, daß man sie leichter ruhig erhält.
Ein so gutes Mittel es ist, mäßig betrieben, damit die Gruppenseelenhaftigkeit in Regsamkeit kommt, so wenig ist es doch gut, die Kinder allzusehr der Gruppenseele zu überlassen. Sie können als einzelne nicht das, was sie im Chor können. Da müßte noch weiser geschaltet werden. Sie müssen die Kinder einzeln recht viel fragen. Man muß es tun. Es hat seinen großen erzieherischen Wert. Ja nicht glauben,

<2> Wat ik bedoel is dit: het lesgeven in koor is goed; het is goed gedoseerd. Als er te veel in koor wordt gesproken, dan vraag ik u niet te vergeten dat de groepsziel een realiteit is, dat u er nooit op kunt rekenen dat de kinderen als individuen
kunnen wat ze in koor goed doen. Men heeft zo het gevoel dat wanneer de kinderen in koor spreken, men ze gemakkelijker rustig houdt.
Hoe goed dit middel ook is, mits met mate toegepast, om de groepsgeest tot leven te brengen, het is toch niet goed om de kinderen te veel aan de groepsgeest over te laten. Ze kunnen als individuen niet wat ze in koor kunnen. Daar zou nog verstandiger mee omgegaan moeten worden.
Je moet de kinderen afzonderlijk heel vaak vragen stellen. Dat moet je doen. Het heeft een grote pedagogische waarde. Geloof vooral niet,

Blz. 249

wenn die Kinder unruhig werden, daß man sie dann im Chor sprechen lassen muß.

dat als de kinderen onrustig worden,  je ze dan in koor moet laten spreken. <2>

X.: Was soll man gegen die Unruhe tun?

X.: Wat moet je tegen die onrust doen?

Dr. Steiner: Was machen die Kinder dann?

Wat doen de kinderen dan?

X.: Sie sprechen, schwätzen, lärmen.

<3> X.: Ze praten, kletsen, maken lawaai.

Dr. Steiner: Es scheint beim Rechenunterricht zu sein. Neulich, wie ich da war, waren die Kinder wunderbar ruhig.

Het lijkt tijdens de rekenles te zijn. Onlangs, toen ik daar was, waren de kinderen heerlijk rustig.

X.: Die haben Angst gehabt vor Dr. Steiner, das haben die anderen nachher
gesagt.

X.: Ze waren bang voor Dr. Steiner, dat hebben de anderen achteraf
gezegd

Dr. Steiner: Sie müssen es eine Zeitlang so machen, daß Sie versuchen, die Neugierde der Kinder zu erregen, daß sie unter einer gewissen Spannung dem Unterricht folgen; durch die Sache selbst, nicht durch außerunterrichtliche Mittel.

U moet het een tijdje zo aanpakken dat u probeert de nieuwsgierigheid van de kinderen te prikkelen, zodat ze onder een zekere spanning de les volgen; door de les zelf, niet door middelen buiten de les om. <3>

(Zu Fräulein Hauck): Nicht wahr, die Kinder im Handarbeitsunterricht, ich habe sie noch nie unartig gefunden. Ich glaube, es wird sich auch geben. Die Kinder werden sich an Sie gewöhnen. Die 4. ist eigentlich artig und regsam. Sie gingen auf eine schwierige Auseinandersetzung ein und dachten gründlich nach. Ich habe etwas darüber gesprochen. Sie müssen nur nicht gleich — Sie sind ganz noch jung und morgenschön als Lehrerin der Waldorfschule; Sie müssen noch warten, bis die Kinder kommen, Sie nahe zu sehen.

(Tegen juffrouw Hauck): Nietwaar, de kinderen tijdens de handwerkles, ik heb ze nog nooit onhandelbaar gevonden. Ik geloof dat het wel goed komt. De kinderen zullen aan u wennen. De 4e klas is eigenlijk braaf en levendig. Ze gingen in op een moeilijke discussie en dachten grondig na. Ik heb er iets over gezegd. U moet alleen niet meteen — u bent nog heel jong en veelbelovend als lerares op de Waldorfschool; u moet nog even wachten tot de kinderen u van dichtbij leren kennen.

X.: Der G. Z. leidet an Heimweh. Er hat einen großen Fragetrieb.

X.: G. Z. heeft heimwee. Hij stelt heel veel vragen.

Dr. Steiner: Er ist auch im Physikunterricht ganz aufmerksam. Ich war verwundert darüber, daß er so artig ist. Die Frau, bei der er wohnt, sagt, er kritisiert sehr stark und schimpft furchtbar über die Lehrer und über die Schule und sagt, auf anderen Schulen hat er viel mehr gelernt. Man müßte wissen, ob es stimmt.

Ook tijdens de natuurkundeles is hij heel aandachtig. Ik was verbaasd dat hij zo braaf is. De vrouw bij wie hij woont, zegt dat hij erg kritisch is en vreselijk scheldt op de leraren en de school, en dat hij op andere scholen veel meer heeft geleerd. Men zou moeten weten of dat klopt.

X.: Das Kind G. D. fühlt sich leicht gekränkt und ungerecht behandelt.

<4> X.: Het kind G. D. voelt zich snel gekwetst en onrechtvaardig behandeld.

Dr. Steiner: Die Mutter hält sich für eine geistvolle Dame und da scheint sie manchen Kohl zu reden. Sie hat fürchterliches Zeug im Laufe der Jahre geredet. Was ist für eine Kalamität vorhanden?

De moeder beschouwt zichzelf als een geestrijke dame en daarbij lijkt ze nogal wat onzin uit te kramen. Ze heeft in de loop der jaren vreselijke dingen gezegd. Wat voor vreselijks is er aan de hand?

X.: Die Mutter beklagt sich, ich würde das Kind überanstrengen.

X.: De moeder klaagt dat ik het kind te veel zou belasten.

Dr. Steiner: Ich glaube nicht, daß man mit der Mutter so leicht fertig
wird. Sie ist so eine Salonspinne.
Man bemerkt oftmals bei den Kindern, die noch lenkbar sind und
mit denen man im Grunde alles machen könnte, daß bei denen die

Ik geloof niet dat je het zo gemakkelijk met de moeder voor elkaar krijgt. Ze is zo’n salon-spinnetje.
Je merkt vaak bij kinderen die nog beïnvloedbaar zijn en met wie je in principe alles zou kunnen doen, dat er bij hen 

Blz. 250

schrecklichsten Familienverhältnisse zugrunde liegen. Dieser kleinere Bruder, der bei einer vorsichtigen Behandlung ein ausgezeichneter Junge wäre, der kann nicht hochkommen in diesem Milieu. Er ist begabt, er hat alle die Krankheiten, die seine Mutter hat, in erhöhtem Maße, nur in anderer Form. Auf diese Dinge braucht man nicht zu achten, dann tut man sofort das Richtige.

vreselijke gezinsomstandigheden aan ten grondslag. Deze jongere broer, die bij een zorgvuldige begeleiding een uitstekende jongen zou zijn, kan in deze omgeving niet tot zijn recht komen. Hij is begaafd, hij heeft alle kwalen die zijn moeder heeft, in verhoogde mate, alleen in een andere vorm. Aan deze dingen hoef je geen aandacht te besteden, dan doe je meteen het juiste. <4>

Eine Eurythmielehrerin: Bei R. F. gelingt es mir nicht, daß er Interesse an der
Eurythmie gewinnt.

<5> Een euritmielerares: Bij R. F. lukt het me niet om hem interesse te laten krijgen in de euritmie.

Dr. Steiner: Ironisieren Sie ihn doch einmal! Er war in einer Klosterschule. Die Hauptsache ist, daß er in der Eurythmie nicht mittut. Ich würde doch versuchen, ihn Eurythmieformen zunächst zeichnen zu lassen. Er soll Ihnen Formen zeichnen. Wenn er gezeichnet hat, dann lassen Sie ihn sie machen.

Probeer hem toch eens op een ironische manier te benaderen! Hij zat op een kloosterschool. Het belangrijkste is dat hij niet meedoet aan de euritmie. Ik
zou toch proberen hem eerst euritmievormen te laten tekenen. Hij moet vormen voor u tekenen. Als hij ze heeft getekend, laat hem ze dan uitvoeren. <5>

Dr. Steiner: Nun haben wir Ihre Fibel. Die Sache ist ausgezeichnet und würde für den, der sie benützt, außerordentlich anregend sein. Es könnte sich das Allerverschiedenartigste daran knüpfen. Die Sache jetzt als eine Probe des Geistes, der in der Waldorfschule waltet, zu geben, das wäre sehr gut. Wie ich überhaupt meine, daß es gut wäre, wenn man von dieser Art das, was auf den Unterricht Bezug hat, herausgeben würde. Nicht bloß die Aufsätze, sondern das, was im Unterricht sich betätigt. Es kostet aber ein Kapital. Es handelt sich
darum, wie wir zurechtkommen. So wie Sie es zusammengestellt haben, wenn diese Zeichnungen darin sind, muß das auch entsprechend gedruckt sein.

Nu hebben we uw leerboek. Het is uitstekend en zou voor degene die het gebruikt buitengewoon stimulerend zijn. Er zouden de meest uiteenlopende dingen aan gekoppeld kunnen worden. Het zou heel goed zijn om dit nu te presenteren als een voorbeeld van de geest die in de Waldorfschool heerst. Ik vind het overigens in het algemeen een goed idee om dit soort materiaal dat betrekking heeft op de lessen, uit te geven. Niet alleen de opstellen, maar ook wat er tijdens de lessen gebeurt. Het kost echter veel geld. Het gaat erom
hoe we dit kunnen financieren. Zoals u het hebt samengesteld, als deze tekeningen erin staan, moet het ook op de juiste manier worden gedrukt.

Die Schrift herbekommen, das kann man schon. Man kann sie machen. Wir machen auch das Titelblatt. Die Schriften, die jetzt zu haben sind, sind fürchterlich. Es handelt sich darum, das durch das ganze Buch durchzuführen. Das Ganze würde 20 000 Mark kosten; wenn wir zunächst darauf rechnen, daß wir 1000 absetzen, so müssen wir solch eine Fibel für 40 Mark verkaufen. Wie kommen wir da finanziell zurecht! Es wäre interessant, sich darüber zu unterhalten, wie man es machen kann. Man müßte es überlegen. Bücher sind furchtbar teuer. Sie können diese Dinge nicht mit einer gewöhnlichen Schrift machen. Es ist etwas so eigenartiges und als Fibel so charakteristisch, daß es gefördert werden sollte. Nun würde ich ein Nachwort dazu schreiben. Wenn es so hinauskommt, versteht es kein Mensch. Es würde darüber gesprochen werden.
Jetzt haben sie ein System, das ich ganz brauchbar finde, für ein Bilderbuch mit verschiebbaren Bildern, wo man unten an Schnüren

Het lettertype regelen, dat kan wel. Dat kunnen we zelf doen. We maken ook de titelpagina. De lettertypes die nu verkrijgbaar zijn, zijn vreselijk. Het gaat erom
dat we dit door het hele boek heen doorvoeren. Het geheel zou 20 000 mark kosten; als we er in eerste instantie vanuit gaan dat we er 1000 verkopen, dan moeten we zo’n leesboekje voor 40 mark verkopen. Hoe krijgen we dat financieel voor elkaar! Het zou interessant zijn om te bespreken hoe we dit kunnen aanpakken. We zouden er over moeten nadenken. Boeken zijn vreselijk duur. Je kunt dit soort dingen niet met een gewoon lettertype maken. Het is iets zo bijzonders en als leesboek zo karakteristiek, dat het ondersteund zou moeten worden. Nu zou ik er een nawoord bij willen schrijven. Als het zo uitpakt,
begrijpt niemand er iets van. Er zou over gesproken worden.
<6> Nu hebben ze een systeem dat ik heel bruikbaar vind, voor een prentenboek met verschuifbare plaatjes, waarbij je onderaan aan touwtjes

Blz. 251

zieht, wo man einen kurzen Text hat und oben verschiebbare Bilder. Ein solches Bilderbuch würde außerordentlich notwendig sein beim Kindergarten. Wenn Sie sich damit beschäftigen würden! Fürchterlich philiströs sind die heutigen Bücher.

trekt, waarbij je een korte tekst hebt en daarboven verschuifbare afbeeldingen.
Zo’n prentenboek zou buitengewoon noodzakelijk zijn op de kleuterschool. Als u zich daar eens mee bezig zou houden! De boeken van tegenwoordig zijn vreselijk bekrompen. <6>

X.: Ich wollte fragen, ob man im Religionsunterricht auch alte Dokumente heranziehen kann.

X.: Ik wilde vragen of men in de godsdienstles ook oude documenten kan gebruiken.

Dr. Steiner: Natürlich. Auch Selbsterfundenes. — Ich meine, daß man Herrn A. schon den Vorschlag machen sollte, daß er die Hälfte der Religionsklasse übernimmt. Geben Sie ihm nur die Hälfte. Wählen Sie selbst aus die, die Sie loshaben wollen. Er wird trotz seines Alters ebenso jung und morgenschön sein.

Natuurlijk. Ook zelf bedachte dingen. — Ik vind dat men de heer A. al het voorstel zou moeten doen dat hij de helft van de godsdienstklas op zich neemt. Geef hem maar de helft. Kies zelf de kinderen die u dan af wil staan. Hij zal ondanks zijn leeftijd net zo goed jong en stralend zijn.

X.: Würde Herr A. auch teilnehmen an den Handlungen?

X.: Gaat de heer A. ook deelnemen aan de Handelingen?

Dr. Steiner: Das wird sehr bald nötig sein.

Dat zal zeer binnenkort nodig zijn.

(Zu Fräulein H.): Jetzt möchte ich, daß Fräulein S. zu Ihnen kommt. Ich meine, daß es gut wäre, wenn Fräulein S. bei Ihnen darin wäre, daß Sie ihr die Fortsetzung des Unterrichts überlassen. Sie unterrichten eine Stunde, Sie sind darin, bleiben im Kontakt. Dazwischen jemand anderes. Mir kommt vor, daß Sie das wollen sollten.
Natürlich braucht das nicht pedantisch durchgeführt zu werden. Nur meine ich, daß angefangen werden sollte, denn in diesem Raum ist diese Klasse von Ihnen allein nicht zu bewältigen.

(Tegen juffrouw H.): Nu zou ik graag willen dat juffrouw S. bij u komt. Ik denk dat het goed zou zijn als juffrouw S. erbij zou zijn, zodat u haar de voortzetting van de les kunt overlaten. U geeft een uur les, u bent erbij, u houdt contact. Tussendoor iemand anders. Het lijkt mij dat u dat zou moeten willen. Dat hoeft natuurlijk niet pedant te worden uitgevoerd. Maar ik vind dat er een begin mee moet worden gemaakt, want in deze ruimte is deze klas voor u alleen niet te bolwerken.

Ich habe sicher gedacht, daß ich Ihnen diesen Bericht geben kann. Ich habe so viel zu tun, daß ich ihn erst von Dornach aus schicken kann. Das war mir eine Beruhigung, daß Sie auch nicht fertig sind.
Für das Goetheanum habe ich schon geschrieben. Da haben Sie noch
nicht geschrieben.

Ik dacht er zeker van te zijn dat ik u dit verslag kon geven. Ik heb het zo druk dat ik het pas vanuit Dornach kan versturen. Het stelde me gerust dat u ook nog niet klaar bent. Voor het Goetheanum heb ik al geschreven. Dat heeft u nog niet geschreven.

X.: Ich möchte den Jahresbericht jetzt doch setzen lassen.

X.: Ik wil het jaarverslag nu toch laten opstellen.

Dr. Steiner: Ich schreibe ihn wirklich, wenn ich in Dornach ankomme. Ich gebe ihn Herrn M. mit. Man müßte diese Beiträge durchredigieren. Wenn ich nur Zeit hätte! Ich müßte ihn mitnehmen und ihn machen in Dornach.

 Ik ga het echt schrijven zodra ik in Dornach aankom. Ik geef het mee aan de heer M. Deze bijdragen zouden grondig moeten worden geredigeerd. Had ik maar tijd! Ik zou het mee moeten nemen en het in Dornach moeten afmaken.

Dr. W. ist auch unglücklich und macht schon so verdrossene Gesichter den ganzen Tag. Sie sollen die Vorträge von H. machen? Mein Vater hat zwar, wie ich immer mit einer gewissen psychologischen Sensation erzähle, die Liebesbriefe für die Burschen des ganzen Ortes geschrieben. Die sind immer gekommen und haben sich die Liebesbriefe schreiben lassen. Die Mädchen waren furchtbar entzückt. Aber daß Sie die H.’sehen Vorträge machen sollen! Ich werde in

Dr. W. is ook ongelukkig en trekt al de hele dag zo’n chagrijnig gezichten. Moet u de lezingen van H. verzorgen? Mijn vader heeft, zoals ik altijd met een zekere psychologische sensatie vertel, de liefdesbrieven voor de jongens van het hele dorp geschreven. Die kwamen altijd langs en lieten zich de liefdesbrieven schrijven. De meisjes waren er ontzettend blij mee. Maar dat u de lezingen van H. moet houden! Ik zal in

Blz. 252

Zürich Vorträge zu halten haben, ich werde dem H. sagen, daß er seine Vorträge selbst machen muß.
Dann habe ich daran zu denken, Sie möchten eine Art Ritual für die
Weihnachtshandlung haben. Ist sonst eine Frage noch zu besprechen ?
Anschaulichkeit hat man nicht bloß, um das, was zu erklären ist, anschaulich zu machen, sondern auch, um den Geist beweglicher zu machen. So würde ich es gar nicht unberechtigt finden, wenn man das größte gemeinschaftliche Maß durch Zeichnungen so veranschaulichen würde, daß man die in beiden Zahlen enthaltenen Primzahlen in ein Gefäß hineinwirft; dann sind nur die Primzahlen, die in beiden sind, darin. Man hat die Möglichkeit, das ins Anschauliche zu versetzen. Ein großes Gefäß, man nimmt den Primfaktor 2, den schmeißt man hinein. Das ist ein Maß, mit dem kann man beides messen.
Es handelt sich darum, nicht bloß das zu unterstützen, was man begreiflich machen will, sondern das Gedächtnis wird dadurch unterstützt, daß man Raumesvorstellungen einführt, die anschaulich sind; daß die Kinder genötigt sind, da Raumesvorstellungen zu haben. Es ist das kein Tadel.

Zürich lezingen moeten houden; ik zal de heer H. zeggen dat hij zijn lezingen zelf moet geven.
Dan moet ik er nog aan denken dat u een soort ritueel wilt voor de kersthandeling.
Is er verder nog een vraag die besproken moet worden?
Concretisering dient niet alleen om datgene wat uitgelegd moet worden concreet te maken, maar ook om de geest flexibeler te maken.
<7> Ik zou het dan ook helemaal niet ongegrond vinden als je de grootste gemeenschappelijke deler door middel van tekeningen zo zou illustreren dat je de priemgetallen die in beide getallen voorkomen in een vat gooit; dan zitten er alleen de priemgetallen in die in beide voorkomen. Je hebt de mogelijkheid om dit concreet te maken. Een grote schaal, je neemt de priemfactor 2, die
gooit je erin. Dat is een maat waarmee je beide kan meten.
Het gaat erom niet alleen datgene te ondersteunen wat je begrijpelijk wil maken, maar het geheugen wordt ook ondersteund doordat je ruimtelijke voorstellingen introduceert die aanschouwelijk zijn; zodat de kinderen gedwongen worden om daar ruimtelijke voorstellingen van te hebben. Dat is geen kritiek. <7>

Diese Stunde war schon eine ausgezeichnete. Es könnte sich daran etwas anschließen, um die Kinder zum räumlichen Vorstellen zu bringen.
Wenn niemand mehr etwas zu fragen hat, werden wir abschließen. Ich
kann nur sagen, dies, was zum Teil herumgesprochen wird, daß die ganze Schule durch die Zunahme der Kinderzahl an Intimität verloren hat, kann ich nicht als Mangel empfinden. Ich kann nicht sagen, daß es etwas ist, was man besonders unangenehm empfinden muß.
Das muß man nehmen, wie es ist. Im übrigen, eigentlich kann ich sagen, ich finde, daß die Schule doch recht gute Fortschritte gemacht hat nach jeder Richtung hin. Hat jemand eine andere Meinung?
Nun möchte ich noch erwähnen; unsere Stuttgarter Unternehmungen müssen in einer gewissen Beziehung ein harmonisches Ganzes sein und müssen als solches empfunden werden. Es muß ein harmonisches Zusammenwirken sich immer mehr herausbilden. Wenn die Dinge überall so gegangen wären, wie sie im vorigen Jahr in der Waldorfschule gegangen sind, in bezug auf das Pädagogisch-Didaktische, so würde es gut sein. Die Waldorflehrer wirken wacker mit, damit das andere auch unterstützt werden kann. Es muß das, was hier in Stuttgart ist, als Ganzes betrachtet werden. Die Anthroposophische Gesellschaft mit der Waldorfschule zusammen ist der geistige Teil des dreigliedrigen Organismus. Der Bund für Dreigliederung muß ein politischer Teil sein; dazu müssen die Waldorflehrer

Dit was echt een uitstekende les. Er zou hierop iets kunnen volgen om de kinderen ruimtelijk denken bij te brengen.
Als niemand meer vragen heeft, ronden we af. Ik kan alleen maar zeggen dat wat er deels wordt beweerd, namelijk dat de hele school door de toename van het aantal leerlingen aan intimiteit heeft ingeboet, ik dat niet als een tekortkoming beschouw. Ik kan niet zeggen dat het iets is wat men als bijzonder onaangenaam hoeft te ervaren.
Dat moet men nemen zoals het is. Overigens kan ik eigenlijk zeggen dat ik vind dat de school toch behoorlijk goede vooruitgang heeft geboekt op alle vlakken. Heeft iemand een andere mening?
Nu wil ik nog het volgende vermelden: onze activiteiten in Stuttgart moeten in zekere zin een harmonieus geheel vormen en als zodanig worden ervaren. Er moet zich steeds meer een harmonieuze samenwerking ontwikkelen. Als de zaken overal zo zouden zijn verlopen als vorig jaar in de Waldorfschool, wat betreft het pedagogisch-didactische aspect, dan zou dat goed zijn. De Waldorfleraren werken dapper mee, zodat ook het andere kan worden ondersteund. Wat hier in Stuttgart is, moet als een geheel worden beschouwd. De Antroposofische Vereniging vormt samen met de Waldorfschool het geestelijke deel van het drieledige organisme. De Bond voor Driegeleding moet een politiek deel zijn; daarvoor moeten de Waldorfleraren

Blz. 253

durch ihren Rat beitragen. Der Kommende Tag wäre der wirtschaftliche Teil im Ganzen. Die Waldorfschule ginge ja fort. Jeder muß das Nötige dazu tun, daß die anderen Dinge nicht einschlafen. Namentlich der Bund für Dreigliederung, von dessen Regsamkeit hängt alles ab. Wir müssen darauf bedacht sein, daß uns mit jedem neuen Schritt neue Aufgaben erwachsen. Dadurch, daß die Del Montesche Fabrik hinzugekommen ist, haben wir eine Schar von Arbeitern. Eine solche Betriebsversammlung, wie wir sie gehalten haben, ist ja vom heutigen sozialen Leben aus gesehen wirklich ganz deutlich. Es ist jede Brücke abgebrochen zwischen Arbeiterschaft und führenden Klassen. Wenn wir nicht in der Lage sind, durch die Dreigliederungsbewegung gemeinsame Interessen hervorzurufen, wie sie in den siebziger Jahren vorhanden waren in der europäischen Bevölkerung, wo die Proletarier sich interessiert haben für die demokratische Idee, so daß gemeinsame Interessen vorhanden sind, daß man auf etwas anderes denkt als bloß das Brot, wenn das nicht der Fall sein kann, kommen wir auf keinem Gebiete weiter. Wir müssen eine geistige Atmosphäre schaffen. In bezug darauf schläft das Stuttgarter geistige Leben in den letzten fünf Monaten einen tiefen Schlaf, und es muß wiederum auferweckt werden.

door hun advies een bijdrage te leveren. ‘De komende dag’ zou in het teken moeten staan van het economische aspect in zijn geheel. De Waldorfschool zou immers doorgaan. Iedereen moet het nodige doen om te voorkomen dat de andere zaken in de vergetelheid raken. Met name de Bond voor Driegeleding, waarvan de activiteit alles bepaalt. We moeten er rekening mee houden dat elke nieuwe stap nieuwe taken met zich meebrengt.
Doordat de fabriek van Del Monte erbij is gekomen, hebben we een hele groep arbeiders. Zo’n bedrijfsvergadering, zoals we die hebben gehouden, is vanuit het huidige sociale leven gezien echt heel duidelijk. Elke brug tussen de arbeidersklasse en de leidende klassen is verbroken. Als we niet in staat zijn om via de driegeledingsbeweging gemeenschappelijke belangen te creëren, zoals die in de jaren zeventig bestonden onder de Europese bevolking, waar de proletariërs zich interesseerden voor het democratische idee, zodat er gemeenschappelijke belangen zijn en men aan iets anders denkt dan alleen maar aan brood, als dat niet het geval kan zijn, komen we op geen enkel gebied verder. We moeten een geestelijke sfeer scheppen. Wat dat betreft slaapt het geestelijke leven in Stuttgart al vijf maanden een diepe slaap, en het moet weer tot leven worden gewekt.

Das tritt dadurch hervor, daß die Dreigliederungszeitung, die so gut ist, als sie sein kann, in den letzten fünf Monaten gar nicht an Leserzahl zugenommen hat. Sie hat auch nicht zugenommen an Mitarbeiterzahl. Wir brauchen Mitarbeiter für die Dreigliederungszeitung.
Das Ziel muß uns vor Augen schweben, die Dreigliederungszeitung möglichst schnell in eine Tageszeitung zu verwandeln. Wenn gewisse Konsequenzen gezogen werden, wenn wir also solche Betriebe angliedern, ohne daß wir etwas Positives leisten für die politische Bewegung Mitteleuropas, dann überleben wir das nicht. Wir können nicht Betriebe nach und nach aufnehmen und nicht zu gleicher Zeit etwas mit Stoßkraft leisten, was etwas ist.
Im politischen Leben und im sozialen Leben sind nicht Dinge einfach wahr, sondern sie sind, wenn man heute zu einer solchen Versammlung geht, etwas sagt, das ist heute wahr, aber wenn man sich nicht entsprechend verhält in den nächsten Monaten, so ist es nicht mehr wahr, so wird es unwahr. Wenn der Kommende Tag so etwas bleibt wie eine gewöhnliche Unternehmung, so wird das unwahr. Es ist wahr, wenn es uns gelingt, wirklich mit Stoßkraft vorwärtszukommen. Da handelt es sich darum, wie weit wir in der nächsten Zeit gegen alle Vorurteile im Aktuellen zugreifen.
Solch ein Mensch wie der Stinnes hat eine große Bedeutung für die nächste Zukunft.

Dat blijkt uit het feit dat de Driegeledingskrant, die zo goed is als ze maar kan zijn, de afgelopen vijf maanden helemaal geen groei in het lezersaantal heeft gekend. Ook het aantal medewerkers is niet toegenomen. We hebben medewerkers nodig voor de Driegeledingskrant. We moeten ons ten doel stellen om de Driegeledingskrant zo snel mogelijk om te vormen tot een dagblad. Als bepaalde consequenties worden getrokken, dat wil zeggen als we dergelijke ondernemingen onder onze vleugels nemen zonder dat we iets positiefs bijdragen aan de politieke beweging in Midden-Europa, dan zullen we dat niet overleven. We kunnen niet stukje bij beetje ondernemingen opnemen en tegelijkertijd met daadkracht iets van betekenis tot stand brengen.
In het politieke en sociale leven zijn dingen niet zomaar waar, maar als je vandaag naar zo’n bijeenkomst gaat en iets zegt, dan is dat vandaag waar, maar als je je de komende maanden niet dienovereenkomstig gedraagt, dan is het niet meer waar, dan wordt het onwaar. Als de „Kommende Tag” zoiets blijft als een gewone onderneming, dan wordt dat onwaar. Het is waar als het ons lukt om echt met daadkracht vooruit te komen. Het gaat erom in hoeverre we de komende tijd tegen alle vooroordelen in ingrijpen in de actualiteit.
Zo iemand als Stinnes is van groot belang voor de

Blz. 254

nächste Zukunft. Seine Ideen gewinnen an Anhang. Insbesondere in seiner Partei, der Deutsch-Idiotischen Partei, das heißt der deutschen Industrie-Partei, da gewinnen diese Ideen eine agitatorische Kraft.
Man muß sich klar sein, daß da geniale Hintermänner sind. Er strebt an, es dahin zu bringen durch eine Riesenvertrustung des geistigen Lebens und der wirtschaftlichen Unternehmungen, daß das Proletariat knierutschend vor den Toren seiner Unternehmungen erscheint, um Einlaß zu bitten. Dazu ist er auf dem besten Wege. Und es ist systematisch, was er tut. Und mit solchen Leuten steht schon wiederum die geistige Bewegung in Deutschland in einem gewissen
Zusammenhang. Bei uns versteht man die Mache viel zu wenig. Graf Keyserling (in Darmstadt) hat die Mache sehr gut verstanden. Er hat starke Finanzkräfte hinter sich. Dasjenige, was mit Stinnes heraufzieht — Sie können das verfolgen in den Badenschen Zeitungen —, wird als eine Heilslehre hingestellt. Das bringt eine Art von Dreigliederung herauf, aber in ahrimanischer Ausgabe. Sie kommt als Teufelswerk, wenn sie nicht so gemacht wird, wie wir sie machen können.
Nun handelt es sich darum, daß man die Augen sehend, die Ohren hörend, die Nasen riechend macht für alles das, was heraufzieht. Es ist schön, absolute Theorien hinzustellen. Es ist notwendig, daß man das Größte an die Einzelheiten anknüpft. Unser Wirken muß aktuell werden. Ich habe in meinem Vortrag in der Liederhalle am Bergarbeiterstreik angeknüpft. Wir sollen vom Alltäglichen die Leute heraufheben zu großen Gesichtspunkten.

nabije toekomst. Zijn ideeën winnen aan aanhang. Met name in zijn partij, de Deutsch-Idiotische Partei, dat wil zeggen de Duitse Industriepartij, krijgen deze ideeën een opruiende kracht.
Men moet zich goed realiseren dat er geniale krachten achter zitten. Hij streeft
ernaar dit te bereiken door een enorme concentratie van het intellectuele
leven en de economische ondernemingen te bewerkstelligen dat het proletariaat op zijn knieën voor de poorten van zijn ondernemingen verschijnt om toegang te vragen. Daar is hij goed op weg. En wat hij doet, is systematisch. En met zulke mensen staat op haar beurt de intellectuele beweging in Duitsland weer in een zekere samenhang. Bij ons begrijpt men het gekunstelde veel te weinig. Graaf
Keyserling (in Darmstadt) heeft het onechte heel goed begrepen. Hij heeft
sterke financiële krachten achter zich. Wat er met Stinnes opkomt — u kunt dat volgen in de Badense kranten —, wordt voorgesteld als een heilsleer. Dat brengt een soort driegeleding teweeg, maar dan in een ahrimanische versie. Het komt over als duivels werk, als het niet zo wordt gedaan zoals wij het kunnen doen.
Het gaat er nu om dat men de ogen laat zien, de oren laten horen en de neuzen laten ruiken voor alles wat er opkomt. Het is mooi om absolute theorieën te formuleren. Het is noodzakelijk dat men het grote geheel aan de details koppelt. Ons werk moet actueel worden. In mijn voordracht in de Liederhalle heb ik aangeknoopt bij de mijnwerkersstaking. We moeten de mensen vanuit het alledaagse naar grotere perspectieven tillen.

Da muß schon hier alles zusammenwirken. Der Kommende Tag wird dadurch wahrscheinlich funktionieren. Dem Bund für Dreigliederung schadet es nicht, wenn ihm manchmal ein bißchen Feuer unter den Sitz gemacht wird.
Unmittelbar aktuell ist die Frage, was wird mit der Kinderschar der neu übernommenen Fabriken? Das ist die Frage, die ein Vorwurf wird, wenn wir nicht zugreifen. Nun, nicht wahr, Dr. Ungers Betrieb hat eine Kinderschar, Del Montes Betrieb hat eine Kinderschar; dadurch, daß wir sie übernommen haben, wächst uns die Aufgabe, wie gründen wir dafür eine Waldorfschule. Wir müßten dafür sorgen.
Ebensogut möchte ich erinnern an das, was ich gestern an einem anderen Ort gesagt habe; die Studenten, die sich engagiert haben dafür, diesen Aufruf zu verbreiten, gegen die haben wir die heilige Pflicht, sie nicht sitzen zu lassen. Da müssen wir fest dahinter sein.
Der Aufruf ist eine furchtbar wackere Tat. Er schlägt ein. Die landwirtschaftlichen Schüler von Hohenheim haben reagiert darauf. Wir
müssen unsere Bewegung als eine solche auffassen, die nicht stehenbleiben kann, die mit jedem Tag fortschreiten muß, sonst hat sie gar keinen Sinn. Ins Austragsstübel können wir uns noch nicht setzen.

Alles moet hier dus samenwerken. ‘De komende dag’ zal daardoor waarschijnlijk
goed verlopen. Het kan voor de Bond voor Driegeleding geen kwaad als er af en toe een beetje vuur onder de stoel wordt aangestoken.
De vraag die nu op de voorgrond staat, is: wat gebeurt er met de kinderen van de
nieuw overgenomen fabrieken? Dat is de vraag die een verwijt zal worden als we geen actie ondernemen. Welnu, nietwaar, de fabriek van Dr. Unger heeft een groep kinderen, de fabriek van Del Monte heeft een groep kinderen; doordat we ze hebben overgenomen, groeit onze taak: hoe richten we daarvoor een Waldorfschool op? Daar moeten we voor zorgen.
Ik wil ook graag herinneren aan wat ik gisteren op een andere plek heb gezegd; de studenten die zich hebben ingezet om deze oproep te verspreiden, tegenover hen hebben we de heilige plicht om hen niet in de steek te laten. Daar moeten we volledig achter staan.
De oproep is een ontzettend moedige daad. Hij slaat aan. De landbouwstudenten van Hohenheim hebben erop gereageerd. We moeten onze beweging zien als een beweging die niet stil kan blijven staan, die elke dag vooruit moet gaan, anders heeft ze helemaal geen zin. We kunnen nog niet achter de geraniums gaan zitten.

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3560-3344

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Klas 7, 8, 9 en 10 – Menskunde

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

.

Zie ‘voorwoord‘.

.

Christine Britsche, Wanne-Eickel

Menskunde in de middenbouw*
.

*Zie voor de begrippen hier.
.

Rond het twaalfde levensjaar vindt er een ingrijpende verandering plaats in de ontwikkeling van het kind. Dit is het proces van de beginnende aardse rijpheid. Alles wat voorheen nog in beeldende vorm via de dier- en plantkunde aan het kind werd aangeboden, kan vanaf nu meer op intellectuele wijze worden opgenomen en verwerkt.
De vraag die nu bij het kind opdringt: ‘Wat ben ik zelf als mens?’, vindt haar antwoord in de leerstof van de vier menskundeperioden.

In de zevende klas beginnen we met de ademhaling. Om de mysterieuze processen te doorgronden die zich daarbij in ons afspelen, kijken we eerst naar de plant en ontdekken we in de assimilatie een weerspiegeling van de menselijke ademhaling. Wat zich in het bloed en in het groene sap van de plant met behulp van lucht en zonlicht aan stofomzettingen voltrekt, komt overeen met wat zich op mysterieuze wijze in de menselijke ademhaling tussen de zuurstof en het rode bloed afspeelt. Dat dit proces plaatsvindt in een eeuwige afwisseling, die we dan, met achttien ademhalingen per minuut, het ademhalingsritme noemen, kunnen we zelfs aan onszelf aflezen. Daarbij ontdekken we de nauwe verbondenheid van de mens met de omgeving, met name met de plantenwereld, en vinden we al snel voorbeelden, zoals dag en nacht, inademing en uitademing, geboorte en dood.

De verbanden met de buitenwereld komen nog duidelijker tot uiting in de voeding. Wat bij onze ademhaling nog onbewust, bijna als in een droom, gebeurt, verloopt bij de voeding bewust. Terwijl we bij het ademen alle lucht moeten aannemen die onze omgeving ons biedt, kunnen we bij de voeding vrij en bewust beslissen wat en wanneer we eten. Hoe geweldig deze voorziening voor ons mensen is, maar ook welke gevaren ze in zich draagt, kunnen de leerlingen zelf ontdekken als je ze op zoek laat gaan naar oude volkswijsheden over goede en slechte eetgewoonten, zoals bijvoorbeeld:

Droog brood maakt de wangen rood
Goed gekauwd is half verteerd
Het oog eet mee
Honger is de beste kok
Eet matig, maar regelmatig
Zout moet je spaarzaam gebruiken
Te veel koks bederven de brij
Eet ’s ochtends als een vorst, ’s middags als een burger en ’s avonds als een bedelaar.

Aan de hand van deze uitspraken kun je de leerlingen laten zien hoe essentieel een natuurlijke voeding voor onze gezondheid is. De gezondheid is altijd onderhevig aan twee afwijkingen. De ene neigt naar verharding, de andere naar afbraak. Voor beide kunnen de leerlingen zelf weer voorbeelden zoeken en zullen ze enerzijds alle soorten steenvorming in het lichaam opsommen, anderzijds de vele mogelijkheden van zweer- en gezwelvorming noemen. Koorts, als genezende zelfhulp van ons lichaam, blijft bij deze behandeling nooit onvermeld. Het is het genezende middel van het lichaam bij het zoeken naar en herstellen van zijn evenwicht.

Aan het einde van deze periode moeten de leerlingen het belang van het innerlijke evenwicht hebben ingezien, zoals ze dat symbolisch hebben leren kennen in het ritme van de ademhaling, maar ook in alle voedings- en gezondheidskwesties.

Het jaar daarop, in de achtste klas, ervaart de leerling het wonder van de menselijke botstructuur. Op deze leeftijd heeft hij een bijzondere band met de kracht en de sterkte van zijn eigen botten. Dat zien we aan de onbeholpenheid waarmee hij zijn ledematen beweegt. Bij nadere beschouwing van het skelet kan het de leerling duidelijk worden hoe de afzonderlijke botten van boven (vanaf het hoofd) naar beneden (naar de ledematen) steeds meer worden onderverdeeld en verfijnd.
Wat aan het hoofd nog stevig samengevoegd en compact lijkt, zoals een bol = de schedelkapsel, lost zich naar beneden toe steeds meer op en straalt uit in de afzonderlijke kleine, losjes samengevoegde botjes van de tenen en vingers. Als je deze transformatie vervolgens in elk deel van het menselijk skelet met hen opzoekt, vinden ze uiteindelijk zelf de grootse wetmatigheid en ontdekken ze het samentrekken van de vormen naar boven toe en het oplossen van de vormen naar beneden toe; bij het hoofd bijvoorbeeld is het voorhoofd hoofdachtig gevormd, de onderkaak daarentegen ledemaatachtig.
Bij een vergelijking met het dier ontdekken we al in de uiterlijke bouw het verschil met de mens. Het dier vertoont een voor- en achterkant in zijn kop en staart, en leeft dus in het horizontale vlak, altijd naar de aarde geneigd. De mens daarentegen kan zich oprichten. Hij draagt zijn hoofd vrij naar boven, staat met zijn voeten stevig op de aarde en kan zijn handen vrij inzetten om voor zichzelf en anderen te werken. Welk inzicht moet de leerling uit deze vergelijking putten?

De mens die het dierlijke in zijn eigen lichaamsvorm overwint, die niet alleen levend en bezield is, zoals het dier met zijn onbewuste, aangeboren instinctieve krachten — hij toont zich daarentegen volledig getransformeerd en vergeestelijkt. Hij kan zijn krachten, die uit het onbewuste opstijgen, beheersen, ermee omgaan en ze omzetten in gedachten en ideeën. Over dit thema kunnen de leerlingen veel voorbeelden uit de dierenwereld zoeken die instinctieve handelingen weergeven, bijvoorbeeld de trek van vogels naar het zuiden, winterslaap, het zoeken naar voedsel vóór het intreden van de kou en nog veel meer.

Ook worden voorbeelden gegeven die de transformatiemogelijkheden van de mens illustreren: het dier moet eten als het honger voelt, moet vluchten uit angst; de mens heeft dat allemaal niet nodig, hij kan erover nadenken, zijn eigen wil inzetten, zichzelf beheersen en zelf beslissen. 

In de negende klas worden vervolgens de organen van de stofwisseling en hun functies uitvoerig besproken; alles wat onbewust in ons plaatsvindt, in voortdurende wisselwerking met het minerale aspect van de stoffelijke wereld. Het zijn processen die vooral onder het middenrif plaatsvinden, bijvoorbeeld bij de spijsvertering, maar al snel ontdekken we dat niet alleen afzonderlijke organen verantwoordelijk zijn voor de spijsvertering of de stofwisseling, maar dat deze stofwisseling overal in ons lichaam plaatsvindt, in elke kleinste cel, bijvoorbeeld bij de zweetafscheiding via de poriën in de huid.
In tegenstelling tot de lagere stofwisselingspool beschouwen we vervolgens de zenuwpool als centrum met zijn lichamelijke basis, de hersenen, waarvan de werking zich eveneens over het hele lichaam uitstrekt; want we vinden fijne en uiterst fijne zenuwen verspreid tot in onze vingertoppen en spreken dan van ‘vingertopgevoel’.

In verband met deze twee polen kunnen vervolgens op een hoger niveau de bewustzijnsprocessen met hun afbrekende werking in de bovenste pool, de hersenen, worden beschreven, en daarnaast de tegenpool in de stofwisseling met zijn meer opbouwende levens- en regeneratiekracht. Het moet de leerlingen daarbij duidelijk worden dat, waar in een levend wezen een hogere mate van bewustzijn optreedt, de regeneratiekracht afneemt, en dat waar een sterke regeneratiekracht aanwezig is, zoals bijvoorbeeld bij lagere dieren (wormen, insecten), nauwelijks bewustzijn waarneembaar is. Maar als, zoals bij de mens, de onbewust werkende levenskracht is toegenomen en is omgezet in bewuste gedachten, dan kan je de uitspraak begrijpen: „Hij heeft een grote gedachte voortgebracht.”

In de tiende klas kijken we dan terug op drie ‘zelfstandige’ mensen en benaderen we hen nu minder vanuit het fysieke en psychische aspect, maar meer vanuit het geestelijke standpunt. Aan de hand van het voorbeeld van het oog en het oor wordt de zenuw-zintuigmens behandeld, de stofwisselingsmens in zijn onbewuste werking en de ademhalingsmens, die alles doordringt en verbindt. Daarbij moet de leerling ontdekken dat al deze drie functiesystemen zijn opgebouwd als instrumenten waarop hij als mens moet leren spelen, harmonieus en fijn afgestemd zoals in een orkest.

Dat alles in de afzonderlijke levensfuncties op harmonie is gericht, weten de leerlingen nu uit de voorgaande periodes. Nu moeten ze leren begrijpen wat het betekent om zijn temperament te beteugelen of in evenwicht te brengen, welke betekenis een ware zielsverzorging heeft en wat je kan doen voor de eigen karaktervorming. Het besef dat het lichaam van de mens het instrument van de ziel is, moeten ze aan het einde van deze periode meenemen.

Wanneer bepaalde aspecten van de menskunde worden behandeld, verschilt soms per leerplan. Oog en oor komen vaak in de 8e klas ter sprake bv. 

.

7e klas voedingsleer: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

9e klas:

10e klas: alle artikelen

.

3559-3343

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Klas 7, 8, 9 en 10 – handvaardigheid (3-5)

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

Zie ‘voorwoord‘.

Er is in deze artikelen soms sprake van ‘middenbouw’.
Oorspronkelijk en gedurende lange tijd bestond de vrijeschool in Nederland uit onder- en bovenbouw.
Onderbouw: de klassen 1 t/m 8, de kleuters vormen een aparte groep.
Bovenbouw: de klassen 9 t/m 12.
Over middenbouw werd wel gesproken om de klassen 4, 5 of 6 t/m 8 aan te duiden.
In Nederland bestond de onderbouw lange tijd uit de klassen 1 t/m 7; had de school geen eigen bovenbouw, dan viel de 8e als laagste klas in de bovenbouw van een andere school.
Toen de 7e niet meer bij de basisschool mocht horen, kwam deze dus ook bij de bovenbouw. Om nog een onderscheid te kunnen maken, werden toen deze klassen middenbouw genoemd.
In deze artikelen is de middenbouw: klas 7, 8 en 9.*
.

Kurt Königsmann, Wanne-Eickel

.

We willen leren werken
.

Gedachten over de praktische vorming in de middenbouw

Een van de bijzondere kenmerken van een Rudolf Steinerschool is dat de leerling daar niet alleen in zijn hoofd wordt aangesproken, maar in gelijke mate wordt geschoold in het gebruik van zijn handen.
Dat begint in de onderbouw met handvaardigheid, met de kunstzinnige oefeningen in schilderen, boetseren en houtsnijden, handwerken en vervolgens met tuinieren; het krijgt een aanzienlijke impuls wanneer de leerlingen aan het begin van de middenbouw* naar de werkplaats gaan.
Hier moeten ze leren werken, zich oefenen in het gebruik van gereedschap, leren inzien hoe de zeer uiteenlopende materialen zeer uiteenlopende eisen stellen en ten slotte ervaren hoe een werkstuk alleen lukt als er vooraf een plan gemaakt wordt.
Werken kun je alleen leren door te werken.

Daarom hebben we op de Hiberniaschool uit de zeer uiteenlopende bezigheden van mensen die activiteiten geselecteerd die bijzonder geschikt zijn om de leerlingen de echte werkhouding bij te brengen.
Zo’n ‘arbeidsleer’ is dus nog niet bedoeld om op een bepaald beroep voor te bereiden, maar om de jongere als mens te vormen, hem deugdzaam te maken en hem al die uiterlijke vaardigheden en dat innerlijke plichtsbesef bij te brengen waardoor hij pas een ware wereldburger wordt.

Als we alle verschillende opdrachten van ons werkplaatsonderwijs overzien, springt één groep ons in het bijzonder in het oog, die we ‘oeractiviteiten’ kunnen noemen.
Daar zien we de leerlingen in het zevende schooljaar tegenover een grote berg ((half)ronde) houten blokken staan, die ze met bijl en zaag willen bewerken. Het is hier nog niet de kant-en-klare, netjes voorbewerkte plank van de timmerman die als materiaal dient, maar iets dat rechtstreeks uit de natuur is gehaald: delen van de stam en takken.
Er wordt besproken wat voor boom het was, hoe hij is gegroeid, hoe de natuur, de zon, de regen en de wind hun sporen hebben achtergelaten in de schors en de jaarringen. Bij de leerlingen ontwaken verwondering en ontzag voor het materiaal. Ze zijn druk bezig om met de boomzaag stammen en dikke takken in hanteerbare stukken te zagen, om vervolgens met handzagen en bijlen klimrekken, blokhutten en ander speeltoestel te maken.

We zien een soortgelijke oeractiviteit als houtbewerking wanneer de leerlingen in het negende schooljaar manden vlechten van lange wilgentakken, of wanneer ze in het schijnsel van het vuur bij de smidse staan en met grote kracht het ijzer smeden. Het is verbazingwekkend met welk krachtig elan en welk vastberaden concentratievermogen het ijzer wordt gevormd. Wat daarbij uiterlijk wordt geoefend, komt volledig overeen met wat de jongere in deze levensfase innerlijk wil bereiken. Zoals ze nu uiterlijk leren het vuur in dienst van het werk te stellen, het zo te beheersen dat het materiaal niet oververhit raakt, maar ook niet te koud blijft, zo moeten ze nu ook leren hun wil onder controle te krijgen. Veel voorwerpen, zoals ringen, punten, klemmen en oogjes, zijn werkstukken van deze oefenfase. In de tweede periode smeden de leerlingen verschillende gereedschappen zoals beitels, schroevendraaiers en dergelijke, die ze later bij het slotenmakerswerk gebruiken.

In het laatste jaar van de middelbare fase bereikt het beoefenen van oeractiviteiten een laatste hoogtepunt in het spinnen en weven. We spinnen nog niet met het spinnewiel, maar met de vrije spintol, zoals dat van oudsher door mensen werd gedaan. Op het weefgetouw wordt vervolgens de zelf gesponnen garen verweven, waaruit vervolgens eenvoudige doeken, dekens of matten ontstaan.

Naast deze oorspronkelijke activiteiten staan in ons vak ‘Werk’ ook taken die de leerlingen een technische opleiding geven. Weliswaar is de gehele opleiding in het vak ‘Werk’ van de middelbare school zo opgezet dat in de zevende en achtste klas het ambachtelijke handelen sterk overheerst en dat pas in het negende en vooral het tiende jaar steeds meer taken aan bod komen die een technisch karakter hebben. Maar de vorming tot een technische houding is het doel van het gehele vak ‘Werkleer’, en die begint bijvoorbeeld al wanneer in de handwerkles van het zevende leerjaar volgens een bepaald patroon een schort of een schortjas wordt genaaid, of wanneer in de tuinbouwles een beplantingsplan wordt opgesteld. In de achtste klas gaan de leerlingen vervolgens over tot het bewerken van hout als timmerwerk. Ze maken met spijkers, lijm en pennen eenvoudige houtverbindingen en ervaren daarbij als iets nieuws hoe een geheel ontstaat door het samenvoegen van onderdelen. Zo ontstaan beweegbare speelgoedvoorwerpen met eenvoudige mechanische functies. Met deze opdrachten wordt nogmaals de volledige speeldrift van de jonge mens aangesproken. De herinnering aan het eigen spel geeft de bezigheid nieuw leven, en elk afzonderlijk stuk wordt met enthousiasme vervaardigd. Tegelijkertijd is het echter een nauwkeurige, doelgerichte bezigheid, die kan leiden tot een vreugdevolle toewijding aan het werk.

Ook wordt in het achtste schooljaar voor het eerst kennisgemaakt met het gebruik van de machine, doordat de jongens en meisjes tijdens de handwerkles leren naaien met de naaimachine.
In het negende schooljaar volgt dan de kennismaking met de arbeidsverdeling. Het metaal en de opdrachten in de metaalwerkplaats lenen zich hier bijzonder goed voor. De leerling voert eerst zelf de afzonderlijke stappen uit waarin het werk is opgedeeld. Later komt hij echter in de fase waarin hij samen met meerdere leerlingen een heel onderdeel vervaardigt en dan ervaart hij waarom het naleven van maten en normen bij technisch werk onontbeerlijk is.
In de afsluitende cursussen van de tiende klas hebben we dan te maken met een technische basisopleiding. De leerlingen leren bijvoorbeeld in het scheikundepraktikum, maar ook in de huishoudles, volgens een recept te werken. Ze leren zich aan schema’s te houden, oefenen in het omgaan met de machine, maar ook in het vervaardigen van eenvoudige constructies. Voor de meisjes maakt de voortzetting van de huishoudles en een inleiding in de taken van de kinder- en ziekenverzorging plaats voor de machine-technische opleiding. Ook hier leren ze zich aan te passen aan de gegeven richtlijnen, bijvoorbeeld rekening te houden met de specifieke situatie van een zieke, maar ook bij het maken van speelgoed rekening te houden met de leeftijdsgroep van het kind.

Het oefenen van samenwerking is van bijzonder belang in de arbeidsleer. Natuurlijk moet de individuele leerling zich ook altijd individueel oefenen, zijn eigen vaardigheden testen en ontwikkelen. Maar in het werk geldt dat individuele vaardigheden slechts zoveel waarde hebben als ze in samenwerking tot uiting komen. Ook daarvoor bieden de lessen tuinbouw en houtbewerking al in het zevende schooljaar de gelegenheid. Zo heeft een groep leerlingen gezamenlijk een klimhuis voor onze kleuterschool gebouwd. Ook het mechanisch speelgoed van het achtste schooljaar laten we altijd door meerdere leerlingen samen maken, en we hebben al verteld hoe in de slotenmakersopleiding in het negende schooljaar in het bijzonder het werken in taakverdeling wordt geoefend. Een bijzondere bekroning van de ambachtelijke opleiding, maar tegelijkertijd ook van het zich bewijzen in samenwerking, vormt dan de laatste timmerperiode in het tiende schooljaar. Daarin worden bijvoorbeeld violen gebouwd die nodig zijn voor de muzieklessen in de onderbouw. Eerst werd het bouwplan met de hele groep leerlingen besproken. Het bleek dat telkens twee leerlingen samen één instrument moesten maken. Zo vervaardigde de ene leerling de klankkast, dat wil zeggen de zijkanten, de bodem en het deksel; de tweede leerling had als taak de toets, de brug en het spanstuk te vervaardigen. Tot slot werden de afzonderlijke onderdelen tot het complete instrument samengevoegd, wat alleen lukte als iedereen zich nauwkeurig aan de voorgeschreven afmetingen van de werkplaatstekening had gehouden.

Samenvattend kunnen we zeggen dat het praktijkonderwijs in de middelbare school, in de vorm van een werkvak, bedoeld is om onze leerlingen te leren werken, maar dat het bovenal ook een opvoeding door het werk is. En een dergelijke opvoeding omvat de jonge mens in zijn geheel. Hij wordt lichamelijk gestimuleerd en verwerft vaardigheden en behendigheid; hij wordt in zijn ziel gevormd, want we kunnen niet bekwaam werken zonder al die deugden te verwerven die wij mensen juist in en door het werk in onszelf kunnen ontwikkelen. En ten slotte wordt hij in zijn geest geschoold, want hij verwerft helder, doelgericht denken, de kracht om zichzelf te corrigeren en bovenal de kracht om de waarde van zijn eigen handelen te bepalen vanuit het geheel dat hij met zijn activiteit dient.

Zo kunnen we zeggen dat het doel van onze pedagogiek, namelijk altijd de hele mens te onderwijzen en op te voeden, juist in de arbeidsleer van de middelbare school een bijzonder mooie vervulling vindt.

.

Handvaardigheidalle artikelen

.

3558-3342

.

.

.

.