WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 3300 artikelen

Kleinere en grotere, makkelijk toegankelijke en die meer studie vragen; direct met de vrijeschool te maken hebbend of zijdelings: de meest uitgebreide vrijeschoolsite die er te vinden is.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
–
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken
leeftijden
over illustraties

BEWEGEN in de klas
alle artikelen

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

EURITMIE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GEZONDHEID – die van de leerkracht
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
alle artikelen

HANDVAARDIGHEIDSONDERWIJS
a
lle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleuters; klas 1; klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7; klas 8; klas 9: klas 10; klas 11; klas 12

LEERPLAN
alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
alle artikelen

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
Alle artikelen

SCHILDEREN
Alle artikelen

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2] 

STERRENKUNDE
alle artikelen

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
Niet elders gerubriceerd: alle artikelen

Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
Auschwitz en Gaza 2025
Ahriman en/in het onderwijs;
Grafische vormgeving bij Steiner
Interviews met oud-leerlingen
Is het alles goud wat er blinkt….?
Kritiek op de vrijeschool
Kunstzinnige vormgeving van een klaslokaal
Naamgeving en schrijfwijze vrijeschool;
Ochtendspreuk;
Organische architectuur;
Steiner lezen?
Uitgangspunten vrijeschool;
Vrijeschool en antroposofie;
Vrijheid van onderwijs;  
Worden wie je bent

.
EN VERDER:

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cyprus; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israël; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouwen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Qatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over natuurkunde (GA302)

.
Wanneer we natuurkunde geven, moet er door de leerlingen veel worden waargenomen. Uiteindelijk is het ook de bedoeling dat ze iets leren, dat ze voorstellingen ontwikkelen over wat geboden werd.
In deze voordracht gaat Steiner in op de verhouding waarnemen – herinneren.

Voordracht 1, Stuttgart 12 juni 1921

Blz. 12

Wir können ganz gut das Erinnern mit dem Wahrnehmen nicht nur vergleichen, sondern in einer gewissen Beziehung als eins ansehen. Wenn wir wahrnehmen, also wenn wir auch des Kindes seelische Tätigkeit auf irgendeinen äußeren Gegenstand lenken und mit ihm irgendeine Vorstellung erarbeiten, ist das durchaus eine Selbsttätigkeit des Kindes. Das Kind erarbeitet sich diese Vorstellung; wir sprechen von Wahrnehmung. Wenn das Kind irgend etwas erinnert, so ist das derselbe Vorgang nur nach innen gerichtet; es geht im Inneren etwas vor. Und das, was im Inneren vorgeht, das wird genau
ebenso von innen heraus erarbeitet, wie von außen herein die Wahrnehmung erarbeitet wird. Dasjenige, was im Inneren des Menschen weiterlebt, wenn eine Vorstellung nicht mehr im vorstellungsmäßigen Sinn vorhanden ist, das sind allerdings sehr, sehr komplizierte innere Vorgänge, und es wird im einzelnen Fall außerordentlich schwierig sein, diesen Prozeß wirklich darzustellen, der sich da im Inneren des Menschen abspielt, wenn eine Vorstellung gerade aufhört präsent zu sein und dann sich bereitet, sich mit dem Menschen zu verbinden, um später wiederum in der Erinnerung aufzutauchen, das heißt, denjenigen Vorgang vorzubereiten, der darin besteht, daß man etwas, was im Inneren geschieht, wiederum wahrnimmt.

We kunnen het herinneren heel goed vergelijken met het waar­nemen, en zelfs in een bepaald verband als één en hetzelfde beschouwen. Wanneer we waarnemen, dat wil zeggen wanneer we de innerlijke activiteit van het kind op een of ander uiterlijk voor­werp richten en samen met hem een voorstelling opbouwen, dan is dat zelfstandige activiteit van het kind. Het kind bouwt zich een voorstelling op; we spreken van waarneming. Als het kind zich vervolgens iets herinnert, dan is dat hetzelfde proces, maar nu naar binnen gericht; er gebeurt iets van binnen. En wat in zijn innerlijk gebeurt, wordt van binnen precies zo opgebouwd als de waarne­ming van buitenaf opgebouwd wordt. Wat in het innerlijk van de mens voortleeft wanneer een voorstelling niet meer als zodanig aanwezig is, zijn bijzonder ingewikkelde innerlijke processen; en het is buitengewoon moeilijk om in een concreet geval precies te beschrijven wat zich binnen in de mens afspeelt wanneer een voorstelling ophoudt aanwezig te zijn en zich vervolgens met de mens gaat verbinden, om later weer in de herinnering op te duiken, dat wil zeggen dát proces voor te bereiden, waarbij men iets wat van binnen gebeurt opnieuw waarneemt.

Man nimmt gerade so von innen etwas wahr, wenn man erinnert, wie wenn man von außen etwas wahrnimmt. Es ist auch nicht eigentlich notwendig, daß man das kennt und beschreibt, was da im Inneren des Menschen sich abspielt, sondern dasjenige, was notwendig ist, ist etwas anderes: Wenn wir auf das Bleibende des Vorstellungslebens sehen, das dann als Erinnerung wieder auftaucht, so ist die Summe der Vorgänge, die dann zu dem führen, was erinnert wird, eigentlich in derselben Seelenregion des Menschen vorhanden, in welcher das Gefühlsleben vorhanden ist.
Das Gefühlsleben mit seiner Freude, seinem Schmerz, seiner Lust und Unlust, Spannung und Entspannung und so weiter, dieses Gefühlsleben ist dasjenige, was eigentlich der Träger des Bleibenden der Vorstellung ist und aus dem die Erinnerung wiederum geholt wird. Unsere Vorstellung verwandelt sich durchaus in Gefühlsregungen, und diese Gefühlsregungen sind es, die wir dann wahrnehmen und die zur Erinnerung führen.

Men neemt bij het herin­neren precies op dezelfde manier van binnen iets waar als men van buiten iets waarneemt. Het is ook eigenlijk niet nodig dat je precies kent en beschrijft wat zich daar binnen in de mens afspeelt. Er is iets anders nodig: als we letten op het blijvende van de voorstellingen, dat naderhand weer als herinnering opduikt, dan zit het totaal van de processen die tot deze herinneringen leiden, in hetzelfde gebied van de ziel van de mens als waarin het gevoelsleven zit. Het gevoelsleven met zijn vreugde, zijn verdriet, zijn lust en onlust, spanning en ontspanning en wat dies meer zij, dat gevoelsleven is in feite dat wat drager is van het blijvende van de voorstelling, en waaruit de herinnering weer wordt opgehaald. De voorstelling wordt volledig omgezet in gevoelens, die gevoelens nemen we waar en die leiden tot de herinnering. 

Blz. 13

Dieses ist aus dem Grunde wichtig zu wissen, weil wir in der Pädagogik und Didaktik ganz besonders darauf Rücksicht nehmen müssen. Wenn wir einem Kinde, wie man heute in einer ganz verfehlten Pädagogik so vielfach glaubt, immer nur Anschauungen beibringen und darauf sehen, daß das Kind alles sich genau anschaut und ganz und gar nur anschaut, dann sind für das Kind doch sehr wenig Erinnerungshilfen vorhanden. Dagegen sind viele Erinnerungshilfen vorhanden für das Kind, wenn wir versuchen, mit einem gewissen inneren Temperament, in einer temperamentvollen Weise den Unterricht zu begleiten mit Gefühlsmäßigem; wenn wir mit anderen Worten so in den Unterricht eingehen, daß wir ihn immerfort durchspicken mit der Möglichkeit, daß das Kind zu einem sanften, inneren, nicht ganz herauskommenden humorvollen Lächeln über das eine oder andere kommt, oder auch zu einer gewissen Herbigkeit oder Traurigkeit kommt; wenn wir also versuchen, niemals bei dem bloß Intellektuellen zu bleiben, sondern überzugehen zu Gefühlsbegleiterscheinungen des Unterrichtens.

Dit is belangrijk om te weten omdat we er in de pedagogie en de didaktiek bewust rekening mee moeten houden. Als we, zoals tegenwoordig in een volkomen op het verkeerde spoor geraakte pedagogie zo vaak gebeurt, de kinderen voortdurend aanschouwe­lijk onderwijs geven en erop toezien dat ze alles precies bekijken en uitsluitend maar bekijken, dan is er voor hen maar heel weinig hulp aanwezig voor de herinnering. Veel hulp voor de herinnering wordt daarentegen aangelegd als we, met een zeker innerlijk tem­perament, op een temperamentvolle manier, het onderwijs met gevoelens proberen te begeleiden; als we met andere woorden het onderwijs zo inrichten, dat we het voortdurend doorspekken met de mogelijkheid de kinderen zachtjes, inwendig, met verborgen humor over het een of ander te laten glimlachen, of dat het een zekere bitterheid of verdriet voelt; dus als we proberen nooit alleen maar intellectueel te blijven, maar ertoe overgaan het onderwijs steeds te begeleiden met een gevoel.

Das ist von einer außerordentlichen Wichtigkeit, obwohl für den Lehrer in einer gewissen Weise unbehaglich und unbequem, denn er muß hier natürlich an seine Geistesgegenwart größere Anforderungen stellen, wenn er die Kinder anregen will, gefühlsmäßig in Dinge, die man vorbringt, zu begleiten, als wenn er ihnen einfach erzählend oder auf Anschauung weisend einen Stoff beibringt.
Es brauchen Gefühlserregungen durchaus nicht im pedantischen Sinne gerade an dasjenige anzuknüpfen, was man behandelt. Man kann den Gedankengang oder den Empfindungsgang erweitern, vielleicht sogar auf Nebensachen erweitern, aber versuchen, daß das Kind, während man es unterrichtet, eben auch immer Gefühlsregungen hat.
Solche Gefühlsregungen sind wesentliche Erinnerungshilfen. Und das wollen wir wirklich nicht außer acht lassen. Wir sollten zum Beispiel auch beim Physikunterricht, beim Geometrieunterricht, beim trockensten Unterricht versuchen, das Gefühlsleben des Kindes in Regsamkeit zu bringen. Wir sollten dasjenige, was wir gerade im Gedankengang haben, auf unmittelbar Naheliegendes ablenken, also ich

Dat is van buitengewoon groot belang, hoewel het voor de leraar in bepaald opzicht onbehagelijk en lastig is. Want als hij bij de kinderen gevoelens wil opwekken bij de dingen die hij behandelt, moet hij natuurlijk meer aan zijn tegenwoordigheid van geest appelleren dan als hij de leerstof ge­woonweg vertellend of aanschouwelijk brengt. De prikkelingen van het gevoel hoeven heus niet op een pedante manier aan te sluiten bij wat je behandelt. Je kunt de loop van de gedachten of waarne­mingen uitbreiden, eventueel zelfs tot bijzaken als je er maar naar streeft tijdens het onderwijs voortdurend gevoelens bij de kinderen op te wekken.
Zulke gevoelsaandoeningen vormen een essentiële hulp bij het herinneren. En dat moeten we werkelijk niet uit het oog verliezen. We zouden bijvoorbeeld ook bij het natuurkundeonderwijs, bij het meetkundeonderwijs, zelfs bij de droogste vakken moeten proberen het gevoelsleven van de kinderen in beweging te zetten. We zouden dat wat we in gedachte paraat hebben,

Blz. 14

will sagen, indem wir anknüpfen an das eine oder das andere Kind, indem wir dem einen oder anderen Kind etwas imputieren: Wenn du dies machst und dir dabei das passiert -, etwas, was immer in einem näheren oder entfernteren Zusammenhang mit dem Gedankengang steht und so in den Unterricht Empfindungsmäßiges, Gefühlsmäßiges hineinmischen, namentlich dasjenige hineinmischen, was bei dem Kinde Spannungen hervorbringt, was Erwartungen hervorbringt und Entspannungen, die eintreten sollen, wenn wir das Kind auf etwas führen sollen.

onmiddellijk op iets concreets moeten betrekken, doordat we aansluiten bij een van de kinderen, doordat we een van de kinderen iets in de schoenen schuiven: als je dat doet en er gebeurt het volgende -, iets wat min of meer samenhangt met de gevolgde gedachtegang, waardoor we gevoelsmatige elementen met het onderwijs verweven, speciaal die dingen ermee verweven die bij de kinderen spanningen oproepen, die verwachtingen oproepen en ontspanningen, die moeten optre­den als we hen ergens heen willen leiden.
GA 302/12-14
Vertaald/11-14

Blz. 18

Nehmen Sie den Physikunterricht. Es ist ganz gewiß nicht zu empfehlen, den Physikunterricht so zu gestalten, daß wir in den Physiksaal die Apparate tragen und daran methodisch das eine oder andere entwickeln. Wir können dabei außerordentlich geistvoll vorgehen, eines auf das andere bauen und so weiter. Gewiß, es kann dann so ausschauen, als ob wir im Augenblick außerordentlich viel erreicht hätten. Aber darum kann es sich ja niemals handeln, daß wir im Augenblick viel erreichen. Es kann sich nur darum handeln, daß wir den jungen Menschen wirklich etwas für das Leben mitgeben. Dazu aber müssen wir die Begriffe fortwährend erweitern. Wir müssen dazu kommen, sagen wir, irgendeine Erscheinung in der Optik, in der Hydraulik und so weiter zu entwickeln, aber in jedem Augenblick, wo es sich nur ergibt, bereit sein, von dem einen auf das andere überzugehen.
Sagen wir zum Beispiel, wenn sich die Möglichkeit ergibt, anzuknüp-

Neem bijvoorbeeld het natuurkundeonderwijs. Het is zeker niet aan te bevelen het natuurkundeonderwijs zo in te richten dat je de apparatuur het lokaal in brengt en daarmee iets methodisch gaat ontwikkelen. We kunnen daarbij bijzonder intelligent te werk gaan, de dingen stap voor stap opbouwen, enzovoort. Natuurlijk kan dat er dan uitzien alsof we op dat moment uitermate veel hebben bereikt. Maar het kan nooit de bedoeling zijn dat we veel bereiken op één moment. Het kan er uitsluitend om gaan dat we de jonge mens echt iets meegeven voor het leven. Daartoe moeten we de begrippen voortdurend verruimen. We moeten zo ver komen dat we een fenomeen, laten we zeggen in de optica, of in de hydraulica of iets dergelijks, ontwikkelen, maar elk moment dat het van pas komt moeten we bereid zijn om van het een over te gaan op iets anders. Bijvoorbeeld, als de mogelijkheid zich voordoet bij

Blz. 19

fen an dies oder jenes, sogleich überzugehen auf Witterungserscheinungen, auf Erscheinungen der ganzen Welt, vielleicht auf ganz Fernliegendes, so daß der Schüler merkt: überall in der Welt sind Zusammenhänge, und das Gefühlsmäßige dabei durchmacht, das er eben durchmacht, wenn man ihn von einem zum anderen führt, dadurch in Spannungen und Entspannungen kommt und sich dadurch insbesondere die Dinge aneignet.

iets aan te sluiten, direct over te gaan op weersverschijnselen, op mondiale verschijnselen, misschien zelfs op dingen die heel ver weg liggen, zodat de leerling merkt dat er overal in de wereld samenhangen zijn, en hij daarbij dan het gevoel krijgt wat je hebt als je van het een naar het ander wordt gevoerd, daardoor spanning en ontspanning ondervindt en op die manier je de dingen intensief eigen maakt.

Blz. 20

Daher ist es für diejenigen Lehrgegenstände, die sich so recht mit dem Objektiven beschäftigen und für die man es heute liebt, im Objektiven zu bleiben, besonders wichtig, daß wir zum Menschen ablenken, daß wir von der Physik immer zu dem Menschen den Bezug suchen. Bei dem Allerobjektivsten ist es am allerleichtesten möglich, auf den Menschen hinzulenken, weil wirklich die ganze Welt im Menschen zu finden ist. Und wir haben da wiederum ein Mittel, dem Kinde gedächtnismäßig zu Hilfe zu kommen. Wenn das Kind irgend
etwas Physikalisches gelernt hat, so vergißt es dies sicher, wenn es sich auch automatisch erinnert; aber lebendiger Eigenbesitz wird es nicht, besonders beim Anschauungsunterricht nicht. Wenn man aber die Dinge überführt in irgend etwas, was dem Menschen selber passiert, da wird es Eigenbesitz. Es wird Eigenbesitz, was dem Menschen über den Menschen erklärt wird und insbesondere ist es so sehr notwendig, daß wir versuchen, das Abstrakte auf der einen Seite zu vermeiden, und das zu vermeiden, was Schlegel einmal genannt hat, das Derbmateriell-Konkrete.

Daarom is het bij die leerstof, die echt objectief is en die tegen­woordig zo graag in het objectieve wordt gehouden, bijzonder belangrijk om de overgang te maken naar de mens, om bij de natuurkunde steeds de relatie tot de mens te zoeken. Bij het meest objectieve is het het meest eenvoudig om de overgang naar de mens te maken, omdat werkelijk de hele wereld in de mens te vinden is. 

En daarmee hebben we wéér een middel om de kinderen met het onthouden te helpen. Als de kinderen iets uit de natuurkunde hebben geleerd, dan vergeten ze dat beslist weer, ook al herinneren ze het zich automatisch; iets levendigs in henzelf wordt het niet, zeker niet bij aanschouwelijk onderwijs. Maar als je de dingen die je bespreekt overleidt in iets wat de mens zelf overkomt, dan worden ze tot eigen bezit. Eigen bezit wordt wat de mens over de mens wordt uitgelegd, en het is vooral noodzakelijk dat we enerzijds het abstracte proberen te vermijden en anderzijds dat wat Schlegel eens het grofstoffelijk-concrete heeft genoemd, proberen te vermijden. 

Blz. 25

Dazu ist allerdings notwendig, daß man das lebendigste Interesse entwickelt für das Wesen des Menschen. Dazu aber gibt die richtig erfaßte Anthroposophie wirklich genügende Anregungen. Das empfehle ich Ihnen insbesondere, und zwar aus einem direkt pädagogisch-didaktischen Gesichtspunkte, das empfehle ich Ihnen insbesondere als Lehrer, daß Sie versuchen, bei Ihren eigenen Begriffsbildungen nicht im Abstrakten steckenzubleiben, sondern zu versuchen, wirklich den Menschen in bezug auf seine Organisation kennenzulernen. Sie müssen eigentlich Pioniere nach einer gewissen Richtung sein. Sie müssen sich
sagen: Heute haben wir auf der einen Seite abstrakte Wissenschaften,
Geschichte, Geographie, sogar Physik und so weiter. Das alles wird ungeheuer abstrakt betätigt. Man eignet sich Begriffe an. Auf der anderen Seite haben wir die Lehre vom Menschen, Anatomie, Physiologie. Da lernen wir eigentlich den Menschen so kennen, wie wenn seine Organe aus Leder geschnitten wären und dann ineinandergefügt wären, wirklich wie aus Leder geschnitten, denn es ist nicht viel Unterschied zwischen der anatomischen Beschreibung vom Menschen und einem Gebilde, das aus Leder geschnitten ist.

Daar is wel voor nodig dat je een levendige belangstelling voor het wezen van de mens ontwikkelt. Maar daar biedt de goed opgevatte antroposofie voldoende stimulans toe. Wat ik u in het bijzonder aanraad, en wel om directe pedagogisch-didactische re­denen, dat is dat u, speciaal als leraren ernaar streeft bij uw begripsvorming niet in het abstracte te blijven steken, maar te proberen de mens werkelijk te leren kennen betreft zijn organisatie.
U moet eigenlijk in zekere zin pioniers zijn. U moet zeggen: tegenwoordig hebben we aan de ene kant de abstracte wetenschap­pen, geschiedenis, aardrijkskunde, om maar niet te spreken van natuurkunde, enzovoort. Dat wordt allemaal verschrikkelijk abstract bedreven. Men maakt zich begrippen eigen. Aan de andere kant hebben we de menskunde, anatomie, fysiologie. Daar leren we de mens eigenlijk kennen alsof zijn organen uit leer gesneden en vervolgens samengevoegd zijn, werkelijk uit leer gesneden, want veel verschil is er niet tussen de anatomische beschrijving van de mens en iets wat uit leer gesneden is.

Man beschreibt den Menschen nicht in seiner Geistigkeit, sondern einfach der Körperlichkeit nach. Sie könnten aber die Pioniere sein und Sie werden das der Pädagogik und Didaktik zugute bringen, auf der einen Seite zu entnehmen aus den abstrakten Betrachtungen dasjenige, was heute ganz unlebendig abstrakt an die Menschen herangebracht wird, und auf der anderen Seite gegenüber
demjenigen, was in dieser derbmateriellen Weise herangebracht wird.
Sie könnten beides lehren, aber es nur lehren, um es lebendig zu verbinden, um es ineinander zu weben.

Men beschrijft de mens niet naar zijn geestelijke wezen, maar gewoon in zijn lichamelijkheid. U zou echter pioniers kunnen zijn; en u bewijst de pedagogie en didaktiek een dienst door enerzijds uit de abstracte beschouwingen de dingen weg te halen die de mensen tegenwoordig zo levenloos abstract worden voorgeschoteld, en anderzijds door de grofstoffelijke manier van voorstellen tegen te gaan. U zou beide kunnen onderwijzen, maar alleen om ze in een levendig verband met elkaar te brengen, om ze in elkaar te weven.
GA 302/18-25
Vertaald/19-25

Steiner benadrukt voor bepaalde vakken dat ze niet vóór een bepaalde leeftijd gegeven moeten worden.
Dat geldt zeker voor natuur- en scheikunde, mechanica.

Voordracht 2, Stuttgart 13 juni 1921

Blz. 37

(  ) im Grunde genommen ist alles, was wir auf dem Umweg durch das Gefühl dem Kinde mitteilen, doch dasjenige, was seinem Innenleben Wachstum verleiht, währenddem dasjenige, was wir in bloßen Vorstellungen beibringen, tot ist, tot bleibt. Wir können ja durch Vorstellungen nichts als Spiegelbilder beibringen; wir arbeiten, indem wir ihm Vorstellungen beibringen, mit dem wertlosen Kopf des Menschen, der nur einen Wert hat in bezug auf die Vorzeit, in der er in der geistigen Welt war. Dasjenige, was im Blute liegt, was hier
auf der Erde seine Bedeutung hat, das treffen wir, indem wir mit vollem Gefühl die Vorstellungen dem Kinde beibringen.
Es ist schon notwendig, daß wir in uns ein Gefühl ausbilden für so etwas wie diese feindliche, vernichtende Kraft des Raumes unter dem Rezipienten einer Luftpumpe, und je anschaulicher man dem Kinde erzählen kann, nachdem man die Luft ausgepumpt hat, von dem schrecklichen luftleeren Raum unter dem Rezipienten einer Luftpumpe, desto mehr erreichen wir dadurch. In der früheren Sprache waren alle diese Dinge enthalten: Horror vacui, es wurde empfunden das Horrorartige, das ausströmt von einem luftleeren Raum. Das lag in der Sprache drinnen, aber man muß es wiederum fühlen lernen. Man muß fühlen lernen, welche Verwandtschaft besteht zwischen einem luftleeren Raum und einem ganz hageren und ausgedörrten Menschen.

En in de grond van de zaak is alles wat we de kinderen via de omweg van het gevoel bijbrengen, toch dat waardoor ze innerlijk groeien, terwijl dat wat we louter in de vorm van voorstellingen aandragen, dood is, dood blijft. We kunnen met voorstellingen immers niets anders dan spiegelbeelden aandragen; wanneer we ze voorstellingen bijbrengen, werken we met het waardeloze hoofd van de mens, dat alleen waarde heeft met betrekking tot de tijd waarin het in de geestelijke wereld was. Wat in het bloed besloten ligt, wat hier op aarde betekenis heeft, dat wordt aangesproken als we met volle overgave en gevoel de voor­stellingen aan de kinderen overbrengen.

Het is nodig dat we in onszelf een gevoel ontwikkelen voor zoiets als de vijandige, vernietigende kracht van de ruimte die zich bij de inlaat van een luchtpomp bevindt. Hoe aanschouwelijker je de kinderen na het wegpompen van de lucht kunt vertellen over de verschrikkelijke luchtledige ruimte in de inlaat-kamer van de pomp, des te meer bereik je ermee. Vroeger zaten al dit soort dingen in het taalgebruik: horror vacuï; men ondervond het horror-achtige, de verschrikking die er van een luchtledige, een vacuüm ruimte uitgaat. Dat lag in de taal besloten, maar nu moeten we dat weer leren voelen. We moeten leren voelen wat de verwantschap is tussen een luchtledige ruimte en een ontzettend schraal en uitgedroogd mens.
GA 302/37
Vertaald/36

In de 3e voordracht volgt de weg waarlangs de leerlingen een experiment zien, de verwerking daarvan.

Voordracht 3, Stuttgart 14 juni 1921 

Blz. 45   vert. 46

Nehmen wir zum Beispiel den Physikunterricht. Wir experimentieren mit dem Kinde. Sie brauchen sich nur das zu vergegenwärtigen, was ich gestern gesagt habe, daß ja der Mensch eigentlich nur mit dem Kopfe vorstellt, daß der rhythmische Mensch es ist, der urteilt, und daß der Gliedmaßen-Stoffwechselmensch es ist, der seine Schlüsse zieht, namentlich daß mit den Beinen und Füßen geschlossen wird, Schlüsse gezogen werden. Wenn Sie sich das vergegenwärtigen, und wenn Sie sich den Wahrnehmungsakt als solchen vergegenwärtigen, dann werden Sie sich sagen: das Willensmäßige, dasjenige, was man

Laten we als voorbeeld het natuurkundeonderwijs nemen. We doen proeven, experimenten samen met de kinderen. U hoeft zich maar voor de geest te halen wat ik gisteren heb verteld, namelijk dat de mens alleen met zijn hoofd voorstellingen maakt, dat het de ritmische mens is die oordeelt, en dat het de ledematen-stofwisse­lingsmens is die conclusies trekt; met name met de benen en voeten worden conclusies getrokken. Als u zich dat voor de geest haalt, en als u zich realiseert wat de activiteit van het waarnemen als zodanig is, dan zult u zeggen: het wilsmatige, dat wat je

Blz. 46   

so aus sich heraus tut, wahrzunehmen, das hängt sehr tief mit dem
Schlüsseziehen zusammen, nicht mit dem bloßen Vorstellen. Wenn ich
meinen eigenen Leib sehe, so ist der Leib selbst ein Schluß. Die Vorstellung ist nur vorhanden, indem ich die Augen auf den Leib richte, aber indem ich nun eine bestimmte halbbewußte, unterbewußte Prozedur ausführe, trage ich mir urteilsmäßig die Dinge zusammen, die das Ganze erleben lassen, zusammenfassend in dem Satz: Also ist dieses ein Leib. – Das ist aber schon die Wahrnehmung eines Schlusses. Indem ich wahrnehme, verständig wahrnehme, bilde ich mir lauter Schlüsse. Da ist der ganze Mensch drinnen in diesen Schlüssen. Und das ist der Fall, indem ich experimentiere; denn ich habe fortwährend zu tun mit einer Aufnahme durch den ganzen Menschen. Da gehen
fortwährend in den Aufnahmeprozeß Schlüsse ein. Die Urteile werden gewöhnlich gar nicht wahrgenommen, die sind sehr im Inneren, so daß wir sagen können: der ganze Mensch wird in Anspruch genommen, solange wir experimentieren.

uit jezelf doet om waar te nemen, dat hangt zeer nauw samen met het trekken van conclusies, niet alleen met het voorstellen. Als ik mijn eigen lichaam zie, dan is dat lichaam zelf een conclusie. De voorstelling is slechts aanwezig terwijl ik mijn ogen op mijn lichaam richt; maar doordat ik nu een bepaalde halfbewuste, onderbewuste procedure voltrek, breng ik in de vorm van een oordeel de dingen bijeen die mij de totaliteit laten beleven, samengevat in de zin: dit is dus een lichaam. – Dat is echter al de waarneming van een conclusie. Terwijl ik waarneem, verstandelijk waarneem, vorm ik louter conclusies. In deze conclusies ligt de gehele mens besloten. En dat is het geval als ik experimenteer, proeven doe; want daarbij heb ik voortdurend te maken met de gehele mens die iets in zich opneemt. Er gaan voortdurend conclusies mee in dat opnameproces. Gewoonlijk worden de oordelen helemaal niet waargenomen, die zitten zeer in het innerlijk verborgen. We kunnen dus zeggen: de gehele mens is in beslag genomen zolang we experimenten, proeven doen. 

Nun, damit aber tun wir eigentlich in erzieherischer Weise den Kindern noch nicht etwas sehr Gutes, daß wir experimentieren. Das Kind wird sich vielleicht zwar interessieren für das Experimentieren, aber der Mensch als solcher ist in seiner normalen Organisation zu schwach, um immer als ganzer Mensch angestrengt zu werden. Das geht gar nicht. Es ist immer etwas zuviel, wenn ich den Menschen als ganzen Menschen angestrengt sein lasse. Der Mensch kommt immer zu stark außer sich, wenn ich ihm vorexperimentiere, oder sein Augenmerk auf die Außenwelt lenke. Das eigentlich Bedeutsame beim Unterrichten und Erziehen besteht darinnen, daß man die drei Glieder des dreigliedrigen Menschen wirklich berücksichtigt, jedes zu seinem Recht
kommen läßt, und sie aber auch zu ihrer entsprechenden Wechselwirkung kommen läßt.
Nun denken Sie sich: ich experimentiere zunächst. Da strenge ich den ganzen Menschen an. Das ist zunächst viel. Nun lenke ich die Aufmerksamkeit der Kinder ab von den Geräten, die da stehen, mit denen ich experimentiert habe, und ich gehe das ganze noch einmal durch. Indem ich an die Erinnerung des unmittelbar Erlebten appelliere, gehe ich das ganze noch einmal durch. Wenn man so etwas durch-

Welnu, met het uitvoeren van experimenten doen we, opvoed­kundig gezien, nog niet zoveel goeds voor de kinderen. De kinderen zullen zich weliswaar misschien interesseren voor de eksperimen­ten, maar de mens is als zodanig in zijn normale organisatie te zwak om voortdurend als totale mens te worden aangesproken. Dat gaat helemaal niet. Het is steeds net iets te veel als ik de mens in zijn totaliteit betrokken laat zijn. De mens komt steeds te sterk buiten zichzelf als ik experimenten voor hem uitvoer, of zijn aandacht op de buitenwereld richt. Belangrijk bij het onderwijzen en opvoeden is dat je werkelijk rekening houdt met de drie leden van de drieledige mens, dat je elk tot zijn recht laat komen, maar ze eveneens op de juiste wijze tot een wisselwerking laat komen. U moet zich voorstellen: eerst doe ik experimenten, daarmee doe ik een beroep op de totale mens. Dat is veel. Vervolgens leid ik de aandacht van de kinderen af van de instrumenten die opgesteld staan en waarmee ik geëxperimenteerd heb, en ik loop het geheel nog eens door. Terwijl ik appelleer aan hun herinnering van de dingen die ze zojuist hebben beleefd, loop ik de zaak nog eens door. Als je er op die manier

Blz. 47

geht, wenn man es gleichsam rekapituliert, es Revue passieren läßt, ohne daß die Anschauung da ist, dann wird besonders das rhythmische System des Menschen belebt. Nachdem ich den ganzen Menschen beansprucht habe, beanspruche ich sein rhythmisches System und sein Kopf system; denn natürlich betätige ich auch das Kopf System, wenn ich dieses rekapituliere. So kann ich die Stunde zu Ende gehen lassen. Ich habe zunächst den ganzen Menschen betätigt, dann vorzugsweise sein rhythmisches System, und jetzt lasse ich ihn nach Hause gehen. Nun schläft er. Indem er nun schläft, lebt dasjenige, was ich zuerst im ganzen Menschen, dann im rhythmischen System betätigt habe, in den Gliedmaßen weiter, wenn astralischer Leib und Ich heraußen sind.
Wir wollen jetzt unser Augenmerk auf dasjenige richten, was im Bette bleibt, was weiterklingen läßt, was ich mit dem Kinde durchgenommen habe. Dann strömt gewissermaßen das Ganze, was da im ganzen Menschen sich ausgebildet hat, und dasjenige, was im rhythmischen System sich ausgebildet hat, das strömt in den Kopfmenschen herauf.

nog eens doorheen loopt, als het ware alles recapituleert, de revue laat passeren zonder de daadwerkelijke waarneming, dan wordt in het bijzonder het ritmische systeem van de mens opgewekt. Nadat ik de totale mens heb aangesproken, spreek ik nu zijn ritmische systeem en zijn hoofd aan. Want natuur­lijk zet ik ook zijn hoofd aan het werk als ik recapituleer. Zo kan ik de les afsluiten. Om te beginnen heb ik de totale mens aan het werk gezet, vervolgens in het bijzonder zijn ritmische systeem, en nu laat ik hem naar huis gaan. Dan gaat hij slapen. Terwijl hij slaapt leeft dat wat ik eerst in de totale mens en vervolgens in het ritmische systeem aan het werk heb gezet, voort in de ledematen wanneer het astrale lichaam en Ik erbuiten zijn.

Nu willen we onze aandacht richten op wat er in bed blijft liggen, waarin doorklinkt wat ik met de kinderen heb behandeld. Alles wat er nu is ontwikkeld in de totale mens én in het ritmische systeem, dat stroomt omhoog naar de hoofd-mens.

Davon bilden sich Bilder im Kopfmenschen. Die findet der Mensch dann vor, wenn er am nächsten Morgen aufwacht und zur Schule kommt. Es ist tatsächlich so: wenn die Kinder am nächsten Tag in die Schule kommen, haben sie, ohne daß sie es wissen, im Kopf die Bilder dessen, was ich gestern experimentiert habe, und was ich dann wiederholt habe, recht bildlich wiederholt habe, so daß alles als Bild im Kopfe ist. Ich kriege die Kinder am nächsten Morgen mit Photographien im Kopf von dem, was ich gestern experimentiert habe; so kommen die Kinder.
Nun, am nächsten Tage kann ich mehr reflektierend, betrachtend mich ergehen über dasjenige, was ich am letzten Tag experimentiert und rein erzählend wiederholt habe, mehr für die Phantasie wiederholt habe. Ich ergehe mich jetzt in Betrachtungen darüber. Da komme ich dem Bewußtwerden der Bilder, die bewußt werden sollen, entgegen. Also ich gebe eine Physikstunde, ich experimentiere, ich wiederhole vor den Kindern dasjenige, was geschehen ist; am nächsten Tag, da stelle ich die Betrachtungen an, die dazu führen, daß das Kind die Gesetze kennenlernt von dem, was da vor sich gegangen ist. Ich führe es mehr zum Denkerischen, Vorstellungsmäßigen der Sache, und

Daarvan vormen zich in de hoofd-mens beelden. Die treft de mens dan aan wanneer hij de volgende morgen wakker is geworden en naar school gaat.
Dat is inderdaad zo: als de kinderen de volgende morgen op school komen, hebben ze zonder het te weten beelden in hun hoofd van wat ik de dag tevoren aan experimenten heb gedaan en wat ik daarna gerecapituleerd heb; ik heb het echt in beeldvorm gerecapituleerd, zo dat alles nu als beeld in het hoofd zit. Ik krijg de kinderen de volgende morgen op school met foto’s in hun hoofd van de experimenten die ik gisteren gedaan heb; zo komen de kinderen op school. 

Welnu, de volgende dag kan ik meer terugkijkend, beschouwend ingaan op wat ik de dag ervoor aan experimenten heb gedaan en louter vertellend heb herhaald, meer voor de fantasie heb herhaald. Nu ga ik daar door middel van beschouwingen uitputtend op in. Daarmee stimuleer ik het bewust worden van de beelden die tot bewustzijn moeten komen. 

Dus ik geef een natuurkundeles, ik doe experimenten, ik herhaal voor de kinderen wat er gebeurd is; de volgende dag houd ik een beschouwing die als resultaat heeft dat de kinderen de wetmatighe­den leren kennen van wat er zich heeft afgespeeld. Ik stuur aan op de meer denkmatige, voorstellingsachtige kant van de zaak, en

Blz. 48

ich zwinge die Kinder nicht, daß diese Bilder, diese Photographien, die sie mir mitbringen, ein wesenloses Dasein führen. Denken Sie, wenn ich zunächst die Kinder bekomme mit den Photographien im Kopf, von denen sie nichts wissen, und neuerdings wiederum darauf los experimentiere, ohne Nahrung zu geben durch eine Betrachtung, die ich anstelle, dann strenge ich wiederum den ganzen Menschen an. Diese Anstrengung durchwühlt den ganzen Menschen, durchwühlt diese Bilder, und ich bringe eine Art von Chaos in diese Schädel hinein. Ich muß unter allen Umständen zuerst dasjenige befestigen, was ja da sein will. Ich muß ihm Nahrung geben. Auf diese Weise komme ich dazu, solch
einen Unterricht einzurichten. Ich richte ihn so ein, daß er sich dann den Lebensvorgängen anpaßt.

ik dwing de kinderen niet om de betreffende beelden, de foto’s die ze mee naar school brengen, een doelloos bestaan te laten leiden. Stelt u zich voor, dat ik de kinderen in de klas krijg met de foto’s in hun hoofd, waar ze niets van weten, en ik begin opnieuw erop los te experimenteren, zonder ze door middel van een beschouwing voedsel te geven, dan spreek ik wéér de totale mens aan. Die inspanning doorwoelt de hele mens, doorwoelt ook de beelden, en ik veroorzaak een soort chaos in de schedel. Ik moet onder alle omstandigheden eerst versterken wat er wil zijn. Dat moet ik voedsel geven. Op die manier kom ik ertoe mijn lesgeven zó in te richten. Ik richt mijn lessen zo in dat ze aansluiten bij de levensprocessen. 
GA 302/45-48
Vertaald/46-49

.

Rudolf Steiner over natuurkunde: alle artikelen

Natuurkunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3638-3428

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – actueel: Sint-Maarten

.

(link onder ‘alle artikelen)

SINT-MAARTEN   alle artikelen

Sint en Maarten moeten beide met een hoofdletter worden geschreven en er moet een koppelteken tussen.

Ook wanneer je afkort; dan moet er achter St  ook een punt: St.-Maarten.

In samenstellingen een kleine letter: sintmaartensavond;

Sint-Maarten houdt zijn hoofdletters in samenstellingen: Sint-Maartenskerk

VRIJESCHOOL in beeld: St.-Maarten
bordtekeningen, transparanten

.

VRIJESCHOOL – actueel: Kerstspelen

.

Kerstspelen: alle artikelen

.

Antrovista: archief V.O.K    over de Kerstspelen

.

Tineke’s doehoek

.

VRIJESCHOOL – actueel: Sint-Nicolaas

.

Hoe voorkom je dat kinderen teleurgesteld zijn, wanneer Sint-Nicolaas niet blijkt te bestaan. Een poging om dit te voorkomen: Sint-Nicolaas (28)

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Sint en Nicolaas moeten beide met een hoofdletter worden geschreven en er moet een koppelteken tussen.

Ook wanneer je afkort; dan moet er achter St  ook een punt: St.-Nicolaas.

Sinterklaas moet ook met een hoofdletter wanneer het om de ‘echte’ gaat.

Sprekend over de hulpklazen:  sinterklazen.

In samenstellingen heeft sinterklaas een kleine letter: sinterklaasavond; sinterklaasgedicht enz.

Sint-Nicolaas houdt zijn hoofdletters in samenstellingen: Sint-Nicolaaskerk
bordtekeningen, transparanten enz.

VRIJESCHOOL  in beeld: Sint-Nicolaas     jaartafel

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Mededeling – Sociale driegeleding – agenda/activiteiten

.

‘SOCIALE DRIEGELEDING’

Website

Nummers van tijdschrift Driegonaal

Een zekere rust én betrokkenheid: dat zijn ingrediënten om de ontwikkelingen in de wereld te kunnen volgen. Inzicht en verbondenheid zijn ingrediënten om te weten wat ons te doen staat. En dan nog de moed om samen in beweging te komen.
Op www.socialedriegeleding.nl proberen we je hiertoe te inspireren!

Nieuwsbrief sociale driegeleding

 

Sociale driegeleding: alle artikelen op deze blog

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

.

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Mededeling Nationale Vertelschool

.

Save the Dates: Vooruitblik naar het najaar!
Nieuwe voordrachten, workshops en ontmoetingen

Kom alvast in de stemming met onze najaarsprogrammering

AGENDA
28 oktober: Tussen Dood & nieuwe Geboorte
Voordracht over leven en dood (Zutphen)
Aanmelden »
Historische verhalen
20 november: Historische verhalen
Het schrijven van historische verhalen (Hengelo)
Aanmelden »

Vertelstof: alle artikelen

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie in de 1e zevenjaarsfase (‘Kind danst’ 9)

.

Nora von Baditz

.

euritmie voorkleine kinderen

.

Euritmie met de kleine kinderen onder de zeven begon met de woorden van Dr. Steiner: “Als je euritmie doet met kleine kinderen onder de 7 jaar, dan krijg je een Ik-kracht die noch school noch karma kunnen doen ontstaan.”

De dag nadat deze opmerking was gemaakt, begon ik met een aantal jonge kinderen te werken. De enige richtlijn voor het vormgeven van een les voor deze leeftijdsgroep was dat men zich moest bezighouden met “eenvoudige euritmie”.

Dr. Steiner deed ooit een algemene uitspraak over euritmie: dat zij een mens verbindt met de krachten die werkzaam zijn in een kind tot de leeftijd van drie jaar.
Voor iedereen die heeft nagedacht over deze eerste drie levensjaren – en die bijvoorbeeld het boek GA 15, de blz. 15-23 *De geestelijke leiding van de mens en de mensheid* heeft bestudeerd – komen deze twee ideeën samen. Ze tonen aan hoe enorm waardevol het is om een ​​kind zo vroeg mogelijk met euritmie in contact te brengen.

Men begint rond de leeftijd van drie jaar – of zelfs iets eerder, als het kind uit eigen beweging wil meedoen – met het introduceren van de eerste ritmische elementen in een vorm die past bij deze leeftijd: beelden die voortkomen uit vreugde en liefde. Kleine elfjes* fladderen lichtvoetig voorbij – de kinderen zetten kleine, snelle pasjes op hun tenen, begeleid door verfijnde, heldere muziek, terwijl hun handen korte, ritmische gebaren maken. Daarna lopen ze, voorovergebogen als dwergen*, stampend voort en hameren ze met gebalde vuisten op zilver en goud; de muziek wordt krachtiger.

Als leerkracht ontdekt men al snel dat kinderen in hun snelle bewegingen een bijna hemelse, stralende lichtheid kunnen bezitten – en dat men als volwassene moet binnentreden in deze zorgeloze, zonovergoten wereld van beweging. Hoewel dr. Steiner benadrukte dat leerkrachten alle persoonlijke zorgen en beslommeringen achter zich moeten laten voordat ze aan een les beginnen, is dit voor juist deze uren van essentieel belang. Men dient een gevoel van opgewektheid uit te stralen – een creatieve vreugde die geworteld is in een vitaal, bijna sanguine vermogen tot innerlijke transformatie – zonder daarbij ooit specifieke prestaties van de kleintjes te verlangen of – wat al helemaal uitgesloten is – hen te willen corrigeren. Het is simpelweg de bedoeling dat zij vreugdevol kunnen leven binnen de wereld van de euritmie.

De term “eenvoudig” — zoals in “eenvoudige euritmie” — herinnert ons eraan hoe eenvoudig alles zou moeten zijn. Het was een uitdagend proces om te ontdekken wat dit precies inhield, maar de kleintjes lieten zelf zien wat bij hen paste; men leert door het leven te observeren. Alles wat een grotere mentale inspanning vereiste — zoals tellen of complexe cognitieve taken — werd afgewezen; met andere woorden: ze konden het simpelweg nog niet. Ik leerde deze les toen ik probeerde een reeks van “kort, kort, lang” te introduceren: sommige kinderen voerden vier korte bewegingen uit, terwijl anderen drie korte bewegingen deden, gevolgd door twee lange. Ik besefte toen dat men dergelijke dingen niet van hen kan vragen; in plaats daarvan moet men bij de basiselementen blijven — strikt vasthouden aan óf “kort” óf “lang”. Zodra ik dat deed, verliep alles uitstekend. De “lange” bewegingen werden reuzen die met trage, krachtige passen voortschreden, terwijl de “korte” bewegingen kleine dwergen werden die behendig rondhuppelden. De kinderen waren dolenthousiast! Ik concludeerde dat men hen volledige vrijheid moet geven, zodat elk kind zich op zijn eigen manier in de ervaring kan onderdompelen. Het behoud van de wil — die fundamenteel is voor deze levensfase — moet tijdens deze uren worden gerespecteerd; de kinderen mogen nooit tot iets worden gedwongen. Men dient uitsluitend te vertrouwen op de kracht van imitatie — een nabootsing van bewegingen die voortkomt uit een oprecht, liefdevol plezier in de activiteit zelf.
Toen hem werd gevraagd waarom de allerkleinsten en de kinderen in de eerste klassen slechts één keer per week euritmie zouden moeten krijgen, antwoordde dr. Steiner: “De kinderen moeten in een vreugdevolle verwachting leven; ze moeten uitkijken naar de les. Het zou schadelijk zijn als dat niet zo was – als ze als het ware overvoerd zouden worden met eurythmie.”
Deze vreugdevolle verwachting kan worden ervaren door iedereen die de allerkleinsten op de juiste wijze laat kennismaken met deze bewegingen – bewegingen die voor hen net zo natuurlijk en vertrouwd aanvoelen als thuis zijn.

Zonder de afzonderlijke klanken ooit bij hun naam te noemen, verweeft men ze met de gebeurtenissen van het moment. De activiteiten van jonge kinderen bestaan ​​hoofdzakelijk uit spel dat op werk is gebaseerd, en uit sprookjes. Toen ik dr. Steiner vroeg of het passend zou zijn om sprookjes te verwerken in de eurythmie voor deze leeftijdsgroep, antwoordde hij: “Ja, dat is heel goed – alleen moeten de sprookjes in een ritmische vorm worden gebracht, nooit in proza.” Zo worden korte, ritmische versies van sprookjes – zoals *Doornroosje*, *Sneeuwwitje*, *De kikkerkoning*, enzovoort – uitgebeeld, waarbij de nadruk sterk op het ritme ligt en er slechts enkele specifieke klanken worden gebruikt.

De op arbeid gebaseerde spelletjes die in de kleuterklas worden aangeboden, krijgen in de euritmie een nieuwe vorm. De dynamiek van alledaagse arbeid komt tot uitdrukking via ritme en klank – denk bijvoorbeeld aan de schoenmaker die met snelle, lichte tikjes spijkers in een schoenzool slaat, of de postbode die met een weloverwogen, zware tred zware pakketten draagt. Zonder de klanken zelf te kunnen benoemen, bootsen de kleintjes ze na – gedreven door een natuurlijke neiging tot imitatie – en verweven ze zo in hun spel. Net zoals kinderen op deze leeftijd nog niet hoeven te leren lezen of schrijven, horen ze ook niet in aanraking te komen met een intellectuele, op het verstand gerichte benadering van klanken en tonen. In plaats daarvan leven ze erin, waarbij ze zich laten dragen door het oerelement van het ritme.

De voeding voor de ziel die sprookjes bieden, in combinatie met de kracht die schuilt in doelgerichte fysieke bewegingen – bewegingen die het kind verankeren in de aardse werkelijkheid – is bijzonder heilzaam voor kinderen jonger dan zeven jaar. In deze context speelt het muzikale interval van de kwint een fundamentele rol. De kinderen krijgen de gelegenheid om dit interval te horen; ze reageren op de muziek, merken de kwint op, luisteren aandachtig, beleven vreugde aan het herkennen ervan en voeren enthousiast een mooie, ronde beweging uit. Men zou het zelfs de “gouden poort” kunnen noemen – een benaming die tijdens deze uren op natuurlijke wijze ontstond en waar de jonge kinderen werkelijk van houden. De begeleider begrijpt echter de vormende betekenis die de kwint heeft voor een kind tot de leeftijd van negen jaar: het weerspiegelt het idee dat “de wereld de mens vormt” en dat “de mens bestaat binnen het goddelijke”. In de ervaring van de kwint wordt de mens zich bewust van zijn eigen plek binnen de goddelijke orde van de wereld.

En men doet het voor met eerbied en een gevoel van grootsheid.

De suggestie van dr. Steiner dat jonge kinderen regelmatig het euritmiegebaar voor de klank “B” zouden moeten oefenen, opent vele mogelijkheden voor creatieve activiteiten. Hij beschrijft de euritmische “B” als een beweging waarbij men de armen – beschermend en liefdevol – om iemand heen slaat (hij noemt hierbij een jong kind). Wat vinden kinderen het heerlijk om dit te doen! Eén kind staat in het midden, terwijl de anderen hun armen en handen om hem of haar heen leggen en zo bescherming en een schuilplaats bieden. Buiten kan een storm woeden (uitgebeeld door de leerkracht), of het kan regenen; wanneer de kinderen gaan kijken, zien ze dat het kind in het midden geen last heeft gehad van de wind – en iedereen juicht! Wanneer ze tijdens de “regen” kijken, merken ze dat het kind niet nat is geworden. De vreugde en uitbundigheid zijn enorm. Ieder kind verlangt ernaar om op deze manier geborgen te zijn. Het is gemakkelijk te begrijpen hoe deze klank – die verbonden is met het sterrenbeeld Maagd – werkt als een blauwe mantel uit de hemel, die de kinderen omhult terwijl zij worstelen met de uitdagingen van de incarnatie.
Een bijkomende aanwijzing is dat men de ‘B’-vorm ook om een ​​voorwerp heen kan slaan. Ik pakte dus een kussen en gooide het over; een kleintje ving het op, en inderdaad: zijn kleine armpjes omsloten het kussen in een perfecte ‘B’-vorm. Wat een vreugde! Iedereen wilde het kussen beschermen. Als het op de grond viel, schreeuwde hij (of ik) het uit, en het gaf veel voldoening om het weer op te pakken, dicht tegen zich aan te drukken en te koesteren. De ‘B’-vorm kan op vele verschillende manieren worden gevormd.

Het idee dat men op deze leeftijd het gebaar voor “I” moet vermijden – met als argument dat dit egoïsme in de hand zou kunnen werken – is eenvoudig in de praktijk te brengen: men laat het simpelweg achterwege. Dit wordt begrijpelijk wanneer men beseft dat, tot het moment waarop het blijvende gebit doorbreekt, dankbaarheid de fundamentele deugd – de voornaamste kracht – in het leven van een kind behoort te zijn. Uit deze dankbaarheid zal later de liefde voor het Goddelijke voortkomen. Dankbaarheid dient met het kind mee te groeien, net zoals het lichaam groeit. In deze fase is er geen ruimte voor een nadruk op het “Ik” door middel van het euritmiegebaar voor “I”.

Aangezien op deze leeftijd alles gericht is op de gezonde ontwikkeling van het fysieke lichaam – op het wegnemen van obstakels voor die groei – is de les zo opgezet dat euritmie, zonder dat het kind dit merkt, in elk deel van het lichaam doordringt, het verlevendigt en versterkt. De vitale, etherische overvloed die inherent is aan euritmie stroomt door de voeten, wat helpt om platvoeten te voorkomen; ze stroomt door de vingers; ze leidt overtollige levensenergie weg van het gebit – energie die anders tot tandbederf zou kunnen leiden; ze verruimt de borstkas, reguleert de ademhaling en stimuleert de stofwisseling. Kortom: ze bevordert de gezondheid. De leerkracht is zich tijdens het vreugdevolle werk voortdurend bewust van dit effect. Hij of zij zorgt ervoor dat licht, frisheid en liefde de eigen ziel vervullen, zodat uitsluitend gezondheidsbevorderende krachten de kinderen bereiken – want de emotionele impulsen uit de omgeving werken als opbouwende of juist afbrekende krachten bij de ontwikkeling van de organen, weefsels, bloedsomloop en andere lichaamsstructuren.

Het is noodzakelijk om drie afzonderlijke fasen in het leven van een kind te onderscheiden. Rond de leeftijd van 2 jaar en 4 maanden is de ontwikkelingsfase van de organisatie van het hoofd voltooid. Omstreeks de leeftijd van 4 jaar en 8 maanden maakt het etherlichaam zich los van het ritmische systeem van de borstkas. En rond het zevende levensjaar is het stofwisselings- en ledematensysteem door het etherlichaam vormgegeven.

Wanneer kinderen naar euritmie worden gebracht, bevinden zij zich in een levensfase waarin het ritmische systeem door middel van dansachtige bewegingen ontwikkeld dient te worden. Rijmpjes waarin het ritme – meer nog dan de inhoud van de woorden – de boventoon voert, zijn volgens dr. Steiner vormend voor het kind. (Dergelijke rijmpjes zijn terug te vinden in zeer oude verzen.) Ze kunnen bovendien worden ingezet om lange en korte maatdelen aan te geven, of om bij te klappen of te tikken. De gehele bijeenkomst mag doordrenkt zijn van deze ritmes..

Naarmate kinderen hun vijfde levensjaar naderen, gaan ze op zoek naar intensievere fysieke activiteiten, wat in lijn is met de ontwikkeling van hun ledematen. Hier kan rekening mee worden gehouden door deze oudere kinderen taken te geven die meer inspanning vereisen.

Wie euritmie geeft aan kinderen van deze leeftijd, doet er goed aan de opmerkingen in de pedagogische voordrachtenreeksen te bestuderen – in het bijzonder in het boek GA 34/309, vertaald *De opvoeding van het kind* – om daar inspiratie uit op te doen. De gehele onderwijsaanpak is gebaseerd op het inzicht dat warmte – oprechte, liefdevolle warmte – essentieel is voor de gezonde ontwikkeling van het jonge kind. Daarbij komt nog vreugde – een soort innerlijke verlichting – waarin lichaam, ziel en geest kunnen opbloeien.

Het spreekt voor zich dat men, naast sprookjes en spelletjes, nog veel meer kan aanbieden – de verbeelding krijgt immers alle ruimte. Zo kan men kinderen veel meegeven aan de hand van een mooi, oud gedicht, zoals:

Wenn die Kinder schlafen ein,
Wachen auf die Sternelein,
Und es schweben Engelein,|
Nieder aus der Ferne.
Halten wohl die ganze Nacht
Bei den frommen Kindern Wacht.

Wanneer de kinderen in slaap vallen,
Ontwaken de kleine sterren,
En dalen kleine engeltjes neer,
Van heel ver weg.
De hele nacht houden zij de wacht,
Over de zachte, vrome kinderen.

(Automatische vertaling)

Wat houden de kleintjes ervan om hun armen over hun borst te kruisen, in een gebaar van toewijding! Het korte versje “Er was eens een klein konijntje…” is een bron van grote vreugde voor alle kinderen. Daarna – op een eenvoudige en basale manier – kun je de bewegingen van ‘verzamelen’ en ‘verspreiden’ [samenballen en loslaten, het bekende begrip ballen und spreizen] verkennen door met beide handen een vogelnestje te vormen. Binnenin liggen de vogeltjes rustig; ze zijn nog niet uit hun eieren gekomen. Je gluurt door de kleine opening en luistert: alles is stil. Plotseling klinkt er een geluidje: *tjilp… tjilp…* Eén vogeltje fladdert even naar buiten (de vingers bewegen speels en vrolijk) om vervolgens weer terug te keren naar zijn moeder. Daarna vliegen twee vogeltjes omhoog, richting de zon, terwijl ze vrolijk kwetteren. Dit prille ontwaken van het vermogen tot eigen initiatief is voor iedereen een bron van pure vreugde. Een andere keer kunnen de vogeltjes misschien rondhuppelen op een koperen staaf – de vingers dansen dan langs het metaal, al klinkt er op dat moment nog geen “getjilp”. [het qui, qui].

Op deze leeftijd zijn vaste vormen nog niet passend. Geometrische figuren – zoals driehoeken of vijfhoeken – evenals spiralen en achtvormen, maken deel uit van het lesprogramma voor de eerste klas. Laat de kleintjes daarom vrij rondspringen en handelen met een ongekunstelde eenvoud.

Laat je niet afschrikken door het vooruitzicht om met een zeer groot aantal kinderen tegelijk te werken. Ik begon met 15 kinderen en kwam uiteindelijk uit bij een groep van wel 80 jonge kinderen. Dat leverde geen enkel probleem op; ze volgden allemaal de leiding van de leerkracht en beleefden veel plezier aan het beoefenen van euritmie. Naarmate de groep bleef groeien, moest ik deze uiteindelijk opsplitsen vanwege een gebrek aan ruimte. Hoe moediger, natuurlijker en steviger je eigen houding is, des te enthousiaster en oprechter zullen de kleintjes zich in hun activiteit storten.

*Zie over ‘het gebruik’ van elementairwezens deze opmerking aan het begin van het artikel.

.

‘Het kind danst’: inhoudsopgave

Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Euritmie: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter- en kleuterklas

.

3637-3427

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over natuurkunde (GA 297A, GA 300A en 300C)

.

GA 297A (Duits)

Op deze blog vertaald

Voordracht 1, Utrecht 24 februari 1921

Blz. 26 vert. 26

Wir müssen uns zum Beispiel noch weiter klar sein, daß solche Gegenstände wie Physik und dergleichen, die sich ganz absondern vom Menschen, die nur dadurch eine gewisse Vollkommenheit erlangen, daß alles Subjektive aus der Formulierung ihrer Gesetze ausgeschlossen wird, erst vom elften, zwölften Jahre an das Kind herangebracht werden dürfen.

We moeten ons er bijvoorbeeld ook terdege van bewust zijn dat vakken als natuurkunde – die volledig losstaan ​​van de mens en juist een zekere perfectie bereiken doordat al het subjectieve uit de formulering van hun wetten wordt geweerd – pas op de leeftijd van elf of twaalf jaar aan een kind zouden moeten worden onderwezen.
GA 297A/26
Op deze blog vertaald/26
.

Voordracht 5, Den Haag 22 november 1922

Wenn man nun den ganzen Unterricht so einrichtet, daß das Kind um das zwölfte Lebensjahr herum so viel von Naturwissenschaft aufgenommen hat – durchaus entsprechend dem volksschulmäßigen Erziehen und Unterrichten -, daß es einen Überblick hat über manche physikalischen, über manche Begriffe der Botanik und so weiter, nicht im wissenschaftlichen, sondern durchaus im kindlichen Sinne, dann darf in diesem Lebensalter so um das zwölfte Jahr herum bei dem Kinde hingesehen werden – und das Kind demgemäß behandelt werden -, nach jenem Konflikt, der entsteht, wenn man auf der einen Seite hinaufschaut zu der göttlichen Weltenlenkung, zu der das Kind zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahr hat hingelenkt werden können, und jenem Gegensatz, der sich ergibt, wenn wir nur von den äußeren – nicht von moralischen, nicht von göttlich-geistigen Kraftentfaltungen her -, im Offenbaren vor uns hintretenden Naturerscheinungen Kenntnis nehmen. Diese Naturerscheinungen treten ja vor uns hin, ohne daß sie uns von moralischen Prinzipien durchsetzt erscheinen, ohne daß wir das Göttliche in ihnen unmittelbar wahrnehmen.

Wanneer het gehele leerplan nu zo is ingericht dat een kind rond zijn twaalfde levensjaar voldoende natuurwetenschappelijke kennis heeft opgedaan — geheel in lijn met de benadering die past bij het basisonderwijs — om een overzicht te krijgen van uiteenlopende natuurkundige begrippen, botanische termen en dergelijke (niet op wetenschappelijke wijze, maar op een uitgesproken kinderlijke manier), dan kan men bij het kind een specifiek conflict waarnemen — en het kind ook dienovereenkomstig benaderen. Dit conflict vloeit voort uit de spanning tussen, enerzijds, het opkijken naar het goddelijk bestuur van de wereld — een perspectief waartoe het kind tussen zijn negende en tiende levensjaar kan zijn geleid — en, anderzijds, het contrast dat ontstaat wanneer we natuurverschijnselen uitsluitend beschouwen in hun uiterlijke, waarneembare verschijningsvormen, los van enige morele of goddelijk-spirituele dimensie. Deze natuurverschijnselen doen zich aan ons voor zonder dat ze doordrenkt lijken te zijn van morele principes, en zonder dat we het goddelijke er rechtstreeks in kunnen waarnemen.
GA 297A/156
Vertaald

GA 300A

Zie voor de betreffende tekst (Duits en vertaling) op deze blog: wet van behoud energie [18]
Over deze wet van Mayer spreekt Steiner (o,a) ook in de Algemene menskunde, voordracht 3
[3-3]

Blz. 258

Het gaat om de vraag of muziek een rol kan spelen bij de behandeling van de akoestiek:

X..” Ob wir das in der Physik verwenden können als eine Brücke vom Musikalischen zum Akustischen?

X…: Zouden we dit bij natuurkunde kunnen gebruiken als brug tussen het muzikale en het akoestische?

Dr. Steiner: Da wäre es wünschenswert, daß man die Akustik musikalischer macht, daß man eine Akustik herauskriegt, die man verbinden kann durch eine Art künstlerischer Brücke mit dem Musikalischen. Es gibt schon diese Möglichkeit, in die Sache so etwas Musisches hineinzubringen. Man darf nicht versuchen, es auf die vorhin erwähnte Art möglich zu machen. Ich weiß auch gar nicht, was übrigbleiben soll für den Punischen Krieg, wenn Sie eine halbe
Stunde wegnehmen für alles das.

Het zou wenselijk zijn om de studie van de akoestiek muzikaler te maken – om een ​​benadering van de akoestiek te ontwikkelen die via een of andere artistieke brug met het muzikale domein kan worden verbonden. Het is inderdaad mogelijk om het vak een muzikaal karakter te geven.
GA 300A/258
Op deze blog vertaald/258

GA 300C

In der Physik und Chemie müßte man es dahin bringen, jenes Prinzip durchzuführen, wonach das ganze System der Chemie und das ganze System der Physik ein Organismus ist, eine Einheit, und nicht ein Aggregat, wie jetzt angenommen wird.

In de natuurkunde en de scheikunde zouden we tot een punt moeten komen waarop we het principe kunnen toepassen dat het volledige stelsel van de scheikunde en het volledige stelsel van de natuurkunde samen een organisme vormen – een verenigd geheel – in plaats van slechts een verzameling, zoals momenteel wordt aangenomen.
GA 300C/18
Niet vertaald

Rudolf Steiner over natuurkunde: alle artikelen

Natuurkunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3636-3426

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie in de 1e zevenjaarsfase (‘Kind danst’ 3 en 4)

.
In ‘Kind tanzt’ zijn een aantal uitspraken van Steiner opgenomen onder de titel:

Het ontwikkelen van verstandsvermogen door middel van juiste bewegingen in de vroege kindertijd

.

Over de gezondheidsbevorderende effecten van eurythmie

Dan volgt tekst uit GA 304, voordracht 6, van blz. 160 t/m 169.

De vertaling daarvan is hier te vinden.

Onder het kopje:

Wilsvorming, werken vanuit een kunstzinnige basis, initiatief en de juiste muzikale benadering

wordt er geciteerd uit GA 304, voordracht 5, blz. 152, 153.
De vertaling daarvan is hier te vinden.

‘Het kind danst’: inhoudsopgave

Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Euritmie: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Vrijeschool in beweging: peuter- en kleuterklas

Vrijeschool in beeld: peuter-kleuterklas

.

3635-3425

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Uit LEO KLEINs aantekeningen

.

In de 14e voordracht van de ‘Algemene menskunde’ roept Steiner ons op om redenen die in de artikelen, o.a. [14-4] behandeld worden – nog veel met fantasie te gebruiken bij de vakken van 6e, 7e en 8e klas. Hij geeft daar zelf voorbeelden van.
M.i. kun je ook via de taal op een fantasievolle manier zo’n vak meer geven dan alleen de kale feiten.

Ik denk dat Leo Klein hier iets in die richting voor zijn klas heeft gemaakt.

NATUURKUNDE, LICHT EN GELUID

Koor:
Bij hanenkraai en ochtendgloren

1)
voor het begin van al het werk
als de dag weer wordt geboren
rijst de zon, gestaag en sterk

2)
Het witte nevelenspel
belemmert haar ’t licht
te verspreiden, wijd en fel
rood wordt haar gezicht

3)
Zie de torsers zwoegen
Stoer wordt werk verricht
Sjouwen, tillen, ploegen
Rood wordt hun gezicht

4)
En de stier
Rood wordt het dier!
En de dwaze
vechtersbazen

5)
Zie hoe de roos
Na dorens van strijd
Na een langere poos
Zich in ’t rood heeft bevrijd

Duister:
Wij zijn de krachten van duister en donker
Schaduwen en holle spelonken

Licht:
Wij zijn het licht, geboren in zon
Vreugde en glans en liefde rondom

Duister:
In ons dringen duivelse daden
Demonen en kwaden

Licht:
Reinheid en deugden leven rondom
Wij zijn het licht, geboren in zon

Kleuren:
Wij kleuren maken feest
Schenken ons graag weg
Maken vreugde en zwier
En dansen in plezier

Koor:
7)
Op het innerlijk leven
Kan de klank ons antwoord geven

8)
Zij zijn gelijk, blijkt uit kleur en vorm
Het verschil? Enorm!

Iemand doet alsof hij fluit speelt, maar we horen viool

9)
U begrijpt, dit kan zo niet
’t Is onjuist wat u hier ziet
De waarheid kennen wij, heb dank!
Door het werken van de klank

10)
Het kleine en het jonge piept
Heeft de klank nog niet verdiept
Grote massa’s klinken laag
’t Is hoorbaar bij de koe
Ze loeit wel, loeit wel, loeit wel: boe!

11)
Hou echter heel goed in de gaten
’t hardst klinken de holle vaten

12)
De enkele klank van ‘ja’
Laat diepe sporen na

13)
Koning Salomo spreekt recht. Twee vrouwen beweren beiden moeder te zijn van dezelfde baby

Salomo:
Is dit uw kind

Vrouwen:
Ja

Salomo:
Zal ik ieder van u de helft geven?

1e vrouw:
Ja

2e vrouw:
Laat het leven

14)
Zo kan de klank ons ook verklappen
Wie op ons toe komt stappen

15)
De burgemeester
De aristocraat
De militair
Of de meid van de straat
Zit ze mooi in de kleren
Hoef je haar niet altijd te waarderen

16)
Door klank zo waar
Begrijpen wij elkaar
Bij een ontmoeting van bekenden
Van onderling gelijk gestemden
Bij jongens, meisjes, dames, heren
Noemt men dit resonneren

17)
Weet u ook of in deze stad een vrijeschool is?

I don’t understand you
Je ne vous comprend pas
Ich verstehe dich nicht

2e straat links, over het plein
pas op de auto’s, let op de tram
Rechts om de hoek, dan zie je hem

Een bekende klank
Gegroet, heb dank

Allen:
Het spel dat is nu uit
van licht en het geluid

.

Natuurkunde: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen 

Vrijeschool in beeld: 6e klas

.

3634-3424

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over natuurkunde (GA 295)

.

In GA 295, de 3e reeks voordrachten bij de oprichting van de eerste Waldorfschool, gaat het veel over de lesstof in de verschillende klassen.
‘Leerplanvoordrachten en werkbesprekingen.’

Wat daarin over natuurkunde werd gezegd, is op deze blog weergegeven bij de verschillende klassen.

Voor  klas 6   klas 7   klas 8   klas 9   klas 10   klas 11   klas 12

.

Natuurkunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3633-3423

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie in de 1e zevenjaarsfase (‘Kind danst’ 8)

.
Traudel Zwieauer

Over eurITmie met jonge kinderen 

De volgende opmerkingen zijn bedoeld om ervaringen te delen die zijn opgedaan met euritmie bij kinderen in de kleuterleeftijd. Iedereen die werkzaam is in een kleuterklas of bij groepen jonge kinderen, weet dat de ervaringen van een ander slechts als inspiratiebron kunnen dienen; elke activiteit met jonge kinderen is immers zo nauw verbonden met het directe moment – ​​met de gemoedstoestand van de kinderen op dat ogenblik, de sfeer in de ruimte en talloze subtiele, ongrijpbare factoren.

Deze reflecties zijn daarom bedoeld als een bescheiden aanzet voor het werken met euritmie – een praktijk die ieder individu telkens opnieuw en op vruchtbare wijze kan vormgeven, afgestemd op de specifieke omstandigheden van het moment.

Dit voortdurende, spontane proces van telkens iets nieuws scheppen, roept een innerlijke gesteldheid op die lastig in woorden te vatten is, maar die zich als volgt laat omschrijven: op momenten dat het – met hulp van de kinderen – lukt om iets nieuws tot stand te brengen, is het alsof je in een bron van jeugd duikt en met de pure vreugde van een ontdekkingsreiziger onverwachte schatten ontdekt en hanteert. Deze innerlijke houding bepaalt ook de blik op de euritmie zelf: de jonge kunstvorm van de euritmie – die bruist van de krachten van de kindertijd – ontmoet de prachtige, natuurlijke gebaren van de kleintjes. Wanneer kinderen hun handen opheffen, doen zij dat niet omdat ze zich herinneren dat ze dat gebaar ooit hebben geleerd; het ontstaat veeleer vanuit een direct, creatief proces van nabootsing en beleving. Een dergelijke innerlijke vreugde kan een bijeenkomst met kinderen veranderen in een waar feest.

Wanneer men de volgende woorden van Rudolf Steiner over euritmie voor jonge kinderen in overweging neemt — en de innerlijke kern van deze uitspraak afzet tegen de gebeurtenissen van onze tijd — begin je de betekenis en de hedendaagse relevantie van pedagogische euritmie in de kleuterklas te begrijpen: “Een krachtig ‘ik-gevoel’ (ik-bewustzijn) zou bijvoorbeeld kunnen ontstaan ​​als je een kind tussen de drie en vier jaar oud laat kennismaken met elementaire euritmie. Het kind zou er volledig in opgaan, en een werkelijk ‘ik-gevoel’ zou tot in de diepste lagen van zijn wezen doordringen.”
Nora v. Baditz, die na 1919 als eerste deze vorm van elementaire euritmie bij jonge kinderen introduceerde, merkt daarover nog op: “De weg van het jonge kind is een weg van incarnatie — niet alleen in het eigen fysieke lichaam, maar ook in de uiterlijke levensomstandigheden op aarde. Deze gerichtheid op de aarde drukt een specifiek stempel op de wijze waarop het onderwijs wordt vormgegeven.”

Euritmische gebaren kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van een “gezond zelfgevoel” en het kind op een passende wijze helpen zijn weg te vinden in de omringende wereld; tegen deze achtergrond dienen de volgende praktische suggesties te worden beschouwd.

Het integreren van euritmie in het dagritme van een kleuterklas vormt vaak een zekere uitdaging. De euritmist komt één keer per week langs – de kinderen zijn zich daarvan bewust – en de kleuterleerkracht heeft die ochtend wellicht al de ruimte voorbereid door de stoeltjes opzij te zetten. De wijze waarop de euritmist binnenkomt, en haar vermogen om snel aan te sluiten bij de actuele situatie van de kinderen, zijn van groot belang. Wanneer de kinderen verdiept zijn in hun vrije spel, kan zij – om hen niet abrupt uit hun concentratie te halen – thema’s uit hun spel oppakken en zo op een natuurlijke wijze de overgang naar de nieuwe activiteit begeleiden.

Laten we een klein voorbeeld bekijken: de meeste kleintjes zitten dicht bij elkaar in een speelhuisje dat ze zelf hebben gebouwd. Een meisje roept: “Tante, we komen er vandaag niet uit – we zijn in de kerk!” Na een moment antwoordt de euritmist: “Daar in het bos is ook een kerk – daar kunnen jullie allemaal de klokken luiden!” Eén kind begint: “Ding, dong…” en kruipt naar buiten; langzaam volgen de anderen, terwijl ze “ding, dong” zingen. De euritmist zegt dan misschien: “Nu luiden de kleine klokjes – ding, ding!” Ze pakt een klokkenspel, en terwijl de klokjes klinken, volgen de kinderen het geluid; moeiteloos brengt ze hen samen in een kring. De les begint, en de kinderen verheugen zich telkens weer wanneer het motief van de klokjes terugkeert.
Hier is nog een anekdote – een spel waar de kinderen nooit genoeg van kregen en dat ze keer op keer wilden herhalen. De kleuterleidster zit of staat met de groep in de ochtendkring wanneer de deur opengaat en de euritmist binnenkomt. De leidster fluistert: “Wees heel stil – misschien zoekt ‘tante’ wel naar ons!” De euritmist komt binnen, vermijdt bewust om naar de kinderen te kijken – die zo vol verwachting zitten dat ze nauwelijks stil kunnen blijven zitten – en vraagt: “Waar zijn mijn kleintjes vandaag?” Ze zoekt rond, kijkt in kasten en achter de kachel. Dan – zorgvuldig erop lettend de betovering niet te verbreken door te veel de aandacht op zichzelf te vestigen – pakt ze iets op dat voorhanden is, bijvoorbeeld een pop of een handpop zoals Jan Klaassen. Ze vraagt ​​aan de pop of hij weet waar de kinderen zijn gebleven. De geliefde Jan Klaassen “vindt” de verborgen kinderen, die – hun opwinding nauwelijks kunnen bedwingen – luid juichen zodra ze “ontdekt” worden. Ze springen misschien allemaal op en rennen naar de euritmist toe, die vervolgens inspeelt op deze intense, groeiende verwachting en een vrolijke aanpak maakt het gemakkelijk om de aandacht van de kinderen erbij te houden. Het was elke week weer een bijzondere ervaring om te zien met hoeveel onvermoeibare energie dit spel zich ontvouwde – waarbij telkens variaties werden aangebracht, zodat het voor iedereen elke keer weer als een compleet nieuwe belevenis aanvoelde.

Zodra de kring is gevormd, teken ik – op voorstel van juffrouw Thetters – met krijt kleine “huisjes” op de vloer. Elk kind kiest zelf wat zijn of haar huisje voorstelt: een zon, een maan, een jagershut – of zelfs een krokodil, tot groot vermaak van iedereen. De kinderen kijken met verbazingwekkend veel geduld toe hoe de huisjes worden getekend, en ieder kind krijgt een eigen plekje toegewezen. Hierdoor kan de euritmist de orde bewaren, zelfs nadat de kinderen hebben rondgerend en gesprongen; ze keren maar al te graag terug naar hun eigen “huisje”, waar ze zich veilig en geborgen voelen.

De activiteit begint met de gezamenlijke klankenreeks “I-A-O” (ie-aa-oo), waarbij de kinderen hun hoofdjes verstoppen. “Waar zijn jullie hoofdjes?” “Hier!” “Ik zie jullie beentjes niet – waar zijn die?” “Daar!” “En wat doen jullie armpjes?” “Zo!” – ze steken hun armen omhoog en vormen zo een ronde zon. Als ik merkte dat de aandacht van de kinderen verslapte, voegde ik vóór de “I-A-O” een eenvoudige oefening in – bijvoorbeeld een ademhalingsoefening, of het ballen en weer strekken van de handen, afhankelijk van wat er op dat moment nodig was. We bewegen allemaal naar het midden van de kring – naar het “huisje van de dwerg” – en dan luisteren we (*ch*) [het Duits heeft ‘horchen’, vandaar de ch]: komt er iemand aan? Langzaam staan ​​we op, de kring wordt groter, en we springen op en rennen terug naar onze eigen huisjes, waarbij we onze armen uitstrekken en naar elkaar lachen. De kinderen zijn dol op lachen – en dat doen ze dan ook vaak – waarbij ze hun handjes gebruiken: ze lachen met hun handen hoog in de lucht, laag bij de grond, of door de ene of de andere hand te gebruiken. Of we kunnen ons in de struiken verstoppen, waarbij we het gebaar voor de letter ‘B’ maken, terwijl de euritmist roept: “Kleine kabouter, waar ben je? Kleine kabouter, waar word je wakker? Kleine kabouter, waar slaap je?” “Hier!” roepen ze, terwijl ze opspringen.

Na dit eerste moment van samenkomen ontvouwt de euritmieles zich – een les die in de praktijk overigens geen vol uur kan of hoeft te duren. Het uitgangspunt is altijd om aan te sluiten bij de actuele situatie: de seizoenen, een verjaardag, of misschien simpelweg het feit dat het buiten sneeuwt. Dit vereist van de euritmist een grote alertheid en het vermogen om de ideeën van de kinderen te omarmen, zonder daarbij de rode draad van de les uit het oog te verliezen. Iedereen die met kinderen heeft gewerkt, weet dat je van hen kunt leren hoe je het huidige moment naar een hoger niveau tilt.

Euritmie plaatst de mens in de wereld door middel van gebaren voor spraakklanken, muzikale elementen en ritmen; er is niets in de euritmie dat niet al in de wereld of in de mens zelf aanwezig is. Dit is een fundamentele ervaring die je bij kinderen kan waarnemen: er is slechts een klein duwtje in de rug nodig om datgene wat al in de mens verankerd ligt, tot bloei te laten komen.
In dit licht wordt een opmerking van Rudolf Steiner – uit zijn voordrachtenreeks *Algemene menskunde als basis voor de pedagogie* – begrijpelijk: “Wanneer is een mens zinloos bezig? Wanneer hij alleen zo bezig is als zijn lichaam het verlangt. Zinvol handelt hij, wanneer hij doet wat de omgeving van hem vraagt en niet alleen zijn eigen lichaam. Daar moeten we bij kinderen rekening mee houden. Enerzijds kunnen we de lichamelijke activiteit van een kind meer en meer sturen in de richting van puur lichamelijke beweging, van gymnastiek, turnen; daarbij wordt alleen het lichaam gevraagd welke bewegingen gedaan moeten worden. – En anderzijds kunnen we de uiterlijke bewegingen van een kind sturen in de richting van zinvolle bewegingen, bewegingen die geheel en al
van zin doordrongen zijn; dan dartelt het kind met zijn bewegingen niet in het geestelijke rond, maar volgt het de richtingen van de geest.
GA 293/191
Vertaald/182

De algemene opzet van een euritmieles wordt gevormd door de aanwijzingen van Rudolf Steiner voor het onderwijs op vrijescholen: begin elke les met een zekere ernst en sluit deze af met een vrolijke stemming. Bij jonge kinderen kan deze aanvankelijke ernst zich uiten als een verhoogde, geconcentreerde activiteit; het einde van de les kan vervolgens overgaan in een vrolijke, ontspannen vorm van spel, die uitmondt in een moment van volkomen stilte – waarbij echter ook op dat moment een luchtige, ontspannen sfeer behouden blijft. Een diepe, volledige ademhaling bij de kinderen getuigt van een gezond welbevinden – een toestand die nooit mag worden getemperd door de zware, sombere ernst die volwassenen nogal eens met zich meebrengen.

Er is vaak gezegd dat het verloop van een euritmieles een afgerond geheel moet vormen – vergelijkbaar met een reis door een andere wereld – en dat het ritmische sprookje daarvan een kernonderdeel is. Ik ben echter van mening dat er in dit proces juist een grote verscheidenheid moet heersen. De uitbundigste vreugde bij kinderen – en het is prachtig wanneer euritmie met zoveel enthousiasme wordt ontvangen – ontstaat wanneer er met contrasten wordt gewerkt. Denk bijvoorbeeld aan dwergjes die zo zachtjes met hun vingertjes – hun zilveren hamertjes – tikken dat niemand hen hoort; en die vervolgens met een heel grote hamer slaan (waarbij ze met hun voeten stampen). Nergens is de sfeer zo verstild en geheimzinnig als juist na een moment van uitbundige activiteit. Het principe van samentrekking en uitbreiding – zowel in de les als geheel als in de kleinste oefeningen – werkt simpelweg heilzaam. Ik heb vaak gezien hoe volwassenen proberen een bepaalde stemming bij kinderen op te roepen, of vanuit de stilte iets tot stand proberen te brengen en telkens weer wordt deze stilte doorbroken; er zijn kinderen die het simpelweg niet kunnen verdragen. Na een periode van levendige beweging — “Over stok en over steen, rent mijn kleine kabouter heen” — voelt de daaropvolgende stilte even natuurlijk aan als een inademing; op dit moment, waarin adem wordt gehaald, kan de euritmist de kleintjes — die zich nu in een staat van luisteren bevinden — op een geheel nieuwe wijze bereiken.

In de euritmie zoekt een kind naar volledige overgave; het kind wordt aangesproken binnen zijn eigen bewegingssfeer, en dat moet je te respecteren. Een kind is altijd volledig opgegaan in een bepaalde belevingswereld — het leeft daarbinnen. Ook de euritmist dient de oefening of de spraakklank met een dergelijke volledige, onbevangen en totale toewijding te beleven; het kind zal dit vervolgens met vreugde imiteren.

Wie probeert door te dringen tot wat bij jonge kinderen als een ontwikkelingsrealiteit kan worden waargenomen — en wie de ontplooiing van de mensheid beschouwt als een evolutie, zoals Lessing dat doet in zijn *De opvoeding van het menselijk geslacht* — die ziet bij het jonge kind iets wat volwassenen zijn kwijtgeraakt, maar wat in vroegere tijden wellicht bestond als een oorspronkelijke, poëtische kwaliteit. Het betreft hier de natuurlijke en onverbrekelijke eenheid van het talige, het muzikale en het ritmische.
J. G. Herder — wiens ideeën over volksliederen en balladen een grote inspiratiebron vormden voor de jonge Goethe — omschrijft deze “natuurlijke staat van poëzie” als: “Levendige gewaarwording, uitgedrukt in woorden en vergezeld van een volledige expressie door middel van gebaren.”
Bij het kiezen van teksten of liedjes voor kinderen is het daarom raadzaam te zoeken naar voorbeelden waarin het talige en het muzikale op natuurlijke wijze met elkaar verweven zijn. Kinderrijmpjes — in het bijzonder de oudere exemplaren — bezitten dit in de hoogste mate; daarin leeft zowel het creatieve taalgevoel als datgene wat Herder de “volledige expressie door middel van gebaren” noemt.

Bijvoorbeeld:
Klopfe, klopfe Ringelchen,
da gehn zwei arme Kinderchen,
gib ihnen was und laß sie gehn,
das Himmelreich wird offen stehn, 

“Klop, klop, ringetje, 
twee arme kindjes komen aan;
geef ze wat, laat ze gaan,
de hemelpoort zal wijd opengaan” – of:

Es regnet, es schneiet,
es weht ein kalter Wind,
es frieren alle Stäudelein
und alle kleinen Kind.

“Het regent, het sneeuwt,
een koude wind waait;
alle plantjes bevriezen,
en de kindjes ook.”

Het eerste versje neigt meer naar het lyrische en muzikale, terwijl het tweede rijmpje een ervaring beschrijft die geworteld is in medeklinkers – een wisselwerking met de omringende wereld.
Wat betreft de euritmische expressie van taal voor kinderen, geldt het advies van Rudolf Steiner: “Gebruik veel medeklinkers.”
Dit wijst opnieuw op de natuurlijke wijze waarop kinderen de krachten in hun omgeving in zich opnemen – krachten die het kind vormen en tegelijkertijd als vormgevende machten in de wereld werkzaam zijn.
Kinderen beleven groot plezier aan het voortbrengen van de ‘W’-klank – het waaien van de wind – of het sissen en fluiten van de ‘Fff’, vaak met zoveel overgave dat een gordijn kan gaan bewegen of een lamp begint te trillen. En wat een vreugde ontstaat er wanneer de euritmist doet alsof hij – bijna – door die kracht wordt omvergeblazen! Het is duidelijk dat de kleintjes deze gebaren niet slechts “uitvoeren”; ze leven erin. Ze hoeven alleen maar hun kleine armpjes op te tillen, want ze bevinden zich in een elementaire wereld waar de betekenis van wat wordt uitgesproken rechtstreeks voortkomt uit de klanken – uit de medeklinkers zelf. Deze wereld van scheppende taalbetekenis vormt en boetseert het kind, zeker wanneer het zich er met vreugdevolle, creatieve ijver aan overgeeft. Het kan een hoogtepunt van een euritmieles zijn wanneer de kinderen – misschien als reuzen die zware boomstammen voortrollen, of als dwergjes die op hun kleine rode rijdieren rondspringen – volop genieten van de klank van de letter ‘R’.

In eerste instantie zullen de kinderen willen meedoen – vaak nogal luidkeels – en dat moet je hen zeker niet verbieden. Met een beetje slimheid kan je echter uitnodigen tot een gebaar zonder dat daar geluid bij hoeft te worden gemaakt; denk bijvoorbeeld aan dit bekende liedje:

Johann, spann an,
zwei Katzen voran,
zwei Mauserin vorauf,
den Blocksberg hinauf!

“Johann, span het span maar in –
twee katten voorop,
twee muizenvangers erbij,
naar de Blocksberg trekken wij!”

Misschien komt Johann niet opdagen; dan roep je: “Johann!” Maar hij verschijnt nog steeds niet – roep nog eens… hij heeft het niet gehoord. Laten we het nu eens met onze armen proberen – kijk, daar is Johann, en de katten en muizenvangers schieten al vooruit.

Terwijl de kinderen zich enerzijds bezighouden met de medeklinkers, de taal en de vormgeving, vormt het muzikale element – ​​een wereld waarin de kleintjes zo natuurlijk en gelukkig vertoeven – de andere kant. Ritme – de eigenlijke hartslag van het leven – is in beide aanwezig. De meest oorspronkelijke vorm is het lied: het samen zingen met de kinderen. Wanneer de kinderen helemaal opgaan in het muzikale, hoef je hen niet apart te instrueren om specifieke geluiden te maken of armgebaren toe te maken.

Aan de kinderen is duidelijk te merken dat één en dezelfde persoon niet tegelijkertijd kan zingen en euritmische gebaren kan uitvoeren*; de kinderen worden moe en verliezen hun belangstelling – de dubbele belasting is voelbaar. Wel kan je tijdens het zingen een kleine kringdans vormen, of – in de eenvoudigste vorm – de kinderen langs “rechte en gebogen” lijnen laten bewegen. Een kort voorbeeld kan dit verduidelijken:

Rudolf Steiner GA 278/108
Niet vertaald

Schmied, Schmied, Schmied,
nimm dein Hämmerlein mit!

Smid, smid, smid,
breng je hamertje mee!

De smid staat in het midden van de kring; de kinderen lopen naar hem toe, maken een hamerende beweging en lopen dan weer terug. Daarna lopen ze in een kring rond, terwijl ze zingen:

Willst du mir mein Ross beschlagen,
mußt dein Hämmerlein mit dir tragen.

Wil je mijn paard beslaan,
dan moet je met je hamertje komen!

Zodra het liedje is afgelopen, kan je zeggen: “Laten we het de smid nu eens op een andere manier vertellen!” – waarna je, stilstaand en zonder melodie, activiteiten kan ondernemen die zich richten op de medeklinkers van de taal.

Het zingen kan worden ondersteund – of zelfs vervangen – door de klanken van een lier of fluit; zo kan je bijvoorbeeld dwergen uitbeelden die snel voortbewegen of huppelen, of zelfs de dwergenkoning die met een kroon op zijn hoofd door het bos trekt. Er zijn talloze variaties te bedenken, zeker wanneer je muzikale elementen integreert – en als het op de juiste wijze wordt aangepakt, zullen de kinderen zelf meedoen met het bedenken ervan!

Wat betreft de vraag welke melodieën geschikt zijn voor een jong kind, wil ik erop wijzen dat de meeste traditionele kinderliedjes een pentatonische structuur hebben, al worden lang niet altijd alle vijf de tonen gebruikt. Doorgaans bestaan ​​deze melodische patronen uit figuren van drie tonen. Er zijn vier specifieke drietonige figuren die steeds weer opduiken in kinderliedjes van over de hele wereld – of ze nu uit Hongarije, Duitsland of Zweden komen. Deze patronen bewegen zich binnen een middenregister – een kwart of een kwint – en het blijkt dat kinderen zich heel natuurlijk binnen dit bereik van een kwint (meestal van D tot A) bewegen.

Aan het einde van de les kan de kring worden opgeheven voor een levendig spel, zoals “De wolf en het duifje”. Omdat alle kinderen de rol van wolf, vos of reus willen spelen, ontstaat er een uitbundige, bijna dionysische sfeer. Zodra de rust is weergekeerd, kan je op de lier een kwint aanslaan – de “gouden klok” – en het gebaar van deze kwint laten doorklinken. Als de kinderen enthousiast raken, kan je zeggen: “Mijn klok is van zilver!” – wat anderen uitnodigt om met hun eigen klokken in te vallen – wit, groot of klein – totdat ze volledig zijn omhuld door de klank van kwinten. Dit interval, waarin de binnen- en buitenwereld in volmaakt evenwicht verkeren, brengt het ritmische proces van uitademen en inademen in een harmonieuze balans. Aan het slot van de les is het goed om met muziek of een liedje af te sluiten, zodat de ruimte waar de euritmie plaatsvond weer haar alledaagse karakter terugkrijgt.

Dit zijn slechts kleine suggesties, die op elk moment kunnen — en zelfs behoren te — worden aangevuld met andere soorten ervaringen. Het behoeft nauwelijks toelichting dat er sessies met kinderen zijn waarna je je rijkelijk beloond voelt; maar er zijn ook dagen waarop niets wil lukken — dagen die pijnlijk duidelijk maken hoeveel werk en leerproces er nog in het verschiet liggen. Het komt erop aan te leren van het directe moment, op een wijze die past bij de situatie, om zo steeds meer gestalte te geven aan het mensbeeld dat Rudolf Steiner ons door middel van zijn inzichten opnieuw heeft geschonken. Dit mensbeeld komt bovendien tot leven door het bezielde gebaar — de euritmie — en het zijn de kinderen die aan onze zorg zijn toevertrouwd, die ons dit kunnen leren.

.

‘Het kind danst’: inhoudsopgave

Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Euritmie: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter- en kleuterklas

.

3632-3422

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Schrijven (9-5)

Het ligt in jouw handen

Princeton, VS / Trondheim, Noorwegen. Typen op een laptop, smartphone of tablet is snel en handig.
Twee studies, gepubliceerd in 2014 en 2024, tonen echter aan dat schrijven met de hand beter is voor onze cognitieve vaardigheden.

Het eerste onderzoek werd uitgevoerd door psychologieprofessor Daniel Oppenheimer en psychologiestudente Pam Mueller aan de Princeton University in de VS. Ze lieten 327 studenten aantekeningen maken tijdens een opgenomen college. De helft schreef op papier, de andere helft typte hun aantekeningen op een laptop. Na afloop werden alle deelnemers getest op hun begrip van het college.

Het resultaat was duidelijk: de studenten die handgeschreven aantekeningen hadden gemaakt, toonden een significant complexer begrip van de inhoud. Oppenheimer en Mueller concludeerden dat de studenten die handgeschreven aantekeningen maakten weliswaar langzamer waren met schrijven, maar dat ze daardoor gedwongen werden om aandachtiger te luisteren, te bepalen wat belangrijk was uit de presentatie en dit vervolgens in hun eigen woorden op papier te zetten.

Het tweede onderzoek, uitgevoerd door hersenonderzoekster en hoogleraar neuropsychologie Audrey van der Meer en hoogleraar cognitieve psychologie Ruud van der Weel aan de Noorse Universiteit voor Wetenschap en Technologie, onderzocht de verschillen tussen handschrift en typen op het niveau van hersenactiviteit. Van der Meer en van der Weel voorzagen 36 studenten van een EEG-kap die de elektrische activiteit in hun hersenen registreerde tijdens het experiment. De deelnemers zagen verschillende woorden na elkaar op een scherm verschijnen en schreven deze op – met de hand of op een toetsenbord.

De EEG-registraties lieten zien dat de verschillende hersengebieden die verantwoordelijk zijn voor geheugen, perceptuele verwerking en de integratie van nieuwe informatie, gelijktijdig en in een gecoördineerd patroon actief waren bij het schrijven met de hand. Daarentegen gebeurde er vrijwel niets in de hersenen bij het typen op een toetsenbord. Van der Meer en van der Weel verklaarden dit door de coördinatie tussen hand, oog en hersenen die nodig is voor handschrift. Elke afzonderlijke letter vereist een andere microbeweging van de hand, die wordt aangestuurd door zowel het oog als de hersenen. Bij het schrijven op een toetsenbord of touchscreen is echter alleen herhaaldelijk typen nodig.

De wetenschappers concludeerden dat handschrift de hersenen aanzienlijk stimuleert, wat vooral belangrijk is voor leerprocessen. Dit is wederom een ​​reden om af en toe alle apparaten uit te schakelen – met name in onderwijsinstellingen.

Bronnen: National Library of Medicine: De pen is machtiger dan het toetsenbord en handschrift, maar niet typen, leidt tot wijdverspreide hersenconnectiviteit.

.

Schrijven en lezen: alle artikelen   zie bv. [9-1] en [9-2]  [9-3]

1e klas schrijven: alle artikelen

1e klas: Rudolf Steiner over schrijven en lezen

1e klas: alle artikelen

Vormtekenen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas:  alle letterbeelden

.

3631-3421

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Euritmie in de 1e zevenjaarsfase (‘Kind danst’ 7)

.
In dit artikel ‘gebruikt’ de schrijfsters wezens die door Steiner in zijn geesteswetenschappelijke mededelingen bekend zijn geworden bij mensen die zich door antroposofie laten inspireren.
Het bestaan van die wezens is voor de antroposofie een realiteit. Maar het is wél antroposofie en Steiner wilde geen antroposofie in het onderwijs.
Wanneer deze wezens – ik zeg niet dat dit hier gebeurt – te pas en te onpas in het onderwijs gebruikt worden: bij rekenen, bij taal, in de euritmie – bestaat de kans dat ze als een ‘leuke versiering’ gaan dienen.
Tevens vind ik dat als je ze al gebruikt, ze voor jou een (diepe) realiteit moeten zijn. Dit om te voorkomen dat je ‘maar wat zegt en maar wat doet’. 

Johanna Otto

.

Euritmie in de kleuterklas
.

“Tot de krachten die vormend op de organen inwerken, behoren vreugde in en met de omgeving, de opgewekte gezichten van opvoeders en – bovenal – oprechte, ongeforceerde liefde. Dergelijke liefde, die de fysieke omgeving met een soort warmte doordringt, laat de vormen van de fysieke organen letterlijk uitrijpen…”

“In de vroege kinderjaren is het bijzonder belangrijk dat opvoedkundige elementen – zoals kinderliedjes – een mooie, ritmische indruk op de zintuigen maken. De nadruk moet minder op de betekenis liggen dan op de mooie klank. Hoe verfrissender iets voor oog en oor is, des te beter. Je mag de orgaanvormende kracht die besloten ligt in bewegingen op muzikaal ritme niet onderschatten…”

De voorgaande woorden zijn afkomstig uit Rudolf Steiners korte maar diepzinnige tekst *De opvoeding van het kind in het licht van de geesteswetenschap*. [1]
De tekst is gebaseerd op een lezing over kinderopvoeding; over deze lezing merkte Steiner in 1907 – nog voordat hij samen met Lory Maier-Smits de euritmie ontwikkelde – het volgende op: “Ik heb deze voordracht op verschillende plaatsen in Duitsland gehouden. Omdat velen de wens uitten om over de inhoud in geschreven vorm te beschikken, verschijnt deze hier in de vorm van een bewerkt essay.”
Het is een van de weinige voordrachten waarvan Steiner besloot het stenografisch verslag te herzien; zo belangrijk vond hij het destijds al om een ​​nieuwe impuls te geven aan het gebied van de opvoeding. Deze suggesties worden het meest uitvoerig uiteengezet voor de eerste levensfase van zeven jaar; ook de hierboven geciteerde passages hebben betrekking op deze fase.

Elke euritmiste [bedoeld is ook euritmist] die met kleuters wil werken, zou deze woorden van Rudolf Steiner diep in de ziel moeten prenten. Ze verhelderen precies wat zij in zichzelf tot leven moet brengen voordat ze voor de kinderen verschijnt. Het is van belang te beseffen dat euritmie, door haar etherische krachten, inwerkt op het fysieke lichaam van het kind – en wel zo krachtig dat dit effect de organen daadwerkelijk vormgeeft. Dit toont de grote verantwoordelijkheid aan die hiermee gepaard gaat; het betekent immers dat elke beweging die met de kinderen wordt uitgevoerd, waarachtig en precies moet zijn, en tegelijkertijd vloeiend en ontspannen. De euritmist moet altijd de hoogste eisen aan zichzelf stellen en niets van het kind verwachten; de ontvankelijkheid van het kind kan immers alleen ontstaan ​​als zij werkelijk en vol vreugde bereid is te geven. Dan echter ontstaat er een ‘dialoog’ waarin de euritmist, net zozeer als de kinderen, een geschenk ontvangt. Het mag geen ‘les’ in de schoolse zin van het woord worden, maar veeleer een uur vol vreugde, vitaliteit en een sprookjesachtige sfeer, waarin de groei- en vormkrachten zich in hun natuurlijke element kunnen ontplooien.

Hoe wordt dit bereikt? Om te beginnen moeten de opening en de afsluiting van het samenzijn goed gestructureerd en consequent zijn. Daartussenin moet echter ruimte zijn om te ademen, tot bloei te komen en te bruisen van leven, wat leidt tot ervaringen die zowel vreugdevol als beschouwend van aard zijn.

Om te beginnen begroeten we niet alleen het kind zelf, maar ook de afzonderlijke lichaamsdelen – bijvoorbeeld hoofd, armen en benen: I A O – “Ik ben hier,” zegt het hoofd (I); “Wij zijn hier,” kondigen de benen (A) aan; “O, wij ook,” verheugen de armen (O) zich.
Vervolgens bouwen we ons huisje van het lichaam: eerst de stevige muur, dan het dak dat ons tegen de regen beschermt, de poort voor de vele lieve mensen die ons willen bezoeken, en het raam voor het zonlicht. Hieruit ontstaan ​​prachtige oefeningen – bijvoorbeeld wanneer de stevige muur door de wind wordt geteisterd, maar zich vervolgens herpakt om weer stevig te staan. Want we zijn kleine steentjes geworden die precies in elkaar passen.

De eerste, tere ervaring van het vormen van een kring ontstaat op natuurlijke wijze wanneer de muur zich weer sluit. Of het raam wordt geopend en gesloten – overal: in de kelder, op zolder, aan de kant van de tuin – een prachtige A-E-oefening. De toren wordt gebouwd; de “U”-vorm groeit vanuit de donkere diepte omhoog naar het licht, en als bekroning vormt de muzikale kwint een prachtig, rond raam aan de top. Het is wonderbaarlijk om te zien hoe stil en toegewijd de kinderen kunnen luisteren naar die bescheiden kwinttoon! En zodra er een torenraam is, kunnen de klokken luiden en tot in de verre omtrek klinken. De grote klokken luiden, en de reuzen horen ze en komen met grote passen aangeschreden. De kleine klokjes roepen de dwergen, die met kleine pasjes komen aanrennen. Dit is tijdens het bezigzijn ook het moment om het kind de wisseling van de seizoenen te laten ervaren. Maar daarover later meer.

Tegen het einde van de ‘les’ pakken we de koperen staven erbij – waarmee het huis opnieuw vorm kan krijgen, maar ditmaal met een specifiek object erin verwerkt, en die uitnodigen tot korte, eenvoudige oefeningen; toch moet de activiteit altijd binnen de sfeer van spel en verbeelding blijven. Je kan de staaf bijvoorbeeld gebruiken om een ​​muur van onder naar boven te volgen, waaroverheen van voor naar achter een mooi, rond dak kan worden getekend; ook kunnen we ramen toevoegen, enzovoort. Vervolgens kunnen er zitstokjes voor de vogels worden bevestigd, zodat de vogels (onze vingers) op en neer kunnen vliegen. Het spelen met de vingers zou een terugkerende activiteit moeten zijn. Je kan ook oefenen om de vingers langs de staven te laten rennen of huppelen. Dit alles is een bron van vreugde, maar tegelijkertijd een serieuze bezigheid in de ware zin van het woord. Tot slot moet een gezamenlijke oefening – waarin vrolijkheid en ernst samenkomen – de ledematen weer tot rust brengen. Als afsluiting gebruik ik het gedicht “Ik ben Moeder Zon” van Christian Morgenstern.

Geen enkele euritmieles mag voorbijgaan zonder de oefening van ‘samenballen en verspreiden’. De les als geheel dient deze terugkerende beweging van samenballen en loslaten te integreren, waarbij de kinderen tussendoor vrolijk door de ruimte mogen rennen, om hen vervolgens via een vloeiend begeleide beweging weer tot rust te brengen. Uitbundigheid en verstilling, activiteit en luisteren moeten elkaar in evenwicht afwisselen. In de zomer kan een sfeer van jubel overheersen, terwijl de winter vraagt ​​om meer beschouwend luisteren. Over het algemeen hanteer ik dalende ritmes; het kind wil immers zijn lichaam bewonen. Uiteraard worden er ook wel eens stijgende ritmes gebruikt. Van Lory Maier-Smits heb ik geleerd dat Rudolf Steiner voor kinderen de majeurtoonsoort koppelde aan dalende ritmes, en de mineurtoonsoort aan stijgende ritmes.

Deze inzichten heb ik te danken aan de zeer geliefde en geachte Lory Maier-Smits; dankzij haar kreeg ik voor het eerst de gelegenheid om een ​​euritmieles voor kinderen bij te wonen.

Klinkers en medeklinkers in de euritmie voor jonge kinderen

In de jaren vóór de basisschoolleeftijd heeft euritmie een ‘orgaanvormende’ werking op kinderen. Dit moet je je voortdurend bewust zijn – zij het niet tijdens de les zelf; op dat moment moet het diep vanbinnen verankerd zijn en als vanzelfsprekend worden toegepast. De plofklanken (of stopklanken) zorgen voor vorm en vormkracht; de ademklanken verwarmen de groeikrachten en doordringen ze met ritme; de ​​waterklank (L) boetseert het lichaam; en de luchtklank (R) doordringt het met adem en licht.

Klinkers bevorderen bij het kind een levendig en warmvoelend vermogen tot emotionele respons, zonder het te dwingen tot een al te intense, specifieke ervaring. Het gevoel van verwondering bij de ‘A’, de liefdevolle omarming bij de ‘O’ en de beweging naar de ander toe bij de ‘U’ – ze dienen alle vreugdevol te zijn. Hier wordt het eerste, tere zaadje geplant voor een toekomstig, zeker gevoel van sociale verbondenheid; net zoals die ene wekelijkse les de basis kan leggen voor een aangeboren gevoel voor waarheid, dat zo essentieel is voor sociale interactie in het latere leven. Een kind dat na het derde levensjaar euritmie op een zo mooi en authentiek mogelijke wijze heeft mogen ervaren, zal later waarde hechten aan de waarheid – en deze zeker herkennen wanneer het geconfronteerd wordt met een leugen uit de buitenwereld.

Rudolf Steiner sprak over hoe één wekelijkse euritmieles voor het jonge kind voldoende zou zijn; tegelijkertijd moest deze les echter ook een ankerpunt vormen in het ritme van de week.

De seizoenen beleven: de lente

Op een dag, tegen het einde van februari, komen de kinderen vol verwondering aan bij hun euritmieles, nadat ze de eerste sneeuwklokjes hebben gezien. Dit is een ervaring die vraagt ​​om een ​​gedeelde beleving. We kunnen uitgebreid stilstaan ​​bij wat het sneeuwklokje moet doen om zulke prachtige klokjes voort te brengen: hoe het eerst de sneeuw en de aarde opzij duwt (G), vervolgens zijn ‘laarsje’ uitstrekt (L I) en twee kleine blaadjes ontvouwt (L A), zodat een zonnestraal (T) recht in het hart kan schijnen en het klokje naar buiten kan lokken. Nu kan het gaan luiden; vele bloemen zullen het horen en ook tevoorschijn komen. Ook bijen en vlinders komen langs om de bloemen te kussen en in ruil daarvoor wat honing mee te nemen…

Maar ook de mens moet nu iets voor de aarde doen; er moet geploegd en gezaaid worden. Jambische en anapest-ritmes werken hier goed bij. In het tijdperk van landbouwmachines is het niet altijd eenvoudig om jonge kinderen duidelijk te maken dat een boer ook met de hand kan zaaien, aangezien ze bijna allemaal al vertrouwd zijn met de machines die daadwerkelijk worden gebruikt. Toch is het belangrijk om ze de zaaibeweging te laten uitvoeren. Dit houdt meer in dan alleen het nieuw leven inblazen van een oude landbouwpraktijk; het staat symbool voor de menselijke verbondenheid met de aarde – het zaaien om later te kunnen oogsten.

Uiteraard moeten ook de vogels worden begroet. Door de hand simpelweg te sluiten en te spreiden, kunnen kinderen het leven van een jong vogeltje in het nest en zijn eerste vluchten ervaren.

Het seizoen vordert; de ooievaars arriveren en de jongen moeten leren vliegen. Dit is een prachtige gelegenheid om de bewegingen van sluiten en spreiden ten volle te verkennen. Eerst balanceren de jonge ooievaars op de nok van het dak; daarna oefenen ze met hun vleugels – het sluiten en spreiden begint klein en wordt steeds groter – totdat ze uiteindelijk het dak verlaten en ver weg vliegen. Dit is een oefening die de kleintjes eindeloos kunnen herhalen. Ook een wandeling door de wei, langs de rivier of door het bos is heerlijk. Er valt zoveel te beleven! Om te beginnen zijn er de wisselende texturen van de paden – of we nu langzaam omhoog klimmen of snel naar beneden rennen. Of het pad nu glad en stevig is of juist drassig, onze pas moet zich voortdurend aanpassen. Bovendien bieden de vele dieren die we tegenkomen – groot en klein – een schat aan bewegingsmogelijkheden die hun oorsprong vinden in de euritmie.

Het zou te ver voeren om dit allemaal in detail te beschrijven. Maar juist het verschil tussen de flitsende eekhoorn, de vos die met een schuldig geweten wegsluipt, de slak die over de grond kruipt en het zoemende bijtje, maakt dat de kinderen enthousiast en blij meedoen.

Zomer

De zomer verdiept zich; het wordt warm – zelfs heet! Weiden en wateren wemelen niet alleen van de bloemen, maar ook van dartelende elfen, watergeesten, sylfen en kabouters. Watergeesten spelen met ballen op het water (links), terwijl sylfen ballen van licht, lucht en zonneschijn hebben (rechts); kabouters doen vaak mee, altijd in voor een plaagstootje of om dit vrolijke volkje te laten schrikken. Soms duikt er ook een onhandige reus op. Elfen, kevers, bijen – alle wezens van de zomer en alle vreugden van het seizoen horen hierbij. Ik acht het van groot belang om de zomer zo met kinderen te beleven dat ook deze elementwezens erbij betrokken worden. Een kind in de eerste zevenjaarsfase – dat volledig in zijn omgeving leeft en die omgeving beter kent dan zichzelf – moet leren houden van watergeesten, sylfen, kabouters en salamanders, en een band met hen opbouwen. Hieruit groeien later een krachtig gevoel van vitaliteit en een gezonde levenshouding. De beleving van elementwezens moet echter werkelijk naar de elementen zelf leiden; het mag niet slechts een spel met symbolen worden. Hagedissen bijvoorbeeld, die snel een holletje in schieten, bieden een levendig, werkelijk voorbeeld van de bedrijvigheid van salamanders. De euritmist moet over grote innerlijke beweeglijkheid beschikken, zodat de zomerweide, het bos, het water en de rest van de natuur het kind kunnen onderdompelen in deze bruisende pracht.

Herfst

En dan komt de herfst; ze vult de voorraadschuren en schenkt ons heerlijk fruit en graan – we hoeven het alleen maar binnen te halen. Maar ze brengt ook storm en regen; ze brengt een strijd met de natuurkrachten met zich mee. Het is de tijd waarin kinderen met vliegers spelen. Ook wij laten vliegers op tijdens de les, zij het op een iets andere manier: ze vormen een zich ontvouwende spiraal die opstijgt in de vrije lucht, om vervolgens weer zorgvuldig te worden opgerold – want de vlieger, of liever gezegd de ‘windvogel’, moet behoedzaam worden opgeborgen voor het komende jaar.

Winter

Buiten wordt het steeds donkerder en stormachtiger. Mensen trekken zich langzaam terug in de warmte van hun huis. Kabouters verzamelen graan en fruit voor de winter; hamsters, eekhoorns en alle andere dieren leggen voorraden aan; het kaboutertje bakt brood voor de kersttijd. Alles keert naar binnen…

Waar we in de lente de jambe en anapest prachtig konden inzetten voor het zaaien en de naar buiten gerichte groeibeweging, lenen de trochee en de dactylus zich beter voor de tijd van de oogst. Toch mag men deze overwegingen nooit verstandelijk forceren; alles moet voortkomen uit een oprechte, doorleefde ervaring.

En dan breekt de prachtige adventstijd aan; het licht in huis moet worden ontstoken. Aan het begin van deze periode zet ik een adventsspiraal uit voor de kinderen: in het midden staat het grote licht – de gave uit de hemel – waaraan de kinderen hun eigen kaarsje mogen aansteken. Dit gebeuren beslaat een volledige euritmieles. Eerst vertel ik de kinderen een kort adventsverhaal. Karl Schuberts “Marias Sternfahrt” (Maria’s sterrenreis) [2], uit het leesboek van de school, is hiervoor heel geschikt. Wanneer elk kind zijn kaarsje heeft aangestoken en in de spiraal heeft geplaatst, bewonderen we de pracht van de lichtjes; tot slot mag elk kind zijn kaarsje ter hand nemen en de vlam uitblazen. Ik weet van veel moeders hoe diep de kinderen dit alles ervaren en hoe graag ze willen dat hun moeder diezelfde kaars elke avond voor het slapengaan voor hen aansteekt. Het kaarsje wordt met grote zorg bewaard.

Na deze bijzondere les zijn er meestal nog maar twee of drie lessen over tot de kerstvakantie – lessen die doordrongen zijn van een wonderlijke, verstilde sfeer. Marianne Garff heeft een charmant boekje gepubliceerd met de titel *Das Öchslein und das Eselein* (Het osje en het ezeltje), waarin ze verschillende dieren naar de kribbe laat komen op de Heilige Nacht. Ze mogen allemaal met menselijke stem het Christuskind begroeten. Het met de kinderen in euritmie uitbeelden van deze verzen vormt een prachtige voorbereiding op Kerstmis. Uiteraard vragen de kinderen ook om andere dieren dan de genoemde. Dus bedenk ik – in al mijn onvolmaaktheid – zelf verzen daarbij; en ook al kunnen ze zich niet meten met die van Marianne Garff, de kinderen genieten ervan.

Tegen de tijd dat we elkaar weer zien, zal Kerstmis voorbij zijn. Nu breekt de tijd aan waarin we willen ervaren hoe de aarde ontwaakt. En wat is er mooier dan dat te doen door de dwergen in de berg te laten hakken en graven naar goud en edelstenen? Ook dit biedt weer een onuitputtelijke bron van bewegingsmogelijkheden. Eerst moeten de dwergen de bergen in trekken om het goud en de edelstenen los te hakken – een bezigheid die lang kan voortduren. Daarna laten we elkaar zien wat we hebben gevonden en stoppen we alles in een grote zak; een zak die zo zwaar wordt dat we hem nauwelijks naar huis kunnen slepen. Daar legen we hem en rennen we vol vreugde naar de dwergendans. We herhalen dit ritme totdat de kinderen en de dwergen op een dag merken dat de sneeuwklokjes zich opmaken om tevoorschijn te komen. De cirkel van het jaar is rond; de lente keert terug.

Dit is slechts een klein deel van wat er met de kinderen gedaan kan worden; de mogelijkheden van de euritmie zijn onuitputtelijk, mits je je strikt aan de principes ervan houdt.

Natuurlijk gebruik ik af en toe sprookjes – *Sneeuwwitje* in de winter, *Doornroosje* in de zomer en misschien *De wolf en de zeven geitjes*. Voor de euritmie haal ik echter alleen specifieke situaties uit deze verhalen. Wanneer ik een verhaal wil vertellen, gaan we op de grond zitten en luisteren we. Bij de euritmie proberen we ons te beperken tot individuele handelingen – al moeten die natuurlijk wel met elkaar in verband staan. Voor de lessen gebruik ik vaak de versjes die Frau Diestel speciaal voor de euritmie heeft gemaakt. Toch zijn er ook momenten waarop de euritmist zelf de sfeer in de ruimte zo moet ‘verdichten’ dat er spontaan versjes ontstaan.

Over de aanwezigheid van ouders

Vaak rijst de vraag of moeders/ouders al dan niet aanwezig moeten zijn tijdens het bezigzijn van de kinderen. Bij kleuters is de situatie vanzelfsprekend zo dat ouders er niet bij zijn. Maar hoe zit het wanneer ouders hun kinderen brengen?

Op basis van mijn jarenlange ervaring kan ik zeggen dat ik beide scenario’s ben tegengekomen: zowel wel als niet.

Waarom ‘wel’? Ik herinner me moeders die hun kinderen meer dan tien jaar achter elkaar brachten en altijd rustig in de buurt bleven zitten, zonder contact met de kinderen te zoeken – ze grepen bijvoorbeeld niet in, zelfs niet bij ‘ongewenst gedrag’. Dit zorgde nooit voor verstoring; toch was het voor de moeders – zo verzekerden ze me telkens weer – net zozeer een hoogtepunt van de week als voor hun kinderen. Ze zagen hun kinderen plotseling in een ander licht en ontdekten eigenschappen en vaardigheden die ze thuis nog niet hadden opgemerkt.

De juiste afstand tot hun eigen kinderen ontstond op natuurlijke wijze, doordat ze de hele groep kinderen met evenveel belangstelling benaderden. En aan het einde leek er werkelijk een gezamenlijke ademhaling door de hele gemeenschap te gaan – moeders, kinderen en de euritmist.

Waarom ook niet? Er zijn kinderen die vrijer zijn en meer bereid om op te gaan in de euritmie-activiteiten wanneer hun moeder niet aanwezig is. Dat moet zeker worden opgemerkt en gerespecteerd – net zoals uiteraard het omgekeerde geldt, waarbij kinderen hun moeder nog even in de buurt nodig hebben. Ik vroeg moeders die aan het kletsen waren of voor onrust zorgden, altijd vriendelijk om in de gemeenschappelijke ruimte van de school te wachten. Soms nam een ​​collega handwerken, of zelfs een van de moeders, de leiding over een project: samen met alle kinderen (of zoveel mogelijk kinderen) werden er dan poppen of transparanten gemaakt voor de adventsverkoop.

Een aanpak die zeer aan te bevelen valt – al is het ons om externe redenen nooit gelukt deze te realiseren – is dat de moeders tegelijkertijd in een andere ruimte hun eigen euritmieles zouden volgen.

De overgang naar school

Waarnemingen met betrekking tot de ontwikkeling van kinderen die al op jonge leeftijd aan euritmie hebben gedaan – en hoe zij verschillen van kinderen die zonder deze ervaring naar school gaan – vragen om verdere zorgvuldige overweging en bespreking. Dit zou een belangrijk onderwerp zijn voor een lerarenvergadering op een vrijeschool. Ik hoor vaak van leerkrachten in de onderbouw dat kinderen die al ervaring hebben met euritmie veel gemakkelijker hun draai vinden in het leven op de vrijeschool dan kinderen die niet eerder met deze nieuwe bewegingskunst in aanraking zijn gekomen.

.
[1] Als essay staat het in GA 34/309
Vertaald: De opvoeding van het kind

[2] Te vinden in het leesboek ‘Zonlicht‘:

MARIA’S STERRENREIS

De boodschapper van de heilige Nicolaas, die langs de sterrebanen liep, ontmoette daar boven Moeder Maria. Zij ging, zo vertelde hij aan de kinderen, van de ene ster naar de andere, om gaven te vragen voor haar kindje.
Ze wilde zo graag een hemdje voor het Christuskindje maken, waarin ze hem zou kunnen kleden, als hij op de aarde zou komen.
Daarom gaf ieder van de twaalf sterrenbeelden aan de hemel wat gouden draden van hun stralenschat. Alle verheven hemelkrachten, de zon en de bewegende sterren, begroetten haar en zonden hulp.
Terwijl de aarde in de loop van een jaar haar baan om de zon aflegt, voert Maria’s weg van ster tot ster.
Bij de grote feesten, die door de mensen op aarde gevierd worden, reppen zich haar vlijtige handen, draad naast draad leggend steeds maar weer. Ze weeft een teer glanzend weefsel. Verblindend mooi.
Zij haast zich met haar werk, want met Kerstmis moet het hemdje klaar zijn.
Steeds is ze bezorgd of het haar wel gelukken zal, omdat het goud van de sterren niet bij elkaar wil blijven. Telkens weer stralen de mooi ineengelegde sterredraden uit elkaar.
Daar komen als trouwe helpers de engelen van de goede kinderen, die op aarde wonen, zich bij haar voegen. Zij brengen de goede daden, gedachten en woorden van die kinderen opwaarts in hun reine handen. Daarboven verandert dat alles in goud. Dat is het aarde-zielengoud. Zacht glinstert het tussen de trillende draden.
Met de gouden aardedraden maakt Maria de inslag in de schering van de hemeldraden. Ze voegt ze samen en maakt zo voor het Christuskindje een hemdje voor de Kerstnacht.
Alle kinderen van goede wil kunnen op deze wijze meehelpen.

Lied:

Over sterren, over zonnen zachte gaat Maria s voet,
louter goud uit sterrehronnen brengt zij als een hemelgroet.

Schrijdt Maria langs Gods wegen, hoog door hemellicht omstraald,
weeft zij ’t kleed uit sterrezegen, waar Gods kind in nederdaalt.

K. Schubert

.

‘Het kind danst’: inhoudsopgave

Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Euritmie: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter- en kleuterklas

.

3630-3420

.

.

.

.