WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 1900 artikelen.

In het zoekblokje (op deze pagina rechtsboven) een trefwoord ingeven, leidt ook vaak tot artikelen waar het betreffende woord in voorkomt.
Wanneer er meerdere koppen van artikelen worden getoond, is het raadzaam ieder artikel open te maken en onder aan het artikel bij de tag-woorden te kijken of het gezochte woord daar staat.
.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
Alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8;  klas 9: klas 10; klas 11  klas 12

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
Alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

Vanwaar de naam van onze schoolsoort
Maarten Zwakman
over: de naam vrijeschool; hoe geschreven; de naam Waldorf, ontstaan; enkele spellingskwesties toegevoegd

.
EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cypres; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israel; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Quatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – wegwijzer (317)

.

In het geschreven werk van Rudolf Steiner, maar ook in zijn opgetekende voordrachten vind ik vaak uitspraken, die – enigszins los van hun verband – op zich een inhoud hebben waarover je lang kan nadenken. Een tijdlang zo’n zin regelmatig op je laten inwerken, kan tot gevolg hebben dat deze zin je in een bepaalde situatie plotseling invalt en dan een antwoord of een richting blijkt te geven voor waarmee je op dat ogenblik bezig bent.
Ze wijzen je een weg; misschien ‘de’ weg; en ze wijzen je weg van het alledaagse. of geven je juist daarop een andere kijk,

‘wegwijzers’ dus

 

317
De mens met zijn hele ontwikkeling bestaat niet om wille van hem zelf; hij is er als uitdrukking van de geest, van de omvattende wereld van het goddelijk-geestelijke, hij is de uitdrukking van de wereld-goddelijkheid, van de wereldgeest.

Dieser Mensch mit seiner gesamten Entwicklung ist nicht um seiner selbst willen da, er ist da zur Offenbarung des Geistes, der ganzen Welt des Göttlich-Geistigen, er ist eine Offenbarung der Weltengottheit, des Weltengeistes.
GA 128/12     
Niet vertaald

.

Rudolf Steineralle wegwijzers

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

 

VRIJESCHOOL – actueel – Maria- Lichtmis

.

Maria-Lichtmis:     alle artikelen

Van Dale schrijft het met koppelteken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Actueel – carnaval

.

carnaval: alle artikelen

carnaval krijgt geen hoofdletter; ook in samenstellingen niet.

.

.

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Duits

.

In de verschillende artikelen over Duits in de lagere klassen staan allerlei voorbeelden van het gebruik van liedjes en gedichtjes.

In dit artikel volgt een opsomming van meer gedichtjes, rijmpjes e.d.

Widewidewenne
heiBt meine Putthenne,
Kannichtruhn heiBt mein Huhn,
Wackelschwanz heiBt meine Gans,
Widewidewenne
heiBt meine
                                                                                                                   (Volksmund)

====

Tra, ri, ra,
der Sommer, der ist da!
Wir woll’n hinaus in’ Garten
und woll’n des Sommers warten,
ja, ja, ja,
der Sommer, der ist da.

Tra, ri, ra,
der Sommer, der ist da!
Wir woll’n zu den Hecken und
woll’n den Sommer wecken,
ja, ja, ja,
der Sommer der ist da.

Tra, ri, ra,
der Sommer, der ist da!
Der Sommer hat’s gewonnen,
der Winter hat’s verloren,
ja, ja, ja,
der Sommer, der ist da.

====

Hoppe, hoppe, Reiter,
wenn er fällt, so schreit er.
Fällt er in den Graben,
fressen ihn die Raben.
Fällt er in den Sumpf,
macht der Reiter plumps!

                                                                                                             (Volksmund)

====

Backe, backe Kuchen, der Bäcker hat gerufen!
Wer will gute Kuchen backen,
der muB haben sieben Sachen:
Eier und Schmalz,
Butter und Salz,
Milch und Mehl,
Safran macht den Kuchen gehl.

====

Liebe Sonne

Liebe Sonne, scheine wieder,
schein’ die düstern Wolken nieder!
Komm mit deinem goldnen Strahl
wieder über Berg und Tal!

Trockne ab auf allen Wegen
überall den alten Regen!
Liebe Sonne, laB dich sehn,
daB wir können spielen gehn!

Hoffmann v. Fallersleben

====

Weihnachtslied

Alle 3ahre wieder
kommt das Christuskind
auf die Erde nieder,
wo wir Menschen sind;

kehrt mit seinem Segen
ein in jedes Haus,
geht auf allen Wegen
mit uns ein und aus;

ist auch mir zur Seite
still und unerkannt,
daB es treu mich leite
an der lieben Hand.

                                                                                                                                  Wilhelm Hey

====

Het artikel is nog in opbouw en zal worden uitgebreid, meer gerubriceerd naar klas en thema.

 

.
Niet-Nederlandse talenalle artikelen
.
 
2347

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-2/8)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de eerste levensfase van 0 – 7 jaar hechtte Steiner grote waarde aan o.a. de nabootsing. Hij beschrijft dat deze nabootsingskracht in het kind rond het 7e jaar langzamerhand afneemt. Er vindt a.h.w. een soort omwerking plaats en nabootsing wordt na-volging. In zekere zin ook een soort nabootsing: je wil dat wat de oudere in jouw omgeving voorleeft in je opnemen – niet meer dromend zoals met de nabootsing gebeurt, maar meer ‘gewild’ doordat je vertrouwen hebt in die oudere persoon; respect ook. Dat is voor Steiner het ‘autoriteitsprincipe’. 

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: autoriteit

GA 300B

Man kann nicht Erzieher oder Lehrer sein, ohne mit voller Einsicht sich so zu dem Kinde zu stellen, daß dieser Umwandlung des Nachahmungs­triebes in die Aneignungsfähigkeit auf Grund selbstverständlichen Autoritätsverhältnisses im umfänglichsten Sinne Rechnung getragen wird.

Je kan geen opvoeder of leerkracht zijn als je je niet met een volledig inzicht zo op het kind richt, dat je je ten volle bewust bent van de verandering van de nabootsingsdrang in het vermogen om te kunnen leren op grond van de vanzelfsprekende autoritaire verhoudingen.
GA 300B/11   
Niet vertaald

.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] GA 4
Vertaald

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

2346

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Rekenraadsel (nieuw)

.

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.
Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’

Oplossing later

 

 

Alle breinbrekers

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle ‘gewone’ raadsels

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/11)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Márchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

DE ARME MOLENAARSKNECHT EN HET KATJE

In een molen leefde eens een oude molenaar die vrouw noch kinderen had en er waren drie molenaarsknechts bij hem in dienst. Toen zij enige jaren bij hem hadden gewerkt, zei hij op een dag tegen hen: ‘Ik ben oud en wil rustig bij de kachel gaan zitten; trekken jullie erop uit en wie het beste paard voor mij mee naar huis brengt, die krijgt de molen en in ruil daarvoor moet hij mij tot aan mijn dood verzorgen.

Alles wat een mens in zijn leven als ervaringen opdoet, lijkt op een oogst die binnengehaald wordt. Net zoals het graan gemalen moet worden zodat het meel wordt en later ons belangrijkste voedsel, brood, zo moeten wij ook de vrucht van het leven verwerken zodat er kennis ontstaat, voedsel voor de geest. Daarom moet er in de mens een kracht werkzaam zijn die in de beeldentaal van het sprookje de molenaar heet. 
En de drie basiskrachten in de mens – voelen, denken en willen – lijken in dit opzicht op de drie molenaarsknechten. 

De derde van die knechts was het jongmaatje dat door de anderen voor niet wijs werd gehouden en zij gunden hem de molen niet, die hij trouwens niet eens wilde hebben. En zo trokken zij er met hun drieën op uit en toen zij bij het dorp kwamen zeiden de oudste twee tegen domme Hans: ‘Blijf jij maar hier, jij vindt van je leven geen paard.’ Hans ging echter toch mee en toen het donker werd, kwamen zij bij een hol waarin zij zich te slapen legden. De twee slimmerds wachtten tot Hans was ingeslapen, toen stonden zij op, maakten dat zij wegkwamen en lieten Hansje liggen. Zij vonden dat zij dat handig hadden gedaan. Jawel, maar het zal jullie toch slecht vergaan. Toen nu de zon opkwam en Hans ontwaakte lag hij in een diep hol; hij keek om zich heen en riep: ‘O God, waar ben ik!’ Hij stond op, krabbelde uit het hol naar boven en ging het bos in en dacht: ik ben hier moederziel alleen en verlaten, hoe moet ik nu aan een paard komen!

In het sprookje zien we vaak dat de ‘oude’ vader, koning, molenaar zich terugtrekt. Wat komt er dan voor deze oude, geestelijke kracht, terug. Dikwijls is dat de jongste – van de drie – en meestal heeft deze één opvallende eigenschap: hij is onwetend, dom of onnozel. En dan heet hij ook nog Hans (Johannes) wat niet zonder betekenis is (Lenz belooft verderop meer over deze naam te zeggen, maar dat doet ze nauwelijks)
Uit de menskundige beschouwingen van Steiner weten we dat de wil ‘jonger’ is dan het denken. De wil is – evenals ‘het jongere’ in ontwikkeling: op de toekomst gericht. ‘Wil’ heeft ook vele aspecten: instinct, drift, begeerte – zie Steiner in de ‘Algemene menskunde‘. Aan de wil kan altijd gewerkt worden. Je kan ook in bepaalde aspecten ervan ‘vast’ blijven zitten: we spreken over een onbuigzame wil, waarbij starheid of hardnekkigheid op de loer liggen. We spreken over ‘een vrije wil’ of juist over de onmogelijkheid die te hebben – een wetenschappelijk dispuut!. Wanneer is de wil vrij. Zijn de vele strubbelingen in de tijd waarin we leven, geboorteweeën die bij het verkrijgen van een vrije wil horen? 
De wijze sprookjesverteller zegt dat deze wil ‘rein’ en ‘met het hart’ zich op doelen moet richten die de slimmeriken als ballast beschouwen. 

Waar gaat het bij het paard om? Met name in het Duits zijn er een paar uitdrukkingen waarin het beeld van het paard duidelijk is: ‘Er hat ein Pferdeverstand, sitzt auf hohem Ross’, = hoogmoedig. In het Nederlands kunnen we het paard achter de wagen spannen, en er zijn meer uitdrukkingen waarin het paard er niet al te best afkomt: over het paard getild, een hinkend paard, een dood paard enz. Het is duidelijk dat je heer en meester over het paard moet zien te worden. Plato vergelijkt het verstand met een paard dat de mens moet beteugelen; je moet vast in het zadel zitten, je niet vergalopperen. 

In dit sprookje wordt verteld hoe Hans aan zijn paard komt. Er zijn natuurlijk verschillende wegen waarlangs je de wil kan sterken, die de mens ‘met verstand’ door het leven draagt, zodat hij ten slotte een met Ík’- begaafde, verstandige wilsmens wordt.

De beide andere broers – voelen en denken – houden zich verre van de wil. De wil moet het alleen aanpakken en op weg gaan.

Terwijl hij zo in gedachten voortliep kwam hij een kleine lapjeskat tegen die heel vriendelijk zei: ‘Hans, waar ga je heen?’ -‘Ach, jij kunt mij toch niet helpen.’ – ‘Ik weet wel wat je wilt hebben,’ zei het katje, ‘je wilt een mooi paard hebben. Ga met mij mee en wees gedurende zeven jaar mijn trouwe knecht, dan zal ik je een paard geven, mooier dan je van je levensdagen gezien hebt.’ -Nou, dat is me ook een wonderlijke kat, dacht Hans, maar ik wil toch wel eens zien of het waar is wat zij zegt.

In het sprookje zijn dieren beelden van onze instincten en driften, vergelijkbaar met wat in vele fabels voorkomt. ‘De domme’ weet dat er in de instincten een bepaalde natuurwijsheid werkt en dat je er veel aan kan hebben wanneer je er op de juiste manier mee omgaat. Zo kan je ook niet verstandig worden als je niet eerst te rade gaat bij je instincten. Maar het moeten wel de juiste zijn, je moet weten wat je wil leren, vooral bij de kat.
Als je naar een kat kijkt, hoe die voortsluipt op fluwelen pootjes, lang zo maar ligt met slaperige ogen om dan ineens op te springen of bij de jacht lang onbeweeglijk ligt te wachten om ineens toe te slaan. ’s Nachts leeft ze echt, vooral bij volle maan – en dat herkennen we in de kat die Hans ontmoet.
In het oude Egypte werd de godin van de liefdesbetovering Bastet, afgebeeld met een kattenkop. 
Hans vertrouwt op zijn natuurlijke instinct. 

Zij nam hem mee naar haar betoverde kasteeltje en zij had daar niets dan katjes in dienst die vlug de trappen op- en afsprongen en vrolijk en opgewekt waren. Toen zij ’s avonds aan tafel gingen, moesten er drie muziek maken – één speelde op de bas, de tweede op de viool en de derde nam de trompet en blies zijn wangen op, zo flink als hij maar kon.

In geen ander sprookje, volgen Lenz, wordt de sfeer zo uitbundig beschreven: ‘aan tafel gaan’, ‘muziek maken’. ’s Avonds, zegt ze, krijgen de mensen na het werk verlangen naar intimiteit; nu komt het erop aan met deze sterke verlangens in harmonie te komen. 
Er worden duidelijk drie gebieden geschetst: de benedenmens – de bas; de middenmens – de viool; de bovenmens: – de trompet.

Toen zij hadden gegeten werd de tafel weggenomen en de kat zei: ‘Vooruit Hans, dans met mij.’ -‘Nee,’ antwoordde hij, ‘met een poes dans ik niet, dat heb ik nog nooit gedaan.’ – ‘Breng hem dan maar naar bed,’ zei zij tegen de katjes.

Nu komt er in de loop van de gebeurtenissen een cruciaal punt: de kat zegt: ‘Vooruit Hans, dans met mij.’ -‘Nee,’ antwoordde hij, ‘met een poes dans ik niet, dat heb ik nog nooit gedaan.’ Dat betekent: ik laat mij door de kattendrift – de instinctieve drijfveer, verlangen naar liefde – niet op sleeptouw nemen, daar ga ik niet mee aan de rol. “Ik weet mij te beheersen’,  had hij ook kunnen zeggen.

Daarop lichtte er één hem bij in zijn slaapkamer, één trok hem zijn schoenen uit, een ander zijn kousen en tenslotte blies er één het licht uit. De volgende morgen kwamen zij terug en hielpen hem bij het opstaan – één trok hem zijn kousen aan, één bond zijn kousenbanden vast, één bracht zijn schoenen, één waste hem en één droogde met haar staart zijn gezicht af. ‘Wat is dat lekker zacht,’ zei Hans.

Met gevoel en ook aanschouwelijk schetst het sprookje hoe zijn hele wezen ontspant, wat een mens mag ervaren als hij zich beheerst overgeeft aan de verzorgende krachten en die ’s morgens weer in zich meedraagt.

Hij moest echter ook de kat dienen en iedere dag houthakken. Daarvoor kreeg hij een zilveren bijl, wiggen en een zaag van zilver en de hamer was van koper. Nu, hij hakte het hout klein en bleef daar in huis wonen; hij had er zijn natje en zijn droogje, maar zag niemand anders dan de lapjeskat en haar personeel.

De voortplantingskrachten in de mens hebben met de maan te maken. En met deze op de juiste manier om te gaan betekent: het zilveren werktuig gebruiken. Het dient ertoe wat verhout is, klein te maken. “Houterig’ denken is het abstract-intellectuele denken, dat net zo veel en zo weinig met zijn geestelijke oorsprong  te maken heeft als het dorre hout met de levende boom. Maar ook dit denken is belangrijk en moet worden beoefend. Concrete begrippen opstellen, analyseren betekent in de beeldspraak: ‘houtjes hakken’. Zo wordt voor ‘brandhout’ gezorgd: denken kan een innerlijk vuur doen branden dat verwarmt. Omdat de held Hans heet hoeft het niet te verwonderen [het waarom hiervan wordt niet uitgelegd] dat naast de zilveren bijl ook een koperen hamer komt. De wijze alchemisten van de middeleeuwen die in de werkzaamheid van de stof nog scheppingskrachten beleefden, zagen het koper als zinnebeeld voor de vroomheid. Ze noemden de toestand van de kinderlijke vroomheid; de kopertoestand. Met de slagkracht van de actieve vroomheid (de koperen hamer) kan men nu de braakliggende maankrachten (de zilveren werktuigen) hanteren. Zo zou je, volgens Lenz, het beeld kunnen duiden. 

Op een keer zei zij tegen hem: ‘Ga het gras op mijn weiland maaien en droog het dan,’ en zij gaf hem een zeis van zilver en een slijpsteen van goud, beval hem echter alles ook weer netjes in te leveren. Hans ging erheen en deed wat hem bevolen was; na gedane arbeid bracht hij de zeis, de slijpsteen en het hooi naar huis en vroeg of zij hem nu zijn loon wilde geven.

Werd het analyserende, abstracte denken bij het ijverig houthakkerswerk geoefend, dan gaat het vervolgens om het vegetatieve te lijf te gaan (het gras maaien) – leven, groei, voortplanting kunnen weelderig woekerend worden. Nu gaat het erom als oogst binnen te halen wat deze aan jeugdige bloeikracht schenken. In het instinct van de kat (het Duits heeft ‘Kätzchen-Liebes-Instinct) ligt veel natuurlijke wijsheid besloten; we hebben de gouden wetsteen waarmee de oordeelskracht steeds weer scherpgemaakt moet worden (de zilveren zeis) en een goed geslepen oordeelsvermogen is op dit terrein noodzakelijk. Hans is weer een stap verder gekomen in zijn ontwikkeling en mag weldra op zijn paard hopen.

‘Nee,’ zei de kat, ‘eerst moet je nog iets voor mij doen – daar heb je balken van zilver, een timmermansbijl, een winkelhaak en wat er verder nodig is, alles van zilver, en daarmee moet je voor mij eerst nog een klein huisje bouwen.’ Hans bouwde het huisje en toen het klaar was zei hij, dat hij nu alles had gedaan en nog steeds geen paard had. Toch waren de zeven jaren voor hem omgevlogen alsof het een half jaar was.

Alles wat met de innerlijke maankrachten heeft te maken moet nog verder ontwikkeld en gevormd worden. En daarmee heeft de drijfveer van de liefde een behuizing gekregen en alles wat in deze sfeer leeft, is vast en gevormd. Zeven jaar heeft deze ontwikkeling geduurd. Tussen het veertiende en eenentwintigste jaar voltrekken in het algemeen deze processen zich in de mens. Het abstracte en concrete denken moeten worden geoefend, oordeelskracht ontwikkeld en de ‘maanmens’ volmaakt worden.

De kat vroeg hem of hij haar paarden wilde zien? ‘Ja,’ zei Hans. Zij ging naar het huisje toe en toen zij de deur openmaakte stonden daar twaalf paarden, o, die waren zo trots en blonken en glansden dat zijn hart opsprong van vreugde. Toen gaf zij hem te eten en te drinken en sprak: ‘Ga naar huis, ik geef je je paard nog niet mee, over drie dagen kom ik het je brengen.’

Het getal twaalf komt vaker in de sprookjes voor als een kosmisch getal. De twaalf beelden van de dierenriem vormen samen een horizon, verdeeld in het twaalftal kosmische krachten die aan de microkosmos mens werken. Hans heeft voortdurend zijn verstandskracht geoefend. Daardoor heeft hij een omvattend wakker denken verkregen (twaalf paarden) en daarmee het verstand dat hem als Ik het meest verdienstelijk is: zijn eigen paard.  

Hans maakte zich dus klaar om te vertrekken en zij wees hem de weg naar de molen. Maar zij had hem niet eens nieuwe kleren gegeven; hij moest de oude haveloze kiel aandoen waarin hij gekomen was en die was hem in die zeven jaar aan alle kanten te klein geworden. Toen hij thuiskwam waren de beide andere molenaarsknechts er ook weer; zij hadden weliswaar ieder een paard meegebracht, maar het ene was blind en het andere kreupel. Zij vroegen: ‘Hans, waar is jouw paard?’ – ‘Dat komt over drie dagen.’ Toen begonnen zij te lachen en zeiden: ‘Haha, die Hans, waar wil die nu een paard vandaan halen, het zal me wat moois zijn!’ Hans ging de kamer binnen maar de molenaar zei dat hij niet aan tafel mocht komen, hij zag er zo haveloos en verwaarloosd uit dat zij zich zouden schamen als er iemand binnenkwam. Daarop brachten zij hem buiten een beetje eten en toen zij  ’s avonds gingen slapen, wilden de andere twee hem geen bed geven, zodat hij tenslotte in het ganzenhok moest kruipen en daar op wat hard stro gaan liggen.

Toen de andere twee oudere broers naar huis waren gekomen, toonde ieder wat ze verkregen hadden. De oudste, die alleen voelend leeft, heeft een verstand gekregen dat niets doorziet en geen inzicht heeft – zijn paard was blind. De tweede molenaarszoon, die van het denken, heeft een verstand ontwikkeld dat in het leven niet verder komt, geen ontwikkeling doormaakt – zijn paard is kreupel. Hans is in zijn ontwikkeling al veel verder gekomen dan het niveau van een molenaarsjongen, maar dat wordt pas duidelijk wanneer de liefdesdrijfveer (de kat) zichtbaar geworden is. Het sprookje zegt:

Als hij ’s morgens ontwaakt, zijn de drie dagen al om en daar komt me een koets met zes paarden aanrijden, die glansden me toch dat het een lust was en een bediende had nog een zevende paard aan de teugel, dat was voor de arme molenaarsknecht. Maar uit de koets stapte een beeldschone koningsdochter en ging de molen binnen en die koningsdochter was de lapjeskat bij wie de arme Hans zeven jaar in dienst was geweest. Zij vroeg aan de molenaar waar zijn jongste knecht was. Toen zei de molenaar: ‘Die kunnen wij niet binnen laten komen, die ziet er zo haveloos uit, die zit in het ganzenhok.’ Daarop zei de koningsdochter, dat zij hem dadelijk moesten halen. Dus haalden zij hem en hij moest zijn kieltje bijeenhouden om zich te bedekken. Toen pakte de bediende prachtige kleren uit en kreeg opdracht hem te wassen en aan te kleden en toen hij klaar was, was er geen koning die er mooier uitzag dan hij. Daarna wilde de jonkvrouw de paarden zien die de andere molenaarsknechten hadden meegebracht en het ene was blind en het andere kreupel. Nu liet zij de bediende het zevende paard brengen; toen de molenaar dat zag zei hij, dat zó’n paard nog nooit bij hem op het erf was geweest. ‘En dat is voor de derde molenaarsknecht,’ zei zij. ‘Dan krijgt hij de molen,’ zei de molenaar. Maar de koningsdochter sprak: ‘Daar is het paard en je molen mag je houden’ – en daarop neemt zij haar trouwe Hans bij de hand, laat hem in de koets plaatsnemen en rijdt met hem weg. Eerst rijden zij naar het kleine huisje dat hij met het zilveren gereedschap heeft gebouwd en nu is het een groot slot en alles wat erin is is van zilver en goud. Daar is zij met hem getrouwd en hij was zo rijk dat hij voor zijn hele leven genoeg had. Daarom moet niemand ooit zeggen dat iemand die dom genoemd wordt het daarom niet tot iets kan brengen.

Het bonte katje is een mooie, koninklijke jonkvrouw geworden, d.w.z.: de natuurkracht die helemaal in het instinctieve, onbewuste werkte, is nu een zielenkracht geworden zoals die bij de mens hoort- die werd tot liefde. En de ‘domme Hans’ – de wil in de reinheid zoals we die bij Parcival zien – kan zich met deze kracht van de liefde verbinden. 

Illustratie van Anton Pieck van de drie musicerende katten

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2345

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Taalraadsel (nieuw)

.

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.

Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’

Vind het verborgen woord

[14]

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

…PERS                                                 …RA                                      D…CT

HAND…T                                            GEN…AN                              SAT…

…TING                                                TER…IR                                AFFA…

Oplossing later

 

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-4)

 

Zo langzamerhand bestaat elk terrein waarvoor Rudolf Steiner vernieuw(en)de ideeën heeft gegeven, wel zo’n 100 jaar.

Dat geldt ook voor de sociale driegeleding.

De vrijeschoolbeweging heeft deze driegeleding tot op heden niet in de armen gesloten. Het lijkt of ze niet beseft dat alleen een echte vrijeschoolpedagogie tot zijn recht kan komen wanneer er vrijheid van onderwijs- d.w.z. van inrichting – is.

Ook op economisch gebied bevatten Steiners ideeën nog zoveel kiemen voor een veel socialer leven dan we nu op onze planeet aantreffen.

Rudolf Steiner hield er verschillende voordrachten over die o.a. zijn weergegeven in de GA (GesamtAusgabe =verzameld werk) onder de nr. 340 en 341
Deze zijn uitgegeven onder de titel ‘Economie – de wereld als één economie.
De vertaler – Frans Wuijts – schreef ook een nawoord, waarvan hier een gedeelte volgt:
.

Objectief leren waarnemen en denken

ANDERS KIJKEN NAAR ECONOMIE

Vindt een onderneming in het economische leven bestaansrecht in het verdienen van geld of in het voorzien in behoeften van mensen in de samenleving? 

Een voorbeeld uit de achtste voordracht. Hierin bespreekt Steiner de begrippen Vraag’ en ‘aanbod’. Hij neemt ons mee naar de markt met kramen en producten en wijst ons op wat wij waarnemen. Wij zien op deze markt het aanbod en dat wat men vraag noemt. Maar dat klopt volgens hem niet. Deze begrippen zijn krakkemikkig en ondeugdelijk. “Er is een aanbod wanneer iemand waren op de markt brengt en deze voor een bepaalde prijs te koop aanbiedt,” zegt hij. “Ik beweer echter: nee, dat is geen aanbod, dat is een vraag. Wanneer iemand waren op de markt brengt en deze wil verkopen, dan is dat bij hem een vraag naar geld. (…) En wanneer ik vraag wil ontwikkelen, dan heb ik aanbod in geld nodig.”

Zowel de theorie als de praktijk van de doelstellingen, motieven en gedragingen van ondernemingen én consumenten zijn hier in het geding. De meeste ondernemingen formuleren doelstellingen zoals ‘het maximaliseren van de aandeelhouderswaarde’.

Dit is echter een motief dat haaks staat op de objectieve functie die een onderneming in het economische leven vervult: namelijk het voorzien in behoeften van mensen.

“Er is maar één geldige drijfveer in de economie,” zei een directeur van een grote onderneming, “en dat is het egoïsme. Kijk maar om je heen!” Zijn waarneming klopt als een bus. Het gericht zijn op het eigen belang kan men in de praktijk waarnemen als de belangrijkste drijfveer bij zowel de onderneming als de consument. Voor ondernemers gaat het meestal om een streven er zelf beter van te worden met behulp van – in moderne termen – het ‘verdienmodel’. En voor de consument geldt dat hij, in dezelfde geest, een zo laag mogelijke prijs najaagt.

Dienende functie

In het verlengde van Rudolf Steiner wijzen Rudolf Mees*, Lex Bos* en anderen op veranderingen in de economische denkwijze. We groeien toe naar een economie waarin vrijwel niemand meer voor zichzelf, maar in wezen louter voor ‘de ander’ werkzaam is. Zo voorzien landbouw, veeteelt en visserij in onze dagelijkse voedsel behoeften, openbaar vervoer in de mogelijkheid ons te verplaatsen, de industrie in behoeften aan goederen en de bouw in huisvestingsbehoeften. Alle voorzien op één of andere manier daadwerkelijk in behoeften van mensen. Objectief beschouwd zijn deze productieve activiteiten altruïstisch van karakter, ofwel ‘sociaal’ in de betekenis van ‘de behoefte van anderen tot uitgangspunt nemen van je handelen’. Objectief gezien, dus zonder morele connotaties als ‘egoïsme is slecht’ en ‘altruïsme is goed’. Organisaties in het economische leven vervullen in objectieve zin een ‘sociale’ of dienende functie. Men werkt voor de behoeften van de anderen, de consumenten/afnemers, ook al zeggen we (bijvoorbeeld als we een eigen bedrijf starten) dat ‘we voor onszelf beginnen’. De drijfveer, de beweegreden of het motief van waaruit of waarmee dit gebeurt, is vrijwel steeds tegendraads aan de objectieve externe functie, en is ‘anti-sociaal’, ‘egoïstisch’, ‘gericht op het eigen belang’. Echter, aan het horloge om onze pols hebben mensen uit de gehele wereld op de één of andere manier een bijdrage geleverd: tijdens het delven of bewerken van de grondstoffen, het transporteren ervan, het fabriceren, het leveren van de benodigde energie hiertoe, het financieren, verkopen etc. Dit geldt voor alle gebieden waarin mensen in deze tijd economisch actief zijn.

De tegengestelde bewegingen respectievelijk krachten van het (bewuste) handelen uit eigen belang en het objectieve (minder bewuste) altruïsme zijn op een bijzondere wijze in elkaar verstrengeld. Ze zijn beide doorgaans niet tegelijk actief helder bewust en daardoor ontstaan er spanningen, treden er fricties op en vinden verspillingen plaats. Want de aandeelhouders van een onderneming verlangen een hoog dividend en de deelgenoten van een coöperatie een zo hoog mogelijke nabetaling; medewerkers willen een aantrekkelijke beloning en toeleveranciers een aanvaardbare prijs. De ‘doelstellingen’ van de verschillende ‘stakeholders’ conflicteren, omdat elke belanghebbende vanuit hetzelfde anti-sociale, op eigenbelang gerichte motief denkt en handelt en instinctief niet anders wil, het zelfs de gewoonste zaak van de wereld vindt. Het gevolg is wel een gesjor aan de uiteinden van hetzelfde touw in tegenovergestelde richting. Of aan verschillende touwen met een knoop in het midden. Als er echt te hard getrokken wordt, dan zal het touw uiteindelijk ergens breken. Of nog erger…

Sociale hoofdwet

Welk motief zit er achter het economisch handelen tot duurzame behoeftebevrediging? Ik denk dat het geheim schuilt in het volgende principe: als iedereen zich richt op het eigen welzijn of gewin, dan overleven slechts de sterksten; als iedereen zich daarentegen richt op het welzijn van het geheel komt iedereen aan zijn trekken. In de door Steiner geformuleerde ‘sociale hoofdwet’ komt dit beginsel op een bijzondere wijze tot uitdrukking. Deze luidt: “Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter, naarmate het individu minder aanspraak maakt op het resultaat van zijn prestaties, dat wil zeggen naarmate hij deze opbrengsten meer aan zijn collega’s laat, en naarmate zijn eigen behoeften niet vanuit zijn eigen prestaties maar vanuit de prestaties van de anderen bevredigd worden.”

Weliswaar is een gemeenschap van mensen erop aangewezen dat men voor elkaar zorgt, altruïstisch handelt, maar tegelijkertijd hebben de mensen de neiging zoveel mogelijk voor zichzelf in de wacht te slepen, egoïstisch te handelen. Deze egoïstische neiging doorkruist de werking van de sociale hoofdwet en moet in zijn effecten onschadelijk worden gemaakt, wil de sociale hoofdwet volledig tot gelding komen. Naar Steiners overtuiging moet egoïsme in het economisch leven zelfs ‘met wortel en tak’ worden uitgeroeid. Een beroep op de integriteit van de mensen is daartoe niet genoeg: de economie moet zó worden ingericht dat het onmogelijk wordt iets van de eigen inspanningen voor zichzelf op te eisen. Waar het dan op aankomt, is “dat het werken voor de medemens en het verwerven van een inkomen twee volledig van elkaar gescheiden zaken zijn”. Een dergelijke inrichting voorkomt dat mensen de sociale arbeid (arbeid die alleen door samenwerking met anderen mogelijk is) voor eigen gewin benutten, ten koste van de gemeenschap. De enige motivatie om voor de gemeenschap te werken is dan de wil om dat te doen.

De voordrachten van Steiner geven een aanzet tot een nieuw objectief waarnemen van en creatief denken over economie. Om zodoende met een nieuwe blik te kijken naar de economische processen, de aard van het geld (in de verschillende vormen van koopgeld, leengeld en schenkgeld), naar het vinden van de juiste prijs voor een product, naar de vraag of de waarde van de grond aan de economie zouden moeten worden onttrokken ter voorkoming van vergaande kapitaalstuwing in grond, naar de betekenis van arbeid voor de samenleving enzovoort. Deze nieuwe blik kan tot nieuwe oplossingsrichtingen voeren. ||

*er staan artikelen van deze auteurs op deze blog – zie ‘alle artikelen’

 

Uitgegeven bij Nearchus

,

Sociale driegeledingalle artikelen 

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

.

2344

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (56)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Er blijken steeds minder kinderen (in 2020) van lezen te houden. Er wordt onderzocht hoe dat komt. 
Ik durf me wel aan een paar veronderstellingen te wagen.
Voor lezen moet er rust zijn. Om je heen, maar vooral ook in jezelf. 
De oudere jeugd heeft dit – ik generaliseer – niet meer. Er is steeds de onrust van de smart-phone; er is altijd geluid: zijn het geen piepjes van spelletjes dan is het de gekozen muziek die via de oordopjes binnenkomt. We leven in de wereld van het beeld. Van de beelden – waarnaar een grote honger lijkt te bestaan. Maar wel beelden die niet te lang blijven: weg – iets nieuws – weg enz.

Dat is niet meer uit het leven van de jongeren weg te denken. En niet alleen de jongeren: ook 2-, 3-jarigen worden – goedbedoeld – al voor de laptop, tv gezet en daarmee wordt de gewoonte aan beeld, een behoefte aan beeld. 
Dat staat allemaal in schril contrast met lezen. In stilte creëer je daar je eigen beeld dat met het lezen langzaam omgevormd wordt, in een harmonische overgang. 

Een boek als Lasse Länta zal nauwelijks meer gelezen worden. Het speelt zich langer geleden af, in een wereld die ook veranderd is. Kun je van een 11-jarige vragen belangstelling te hebben voor de wereld van de Samen – die we ooit naïef ‘Lappen” noemden. Belangstelling voor een jongen wiens wereld voornamelijk bestaat uit sneeuw, ijs en rendieren? 
Wie dat nog welinteressant kan vinden, heeft aan het boek van Cor Bruin een mooi verhaal.
Over Lasse, die net zo belangrijk wil worden als zijn vader die de meeste rendieren van het ‘dorp’ bezit. 
Lasse beleeft een paar spannende avonturen wanneer de kudde in een sneeuwstorm terechtkomt en met de geheimzinnig doende, norse oom Mikkel. De schrijver heeft zich goed op de hoogte gebracht van de leefwijze van deze Samengroep en vertelt en passant hoe ze denken en leven.

LASSE LÄNTA                                     Bekroond jeugdboek 1955

Cor Bruin
Ill. Anjo Mutsaars

Uitgegeven door Ploegsma

Vanaf 10 jaar

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2343

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-2/7)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de eerste levensfase van 0 – 7 jaar hechtte Steiner grote waarde aan o.a. de nabootsing. Hij beschrijft dat deze nabootsingskracht in het kind rond het 7e jaar langzamerhand afneemt. Er vindt a.h.w. een soort omwerking plaats en nabootsing wordt na-volging. In zekere zin ook een soort nabootsing: je wil dat wat de oudere in jouw omgeving voorleeft in je opnemen – niet meer dromend zoals met de nabootsing gebeurt, maar meer ‘gewild’ doordat je vertrouwen hebt in die oudere persoon; respect ook. Dat is voor Steiner het ‘autoriteitsprincipe’. 

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: autoriteit

GA 298

Artikel                                             

Die pädagogische Grundlage der 
Waldorfschule

Von diesem Zeitpunkte an wird die Seele offen für ein bewußtes Hinnehmen dessen, was vom Erzieher und Lehrer auf der Grundlage einer selbstverständlichen Autorität auf das Kind wirkt. Diese Autorität nimmt das Kind hin aus dem dunklen Gefühl heraus, daß in dem Erziehenden und Lehrenden etwas lebt, das in ihm auch leben soll. Man kann nicht Erzieher oder Lehrer sein, ohne mit voller Einsicht sich so zu dem Kinde zu stellen, daß dieser Umwand­lung des Nachahmungstriebes in die Aneignungsfähigkeit auf Grund selbstverständlichen Autoritätsverhältnisses im umfänglichsten Sinne Rechnung getragen wird.

De pedagogische grondslag van de vrijeschool

Blz. 11

Vanaf dit tijdstip (ca 7 jr) is de ziel zover dat deze bewust in zich op kan gaan nemen wat van de opvoeder en leerkracht op basis van een vanzelfsprekende autoriteit op het kind van invloed is. Het kind accepteert deze autoriteit vanuit een vaag gevoel dat er in de opvoeder en de leerkracht iets leeft dat ook in hem moet leven. Je kan geen opvoeder of leerkracht zijn zonder je met een volledig inzicht zo op het kind te richten dat je deze metamorfose van de nabootsingsdrang in de mogelijkheid iets te leren dat gebaseerd is op vanzelfsprekende autoriteitsverhoudingen, in de ruimste zin van het woord serieus neemt. 
GA 298/11
Niet vertaald 

Voordracht Stuttgart, 1 juni 1924 

 
Der Verkehr des Lehrers mit dem Elternhause im Geiste der   Waldorfschul-Pädagogik            

Das Kind ist jetzt nicht mehr geneigt, mit dem ganzen Organismus sich nachahmend hinzugeben an das, was ihm vorgelegt wird, sondern das Kind geht über zu dem selbstverständlichen Autoritätsprinzip. War es früher der Wille, der in der ganzen kindlichen Organisation dem Vorgelebten nachahmend folgte, so ist es jetzt das Gefühl, das Gefallen oder Mißfallen findet an dem, was der Lehrer im Bilde, aber auch im Bilde seiner ganzen Persönlichkeit, seines eigenen Handelns, in der Gestaltung seiner Spra­che und so weiter vor das Kind hinstellt. Und nicht eine willkürlich

De samenwerking van de leerkracht met de ouders zoals dat bij de vrijeschool hoort

Het kind is nu (na het 7e jaar) niet meer geneigd zich met heel zijn wezen nabootsend over te geven aan wat hem voorgedaan wordt, maar het kind gaat over op het principe van de vanzelfsprekende autoriteit. Was het eerder de wil die in het hele organisme van het kind nabootsend volgde wat er om hem heen voorgeleefd werd, nu is het het gevoel dat sympathie of antipathie voelt voor wat de leerkracht in beeld, maar ook als beeld van zijn hele persoon, zijn eigen doen en laten, in hoe hij spreekt enz, aan het kind vertoont. En geen willekeurige

Blz. 212

eingesetzte, sondern die selbstverständliche Autorität muß in der Schule walten zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife.
Aber abgesehen davon, das Kind fordert durch seine innere Seelenwesenheit, daß etwas deshalb für es wahr ist, weil der in selbstverständlicher Autorität sympathisch empfundene Erzieher es wahr heißt. Das Kind empfindet, daß etwas schön ist, weil die selbstver­ständliche Autorität es schön findet; das Kind findet, daß etwas gut ist, weil die Autorität es gut findet. In dieser Autorität ist verkörpert das Wahre, Schöne und Gute. Und schlimm ist es für den Menschen, wenn er aus Prinzipien, aus abstrakten Geboten heraus, aus allerlei Verstan­desgesetzmäßigkeiten heraus sich aneignen soll eine Empfindung für das Wahre, Gute, Schöne, bevor er es sich angeeignet hat im richtigen Kindesalter – und das ist das Alter zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife – dadurch, daß es ihm verkörpert in einem Menschen entgegengetreten ist. Wir sollen zuerst gelernt haben, etwas ist wahr, weil eine verehrte Persönlichkeit es wahr heißt, bevor wir die innere abstrakte Gesetzmäßigkeit des Wahren einsehen, die eigentlich auf uns erst wirken kann, wenn wir über das Geschlechtsreifealter hinaus sind. Sie werden mir nicht zumuten, daß derjenige, der vor mehr als dreißig Jahren seine «Philosophie der Freiheit» geschrieben hat, eine Lanze brechen möchte für das Autoritätsprinzip, wo es nicht hingehört. Aber das Autoritätsprinzip, wie es die kindliche Natur selber fordert, das gehört unbedingt in die Volksschule hinein. Da wird der Lehrer mit seinem Verstande, mit seinem Herzen, mit seinem Gefühl, mit seinem ganzen Menschentum Richtschnur für das Wahre, Gute, Schöne, wie das 2Kind es annehmen soll; es entsteht ein menschliches Verhältnis bis in die Gestaltung des Wahren, Guten und Schönen.

maar de vanzelfsprekende autoriteit moet in de school centraal staan tussen de tandenwisseling en de puberteit.
Maar nog afgezien daarvan, het kind eist door hoe het innerlijk als gevoelswezen is dat iets waar is omdat de vanzelfsprekende autoriteit voor wie het kind sympathie heeft, het waar noemt. Ook wat het kind mooi vindt, goed vindt, is mooi en goed omdat de autoriteit het mooi en goed vindt. In deze autoriteit is het ware, mooie en goede belichaamd. En voor de mens is het verkeerd wanneer hij volgens principes, volgens abstracte geboden, volgens allerlei logica een gevoel  moet krijgen voor wat waar, mooi en goed is, vóór het deze dingen op de geschikte leeftijd – en dat is de leeftijd tussen de tandenwisseling en de puberteit – belichaamd in een mens ontmoet heeft. We moeten allereerst geleerd hebben dat iets waar is, omdat een vereerde persoon het voor waar houdt, voordat we de inherente abstracte wetmatigheden van het ware inzien die eigenlijk pas op ons kunnen werken wanneer we de puberteit achter ons hebben gelaten. 
U moet me niet voor de voeten werpen dat ik een lans breek voor het principe van de autoriteit – ik schreef meer dan dertig jaar geleden ‘De filosofie van de vrijheid’ [4] al. Maar het autoriteitsprincipe dat de natuur van het kind eist, hoort zonder meer op de basisschool thuis. Daar wordt de leerkracht met zijn verstand, zijn hart, zijn gevoel, helemaal zoals hij als mens is, leidraad voor het ware, het mooie en het goede.
GA 298/211-213                
Niet vertaald

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] GA 4
Vertaald

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2342

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

 



 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – wegwijzer (316)

 

In het geschreven werk van Rudolf Steiner, maar ook in zijn opgetekende voordrachten vind ik vaak uitspraken, die – enigszins los van hun verband – op zich een inhoud hebben waarover je lang kan nadenken. Een tijdlang zo’n zin regelmatig op je laten inwerken, kan tot gevolg hebben dat deze zin je in een bepaalde situatie plotseling invalt en dan een antwoord of een richting blijkt te geven voor waarmee je op dat ogenblik bezig bent.
Ze wijzen je een weg; misschien ‘de’ weg; en ze wijzen je weg van het alledaagse. of geven je juist daarop een andere kijk,

‘wegwijzers’ dus

 

316
Bij alles moeten we ertoe komen de mens in samenhang te zien met het hele universum. We kunnen de inwendige bouw van de mens dan ook alleen maar begrijpen, wanneer we die in relatie tot de kosmos bekijken.

Überall müssen wir dazu kommen, den Menschen im Zusammenhang mit dem ganzen Weltenall zu betrachten. Und verstehen können wir den inneren Aufbau des Menschen auch nur, wenn wir ihn im Zusammenhang mit dem Weltenall betrachten.
GA 208/150
Niet vertaald    

Zie toelichting bij wegwijzer 313 Voorbeelden in o.a. GA 128 Niet vertaald

Rudolf Steiner: alle wegwijzers

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog


VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297A – voordracht 3

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

De meeste pedagogische voordrachten zijn vrij vlot te lezen. Deze – niet meteen een pedagogische te noemen – is voor mij niet alleen lastig van taalgebruik, maar ook inhoudelijk een moeilijke.
Foute vertalingen zijn zeker niet uit te sluiten. Verbeteringen zijn welkom via vspedagogie@gmail.com
.

RUDOLF STEINER

GA 297A

ERZIEHUNG ZUM LEBEN

OPVOEDING VOOR HET LEVEN 

5 voordrachten, een autoreferaat, 2 vragenbeantwoordingen,  en een krantenverslag tussen 24 febr. 1921 en 4 april 1924 in verschillende steden. [1]

Inhoudsopgave  voordracht [1]  [2]  
vragenbeantwoording bij voordracht 1    vragenbeantwoording 2

Anthropsophie und die Rätsel der Seele

Voordracht 3, Stuttgart 17 januari 1922

Blz. 83

Den Daseinsrätseln steht der Mensch eigentlich erst dann wirklich gegenüber, wenn er einen Grad von Bewußtheit über das Leben ausgebildet hat, wenn er sich genötigt fühlt, sich Vorstellungen, Empfindungen, Gefühle über sein Verhältnis zur Welt zu machen. Dann aber, wenn er in eine solche Lage gekommen ist, dann be­deuten für ihn die Daseinsrätsel durchaus dasjenige, was man eine Lebensfrage nennen kann, denn sie hängen nicht nur zusammen mit irgendwelchen theoretischen Sehnsüchten, mit bloß äußerlichen Bildungsfragen, sondern es hängt von ihnen die ganze Stellung des Menschen zur Welt ab, die Art, wie sich der Mensch in der Welt zurechtfinden kann, der Grad an Sicherheit, den er im Leben haben kann, und der innere Halt, mit dem er sich durch dieses Leben bewegen kann.
Nun ist aber doch ein beträchtlicher Unterschied zwischen den verschiedenen Arten von Daseinsrätseln.

Antroposofie en de raadsels van de ziel

De mens krijgt pas echt te maken met de raadsels van het bestaan, wanneer hij een bepaald bewustzijnsniveau van het leven ontwikkeld heeft; wanneer hij het nodig vindt om zich voorstellingen over de wereld te vormen, wanneer hij over zijn ervaringen wil spreken en uiting wil geven aan gevoelens over hoe hij in de wereld staat. Maar, wanneer hij dan in die positie verkeert, betekenen de raadsels van het bestaan voor hem wat je zeer zeker een levensvraag kan noemen, want die hangen niet alleen samen met een of andere theoretisch verlangen, met alleen maar uiterlijke opleidingsvragen, maar daarvan hangt de hele positie van de mens in de wereld af, de manier hoe de mens in de wereld zijn plaats vindt, de mate van zekerheid die hij in het leven kan hebben en het innerlijke houvast, waarmee hij door het leven kan gaan.
Maar er is wel een aanzienlijk verschil tussen de aard van de verschillende levensvragen.

Der Mensch steht der Natur gegenüber, muß sich Vorstellungen, Empfindungen bilden über sein Verhältnis zur Natur, und wenn ich einen Vergleich ge­brauchen darf, so möchte ich sagen: Wenn der Mensch in der Weise zum Bewußtsein gekommen ist, wie ich das charakterisiert habe, und er kann sich nicht hineinfinden in gewisse Dinge, die als Ge­heimnisse der Natur ihm entgegentreten, dann erscheint ihm das Dasein, dem er einmal angehört – wie gesagt, es ist nur als Vergleich ausgesprochen -, wie ein Geistig-Finsteres, er fühlt sich wie in eine finstere Welt hineingestellt, er fühlt, wie er sich in dieser finsteren Welt nicht orientieren kann. Aber es bleibt dieses ganze Verhältnis zu den Weltgeheimnissen des äußeren natürlichen Daseins dennoch bis zu einem gewissen Grade für den Menschen etwas Äußerliches, es betrifft sein äußeres Verhältnis zum Dasein. Ganz anders steht der Mensch diesen Rätselfragen selber gegen­über, wenn es sich um die Rätsel seiner Seele handelt. In diesen

De mens staat tegenover de natuur, moet zich voorstellingen vormen, zich inleven t.a.v. zijn houding tot de natuur en wanneer ik een vergelijking mag gebruiken, dan zou ik zeggen: wanneer de mens op een manier tot bewustzijn is gekomen die ik gekarakteriseerd heb en hij kan geen gevoel krijgen voor bepaalde dingen die als mysteries van de natuur voor hem staan, dan komt het bestaan waar hij nu eenmaal bijhoort – zoals gezegd, het is maar een vergelijking – als een geestelijke duisternis op hem over, hij voelt zich alsof hij op een duistere wereld gezet is, hij beleeft hoe hij zich in deze duistere wereld niet kan oriënteren. Maar deze hele relatie tot de mysteries van het uiterlijke, natuurlijke bestaan blijft dan toch tot op zekere hoogte voor de mens iets uiterlijks, het gaat om de uiterlijke relatie tot het leven.
Heel anders staat de mens zelf t.o.v. van deze raadselachtige vragen, wanneer het om de raadsels van zijn ziel gaat. 

Blz. 84

Rätselfragen lebt er, diese Rätselfragen machen im Grunde dasjeni­ge aus, was zunächst seelische Gesundheit und Krankheit sein kann, was aber auch zur körperlichen Gesundheit und Krankheit werden kann. Denn das Seelenleben, es ist etwas außerordentlich Kompli­ziertes, so einfach es zunächst auch erscheinen mag. Was wir wäh­rend unseres tagwachen Zustandes vom Morgen bis zum Abend in unserem Bewußtsein tragen – es ist ja heute durchaus auch wissen­ schaftlich anerkannt -, das ist ja nur ein Teil unseres Seelenlebens. Ein großer Teil unseres Seelenlebens ruht in unbewußten oder, ich könnte auch sagen unterbewußten Tiefen; es schlägt seine Wellen herauf in Form von unbestimmten Empfindungen, von unbestimm­ten Stimmungen, wohl auch von allerlei anderen Seeleninhalten, und bildet dasjenige, was eine unbestimmte Grundfassung unseres Seelenlebens ist. Das aber, was in dieser Weise mehr oder weniger unbestimmt in den Untergründen unseres Seelenlebens sich abspielt und heraufflutet, das hängt innig zusammen mit dem, was eigentlich das Glück oder Leid unseres Lebens ist. 

Hij leeft met deze raadselachtige vragen, ze bepalen in eerste instantie wat een gezonde of niet-gezonde ziel kan zijn, wat ook kan leiden tot lichamelijk gezond of ziek zijn. Want het gevoelsleven zit gecompliceerd in elkaar, hoe simpel het op het eerste gezicht mag lijken. Wat wij van ’s morgens tot ’s avonds als we wakker zijn, in ons bewustzijn meedragen – dat is nu ook wetenschappelijk erkend – is maar een deel van ons gevoelsleven. Een groot deel van ons zielenleven ligt in het onbewuste, zit zelfs diep in ons onderbewuste; het borrelt op in de vorm van onbepaalde gevoelens, vage stemmingen, wellicht ook van iets anders dat in de ziel leeft en dat veroorzaakt een onduidelijke basis van ons zielenleven. Maar wat zich daar min of meer vaag in ons gevoel afspeelt en in ons opkomt, hangt nauw samen met wat uiteindelijk geluk of leed in ons leven is.

Und gerade wer auf an­throposophischem Weg versucht, in das Seelenleben des Menschen einzudringen, der merkt sehr bald, wie alles, was in einer solchen Art unbestimmt aus den Tiefen des Seelischen heraufflutet, mit dem Körperlich-Leiblichen zusammenhängt, wie zuerst leise, dann im­mer mehr und mehr unser ganzer Gesundheitszustand, der uns le­benstüchtig oder lebensunfähig macht, von diesen unterbewußten Seelenstimmungen abhängen kann. Nun will ich heute nicht in der Art zu Ihnen sprechen, wie ge­genwärtig über dieses Unbewußte der Seele sehr häufig gesprochen wird, indem man alles dasjenige, was unklar im Bewußtsein schil­lert, eben in den großen Behälter dieses Unbewußten unterbringt und sich mehr oder weniger vage Vorstellungen darüber macht, wie dieses Unbewußte oder Unterbewußte wirkt.Ich spreche ja seit vielen Jahren hier von diesem Ort aus über Fragen der an­throposophischen Forschung und kann daher heute nicht von dem Allerelementarsten dieser Forschung ausgehen, sondern ich möchte die Fragen des Seelenlebens in ihrem ureigentlicheh Sinne so be­trachten, wie sie in einem gewissen Sinne mit Glück oder Unglück

En wie nu langs antroposofische weg probeert door te dringen tot het zielenleven van de mens, merkt al gauw, hoe alles wat op zo’n vage manier uit de diepten van het zielenleven opwelt, samenhangt met het lichamelijk-levende, hoe eerst een beetje, maar dan steeds meer onze hele gezondheidstoestand die ons geschikt maakt voor het leven of niet, van deze onderbewuste gevoelsstemmingen afhankelijk kan zijn.
Nu wil ik vandaag niet zo tot u spreken zoals tegenwoordig zo vaak over het onbewuste van de ziel gesproken wordt, wanneer men alles wat niet zo helder in het bewustzijn oplicht dan maar in het grote bewaarvat van het onbewuste onderbrengt en zich dan min of meer vage voorstellingen vormt over hoe dit onbewuste of onderbewuste werkt.
Ik spreek al vele jaren hier op deze plaats over vragen van het antroposofisch onderzoek en kan daarom nu niet uitgaan van het allereenvoudigste van dit zoeken, maar ik wilde de vragen over het zielenleven in hun eigenlijke zin bekijken, hoe ze op een bepaalde manier samenhangen met in het leven gelukkig zijn of niet.

Blz. 85

des Lebens zusammenhängen. Da muß man aber schon eingehen auf das, was im menschlichen Seelenleben, durchflutet von allerlei zunächst Unbekanntem, auf das wir eben gerade durch die heutigen Betrachtungen mehr oder weniger klar hinweisen wollen, beun­ruhigend oder beruhigend, beglückend oder leidvoll – und was da­zwischenliegt – wirken kann. Nun finden wir in unserem Seelenleben, wenn wir auch nur oberflächlich über dasselbe hinblicken, zwei deutlich voneinander zu unterscheidende Pole: Auf der einen Seite das Vorstellungsleben, das alles das umfaßt, was sich klar, lichtvoll in unserem Bewußtsein abspielt, und auf der anderen Seite das Willensleben, das in einer gewissen Weise zunachst dunkel, finster aus den seelischen Unter­gründen heraufspielt. Wir unterscheiden – ich habe ja das schon öfter hier erwähnt
– im gewöhnlichen Lebensverlauf des Menschen zwei Bewußt­seinszustände, von denen eigentlich nur der eine ein deutlicher Bewußtseinszustand ist: den Wachzustand und den Schlafzustand. 

De menselijke ziel is doortrokken door van alles wat in eerste instantie onbekend is. En ik wil er in de beschouwingen van vandaag min of meer op wijzen wat de menselijke ziel onrustig maakt of wat kalmerend werkt, geluk geeft of smart, met alles wat daar tussen ligt.
Nu vinden we in onze ziel, ook als we er maar oppervlakkig naar kijken, twee duidelijk van elkaar te onderscheiden polen: aan de ene kant het voorstellingsleven dat alles omvat, wat zich helder in ons bewustzijn afspeelt en aan de andere kant het wilsleven dat op een bepaalde manier in eerste instantie duister, donker uit de ondergrond van de ziel naar buiten komt.
Wij maken in het gewone verloop van het leven onderscheid – dat heb ik hier al eerder gezegd – tussen twee bewustzijnstoestanden, waarvan er maar één eigenlijk een duidelijke bewustzijnstoestand is: het wakker-zijn en de toestand van de slaap.

Im Schlafzustand hört das bewußte Vorstellungsleben auf, das ganze Seelenleben sinkt hinunter in ein mehr oder weniger finste­res Dunkel. Aber wir können, wenn wir ganz unbefangen auf unser Seelenleben im Wachzustand hinblicken, nur davon spre­chen, daß wir in bezug auf alles dasjenige, was vorstellungsmäßig ist, wirklich wach sind. Wir haben uns gewissermaßen als wache Menschen in der Hand, insofern wir unser Bewußtsein angefüllt haben mit klaren Vorstellungen, mit lichtvollen Gedanken. Wir begleiten auch unsere Willensimpulse, wir begleiten unsere Hand­lungen mit Gedanken. Aber vollständig dunkel bleibt, selbst bei der einfachsten Bewegungshandlung des menschlichen Leibes, wie der Gedanke des Bewußtseins zusammenhängt mit demjenigen, was eigentlich bei einem Willensimpuls, bei einem Handeln vor sich geht. Wie dunkel ist es doch, was eigentlich im Innern des Armes geschieht, wenn ich nur diesen Arm hebe, wenn der Ge­danke, der das Ziel dieses Armhebens hat, sich verwirklichen will, gewissermaßen hineinschießen und willentlich den Arm in Be­wegung setzen will.

In de slaap houdt het bewuste voorstellingsleven op, het hele zielenleven zakt min of meer in een donkere toestand weg. Maar we kunnen, als we heel onbevangen naar ons eigen gevoelsleven kijken wanneer we wakker zijn, alleen maar zeggen dat wij wat betreft alles wat met het voorstellingsleven heeft te maken, dáár werkelijk wakker zijn. We hebben onszelf zogezegd als wakker mens in de hand, voor zover wij ons bewustzijn gevuld hebben met heldere voorstellingen, heldere gedachten. Ook onze wilsimpulsen, onze handelingen laten we vergezeld gaan van gedachten. Maar volledig duister blijft, zelfs bij de eenvoudigste beweging van het menselijk lichaam, hoe de gedachte van het bewustzijn samenhangt met wat er eigenlijk bij een wilsimpuls, bij een handeling plaats vindt. Wat is het toch donker bij wat er eigenlijk in mijn arm gebeurt, wanneer ik die optil, wanneer de gedachte die het doel van dit optillen kent, zich wil realiseren, in zekere zin erin schieten wil en gewild de arm in beweging wil brengen.

Blz. 86

Was da im eigenen Organismus vor sich geht, das entzieht sich dem wachen Tagesbewußtsein ganz genau so wie das, was im Men­schen seelisch vorgeht vom Einschlafen bis zum Aufwachen, so daß wir eigentlich durchaus sagen müssen: Es ist für dieses menschliche Seelenleben so, daß wir auch im Wachzustand einen Einschlag des Schlafens haben, daß uns der Schlafenszustand fortwährend durchdringt und daß wir nur im Vorstellen selber, im Erleben licht-voller, klarer Gedanken, vollständig wach sind. Zwischen diesen beiden Zuständen, zwischen dem, ich möchte sagen vollständig wachen Vorstellungszustand und dem in Dunkelheit eingetauchten Willensleben liegt, an beiden teilnehmend, das Gefühls-, das Ge­mütsleben. Unsere Gefühle durchdringen unsere Vorstellungen. Wir bringen aus unseren Gefühlen gewisse Sympathien und Anti­pathien in das Vorstellungsleben hinein, verbinden dadurch unsere Vorstellungen meist oder trennen sie. Wir begleiten das, was in unsere Willensimpulse einfließt, mit unserem Gefühlsurteil, indem wir die einen Handlungen als pflichtgemäß empfinden, die anderen als Verfehlungen gegenüber der Pflicht. Und indem wir den pflicht­gemäßen Handlungen gegenüber eine gewisse Befriedigung des Gefühls haben oder eine Unbefriedigung des Gefühls demjenigen gegenüber, was uns nicht gelingen kann oder was wir aus einem anderen Grunde verfehlen, flutet zwischen dem Vorstellungsleben und dem Willensleben das Gefühlsleben hin und her.

Wat er in je eigen organisme gebeurt, onttrekt zich aan het wakkere dagbewustzijn net zo als wat er in de ziel van de mens gebeurt vanaf het inslapen tot het wakker worden, zodat we eigenlijk zouden moeten zeggen: voor dit menselijk zielenleven is het zo dat we ook wanneer we wakker zijn een stuk slaap in ons hebben, dat we ons voortdurend in een toestand van slaap bevinden en dat we alleen in het voorstellen zelf, in het beleven van heldere, klare gedachten volledig wakker zijn.
Tussen deze beide toestanden, tussen die volledig wakkere voorstellingstoestand en het in het donker weggedoken wilsleven, bevindt zich, aan beide deelhebbend, het gevoels- het gemoedsleven. Onze gevoelens doordringen onze voorstellingen. Uit ons gevoel komen er bepaalde sympathieën en antipathieën in ons voorstellingsleven, daardoor verbinden we onze voorstellingen met elkaar of we houden ze los van elkaar. We begeleiden wat in onze wilsimpulsen stroomt, met onze gevoelsoordelen, als we de ene handeling als plicht ervaren, de andere als het tekortschieten wat de plicht betreft. En wanneer we bij de plichtmatige handelingen een bepaald tevreden gevoel hebben of een ontevreden gevoel over wat we niet kunnen of waar we door andere oorzaken tekortschieten, schiet tussen het voorstellingsleven en het wilsleven het gevoelsleven heen en weer.

Aber die eigentlichen Seelenrätsel, sie treten nicht auf für den dumpfen Menschen, der sich in der eben geschilderten Weise auf der einen Seite dem Vorstellungsleben, auf der anderen Seite dem Gefühlsleben und dem Willensleben übergibt, sondern diese Seelenrätsel treten hervor, indem sich der Mensch immer bewußter und bewußter wird. Und auch dann treten die erlebten Seelenrätsel nicht vollbewußt auf, sondern sie gehören gerade zu den mehr oder weniger unterbewußten Erlebnissen des Menschen. Der Mensch wird sich nie in seinem Bewußtsein ganz klar, wovon eigentlich die Stimmung, woher die Verfassungen seines Seelenlebens, die sein tägliches Glück, sein tägliches Leid so beeinflussen, eigentlich kom­men. Man muß schon dasjenige aufsuchen und klar aussprechen,

Maar deze eigenlijke raadsels van de ziel bestaan niet voor de mens die zich daar niet voor interesseert, die op de zo net geschetste manier zich enerzijds aan zijn voorstellingsleven overgeeft, anderzijds aan zijn gevoels- en wilsleven; die eigenlijke raadsels van de ziel worden duidelijk wanneer de mens zich steeds bewuster wordt. Maar ook dan komen de raadsels van de ziel die je beleeft niet volbewust naar boven, die horen min of meer tot de onderbewuste ervaringen van de mens. Voor de mens wordt het in zijn bewustzijn nooit helemaal helder waar de stemming, waar de constellatie van zijn gevoelsleven die zijn dagelijks geluk, zijn dagelijkse moeite zo beïnvloeden, eigenlijk vandaan komt. We moeten wel uitzoeken en duidelijk uitspreken wat er

Blz. 87

was unklar im Bewußtsein lebt. Und das bitte ich Sie zunächst bei den Ausführungen, die ich nun gleich machen werde, zu berück­sichtigen: daß ich genötigt sein werde, etwas in klaren Worten aus­zusprechen, was niemals in dieser Klarheit im Bewußtsein lebt, was aber im Seelenleben gesundend und krankmachend vorhanden ist, was der Mensch spürt, was der Mensch empfindet, ohne daß er es sich zum Bewußtsein bringen kann. Und weil das so ist, deshalb sind die Seelenrätsel nicht bloß theoretisch, deshalb sind die Seelen-rätsel durchaus erlebte Daseinsrätsel. |Wenn der Mensch sich dem Vorstellungsleben hingibt – wie ge­sagt, ich spreche klar aus, was nur unklar empfunden wird, was nie­mals ganz zum Bewußtsein gebracht wird -, so empfindet er etwas wie die Nichtigkeit seines eigenen Daseins. Das Vorstellungsleben ist ein Bild-Erleben. Das Vorstellungsleben ist etwas, was sich uns während unseres wachen Tageslebens anfüllt mit dem, was wir aus der äußeren Welt an Eindrücken, an Wahrnehmungen empfangen; was wir aus der Natur herein erleben, das bildet den Inhalt unserer Vorstellungen, das lebt in uns, das ist es selbst, was wir aus unseren Erinnerungen heraufholen.

aan onduidelijks in het bewustzijn leeft. En ik verzoek u om te beginnen bij wat ik nu uiteen ga zetten in de gaten te houden dat ik genoodzaakt ben iets in klare taal uit te spreken, wat nooit zo helder in het bewustzijn leeft, wat echter in het gevoelsleven gezond-, dan wel ziekmakend aanwezig is, wat de mens aanvoelt, wat hij ervaart, zonder dat hij het zich bewust kan maken. En omdat dit zo is, zijn de raadsels van de ziel niet alleen maar theorie, daarom zijn deze zeer zeker raadsels van het bestaan die we ervaren.
Wanneer de mens opgaat in zijn voorstellingsleven – zoals gezegd, ik spreek helder uit, wat als vaag beleefd wordt, wat nooit helemaal tot bewustzijn gebracht kan worden – dan ervaart hij iets van de nietigheid van zijn eigen bestaan. Het voorstellingsleven is een beeld-beleven. Het voorstellingsleven is iets wat ons gedurende ons wakkere dagleven steeds weer voorziet van wat we uit de uiterlijke wereld aan indrukken, aan waarnemingen ontvangen; wat we vanuit de natuur beleven vormt de inhoud van onze voorstellingen, dat leeft in ons verder en is ook wat we vanuit onze herinneringen ophalen.

Aber wir sind uns bewußt: Ja, du bist tä­tig, indem du deine Vorstellungen verarbeitest in den Vorstellungen, indem du die Vorstellungen trennst und verbindest, du bist innerlich tätig, aber du hast deine Tätigkeit nicht voll in deinem Geist gegen­wärtig; was in deinem Geist gegenwärtig ist, das ist im Grunde genommen Spiegelbild der äußeren Welt. – Wir wissen, daß wir uns anlehnen müssen mit unserem Vorstellungsleben an diese äußere Welt. Das, was wir haben, ist bloß ein Bild der äußeren Welt; wir le­ben, indem wir in unseren Vorstellungen leben, in Bildern, wir emp­finden kein vollinhaltliches Dasein in unserem Vorstellungsleben. Und diese Empfindung, sie lebt sich unterbewußt aus, so sonder­bar, so paradox das klingt. Und so wenig es im Bewußtsein vorhan­den ist – es ist im Unterbewußten lebendig, es lebt sich dieses Emp­finden gegenüber dem Vorstellungsleben in gewissen ängstlichen Gefühlen aus, in Gefühlen der Angst.
Es klingt paradox, aber es gibt diese Unterströmung des mensch­lichen Seelenlebens. Die meisten Menschen wissen nichts davon,

Maar we zijn ons bewust: ja, je bent actief als je je voorstellingen verwerkt tot voorstellingen, als je de voorstellingen analyseert en op elkaar betrekt, je bent innerlijk actief; maar die activiteit heb je niet vol in je geest, niet volledig paraat; wat er in je geest aanwezig is, is in de grond van de zaak spiegelbeeld van de uiterlijke wereld. We weten dat we met ons voorstellingsleven moeten leunen op deze uiterlijke wereld. Wat we hebben is alleen een beeld van de uiterlijke wereld; we leven, als we in onze voorstellingen leven, in beelden, we ervaren in ons voorstellingsleven niet het concrete, volle bestaan.
En deze ervaring leeft zich onderbewust uit, hoe wonderlijk, hoe paradoxaal het ook klinkt. En hoe gering die ook in het bewustzijn aanwezig is – die leeft in het onderbewuste – deze gewaarwording leeft zich t.o.v. het voorstellingsleven uit in bepaalde gevoelens van angst, in bange gevoelens.
Het klinkt paradoxaal, maar deze onderstroom zit in de menselijke ziel. De meeste mensen weten daar niets van,

Blz. 88

aber die meisten Menschen oder eigentlich alle Menschen stehen fortwährend unter ihrem Einfluß. Und diese Unterströmung ist eine ängstliche Strömung, daß wir sozusagen uns selber in der Welt verlieren könnten, daß wir über einem Abgrund stehen deshalb, weil unsere Vorstellungswelt eine Bilderwelt ist. Und wiederum lebt die unbestimmte Sehnsucht in der menschlichen Seele: Wie fin­de ich in dieser bloßen Bilderwelt das Dasein? Man kann durchaus diese unbewußte Empfindung in der Unterströmung der Seele vergleichen mit der Empfindung, die der Mensch – durch Körperliches verursacht – dann hat, wenn er zu wenig Luft bekommt, wenn er an Lufthunger leidet und dadurch bewußt in ängstliche Gefühle verfällt. Was da der Mensch durch körperliche Zustände bewußt erlebt, das wird unbewußt eigentlich empfun­den. Und so kann hingewiesen werden auf der einen Seite auf ein Seelenrätsel, nicht in theoretischer Formulierung, sondern indem man etwas heraufholt aus den Tiefen der Seele, was in dieser Seele keimt oder schlummert.

maar de meeste mensen of eigenlijk alle mensen worden er voortdurend door beïnvloed. En deze onderstroom is een beangstigende stroom, alsof we onszelf in de wereld zouden kunnen verliezen, dat we boven een afgrond staan, omdat ons voorstellingsleven een wereld van beelden is. En ook dan leeft in de ziel weer het vage verlangen: hoe vind ik in deze pure beelden het bestaan?
Je kan dit onbewuste ervaren in de onderstroom van de ziel zeer goed vergelijken met de ervaring die de mens – veroorzaakt door iets lichamelijks – wel heeft wanneer hij te weinig lucht krijgt, wanneer hij ademnood heeft en daardoor bewust overvallen wordt door angstige gevoelens. Wat de mens hier door lichamelijke toestanden bewust beleeft, wordt onbewust eigenlijk altijd als een begeleidingsverschijnsel van het voorstellingsleven ervaren. En zo kun je aan de ene kant gewezen worden op een zielenraadsel, niet in een theoretische formulering, maar wanneer je iets naar bovenhaalt uit de diepte van de ziel, wat in de ziel als kiem of sluimerend aanwezig is.

Auf der anderen Seite, indem der Mensch sich hinlebt zum Wil­lenselement, empfindet er den entgegengesetzten Zustand. Da ist eine andere Unterströmung im Seelenleben vorhanden. Da empfin­det der Mensch, wie er seinen Trieben, seinen Emotionen, seinen Instinkten ausgesetzt ist, wie da ein Naturhaftes in das menschliche Seelenleben hineinspielt, das sich nicht aufschließt zur Klarheit des Denkens, das immer in einer gewissen Weise in eine  Realität, in eine Wirklichkeit getaucht ist, die wir nicht lichtvoll durchdringen kön­nen, die ein Finsteres in uns selber bildet. Und man kann wiederum, wenn man mit unbefangener Beobachtung in diese Unterströmungen der Seele eindringen kann, angeben – man muß eben immer einen Widerspruch sagen, wenn man dasjenige, was in den Tiefen der Seele existiert, charakterisieren will -, wie das, was da lebt, unbewußt empfunden wird. Man muß es dann charakterisie­ren, indem man sagt: Es wird empfunden so, wie im Bewußtsein etwa der Zorn empfunden wird oder auch wie der Mensch empfin­det, wenn er nicht ausatmen kann, wenn seine Blutzirkulation so

Aan de andere kant, wanneer de mens zich meer overgeeft aan het wilselement, ervaart hij de tegenovergestelde toestand. Dan is er een andere onderstroom in de ziel aanwezig. De mens ervaart daar hoe hij te maken heeft met zijn driften, zijn emoties, zijn instincten, hoe daar iets van de natuur zich in de menselijke ziel laat gelden dat niet openstaat voor de helderheid van het denken, dat steeds op een bepaalde manier in een realiteit, in een werkelijkheid ondergedoken is waar wij geen licht op kunnen werpen, die in ons iets duisters vormt. En je kan ook dan weer wanneer je met een onbevangen blik in deze onderstromen van de ziel vermag door te dringen aangeven – je moet wel steeds iets zeggen dat elkaar tegenspreekt – wanneer je wat in de diepten van de ziel bestaat, wil karakteriseren – hoe wat daar leeft, onbewust ervaren wordt. Je moet het dan karakteriseren door te zeggen: het wordt zo ervaren zoals in het bewustzijn de boosheid ervaren wordt of hoe de mens zich voelt wanneer hij niet kan uitademen, wanneer zijn bloedsomloop zo

Blz. 89

gestört ist, daß die Atmungsluft nicht in der richtigen Weise in seinem Leibe umgesetzt wird, wenn eine Art Ersticken kommt. Etwas wie Zornmütigkeit ist immer durch ein solches Hinleben zum Willenselement in der menschlichen Seele.
Das sind Kräfte, die tief in dem Unbewußten der menschlichen Seele leben, die herauffluten und die das eigentlich Rätselvolle des menschlichen Seelenlebens ausmachen. Und wer bloß die Vorstel­lungen in ihrer Bildhaftigkeit, den Willen in seiner Triebhaftigkeit, wie sie sich dem Bewußtsein darbieten, nimmt, der fühlt zwar diese Seelenrätsel als etwas Unbestimmtes, als unbestimmte Empfindung der Seele, aber er macht sich diese Seelenrätsel nicht klar, er weiß im Grunde genommen nicht, was das unbestimmte Wirken in ihm ist, das aber tief sein glückliches oder unglückliches Gestimmtsein im Leben beeinflußt.
Man muß immer wieder sagen: Die Seelenrätsel sind nicht solche [Rätsel], wie wir sie an der Natur empfinden, die Seelenrätsel sind solche, die innerlich erlebt werden, die herauffluten aus den tiefen Unterströmungen der Seele und die erst gedeutet werden müssen. 

verstoord is dat de ademhalingslucht niet op een goede manier in zijn lichaam verwerkt kan worden, wanneer er een soort verstikking optreedt. In het leven naar de wilskant zit er altijd wel iets van drift in de menselijke ziel.
Het zijn krachten die diep in de menselijke ziel leven, die opwellen en die eigenlijk het raadselachtige van de ziel uitmaken. En wie daar alleen de voorstellingen als het beeldende van neemt, de wil als het driftmatige daarvan, wat daarvan in het bewustzijn komt, voelt dit raadselachtige van de ziel als iets onbestemds, als een vage gewaarwording in de ziel, maar hij krijgt dit raadselachtige niet helder, in de aard van de zaak weet hij niet wat deze vage activiteit in hem is, die echter wel van invloed is op een gelukkige dan wel ongelukkige stemming in het leven.
Je moet steeds weer zeggen: de raadsels van de ziel zijn niet de raadsels die we in de natuur ervaren, maar zulke die innerlijk beleefd worden, die opwellen vanuit diepe onderstromen in die ziel en die moeten dus worden verklaard.

Deshalb weiß jegliche Wissenschaft – gegen die selbstverständlich, wie das ja schon öfter hier betont worden ist von mir, nichts auf ihrem berechtigten Gebiet eingewendet werden soll – mit den eigentlichen Seelenrätseln wenig anzufangen. Wir sehen es – und ich möchte zwei Beispiele dafür anführen – an dem ganzen neuzeitlichen wissenschaftlichen Denken, wie hilflos im Grunde genommen die auf anderen Gebieten so große Triumphe feiernde Wissenschaft dem Seelenleben eigentlich gegenübersteht, trotzdem die höchsten Daseinsrätsel an diesem Seelenleben des Menschen hängen. An zwei Beispiele möchte ich erinnern, die aber meiner Überzeugung nach tief bezeichnend sind für dasjenige, was da ist, und für das, was wissenschaftlich notwendig ist, um in das eigentliche Gebiet, das der Mensch als Seelenrätsel erlebt, einzudringen.
Es ist jetzt fast ein halbes Jahrhundert her, da hat der große Physiologe Du Bois-Reymond auf der 45. Naturforscherversamm­lung in Leipzig eine Rede gehalten, auf die immer wieder hingewie­sen werden muß, obwohl außerordentlich viel über sie gesprochen­

Daarom weet die wetenschap – waartegen vanzelfsprekend, zoals ik dat al vaker heb beweerd, door mij niets ingebracht wordt waar het haar terrein betreft – met het eigenlijke mysterie van de ziel niets te beginnen. Ik wil twee voorbeelden geven waarbij we bij al het wetenschappelijke denken van deze tijd zien, hoe in wezen de wetenschap die op andere gebieden zulke grote successen boekt, met lege handen staat wat het zielenleven betreft, hoewel de belangrijkste vragen over het bestaan verweven zijn met dit zielenleven. Ik wil twee voorbeelden in herinnering roepen die volgens mij veel betekenen voor hoe het er nu voorstaat en voor wat er wetenschappelijk nodig is om door te dringen tot het eigenlijke gebied dat de mens als de raadsels van zijn ziel beleeft.
Het is nu ongeveer een halve eeuw geleden dat de grote natuurkundige Du Bois-Reymond op het 45e wetenschappelijk onderzoekscongres in Leipzig een voordracht hield waarnaar steeds weer moet worden verwezen, hoewel er al buitengewoon veel over is gesproken

Blz. 90

worden ist und sie heute fast vergessen und aus der Diskussion ver­schwunden ist. Diese Rede handelte über die «Grenzen der Naturer­kenntnis», und Du Bois-Reymond gibt mit Recht auf der einen Seite als die eine Grenze des Naturerkennens die materielle Welt in ihrem Wesen an. Er sagt: Da hinein, wo Materie kommt, kann der mensch­liche Geist nicht eindringen, er dringt in die äußere Beobachtung der außeren Sinneserscheinungen zu der Offenbarung des materiellen Daseins, aber er kann nicht angeben, was eigentlich die Materie sel­ber ist. – Das gibt Du Bois-Reymond als die eine Grenze an. Als die andere Grenze gibt er die des menschlichen Bewußtseins an; das ist heute aber nichts anderes als die des menschlichen Seelenlebens. Er sagt: Mit der vollkommensten Naturerkenntnis kann man noch nicht einmal irgendeine Vorstellung gewinnen darüber, wie die allerein­fachste Empfindung in der Menschenseele zustande kommt. Wenn man auch ganz klar wüßte, wie im Menschengehirn sich Kohlen­stoff-, Wasserstoff-, Stickstoff-, Sauerstoff-Atome bewegen, man würde niemals aus der klaren Einsicht in diese Bewegungen ergrün­den können, wie die einfachste Empfindung – «ich sehe rot», «ich rieche Rosenduft» – zustande kommt, das heißt wie die ersten Elemente des Seelenlebens zustande kommen.

en die tegenwoordig bijna vergeten is en uit de discussie verdwenen. Die lezing ging over de ‘Grenzen van de natuurwetenschappelijke kennis’ en Du Bois- Reymond stelt terecht aan de ene kant de stoffelijke wereld als de grens van het natuurwetenschappelijk kennen. Hij zegt: de menselijke geest kan niet doordringen tot in de materie; die komt tot aan de uiterlijke waarneming van de uiterlijke zintuigverschijnselen die zich als  materie voordoen, maar hij kan niet aangeven wat nu de materie zelf is. Dat geeft Du Bois-Reymond als de ene grens aan. Als de andere grens noemt hij het menselijk bewustzijn; dat is tegenwoordig echter niets anders dan het menselijke zielenleven. Hij zegt: met de meest perfecte kennis van de natuur kan men zich nog niet eens een voorstelling maken van hoe de meest eenvoudige gewaarwording in de menselijke ziel ontstaat. Al zou men ook heel duidelijk weten hoe in de hersenen van de mens zich koolstof-, waterstof-, stikstof-, zuurstofatomen bewegen, men zou nooit vanuit het heldere inzicht in deze bewegingen een basis kunnen leggen voor hoe de eenvoudigste gewaarwording – ik zie rood – ik reuk rozengeur – ontstaat, d.w.z. hoe de eerste elementen van zielenleven ontstaan.

Und Du Bois-Reymond hat mit diesem Ausspruch eigentlich vollständig recht. Hier liegt für die äußere Naturwissenschaft durchaus eine zweite Grenze, nur daß die Überzeugung Du Bois­Reymonds die ist, die gerade durch anthroposophische Forschung durchbrochen werden muß. Du Bois-Reymond meint, daß die Grenzen der Naturerkenntnis die Grenzen jeglicher Wissenschaft­lichkeit seien. Deshalb sagt er: Wenn man hineindringen will in die­ses Gebiet des Geistig-Seelischen, so muß man das durch andere Mittel als die wissenschaftlichen tun, denn wo der Supernatu­ralismus beginnt, wo man, mit anderen Worten, in das Gebiet des Geistig-Seelischen eindringt, da hört Wissenschaft auf. – Das will gerade anthroposophische Forschung vor der Welt verteidigen, daß Wissenschaft sich nicht erschöpfen braucht im äußerlich-natürlichen Dasein, daß Wissenschaft die Mittel entwickeln kann, um auch in das Geistig-Seelische einzudringen.

En Du Bois-Reymond heeft met deze uitspraak eigenlijk helemaal gelijk. Hier ligt voor de gewone natuurwetenschap zeker een tweede grens, alleen, de overtuiging van Du Bois-Reymond moet nu juist door het antroposofisch onderzoek doorbroken worden. Du Bois Reymond denkt dat de grenzen van de wetenschappelijke kennis de grenzen van iedere wetenschap zijn. Daarom zegt hij: wanneer je wil doordringen tot dit gebied van geest en ziel, dan moet je dat met andere middelen doen dan de wetenschappelijke, want waar het bovennatuurlijke begint, waar je, met andere woorden in het gebied van geest en ziel doordringt, daar houdt de wetenschap op. Juist het antroposofisch onderzoek wil t.o.v. de wereld verdedigen dat wetenschap niet klaar hoeft te zijn bij wat het uiterlijk-natuurlijke bestaan aangaat, dat wetenschap middelen kan ontwikkelen om ook tot de wereld van ziel en geest door te dringen.

Blz. 91

Das andere Beispiel, das ich vorbringen will, ist das einer ausge­zeichneten Persönlichkeit, Franz Brentano, der eine Seelenkunde ganz nach der Methode der modernen Naturwissenschaftlichkeit begründen wollte. Das war sein Ideal. Ich habe den ganzen Tatbe­stand, der den Forschungen Franz Brentanos zugrunde liegt, im dritten Teil meines Buches «Von Seelenrätseln» eingehend erörtert und möchte hier nur einiges Prinzipielle anführen. Franz Brentano hat dann zu Beginn der siebziger Jahre des vorigen Jahrhunderts versucht, eine Seelenkunde zu schreiben, eine Psychologie. Der er­ste Band ist 1874 im Frühling erschienen. Für den Herbst war der zweite Band versprochen; er ist niemals erschienen. Auf vier Bände war das ganze Werk berechnet; außer dem ersten Band ist niemals etwas erschienen als einzelne Ansätze, die aber immer nur Ansätze sind. Das ganze Werk ist ein Torso geblieben. Warum das so sein mußte, habe ich in dem genannten Werke auseinandergesetzt. Franz Brentano wollte eben ganz nach dem Muster naturwissen­schaftlicher Forschungsweise auch über das seelische Leben For­schungen anstellen, und man findet in diesem ersten Band ein merk­würdiges Bekenntnis Franz Brentanos.

Het andere voorbeeld dat ik wil geven, is dat van een briljante persoonlijkheid, Franz Brentano, die geheel volgens de methode van de moderne natuurwetenschap een psychologie wilde opstellen. Dat was zijn ideaal. Ik heb alle feiten die aan de onderzoekingen van Franz Brentano ten grondslag liggen, in het derde deel van mijn boek ‘Von Seelenrätseln’ omstandig aan de orde gesteld en ik wil er hier maar een paar principële noemen. Franz Brentano probeerde in het begin van de jaren zeventig van de negentiende eeuw een psychologie te schrijven. Het eerste deel is in 1874 in de lente verschenen. Het tweede deel werd beloofd voor de herfst; het is nooit gekomen. Het werk zou uit vier delen bestaan; buiten het eerste deel zijn nooit meer dan een paar losse pogingen gedaan, waar het echter bij bleef. Het hele werk is een brokstuk gebleven. Waarom dat zo moest zijn, heb ik in het genoemde werk uiteengezet. Franz Brentano wilde helemaal volgens het patroon van de natuurwetenschappelijke manier van onderzoek ook onderzoek doen naar het psychische leven en in dit eerste deel vind je van Franz Brentano een opvallende bekentenis.

Er sagt da etwa: Mit dieser naturwissenschaftlichen Forschung gelingt es ja, in den Einzelhei­ten des seelischen Lebens bescheiden sich zurecht zu finden; man kann angeben, wie eine Vorstellung sich mit der anderen verbindet, wie eine Vorstellung sich von der anderen trennt, wie sich gewisse Gefühle an Vorstellungen anknüpfen, Willensimpulse an Vorstel­lungen anknüpfen, wie die Erinnerung wirkt und so weiter. Aber wenn, so sagt Franz Brentano, es dabei bleiben müßte, daß man nur diese Einzelheiten des Seelenlebens erforschen könnte, und wenn erkauft werden müßte das Wissen über die wichtigsten Fragen des menschlichen Daseins mit dieser strengen Wissenschaftlichkeit, wohin käme man? Denn berechtigt findet Franz Brentano die Sehn­sucht, die schon in Plato, in Aristoteles im alten Griechentum lebte:
dasjenige, was man im einzelnen über die Seele des Menschen erfor­schen kann, bis zu den großen Fragen von Geburt zu Unsterblich­keit zu verfolgen. Und traurig wäre es, meint Franz Brentano, wenn man, weil man wissenschaftlich sein will bei der Erkundung des

Hij zegt daar zoiets als: met dit natuurwetenschappelijk onderzoek lukt het om op een bescheiden manier vertrouwd te raken met de details van het zielenleven; je kan aangeven hoe een voorstelling zich met een andere verbindt, hoe een voorstelling zich losmaakt van een andere, hoe bepaalde gevoelens zich met voorstellingen verbinden, bepaalde wilsimpulsen dat doen, hoe de herinnering functioneert enz. Maar, zegt Franz Brentano, als het daarbij zou moeten blijven dat je alleen maar deze onderdelen van het zielenleven zou kunnen onderzoeken en als de kennis van de belangrijkste vragen van het menselijke bestaan alleen maar verworven kan worden met deze strenge wetenschappelijkheid, waar komen we dan uit? Franz Brentano vindt het verlangen dat al bij Plato, bij Aristoteles in het Oude Griekenland leefde wel gerechtvaardigd: wat men gedetailleerd van de mensenziel kan onderzoeken, om de grote vragen van geboorte tot de onsterfelijkheid na te gaan. voort te zetten. En het zou treurig zijn, meent Franz Brentano wanneer men, omdat men wetenschappelijk wil zijn bij het onderzoek naar het

Blz. 92

Seelenlebens, verzichten müsse auf ein Wissen, wie es dem besseren Teil des Menschen in uns ergehe, wenn der physische Teil mit dem Tode der Erde übergeben wird.
Und man kann es dem, was Franz Brentano im ersten Band sei­ner Psychologie ausgeführt hat, ansehen, daß seine ganze wissen­schaftliche Sehnsucht dahin geht, die einzelnen Fragen, die im Grunde genommen das weitere Publikum wenig berühren können, die dieses weitere Publikum gerne dem Gelehrten überlassen will, auf einem weiten Weg hinzuführen bis zu den großen Fragen der menschlichen Unsterblichkeit und des göttlich-geistigen Inhaltes der Welt, wie er sich in der Seele spiegelt. Brentano fand aber aus seiner naturwissenschaftlichen Denkweise heraus diesen Weg nicht, und weil er eine ehrliche Forschernatur war, so ließ er eben die folgenden Bände, für die er keinen Forschungsweg fand, bis zu seinem vor einigen Jahren erfolgten Tode ungeschrieben.
Ich möchte sagen: gerade an diesem Forscherschicksal zeigt sich im echten Sinne tragisch, wie das, was oftmals heute als alleinige Wissenschaftlichkeit anerkannt wird, an den großen Rätselfragen der menschlichen Seele erlahmen muß.

zielenleven, zou moeten afzien van een weten hoe het met het hogere deel van de mens in ons gaat, als het fysieke deel bij de dood aan de aarde wordt overgeleverd.
En je kan zien aan wat Franz Brentano in het eerste deel van zijn psychologie uitgewerkt heeft, dat zijn hele wetenschappelijke verlangen erop uit is gedetailleerde vragen die in de grond genomen het grote publiek weinig kunnen schelen, die dit grote publiek graag aan de geleerden wil overlaten, breed te behandelen tot aan de grote vragen van de menselijke onsterfelijkheid en de goddelijk-geestelijke inhoud van de wereld en hoe die zich weerspiegelen in de ziel. Brentano vond echter vanuit zijn natuurwetenschappelijke denkwijze die weg niet en omdat hij een eerlijke onderzoeksmentaliteit had, liet hij de volgende banden – hij vond er geen manier van onderzoeken voor – tot aan zijn dood die enige jaren geleden volgde, ongeschreven.
Ik zou willen zeggen: juist aan het lot van deze onderzoeker wordt echt tragisch zichtbaar hoe, wat tegenwoordig als de enige wetenschappelijkheid erkend wordt, bij de grote raadsels van het leven, het moet laten afweten.

Das ist es – wiederum muß ich es sagen -, was Anthroposophie heute vor der Welt verteidigen muß: daß der Weg, den Brentano aus der Naturwissenschaft heraus nicht finden konnte, daß der gefunden werden kann! Und er kann
gefunden werden, wenn man bei den gewöhnlichen Fähigkeiten des
Seelenlebens, wie sie sich im äußeren Leben zunächst darbieten und wie sie in der gewöhnlichen Wissenschaft verwendet werden, nicht stehenbleibt.
Ich habe oftmals davon gesprochen, daß in jedes Menschen Seele
schlummernde, sagen wir mit einem wissenschaftlichen Ausdruck
latente Erkenntnisfähigkeiten liegen, die erst aus dieser Seele heraufgeholt werden müssen, wie aus dem Kinde gewisse Fähigkeiten
heraufgeholt werden müssen durch die Erziehung. Wer schon herangereift ist für die gewöhnlichen Erkenntnisfähigkeiten, muß sich
in hingebungsvollen inneren Seelenübungen schulen, damit er jene
Seelenfähigkeiten ausbilde, durch die nun nicht dasjenige unklar
bleibt, was ich nach den beiden Seiten hin als menschliches, rätsel

En – ik moet het weer zeggen: antroposofie moet vandaag de dag er in de wereld voor pleiten dat de weg die Brentano vanuit de natuurwetenschap niet kon vinden, dat die gevonden kan worden! Dat kan wanneer je niet stil blijft staan bij de gebruikelijke zielenvermogens, zoals die zich in eerste instantie in het uiterlijke leven vertonen en hoe die in de gewone wetenschap gebruikt worden,
Ik heb er al dikwijls over gesproken dat in iedere mensenziel sluimerende, laten we met een wetenschappelijke uitdrukking zeggen, latente kennisvermogens liggen die eerst uit de ziel gehaald moeten worden, zoals bij een kind bepaalde vaardigheden ontwikkeld moeten worden door de opvoeding. Iemand bij wie de gewone kennisvermogens ontwikkeld zijn moet zich vol overgave met innerlijke zielenoefeningen scholen, zodat hij die zielsvermogens ontwikkelt waardoor niet vaag blijft wat ik naar beide kanten toe als menselijk, 

Blz. 93

volles Seelen-Erleben charakterisiert habe – das Erleben gegenüber
den Vorstellungen, das Erleben gegenüber den Willensimpulsen -,
sondern damit der menschliche Seelenprozeß gewissermaßen
durchsichtig werde, damit man in das, was da eigentlich im menschlichen Vorstellungs-, im menschlichen Willensleben vorgeht, eindringen kann. Denn ohne daß man in diese alltäglichen Seelenrätsel eindringt, kann man auch nicht den Weg finden zu den großen Fragen des menschlichen unsterblichen Daseins und des göttlich-geistigen Inhaltes der Welt, in dem auch des Menschen Seele urständet. Nun habe ich des öfteren in Vorträgen hier charakterisiert, wieder Mensch innerliche Übungen zu machen hat, rein seelisch-geistige Übungen, durch die er die sonst schlummernden Erkenntnisfähigkeiten zum Dasein erweckt, so daß sie ihm wirklich in der Erkenntnis weiterhelfen können. Ich habe darauf hingewiesen, wie man das Vorstellungsleben selber erkraften, verstärken kann. Geradeso, wie wir einen Muskel stärken, wenn wir ihn fortwährend arbeitend gebrauchen, so können wir das Vorstellungsleben stärken,
wenn wir in dem Sinne, wie ich es zum Beispiel in meiner Schrift
«Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?» in allen Einzelheiten angeführt habe,

raadselachtig zielsbeleven gekarakteriseerd heb – dit beleven wat de voorstellingen, wat de de wilsimpulsen betreft – maar om het menselijke gevoelsproces in zekere zin doorzichtig te laten worden, zodat je doordringen  in wat zich eigenlijk in het menselijke voorstellings- menselijke wilsleven voordoet. Want zonder door te dringen in deze gevoelsraadsels van alledag, kan je ook de weg naar de grote vragen van de menselijke onsterfelijkheid en de goddelijk-geestelijke inhoud van de wereld waaruit ook de menselijke ziel stamt, niet vinden. Ik heb al wel vaker in voordrachten hier gekarakteriseerd hoe de mens innerlijke oefeningen moet doen, puur oefeningen voor ziel en geest, waardoor hij de anders sluimerende kennisvermogens tot leven wekt, zodat die hem daadwerkelijk met die kennis verder helpen. Ik heb erop gewezen hoe je het voorstellingsleven zelf krachtiger kan maken. Net zo als je je spieren sterker maakt wanneer je die voortdurend bij het werken gebruikt; zo kunnen we het voorstellingsleven sterker maken, wanneer we op de manier waarop ik dat in mijn boek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’  tot in detail heb uitgewerkt,

wenn wir dieses Vorstellungsleben durch innerliche seelische Arbeit in eine gewisse Richtung bringen, wenn wir gewisse leicht überschaubare Vorstellungen in den Mittelpunkt des Bewußtseins rücken und immer wieder auf diese Weise einer vorstellenden Arbeit uns hingeben, der wir uns sonst nicht hingeben. Ich kann dies nur prinzipiell hier andeuten, aber Sie finden
in dem eben genannten Werk und auch im zweiten Teil meiner
«Geheimwissenschaft» deutliche Aufschlüsse darüber, daß das Vorstellungsleben des Menschen durch solche Meditations- und
Konzentrations-Übungen des Denkens etwas ganz anderes werden
kann. Ich möchte sagen: Ohne irgendwelche abnorme Vornahme,
sondern durch bloße Fortbildung dessen, was als Gedankenleben,
als Vorstellungsleben im Menschen normal ist, kann ein stärkeres,
kräftigeres Vorstellungsleben erzeugt werden.
Und indem man dieses kräftigere Vorstellungsleben erzeugt,
indem man durch Meditation und Konzentration sich über das hin

dit voorstellingsleven door innerlijke zielenarbeid in een bepaalde richting sturen, wanneer wij bepaalde makkelijk te overziene voorstellingen in het middelpunt van ons bewustzijn plaatsen en steeds weer op deze manier ons overgeven aan een voorstellende activiteit wat we anders niet zouden doen. Hier kan ik het alleen maar in principe aangeven, maar u vindt in het genoemde boek en ook in het tweede deel van mijn ‘Wetenschap van de geheimen der ziel’ duidelijke uitleg over hoe het voorstellingsleven van de mens door dergelijke meditatie- en concentratieoefeningen van het denken heel anders kan worden. Ik zou willen zeggen: zonder een of andere abnormale manier van doen, maar alleen maar door verder te ontwikkelen wat in het gedachteleven als voorstellingsleven in de mens normaal is, kan een sterker en krachtiger voorstellingsleven ontwikkeld worden.
En wanneer je dit ontwikkelt, wanneer je door meditatie en concentratie

Blz. 94

aushebt, was in unserem gewöhnlichen Vorstellungsleben eigentlich
bloß bildhaft ist, kommt man zu dem, was ich in den genannten Büchern das inhaltsvolle, imaginative Vorstellen nenne. Dieses imaginative Vorstellen lebt mit einer solchen inneren Lebendigkeit in dem bloßen Gedanken, wie sonst der Mensch in seinen äußeren Wahrnehmungen lebt. Dadurch aber kommt man allmählich dahin, daß das Vorstellungsleben nicht mehr dieses bloß abstrakte, dieses, ich möchte sagen bloß bildhafte ist, sondern man macht durch rein innerliche Forschung – die aber durchaus mit demselben Ernst getrieben wird wie nur irgendeine wissenschaftliche Forschung – die Entdeckung, daß die Seele, die ihr Vorstellungsleben sonst nur mit den Ergebnissen der äußeren Eindrücke anfüllen konnte, innerlich von Kräften erfüllt wird, die gewissermaßen in das Seelenleben hereinschießen. Die Vorstellungen sind nicht mehr bloß dieses Leichtflüssige, wenn sie durch Meditation, durch Konzentration ausgebildet werden, sondern sie werden
durchkraftet, durchzogen von Kräften, die ich gestaltende Kräfte nennen möchte, von Kräften, die ein innerlich geistig-plastisches Element ausmachen. 

uitstijgt boven wat in ons gewone voorstellingsleven eigenlijk alleen maar beeld is, komt je bij wat ik in de genoemde boeken het inhoudsrijke, imaginatieve voorstellen noem. Dit leeft met zo’n innerlijke levendigheid in het gewone denken zoals de mens in zijn uiterlijke waarnemingen leeft.
Daardoor echter kom je langzamerhand zover dat het voorstellingsleven niet meer alleen maar dit abstracte beeld, alleen maar beeld is, maar door puur innerlijk onderzoek – dat echter absoluut met dezelfde ernst gedaan moet worden als welk ander wetenschappelijk onderzoek – doe je de ontdekking dat de ziel die zich anders alleen maar vullen kan met de resultaten van de uiterlijke indrukken, innerlijk met kracht vervuld wordt die in zekere zin het zielenleven binnenschieten. De voorstellingen zijn niet meer van die vluchtige, wanneer ze door meditatie en concentratie ontwikkeld worden, maar ze worden krachtiger, doortrokken van krachten die ik vormende krachten zou willen noemen, krachten die een innerlijk geestelijk-plastisch element vormen.

Und man entdeckt nach einiger Zeit, daß man durch diese Ausbildung des Vorstellungslebens mit demjenigen zusammenwächst, was die Bildekräfte des menschlichen Leibes selber sind; man macht nach einiger Zeit die Entdeckung, daß das Gedankenleben gewissermaßen nichts anderes ist als das verdünnte Kraftleben des menschlichen Wachstums. Was uns im physischen Leibe von der Geburt bis zum Tode innerlich plastisch gestaltet, das ist, ich möchte sagen in einem «verdünnten» Zustand unser Vorstellungsleben im gewöhnlichen Bewußtsein.
Wir blicken hin auf das eben geborene Kind. Wir wissen, daß in
diesem eben geborenen Kind, vom Gehirn ausgehend, die bildsamen, die plastischen Kräfte an der Gestaltung des Leibes arbeiten.
Wir verfolgen das Wachstum des Kindes, wie es ausstrahlt gerade von der plastischen Gehirntätigkeit, wir verfolgen es bis zu einem gewissen Einschnitt im menschlichen Erdenleben, bis zum Zahnwechsel, bis gegen das siebente Lebensjahr hin. Wir werden, indem wir dieses Kraftleben, das da im Menschen pulsiert, das plastisch in

En na enige tijd ontdek je dat je door deze ontwikkeling van het voorstellingsleven één wordt met wat de vormende krachten van het menselijk lichaam zelf zijn. Je doet na verloop van tijd de ontdekking dat het gedachteleven in zekere zin niets anders is dan het verdunde krachtige leven van de menselijke groei. Wat ons in het fysieke lichaam vanaf de geboorte tot aan de dood plastisch vormt, dat is in een ‘verdunde’ toestand ons voorstellingsleven in het gewone bewustzijn.
We kijken naar het pas geboren kind. We weten dat in dit pas geboren kind, van de hersenen uitgaand, de vormende, plastische krachten aan de vorming van het lichaam werken. 
We volgen de groei van het kind, hoe die met name vanuit de plastische hersenactiviteit uitstraalt; we volgen die tot een bepaalde belangrijke gebeurtenis in het mensenleven op aarde, tot aan de tandenwisseling, zo tegen het zevende levensjaar. We zullen, wanneer we dit krachtige leven dat in de mens pulseert, dat plastisch in

Blz. 95

ihm tätig ist, zunächst als ein Unbestimmtes empfinden. Auf der andern Seite, indem wir unser Vorstellungsleben durch Meditation, durch Konzentration kraftvoll ausgestalten, werden wir unbewußt zu demselben Element hingeführt, das plastisch von unserer ersten Kindheit an in uns arbeitete. Und das ist eine bedeutsame Entdekkung des inneren menschlichen Lebens, daß man das Vorstellungsleben so erkraften kann, daß man es innerlich so intensiv machen kann, daß man sich dann darinnen fühlt in dem, was des Menschen Bildekräfte sind, was Bildekräfte sind in seinem Wachstum, in seinem Stoffwechsel. So sonderbar es für die heutige Forschung noch klingt: es ist so, daß es möglich ist, durch eine Verstärkung des Seelenlebens in das hineinzuwachsen, was uns gewissermaßen dann aufnimmt als dasjenige, was unsern äußeren physischen Leib als seine Bildekräfte plastisch gestaltet. Man wächst durch das Vorstellungsleben in die Wirklichkeit hinein, man wachst in ein gestaltendes Element hinein.
Und man lernt auf diese Art kennen, was hinter dem bloßen Gedankenprozeß liegt; man lernt erkennen, wie ein Geistiges, mit dem man sich jetzt verbunden hat, am menschlichen Organismus von der Geburt bis zum Tod arbeitet.

hem werkt, aanvankelijk als iets vaags gewaarworden. Aan de andere kant, als we ons voortellingsleven door meditatie, door concentratie krachtig ontwikkelen, worden we onbewust naar dit zelfde element geleid, dat plastisch vanaf onze eerste kindertijd in ons werkzaam was. En het is een belangrijke ontdekking van het innerlijke menselijke leven dat je het voorstellingleven zo kan versterken dat je het innerlijk zo intensief kan maken, dat je dan beleeft wat de vormkrachten van de mens zijn, wat vormkrachten zijn in je groei, in je stofwisseling. Hoe vreemd dit voor het huidige onderzoek ook moge klinken: het is zo dat het mogelijk is door een versterking van het gevoelsleven aansluiting te vinden bij wat ons dan op een bepaalde manier in zich opneemt, bij de vormkrachten die ons uiterlijke fysieke lichaam plastisch vormgeven. Je groeit door dit voorstellingsleven naar de werkelijkheid toe, je vindt aansluiting bij een vormgevend element, daar groei je naar toe.
En je leert op deze manier kennen wat achter het gewone gedachteproces ligt; je leert kennen hoe iets geestelijks, waarmee je je nu hebt verbonden, vanaf de geboorte tot aan de dood aan het menselijk organisme werkt.

Das Vorstellungsleben bekommt seine Realität, das Vorstellungsleben ist nicht mehr das bloße Bildleben, das Vorstellungsleben wird ein Kraftleben, das im Dasein selber drinnensteht.
Und nur durch eine solche Erkenntnis kann das, was die
Unterströmung von Ängstlichkeit, von Furcht in der menschlichen Seele erzeugt, vom Bewußtsein aus bezwungen werden, so daß es in
der Tat nicht eine theoretische Lösung der Seelenrätsel ist, auf die
hier Anthroposophie hinweist, sondern eine durchaus innerliche,
praktische Lösung, die zu erleben ist. Anthroposophie muß darauf hinweisen, daß aus ihrer Forschung heraus dasjenige in das menschliche Bewußtsein hereinkommen und durch das menschliche Bewußtsein begriffen werden kann, was im Menschen lebt, was, ich möchte sagen nur zum Schein sich so weit verdünnt, daß es als unser gewöhnliches Vorstellungsleben herauskommt, was aber seiner Wahrheit nach die innere Wachsssphäre

Het voorstellingsleven krijgt zijn werkelijkheid, het voorstellingsleven is niet meer enkel en alleen beeldleven, het voorstellingsleven wordt een kracht die zelf in het bestaan aanwezig is.
En alleen door zo’n kennis kan, wat de onderstroom van bang zijn, van angst in de menselijke ziel oproept, vanuit het bewustzijn bedwongen worden, zodat het inderdaad niet een theoretische oplossing van het zielenraadsel is waarop de antroposofie hier wijst, maar daadwerkelijk een innerlijke, praktische oplossing die je kan beleven. Het antroposofisch onderzoek moet erop wijzen dat de mens tot bewustzijn kan komen en met zijn bewustzijn kan begrijpen, wat er in de mens leeft, wat zich alleen maar schijnbaar zo ‘verdund’ voordoet als ons dagelijkse voorstellingsleven wat echter in waarheid de innerlijke groeisfeer

Blz. 96

unseres Daseins ist. Und indem der Mensch auf der anderen Seite im Vorstellungsleben, ich möchte sagen das Schwer­gewicht verliert und in eine ängstliche Unterströmung dieses Seelenlebens hineingerät, kann er die Ergebnisse der geistes-wissenschaftlichen Anthroposophie über das Vorstellungsleben aufnehmen und kann dieses Vorstellungsleben auf dem Erkennt­niswege befestigen. Die Lösung dieses Seelenrätsels bietet Anthro­posophie nicht, indem sie eine Theorie hinstellt, sondern indem sie dem Menschen ein Ergebnis hinstellt, das er mit seinem gesunden Menschenverstand durchaus begreifen kann und das dann – wie Schwere verleihend – im Vorstellungsleben für sein Bewußtsein, für sein Seelenleben auftritt, so daß in die Seelenstimmung, in die Seelenverfassung hinein rätsellösend strömen kann, was Anthropo­sophie scheinbar als bloße Erkenntnis über das Vorstellungsleben geltend zu machen vermag.

van ons bestaan is. En als de mens aan de andere kant in het voorstellingsleven, ik zou willen zeggen, het wezenlijke kwijtraakt en in een angstige onderstroom van dit zielenbeleven terechtkomt, kan hij de resultaten van de geesteswetenschappelijke antroposofie over het voorstellingsleven in zich opnemen, dan kan hij dit voorstellingsleven langs de weg van de kennis bestendigen. De oplossing van het zielenraadsel biedt antroposofie niet, als ze een theorie opstelt, maar wanneer ze de mens een resultaat geeft dat hij met zijn gezonde mensenverstand goed kan begrijpen en dat dan – een anker biedend – in het voorstellingsleven voor zijn bewustzijn, voor zijn zielenleven kenbaar wordt, zodat er in de zielenstemming, in de zielenconstellatie iets kan instromen wat raadsels op kan lossen, en het lijkt erop dat antroposofie dat alleen maar als kennis van het voorstellingsleven kan laten gelden. 

Man erkennt da eben durchaus auf der einen Seite, wie der Mensch ein gestaltetes Wesen ist, wie er als Ganzes in einer be­stimmten Gestalt auftritt, wie seine einzelnen Organe aus dem Gei­ste heraus gestaltet sind und wie wir – damit wir freie Wesen sein können, damit wir nicht gezwungen durch diese innerlichen Kräfte nur handeln, sondern uns freien Spiegelbildern hingeben können -bis zu einem plastisch Gestalteten unsere bloß bildhaften Vorstel­lungen hinentwickeln. Das, was da vorliegt, habe ich zu Beginn der neunziger Jahre des vorigen Jahrhunderts in meiner «Philosophie der Freiheit» ausgeführt, indem ich gezeigt habe, daß der Mensch ein freies Wesen dadurch ist, daß er eben gerade in den reinen Gedanken, die nicht mit irgendeiner äußeren Realität für sein Bewußtsein zusammenhängen, leben kann, daß er in diesen reinen Gedanken seine moralischen Impulse formen kann. Spiegelbildern gegenüber wird man so dastehen, daß man selber irgend etwas aus­führen muß, wenn das Spiegelbild sich ändern soll; Spiegelbilder bestimmen einen nicht kausal. Der Mensch wäre niemals frei, wenn er von einer Realität in seinem gewöhnlichen Bewußtsein bestimmt wäre. In seinem gewöhnlichen Bewußtsein leben die Vorstellungen als Bilder, dadurch wird er von ihnen nicht bestimmt, wie man

Dan leer je aan de ene kant kennen hoe ook de mens een gevormd wezen is, hoe hij zich als een totaliteit in een bepaalde gestalte manifesteert, hoe zijn aparte organen vanuit de geest gevormd zijn en hoe wij – opdat we vrije wezens kunnen zijn, opdat we niet alleen maar door deze innerlijke krachten gedwongen handelen, maar dat we ons aan vrije spiegelbeelden kunnen overgeven – onze voorstellingen die alleen maar beelden zijn, tot een plastisch gevormd iets kunnen ontwikkelen. Waar we hier mee te maken hebben, heb ik in het begin van de jaren negentig (1800!) in mijn ‘Filosofie van de vrijheid’ uitgewerkt, toen ik liet zien dat de mens een vrij wezen is doordat hij juist in de reine gedachten die niet met een of andere uiterlijke realiteit voor zijn bewustzijn samenhangen, leven kan, dat hij in deze reine gedachten zijn morele impulsen vorm kan geven. Dan sta je a.h.w. zo tegenover spiegelbeelden dat je zelf iets ten uitvoer moet brengen, wil het spiegelbeeld anders worden; je wordt niet causaal door spiegelbeelden bepaald. De mens zou nooit vrij zijn, wanneer hij door een realiteit in zijn gewone bewustzijn zou worden bepaald. In zijn gewone bewustzijn leven de voorstellingen als beelden, daardoor wordt hij door hen niet bepaald, zoals men

Blz. 97

durch Spiegelbilder auch nicht bestimmt wird. Er ist frei. Damit er frei sein kann, muß sich sein Leben herausheben aus demjenigen, was es plastisch als Wachstumskraft, als Wachstumsleib, könnte man sagen, als Bildekräfteleib durchzieht. Aber dieses Leben in der Freiheit muß der Mensch eben mit der charakterisierten ängstlichen Unterströmung in seinem Seelenleben erkaufen, und daher muß der Mensch in seinem gewöhnlichen Bewußtsein dazu kommen, seine Freiheitsempfindung voll zu erleben, aber auch als polarischen Gegensatz diesem Freiheitserlebnis das entgegenstellen können, was Anthroposophie als Befestigung des Vorstellungslebens in der angedeuteten Weise geben kann.
Dringt man aber auf diesem Wege weiter, so dringt man ja von dem, ich möchte sagen ganz verdünnten, bloß bildhaften Vorstel­lungsleben vor zu dem, was wirkliche Realität ist, was in dem Men­schen gestaltend lebt. Es ist nicht der physische Leib, es sind nicht die physischen Organe, es ist ein übersinnlich Kraftendes, aber es ist da. Man erfaßt etwas, was außerhalb des physischen Leibes liegt, und man dringt, indem man einfach nach der einen Seite hin die Seelenrätsel verfolgt, dadurch in das ein, was unabhängig von dem menschlichen physischen Leibe eine übersinnliche Realität im Men­schen hat.

door spiegelbeelden ook niet bepaald wordt. Hij is vrij. Om vrij te kunnen zijn moet zijn leven uitstijgen boven wat het plastisch als groeikracht, als complex van groeikrachten zou je kunnen zeggen, als vormkrachtenlichaam doortrekt. Maar dit leven in vrijheid krijgt de mens op straffe van de zo juist gekarakteriseerde onderstroom van de angst in zijn gevoelsleven en vandaar dat de mens in zijn gewone bewustzijn er volledig toe moet komen zijn vrijheidsbeleven helemaal te ervaren, maar ook als polaire tegenstelling tegenover dit vrijheidsbeleven kunnen zetten wat de antroposofie als versteviging van het voorstellingsleven kan geven op de aangeduide manier. Wanneer je echter op deze weg verder komt, kom je van dit, ik zou willen zeggen, geheel verdunde, puur beeldende voorstellingsleven bij wat de echte realiteit is, wat in de mens vormgevend leeft. Dat is niet het fysieke lichaam, zijn niet de fysieke organen, het is iets wat bovenzintuiglijk kracht geeft, maar het is er. Je krijgt iets te pakken wat buiten het fysieke lichaam ligt en je dringt wanneer je simpelweg naar de ene kant de raadsels van de ziel volgt, door in wat onafhankelijk van het menselijke fysieke lichaam een bovenzinnelijke realiteit in de mens heeft.

Man dringt vor bis zu dem, was durch die Geburt oderdurch die Konzeption als menschlicher physischer Leib durch die bloßen Vererbungsverhältnisse zubereitet, durch bloße äußere Naturtatsachen vorgebildet wird. Man lernt erkennen, wie sich mit den vererbten Merkmalen, die von Eltern oder Voreltern herrühren, mit dem ganzen Leib, der sich im mütterlichen Organismus bildet, aus der geistigen Welt heraus dasjenige verbindet, was man im Leben wiederfindet, wenn man das Vorstellungsleben erkraftet.
Man gelangt, ich möchte sagen zu der einen Seite der Unsterblichkeitsfrage. Man schaut hin auf das, was unsterblich, was ewig ist in der Menschennatur, weil es aus einer geistigen Welt durch Konzeption und Geburt in das eindringt, was menschlich-leiblich ist, und weil es fortwirkt auch während des Erdenlebens als die innere plastische Gestaltungskraft, mit der wir uns verbinden, indem wir in der angedeuteten Weise unser Gedankenleben verstärken.

Je dringt door tot wat door de geboorte of door de conceptie als menselijk fysiek lichaam voorbereid werd door alleen maar de erfelijkheidsverhoudingen en de uiterlijke zaken van de natuur. Je leert kennen hoe met de geërfde kenmerken die van de ouders of voorouders komen, zich met het hele lichaam dat zich in het moederlijke organisme vormt, vanuit de geestelijke wereld verbindt wat je in het leven weer terugvindt, wanneer je het voorstellingsleven krachtiger maakt.
Je komt aan de ene kant bij de vraag van de onsterfelijkheid. Je kijkt naar wat onsterfelijk, wat eeuwig is in de mensennatuur, omdat het uit de geestelijke wereld door conceptie en geboorte het menselijk-lichamelijk doordringt en omdat het doorwerkt ook gedurende het leven op aarde als de inwendige plastische vormkracht waarmee wij ons verbinden wanneer wij op de aangeduide manier ons gedachteleven versterken.

Blz. 98

So bietet Anthroposophie die Perspektive, die etwa ein Franz Brentano suchte. Brentano begann auch bei einer Untersuchung der Gedanken, er ließ aber die Gedanken so, wie sie im gewöhnlichen Bewußtsein sind. Er beschränkte sich darauf, bloß zu registrieren, was im gewöhnlichen Bewußtsein vorhanden ist. Erst die Verstärkung des Gedankenlebens durch Meditation und Konzentration führt dieses Gedankenleben zu der inneren plastischen Gestaltungskraft, und sie führt wirklich auf den Weg, der beim Erfassen des
einfachen alltäglichen Gedankens beginnt und der endet bei dem geistig-seelischen Element des Menschen, das da gelebt hat vor der Geburt, vor der Konzeption in der geistig-seelischen Welt selber und das sich mit den Vererbungskräften, mit den physischen Kräften des Menschenleibes verbunden hat. Es gibt keine andere Lösung der Seelenrätsel als dadurch, daß man diesen Weg von den einfachsten Erscheinungen des alltäglichen Lebens bis zu den großen Rätselfragen des Daseins wirklich findet

Op deze manier biedt de antroposofie de perspectieven die een Franz Brentano wellicht zocht. Brentano begon ook met het onderzoeken van de gedachten, hij liet echter de gedachten bestaan zoals die in het gewone bewustzijn aanwezig zijn. Hij beperkte zich tot enkel registreren van wat er in het gewone bewustzijn aanwezig is. Pas het sterker worden van het gedachteleven door meditatie en concentratie brengt dit gedachteleven tot de innerlijke plastische vormkracht en leidt daadwerkelijk naar de weg die bij het begrijpen van de eenvoudige, alledaagse gedachten begint en die eindigt bij het geest-zielenelement van de mens dat leefde voor de geboorte, voor de conceptie in de geest-zielenwereld zelf en dat zich met de erfelijkheidskrachten, met de fysieke krachten van het mensenlichaam verbond.
Er is geen andere oplossing van de raadsels van de ziel mogelijk dan door deze weg van de meest simpele verschijnselen van het leven van alledag tot aan de grootste raadsels van het bestaan, daadwerkelijk te vinden.

Ich habe bisher auf das hingewiesen, was der Mensch gegenüber seinem Gedankenleben erreichen kann. Da kommt er zu dem, was den Menschen gewissermaßen in den Raum herausgestaltend treibt, was die räumliche Leiblichkeit des Menschen plastisch durchdringt,,was sich in der Gestalt auslebt, was aus der geistigen Welt, wie ich angedeutet habe, heruntersteigt und in die äußere Gestalt des Menschen, auch in die Gestalt seiner inneren Organe, hinein verfließt. Das ist aber nur die eine Seite des Menschenlebens, und auch an der anderen Seite des Menschenlebens nimmt das Seelische durchaus teil, wenn wir ebenso, wie wir durch Meditation und Konzentration das Gedankenleben ausbilden können, nach der anderen Seite das Willensleben jetzt nicht so ausbilden, daß man im eigentlichen Sinne sagen kann, man verstärkt es, sondern so, daß wir es hingebungsvoller machen, vergeistigter machen. Man kann es dadurch erreichen, daß man dieses Willensleben in einem gewissen Sinne losreißt von seiner Alltäglichkeit. – Ich habe viele einzelne Übungen gegeben – Geisteswissenschaft ist nicht
leichter als die Forschung auf der Sternwarte oder in der Klinik -,

Ik heb er tot nog toe op gewezen wat de mens wat zijn gedachteleven betreft, kan bereiken. Dan komt hij bij wat de mens in een bepaald opzicht in de ruimte vorm doet aannemen, wat de ruimtelijke lichamelijkheid van de mens plastisch doordringt, wat zich in de gestalte verwezenlijkt, wat uit de geestelijke wereld, zoals ik aangeduid heb, incarneert en in de uiterlijke gestalte van de mens, ook in de gestalte van zijn inwendige organen, instroomt. Dat is maar één kant van het mensenleven en aan de andere kant neemt ook de ziel daaraan deel, wanneer we net zoals wij door meditatie en concentratie het gedachteleven kunnen ontwikkelen, het wilsleven niet zo ontwikkelen dat je het sterker maakt, maar zo dat wij meer met overgave onze wil op iets kunnen richten, deze vergeestelijken.
Dat kun je bereiken door dit wilsleven op een bepaalde manier los te maken van wat het in het alledaagse leven is. Ik heb er veel los van elkaar staande oefeningen voor gegeven  – geesteswetenschap is niet makkelijker dan onderzoek op de sterrenwacht of in de kliniek –

Blz. 99

die jahrelang getrieben werden müßten, aber ich möchte nur einzelnes herausgreifen, um das Prinzipielle anzudeuten. – Es kann das [dieses Losreißen] dadurch geschehen, daß man das, was im gewöhnlichen Denken als Wille wirkt – denn im Denken ist immer ein Wille vorhanden, die Gedanken werden durch den Willen gestaltet, das Gedankliche ist nur die eine Seite, im Seelenleben ist immer der Wille mit den Gedanken durchwoben und die Gedanken Dadurch, daß man gewohnt ist, das Denken immer in demselben Sinne zu führen, wie die äußeren Tatsachen verlaufen, spielt das Denken für uns eigentlich in bezug auf den Willen, der in ihm entfaltet wird, eine passive Rolle. Es wird aktiv innerlich tätig, durchsetzt von innerlicher Initiative, wenn wir es durch solche Übungen schulen wie das Rückwärtsvorstellen, wo wir es losreißen von dem Gang der äußeren Tatsachen, wo wir es auf sich selbst angewiesen machen. Denn wenn wir solches, was wir auf diese Weise in sorg- -fältigen und energischen Übungen erreichen, durch eine wirklich ernste Selbstbeobachtung verstärken, indem wir das, was wir als Willensmensch tun, so beobachten, wie wenn wir neben uns stehen würden und uns Stück für Stück in unserer Willensentfaltung beobachten würden, oder auch wenn wir zur Aktivität übergehen würden, wenn wir Übungen geradezu zu dem Zweck machten, uns et-

die je jaren achter elkaar moet doen, en ik wil er nu één nemen om het principe uit te leggen. In het dagelijks leven is de wil altijd in het denken aanwezig, de gedachten worden door de wil vormgegeven. In het gevoel is de wil altijd met de gedachten doorweven en de gedachten met de wil. Dit wilselement in de gedachten verloopt normaal, d.w.z. het houdt zich aan de uiterlijke fysieke feiten. De wil daarvan losmaken kan door je iets voor te stellen dat omgekeerd verloopt.
Zeg maar, je bent gewend om je een drama van de eerste tot de vijfde akte voor te stellen, nu stel je je dat drama omgekeerd, teruggaand voor van wat zich het laatst afspeelt tot aan het begin. Dan begin je uiterlijke feiten voor te stellen die teruglopen. ’s Avonds kun je je bijv. de gewone dag voorstellen, maar dan omgekeerd verlopend, in zo klein mogelijke delen. van ’s avonds tot ’s morgens, zelfs zover dat je het oplopen van een trap je je zo voorstelt dat je achteruitlopend gaat van de bovenste trede tot de laatste, enz.  
Doordat we gewend zijn altijd op dezelfde manier te denken zoals de uiterlijke feiten verlopen. speelt het denken voor ons wat de wil betreft, die daarin ontplooid wordt eigenlijk een passieve rol. Het wordt innerlijk actief, doortrokken van innerlijke initiatieven, wanneer we het door dergelijke oefeningen scholen zoals het terugverlopende voorstellen, waarbij we het losmaken van de loop van de uiterlijke feiten, waarbij we het op zichzelf aangewezen laten zijn. Want wanneer we op deze manier iets dergelijks bereiken door zorgvuldige en krachtige oefeningen, het door echte, ernstige zelfwaarneming sterker maken, door wat we als wilsmens doen, zo waar te nemen als stonden we naast ons zelf en dat we dan onze wilsontplooiing in detail zouden waarnemen of ook wanneer we tot activiteit zouden overgaan, wanneer we oefeningen zouden doen met als doel ons iets

Blz. 100

was vorzunehmen und es dann mit einer eisernen Energie exakt auszuführen, so daß wir ganz im Willenselement leben – ich wollte nur prinzipiell solche Übungen angeben, die den Willen nicht nur
von den äußeren Tatsachen losreißen, sondern von seinem Gebundensein an den Leib selber, die den Willen selbständig machen, vergeistigen -, dann kommen wir auf diese Art tatsächlich zu einer Willensentfaltung, so daß wir uns mit unserem Seelenleben, das nun den Willen entfaltet, außer unserem Leibe erleben. Es ist ein
bedeutsames Erleben. Aber dadurch sieht man erst ein, was der Wille ist. Der Wille ist im gewöhnlichen Leben an die Organe gebunden. Wir sehen ihn sich entfalten, indem wir unsere Glieder bewegen. Wir beobachten nur durch unser Gedankenleben die Vorgänge, die Wirkungen unseres Willens. Wir sehen in ihn hinein, wenn wir ihn losgerissen haben von der Leiblichkeit, wenn wir ihn in sich selbst erleben, ganz eins werden mit ihm. Dann wird erdurchdrungen von einer Erhöhung derjenigen Kraft, die sonst auch an unseren physischen Organismus gebunden ist, durchdrungen von der Liebekraft. Und zu einer durchsichtigen, hellen Klarheit wird jenes hingebungsvolle Element im Seelenleben ausgebildet, das uns – ich möchte sagen dunkel, als emotionelles Willensleben – in der Liebe entgegentritt.

voor te nemen en dat dan met tomeloze energie precies uit te voeren, zodat we helemaal in het wilselement leven, dan komen wij op deze manier in feite tot een wilsontwikkeling, zodat we onszelf met ons zielenleven dat nu de wil ontwikkelt, buiten ons lichaam beleven. Ik wilde alleen dit soort principiële oefeningen aangeven die de wil niet alleen losmaken van uiterlijke dingen, maar van zijn gebonden zijn aan het lichaam zelf, die de wil zelfstandig maken, vergeestelijken. Dat is een belangrijke beleving. Maar daardoor zie je pas in, wat de wil is. De wil is in het dagelijks leven aan de organen gebonden. We zien dat hij actief is als we onze ledematen bewegen. We nemen alleen door ons gedachteleven de processen waar, de werking van onze wil. We krijgen er inzicht in, wanneer we hem losgemaakt hebben van de lichamelijkheid, wanneer we hem op zich staand beleven, helemaal één worden met hem. Dan wordt hij doordrongen met een toenemende kracht die anders ook aan ons fysieke organisme gebonden is, doordrongen van de liefdekracht. En dat element in ons zielenleven dat zich met overgave op iets kan richten, ontwikkelt zich tot iets wat we doorzien, wat helder voor ons is, dat – ik zou willen zeggen als duister, als emotioneel wilsleven in liefde op ons af komt.

Ich weiß, wie wenig die Menschen heute die Liebe als eine Erkenntniskraft gelten lassen wollen. Im gewöhnlichen Leben ist sie es auch nicht; aber wenn sie so ausgebildet ist, daß der Wille nicht mehr in Instinkten, in Trieben, in Emotionen wurzelt, sondern daßer im rein Seelischen, abgesehen von der Leiblichkeit lebt, dann wird dieser Wille eigentlich erst seiner Wesenheit nach erkannt, und dann zeigt er sich als etwas ganz anderes, als was das Gedankenelement sich gezeigt hat. Das Gedankenelement hat sich in seiner Verstärkung als dasjenige, was aufbauend gestaltet, gezeigt, was, ich möchte sagen Organ aus Organ herausfließen läßt, was zuletzt gipfelt in der menschlichen Fortpflanzung. Das Gedankenelement entfaltet sich als das plastische Wirken, von der Seele aus plastische Wirken in die menschliche Leiblichkeit hinein. Das Willenselement, das entfaltet sich so im Leib, daß es – wenn man es abgesondert vom

Ik weet hoe weinig de mensen nu de liefde als een kennende kracht willen laten gelden. In het dagelijks leven is ze dat ook niet; maar wanneer ze zo tot ontwikkeling is gekomen dat de wil niet meer in de instincten, in de driften, in de emoties wortelt, maar in het zuivere zielselement, vrij van de lichamelijkheid, dan wordt deze wil eigenlijk pas wat zijn wezen betreft, gekend en dan vertoont hij zich als iets heel anders dan wat het gedachte-element liet zien. Het gedachte-element vertoonde zich in zijn sterker worden als iets wat opbouwend vormt, wat orgaan na orgaan vormt, wat dan uiteindelijk uitmondt in de menselijke voortplanting. Het gedachte-element vertoont zich als plastische werking, vanuit de ziel als plastische werking op de menselijke lichamelijkheid. Het wilselement ontwikkelt zich zo in het lichaam dat het – wanneer je het los van

Blz. 101

Leib erkennt, kann man dann anschauen, wie es auf den Leib wirkt – das Leibliche nun gerade nicht plastisch gestaltet, sondern das Plastisch-Gestaltete wird zurückgebildet, wird aufgelöst, zerstäubt, verfließend gemacht. Das Willenselement ist das, was stetig – ich bitte, mich nicht mißzuverstehen -, ich möchte sagen die gebildeten
Elemente des Menschen wiederum verbrennt, in Flammen, geistig gesprochen, aufgehen läßt. Der Ausdruck ist bildlich gemeint, aber er bedeutet etwas sehr Wichtiges. Das menschliche Leben, wie es aus der Seele in die Leiblichkeit sich ergießt, kann nur verstanden werden, indem es auf der einen Seite durchschaut wird als dieses plastische Element, auf der anderen Seite als das Wiederauflösen des plastischen Elements, als das, ich möchte sagen, in das Zerstäubte, in das Zerfließende Hineinkommenlassen des plastischen Elementes. Und indem alles, was als Wille sich im Menschen entfaltet, im menschlichen Leibe ein solch Auflösendes, Zerstäubendes, das Zerfließende ist, ist dieses willensartige Element das, was nun erlebt wird als dasjenige, was uns nach der anderen Seite des Menschenlebens den Weg weist, was uns den Weg weist zum Tod hin.

van het lichaam leert kennen, je kan waarnemen hoe dit inwerkt op het lichaam – het lichamelijke nu juist niet plastisch vormt, maar wat plastisch gevormd werd, wordt afgebroken, wordt opgelost, stoffelijk gemaakt, het vloeit weg. Het wilselement is wat constant – ik vraag u mij niet verkeerd te begrijpen – ik zou willen zeggen de gevormde elementen van de mens weer verbrandt, in vlammen, geestelijk gesproken, op doet gaan. De uitdrukking is beeldend bedoeld, maar betekent wel iets heel belangrijks.
Het mensenleven, hoe dit vanuit de ziel overgaat naar de lichamelijkheid, kan je alleen begrijpen, als je het enerzijds kan doorgronden als een plastisch element, anderzijds als een element dat dit plastische weer laat oplossen, als iets wat het plastische element terecht laat komen in wat vervluchtigt, wat weer oplost. En omdat alles wat zich in de mens als wil ontplooit, in het lichaam van de mens zo’n oplossend, vervluchtigend, wegstromend iets is, wordt dit wilselement nu ervaren dat wat ons naar de andere kant van het mensenleven de weg wijst, wat ons de weg naar de dood wijst.

Wie wir durch die Plastik des Denkens eben zunächst das geistig-plastische Element der menschlichen Seele kennenlernen, das durch Geburt oder Empfängnis in den physischen Leib einzieht, so lernen wir erkennen, wie das willensartige Element den menschlichen Leib auflöst, aber im Auflösen – wie gesagt, bildlich gesprochen – aus der Flamme die reine Geistigkeit hervorgehen läßt.Wir lernen den Auszug der Seele aus dem Leibe kennen. Wir lernenauf diese Weise aus dem Verfließen des Willenselementes heraus den Tod verstehen. Wir lernen verstehen, was im Tode mit dem Menschen vorgeht, weil wir verstehen lernen, was beim alltäglichen Willensentschluß im Menschen vorgeht. Der alltägliche Willensentschluß bewirkt im physischen Leib – wie gesagt, bildlich gesprochen – eine Art Verbrennungsprozeß, aber aus diesem Verbrennungsprozeß geht hervor, was unser inneres Seelenleben ist. Was wir innerlich als Seele empfinden, es könnte nicht da sein, wenn wir immer bloß Leib wären, bloß plastisch gestaltet würden. Das Plastische

Zoals wij door de plastiek van het denken eerst het geestelijk-plastische element van de menselijke ziel leren kennen dat door de geboorte of conceptie het fysieke lichaam binnentrekt, zo leren wij kennen hoe het wilsmatige element het menselijk lichaam oplost, maar in het oplossen – zoals gezegd, beeldend gesproken – uit de vlam de pure geestelijkheid tevoorschijn laat komen. We leren hoe de ziel het lichaam verlaat. We leren op deze manier uit het verdwijnen van het wilselement de dood begrijpen. We leren begrijpen wat in de dood met de mens gebeurt, omdat we leren begrijpen wat bij het alledaagse wilsbesluit in de mens gebeurt. Het alledaagse wilsbesluit bewerkt in het fysieke lichaam – zoals gezegd – beeldend gesproken – een soort verbrandingsproces, maar uit dit verbrandingproces komt tevoorschijn wat ons innerlijk zielenleven is. Wat wij innerlijk als ziel voelen, kan er niet zijn wanneer wij steeds maar alleen ziel zouden zijn, alleen maar plastisch vorm zouden geven. Het plastische

Blz. 102

muß abgebaut werden, verfließen, und aus dem Verfließenden des Plastischen, aus dem immer Fortwährend-Zerstörtwerdenden des Leiblichen geht das Erleben des Seelischen hervor. Und wir begreifen den Auszug der Menschenseele aus dem physischen Leib mit dem Tod, der nur in einen Augenblick zusammengefaßt dasjenige darstellt, was sich in der Entfaltung des Willens zur Geistigkeit der Seele immerdar darstellt. So wie ich im gegenwärtigen Augenblick meinen Willen erlebe, wie er eine Art Verbrennungsprozeß, Auflösungsprozeß im Leibe bildet, wie durch die Zerstörung das Geistige auflebt im menschlichen Leib, so lerne ich erkennen, wie
mit dem anderen Zerstören des Leibes im Tode, das nichts anderes ist als die letzte Wirkung des im Leibe verborgenen Willens, wie da das Geistige wiederum zurückkehrt in die geistig-seelische Welt.
Das ist es, was aus Anthroposophie heraus lebendig in die Seelenrätsel hineinführt. Anthroposophie will nicht eine Theorie sein; gewiß, sie will Erkenntnis geben, aber nicht eine theoretische Erkenntnis, sie will eine Erkenntnis geben, die Seelennahrung ist.
Und sie kann auf diese Weise die einzelnen täglichen Erlebnisse des Seelenwesens vor das geistige Auge hinstellen, sie kann von diesen einzelnen Erlebnissen dann zu den großen Fragen des Seelenlebens
hinschreiten.

moet afgebroken, vervluchtigen en uit dit vervluchtigende, uit het steeds verdergaande proces van vergaan van het lichamelijk komt de beleving van het gevoel tevoorschijn. En we begrijpen het verlaten van de mensenziel uit het fysieke lichaam met de dood die alleen maar in één moment samengebald laat zien wat zich in de ontplooiing van de wil naar het geestelijke van de ziel altijd laat zien.  Zoals ik op het moment van nu mijn wil beleef, hoe dat een soort verbrandingsproces, een oplosproces in het lichaam vormt, hoe door het vergaan het geestelijke opleeft in het menselijke lichaam, zo leer ik kennen, hoe met het andere vergaan van het lichaam in de dood dat niets anders is dan de laatste werking van de in het lichaam verborgen wil, hoe daar het geestelijke weer terugkeert in de geest-zielenwereld.
Zo kom je met antroposofie op een levendige manier nader tot de raadsels van de ziel. Antroposofie wil geen theorie zijn; ze wil kennis geven, maar geen theoretische, ze wil een kennis geven die voedsel voor de ziel is. En ze kan op deze manier de losse belevenissen van de ziel van alledag voor het geestesoog plaatsen, zij kan via die losse alledaagse belevingen verdergaan naar de grote vragen over het zielenleven.

Gestatten Sie, daß ich auf eine Einzelheit eingehe, damit Sie sehen, worauf gerade das beruht, was durch Anthroposophie in die menschlichen Seelenrätsel hineinführen soll, gestatten Sie, daß
ich die Einzelheiten der menschlichen Erinnerung anführe.
Ist man dazu gelangt, so das verstärkte Vorstellungsleben in sich zu haben, wie ich es charakterisiert habe, und hat man auf der anderen Seite kennengelernt, wie fortwährend das Plastische wieder abgebaut wird von dem Willensleben, dann schaut man auch die inneren Seelenprozesse erst in durchsichtiger Klarheit an. Man
sieht, wie der Mensch der äußeren Welt gegenübersteht, wie er seine Eindrücke von der äußeren Welt bekommt, wie er dann sich Vorstellungen, Gedanken über diese äußeren Eindrücke bildet, wie er dann nach einiger Zeit – oder auch nach langer Zeit – als Erinnerungen diese Vorstellungen aus gewissen Untergründen

Sta mij toe op een detail in te gaan, zodat u kan zien wat door antroposofie inzicht kan geven in de raadsels van de menselijke ziel; sta mij toe gedetailleerd in te gaan op het herinneringsvermogen van de mens.
Ben je zover gekomen dat je in jezelf het sterker geworden voorstellingsleven hebt ontwikkeld zoals ik dat gekarakteriseerd heb en heb je anderzijds leren kennen hoe voortdurend het plastische door het wilsleven weer teniet wordt gedaan, dan kan je pas de innerlijke processen van de ziel helder doorzien. Je ziet hoe de mens tegenover de wereld staat, hoe hij van de uiterlijke wereld zijn indrukken krijgt, hoe hij daar dan voorstellingen, gedachten over vormt. hoe hij dan na enige tijd – of na langere tijd ook – deze voorstellingen als herinneringen uit bepaalde diepere lagen

Blz. 103

heraufholt oder wie sie auch von selbst, wie man heute sagt als «frei steigende» Gedächtnis-Vorstellungen herauftauchen. Schon in diesem Herauftauchen der Erinnerungsvorstellungen kündet sich für den, der unbefangen auf das menschliche Seelenleben hinblicken will, ein bedeutsames Seelenrätsel an, und man kann sagen: In durchaus kurioser Weise haben die Menschen gesprochen von dem, was eigentlich das Wesen der Erinnerung ist. Man hat sich – und tut das zuweilen noch heute – vorgestellt: Nun ja, der Mensch bekommt durch die Wahrnehmungen Eindrücke, sie werden durch seine Sinne hervorgerufen, dann setzen sie sich fort
durch sein Nervensystem, er bildet sie um durch sein Vorstellen. Diese Vorstellungen tauchen dann in gewisse Untergründe seines Seelenlebens ein und kommen dann wieder herauf, wenn sie erinnert werden. Nun, kein Mensch, der unbefangen denkt, kann sich irgend einen klaren Gedanken darüber machen, wie eigentlich
diese Vorstellungen, wenn wir sie nicht haben, da unten in unbekannten Untergründen des Seelenlebens spazieren gehen sollen, um dann wieder heraufzukommen durch Willkür, wenn sie entweder gerade gebraucht werden oder an irgend etwas sich anlehnen wollen, das als eine neue Wahrnehmung, als ein neuer Eindruck der Außenwelt auftritt.

naar boven haalt of hoe deze ook vanzelf, zoals men tegenwoordig zegt als ‘vrij opstijgende’ geheugenvoorstellingen opduiken. In dit opduiken van de herinneringsvoorstellingen alleen al kondigt zich voor degene die onbevangen naar het menselijke zielenleven wil kijken, een belangrijk zielenraadsel aan en je kan zeggen: de mensen hebben toch wel op een heel wonderbaarlijke manier gesproken over wat eigenlijk de herinnering nu echt is. Men heeft zich – en dat doet men af en toe ook nu nog – voorgesteld: de mens doet door waarnemingen indrukken op; die worden door zijn zintuigen opgeroepen, dan gaan die verder door zijn zenuwsysteem, hij vormt ze om door zijn voorstellen. Deze voorstellingen duiken dan onder in bepaalde diepere lagen van zijn zielenleven en komen dan weer omhoog, wanneer hij ze zich herinnert.
Nu, geen mens die onbevangen denkt, kan zich er een of andere heldere gedachte bij vormen hoe deze voorstellingen eigenlijk, wanneer we ze niet paraat hebben, daar beneden in onbekende diepten van het zielenleven moeten gaan rondwandelen om dan door willekeur weer omhoog te komen wanneer ze of gebruikt worden of dat zich bij het een of ander willen aansluiten dat als een nieuwe waarneming, als een nieuwe indruk van de buitenwereld optreedt.

Anthroposophie geht da zur wirklichen, wahrhaftigen Beobachtung des menschlichen Seelenlebens selber über. Sie durchschaut dadurch, daß sie das verstärkte Vorstellungsleben und das durchgeistigte Willensleben kennt, den ganzen Prozeß, der sich von der Wahrnehmung des äußeren Dinges durch das Vorstellungsbilden,
durch das Bilden der Erinnerung bis zum Wiederum-Heraufkommen der erinnerten Vorstellungen abspielt. Dadurch, daß anthroposophische Forschung durch eine solche Gestaltung des Vorstellungs- und Willenslebens zu Erkenntniskräften vordringt, wie ich.angedeutet habe, wird der ganze Seelen- und leibliche Prozeß und
wie diese beiden Prozesse ineinanderspielen, so umgestaltet, wie etwas – wenn ich es damit vergleichen darf —, was ich als etwas ganz Dunkles, Undurchsichtiges vor mir habe, dadurch umgestaltet
wird, daß es durchleuchtet wird, plötzlich durchsichtig wird. Der

Hier komt antroposofie op een werkelijke, reële waarneming van het menselijk zielenleven zelf. Zij doorziet dat omdat ze het sterker geworden voorstellingsleven en het doorgeestelijkte wilsleven kent, het hele proces dat zich vanaf de waarneming van de uiterlijke dingen door het vormen van voorstellingen, door het vormen van de herinnering tot aan het weer opkomen van de herinnerde voorstellingen afspeelt. Omdat antroposofisch onderzoek door een dergelijke vorm van het voorstellings- en wilsleven doordringt tot kenniskrachten, zoals ik aangegeven heb, wordt het hele psychische en fysieke proces en hoe deze beide processen elkaar doordringen, zo omgevormd als iets – als ik het daarmee vergelijke mag – wat ik als iets donkers, ondoorzichtigs voor mij heb, daardoor omgevormd wordt, dat het doorlicht wordt, plotseling doorzichtig wordt.

Blz. 104

ganze menschliche Seelenprozeß wird durch dieses verstärkte Vorstellungsleben und durchgeistigte Willensleben durchsichtig.
Und worauf sieht man jetzt in bezug auf das, was ich angedeutet habe? Man sieht, wie die äußeren Eindrücke den Sinnen sich meilenweit dehnen, wie der ganze Prozeß weiterspielt und wie in der Tat das, was ich als gestaltendes, als plastisches Element des verstärkten Gedankenlebens bezeichnet habe, in dem gewöhnlichen Wahrnehmungsprozeß als eine Fortsetzung wirkt. Ich nehme äußerlich wahr, aber es wirken in mir ja nicht bloß die abstrakten Gedanken, die ich im gewöhnlichen Bewußtsein habe, sondern das, was durch Geisteswissenschaft bloß ergründet wird, das wirkt ja fortwährend; dieses Plastische in den Vorstellungen, das wirkt hinunter in die menschlichen Seelen- und Leibestiefen. Und dann, wenn dies geschehen ist, wenn in die Seelenuntergründe und in die Leibesuntergründe der Gedanke gestaltend gewirkt hat, dann geht der Mensch zu anderem über. Da ist ein Willensentschluß tätig, da spielt der Wille, da ist aber der vergeistigte Wille vorhanden.

Heel het menselijke zielenproces wordt door dit versterkte voorstellingsleven en doorgeestelijkte wilsleven doorzichtig.
En waar kijk je nu naar i.v.m. wat ik aanduidde? Je ziet hoe de uiterlijke indrukken de zintuigen zich mijlenver groter doen worden, hoe het hele proces zich verder afspeelt en hoe dat wat ik als vormgevend, als plastisch element van het versterkte gedachteleven heb benoemd, in het alledaagse waarnemingsproces als een voortzetting werkt. Ik neem van buiten waar, maar in mij zijn niet alleen de abstracte gedachten werkzaam die ik met mijn gewone bewustzijn heb, echter wat door de geesteswetenschap al als basis wordt legt, werkt voortdurend; dit plastische in de voorstellingen, dat werkt door naar beneden, naar de diepten van de menselijke ziel en die van het lichaam. En dan, wanneer dit gebeurd is, wanneer in de zielendiepten en in de diepte van het lichaam de gedachte vormend heeft gewerkt, dan gaat de mens op iets anders over. Dan is er een wilsbesluit werkzaam, daar is de wil actief, daar is de vergeestelijkte wil aanwezig.

In demjenigen Leben des Menschen, das an das äußere Gehirn gebunden ist, entfaltet sich dieser Wille, er baut, indem er die Plastik des Gehirns auflöst, dasjenige für das gewöhnliche Bewußtsein ab, was der Eindruck aufgebaut hat, so daß wir eine äußere Gehirn-Oberfläche, wenn ich mich grob ausdrücken darf, über Untergründe ausgebreitet haben, wo aber die Plastik fortwirkt.
Nehmen wir nun an, ich erinnere mich in willkürlicher Weise an irgend etwas, dann geschieht das so, daß ich aus einer gewissen Vorstellungsreihe heraus diesen Willen entfalte. Die Willensentfaltung ist wiederum mit einem Abbauen verbunden, wenn jetzt nicht wiederum äußere Eindrücke eindringen; und daß diese nicht kommen, dafür sorgt ja wiederum die Willensentwickelung, die ein
Abbauen ist. Und dieses Abbauen läßt das, was in den Untergründen bei der willkürlich heraufgeholten Erinnerung ist, als Plastik des Menschen heraufkommen. Kommen freisteigende Vorstellungen herauf, so geschieht es umgekehrt. Da ist irgendein äußerer Eindruck vorhanden, der sich zum Gedanken bildet. Der Gedanke ist plastisch tätig. Dem Gehirn wird er eingeprägt. Diese Plastik ist

In het leven van de mens dat aan het uiterlijke brein gebonden is, ontplooit deze wil zich, hij breekt als hij de plastiek van de hersenen oplost, voor het gewone bewustzijn af wat de indruk opgebouwd heeft, zodat we aan de buitenkant een hersenoppervlakte die, als ik mij ongenuanceerd uitdruk, over een ondergrond ligt waar echter de plastiek in doorwerkt.
Nemen we aan dat ik me op een willekeurige manier herinner iets, dan gaat dat zo dat ik vanuit bepaalde voorstellingen deze wil ontplooi. De wilsontplooiing is weer met afbraak verbonden, wanneer er nu niet weer uiterlijke indrukken bijkomen en dat deze niet komen, daarvoor zorgt weer de wilsontwikkeling die aan het afbreken is. En dit afbreken laat wat in de ondergronden bij de willekeurig opgehaalde herinnering is, als plasticiteit van de mens naar bovenkomen. Komen er vrij omhoog stijgende voorstelling op dan gebeurt dat omgekeerd. Er is een of andere indruk van buiten aanwezig die zich tot gedachte omvormt. De gedachte is plastisch actief. Die wordt ingelijfd bij het brein. Deze plastiek 

Blz. 105

ähnlich derjenigen Plastik, die einmal so in den Untergründen dasjenige ausgebildet hat, was in den Untergründen in einer gewissen Gestalt leben kann. Das lebt in derjenigen Plastik, die jetzt der Gedanke gebildet hat.
Sie sehen, das Seelenleben wird auf diese Weise durchsichtig, man lernt es erkennen im Zusammenwirken mit dem Leibesleben, im Zusammenwirken des Geistigen mit dem Leiblichen und mit dem Seelischen, man lernt es erkennen in seinem innerlichen plastischen Aufbauen, in seinem fortwährenden Ablöschen, Abbrennen durch das Willenselement. Und indem man so jeden einzelnen Augenblick des Lebens verstehen lernt, lernt man in diesen Strömen des Lebens dasjenige erfassen, was die großen Lebensfragen sind. Man lernt aus den Gedanken heraus erkennen, was durch die Geburt in das physische Erdenleben einzieht, man lernt aus dem Willen heraus erkennen, was durch den Tod des Menschen in die geistige Welt hinauszieht

lijkt op de plastiek die ooit in de diepere lagen gevormd heeft, wat in die lagen in een bepaalde vorm leven kan. Dat leeft in de plastiek die nu de gedachte gevormd heeft.
U ziet dat het zielenleven op deze manier doorzichtig wordt, je leert kennen hoe hetsamenwerkt met het lichamelijke, met het geestelijke met het etherische en met het zielsmatige, je leert het kennen in zijn innerlijk plastisch opbouwen, in zijn voortdurend vergaan, opbranden door het wilselement. En wanneer je op deze manier ieder ogenblik in het leven leert kennen, leer je in dit stromen van het leven datgene kennen wat de grote levensvragen zijn. Je leert uit de gedachten kennen wat door de geboorte in het fysieke aardeleven binnentreedt, je leert uit de wil kennen wat door de dood van de mens naar de geestelijke wereld gaat.

So treten die anthroposophischen Forschungsergebnisse wie etwas auf, das von den Einzelheiten des Lebens zu dem Umfassenden des menschlichen rätselvollen Seelenwesens vordringt.
In dieser Art, indem wir erkennen, wie schon in der gewöhnlichen Erinnerung der Gedanke plastisch wirkt, wie wenn irgend etwas im Leibe gestaltet wird, erfahren wir auch, wie dasjenige, was noch nicht im Leibe ist, aber mit dem Leib sich verbindet durch Geburt und Konzeption, wie das plastisch eingreift in den Leib.
Wir lernen das menschliche Lebenselement in dieser plastischen Gestaltung kennen, weil wir das einzelne plastische Element kennenlernen, das schon in der Gestaltung der Erinnerung auftritt. Lebensvoll möchte Anthroposophie zu den Seelenrätseln hinblicken! Das sollte überhaupt als das Wesentliche anthroposophischer Forschung aufgefaßt werden: daß sie überall durchaus stehen bleibt bei der wissenschaftlichen Gewissenhaftigkeit, zu der man sich heute heranerzogen hat durch die großen, gewaltigen Fortschritte der äußeren Naturwissenschaft, daß sie aber, indem sie bei dieser Gewissenhaftigkeit stehenbleibt, zu gleicher Zeit hinausschreitet über das, was die bloße äußere Beobachtung, das bloße

Zo vertonen de antroposofische onderzoeksresultaten iets van wat uit de losstaande dingen in het leven doordringt tot het omvattende raadselachtige zielenleven van de mens.
Als we op deze manier leren hoe al bij de gewone herinnering de gedachte plastisch werkt, hoe wanneer er iets in het lichaam vormt krijgt, we ook ervaren wat nog niet in het lichaam zit, maar zich met het lichaan verbindt door geboorte en conceptie, hoe dat plastisch ingrijpt in het lichaam. We leren het menselijke levenselement in deze plastische vormgeving kennen, omdat we het losstaande plastische element leren kennen dat al in de vorming van de herinnering optreedt.
Vol leven zou de antroposofie naar de raadsels van de ziel willen kijken! Dat zou zeer zeker als het meest wezenlijke van het antroposofisch onderzoek opgevat moeten worden: dat zij overal stil blijft staan bij het wetenschappelijk gewetensvolle, waartoe men zich heeft ontwikkeld door de grote, geweldige vooruitgang van de uiterlijke natuurwetenschap, dat zij echter, als zij bij deze gewetensernst stil blijft staan, tegelijkertijd verdergaat naar dan wat de pure uiterlijke waarneming, het pure

Blz. 106

äußere Experiment darbieten kann, daß sie fortschreitet von den Fähigkeiten, welche gerade durch ihr besonderes Vorhandensein die menschliche Seele für den Menschen selbst zu einem rätselvollen Wesen machen, daß sie durch eine Ausbildung dieser Fähigkeiten dahin führt, daß diese Seelenrätsel nicht theoretisch, aber praktischgelöst werden.
Man braucht nicht zu fürchten, daß derjenige, der auf dem Gesichtspunkt einer solchen sogenannten Lösung der Seelenrätselfragen steht, etwa eines Tages wie eine vollendete Sache, wie eine vollendete Erkenntnis dasjenige hinstellen möchte, was die Seelenrätsel löst, so daß dann die Seele in Trägheit, in Lässigkeit gegenüber ihrem eigenen Leben verfallen könnte. Nein, die Seele wirft diejenigen Rätsel, die ich heute als die lebendigen, als die erlebten Seelenrätsel angeführt habe, in jedem Augenblick des Lebens auf, und in jedem Augenblick des Lebens brauchen wir neuerdings die Ergebnisse geistiger Forschung, welche ausgleichend wirken auf dasjenige, was so rätselvoll aus den dunklen Tiefen der Seele aufsteigt.

uiterlijke experiment kan laten zien, dat dit verdergaat dan de vaardigheden die juist doordat ze op een bijzondere manier aanwezig zijn, de menselijke ziel voor de mens zelf tot een raadselachtig iets maken, dat de antroposofie door ontwikkeling van deze vaardigheden ertoe komt dat deze zielenraadesl niet theoretisch, maar praktisch opgelost worden.
Je hoeft niet bang te zijn dat degene die met een bepaalde blikrichting naar de oplossing van zielenraadsels kijkt, op een dag, alsof het een uitgemaakte zaak is, de volledige kennis poneert die die raadsels oplossen, met het gevolg dat de ziel dan wat het eigen leven betreft, sloom wordt, een houding krijgt van ‘laat maar’.  Nee de ziel werpt die raadsels die ik vandaag als de levende, als de beleefbare zielenraadsel naar voren heb gebracht, op ieder ogenblik van het leven op en op ieder ogenblik van het leven hebben we steeds weer de resultaten nodig van geestelijk onderzoek die oplossend werken bij wat zo raadselachtig uit de dondere diepten van de ziel opstijgt.

Was ich die ängstliche, was ich die zornmütige Unterströmung des menschlichen Seelenlebens genannt habe, es ist nichts anderes, als die innerliche Aufforderung der menschlichen Seele, sich nicht als selbstverständlich hinzunehmen, sondern sich in vollem fortwährendem Erleben so hinzunehmen, daß sich diese
menschliche Seele fortwährend ein Rätsel ist, daß sie fortwährend die Lösung dieses Rätsels braucht. Und eine solche fortwährende Lösung des Rätsels der Seele möchte eben gerade anthroposophische Forschung darbieten, so anknüpfend an die Wirklichkeit des Daseins, daß man – wenn ich einen trivialen Vergleich gebrauchen darf – sagen kann: So wie der Mensch in seinem physischen Leben ein Wesen ist, das fortwährend Nahrung zu sich nehmen muß, das
nicht mit dem einmaligen Nahrung-zu-sich-Nehmen befriedigt sein kann, weil es diese Nahrung verbraucht, weil es diese Nahrung verbindet mit seinem Lebensprozeß, so ist es mit dem, was uns durch Anthroposophie als Ergebnis der Seelenrätsel dargeboten wird. Es entschwindet uns seine innerliche intensive Wirksamkeit, wenn wir es nicht fortwährend ins Auge fassen, wenn wir nicht fortwährend

Wat ik de angstige, de verontrustende onderstroom van het menselijk zielenleven heb genoemd, is niet anders dan de innerlijke oproep van de menselijke ziel dat niet als vanzelfsprekend te accepteren, maar te accepteren in het voortdurende volle besef dat de menselijke ziel voortdurend een raadsel voor is, dat zij voortdurend de oplossing van dit raadsel nodig heeft. En een dergelijke voortdurende oplossing van het raadsel van de ziel wil nu juist het antroposofisch onderzoek aanreiken, zo aanknopend bij de werkelijkheid van het bestaan, dat je nu – wanneer ik een triviale vergelijking mag gebruiken – zeggen kan: zoals de mens in zijn aardse leven een wezen is dat voortdurend voedsel tot zich moet nemen, dat niet met een eenmalige voeding tot zich nemen voldaan kan zijn, omdat het deze voeding verbruikt, omdat het deze voeding verbindt met zijn levensproces, zo is het met wat ons door het resultaat van de antroposofie voor de zielenraadsel geboden wordt. Er gaat voor ons een intensieve werking verloren wanneer wij dit niet meer voortdurend op het oog hebben, wanneer wij niet voortdurend

Blz. 107

fortschreiten. Weil wir es auf diesem Gebiet mit einer Wirklichkeit
zu tun haben, nicht mit einer Theorie, die man lernen und
gedächtnismäßig behalten kann, so wie bei der Wirklichkeit des
Sich-Ernährens, deshalb hat man es zu tun mit etwas, das aus Anthroposophie in den fortwährenden Lebensprozeß eindringen muß.
Und es ist ja auch so. Der Mensch wird nämlich folgendes gewahr werden, gerade wenn er sich mit den Ergebnissen der Anthroposophie in bezug auf die eigenen Seelenrätsel befaßt: Lernen – so sonderbar das klingt, es ist eine Wahrheit, die jeder, der sich mit Anthroposophie befaßt, gerade mit Bezug auf die Seelenrätsel erfahren kann -, lernen kann man im Grunde genommen die Anthroposophie nicht; man kann ihre Ergebnisse an sich herantreten lassen, man kann Bücher lesen, Vorträge hören; aber wenn man nicht fortwährend dasjenige erlebt, was man so aufgenommen hat, wennman nicht in einem fortdauernden Prozeß – so wie man die leiblichen Stoffe der Außenwelt durch den Ernährungs- und Stoffwechselvorgang fortwährend mit den leiblichen Prozessen verbindet – Anthroposophie befaßt, gerade mit Bezug auf die Seelenrätsel erfahren kann -, lernen kann man im Grunde genommen die Anthroposophie nicht; man kann ihre Ergebnisse an sich herantreten lassen, man kann Bücher lesen, Vorträge hören; aber wenn man nichtfortwährend dasjenige erlebt, was man so aufgenommen hat, wennman nicht in einem fortdauernden Prozeß – so wie man die leiblichen Stoffe der Außenwelt durch den Ernährungs- und Stoffwechselvorgang fortwährend mit den leiblichen Prozessen verbindet –

verderkomen. Omdat we op dit gebied met een werkelijkheid te maken hebben, niet met een theorie die je leren kan en dan onthouden, zoals bij de werkelijkheid van het zich voeden, heb je te maken met iets dat vanuit de antroposofie in het voortgaande levensproces moet binnendringen.
En dat is dus ook zo. De mens zal namelijk het volgende gewaarworden, juist wanneer hij zich met de resultaten van de antroposofie wat betreft de eigen zielenraadsels bezighoudt: dat – hoe wonderlijk dat ook klinkt, maar het is een waarheid die ieder die zich met antroposofie bezighoudt, juist met het oog op de zielenraadsels, kan ervaren – in de grond genomen kun je antroposofie niet leren; je kan de resultaten ervan op je laten inwerken, je kan boeken lezen, voordrachten horen, maar wanneer je niet voortdurend beleeft wat je op die manier in je opgenomen hebt, wanneer je niet in een voortdurend proces – zoals je de lichamelijke stoffen van de buitenwereld door de voedings- en stofwisselingsprocessen voortdurend met je lichamelijke processen verbindt –

dasjenige mit der menschlichen Seele, mit dem seelischen Prozeß verbindet, was in Anthroposophie dargeboten wird, so wird man sehen, daß es seine Bedeutung für das Seelische verliert, wie das Physische seine Bedeutung für die Leiblichkeit verliert, wenn es nicht fortwährend in diese Leiblichkeit eingeführt wird. Und wie sich leiblich in dem Hunger und Durst das NichtVorhandensein der physischen Nahrung ausspricht, so spricht sich in einem aus den Tiefen der Seele heraufdringenden ängstlichen und krankhaft-zornmütigen Wesen das aus, was durch eine wirkliche Erkenntnis der geistigen Bedeutung des Vorstellungs- und des Willenslebens beeinflußt sein will. Und dringt der Mensch dadurch vor, daß er in seinem Bewußtsein das immer hegen kann wie eine Nahrung seiner Seele, was ihm so die anthroposophische Forschung gibt, dannfindet er, was er als Gleichgewicht seines Seelenlebens braucht, was er als eine fortwährende lebendige Lösung der auch fortwährend lebendigen Seelenrätsel empfinden und erleben muß. Und immer wieder muß es gesagt werden: Obwohl dadurch, daß man das, was in den genannten Büchern ausgeführt ist, an sich herphysischen Nahrung ausspricht, so spricht sich in einem aus den Tiefen der Seele heraufdringenden ängstlichen und krankhaft-zornmütigen Wesen das aus, was durch eine wirkliche Erkenntnis der geistigen Bedeutung des Vorstellungs- und des Willenslebens beeinflußt sein will. Und dringt der Mensch dadurch vor, daß er in seinem Bewußtsein das immer hegen kann wie eine Nahrung seiner Seele, was ihm so die anthroposophische Forschung gibt, dannfindet er, was er als Gleichgewicht seines Seelenlebens braucht, was er als eine fortwährende lebendige Lösung der auch fortwährend lebendigen Seelenrätsel empfinden und erleben muß. Und immer wieder muß es gesagt werden: Obwohl dadurch, daß
man das, was in den genannten Büchern ausgeführt ist, an sich her

met de menselijke ziel, met het zielenproces verbindt, wat in antroposofie gegeven wordt, dan zal je zien dat het zijn betekenis voor de ziel verliest, zoals het fysieke zijn betekenis voor het lichamelijke verliest, wanneer het niet voortdurende in deze lichamelijkheid binnengebracht wordt. En zoals zich lichamelijk in honger en dorst het niet aanwezig zijn van fysiek voedsel zich uitspreekt, zo spreekt zich bij iemand in het naar bovenkomen van dit angstig, ziekelijk-opspelende wezen vanuit het diepst van zijn ziel uit wat door een echte kennis van de geestelijke betekenis van het voorstellings- en wilsleven beïnvloed wil worden. En komt de mens zo ver dat hij steeds als voedsel voor zijn ziel in zijn bewustzijn kan koesteren wat antroposofisch onderzoek hem geeft, dan vindt hij wat hij als tegenwicht in zijn zielenleven nodig heeft, wat hij als een voordtdurende levendige oplossing van de ook steeds levendige zielenraadsel ervaren en beleven moet.
En steeds weer moet worden gezegd: hoewel je door wat in de genoemde boeken uiteengezet is, in je op te nemen

Blz. 108

antreten läßt und prüft, man sich auf den Weg selbständiger anthroposophischer Forschung begeben kann, ist Anthroposophie nicht darauf angewiesen, daß jeder Mensch auf diesem Weg nachprüfen kann, was in Anthroposophie dargeboten ist. Auch wenn man das nicht tut, kann man trotzdem mit dem gesunden Menschenverstand das, was in der Anthroposophie zutage tritt, vernünftig oder unvernünftig finden. Der Mensch kann mit seinem gesunden Menschenverstand, ohne daß er selbst anthroposophischer Forscher wird,nverfolgen, was der anthroposophische Forscher behauptet. Aber außer diesem gesunden Menschenverstand hat der Mensch noch etwas. Der Mensch kennt ja auch nicht, wenn er ein Laie ist aufphysiologischem oder biologischem Gebiet, die chemische Zusammensetzung seiner Nahrungsmittel; aber er prüft, was die Nahrungsmittel für den Menschen in Wahrheit sind, indem er sie genießt, indem er die Kräfte mit den Kräften seiner Leibesprozesse verbindet.

en te onderzoeken, je je op de weg van zelfstandig antroposofisch onderzoek kan begeven, is antroposofie er niet op aangewezen dat ieder mens langs deze weg bewijzen kan wat in de antroposofie geboden wordt. Ook wanneer je dat niet doet, kan je ondanks dat met het gezonde mensenverstand dat wat in de antroposofie aan het licht komt, verstandig of onverstandig vinden. De mens kan met zijn gezonde mensenverstand zonder dat hij zelf antroposofisch onderzoeker wordt, volgen wat de antroposofische onderzoeker beweert. Maar buiten dit gezonde mensenverstand heeft de mens nog iets. De mens kent dus ook niet wanneer hij een leek is op fysiologisch of biologisch gebied, de chemische samenstelling van zijn voedingsmiddelen, maar hij ervaart wat de voedingsmiddelen voor de mens in waarheid zijn, wanneer hij ervan geniet, wanneer de krachten van het voedsel door zijn lichaamsprocessen worden opgenomen.

So kann er das, was ihm Anthroposophie an Ergebnissen darbietet, wovon sie zeigt, wie es die Seelenrätsel löst, mit seinem Seelenleben vereinigen, und er wird finden: es sättigt ihn seelisch. Und was sind im Grunde genommen vor diesem anthroposophi­schen Forum Seelenrätsel? Seelenrätsel, in ihrer Lebendigkeit er­faßt, sind nichts anderes als dem Ausdruck des seelisch-geistigen Hungers und des seelisch-geistigen Durstes. Und die Lösung der Seelenrätsel ist im Grunde genommen nichts anderes als Aufnahme wahrhaftiger geistiger Inhalte, wahrhaftiger geistigem Wesenheiten, die sich vereinigen mit dem menschlichen Geiste und mit dem menschlichen Seelenleben. Und so, möchte ich sagen, ist geistige Sättigung, die fortwährend sich wiederholen muß, Lösung der See­lenrätsel Je lebendiger man den Prozeß faßt und je mehr man ein­sieht, wie Anthroposophie durchaus in das praktische Leben hin-eingreifen will in jedem Punkte, wie sie im Allemalltäglichsten Wur­zel fassen und hinaufgelangen will zu den großen Rätselfragen des Daseins, indem sie den Menschen in den göttlich-geistigen Urgrund des Daseins einführt, indem sie ihn zu seinem Unsterblichen führt, desto mehr wird man einsehen, daß Anthroposophie nicht Theorie sein kann, sondern etwas durchaus Erlebbares.

Zo kan hij de resultaten van de antroposofie die tonen hoe de raadsels van de ziel op te lossen zijn, in zijn eigen ziel opnemen en hij zal merken dat dit een tevreden gevoel geeft. Wat zijn nu eigenlijk, antroposofisch gezien, zielenraadsels? Zielenraadsels, opgevat als hoe ze zich in het leven manifesteren, zijn niets anders dan de uitdrukking van de honger en dorst die ziel en gees ervarent. En de oplossing ervan  is in de aard der zaak niets anders dan het opnemen van waarachtige geestelijke inhouden, waarachtige geestelijke wezenlijke dingen waarmee de menselijke geest en de menselijke ziel zich verbindt. En op deze manier is geestelijke voldoening die er wel telkens moet zijn, de oplossing van de zielenraadsels. Hoe levendiger je dat proces opvat en hoe meer je inziet hoe de antroposofie in het praktische leven  op ieder punt ten volle van invloed wil zijn, hoe ze in het meest alledaagse wil wortelen en tot de grote raadselvragen van het bestaan wil komen, door de mens in de goddelijk-geestelijke oergrond van het bestaan binnen te leiden, door hem bij zijn onsterelijkheid te brengen, des te meer zal je inzien dat antroposofie geen theorie kan zijn, maar alleen iets, wat je kan beleven.

Blz. 109

Von diesem Gesichtspunkt aus versucht Anthroposophie in die verschiedensten praktischen Gebiete des Lebens hineinzuwirken; von diesem Gesichtspunkt aus hat sie versucht, zu gestalten, was ich hier öfter dargstellt habe als die Begründung unserer Waldorf-Schu­le durch Emil Molt, also etwas, was auf praktisch sozialem Gebiete getan wird.
Anthroposophie löst, wie Sie sehen, die Seelenrätsel, indem sie an den ganzen lebendigen Menschen, an Leib, Seele und Geistes­menschen sich wendet. Dadurch überwindet sie die Einseitigkeiten desjenigen Erkennens und Seelenlebens, das notwendigerweise her­aufziehen mußte mit den auf ihrem Gebiet voll anerkannten Ergeb­nissen der neueren Naturwissenschaft, die durchaus als Triumph auch von der Anthroposophie eingesehen werden.
Aber man müßte so etwas beachten – und man würde es beach­ten, wenn Anthroposophie nicht noch so mißverstanden würde -, wie es sich zum Beispiel während des verflossenen Sommers hier in Stuttgart auf dem anthroposophischen Kongreß zugetragen hat, wo von Dr. von Heydebrand aus der Waldorf-Pädagogik heraus in ei­nem Vortrag, der auch gedruckt vorliegt, gerade die Einseitigkeiten der bloß äußerlich experimentellen Seelenkunde dargelegt worden sind.

Vanuit dit gezichtspunt probeert antroposofie op de meest verschillende praktische terreinen van het leven van invloed te zijn; vanuit dit gezichtspunt heeft ze geprobererd, vorm te geven aan wat ik hier vaker uiteengezet heb als de stichting van onze Waldorfschool door Emil Molt, dus iets wat op praktisch sociaal gebied gedaan kan worden.
Antroposofie lost, zoals u ziet, de zielenraadsels op omdat ze op de hele levende mens, op lichaam, ziel en geestmens georiënteerd is. Daardoor overwint ze de eenzijdigheden van het denken en voelen dat noodzakelijkerwijshet gevolg was van de op haar gebied vol erkende resultaten van de nieuwste natuurwetenschap die ook zeker door de antroposofie als triompf worden gezien.
Maar zoiets zou men moeten zien – en dat zou men ook zien als de antroposofie niet nog zo verkeerd begrepen zou worden – zoals bijv. gedurende de afgelopen zomer hier in Stuttgart op het antroposofische congresbleek, toen Dr. von Heydebrand vanuit de vrijeschoolpedagogiek een voordracht hield die ook in druk verschenen is, en daarin met name de eenzijdigheden van de alleen uiterlijke experimentele psycholgie onder de aandacht bracht.

Nicht weil gegen diese experimentelle Seelenkunde oppositio­nell vorgegangen werden soll – sie wird gerade auf ihrem Gebiete mit ihren Ergebnissen in der richtigen Weise gewürdigt werden können, wenn man auf der anderen Seite das, was so äußerlich erkundet wird, mit dem durchdringen kann, was geistig-seelisch durch Anthroposophie erreicht werden kann. Denn durch Anthro­posophie wird dasjenige, was in das Leiblich-Körperliche des Men­schen geistig-seelisch, aus geistig-seelischen Welten heraus wirkt, begriffen. Dadurch aber kann auch alle äußere Forschung belebt werden, kann belebt werden Pädagogik, kann belebt werden Medi­zin – auch das ist hier in früheren Vorträgen auseinandergesetzt worden -, und kann belebt werden auch das soziale Leben.
Auch da möchte ich hinweisen auf ein schönes Beispiel in dem Vortrag, den Emil Leinhas auf dem genannten Kongreß gehalten hat – der auch hier gedruckt vorliegt -, der darlegt, was die aus bloß

Niet dat tegen deze experimentele psycholgie gefulmineerd zou moeten worden – ze zou m.n. op haar gebied met haar resultaten op de juiste manier naar waarde geschat kunnen worden, terwijl je aan de andere kant dat wat zo uiterlijk verkondigd wordt, zou kunnen doordringen met iets van wat op het gebied van geest en ziel uit de antroposofie zou kunnen komen. Want door antroposofie wordt datgene begrepen wat in het levend-fysieke van de mens geestelijk, psychisch, uit de werelden van geest en ziel doorwerkt. Daardoor kan echter het uiterlijke onderzoek impulsen krijgen, kan de pedagogie geïmpulseerd worden, ook de geneeskunst – en ook het sociale leven kan impulsen krijgen.
Ook daarvoor zou ik naar een mooi voorbeeld willen verwijzen, naar de voordracht die Emil Leinhaus op het genoemde congres heeft gehouden – die ook hier gedrukt ligt – 

Blz. 110

nachgebildeten naturwissenschaftlichen Methoden heraus entstan­dene Nationalökonomie nicht leisten kann. Hier ist ein Anfang ge­macht für eine wirkliche aus dem Geistig-Seelischen heraus­kommende Gesundung des sozialen Lebens. Und woran liegt denn das zuletzt?
Man sieht durch Anthroposophie ein, wie der Gedanke gestal­tend wirkt. Nun, er wirkt nicht nur im menschlichen Leib gestal­tend als das Seelisch-Geistige, er wirkt auch gestaltend, wenn wir ihn in der richtigen Weise als soziale Ideale in das menschliche Gesellschaftsleben einführen können, und es wirkt der durch­schaute Wille in der richtigen Weise auch in sozialer Beziehung. Denn wie durch ihn, wie wir wissen, das menschliche Leibliche auf­gelöst, einer gewissen Verbrennung entgegengeführt wird, so wird dasjenige, was als durchschautes Willenselement in das soziale Le­ben richtig eingeführt wird, im richtigen Augenblick erkennen, wo irgendeine Einrichtung sich überlebt hat, verschwinden muß, damit gerade ihre Früchte in einer neuen Gestalt aufleben können. So wie das Geistig-Seelische aus dem Abbauen des Leiblichen in der darge­stellten Weise sich erhebt, so erheben sich die höheren Gebilde des sozialen Lebens dadurch, daß gewisse äußere Einrichtungen, die sich überlebt haben, verschwinden, daß dieses Verschwinden zusammenwirkt mit dem Plastisch-Aufbauenden. Hinausfließen in das soziale Leben kann, ich möchte sagen auch die Frage der sozia­len Rätsel lösend, dasjenige, was in dem richtigen anthroposophi­schen Erfassen der menschlichen Seelenrätsel durchschaut wird.

die weergeeft wat de nationele economie die volgens natuurwetenschappelijke methoden ingericht is, niet voor elkaar kan krijgen. Hier is een begin gemaakt met het gezond worden van het sociale leven vanuit gezichtspunten van geest en ziel. En waar ligt dat uiteindelijk aan?
Door antroposofie zie je in hoe de gedachte vormend werkt. Die werkt niet alleen vormend in het menselijk lichaam als iets psychisch-spiritueel, die werkt ook vormgevend wanneer we die op de juiste manier als sociale idealen in de het menselijk maatschappelijk leven kunnen invoeren en de wil die we hebben leren kennen, werkt ook op de juiste manier in sociaal opzicht. Want hoe door deze, zoals we weten, het menselijk lichamelijke opgelost wordt, een soort verbranding ondergaat, zo wordt wat als begrepen wilselement in het sociale leven op een goede manier ingevoerd wordt, op het juiste ogenblik een weten waar een of andere instelling zich overleefd heeft, moet verdwijnen, zodat juist haar vruchten in een nieuwe gedaante kunnen opleven. Zoals het psychisch-spirituele vanuit de afbraak van het lichamelijke ontstaat zoals uiteengezet, zo ontstaan de hogere vormen van het sociale leven doordat bepaalde uiterlijke instellingen die niet meer aan de tijd zijn, verdwijnen en dat dit verdwijnen samenwerkt met het plastisch-opbouwende. Wanneer wat met de juiste antroposofische opvatting van de menselijke zielenraadsels doorzichtig wordt doorwerkt in het sociale leven, kunnen ook de socialevraagstukken opgelost worden.

Dadurch aber kommt der Mensch dazu – lassen Sie mich das zum Schluß aussprechen -, sich selbst in der richtigen Weise zu erfassen, sich zu erfüllen mit rechter innerer Kraft, mit der wahren Kraft seines wirklichen Ich, das im menschlichen Gefühl, im menschlichen Gemüt lebt. Zwischen dem Vorstellungsleben, zwi­schen dem Willensleben, da lebt das immer unbegreifbare, immer unfaßbare, aber deshalb nicht weniger erlebbare Gefühlsleben des Menschen; und in diesem Gefühlswesen enthüllt sich für den, der so das Leben anzuschauen vermag, wie ich es heute charakterisiert habe in bezug auf die Seelenrätsel, das ewige Ich, das durch wiederholte

Daardoor komt de mens ertoe – mag ik dat tot slot uitspreken -dat hij zichzelf op de juiste manier leert kennen, zich te beleven met de juiste innerlijke kracht, met de ware kracht van zijn werkelijke Ik dat in het menselijke gevoel, in het menselijke gemoed leeft. Tussen het voorstellingsleven en tussen het wilsleven leeft het altijd onbegrijpelijke, steeds niet te vatten, maar daarom niet minder beleefbare gevoelsleven van de mens en in dit gevoelsleven wordt voor degene die zo het leven kan overzien zoals ik het vandaag gekarakteriseerd heb m.b.t. de raadsels van de ziel, het eeuwige ik zichtbaar dat door herhaalde

Blz. 111

Erdenleben geht. Dann weiß man zusammenzuschauen plastisch-gestaltendes, entwickeltes Vorstellungsleben und durch­geistigtes Willensleben, das abbaut.
So lernt man am Menschen ergreifen, was durch die Geburt oder Konzeption so in den Menschen hemeingegangen ist, daß es zu­nächst auf frühere Erdenleben zurückweist bis zu dem Zustand, wo in aller Urzeit das äußere kosmische Leben so wenig getrennt war von dem inneren Menschenleben, daß es keiner wiederholten Er­denleben, sondern eines kontinuierlich fortschreitenden, geistig-seelisch-natürlichen Lebens bedurfte, um eben den Fortschritt zu bewirken. Man lernt hinschauen auf wiederholte Erdenleben, auf zwischen ihnen liegende geistig-seelische Leben, man lernt hin­schauen in die Zukunft bis zu einem Zustand, wo wiederum der Mensch sich so verbunden haben wird mit dem Geistigen, daß die wiederholten Erdenleben ihren Sinn verlieren – indem der Mensch sich erhebt zu der Vergeistigung seines Daseins, ich möchte sagen mit einem aus dem bloßen Unlebendigen in die Geistigkeit hin­strebenden Erleben sich erhebt.

aardelevens gaat. Dan ben je in staat om als een eenheid waar te nemen het plastisch vormende, ontwikkelde voorstellingsleven en het doorgeestelijkte wilsleven dat afbreekt.
Zo leer je van de mens begrijpen, wat door de geboorte of conceptie zo in de mens gekomen is, dat het allereerst terugwijst op eerdere levens op aarde tot aan de toestand waar in de oer-oertijd het uiterlijk kosmische leven zo weinig gescheiden was van het innerlijke mensenleven dat het geen herhaald aardeleven nodig had, maar een doorlopend geestelijk-zielsmatig-natuurlijk leven om de ontwikkeling te veroorzaken. Je leert kijken naar de herhaalde aardelevens, naar het geestelijk-zielenleven dat daar tussen ligt, je leert naar de toekomst kijken tot aan de toestand waarin de mens zich weer zo met de geest verbonden zal hebben dat de zich herhalende aardelevens hun zin verliezen – wanneer de mens zich verheft tot de vergeestelijking van zijn bestaan, ik zou willen zeggen met een uit het alleen maar levenloze in de geestelijkheid strevende beleven zich verheft. Zich verheft uit wat alleen nog maar iets doods leek in een doorleefd streven naar de gees.t

Man wird durch die Lösung der Seelenrätsel zu der wahren Lö­sung der Weltenrätsel geführt; man steigt auf zu der menschlichen Seele, zum Kosmos. Dadurch aber erlangt man lebendiges Wissen, lebendige Erkenntnis, die, wie ich eben schon angedeutet habe, gei­stige Nahrung ist. Dadurch aber wird ein Wissen, wie es von der Anthroposophie dargeboten werden will, zu einem wirklichen in­neren Halt der Seele in demjenigen Element, in dem das Leben schwankend werden will. Lebenssicherheit, Lebenshalt, Lebens-orientierung, die findet man, indem man also die geistige Sättigung der Anthroposophie sucht. Dasjenige, was uns heimlich jauchzend machen will, in dem wir uns verlieren könnten, das bringt uns Anthroposophie zu uns selbst zurück, indem sie das verwandelt in inneren Halt, indem sie unserem innerlichen Gleichgewicht einen inneren Schwerpunkt verleiht. Und ebenso können wir uns in den schweren Augenblicken des Lebens, wenn wir oftmals im Unglück zu versinken drohen, einen Halt verschaffen durch eine Seelenstim­mung, die innerlich getragen wird von dem Vollbewußtsein der den

Door de oplossing van de zielenraadsels word je tot de echte oplossing van de wereldraadses gebracht; je komt dichter bij de menselijke ziel, bij de kosmos. Daardoor echter wordt je kennis levende kennis die geestelijke voeding is. Daardoor echter wordt een weten zoals dat door de antroposofie gegeven wil worden, tot een werkelijk innerlijk houvast in de ziel in het element waarin het leven onzeker gaat worden. Zekerheid in het leven, grip op het leven, je in het leven kunnen oriënteren, vind je wanneer je de antroposofie zoekt die je innerlijk voldoening kan geven. Bij wat ons stil doet juichen, of waarin we ons zouden kunnen verliezen brengt de antroposofie ons bij onszelf terug door dit om te werken naar innerlijke zekerheid wanneer zij ons innerlijk evenwicht een innerlijke zwaartepunt geeft. En net zo kunnen we in de moeilijke ogenblikken van het leven, wanner wij vaak in ongeluk dreigen te verzinken, steun hebben aan een zielenstemming die innerlijk gedragen wordt door het volle bewustzijn dat de

Blz. 112

Menschen erfüllenden Geistigkeit, wenn wir uns dessen voll be­wußt werden, daß das Gedankenleben kein nichtiges ist, daß es in der plastisch gestaltenden Welt- und Seelenkraft die Realität finden kann und daß der Wille dasjenige ist, was diese plastische Ausge­staltung der Seelenkraft immer wieder zum Geiste zurückbringt. Das gibt Halt in den schweren Augenblicken des Lebens, das stellt das Leben auf einen festen Boden, das führt auch in der richtigen Weise zu dem Ende des Lebens hin.
Und so können wir hier, in Anlehnung an das heute Gesagte, an den Ausspruch eines alten griechischen, vorsokratischen Weisen erinnert werden, der aus einer erst ahnungsvollen Erkenntnis her­aus das gewichtige Wort spricht: «Wenn die menschliche Seele, vom Leibe befreit, in den freien Äther sich aufschwingt, ist ein unsterb­licher Geist sie, vom Tode befreit.» Ja, man kann durch wirkliche Wissenschaft die Rätsel der Seele lösen. Man kann zu dieser Überzeugung kommen, indem man das, was das alltägliche Seelenleben an Rätselvollem darbietet, zu lösen versucht durch ein wirkliches geistiges Schauen. Man kann einen Erkenntnisabglanz der Unsterblichkeit sehen in den gewöhnlichen Ereignissen des Lebens. Und wer in der richtigen Weise die ein­zelne Gedanken-, die einzelne Gefühls-, die einzelne Willens-Ent­faltung beurteilen kann, der sieht das Unsterbliche schon in ihnen, und der blickt dann auf zu der Unsterblichkeit im umfassenden Sin­ne und kommt dadurch zu einem wirklichen Erfassen des Ewigen in der Menschennatur, das im ewigen Daseinsgrund des Kosmos, der Weltenentwicklung, wurzelt.

het gedachteleven niet zomaar iets is, maar dat het in de plastisch-vormende wereld- en zielenkracht de werkelijkheid kan vinden en dat de wil datgene is wat deze plastische vormgeving van de zielenkracht steeds weer naar de geest terugbrengt. Dat geeft houvast in de moeilijke ogenblikken van het leven, dat geeft het leven een vaste grond, dat leidt ook op een goede manier naar het einde van het leven.
En zo kunnen wij hier, aanknopend bij wat al gezegd is, aan de uitspraak van een oude Griekse voor-socratische wijze herinnerd worden die uit een eerste voorvoelend weten het belangrijke woord spreekt: Wanneer de menselijke ziel, van het lichaam bevrijd, in de vrije ether zich omhoog beweegt, is het een onsterfelijke geest die haar van de dood bevrijd.’ Ja, je kan door een echte wetenschap de raadsels van de ziel oplossen. je kan tot deze overtuiging komen, wanneer je dat wat het alledaagse zielenleven aan raadselvols opgeeft, probeert op te lossen door een werkelijk geestelijk schouwen. Je kan een glans van de kennis van de onsterfelijkheid zien in de gewone gebeurtenissen van het leven. En wie op de juiste manier de losse gedachten – die losse gevoelkennis- die losse wilsontplooiing kan beoordelen die ziet het onsterfelijke al daarin en die ziet dan de onsterfelijkheid in een omvattende zin en komt daardoor tot een werkelijk begrijpen van het eeuwige in de mensennatuur dat in de eeuwige zijnsgrond van de kosmos, de wereldontwikkeling wortelt.

VRIJESCHOOL – 7e klas – boetseren (1-4)

.

Wolfgang Stammen, Liechtensteinische Waldorfschule, 20-03-2020

.
BOETSEREN IN EEN 7E KLAS

.

Wij zijn lang bezig geweest met het thema Robin Hood. We werken aan marionetten en nu maken we de boogschutter van Antoine Bourdelle als kleiwerk en bedoeld als tussenoefening.

In het verhaal van Roin Hood gaat het in de eerste plaats om het zoeken naar evenwicht. Robin, die ten onrechte vervolgd wordt, vindt de zin van zijn bestaan in het geven van geld aan de armen dat hij bij de rijken weghaalt. Dat is een verrassend voorbeeld voor wat onevenwichtig is in de wereld en dat probeert Robin te vereffenen.

Door het hele verhaal gaat het steeds weer om het evenwicht. Robin vindt zijn eerste vriend in de jongen die hem uit zijn evenwicht brengt, terwijl Robin over een boom balancerend die over een stroom ligt. Hij ziet dat de ander een goed evenwichtsgevoel heeft en daardoor vertrouwt hij hem en neemt hem als een van zijn eerste vrienden op met wie hij in het bos leeft.

In de 7e klas zijn de leerlingen zo vitaal en staan nog zo dicht bij het beweeglijke van het kind en tegelijkertijd aan het begin van de puberteit waarin zo veel definitief verloren gaat. Alles komt uit het evenwicht!

Ën Robin én de boogschutter van Bourdell die we geboetseerd hebben, kunnen voor de leerling een richtsnoer zijn voor in de puberteit waarin je zo vaakop de proef gesteld wordt.|

De leerlingen konden zich heel goed met het werk verbinden dat voor de meesten toch een grote kunstzinnige uitdaging was.

Ieders resultaat is het aanzien meer dan waard en voor mij was het werken met deze leeftijd heel intens en bijzonder.

In de evenwichtszin beleven we ook onze zin voor rechtvaardigheid. Wanneer die niet goed gevormd is, valt het ons moeilijk om onrechtvaardigheid te ervaren. Die te willen vereffenen zit dan niet in onze beleving en komt er niet uit.

.

7e klas: alle artikelen

Boetseren: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 7e klas

.

2342

Wat op deze blog staat