Maandelijks archief: september 2013

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (19)

November tussen twee grote jaarfeesten

november grensgebied

Met de feesttijd van Michaël sluit de kring van jaarfeesten af. De hele maand oktober wordt nog overstraald door een gouden licht. Het glanst ons tegemoet door de glinsterende dauwdruppls op de kunstig geweven spinnenwebben in de vroege morgen. Ook door de bomen waarvan het loof steeds meer gaat verkleuren. Het wuivende, ritselende ­gewaad van bladeren, altijd in beweging, vlamt nog één maal op in warme, zonnige kleuren, en dan wordt afgelegd. Met de eerste regenbuien verdwijnt de glans, en de bladeren dwarrelen steeds sneller naar beneden, totdat de kale takken tevoorschijn komen en duidelijk zichtbaar tegen de lucht gaan afsteken. Ongelooflijk boeiend is het om langs de stam omhoog te kijken en steeds hoger de vertakkingen te volgen tot aan de ragfijne twijgjes aan de top. Daar houdt het op. Waarom eigenlijk? Je loopt een heel eind van de boom af en bekijkt hem dan nog eens, maar dan als geheel. En dan zie je duidelijk dat al die dunne twijgjes aan de top met elkaar een grens vormen.
Geen tastbare grenslijn, maar een ‘denkbeeldige’: je kunt hem denkend doen ontstaan op het moment dat je kijkt en dan wordt hij tot beeld voor je ogen. En dat gebeurt iedere keer opnieuw.

Op een heldere, vriezige avond zie je briljantjes schitteren in het ‘skelet’ van de bomen: je krijgt weer zicht op de onmetelijke ruimten van de sterrenhemel. In de zomer schermt het overdadige loof van de bomen de sterren af. Je bent geneigd de wereld daarboven te vergeten. Maar met het vallen van de bladeren word je er weer aan herinnerd.

Sint Maarten
In de maand november staan we tussen twee van de vier grote jaarfeesten in, tussen Michaël en Advent, tussen het afgesloten jaar en de inzet van een nieuwe ronde. November is een grens­gebied, een ruimte, een opening waar­door het ene afgesloten geheel in het volgende overgeleid kan worden.
Op 11 november vieren we het feest van Sint Maarten. Het is de sterfdag van Martinus, de bisschop van Tours (ong. 400). Hij is degene die in zijn jonge jaren als Romeins officier zijn mantel deelde met een bedelaar bij de poort van een stad. Deze daad overdag krijgt een aanvulling in de nacht, als Christus aan Martinus verschijnt in een droom. De Heer draagt het afgesneden stuk van de mantel om zijn schouders en spreekt tot de engelen die met Hem zijn:

“Ziet. Martinus die nog niet gedoopt is, heeft mij met een kleed omhuld’.
Onder de indruk van dit vi­sioen laat Martinus zich kort daarna dopen. Na vele tientallen jaren van in­nerlijke oefening, in eenzaamheid en in alle deemoed betracht, wacht hem tenslotte  de bisschopsmantel.

In de loop der eeuwen is de ontmoeting van Martinus met de bedelaar op allerlei manieren afgebeeld, en wel zo opvallend veel, dat zijn tijdgenoten er meer aan ervaren moeten hebben dan alleen maar een daad van Christelijke naastenliefde. Hebben zij er de vervulling van een stille wens in gezien? Een wens die als een kaarsvlam brandde in het hart van ieder mens die de innerlijke oefening nastreefde: eens de Heer te mogen ontmoeten aan de poort van het schouwend beleven. Rood is de mantel van Sint Maarten, de kleur van Pasen. In de bedelaar ontmoette Mar­tinus immers  de Herrezene zelf. Wat hij van zijn wijde mantel missen kon, schonk hij aan Hem.Wie zal zeggen hoe nodig ons ‘mantel-overschot’ is voor de goddelijke wereld?

Tussen twee werelden
Het beleven van Sint Maarten vindt plaats bij de stadspoort. Binnen de muren van een stad leefde men in een totaal andere wereld dan daarbuiten op het land. De poort vormde de grens tussen die twee werelden. Doordat Martinus vanuit zichzelf, zonder zich te laten storen door het gelach van zijn kameraden, doet wat hem op dat moment het juiste lijkt te zijn, maakt hij het mogelijk dat hij ook anderszins een ‘drempelbeleven’ ervaart:  het droomgezicht in de nacht gunt hem een blik in een wereld waar men gewoonlijk niet zomaar toegang heeft Blijkbaar stond hij met zijn 18 jaar heel dicht bij die engelenwereld, zonder het te weten.
Het beleven van de grens met de wereld van het onzichtbare, ook het overschrijden van die grens, is karakteristiek voor november. Om ons heen zien we de afstervende natuur, vele mensen hebben het moeilijk in deze sombere, mistige, troostloze tijd van het jaar. De poort dood lijkt zo nabij.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat al heel vroeg in de christelijke kerken de herdenking van de doden juist in deze maand geplaatst werd. en wel op 2 november, de dag van Allerzielen. Het is overigens goed te bedenken, dat volgens de oude kerkelijke kalender iedere dag van het jaar gewijd was aan sterfdag van een heilig mens. Die andere wereld hoorde er nog zo vanzelfsprekend bij. In de loop der eeuwen kwamen er echter zoveel heiligen, dat 365 dagen niet genoeg waren. Zo ontstond de dag van Allerheiligen op 1 november, waarop je kunt denken aan heiligen. die niet een ‘eigen’ dag hebben!

Deze maand van denken aan de dood lijkt een soort spiegeling van de Lij­denstijd in het voorjaar, maar het bele­ven ervan is verschillend. In de Lijdenstijd de zwarte weken voor Pasen, pro­beer je denkend het lijden en sterven van Christus te volgen. Een doodsbele­ven in helder daglicht, terwijl rondom de natuur ontwaakt en de zon steeds sneller omhoog stijgt. In deze tijd van het jaar., als het steeds vroeger donker wordt, en de nacht groter en ruimer, ligt het accent meer op het denkend benaderen van wat voor de mens komt na het leven. De wereld van de gestor­venen komt dichterbij.
‘Lief kind. blijf vroom en goed, dan zal de goede God je altijd helpen en ik zal vanuit de he­mel op je neerzien en bij je zijn*, zei de moeder van Assepoester op haar sterfbed tot haar dochtertje, en zo ge­beurde het.
Maar om die genade moge­lijk te maken, blijkt de eigen innerlijke activiteit van de achterblijvende een eerste vereiste.

De poort van de dood
In de kring van dierenriemtekens draagt november het kenmerk van de schorpioen, lichtschuw, laag bij de grond, levend in het duister, een griezel van een dier met zijn dodelijk giftige staartangel. Van oudsher kende men echter de andere kant van dit teken: de adelaar met zijn dodelijk scherpe haksnavel. maar levend op grote hoog­te als heerser van het luchtruim. Twee werelden, een dubbel-beeld dat men alleen in november vindt. Het merkwaardige dubbelaspect van november lijkt ook te gelden voor de dood zelf. Aan de ene kant het donke­re onbekende, de angst en benauwenis: aan de andere kant het licht en de
ont­zaglijke ruimte, het gebied van de ade­laar. In de sprookjes, neerslag van
oer­oude wijsheid vind je deze motieven overal terug.
In het sprookje van Vrouw Holle wordt dit op subliem eenvoudige wijze verwoord: het meisje valt in de put. verliest het bewustzijn en ontwaakt in een stralend lichte we­reld,

In de tweede helft van de 15e eeuw leefde een schilder die het waagde de poort van de dood op een wijze uit te beelden, die sterk doet denken aan wat het sprookje ons vertelt.
Van deze Hieronymus van Aken uit ‘s-Hertogenbosch, gewoonlijk genoemd Jeroen Bosch, hangt in het hertogelijk paleis in Venetië een schilderij waarop we enkele naakte mensengestalten bege­leid door engelen, in een donkere ruim­te zien zweven. Het zijn zielen die hun aardse omhulling hebben afgelegd, Ze worden omhoog gedragen door een donkere tunnel, op weg naar een poort waardoorheen  licht  naar binnen stroomt van een stralende wereld aan de andere kant. Het boeit geweldig, dat schilderij, je blijft er naar kijken.

Hoe kon Bosch dit zo schilderen? Hij zag meer dan andere mensen, hij schilderde zijn “visioenen” in prachtige kleuren en sprak daarmee voor de goe­de verstaander een duidelijke taal. Hij leefde bewust en met grote intensiteit op de grens van twee werelden. Dat blijkt uit al zijn schilderijen. Op het middenpaneel van het grote drieluik ‘De tuin der hemelse vreugden’ * lijkt het of hij zichzelf heeft afgebeeld, staande op die grens. In de uiterste hoek rechts onderaan kun je de ziener ontdekken. Het hele middenpaneel is bevolkt met naakte mensengestalten, zielen bevrijd van het aardse lichaam, Hij die schouwt, draagt zijn aardse omhulling nog  en kijkt met vergeestelijkt gelaat vanuit een donkere poort in die lichte wereld.Hij had het stervensuur niet nodig om te weten. Je zou ook kunnen zeggen: iedere dag werd door hem het stervensuur beleefd door wat hij zag.

Het leven van alledag
Sinds oertijden wordt de slaap ge­noemd ‘de kleine broeder van de dood’. De gedachte dat je iedere dag het ster­vensuur kunt beleven, ligt dichterbij dan je denkt. In de nacht reizen we immers naar die lichte wereld waar we geen weet van hebben, of soms, een beetje. Of we verfrist en gesterkt terukeren om een nieuwe dag te beginnen, hangt af van de wijze waarop we ons voorbereiden op die tocht, en hoe we omgaan met de geschenken van de nacht. Ook dat leert ons het sprookje van Goudmarie en Pekmarie. Zo gezien is iedere dag een leven op zichzelf en iedere avond sterf je een beetje. In de ritmische afwisseling van dag en nacht leren we leven, sterven en weer opstaan. En het geeft een rijk gevoel als je in jezelf daarvoor een openheid ontdekt. Je bekijkt de wereld werke­lijk met andere ogen, want je ziet alles in het licht van die andere wereld, waar je ook toe behoort.

Op Sint Maartensavond trekt een stoet kinderen door de straten van de stad. Behoedzaam dragen zij hun lantarens voor zich uit. De donkere uitgeholde koolrapen of winterpenen worden van binnenuit verlicht door een vonk van het vuur, dat eens uit de hemel kwam om ons mensen warmte en licht te brengen. Maar het vlammetje kan alleen blijven leven als er een opening is naar boven toe. naar het rijk van de sterren.

(Marieke Anschütz, Jonas 5, 02-11-1979)

*de afbeelding bij dit artikel van het genoemde werk van Bosch heeft de naam: Visioenen uit het hiernamaals

Jeroen Bosch 'visioenen uit het hiernamaals

Advertenties

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (39)

Michaëlsstemming en menselijke fysiologie

We zijn als leraren deskundigen op het gebied van het jaarritme. Daarbij is de blik echter meestal sterk naar buiten gericht: op de natuurprocessen. Edmond Schoorel, kinderarts, belicht “Michaëlsprocessen” in de mens. De diepten van de menselijke ademhaling en spijsvertering worden in dit artikel betreden.

In een aantal afleveringen zal geprobeerd worden om de loop van het jaar – de seizoenen en de jaarfeesten – op te zoeken in de mens. We zijn immers een microkosmos: Michaëls drakenbestrij­dende zwaard en de rijpe gekleurde goudreinetten moeten ook in de lichamelijkheid van de mens hun plaatsje hebben.

Zijn het vlijmscherpe woorden en gedachten die de ander de mond snoeren, is het het uitgerijpte idee dat in de ziel kan opstijgen, of het enthousiasme dat onbekende wegen ontsluit? Rond Michaëli kijken we in gedachten even terug naar Pasen: daar ontkiemde het nieuwe, de aarde wendde zich opnieuw tot de zon, de dagen lengden. In het begin van de herfst kijkt de aarde (en wij met haar) verrast-verbaasd naar de schatten die de zomer haar heeft gebracht: vruchten, die nieuwe zaden bergen.

Wanneer we de weg van de adem naar binnen toe vervolgen, vinden we verbrandingsprocessen. De opgenomen zuurstof-levensstof wordt met behulp van ijzer in het bloed vervoerd naar de weefsels. Daar is zuurstof de noodzakelijke stof, de noodzakelijke voorwaarde voor alle levensprocessen, die verbran­dingsprocessen zijn. Wat ontstaat er? Warmte na­tuurlijk, die wordt als het ware vrij-getoverd; en koolzuur: een verbinding van zuurstof met koolstof-aardestof. Zuurstof wordt aards, koolstof wordt levend. De mens schenkt de aarde het leven door zijn eigen substantie te verbranden. Waar dient het koolzuur voor? Voornamelijk om uitgeademd te worden en voor een klein deel voor de mens zelf. Daarmee worden verbindingen gevormd, bv. kalkzouten, die onze botten nodig hebben om vast te worden.

Tussen de regels door zijn we het bloed ook al verschillende malen tegengekomen: als bemiddelaar, als vervoersorgaan tussen alle genoemde processen. Is het bloed dan alleen passief, moet het alles maar over zich heen laten komen, weerloos slachtoffer van de ademprocessen en stofwisselingsprocessen? Dat is het inderdaad! Maar dat alles wordt wel waargenomen, bemerkt. Ons arme hart neemt al kloppend alsmaar geïnteresseerd waar wat zich afspeelt op de weg van de adem naar binnen. Het hart doet er zelf niets aan, merkt het alleen op. Wat we er mee doen, hangt dan weer van onszelf af, daarin zijn we vrij.

Het jaar schrijdt voort, de aarde maakt zich klaar voor de winter. De feestelijke overdaad van de zomernatuur verdwijnt, vruchten en zaden worden onder de bladeren geborgen, de eerste sneeuw doet er straks nog een laagje overheen. De herfststormen maken duidelijk dat we in tijden van wisselvalligheid en verandering leven.
De heiligen van de herfsttijd maken ons zichtbaar dat er eerst geschonken moet worden, voordat we straks met kerst mogen ontvan­gen. Het beste wat de zomer ons gebracht heeft, de vrucht van warmte en kleur, wordt belangeloos ter beschikking gesteld van het nieuwe dat komen gaat: het nieuwe van Kerstmis, het nieuwe van het volgende voorjaar. De uitbundigheid van de zomer, maar ook van de herfstgloed verandert in innerlijk­heid.

Een avontuurüjke en gevaarlijke weg volgt ons voedsel. Op de lange route van de mond via de maag door de dunne darm, wordt de voeding ver­kleind, opgelost, gesplitst, gemengd, verzuurd en weer alkalisch gemaakt. Een efficiënt afbraakproces zien we voor ons; met de grootste zorg worden agressieve processen gestuurd en beteugeld. Waar leidt dat allemaal toe?

Onze spijsvertering heeft twee doeleinden. Natuurlijk moet het voedsel, dat we rauw of bewerkt uit de natuur ontvangen, zó omgevormd worden, dat het de darmwand kan passeren. Dat kan alleen met die stoffen die sterk vereenvoudigd zijn: waaraan niet meer te ontdekken valt van welk voedingsmiddel ze afkomstig zijn. De natuur, voorzover die ons tot voeding dient, offert haar eigenheid op gedurende de spijsvertering. De stoffen die als bouwsteen in het voedsel hebben gewerkt kunnen dan als onbe­stemde substantie door de darmwand opgenomen worden en de lymfe vormen, die lymfe kan weer overal in het lichaam ingezet worden als drager van menselijke processen en menselijke substantie. Dat is de ene kant van de spijsvertering. De andere kant komen we op het spoor als we ons afvragen wat er gebeurt met de eigenheid, de her­kenbaarheid van het voedsel. Verdwijnt dat in het niets, of heeft die ook nog een opgave? Hier zou een uitgebreide beschrijving passen van het ontstaan van planten- en dierensubstantie. Op z’n kortst kan gezegd worden, dat de “idee” van een plant zicht­baar wordt in die bepaalde plant die we als voeding gebruiken. In de spijsvertering komt die idee, dat bouwplan weer vrij, nl. ter beschikking van de mens, ten dienste van zijn opbouw en gezondheid. Zo levert de spijsvertering twee substantiestromen op: een zichtbare lymfe en een onzichtbare lymfe. Dit hele zorgzame, in warmte gehulde proces is alleen nog maar voorbereiding. Wat we er mee doen ligt in onze vrijheid. Welke menselijke substan­tie er ontstaat, welke mens er geboren kan worden, daarvan vertelt ons de kersttijd.

(E.P.Schoorel, Zeist, nadere gegevens onbekend)

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – alle artikelen

.

1.Michaëls symbolen voor een innerlijke strijd
Maarten Udo de Haes overseizoenen; dag- en nachtevening; evenwicht; symbool zwaard/weegschaal; vrede; Holbein: Michaël met zwaard en weegschaal

2.Knutsels
bladeren zie spatwerk; dierenfiguren met vruchten/fruit, bv. voor verjaardagspartijtje; draak van grillige tak; draak vliegende; grasmatje; herfstknutsels: niet nader beschreven meerdere knutsels; herfsttafel; kaars met draak; kastanjes en eikels: marionet, hertje, pijp, spin; kijkdoos; koffertje; kransen en slingers; mozaïek van zaden, met kleine beschouwing over het zaad; schimmenspel van een michaëlsverhaal; slang; slingers zie kransen; spatwerk met bladeren; transparant (Sint-Joris en de draak), herfsttransparant; versieringen op het raam met: bladeren, bijenwas, fietswiel, vloeipapier; vlieger, (draken)vlieger (2); tunnelsleevlieger; vrouwtje appelwang; waaiewindje; weegschaal;

recepten: brooddraak; rozebotteljam; vlierbessensap

3.Tussen zwaard en weegschaal 
Marieke Anschütz over: onstuimige elementen; moederschap; zwaard en weegschaal; ijzer en koper;  Rogier v.d. Weyden: Michaël

4.Omwille van enthousiasme en moed
Jakobus Knijpenga over: Michaël in ’t verleden en voor de toekomst; Steiner en Michaël; huidige praktisch ingestelde generatie en Michaël; moed

5.
   

6.Vieren wij werkelijk Michaëlsfeest?
Reijer Ploeg over: de zomer als uitademing; ‘ken uzelf’ en ‘ken de draak in u’; intellectuele kilte; hartewarmte; voer Michaëlsstrijd in jezelf!

7.Michaël
P.C.Veltman over: plaats van het feest in het jaarMichaël vroeger en nu; hoe vier je dit feest? Wat is de draak

8.Losmakingsproces
Wendela van Mansvelt over: afwegen in het gezin: opvoedingssituaties; loslaten: moed nodig; weegschaal als grens van goed en kwaad

9.Michaël, aarde en mensheid
Jacobus Knijpenga over: gebeurtenissen rond geboorte en sterven; levenslot, biografie, engelen, draak; geen naties; vrijheid; ontwikkeling individu; verantwoordelijkheid; tijdgeest

10.Michaëlsverhalen
St.-Michaël op de maansikkel; het verhaal van de vlieger; Franse Michaëllegende; Kalo Dant;

11.Hoe spreekt Michaël nu tot ons
 E. Plessen over: Hoe kan ik toegang vinden tot ‘Michaël’wat zijn Michaëls ‘woorden’; Kalawala; ijzer

12.IJzer, zwavel en het Michaëlsfeest
Emmy de Groot over; zwavel in natuurkunde; in menselijke lichaam; ijzer in natuur(kunde); in menselijk lichaam; pyriet; illustratie meteoorijzer en zwavel

13.Grenzen van de groei en groei van de grenzen
Walter Kugler over: angst, fatalismemeteoorijzer; begrenzing en verruiming; geest-materie; (meteoor)ijzer; illustratie meteoorijzer; illustratie Michaël

14.Michaëlstijd
P.C.Veltman over: in welke tijd leven we; wereldherfst? bezinning; wie of wat is Michaël; wandtapijt Angers; apocalypse; draak; drakenkrachten én Michaëlskracht in menselijke intelligentie;

15.Michaëlsfeest 
W.F.Veltman over: geestelijke realiteiten in beelden; geest en/of materie? vrijheid; het kwaad; de moed

16.Michaëlstijd
Rinke Visser over: zomer-uit; ijzer voor bewustzijn; (meteoor)ijzer en zwavel; strijd en moed; herfst-in; draak herkennen

17.Kosmische achtergronden van het Michaëlsfeest
Rinke Visser over: zomer: uit=zwavel; winter: in=ijzer; Michaël en Perseus; komeetkrachten; kosmische krachten; meteoorijzer; ‘strijd in hemel zichtbaar op aarde; vrijheid; draak; moed

18.De engel van de goede wil
Marieke Anschütz over: wil en onwil; zwaard in de taal; zwaard en weegschaal; moed; goede wil; Rogier van der Weyden; fresco in Vamlingbo; Michaël tegenover Pasen

19.Michaëlsfeest:’ in spring de boog gaat in’
J.van Dam over: in- en uitademing in het jaar, in de mens, kun je innerlijk oogsten; initiatief; to
.
20.Michaëlsfeest in de kleuterklas
C. de Pree over: een impressie van de Michaëlstijd en -dag in een kleuterklas.

21.Michaël, strijd om menselijkeid
Wijnand Mees over: Solschenitzyn staat en volk; Staatsmacht; kracht van het individu

22.Michaël
M.Matthijsen over: voorbereiding Michaël in de natuur; het feest dat er niet is en nog worden moet; mens als tiende hiërarchie; Morgenstern; Achterberg; offeren van het eigene

23.De aartsengel Michaël
Maarten Ploeger over: Michaël; verhouding tot ‘bovenzintuiglijke’; hoe was dat ‘vroeger’; ontstaan religies; Lucifer en Ahriman; deze krachten in de wereld; taak voor mens 

24.Smeden
Eg Sneek over: smeden met 7e, 8e en 9e klas tijdens het Michaëlsfeest. Ervaringen met het ijzer dat je moet smeden als het heet is.

25.Michaël herfstfeest
Marijke Wouters en Toke Moeskops over: afstervende natuur, maar kiemkracht; verinnerlijken; moed ontwikkelen; Michaël als herfstfeest; oogstfeest in de kleuterklas; 

26.Michaël herfstfeest
Sari Kodde Dingemans over: herfst: verval in de natuur; zaad: samentrekking; verinnerlijking; Michaël als herfstfeest, gedicht voor 4e, 5e of 6e klas

27.Wat is een Michaëlsfeest
E.P.Schoorel over: Michaël in het najaar, tegenover het voorjaar; opbloeien met de lente, maar afsterven in de herfst?;

28.Wat is een Michaëlsfeest
P.C.Veltman over: ‘is’ het Michaëlsfeest of ‘wordt’ het?; Monte Gargano, Mont Saint-Michel, Michaëlsberg; het ‘kwaad’; Indra, Mithra, Tiamat, Mardoek; Michaël bij de Perzen

29.Michaël in de kleuterklas
C. de Pree over: herfst; oogst; wat doen we in de kleuterklas; 

30.Michaël
Ad Tiemens over: seizoenen; herfststemming; zwaard en weegschaal: innerlijke strijd voor evenwicht; Michaël in Aalst; Michaël bij de Germanen

31.Michaël
Magchiel Matthijsen over: de zin van (jaar)feesten vieren; geen ‘herdenkingsfeest, maar toekomst; Russische legende over naam ‘mens’; innerlijke draken bestrijden; Vézelay: S-Madeleine; Freyrs boot: menselijk denken; menselijk denken veranderen

32.Hemel, hel, Michaël
Henk Sweers over: ruimte/tijd, innerlijk/uiterlijk, zwaard/weegschaal

33.Michaëlstijd
Madeline van Gilst over: natuurimpressies voorjaar-najaar, plaats Michaël

34.Michaël
Werner Barfod over: natuurimpressies; kunst; euritmie

35.De herfst en het Michaëlsfeest
Reyer Ploeg over: verschil jaargetij en jaarfeest; natuurimpressies; ijzer en koper -zwaard en weegschaal

36.Michaël, feest van de toekomst
Henk Sweers over: jaarfeesten nu: veruiterlijking; vakantie en feest; de alom aanwezige draakfeest van de toekomst, kennen van de geestelijke wereld; de mens tussen twee uitersten; nodig: geestkracht en moed; innerlijke strijd; vier jaarfeesten als geheel; heden/verleden, zwaard/weegschaal

37.Michaëlsdag op 29 september
Beschouwing: Michaël in het verleden, Michaëlheiligdommen, vrijheid, kwaad

38.Michaël
Waarom op school

39.Michaëlsstemming en menselijke fysiologie
ademhaling, zuurstof/koolstof, spijsvertering

40.Het Michaëlsfeest
Oogstfeest; waarom nu vieren

41.Michaël – tussen moed en depressie
Spiegeling lente-herfst; Johannes-Kerst; Jezus-Johannes; afname-toename licht/duister; 280 dagen ‘verwachtings’tijd

42.Herfst
Beschouwing: strijd en vrediger momenten; herfst

43. Boeken over Michaël(s)feest
     
en over de herfst

44.Inwendige processen  in de mens in samenhang met de herfsttijd – de michaëlstijd
Ita Wegman bespreekt de ijzerprocessen in mens en kosmos

 

 

VRIJESCHOOL – in beeld: JaarfeestenMichaël
b
ordtekeningen; transparanten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (38)

Michaël

Wie ’s ochtends vroeg op weg is, voelt het begin van de herfst, de zilveren nattigheid over het veld, de gloedvolle kleuren die de bomen beginnen te krijgen, de storm, de dwarrelende blaadjes, die een tapijt op aarde vormen en tot humus verworden. De natuur sterft af, de aarde neemt terug wat het in het afgelopen jaar tot bloei bracht,maar wel nadat de mens eerst heeft geoogst! Appels, peren, druiven, tarwe, mais, noem maar op, geschenken van de natuur waarmee wij in leven blijven.

Straks in de stille kou van de winter is de natuur kaal en zonder kleur. Diep binnen in maakt de aarde zich klaar om rond Pasen in het voorjaar de kracht te hebben het nieuwe leven weer zichtbaar in de natuur te laten ontluiken.

Ten tijde van het Sint Jansfeest in de zomer zal alles onder de warme zon weer volop in bloei zijn, op weg naar weer een nieuwe oogst. Het ritme der seizoenen herhaalt zich, maar aan dezelfde appelboom groeien ieder jaar niet dezelfde, maar nieuwe appels, nieuwe oogst.

Ook de mens heeft in deze tijd de behoefte zich letterlijk en figuurlijk terug te trekken in eigen huis. De wil om nieuwe ideeën op te doen en nieuwe levensdoelen te vinden gaat vaak gepaard met opruimen en ordenen, ook orde op zaken stellen in het werk en in sociale kring, zodat er ‘ruim­te’ gemaakt wordt voor ‘nieuwe wegen’.

Tegelijk met dit terugtrekken in onszelf ervaren we dat er zaken in de weg liggen, die niet zonder meer te ordenen zijn, situaties waar we niet tegen opgewassen zijn, moeilijkheden die ons verdrietig of kwaad maken, gebeurtenissen waarbij je steeds weer in je eigen onhebbelijkheden ver­valt. Met moed, beleid en trouw moet je zelf ten strijde durven trekken om deze zaken uit de weg te ruimen en positieve krachten te verwerven, die je het nieuwe dat voor je ligt, doet oogsten.

Op het schoolplein zien we in deze tijd de kinderen het nieuwe leerjaar, waar ze met veel zin aan begonnen zijn, bijna letterlijk binnenvechten! Sociale rangorden worden herzien en nieuwe vriendschappen vaak met strijd verworven en gevormd. Binnen in de klas heerst nu, in tegenstelling tot vlak voor de zomervakantie, stille werklust en gespannen verwachting naar de nieuwe periodelessen. Er zijn weer vakken bij waar nooit eerder van was gehoord.

En dan is het 29 september, de dag van het Michaëlfeest. Wij vieren het feest met de kinderen mee en leren het beeld van de Heilige Michaël ken­nen met zijn blinkend zwaard en de weegschaal. Michaël komt de mens te hulp. Met zijn zwaard overwint hij de draak, die het ‘duistere’ en ‘boze’ symboliseert. De mens krijgt de ijzeren kracht zichzelf te overwinnen. Ook zien we op oude afbeeldingen hoe Michaël de weegschaal waarop de ziel gewogen werd in evenwicht houdt. Een evenwicht tussen goed en kwaad. Hoe moeilijk is het niet om in plaats van achteraf, juist vooraf het goed en kwaad van ons eigen handelen te kunnen overzien en bepalen. Wij moeten zelf onze weg naar het ‘nieuwe’ banen door te wikken en te wegen en steeds te zoeken naar oplossingen, waarbij onze eigen ideeën en die van anderen in evenwicht blijven. Jaar in jaar uit wordt het Michaëlfeest met de kinderen op iedere Vrije School gevierd. Het meegebrachte fruit, de oogst wordt geschonken en de strijd met de draak wordt moedig in spel­vorm en naar leeftijd gestreden.

Eenmaal kinderen op de Vrije School wordt iedere ouder geconfronteerd met de vraag waarin het onderwijs van de school zich onderscheidt van dat van andere scholen. Eén van de vele antwoorden kan zijn:’In het vieren van de jaarfeesten!’ Op de vraag, die iemand mij ooit stelde, of je daar dan beter van leerde lezen, schrijven of rekenen is het enige antwoord:’ Nee, daar leer je van leven!’

In de huidige tijd worden we bijna gedwongen alle verschillen in beter le­ren, beter kunnen en beter zijn uit te drukken. Dat ieder individu anders leert, iets anders kan en een ander is, maakt ze tot waardevolle deel­nemers aan de gemeenschap, vooral als het onderwijs leidt tot echt weten in plaats van beter weten. Juist als volwassene weten we hoe moeilijk het is om af te zien van alles en ieder, die ogenschijnlijk beter lijkt en moed te putten uit je eigen positie en bestaan.
Misschien, heel misschien, oogsten de kinderen, die jaarlijks het
Michaëlfeest vieren, van nature het vermogen om de eigen levensmoed aan te
spreken en met een positieve levenshouding zich een eigen nieuwe en
even­wichtige weg door het leven te banen?!

VRIJESCHOOL – Vertellen – Klas 2 (groep 4) (2)

Caroline von Heydebrand:
2e klas:
Bij het vertellen en navertellen zoekt men de overgang van het sprookje naar de fabel en dierenverhalen. Het kind is op deze leeftijd nog zo met zijn omgeving verbonden, dat het de dieren het beste begrijpt, wanneer deze als mensen optreden. Dat nu zit in de fabel. Legenden brengen harmonie voor wat aan het dier beleefd is, wanneer het kind door de legenden hoort hoe de mens naar volmaaktheid streeft. Deze zijn daardoor een noodzakelijke aanvulling op de dierenfabel en het dierenverhaal.[1]

In de passages uit Steiners voordrachten hierboven wordt (nog) niet gesproken over ‘legenden’.
Ik heb het altijd als een evenwichtige afwisseling ervaren: de ondeugden van de dieren tegenover de deugden van de heiligen. 
Die afwisseling is belangrijk en mag volgens mij niet zo gehanteerd worden als ik weleens heb gezien, in een ‘periode’ fabels vertellen (gedurende  (een paar ) weken, en dan weer veel legenden). Om en om, lijkt mij.

Wil van Houwelingen – Harmsen:
In het sprookje van IJzeren Hans speelt de 8-jarige koningszoon met ’n gouden bal in de tuin van het paleis. Zijn bal valt in de kooi waarin de wilde man uit ’t bos zit opgesloten; en hoewel het streng verboden is – opent de jongen de kooi van de wilde man. IJzeren Hans neemt hem op zijn verzoek mee, en nu moet hij de goudbron behoeden. Doordat hij te veel met zichzelf bezig is, ontwijdt hij de bron, en wordt hij de wereld ingestuurd “op gebaande en onge­baande wegen”.

n Prachtig beeld van het tweede-klaskind. Het kan nog spelen met de gouden bal (niet in het paleis, maar in de tuin), het heeft nog toegang tot de goud-bron – maar het is leergierig en nieuwsgierig geworden, ontdekt zichzelf.

Wij vertellen in deze klas fabels en legenden van heiligen uit de middeleeuwen. Was in de sprookjes ’t kwaad meer “algemeen”, de boze koningin, de boze kabouter (hoewel de beide kanten – de verzoeking, en de macht van het boze -duidelijk aanwezig zijn), in de fabels leert ’t kind de eenzijdigheden van wat men de lagere ziele-eigenschappen van de mens kan noemen, beleven.
Het dier wordt in de fabels voor honderd procent in zijn speciale drift, begeerte, instinct getekend. Kort en zakelijk, zo is het. Verleiding tot geweld, macht, waan; sympathie – en antipathie-krachten gaan werken. In de ‘wolf en ’t lam” zijn de antipathiekrachten groter dan de sympathie. In de nachtegaal en de pauw zijn ze even groot; in “de dankbare ooievaar” zijn de
sympathiekrachten ’t grootst.
In een tweede klas is het boeiend te ontdekken wáár in de kinderen hun eenzijdigheden, hun “diertjes” liggen. Men laat hun de fabels spelen – hun eigen “dier” maar ook de tegenpool. En dan komt het grandioze van de keuze van de vertelstof – ’n vos, ’n leeuw, ’n wolf is,  zoals hij is. Hij kan niet anders, nu niet en nooit. ’n Dier is – maar mens moet je worden. Dat is de inhoud van de heiligenlegenden. Het grote geheim en verschil tussen ’n mens en ’n dier is -dat !n mens zichzelf kan veranderen.

Dit zorgvuldig te behandelen lijkt mij in ’n tijd waar méér op de overeenkomsten tussen mens en dier wordt gewezen (“de naakte aap” – “de geprogrammeerde mens” – ‘bij de beesten af’) dan op de grote verschillen – zeer belangrijk.

Dit “kunnen veranderen” zien wij in de heiligenlegenden. Deze mensen zijn nl. niet als heiligen geboren. Integendeel, vaak bezitten zij ‘beestachtige’ eigen­schappen waarvan zij pas na een zware en lange strijd met zichzelf verlost
wor­den. Daarna komen de licht-, liefde- en levenskrachten in hen tot ontwikkeling, waardoor zij helpen, genezend kunnen werken. De naam “legende” voor deze biografieën houdt in dat deze mensen gemotiveerd worden zich te veranderen, door beelden, dromen, vanuit de geestelijke wereld. Ook hier kan men de heili­ge die men behandelt – al of niet geschiedkundig juist – eerst alle ondeugden, hebbelijkheden die bv. in ’n klas leven, tot in perfectie laten hebben, om dan na de verandering te horen zeggen: “zó gemeen was ie eerst, en tóch ’n heilige geworden. ” [2]

 van roodkapje tot 2

illustratie: Chris van der Most

[1] Caroline von Heydebrand Vom Lehrplan der freien Waldorfschule, 1965
[2] Wil van Houwellingen-Harmsen Van Roodkapje tot Parcifal, 1977, blz.11

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (6)

Op een weblog van een maniakale criticaster is , zonder mijn toestemming – de integrale tekst van dit artikel overgenomen onder ‘Vrije School, pedagogisch-didactische achtergronden van Pieter Witvliet’.
Ik heb dus niets met die blog van doen en ook niet met de eventueel gemanipuleerde tekst.

.

Laatst ontmoette ik een oud-leerling. Ze woont met haar man en twee volwassen zonen in Amerika. Op latere leeftijd volgde ze een studie aan een academie en slaagde daar cum laude als fotografe. Samen met haar vader, ook een begenadigd fotograaf, werkt ze in Nederland aan een fototentoonstelling.

We kwamen over van alles te spreken en het kon niet uitblijven: ook over haar jaren in de klas bij mij en haar ervaringen op de bovenbouw (het middelbaar onderwijs op de vrijeschool).

Plotseling zei ze: “Je hebt ooit met ons eens een fabel gedaan; iets met wind en zon. Daar heb ik in mijn leven vaak gebruik van gemaakt. Die wind, met al dat geweld, redt het haast nooit en die zon, die warmte, doet wonderen. Ik heb in bepaalde situaties in mijn leven bewust voor die zonkant gekozen, om een probleem op te lossen enzo. Met drang en geweld lukt dat veel minder. Weet je welke fabel ik bedoel? ”

Ik kende deze nog grotendeels uit mijn hoofd en toen ik ‘m opzegde, verscheen er een grote lach van herkenning op haar gezicht.

‘En ik mocht de zon zijn, toen we die fabel  een keer opvoerden’.
Ook dat wist ik nog heel goed.
Zij was niet zo’n drukke, beweeglijke leerling; eerder een kind dat beschouwend naar de dingen keek.
Zij stond daar op een tafeltje met een geel crêpepapieren jurkje aan en een gouden kroontje op het hoofd als een zon te stralen.

Hier heb ik al een ervaring weergegeven van hoe een aanwijzing van Steiner voor ‘het vertellen’ een vruchtbaar gevolg kan hebben – voor het sociale leven in de klas; voor hoe een kind zich gedraagt.

Aan het voorbeeld van deze oud-leerling wordt duidelijk dat het zo kan gaan als Steiner zegt: wat op jonge leeftijd als voedsel voor de ziel wordt gegeven, komt vaak veel later – hij noemt soms ‘na het vijfendertigste jaar’ – weer tevoorschijn, maar gemetamorfoseerd, veranderd in de vorm die past bij hoe je dan de dingen beleeft.

Dat geldt ook voor de beelden die in de vertelstof aan de kinderen worden gegeven.

WIND EN ZON

Wedstrijd hielden wind en zon:
wie met de meeste kracht ’t won,
om een wandelaar tussen ’t groen
van zijn kleren te ontdoen.
Wind begon uit alle macht,
gierde en loeide met grote kracht,
maar het hielp niet, want de man
trok zijn jasje dichter an.
Wind in wanhoop rust nu uit.
Doch de zon, die olijke guit,
laat zijn warme schijn nu stralen.
En de wandelaar kan niet dralen
om de mantel af te werpen.
Zo gelukte het de zon,
die de strijd met zachtheid won.

J. G. Herder

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (1)

Steiner over vertellen in klas 2 

Nadat Steiner meer in het algemeen over ‘vertellen’ heeft gesproken, gaat hij uitgebreid in op de FABEL, dè vertelstof voor klas 2.

Strikt beschouwd behandelt Steiner hier het lezen van een fabel. Ik ben van mening dat zijn aanwijzingen ook gelden voor het vertellen van een fabel.
In mijn 2e klassen waar de druk van tests en toetsen en dreiging ‘zwak genoemd’ te worden, vrijwel afwezig waren, m.a.w. toen je nog oorspronkelijker ‘vrijeschool’ kon zijn, waren de kinderen in het begin van de 2e klas nog niet in staat een fabel te lezen; wel tijdens het schooljaar. Een fabelboekje maken lijkt me met de huidige kopieermogelijkheden niet zo moeilijk. Af en toe kunnen de kinderen er een in opschrijven en bij iedere fabel kunnen ze illustreren – zo kan er een mooi werkje ontstaan. 

Op 27 aug.1919
Er wordt een fabel van Lessing gelezen.

Rudolf Steiner: U moet bedenken dat proza, afhankelijk van degene die leest, op verschillende toonhoogte gelezen kan worden.
Bij de titel laat men zijn stem dalen als het kan, en geeft de titel geen bijzondere nadruk.

 De nachtegaal en de pauw

Onder alle dieren van het bos was ook een nachtegaal. Er waren heel wat zangers in het bos die jaloers op hem waren, maar een vriend had de nachtegaal niet. ‘Misschien vind ik een vriend bij een andere soort,’dacht de nachtegaal en vloog vertrouwelijk naar de pauw onder hem. ‘Mooie pauw, ik bewonder je!’ ‘Ik be­wonder jou ook, lieflijke nachtegaal.’ ‘Laten we vrienden zijn,’sprak de nachte­gaal. ‘We hoeven niet jaloers te zijn op elkaar, want zo mooi als jij bent om te zien, zo mooi ben ik om te horen.’De nachtegaal en de pauw werden vrienden.

Kneller en Pope waren betere vrienden dan Pope en Addison.

Rudolf Steiner zegt in plaats daarvan bij wijze van grap: Frankrijk en Italië zijn betere vrienden dan Italië en Engeland. Dat kan men ook zeg­gen. Men kan deze fabel namelijk op de meest verschillende manie­ren toepassen.

Nu zou ik een stuk onderwijs met u willen bespreken. Ik zou u erop willen wijzen dat u nooit de inhoud van een leestekst – ik zal het prozaïsch maar zo noemen – moet bederven voor het gevoel en de ervaring door het stuk voor te lezen of samen met de leerlingen te lezen, en het dan als een schoolmeester te verklaren. Iemand met psy­chologisch inzicht zal het niet zo doen, hij zal aanvoelen dat juist een prozatekst of een gedicht in moet werken op de ziel, en wel zo dat de ziel na die ervaring tevreden kan zijn met de indruk, voldaan kan zijn door de indruk, kan men ook zeggen. Maar men zal niet mogen uit­sluiten dat men juist die voldoening die uit de inhoud van een tekst moet ontstaan, voor een leerling verhoogt doordat hij alle nuances begrijpt, althans gevoelsmatig, instinctief begrijpt wat er in het ge­dicht staat. Men hoeft geen hersenspinsels, geen geleerd commentaar vast te knopen aan een gedicht of een prozatekst, maar men moet een kind zo ver brengen dat het een tekst gevoelsmatig begrijpt. Men kan daarom het beste proberen om het eigenlijke lezen van de tekst pas het allerlaatst te doen; en alles wat men wil doen omwille van het begrip, dat doet men van tevoren. Als men op een geschikte manier het juiste van tevoren vertelt, dan treedt men niet
schoolmeesterach­tig op, maar dan draagt men ertoe bij dat niets van de tekst onver­klaarbaar blijft. Dan genieten de kinderen er meer van en is hun
vol­doening groter.

Ik zou bijvoorbeeld – u zou het wat uitvoeriger doen – het volgen­de in de klas vertellen.

‘Luister eens, beste kinderen, jullie hebben vast en zeker wel eens een hond gezien! Ja, wie van jullie zou er nog nooit honden hebben gezien? Die zou zich wel achter de kachel verstopt moeten hebben. En jullie hebben natuurlijk gezien dat niet alle honden hetzelfde zijn. Er zijn heel veel verschillende honden. Er zijn petieterige hondjes, van die hele kleine hondjes, grotere honden en hele grote honden. Jullie zijn vast wel eens bang geweest voor hele grote honden. Voor die hele kleine petieterige hondjes ben je niet bang; maar misschien ook wel, omdat ze soms in je kuiten bijten. Maar laten we vandaag eens een paar honden bekijken. Je hebt op straat vast al wel vaak een wagen met vlees gezien en daarvoor de slagershond. Als je goed hebt opgelet heb je gezien dat hij verder al­tijd voor de slagerij zit en oplet dat niemand het vlees steelt. Als er iemand komt en vlees wegpakt die het niet mag, dan moet de hond hem bijten, of in ieder geval moet hij blaffen. Je zult wel begrijpen dat een slagershond geen klein beestje kan zijn. Nee, dat is een grote hond! Jullie zullen wel gezien hebben dat er voor de slagerswagen geen keffertjes staan, en ook niet voor de slagerswinkel.
Nou, zo’n slagershond kun je vergelijken met een mens die op iets moet letten. Je kunt vaak dieren met mensen vergelijken. Wat de die­ren uit instinct moeten doen, moeten de mensen vaak uit plicht doen. Mensen en dieren moeten dezelfde soort dingen doen en daarom kan men ze ook met elkaar vergelijken.
Als een mens bijvoorbeeld op iets moet passen, net als de slagers­hond voor de slagerij, dan zal hij een bepaalde gewoonte krijgen. Als er iemand komt die iets weg wil nemen, dan zal hij hem bij zijn kraag grijpen. Ja, zo zegt men dat, wanneer men iemand erop wijst dat hij iets niet mag doen. Zo zegt men dat. Men zegt “bij de kraag grijpen” als men iemand vasthoudt. Je houdt iemand natuurlijk niet echt al­leen bij zijn kraag vast, je houdt hem bij zijn nekvel vast. Dat doet pijn en daarom gaat hij er niet vandoor. Daarom doet men dat. En die dingen die zegt men niet zo rechtstreeks, want als je zegt: “Ik grijp je bij je nekvel,” dan klinkt dat te weinig grappig. Er moet in het leven altijd een grappig element bij zitten, daarom zegt men “bij de kraag grijpen”. De mens is wel eens wat brutaal. Daarom moet hij wel eens bij zijn kraag worden gepakt. Zo kun je je ook heel goed voorstellen, als er een ander brutaal beest komt dat een stuk vlees uit de slagerij wil pakken, dat de slagershond dan zegt: “Maar ik grijp je in je kraag!” Dan zou men een heel goede vergelijking hebben ge­maakt tussen mens en dier.
Nu, jullie weten wel, er zijn ook nog andere honden, kleine, dat zijn vaak van die luiwammesen, verschrikkelijk luie wezens. Ze lig­gen op kussens, ze liggen soms ook op de schoot van het vrouwtje, kortom: luiwammesen. Dat zijn schoothondjes. Die zijn niet zo nuttig als de slagershond. De slagershond is ergens goed voor. Schoothond­jes spelen alleen maar, die zijn eigenlijk nergens goed voor; maar de slagershond zal iemand die iets doet wat hij niet mag bij de kraag grijpen, dat wil zeggen hem aanschieten, vastpakken en een flink pak rammel geven. Dat is nuttig, want het andere dier zal het vlees dan niet kunnen stelen. Het schoothondje doet niet zoiets nuttigs, dat keft alleen maar. Het keft naar iedereen, en vooral als er andere, grote honden komen, hup, gaat het schoothondje erachter aan en keft en keft en keft. Maar blaffende honden bijten niet, zegt het spreek­woord; en dat denken ook grote honden als ze erlangs lopen. Je kunt dan ook zien dat grote honden er heel rustig langs lopen en de kleine keffertjes laten keffen en bij zichzelf denken: keffende honden bijten niet. – Moedig zijn ze niet, ze zijn laf. Een slagershond moet in ieder geval moedig zijn. De schoothondjes, ja, die lopen achter je aan en keffen, maar wanneer je alleen maar naar ze kijkt, gaan ze er onmid­dellijk vandoor. Nou ja, je ziet wel, die hondjes zijn in ieder geval grote luilakken, ze doen alleen maar onnodige dingen en deugen ner­gens voor. Ze lijken op mensen waar je niet naar moet luisteren, ook al blaffen ze je heel vaak toe.

Die schoothondjes zijn heel klein, de slagershond is groot. Maar nu zijn er ook van die middelgrote. Zo’n hond is niet zo groot als de slagershond, maar groter dan een schoothondje. Zo’n hond er tussen­in is de herdershond. Een herdershond moet het vee hoeden. In som­mige gebieden is dat moeilijker dan bij ons. In sommige streken, bij­voorbeeld in Rusland, komen de wolven. En de hond moet erop let­ten dat er geen wolf of ander dier bij komt. Daarom moet hij steeds om de kudde heen lopen. Zo is de gewoonte ontstaan dat de hond steeds om de kudde heen loopt. Ook bij ons is het goed dat de hond om de kudde heen loopt, want vaak slaapt de herder en dan zou er iemand met boze bedoelingen kunnen komen en iets van de kudde kunnen weghalen. Daarom loopt de herdershond om de kudde en hoedt de kudde. Ook als er geen wolven zijn is het goed dat de her­dershond rondloopt en de kudde hoedt, en soms ook de herder hoedt en hem wakker maakt. Het zou misschien wel eens kunnen gebeuren dat een herder gestolen wordt in zijn slaap. Een herdershond is dus een nuttig dier, een dier dat nuttig werk verricht. Je kunt hem ook vergelijken met mensen die op een juiste manier in het leven staan, die geen nutteloos leven leiden zoals die luilakken, die schoothondjes. Ja, en dan is er ook in het menselijk leven dat verschil tussen mensen die als een herdershond zijn en men­sen die  als een slagershond zijn. Nuttig zijn ze allebei, ook al zijn die als de slagershonden wel eens wat grof. Soms zijn ze zo dat ze precies het goede in heel weinig, treffende woorden zeggen; dat ze het gevoel hebben dat ze iets moeten bewaken, iets moeten beschermen, een vijand moeten afweren. Een herdershond kun je vergelijken met men­sen die meer in stilte hun werk doen, maar moeten wachten tot het moment dat de moeilijke dingen van hun werk moeten worden ge­daan. De herdershond loopt rond. Veel werk heeft hij niet, maar hij moet zich steeds gereed houden om sterk te zijn, moedig te zijn, voor­bereid te zijn, wanneer de wolf komt of een andere vijand, om op het juiste ogenblik toe te happen. Zo zijn ook sommige mensen verplicht om te wachten en waakzaam te zijn tot hun optreden nodig is. Dan mogen ze zich niet laten afleiden door allerlei kleinigheden in het leven, maar ze moeten paraat zijn tot op het moment dat ze het juiste moeten doen.’

Ziet u, zoiets zou ik de kinderen vertellen, om een bepaald dier onder hun aandacht te brengen en hun gedachten te richten op de analogieën tussen dieren en mensen. Als men zoiets heeft besproken, dan zal men het volgende kunnen voorlezen zonder dat men achteraf verklaringen hoeft te geven. Als men dit kleine verhaaltje eerst zon­der verklaring zou voorlezen, dan zouden de kinderen niet ten volle voorbereid zijn, omdat hun gewaarwordingen en gevoelens niet op alles gespitst zijn. Zou men pas achteraf verklaringen geven, dan zou men het als een schoolmeester uit elkaar rafelen en dan zouden ze het ook niet goed kunnen lezen.

Ik leerde tijdens mijn onderwijzersopleiding het zo te doen als Steiner hier afwijst. Wij moesten achteraf verklaren en d.m.v. vragen kijken of de kinderen ‘het’ begrepen hadden. Dat kan in een hogere klas als taaloefening z’n nut hebben: begrijpend lezen.

Een fabel is kort en is eigenlijk gauw klaar. Mijn ervaring is nu ook zo dat ik kan zeggen dat door er van te voren mee bezig te zijn, de kinderen aandachtiger luisteren. Vooral, wanneer het lukt om in ‘gesprek’ de kinderen van alles te laten vertellen, wat ze weten bv. van het dier waarover je iets wilt vertellen, maar ook, belangrijker nog, over de inhoud van de fabel, zonder deze met name te noemen of te verklaren.
Zo vroeg ik eens aan een klas – ik had de fabel ‘De vos en de raaf’ op het oog: de mooipraterij, of de kinderen wisten wat ‘vleien’was. De een wel, de ander niet – al doende wordt de woordenschat vergroot – . Het bleek dat veel kinderen weten – zonder het woord te kennen! – dat ze dat af en toe doen om hun zin te krijgen. Als zo’n gesprekje goed loopt, vertrouwen de kinderen je heel veel toe. En krijg je weer een beetje meer inzicht in hun belevingswereld.
De kunst is om niets te veroordelen: geen moraal!.
Als dan alles wel zo’n beetje is gezegd, zeg jij: ‘En nu we dit besproken hebben, wil ik jullie deze fabel vertellen.
Als deze klaar is: laat je niet verleiden om nog een soort (morele) conclusie te trekken. Dat is de pedante schoolmeester met het vingertje: ‘Dus kinderen, weet wel…..’
Heb er vertrouwen in dat het beeld doorwerkt. 

Steiner besluit bovenstaand betoog met:

De herdershond

 Een oude herdershond, die de kudde van zijn baas trouw bewaakte, ging ’s avonds naar huis. De schoothondjes keften naar hem op straat. Hij loopt
rus­tig door en kijkt niet om. Als hij bij de slagerij komt, zegt een slagershond tegen hem: ‘Dat je daar tegen kunt – tegen dat gekef! Waarom grijp je er niet eentje in zijn kraag?’ ‘Nee,’ zei de herdershond,’niemand plaagt of bijt me toch? Ik moet mijn tanden sparen voor de wolven.’

Dan hoeft men de kinderen niets meer te vertellen; men moet er van tevoren voor zorgen dat de kinderen het begrijpen.

In deze voordracht laat Steiner het niet bij dit ene voorbeeld:

Een andere keer vertelt u de kinderen het volgende. ‘Beste kinde­ren! Jullie hebben al wel vaak een wandeling gemaakt, soms door de weilanden, tussen de velden, maar ook wel eens in het bos, en soms ook zo aan de rand, waar het bos grenst aan de weilanden. Als jullie in het bos lopen, dan loop je helemaal in de schaduw; maar als je langs de rand van het bos loopt, dan kan van de ene kant de zon nog heel fel schijnen. En als het bos grenst aan een weiland, dan kun je heel rustig bekijken hoe de bloemen groeien. Het zal altijd heel goed voor jullie zijn, als je juist die plekken uitzoekt om te wandelen waar bos en weiland aan elkaar grenzen. Dan kun je altijd of in het bos of in de wei iets uitzoeken. Dan kun je steeds opnieuw zien hoe het gras groeit en in het gras de planten en bloemen groeien.

En het is wel heel lieflijk en heerlijk als je niet alleen door het bos en door de weilanden kunt lopen, maar als die weilanden dan ook nog tussen de bergen liggen, in dalen. Op zulke weiden vindt men nog veel interessantere dingen dan op weilanden die te veel zonnestralen krijgen. Weilanden in het dal, beschut door de bergen, die hebben heel mooie bloemen, en die bloemen groeien heel vaak zo dat je ze ook tussen het mos ziet dat daar in zulke dalen met weilanden veel groeit. Vooral de viooltjes, die vind je altijd in de buurt van het mos.’
En dan kan men het verder hebben over het mos en het viooltje, men kan een kind misschien een viooltje laten beschrijven en een an­der kind het mos. Men kan zelfs proberen om op die dag viooltjes en mos mee te nemen, als ze er dan zijn. Ze zijn immers in dezelfde tijd te vinden.
En dan gaat men verder: ‘Maar kijk beste kinderen, als je zo’n weidedal in de buurt hebt, dan kan het je overkomen dat je erop uitgaat en alleen maar mos ziet. Ja, en een week later ga je nog eens kijken. En wat zie je dan? Viooltjes in het mos! Die zijn uit het mos gegroeid, die hadden zich eerst in het mos verstopt. Dat moetje goed onthouden. En als je het volgend jaar weer gaat kijken, dan zul je er nog meer vreugde aan kunnen beleven. Want dan denk je: “In de lente waren hier nog geen viooltjes! We hebben er nog geen gezien.” En dan probeer je het mos wat uit elkaar te halen. Aha! Daar zit het viooltje in!

In de natuur, beste kinderen, is het dikwijls precies zoals bij de mensen. Ook daar zijn vaak heel wat goede en mooie dingen ver­borgen. Heel wat mensen worden over het hoofd gezien omdat het goede in hen is verstopt, omdat het nog niet is gevonden. Je moet er een gevoel voor ontwikkelen om onder alle mensen de goede te vin­den.

Kijk, kinderen, we kunnen het leven van de mens nog verder ver­gelijken met de natuur. Stel je eens zo’n echt goed mensenkind voor. Jullie zullen ook wel vinden dat zo’n kind ook altijd heel goede, brave dingen zegt. En nu zijn er bescheiden en onbescheiden mensenkinde­ren. Bescheiden mensenkinderen zullen je niet zo snel opvallen. Maar onbescheiden mensenkinderen, die willen gezien worden.
Tja, dat viooltje is natuurlijk heel mooi, maar als je dat viooltje zo eens bekijkt, hoe het die schattige blaadjes zo ophoudt, dan zul je toch wel merken: het viooltje wil gezien worden, wil bekeken worden. Ik kan het viooltje niet vergelijken met een bescheiden kindje dat zich terugtrekt en in een hoekje blijft zitten. Je kunt het alleen maar ver­gelijken met een kind dat eigenlijk heel graag gezien wordt. Ja, maar het laat zich toch niet zien als het in het mos verstopt is? Ja, kijk, als je dat viooltje zo bekijkt tussen de blaadjes, hoe het te voorschijn komt en hoe alles dan uit het mos kruipt, dat is toch precies zo alsof het viooltje niet alleen gezien wil worden, niet alleen geroken wil wor­den; dat is toch zo alsof het zich wil laten zoeken: “Ja, ja, ja, ja, ja, daar ben ik al! Maar je moet me wel zoeken!” Dat viooltje, dat is zoiets als een niet heel bescheiden mensenkind, maar ook zoiets als een schelm.’

Het is heel goed als men met de kinderen zulke parallellen, zulke analogieën tussen natuur en mens bespreekt, opdat alles in de nabij­heid van het kind tot leven komt.

Het zal goed zijn om dat soort besprekingen met de kinderen te hebben als voorbereiding om de kinderen van iets te laten genieten. Na het lezen van de tekst moeten er in geen geval nog verklaringen worden gegeven. Het zou toch ook onzinnig zijn als ik u nu iets in het Chinees zou gaan voordragen. U zou zeggen: ‘Dat heeft geen enkele zin; we verstaan toch geen Chinees.’ Maar als u allemaal Chinees zou verstaan, en ik zou iets in die taal tegen u zeggen, dan zou u het ui­terst saai vinden als ik u achteraf alles zou willen uitleggen. Maar zo moet men ook een leestekst aanpakken: alles doen waardoor van de tekst genoten kan worden.

Iets uitvoeriger, en terwijl u de kinderen heel veel mee laat doen, heeft u het zo over bescheidenheid en over onbescheidenheid en ko­ketterie, en dan leest u voor:

Ei, was blüht so heimlich am Sonnenstrahl?
Das sind die lieben Veilchen, die blühn im stillen Tal,
Blühen so heimlich im Moose versteekt,
Drum haben auch wir Kinder kein Veilchen entdeckt.

Und was steckt sein Köpfelein still empor?
Was lispelt aus dem Moose so leise, leis’ hervor?
‘Suchet, so findet ihr! suchet mich doch!’
Ei, warte, Veilchen, warte! wir finden dich noch!

Hoffmann von Fallersleben

Als de kinderen de taal van gedichten hebben geleerd, dan kunnen ze in alle nuances meedoen, dan hoeft u niet achteraf door commentaar en pedanterie hun indruk te bederven. Dat is het wat ik u zou willen aanraden bij de behandeling van leesteksten, omdat u daardoor de gelegenheid hebt om veel met de kinderen te bespreken wat hoe dan ook in het onderwijs thuishoort en omdat u er zo voor kunt zorgen dat zo’n tekst onverdeeld voldoening kan schenken aan de kinderen. Dat is het dus wat ik u allemaal op het hart wilde drukken met be­trekking tot de behandeling van leesteksten.[1]

Op 30 aug. 1919 komt Steiner er nog op terug: (volgt)
‘Wanneer de mens uit de geestelijke wereld afdaalt en zich met een lichaam omhult, wat wil hij dan eigenlijk? Hij wil dat wat hij voorheen in de geeste­lijke wereld ervaren heeft, realiseren in de fysieke wereld. In zekere zin is de mens voor de tandenwisseling nog volledig gericht op het verleden. Men is nog vervuld van de overgave die men in de geestelijke wereld ontwikkelt. Daarom geeft de mens zich over aan zijn omgeving door de anderen na te bootsen. En wat is nu de grondimpuls, de onbewuste grondstemming van het kind tot aan de tandenwisseling? Deze grondstemming is eigenlijk heel mooi en moet ook gekoesterd worden. Het is de stemming die er – onbewust – van uitgaat dat de hele wereld goed is. Tegenwoordig is dat niet bij alle zielen zo, maar in aanleg gaat de mens, door op aarde fysiek gestalte aan te nemen, er onbewust van uit dat de wereld moreel goed is.
Daarom is het voor de hele opvoeding tot aan de tandenwis­seling, en later nog, goed om rekening te houden met deze onbewuste grondstemming dat de wereld goed is. Toen ik twee teksten behandelde, (zie boven) met name de voorbereiding daarvan, heb ik daar ook rekening mee gehouden: deze voorbereiding stond volledig in het teken van een morele karakterisering. Bij het gedeelte over de herdershond, de slagershond en het schoot­hondje heb ik geprobeerd te karakteriseren hoe de mensenmoraal weerspiegeld kan zijn in het dierenrijk.
Ik heb bij het gedicht van Hoffmann von Fallersleben over het viooltje geprobeerd om, zonder pedant te worden, ook aan kinderen boven de zeven iets moreels bij te brengen, opdat men tegemoetkomt aan deze veronderstelling dat de wereld goed is. Dat is ook het inspirerende en grootse van kinderen, dat ze mensen zijn die geloven in het goede van de wereld en die geloven dat men daarom de wereld mag nabootsen. – Het kind leeft ook in het verleden en openbaart ons zo ook in veel opzich­ten het voorgeboortelijke verleden – niet het fysieke, maar het geestelijke verleden.’

Op 28 aug. 1919 (volgt)

 

Caroline von Heydebrand:
2e klas:
Bij het vertellen en navertellen zoekt men de overgang van het sprookje naar de fabel en dierenverhalen. Het kind is op deze leeftijd nog zo met zijn omgeving verbonden, dat het de dieren het beste begrijpt, wanneer deze als mensen optreden. Dat nu zit in de fabel. Legenden brengen harmonie voor wat aan het dier beleefd is, wanneer het kind door de legenden hoort hoe de mens naar volmaaktheid streeft. Deze zijn daardoor een noodzakelijke aanvulling op de dierenfabel en het dierenverhaal.[3]

In de passages uit Steiners voordrachten hierboven wordt (nog) niet gesproken over ‘legenden’.
Ik heb het altijd als een evenwichtige afwisseling ervaren: de ondeugden van de dieren tegenover de deugden van de heiligen.
Die afwisseling is belangrijk en mag volgens mij niet zo gehanteerd worden als ik weleens heb gezien, in een ‘periode’ fabels vertellen (gedurende  (een paar ) weken, en dan weer veel legenden). Om en om, lijkt mij.

[1] GA 295  Praktijk van het lesgeven – werkbesprekingen met leraren, blz. 58ff.
[2] GA 293 Algemene menskunde als basis voor de pedagogie, blz.144/145
[3] Caroline von Heydebrand Vom Lehrplan der freien Waldorfschule, 1965