Maandelijks archief: augustus 2013

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (24)

.

SMEDEN IN DE MICHAËLSWEEK

De spreekwoorden de handen aan de ploeg slaan’ en ‘het ijzer smeden als het heet is’, worden nog wel gebruikt, maar de eigenlijke handeling, die bedoeld wordt, kunnen we tegenwoordig nog maar weinig zien, om over het doen maar niet te spreken. Nu is het dan enkelen van ons gelukt ha­mer en aambeeld binnen de school te halen. Wat mogelijk heeft gemaakt, dat daar 6 klassen aan hebben kunnen werken tijdens onze Michaëlsviering. Drie klassen, een 7e, 8e en 9e heb ik op drie achtereenvolgende dagen bezig gezien en daar wil ik u een beeld van geven.

Natuurlijk moest eerst het vuur aangemaakt worden. Dit geeft vooral in het begin veel rook van de kolen, de geur hiervan deed mij herinneren aan kolenkachel en stoomlocomotief. Onder het toevoeren van lucht begint het gloeien en als de staven ijzer erin gelegd worden en de eerste eruit komt, roodgloeiend, dan klinkt er uit zo’n groep verbazing, verwondering. Er is er dan altijd wel een die als eerste gaat slaan en daarachter wordt het dringen. Afgesproken wordt wie achter wie komt. Nu is het niet meer alleen de geur van de kolen, maar ook de warmte die je voelt stralen en het geluid van de hamer op het aambeeld. Je moet die hamer in een heel bepaald soort ritme slaan. De zwaarte van de hamer laat nl. niet toe dat je snel achter elkaar of onregelmatig slaat. Het wordt bij iedereen een langzame, regelmatige slag, het geeft rust.

Voor de 7e klas was de hamer wel wat zwaar, hij ging met moeite omhoog. Daar werd snel iets op gevonden: de een hield de staaf vast, de ander sloeg met beide handen. De interesse was in deze groep zo groot dat ve­le taken werden verdeeld en afgewisseld, zodat iedereen wel een keer het een of ander mocht doen; zoals lucht toevoeren met behulp van een handbewogen schoepenrad, vuur onderhouden,  staven aangeven, het slaan natuur­lijk, het vasthouden van een tang met daarin een beitel om punten te maken.

De 8e klas kon heel wat beter overweg met de zwaarte van de hamer. Ook in deze groep werden de verschillende taken graag opgenomen. Al werd er nu soms wel wat te hard gedraaid, waardoor er teveel lucht werd toegevoerd, de smidse te heet werd en het metaal verbrandde. Overigens een mooi schouwspel, de boven het vuur springende sterretjes van brandende metaal­deeltjes. Maar al gauw was dit fenomeen bekend, en wist men [stukje tekst onleesbaar] s sterretjes, langzamer draaien. In deze groep werd het ijzer op zijn heetst opgediend.

Waren het in de 7e klas pijlpunten voor de draak, in de 8e klas ontston­den naast deze pijlpunten ook zwaarden.

Ook in de 9e klas verbrandde het ijzer wel eens en werd er aanvankelijk te hard geslagen. Hier kwam men op het idee een 9 en een 8 te maken voor op de deur van de klas. Dat bracht een stuk vormgeving met zich mee, waarover je moest denken. Waar te slaan, hoe te slaan om die vorm te krijgen? Zo gebeurde het meerdere malen, dat bij dit afvragen ‘waar zal ik slaan, hoe zal ik de staaf vasthouden’, het metaal al was afgekoeld, de gloed was verdwenen en het slaan geen zin meer had. De ware betekenis van het spreekwoord, ‘het ijzer smeden als het heet is’, werd ondervonden! Maar de 9 en de 8 kwamen er, en hangen nu boven de deur. Enkele 9e-klassers hebben daarna nog met veel kracht gesmeed aan een groot zwaard, dat niet meer gereed kwam, maar waaraan volgend jaar wordt doorgewerkt.

Toen de 8e klas zijn ijzer zo heet tot verbranden toe op het aambeeld bracht, brak er een flink onweer los boven Zeist; de slag van de hamer op ons aambeeld vermengde zich met de slag van de donderhamer van Donar.

(E.  Sneek, vrijeschool Zeist, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

272-257

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (23)

.

DE AARTSENGEL MICHAËL

Elk jaar weer, in het begin van de herfsttijd, vieren wij op school het feest ter ere van de aartsengel Michaël.

Wat is dit voor een feest, dat onder de traditionele christelijke feesten niet wordt gevonden? En bovenal: wie of wat is Michaël?

De overleveringen geven ons twee beelden. Het ene is dat van Michaël, die Lucifer uit de hemel stoot. Het andere is dat van Michaël als drakendoder, op vele oude schilderingen staat hij afgebeeld als een strijdbare figuur, in blinkend harnas ge­stoken, met zwaard of lans; de draak ligt doorstoken ter aarde.
Aan deze twee beelden kunnen we proberen een gevoel te ontwikkelen voor wat het we­zen van Michaël ons wil zeggen.

Maar met onze gebruikelijke wijze van denken en voorstellen stuiten we direct op problemen. Wat moet ik denken, wat moet ik me voorstellen bij het begrip “aartsengel”? We leven immers in een tijd waarin we gewend zijn alleen dat voor waar te houden, wat zichtbaar en vooral ook tastbaar is. Wij erkennen in het algemeen al­leen datgene als werkelijk, dat los van onze eigen persoon ook voor alle andere men­sen op gelijke wijze waarneembaar is. Van andere, bijv. religieuze zaken, maakt ie­der zich zijn eigen voorstellingen, die voor iedereen weer anders kunnen zijn; het behoort tot je privé-leven wat je daarmee doet.

Omdat we echter niet meer gewoon zijn een niet-materiële, geestelijke wereld te er­varen en aanvaarden, verliezen we het begrip voor de ware aard van bijv. een aarts­engelwezen. En als er dan toch over zo’n bovenmenselijk geesteswezen wordt gespro­ken, maken we ons er onwillekeurig een “menselijke” voorstelling van: Michaël als een gevleugelde jonge ridder. Zo vinden we hem terug op de vele schilderingen. Maar, deze “vermenselijkte” beelden ontstonden in een tijd, waarin de mensen zich nog nauw verbonden voelden met bovenzinnelijke, niet materieel waarneembare krachten en mach­ten. Achter de menselijke afbeelding van Michaël beleefde men nog diens onzichtbare, hogere wezen.

Is dat voor ons in 1973 ook nog mogelijk, het ervaren van bovenzinnelijke krachten en machten? Hebben die ooit bestaan? Bij de (historische) beschouwingen over de mensheidsontwikkeling gaat men er meestal eenvoudigweg van uit dat de mensen in vroegere tijden op dezelfde manier dachten en voelden als wij tegenwoordig: alleen in een veel minder ontwikkelde en gerijpte vorm. Men verklaart ontstaan en inhoud van de religies en wereldbeschouwingen veelal uit dit nog ongerijpte denken. Er wordt gewoon aangenomen dat de mensen vroeger in hun onwetendheid op fantasievolle wijze allerlei religieus getinte hulpvoorstellingen “bedachten” om  de verschijnse­len om hen heen te kunnen begrijpen, Verschijnselen, die wij nu met onze moderne natuurwetenschappen pas echt menen te kunnen verklaren.

Als je er zo over denkt is een aartsengel Michaël in feite niet veel meer dan een mooi plaatje, een interessante hulpvoorstelling uit het nog “weinig verstandige” denken van vroeger. En zeker niet iemand ter ere van wie je een feest zou moeten houden.
Maar ik wil U nu vragen met mij mee te gaan in een geheel andere gedachtegang, die dit alles in een totaal ander licht zal plaatsen. Deze zienswijze gaat ervan uit, dat alles wat de mensen vroeger als levende werkelijkheid ervoeren, ook werkelijk­heid was en zelfs nog is; dat de verschillende opvattingen door de tijden heen niet berusten op “minder verstandig” (vroeger) of “verstandig” (nu); maar dat deze ver­schillen in inzicht berusten op een veranderend bewustzijn, met steeds andere en nieuwe vermogens.

Ter illustratie hiervan twee voorbeelden: in het oude Indië beleefde de mens zich als geheel ingebed in de godenwereld, de aardse materie was voor hem niets anders dan een dunne sluier van illusies (Maya) waarachter de ware werkelijkheid van de geestelijke wereld zich bevond; nú is God dood verklaard en onze enige werkelijkheid is datgene wat we kunnen meten, tellen en wegen. De oude Indiërs “onwetend en bijge­lovig” en wij eindelijk “verstandig”? Nee, zowel de geestelijke wereld van de oude Indiër als de materiële wereld van ons zijn reëel. De grote culturen laten door­gaans slechts een eenzijdig onderdeel van het ware beeld zien, maar daardoor zijn ze nog niet onwaar.

Laten we dit nog wat verder uitdiepen om tot het eerste beeld van Michaël te komen. In oude tijden liep de mens nog aan de hand van de goden. Zelfstandig denken en han­delen, zoals nu, kon hij niet. Hij stond daarentegen, op dromerig helderziende wijze, geheel open voor de goddelijke raadsbesluiten, die hij gewillig en onvoorwaardelijk uitvoerde. Hoe is het anders te begrijpen, dat bijv. de Perzen 6000 j. v. Chr. in staat waren wilde grassen te veredelen tot kostbaar broodgraan? Iets wat de huidige geleerden met al hun kennis niet kunnen herhalen!

De goden bestonden niet alleen in de fantasie. Het waren krachten; zulke reële krach­ten dat de mensen er in hun (nog zeer onbewuste) dadenleven ook daadwerkelijk door geleid konden worden.

De goede goden hadden echter ook hun tegenmachten. Eén van die tegenmachten, voorge­steld als Lucifer, wilde zich meester maken van deze goddelijk-geestelijke denk­krachten om de mensheid op dwaalwegen te kunnen leiden. Lucifer, letterlijk licht­drager, streefde ernaar de mens een volledig kosmisch bewustzijn te geven, d.w.z. kennis en inzicht aangaande de diepste oer-gronden van het zijn. Maar als de mens­heid hier reeds zeer vroegtijdig mee in aanraking gekomen zou zijn, dan zouden wij onze lange en moeizame ontwikkelingsgang door het leven met en in de aardematerie voortijdig hebben verzaakt. Het is onze opgave door vele levens heen met behulp van de aardematerie tot zelfstandige, ik-bewuste mensen te worden. Want wij hebben ons individuele ik-bewustzijn, zoals we dat nu kennen, uitsluitend kunnen ontwikkelen dankzij het feit dat we de geestelijke wereld steeds verder de rug toekeerden en ons steeds diepgaander met de materie hebben verbonden. Waren we geheel in de goddelijk-geestelijke werelden gebleven met ons bewustzijn, dan was dat onscherp en dromend gebleven. We zouden onze persoonlijkheidskern voortdurend verliezen aan al het overweldigend geestelijke gebeuren om ons heen.

In de gang door de materie zijn we tot onszelf gekomen. Door de sterke gebondenheid aan ons lichaam kunnen we onszelf beleven tegenover iets:  ik denk wat ik denk en ik denk dat God niet bestaat. Een uiterst belangrijke stap in onze ontwikkeling tot in­dividualiteit en zelfstandigheid.

Duswat Lucifer wilde, was te vroeg. Eerst moest de mens zich nog diepgaander met de aarde verbinden. En om deze weg open te houden, greep Michaël, de beheerder van het zuivere kosmische denken, krachtig in en verdreef Lucifer uit de hemel. Een volgende stap in deze ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid vinden we dan in het beeld van Michaël met de draak. Rudolf Steiner wijst erop hoe in de 15e eeuw een geheel nieuwe bewustzijnsfase ontstaat. De tijd van Kopernikus en Galileï breekt aan. Het natuurwetenschappelijk denken, dat alles materiëel-mechanisch tracht te verklaren, komt zeer snel op. De mens wordt hierdoor steeds meer tot een zelfstan­dig wezen, dat zelf wil gaan uitmaken wat goed voor hem is. Een geweldige denkkracht leeft in ons op; uitvindingen, ontdekkingen, nieuwe staatsvormen, een enorme drang alle uithoeken van de wereld te ontdekken en te veroveren.

Wat is er gebeurd, zo plotseling? Michaël heeft de kosmische denkkracht aan de men­sen op aarde afgestaan op het moment dat zij daar rijp voor waren. Niet langer lopen we volgzaam aan het handje van de voor ons denkende en beslissende goden. De denkkracht is nu in ons, binnen het fysieke voertuig van onze lichamelijkheid. En weer dreigt een gevaar. Een andere tegenmacht treedt op: die van de duisternis, de “donkere draak”, in het Perzisch aangeduid als “Ahriman.” De Ahrimanische macht wil deze van oorsprong kosmische denkkracht geheel in dienst stellen van de materie en ons denken uitsluitend richten op het tastbare en meetbare. Deze macht is de ei­genlijke inspirator van ons materialisme, dat het besef van en de omgang met de geestelijke wereld totaal tracht uit te roeien.

Toch hebben wij ook veel aan Ahriman te danken: zijn heerschappij bracht ons een grandioze techniek en een hoge mate van onafhankelijkheid ten opzichte van de natuur. Maar de Ahrimanische machten willen meer. Zoals Lucifer ons van de aarde wil wegvoeren, in de onbewuste en onvrije geestelijke ‘zaligheid’ ( in drugs), zo wil Ahriman ons juist voorgoed aan de aardse materie vast kluisteren. Hij wil ons geheel afsnoeren van elke band, hoe teer ook, die we nog hebben met de hogere werelden. En daarmee dreigt hij ons af te snijden van de ware bron van al het leven. Daarom kan ons moderne denken zo kil, bloedeloos en onpersoonlijk, zo “Ahrimanisch” zijn, We drei­gen onze ontwakende vrijheid weer hard te verliezen. Maar ook hier levert Michaël een verbeten strijd.

De strijd van Michaël tegen de Ahrimanische drakenmachten speelt zich af in onze ei­gen ziel. Wij mensen moeten het uiteindelijk zelf doen. Michaël is sterk afhankelijk van het bewustzijn dat wij voor dit gevecht der goden opbrengen én van onze bereid­heid de draak ook in onszelf op te sporen en hem daar te bestrijden. Met de restan­ten van ons vrije, nog niet verahrimaniseerde denken kan ieder, die dat wil, de rea­liteit van de Michaëlkracht ervaren. Zonder de hulp van Michaël is onze strijd ver­loren, want onze wil is reeds te zeer verzwakt door onze verslaving aan het puur materiële bestaan.

En toch zal Michaël niet zomaar ingrijpen; onze nieuw verworven vrijheid wordt door hem geëerbiedigd als een kostbaar goed. Michaël dringt ons niets op, hij wacht af tot wij ons uit eigen inzicht en vrije wil tot hem wenden. Pas dan doorvlamt Michaël ons in onze wil en doet hij een vuur ontbranden dat ons de kracht en het enthousiasme schenkt waarmee we ons weer een levend denken kunnen veroveren: op de drakenmacht van het abstracte intellect.

Misschien kunnen we nu inzien waarom het van zo’n grote betekenis is het aartsengel­wezen Michaël in zijn volle geestelijke werkelijkheid te leren begrijpen, juist in onze tijd. Steeds verder gaat de mechanisering van de samenleving èn steeds meer wordt de levende mens gezien als een hoopje moleculen zonder geestelijke achtergrond. In dit licht staat ons streven naar een Michaëlfeest. Een feest dat vraagt om leven­de krachten voor onze stervende cultuur.

In de herfst verdorren de bladeren, ze worden hard en materieel; maar ook vlammen ze fel gekleurd op, als in innerlijke gloed en vastberadenheid. De plantenwereld legt zijn zaden in de aarde: het beeld van materiesamentrekking: binnenin ontstaat de vuurkracht die het door de duistere winter heenvoert tot kiem van een nieuw leven.

 (Maarten Ploeger, vrijeschool Amsterdam, nadere gegevens onbekend)

 

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

271-256

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (22)

.

MICHAËL

De viering van Sint-Michaël op de vrijescholen op 29 september is een
ty­pisch schoolfeest. Een feest van de school. Thuis is er van een feest dan meestal weinig te merken. En wat er dan op school gebeurt, is ook niet altijd even duidelijk. Doen ze iets bijzonders of vertellen ze alleen over Michaël? Het is een gebeurtenis die telkens ook even zo plotseling voorbij is als hij er was, zonder merkbare sporen achter te laten. Kortom: het is naast Sint-Jan eigenlijk het minst vanzelfsprekende van de vier grote christelijke jaar­feesten.

Inderdaad, bij Michaël hoort geen Advent; het plotselinge, onverwachte,
geconcentreerde zijn er meer kenmerkend voor dan het afwachten, het zich in­houden of het luisteren. Eigenlijk kan je de hele zomer en de nazomer als de “voorbereidingstijd” zien, een tijd waarin de zomerzonnewarmte naar bin­nen wordt genomen en waar rijping van de vruchten en nieuwe zaadvorming als nog geconcentreerdere warmtevorm plaatsvinden. Eind september zijn de vruch­ten dan overstelpend aanwezig. Bij Michaël horen de gaven des velds, de ge­schenken van de zomer, de hoorn des overvloeds. Toch hebben we hier niet met een dankfeest in de oude joodse zin te maken (het Loofhuttenfeest).

Het valt ons steeds moeilijker de uitbundigheid van deze vruchtenrijkdom op Michaëlsdag zelf aanwezig te laten zijn. Het zelf oogsten is daarvoor eigen­lijk een voorwaarde, en waar kun je dat tegenwoordig? Zo kan het een schok betekenen wanneer je op Michaëlsdag plotseling ergens buiten voor een deur de vruchtenkrans ziet hangen; appels, peren, druiven… Je wist niet dat de indruk zo sterk, zo overweldigend kon zijn. Een dergelijke ervaring kan dan een hulp zijn dit feest opnieuw te leren zien: de natuur heeft zijn werk voor ons gedaan en trekt zich abrupt terug en de mens voelt zich achtergelaten met de vraag “zie wat je ermee doet”. Je begrijpt dan met een feest te maken te hebben dat er eigenlijk nog niet is, dat nog geen vaste vormen heeft en ook nog niet kan hebben, het is een wordend feest, er moet eigenlijk iets ge­vierd worden dat er nog niet is. Een merkwaardig feest, waar krachten in de mensenziel worden aangesproken, die eigenlijk nog niet sterk genoeg zijn, nog onderontwikkeld en we beginnen te voelen dat dit feest pas in de toe­komst zijn volle betekenis zal kunnen krijgen.

Zo wil het Michaëlfeest vieren dus ook zeggen, het durven loslaten van wat reeds bereikt is aan ervaring, zekerheid, routine of traditie en het wakker en open zijn voor het nieuwe en onbekende zodat vanuit elk moment opnieuw geoordeeld en gehandeld kan worden. Daarvoor is de hulp nodig van “Sint Mi­chaël en de engelen” zoals de dag in de oude legenden ook officieel heet. Daar waar ik de verantwoordelijkheid geheel zelf wil dragen, als enkeling soms tegen alles in, kan dit alleen geschieden vanuit het besef daarin door de engelrijken gedragen te worden. Waarom het mensenrijk dan de tiende hiërar­chie wordt genoemd, kan je juist in deze tijd iets beginnen te zeggen.

De dichter Morgenstern drukt uit hoe hem deze verbinding bewust is geworden, wanneer hij zegt:  “Ich verbrenne an meinen eigenen Massstab”. Het eigen ik wil zich zelf zien vanuit een hoger, algemener gezichtspunt. Het wil zich zelf zuiveren en vernieuwen door het geestesvuur in zich op te nemen. Dit offeren van het eigene, wil zeggen zelf Michaëlstrijder worden. Een afglans van dit hemelvuur kan dan in de mensenziel oplichten, dat als “aardevuur” Michaël tegemoet gebracht wordt en dat onvergankelijk is:  “Nur wer sich selbst verbrennt, wird den Menschen ewig wandernde Flamme!” zegt Morgenstern, maar ook onze eigen dichter Achterberg heeft deze dwingende opgave, misschien meer in afwachtende, wensende vorm, in de volgende regels uitgedrukt:

Gebed aan het vuur

Vrome vuur, breng in mij over
uwen duur en tover;
ik ben een lege schuur,
een lover,
een landweg op het middaguur,
een afgezette passagier,
een in beslag genomen koffer,
een offerdier.

(M.Matthijsen, vrijeschool Zeist, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

270-255

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (21)

.
Hoewel dit artikel geschreven is over een concrete situatie in Rusland, is het m.i. nog steeds actueel wanneer i.p.v. Rusland aan andere landen in de wereld wordt gedacht

.

MICHAËL

Een strijd om menselijkheid

Onze tijd heeft een apocalyptisch, een onthullend karakter. Wat verborgen was treedt in het daglicht. Over één aspect daarvan wil ik het hebben.

Solschenitzyn publiceerde februari 1980 een boekje getiteld: ‘Waarschuwing’. In dat boekje stelt hij scherp tegenover elkaar Staat en Volk in het huidige Rusland. Er is een Sovjetstaat en daar tegenover een Russisch volk. Die twee hebben niets met elkaar te maken; tussen hen gaapt een diepe kloof. Wie zich in dienst stelt van de staatsmacht verbreekt zijn banden met het volk. In bijtende woorden schildert Solschenitzyn de systematische cultuurvernietiging door de Staat: het volk moet een willoze, vergetende massa worden, die er alleen voor dient de heersende kaste in stand te houden.
Volkerenmoord wordt niet geschuwd om dit doel te bereiken. Waarom is dat zo? Omdat deze tendens tot nivelleren inherent is aan het wezen van de staat, niet alleen in Rusland, maar overal. In Rusland en in alle andere landen met een dergelijk regime onthult zich dit wezen het duidelijkst door zijn almachtige positie. Het gaat om een wezen, een wezen, dat de “machtheb­bers” in zijn greep heeft.

Tegen deze staatsmacht komen steeds weer volkeren of volksgroepen in opstand. Men wil de eigen aard van het volk niet alleen redden, maar zelfs tot religie verheffen. Men tracht staten te grondvesten op de openbaringen van grote geestelijke leiders van weleer. Wéér ontstaat er een staatsmacht, die onbarm­hartig optreedt tegen alle groeperingen, die een ander volksgeloof, andere volkstradities hebben. De tendens is hier niet in de eerste plaats gericht op nivellering, maar op uitstoting van alle vreemde elementen. Daarbij wordt de klok zover mogelijk teruggezet.

Deze twee tendenzen  zijn naast elkaar, tegenover elkaar, maar ook door elkaar te vinden. Het is vaak niet gemakkelijk om ze van elkaar te onderscheiden, omdat de methodes, waarnaar gegrepen wordt, weinig van elkaar verschillen en omdat het in beide gevallen om staatsmacht gaat.

Vroeger sprak men wel van communisme tegenover fascisme, als over twee polaire ideeënstelsels. Maar van ideeën kan men eigenlijk niet spreken. Voorzover ze gebruikt worden zijn het kruiwagens, meer niet. En in de praktijk leiden ze beide regelrecht tot onmenselijkheid.

En hoe is het nu met ons in het “vrije” Westen? Kunnen we buiten een staat, kunnen we buiten een volkstraditie? Als er geen staat is, zijn er geen rechts­regels, als er geen volk is heb je geen “Huis”.We kunnen niet zonder deze twee wezens en toch moeten we het midden ertussen bewaren. Dat midden is onze eigen persoon, een persoon, die niet van twee kwaden het minste kiest, maar van twee kwaden het beste maakt, omdat hij ze geen van beide toebehoort. Volk en Staat hebben hun grenzen en ik, voorzover ik met hen te maken heb, ook.
Een grens is het tegengestelde van een compromis. Een compromis wil zeggen: Ik sta jou een grensoverschrijding toe op voorwaarde, dat ik dat ook mag op een ander punt. Vaak is echter de winst, die ikzelf meen te boeken, slechts schijnbare winst. Het is dus grenzenverdoezeling. En via de verdoezeling sluipt ook bij ons het kwaad, te ver, binnen.

Op veel terreinen zijn we daaraan gewend geraakt. Ook in de school. En hoe reageren wij daarop? Door ons vast te klampen aan het beeld van wat eens een Vrije School was. Dat beeld dreigt soms een stukje religie te worden. Het is moeilijk om een school op te bouwen, die door zijn eigen dragers veranderen kan. En de strijd om innerlijk evenwicht, die wij hiervoor moeten leveren, is een onderdeel en misschien een belangrijk onderdeel van de veel grotere strijd om dat evenwicht in de wereld, die tevens een strijd is om menselijkheid. Om kracht te vinden voor deze strijd kunnen wij ons het beeld voor de geest roepen dat Rudolf Steiner voor ons gemaakt heeft en dat de naam draagt van de Mens­heidsrepresentant: Hij, die de mensheid vertegenwoordigt. En wie is dat?

Dat is de enkele mens, het individu, die de polen Ahriman en Lucifer (de wezens, die ik hiervoren bedoelde) scheidt en vasthoudt, die tussen hen evenwicht houdt. Zo wordt ieder mens een mensheidsrepresentant. Niemand heeft dat zuiverder onder woorden gebracht dan de Russische dissident Vladimir Boekovski. Op het moment, dat mensen zoals hij op een punt van hun leven komen, dat ze van God en iedereen verlaten zijn, komt hij tot het volgende inzicht:

Alleen-zijn is een enorme verantwoordelijkheid. Met zijn rug tegen de muur beseft de mens: Ik ben het volk, ik ben de natie…….

“Waarom juist ik” , vraagt in een menigte iedereen zich af. “Alleen kan ik niets bereiken.” En allen zijn verloren.

“Als ik het niet doe, wie dan wel?” vraagt de mens, die met zijn rug tegen de muur staat. En hij redt allen.

(Wijnand Mees, Zeister vrijeschool, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

269-254

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (20)

.

HET MICHAËLSFEEST IN DE KLEUTERKLAS

De grote vakantie is weer voorbij. Uitgerust en vol verwachting stappen de kleuters weer de klas binnen. De grote kinderen hebben echt het gevoel weer “thuis” te zijn. Zij nemen nu de plaats in van de kinderen die vorig jaar de oudsten waren. De nieuwe kleuters moeten hun plekje nog vinden. Sommige kijken vol verwondering naar wat de grootsten al kunnen, weer andere kleintjes proberen stoer mee te doen. Maar allemaal zijn ze vol verwachting voor wat er gaat gebeuren. Na een paar weken als iedereen zijn plekje heeft gevonden wordt er door juffie op een morgen een nieuw lied gezongen:

De hemelpoort zal opengaan.
Sint Michael zie ik daar staan.
0, sterke held u volgen wij,
En waar gij gaat staat gij ons bij.

“Dat ken ik!” roept een meisje eigenwijs en doet extra goed haar best. Heerlijk is het om in deze tijd met de kinderen een heel kort spelletje te spelen van een prinses die door een boze trol meegenomen wordt naar zijn hol. Dan komt de prins, bevrijdt het prinsesje en neemt haar mee naar zijn kasteel waar de bruiloft gevierd wordt.

Aan het eind kan iedere kleuter genieten van het sprookje van de wolf en de zeven geitjes, of van de wolf die de twee kippetjes Witveertje en Zwartveertje verslindt. En nog meer genieten de kinderen wanneer ze horen hoe de boze wolf overwonnen wordt.

Maar ook buiten in de natuur is van alles te beleven in deze tijd. De mooie nazomer loopt ten einde en de herfststormen komen. De luchten zijn nu prachtig, groot verschil tussen licht en donker kunnen we waarnemen. De dagen worden korter, de vogels trekken weg, bladeren en vruchten vallen op de aarde. Alles verinnerlijkt zich. Ook de mensen trekken zich in hun huizen terug en gaan zich klaarmaken voor de winter. In de tuin bloeien nog de laatste bloemen in uitbundige kleuren en hoog boven alle andere de goudgele zonnebloem. Op de akker rijpt het koren. We spreken dan ook in ons ochtendspelletje van de boer die het koren gaat maaien. Wanneer wij ijverig gemaaid hebben wordt het koren gebonden. “Ik heb de dikste bos”, roept een grote jongen en laat zien hoe dik zijn bos koren wel is. Wanneer het koren droog is wordt er gedorst en gewand en daarna brengen we het samen, met paard en wagen, naar de molenaar en vragen hem of hij het voor ons tot meel wil maken. Het paard krijgt water als dank omdat het alle zware zakken naar de molen gebracht heeft. Als we een paar weken veel koren gemaaid en gemalen hebben gaan we naar de bakker en vragen we of hij van het meel brood voor ons wil bakken voor het Michaëlfeest. Natuurlijk helpen wij de bakker en de hele klas geurt naar vers gebakken brood. Op een dag komt een van de kinderen met een grote zak eikeltjes en kastanjes aanstappen. Tijdens het vrije spel maken wij daar van alles van; spinnenwebben, dieren, poppetjes, kabouters. Van de eikels van de Amerikaanse eik kunnen we goed tollen maken, een rond stukje karton knippen en kleuren en met een prikker in de eikel prikken en dan maar tollen!

Vruchten horen bij de herfst. We vinden in overvloed, overal, in de
boom­gaard, langs de weg en in het bos; kastanjes, eikels, beukennootjes en hazel­noten. Met mandjes gaan de kinderen het bos in en rapen alle vruchten op die ze vinden, ook mooie gekleurde bladeren waar we een lange slinger van rijgen en door de klas hangen. Want al die schatten die de natuur ons geeft zijn natuurlijk niet alleen om naar te kijken, maar om iets mee te doen. We maken er iets van voor de toekomst. De meest nabije toekomst is de donkere koude winter. De vruchten die de herfst ons schenkt gebruiken we om deze toekomst te kunnen verdragen en daar moeten we hard voor werken. In de vruchten leeft een nieuwe kiem, de mogelijkheid voor een nieuw leven. De vruchten geven een beeld voor de toekomst en deze vruchten worden door onze kinderen met grote overgave verzameld. Zijn onze kinderen zelf ook niet de toekomst? In de vrucht verzamelt zich het zonnelicht opdat in de toekomst iets nieuws kan ontstaan. Opdat de duisternis, de draak, overwonnen kan wor­den. Vruchten zijn het kosmische licht. Wanneer we het kleine kind dit laten beleven in alles om hem heen,  geven we het de mogelijkheid om later zelf de donkere tijden te kunnen overwinnen en de strijd aan te durven met de draak. Daarom vieren we het Michaëlfeest in de kleuterklas.

Wanneer de kinderen op 29 september op school komen kan na al deze voorbe­reidingen het Michaëlfeest gevierd worden.

In het midden van het “vertelhuisn, op een mooie doek, liggen alle vruchten die de herfst ons geeft en ook een bos koren waarbij de boer staat, met de kippen die alle graantjes wegpikken. Een van de kinderen komt op school met een grote zonnebloem “voor Michaël”. Een ander meisje dat thuis een grote tuin heeft, brengt een mand met appels mee. Deze ochtend is een bijzondere ochtend, want we zeggen niet de gewone spreuk, maar de spreuk van Michaël. Veel Michaëlliedjes worden gezongen en daarna gaan we spelen.

Maar juffie gaat niet op haar eigen plekje zitten, nee, ze gaat de tafels vast klaarmaken. Al gauw komen er kinderen die graag mee willen helpen. Tussen de bladeren worden appels en noten gelegd. Het brood wordt gesneden en gesmeerd. Bij een feest hoort ook licht en we zetten de kaarsen, die we al versierd hadden met sterren en draken op tafel en als iedereen zit neemt elke kleuter een appel en met een plukje schapen­wol worden de appelwangen net zo lang gepoetst tot ze glimmen. Een rood hoofddoekje wat we er omheen knopen maakt van de appel een appelvrouwtje en de schapenwol is het haar.

Natuurlijk gaan we ook naar buiten. Daar laten we onze zelfgemaakte
molen­tjes draaien of gooien zakjes zand met lange slingers er aan hoog in de lucht. Wat een plezier hebben de kinderen wanneer die wapperen in de wind en dan met een doffe plof op aarde komen. Tot slot wordt in de klas het poppenspel van Repelsteeltje gespeeld en na een laatste lied gaan de kinde­ren tevreden naar huis om daar het feest verder te vieren.

(C. de Pree, vrijeschool Zeist, nadere gegevens ontbreken)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel      kleuters

Peuters/kleuters: alle artikelen

.

268-253

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 10

 .

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

voordracht 1
de bladzijden verwijzen naar de vertaling van 1993

Velen – ik ook – vinden deze voordracht verre van gemakkelijk.
Hierin worden dé achtergronden van de dierkunde behandeld.

Gelukkig hoef je lang niet alles te kunnen navertellen om een goede periode dierkunde te kunnen geven – op veel andere plaatsen vertelt Steiner e.e.a. veel eenvoudiger en geeft hij in direct spraakgebruik als waren er kinderen aanwezig, voorbeelden.

Toch wil ik een poging doen bepaalde onderwerpen uit deze voordrachten nader te bekijken.

HOOFD EN ZON

Op 1 september 1919 gaat Steiner in ‘Algemene menskunde als basis voor de pedagogie’ [1] veel uitgebreider in op wat hij in ‘Opvoedkunst’, 7e vdr. [2] al had aangestipt.

– We hebben het wezen van de mens besproken vanuit het ge­zichtspunt van de ziel en van de geest. Althans, we hebben globaal belicht hoe de mens beschouwd kan worden uitgaande van geest en ziel. We zullen dat wat op deze wijze vanuit deze twee gezichtspunten bekeken is, moeten completeren door de drie gezichtspunten van geest, ziel en lichaam met elkaar te verbinden, opdat we een volledig overzicht van de mens zullen krijgen en dan over kunnen gaan tot het doorgronden, het be­grijpen van ook de fysieke verschijningsvorm.-

Voor wie moeite heeft met de inhoud van de begrippen geest en ziel zoals Steiner deze gebruikt, kunnen mijn uiteenzettingen daarover wellicht tot  hulp zijn.
Zie daarvoor mijn blog: ‘antroposofie, een inspiratie

Bij de dierkunde gaat het, wanneer aan het begin daarvan de mens wordt besproken, om de driedeling: hoofd, romp en ledematen.
Steiner wijst dan allereerst op de vorm: het ronde hoofd; de romp als segment van een kogel en de stralenvormige ledematen.

Bij die vormen horen bepaalde functies. Bij het hoofd het denken; bij de romp het voelen en bij de ledematen het doen, het willen. En bij deze vormen en functies horen nog de organen: hoofd: zenuw/zintuigorganen; romp: ademhaling-bloedsomlooporganen; ledematen: stofwisselingsorganen.
Zo wordt de indeling meestal kortweg weergegeven.

Je kunt daarin nog uitbreiden en preciezer onderscheiden:

(1) Elementair levensproces:
      bewegingssysteem, locomotie
bijbehorend deelproces:
energieverbruik – vermoeidheid
arbeidsprestatie, bijdrage aan de wereld
orgaansysteem:
 extremiteiten: benen, armen, handen

(2) Elementair levensproces:
stofwisseling, metabolisme
bijbehorend deelproces:
stofopname, stofomwerking, stofuitscheiding, excretie, reproductie
orgaansysteem:  
digestieve systeem, urogenitaal stelsel

(3) Elementair levensproces:
adem, respiratie
bijbehorend deelproces:
zuurstofopname, gaswisseling, koolzuuruitscheiding
orgaansysteem:
        ademhalingsstelse
l, respiratoire systeem

(4) Elementair levensproces:
bloedsomloop, circulatiesyteem
bijbehorend deelproces:
instromen van substantie; transport; verdeling; uitstromen van                         substantie
orgaansysteem: 
circulatiestelsel

(5) Elementair levensproces:
informatiewisseling, sturing
bijbehorend deelproces:
       opname van prikkels; verwerking van de prikkels, beantwoorden van de        prikkels
 orgaansysteem:
 zintuigorganen, zenuwsysteem,  endocriensysteem [3]

Wanneer je met de kinderen in de 4e klas naar de mens kijkt, gaat het eigenlijk alleen maar om de elementaire drieledigheid: hoofd, romp en ledematen. 

Nieuw is dat Steiner de vormen van hoofd, romp en ledematen verbindt met de kosmos: het hoofd met de zon; de romp met de maan en de ledematen met de sterren.

Eerst zullen we ons nogmaals te binnen brengen wat ons vanuit verschillende perspectieven moet zijn opgevallen: na­melijk dat de mens in de drie gebieden van zijn wezen verschil­lende vormen heeft. We hebben erop gewezen (GA 294/7e vdr) dat de vorm van het hoofd in essentie die van de bol is, en dat deze bolle vorm van het hoofd het eigenlijke, lichamelijke wezen van het men­selijk hoofd uitdrukt. Vervolgens hebben we erop gewezen dat de borst van de mens een fragment van een bol is, zodat we dus – wanneer we het schematisch tekenen – het hoofd een bolle vorm en de borst de vorm van een maansikkel kunnen geven en het ons zodoende duidelijk is dat deze maansikkel een fragment, een deel van een bol is. Met andere woorden, we kunnen de sikkelvorm van de menselijke borst completeren. En u zult dit middengebied van het wezen van de mens, de vorm van de borst, slechts dan op de juiste wijze zien, wanneer u ook dit als een bol beschouwt – maar dan als een bol waarvan slechts een gedeelte, een sikkel, zichtbaar is en waarvan het andere gedeelte onzichtbaar is [zie tekening 1].

dierkunde Steiner 2

Daaraan kunt u wellicht zien, dat men in vroeger tijd, toen men meer dan later het vermogen had vormen te zien, geen ongelijk had, wanneer men zei dat de vorm van het hoofd overeenkomt met de zon en de vorm van de borst met de maan. En zoals men ook slechts een fragment ziet van de maan, wanneer ze niet vol is, zo ziet men in de vorm van de borst eigenlijk slechts een fragment van het middengebied van de mens. U ziet dus dat het hoofd van de mens hier in de fysieke wereld een tamelijk voltooide vorm heeft. De vorm van het hoofd manifesteert zich fysiek als iets voltooids. Ze is als het ware helemaal zoals zij zich voordoet. Ze verbergt het minst van zichzelf.

In de 7e vdr. “Opvoedkunst” zegt Steiner dat je dit zou kunnen boetseren, uit was, of brooddeeg.
Ik heb dat in al mijn 4e klassen gedaan. Je kunt er nog bepaalde gezichtspunten bij in de praktijk brengen, al hoeft dit niet. Ik heb het hoofd weleens uit blauwe bijenwas gemaakt – blauw als kleur van ‘het koele’ dat bij de functionaliteit van het hoofd hoort als het ‘koele’ denken. Geel voor de stralende ledematen en groen als midden tussen blauw en geel.
Toen ze klaar waren, zeiden kinderen altijd: ‘net babytjes’.
Ik vond de vorm eigenlijk net een embryo.

dierkunde Steiner 5

Wie schetst mijn verbazing toen ik in een boek van Blechschmidt [4] deze foto zag:

dierkunde embryo 1

Foetus op het einde van de 3e maand, 75 mm lang. Je ziet de figuur weer waarover in de voordracht wordt gesproken. [4.1]

Plato:
Welnu, allereerst moet ge dan iets weten over de gedaante van de mens en zijn gevoelens. Want onze allereerste verschijningsvorm als mens was heel anders dan nu. Zo waren er, wat het menselijk geslacht betreft, drie soorten en niet twee zoals tegenwoordig het mannelijk en het vrouwelijk geslacht. Nee, er bestond ook een derde geslacht dat het gemeenschappelijke van de twee andere in zich droeg. Nu bestaat alleen de naam ervan nog, en de geslachtsvorm zelf is verdwenen. In de oertijd was er dus een man/vrouw-vorm die bestond uit het gemeenschappelijke tussen man en vrouw, zowel in naam als in vorm. Nu kennen wij dat begrip nog uitsluitend als een scheldwoord. De verschijningsvorm van ieder mens was toen bovendien helemaal rond, want rug en zijde waren cirkelvormig. Ieder mens had vier handen en evenveel benen. Bovendien had hij twee gezichten die geheel identiek waren en op een ronde nek stonden. Maar op de beide gezichten, die een tegengestelde kant uitkeken, was een schedel geplaatst. Wel waren er vier oren, twee geslachtsdelen en voorts alle andere organen in hun overeenkomstige verhouding. Het schepsel liep rechtop, net als wij, en kon gaan waar het wilde. En wanneer die mens het op een lopen zette, deed hij dat als een ware acrobaat met gestrekte benen die in een cirkelvormige beweging rond- en rondgingen, en ook zijn armen gebruikte hij zodat hij op acht ledematen steunde die razendsnel rondgingen.

Het bestaan van deze drie geslachtssoorten en hun verschijningsvorm vond zijn oorzaak in het feit dat het mannelijk principe uit de zon te voorschijn is gekomen en het vrouwelijk uit de aarde, terwijl het geslacht dat het midden houdt tussen beide van de maan afstamt. Want ook de maan houdt het midden tussen twee: de aarde en de zon. Zij waren allemaal bolvormig en leken sterk op elkaar, zowel in wezen als in vorm, omdat zij op hun ouders leken. Bovendien kenmerkten zij zich door hun grote kracht en macht en hun geestkracht was zo groot dat zij zelfs samenzweerden tegen de goden. Van hen wordt dan ook hetzelfde verhaal verteld als Homeros vertelde over Ephialtos en Otos, die de hemel wilden bestormen om de goden te bevechten. Daarop overlegden Zeus en de andere goden wat hun te doen stond, maar zij konden geen raad schaffen. Enerzijds hadden zij de middelen niet om het menselijk geslacht uit te roeien zoals zij met het geslacht der giganten hadden gedaan, dat ze door middel van de bliksem verdelgden. Met de mensen was dat niet mogelijk, want dan zouden tevens alle eerbewijzen en offers, die immers van hen afkomstig zijn, verdwijnen. Anderzijds konden de goden dit opstandig gedrag toch niet toestaan. Maar ten langen leste kreeg Zeus een ingeving en sprak: ‘Ik geloof dat we toch over het middel beschikken om een eind te maken aan de opstandige goddeloosheid van de mensen zonder hen uit te roeien; dat is mogelijk door ze te verzwakken. Want ik zal nu ieder van hen doormidden snijden en door hun groter aantal zullen zij tegelijkertijd nuttiger voor ons, goden, worden. Zij zullen rechtop lopen op twee benen, maar als zij doorgaan met hun opstandig gedrag en zich niet rustig houden, dan zal ik ze nogmaals doormidden klieven zodat zij eenbenig door het leven moeten.’ Zo sprak hij, en tegelijkertijd sneed hij alle menselijke wezens in tweeën. Het leek net de kwalsterbezievrucht die men doorsnijdt om die te drogen, of op het doorsnijden van een ei met een haar. En bij het doorklieven van ieder menselijk wezen droeg hij Apollo op om gezicht en hals een halve slag te draaien naar de kant van de snede zodat ieder mens bij het zien van zijn eigen wond weer tot bezinning zou komen. En voorts droeg hij Apollo op om de wonden te genezen. Dus draaide Apollo het gezicht van alle mensen een halve slag en trok hij de huid van de zijkanten bijeen en legde de huid op wat voortaan de buik wordt genoemd: het leek net op het dichttrekken van een beurs met een koordje. In het midden van de buik liet hij een kleine opening, wat wij nu de navel noemen.De vele andere huidplooien streek hij glad, terwijl hij beide borsthelften in de borstkas met elkaar verbond. Dat deed hij met een bepaald instrument dat lijkt op wat leersnijders gebruiken wanneer zij de geplooide vellen leer over hun leest leggen om ze glad te maken. Toch liet hij een paar plooien zitten en wel bij de maag en bij de navel als blijvende herinnering aan deze jammerlijke gebeurtenis. Toen dus de mens zag dat zijn gedaante in tweeën was gesneden, ontstond in iedere helft het verlangen om weer samen een geheel te vormen, en zo legden ze de armen om elkaar heen in een innige omhelzing, ernaar verlangend dat de aparte delen weer aaneen zouden groeien. En ze dreigden van honger en uitputting om te komen, omdat zij weigerden iets los van elkaar te ondernemen. En wanneer de ene helft stierf en de andere dus alleen achterbleef ging die helft op zoek naar een wederhelft en omhelsde vervolgens de eerste de beste helft van een hele vrouw of van een man die hij vond (want nu waren man en vrouw gescheiden). Op deze manier ging het mensenras zijn ondergang tegemoet. Maar Zeus had medelijden met de mens en verschafte nog een ander middel door hun geslachtsdelen naar de voorzijde van het lichaam te verplaatsen. Want tot op dat ogenblik hadden zij ook hun geslachtsdelen aan wat oorspronkelijk de buitenkant was en zij plantten zich niet voort door elkaar te bevruchten, maar in de aarde zoals krekels doen. Die organen verplaatste hij dus naar de voorkant waardoor hij het voortplantingsproces naar het lichaam zelf verlegde, met het mannelijk lid in het vrouwelijk deel. Hij deed dit met de bedoeling dat wanneer een man in zijn omarming een vrouw trof, een verwekking kon plaatsvinden en het mensenras zou blijven voortbestaan. Maar wanneer een man een man trof, zou uit dat samenzijn tenminste bevrediging en rust kunnen voortkomen waardoor zij aan het werk zouden gaan om hun brood te verdienen. Zo is dus sinds die scheiding bij de mensen het liefdesverlangen ingeplant, waardoor de oorspronkelijke staat van de mens weer wordt hersteld en tevens de wens ontstaat om uit twee een te maken en de oorspronkelijke natuur van de mens te helen. [5]

ZON EN HOOFD
Wanneer de zon aan een heldere hemel ondergaat en de horizon nadert, kun je de ronde vorm prachtig zien. Dat geldt ook wanneer deze opkomt: langzaam, maar toch vrij snel verschijnt ze als segmentje om daarna in haar volle rondheid boven de kim uit te stijgen. De schemering die voorafging aan haar verschijnen verdwijnt en de wereld ‘gaat een licht op’.  De ochtendnevel verdwijnt: het wordt warmer.

Diezelfde ronde vorm is ook waar te nemen bij een zonsverduistering. Bij dit proces lijkt het wel op de wereld de adem inhoudt. Indrukwekkend hoe stil alles wordt; hoe het lijkt of het leven op aarde ophoudt; het wordt donker – niet ‘aardedonker’- en de dieren maken geen geluid meer. Het vogelgezang verstomt; de mensen zwijgen. Wanneer de zon dan weer begint te verschijnen verkeert dit proces in zijn tegendeel: alles komt weer in beweging: de vogels kwetteren; een haan kraait; de mensen praten weer met normaal stemgeluid; vanuit de hemel komt het verblindende licht weer naar je toe.

De zon = leven. Leven is ritme: dag en nacht; de seizoenen. Tijd. Maar ook ruimte: zonder de aanwezigheid van licht zouden we die in de drie dimensies niet kunnen beleven.

In liederen en gedichten wordt de zon bejubeld. Ze is de onvoorwaardelijke voorwaarde voor het leven.

Franciscus van Assisi

‘Wij danken U, o Heer
Voor al Uw scheppingen.
En wel het meest voor zuster Zon
Die ons verlicht en warmte geeft.
Haar schone stralende flonk’rende pracht
Getuigt, o Heer, van Uw godd’lijke macht.

Hans Andreus (1926-1977)

Liggen in de zon

Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht.

Ik lig languit lig in mijn huid te zingen
lig zacht te zingen antwoord op het licht
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
te zingen van het licht dat om en op mij ligt

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder
te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
er ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.

Maria Vasalis

RA

De ochtendstond onthulde zijn gezicht
gegoten door het duister van de nacht.
Hij sliep, maar door de vingren van het licht
werden zijn trekken langzaam naar omhoog gebracht.

Het voorhoofd hoog, gekoepeld als een oude tempel,
’t verzegeld heiligdom der ogen in een donkre nis
onder de dubbele streng-getrokken drempel,
de neus gekromd, de mond verlengd in droefenis.

Zo lag hij neer, toen zag ik zijn gestrekte armen
als vleugels aan weerskanten uitgespreid.
Eenzaam, buiten bereik van elk erbarmen
maar in uiteindelijke onkwetsbaarheid.

Ik waakte en zag, in eerbied en in vrezen:
hij was een vogel en een god, nachtlijks gestorven,
dagelijks herrezen.

0-0-0

Heel het plantendek over de aarde is a.h.w. een antwoord op de verhouding ervan t.o.v. van de zon; drukt de relatie uit die het heeft met ‘de hemel’.

Dit is o.a. onderwerp in de plantkundeles in klas 5, zoals hier beschreven.

Voor het leven betekent de zon zoveel, dat we haar gerust het centrale punt van de kosmos kunnen noemen, maar ook de belangrijkste planeet.

Wanneer ze ’s morgens opgaat, gaat de aarde letterlijk een licht op. Daardoor wordt weer zichtbaar hoe de voorwerpen zich tot elkaar in de ruimte verhouden: we zien het weer voor ons. Er is weer orde. Is het toeval dat wij – wanneer ons iets duidelijk wordt – zeggen dat er ons een licht opgaat? Is het toeval dat we spreken van ‘ons licht ergens over laten schijnen’ wanneer we bedoelen dat we willen weten hoe ‘het ene’ zich t.o.v. ‘het andere’verhoudt?

Klaarheid, helderheid, overzicht zijn zonder de zon op aarde niet mogelijk. De verwantschap met ons denken is duidelijk zichtbaar. Zoals de zon–voor onze be-leving – het centrale punt van de kosmos is – zo is ons denken het centrale punt vanwaaruit wij licht werpen op onze leefwereld. Met klaarheid, helderheid en overzicht staan wij als denkende wezens in de wereld.

Ons hoofd met het denken, gecentreerd in de hersenen in onze schedel is in bovenstaande vergelijking een soort zon.

Aan het hoofd van het embryo en de pasgeborene, zelfs nog bij oudere baby’s is duidelijk het ronde, de bol- de kogelvorm waarneembaar, zelfs nog bij de kin.

dierkunde baby

[6]

Bij de hoofdvorm die we waterhoofd noemen, is de bolvorm nog sprekender.

dierkunde waterhoofd

[7]

Hoewel aan het kind zowat alles nog verandert, is het toch in het oog springend dat de schedelvorm – met de oren – eigenlijk niet meer verandert, alleen groter wordt. Het gezicht, de borst en de ledematen veranderen gedurende het hele leven.

dierkunde baby 2

[8]

De oren lijken al bijna ‘klaar’. Zij veranderen niet meer, worden alleen groter.

In dit opzicht is de gedachte niet zo vreemd, dat het hoofd – de schedel – ‘oud’ is; de rest van het lichaam nog ‘jong’. Dit moet zijn vorm, die ook nooit definitief wordt, nog krijgen. De definitieve vorm lijkt die van het gestorven lichaam te zijn.

Gezichtsschedel, romp en ledematen zijn onderhevig aan de grootste veranderingen.

dierkunde grijsaard

Deze 90 jaar oude Jagan-Indiaanse was in 1950 een der 9 laatste Jagans die van dit volk overgebleven waren [9]

Bij het ouder worden komt het eigen gezicht steeds meer uit de bol/kogeltendens te voorschijn.

Zeer vruchtbaar om tot beter inzicht te komen, is de opmerking van Steiner dat de werkelijkheid pas tot ons begint te spreken wanneer we deze in tegenstellingen proberen te zien.

Wanneer je er op begint te letten, zie je dat Steiner dit ook doet: denken tegenover willen; geest tegenover lichaam; wakker tegenover slaap, enz.

De gelaatsuitdrukking van de baby tegenover die van de grijsaard is op bovenstaande foto’s duidelijk waarneembaar. De neus en de kin zijn bij de eerste nog nauwelijks ontwikkeld; bij de grijsaard bijna tot een afsluiting gekomen.
Je kunt je dus afvragen welke krachten hier werkzaam zijn.
Steiner heeft daarover veel gezegd, o.a. in GA 294.
Daar gaat het bv. om krachten die vanuit het hoofd werkzaam zijn in de rest van het lichaam en tegenovergestelde krachten, die werken vanuit het lichaam op het hoofd.
Ook werkt hij dit nog zo uit dat hij van bepaalde onderwijsvakken zegt dat ze de krachtenstroom vanuit het hoofd versterken ( al dan niet negatief) en dat er door deze vakken vanuit het lichamelijke op het hoofd gewerkt wordt (al dan niet negatief).
En dan zijn er nog de krachten die vanuit het lichamelijke ‘naar buiten’ werken en krachten die vanuit de periferie ‘naar binnen’ werken.

Wie ‘denken, voelen en willen’ als leidraad gebruikt om mens en wereld beter te begrijpen, zal, wanneer het denken nader onderzocht wordt, dit als functie van de in het hoofd aanwezige hersenen opvatten. En dat dit denken zich veelal uit in het hebben van voorstellingen. Deze komen tot stand door onze zintuigen. Eerst zien we iets concreets; later kunnen we ons dit als (voorstellings)beeld weer voor de geest! roepen.
Maar dit beeld is t.o.v. het concreet aanschouwde, onstoffelijk maar ook ‘nieuwer’; soms zie je bij de bakker een poster hangen van een heerlijk uitziende taart. Je kunt er zeker van zijn, dat die concrete taart allang weg is: opgegeten, bedorven, in de compostbak. Het beeld leeft voort. Dat kan er na jaren nog zijn, zoals we beseffen wanneer we het fotoboek van onze jeugd opslaan.
Het is niet vergezocht, vind ik, dat ‘hoofd’ als voorstellingsorgaan, met ‘oud’ kan worden geassocieerd.
Wanneer jouw leidraad om mens en wereld te onderzoeken ook wordt een keuze voor het standpunt dat het leven niet uit de dood ontstaat, maar de dood uit het leven, m.a.w. dat niet de materie het leven voortbrengt, maar het leven de materie nodig heeft zich te manifesteren, kun je niet om het begrip ‘reïncarnatie’ heen. In dit verband is ‘vorig’ ‘oud’ en de al zo ver volmaakte schedelvorm bij de pasgeborene kan in dit opzicht ‘oud’ genoemd worden. (Soms gaat dit zelfs zo ver dat bepaalde baby’s – die te laat? werden geboren er de eerste dagen als oude mannetjes of vrouwtjes uitzien – in hun gezicht vooral, dat er later weer heel jong! uitziet).

In GA 201 zegt Steiner:
( ) De schedelbeenderen worden gevormd door die krachten die op de mens inwerken tussen dood en nieuwe geboorte ( ). 
De bouw en functionaliteit van het hoofd (Hauptesorganisation) zoals wij die zien tussen geboorte en dood, is het gevolg van die vormingsprocessen die plaatsvonden vanaf de laatste dood tot aan de aardse belichaming in dit leven. 
Het hoofd brengen wij mee wanneer we worden geboren. Daarom is het hoofd eerst niet aangepast aan de aardse verhoudingen, maar aan de verhoudingen die eigenlijk buitenaards zijn.
Het hoofd krijgen we als het resultaat van de vorige incarnatie, als voorstellingsdrager; maar de wilskrachten gaan vanuit de rest van het organisme uit.10]

Het ‘oude’ betreft dus vooral de hersenschedel met de ‘zonnevorm’.
Het nieuwe voor de nieuwe incarnatie drukt zich uit in de ontwikkeling van de borst en de ledematen die weerspiegeld worden in de aangezichtschedel: de borst (adem) in de neus; de ledematen (stofwisseling) in de mond met de beweeglijke onderkaak.

BORST EN MAAN
Het borstgedeelte verbergt al heel veel van zichzelf; het laat een deel van zijn wezen onzichtbaar. Voor het inzicht in het wezen van de mens is het zeer belangrijk voor ogen te houden, dat een groot stuk van het borstgedeelte onzichtbaar is. En zo kunnen we zeggen: het borstgedeelte toont aan de achterkant zijn fysieke verschijningsvorm, naar de voorkant gaat het over in de ziel. Het hoofd is geheel en al lichaam; de borst van de mens is naar achteren toe lichaam en naar voren toe ziel. Het werkelijk lichamelijke aan ons is dus alleen het hoofd dat op de schouders rust. We hebben lichaam en ziel doordat we in onze borst, als afgezonderd deel van de gehele borst, de ziel opne­men en laten werken.

Hier heb ik iets beschreven van de fysieke bouw van de mens. Wat de botvorming betreft, staat het hoofd met zijn verstarde, vast geworden schedelbotten, het dichtst bij wat aan karakteristieks voor het fysieke is gevonden: het levenloze, meest verdichte, doodse, onbeweeglijke. Tegenover de beweeglijkheid van de ledematen. De romp neemt een  – letterlijke – middenpositie in. De botten van de wervelkolom verdichten zich naar boven toe en openen zich naar onder, in de zwevende ribben die a.w.h. ook ledemaat zouden willen worden.

De wervelkolom vertoont in zijn bouw een sterk ritme, maar ook de organen van de borst: hart en longen zijn bij uitstek de organen waar het ritme direct zichtbaar is.

 

dierkunde embryo 2

de maanvorm in: Embryo in week 5  [4] [4.2]

Nu zijn er in deze beide delen van de mens ledematen in­geplant, uiterlijk gezien vooral in het borstgedeelte. Het derde deel is immers de ledematenmens. Hoe kunnen we de ledematenmens nu eigenlijk begrijpen? De ledematenmens kunnen we alleen begrijpen, wanneer we voor ogen houden dat bij de lede­matenmens andere stukken van de bolvorm zijn overgebleven dan bij de borst. Bij het borstgedeelte is een stuk van de perife­rie overgebleven. Bij de ledematen is meer iets van het binnen­ste overgebleven, van de radiussen van de bol, zodat de binnen­ste delen van de bol dus de ledematen vormen.

Het werkt echter niet – zoals ik u al zo vaak heb gezegd -wanneer men de verschillende delen slechts schematisch met elkaar in verband brengt. Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven. We zeggen: we hebben de ledematenmens en die bestaat uit de ledematen. Maar nu moet u weten dat ook het hoofd zijn lede­maten heeft. Wanneer u de schedel nauwkeurig bekijkt, dan vindt u daaraan onder andere de boven- en onderkaak [zie tekening 2]. Die zitten er net als ledematen aan. De schedel heeft ook zijn ledematen; de boven- en onderkaak zijn als lede­maten aan de schedel bevestigd. Alleen zijn ze aan de schedel onderontwikkeld. Ze zijn tot volle wasdom gekomen aan de rest van de mens, maar aan de schedel zijn ze verkommerd – daar zijn ze eigenlijk alleen vormingen van het bot. En er is nog een verschil: wanneer u de ledematen van de schedel, de onder- en bovenkaak dus, bekijkt, dan zult u zien dat zich daarbij voorna­melijk de werking van het bot manifesteert. Wanneer u de ledematen aan ons lichaam bekijkt, dus het eigenlijke wezen van de ledematenmens, dan zult u de essentie moeten zoeken in de omhulling met de spieren en bloedvaten. In zekere zin zijn de botten in onze armen, benen, handen en voeten alleen maar aanwezig ten behoeve van ons spier- en bloedstelsel. En in zekere zin zijn bij de boven- en onderkaak – als ledematen van het hoofd – de spieren en bloedvaten geheel onderontwikkeld. Wat betekent dat? De wil bedient zich van bloed en spieren, zoals we al gehoord hebben. Daarom zijn voor de wil hoofdza­kelijk de armen, benen, handen en voeten gevormd. Bloed en spieren – de voornaamste dienaren van de wil – zijn tot op ze­kere hoogte onthouden aan de ledematen van het hoofd, omdat daarin ontwikkeld moet zijn wat naar het intellect, naar het kennende denkvermogen neigt. Wilt u dus bestuderen hoe de wil van de wereld zich in de uiterlijke vormen van het lichaam openbaart, bestudeert u dan armen en benen, handen en voe­ten. Wilt u bestuderen hoe de intelligentie van de wereld zich openbaart, bestudeert u dan het hoofd als schedel en kijkt u hoe het uit botten is opgebouwd en hoe aan het hoofd de boven- en onderkaak vastzitten – en ook andere delen die er als ledematen van het hoofd uitzien. U kunt namelijk overal de uiterlijke verschijningsvormen beschouwen als openbaringen van het in­nerlijk. En u begrijpt de uiterlijke vormen slechts, wanneer u ze ook als openbaringen van het innerlijk ziet.

Ik heb altijd geconstateerd dat het voor de meeste mensen heel moeilijk te begrijpen is welk verband er bestaat tussen de pijpbeenderen van armen en benen enerzijds en de platte been­deren van het hoofd anderzijds. Het is juist voor een leraar goed om zich hier een begrip eigen te maken dat volstrekt niet gang­baar is. En daarmee komen we bij een heel, heel moeilijk hoofd­stuk, misschien voor ons voorstellingsvermogen wel het moeilijkste dat we moeten behandelen in deze pedagogische voordrachten.

U weet dat Goethe als eerste zijn aandacht heeft gericht op de zogenaamde werveltheorie van de schedel. Wat wordt daar­mee bedoeld? Daarmee wordt bedoeld: de toepassing van de idee van de metamorfose op de mens en zijn verschijnings­vorm. Wanneer je de wervelkolom van de mens bekijkt, dan zie je, zoals u weet, dat de ene wervel boven de ander ligt. Het ruggenmerg gaat daar doorheen. We kunnen dan één wervel met zijn uitstulpingen apart nemen [Rudolf Steiner schetst een wervel]. In Venetië heeft Goethe aan de hand van de schedel van een schaap als eerste waargenomen dat alle botten van het hoofd omgevormde ruggenwervelbotten zijn. Dat wil zeggen, wanneer men zich voorstelt dat bepaalde organen groter zijn geworden en andere organen kleiner, dan krijgt men uit deze wervelvorm het schaalvormige bot van het hoofd. Op Goethe heeft dat een grote indruk gemaakt, want hij heeft daaruit moe­ten concluderen – wat voor hem van grote betekenis was – dat de schedel een gemetamorfoseerde, een op een hoger plan om­gevormde wervelkolom is.

Men kan nu betrekkelijk gemakkelijk inzien dat de botten van de schedel door omvorming, door metamorfose, zijn ont­staan uit de wervels van de ruggengraat. Maar nu wordt het heel moeilijk om ook de botten van de ledematen als omvorming, als metamorfose van de wervels, respectievelijk de botten van het hoofd, op te vatten. Het is al moeilijk bij de ledemaatbotten van het hoofd, dus bij boven- en onderkaak. Goethe heeft dit ge­probeerd, maar nog op een uiterlijke wijze. Waarom is dat moeilijk? Nu, dat berust op het feit dat ieder bot van het lichaam dat buisvormig is wel degelijk ook een metamorfose, een omvorming van het bot van het hoofd is – maar op een heel bijzondere wijze. Men kan zich vrij eenvoudig voorstellen dat de ruggengraatwervel gemetamorfoseerd wordt tot het bot van het hoofd, door zich sommige delen vergroot en andere ver­kleind voor te stellen. Maar het lukt niet zo gemakkelijk de stap te maken van de pijpbeenderen van armen of benen naar de botten van het hoofd, die schaalvormig zijn. Als u dit wilt bereiken, dan moet u namelijk eerst een bepaalde procedure volgen. U moet met de pijpbeenderen van armen en benen hetzelfde doen, wat u zou doen als u bij het aantrekken van een kous of handschoen deze eerst binnenstebuiten zou keren: u moet het binnenste eerst naar buiten keren, u moet het omstul­pen. Nu is het vrij eenvoudig zich een handschoen of kous binnenstebuiten gekeerd voor te stellen. Maar het pijpbeen is niet gelijkmatig gebouwd. Het is niet zo dun, dat het binnen en buiten op dezelfde wijze gevormd is. Het is binnen en buiten verschillend gevormd. Zou u uw kous zo construeren, dat u hem aan de buitenkant een kunstzinnige vorm geeft met allerlei uitstulpingen en holtes, en zou u hem dan elastisch maken en omkeren, dan zou u aan de buitenkant niet meer dezelfde vorm krijgen die zich na omkering aan de binnenkant bevindt. En zo is het ook bij het pijpbeen. Men moet het binnenstebuiten keren, dan ontstaat de vorm van het bot van het hoofd, zodat de menselijke ledematen niet alleen gemetamorfoseerde botten van het hoofd zijn, maar bovendien ook nog binnenstebuiten gekeerde.

Waarom is dat zo? Dit is zo, omdat het hoofd zijn middel­punt ergens in zichzelf heeft: een concentrisch middelpunt. De borst heeft haar middelpunt niet in het midden van de bol; het middelpunt van de borst is heel ver weg. Dat is hier in de tekening slechts fragmentarisch weergegeven, want het zou een heel grote tekening worden, wanneer alles erop zou moeten staan. De borst heeft een middelpunt dat heel ver weg is.

En waar is het middelpunt van het ledematenstelsel? Met deze vraag komen we op de tweede moeilijke kwestie. Het lede­matenstelsel heeft zijn middelpunt in de gehele periferie. Het middelpunt van het ledematenstelsel is een bol – het omge­keerde dus van een punt. Het oppervlak van een bol. Dat mid­delpunt is eigenlijk overal; daardoor kunt u naar alle kanten bewegen; van alle kanten richten de stralen van de bol zich naar binnen. Ze verenigen zich met u.

Wat in het hoofd is, gaat van het hoofd uit; wat door de ledematen gaat, gaat naar binnen en concentreert zich daar. Daarom ook moest ik in de andere voordrachten zeggen: u moet zich de ledematen voorstellen als zijnde ingeplant. Wij zijn werkelijk een hele kosmos, alleen wat daar van buitenaf in

dierkunde Steiner 3

ons door wil stralen, dat verdicht zich slechts aan het uiteinde en wordt alleen daar zichtbaar. Een minuscuul deeltje van wat we eigenlijk zijn, wordt zichtbaar in onze ledematen, zodat de ledematen weliswaar iets fysieks zijn, maar slechts een miniem deeltje van wat eigenlijk leeft in de ledematen van de mens: het geestelijke. Lichaam, ziel en geest leven in het ledematenstelsel van de mens. Het lichaam is slechts in aanzet aanwezig; maar in de ledematen leven ook de ziel en de geest, welke in feite de gehele kosmos omvat.

Nu zou men ook nog een andere tekening van de mens kun­nen maken. Men zou kunnen zeggen: de mens is in de eerste plaats een reusachtige bol, die de gehele kosmos omvat; vervol­gens een kleinere bol en een nog kleinere. Alleen de kleinste bol wordt geheel zichtbaar; de grotere bol wordt slechts ten dele zichtbaar; de grootste bol wordt alleen zichtbaar aan de uitein­den van de stralen – de rest blijft onzichtbaar. Zo heeft de mens vanuit de kosmos zijn vorm gekregen.

dierkunde Steiner 4

We keren terug naar het middengebied, het borststelsel, waar het hoofdstelsel en het ledematenstelsel samengaan. Wanneer u kijkt naar de ruggengraat met de aanhechtingen van de ribben, dan zult u zien dat dat de poging is zich naar voren toe af te sluiten. Van achteren is het geheel afgesloten, naar voren toe is het bij een poging gebleven: het afsluiten lukt niet helemaal. Hoe dichter de ribben bij het hoofd liggen, des te meer lukt het hun zich af te sluiten, maar hoe verder ze naar onderen liggen, des te minder lukt het. De laatste ribben sluiten zich niet meer aaneen, aangezien ze daar tegengewerkt worden door de kracht die van buiten komt en in de ledematen leeft.

De Grieken hadden nog een zeer sterk bewustzijn van deze samenhang tussen de mens en de gehele macrokosmos. En de Egyptenaren wisten het heel goed, maar hun kennis was enigs­zins abstract. U kunt dat ook aan Egyptische of andere oude beelden zien, waarin deze gedachte over de kosmos tot uitdruk­king wordt gebracht. U begrijpt niet wat de mensen in vroeger tijd gemaakt hebben, wanneer u niet weet dat ze dat gemaakt hebben in overeenstemming met hun geloof: het hoofd is een kleine bol, een wereldlichaam in het klein; de ledematen zijn een deel van het grote wereldlichaam waar dit overal met zijn stralen in de menselijke gestalte dringt. De Grieken hadden daarvan een mooie, harmonische voorstelling – daarom was hun ruimtelijke vormgeving ook zo goed en waren ze zulke goede beeldhouwers. Ook tegenwoordig kan niemand de plasti­sche kunst werkelijk doorgronden, wanneer hij zich niet be­wust wordt van deze samenhang van de mens met de kosmos. Anders aapt hij alleen maar gebrekkig en uiterlijk de vormen van de natuur na.

Nu zult u, beste vrienden, juist naar aanleiding van wat net gezegd is kunnen inzien, dat de ledematen meer op de wereld zijn gericht en het hoofd meer op de individuele mens is ge­richt. Waarnaar zullen de ledematen dus met name gericht zijn? Naar de wereld, waarin de mens zich beweegt en zelf zijn positie voortdurend verandert. De ledematen zullen in verband staan met de bewegingen van de wereld. Neemt u dat goed in u op: de ledematen zijn betrokken op de bewegingen van de we­reld.

In ons bewegen, in ons handelen in de wereld, zijn we ledematenmens. En wat is nu de taak van ons hoofd ten opzichte van dit bewegen van de wereld? Ik heb u al vanuit een ander perspectief gezegd dat het hoofd op de schouders rust. Het hoofd heeft ook de opgave om voortdurend het bewegen van de wereld in zichzelf tot rust te brengen. Wanneer u zich met uw geest verplaatst in het hoofd, dan kunt u zich daarvan een goed beeld vormen door u even voor te stellen dat u in een trein zit; de trein beweegt vooruit en u zit er in alle rust in. Zo zit uw ziel in rust in het hoofd, dat zich door de ledematen laat voortbewe­gen, en brengt de beweging innerlijk tot rust. U kunt zelfs gaan liggen in de trein – als er plaats is – en rusten, hoewel die rust eigenlijk niet echt is, want u rijdt, misschien wel in een couchet­te, met sneltreinvaart door de wereld; maar toch, u heeft een gevoel van rust. Zo brengt het hoofd ook alle bewegingen die de ledematen in de wereld uitvoeren in uzelf tot rust. Het borst-gedeelte bevindt zich daar midden tussen. Dat gedeelte ver­bindt de bewegingen van de buitenwereld met dat wat door het hoofd tot rust wordt gebracht.

Denkt u zich eens in: ons doel als mens is nu juist de bewe­gingen van de wereld door onze ledematen na te bootsen, op te nemen. Wat doen we dan? We dansen. U danst in feite; wat men gewoonlijk dansen noemt, is maar een deel van het echte dansen. Het was het uitgangspunt van elk dansen, de bewegin­gen van de planeten en andere hemellichamen – ook van de aarde – in de bewegingen van de ledematen na te bootsen.

Maar hoe zit dat dan met het hoofd en met de borst, wanneer we de kosmische bewegingen dansend nadoen in onze bewe­gingen als mens? Welnu, het lijkt alsof de bewegingen die we in de wereld maken worden tegengehouden in het hoofd en in de borst. Ze kunnen zich niet door de borst tot in het hoofd voort­zetten, want dat heerschap rust op de schouders – die laat de bewegingen niet door tot in de ziel. De ziel moet in rust aan de bewegingen deelnemen, omdat het hoofd op de schouders rust. Wat doet de ziel dus? Ze begint vanuit zichzelf te reflecteren wat de ledematen dansend uitvoeren. Ze begint te brommen wanneer de ledematen onregelmatige bewegingen uitvoeren; ze begint te fluisteren wanneer de ledematen regelmatige bewe­gingen uitvoeren en ze begint zelfs te zingen wanneer de har­monische kosmische bewegingen door de ledematen uitge­voerd worden. Zo wordt de dansende beweging, die naar buiten gericht is, naar binnen toe omgezet in zang en muziek.

De fysiologen die zich met de zintuigen bezighouden zullen nooit in staat zijn te begrijpen wat gewaarwording is, wanneer ze de mens niet als kosmisch wezen zien; ze zullen altijd zeggen: in de buitenwereld treden bewegingen van de lucht op, in zijn innerlijk neemt de mens klank waar. Hoe het verband is tussen de bewegingen van de lucht en de klank, dat kan men niet weten. – Dit staat in de fysiologie- en psychologieboeken, in de eerste aan het eind, in de laatste aan het begin; dat is het enige verschil.

Hoe komt dat? Dat komt doordat de psychologen en fysiolo­gen niet weten, dat datgene wat uiterlijk beweging is bij de mens, innerlijk in de ziel tot rust gebracht wordt en daardoor in klanken begint over te gaan. En zo is het met alle andere zin­tuiglijke waarnemingen ook. Omdat de organen van het hoofd niet meedoen aan de uiterlijke bewegingen, kaatsen ze deze uiterlijke bewegingen in de borst terug en maken ze deze bewe­gingen tot een klank, tot een andere zintuiglijke gewaarwor­ding. Daar ligt de oorsprong van de gewaarwordingen. Maar daar ligt ook de samenhang van de kunstvormen.” De vormen van muziek, van toonkunst, ontstaan uit de plastische en
archi­tectonische kunst, doordat de plastische en architectonische kunsten naar buiten toe zijn, wat de muzikale kunst naar bin­nen toe is. De weerspiegeling van de wereld van binnen naar buiten, dat is de muzikale kunst. – Op deze wijze heeft de mens een plaats in de kosmos. Beschouwt u een kleur eens als een tot rust gekomen beweging. De beweging neemt u uiterlijk niet waar – net zoals u, liggend in de trein, de illusie kunt hebben dat u in rust bent. U laat de trein buiten u bewegen. Zo laat u uw lichaam door fijne bewegingen van de ledematen, die u niet waarneemt, meebewegen met de wereld buiten u, en zelf neemt u in uw innerlijk kleuren en klanken waar. Dat heeft u te dan­ken aan het feit dat uw hoofd – als vorm – in een toestand van rust gedragen wordt door het ledematenorganisme.

Ik zei u al dat dit een ingewikkeld punt is; dat is het vooral, omdat in onze tijd niets gedaan wordt om deze dingen te begrij­pen. Alles wat we in de huidige tijd als opvoeding en onderwijs ontvangen, zorgt ervoor dat de mensen onwetend blijven over zoiets als wat ik vandaag verteld heb. Wat gebeurt er nu ei­genlijk door onze huidige opvoeding en door het onderwijs in deze tijd? Tja, de mens leert een sok of een handschoen echt niet volledig kennen, wanneer hij hem niet ook eens omkeert, want hij weet dan nooit waarmee zijn huid eigenlijk in aanra­king komt. Hij kent alleen de buitenkant. Zo kent de mens door opvoeding en onderwijs in deze tijd enkel en alleen de buiten­kant van de dingen. Daardoor heeft men alleen begrippen ter beschikking die van toepassing zijn op de helft van de mens. En men kan niet eens de ledematen begrijpen. Want de geest heeft die al binnenstebuiten gekeerd.

We kunnen dit ook nog anders bekijken. We kunnen zeggen: laten we de gehele, volledige mens, zoals hij in de wereld voor ons staat, in eerste instantie als ledematenmens beschouwen; hij manifesteert zich als zodanig als geest, ziel en lichaam.

Beschouwen we hem als borstmens, dan manifesteert hij zich als ziel en lichaam. De grote bol [zie de tekening op blz. 154]: geest, lichaam, ziel; de kleinere bol: lichaam, ziel; de kleinste bol: alleen maar lichaam. Tijdens het concilie van 869 hebben de bisschoppen van de katholieke kerk de mensheid verboden iets over de grote bol te weten te komen. Ze hebben toen tot dogma verklaard, dat alleen de middelste en kleinste bol bestaan: dat de mens slechts bestaat uit lichaam en ziel, en dat iets geestelijks alleen maar als een eigenschap van de ziel bestaat. De ziel zou naar één kant ook iets geestachtigs zijn. Geest bestaat niet meer – sinds 869 – voor de van het katholicisme uitgaande cultuur van het avondland. – Maar met de afschaffing van de verbinding met de geestelijke wereld is ook de verbinding van de mens met de wereld afgeschaft. De mens is meer en meer op zijn ego teruggeworpen. Daardoor werd de religie zelf steeds egoïstischer, en tegenwoordig leven we in een tijd waarin we – laten we het zo uitdrukken – weer vanuit de geestelijke waarneming de verbinding van de mens met de geestelijke wereld en daardoor met de wereld moeten leren kennen.

Wie is er eigenlijk schuldig aan, dat we een natuurweten­schappelijk materialisme hebben gekregen? Dat we een natuur­wetenschappelijk materialisme hebben gekregen, is voorname­lijk te wijten aan de katholieke kerk, want die heeft in 869 op het Concilie van Constantinopel de geest afgeschaft. Wat is er toen eigenlijk gebeurd? Kijkt u nog eens naar het menselijk hoofd. Dit heeft zich in de loop van het wereldgebeuren zo ontwik­keld, dat het nu het oudste deel van de mens is. Het hoofd is eerst voortgekomen uit hogere dieren of, nog verder terug­gaand, uit lagere dieren.0 Wat ons hoofd betreft, stammen we af van de dierenwereld. Daar is niets aan te doen – het hoofd is alleen maar een verder ontwikkeld dier. Wanneer we de voor­ouders van ons hoofd willen zoeken, komen we bij de lagere dieren uit. Onze borst is pas later aan het hoofd aangezet; die is niet meer zo dierlijk als het hoofd. De borst hebben we pas in een later tijdperk gekregen. De ledematen hebben wij mensen pas het laatst gekregen; dit zijn de allermenselijkste organen. Dat zijn geen metamorfoses van dierlijke organen, maar ze zijn er later aan toegevoegd. De dierlijke organen zijn zelfstandig uit de kosmos gevormd, ten behoeve van de dieren; de men­selijke organen zijn later zelfstandig aan de borst toegevoegd. Maar doordat nu de katholieke kerk het menselijk bewustzijn van zijn verbinding met de kosmos, het bewustzijn dus van de eigenlijke aard van zijn ledematen heeft laten verdoezelen, heeft ze aan later tijden slechts weinig kennis van de borst doorgegeven en voornamelijk kennis van het hoofd, van de schedel. En toen is het materialisme tot de ontdekking gekomen dat de schedel van de dieren afstamt. Nu zegt men dat de gehele mens van de dieren afstamt, terwijl de organen van de borst en ledematen er pas later bij gevormd zijn. Juist doordat de katho­lieke kerk voor de mens de ware aard van zijn ledematen, zijn verbinding met de wereld, heeft verborgen, is ze er de oorzaak van dat de latere materialistische tijd een gedachte koestert die alleen voor het hoofd geldt, maar door het materialisme voor de gehele mens gehanteerd wordt. In wezen heeft de katholieke kerk het materialisme op het gebied van de evolutieleer ge­creëerd. Vooral de leraren in deze tijd zouden zulke dingen moeten weten, want zij dienen interesse te hebben voor wat er in de wereld gebeurd is. En zij dienen de ware achtergronden van de gebeurtenissen in de wereld te doorzien.

We hebben vandaag geprobeerd te belichten hoe het komt dat onze tijd materialistisch geworden is, aan de hand van iets heel anders: van de bolvorm en de maanvorm en van de stralenvorm van de ledematen. We zijn namelijk begonnen met iets dat schijnbaar het tegendeel is, om een grote, geweldige cul­tuurhistorische gebeurtenis toe te lichten. Maar het is
noodza­kelijk dat vooral de leraren in staat zijn de ware achtergronden van culturele gebeurtenissen te doorgronden, anders kunnen ze met opgroeiende mensen niets beginnen. Wanneer de leraar zich in de achtergronden verdiept, dan zal hij iets in zich opne­men wat noodzakelijk is, wil hij vanuit zijn innerlijk, via on- en onderbewuste verbindingen met het kind, op de juiste wijze opvoedend werken. Want dan zal hij werkelijk eerbied hebben voor de mens als schepping. Hij zal in de vorm van de mens overal verbindingen met de grote wereld zien. Hij zal zich anders opstellen tegenover het bouwwerk van de mens dan wanneer hij in de mens alleen maar een soort beter ontwikkeld beestje ziet, een beter ontwikkelde diergestalte. De leraar van tegenwoordig stelt zich – hoewel hij wel eens in zijn bovenka­mer de illusie heeft dat dat anders is – toch zo op, dat volgens hem de opgroeiende mens een klein beestje, een klein diertje is, en dat hij dit diertje moet ontwikkelen – iets verder dan de natuur al gedaan heeft. Hij zal heel andere gevoelens hebben, wanneer hij zegt: daar is een mens; van hem uit bestaan er verbindingen met de hele wereld; in ieder afzonderlijk kind dat opgroeit leeft iets – wanneer ik daaraan werk, dan doe ik iets wat betekenis heeft voor de hele wereld. We zijn in de klas. In ieder kind ligt een centrum van de wereld, van de macrokosmos uit gezien. Deze klas is het middelpunt, ja, er zijn hier vele middelpunten voor de macrokosmos. – Denkt u zich eens in, voelt u dat eens mee, wat dat betekent! Dat betekent dat daar de idee van het heelal en zijn verbinding met de mens overgaat in een gevoel dat alle afzonderlijke handelingen in het onderwijs tot heilige daden maakt. Zonder zulke gevoelens over de mens en de kosmos zullen we niet in volle ernst en op de juiste wijze kunnen onderwijzen. Zodra we zulke gevoelens hebben, wor­den ze via onderaardse verbindingen op de kinderen over­gedragen. Ik heb u in ander verband al gezegd dat het altijd een wonderlijke indruk maakt, wanneer men ziet hoe de draden naar koperen platen in de aarde gaan en de aarde de elektriciteit zonder draden verder geleidt.0 Stapt u de school in met enkel egoïstische mensengevoelens, dan heeft u allerlei draden-woorden namelijk – nodig, om met de kinderen te communice­ren. Heeft u grote kosmische gevoelens, die opgeroepen wor­den door ideeën als die welke wij net ontwikkeld hebben, dan gaat er een onderaardse leiding naar het kind. Dan bent u één met de kinderen. Dat is een facet van de geheimzinnige verbin­dingen die er bestaan tussen u en de schoolklas. Wat wij peda­gogie noemen, moet uit zulke gevoelens opgebouwd zijn. De pedagogie mag geenszins een wetenschap zijn, ze moet een kunst zijn. En waar bestaat er een kunst die men kan leren zonder voortdurend in gevoelens te leven? Maar de gevoelens waarin men moet leven, om die grote levenskunst die pedagogie heet uit te kunnen oefenen, deze gevoelens die men moet heb­ben ten behoeve van de pedagogie, die ontvlammen alleen wan­neer men het grote heelal beschouwt en zijn verbinding met de mens.

[1] GA 293
 Algemene menskunde als basis voor de pedagogie, voordracht 10
[2] GA 294
GA 294 Opvoedkunst – methodisch-didactische aanwijzingen, voordracht         7
[3] Rohen, Joh.W. ‘Morphologie des menschlichen Organismus,
Stuttgart, 2000, door Leber aangepast
[4] Blechschmidt, E. ‘Vom Ei zum Embryo’ 1968, Stuttgart
[5] Plato Symposion
[6,7,8] Nieuwe medische encyclopedie, Rotterdam, 1981
[9] Wonderen der evolutie, Amsterdam 1981
[10] GA 201 voordracht 9 en 10

.

Algemene menskunde: alle artikelen

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

.

266-251

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (19)

 

.

MICHAËLSFEEST

“In spring, de boog gaat in.”

Men kan de wisseling van seizoenen in de loop van één jaar als een soort ademhaling beleven.
In de zomer is de aarde groot geworden. De aarde, als totaliteit van mineralen, planten en dieren, breidt zich uit naar de periferie. De bomen hebben hun bladertooi naar buiten gebracht. De planten bloese­men, het stuifmeel vliegt op, de geuren van de bloemen verbreiden zich. Ook de dieren zijn overal zichtbaar. De vlinders fladderen rond, de leeuwerik stijgt al zingend steeds hoger. Kortom: de aarde ademt zich geheel uit.

Na de zomer begint alles zich weer terug te trekken. Het zaad is in de aarde gevallen, de bladeren verdorren, de sapstroom neemt af. Ook de dieren trekken zich terug in hun holen, korven en stallen. Naar de midwinter toe ademt de aarde steeds meer in.

Zoals op één uit- en inademing bij de mens vier hartslagen plaatsvin­den, zo zijn er in één jaarcyclus ook vier concentratiepunten, waar het duidelijkst de kwaliteit van dat jaargetijde beleefbaar is; mid­zomer, middenherfst, midwinter en middenlente. Tot uitdrukking ko­mend in de jaarfeesten van Johannes de Doper (midzomer), Michal (herfst), Kerstmis en Pasen.

Het gebaar van in- en uitademing, dat de aarde maakt, vindt men bij de mens in de loop van het jaar terug. In de zomer is ons innerlijk het meest naar buiten gekeerd, we beleven de ontmoeting met de na­tuur. We geven ons er in zekere zin (vooral in de vakantie) aan over en worden er af en toe wat dromerig bij. In de zomertijd zijn we van nature wat gemakkelijker “buiten ons zelf” (uitgeademd). Naar de winter toe komen we meer “tot ons zelf”, we zijn meer naar binnen gekeerd (ingeademd). De mens is in de winter wakkerder, meer tot beschouwen en nadenkendheid in staat.

Zomer en winter zijn gemakkelijke tijden van het jaar, omdat ze zo extreem, zo uitgesproken zijn. Óf helemaal uitgeademd, óf helemaal ingeademd. Daar kun je even in verwijlen; net zoals de ademhaling op zijn diepste punt van in of uit even stilstaat. De tijden daar­tussen zijn veel moeilijker, omdat het overgangstijden zijn. Het is telkens weer anders, je moet a.h.w. op een rijdende trein springen. Sommige mensen krijgen daarom in lente of herfst klachten. Maagzwe­ren komen juist in deze seizoenen voor. En ook depressies treden vaker op in de tijd, dat de blaadjes aan de bomen komen of er weer vanaf vallen.

Wat zou je in de herfst kunnen doen, om deze overgangstijd zinvol door te maken? In vroegere tijden was Michaeli een boerenfeest; het oogstfeest. De vruchten en de granen werden binnengehaald. Voor ons is dat moeilijker. We komen van vakantie terug en moeten weer iets hervatten. Hebben we iets te oogsten? Ik geloof, in principe wel. Maar onze vruchtbomen en graanvelden zitten meer binnen. Het zijn al die indrukken en belevenissen van de lente- en zomertijd, die nu in onze ziel verder zijn gerijpt. Het is goed om deze met de kinde­ren nog eens in herinnering te roepen en te verwerken en op deze manier te “oogsten”. De noodzaak tot oogsten ligt niet buiten, maar binnen.

In de herfsttijd is een geliefkoosd spel: het touwtje springen. Twee kinderen zwaaien het touw rond en er staat een hele rij klaar om er in te springen. “In spring, de boog gaat in.” Het is een hele toer om nét op het goede moment naar binnen te gaan én om er weer uit te springen. En daar gaat het juist om in deze tijd van het jaar: om er op het juiste moment in te springen. De Michaël-herfsttijd is de tijd van het initiatief, van het willen van binnen uit.
Sint-Joris passeerde een stad, die belaagd werd door een draak, die elk jaar mensenoffers verlangde. Net op het moment, dat hij aankwam, moest de dochter van de koning geofferd worden. Toen “sprong hij er in.”

(J.van Dam,  nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

Touwtjespringen


.
267-252

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.