Maandelijks archief: augustus 2013

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (24)

.

SMEDEN IN DE MICHAËLSWEEK

De spreekwoorden de handen aan de ploeg slaan’ en ‘het ijzer smeden als het heet is’, worden nog wel gebruikt, maar de eigenlijke handeling, die bedoeld wordt, kunnen we tegenwoordig nog maar weinig zien, om over het doen maar niet te spreken. Nu is het dan enkelen van ons gelukt ha­mer en aambeeld binnen de school te halen. Wat mogelijk heeft gemaakt, dat daar 6 klassen aan hebben kunnen werken tijdens onze Michaëlsviering. Drie klassen, een 7e, 8e en 9e heb ik op drie achtereenvolgende dagen bezig gezien en daar wil ik u een beeld van geven.

Natuurlijk moest eerst het vuur aangemaakt worden. Dit geeft vooral in het begin veel rook van de kolen, de geur hiervan deed mij herinneren aan kolenkachel en stoomlocomotief. Onder het toevoeren van lucht begint het gloeien en als de staven ijzer erin gelegd worden en de eerste eruit komt, roodgloeiend, dan klinkt er uit zo’n groep verbazing, verwondering. Er is er dan altijd wel een die als eerste gaat slaan en daarachter wordt het dringen. Afgesproken wordt wie achter wie komt. Nu is het niet meer alleen de geur van de kolen, maar ook de warmte die je voelt stralen en het geluid van de hamer op het aambeeld. Je moet die hamer in een heel bepaald soort ritme slaan. De zwaarte van de hamer laat nl. niet toe dat je snel achter elkaar of onregelmatig slaat. Het wordt bij iedereen een langzame, regelmatige slag, het geeft rust.

Voor de 7e klas was de hamer wel wat zwaar, hij ging met moeite omhoog. Daar werd snel iets op gevonden: de een hield de staaf vast, de ander sloeg met beide handen. De interesse was in deze groep zo groot dat ve­le taken werden verdeeld en afgewisseld, zodat iedereen wel een keer het een of ander mocht doen; zoals lucht toevoeren met behulp van een handbewogen schoepenrad, vuur onderhouden,  staven aangeven, het slaan natuur­lijk, het vasthouden van een tang met daarin een beitel om punten te maken.

De 8e klas kon heel wat beter overweg met de zwaarte van de hamer. Ook in deze groep werden de verschillende taken graag opgenomen. Al werd er nu soms wel wat te hard gedraaid, waardoor er teveel lucht werd toegevoerd, de smidse te heet werd en het metaal verbrandde. Overigens een mooi schouwspel, de boven het vuur springende sterretjes van brandende metaal­deeltjes. Maar al gauw was dit fenomeen bekend, en wist men [stukje tekst onleesbaar] s sterretjes, langzamer draaien. In deze groep werd het ijzer op zijn heetst opgediend.

Waren het in de 7e klas pijlpunten voor de draak, in de 8e klas ontston­den naast deze pijlpunten ook zwaarden.

Ook in de 9e klas verbrandde het ijzer wel eens en werd er aanvankelijk te hard geslagen. Hier kwam men op het idee een 9 en een 8 te maken voor op de deur van de klas. Dat bracht een stuk vormgeving met zich mee, waarover je moest denken. Waar te slaan, hoe te slaan om die vorm te krijgen? Zo gebeurde het meerdere malen, dat bij dit afvragen ‘waar zal ik slaan, hoe zal ik de staaf vasthouden’, het metaal al was afgekoeld, de gloed was verdwenen en het slaan geen zin meer had. De ware betekenis van het spreekwoord, ‘het ijzer smeden als het heet is’, werd ondervonden! Maar de 9 en de 8 kwamen er, en hangen nu boven de deur. Enkele 9e-klassers hebben daarna nog met veel kracht gesmeed aan een groot zwaard, dat niet meer gereed kwam, maar waaraan volgend jaar wordt doorgewerkt.

Toen de 8e klas zijn ijzer zo heet tot verbranden toe op het aambeeld bracht, brak er een flink onweer los boven Zeist; de slag van de hamer op ons aambeeld vermengde zich met de slag van de donderhamer van Donar.

(E.  Sneek, vrijeschool Zeist, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

272-257

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (23)

.

DE AARTSENGEL MICHAËL

Elk jaar weer, in het begin van de herfsttijd, vieren wij op school het feest ter ere van de aartsengel Michaël.

Wat is dit voor een feest, dat onder de traditionele christelijke feesten niet wordt gevonden? En bovenal: wie of wat is Michaël?

De overleveringen geven ons twee beelden. Het ene is dat van Michaël, die Lucifer uit de hemel stoot. Het andere is dat van Michaël als drakendoder, op vele oude schilderingen staat hij afgebeeld als een strijdbare figuur, in blinkend harnas ge­stoken, met zwaard of lans; de draak ligt doorstoken ter aarde.
Aan deze twee beelden kunnen we proberen een gevoel te ontwikkelen voor wat het we­zen van Michaël ons wil zeggen.

Maar met onze gebruikelijke wijze van denken en voorstellen stuiten we direct op problemen. Wat moet ik denken, wat moet ik me voorstellen bij het begrip “aartsengel”? We leven immers in een tijd waarin we gewend zijn alleen dat voor waar te houden, wat zichtbaar en vooral ook tastbaar is. Wij erkennen in het algemeen al­leen datgene als werkelijk, dat los van onze eigen persoon ook voor alle andere men­sen op gelijke wijze waarneembaar is. Van andere, bijv. religieuze zaken, maakt ie­der zich zijn eigen voorstellingen, die voor iedereen weer anders kunnen zijn; het behoort tot je privé-leven wat je daarmee doet.

Omdat we echter niet meer gewoon zijn een niet-materiële, geestelijke wereld te er­varen en aanvaarden, verliezen we het begrip voor de ware aard van bijv. een aarts­engelwezen. En als er dan toch over zo’n bovenmenselijk geesteswezen wordt gespro­ken, maken we ons er onwillekeurig een “menselijke” voorstelling van: Michaël als een gevleugelde jonge ridder. Zo vinden we hem terug op de vele schilderingen. Maar, deze “vermenselijkte” beelden ontstonden in een tijd, waarin de mensen zich nog nauw verbonden voelden met bovenzinnelijke, niet materieel waarneembare krachten en mach­ten. Achter de menselijke afbeelding van Michaël beleefde men nog diens onzichtbare, hogere wezen.

Is dat voor ons in 1973 ook nog mogelijk, het ervaren van bovenzinnelijke krachten en machten? Hebben die ooit bestaan? Bij de (historische) beschouwingen over de mensheidsontwikkeling gaat men er meestal eenvoudigweg van uit dat de mensen in vroegere tijden op dezelfde manier dachten en voelden als wij tegenwoordig: alleen in een veel minder ontwikkelde en gerijpte vorm. Men verklaart ontstaan en inhoud van de religies en wereldbeschouwingen veelal uit dit nog ongerijpte denken. Er wordt gewoon aangenomen dat de mensen vroeger in hun onwetendheid op fantasievolle wijze allerlei religieus getinte hulpvoorstellingen “bedachten” om  de verschijnse­len om hen heen te kunnen begrijpen, Verschijnselen, die wij nu met onze moderne natuurwetenschappen pas echt menen te kunnen verklaren.

Als je er zo over denkt is een aartsengel Michaël in feite niet veel meer dan een mooi plaatje, een interessante hulpvoorstelling uit het nog “weinig verstandige” denken van vroeger. En zeker niet iemand ter ere van wie je een feest zou moeten houden.
Maar ik wil U nu vragen met mij mee te gaan in een geheel andere gedachtegang, die dit alles in een totaal ander licht zal plaatsen. Deze zienswijze gaat ervan uit, dat alles wat de mensen vroeger als levende werkelijkheid ervoeren, ook werkelijk­heid was en zelfs nog is; dat de verschillende opvattingen door de tijden heen niet berusten op “minder verstandig” (vroeger) of “verstandig” (nu); maar dat deze ver­schillen in inzicht berusten op een veranderend bewustzijn, met steeds andere en nieuwe vermogens.

Ter illustratie hiervan twee voorbeelden: in het oude Indië beleefde de mens zich als geheel ingebed in de godenwereld, de aardse materie was voor hem niets anders dan een dunne sluier van illusies (Maya) waarachter de ware werkelijkheid van de geestelijke wereld zich bevond; nú is God dood verklaard en onze enige werkelijkheid is datgene wat we kunnen meten, tellen en wegen. De oude Indiërs “onwetend en bijge­lovig” en wij eindelijk “verstandig”? Nee, zowel de geestelijke wereld van de oude Indiër als de materiële wereld van ons zijn reëel. De grote culturen laten door­gaans slechts een eenzijdig onderdeel van het ware beeld zien, maar daardoor zijn ze nog niet onwaar.

Laten we dit nog wat verder uitdiepen om tot het eerste beeld van Michaël te komen. In oude tijden liep de mens nog aan de hand van de goden. Zelfstandig denken en han­delen, zoals nu, kon hij niet. Hij stond daarentegen, op dromerig helderziende wijze, geheel open voor de goddelijke raadsbesluiten, die hij gewillig en onvoorwaardelijk uitvoerde. Hoe is het anders te begrijpen, dat bijv. de Perzen 6000 j. v. Chr. in staat waren wilde grassen te veredelen tot kostbaar broodgraan? Iets wat de huidige geleerden met al hun kennis niet kunnen herhalen!

De goden bestonden niet alleen in de fantasie. Het waren krachten; zulke reële krach­ten dat de mensen er in hun (nog zeer onbewuste) dadenleven ook daadwerkelijk door geleid konden worden.

De goede goden hadden echter ook hun tegenmachten. Eén van die tegenmachten, voorge­steld als Lucifer, wilde zich meester maken van deze goddelijk-geestelijke denk­krachten om de mensheid op dwaalwegen te kunnen leiden. Lucifer, letterlijk licht­drager, streefde ernaar de mens een volledig kosmisch bewustzijn te geven, d.w.z. kennis en inzicht aangaande de diepste oer-gronden van het zijn. Maar als de mens­heid hier reeds zeer vroegtijdig mee in aanraking gekomen zou zijn, dan zouden wij onze lange en moeizame ontwikkelingsgang door het leven met en in de aardematerie voortijdig hebben verzaakt. Het is onze opgave door vele levens heen met behulp van de aardematerie tot zelfstandige, ik-bewuste mensen te worden. Want wij hebben ons individuele ik-bewustzijn, zoals we dat nu kennen, uitsluitend kunnen ontwikkelen dankzij het feit dat we de geestelijke wereld steeds verder de rug toekeerden en ons steeds diepgaander met de materie hebben verbonden. Waren we geheel in de goddelijk-geestelijke werelden gebleven met ons bewustzijn, dan was dat onscherp en dromend gebleven. We zouden onze persoonlijkheidskern voortdurend verliezen aan al het overweldigend geestelijke gebeuren om ons heen.

In de gang door de materie zijn we tot onszelf gekomen. Door de sterke gebondenheid aan ons lichaam kunnen we onszelf beleven tegenover iets:  ik denk wat ik denk en ik denk dat God niet bestaat. Een uiterst belangrijke stap in onze ontwikkeling tot in­dividualiteit en zelfstandigheid.

Duswat Lucifer wilde, was te vroeg. Eerst moest de mens zich nog diepgaander met de aarde verbinden. En om deze weg open te houden, greep Michaël, de beheerder van het zuivere kosmische denken, krachtig in en verdreef Lucifer uit de hemel. Een volgende stap in deze ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid vinden we dan in het beeld van Michaël met de draak. Rudolf Steiner wijst erop hoe in de 15e eeuw een geheel nieuwe bewustzijnsfase ontstaat. De tijd van Kopernikus en Galileï breekt aan. Het natuurwetenschappelijk denken, dat alles materiëel-mechanisch tracht te verklaren, komt zeer snel op. De mens wordt hierdoor steeds meer tot een zelfstan­dig wezen, dat zelf wil gaan uitmaken wat goed voor hem is. Een geweldige denkkracht leeft in ons op; uitvindingen, ontdekkingen, nieuwe staatsvormen, een enorme drang alle uithoeken van de wereld te ontdekken en te veroveren.

Wat is er gebeurd, zo plotseling? Michaël heeft de kosmische denkkracht aan de men­sen op aarde afgestaan op het moment dat zij daar rijp voor waren. Niet langer lopen we volgzaam aan het handje van de voor ons denkende en beslissende goden. De denkkracht is nu in ons, binnen het fysieke voertuig van onze lichamelijkheid. En weer dreigt een gevaar. Een andere tegenmacht treedt op: die van de duisternis, de “donkere draak”, in het Perzisch aangeduid als “Ahriman.” De Ahrimanische macht wil deze van oorsprong kosmische denkkracht geheel in dienst stellen van de materie en ons denken uitsluitend richten op het tastbare en meetbare. Deze macht is de ei­genlijke inspirator van ons materialisme, dat het besef van en de omgang met de geestelijke wereld totaal tracht uit te roeien.

Toch hebben wij ook veel aan Ahriman te danken: zijn heerschappij bracht ons een grandioze techniek en een hoge mate van onafhankelijkheid ten opzichte van de natuur. Maar de Ahrimanische machten willen meer. Zoals Lucifer ons van de aarde wil wegvoeren, in de onbewuste en onvrije geestelijke ‘zaligheid’ ( in drugs), zo wil Ahriman ons juist voorgoed aan de aardse materie vast kluisteren. Hij wil ons geheel afsnoeren van elke band, hoe teer ook, die we nog hebben met de hogere werelden. En daarmee dreigt hij ons af te snijden van de ware bron van al het leven. Daarom kan ons moderne denken zo kil, bloedeloos en onpersoonlijk, zo “Ahrimanisch” zijn, We drei­gen onze ontwakende vrijheid weer hard te verliezen. Maar ook hier levert Michaël een verbeten strijd.

De strijd van Michaël tegen de Ahrimanische drakenmachten speelt zich af in onze ei­gen ziel. Wij mensen moeten het uiteindelijk zelf doen. Michaël is sterk afhankelijk van het bewustzijn dat wij voor dit gevecht der goden opbrengen én van onze bereid­heid de draak ook in onszelf op te sporen en hem daar te bestrijden. Met de restan­ten van ons vrije, nog niet verahrimaniseerde denken kan ieder, die dat wil, de rea­liteit van de Michaëlkracht ervaren. Zonder de hulp van Michaël is onze strijd ver­loren, want onze wil is reeds te zeer verzwakt door onze verslaving aan het puur materiële bestaan.

En toch zal Michaël niet zomaar ingrijpen; onze nieuw verworven vrijheid wordt door hem geëerbiedigd als een kostbaar goed. Michaël dringt ons niets op, hij wacht af tot wij ons uit eigen inzicht en vrije wil tot hem wenden. Pas dan doorvlamt Michaël ons in onze wil en doet hij een vuur ontbranden dat ons de kracht en het enthousiasme schenkt waarmee we ons weer een levend denken kunnen veroveren: op de drakenmacht van het abstracte intellect.

Misschien kunnen we nu inzien waarom het van zo’n grote betekenis is het aartsengel­wezen Michaël in zijn volle geestelijke werkelijkheid te leren begrijpen, juist in onze tijd. Steeds verder gaat de mechanisering van de samenleving èn steeds meer wordt de levende mens gezien als een hoopje moleculen zonder geestelijke achtergrond. In dit licht staat ons streven naar een Michaëlfeest. Een feest dat vraagt om leven­de krachten voor onze stervende cultuur.

In de herfst verdorren de bladeren, ze worden hard en materieel; maar ook vlammen ze fel gekleurd op, als in innerlijke gloed en vastberadenheid. De plantenwereld legt zijn zaden in de aarde: het beeld van materiesamentrekking: binnenin ontstaat de vuurkracht die het door de duistere winter heenvoert tot kiem van een nieuw leven.

 (Maarten Ploeger, vrijeschool Amsterdam, nadere gegevens onbekend)

 

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

271-256

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (22)

.

MICHAËL

De viering van Sint-Michaël op de vrijescholen op 29 september is een
ty­pisch schoolfeest. Een feest van de school. Thuis is er van een feest dan meestal weinig te merken. En wat er dan op school gebeurt, is ook niet altijd even duidelijk. Doen ze iets bijzonders of vertellen ze alleen over Michaël? Het is een gebeurtenis die telkens ook even zo plotseling voorbij is als hij er was, zonder merkbare sporen achter te laten. Kortom: het is naast Sint-Jan eigenlijk het minst vanzelfsprekende van de vier grote christelijke jaar­feesten.

Inderdaad, bij Michaël hoort geen Advent; het plotselinge, onverwachte,
geconcentreerde zijn er meer kenmerkend voor dan het afwachten, het zich in­houden of het luisteren. Eigenlijk kan je de hele zomer en de nazomer als de “voorbereidingstijd” zien, een tijd waarin de zomerzonnewarmte naar bin­nen wordt genomen en waar rijping van de vruchten en nieuwe zaadvorming als nog geconcentreerdere warmtevorm plaatsvinden. Eind september zijn de vruch­ten dan overstelpend aanwezig. Bij Michaël horen de gaven des velds, de ge­schenken van de zomer, de hoorn des overvloeds. Toch hebben we hier niet met een dankfeest in de oude joodse zin te maken (het Loofhuttenfeest).

Het valt ons steeds moeilijker de uitbundigheid van deze vruchtenrijkdom op Michaëlsdag zelf aanwezig te laten zijn. Het zelf oogsten is daarvoor eigen­lijk een voorwaarde, en waar kun je dat tegenwoordig? Zo kan het een schok betekenen wanneer je op Michaëlsdag plotseling ergens buiten voor een deur de vruchtenkrans ziet hangen; appels, peren, druiven… Je wist niet dat de indruk zo sterk, zo overweldigend kon zijn. Een dergelijke ervaring kan dan een hulp zijn dit feest opnieuw te leren zien: de natuur heeft zijn werk voor ons gedaan en trekt zich abrupt terug en de mens voelt zich achtergelaten met de vraag “zie wat je ermee doet”. Je begrijpt dan met een feest te maken te hebben dat er eigenlijk nog niet is, dat nog geen vaste vormen heeft en ook nog niet kan hebben, het is een wordend feest, er moet eigenlijk iets ge­vierd worden dat er nog niet is. Een merkwaardig feest, waar krachten in de mensenziel worden aangesproken, die eigenlijk nog niet sterk genoeg zijn, nog onderontwikkeld en we beginnen te voelen dat dit feest pas in de toe­komst zijn volle betekenis zal kunnen krijgen.

Zo wil het Michaëlfeest vieren dus ook zeggen, het durven loslaten van wat reeds bereikt is aan ervaring, zekerheid, routine of traditie en het wakker en open zijn voor het nieuwe en onbekende zodat vanuit elk moment opnieuw geoordeeld en gehandeld kan worden. Daarvoor is de hulp nodig van “Sint Mi­chaël en de engelen” zoals de dag in de oude legenden ook officieel heet. Daar waar ik de verantwoordelijkheid geheel zelf wil dragen, als enkeling soms tegen alles in, kan dit alleen geschieden vanuit het besef daarin door de engelrijken gedragen te worden. Waarom het mensenrijk dan de tiende hiërar­chie wordt genoemd, kan je juist in deze tijd iets beginnen te zeggen.

De dichter Morgenstern drukt uit hoe hem deze verbinding bewust is geworden, wanneer hij zegt:  “Ich verbrenne an meinen eigenen Massstab”. Het eigen ik wil zich zelf zien vanuit een hoger, algemener gezichtspunt. Het wil zich zelf zuiveren en vernieuwen door het geestesvuur in zich op te nemen. Dit offeren van het eigene, wil zeggen zelf Michaëlstrijder worden. Een afglans van dit hemelvuur kan dan in de mensenziel oplichten, dat als “aardevuur” Michaël tegemoet gebracht wordt en dat onvergankelijk is:  “Nur wer sich selbst verbrennt, wird den Menschen ewig wandernde Flamme!” zegt Morgenstern, maar ook onze eigen dichter Achterberg heeft deze dwingende opgave, misschien meer in afwachtende, wensende vorm, in de volgende regels uitgedrukt:

Gebed aan het vuur

Vrome vuur, breng in mij over
uwen duur en tover;
ik ben een lege schuur,
een lover,
een landweg op het middaguur,
een afgezette passagier,
een in beslag genomen koffer,
een offerdier.

(M.Matthijsen, vrijeschool Zeist, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

270-255

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (21)

.
Hoewel dit artikel geschreven is over een concrete situatie in Rusland, is het m.i. nog steeds actueel wanneer i.p.v. Rusland aan andere landen in de wereld wordt gedacht

.

MICHAËL

Een strijd om menselijkheid

Onze tijd heeft een apocalyptisch, een onthullend karakter. Wat verborgen was treedt in het daglicht. Over één aspect daarvan wil ik het hebben.

Solschenitzyn publiceerde februari 1980 een boekje getiteld: ‘Waarschuwing’. In dat boekje stelt hij scherp tegenover elkaar Staat en Volk in het huidige Rusland. Er is een Sovjetstaat en daar tegenover een Russisch volk. Die twee hebben niets met elkaar te maken; tussen hen gaapt een diepe kloof. Wie zich in dienst stelt van de staatsmacht verbreekt zijn banden met het volk. In bijtende woorden schildert Solschenitzyn de systematische cultuurvernietiging door de Staat: het volk moet een willoze, vergetende massa worden, die er alleen voor dient de heersende kaste in stand te houden.
Volkerenmoord wordt niet geschuwd om dit doel te bereiken. Waarom is dat zo? Omdat deze tendens tot nivelleren inherent is aan het wezen van de staat, niet alleen in Rusland, maar overal. In Rusland en in alle andere landen met een dergelijk regime onthult zich dit wezen het duidelijkst door zijn almachtige positie. Het gaat om een wezen, een wezen, dat de “machtheb­bers” in zijn greep heeft.

Tegen deze staatsmacht komen steeds weer volkeren of volksgroepen in opstand. Men wil de eigen aard van het volk niet alleen redden, maar zelfs tot religie verheffen. Men tracht staten te grondvesten op de openbaringen van grote geestelijke leiders van weleer. Wéér ontstaat er een staatsmacht, die onbarm­hartig optreedt tegen alle groeperingen, die een ander volksgeloof, andere volkstradities hebben. De tendens is hier niet in de eerste plaats gericht op nivellering, maar op uitstoting van alle vreemde elementen. Daarbij wordt de klok zover mogelijk teruggezet.

Deze twee tendenzen  zijn naast elkaar, tegenover elkaar, maar ook door elkaar te vinden. Het is vaak niet gemakkelijk om ze van elkaar te onderscheiden, omdat de methodes, waarnaar gegrepen wordt, weinig van elkaar verschillen en omdat het in beide gevallen om staatsmacht gaat.

Vroeger sprak men wel van communisme tegenover fascisme, als over twee polaire ideeënstelsels. Maar van ideeën kan men eigenlijk niet spreken. Voorzover ze gebruikt worden zijn het kruiwagens, meer niet. En in de praktijk leiden ze beide regelrecht tot onmenselijkheid.

En hoe is het nu met ons in het “vrije” Westen? Kunnen we buiten een staat, kunnen we buiten een volkstraditie? Als er geen staat is, zijn er geen rechts­regels, als er geen volk is heb je geen “Huis”.We kunnen niet zonder deze twee wezens en toch moeten we het midden ertussen bewaren. Dat midden is onze eigen persoon, een persoon, die niet van twee kwaden het minste kiest, maar van twee kwaden het beste maakt, omdat hij ze geen van beide toebehoort. Volk en Staat hebben hun grenzen en ik, voorzover ik met hen te maken heb, ook.
Een grens is het tegengestelde van een compromis. Een compromis wil zeggen: Ik sta jou een grensoverschrijding toe op voorwaarde, dat ik dat ook mag op een ander punt. Vaak is echter de winst, die ikzelf meen te boeken, slechts schijnbare winst. Het is dus grenzenverdoezeling. En via de verdoezeling sluipt ook bij ons het kwaad, te ver, binnen.

Op veel terreinen zijn we daaraan gewend geraakt. Ook in de school. En hoe reageren wij daarop? Door ons vast te klampen aan het beeld van wat eens een Vrije School was. Dat beeld dreigt soms een stukje religie te worden. Het is moeilijk om een school op te bouwen, die door zijn eigen dragers veranderen kan. En de strijd om innerlijk evenwicht, die wij hiervoor moeten leveren, is een onderdeel en misschien een belangrijk onderdeel van de veel grotere strijd om dat evenwicht in de wereld, die tevens een strijd is om menselijkheid. Om kracht te vinden voor deze strijd kunnen wij ons het beeld voor de geest roepen dat Rudolf Steiner voor ons gemaakt heeft en dat de naam draagt van de Mens­heidsrepresentant: Hij, die de mensheid vertegenwoordigt. En wie is dat?

Dat is de enkele mens, het individu, die de polen Ahriman en Lucifer (de wezens, die ik hiervoren bedoelde) scheidt en vasthoudt, die tussen hen evenwicht houdt. Zo wordt ieder mens een mensheidsrepresentant. Niemand heeft dat zuiverder onder woorden gebracht dan de Russische dissident Vladimir Boekovski. Op het moment, dat mensen zoals hij op een punt van hun leven komen, dat ze van God en iedereen verlaten zijn, komt hij tot het volgende inzicht:

Alleen-zijn is een enorme verantwoordelijkheid. Met zijn rug tegen de muur beseft de mens: Ik ben het volk, ik ben de natie…….

“Waarom juist ik” , vraagt in een menigte iedereen zich af. “Alleen kan ik niets bereiken.” En allen zijn verloren.

“Als ik het niet doe, wie dan wel?” vraagt de mens, die met zijn rug tegen de muur staat. En hij redt allen.

(Wijnand Mees, Zeister vrijeschool, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

269-254

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (20)

.

HET MICHAËLSFEEST IN DE KLEUTERKLAS

De grote vakantie is weer voorbij. Uitgerust en vol verwachting stappen de kleuters weer de klas binnen. De grote kinderen hebben echt het gevoel weer “thuis” te zijn. Zij nemen nu de plaats in van de kinderen die vorig jaar de oudsten waren. De nieuwe kleuters moeten hun plekje nog vinden. Sommige kijken vol verwondering naar wat de grootsten al kunnen, weer andere kleintjes proberen stoer mee te doen. Maar allemaal zijn ze vol verwachting voor wat er gaat gebeuren. Na een paar weken als iedereen zijn plekje heeft gevonden wordt er door juffie op een morgen een nieuw lied gezongen:

De hemelpoort zal opengaan.
Sint Michael zie ik daar staan.
0, sterke held u volgen wij,
En waar gij gaat staat gij ons bij.

“Dat ken ik!” roept een meisje eigenwijs en doet extra goed haar best. Heerlijk is het om in deze tijd met de kinderen een heel kort spelletje te spelen van een prinses die door een boze trol meegenomen wordt naar zijn hol. Dan komt de prins, bevrijdt het prinsesje en neemt haar mee naar zijn kasteel waar de bruiloft gevierd wordt.

Aan het eind kan iedere kleuter genieten van het sprookje van de wolf en de zeven geitjes, of van de wolf die de twee kippetjes Witveertje en Zwartveertje verslindt. En nog meer genieten de kinderen wanneer ze horen hoe de boze wolf overwonnen wordt.

Maar ook buiten in de natuur is van alles te beleven in deze tijd. De mooie nazomer loopt ten einde en de herfststormen komen. De luchten zijn nu prachtig, groot verschil tussen licht en donker kunnen we waarnemen. De dagen worden korter, de vogels trekken weg, bladeren en vruchten vallen op de aarde. Alles verinnerlijkt zich. Ook de mensen trekken zich in hun huizen terug en gaan zich klaarmaken voor de winter. In de tuin bloeien nog de laatste bloemen in uitbundige kleuren en hoog boven alle andere de goudgele zonnebloem. Op de akker rijpt het koren. We spreken dan ook in ons ochtendspelletje van de boer die het koren gaat maaien. Wanneer wij ijverig gemaaid hebben wordt het koren gebonden. “Ik heb de dikste bos”, roept een grote jongen en laat zien hoe dik zijn bos koren wel is. Wanneer het koren droog is wordt er gedorst en gewand en daarna brengen we het samen, met paard en wagen, naar de molenaar en vragen hem of hij het voor ons tot meel wil maken. Het paard krijgt water als dank omdat het alle zware zakken naar de molen gebracht heeft. Als we een paar weken veel koren gemaaid en gemalen hebben gaan we naar de bakker en vragen we of hij van het meel brood voor ons wil bakken voor het Michaëlfeest. Natuurlijk helpen wij de bakker en de hele klas geurt naar vers gebakken brood. Op een dag komt een van de kinderen met een grote zak eikeltjes en kastanjes aanstappen. Tijdens het vrije spel maken wij daar van alles van; spinnenwebben, dieren, poppetjes, kabouters. Van de eikels van de Amerikaanse eik kunnen we goed tollen maken, een rond stukje karton knippen en kleuren en met een prikker in de eikel prikken en dan maar tollen!

Vruchten horen bij de herfst. We vinden in overvloed, overal, in de
boom­gaard, langs de weg en in het bos; kastanjes, eikels, beukennootjes en hazel­noten. Met mandjes gaan de kinderen het bos in en rapen alle vruchten op die ze vinden, ook mooie gekleurde bladeren waar we een lange slinger van rijgen en door de klas hangen. Want al die schatten die de natuur ons geeft zijn natuurlijk niet alleen om naar te kijken, maar om iets mee te doen. We maken er iets van voor de toekomst. De meest nabije toekomst is de donkere koude winter. De vruchten die de herfst ons schenkt gebruiken we om deze toekomst te kunnen verdragen en daar moeten we hard voor werken. In de vruchten leeft een nieuwe kiem, de mogelijkheid voor een nieuw leven. De vruchten geven een beeld voor de toekomst en deze vruchten worden door onze kinderen met grote overgave verzameld. Zijn onze kinderen zelf ook niet de toekomst? In de vrucht verzamelt zich het zonnelicht opdat in de toekomst iets nieuws kan ontstaan. Opdat de duisternis, de draak, overwonnen kan wor­den. Vruchten zijn het kosmische licht. Wanneer we het kleine kind dit laten beleven in alles om hem heen,  geven we het de mogelijkheid om later zelf de donkere tijden te kunnen overwinnen en de strijd aan te durven met de draak. Daarom vieren we het Michaëlfeest in de kleuterklas.

Wanneer de kinderen op 29 september op school komen kan na al deze voorbe­reidingen het Michaëlfeest gevierd worden.

In het midden van het “vertelhuisn, op een mooie doek, liggen alle vruchten die de herfst ons geeft en ook een bos koren waarbij de boer staat, met de kippen die alle graantjes wegpikken. Een van de kinderen komt op school met een grote zonnebloem “voor Michaël”. Een ander meisje dat thuis een grote tuin heeft, brengt een mand met appels mee. Deze ochtend is een bijzondere ochtend, want we zeggen niet de gewone spreuk, maar de spreuk van Michaël. Veel Michaëlliedjes worden gezongen en daarna gaan we spelen.

Maar juffie gaat niet op haar eigen plekje zitten, nee, ze gaat de tafels vast klaarmaken. Al gauw komen er kinderen die graag mee willen helpen. Tussen de bladeren worden appels en noten gelegd. Het brood wordt gesneden en gesmeerd. Bij een feest hoort ook licht en we zetten de kaarsen, die we al versierd hadden met sterren en draken op tafel en als iedereen zit neemt elke kleuter een appel en met een plukje schapen­wol worden de appelwangen net zo lang gepoetst tot ze glimmen. Een rood hoofddoekje wat we er omheen knopen maakt van de appel een appelvrouwtje en de schapenwol is het haar.

Natuurlijk gaan we ook naar buiten. Daar laten we onze zelfgemaakte
molen­tjes draaien of gooien zakjes zand met lange slingers er aan hoog in de lucht. Wat een plezier hebben de kinderen wanneer die wapperen in de wind en dan met een doffe plof op aarde komen. Tot slot wordt in de klas het poppenspel van Repelsteeltje gespeeld en na een laatste lied gaan de kinde­ren tevreden naar huis om daar het feest verder te vieren.

(C. de Pree, vrijeschool Zeist, nadere gegevens ontbreken)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel      kleuters

Peuters/kleuters: alle artikelen

.

268-253

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 10

 .

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

voordracht 1
de bladzijden verwijzen naar de vertaling van 1993

Velen – ik ook – vinden deze voordracht verre van gemakkelijk.
Hierin worden dé achtergronden van de dierkunde behandeld.

Gelukkig hoef je lang niet alles te kunnen navertellen om een goede periode dierkunde te kunnen geven – op veel andere plaatsen vertelt Steiner e.e.a. veel eenvoudiger en geeft hij in direct spraakgebruik als waren er kinderen aanwezig, voorbeelden.

Toch wil ik een poging doen bepaalde onderwerpen uit deze voordrachten nader te bekijken.

HOOFD EN ZON

Op 1 september 1919 gaat Steiner in ‘Algemene menskunde als basis voor de pedagogie’ [1] veel uitgebreider in op wat hij in ‘Opvoedkunst’, 7e vdr. [2] al had aangestipt.

– We hebben het wezen van de mens besproken vanuit het ge­zichtspunt van de ziel en van de geest. Althans, we hebben globaal belicht hoe de mens beschouwd kan worden uitgaande van geest en ziel. We zullen dat wat op deze wijze vanuit deze twee gezichtspunten bekeken is, moeten completeren door de drie gezichtspunten van geest, ziel en lichaam met elkaar te verbinden, opdat we een volledig overzicht van de mens zullen krijgen en dan over kunnen gaan tot het doorgronden, het be­grijpen van ook de fysieke verschijningsvorm.-

Voor wie moeite heeft met de inhoud van de begrippen geest en ziel zoals Steiner deze gebruikt, kunnen mijn uiteenzettingen daarover wellicht tot  hulp zijn.
Zie daarvoor mijn blog: ‘antroposofie, een inspiratie

Bij de dierkunde gaat het, wanneer aan het begin daarvan de mens wordt besproken, om de driedeling: hoofd, romp en ledematen.
Steiner wijst dan allereerst op de vorm: het ronde hoofd; de romp als segment van een kogel en de stralenvormige ledematen.

Bij die vormen horen bepaalde functies. Bij het hoofd het denken; bij de romp het voelen en bij de ledematen het doen, het willen. En bij deze vormen en functies horen nog de organen: hoofd: zenuw/zintuigorganen; romp: ademhaling-bloedsomlooporganen; ledematen: stofwisselingsorganen.
Zo wordt de indeling meestal kortweg weergegeven.

Je kunt daarin nog uitbreiden en preciezer onderscheiden:

(1) Elementair levensproces:
      bewegingssysteem, locomotie
bijbehorend deelproces:
energieverbruik – vermoeidheid
arbeidsprestatie, bijdrage aan de wereld
orgaansysteem:
 extremiteiten: benen, armen, handen

(2) Elementair levensproces:
stofwisseling, metabolisme
bijbehorend deelproces:
stofopname, stofomwerking, stofuitscheiding, excretie, reproductie
orgaansysteem:  
digestieve systeem, urogenitaal stelsel

(3) Elementair levensproces:
adem, respiratie
bijbehorend deelproces:
zuurstofopname, gaswisseling, koolzuuruitscheiding
orgaansysteem:
        ademhalingsstelse
l, respiratoire systeem

(4) Elementair levensproces:
bloedsomloop, circulatiesyteem
bijbehorend deelproces:
instromen van substantie; transport; verdeling; uitstromen van                         substantie
orgaansysteem: 
circulatiestelsel

(5) Elementair levensproces:
informatiewisseling, sturing
bijbehorend deelproces:
       opname van prikkels; verwerking van de prikkels, beantwoorden van de        prikkels
 orgaansysteem:
 zintuigorganen, zenuwsysteem,  endocriensysteem [3]

Wanneer je met de kinderen in de 4e klas naar de mens kijkt, gaat het eigenlijk alleen maar om de elementaire drieledigheid: hoofd, romp en ledematen. 

Nieuw is dat Steiner de vormen van hoofd, romp en ledematen verbindt met de kosmos: het hoofd met de zon; de romp met de maan en de ledematen met de sterren.

Eerst zullen we ons nogmaals te binnen brengen wat ons vanuit verschillende perspectieven moet zijn opgevallen: na­melijk dat de mens in de drie gebieden van zijn wezen verschil­lende vormen heeft. We hebben erop gewezen (GA 294/7e vdr) dat de vorm van het hoofd in essentie die van de bol is, en dat deze bolle vorm van het hoofd het eigenlijke, lichamelijke wezen van het men­selijk hoofd uitdrukt. Vervolgens hebben we erop gewezen dat de borst van de mens een fragment van een bol is, zodat we dus – wanneer we het schematisch tekenen – het hoofd een bolle vorm en de borst de vorm van een maansikkel kunnen geven en het ons zodoende duidelijk is dat deze maansikkel een fragment, een deel van een bol is. Met andere woorden, we kunnen de sikkelvorm van de menselijke borst completeren. En u zult dit middengebied van het wezen van de mens, de vorm van de borst, slechts dan op de juiste wijze zien, wanneer u ook dit als een bol beschouwt – maar dan als een bol waarvan slechts een gedeelte, een sikkel, zichtbaar is en waarvan het andere gedeelte onzichtbaar is [zie tekening 1].

dierkunde Steiner 2

Daaraan kunt u wellicht zien, dat men in vroeger tijd, toen men meer dan later het vermogen had vormen te zien, geen ongelijk had, wanneer men zei dat de vorm van het hoofd overeenkomt met de zon en de vorm van de borst met de maan. En zoals men ook slechts een fragment ziet van de maan, wanneer ze niet vol is, zo ziet men in de vorm van de borst eigenlijk slechts een fragment van het middengebied van de mens. U ziet dus dat het hoofd van de mens hier in de fysieke wereld een tamelijk voltooide vorm heeft. De vorm van het hoofd manifesteert zich fysiek als iets voltooids. Ze is als het ware helemaal zoals zij zich voordoet. Ze verbergt het minst van zichzelf.

In de 7e vdr. “Opvoedkunst” zegt Steiner dat je dit zou kunnen boetseren, uit was, of brooddeeg.
Ik heb dat in al mijn 4e klassen gedaan. Je kunt er nog bepaalde gezichtspunten bij in de praktijk brengen, al hoeft dit niet. Ik heb het hoofd weleens uit blauwe bijenwas gemaakt – blauw als kleur van ‘het koele’ dat bij de functionaliteit van het hoofd hoort als het ‘koele’ denken. Geel voor de stralende ledematen en groen als midden tussen blauw en geel.
Toen ze klaar waren, zeiden kinderen altijd: ‘net babytjes’.
Ik vond de vorm eigenlijk net een embryo.

dierkunde Steiner 5

Wie schetst mijn verbazing toen ik in een boek van Blechschmidt [4] deze foto zag:

dierkunde embryo 1

Foetus op het einde van de 3e maand, 75 mm lang. Je ziet de figuur weer waarover in de voordracht wordt gesproken. [4.1]

Plato:
Welnu, allereerst moet ge dan iets weten over de gedaante van de mens en zijn gevoelens. Want onze allereerste verschijningsvorm als mens was heel anders dan nu. Zo waren er, wat het menselijk geslacht betreft, drie soorten en niet twee zoals tegenwoordig het mannelijk en het vrouwelijk geslacht. Nee, er bestond ook een derde geslacht dat het gemeenschappelijke van de twee andere in zich droeg. Nu bestaat alleen de naam ervan nog, en de geslachtsvorm zelf is verdwenen. In de oertijd was er dus een man/vrouw-vorm die bestond uit het gemeenschappelijke tussen man en vrouw, zowel in naam als in vorm. Nu kennen wij dat begrip nog uitsluitend als een scheldwoord. De verschijningsvorm van ieder mens was toen bovendien helemaal rond, want rug en zijde waren cirkelvormig. Ieder mens had vier handen en evenveel benen. Bovendien had hij twee gezichten die geheel identiek waren en op een ronde nek stonden. Maar op de beide gezichten, die een tegengestelde kant uitkeken, was een schedel geplaatst. Wel waren er vier oren, twee geslachtsdelen en voorts alle andere organen in hun overeenkomstige verhouding. Het schepsel liep rechtop, net als wij, en kon gaan waar het wilde. En wanneer die mens het op een lopen zette, deed hij dat als een ware acrobaat met gestrekte benen die in een cirkelvormige beweging rond- en rondgingen, en ook zijn armen gebruikte hij zodat hij op acht ledematen steunde die razendsnel rondgingen.

Het bestaan van deze drie geslachtssoorten en hun verschijningsvorm vond zijn oorzaak in het feit dat het mannelijk principe uit de zon te voorschijn is gekomen en het vrouwelijk uit de aarde, terwijl het geslacht dat het midden houdt tussen beide van de maan afstamt. Want ook de maan houdt het midden tussen twee: de aarde en de zon. Zij waren allemaal bolvormig en leken sterk op elkaar, zowel in wezen als in vorm, omdat zij op hun ouders leken. Bovendien kenmerkten zij zich door hun grote kracht en macht en hun geestkracht was zo groot dat zij zelfs samenzweerden tegen de goden. Van hen wordt dan ook hetzelfde verhaal verteld als Homeros vertelde over Ephialtos en Otos, die de hemel wilden bestormen om de goden te bevechten. Daarop overlegden Zeus en de andere goden wat hun te doen stond, maar zij konden geen raad schaffen. Enerzijds hadden zij de middelen niet om het menselijk geslacht uit te roeien zoals zij met het geslacht der giganten hadden gedaan, dat ze door middel van de bliksem verdelgden. Met de mensen was dat niet mogelijk, want dan zouden tevens alle eerbewijzen en offers, die immers van hen afkomstig zijn, verdwijnen. Anderzijds konden de goden dit opstandig gedrag toch niet toestaan. Maar ten langen leste kreeg Zeus een ingeving en sprak: ‘Ik geloof dat we toch over het middel beschikken om een eind te maken aan de opstandige goddeloosheid van de mensen zonder hen uit te roeien; dat is mogelijk door ze te verzwakken. Want ik zal nu ieder van hen doormidden snijden en door hun groter aantal zullen zij tegelijkertijd nuttiger voor ons, goden, worden. Zij zullen rechtop lopen op twee benen, maar als zij doorgaan met hun opstandig gedrag en zich niet rustig houden, dan zal ik ze nogmaals doormidden klieven zodat zij eenbenig door het leven moeten.’ Zo sprak hij, en tegelijkertijd sneed hij alle menselijke wezens in tweeën. Het leek net de kwalsterbezievrucht die men doorsnijdt om die te drogen, of op het doorsnijden van een ei met een haar. En bij het doorklieven van ieder menselijk wezen droeg hij Apollo op om gezicht en hals een halve slag te draaien naar de kant van de snede zodat ieder mens bij het zien van zijn eigen wond weer tot bezinning zou komen. En voorts droeg hij Apollo op om de wonden te genezen. Dus draaide Apollo het gezicht van alle mensen een halve slag en trok hij de huid van de zijkanten bijeen en legde de huid op wat voortaan de buik wordt genoemd: het leek net op het dichttrekken van een beurs met een koordje. In het midden van de buik liet hij een kleine opening, wat wij nu de navel noemen.De vele andere huidplooien streek hij glad, terwijl hij beide borsthelften in de borstkas met elkaar verbond. Dat deed hij met een bepaald instrument dat lijkt op wat leersnijders gebruiken wanneer zij de geplooide vellen leer over hun leest leggen om ze glad te maken. Toch liet hij een paar plooien zitten en wel bij de maag en bij de navel als blijvende herinnering aan deze jammerlijke gebeurtenis. Toen dus de mens zag dat zijn gedaante in tweeën was gesneden, ontstond in iedere helft het verlangen om weer samen een geheel te vormen, en zo legden ze de armen om elkaar heen in een innige omhelzing, ernaar verlangend dat de aparte delen weer aaneen zouden groeien. En ze dreigden van honger en uitputting om te komen, omdat zij weigerden iets los van elkaar te ondernemen. En wanneer de ene helft stierf en de andere dus alleen achterbleef ging die helft op zoek naar een wederhelft en omhelsde vervolgens de eerste de beste helft van een hele vrouw of van een man die hij vond (want nu waren man en vrouw gescheiden). Op deze manier ging het mensenras zijn ondergang tegemoet. Maar Zeus had medelijden met de mens en verschafte nog een ander middel door hun geslachtsdelen naar de voorzijde van het lichaam te verplaatsen. Want tot op dat ogenblik hadden zij ook hun geslachtsdelen aan wat oorspronkelijk de buitenkant was en zij plantten zich niet voort door elkaar te bevruchten, maar in de aarde zoals krekels doen. Die organen verplaatste hij dus naar de voorkant waardoor hij het voortplantingsproces naar het lichaam zelf verlegde, met het mannelijk lid in het vrouwelijk deel. Hij deed dit met de bedoeling dat wanneer een man in zijn omarming een vrouw trof, een verwekking kon plaatsvinden en het mensenras zou blijven voortbestaan. Maar wanneer een man een man trof, zou uit dat samenzijn tenminste bevrediging en rust kunnen voortkomen waardoor zij aan het werk zouden gaan om hun brood te verdienen. Zo is dus sinds die scheiding bij de mensen het liefdesverlangen ingeplant, waardoor de oorspronkelijke staat van de mens weer wordt hersteld en tevens de wens ontstaat om uit twee een te maken en de oorspronkelijke natuur van de mens te helen. [5]

ZON EN HOOFD
Wanneer de zon aan een heldere hemel ondergaat en de horizon nadert, kun je de ronde vorm prachtig zien. Dat geldt ook wanneer deze opkomt: langzaam, maar toch vrij snel verschijnt ze als segmentje om daarna in haar volle rondheid boven de kim uit te stijgen. De schemering die voorafging aan haar verschijnen verdwijnt en de wereld ‘gaat een licht op’.  De ochtendnevel verdwijnt: het wordt warmer.

Diezelfde ronde vorm is ook waar te nemen bij een zonsverduistering. Bij dit proces lijkt het wel op de wereld de adem inhoudt. Indrukwekkend hoe stil alles wordt; hoe het lijkt of het leven op aarde ophoudt; het wordt donker – niet ‘aardedonker’- en de dieren maken geen geluid meer. Het vogelgezang verstomt; de mensen zwijgen. Wanneer de zon dan weer begint te verschijnen verkeert dit proces in zijn tegendeel: alles komt weer in beweging: de vogels kwetteren; een haan kraait; de mensen praten weer met normaal stemgeluid; vanuit de hemel komt het verblindende licht weer naar je toe.

De zon = leven. Leven is ritme: dag en nacht; de seizoenen. Tijd. Maar ook ruimte: zonder de aanwezigheid van licht zouden we die in de drie dimensies niet kunnen beleven.

In liederen en gedichten wordt de zon bejubeld. Ze is de onvoorwaardelijke voorwaarde voor het leven.

Franciscus van Assisi

‘Wij danken U, o Heer
Voor al Uw scheppingen.
En wel het meest voor zuster Zon
Die ons verlicht en warmte geeft.
Haar schone stralende flonk’rende pracht
Getuigt, o Heer, van Uw godd’lijke macht.

Hans Andreus (1926-1977)

Liggen in de zon

Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht.

Ik lig languit lig in mijn huid te zingen
lig zacht te zingen antwoord op het licht
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
te zingen van het licht dat om en op mij ligt

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder
te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
er ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.

Maria Vasalis

RA

De ochtendstond onthulde zijn gezicht
gegoten door het duister van de nacht.
Hij sliep, maar door de vingren van het licht
werden zijn trekken langzaam naar omhoog gebracht.

Het voorhoofd hoog, gekoepeld als een oude tempel,
’t verzegeld heiligdom der ogen in een donkre nis
onder de dubbele streng-getrokken drempel,
de neus gekromd, de mond verlengd in droefenis.

Zo lag hij neer, toen zag ik zijn gestrekte armen
als vleugels aan weerskanten uitgespreid.
Eenzaam, buiten bereik van elk erbarmen
maar in uiteindelijke onkwetsbaarheid.

Ik waakte en zag, in eerbied en in vrezen:
hij was een vogel en een god, nachtlijks gestorven,
dagelijks herrezen.

0-0-0

Heel het plantendek over de aarde is a.h.w. een antwoord op de verhouding ervan t.o.v. van de zon; drukt de relatie uit die het heeft met ‘de hemel’.

Dit is o.a. onderwerp in de plantkundeles in klas 5, zoals hier beschreven.

Voor het leven betekent de zon zoveel, dat we haar gerust het centrale punt van de kosmos kunnen noemen, maar ook de belangrijkste planeet.

Wanneer ze ’s morgens opgaat, gaat de aarde letterlijk een licht op. Daardoor wordt weer zichtbaar hoe de voorwerpen zich tot elkaar in de ruimte verhouden: we zien het weer voor ons. Er is weer orde. Is het toeval dat wij – wanneer ons iets duidelijk wordt – zeggen dat er ons een licht opgaat? Is het toeval dat we spreken van ‘ons licht ergens over laten schijnen’ wanneer we bedoelen dat we willen weten hoe ‘het ene’ zich t.o.v. ‘het andere’verhoudt?

Klaarheid, helderheid, overzicht zijn zonder de zon op aarde niet mogelijk. De verwantschap met ons denken is duidelijk zichtbaar. Zoals de zon–voor onze be-leving – het centrale punt van de kosmos is – zo is ons denken het centrale punt vanwaaruit wij licht werpen op onze leefwereld. Met klaarheid, helderheid en overzicht staan wij als denkende wezens in de wereld.

Ons hoofd met het denken, gecentreerd in de hersenen in onze schedel is in bovenstaande vergelijking een soort zon.

Aan het hoofd van het embryo en de pasgeborene, zelfs nog bij oudere baby’s is duidelijk het ronde, de bol- de kogelvorm waarneembaar, zelfs nog bij de kin.

dierkunde baby

[6]

Bij de hoofdvorm die we waterhoofd noemen, is de bolvorm nog sprekender.

dierkunde waterhoofd

[7]

Hoewel aan het kind zowat alles nog verandert, is het toch in het oog springend dat de schedelvorm – met de oren – eigenlijk niet meer verandert, alleen groter wordt. Het gezicht, de borst en de ledematen veranderen gedurende het hele leven.

dierkunde baby 2

[8]

De oren lijken al bijna ‘klaar’. Zij veranderen niet meer, worden alleen groter.

In dit opzicht is de gedachte niet zo vreemd, dat het hoofd – de schedel – ‘oud’ is; de rest van het lichaam nog ‘jong’. Dit moet zijn vorm, die ook nooit definitief wordt, nog krijgen. De definitieve vorm lijkt die van het gestorven lichaam te zijn.

Gezichtsschedel, romp en ledematen zijn onderhevig aan de grootste veranderingen.

dierkunde grijsaard

Deze 90 jaar oude Jagan-Indiaanse was in 1950 een der 9 laatste Jagans die van dit volk overgebleven waren [9]

Bij het ouder worden komt het eigen gezicht steeds meer uit de bol/kogeltendens te voorschijn.

Zeer vruchtbaar om tot beter inzicht te komen, is de opmerking van Steiner dat de werkelijkheid pas tot ons begint te spreken wanneer we deze in tegenstellingen proberen te zien.

Wanneer je er op begint te letten, zie je dat Steiner dit ook doet: denken tegenover willen; geest tegenover lichaam; wakker tegenover slaap, enz.

De gelaatsuitdrukking van de baby tegenover die van de grijsaard is op bovenstaande foto’s duidelijk waarneembaar. De neus en de kin zijn bij de eerste nog nauwelijks ontwikkeld; bij de grijsaard bijna tot een afsluiting gekomen.
Je kunt je dus afvragen welke krachten hier werkzaam zijn.
Steiner heeft daarover veel gezegd, o.a. in GA 294.
Daar gaat het bv. om krachten die vanuit het hoofd werkzaam zijn in de rest van het lichaam en tegenovergestelde krachten, die werken vanuit het lichaam op het hoofd.
Ook werkt hij dit nog zo uit dat hij van bepaalde onderwijsvakken zegt dat ze de krachtenstroom vanuit het hoofd versterken ( al dan niet negatief) en dat er door deze vakken vanuit het lichamelijke op het hoofd gewerkt wordt (al dan niet negatief).
En dan zijn er nog de krachten die vanuit het lichamelijke ‘naar buiten’ werken en krachten die vanuit de periferie ‘naar binnen’ werken.

Wie ‘denken, voelen en willen’ als leidraad gebruikt om mens en wereld beter te begrijpen, zal, wanneer het denken nader onderzocht wordt, dit als functie van de in het hoofd aanwezige hersenen opvatten. En dat dit denken zich veelal uit in het hebben van voorstellingen. Deze komen tot stand door onze zintuigen. Eerst zien we iets concreets; later kunnen we ons dit als (voorstellings)beeld weer voor de geest! roepen.
Maar dit beeld is t.o.v. het concreet aanschouwde, onstoffelijk maar ook ‘nieuwer’; soms zie je bij de bakker een poster hangen van een heerlijk uitziende taart. Je kunt er zeker van zijn, dat die concrete taart allang weg is: opgegeten, bedorven, in de compostbak. Het beeld leeft voort. Dat kan er na jaren nog zijn, zoals we beseffen wanneer we het fotoboek van onze jeugd opslaan.
Het is niet vergezocht, vind ik, dat ‘hoofd’ als voorstellingsorgaan, met ‘oud’ kan worden geassocieerd.
Wanneer jouw leidraad om mens en wereld te onderzoeken ook wordt een keuze voor het standpunt dat het leven niet uit de dood ontstaat, maar de dood uit het leven, m.a.w. dat niet de materie het leven voortbrengt, maar het leven de materie nodig heeft zich te manifesteren, kun je niet om het begrip ‘reïncarnatie’ heen. In dit verband is ‘vorig’ ‘oud’ en de al zo ver volmaakte schedelvorm bij de pasgeborene kan in dit opzicht ‘oud’ genoemd worden. (Soms gaat dit zelfs zo ver dat bepaalde baby’s – die te laat? werden geboren er de eerste dagen als oude mannetjes of vrouwtjes uitzien – in hun gezicht vooral, dat er later weer heel jong! uitziet).

In GA 201 zegt Steiner:
( ) De schedelbeenderen worden gevormd door die krachten die op de mens inwerken tussen dood en nieuwe geboorte ( ). 
De bouw en functionaliteit van het hoofd (Hauptesorganisation) zoals wij die zien tussen geboorte en dood, is het gevolg van die vormingsprocessen die plaatsvonden vanaf de laatste dood tot aan de aardse belichaming in dit leven. 
Het hoofd brengen wij mee wanneer we worden geboren. Daarom is het hoofd eerst niet aangepast aan de aardse verhoudingen, maar aan de verhoudingen die eigenlijk buitenaards zijn.
Het hoofd krijgen we als het resultaat van de vorige incarnatie, als voorstellingsdrager; maar de wilskrachten gaan vanuit de rest van het organisme uit.10]

Het ‘oude’ betreft dus vooral de hersenschedel met de ‘zonnevorm’.
Het nieuwe voor de nieuwe incarnatie drukt zich uit in de ontwikkeling van de borst en de ledematen die weerspiegeld worden in de aangezichtschedel: de borst (adem) in de neus; de ledematen (stofwisseling) in de mond met de beweeglijke onderkaak.

BORST EN MAAN
Het borstgedeelte verbergt al heel veel van zichzelf; het laat een deel van zijn wezen onzichtbaar. Voor het inzicht in het wezen van de mens is het zeer belangrijk voor ogen te houden, dat een groot stuk van het borstgedeelte onzichtbaar is. En zo kunnen we zeggen: het borstgedeelte toont aan de achterkant zijn fysieke verschijningsvorm, naar de voorkant gaat het over in de ziel. Het hoofd is geheel en al lichaam; de borst van de mens is naar achteren toe lichaam en naar voren toe ziel. Het werkelijk lichamelijke aan ons is dus alleen het hoofd dat op de schouders rust. We hebben lichaam en ziel doordat we in onze borst, als afgezonderd deel van de gehele borst, de ziel opne­men en laten werken.

Hier heb ik iets beschreven van de fysieke bouw van de mens. Wat de botvorming betreft, staat het hoofd met zijn verstarde, vast geworden schedelbotten, het dichtst bij wat aan karakteristieks voor het fysieke is gevonden: het levenloze, meest verdichte, doodse, onbeweeglijke. Tegenover de beweeglijkheid van de ledematen. De romp neemt een  – letterlijke – middenpositie in. De botten van de wervelkolom verdichten zich naar boven toe en openen zich naar onder, in de zwevende ribben die a.w.h. ook ledemaat zouden willen worden.

De wervelkolom vertoont in zijn bouw een sterk ritme, maar ook de organen van de borst: hart en longen zijn bij uitstek de organen waar het ritme direct zichtbaar is.

 

dierkunde embryo 2

de maanvorm in: Embryo in week 5  [4] [4.2]

Nu zijn er in deze beide delen van de mens ledematen in­geplant, uiterlijk gezien vooral in het borstgedeelte. Het derde deel is immers de ledematenmens. Hoe kunnen we de ledematenmens nu eigenlijk begrijpen? De ledematenmens kunnen we alleen begrijpen, wanneer we voor ogen houden dat bij de lede­matenmens andere stukken van de bolvorm zijn overgebleven dan bij de borst. Bij het borstgedeelte is een stuk van de perife­rie overgebleven. Bij de ledematen is meer iets van het binnen­ste overgebleven, van de radiussen van de bol, zodat de binnen­ste delen van de bol dus de ledematen vormen.

Het werkt echter niet – zoals ik u al zo vaak heb gezegd -wanneer men de verschillende delen slechts schematisch met elkaar in verband brengt. Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven. We zeggen: we hebben de ledematenmens en die bestaat uit de ledematen. Maar nu moet u weten dat ook het hoofd zijn lede­maten heeft. Wanneer u de schedel nauwkeurig bekijkt, dan vindt u daaraan onder andere de boven- en onderkaak [zie tekening 2]. Die zitten er net als ledematen aan. De schedel heeft ook zijn ledematen; de boven- en onderkaak zijn als lede­maten aan de schedel bevestigd. Alleen zijn ze aan de schedel onderontwikkeld. Ze zijn tot volle wasdom gekomen aan de rest van de mens, maar aan de schedel zijn ze verkommerd – daar zijn ze eigenlijk alleen vormingen van het bot. En er is nog een verschil: wanneer u de ledematen van de schedel, de onder- en bovenkaak dus, bekijkt, dan zult u zien dat zich daarbij voorna­melijk de werking van het bot manifesteert. Wanneer u de ledematen aan ons lichaam bekijkt, dus het eigenlijke wezen van de ledematenmens, dan zult u de essentie moeten zoeken in de omhulling met de spieren en bloedvaten. In zekere zin zijn de botten in onze armen, benen, handen en voeten alleen maar aanwezig ten behoeve van ons spier- en bloedstelsel. En in zekere zin zijn bij de boven- en onderkaak – als ledematen van het hoofd – de spieren en bloedvaten geheel onderontwikkeld. Wat betekent dat? De wil bedient zich van bloed en spieren, zoals we al gehoord hebben. Daarom zijn voor de wil hoofdza­kelijk de armen, benen, handen en voeten gevormd. Bloed en spieren – de voornaamste dienaren van de wil – zijn tot op ze­kere hoogte onthouden aan de ledematen van het hoofd, omdat daarin ontwikkeld moet zijn wat naar het intellect, naar het kennende denkvermogen neigt. Wilt u dus bestuderen hoe de wil van de wereld zich in de uiterlijke vormen van het lichaam openbaart, bestudeert u dan armen en benen, handen en voe­ten. Wilt u bestuderen hoe de intelligentie van de wereld zich openbaart, bestudeert u dan het hoofd als schedel en kijkt u hoe het uit botten is opgebouwd en hoe aan het hoofd de boven- en onderkaak vastzitten – en ook andere delen die er als ledematen van het hoofd uitzien. U kunt namelijk overal de uiterlijke verschijningsvormen beschouwen als openbaringen van het in­nerlijk. En u begrijpt de uiterlijke vormen slechts, wanneer u ze ook als openbaringen van het innerlijk ziet.

Ik heb altijd geconstateerd dat het voor de meeste mensen heel moeilijk te begrijpen is welk verband er bestaat tussen de pijpbeenderen van armen en benen enerzijds en de platte been­deren van het hoofd anderzijds. Het is juist voor een leraar goed om zich hier een begrip eigen te maken dat volstrekt niet gang­baar is. En daarmee komen we bij een heel, heel moeilijk hoofd­stuk, misschien voor ons voorstellingsvermogen wel het moeilijkste dat we moeten behandelen in deze pedagogische voordrachten.

U weet dat Goethe als eerste zijn aandacht heeft gericht op de zogenaamde werveltheorie van de schedel. Wat wordt daar­mee bedoeld? Daarmee wordt bedoeld: de toepassing van de idee van de metamorfose op de mens en zijn verschijnings­vorm. Wanneer je de wervelkolom van de mens bekijkt, dan zie je, zoals u weet, dat de ene wervel boven de ander ligt. Het ruggenmerg gaat daar doorheen. We kunnen dan één wervel met zijn uitstulpingen apart nemen [Rudolf Steiner schetst een wervel]. In Venetië heeft Goethe aan de hand van de schedel van een schaap als eerste waargenomen dat alle botten van het hoofd omgevormde ruggenwervelbotten zijn. Dat wil zeggen, wanneer men zich voorstelt dat bepaalde organen groter zijn geworden en andere organen kleiner, dan krijgt men uit deze wervelvorm het schaalvormige bot van het hoofd. Op Goethe heeft dat een grote indruk gemaakt, want hij heeft daaruit moe­ten concluderen – wat voor hem van grote betekenis was – dat de schedel een gemetamorfoseerde, een op een hoger plan om­gevormde wervelkolom is.

Men kan nu betrekkelijk gemakkelijk inzien dat de botten van de schedel door omvorming, door metamorfose, zijn ont­staan uit de wervels van de ruggengraat. Maar nu wordt het heel moeilijk om ook de botten van de ledematen als omvorming, als metamorfose van de wervels, respectievelijk de botten van het hoofd, op te vatten. Het is al moeilijk bij de ledemaatbotten van het hoofd, dus bij boven- en onderkaak. Goethe heeft dit ge­probeerd, maar nog op een uiterlijke wijze. Waarom is dat moeilijk? Nu, dat berust op het feit dat ieder bot van het lichaam dat buisvormig is wel degelijk ook een metamorfose, een omvorming van het bot van het hoofd is – maar op een heel bijzondere wijze. Men kan zich vrij eenvoudig voorstellen dat de ruggengraatwervel gemetamorfoseerd wordt tot het bot van het hoofd, door zich sommige delen vergroot en andere ver­kleind voor te stellen. Maar het lukt niet zo gemakkelijk de stap te maken van de pijpbeenderen van armen of benen naar de botten van het hoofd, die schaalvormig zijn. Als u dit wilt bereiken, dan moet u namelijk eerst een bepaalde procedure volgen. U moet met de pijpbeenderen van armen en benen hetzelfde doen, wat u zou doen als u bij het aantrekken van een kous of handschoen deze eerst binnenstebuiten zou keren: u moet het binnenste eerst naar buiten keren, u moet het omstul­pen. Nu is het vrij eenvoudig zich een handschoen of kous binnenstebuiten gekeerd voor te stellen. Maar het pijpbeen is niet gelijkmatig gebouwd. Het is niet zo dun, dat het binnen en buiten op dezelfde wijze gevormd is. Het is binnen en buiten verschillend gevormd. Zou u uw kous zo construeren, dat u hem aan de buitenkant een kunstzinnige vorm geeft met allerlei uitstulpingen en holtes, en zou u hem dan elastisch maken en omkeren, dan zou u aan de buitenkant niet meer dezelfde vorm krijgen die zich na omkering aan de binnenkant bevindt. En zo is het ook bij het pijpbeen. Men moet het binnenstebuiten keren, dan ontstaat de vorm van het bot van het hoofd, zodat de menselijke ledematen niet alleen gemetamorfoseerde botten van het hoofd zijn, maar bovendien ook nog binnenstebuiten gekeerde.

Waarom is dat zo? Dit is zo, omdat het hoofd zijn middel­punt ergens in zichzelf heeft: een concentrisch middelpunt. De borst heeft haar middelpunt niet in het midden van de bol; het middelpunt van de borst is heel ver weg. Dat is hier in de tekening slechts fragmentarisch weergegeven, want het zou een heel grote tekening worden, wanneer alles erop zou moeten staan. De borst heeft een middelpunt dat heel ver weg is.

En waar is het middelpunt van het ledematenstelsel? Met deze vraag komen we op de tweede moeilijke kwestie. Het lede­matenstelsel heeft zijn middelpunt in de gehele periferie. Het middelpunt van het ledematenstelsel is een bol – het omge­keerde dus van een punt. Het oppervlak van een bol. Dat mid­delpunt is eigenlijk overal; daardoor kunt u naar alle kanten bewegen; van alle kanten richten de stralen van de bol zich naar binnen. Ze verenigen zich met u.

Wat in het hoofd is, gaat van het hoofd uit; wat door de ledematen gaat, gaat naar binnen en concentreert zich daar. Daarom ook moest ik in de andere voordrachten zeggen: u moet zich de ledematen voorstellen als zijnde ingeplant. Wij zijn werkelijk een hele kosmos, alleen wat daar van buitenaf in

dierkunde Steiner 3

ons door wil stralen, dat verdicht zich slechts aan het uiteinde en wordt alleen daar zichtbaar. Een minuscuul deeltje van wat we eigenlijk zijn, wordt zichtbaar in onze ledematen, zodat de ledematen weliswaar iets fysieks zijn, maar slechts een miniem deeltje van wat eigenlijk leeft in de ledematen van de mens: het geestelijke. Lichaam, ziel en geest leven in het ledematenstelsel van de mens. Het lichaam is slechts in aanzet aanwezig; maar in de ledematen leven ook de ziel en de geest, welke in feite de gehele kosmos omvat.

Nu zou men ook nog een andere tekening van de mens kun­nen maken. Men zou kunnen zeggen: de mens is in de eerste plaats een reusachtige bol, die de gehele kosmos omvat; vervol­gens een kleinere bol en een nog kleinere. Alleen de kleinste bol wordt geheel zichtbaar; de grotere bol wordt slechts ten dele zichtbaar; de grootste bol wordt alleen zichtbaar aan de uitein­den van de stralen – de rest blijft onzichtbaar. Zo heeft de mens vanuit de kosmos zijn vorm gekregen.

dierkunde Steiner 4

We keren terug naar het middengebied, het borststelsel, waar het hoofdstelsel en het ledematenstelsel samengaan. Wanneer u kijkt naar de ruggengraat met de aanhechtingen van de ribben, dan zult u zien dat dat de poging is zich naar voren toe af te sluiten. Van achteren is het geheel afgesloten, naar voren toe is het bij een poging gebleven: het afsluiten lukt niet helemaal. Hoe dichter de ribben bij het hoofd liggen, des te meer lukt het hun zich af te sluiten, maar hoe verder ze naar onderen liggen, des te minder lukt het. De laatste ribben sluiten zich niet meer aaneen, aangezien ze daar tegengewerkt worden door de kracht die van buiten komt en in de ledematen leeft.

De Grieken hadden nog een zeer sterk bewustzijn van deze samenhang tussen de mens en de gehele macrokosmos. En de Egyptenaren wisten het heel goed, maar hun kennis was enigs­zins abstract. U kunt dat ook aan Egyptische of andere oude beelden zien, waarin deze gedachte over de kosmos tot uitdruk­king wordt gebracht. U begrijpt niet wat de mensen in vroeger tijd gemaakt hebben, wanneer u niet weet dat ze dat gemaakt hebben in overeenstemming met hun geloof: het hoofd is een kleine bol, een wereldlichaam in het klein; de ledematen zijn een deel van het grote wereldlichaam waar dit overal met zijn stralen in de menselijke gestalte dringt. De Grieken hadden daarvan een mooie, harmonische voorstelling – daarom was hun ruimtelijke vormgeving ook zo goed en waren ze zulke goede beeldhouwers. Ook tegenwoordig kan niemand de plasti­sche kunst werkelijk doorgronden, wanneer hij zich niet be­wust wordt van deze samenhang van de mens met de kosmos. Anders aapt hij alleen maar gebrekkig en uiterlijk de vormen van de natuur na.

Nu zult u, beste vrienden, juist naar aanleiding van wat net gezegd is kunnen inzien, dat de ledematen meer op de wereld zijn gericht en het hoofd meer op de individuele mens is ge­richt. Waarnaar zullen de ledematen dus met name gericht zijn? Naar de wereld, waarin de mens zich beweegt en zelf zijn positie voortdurend verandert. De ledematen zullen in verband staan met de bewegingen van de wereld. Neemt u dat goed in u op: de ledematen zijn betrokken op de bewegingen van de we­reld.

In ons bewegen, in ons handelen in de wereld, zijn we ledematenmens. En wat is nu de taak van ons hoofd ten opzichte van dit bewegen van de wereld? Ik heb u al vanuit een ander perspectief gezegd dat het hoofd op de schouders rust. Het hoofd heeft ook de opgave om voortdurend het bewegen van de wereld in zichzelf tot rust te brengen. Wanneer u zich met uw geest verplaatst in het hoofd, dan kunt u zich daarvan een goed beeld vormen door u even voor te stellen dat u in een trein zit; de trein beweegt vooruit en u zit er in alle rust in. Zo zit uw ziel in rust in het hoofd, dat zich door de ledematen laat voortbewe­gen, en brengt de beweging innerlijk tot rust. U kunt zelfs gaan liggen in de trein – als er plaats is – en rusten, hoewel die rust eigenlijk niet echt is, want u rijdt, misschien wel in een couchet­te, met sneltreinvaart door de wereld; maar toch, u heeft een gevoel van rust. Zo brengt het hoofd ook alle bewegingen die de ledematen in de wereld uitvoeren in uzelf tot rust. Het borst-gedeelte bevindt zich daar midden tussen. Dat gedeelte ver­bindt de bewegingen van de buitenwereld met dat wat door het hoofd tot rust wordt gebracht.

Denkt u zich eens in: ons doel als mens is nu juist de bewe­gingen van de wereld door onze ledematen na te bootsen, op te nemen. Wat doen we dan? We dansen. U danst in feite; wat men gewoonlijk dansen noemt, is maar een deel van het echte dansen. Het was het uitgangspunt van elk dansen, de bewegin­gen van de planeten en andere hemellichamen – ook van de aarde – in de bewegingen van de ledematen na te bootsen.

Maar hoe zit dat dan met het hoofd en met de borst, wanneer we de kosmische bewegingen dansend nadoen in onze bewe­gingen als mens? Welnu, het lijkt alsof de bewegingen die we in de wereld maken worden tegengehouden in het hoofd en in de borst. Ze kunnen zich niet door de borst tot in het hoofd voort­zetten, want dat heerschap rust op de schouders – die laat de bewegingen niet door tot in de ziel. De ziel moet in rust aan de bewegingen deelnemen, omdat het hoofd op de schouders rust. Wat doet de ziel dus? Ze begint vanuit zichzelf te reflecteren wat de ledematen dansend uitvoeren. Ze begint te brommen wanneer de ledematen onregelmatige bewegingen uitvoeren; ze begint te fluisteren wanneer de ledematen regelmatige bewe­gingen uitvoeren en ze begint zelfs te zingen wanneer de har­monische kosmische bewegingen door de ledematen uitge­voerd worden. Zo wordt de dansende beweging, die naar buiten gericht is, naar binnen toe omgezet in zang en muziek.

De fysiologen die zich met de zintuigen bezighouden zullen nooit in staat zijn te begrijpen wat gewaarwording is, wanneer ze de mens niet als kosmisch wezen zien; ze zullen altijd zeggen: in de buitenwereld treden bewegingen van de lucht op, in zijn innerlijk neemt de mens klank waar. Hoe het verband is tussen de bewegingen van de lucht en de klank, dat kan men niet weten. – Dit staat in de fysiologie- en psychologieboeken, in de eerste aan het eind, in de laatste aan het begin; dat is het enige verschil.

Hoe komt dat? Dat komt doordat de psychologen en fysiolo­gen niet weten, dat datgene wat uiterlijk beweging is bij de mens, innerlijk in de ziel tot rust gebracht wordt en daardoor in klanken begint over te gaan. En zo is het met alle andere zin­tuiglijke waarnemingen ook. Omdat de organen van het hoofd niet meedoen aan de uiterlijke bewegingen, kaatsen ze deze uiterlijke bewegingen in de borst terug en maken ze deze bewe­gingen tot een klank, tot een andere zintuiglijke gewaarwor­ding. Daar ligt de oorsprong van de gewaarwordingen. Maar daar ligt ook de samenhang van de kunstvormen.” De vormen van muziek, van toonkunst, ontstaan uit de plastische en
archi­tectonische kunst, doordat de plastische en architectonische kunsten naar buiten toe zijn, wat de muzikale kunst naar bin­nen toe is. De weerspiegeling van de wereld van binnen naar buiten, dat is de muzikale kunst. – Op deze wijze heeft de mens een plaats in de kosmos. Beschouwt u een kleur eens als een tot rust gekomen beweging. De beweging neemt u uiterlijk niet waar – net zoals u, liggend in de trein, de illusie kunt hebben dat u in rust bent. U laat de trein buiten u bewegen. Zo laat u uw lichaam door fijne bewegingen van de ledematen, die u niet waarneemt, meebewegen met de wereld buiten u, en zelf neemt u in uw innerlijk kleuren en klanken waar. Dat heeft u te dan­ken aan het feit dat uw hoofd – als vorm – in een toestand van rust gedragen wordt door het ledematenorganisme.

Ik zei u al dat dit een ingewikkeld punt is; dat is het vooral, omdat in onze tijd niets gedaan wordt om deze dingen te begrij­pen. Alles wat we in de huidige tijd als opvoeding en onderwijs ontvangen, zorgt ervoor dat de mensen onwetend blijven over zoiets als wat ik vandaag verteld heb. Wat gebeurt er nu ei­genlijk door onze huidige opvoeding en door het onderwijs in deze tijd? Tja, de mens leert een sok of een handschoen echt niet volledig kennen, wanneer hij hem niet ook eens omkeert, want hij weet dan nooit waarmee zijn huid eigenlijk in aanra­king komt. Hij kent alleen de buitenkant. Zo kent de mens door opvoeding en onderwijs in deze tijd enkel en alleen de buiten­kant van de dingen. Daardoor heeft men alleen begrippen ter beschikking die van toepassing zijn op de helft van de mens. En men kan niet eens de ledematen begrijpen. Want de geest heeft die al binnenstebuiten gekeerd.

We kunnen dit ook nog anders bekijken. We kunnen zeggen: laten we de gehele, volledige mens, zoals hij in de wereld voor ons staat, in eerste instantie als ledematenmens beschouwen; hij manifesteert zich als zodanig als geest, ziel en lichaam.

Beschouwen we hem als borstmens, dan manifesteert hij zich als ziel en lichaam. De grote bol [zie de tekening op blz. 154]: geest, lichaam, ziel; de kleinere bol: lichaam, ziel; de kleinste bol: alleen maar lichaam. Tijdens het concilie van 869 hebben de bisschoppen van de katholieke kerk de mensheid verboden iets over de grote bol te weten te komen. Ze hebben toen tot dogma verklaard, dat alleen de middelste en kleinste bol bestaan: dat de mens slechts bestaat uit lichaam en ziel, en dat iets geestelijks alleen maar als een eigenschap van de ziel bestaat. De ziel zou naar één kant ook iets geestachtigs zijn. Geest bestaat niet meer – sinds 869 – voor de van het katholicisme uitgaande cultuur van het avondland. – Maar met de afschaffing van de verbinding met de geestelijke wereld is ook de verbinding van de mens met de wereld afgeschaft. De mens is meer en meer op zijn ego teruggeworpen. Daardoor werd de religie zelf steeds egoïstischer, en tegenwoordig leven we in een tijd waarin we – laten we het zo uitdrukken – weer vanuit de geestelijke waarneming de verbinding van de mens met de geestelijke wereld en daardoor met de wereld moeten leren kennen.

Wie is er eigenlijk schuldig aan, dat we een natuurweten­schappelijk materialisme hebben gekregen? Dat we een natuur­wetenschappelijk materialisme hebben gekregen, is voorname­lijk te wijten aan de katholieke kerk, want die heeft in 869 op het Concilie van Constantinopel de geest afgeschaft. Wat is er toen eigenlijk gebeurd? Kijkt u nog eens naar het menselijk hoofd. Dit heeft zich in de loop van het wereldgebeuren zo ontwik­keld, dat het nu het oudste deel van de mens is. Het hoofd is eerst voortgekomen uit hogere dieren of, nog verder terug­gaand, uit lagere dieren.0 Wat ons hoofd betreft, stammen we af van de dierenwereld. Daar is niets aan te doen – het hoofd is alleen maar een verder ontwikkeld dier. Wanneer we de voor­ouders van ons hoofd willen zoeken, komen we bij de lagere dieren uit. Onze borst is pas later aan het hoofd aangezet; die is niet meer zo dierlijk als het hoofd. De borst hebben we pas in een later tijdperk gekregen. De ledematen hebben wij mensen pas het laatst gekregen; dit zijn de allermenselijkste organen. Dat zijn geen metamorfoses van dierlijke organen, maar ze zijn er later aan toegevoegd. De dierlijke organen zijn zelfstandig uit de kosmos gevormd, ten behoeve van de dieren; de men­selijke organen zijn later zelfstandig aan de borst toegevoegd. Maar doordat nu de katholieke kerk het menselijk bewustzijn van zijn verbinding met de kosmos, het bewustzijn dus van de eigenlijke aard van zijn ledematen heeft laten verdoezelen, heeft ze aan later tijden slechts weinig kennis van de borst doorgegeven en voornamelijk kennis van het hoofd, van de schedel. En toen is het materialisme tot de ontdekking gekomen dat de schedel van de dieren afstamt. Nu zegt men dat de gehele mens van de dieren afstamt, terwijl de organen van de borst en ledematen er pas later bij gevormd zijn. Juist doordat de katho­lieke kerk voor de mens de ware aard van zijn ledematen, zijn verbinding met de wereld, heeft verborgen, is ze er de oorzaak van dat de latere materialistische tijd een gedachte koestert die alleen voor het hoofd geldt, maar door het materialisme voor de gehele mens gehanteerd wordt. In wezen heeft de katholieke kerk het materialisme op het gebied van de evolutieleer ge­creëerd. Vooral de leraren in deze tijd zouden zulke dingen moeten weten, want zij dienen interesse te hebben voor wat er in de wereld gebeurd is. En zij dienen de ware achtergronden van de gebeurtenissen in de wereld te doorzien.

We hebben vandaag geprobeerd te belichten hoe het komt dat onze tijd materialistisch geworden is, aan de hand van iets heel anders: van de bolvorm en de maanvorm en van de stralenvorm van de ledematen. We zijn namelijk begonnen met iets dat schijnbaar het tegendeel is, om een grote, geweldige cul­tuurhistorische gebeurtenis toe te lichten. Maar het is
noodza­kelijk dat vooral de leraren in staat zijn de ware achtergronden van culturele gebeurtenissen te doorgronden, anders kunnen ze met opgroeiende mensen niets beginnen. Wanneer de leraar zich in de achtergronden verdiept, dan zal hij iets in zich opne­men wat noodzakelijk is, wil hij vanuit zijn innerlijk, via on- en onderbewuste verbindingen met het kind, op de juiste wijze opvoedend werken. Want dan zal hij werkelijk eerbied hebben voor de mens als schepping. Hij zal in de vorm van de mens overal verbindingen met de grote wereld zien. Hij zal zich anders opstellen tegenover het bouwwerk van de mens dan wanneer hij in de mens alleen maar een soort beter ontwikkeld beestje ziet, een beter ontwikkelde diergestalte. De leraar van tegenwoordig stelt zich – hoewel hij wel eens in zijn bovenka­mer de illusie heeft dat dat anders is – toch zo op, dat volgens hem de opgroeiende mens een klein beestje, een klein diertje is, en dat hij dit diertje moet ontwikkelen – iets verder dan de natuur al gedaan heeft. Hij zal heel andere gevoelens hebben, wanneer hij zegt: daar is een mens; van hem uit bestaan er verbindingen met de hele wereld; in ieder afzonderlijk kind dat opgroeit leeft iets – wanneer ik daaraan werk, dan doe ik iets wat betekenis heeft voor de hele wereld. We zijn in de klas. In ieder kind ligt een centrum van de wereld, van de macrokosmos uit gezien. Deze klas is het middelpunt, ja, er zijn hier vele middelpunten voor de macrokosmos. – Denkt u zich eens in, voelt u dat eens mee, wat dat betekent! Dat betekent dat daar de idee van het heelal en zijn verbinding met de mens overgaat in een gevoel dat alle afzonderlijke handelingen in het onderwijs tot heilige daden maakt. Zonder zulke gevoelens over de mens en de kosmos zullen we niet in volle ernst en op de juiste wijze kunnen onderwijzen. Zodra we zulke gevoelens hebben, wor­den ze via onderaardse verbindingen op de kinderen over­gedragen. Ik heb u in ander verband al gezegd dat het altijd een wonderlijke indruk maakt, wanneer men ziet hoe de draden naar koperen platen in de aarde gaan en de aarde de elektriciteit zonder draden verder geleidt.0 Stapt u de school in met enkel egoïstische mensengevoelens, dan heeft u allerlei draden-woorden namelijk – nodig, om met de kinderen te communice­ren. Heeft u grote kosmische gevoelens, die opgeroepen wor­den door ideeën als die welke wij net ontwikkeld hebben, dan gaat er een onderaardse leiding naar het kind. Dan bent u één met de kinderen. Dat is een facet van de geheimzinnige verbin­dingen die er bestaan tussen u en de schoolklas. Wat wij peda­gogie noemen, moet uit zulke gevoelens opgebouwd zijn. De pedagogie mag geenszins een wetenschap zijn, ze moet een kunst zijn. En waar bestaat er een kunst die men kan leren zonder voortdurend in gevoelens te leven? Maar de gevoelens waarin men moet leven, om die grote levenskunst die pedagogie heet uit te kunnen oefenen, deze gevoelens die men moet heb­ben ten behoeve van de pedagogie, die ontvlammen alleen wan­neer men het grote heelal beschouwt en zijn verbinding met de mens.

[1] GA 293
 Algemene menskunde als basis voor de pedagogie, voordracht 10
[2] GA 294
GA 294 Opvoedkunst – methodisch-didactische aanwijzingen, voordracht         7
[3] Rohen, Joh.W. ‘Morphologie des menschlichen Organismus,
Stuttgart, 2000, door Leber aangepast
[4] Blechschmidt, E. ‘Vom Ei zum Embryo’ 1968, Stuttgart
[5] Plato Symposion
[6,7,8] Nieuwe medische encyclopedie, Rotterdam, 1981
[9] Wonderen der evolutie, Amsterdam 1981
[10] GA 201 voordracht 9 en 10

.

Algemene menskunde: alle artikelen

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

.

266-251

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (19)

 

.

MICHAËLSFEEST

“In spring, de boog gaat in.”

Men kan de wisseling van seizoenen in de loop van één jaar als een soort ademhaling beleven.
In de zomer is de aarde groot geworden. De aarde, als totaliteit van mineralen, planten en dieren, breidt zich uit naar de periferie. De bomen hebben hun bladertooi naar buiten gebracht. De planten bloese­men, het stuifmeel vliegt op, de geuren van de bloemen verbreiden zich. Ook de dieren zijn overal zichtbaar. De vlinders fladderen rond, de leeuwerik stijgt al zingend steeds hoger. Kortom: de aarde ademt zich geheel uit.

Na de zomer begint alles zich weer terug te trekken. Het zaad is in de aarde gevallen, de bladeren verdorren, de sapstroom neemt af. Ook de dieren trekken zich terug in hun holen, korven en stallen. Naar de midwinter toe ademt de aarde steeds meer in.

Zoals op één uit- en inademing bij de mens vier hartslagen plaatsvin­den, zo zijn er in één jaarcyclus ook vier concentratiepunten, waar het duidelijkst de kwaliteit van dat jaargetijde beleefbaar is; mid­zomer, middenherfst, midwinter en middenlente. Tot uitdrukking ko­mend in de jaarfeesten van Johannes de Doper (midzomer), Michal (herfst), Kerstmis en Pasen.

Het gebaar van in- en uitademing, dat de aarde maakt, vindt men bij de mens in de loop van het jaar terug. In de zomer is ons innerlijk het meest naar buiten gekeerd, we beleven de ontmoeting met de na­tuur. We geven ons er in zekere zin (vooral in de vakantie) aan over en worden er af en toe wat dromerig bij. In de zomertijd zijn we van nature wat gemakkelijker “buiten ons zelf” (uitgeademd). Naar de winter toe komen we meer “tot ons zelf”, we zijn meer naar binnen gekeerd (ingeademd). De mens is in de winter wakkerder, meer tot beschouwen en nadenkendheid in staat.

Zomer en winter zijn gemakkelijke tijden van het jaar, omdat ze zo extreem, zo uitgesproken zijn. Óf helemaal uitgeademd, óf helemaal ingeademd. Daar kun je even in verwijlen; net zoals de ademhaling op zijn diepste punt van in of uit even stilstaat. De tijden daar­tussen zijn veel moeilijker, omdat het overgangstijden zijn. Het is telkens weer anders, je moet a.h.w. op een rijdende trein springen. Sommige mensen krijgen daarom in lente of herfst klachten. Maagzwe­ren komen juist in deze seizoenen voor. En ook depressies treden vaker op in de tijd, dat de blaadjes aan de bomen komen of er weer vanaf vallen.

Wat zou je in de herfst kunnen doen, om deze overgangstijd zinvol door te maken? In vroegere tijden was Michaeli een boerenfeest; het oogstfeest. De vruchten en de granen werden binnengehaald. Voor ons is dat moeilijker. We komen van vakantie terug en moeten weer iets hervatten. Hebben we iets te oogsten? Ik geloof, in principe wel. Maar onze vruchtbomen en graanvelden zitten meer binnen. Het zijn al die indrukken en belevenissen van de lente- en zomertijd, die nu in onze ziel verder zijn gerijpt. Het is goed om deze met de kinde­ren nog eens in herinnering te roepen en te verwerken en op deze manier te “oogsten”. De noodzaak tot oogsten ligt niet buiten, maar binnen.

In de herfsttijd is een geliefkoosd spel: het touwtje springen. Twee kinderen zwaaien het touw rond en er staat een hele rij klaar om er in te springen. “In spring, de boog gaat in.” Het is een hele toer om nét op het goede moment naar binnen te gaan én om er weer uit te springen. En daar gaat het juist om in deze tijd van het jaar: om er op het juiste moment in te springen. De Michaël-herfsttijd is de tijd van het initiatief, van het willen van binnen uit.
Sint-Joris passeerde een stad, die belaagd werd door een draak, die elk jaar mensenoffers verlangde. Net op het moment, dat hij aankwam, moest de dochter van de koning geofferd worden. Toen “sprong hij er in.”

(J.van Dam,  nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

Touwtjespringen


.
267-252

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (18)

.

DE ENGEL VAN DE GOEDE WIL

De reiniging
Het overvalt me ieder jaar weer: de ‘opruimwoede’ eind augustus, als we terug zijn van vakantie. Alles wat in het afgelopen jaar is blijven liggen, si­tuaties in het huis die allang veranderd hadden moeten worden, maar waar ik niet de tijd voor vond – ineens heb ik er geweldig veel zin in om dat allemaal aan te pakken en opnieuw vorm te ge­ven. Het is als met de dakgoot: eens in het jaar moet je de ‘proppen’ oprui­men, zodat het regenwater weer kan stromen, anders krijg je lekkage. Het is of je een soort bezinksel van het afge­lopen werkseizoen moet opruimen, voordat je aan het nieuwe kunt begin­nen. Dat ‘bezinksel’ ontstaat in de zo­mervakantie, in een tijd die ogenschijn­lijk met leegte en nietsdoen te maken heeft. Je ondergaat een soort ‘reini­ging’, je bekijkt alles met een frisse blik, met ‘andere’ ogen.
Zolang het gaat om het verschuiven van kasten in je huis of het uitzoeken van kinderkleren, is het vrij gemakke­lijk om je goede voornemens in een daad om te zetten. Zodra het echter intermenselijke relaties betreft, wordt de zaak ingewikkelder. Want ook dat treedt op in deze tijd: het scherp zien van vastgelopen situaties, van hoe het eigenlijk allemaal zou moeten, en vooral de ergernis over de onaangena­me eigenschappen van andere mensen die datgene, wat jij van plan bent te verwezenlijken, in de weg staan. Gebrek aan geduld, aan zelfbeheersing en een zeker wijs inzicht doet de goe­de wil in on-wil verkeren.

Wachter op de drempel
Na deze roerige begintijd ontmoeten we op de drempel naar de herfst toe een machtige gestalte, die ons kan hel­pen onze goede wil gericht te hanteren. Van oudsher is de 29ste september gewijd aan de aartsengel Michaël, de aanvoerder van alle engelen in de strijd tegen het boze, zoals dat beschreven staat in de legenden. We komen zijn naam tegen in het boek Daniël uit het Oude Testament en in de Openbaring van Johannes. Alle volkeren van het Avondland hebben door de eeuwen heen de strijdende engel afgebeeld, in steen, in hout, als schildering. Zijn attributen zijn het zwaard en de weeg­schaal. Het zwaard lijkt ons vanzelf­sprekend voor een strijdend wezen. Het werkt vernietigend, het kan de dood brengen. Toch heeft het ook an­dere eigenschappen, die ons te denken geven. Het zwaard glanst, het is scherp, het loopt spits toe, en als de strijdende het hanteert, gelijkt het een flitsende, stekende zonnestraal. In de taal vinden we uitdrukkingen, die ontleend zijn aan deze eigenschappen van het zwaard, zoals: ‘Dat woord stak hem’ .of ‘Die gedachte flitste door me heen’ of ‘Dat is een scherp denker’.
Daar waar de mens gedachten wil uiten in woorden, daar gebruikt de taal het beeld van het zwaard. Gedachten kun­nen messcherp zijn en helder en recht op de man af, maar we weten allemaal ook hoe diep je iemand kwetsen kunt met een enkel woord! Het andere werktuig dat Michaël bij zich heeft, is de weegschaal. In zijn functie is dit instrument volkomen te­gengesteld aan het zwaard. Het wijst op bezonnenheid, op het wikken en wegen van voor en tegen. Een goed voorbeeld van Michaël als zielenweger is te zien in de Bourgondische plaats Beaune. Daar hangt in het juweel van een gasthuis het reusachtige schilderij van Rogier van der Weijden (15e eeuw), dat een hele muur in beslag neemt. Michaël als stralend middelpunt van het schilderij, houdt de weeg­schaal moeiteloos tussen duim en wijs­vinger. In de koperen schalen zitten kleine, naakte mensfiguren, wat altijd aanduidt dat er sprake is van mensen­zielen, vrijgekomen van het aardse li­chaam. In de ene schaal, die hoger hangt dan de andere, knielt een reine ziel, de handen biddend opgeheven, de blik omhoog gericht; in de andere schaal, vlak boven de grond, zit een klagende gestalte, bestemd voor hel en vagevuur. De blik van de engel is niet op de zielen gericht, maar recht naar voren: de grote weger is even objectief als het instrument dat hij hanteert. Zijn vleugels zijn bezaaid met ‘pauwen­ogen’ ten teken dat de ogen van vele geestelijke wezens dit wegen van zie­len volgen met hun aandacht. Ook in 3 hymnen en liederen wordt Michaël zo beleefd, als wachter op de drempel van de geestelijke wereld.

Wat geeft de doorslag?
Toch blijft bij dit alles een vraag han­gen: wat wordt er eigenlijk gewogen, en wat geeft de doorslag? Want dat wordt niet duidelijk op het schilderij in Beaune.

Nu bestaat er in Noord-Europa een an­dere afbeelding van dit gebeuren, die ons kan helpen een antwoord te vin­den. In het zuiden van het eiland Gotland voor de Zweedse kust staat een kerk in de plaats Vamlingbo. Op de noordelijke wand van deze kerk is een groot fresco geschilderd, dat een ver­rassend levendig beeld geeft van Mi­chaël als zielenweger. We zien de Duitse keizer Hendrik II op zijn sterfbed. Tij­dens zijn leven heeft deze keizer veel gedaan voor de innerlijke versterking van de kerk. Als symbool van dit stre­ven schenkt hij de vijf priesters aan zijn sponde een gouden kelk.
Naast dit gebeuren hangt de weegschaal van het oordeel. In de ene schaal zit de ziel van de gestorven keizer (met kroon op) en bij de andere schaal zijn allerlei duiveltjes druk bezig ‘be-zwaren’ aan te dragen tegen het opnemen van deze ziel in de hemel, in de vorm van ge­bundelde gewichten. Twee duistere fi­guren zijn zelfs bij machte om de schaal met Hendrik erin met stokken omhoog te duwen, zodat de verzwaar­de schaal omlaag dreigt te gaan. Dan grijpt Michaël in. Het is of hij op het laatste moment komt binnenvlie­gen met ruisende vleugels en waaiend gewaad. Licht pakt hij het midden van de weegschaal tussen duim en wijsvin­ger. In de andere hand draagt hij iets dat ten slotte de ‘door-slag’ blijkt te ge­ven: de gouden kelk die de keizer bij zijn leven schonk aan de kerk. Echter niet de aartsengel zelf, maar een heili­ge legt uiteindelijk de kelk in de schaal bij de ziel van de keizer, die bijna te licht bevonden werd. Hendrik II be­hoorde tot die innerlijk gedrevenen, die van tijd tot tijd opstonden om de zuivere kern van het Christendom te beschermen tegen de uiterlijke pracht en praal van Rome. Het heeft hem be­zield, zijn leven lang. En dit streven, dit willen van het goede, dat is de in­houd van de kelk die de doorslag geeft. Doet de kelk ons niet denken aan een mens, rechtop staande op de aarde, de armen iets gebogen geheven naar de hemel? Het is het oeroude gebaar waarmee de priesters als vertegenwoor­digers van de mensen door de eeuwen heen de wisselwerking tussen hemel en aarde mogelijk maakten.

Zij die van goeden wille zijn
Een kind tekent een huis: een vierkant met een driehoek erop. Ik kijk ernaar en het boeit mij. Vier hoekpunten heeft het huis, vier hoekpunten heeft ook het jaar dat je iedere keer moet opbouwen als een huis, van Kerstmis tot aan de volgende Michaëlsdag. In het natuurlijke verloop van het jaar ligt Michaël tegenover Pasen. Beide feesten vallen vlak na de dag- en nacht­evening. Er is ook een diepere samen­hang, waar een oude Russische legen­de van vertelt. In een soort lofzang wordt beschreven hoe de engel Micha­ël als enige bij het kruis van Golgotha achterblijft om de wacht te houden. Hij kan niet weggaan, maar hij mag ook niets doen om het ontzaglijke lij­den ongedaan te maken. De duisternis wordt dichter, zoals ook in de evange­liën verhaald wordt, en ten slotte slin­gert Michaël zijn speer, die als een bliksemschicht de voorhang van de tempel doormidden scheurt. Het god­delijke mysterie is van nu af aan een ‘openbaar geheim’. De machtige vleu­gels van de aanvoerder der engelen rui­sen van heilige toorn over het onschul­dige lijden aan het kruis. Zijn liefde voor de zoon Gods is onmetelijk groot, maar ‘de wet moest worden vervuld’. Zo staat Michaël voor ons als de strij­der tegen het duister, tegen het boze in dierengedaante, tegen de draak. Zo­lang je jong bent, is dit een heerlijk beeld om mee te leven: de heilige ver­ontwaardiging over allerlei onrecht en misstanden om je heen krijgt daardoor een schone vorm. Maar als je ouder wordt, merk je dat de draak in jezelf nog het moeilijkste te temmen is. De moed uit vroeger jaren verkeert in dee­moed. Je bent niet meer tevreden als het je eens lukt om een bepaalde heb­belijkheid terug te houden of om te vormen. Die hebbelijkheid steekt bij de eerstvolgende gelegenheid weer de kop op, en als je dan niet op je hoede bent, gaat het mis. Het is als in de sprookjes: voor iedere afgeslagen drakenkop groeit weer een nieuwe op! Wat geeft dan het houvast om de moed niet op te geven, om niet te ver­twijfelen? Dat is de overtuiging dat de goede wil uiteindelijk de doorslag geeft. Wat wij in het diepst van ons hart volbrengen willen: dat werkt. Merkwaardig genoeg leer ik dat in de omgang met mijn kinderen. En wie staat er dichter bij de geestelijke we­reld dan een jong kind?

Ten slotte
Iedere keer dat je je over een wieg heenbuigt, waarin een klein mensen­kind ligt te slapen, komt de vraag in je op: wat wil jij hier doen op de aarde? Vaak immers wordt dit pas duidelijk bij het afsluiten van de biografie, na de dood, als de levensloop van de ge­storvene overdacht wordt door de mensen die hem hebben gekend. En misschien is dat wel de moeilijkste opgave die Michaël ons stelt in deze tijd: ook tijdens het leven in andere mensen die goede wil leren herkennen, die je zelf in je hart voelt branden. Want dan pas houden zwaard en weeg­schaal elkaar in evenwicht.

(Marieke Anschütz, Jonas nr. 2, 21-09-1979)
.

Vamlingbo: fresco

bron

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

265-250

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (17)

.

KOSMISCHE ACHTERGRONDEN VAN HET MICHAËLSFEEST

Meteoren aan de sterrenhemel

Het Michaëlsfeest is voor de meeste mensen onbekend en aan weinig traditie gebonden. Het kan alleen zinvol gevierd worden als men zoekend is naar de impuls die de ach­tergrond van dit jaarfeest vormt.|

Waar het gaat om het Michaëlsfeest voor de kinderen, is de ons omringende natuur een goed uitgangspunt. Ook het oude boeren Michaëlsfeest droeg het karakter van een jaargetijdenfeest: een oogstfeest. Vanuit de natuurervaring kan men zo tot zinvolle jaar­feestvieringen komen.

Een andere mogelijkheid om enige toegang te vinden tot de achtergronden van de jaar­feesten, in dit geval het Michaëlsfeest, wordt geboden door gebeurtenissen die zich aan de sterrenhemel afspelen. In juni valt het Sint-Jansfeest op het mo­ment waarop de zon op onze breedte haar grootste hoogte bereikt heeft en juist weer aan de afdaling in de dierenriem is begon­nen. De dagen zijn lang, het etmaal wordt overheerst door het licht. Men kan in die dagen het gevoel krijgen dat de zon de mens mee omhoog trekt, en buiten zichzelf voert. De processen waaraan mens en natuur in de zomertijd onderhevig zijn, kan men zwavelprocessen noemen; onder zwavel wordt dan niet de chemische stof verstaan, maar — in navolging van een oude traditie — warmteprocessen.

Om de weg naar de aarde terug te vinden en in de wintertijd de aardse taak weer op te nemen, is een tegengesteld proces nodig, aan te duiden als ijzerproces. IJzer is de stof die ook in het bloed wordt aangetroffen en een mens mogelijkheid geeft als persoonlijk­heid op aarde te leven.

Wanneer men dan de waarneming van de sterrenhemel bij de beschouwing betrekt, dan blijkt hoe men ver van de storende stadslichten in augustusnachten kan genie­ten van een rijke ‘sterrenregen’. Kosmische vonken schieten langs de hemel. Deze ‘vallende sterren’, meteoren, vluchten uit één punt van de sterrenhemel: het ster­renbeeld Perseus. Vandaar de naam voor de­ze elk jaar terugkerende ‘sterrenregen’: de Perseïden. Deze meteorenvlaag kan in ver­band worden gebracht met de naderende Michaëlstijd. Kosmisch ijzer wordt door de fel oplichtende meteoren naar de aarde ge­bracht. Het vluchtpunt, radiant, van de Per­seïden, het sterrenbeeld Perseus, is een Michaëlisch beeld: Perseus verricht een Michaëlische daad als hij Medusa het hoofd af­slaat. Het wezen dat over het derde oog be­schikte, het oude orgaan der helderziend­heid, wordt gedood. Aan de atavistische ver­mogens van de mens komt een einde; de weg naar de ontwikkeling van het vrije den­ken wordt geopend. De kosmische vonken die de zomernachten verlichten, vinden hun oorsprong in het geheven zwaard van Per­seus.

De kosmische oorsprong van de Perseïden is ook op nog andere wijze met de Michaëlische impuls verbonden. Astronomisch is vastgesteld dat de banen van deze meteorie­ten voordat zij op de aarde terecht komen, dezelfde zijn als de baan van een komeet die in 1862 gezien is, de komeet Swift-Tuttle. Men heeft berekend dat deze ko­meet een elliptische baan rond de zon had, met een omlooptijd van 120 jaar. Uit het jaarlijks verschijnen van de Perseïden mogen we afleiden dat de komeet Swift-Tuttle een komeet in afbraak is.

Wat is nu de achtergrond van dergelijke af­braakprocessen die ook andere kometen kennen? Om op deze vraag een antwoord te kunnen vinden, is het nodig daarbij gees­teswetenschappelijke gezichtspunten te be­trekken.

Rudolf Steiner heeft kometen beschreven als kosmische verschijnselen die ook nog aan andere impulsen gehoorzamen dan aan de bekende wetten van de aantrekkings­kracht, waaraan ons zonnestelsel zijn be­rekenbaarheid ontleent. Hij karakteriseert ze als kosmische reinigers van de astrale atmosfeer: kometen nemen, zegt Steiner, slechte astraliteit in zich op, ontlasten daarmee de kosmos. Kometen verschijnen als de kosmos gereinigd moet worden. Elke komeet vervult daarmee een zuiverende taak, daarbij kunnen kometen dragers zijn van spirituele impulsen die hun uitwerking op de geschiedenis van de mens­heid hebben.

De oorspronkelijk geheel onverwacht ver­schijnende komeet kan een deel van zijn kometenkwaliteit verliezen door geheel in de sfeer van de berekenbaarheid gevangen te raken: de komeet ondergaat een verande­ring in zijn gedrag, hij gaat zich in een vaste, elliptische baan bewegen, waardoor zijn terugkeer berekend kan worden. Daarmee is weer een stukje kosmos vastgelegd in de wereld van maat, gewicht en getal.

Geestelijke tegenmachten kunnen zich van de komeet meester maken en daarmee de aanvankelijke positieve zending van de ko­meet doen omslaan in het tegendeel. De in­teresses van deze tegenmachten liggen daar waar de mensheidsontwikkeling omgebo­gen kan worden, waar de mens gevangen kan worden in onvrijheid. Een kosmische draak bedreigt de menselijke ontwikkeling.

Michaël heeft zich in de strijd om de vrij­heid van de mens verbonden met het lot van de mensheid.

In de kosmos speelt zich een geestelijke strijd af die op aarde in de fysieke wereld zichtbaar wordt doordat wij kunnen waar­nemen hoe kometen in brokstukken uit el­kaar vallen, opdat zij niet langer kunnen bij­dragen tot de macht van die wezens die zich tegen de vrijheid van de mens keren. Michaël bereidt uit het gif van de tegenstan­der een kosmisch medicijn dat de mensheid te hulp komt op haar weg naar de vrijheid. Het kosmische ijzer daalt in lichtende me­teoren op de aarde neer. IJzer waaruit de mens zich het Michaëlisch zwaard kan sme­den.

Geen uiterlijk wapen geeft Michaël in de hand: het is het wapen van de menselijke moed.

(Rinke Visser, Jonas nr. 2, 26-09-1975)

Michaël Perseus

Memling Laatste oordeel

Hans Memling: Laatste oordeel

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

264-249

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (16)

.

MICHAËLSTIJD

Het was warm deze* zomer. Veel mensen hebben het nauwelijks aangekund, die overvloed van licht en warmte. Je wordt er moe van als het lang duurt. Het is alsof een soort koorts je te pakken krijgt. Heel sterk kun je dat ervaren als je een tijdje geen echt dak boven je hoofd hebt, in een tent woont. Van lezen komt niks, je ergens in verdiepen lukt ook niet.

De buitenwereld zuigt je naar buiten, bijna gewelddadig.

Wat we deze zomer zo sterk hebben ervaren, is elke zomer wel te merken, zelfs in zomers met veel regen. Je leeft buiten jezelf, je bent wakker in de buitenwereld. Om vandaaruit weer goed aan het werk te komen heb je een tegenwicht nodig, iets dat je van binnen uit wakker maakt.

In ons bloed komt een element voor dat onmisbaar is voor ons menselijk bewustzijn: het ijzer. IJzerkrachten zijn het die ons na een zomer vol buitenwereld weer houvast van binnen kunnen geven. Deze ijzerprocessen worden in onze streken ingeleid door een ster­ke ijzerimpuls die onze aardedampkring vanuit de kosmos krijgt: in groot getal schiet in de loop van de zomer een regen van kosmische ijzervonken langs de hemel. Deze “sterrenregen” die wij elke zomer weer kunnen waarnemen, kunnen we zien als een eerste inzet van de naderende Michaëlstijd. De Perseïden trekken hun lichtende sporen langs de nachthemel, ontspringend uit het reddende zwaard van Perseus de grote held, die de ko­ningsdochter Andromeda uit de macht van een vreselijk zeemonster bevrijdde.

In de herfst beleven we het moment waarop de tijd van het uiterlijke licht korter wordt dan de duisternis. De nacht wordt langer dan de dag.

De tijd is gekomen om ons te richten op het innerlijk licht. Maar tevens is het tijd om met de kracht van het ijzer geen uiterlijke veldslagen te winnen, maar sterk te staan tegen be­dreigingen die ons menszijn willen aantasten. Het slagveld is in ons. In beelden spreken we dan over de “strijd tegen de draak”. Aan ons is het om die beelden te vertalen in de taal van ons bewustzijn: de draak te herkennen.

(Rinke Visser, vrijeschool Haarlem, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

263-248

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (15)

.

HET MICHAËLSFEEST

Onder de vele dingen waaraan je als ‘nieuweling’ -ouder of leraar- moet wennen in de vrijeschool is de manier waarop de ‘juffies’ en de ‘meneren’ spreken en vertellen over elven en kabouters, draken, goden, reuzen enzovoort, wel het merkwaardigste.

Als je goed luistert naar die leraren, lijkt het precies, of ze zelf aan al die verzinsels geloven. Nu, beste lezeressen en lezers, dat is ook zo. Wij geloven daaraan, omdat het geen verzinsels, maar realiteiten zijn,  realiteiten die je niet met je gewone ogen kunt zien en met je handen kunt pakken, maar waar­over je toch een zekerheid kunt hebben, waarover je iets kunt weten.

Je moet je alleen wel – maar dat is met iedere wetenschap het geval – de moeite geven je in die zijde van de wekelijkheid te verdiepen. Als je ervan uitgaat dat werkelijkheid alleen maar is wat je kunt zien en pakken, dan ben je net als iemand die met zijn rechtervoet op zijn linkervoet gaat staan en dan zegt: ‘Zie je wel, dat ik niet kan lopen!’

De werkelijkheid heeft een uiterlijke zijde die voor onze ogen verschijnt en een innerlijke zijde die in eerste instantie zich wel verbergt, maar die wij mensen,  omdat wij ook een innerlijk leven hebben, toch kunnen ontdekken. En zoals we alleen met twee gezonde benen die elkaar niet vastklemmen, kunnen lopen, zo kunnen we ook alleen maar echt leven als mens, wanneer we met die twee zijden van de werkelijkheid leren omgaan.

De kinderen, vooral de kleine, zijn thuis in die innerlijke of geestelijke werkelijkheid. Zij moeten door hun opvoeding, door het onderwijs, leren de uiterlijke zijde van de wereld te betreden om daarin te werken.

De grote mensen die zo verschrikkelijk thuis zijn in de harde uiterlijke werkelijkheid (soms voel je je daar helemaal niet thuis) zouden die innerlijke zijde niet moeten vergeten.

Nu zijn er ten allen tijde mensen geweest die omtrent de innerlijke, geestelijke werkelijkheid niet alleen een uitgebreid weten bezaten, maar die deze
geest­wereld ook konden waarnemen. Hun weten kwam voort uit hun waarnemingen. Dergelijke waarnemingen zijn vaak in geschriften opgetekend of in kunstwerken uitgebeeld. Eigenlijk is alle kunst, is alle literatuur uit deze bovenzinnelijke waarnemingen ontstaan. Dat waren dus geen verzinsels, maar beelden van realiteiten.
Lange tijden is de mensheid gevoed en geleid door deze geestelijke, reële beelden, door de godsdienst, de kunst en de wetenschap die vroeger nog een geheel vormden. Het mensengeslacht is opgevoed met „beelden van geestelijke realiteiten”.

Maar het mensengeslacht moest vrij worden en daarom moesten de geestelijke beelden gaandeweg verdwijnen om plaats te maken voor uiterlijk zintuiglijke beelden van de wereld. Toen ontstond de natuurwetenschap met in haar gevolg de techniek. Deze hebben de mens van de nieuwe tijd vrij gemaakt. Vrij van godsdienst, vrij van de oude leidinggevende beelden.

De mens werd geestelijk zo vrij, dat hij nu de geest kan verloochenen. Hij kan alle realiteiten van de innerlijke zijde ontkennen, tot bijgeloof en verzinsel verklaren. Hij kan zeggen, dat God niet bestaat en God doet niets terug. Hij geeft de mens niet een draai om zijn oren zeggend: ‘Zie je wel, voel je wel, dat ik wél besta!” De goddelijke wereld respecteert de menselijke vrijheid.

Maar er is een macht in de wereld die deze vrijheid mis­bruikt. Omdat deze macht ook onzichtbaar is, hebben de mensen hem niet in de gaten. Ze merken niet dat deze macht hen voortdurend inspireert, influistert: alles is materie, alles is alleen uiterlijke werkelijkheid, geest bestaat niet, God is dood.

Wanneer men deze macht in een beeld zou kunnen waarnemen, geen verzinsel dus, maar een realiteit in beeldvorm, dan zou men iets heel lugubers aanschouwen, iets gluipends, loerends, afschuwelijk lelijk en vraatzuchtig, dof van kleur met een soort huidpantser, harde uitsteeksels, klauwen, kortom een draak.
Deze draak wil verhoeden, dat de mens werkelijk vrij wordt als geestelijk wezen. Hij wil de ziel van de mens totaal verdoffen, de geest mechaniseren en het lichaam verdierlijken. Dan heeft hij de mensen en de aarde in zijn macht. Deze draak treedt een andere, hoge geestelijke macht tegemoet om hem te bestrijden.

Wanneer wij deze macht in beeld zouden kunnen waarnemen dan zouden wij een gestalte zien, die licht uitstraalt met een edel en heel ernstig gelaat. In zijn hand houdt hij iets wat op een zwaard lijkt. Daar schieten voortdiurend stralende vonken van af, als gloeiende meteoren die door de hemelruimte vliegen. Deze macht hebben de mensen vroeger reeds gekend en ze noemden hem Indra, Marduk of Michaël, de drakenbestrijder.

Michaël is geen verzinsel, maar een reëel geestelijk wezen, de dienaar van de Allerhoogste.

Hij wil verhoeden, dat de mens alle verbinding met het goddelijke verliest. Hij wil de ziel van de mens door­gloeien en doorstralen, de geest bevleugelen en het lichaam veredelen. Maar hij respecteert ten volle de menselijke vrijheid.

Hij dwingt niet, hij wijst alleen en wacht zwijgend tot de vrije mens zijn inspiratie wil opnemen. Hij wil geen macht voor zichzelf; hij is de dienende geest van Christus die de mens zichzelf wil laten vinden.

Wanneer de mens wil luisteren naar Michaël, dan in­spireert deze hem tot moed. Moed om geestelijke ge­dachten te koesteren, moed om het gevoel zonnig en edel te maken, moed om de verlamming in de wil te over­winnen.

Het feest van Michaël is het feest van de moed. In onze tijd is het nodig dit christelijke feest (niet zozeer in kerkelijke zin) aan het Kerst- Paas- en Sint-Jansfeest toe te voegen.

In het jaargetijde waarin de uiterlijke zichtbare wereld tot een sterven en vergaan verkeert, roept Michaël ons tot innerlijke wakkerheid. Alleen de geestelijke wakkerheid is in staat de gluipende macht van de draak te onderkennen en te overwinnen.

Hoewel wij onze kinderen moeten leren zich thuis te voelen op de aarde, in de zintuiglijk uiterlijke wereld te werken en te leven, moeten wij zorgen, dat zij niet vervreemden van de innerlijke geestelijke realiteiten. Ons middel daartoe is hetzelfde wat in de grote wereldopvoeding van het mensengeslacht ge­bruikt is: het kunstzinnige beeld, dat wortelt in een geestelijke werkelijkheid.

Wanneer de kinderen wat ouder zijn geworden, kunnen zij dergelijke beelden met hun verstand begrijpen, want er is niets geestelijks wat het gezonde verstand niet begrijpen kan, al kan het dit niet verzinnen of uitdenken.

Later als het kind volwassen is en de school heeft verlaten, werken zulke beelden en het begrip dat men daaraan tegemoet gedragen heeft als een gezonde kracht, ook al zou men niet meer aan Michaël en de draak ‘geloven’, zoals men als kind daaraan ‘geloofde’.
Van deze gezonde kracht uit kan men in een later stadium van de persoonlijke ontwikkeling een nieuwe, veel bewustere relatie zoeken met het hierboven beschrevene; men kan dit ook nalaten: de mens is vrij! Men realisere zich dan echter wel, dat nalaten niet neutraal is. De keuze is altijd vrij, de consequenties van de keuze niet meer.

(W.F. Veltman, vrijeschool Den Haag, nadere gegevens onbekend)

.

HET MICHAELSFEEST OP 29 september.
De viering van het Michaelsfeest begint maandag 29 sept. om 8.30 uur met een schoolfeest in het gebouw aan de Waalsdorperweg voor alle klassen.
De klassen 1 t/m 6 hebben van 8.30u tot ± 10.30 u. een programma in de grote zaal. Er wordt een Michaélsverhaal verteld en de klassen laten elkaar zien wat zij in deze Michaëlstijd hebben gedaan; liedjes, taal, rekenen, toneel worden op het toneel opgevoerd. Vanaf 10.30u. is er een heel feestprogramma in de school waar de kinderen uit deze klassen aan kunnen meedoen. Er zullen 25 à 30 spelletjes en moeilijke spelen in en rondom de school uitgezet zijn, die een beroep doen op moed, durf en behendigheid. Draken zullen beschoten worden met pijl en boog, boegsprietlopen, ringsteken op step en fiets, reis om de wereld, en vele andere spelen zullen de feestvreugde verhogen. Ouders zijn bij dit tweede gedeelte van het feest welkom, niet alleen als toeschouwer, maar ook ter assistentie. Moeders en vaders die het leuk vinden een spel te leiden, kunnen zich opgeven bij mej. v.d. Mark.

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

262-247

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (14)

.

MICHAËLSTIJD

De Michaëlstijd is aan de gang. De warme mooie zomer – een echte dit jaar* – gaat over in de herfst. Grilligheid en afwisseling kenmerken deze overgang. Nu een verrukkelijk helder zoel en windstil weer waarin felgekleurde dahlia’s en chrysanten wedijveren met afrikaantjes, petunia’s en late rozen. De hemel is blauwgewassen, maar pas op! Achter je rug stapelen zich loodgrijze wolken op. Pats! een hagelsteen, nog meer hagel, een wolk grijswitte hagelstenen komt op je af, ranselen en tikken, roffelen en rrrrt! ineens is het weer uit. Een venijnige wind steekt op. Maar tegen de vuile lucht is een regenboog zicht­baar. Verderop prijkt nog een stukje prachtig blauwe lucht tussen de gore room­gele kammen van dikke wolkgevaarten.

In de morgen stille, grijze nevelsluiers, een warme zon boort zich erdoorheen. Maar al gauw stortregent het uit effen donkergrauwe lucht, uren lang. In de stille, zeer heldere nacht jagen de vallende sterren langs de hemel als een verstild en vertraagd vuurwerk. En zo gaat het door. De bomen gaan kleuren, blade­ren dwarrelen rood,  geel, bruin. De natuur sterft. Wat een tijd voor overpeinzing, twijfel, angst. Toch ook een tijd om krachtig en met moed aan het werk te gaan. Maar is het niet al jaren en jaren lang in de wereld herfst? Een wereldherfst waarin alle tegenstellingen tussen mensen en volken, tussen religies en wereld­beschouwingen voortdurend scherper schijnen te worden, waarin alles dwingt om al voortrennende partij te kiezen:   vooruit, vooruit, tempo, tempo: Nu, die wereldherfst is dan ook een Michaëlstijd. Michaël? Wat heeft dit wezen ons nog te zeggen? Nog? Of nog niet? Of misschien juist weer?

In de afgelopen zomer door Frankrijk toerend, kwam ik enige malen met Michaël in aanraking. Rijdend naar de Loire, kwamen we langs Angers, een flinke stad, iets groter dan Leiden. Op een hoek van het stadscentrum staat een machtige burcht met zeventien ronde, dikke torens van blauwzwarte leisteen. In dit geduchte bouwwerk bevindt zich een van de grootste en meest interessante wandtapijten van de we­reld .

Op dit wandtapijt – oorspronkelijk waren er 98 tonelen, in 7 groepen van 14, met een totale lengte van 144 meter – is de gehele openbaring of Apokalypse van Johannes in beeld gebracht.

De ontwerper was een Zuidnederlander, Heiniken van Brugge, de wever Nicolas Bataille, die vijf jaar aan dit geweldige kunstwerk besteedde voor het in 1380 klaar was.

Het aangrijpende en boeiende verhaal op de voet volgend, zag ik het tapijt met de vrouw die een kind moet baren. Zij wordt bedreigd door de “grote draak”. Het kind wordt geboren en ook bedreigd door het ondier. En vervolgens kwam het tapijt met Michaël.

Hij duikt op uit een azuurblauwe hemel. Een schare opgewekte engelen heeft onder zijn aanvoering de bewolkte hemelranden opengerold en steekt en prikt naar omlaag, waar de zevenkoppige draak en een brutaal opspringend drakenjong zich bevinden, ter aarde geveld.

Een engel links wijst goedig op een fraai gekronkelde banderol aan, wat er alle­maal gebeurt. Johannes kijkt er peinzend naar. De tekst uit de Openbaring luidt:

“En er ontstond strijd in de hemel. Michaël en zijn engelen streden tegen de draak; en ook de draak streed met zijn engelen tegen hem, maar behaalde de overwinning niet en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden.

Vervolgens werd hij neergeworpen, de grote draak, de oude slang die men Duivel en Satan noemt, hij die de gehele wereld verleidt, neergeworpen op de aarde en zijn engelen met hem”, Op. 12: 7-8. Interessant en veelbetekenend is het dat het beeld van de hemelse strijd waarin Michaël als veldheer optreedt, onmiddellijk volgt op dat van het bedreigde kind en de bedreigde moeder.

Het is dus nog zo gek niet dat de vrijescholen Michaël als hun schutspatroon beschouwen. Het kind wordt steeds bedreigd en zeker in onze tijd. De Openbaring is een toekomstbeeld en wordt dan ook steeds actueler. Het is misschien wel moeilijk om de oude beeldentaal te “lezen” en in verband te brengen met hoogst moderne strevingen en middelen. Want de drakenkrachten kunnen zich heel intelligent vermommen als “algemeen welzijn”, “algemene opinie” of “moderne en progressieve visie”.

Michaël is juist die kracht, die ontmaskeren kan.

Het is niet zo eenvoudig in te zien dat de drakenkrachten zich juist van het zo hoog geschatte en vereerde menselijke verstand hebben meester gemaakt! Wat wil dat verstand allemaal niet voor het kind doen: Het is echter niet terstond duidelijk dat al dit verstand, al deze intelligentie, ontmaskerd kan worden als dienaar van het meest krasse egoïsme, dat zich opsiert en opblaast als “sociale gerechtigheid”, “moderne, wetenschappelijke pedagogie”; dat spot en verachting afroept over “oude, verouderde, slome aanpak”; en dat vooral ieder wil inprenten, dat er zo weinig tijd is dat men vooral moet opschieten, “dat er geen tijd te verliezen is”.
Michaël ontmaskert deze drakenkrachten met een ander soort intelligentie die ook tot de menselijke mogelijkheden behoort.

Krachtig houdt hij de weegschaal vast, waarvan de ene schaal naar boven wil en de andere naar beneden.

Het doorzien van de krachten, die de mensenziel steeds omhoog willen trekken in opgeblazen hoogmoed, leidt tot inkeer, eenvoud en bescheidenheid. Het doorzien van de krachten, die de ziel in tijd en ruimte willen kluisteren, leidt tot warm en­thousiasme, innerlijke rust en moed.

Door zelf naar deze andere intelligentie te zoeken krijgt men deel aan de Michaël-kracht, die de draak verdrijft en het kind behoedt.

(P.C.  Veltman, vrijeschool Leiden, *nadere gegevens onbekend)

Michael 25 uit Angers

Bron: Remi Jouan – Photo taken by Remi Jouan, CC BY-SA 3.0,

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.
261-246

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (13)

.

GRENZEN VAN DE GROEI EN GROEI VAN DE GRENZEN

 De Michaëlgedachte in deze tijd

De vraag naar de zin van het bestaan is voor steeds meer mensen gelijk aan de vraag naar de overlevingskansen van de mensheid, vooral sinds de Club van Rome halverwege de jaren zestig het geruchtmakende rapport ‘Grenzen aan de groei’ publiceerde. Veel mensen be­leefden dit als de zwanenzang van de
in­dustriële maatschappij, als het slotak­koord van het loflied op de ongeremde vooruitgang.

Het ‘doemdenken’ stak de kop op, het spook van het fatalisme, dat Rudolf Steiner het meest bedenkelijke symptoom van deze tijd heeft genoemd [1]. Tegelijk met het fatalisme diende zich een twee­de verschijnsel aan: de angst.

‘Wo Gefahr ist, wächst das Rettende auch’, heeft Hölderlin eens gezegd. (Waar gevaar is, neemt ook ‘het reddende’ toe). Om dit ‘reddende’ te herkennen is echter een innerlijk, grensoverschrijdend ge­baar nodig. Het kan niet onze bestem­ming zijn om eenmaal gegeven grenzen voor lief te nemen. Het gaat erom dat we die grenzen die we graag aan de externe omstandigheden toeschrijven, maar die we onszelf meestal opleggen voort­durend verruimen, dat we werken aan de ‘groei van die grenzen’.

De ‘grenzen van de groei’ wijzen op de bestemming, het wezen, van de mate­rie. De ‘groei van de grenzen’ wijst op de tegenpool daarvan: de werkzaamheid van de geest. Wie zich aan de ene of de andere pool vastklampt, gaat stagnatie en verstarring tegemoet. We moeten juist in en met de tegenstelling van geest en materie leren leven.
In zijn autobiografie zegt Rudolf Steiner dat dit hetzelfde is als ‘begrip voor het leven hebben [2].

Kijken we naar het veranderende beeld van de natuur in de loop van het jaar, dan is de zomer de tijd waarin we sterk in de natuur opgaan, de tijd van ‘natuurbewustzijn’. In de herfst spelen zich in de natuur veranderingen af, waar we al­leen bij aan kunnen sluiten als we ons bewustzijn veranderen. Zelfbewustzijn in plaats van natuurbewustzijn is nu aan de orde, aldus Rudolf Steiner in zijn voordracht van 5 oktober 1923 (de zogenoemde Michaël-imaginatie [3]. Het signaal tot die verandering gaat van de natuur zelf uit. In de nazomer doortrekken de vallende sterren de hemel met meteoorkrachten, met meteoorijzer. Hetzelfde proces dat daar tussen hemel en aarde plaatsvindt, speelt zich ook af in de mens: “wanneer in ieder bloedli­chaampje de ijzerverbinding schiet. Daarbij gebeurt “heel in het klein, minutieus hetzelfde als wanneer de meteoor­steen lichtend, stralend door de lucht naar beneden suist”, heet het in de ge­noemde voordracht.

Zo is het meteoorijzer de bemiddelaar tussen natuurbewustzijn en
zelfbewust­zijn, en het is tegelijkertijd de substantie die in het menselijk organisme de angst te lijf gaat [4]. De dichte materie van het ij­zer roept in de mens namelijk de tegen­beweging op: de beweging naar de geest. Het is het ijzer dat we smeden en aan ons uiterlijke bestaan dienstbaar maken. En het is hetzelfde ijzer dat in ons innerlijk de redding brengt: dat in plaats van angst en fatalisme, onze ini­tiatiefkracht doet groeien.

[1]   ‘Der Fatalismus als Zeitschädling’ in Aufsätze über die Dreigliederung des
sozialen Organismus, GA 24, blz. 163 e.v.
[2]  Mijn levensweg, Zeist 1993, hoofdstuk 22. Nederlandse vertaling
[3]  Das Miterleben des Jahreslaufes in vier kosmischen Imaginationen, GA             229. Nederlandse vertaling
[4] Rudolf Steiner spreekt hier van ‘Entangstigung’ van het bloed.

Michaël illustratie

(Weledaberichten nr.163, sept. 1994, vrij vertaald en bewerkt naar Walter Kugler, Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, Dornach)

Michaël meteoorijzer 2

Meteoorijzer (Ferrum sidereum).
Tot de verschillende vormen van ijzer die in sommige Weleda geneesmiddelen worden verwerkt, behoort ook een zeer bijzondere ijzersoort. Deze is niet op de aarde ontstaan maar heeft een kosmische oorsprong.

IJzer is een zeer verbreid element. De bruine kleur van de grond is bijvoorbeeld hieraan te danken. In de natuur vindt men echter alleen de roestbruine verbindingen en zouten van het ijzer. Het zuivere metaal treft men praktisch nergens aan. Een uitzondering is het meteoorijzer. Er zijn op vele plaatsen kleine en grote, soms vele tonnen zware exemplaren gevonden, die vroeger door de mensen vol eerbied werden bekeken.

In de oudere literatuur wordt dit “uit de hemel gevallen” ijzer zelfs “menslievend” genoemd, omdat er nooit iemand door een vallend stuk meteoorijzer zou zijn gewond.

Meteoorijzer bevat behalve ijzer en nikkel nog een kleine hoeveelheid kobalt. Een kenmerk ervan is zijn grote hardheid en taaiheid, het is moeilijk te bewerken. Vroeger, toen men gelegeerd staal nog niet kon vervaardigen, was meteoorijzer de enige beschikbare grondstof. Het zwaard van Siegfried, de moedige legendarische held die geen vrees kende, was uit dit kosmische metaal gesmeed.

Er bestaat een beproefde methode om zich van de echtheid van meteoorijzer te overtuigen: men slijpt het ijzer ergens een beetje glad, polijst die plek en bedruppelt die met een verdund zuur. Als het echt meteoorijzer is, worden er heel typerende lijnen zichtbaar, de zogenaamde figuren van Widmannstatten.

(Weledaberichten, nr.142, sept. 1987)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

(Meteoor)ijzer

Meteoorijzer: in mineralogie

.

260-245

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (12)

.

IJZER, ZWAVEL EN HET MICHAËLSFEEST

Dit stukje moet u niet alleen met uw intellect willen begrijpen. Probeert u de beelden mee te beleven en u alles levendig voor te stellen, dan kunt u zelf het verband tussen ijzer, zwavel en het Michaëlsfeest aan­voelen.

Het is een zomerdag. De lucht trilt van hitte. Ik lig in het bloedhete zand en voel me volkomen opgenomen in de zomerse warmtesfeer. Bewust denken doe ik niet meer, ik ben één met vurige warmte.
Een ander beeld: ver van de storende stadslichten op een verlaten landweg kijken wij naar de augustushemel. Stille stralende heldere sterren. Opeens schiet daar een lichtende streep door het luchtruim en weer een en weer een. Meteorenregen, een adembenemend gezicht!
Het wordt september. Een krachtig blauwe lucht met scherp afgetekende wolken. Dan weer zien wij donkergrijze, bijna zwarte grillige vormen. Als dreigende duistere monsters bewegen zij langs de hemel. Maar daar breekt weer het licht door en de zon straalt ons weer toe.
Een machtig beeld dat ons doet denken aan draken en Michaël.

Zwavel
Sulpheros in het Grieks, solferus in het Latijn, dat is zonnedrager. Maar u herinnert zich wel uit oude sprookjes: ik loop op een eenzaam heidepad. Daar ontmoet ik een wonderlijk heer. Ik ruik een rare zwavellucht en zie een staart onder zijn jas uitkomen, en zijn voeten zijn eigenlijk hoeven. Gauw sla ik een kruis en zeg een gebed. Met een donderend geweld opent zich de grond en de duivel verdwijnt. – Van oudsher is de zwavel ook in verband gebracht met duivel en hellevuren.

Zwavel vinden wij als mooie gele kristallen of zachtgele stenen in de buurt van vulkanen. Met een geweldige chaos en verzengende hitte breekt het vuur uit de aarde, dood en vernietiging brengend, giftige gassen verspreidend. Maar als alles tot rust is gekomen is er een vruchtbare grond ontstaan. Wij zien hier de zonne- en duivelse kant van de zwavel.

Wanneer wij mooi geel zwavelpoeder verhitten, smelt het eerst, de kleur wordt steeds donkerder en duisterder, dan komt er een geheimzinnige blauw-paarse vlam, en een giftig gas slaat op onze keel. Gieten we deze brandende vloeistof snel uit in water, dan kan daar een luguber monster ontstaan dat onder water nog dreigend beweegt. Eenmaal hadden wij het beeld van een echte draak, met kop en vleugels.
In het menselijk lichaam speelt de zwavel een rol bij de eiwitstofwisseling. Hij activeert de levens­processen, helpt mee zodat het geestelijk mensenwezen kan leven in het fysieke lichaam. Maar wanneer deze zwavelkrachten te sterk worden en ook gaan werken in het gebied van het hoofd, verliest de mens het vermogen, bewust waar te nemen en helder te denken. Het bewustzijn wordt dof. De mens leeft dan teveel in zijn begeerteleven. De zwavel moet in toom gehouden worden.

IJZER
Als kind woonde ik bij een smidse. Dat was een feest! Laaiende loeiende vlammen! En als de smidshamer toesloeg sprongen de vonken alle kanten uit! Wij blazen op school ijzerpoeder in de vlam. Eerst veel. Een fantastische meteoren­regen. Nu wat voorzichtiger. Wat zien we? Oranjegele streep­jes, niet overal even dik, als we goed kijken lijken het zwaardjes. U zou dat zelf kunnen zien wanneer u een beitel slijpt.

IJzer komt in grote hoeveelheden in onze aardkorst voor, bovendien wordt de aarde vooral vanaf half augustus verrijkt door een stroom kosmisch ijzer dat als fijn stof- of ook in grotere stukken als meteorietenregen de aarde be­reikt. Zonder aanwezigheid van ijzer zou de plant geen groene bladkleurstof kunnen vormen. Onder de invloed van het zonlicht maken de groene plantenbladeren voor ons steeds nieuwe zuurstof die wij inademen. In onze rode bloedkleurstof zit ijzer. Dit ijzer brengt de zuurstof naar ons hele lichaam. Wij kunnen slechts enkele minuten zonder zuurstof leven. IJzer maakt dat wij als mens ons bewustzijn niet verliezen. IJzer is direct verbonden met ons Ik. Het ijzer in ons bloed beteugelt de zwavelkrachten.

Michaël wil dat de mens in bewuste vrijheid kiest tussen goed en kwaad. Michaël helpt met zijn kosmisch ijzerzwaard de mens in zijn strijd tegen de draak. En misschien als ver toekomstideaal lukt het niet alleen de draak te temmen, maar zelfs hem te verlossen uit het boze en om te vormen tot het goede, zoals wij ook in de zwavel-ijzer verbinding pyriet zien hoe zwavel en ijzer in volkomen harmonie een goudglanzend prachtig kristal gevormd hebben.         

(Emmy de Groot-Klomp, vrijschool Den Haag, nadere gegevens ontbreken)

zwavel

 

Zwavel (Sulfur)
vertoont in het mineralenrijk een sterke relatie met de zware metalen waarmee hij de belangrijkste, meestal mooi gekleurde, metaalachtig glanzende verbindingen, de sulfieten, vormt. Op enkele plaatsen echter, waar bijzondere omstandigheden dat mogelijk maken, komt de zwavel in gedegen, dat wil zeggen zuivere, door geen andere stoffen beïnvloede vorm voor. Wij zien dan stralend gele kristallen, die doen denken aan bevroren vuur. Door hun eigenschappen passen zij evenwel niet goed in de voorstelling die wij van een stabiel kristal hebben.

Zwavel is een element dat slechts tegenstrevend de vorm van een kristal aanneemt; het lijkt wel of het elke gelegenheid te baat neemt om zich van die meer aardse wetmatigheden ontdoen. Het is bijvoorbeeld heel zacht en bros en men kan het zonder moeite vergruizen. Als men in een stukje zwavel knijpt en het bij zijn oor houdt, hoort men het duidelijk knerpen, waaruit de onstabiele structuur van dit mineraal blijkt. Maar niet alleen voor druk is het gevoelig. Deze “steen” is ook gemakkelijk ontvlambaar. Hij brandt dan met een klein helderblauw vlammetje -bij een mineraal wel een heel ongewone eigenschap! Bij het verwarmen verandert op allerlei manieren de structuur van het kristal. Tijdens dit proces wordt de zwavel eerst heel vloeibaar, daarna stroperig en taai om kort voor het verdampen nog een keer uiterst vloeibaar te worden. Maar ook de kleur verandert: eerst heldergeel, dan honing- tot barnsteenkleurig, vervolgens donkerbruin tot bijna zwart om tenslotte oranje op te lichten.

De mooiste zwavelkristallen worden op Sicilië en op verschillende plaatsen in Spanje gevonden. Louisiana en Texas in de Verenigde Staten hebben de rijkste vindplaatsen.
Therapeutisch heeft de zwavel een duidelijke relatie met alle stofwisselings- en ontstekingspro­cessen. Daardoor is hij een belangrijk medicament in handen van de ervaren arts.

(Ekkehard Wagner, apotheker, Weledaberichten,nr. 147, maart 1989;  nr.158, december 1992,)

Michaël meteoorijzer 1

Meteoorijzer (Ferrum sidereum)
is een materie van kosmische oorsprong die voortdurend als een heel fijne regen op de aarde neerdaalt. De meeste meteorieten verbranden bij het binnentre­den van de aarde-atmosfeer en slechts zelden vindt men op de aarde een groot stuk. In de oudheid werd het zeer harde en bijzonder taaie ijzer hoog gewaardeerd. De grote helden die voor onover­winlijk golden, smeedden hieruit hun zwaarden.

Wanneer men een stuk meteoorijzer slijpt, polijst en etst worden zeldzame structuren zichtbaar die voor dit kosmische ijzer typerend zijn, wat bij andere metalen niet het geval is.

(Weledaberichten, nr.139, sept.1986)

.

Michaël: alle artikelen

.
Jaarfeesten: alle artikelen
.

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

259-244

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-5)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES: woud en woestenij

Het woud
Wie een bos in gaat wordt onmiddellijk door een heel bijzondere sfeer geboeid. De schemerige lucht die in het groene halfdonker en donker overgaat, het zachte gefluister en geruis van de zich bewegende bomen – ademend leven is het bos, een getuige van alle leven, zelfs de afgestorven naalden en bladeren onder je voet. Maar wel geheimzinnig leven, want de bomen versperren je zoekende blik en je kunt makkelijk verdwalen.

Ook wanneer er over ’t algemeen genomen geen wilde dieren meer huizen en geen rovers meer vanuit de struiken tevoorschijn springen, dan nog blijft er een lichte vrees bij ons achter. Het is voor ons zo, dat in het bos alles mogelijk is, geheimzinnig en duister.

De naam bos – het Duits heeft hier ‘Wald’ wijst daar al op. Vroeger lag aan de andere kant van de beschermwal die de alleenstaande hofstede omgaf, de ‘wal’-ding (Wal-dung). Het was het onbeschermde land waar alles mogelijk was: het gevaar van wilde dieren en mensen, maar ook een veilige beschutting wanneer je achtervolgd werd. De wijze zieneres leefde in het woud en de kluizenaar die raad gaf. Wie het juiste pad niet kende, kon verdwalen en liep eindeloos.

Wanneer de mens zich uit het rijk van het bekende in het onbekende moet begeven, wanneer hij zich voor nieuwe opgaven gesteld ziet, nieuwe wegen moet vinden, misschien op weg naar een nog onbekend doel, komt makkelijk in dat zielengebied, dat zielenlandschap dat in het sprookje ‘woud’ heet. Het is de wereld van het onbestemde in hem waar hij moedig door heen moet. Hij vindt misschien lange tijd geen ‘uitweg’ en moet aan allerlei gevaar het hoofd bieden. Want in deze toestand doen zich graag bepaalde driften gelden. De mens moet de natuurlijke wijsheid ervan leren begrijpen, zoals domme Hans de bonte kat in het het bos begrijpt. Maar hij moet ook opletten, dat wilde driften hem niet gaan beheersen, dat hij, net zoals in het mooie sprookje van de twee broers tot jager wordt en tot heer over de dieren.

Maar ook de vegetatieve krachten van het lichaam kunnen beeld zijn van het woud.
Wanneer kinderen bv. geplaagd worden door dromen over een bos, waar ze steeds verkeerd lopen (natuurlijk kan er ook een uiterlijke oorzaak zijn, dat moet je onderzoeken) dan dringt zich de groei- en levenskracht te sterk op aan het bewustzijn. Zo’n kind moet bepaalde opdrachten krijgen, het moet leren te durven en in zijn innerlijke houding sterker worden, het heeft de weg en het doel nodig.
Hieruit kunnen we begrijpen wat het betekent wanneer de arme houthakker onder invloed van de boze stiefmoeder zijn kinderen het bos in stuurt. ‘De arme houthakker’  is het beeld van die mens die iets levends omhakt en het laat sterven.

Goethe zegt: ‘Grauw, goede vriend, is alle theorie, maar groen de gouden boom van het leven.’

Wie niet meer met het uitbundig groeiende leven, vol wijsheid te maken heeft, maar met te veel grauwe theorie, diens denken verschrompelt. Wat hij produceert is dor. Theoretici analyseren graag, ze ‘kloven’ en maken kleiner. De taal zegt: ‘Ze maken er hakhout/splinters van’. Weliswaar moet dit ook geleerd worden en is op vele levensgebieden nodig, daarom schetsen de sprookjes het houthakken ook van een positieve kant. Maar wanneer de mens enkel en alleen houthakker is – een arme houthakker zoals in Hans en Grietje -, dan levert hij de jeugdkrachten van zijn wezen, het actieve mannelijke willen – Hans genaamd – en het meevoelende van de vrouwelijke ziel – Grietje genaamd – uit aan het woud. En ze komen dan pas weer uit het woud terug, als ze hebben leren kennen dat het zoete brood van de heks niet het echte brood van het leven is en na dat het boze vernietigd is. Maar ook hier moet lering uit worden getrokken. Wie de situaties die in een woud zich voordoen uit verschillende sprookjes bekijkt, kan meteen dit beeld begrijpen. Dan ziet hij ook in dat de graalsburcht in onze grote sagen door een woud omringd is en dat ook Dante in zijn goddelijke komedie de overgang naar de andere wereld in het beeld van het woud schetst.

De woestenij in het sprookje.
Het Duits heeft ‘Wüste’ dat ook woestijn betekent.

‘Hij heeft zijn leven verwoest’, hij is een ‘woesteling’ geworden, en in mij is alles ‘woest en leeg’. Iedereen kent deze uitdrukkingen en weet wat daarmee bedoeld wordt. Wanneer al het leven in ons gestorven is, wanneer verlatenheid en eenzaamheid overheersen en elke scheppende kracht uitgeput is, dan bevinden we ons in de ‘woestenij. In deze woestenij moeten leven, kan door schuld zijn, maar ook door het lot.

In het Russische sprookje ‘Het water des levens’ trekken de drie zonen van de koning weg, om het levenswater voor hun zieke vader te zoeken. De oudste wil ‘de mensen zien en zelf gezien worden’. Ook trekt hij eropuit met vele soldaten. Het duurt niet lang of hij bevindt zich in ‘eenzame streken’ waar niets te zien is, behalve de hemel en de aarde. Wie het water des levens – de scheppende kracht van de ziel, de scheppende wijsheid – wil verkrijgen, mag geen ijdelheid in zijn hart meedragen en niet naar eer en roem verlangen. Boven alles moet hij een onzelfzuchtig Ik ontwikkelen, actief en strevend. Hij mag ook niet vertrouwen op strijdkracht en geweld gebruiken. Wie in het teken van de strijdt leeft, roept vijandige krachten in het leven en deze vijandigheid maakt ons bestaan leeg en ons tot eenzame mensen.

In het Russische sprookje ‘Johannes uit de erwt’ ligt het rijk van de gruwelijke draak tussen ‘bergen en zandsteppen’. Maar is de draak niet het beeld van die luciferische kracht die de mens weliswaar tot zelfstandigheid brengt, maar hem ook tot egoïsme en hoogmoed aanzet? Dit zijn echter de krachten die een liefdevolle verbinding van de mens met zijn medemens in de weg staan en de bodem van de ziel dor en onvruchtbaar maken. De koningszoon Johannes trekt door deze zandige steppen en bevrijdt zijn door de draak gevangen zuster. Hij neemt in zekere zin de woestenij op zich om daar het boze te overwinnen en de ziel te redden.

(Friedel Lenz, Der Elternbrief, nr.8, 1965)

.

Sprookjes: alle artikelen

.

Vertelstof: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeldsprookjes

.

258-243

.