Maandelijks archief: augustus 2013

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (24)

.

SMEDEN IN DE MICHAËLSWEEK

De spreekwoorden de handen aan de ploeg slaan’ en ‘het ijzer smeden als het heet is’, worden nog wel gebruikt, maar de eigenlijke handeling, die bedoeld wordt, kunnen we tegenwoordig nog maar weinig zien, om over het doen maar niet te spreken. Nu is het dan enkelen van ons gelukt ha­mer en aambeeld binnen de school te halen. Wat mogelijk heeft gemaakt, dat daar 6 klassen aan hebben kunnen werken tijdens onze Michaëlsviering. Drie klassen, een 7e, 8e en 9e heb ik op drie achtereenvolgende dagen bezig gezien en daar wil ik u een beeld van geven.

Natuurlijk moest eerst het vuur aangemaakt worden. Dit geeft vooral in het begin veel rook van de kolen, de geur hiervan deed mij herinneren aan kolenkachel en stoomlocomotief. Onder het toevoeren van lucht begint het gloeien en als de staven ijzer erin gelegd worden en de eerste eruit komt, roodgloeiend, dan klinkt er uit zo’n groep verbazing, verwondering. Er is er dan altijd wel een die als eerste gaat slaan en daarachter wordt het dringen. Afgesproken wordt wie achter wie komt. Nu is het niet meer alleen de geur van de kolen, maar ook de warmte die je voelt stralen en het geluid van de hamer op het aambeeld. Je moet die hamer in een heel bepaald soort ritme slaan. De zwaarte van de hamer laat nl. niet toe dat je snel achter elkaar of onregelmatig slaat. Het wordt bij iedereen een langzame, regelmatige slag, het geeft rust.

Voor de 7e klas was de hamer wel wat zwaar, hij ging met moeite omhoog. Daar werd snel iets op gevonden: de een hield de staaf vast, de ander sloeg met beide handen. De interesse was in deze groep zo groot dat ve­le taken werden verdeeld en afgewisseld, zodat iedereen wel een keer het een of ander mocht doen; zoals lucht toevoeren met behulp van een handbewogen schoepenrad, vuur onderhouden,  staven aangeven, het slaan natuur­lijk, het vasthouden van een tang met daarin een beitel om punten te maken.

De 8e klas kon heel wat beter overweg met de zwaarte van de hamer. Ook in deze groep werden de verschillende taken graag opgenomen. Al werd er nu soms wel wat te hard gedraaid, waardoor er teveel lucht werd toegevoerd, de smidse te heet werd en het metaal verbrandde. Overigens een mooi schouwspel, de boven het vuur springende sterretjes van brandende metaal­deeltjes. Maar al gauw was dit fenomeen bekend, en wist men [stukje tekst onleesbaar] s sterretjes, langzamer draaien. In deze groep werd het ijzer op zijn heetst opgediend.

Waren het in de 7e klas pijlpunten voor de draak, in de 8e klas ontston­den naast deze pijlpunten ook zwaarden.

Ook in de 9e klas verbrandde het ijzer wel eens en werd er aanvankelijk te hard geslagen. Hier kwam men op het idee een 9 en een 8 te maken voor op de deur van de klas. Dat bracht een stuk vormgeving met zich mee, waarover je moest denken. Waar te slaan, hoe te slaan om die vorm te krijgen? Zo gebeurde het meerdere malen, dat bij dit afvragen ‘waar zal ik slaan, hoe zal ik de staaf vasthouden’, het metaal al was afgekoeld, de gloed was verdwenen en het slaan geen zin meer had. De ware betekenis van het spreekwoord, ‘het ijzer smeden als het heet is’, werd ondervonden! Maar de 9 en de 8 kwamen er, en hangen nu boven de deur. Enkele 9e-klassers hebben daarna nog met veel kracht gesmeed aan een groot zwaard, dat niet meer gereed kwam, maar waaraan volgend jaar wordt doorgewerkt.

Toen de 8e klas zijn ijzer zo heet tot verbranden toe op het aambeeld bracht, brak er een flink onweer los boven Zeist; de slag van de hamer op ons aambeeld vermengde zich met de slag van de donderhamer van Donar.

(E.  Sneek, vrijeschool Zeist, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

272-257

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (23)

.

DE AARTSENGEL MICHAËL

Elk jaar weer, in het begin van de herfsttijd, vieren wij op school het feest ter ere van de aartsengel Michaël.

Wat is dit voor een feest, dat onder de traditionele christelijke feesten niet wordt gevonden? En bovenal: wie of wat is Michaël?

De overleveringen geven ons twee beelden. Het ene is dat van Michaël, die Lucifer uit de hemel stoot. Het andere is dat van Michaël als drakendoder, op vele oude schilderingen staat hij afgebeeld als een strijdbare figuur, in blinkend harnas ge­stoken, met zwaard of lans; de draak ligt doorstoken ter aarde.
Aan deze twee beelden kunnen we proberen een gevoel te ontwikkelen voor wat het we­zen van Michaël ons wil zeggen.

Maar met onze gebruikelijke wijze van denken en voorstellen stuiten we direct op problemen. Wat moet ik denken, wat moet ik me voorstellen bij het begrip “aartsengel”? We leven immers in een tijd waarin we gewend zijn alleen dat voor waar te houden, wat zichtbaar en vooral ook tastbaar is. Wij erkennen in het algemeen al­leen datgene als werkelijk, dat los van onze eigen persoon ook voor alle andere men­sen op gelijke wijze waarneembaar is. Van andere, bijv. religieuze zaken, maakt ie­der zich zijn eigen voorstellingen, die voor iedereen weer anders kunnen zijn; het behoort tot je privé-leven wat je daarmee doet.

Omdat we echter niet meer gewoon zijn een niet-materiële, geestelijke wereld te er­varen en aanvaarden, verliezen we het begrip voor de ware aard van bijv. een aarts­engelwezen. En als er dan toch over zo’n bovenmenselijk geesteswezen wordt gespro­ken, maken we ons er onwillekeurig een “menselijke” voorstelling van: Michaël als een gevleugelde jonge ridder. Zo vinden we hem terug op de vele schilderingen. Maar, deze “vermenselijkte” beelden ontstonden in een tijd, waarin de mensen zich nog nauw verbonden voelden met bovenzinnelijke, niet materieel waarneembare krachten en mach­ten. Achter de menselijke afbeelding van Michaël beleefde men nog diens onzichtbare, hogere wezen.

Is dat voor ons in 1973 ook nog mogelijk, het ervaren van bovenzinnelijke krachten en machten? Hebben die ooit bestaan? Bij de (historische) beschouwingen over de mensheidsontwikkeling gaat men er meestal eenvoudigweg van uit dat de mensen in vroegere tijden op dezelfde manier dachten en voelden als wij tegenwoordig: alleen in een veel minder ontwikkelde en gerijpte vorm. Men verklaart ontstaan en inhoud van de religies en wereldbeschouwingen veelal uit dit nog ongerijpte denken. Er wordt gewoon aangenomen dat de mensen vroeger in hun onwetendheid op fantasievolle wijze allerlei religieus getinte hulpvoorstellingen “bedachten” om  de verschijnse­len om hen heen te kunnen begrijpen, Verschijnselen, die wij nu met onze moderne natuurwetenschappen pas echt menen te kunnen verklaren.

Als je er zo over denkt is een aartsengel Michaël in feite niet veel meer dan een mooi plaatje, een interessante hulpvoorstelling uit het nog “weinig verstandige” denken van vroeger. En zeker niet iemand ter ere van wie je een feest zou moeten houden.
Maar ik wil U nu vragen met mij mee te gaan in een geheel andere gedachtegang, die dit alles in een totaal ander licht zal plaatsen. Deze zienswijze gaat ervan uit, dat alles wat de mensen vroeger als levende werkelijkheid ervoeren, ook werkelijk­heid was en zelfs nog is; dat de verschillende opvattingen door de tijden heen niet berusten op “minder verstandig” (vroeger) of “verstandig” (nu); maar dat deze ver­schillen in inzicht berusten op een veranderend bewustzijn, met steeds andere en nieuwe vermogens.

Ter illustratie hiervan twee voorbeelden: in het oude Indië beleefde de mens zich als geheel ingebed in de godenwereld, de aardse materie was voor hem niets anders dan een dunne sluier van illusies (Maya) waarachter de ware werkelijkheid van de geestelijke wereld zich bevond; nú is God dood verklaard en onze enige werkelijkheid is datgene wat we kunnen meten, tellen en wegen. De oude Indiërs “onwetend en bijge­lovig” en wij eindelijk “verstandig”? Nee, zowel de geestelijke wereld van de oude Indiër als de materiële wereld van ons zijn reëel. De grote culturen laten door­gaans slechts een eenzijdig onderdeel van het ware beeld zien, maar daardoor zijn ze nog niet onwaar.

Laten we dit nog wat verder uitdiepen om tot het eerste beeld van Michaël te komen. In oude tijden liep de mens nog aan de hand van de goden. Zelfstandig denken en han­delen, zoals nu, kon hij niet. Hij stond daarentegen, op dromerig helderziende wijze, geheel open voor de goddelijke raadsbesluiten, die hij gewillig en onvoorwaardelijk uitvoerde. Hoe is het anders te begrijpen, dat bijv. de Perzen 6000 j. v. Chr. in staat waren wilde grassen te veredelen tot kostbaar broodgraan? Iets wat de huidige geleerden met al hun kennis niet kunnen herhalen!

De goden bestonden niet alleen in de fantasie. Het waren krachten; zulke reële krach­ten dat de mensen er in hun (nog zeer onbewuste) dadenleven ook daadwerkelijk door geleid konden worden.

De goede goden hadden echter ook hun tegenmachten. Eén van die tegenmachten, voorge­steld als Lucifer, wilde zich meester maken van deze goddelijk-geestelijke denk­krachten om de mensheid op dwaalwegen te kunnen leiden. Lucifer, letterlijk licht­drager, streefde ernaar de mens een volledig kosmisch bewustzijn te geven, d.w.z. kennis en inzicht aangaande de diepste oer-gronden van het zijn. Maar als de mens­heid hier reeds zeer vroegtijdig mee in aanraking gekomen zou zijn, dan zouden wij onze lange en moeizame ontwikkelingsgang door het leven met en in de aardematerie voortijdig hebben verzaakt. Het is onze opgave door vele levens heen met behulp van de aardematerie tot zelfstandige, ik-bewuste mensen te worden. Want wij hebben ons individuele ik-bewustzijn, zoals we dat nu kennen, uitsluitend kunnen ontwikkelen dankzij het feit dat we de geestelijke wereld steeds verder de rug toekeerden en ons steeds diepgaander met de materie hebben verbonden. Waren we geheel in de goddelijk-geestelijke werelden gebleven met ons bewustzijn, dan was dat onscherp en dromend gebleven. We zouden onze persoonlijkheidskern voortdurend verliezen aan al het overweldigend geestelijke gebeuren om ons heen.

In de gang door de materie zijn we tot onszelf gekomen. Door de sterke gebondenheid aan ons lichaam kunnen we onszelf beleven tegenover iets:  ik denk wat ik denk en ik denk dat God niet bestaat. Een uiterst belangrijke stap in onze ontwikkeling tot in­dividualiteit en zelfstandigheid.

Duswat Lucifer wilde, was te vroeg. Eerst moest de mens zich nog diepgaander met de aarde verbinden. En om deze weg open te houden, greep Michaël, de beheerder van het zuivere kosmische denken, krachtig in en verdreef Lucifer uit de hemel. Een volgende stap in deze ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid vinden we dan in het beeld van Michaël met de draak. Rudolf Steiner wijst erop hoe in de 15e eeuw een geheel nieuwe bewustzijnsfase ontstaat. De tijd van Kopernikus en Galileï breekt aan. Het natuurwetenschappelijk denken, dat alles materiëel-mechanisch tracht te verklaren, komt zeer snel op. De mens wordt hierdoor steeds meer tot een zelfstan­dig wezen, dat zelf wil gaan uitmaken wat goed voor hem is. Een geweldige denkkracht leeft in ons op; uitvindingen, ontdekkingen, nieuwe staatsvormen, een enorme drang alle uithoeken van de wereld te ontdekken en te veroveren.

Wat is er gebeurd, zo plotseling? Michaël heeft de kosmische denkkracht aan de men­sen op aarde afgestaan op het moment dat zij daar rijp voor waren. Niet langer lopen we volgzaam aan het handje van de voor ons denkende en beslissende goden. De denkkracht is nu in ons, binnen het fysieke voertuig van onze lichamelijkheid. En weer dreigt een gevaar. Een andere tegenmacht treedt op: die van de duisternis, de “donkere draak”, in het Perzisch aangeduid als “Ahriman.” De Ahrimanische macht wil deze van oorsprong kosmische denkkracht geheel in dienst stellen van de materie en ons denken uitsluitend richten op het tastbare en meetbare. Deze macht is de ei­genlijke inspirator van ons materialisme, dat het besef van en de omgang met de geestelijke wereld totaal tracht uit te roeien.

Toch hebben wij ook veel aan Ahriman te danken: zijn heerschappij bracht ons een grandioze techniek en een hoge mate van onafhankelijkheid ten opzichte van de natuur. Maar de Ahrimanische machten willen meer. Zoals Lucifer ons van de aarde wil wegvoeren, in de onbewuste en onvrije geestelijke ‘zaligheid’ ( in drugs), zo wil Ahriman ons juist voorgoed aan de aardse materie vast kluisteren. Hij wil ons geheel afsnoeren van elke band, hoe teer ook, die we nog hebben met de hogere werelden. En daarmee dreigt hij ons af te snijden van de ware bron van al het leven. Daarom kan ons moderne denken zo kil, bloedeloos en onpersoonlijk, zo “Ahrimanisch” zijn, We drei­gen onze ontwakende vrijheid weer hard te verliezen. Maar ook hier levert Michaël een verbeten strijd.

De strijd van Michaël tegen de Ahrimanische drakenmachten speelt zich af in onze ei­gen ziel. Wij mensen moeten het uiteindelijk zelf doen. Michaël is sterk afhankelijk van het bewustzijn dat wij voor dit gevecht der goden opbrengen én van onze bereid­heid de draak ook in onszelf op te sporen en hem daar te bestrijden. Met de restan­ten van ons vrije, nog niet verahrimaniseerde denken kan ieder, die dat wil, de rea­liteit van de Michaëlkracht ervaren. Zonder de hulp van Michaël is onze strijd ver­loren, want onze wil is reeds te zeer verzwakt door onze verslaving aan het puur materiële bestaan.

En toch zal Michaël niet zomaar ingrijpen; onze nieuw verworven vrijheid wordt door hem geëerbiedigd als een kostbaar goed. Michaël dringt ons niets op, hij wacht af tot wij ons uit eigen inzicht en vrije wil tot hem wenden. Pas dan doorvlamt Michaël ons in onze wil en doet hij een vuur ontbranden dat ons de kracht en het enthousiasme schenkt waarmee we ons weer een levend denken kunnen veroveren: op de drakenmacht van het abstracte intellect.

Misschien kunnen we nu inzien waarom het van zo’n grote betekenis is het aartsengel­wezen Michaël in zijn volle geestelijke werkelijkheid te leren begrijpen, juist in onze tijd. Steeds verder gaat de mechanisering van de samenleving èn steeds meer wordt de levende mens gezien als een hoopje moleculen zonder geestelijke achtergrond. In dit licht staat ons streven naar een Michaëlfeest. Een feest dat vraagt om leven­de krachten voor onze stervende cultuur.

In de herfst verdorren de bladeren, ze worden hard en materieel; maar ook vlammen ze fel gekleurd op, als in innerlijke gloed en vastberadenheid. De plantenwereld legt zijn zaden in de aarde: het beeld van materiesamentrekking: binnenin ontstaat de vuurkracht die het door de duistere winter heenvoert tot kiem van een nieuw leven.

 (Maarten Ploeger, vrijeschool Amsterdam, nadere gegevens onbekend)

 

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

271-256

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (22)

.

MICHAËL

De viering van Sint-Michaël op de vrijescholen op 29 september is een
ty­pisch schoolfeest. Een feest van de school. Thuis is er van een feest dan meestal weinig te merken. En wat er dan op school gebeurt, is ook niet altijd even duidelijk. Doen ze iets bijzonders of vertellen ze alleen over Michaël? Het is een gebeurtenis die telkens ook even zo plotseling voorbij is als hij er was, zonder merkbare sporen achter te laten. Kortom: het is naast Sint-Jan eigenlijk het minst vanzelfsprekende van de vier grote christelijke jaar­feesten.

Inderdaad, bij Michaël hoort geen Advent; het plotselinge, onverwachte,
geconcentreerde zijn er meer kenmerkend voor dan het afwachten, het zich in­houden of het luisteren. Eigenlijk kan je de hele zomer en de nazomer als de “voorbereidingstijd” zien, een tijd waarin de zomerzonnewarmte naar bin­nen wordt genomen en waar rijping van de vruchten en nieuwe zaadvorming als nog geconcentreerdere warmtevorm plaatsvinden. Eind september zijn de vruch­ten dan overstelpend aanwezig. Bij Michaël horen de gaven des velds, de ge­schenken van de zomer, de hoorn des overvloeds. Toch hebben we hier niet met een dankfeest in de oude joodse zin te maken (het Loofhuttenfeest).

Het valt ons steeds moeilijker de uitbundigheid van deze vruchtenrijkdom op Michaëlsdag zelf aanwezig te laten zijn. Het zelf oogsten is daarvoor eigen­lijk een voorwaarde, en waar kun je dat tegenwoordig? Zo kan het een schok betekenen wanneer je op Michaëlsdag plotseling ergens buiten voor een deur de vruchtenkrans ziet hangen; appels, peren, druiven… Je wist niet dat de indruk zo sterk, zo overweldigend kon zijn. Een dergelijke ervaring kan dan een hulp zijn dit feest opnieuw te leren zien: de natuur heeft zijn werk voor ons gedaan en trekt zich abrupt terug en de mens voelt zich achtergelaten met de vraag “zie wat je ermee doet”. Je begrijpt dan met een feest te maken te hebben dat er eigenlijk nog niet is, dat nog geen vaste vormen heeft en ook nog niet kan hebben, het is een wordend feest, er moet eigenlijk iets ge­vierd worden dat er nog niet is. Een merkwaardig feest, waar krachten in de mensenziel worden aangesproken, die eigenlijk nog niet sterk genoeg zijn, nog onderontwikkeld en we beginnen te voelen dat dit feest pas in de toe­komst zijn volle betekenis zal kunnen krijgen.

Zo wil het Michaëlfeest vieren dus ook zeggen, het durven loslaten van wat reeds bereikt is aan ervaring, zekerheid, routine of traditie en het wakker en open zijn voor het nieuwe en onbekende zodat vanuit elk moment opnieuw geoordeeld en gehandeld kan worden. Daarvoor is de hulp nodig van “Sint Mi­chaël en de engelen” zoals de dag in de oude legenden ook officieel heet. Daar waar ik de verantwoordelijkheid geheel zelf wil dragen, als enkeling soms tegen alles in, kan dit alleen geschieden vanuit het besef daarin door de engelrijken gedragen te worden. Waarom het mensenrijk dan de tiende hiërar­chie wordt genoemd, kan je juist in deze tijd iets beginnen te zeggen.

De dichter Morgenstern drukt uit hoe hem deze verbinding bewust is geworden, wanneer hij zegt:  “Ich verbrenne an meinen eigenen Massstab”. Het eigen ik wil zich zelf zien vanuit een hoger, algemener gezichtspunt. Het wil zich zelf zuiveren en vernieuwen door het geestesvuur in zich op te nemen. Dit offeren van het eigene, wil zeggen zelf Michaëlstrijder worden. Een afglans van dit hemelvuur kan dan in de mensenziel oplichten, dat als “aardevuur” Michaël tegemoet gebracht wordt en dat onvergankelijk is:  “Nur wer sich selbst verbrennt, wird den Menschen ewig wandernde Flamme!” zegt Morgenstern, maar ook onze eigen dichter Achterberg heeft deze dwingende opgave, misschien meer in afwachtende, wensende vorm, in de volgende regels uitgedrukt:

Gebed aan het vuur

Vrome vuur, breng in mij over
uwen duur en tover;
ik ben een lege schuur,
een lover,
een landweg op het middaguur,
een afgezette passagier,
een in beslag genomen koffer,
een offerdier.

(M.Matthijsen, vrijeschool Zeist, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

270-255

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (21)

.
Hoewel dit artikel geschreven is over een concrete situatie in Rusland, is het m.i. nog steeds actueel wanneer i.p.v. Rusland aan andere landen in de wereld wordt gedacht

.

MICHAËL

Een strijd om menselijkheid

Onze tijd heeft een apocalyptisch, een onthullend karakter. Wat verborgen was treedt in het daglicht. Over één aspect daarvan wil ik het hebben.

Solschenitzyn publiceerde februari 1980 een boekje getiteld: ‘Waarschuwing’. In dat boekje stelt hij scherp tegenover elkaar Staat en Volk in het huidige Rusland. Er is een Sovjetstaat en daar tegenover een Russisch volk. Die twee hebben niets met elkaar te maken; tussen hen gaapt een diepe kloof. Wie zich in dienst stelt van de staatsmacht verbreekt zijn banden met het volk. In bijtende woorden schildert Solschenitzyn de systematische cultuurvernietiging door de Staat: het volk moet een willoze, vergetende massa worden, die er alleen voor dient de heersende kaste in stand te houden.
Volkerenmoord wordt niet geschuwd om dit doel te bereiken. Waarom is dat zo? Omdat deze tendens tot nivelleren inherent is aan het wezen van de staat, niet alleen in Rusland, maar overal. In Rusland en in alle andere landen met een dergelijk regime onthult zich dit wezen het duidelijkst door zijn almachtige positie. Het gaat om een wezen, een wezen, dat de “machtheb­bers” in zijn greep heeft.

Tegen deze staatsmacht komen steeds weer volkeren of volksgroepen in opstand. Men wil de eigen aard van het volk niet alleen redden, maar zelfs tot religie verheffen. Men tracht staten te grondvesten op de openbaringen van grote geestelijke leiders van weleer. Wéér ontstaat er een staatsmacht, die onbarm­hartig optreedt tegen alle groeperingen, die een ander volksgeloof, andere volkstradities hebben. De tendens is hier niet in de eerste plaats gericht op nivellering, maar op uitstoting van alle vreemde elementen. Daarbij wordt de klok zover mogelijk teruggezet.

Deze twee tendenzen  zijn naast elkaar, tegenover elkaar, maar ook door elkaar te vinden. Het is vaak niet gemakkelijk om ze van elkaar te onderscheiden, omdat de methodes, waarnaar gegrepen wordt, weinig van elkaar verschillen en omdat het in beide gevallen om staatsmacht gaat.

Vroeger sprak men wel van communisme tegenover fascisme, als over twee polaire ideeënstelsels. Maar van ideeën kan men eigenlijk niet spreken. Voorzover ze gebruikt worden zijn het kruiwagens, meer niet. En in de praktijk leiden ze beide regelrecht tot onmenselijkheid.

En hoe is het nu met ons in het “vrije” Westen? Kunnen we buiten een staat, kunnen we buiten een volkstraditie? Als er geen staat is, zijn er geen rechts­regels, als er geen volk is heb je geen “Huis”.We kunnen niet zonder deze twee wezens en toch moeten we het midden ertussen bewaren. Dat midden is onze eigen persoon, een persoon, die niet van twee kwaden het minste kiest, maar van twee kwaden het beste maakt, omdat hij ze geen van beide toebehoort. Volk en Staat hebben hun grenzen en ik, voorzover ik met hen te maken heb, ook.
Een grens is het tegengestelde van een compromis. Een compromis wil zeggen: Ik sta jou een grensoverschrijding toe op voorwaarde, dat ik dat ook mag op een ander punt. Vaak is echter de winst, die ikzelf meen te boeken, slechts schijnbare winst. Het is dus grenzenverdoezeling. En via de verdoezeling sluipt ook bij ons het kwaad, te ver, binnen.

Op veel terreinen zijn we daaraan gewend geraakt. Ook in de school. En hoe reageren wij daarop? Door ons vast te klampen aan het beeld van wat eens een Vrije School was. Dat beeld dreigt soms een stukje religie te worden. Het is moeilijk om een school op te bouwen, die door zijn eigen dragers veranderen kan. En de strijd om innerlijk evenwicht, die wij hiervoor moeten leveren, is een onderdeel en misschien een belangrijk onderdeel van de veel grotere strijd om dat evenwicht in de wereld, die tevens een strijd is om menselijkheid. Om kracht te vinden voor deze strijd kunnen wij ons het beeld voor de geest roepen dat Rudolf Steiner voor ons gemaakt heeft en dat de naam draagt van de Mens­heidsrepresentant: Hij, die de mensheid vertegenwoordigt. En wie is dat?

Dat is de enkele mens, het individu, die de polen Ahriman en Lucifer (de wezens, die ik hiervoren bedoelde) scheidt en vasthoudt, die tussen hen evenwicht houdt. Zo wordt ieder mens een mensheidsrepresentant. Niemand heeft dat zuiverder onder woorden gebracht dan de Russische dissident Vladimir Boekovski. Op het moment, dat mensen zoals hij op een punt van hun leven komen, dat ze van God en iedereen verlaten zijn, komt hij tot het volgende inzicht:

Alleen-zijn is een enorme verantwoordelijkheid. Met zijn rug tegen de muur beseft de mens: Ik ben het volk, ik ben de natie…….

“Waarom juist ik” , vraagt in een menigte iedereen zich af. “Alleen kan ik niets bereiken.” En allen zijn verloren.

“Als ik het niet doe, wie dan wel?” vraagt de mens, die met zijn rug tegen de muur staat. En hij redt allen.

(Wijnand Mees, Zeister vrijeschool, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

269-254

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (20)

.

HET MICHAËLSFEEST IN DE KLEUTERKLAS

De grote vakantie is weer voorbij. Uitgerust en vol verwachting stappen de kleuters weer de klas binnen. De grote kinderen hebben echt het gevoel weer “thuis” te zijn. Zij nemen nu de plaats in van de kinderen die vorig jaar de oudsten waren. De nieuwe kleuters moeten hun plekje nog vinden. Sommige kijken vol verwondering naar wat de grootsten al kunnen, weer andere kleintjes proberen stoer mee te doen. Maar allemaal zijn ze vol verwachting voor wat er gaat gebeuren. Na een paar weken als iedereen zijn plekje heeft gevonden wordt er door juffie op een morgen een nieuw lied gezongen:

De hemelpoort zal opengaan.
Sint Michael zie ik daar staan.
0, sterke held u volgen wij,
En waar gij gaat staat gij ons bij.

“Dat ken ik!” roept een meisje eigenwijs en doet extra goed haar best. Heerlijk is het om in deze tijd met de kinderen een heel kort spelletje te spelen van een prinses die door een boze trol meegenomen wordt naar zijn hol. Dan komt de prins, bevrijdt het prinsesje en neemt haar mee naar zijn kasteel waar de bruiloft gevierd wordt.

Aan het eind kan iedere kleuter genieten van het sprookje van de wolf en de zeven geitjes, of van de wolf die de twee kippetjes Witveertje en Zwartveertje verslindt. En nog meer genieten de kinderen wanneer ze horen hoe de boze wolf overwonnen wordt.

Maar ook buiten in de natuur is van alles te beleven in deze tijd. De mooie nazomer loopt ten einde en de herfststormen komen. De luchten zijn nu prachtig, groot verschil tussen licht en donker kunnen we waarnemen. De dagen worden korter, de vogels trekken weg, bladeren en vruchten vallen op de aarde. Alles verinnerlijkt zich. Ook de mensen trekken zich in hun huizen terug en gaan zich klaarmaken voor de winter. In de tuin bloeien nog de laatste bloemen in uitbundige kleuren en hoog boven alle andere de goudgele zonnebloem. Op de akker rijpt het koren. We spreken dan ook in ons ochtendspelletje van de boer die het koren gaat maaien. Wanneer wij ijverig gemaaid hebben wordt het koren gebonden. “Ik heb de dikste bos”, roept een grote jongen en laat zien hoe dik zijn bos koren wel is. Wanneer het koren droog is wordt er gedorst en gewand en daarna brengen we het samen, met paard en wagen, naar de molenaar en vragen hem of hij het voor ons tot meel wil maken. Het paard krijgt water als dank omdat het alle zware zakken naar de molen gebracht heeft. Als we een paar weken veel koren gemaaid en gemalen hebben gaan we naar de bakker en vragen we of hij van het meel brood voor ons wil bakken voor het Michaëlfeest. Natuurlijk helpen wij de bakker en de hele klas geurt naar vers gebakken brood. Op een dag komt een van de kinderen met een grote zak eikeltjes en kastanjes aanstappen. Tijdens het vrije spel maken wij daar van alles van; spinnenwebben, dieren, poppetjes, kabouters. Van de eikels van de Amerikaanse eik kunnen we goed tollen maken, een rond stukje karton knippen en kleuren en met een prikker in de eikel prikken en dan maar tollen!

Vruchten horen bij de herfst. We vinden in overvloed, overal, in de
boom­gaard, langs de weg en in het bos; kastanjes, eikels, beukennootjes en hazel­noten. Met mandjes gaan de kinderen het bos in en rapen alle vruchten op die ze vinden, ook mooie gekleurde bladeren waar we een lange slinger van rijgen en door de klas hangen. Want al die schatten die de natuur ons geeft zijn natuurlijk niet alleen om naar te kijken, maar om iets mee te doen. We maken er iets van voor de toekomst. De meest nabije toekomst is de donkere koude winter. De vruchten die de herfst ons schenkt gebruiken we om deze toekomst te kunnen verdragen en daar moeten we hard voor werken. In de vruchten leeft een nieuwe kiem, de mogelijkheid voor een nieuw leven. De vruchten geven een beeld voor de toekomst en deze vruchten worden door onze kinderen met grote overgave verzameld. Zijn onze kinderen zelf ook niet de toekomst? In de vrucht verzamelt zich het zonnelicht opdat in de toekomst iets nieuws kan ontstaan. Opdat de duisternis, de draak, overwonnen kan wor­den. Vruchten zijn het kosmische licht. Wanneer we het kleine kind dit laten beleven in alles om hem heen,  geven we het de mogelijkheid om later zelf de donkere tijden te kunnen overwinnen en de strijd aan te durven met de draak. Daarom vieren we het Michaëlfeest in de kleuterklas.

Wanneer de kinderen op 29 september op school komen kan na al deze voorbe­reidingen het Michaëlfeest gevierd worden.

In het midden van het “vertelhuisn, op een mooie doek, liggen alle vruchten die de herfst ons geeft en ook een bos koren waarbij de boer staat, met de kippen die alle graantjes wegpikken. Een van de kinderen komt op school met een grote zonnebloem “voor Michaël”. Een ander meisje dat thuis een grote tuin heeft, brengt een mand met appels mee. Deze ochtend is een bijzondere ochtend, want we zeggen niet de gewone spreuk, maar de spreuk van Michaël. Veel Michaëlliedjes worden gezongen en daarna gaan we spelen.

Maar juffie gaat niet op haar eigen plekje zitten, nee, ze gaat de tafels vast klaarmaken. Al gauw komen er kinderen die graag mee willen helpen. Tussen de bladeren worden appels en noten gelegd. Het brood wordt gesneden en gesmeerd. Bij een feest hoort ook licht en we zetten de kaarsen, die we al versierd hadden met sterren en draken op tafel en als iedereen zit neemt elke kleuter een appel en met een plukje schapen­wol worden de appelwangen net zo lang gepoetst tot ze glimmen. Een rood hoofddoekje wat we er omheen knopen maakt van de appel een appelvrouwtje en de schapenwol is het haar.

Natuurlijk gaan we ook naar buiten. Daar laten we onze zelfgemaakte
molen­tjes draaien of gooien zakjes zand met lange slingers er aan hoog in de lucht. Wat een plezier hebben de kinderen wanneer die wapperen in de wind en dan met een doffe plof op aarde komen. Tot slot wordt in de klas het poppenspel van Repelsteeltje gespeeld en na een laatste lied gaan de kinde­ren tevreden naar huis om daar het feest verder te vieren.

(C. de Pree, vrijeschool Zeist, nadere gegevens ontbreken)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel      kleuters

Peuters/kleuters: alle artikelen

.

268-253

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (19)

 

.

MICHAËLSFEEST

“In spring, de boog gaat in.”

Men kan de wisseling van seizoenen in de loop van één jaar als een soort ademhaling beleven.
In de zomer is de aarde groot geworden. De aarde, als totaliteit van mineralen, planten en dieren, breidt zich uit naar de periferie. De bomen hebben hun bladertooi naar buiten gebracht. De planten bloese­men, het stuifmeel vliegt op, de geuren van de bloemen verbreiden zich. Ook de dieren zijn overal zichtbaar. De vlinders fladderen rond, de leeuwerik stijgt al zingend steeds hoger. Kortom: de aarde ademt zich geheel uit.

Na de zomer begint alles zich weer terug te trekken. Het zaad is in de aarde gevallen, de bladeren verdorren, de sapstroom neemt af. Ook de dieren trekken zich terug in hun holen, korven en stallen. Naar de midwinter toe ademt de aarde steeds meer in.

Zoals op één uit- en inademing bij de mens vier hartslagen plaatsvin­den, zo zijn er in één jaarcyclus ook vier concentratiepunten, waar het duidelijkst de kwaliteit van dat jaargetijde beleefbaar is; mid­zomer, middenherfst, midwinter en middenlente. Tot uitdrukking ko­mend in de jaarfeesten van Johannes de Doper (midzomer), Michal (herfst), Kerstmis en Pasen.

Het gebaar van in- en uitademing, dat de aarde maakt, vindt men bij de mens in de loop van het jaar terug. In de zomer is ons innerlijk het meest naar buiten gekeerd, we beleven de ontmoeting met de na­tuur. We geven ons er in zekere zin (vooral in de vakantie) aan over en worden er af en toe wat dromerig bij. In de zomertijd zijn we van nature wat gemakkelijker “buiten ons zelf” (uitgeademd). Naar de winter toe komen we meer “tot ons zelf”, we zijn meer naar binnen gekeerd (ingeademd). De mens is in de winter wakkerder, meer tot beschouwen en nadenkendheid in staat.

Zomer en winter zijn gemakkelijke tijden van het jaar, omdat ze zo extreem, zo uitgesproken zijn. Óf helemaal uitgeademd, óf helemaal ingeademd. Daar kun je even in verwijlen; net zoals de ademhaling op zijn diepste punt van in of uit even stilstaat. De tijden daar­tussen zijn veel moeilijker, omdat het overgangstijden zijn. Het is telkens weer anders, je moet a.h.w. op een rijdende trein springen. Sommige mensen krijgen daarom in lente of herfst klachten. Maagzwe­ren komen juist in deze seizoenen voor. En ook depressies treden vaker op in de tijd, dat de blaadjes aan de bomen komen of er weer vanaf vallen.

Wat zou je in de herfst kunnen doen, om deze overgangstijd zinvol door te maken? In vroegere tijden was Michaeli een boerenfeest; het oogstfeest. De vruchten en de granen werden binnengehaald. Voor ons is dat moeilijker. We komen van vakantie terug en moeten weer iets hervatten. Hebben we iets te oogsten? Ik geloof, in principe wel. Maar onze vruchtbomen en graanvelden zitten meer binnen. Het zijn al die indrukken en belevenissen van de lente- en zomertijd, die nu in onze ziel verder zijn gerijpt. Het is goed om deze met de kinde­ren nog eens in herinnering te roepen en te verwerken en op deze manier te “oogsten”. De noodzaak tot oogsten ligt niet buiten, maar binnen.

In de herfsttijd is een geliefkoosd spel: het touwtje springen. Twee kinderen zwaaien het touw rond en er staat een hele rij klaar om er in te springen. “In spring, de boog gaat in.” Het is een hele toer om nét op het goede moment naar binnen te gaan én om er weer uit te springen. En daar gaat het juist om in deze tijd van het jaar: om er op het juiste moment in te springen. De Michaël-herfsttijd is de tijd van het initiatief, van het willen van binnen uit.
Sint-Joris passeerde een stad, die belaagd werd door een draak, die elk jaar mensenoffers verlangde. Net op het moment, dat hij aankwam, moest de dochter van de koning geofferd worden. Toen “sprong hij er in.”

(J.van Dam,  nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

Touwtjespringen


.
267-252

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (18)

.

DE ENGEL VAN DE GOEDE WIL

De reiniging
Het overvalt me ieder jaar weer: de ‘opruimwoede’ eind augustus, als we terug zijn van vakantie. Alles wat in het afgelopen jaar is blijven liggen, si­tuaties in het huis die allang veranderd hadden moeten worden, maar waar ik niet de tijd voor vond – ineens heb ik er geweldig veel zin in om dat allemaal aan te pakken en opnieuw vorm te ge­ven. Het is als met de dakgoot: eens in het jaar moet je de ‘proppen’ oprui­men, zodat het regenwater weer kan stromen, anders krijg je lekkage. Het is of je een soort bezinksel van het afge­lopen werkseizoen moet opruimen, voordat je aan het nieuwe kunt begin­nen. Dat ‘bezinksel’ ontstaat in de zo­mervakantie, in een tijd die ogenschijn­lijk met leegte en nietsdoen te maken heeft. Je ondergaat een soort ‘reini­ging’, je bekijkt alles met een frisse blik, met ‘andere’ ogen.
Zolang het gaat om het verschuiven van kasten in je huis of het uitzoeken van kinderkleren, is het vrij gemakke­lijk om je goede voornemens in een daad om te zetten. Zodra het echter intermenselijke relaties betreft, wordt de zaak ingewikkelder. Want ook dat treedt op in deze tijd: het scherp zien van vastgelopen situaties, van hoe het eigenlijk allemaal zou moeten, en vooral de ergernis over de onaangena­me eigenschappen van andere mensen die datgene, wat jij van plan bent te verwezenlijken, in de weg staan. Gebrek aan geduld, aan zelfbeheersing en een zeker wijs inzicht doet de goe­de wil in on-wil verkeren.

Wachter op de drempel
Na deze roerige begintijd ontmoeten we op de drempel naar de herfst toe een machtige gestalte, die ons kan hel­pen onze goede wil gericht te hanteren. Van oudsher is de 29ste september gewijd aan de aartsengel Michaël, de aanvoerder van alle engelen in de strijd tegen het boze, zoals dat beschreven staat in de legenden. We komen zijn naam tegen in het boek Daniël uit het Oude Testament en in de Openbaring van Johannes. Alle volkeren van het Avondland hebben door de eeuwen heen de strijdende engel afgebeeld, in steen, in hout, als schildering. Zijn attributen zijn het zwaard en de weeg­schaal. Het zwaard lijkt ons vanzelf­sprekend voor een strijdend wezen. Het werkt vernietigend, het kan de dood brengen. Toch heeft het ook an­dere eigenschappen, die ons te denken geven. Het zwaard glanst, het is scherp, het loopt spits toe, en als de strijdende het hanteert, gelijkt het een flitsende, stekende zonnestraal. In de taal vinden we uitdrukkingen, die ontleend zijn aan deze eigenschappen van het zwaard, zoals: ‘Dat woord stak hem’ .of ‘Die gedachte flitste door me heen’ of ‘Dat is een scherp denker’.
Daar waar de mens gedachten wil uiten in woorden, daar gebruikt de taal het beeld van het zwaard. Gedachten kun­nen messcherp zijn en helder en recht op de man af, maar we weten allemaal ook hoe diep je iemand kwetsen kunt met een enkel woord! Het andere werktuig dat Michaël bij zich heeft, is de weegschaal. In zijn functie is dit instrument volkomen te­gengesteld aan het zwaard. Het wijst op bezonnenheid, op het wikken en wegen van voor en tegen. Een goed voorbeeld van Michaël als zielenweger is te zien in de Bourgondische plaats Beaune. Daar hangt in het juweel van een gasthuis het reusachtige schilderij van Rogier van der Weijden (15e eeuw), dat een hele muur in beslag neemt. Michaël als stralend middelpunt van het schilderij, houdt de weeg­schaal moeiteloos tussen duim en wijs­vinger. In de koperen schalen zitten kleine, naakte mensfiguren, wat altijd aanduidt dat er sprake is van mensen­zielen, vrijgekomen van het aardse li­chaam. In de ene schaal, die hoger hangt dan de andere, knielt een reine ziel, de handen biddend opgeheven, de blik omhoog gericht; in de andere schaal, vlak boven de grond, zit een klagende gestalte, bestemd voor hel en vagevuur. De blik van de engel is niet op de zielen gericht, maar recht naar voren: de grote weger is even objectief als het instrument dat hij hanteert. Zijn vleugels zijn bezaaid met ‘pauwen­ogen’ ten teken dat de ogen van vele geestelijke wezens dit wegen van zie­len volgen met hun aandacht. Ook in 3 hymnen en liederen wordt Michaël zo beleefd, als wachter op de drempel van de geestelijke wereld.

Wat geeft de doorslag?
Toch blijft bij dit alles een vraag han­gen: wat wordt er eigenlijk gewogen, en wat geeft de doorslag? Want dat wordt niet duidelijk op het schilderij in Beaune.

Nu bestaat er in Noord-Europa een an­dere afbeelding van dit gebeuren, die ons kan helpen een antwoord te vin­den. In het zuiden van het eiland Gotland voor de Zweedse kust staat een kerk in de plaats Vamlingbo. Op de noordelijke wand van deze kerk is een groot fresco geschilderd, dat een ver­rassend levendig beeld geeft van Mi­chaël als zielenweger. We zien de Duitse keizer Hendrik II op zijn sterfbed. Tij­dens zijn leven heeft deze keizer veel gedaan voor de innerlijke versterking van de kerk. Als symbool van dit stre­ven schenkt hij de vijf priesters aan zijn sponde een gouden kelk.
Naast dit gebeuren hangt de weegschaal van het oordeel. In de ene schaal zit de ziel van de gestorven keizer (met kroon op) en bij de andere schaal zijn allerlei duiveltjes druk bezig ‘be-zwaren’ aan te dragen tegen het opnemen van deze ziel in de hemel, in de vorm van ge­bundelde gewichten. Twee duistere fi­guren zijn zelfs bij machte om de schaal met Hendrik erin met stokken omhoog te duwen, zodat de verzwaar­de schaal omlaag dreigt te gaan. Dan grijpt Michaël in. Het is of hij op het laatste moment komt binnenvlie­gen met ruisende vleugels en waaiend gewaad. Licht pakt hij het midden van de weegschaal tussen duim en wijsvin­ger. In de andere hand draagt hij iets dat ten slotte de ‘door-slag’ blijkt te ge­ven: de gouden kelk die de keizer bij zijn leven schonk aan de kerk. Echter niet de aartsengel zelf, maar een heili­ge legt uiteindelijk de kelk in de schaal bij de ziel van de keizer, die bijna te licht bevonden werd. Hendrik II be­hoorde tot die innerlijk gedrevenen, die van tijd tot tijd opstonden om de zuivere kern van het Christendom te beschermen tegen de uiterlijke pracht en praal van Rome. Het heeft hem be­zield, zijn leven lang. En dit streven, dit willen van het goede, dat is de in­houd van de kelk die de doorslag geeft. Doet de kelk ons niet denken aan een mens, rechtop staande op de aarde, de armen iets gebogen geheven naar de hemel? Het is het oeroude gebaar waarmee de priesters als vertegenwoor­digers van de mensen door de eeuwen heen de wisselwerking tussen hemel en aarde mogelijk maakten.

Zij die van goeden wille zijn
Een kind tekent een huis: een vierkant met een driehoek erop. Ik kijk ernaar en het boeit mij. Vier hoekpunten heeft het huis, vier hoekpunten heeft ook het jaar dat je iedere keer moet opbouwen als een huis, van Kerstmis tot aan de volgende Michaëlsdag. In het natuurlijke verloop van het jaar ligt Michaël tegenover Pasen. Beide feesten vallen vlak na de dag- en nacht­evening. Er is ook een diepere samen­hang, waar een oude Russische legen­de van vertelt. In een soort lofzang wordt beschreven hoe de engel Micha­ël als enige bij het kruis van Golgotha achterblijft om de wacht te houden. Hij kan niet weggaan, maar hij mag ook niets doen om het ontzaglijke lij­den ongedaan te maken. De duisternis wordt dichter, zoals ook in de evange­liën verhaald wordt, en ten slotte slin­gert Michaël zijn speer, die als een bliksemschicht de voorhang van de tempel doormidden scheurt. Het god­delijke mysterie is van nu af aan een ‘openbaar geheim’. De machtige vleu­gels van de aanvoerder der engelen rui­sen van heilige toorn over het onschul­dige lijden aan het kruis. Zijn liefde voor de zoon Gods is onmetelijk groot, maar ‘de wet moest worden vervuld’. Zo staat Michaël voor ons als de strij­der tegen het duister, tegen het boze in dierengedaante, tegen de draak. Zo­lang je jong bent, is dit een heerlijk beeld om mee te leven: de heilige ver­ontwaardiging over allerlei onrecht en misstanden om je heen krijgt daardoor een schone vorm. Maar als je ouder wordt, merk je dat de draak in jezelf nog het moeilijkste te temmen is. De moed uit vroeger jaren verkeert in dee­moed. Je bent niet meer tevreden als het je eens lukt om een bepaalde heb­belijkheid terug te houden of om te vormen. Die hebbelijkheid steekt bij de eerstvolgende gelegenheid weer de kop op, en als je dan niet op je hoede bent, gaat het mis. Het is als in de sprookjes: voor iedere afgeslagen drakenkop groeit weer een nieuwe op! Wat geeft dan het houvast om de moed niet op te geven, om niet te ver­twijfelen? Dat is de overtuiging dat de goede wil uiteindelijk de doorslag geeft. Wat wij in het diepst van ons hart volbrengen willen: dat werkt. Merkwaardig genoeg leer ik dat in de omgang met mijn kinderen. En wie staat er dichter bij de geestelijke we­reld dan een jong kind?

Ten slotte
Iedere keer dat je je over een wieg heenbuigt, waarin een klein mensen­kind ligt te slapen, komt de vraag in je op: wat wil jij hier doen op de aarde? Vaak immers wordt dit pas duidelijk bij het afsluiten van de biografie, na de dood, als de levensloop van de ge­storvene overdacht wordt door de mensen die hem hebben gekend. En misschien is dat wel de moeilijkste opgave die Michaël ons stelt in deze tijd: ook tijdens het leven in andere mensen die goede wil leren herkennen, die je zelf in je hart voelt branden. Want dan pas houden zwaard en weeg­schaal elkaar in evenwicht.

(Marieke Anschütz, Jonas nr. 2, 21-09-1979)
.

Vamlingbo: fresco

bron

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

265-250

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (17)

.

KOSMISCHE ACHTERGRONDEN VAN HET MICHAËLSFEEST

Meteoren aan de sterrenhemel

Het Michaëlsfeest is voor de meeste mensen onbekend en aan weinig traditie gebonden. Het kan alleen zinvol gevierd worden als men zoekend is naar de impuls die de ach­tergrond van dit jaarfeest vormt.|

Waar het gaat om het Michaëlsfeest voor de kinderen, is de ons omringende natuur een goed uitgangspunt. Ook het oude boeren Michaëlsfeest droeg het karakter van een jaargetijdenfeest: een oogstfeest. Vanuit de natuurervaring kan men zo tot zinvolle jaar­feestvieringen komen.

Een andere mogelijkheid om enige toegang te vinden tot de achtergronden van de jaar­feesten, in dit geval het Michaëlsfeest, wordt geboden door gebeurtenissen die zich aan de sterrenhemel afspelen. In juni valt het Sint-Jansfeest op het mo­ment waarop de zon op onze breedte haar grootste hoogte bereikt heeft en juist weer aan de afdaling in de dierenriem is begon­nen. De dagen zijn lang, het etmaal wordt overheerst door het licht. Men kan in die dagen het gevoel krijgen dat de zon de mens mee omhoog trekt, en buiten zichzelf voert. De processen waaraan mens en natuur in de zomertijd onderhevig zijn, kan men zwavelprocessen noemen; onder zwavel wordt dan niet de chemische stof verstaan, maar — in navolging van een oude traditie — warmteprocessen.

Om de weg naar de aarde terug te vinden en in de wintertijd de aardse taak weer op te nemen, is een tegengesteld proces nodig, aan te duiden als ijzerproces. IJzer is de stof die ook in het bloed wordt aangetroffen en een mens mogelijkheid geeft als persoonlijk­heid op aarde te leven.

Wanneer men dan de waarneming van de sterrenhemel bij de beschouwing betrekt, dan blijkt hoe men ver van de storende stadslichten in augustusnachten kan genie­ten van een rijke ‘sterrenregen’. Kosmische vonken schieten langs de hemel. Deze ‘vallende sterren’, meteoren, vluchten uit één punt van de sterrenhemel: het ster­renbeeld Perseus. Vandaar de naam voor de­ze elk jaar terugkerende ‘sterrenregen’: de Perseïden. Deze meteorenvlaag kan in ver­band worden gebracht met de naderende Michaëlstijd. Kosmisch ijzer wordt door de fel oplichtende meteoren naar de aarde ge­bracht. Het vluchtpunt, radiant, van de Per­seïden, het sterrenbeeld Perseus, is een Michaëlisch beeld: Perseus verricht een Michaëlische daad als hij Medusa het hoofd af­slaat. Het wezen dat over het derde oog be­schikte, het oude orgaan der helderziend­heid, wordt gedood. Aan de atavistische ver­mogens van de mens komt een einde; de weg naar de ontwikkeling van het vrije den­ken wordt geopend. De kosmische vonken die de zomernachten verlichten, vinden hun oorsprong in het geheven zwaard van Per­seus.

De kosmische oorsprong van de Perseïden is ook op nog andere wijze met de Michaëlische impuls verbonden. Astronomisch is vastgesteld dat de banen van deze meteorie­ten voordat zij op de aarde terecht komen, dezelfde zijn als de baan van een komeet die in 1862 gezien is, de komeet Swift-Tuttle. Men heeft berekend dat deze ko­meet een elliptische baan rond de zon had, met een omlooptijd van 120 jaar. Uit het jaarlijks verschijnen van de Perseïden mogen we afleiden dat de komeet Swift-Tuttle een komeet in afbraak is.

Wat is nu de achtergrond van dergelijke af­braakprocessen die ook andere kometen kennen? Om op deze vraag een antwoord te kunnen vinden, is het nodig daarbij gees­teswetenschappelijke gezichtspunten te be­trekken.

Rudolf Steiner heeft kometen beschreven als kosmische verschijnselen die ook nog aan andere impulsen gehoorzamen dan aan de bekende wetten van de aantrekkings­kracht, waaraan ons zonnestelsel zijn be­rekenbaarheid ontleent. Hij karakteriseert ze als kosmische reinigers van de astrale atmosfeer: kometen nemen, zegt Steiner, slechte astraliteit in zich op, ontlasten daarmee de kosmos. Kometen verschijnen als de kosmos gereinigd moet worden. Elke komeet vervult daarmee een zuiverende taak, daarbij kunnen kometen dragers zijn van spirituele impulsen die hun uitwerking op de geschiedenis van de mens­heid hebben.

De oorspronkelijk geheel onverwacht ver­schijnende komeet kan een deel van zijn kometenkwaliteit verliezen door geheel in de sfeer van de berekenbaarheid gevangen te raken: de komeet ondergaat een verande­ring in zijn gedrag, hij gaat zich in een vaste, elliptische baan bewegen, waardoor zijn terugkeer berekend kan worden. Daarmee is weer een stukje kosmos vastgelegd in de wereld van maat, gewicht en getal.

Geestelijke tegenmachten kunnen zich van de komeet meester maken en daarmee de aanvankelijke positieve zending van de ko­meet doen omslaan in het tegendeel. De in­teresses van deze tegenmachten liggen daar waar de mensheidsontwikkeling omgebo­gen kan worden, waar de mens gevangen kan worden in onvrijheid. Een kosmische draak bedreigt de menselijke ontwikkeling.

Michaël heeft zich in de strijd om de vrij­heid van de mens verbonden met het lot van de mensheid.

In de kosmos speelt zich een geestelijke strijd af die op aarde in de fysieke wereld zichtbaar wordt doordat wij kunnen waar­nemen hoe kometen in brokstukken uit el­kaar vallen, opdat zij niet langer kunnen bij­dragen tot de macht van die wezens die zich tegen de vrijheid van de mens keren. Michaël bereidt uit het gif van de tegenstan­der een kosmisch medicijn dat de mensheid te hulp komt op haar weg naar de vrijheid. Het kosmische ijzer daalt in lichtende me­teoren op de aarde neer. IJzer waaruit de mens zich het Michaëlisch zwaard kan sme­den.

Geen uiterlijk wapen geeft Michaël in de hand: het is het wapen van de menselijke moed.

(Rinke Visser, Jonas nr. 2, 26-09-1975)

Michaël Perseus

Memling Laatste oordeel

Hans Memling: Laatste oordeel

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

264-249

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (16)

.

MICHAËLSTIJD

Het was warm deze* zomer. Veel mensen hebben het nauwelijks aangekund, die overvloed van licht en warmte. Je wordt er moe van als het lang duurt. Het is alsof een soort koorts je te pakken krijgt. Heel sterk kun je dat ervaren als je een tijdje geen echt dak boven je hoofd hebt, in een tent woont. Van lezen komt niks, je ergens in verdiepen lukt ook niet.

De buitenwereld zuigt je naar buiten, bijna gewelddadig.

Wat we deze zomer zo sterk hebben ervaren, is elke zomer wel te merken, zelfs in zomers met veel regen. Je leeft buiten jezelf, je bent wakker in de buitenwereld. Om vandaaruit weer goed aan het werk te komen heb je een tegenwicht nodig, iets dat je van binnen uit wakker maakt.

In ons bloed komt een element voor dat onmisbaar is voor ons menselijk bewustzijn: het ijzer. IJzerkrachten zijn het die ons na een zomer vol buitenwereld weer houvast van binnen kunnen geven. Deze ijzerprocessen worden in onze streken ingeleid door een ster­ke ijzerimpuls die onze aardedampkring vanuit de kosmos krijgt: in groot getal schiet in de loop van de zomer een regen van kosmische ijzervonken langs de hemel. Deze “sterrenregen” die wij elke zomer weer kunnen waarnemen, kunnen we zien als een eerste inzet van de naderende Michaëlstijd. De Perseïden trekken hun lichtende sporen langs de nachthemel, ontspringend uit het reddende zwaard van Perseus de grote held, die de ko­ningsdochter Andromeda uit de macht van een vreselijk zeemonster bevrijdde.

In de herfst beleven we het moment waarop de tijd van het uiterlijke licht korter wordt dan de duisternis. De nacht wordt langer dan de dag.

De tijd is gekomen om ons te richten op het innerlijk licht. Maar tevens is het tijd om met de kracht van het ijzer geen uiterlijke veldslagen te winnen, maar sterk te staan tegen be­dreigingen die ons menszijn willen aantasten. Het slagveld is in ons. In beelden spreken we dan over de “strijd tegen de draak”. Aan ons is het om die beelden te vertalen in de taal van ons bewustzijn: de draak te herkennen.

(Rinke Visser, vrijeschool Haarlem, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

263-248

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (15)

.

HET MICHAËLSFEEST

Onder de vele dingen waaraan je als ‘nieuweling’ -ouder of leraar- moet wennen in de vrijeschool is de manier waarop de ‘juffies’ en de ‘meneren’ spreken en vertellen over elven en kabouters, draken, goden, reuzen enzovoort, wel het merkwaardigste.

Als je goed luistert naar die leraren, lijkt het precies, of ze zelf aan al die verzinsels geloven. Nu, beste lezeressen en lezers, dat is ook zo. Wij geloven daaraan, omdat het geen verzinsels, maar realiteiten zijn,  realiteiten die je niet met je gewone ogen kunt zien en met je handen kunt pakken, maar waar­over je toch een zekerheid kunt hebben, waarover je iets kunt weten.

Je moet je alleen wel – maar dat is met iedere wetenschap het geval – de moeite geven je in die zijde van de wekelijkheid te verdiepen. Als je ervan uitgaat dat werkelijkheid alleen maar is wat je kunt zien en pakken, dan ben je net als iemand die met zijn rechtervoet op zijn linkervoet gaat staan en dan zegt: ‘Zie je wel, dat ik niet kan lopen!’

De werkelijkheid heeft een uiterlijke zijde die voor onze ogen verschijnt en een innerlijke zijde die in eerste instantie zich wel verbergt, maar die wij mensen,  omdat wij ook een innerlijk leven hebben, toch kunnen ontdekken. En zoals we alleen met twee gezonde benen die elkaar niet vastklemmen, kunnen lopen, zo kunnen we ook alleen maar echt leven als mens, wanneer we met die twee zijden van de werkelijkheid leren omgaan.

De kinderen, vooral de kleine, zijn thuis in die innerlijke of geestelijke werkelijkheid. Zij moeten door hun opvoeding, door het onderwijs, leren de uiterlijke zijde van de wereld te betreden om daarin te werken.

De grote mensen die zo verschrikkelijk thuis zijn in de harde uiterlijke werkelijkheid (soms voel je je daar helemaal niet thuis) zouden die innerlijke zijde niet moeten vergeten.

Nu zijn er ten allen tijde mensen geweest die omtrent de innerlijke, geestelijke werkelijkheid niet alleen een uitgebreid weten bezaten, maar die deze
geest­wereld ook konden waarnemen. Hun weten kwam voort uit hun waarnemingen. Dergelijke waarnemingen zijn vaak in geschriften opgetekend of in kunstwerken uitgebeeld. Eigenlijk is alle kunst, is alle literatuur uit deze bovenzinnelijke waarnemingen ontstaan. Dat waren dus geen verzinsels, maar beelden van realiteiten.
Lange tijden is de mensheid gevoed en geleid door deze geestelijke, reële beelden, door de godsdienst, de kunst en de wetenschap die vroeger nog een geheel vormden. Het mensengeslacht is opgevoed met „beelden van geestelijke realiteiten”.

Maar het mensengeslacht moest vrij worden en daarom moesten de geestelijke beelden gaandeweg verdwijnen om plaats te maken voor uiterlijk zintuiglijke beelden van de wereld. Toen ontstond de natuurwetenschap met in haar gevolg de techniek. Deze hebben de mens van de nieuwe tijd vrij gemaakt. Vrij van godsdienst, vrij van de oude leidinggevende beelden.

De mens werd geestelijk zo vrij, dat hij nu de geest kan verloochenen. Hij kan alle realiteiten van de innerlijke zijde ontkennen, tot bijgeloof en verzinsel verklaren. Hij kan zeggen, dat God niet bestaat en God doet niets terug. Hij geeft de mens niet een draai om zijn oren zeggend: ‘Zie je wel, voel je wel, dat ik wél besta!” De goddelijke wereld respecteert de menselijke vrijheid.

Maar er is een macht in de wereld die deze vrijheid mis­bruikt. Omdat deze macht ook onzichtbaar is, hebben de mensen hem niet in de gaten. Ze merken niet dat deze macht hen voortdurend inspireert, influistert: alles is materie, alles is alleen uiterlijke werkelijkheid, geest bestaat niet, God is dood.

Wanneer men deze macht in een beeld zou kunnen waarnemen, geen verzinsel dus, maar een realiteit in beeldvorm, dan zou men iets heel lugubers aanschouwen, iets gluipends, loerends, afschuwelijk lelijk en vraatzuchtig, dof van kleur met een soort huidpantser, harde uitsteeksels, klauwen, kortom een draak.
Deze draak wil verhoeden, dat de mens werkelijk vrij wordt als geestelijk wezen. Hij wil de ziel van de mens totaal verdoffen, de geest mechaniseren en het lichaam verdierlijken. Dan heeft hij de mensen en de aarde in zijn macht. Deze draak treedt een andere, hoge geestelijke macht tegemoet om hem te bestrijden.

Wanneer wij deze macht in beeld zouden kunnen waarnemen dan zouden wij een gestalte zien, die licht uitstraalt met een edel en heel ernstig gelaat. In zijn hand houdt hij iets wat op een zwaard lijkt. Daar schieten voortdiurend stralende vonken van af, als gloeiende meteoren die door de hemelruimte vliegen. Deze macht hebben de mensen vroeger reeds gekend en ze noemden hem Indra, Marduk of Michaël, de drakenbestrijder.

Michaël is geen verzinsel, maar een reëel geestelijk wezen, de dienaar van de Allerhoogste.

Hij wil verhoeden, dat de mens alle verbinding met het goddelijke verliest. Hij wil de ziel van de mens door­gloeien en doorstralen, de geest bevleugelen en het lichaam veredelen. Maar hij respecteert ten volle de menselijke vrijheid.

Hij dwingt niet, hij wijst alleen en wacht zwijgend tot de vrije mens zijn inspiratie wil opnemen. Hij wil geen macht voor zichzelf; hij is de dienende geest van Christus die de mens zichzelf wil laten vinden.

Wanneer de mens wil luisteren naar Michaël, dan in­spireert deze hem tot moed. Moed om geestelijke ge­dachten te koesteren, moed om het gevoel zonnig en edel te maken, moed om de verlamming in de wil te over­winnen.

Het feest van Michaël is het feest van de moed. In onze tijd is het nodig dit christelijke feest (niet zozeer in kerkelijke zin) aan het Kerst- Paas- en Sint-Jansfeest toe te voegen.

In het jaargetijde waarin de uiterlijke zichtbare wereld tot een sterven en vergaan verkeert, roept Michaël ons tot innerlijke wakkerheid. Alleen de geestelijke wakkerheid is in staat de gluipende macht van de draak te onderkennen en te overwinnen.

Hoewel wij onze kinderen moeten leren zich thuis te voelen op de aarde, in de zintuiglijk uiterlijke wereld te werken en te leven, moeten wij zorgen, dat zij niet vervreemden van de innerlijke geestelijke realiteiten. Ons middel daartoe is hetzelfde wat in de grote wereldopvoeding van het mensengeslacht ge­bruikt is: het kunstzinnige beeld, dat wortelt in een geestelijke werkelijkheid.

Wanneer de kinderen wat ouder zijn geworden, kunnen zij dergelijke beelden met hun verstand begrijpen, want er is niets geestelijks wat het gezonde verstand niet begrijpen kan, al kan het dit niet verzinnen of uitdenken.

Later als het kind volwassen is en de school heeft verlaten, werken zulke beelden en het begrip dat men daaraan tegemoet gedragen heeft als een gezonde kracht, ook al zou men niet meer aan Michaël en de draak ‘geloven’, zoals men als kind daaraan ‘geloofde’.
Van deze gezonde kracht uit kan men in een later stadium van de persoonlijke ontwikkeling een nieuwe, veel bewustere relatie zoeken met het hierboven beschrevene; men kan dit ook nalaten: de mens is vrij! Men realisere zich dan echter wel, dat nalaten niet neutraal is. De keuze is altijd vrij, de consequenties van de keuze niet meer.

(W.F. Veltman, vrijeschool Den Haag, nadere gegevens onbekend)

.

HET MICHAELSFEEST OP 29 september.
De viering van het Michaelsfeest begint maandag 29 sept. om 8.30 uur met een schoolfeest in het gebouw aan de Waalsdorperweg voor alle klassen.
De klassen 1 t/m 6 hebben van 8.30u tot ± 10.30 u. een programma in de grote zaal. Er wordt een Michaélsverhaal verteld en de klassen laten elkaar zien wat zij in deze Michaëlstijd hebben gedaan; liedjes, taal, rekenen, toneel worden op het toneel opgevoerd. Vanaf 10.30u. is er een heel feestprogramma in de school waar de kinderen uit deze klassen aan kunnen meedoen. Er zullen 25 à 30 spelletjes en moeilijke spelen in en rondom de school uitgezet zijn, die een beroep doen op moed, durf en behendigheid. Draken zullen beschoten worden met pijl en boog, boegsprietlopen, ringsteken op step en fiets, reis om de wereld, en vele andere spelen zullen de feestvreugde verhogen. Ouders zijn bij dit tweede gedeelte van het feest welkom, niet alleen als toeschouwer, maar ook ter assistentie. Moeders en vaders die het leuk vinden een spel te leiden, kunnen zich opgeven bij mej. v.d. Mark.

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

262-247

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (14)

.

MICHAËLSTIJD

De Michaëlstijd is aan de gang. De warme mooie zomer – een echte dit jaar* – gaat over in de herfst. Grilligheid en afwisseling kenmerken deze overgang. Nu een verrukkelijk helder zoel en windstil weer waarin felgekleurde dahlia’s en chrysanten wedijveren met afrikaantjes, petunia’s en late rozen. De hemel is blauwgewassen, maar pas op! Achter je rug stapelen zich loodgrijze wolken op. Pats! een hagelsteen, nog meer hagel, een wolk grijswitte hagelstenen komt op je af, ranselen en tikken, roffelen en rrrrt! ineens is het weer uit. Een venijnige wind steekt op. Maar tegen de vuile lucht is een regenboog zicht­baar. Verderop prijkt nog een stukje prachtig blauwe lucht tussen de gore room­gele kammen van dikke wolkgevaarten.

In de morgen stille, grijze nevelsluiers, een warme zon boort zich erdoorheen. Maar al gauw stortregent het uit effen donkergrauwe lucht, uren lang. In de stille, zeer heldere nacht jagen de vallende sterren langs de hemel als een verstild en vertraagd vuurwerk. En zo gaat het door. De bomen gaan kleuren, blade­ren dwarrelen rood,  geel, bruin. De natuur sterft. Wat een tijd voor overpeinzing, twijfel, angst. Toch ook een tijd om krachtig en met moed aan het werk te gaan. Maar is het niet al jaren en jaren lang in de wereld herfst? Een wereldherfst waarin alle tegenstellingen tussen mensen en volken, tussen religies en wereld­beschouwingen voortdurend scherper schijnen te worden, waarin alles dwingt om al voortrennende partij te kiezen:   vooruit, vooruit, tempo, tempo: Nu, die wereldherfst is dan ook een Michaëlstijd. Michaël? Wat heeft dit wezen ons nog te zeggen? Nog? Of nog niet? Of misschien juist weer?

In de afgelopen zomer door Frankrijk toerend, kwam ik enige malen met Michaël in aanraking. Rijdend naar de Loire, kwamen we langs Angers, een flinke stad, iets groter dan Leiden. Op een hoek van het stadscentrum staat een machtige burcht met zeventien ronde, dikke torens van blauwzwarte leisteen. In dit geduchte bouwwerk bevindt zich een van de grootste en meest interessante wandtapijten van de we­reld .

Op dit wandtapijt – oorspronkelijk waren er 98 tonelen, in 7 groepen van 14, met een totale lengte van 144 meter – is de gehele openbaring of Apokalypse van Johannes in beeld gebracht.

De ontwerper was een Zuidnederlander, Heiniken van Brugge, de wever Nicolas Bataille, die vijf jaar aan dit geweldige kunstwerk besteedde voor het in 1380 klaar was.

Het aangrijpende en boeiende verhaal op de voet volgend, zag ik het tapijt met de vrouw die een kind moet baren. Zij wordt bedreigd door de “grote draak”. Het kind wordt geboren en ook bedreigd door het ondier. En vervolgens kwam het tapijt met Michaël.

Hij duikt op uit een azuurblauwe hemel. Een schare opgewekte engelen heeft onder zijn aanvoering de bewolkte hemelranden opengerold en steekt en prikt naar omlaag, waar de zevenkoppige draak en een brutaal opspringend drakenjong zich bevinden, ter aarde geveld.

Een engel links wijst goedig op een fraai gekronkelde banderol aan, wat er alle­maal gebeurt. Johannes kijkt er peinzend naar. De tekst uit de Openbaring luidt:

“En er ontstond strijd in de hemel. Michaël en zijn engelen streden tegen de draak; en ook de draak streed met zijn engelen tegen hem, maar behaalde de overwinning niet en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden.

Vervolgens werd hij neergeworpen, de grote draak, de oude slang die men Duivel en Satan noemt, hij die de gehele wereld verleidt, neergeworpen op de aarde en zijn engelen met hem”, Op. 12: 7-8. Interessant en veelbetekenend is het dat het beeld van de hemelse strijd waarin Michaël als veldheer optreedt, onmiddellijk volgt op dat van het bedreigde kind en de bedreigde moeder.

Het is dus nog zo gek niet dat de vrijescholen Michaël als hun schutspatroon beschouwen. Het kind wordt steeds bedreigd en zeker in onze tijd. De Openbaring is een toekomstbeeld en wordt dan ook steeds actueler. Het is misschien wel moeilijk om de oude beeldentaal te “lezen” en in verband te brengen met hoogst moderne strevingen en middelen. Want de drakenkrachten kunnen zich heel intelligent vermommen als “algemeen welzijn”, “algemene opinie” of “moderne en progressieve visie”.

Michaël is juist die kracht, die ontmaskeren kan.

Het is niet zo eenvoudig in te zien dat de drakenkrachten zich juist van het zo hoog geschatte en vereerde menselijke verstand hebben meester gemaakt! Wat wil dat verstand allemaal niet voor het kind doen: Het is echter niet terstond duidelijk dat al dit verstand, al deze intelligentie, ontmaskerd kan worden als dienaar van het meest krasse egoïsme, dat zich opsiert en opblaast als “sociale gerechtigheid”, “moderne, wetenschappelijke pedagogie”; dat spot en verachting afroept over “oude, verouderde, slome aanpak”; en dat vooral ieder wil inprenten, dat er zo weinig tijd is dat men vooral moet opschieten, “dat er geen tijd te verliezen is”.
Michaël ontmaskert deze drakenkrachten met een ander soort intelligentie die ook tot de menselijke mogelijkheden behoort.

Krachtig houdt hij de weegschaal vast, waarvan de ene schaal naar boven wil en de andere naar beneden.

Het doorzien van de krachten, die de mensenziel steeds omhoog willen trekken in opgeblazen hoogmoed, leidt tot inkeer, eenvoud en bescheidenheid. Het doorzien van de krachten, die de ziel in tijd en ruimte willen kluisteren, leidt tot warm en­thousiasme, innerlijke rust en moed.

Door zelf naar deze andere intelligentie te zoeken krijgt men deel aan de Michaël-kracht, die de draak verdrijft en het kind behoedt.

(P.C.  Veltman, vrijeschool Leiden, *nadere gegevens onbekend)

Michael 25 uit Angers

Bron: Remi Jouan – Photo taken by Remi Jouan, CC BY-SA 3.0,

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.
261-246

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (13)

.

GRENZEN VAN DE GROEI EN GROEI VAN DE GRENZEN

 De Michaëlgedachte in deze tijd

De vraag naar de zin van het bestaan is voor steeds meer mensen gelijk aan de vraag naar de overlevingskansen van de mensheid, vooral sinds de Club van Rome halverwege de jaren zestig het geruchtmakende rapport ‘Grenzen aan de groei’ publiceerde. Veel mensen be­leefden dit als de zwanenzang van de
in­dustriële maatschappij, als het slotak­koord van het loflied op de ongeremde vooruitgang.

Het ‘doemdenken’ stak de kop op, het spook van het fatalisme, dat Rudolf Steiner het meest bedenkelijke symptoom van deze tijd heeft genoemd [1]. Tegelijk met het fatalisme diende zich een twee­de verschijnsel aan: de angst.

‘Wo Gefahr ist, wächst das Rettende auch’, heeft Hölderlin eens gezegd. (Waar gevaar is, neemt ook ‘het reddende’ toe). Om dit ‘reddende’ te herkennen is echter een innerlijk, grensoverschrijdend ge­baar nodig. Het kan niet onze bestem­ming zijn om eenmaal gegeven grenzen voor lief te nemen. Het gaat erom dat we die grenzen die we graag aan de externe omstandigheden toeschrijven, maar die we onszelf meestal opleggen voort­durend verruimen, dat we werken aan de ‘groei van die grenzen’.

De ‘grenzen van de groei’ wijzen op de bestemming, het wezen, van de mate­rie. De ‘groei van de grenzen’ wijst op de tegenpool daarvan: de werkzaamheid van de geest. Wie zich aan de ene of de andere pool vastklampt, gaat stagnatie en verstarring tegemoet. We moeten juist in en met de tegenstelling van geest en materie leren leven.
In zijn autobiografie zegt Rudolf Steiner dat dit hetzelfde is als ‘begrip voor het leven hebben [2].

Kijken we naar het veranderende beeld van de natuur in de loop van het jaar, dan is de zomer de tijd waarin we sterk in de natuur opgaan, de tijd van ‘natuurbewustzijn’. In de herfst spelen zich in de natuur veranderingen af, waar we al­leen bij aan kunnen sluiten als we ons bewustzijn veranderen. Zelfbewustzijn in plaats van natuurbewustzijn is nu aan de orde, aldus Rudolf Steiner in zijn voordracht van 5 oktober 1923 (de zogenoemde Michaël-imaginatie [3]. Het signaal tot die verandering gaat van de natuur zelf uit. In de nazomer doortrekken de vallende sterren de hemel met meteoorkrachten, met meteoorijzer. Hetzelfde proces dat daar tussen hemel en aarde plaatsvindt, speelt zich ook af in de mens: “wanneer in ieder bloedli­chaampje de ijzerverbinding schiet. Daarbij gebeurt “heel in het klein, minutieus hetzelfde als wanneer de meteoor­steen lichtend, stralend door de lucht naar beneden suist”, heet het in de ge­noemde voordracht.

Zo is het meteoorijzer de bemiddelaar tussen natuurbewustzijn en
zelfbewust­zijn, en het is tegelijkertijd de substantie die in het menselijk organisme de angst te lijf gaat [4]. De dichte materie van het ij­zer roept in de mens namelijk de tegen­beweging op: de beweging naar de geest. Het is het ijzer dat we smeden en aan ons uiterlijke bestaan dienstbaar maken. En het is hetzelfde ijzer dat in ons innerlijk de redding brengt: dat in plaats van angst en fatalisme, onze ini­tiatiefkracht doet groeien.

[1]   ‘Der Fatalismus als Zeitschädling’ in Aufsätze über die Dreigliederung des
sozialen Organismus, GA 24, blz. 163 e.v.
[2]  Mijn levensweg, Zeist 1993, hoofdstuk 22. Nederlandse vertaling
[3]  Das Miterleben des Jahreslaufes in vier kosmischen Imaginationen, GA             229. Nederlandse vertaling
[4] Rudolf Steiner spreekt hier van ‘Entangstigung’ van het bloed.

Michaël illustratie

(Weledaberichten nr.163, sept. 1994, vrij vertaald en bewerkt naar Walter Kugler, Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, Dornach)

Michaël meteoorijzer 2

Meteoorijzer (Ferrum sidereum).
Tot de verschillende vormen van ijzer die in sommige Weleda geneesmiddelen worden verwerkt, behoort ook een zeer bijzondere ijzersoort. Deze is niet op de aarde ontstaan maar heeft een kosmische oorsprong.

IJzer is een zeer verbreid element. De bruine kleur van de grond is bijvoorbeeld hieraan te danken. In de natuur vindt men echter alleen de roestbruine verbindingen en zouten van het ijzer. Het zuivere metaal treft men praktisch nergens aan. Een uitzondering is het meteoorijzer. Er zijn op vele plaatsen kleine en grote, soms vele tonnen zware exemplaren gevonden, die vroeger door de mensen vol eerbied werden bekeken.

In de oudere literatuur wordt dit “uit de hemel gevallen” ijzer zelfs “menslievend” genoemd, omdat er nooit iemand door een vallend stuk meteoorijzer zou zijn gewond.

Meteoorijzer bevat behalve ijzer en nikkel nog een kleine hoeveelheid kobalt. Een kenmerk ervan is zijn grote hardheid en taaiheid, het is moeilijk te bewerken. Vroeger, toen men gelegeerd staal nog niet kon vervaardigen, was meteoorijzer de enige beschikbare grondstof. Het zwaard van Siegfried, de moedige legendarische held die geen vrees kende, was uit dit kosmische metaal gesmeed.

Er bestaat een beproefde methode om zich van de echtheid van meteoorijzer te overtuigen: men slijpt het ijzer ergens een beetje glad, polijst die plek en bedruppelt die met een verdund zuur. Als het echt meteoorijzer is, worden er heel typerende lijnen zichtbaar, de zogenaamde figuren van Widmannstatten.

(Weledaberichten, nr.142, sept. 1987)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

(Meteoor)ijzer

Meteoorijzer: in mineralogie

.

260-245

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (12)

.

IJZER, ZWAVEL EN HET MICHAËLSFEEST

Dit stukje moet u niet alleen met uw intellect willen begrijpen. Probeert u de beelden mee te beleven en u alles levendig voor te stellen, dan kunt u zelf het verband tussen ijzer, zwavel en het Michaëlsfeest aan­voelen.

Het is een zomerdag. De lucht trilt van hitte. Ik lig in het bloedhete zand en voel me volkomen opgenomen in de zomerse warmtesfeer. Bewust denken doe ik niet meer, ik ben één met vurige warmte.
Een ander beeld: ver van de storende stadslichten op een verlaten landweg kijken wij naar de augustushemel. Stille stralende heldere sterren. Opeens schiet daar een lichtende streep door het luchtruim en weer een en weer een. Meteorenregen, een adembenemend gezicht!
Het wordt september. Een krachtig blauwe lucht met scherp afgetekende wolken. Dan weer zien wij donkergrijze, bijna zwarte grillige vormen. Als dreigende duistere monsters bewegen zij langs de hemel. Maar daar breekt weer het licht door en de zon straalt ons weer toe.
Een machtig beeld dat ons doet denken aan draken en Michaël.

Zwavel
Sulpheros in het Grieks, solferus in het Latijn, dat is zonnedrager. Maar u herinnert zich wel uit oude sprookjes: ik loop op een eenzaam heidepad. Daar ontmoet ik een wonderlijk heer. Ik ruik een rare zwavellucht en zie een staart onder zijn jas uitkomen, en zijn voeten zijn eigenlijk hoeven. Gauw sla ik een kruis en zeg een gebed. Met een donderend geweld opent zich de grond en de duivel verdwijnt. – Van oudsher is de zwavel ook in verband gebracht met duivel en hellevuren.

Zwavel vinden wij als mooie gele kristallen of zachtgele stenen in de buurt van vulkanen. Met een geweldige chaos en verzengende hitte breekt het vuur uit de aarde, dood en vernietiging brengend, giftige gassen verspreidend. Maar als alles tot rust is gekomen is er een vruchtbare grond ontstaan. Wij zien hier de zonne- en duivelse kant van de zwavel.

Wanneer wij mooi geel zwavelpoeder verhitten, smelt het eerst, de kleur wordt steeds donkerder en duisterder, dan komt er een geheimzinnige blauw-paarse vlam, en een giftig gas slaat op onze keel. Gieten we deze brandende vloeistof snel uit in water, dan kan daar een luguber monster ontstaan dat onder water nog dreigend beweegt. Eenmaal hadden wij het beeld van een echte draak, met kop en vleugels.
In het menselijk lichaam speelt de zwavel een rol bij de eiwitstofwisseling. Hij activeert de levens­processen, helpt mee zodat het geestelijk mensenwezen kan leven in het fysieke lichaam. Maar wanneer deze zwavelkrachten te sterk worden en ook gaan werken in het gebied van het hoofd, verliest de mens het vermogen, bewust waar te nemen en helder te denken. Het bewustzijn wordt dof. De mens leeft dan teveel in zijn begeerteleven. De zwavel moet in toom gehouden worden.

IJZER
Als kind woonde ik bij een smidse. Dat was een feest! Laaiende loeiende vlammen! En als de smidshamer toesloeg sprongen de vonken alle kanten uit! Wij blazen op school ijzerpoeder in de vlam. Eerst veel. Een fantastische meteoren­regen. Nu wat voorzichtiger. Wat zien we? Oranjegele streep­jes, niet overal even dik, als we goed kijken lijken het zwaardjes. U zou dat zelf kunnen zien wanneer u een beitel slijpt.

IJzer komt in grote hoeveelheden in onze aardkorst voor, bovendien wordt de aarde vooral vanaf half augustus verrijkt door een stroom kosmisch ijzer dat als fijn stof- of ook in grotere stukken als meteorietenregen de aarde be­reikt. Zonder aanwezigheid van ijzer zou de plant geen groene bladkleurstof kunnen vormen. Onder de invloed van het zonlicht maken de groene plantenbladeren voor ons steeds nieuwe zuurstof die wij inademen. In onze rode bloedkleurstof zit ijzer. Dit ijzer brengt de zuurstof naar ons hele lichaam. Wij kunnen slechts enkele minuten zonder zuurstof leven. IJzer maakt dat wij als mens ons bewustzijn niet verliezen. IJzer is direct verbonden met ons Ik. Het ijzer in ons bloed beteugelt de zwavelkrachten.

Michaël wil dat de mens in bewuste vrijheid kiest tussen goed en kwaad. Michaël helpt met zijn kosmisch ijzerzwaard de mens in zijn strijd tegen de draak. En misschien als ver toekomstideaal lukt het niet alleen de draak te temmen, maar zelfs hem te verlossen uit het boze en om te vormen tot het goede, zoals wij ook in de zwavel-ijzer verbinding pyriet zien hoe zwavel en ijzer in volkomen harmonie een goudglanzend prachtig kristal gevormd hebben.         

(Emmy de Groot-Klomp, vrijschool Den Haag, nadere gegevens ontbreken)

zwavel

 

Zwavel (Sulfur)
vertoont in het mineralenrijk een sterke relatie met de zware metalen waarmee hij de belangrijkste, meestal mooi gekleurde, metaalachtig glanzende verbindingen, de sulfieten, vormt. Op enkele plaatsen echter, waar bijzondere omstandigheden dat mogelijk maken, komt de zwavel in gedegen, dat wil zeggen zuivere, door geen andere stoffen beïnvloede vorm voor. Wij zien dan stralend gele kristallen, die doen denken aan bevroren vuur. Door hun eigenschappen passen zij evenwel niet goed in de voorstelling die wij van een stabiel kristal hebben.

Zwavel is een element dat slechts tegenstrevend de vorm van een kristal aanneemt; het lijkt wel of het elke gelegenheid te baat neemt om zich van die meer aardse wetmatigheden ontdoen. Het is bijvoorbeeld heel zacht en bros en men kan het zonder moeite vergruizen. Als men in een stukje zwavel knijpt en het bij zijn oor houdt, hoort men het duidelijk knerpen, waaruit de onstabiele structuur van dit mineraal blijkt. Maar niet alleen voor druk is het gevoelig. Deze “steen” is ook gemakkelijk ontvlambaar. Hij brandt dan met een klein helderblauw vlammetje -bij een mineraal wel een heel ongewone eigenschap! Bij het verwarmen verandert op allerlei manieren de structuur van het kristal. Tijdens dit proces wordt de zwavel eerst heel vloeibaar, daarna stroperig en taai om kort voor het verdampen nog een keer uiterst vloeibaar te worden. Maar ook de kleur verandert: eerst heldergeel, dan honing- tot barnsteenkleurig, vervolgens donkerbruin tot bijna zwart om tenslotte oranje op te lichten.

De mooiste zwavelkristallen worden op Sicilië en op verschillende plaatsen in Spanje gevonden. Louisiana en Texas in de Verenigde Staten hebben de rijkste vindplaatsen.
Therapeutisch heeft de zwavel een duidelijke relatie met alle stofwisselings- en ontstekingspro­cessen. Daardoor is hij een belangrijk medicament in handen van de ervaren arts.

(Ekkehard Wagner, apotheker, Weledaberichten,nr. 147, maart 1989;  nr.158, december 1992,)

Michaël meteoorijzer 1

Meteoorijzer (Ferrum sidereum)
is een materie van kosmische oorsprong die voortdurend als een heel fijne regen op de aarde neerdaalt. De meeste meteorieten verbranden bij het binnentre­den van de aarde-atmosfeer en slechts zelden vindt men op de aarde een groot stuk. In de oudheid werd het zeer harde en bijzonder taaie ijzer hoog gewaardeerd. De grote helden die voor onover­winlijk golden, smeedden hieruit hun zwaarden.

Wanneer men een stuk meteoorijzer slijpt, polijst en etst worden zeldzame structuren zichtbaar die voor dit kosmische ijzer typerend zijn, wat bij andere metalen niet het geval is.

(Weledaberichten, nr.139, sept.1986)

.

Michaël: alle artikelen

.
Jaarfeesten: alle artikelen
.

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

259-244

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-5)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES: woud en woestenij

Het woud
Wie een bos in gaat wordt onmiddellijk door een heel bijzondere sfeer geboeid. De schemerige lucht die in het groene halfdonker en donker overgaat, het zachte gefluister en geruis van de zich bewegende bomen – ademend leven is het bos, een getuige van alle leven, zelfs de afgestorven naalden en bladeren onder je voet. Maar wel geheimzinnig leven, want de bomen versperren je zoekende blik en je kunt makkelijk verdwalen.

Ook wanneer er over ’t algemeen genomen geen wilde dieren meer huizen en geen rovers meer vanuit de struiken tevoorschijn springen, dan nog blijft er een lichte vrees bij ons achter. Het is voor ons zo, dat in het bos alles mogelijk is, geheimzinnig en duister.

De naam bos – het Duits heeft hier ‘Wald’ wijst daar al op. Vroeger lag aan de andere kant van de beschermwal die de alleenstaande hofstede omgaf, de ‘wal’-ding (Wal-dung). Het was het onbeschermde land waar alles mogelijk was: het gevaar van wilde dieren en mensen, maar ook een veilige beschutting wanneer je achtervolgd werd. De wijze zieneres leefde in het woud en de kluizenaar die raad gaf. Wie het juiste pad niet kende, kon verdwalen en liep eindeloos.

Wanneer de mens zich uit het rijk van het bekende in het onbekende moet begeven, wanneer hij zich voor nieuwe opgaven gesteld ziet, nieuwe wegen moet vinden, misschien op weg naar een nog onbekend doel, komt makkelijk in dat zielengebied, dat zielenlandschap dat in het sprookje ‘woud’ heet. Het is de wereld van het onbestemde in hem waar hij moedig door heen moet. Hij vindt misschien lange tijd geen ‘uitweg’ en moet aan allerlei gevaar het hoofd bieden. Want in deze toestand doen zich graag bepaalde driften gelden. De mens moet de natuurlijke wijsheid ervan leren begrijpen, zoals domme Hans de bonte kat in het het bos begrijpt. Maar hij moet ook opletten, dat wilde driften hem niet gaan beheersen, dat hij, net zoals in het mooie sprookje van de twee broers tot jager wordt en tot heer over de dieren.

Maar ook de vegetatieve krachten van het lichaam kunnen beeld zijn van het woud.
Wanneer kinderen bv. geplaagd worden door dromen over een bos, waar ze steeds verkeerd lopen (natuurlijk kan er ook een uiterlijke oorzaak zijn, dat moet je onderzoeken) dan dringt zich de groei- en levenskracht te sterk op aan het bewustzijn. Zo’n kind moet bepaalde opdrachten krijgen, het moet leren te durven en in zijn innerlijke houding sterker worden, het heeft de weg en het doel nodig.
Hieruit kunnen we begrijpen wat het betekent wanneer de arme houthakker onder invloed van de boze stiefmoeder zijn kinderen het bos in stuurt. ‘De arme houthakker’  is het beeld van die mens die iets levends omhakt en het laat sterven.

Goethe zegt: ‘Grauw, goede vriend, is alle theorie, maar groen de gouden boom van het leven.’

Wie niet meer met het uitbundig groeiende leven, vol wijsheid te maken heeft, maar met te veel grauwe theorie, diens denken verschrompelt. Wat hij produceert is dor. Theoretici analyseren graag, ze ‘kloven’ en maken kleiner. De taal zegt: ‘Ze maken er hakhout/splinters van’. Weliswaar moet dit ook geleerd worden en is op vele levensgebieden nodig, daarom schetsen de sprookjes het houthakken ook van een positieve kant. Maar wanneer de mens enkel en alleen houthakker is – een arme houthakker zoals in Hans en Grietje -, dan levert hij de jeugdkrachten van zijn wezen, het actieve mannelijke willen – Hans genaamd – en het meevoelende van de vrouwelijke ziel – Grietje genaamd – uit aan het woud. En ze komen dan pas weer uit het woud terug, als ze hebben leren kennen dat het zoete brood van de heks niet het echte brood van het leven is en na dat het boze vernietigd is. Maar ook hier moet lering uit worden getrokken. Wie de situaties die in een woud zich voordoen uit verschillende sprookjes bekijkt, kan meteen dit beeld begrijpen. Dan ziet hij ook in dat de graalsburcht in onze grote sagen door een woud omringd is en dat ook Dante in zijn goddelijke komedie de overgang naar de andere wereld in het beeld van het woud schetst.

De woestenij in het sprookje.
Het Duits heeft ‘Wüste’ dat ook woestijn betekent.

‘Hij heeft zijn leven verwoest’, hij is een ‘woesteling’ geworden, en in mij is alles ‘woest en leeg’. Iedereen kent deze uitdrukkingen en weet wat daarmee bedoeld wordt. Wanneer al het leven in ons gestorven is, wanneer verlatenheid en eenzaamheid overheersen en elke scheppende kracht uitgeput is, dan bevinden we ons in de ‘woestenij. In deze woestenij moeten leven, kan door schuld zijn, maar ook door het lot.

In het Russische sprookje ‘Het water des levens’ trekken de drie zonen van de koning weg, om het levenswater voor hun zieke vader te zoeken. De oudste wil ‘de mensen zien en zelf gezien worden’. Ook trekt hij eropuit met vele soldaten. Het duurt niet lang of hij bevindt zich in ‘eenzame streken’ waar niets te zien is, behalve de hemel en de aarde. Wie het water des levens – de scheppende kracht van de ziel, de scheppende wijsheid – wil verkrijgen, mag geen ijdelheid in zijn hart meedragen en niet naar eer en roem verlangen. Boven alles moet hij een onzelfzuchtig Ik ontwikkelen, actief en strevend. Hij mag ook niet vertrouwen op strijdkracht en geweld gebruiken. Wie in het teken van de strijdt leeft, roept vijandige krachten in het leven en deze vijandigheid maakt ons bestaan leeg en ons tot eenzame mensen.

In het Russische sprookje ‘Johannes uit de erwt’ ligt het rijk van de gruwelijke draak tussen ‘bergen en zandsteppen’. Maar is de draak niet het beeld van die luciferische kracht die de mens weliswaar tot zelfstandigheid brengt, maar hem ook tot egoïsme en hoogmoed aanzet? Dit zijn echter de krachten die een liefdevolle verbinding van de mens met zijn medemens in de weg staan en de bodem van de ziel dor en onvruchtbaar maken. De koningszoon Johannes trekt door deze zandige steppen en bevrijdt zijn door de draak gevangen zuster. Hij neemt in zekere zin de woestenij op zich om daar het boze te overwinnen en de ziel te redden.

(Friedel Lenz, Der Elternbrief, nr.8, 1965)

.

Sprookjes: alle artikelen

.

Vertelstof: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeldsprookjes

.

258-243

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (11)

.

HOE SPREEKT MICHAËL NU TOT ONS?

‘En er kwam oorlog in de hemel. Michaël en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak; ook de draak en zijn engelen voerden oorlog, maar hij kon geen stand houden, en hun plaats werd in den hemel niet meer gevonden.’

‘En de grote draak werd op de aarde geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem.’ (Openb. 12:9.)

Gedurende het Michaëlsfeest vieren we de overwinning van de aartsengel Michaël op de draak. Door ons leven te verweven met dit gebeuren, kunnen wij een innerlijke kracht oproepen om het nieuwe jaargetijde met moed en ook met vreugde in te gaan. De uiterlijke warmte van de zomerzon zal ons steeds minder warmen en minder helpen, het gaat om de innerlijke zon.

Hoe moeten we ons echter in deze tijd een beeld van Michaël scheppen? Mogen we ons vastleggen aan de oude voorstellingen en beelden van Michaël zoals die eens in vroegere eeuwen gehanteerd werden? Wanneer wij ons een kant en klaar op een mens gelijkende voorstelling’ van hem maken, die ons met een zwaard de weg vrijmaakt van “ongedierte” dan zitten we mis, dan zal dit ons slechts afleiden van het elementaire van het werken van Michaël.

Op welke manier moeten we naar hem luisteren en hoe spreekt hij tot ons? Michaël zal zeker geen woorden influisteren, die ons uit onze herfstmelancholie zullen moeten halen.

Wie hier ontvankelijk en passief op zal wachten, zal eeuwig moeten wachten. Zijn taal moet onze wilsgezindheid zijn.

Nimmer zal Michaël gebieden. Nimmer zal hij bevelen. Hij laat ons onze eigen meester zijn, zowel ten goede als ten kwade. Als vrije mensen leert hij ons ons eigen lot in handen te nemen. Op onze eigen wens alleen wil hij ons helpen, onze levensgang te vormen en ieder heeft zelf te bepalen of hij al dan niet een dienaar van Michaël wil zijn. Wat men weet of al kan, is dan niet belangrijk. Belangrijk wordt dan wat men van binnen uit wil en wat men met offers, energie en volharding zich nieuw verwerft. Michaëlstijd is het feest van het wordende!

Ook in de ‘KALEWALA’, het Finse heldenepos, komt ditzelfde thema voor over de mens die zijn eigen lot in handen neemt. In de 9e rune wordt verteld hoe een oude man, die toverkracht bezit, de kracht heeft om het bloed te stelpen dat uit een wonde van de held Väinämöinen komt. Doordat Väinämöinen een jonkvrouw begeert, ontstaat er een vertroebe­ling in zijn bewustzijn. Hij ziet het verkeerde ervan niet in als hij werft om de jonkvrouw. Hij misbruikt zijn bijl dan; hij ontwijdt het ijzer om deze voor zijn begeerte te gebruiken, wanneer hij er een boot mee wil maken voor de jonkvrouw.
Als straf raakt de Godenzanger met de bijl zijn eigen scheenbeen en er ontstaat een diepe wond, waaruit het bloed (het IK) wegstroomt. De oude tovenaar kan hem helpen, maar zijn genezing kan slechts door eigen activiteit tot stand worden gebracht. Väinämöinen moet de biografie van het ijzer vertellen, waardoor er weer voor hem een bewustszijnsvorming optreedt. Daarna kan de oude man zalf op de wonde aanbrengen en zal het been weer genezen.

In het verhaal zelf wordt al aangeduid dat goede en kwade krachten hun invloed op het ijzer hebben.

Hetzelfde ijzer waaruit het zwaard van Michael gevormd is, waarmee hij de draak bestrijdt!!!

 

(E.Plessen, Vrijeschool Brabant, 09-1982)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

257-242

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.