Maandelijks archief: juni 2013

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (2-1/2)

.

OVER MENS- EN DIERKUNDE IN DE VIERDE KLAS

” De wereld en ik “, zo gaat het kind zich rond het negen­de jaar voelen.  Eerst was het met de wereld en alles wat daarop leeft één geheel, het maakte nog geen onderscheid. Nu komt het kind steeds meer tegenover de wereld te staan en is daardoor in staat de dingen exacter waar te nemen. Daarom kan er nu ook meer een beroep op zijn begrip gedaan worden. Het kind is echter nog steeds op een gevoelsmatige manier met het dierenrijk verbonden. Vandaar dat het van belang is, in dit jaar een begin te maken met mens- en dierkunde.
We gaan uit van de mens. We maken een onder­scheid tussen het hoofd, de romp en de ledematen. Vanuit de vorm van het menselijk lichaam gaan we over naar dier­kunde. We onderscheiden “kopdieren” en “rompdieren”, de mens is een ledematenwezen.
Steeds vergelijken we het dier met de mens en kijken naar verschillen en overeen­komsten.
Een voorbeeld van een kopdier is een inktvis. Uit de beschrijving van de leraar moet duidelijk worden, dat dit dier waarneemt met z!n gehele lichaam, terwijl het bij de mens vooral het hoofd is dat ruikt, ziet, proeft, hoort enz. De meeste dieren zijn rompdieren. We beschrijven het dier zo in zijn omgeving met zijn vrienden en vijanden, dat het kind een beeld krijgt van de geaardheid van het dier. De bedoeling is dat de kinde­ren inzien dat de poten of vleugels in dienst staan van de romp en het in stand houden van de eigen soort. Bij het kijken naar de vorm en functie van onder andere ogen, oren, neus, tanden, poten en staart valt op, dat ieder dier ergens in gespecialiseerd is. De mens daaren­tegen is veelzijdig. De mens gaat rechtop, zodat zijn handen vrijgemaakt zijn om te werken, niet alleen voor zichzelf maar ook voor anderen. Het is van groot belang dat de kinderen zich tijdens deze periode bewust worden dat de mens zijn handen vrij kan gebruiken. Ook heeft hij de vrijheid zelf te kiezen waarheen zijn benen hem dragen zullen. De mens is niet gebonden aan één plek maar heeft in feite de hele wereld tot zijn beschikking.
Het kind kan tot de conclusie komen, dat hij mens is door zijn handen en daarom een ledematenwezen is. Het is voor de klas een bijzondere belevenis het verschil tussen mens en dier in deze vorm gepresenteerd te krijgen.

 

Een dierkundeperiode in de vierde klas.
De dierkundeperiode begint met menskunde. Eerst wordt het hoofd onder de loep genomen. ” Wat doe je met je hoofd?” vraagt de lerares.
‘Denken, zien, horen, ruiken, proeven, praten. ‘Het lijkt of je hoofd veel doet, maar in werkelijkheid is het erg “lui”.  Dat is misschien maar goed ook. Stel je voor dat je hoofd aldoor moet bewegen. Kun je dan nog goed zien wat er om je heen gebeurt? Dat willen de kinderen wel eens uitproberen. Alle hoof­den wiebelen, draaien, schudden en giebelen. Nee, dat gaat niet. Een “lui” hoofd merkt meer op. Het gesprek gaat over naar de romp.
“Als je bang bent in het donker, waar voel je dat dan?” Daar heeft ieder kind wel een antwoord op. De een voelt een steen in zijn buik, de ander hoort zijn hart bonken, bij een derde stokt de adem en de vierde heeft het gevoel van “vlinders­ in je buik”, dat wordt door velen herkend. “Kijk maar eens of jij het ook wel eens zo voelt”,  zegt de juf en zij noemt een aan­tal bekende zegswijzen:

Mijn hart klopte in mijn keel.
Mijn hart trilt van blijdschap.
De schrik slaat mij om het hart.
Dat is een pak van mijn hart.
Mijn hart breekt.
Zij  luisteren met ingehouden adem.
Hij haalde opgelucht adem.
Het is een adembenemend verhaal.

Nu blijven de ledematen nog over. “Waar gebruik je die voor?” Eerst noemen de kinderen allerlei dingen die henzelf bezig houden: spelen, rennen, zwemmen,  fietsen, springen, tekenen. Maar ten slotte beginnen zij over: werken, timmeren, metselen, schilderen, vegen. “Je benen dragen je waarheen je wilt”-. Je hebt je armen en handen vrij om er van alles mee te doen, voor jezelf maar ook voor anderen.

Dieren hebben dit niet. Die lopen ook niet de hele dag recht­op zoals de mens. Wel is elk dier ergens heel goed in. Mensen kunnen ook wat dieren kunnen, maar ze hebben er vaak gereed­schappen voor nodig.
Een mol is  “gespecialiseerd”  in graven. Jij gebruikt bij het graven een schep. Wij  snijden harde din­gen niet met onze tanden door zoals de muis, maar met een mes.
De kinderen zijn verbaasd en opgetogen tegelijk. Zo hebben ze het nog nooit bekeken.  Koortsachtig zoeken zij naar andere voorbeelden.

De klas leert nu een gedichtje over het hoofd, de romp en de ledematen. Voor het eerste couplet zit ieder­een op zijn knieën op de grond en laat de kin op het tafel­blad rusten. De eerste keer moet iedereen even om zich heen kijken om te zien hoe zo’n klas met alleen maar hoofden er­uit ziet. Maar daarna houden zij allemaal het hoofd zo stil mogelijk en reciteren zij met rustige stemmen:

In mijn hoofd rond en rustig.
Zie en hoor, ruik en proef ik van de wereld om mij heen.

Dan klimmen zij op hun tafels, knielen daarop neer, hou­den de armen op de rug en ademen een paar keer flink in en uit.  Het tweede couplet:

Ruim is mijn romp met zijn ademstroom, daar doorleef ik vreugde of pijn, moed of schroom.

Ze springen weer op de grond,  lopen “in de maat” om hun tafels heen en ieder laat op zijn eigen manier zijn armen “vrij” zijn voor het derde couplet:

Door benen gedragen waarheen ik wil, zo ga ik rechtop met mijn armen vrij, maak met mijn daden mensen en dieren blij.

Wanneer de kinderen dit gedicht uit het hoofd kennen, komt het op het bord te staan en schrijven zij het over op de eerste bladzijde van het dierkundeschrift.

Op de tekenbladzijde ernaast maken zij een tekening van een mens. Die ziet er bij ieder kind anders uit.

Het eerste dier waarover de juf vertelt is de inktvis. Zij be­schrijft zo nauwkeurig mogelijk hoe hij eruit ziet, maar toch op zo’n verhalende manier, dat de kinderen het voor zich kunnen zien. Zij vertelt over zijn  ‘papegaaiensnavel’ waarmee hij zelfs krabben kan kraken, over zijn tentakels die zich stevig om zijn prooi vastkronkelen,  over de ongelooflijke kracht van de zuignappen. Met gretigheid luisteren de kinderen naar hoe hij zich gedraagt, hoe hij bijna onbeweeglijk op de bodem van de zee zit, maar ondertussen alles in de gaten heeft van wat er in zijn omgeving gebeurt. Wanneer hij een visje ziet langszwemmen, schiet hij plotseling uit en grijpt zijn prooi met zijn vangarmen.
In een tekening op het bord zien de kinderen op de begroeide zeebodem een inktvis op weg naar zijn hol.
Nu wil de lerares een vergelijking maken tussen de inktvis en de mens. “Waarop vind je de inktvis het meeste lijken: op het hoofd, op de romp, of op de ledematen;”  “De ledematen natuur­lijk!” roepen de kinderen. Dan gaat de lerares gehurkt achter de tafel zitten en laat alleen haar hoofd op het tafelblad rusten. Het beweegt bijna niet, maar zij loert onmiskenbaar naar alle kanten. De kinderen herkennen hierin toch wel de inktvis. Zij noemen de inktvis een kopdier omdat hij met zijn hele lichaam waarneemt. Naast de tekening van de inktvis op de zeebodem schrijven de kinderen in het schrift:

 De inktvis
In rotsen,  spleten of in holen
houdt de inktvis zich verscholen.
Daar wacht hij op een vis of krab
en stuwt zichzelf dan rap
door het water naar zijn prooi.
Komt de vijand te dichtbij,
dan spuit hij inkt en is weer vrij.
Die dichte donkere wolk onttrekt
de inktvis aan het jagend oog.

Na de inktvis komt er een heel andere diersoort aan de beurt: de haas.
De juf vertelt weer allerlei bijzonder­heden waarover de kinderen zich verwonderen. Met zijn lange oren, die lepels worden genoemd, hoort hij haar­scherp wanneer er onraad dreigt. Zittend op zijn achter­poten spitst hij zijn oren naar alle richtingen. Hij  snuf­felt even met zijn zachte neus of hij het hazenpad moet kiezen. Komt de vos eraan, dan zal de haas tijdens zijn vlucht steeds een grote sprong opzij maken om zijn vij­and het spoor bijster te laten raken. Ook de haas ontkomt niet aan een vergelijking met de mens. Bij dit dier kun je niet van “een en al waarneming” spreken zoals bij de inktvis. Integendeel, bij de haas zijn die lange oren er extra bovenop “gebouwd”. De haas is dus geen kopdier.
In een leestekst hebben de kinderen gelezen hoe een haas en een muis van elkaar schrokken en op de vlucht sloegen. Heeft de haas dan gevoel? Ja, hij  kan schrikken,  bang zijn, vrolijk zijn, boos worden en onraad ruiken. De lerares noemt de haas een rompdier.  “Maar hij heeft toch pootjes waarmee hij springen kan?”  “Dat zijn toch ledematen!” werpt een meisje tegen. “Juist’,  antwoordt de juf, “maar de ledematen staan in dienst van zijn romp”.  Dat kun je van de mens niet altijd zeggen. Die werkt ook met zijn handen om anderen te helpen. Het moet even doordringen. Dan knikt het meisje: ” Ja, daar zit wel iets in.”
De kinderen willen graag spreekbeurten houden over dieren. Ze spreken met de juf af wie op welke dag zijn spreek­beurt doet en de juf geeft aan op welke vragen antwoord gegeven moet worden:

Hoe ziet het dier eruit?
Hoe leeft het? In welke omgeving? Waarmee voedt het zich? Wie zijn zijn vijanden? Wat doet het in de verschillende seizoenen? Vertel iets over de jongen.

Van nu af aan begint elke dag met twee spreekbeurten.
De kinderen die luisteren krijgen de opdracht: om er thuis een korte tekst of gedichtje over te schrijven. Ze hoeven niet over elke spreekbeurt te schrijven, maar mogen een keuze maken. Het niveauverschil blijkt erg groot te zijn: sommige kinderen vertellen uitgebreid en boeiend, doen zelfs de bewegingen en de geluiden van hun dier na en laten verduidelijkende plaatjes en tekeningen zien. Andere zijn een aantal onderdelen ver­geten of hebben hele stukken uit een dierenboek overgeschreven en kunnen hun ogen niet van het spiekblaadje afhouden. Aan hun verteltoon is te horen dat ze de inhoud zelf ook niet altijd snappen. De lerares vraagt na elke spreekbeurt aan de klas wat ze ervan vonden: Wat vond je leuk?’ en ‘Wat zou je anders doen?’ Opvallend is hoeveel consideratie de kinderen met elkaar hebben. Dat bleek ook al tijdens de spreekbeurten: ze luisteren goed naar elkaar, ook al is het verhaal niet voor iedereen interes­sant.
Een van de kinderen vertelt over de chimpansee. Het spreekt de klas erg aan. De volgende dag vinden de kinderen een apenfamilie in het oerwoud op het bord getekend, geflankeerd door een gedichtje:

De chimpansee
De chimpansee loopt over stammen en takken,
Een dier met vier handen, voor ‘t lopen en voor ‘t pakken.
Zijn oren wijd uitstaand, zijn pels glanzend zwart,
Heel lang zijn z’n vingers, heel kort is z’n staart.
En zwaaiend en draaiend, heel fraai heen en weer,
Zo bungelt de slungel, ’t is feest keer op keer.
Hij voedt zich met vruchten en noten van ’t woud,
Is slim als geen ander, heel lief maar ook stout.

De lerares vertelt nog over de beer en de olifant.
Daar be­staan vele spannende en wonderlijke verhalen over. De Lappen geloven bijvoorbeeld dat beren vrouwen en kinderen niets doen. Ze doen ook niets als je “dood” op de grond ligt en je adem inhoudt. De beer snuffelt dan wel even aan je en probeert je met zijn poot heen en weer te rollen, maar als je stil blijft liggen, verliest hij zijn belangstelling voor je.

Van de kracht van de olifanten bestaan vele indrukwekkende voorbeelden. Maar dat een olifant schrikachtig is, zelfs onrustig door een muis kan worden, weten de meeste kinde­ren niet. Ook niet dat een olifant zich nog jaren later “herinnert” wie hem kwaad heeft gedaan. Prachtige teke­ningen van olifanten in het oerwoud maken de kinderen. Ze doen erg hun best om de dieren te tekenen zoals ze er­uit zien. De lerares heeft het uiterlijk van de olifant heel nauwkeurig beschreven  (het gesproken woord moet immers beeld opwekken), dus ze weten precies waarop ze moeten letten. De bordtekening mogen ze als voorbeeld gebruiken, maar de meeste kinderen tekenen toch liever hun eigen olifant. Wanneer zij de dikhuid ook nog geschilderd hebben en de schilderingen aan de muur hangen, is opvallend hoe raak zij de olifanten getypeerd hebben.
De klas heeft ge­leerd dat beren en olifanten telgangers zijn, dat wil zeggen dat zij bij het lopen de linker voor- en achter­poot tegelijk optillen en daarna de rechter voor- en achterpoot. Dat geeft een schommelend en log effect.
Na­tuurlijk willen de kinderen zelf ook even uitproberen hoe dat loopt. Ineens is het lokaal gevuld met schommelende zware beren. Op de laatste zaterdagochtend van de periode gaat de klas naar Artis. De kinderen hebben de hele dieren­tuin voor zich alleen: de stad slaapt nog uit. Zij kijken met heel andere ogen naar de dieren dan bij vorige bezoeken. “Hoe zien ze er precies uit?” willen ze weten. Ze willen met eigen ogen zien dat olifanten en beren als telgangers lopen en ze ontdekken dat kamelen en dromedarissen zich ook zo voortbewegen. Ze vinden in Artis veel van de dieren terug die in de spreekbeurten behandeld zijn.

Dan gaan ze het aquarium binnen en hopen daar de inktvis te vinden. Inderdaad, hij  is er, maar hij  zit stilletjes in elkaar gedoken. De hele klas staat vol verwachting voor het ver­lichte raam. Sommigen proberen hem wakker te maken en tikken voorzichtig tegen het glas, maar hij verroert zich niet. Een voor een druipen de kinderen af en verspreiden zich naar de andere aquaria. De vissen die daar rondzwem­men zijn ook de moeite waard van het bekijken.

“Juffie” galmt het plotseling door de lege zaal, “de inktvis is uit zijn hol gekomen.” Roffelende voetstappen van dertig paar voeten hollen er naar toe. Het behaagt de inktvis zich in volle glorie te laten bekijken. Zijn tentakels kronkelen naar alle kanten.  Met grote ogen kijken de kinderen hoe zijn grijparmen in sierlijke spiralen veranderen. Zo’n spektakel hadden ze niet verwacht. “Hij  is veel mooier dan jij hem op het bord hebt getekend,” krijgt de lerares te horen. Geen enkele afsluiting van de periode had meer indruk kunnen maken dan deze onverwacht demonstratie.

(Uit een publicatie – ‘heemkunde ‘ – van de Geert Grooteschool, Amsterdam)

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

Over de haas: zie artikelen over Pasen

 

221-209

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (2-1/1)

.

MENS-EN DIERKUNDE IN KLAS 4

“Wat voor een periode krijgen we hierna?”, vraagt een van de kinderen belangstellend. ‘Volgende week gaan we het hebben over de mens en over een heleboel dieren, een mens- ­en dierkundeperiode dus.’

Met veel enthousiasme wordt dit bericht luidkeels ontvangen.
Dan is het maandag. Wat zijn de kinderen rustig! Ze zijn misschien nieuwsgierig naar wat er komen gaat.
We beginnen met het bekijken van de mens, en wat is er makkelijker met zoveel prachtexemplaren in de klas: een jongen van klein formaat wil zich gerust aan een nauwkeurig onderzoek laten onderwerpen en klimt moedig op een tafel om dan grijnzend de klasgenoten aan te kijken.

‘Als je naar hem kijkt, wat zie je dan?’ “Hij lacht”, zegt een kind. Dat valt niet te ontkennen. ‘Wat valt op als je naar een mens kijkt?’
Er komen vele antwoorden, maar het “gezicht” en het “hoofd” voeren toch de boventoon.
Langzamerhand ontdekken we, dat de mens bestaat uit het hoofd, de romp en de ledematen. Daarna wordt het hoofd nauwkeurig geïnspecteerd. We zien de ogen waarmee je van alles kunt zien, de oren. Roodkapje leerde, dat je er goed mee kon horen, de neus om te ruiken en de mond om mee te spreken en te proeven. Alles is aanwezig om de wereld om ons heen goed te kunnen opnemen.
Waar gaat dit alles naar toe? De lucht die je inademt gaat naar je longen, de boterham die je eet naar je maag en als je iets moois ziet of hoort voel je dat in je buik. Kortom, het gaat naar je romp. “En dan naar je ledematen,” zegt een kind. De benen en armen worden bekeken, waartoe dienen ze de mens? De benen om op te lopen, om ergens naar toe te kunnen gaan. De armen, hoe kan het anders in een knikkerperiode, om te knikkeren. Zo wordt er van alles opgenoemd wat we met onze armen en benen kunnen doen en we komen tot de conclusie, dat we met onze handen iets kunnen doen om­dat de benen ons dragen.

Dan gaan we naar de dieren kijken, o.a. naar de inktvis, de muis en de mier. Het kenmerkende van een bepaald dier wordt naar voren gehaald. Steeds wordt het dier vergeleken met de mens. Een vogel kan heel goed vliegen, een mens niet. Een vis kan heel goed zwemmen, de mens niet zo goed. Zo zien we de eenzijdigheid van het dier en de veelzijdigheid van de mens. De mens kan van alles iets, terwijl een dier zijn specialisme heeft.

Elke dag werden er spreekbeurten gehouden over een dier dat de kinderen zelf uit mochten kiezen. Vele kinderen vonden dit erg leuk om te doen en hebben er erg veel aandacht aan besteed. Anderen keken eerst liever de kat uit de boom en deden de spreekbeurt dan ook prima.

Dat er echte belangstelling was voor elkaar bleek uit de vele vragen, opmerkingen en verhalen die los kwamen. Zeer veel werd er verteld over bekende en onbekende dieren. Bij een spreekbeurt over de lynx werd er onmiddellijk gevraagd of er ook rechtsen waren. Uit een zacht gefluisterd gesprek vernam ik dat een kameleon een soort kameel is! Je kunt heel wat leren van elkaar! Weet u trouwens het verschil tussen een haas en een konijn? Een haas wordt kant-en-klaar geboren en een konijn niet!

Na nog veel over verschillende dieren gehoord te hebben, wisten de kinderen deze dieren uitstekend neer te zetten in een spel waarbij ze een dier moesten uitbeelden,  terwijl de anderen mochten raden. Steeds weer nieuwe dieren werden bedacht en er werd veel gelachen. Teleurstelling als we stopten.

Misschien is er te veel verteld over dierlijk gedrag, want dit werd op het plein ook af en toe vertoond. Soortgenoten die met elkaar ruzieden op leven en dood.

De krachten worden gemeten. Grote buit wordt binnengehaald: knikkers.

Gelukkig komt het vaker voor dat ze als mieren elkaar helpen en een te zwaar vrachtje voor de één wordt dan overgenomen door de ander.

Dat de klas soms net een mierenhoop is zal u misschien niet verwonderen.

(H.M., nadere gegevens ontbreken)

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

 

220-208

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (1-4)

.

DE LEEUW

Wanneer de kinderen ‘de leeuw’ op een bepaalde manier verteld hebben gekregen, wanneer ze dus vanuit het woord het dier hebben leren kennen, wanneer ze meebeleefd hebben hoe het leeft – misschien is een spannend jachttafereel verteld waarbij ze met ingehouden adem luisterden, moeten, naast ‘hoofd en hart’ ook de handen nog deel hebben aan het dieper begrijpen van de leeuw.

Dat kan d.m.v. tekenen, schilderen en boetseren.

Bij het tekenen gaat het vooral om de beweging van de vorm. In dit geval de leeuwenvorm.

Wat is karakteristiek – hoe kom je aan een soort ‘oervorm’.

In haar boek ‘Zeichnen =  Sehen lernen'[1]  -‘ tekenen is leren kijken’ [2], geeft de schrijfster Anke-Usche Clausen een inspirerende leerweg.

Belangrijk om tot een voor de kinderen bevredigend resultaat te komen, is dat ze vanaf klas 1 levendig hebben leren tekenen; vooral met de wasblokjes die mogelijk maken in kleurvlakken te werken. Minder met potloden die te snel – wanneer je de schetstechniek nog niet beheerst, leiden tot een te star, statisch geheel.
Het resultaat is in zekere zin in het begin niet belangrijk. Het gaat om het oefenen, het meebeleven van de vorm(en), het inleven in de beweging.

Ik gaf de kinderen meestal een stapeltje tekenpapier -groot formaat – waarop ze naar hartenlust konden oefenen: nog eens en nog eens. Pas nadat het resultaat voldoende was, dat is dus, wanneer de kinderen iets geleerd hadden, mocht de tekening die ze dan zelf uit hun probeerwerk kozen, in het periodenschrift.

Natuurlijk geven de ‘blokjes’ een mooi kleurig resultaat; het is zelfs al mogelijk voor een 4e-klasser om met gebruikmaking van hier eens wat lichter en dunner, daar wat meer en zwaarder, een zeker perspectief te krijgen. Maar ook met potlood kan nu goed geschetst worden. De ‘dikke’ kleurpotloden uit de 1e klas – gebruikt bij het schrijven – hebben een punt die niet meteen tot een verstarde vorm leidt.
Nieuw kan hier zijn: de houtskool. (NB besteed van te voren veel aandacht aan hoe je hiermee omgaat: uitdelen, ophalen, schoonmaken handen/tafels/vloer – let op kleren enz).

Het schetsen met de houtskool waarbij je heel gemakkelijk de lijn kan onderbreken, wat de levendigheid ten goede komt, maakt een be- of inleving van en in de dierenvorm heel goed mogelijk.

De methode van Clausen volgend kunnen de kinderen (en leerkrachten!) heel wat leren.

Ze citeert Rudolf Steiner [3]
‘Zoek eens op wat Goethe in zijn ‘Metamorfose van de plant’ geschreven heeft, wat hij de ‘oerplant’ noemde; zoek eens op wat hij het ‘oerdier’ noemde en je zult vinden dat je met deze begrippen ‘oerplant’ en ‘oerdier’ alleen maar verder komt, wanneer je ze beweeglijk denkt. Wanneer je de beweeglijkheid in je opneemt, waarover Goethe zelf spreekt, dan krijg je geen abstract, in de vorm begrensd begrip, maar je hebt dan wat in de vormen leeft, wat door heel de ontwikkeling van het dieren- of plantenrijk heen gaat; wat in dit erdoorheen gaan net zo verandert als een driehoek die verandert in een scherpe- of stomphoekige en wat nu eens ‘wolf’ en ‘leeuw’, dan weer ‘kever’ kan zijn, dat komt doordat deze beweeglijkheid zo veranderen kan, dat deze  zich manifesteert tot in het detail. Goethe bracht de starre begrippen en vormen weer in beweging.

(Clausen blz.100)

Naast dit citaat staan deze tekeningen:

dierkunde leeuw 7

De driehoek onder de leeuw is een uitstekend uitgangspunt. De driehoek steeds verder tot ‘leeuwbeweging’ maken en omvormen tot in meer details – alles wat schetsmatig; meer een ‘aangeven’ waar de details ongeveer zitten – dan blijft het levendig en kunnen de kinderen verder komen in de richting van een ‘echte’ leeuwentekening.

dierkunde leeuw 8

(blz.102)

Een variant kan bv. later worden geoefend of kan een opgave zijn voor kinderen die al weer wat verder zijn. Het gaat om de middelste tekening. Ik heb deze tussen de andere laten staan, omdat het voor ons belangrijk is de metamorfose in de vormenwereld te ontdekken. Iets daarvan zie je in deze vormen terug.

dierkunde leeuw 10

Katachtigen in verschillende bewegingen:
luipaard, panter, tijger, leeuw, kat.
Aangegeven voor klas 8/9, maar heel goed te gebruiken in de 4e klas. (blz.110)

dierkunde leeuw 11

(blz. 108)

Uiteraard komen ook andere katachtige roofdieren ter sprake. Ook die kunnen getekend worden:

Omdat de populariteit van de huiskat heel groot is – veel kinderen hebben thuis een poes – ‘moet’ ook deze worden getekend.
Clausen volgt bovenstaande weg:

Je kunt, met een kleine aanpassing, bovenstaande en onderstaande katten ook als ‘leeuwen’ oefenen.

dierkunde leeuw 9

blz. 109)

Hoewel deze ‘katten’ door Clausen zijn bedoeld als oefenwerk in klas 7/8 zijn ze zeer goed bruikbaar in klas 4. Je kunt ook deze heel makkelijk als leeuw (of andere grote kat) tekenen.
Kinderen die thuis een kat hebben, kunnen nu natuurlijk hun eigen poes ook tekenen.

Na de dierkundeperiode, wanneer vele dieren de revue zijn gepasseerd, is het vanaf die tijd mogelijk, wanneer kinderen eens even niets te doen zouden hebben, dat ze bv. in een schetsboek, verder oefenen met dieren tekenen; met wat ze aan techniek geleerd hebben, kunnen ze hun fantasie de vrije loop laten bij het ontwerpen.

Op ouderavonden deed ik dit ook wel met de ouders. Er waren er altijd bij die bij voorbaat zeiden niet te kunnen tekenen. Hoe verrassend was het niet, dat ze dat met deze methode wél konden en bijna zo trots als een kind naar huis gingen met hun werk. Sommigen lieten het ook liggen op de tafel van hun kind dat dan de andere morgen kon zien wat pap en/of mam ervan gemaakt hadden.

Je zult als leerkracht veel op het bord moeten voorschetsen. Dat betekent dat je zelf een poos intensief met deze methode moet oefenen – al naar gelang van je eigen talent, natuurlijk.

Suggesties, aanvullingen van harte welkom.

Pieter HA Witvliet

[1] Zeichnen = Sehen lernen! van Anke-Usche Clausen en Martin Riedel. Uitg. Mellinger, Stuttgart, 1968
[2] Er bestaat geen Nederlandse vertaling
[3] GA 151, Der menschliche und der kosmische Gedanke, Steiner (blz.15)

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

219-207

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (1-3)

.

DE LEEUW

Voorheen waren leeuwen algemeen in Zuid-Europa, Zuid-Azië, naar het oosten tot Noord- en Midden-India en geheel Afrika. De laatste leeuw in Europa stierf tussen 80 en 100 na Christus. In 1884 waren de enige overgebleven leeuwen in India die in het Girwoud – ongeveer een dozijn in aantal – en zij waren vermoedelijk elders in Zuid-Azië bv. in Irak en Perzië, kort na die datum uitgestorven. Sedert het begin van deze eeuw zijn de Gir-leeuwen beschermd en een aantal jaren geleden werd hun aantal geschat op 300. Een latere schatting in 1968 bracht dit getal echter terug tot 170. In Noord-Afrika en in Zuid-Azië zijn de leeuwen buiten het Kruger Park uitgeroeid.

De total lengte kan 2.70m bedragen, waarvan ca 90 cm door de staart wordt ingenomen; hij kan een gewicht van 250 kg bereiken. De leeuwin is kleiner. De vacht is bruingeel; de manen van het mannetje zijn bruin tot zwart, dicht of spaarzaam; in sommige districten komen leeuwen zonder manen voor. De manen groeien op kop, nek en schouders en kunnen zich zelfs tot de buik uitstrekken.

Leeft in troepen
Leeuwen leven in open terrein met struikgewas, verspreid staande bomen of rietvelden. Zij zijn de enige sociaal levende leden van de kattenfamilie; ze jagen en leven in troepen van ten hoogste 20 – in uitzonderingsgevallen 30 dieren, bestaande uit een of meer volwassen leeuwen en een aantal leeuwinnen met hun jongen.
De leden van een troep gaan niet alleen samen op jacht, waarbij ze de prooi besluipen en in een hinderlaag jagen, maar verdedigen zich ook gezamenlijk. Bij het jagen wordt er meestal niet gebruld, ofschoon men leeuwen wel tijdens de jacht kan horen grommen om met elkaar contact te houden. Een leeuw is in staat snelheden van 60 km per uur te ontwikkelen, maar alleen over korte afstanden. Hij kan uit stand sprongen maken van 3,5 m hoog en 12 m ver. Leeuwen klimmen normaal niet in bomen, maar leeuwinnen springen wel eens op de laagste takken om te zonnen; soms klimmen zij ook net als de mannetjes in een boom om de buit van een luipaard, verborgen in de oksel van een tak, te bemachtigen. Er is een waarneming over een leeuw die een luipaard in een boom najoeg, kennelijk met de bedoeling hem te doden, maar ze moest het opgeven toen de luipaard de kleinere takken in de top van de boom beklom, die haar gewicht niet konden dragen.

Niet uitsluitend vlees
Ofschoon ze voornamelijk vlees eten, nemen leeuwen ook wel afgevallen vruchten. Gewoonlijk verkrijgen leeuwen, als aanvulling op de eiwitten, koolhydraten en zouten, hun vitaminen uit de ingewanden van de graseters die zij doden. Het is karakteristiek voor leeuwen om eerst de ingewanden en het achterlijf te verslinden en zo naar voren te werken. In gevangenschap doen de leeuwen het ’t best, wanneer vitaminen aan hun dieet van rauw vlees worden toegevoegd. Ofschoon de leeuwinnen vaak de prooi doden, eten de leeuwen het eerst (vandaar de uitdrukking ‘het leeuwendeel’, daarna de leeuwinnen en ten slotte de welpen. Over het algemeen vormen antilopen en zebra’s de voornaamste prooien van de leeuw, maar bijna elk dier kan hiervoor in aanmerking komen: van rietrat tot olifant, nijlpaard, giraf, buffel en zelfs struisvogels.

Een onderzoek in het Kruger Park bracht aan het licht dat de prooidieren in volgorde van belangrijkheid zijn: wildebeest (gnoe), impala, zebra, waterbok, koedoe, giraf, buffel. Een later onderzoek gaf de volgende volgorde te zien: waterbok, wildebeest, koedoe, giraf, zwarte paardantilope, zebra, buffel, rietbok, impala.
Als een leeuw door ouderdom of verwondingen niet in staat is een prooi te vangen, bepaalt hij zich tot stekelvarkens en kleinere knaagdieren, tot schapen en geiten of wordt hij een mensendoder waarbij hij vooral kinderen en vrouwen aanvalt. Mensen eten kan echter een gewoonte worden; een groep leeuwen in Tsavo heeft een tijdlang de bouw van de Oegandaspoorweg opgehouden door hun aanvallen op de spoorwegarbeiders. Honden worden soms gedood, maar niet gegeten.

Overdreven voorstelling van kracht
Een veel gehoord verhaal is dat van de leeuw die een stal binnendringt, een koe steelt en daarmee over de omheining springt. In een tijdschrift uit 1960 staat dat dat onmogelijk is. Leeuwen die een bezoek brengen aan een boerderij gaan nooit alleen naar binnen. Mogelijk springt één van hen over de omheining, doodt een dier en sleept dat onder de omheining door naar de soortgenoten. Mogelijk ook raakt het vee in paniek, waarbij het gemakkelijk kan gebeuren dat een dier de omheining omver loopt en dan onmiddellijk door de troep leeuwen wordt verscheurd.
De leeuw jaagt in stilte en het is meestal de leeuwin die de prooi doodt. De gebruikelijke methode is, de prooi te bespringen en de nek te breken met een slag van de voorpoten. Soms grijpt de leeuw zijn prooi bij de keel met zijn tanden of drukt diens keel of neusgaten dicht met de voorpoten. Een andere methode is de prooi van achteren te bespringen en hem tegen de grond te drukken. Een leeuw doodt een nijlpaard door zijn vlezige lijf te bewerken met zijn klauwen tijdens de achtervolging. Leeuwen doden en eten verder krokodillen en ze eten ook aas, vooral als het nog vers is. Een leeuw eet zelfs zijn dode soortgenoten. Men hoort nog wel eens het oude verhaal van de leeuw die zichzelf tot razernij geselt met een ‘klauwtje’ aan de staart, maar dit is niet meer dan een wervelvergroeiing.

Natuurlijke bevolkingsregulatie
Leeuwen nemen voor het eerst aan de voortplanting deel als ze twee jaar oud zijn, maar bereiken hun volwassenheid na 5 jaar. De mannetjes zijn polygaam. Er wordt flink wat gebruld voor en tijdens de paring en er vinden gevechten plaats met mannelijke indringers.
De draagtijd is ca 105-112 dagen; het aantal welpen bedraagt per worp 2 – 5; ze worden blind en met een gevlekte vacht geboren. De ogen gaan na 6 dagen open; de zoogperiode duurt 3 maanden, waarna de leeuwin de welpen het jagen leert. Na een jaar zijn ze volleerde jagers. Welpen hebben een hoog sterftecijfer, omdat ze bij het eten pas het laatst aan de beurt zijn; ze hebben vaak te lijden van voedseltekort, vooral wat vitaminen betreft. Dat fungeert als een natuurlijke regulatie van de bevolkingsdichtheid. Zou het aantal leeuwenin een gebied door een of andere oorzaak afnemen, bv. wanneer leeuwen door de mens worden gejaagd, dan kunnen de overblijvende dieren gemakkelijker een prooi doden waardoor er meer voedsel is. Leeuwinnen doden dan speciaal voor hun welpen die dan ook het eerst te eten krijgen. Dit rijkere voedselaanbod maakt de overlevingskansen van de welpen groter, waardoor uiteindelijk het evenwicht van de bevolkingsdichtheid wordt hersteld.

Gevaren voor de Koning der Dieren
Er zijn behalve de mens geen werkelijke vijanden van de leeuw, maar er gebeuren nog wel eens ongelukken vooral met de jonge en onervaren dieren. De zebrahengst kan een leeuw gevoelige trappen bezorgen, bv. tegen het gebit, waardoor hij voor de rest van zijn leven nog slechts kleiner wild kan jagen. De zwarte paardantilope is zeer wel in staat een enkele leeuw het hoofd te bieden en ook andere antilopen hebben wel leeuwen op hun hoorns gespietst. Een kudde buffels kan een leeuw vertrappen of hem van het ene paar hoorns op het andere paar gooien, totdat hij dood is; daar staat tegenover dat twee leeuwen een grote buffel de baas kunnen. Er bestaat een melding van een girafwijfje dat een leeuwin die trachtte haar kalf te doden, te lijf ging. Door gebruik te maken van de hoeven van voor- en achterpoten en bovendien klappen met haar nek uit te delen, takelde ze de leeuwin flink toe en joeg haar over een afstand van 100 m achterna. Deze giraf bracht het er beter af dan de meeste neushoorns doen. Een leeuw kan neushoorns nog doden als die al  bijna volwassen zijn.

Plan de campagne
Leeuwenstrategie waargenomen in het Kruger Park. Na een kudde gnoes te hebben ontdekt, verdeelden 16 leeuwen zich in 3 groepen. Tijdens deze veldtocht met bijna menselijke opzet hield de leider zijn groepen onder controle door signalen met de staart te geven. De gnoes zwenkten op tijd af, maar het scheelde een haar of zij waren in de zorgvuldig voorbereide hinderlaag gelopen.

dierkunde leeuw 6

uit Spectrum Encyclopedie

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

218-206

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (1-2)

.

DE LEEUW

De bekendste van alle katachtige dieren is wel de leeuw. Het is dan ook een indrukwekkend dier, vooral als het een mannetje is. Dat is makkelijk her­kenbaar aan de fraaie haartooi aan de kop en het voorste deel van het lichaam. Dit is op zichzelf vreemd, want bij de andere katten is juist heel moei­lijk te zien wie meneer en wie mevrouw is. De ver­klaring voor dit verschil zal wel liggen in de even­zeer verschillende manier van doen van de leeuw. Anders dan de meeste katten leven leeuwen namelijk in troepjes. En als je alleen leeft heeft het weinig betekenis om te laten zien of je een mannetje of een vrouwtje bent. Dat krijgt pas zin als je geregeld met andere dieren in contact komt. Ook zoekt men wel eens een verklaring voor de manen van de leeuw door aan te nemen dat ze bescherming bieden als een soort kussen, dat de slagen kan opvangen bij vecht­partijen tussen de mannetjes onderling om de heer­schappij. Maar daartegenover staat, dat in verschil­lende streken leeuwen voorkomen die van nature heel weinig manen bezitten. Trouwens, zulke grote en mooie manen als je in de dierentuin bij leeuwen vaak ziet, hebben ze in de natuur meestal niet.

Net als we al hebben gezien bij horens, geweien en slagtanden zullen de manen wel dienen ter ver­fraaiing van het uiterlijk van de mannetjes. En dan vooral om de nodige indruk te maken op tegen­standers. De vrouwtjes blijken weer – in tegenstel­ling tot wat men meestal verwacht – weinig onder de indruk te zijn van het uiterlijk van de heren. In feite zijn het de vrouwtjes die de gang van zaken in de groep bepalen. Dit zal wel te maken hebben met het feit dat zij de jongen bij zich hebben. Ze moeten veel actiever zijn dan de mannetjes, die alleen voor zich zelf hebben te zorgen. Dat schijnt zelfs bij het jagen te merken te zijn. De leeuw jaagt namelijk ook in groepen, en men heeft de indruk dat het mannetje er zich vaak toe bepaalt de prooi op te jagen. Vrou­wen en kinderen liggen dan in een hinderlaag. Zij zijn het die dus in feite de prooi pakken, en meneer mag dan ook wel een hapje meeëten. Dat hapje be­staat heel vaak uit grote dieren zoals antilopen en zebra’s, hoewel een hongerige leeuw evenmin als een tijger een klein dier versmaadt. Leeuwen eten bijvoorbeeld vaak sprinkhanen. Vroeger kwamen leeuwen ook in Azië voor; nu alleen nog in Afrika.

Tekst: Han Rensenbrink; illustraties: Rien Poortvliet; uitgave ‘Op verkenning bij de dieren’ , Scheltema & Holkema, Amsterdam, 1962

dierkunde leeuw 4

dierkunde leeuw 5

Leeuw – felis leo, groot katachtig dier, dat oorspronkelijk  Afrika en een groot deel van Azië bewoonde. Komt nu vooral voor op open terrein. Jaagt op allerlei dieren, vooral hoefdieren. Leeft in groepjes; het mannetje is herkenbaar aan de meer of minder sterke ontwikkeling van de manen. Kan met staart mee wel 3 m. lang worden.

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

 

217-205

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (1-1)

.

DE LEEUW

Een belangrijk gezichtspunt voor het geven van dierkunde in klas 4 is het belang van ‘de samenhang der dingen’.

In de afgelopen decennia zijn de mensen steeds meer doordrongen geraakt van het feit dat in de natuur ‘alles met alles samenhangt’.

Steiner benadrukte dit in zijn voordrachten met vele voorbeelden en met name ook in de pedagogische, omdat hij het voor het welzijn van mens en wereld van het grootste belang achtte dat de mens, als zelfbewustzijnswezen, zijn plaats en die van de overige natuurrijken in hun samenhang zou kennen; het kind dus zou leren kennen.

‘MENSKUNDE’ GAAT VOORAF
In dit kader is het niet vreemd dat hij het vak dierkunde laat beginnen met een beschouwing van de mens, voor het kind van 10 jaar hoeft dat niet veel meer te zijn dan een begrip voor de driedeling hoofd, romp en ledematen.

Wat de romp, de borst betreft, zullen ze die leren kennen als de plaats waar vooral hart en longen zich bevinden, die een ritmisch leven vertonen.

Wanneer een dier op fenomenologische manier wordt beschreven – dat is karakteriserend – blijkt er een verrassende samenhang te bestaan tussen bv. de leeuw en het ritmisch leven.

Ernst-Michael Kranich schreef daar in . ‘Erziehungskunst’ een interessant artikel over, hieronder vertaald:

DE LEEUW
In zijn pedagogische voordrachten heeft Rudolf Steiner zich vaker over het dierkunde-onderwijs uitgesproken. Daarin komen formuleringen voor, die op het eerste gezicht vreemd aandoen: de vogel zou ‘een-en-al-long-zijn’, het rund, ‘geheel maag’ [1] Zulke opmerkingen duiden op een bepaalde manier van waarnemen.

Tegenwoordig worden de dieren als wezens beschreven met een hoeveelheid specifieke eigenschappen, vanzelfsprekend ook met een bepaald gedrag en met een bepaalde verhouding tot de omgeving. De kop met de zintuigen, het gebit enz. is op een bepaalde manier gevormd, net zo de romp met de verschillende organen en de poten. De verborgen samenhang blijft onduidelijk. Men begrijpt in het algemeen niet waarom bij een dier samen met de bijzondere vorm van zijn ledematen, de hals een bepaalde lengte heeft en de long een bepaalde vorm en grootte. Klaarblijkelijk is het niet genoeg de dieren in hun vorm, hun gedrag enz. te beschrijven, als in het in de school niet alleen om het weten, maar ook om het doorgronden moet gaan. Dan moet men tot in de methodiek onder ogen zien dat een dier een organisme is.

Tijdens de wording deelt het organisme zich in meerdere organen en deze staan met elkaar in allerlei wisselwerkingen. De levensprocessen van een orgaan, bv. de long, werken stimulerend op andere organen. Door een onderling vervlochten zijn is een organisme geen optelsom, maar een geheel.

Kijkt men alleen maar de dierengestalte vanuit een ruimtelijk aspect dan ziet men de totale samenhang over het hoofd en sluit men voor de kinderen de weg tot begrijpen af. De sleutel voor het begrijpen vindt men, wanneer men de dieren als samenhangend organisme opvat en bemerkt dat bij een bepaalde diersoort een van de organen bijzonder sterk gevormd is. Dat is op het geheel van invloed, wanneer dit orgaan met de daarin geïntensiveerde processen zich laat gelden. Heel het organisme krijgt de dominantie van het betreffende orgaan opgelegd.

Voorbeelden van zo’n manier van waarnemen die recht doet aan het leven vindt men tegenwoordig bij een paar onderzoekers. Allereerst werden deze door Goethe in 1775 geschetst [2] en dan in 1886 door R.Steiner wetenschappelijk-theoretisch gefundeerd [3]

Wanneer het er in de toekomst omgaat dat er in jonge mensen door de school een diepere verbinding met de natuur ontstaat als voorwaarde voor een ecologische ethiek, moeten  weetjes tot doorgronden verruimd worden, moet men kinderen een aanleiding geven dieren niet alleen uiterlijk te bekijken, maar ook hoe ze gevormd zijn om hun wezen van binnenuit te begrijpen. Dan beleef je en begrijp je hoe de dieren hun vorm, het specifieke gedrag en het karakteristieke van hun verhouding tot de hen omringende natuur, danken aan een dominantie van bepaalde organen.

dierkunde leeuw 1

Vrijwel geen ander dier staat in de achting van de mens zo hoog als de leeuw. In hem bewonderen we de geweldige kracht, zijn treffen met veel grotere dieren, zoals de buffel en heel zijn verschijning.
Een leeuw die in een houding van rust, de kop licht omhoog de wereld in kijkt, maakt op de waarnemer een majestueuze indruk. Men ervaart hoe lichamelijke energie samengebald en agressieve emoties in deze met kracht gevulde rust afgezwakt zijn. Aan de uitdrukking van de kop merkt men echter hoe deze in het lijf meevibreren. En wanneer de leeuw zijn bek iets opendoet, wordt de sterke fysionomie van de woestheid zichtbaar. Aan de leeuw kan iemand zich bewust worden dat men bij de dieren ook steeds het karakter van de ziel moet meenemen.

Zoals bekend behoort de leeuw tot de orde der roofdieren die alle alleen al op de manier van het verkrijgen van voedsel bepaalde innerlijke eigenschappen vertonen. Bij de hoefdieren op de weiden is een diepe doffe drang naar voedsel. Honger en bevrediging bepalen de regelmatige gang van voedselopname en vertering.
Bij de roofdieren is het verkrijgen van voedsel een dramatische gebeurtenis; bij het beloeren, bij het besluipen of bij het opjagen, bij het te pakken krijgen, bij de strijd en bij het doden wordt dit door een scala van emotionele krachten doorgloeid. Wat begeerte, emotie en hartstocht betreft vertonen de roofdieren veel meer ziel dan de hoefdieren. Deze ziel komt bij de verschillende groepen roofdieren, bij de marters en beren, de hondachtigen, de hyena’s, de civetkatten, de katten pas echt verschillend tot uitdrukking. De meest karakteristieke onder de roofdieren zijn, volgens Julius [4], de katachtigen. Hoe moeten we dat begrijpen?

Wat bij de katachtige roofdieren bijzonder in het oog springt, is hun soepele lichaam. Al van verre kan men de hond en de kat aan hun bewegingen onderscheiden – het regelmatige, ietwat stijve lopen van de hond en het vloeiend-soepele van de kat. De katten lopen op de kussentjes, d.w.z. met hun vingers, hun tenen veel gevoeliger. De gewrichten zijn duidelijk gebogen. Men ondervindt in iedere fase van de beweging een levend samenspel tussen spanning en ontspanning; zelfs wanneer een kat staat, speelt dit wisselspel in de ledematen mee. Plotseling kan heel de houding gespannen of juist minder gespannen worden. Dit vibreren van de spieren merkt men in het hele lijf. Van de stramheid en het mechanische van het bottensysteem die bij het paard en het rund zo sterk in verschijning treedt, is bij de katten niets te zien. Het bottensysteem is helemaal opgenomen door het spierstelsel. De ledematen zijn relatief kort en tot de periferie gevoelig en beweeglijk; zij sluiten zich zoals bij het paard en andere hoefdieren niet van binnenuit af. In tegendeel, de innerlijke belevingen dringen door tot in de buitenste periferie van de klauwen. In de eigenaardige schoonheid van het lichaam komt bij de luipaard meer nog dan bij de andere grote katachtigen de souplesse tot uitdrukking, bij de leeuw samenballing en kracht.

Tijger, luipaard en jaguar zijn door hun agressie onverdraagzame solitairen. De leeuw is de enige onder de grote katten die met andere samen in een troep leeft. Hij heeft in zijn wezen een groter scala en een breder spectrum aan gedrag. Dat moet men in de gaten houden, wanneer men zich een weg banen wil dit betekenisvolle dier te doorgronden.

dierkuknde leeuw 2

Omtrek en skelet van de leeuw (naar Tank, dieranatomie voor kunstenaars). Men krijgt een indruk van de beweeglijkheid van het skelet en het hele lichaam

Tussen behaaglijkheid en agressie
De leeuw heeft een innerlijke verhouding tot die gebieden van de aarde waarin de zon het landschap sterk doorgloeit, tot de savanne en de galerijbossen van Afrika, ook tot de halfwoestijn zoals de Kalahari. Daar liggen de dieren van een groep vele uren bv. in de schaduw van een boom. Ze slapen of genieten doezelend van de warmte. Sommige zijn met uitgestrekte ledematen volledig ontspannen, andere tillen het bovenlichaam en de kop een beetje op en kijken voor of om zich heen. Men kan ook waarnemen hoe twee leeuwinnen zachtjes de koppen tegen elkaar aanwrijven, de ogen gesloten om zich helemaal aan het welbehagen over te geven. Misschien voegt een leeuwin zich weer bij de groep en begroet de andere door met de breedte van haar lijf dat van de ander aan te raken. Ze glijdt langzaam aan hen voorbij, alsof ze de andere leeuwin van de wangen tot de staart wil strelen. De sympathiek-aangename gewaarwording van het aanraken speelt een grote rol. Niet zelden zoeken de leeuwinnen ook wanneer ze liggen de behaaglijkheid door lichamelijk contact.

Ongeveer 20 uur per dag brengen de leeuwen in een tamelijk trage toestand door. Dat in tegenstelling tot de zebra’s, gnoes en antilopen die zich de meeste tijd bewegen en actief zijn. Leeuwen zijn heel duidelijk geen dieren waarbij de ledematen de bepalende organen zijn.

Dan merken plotseling een of twee of meerdere leeuwinnen in de verte een kudde gnoes of zebra’s op, ze staan op en nu begint het besluipen dat langer dan een uur kan duren. Want alleen van dichtbij kan een leeuw een zebra, een gnoe of een antiloop te pakken nemen. Hij voert geen lange drijfjacht uit zoals de hyenahonden of het luipaard. Hoe dichter de leeuwin bij de prooi komt, des te meer gaat het sluipen over in een soort laag bij de grond kruipen. Vanaf een afstand van ongeveer 30 meter schiet de leeuwin met snelle, krachtige sprongen naar voren en stort zich op de prooi. Leeuwen kunnen hun prooi ook bespieden; bewegingsloos wachten ze op een goed verborgen plaats, soms meerdere uren.
Tot dan toe verloopt de jacht als een strategisch plan wanneer twee of drie leeuwinnen zich in het gras verbergen, andere om de zebra’s of antilopen heen sluipen en deze dan in de hinderlaag drijven.
Om hun prooi te doden, springt de leeuwin van opzij of van achteren op de rug en probeert die met haar gewicht op de grond te trekken. Met haar gebit doorboort ze dan de luchtpijp en trekt de halsslagader kapot; de prooi stikt of verliest het bewustzijn. Ondertussen trekt de leeuwin met haar geweldige hoektanden tussen twee halswervels de halswervelkolom en het ruggenmerg doormidden.
Spoedig komen met de rest van de groep ook de mannetjesleeuwen aan de beurt. Zij jagen zelf uiterst zelden. Eerder nemen ze de prooi af van een luipaard of hyena. Ze zijn groter en zwaarder dan de leeuwinnen. Door het gewicht van het lichaam ballen de wilskrachten zich sterker samen dan bij de vrouwtjesdieren. Deze zijn door de mindere massa beweeglijker en beter voor het jagen uitgerust. Voor de kracht van de mannelijke dieren wijken zij bij de buit terug, anders worden ze op niet zachtzinnige wijze verdrongen. Bovendien gaat het bij de buit vaak agressief toe. De leeuwinnen moeten de leeuwen voor laten gaan, de jongere dieren de vrouwtjes. Op het laatst komen de welpen. Onverbiddelijk heerst het emotioneel-agressieve wezen van de leeuw en het recht van de sterkere. De honger en de begeerte brengen de emoties in opwinding.
Eerst wordt het spiervlees gevreten. Sommige dieren nemen ook de inwendige organen. Alleen de maag blijft onaangeroerd. Men heeft vastgesteld dat een uitgehongerde leeuw tot 45 kilo vlees in een keer verslinden kan, een uitgehongerde leeuwin 30 kilo. Na het maal gaan de dieren vaak drinken uit een dichtbij gelegen rivier, een meer of een waterplas. Hier heerst dan de vredige stemming van het bevredigd zijn.

Na dit crescendo van emoties en hartstochten volgt dan weer een fase van behaaglijkheid, van ontspanning; deze afwisseling tussen de grootst mogelijke samenballing van krachten en emoties en het welbehagen in grootste ontspanning bepaalt met een hoeveelheid tussenfasen het leven van de leeuw.
Leeuwen jagen in verschillende gebieden op te onderscheiden tijden op een dag. Leven ze in een omgeving die door struiken goede dekking geeft, dan gaan ze vooral overdag op jacht; in open gebied vaker ‘s nachts. Ze kunnen in het duister uitstekend zien, hebben echter ook goede oren en een voortreffelijke neus. In de nachten waarin de maan niet schijnt is het jachtsucces groter dan in de door de maan hel verlichte. Wat de leeuw in het bijzonder in een jachtstemming brengt, is een dreigend onweer. De grandioze ontladingen in de atmosfeer brengen de emoties in de leeuw zo in opwinding dat hij zelfs meer dieren doodt dan hij voor zijn honger nodig heeft.

Het brullen van de leeuw
Tot de meest indrukwekkende uitingen van de leeuw behoort het brullen. ’s Avonds, voor of na zonsondergang verheft de leeuw zijn machtige stem. In ritmische opeenvolging slingert hij, in naar beneden gaande toonhoogte zijn klankenergie eruit. Het is als een vulkaanuitbarsting waarbij niet rook en lava, maar emoties de ruimte ingeslingerd worden. ‘Wanneer een geluid de betekenis van door merg en been gaand verdiend, dan is dit het gebrul van een leeuwengroep van dichtbij in de Afrikaanse wildernis bij nacht. Het diepe grommen doorklieft de nachtelijke stilte van de Afrikaanse savanne als een onaangekondigde donderslag. Komt het gebrul slechts vanaf een paar honderd meter, dan heeft men het gevoel dat de leeuwen vlak naast je staan. Men verwondert zich dat het tentzeil niet meetrilt en dat er geen dingen omvallen. [5]
Het brullen heeft een actieradius van ongeveer 16 kilometer.
In dit gebrul – bij de leeuwinnen komt het iets minder voor en niet zo erg sterk als bij de leeuwen, openbaart zich het emotionele geweld dat in deze dieren leeft, min of meer ontdoen ze zich van deze energie. En daardoor bevrijden ze zich wellicht tot op zekere hoogte, zoals ook de mens door een woede-uitbarsting zijn ziel opschoont. Het kan dus zijn dat de overeenkomstige energieën bij de andere grote katten, de tijger, de panter en de jaguar aan het organisme gebonden zijn. Hun bewegingen zijn ook meer door agressieve energie doortrokken; in het patroon van de vacht komt als in een beeld de inwendig vlammende of de samengebalde opwinding tot uitdrukking.
De leeuw is in zijn houding en beweging, ook in de kleur van zijn vel, veel rustiger. Kan hij als enige grote kat in een sociaal verband leven omdat hij brult? Wanneer men in het brullen de emotionele erupties beleeft, dan is men geneigd deze vraag positief te beantwoorden.

De groep
Het leven in de groep verloopt niet zo gelijkmatig als het, na het schetsen van het voorafgaande, lijkt. In een groep zijn er als regel twee of drie mannelijke dieren, vijf tot tien vrouwtjes en hun kleintjes. Noch bij de leeuwen, noch bij de leeuwinnen vindt men een rangorde zoals anders bij dieren die in verband samenleven. Bij deze koninklijke dieren heerst in beide groepen gelijkheid. Is bij een van de ruzies een leeuwin de verliezer, dan heeft dit geen gevolg voor het verdere samenleven. Bovendien, in de groep zijn de leeuwen de heersers, ook al zijn de leeuwinnen op veel terreinen  meer actief. De leeuwinnen vormen de meer stabiele kern van de groep. Veelal met tussenpozen van jaren probeert een nieuwe groep van jongere leeuwen de groep te veroveren. De indringers verdrijven na heftige, gewelddadige strijd, de dominanten tot dan toe. Nu moeten ze ook nog de vrouwtjes veroveren, die aanvankelijk de nieuwe heersers agressief terugwijzen. Pas na dagen van dramatische en wilde strijd wordt het weer rustiger. Nu hebben de leeuwen ook de jongste nakomelingen van de leeuwinnen gedood. De leeuwinnen hebben nu geen jongen meer te zogen en worden hitsig. De veroveraars hebben hun doel bereikt en stichten een nieuw tijdperk. Zo worden in een groep met langere tussenpozen korte fasen van het heftigste agressieve vechten afgewisseld door lange fasen van overwegend rustig samenleven.

Vóór de geboorte zondert een leeuwin zich af van de groep en zoekt een beschermde plek in de doornenstruiken, in het kreupelhout of in een grot. Daar worden na een draagtijd van 100 tot 116 dagen de jongen geboren, in de regel twee of drie, soms vier. In het begin zijn deze echt hulpeloos. De ogen gaan op z’n vroegst na een week open. Hun moeder voedt ze zes weken lang alleen met melk. Dan beginnen ze ook vlees te eten. Dan keert de leeuwin met haar jongen naar de groep terug. Ze is bij het kattenkwaad en de drukte van wat ze ondernemen geduldig en liefdevol. Ook de andere leeuwinnen gedragen zich zeer vriendelijk. De kleintjes mogen bij hen zelfs drinken, als ze zelf ook jongen hebben. Het echte leeuwenleven begint ongeveer in de vierde maand, wanneer de jongen de eerste hoektanden krijgen. Dan gaan ze als kleine onhandige sukkeltjes mee op jacht. Het actieve jagen begint pas wanneer de vaste tanden ongeveer op 1-jarige leeftijd doorbreken. De mannelijke nakomelingen leven iets meer dan drie jaar in de groep van hun moeder. Daarna struinen ze in kleine groepjes door de savanne en veroveren later eventueel een groep. Zes jaar oud bereikt de leeuw zijn volle grootte; dan hebben de mannelijke dieren ook manen.

Duidelijk doortrekt een wetmatigheid met vele variaties het leven der leeuwen. Een onderzoeker die verschillende tientallen jaren leeuwen in de verschillende streken van Afrika bestudeerd heeft, werpt in een van zijn boeken de vraag op: ‘agressief of verdraagzaam…?’
De leeuw is een dier met een groot spectrum wat zijn innerlijke leven aangaat. Dat gaat van volledig ontspannen zijn  en weldadige behaaglijkheid, over tederheid, gelatenheid en samengebalde rust tot aandoeningen van ontevredenheid die zich o.a uiten in gegrom, in woede en wilde agressie. En het leven van de leeuw is een ritme, een pendule die in voortdurende afwisseling dan eens naar de ene richting dan eens naar de andere uitslaat. Hoe is dit karakteristiek pulserende bestaan in het organisme van de leeuw verankerd?

Grandioze eenzijdigheid
We hebben er al op gewezen dat de ledematen van de leeuw een heel andere verhouding tot de romp hebben dan bij een paard. De benen van een paard zijn door de geïntensiveerde botvorming tot organen geworden, waarmee het dier zich intensief invoegt in de uiterlijke kracht van de zwaarte en de mechanica. Wat de spieren doen werkt geheel in dit krachtbereik. Men kan zeggen: in de bewegingsorganen zijn de botten het bepalende deel. Bij een leeuw worden de botten t.o.v. de spieren teruggehouden. Dat komt duidelijk tot uitdrukking in het aandeel dat de botten hebben in het totaalgewicht van het lichaam. Bij het paard bedraagt dit 20, bij de leeuw slechts 13 %. Zo bepaalt de inwendige beweeglijkheid van de musculatuur het voortdurende wisselspel van samentrekking en slapper worden, van spanning en ontspanning iedere fase van beweging en houding. Het beenderstelsel is zo beweeglijk dat daarin dit spel van afwisseling tot werkelijkheid kan worden. Een leeuw kan net als onze huiskat zijn rug krommen en ver doordrukken wanneer hij zich rekt en strekt. De geweldige sprongen in de laatste beslissende fase van de jacht zijn een snelle ritmische opeenvolging van intensieve contractie  en een zich snel voorwaarts strekken. Deze beweeglijkheid is de voorwaarde voor het zich kunnen uitleven van het rijke spectrum aan innerlijke belevingen. Om de bewegingen, de houdingen en de posities van het liggen te begrijpen, moet men dus niet naar het beenderstelsel en de uiterlijke kracht kijken.

Het spierstelsell staat ook met de inwendige organen in verbinding, boven alles met het stofwisselingsysteem. Het bloed is niet alleen verantwoordelijk voor de doorademing en voeding van de spieren. In het slagaderlijk deel van het circulatiesysteem wordt dit gepulseerd door het ritme van het hart. En dit is nauw met het ademen verbonden. Bij de leeuw heerst een bijzondere harmonie tussen deze beide ritmen. In rust, zonder opwinding, ademt de volwassen leeuw 10 keer per minuut in en uit, het hart klopt 40 keer [7], het pols-ademquotiënt is dus 4.
Ook andere feiten wijzen erop dat de ritmisch pulserende organen in het organisme van de leeuw een bijzondere betekenis hebben. Het aandeel van de longen in het totale gewicht bedraagt bij het paard 0,7 %, bij het rund 0,72 %. Bij de leeuw is dit 2,12% hoger dan bij bijna alle zoogdieren. [8] Ook het hart is met 0,54 % [9 ] gezien zijn grootte goed gevormd.

Deze organen begrijpt men niet volledig wanneer men ze alleen maar fysiologisch bekijkt. De ritmen van hart en longen kunnen sterk afwijken in frequentie en amplitude. Zulke afwijkingen treden echter niet op als gevolg van lichamelijke activiteit en rust. De opwinding in de ziel manifesteert zich meteen in een sneller worden van pols en adem; bij de overgang naar innerlijke ontspanning en behaaglijk welbevinden worden pols en adem langzamer en vlakker, bij hartstochtelijke gevoelens sneller en dieper. Longen en hart zijn die organen waarin de mens zijn gevoelens, zijn emoties en hartstochten beleeft. Ze leven in de modulatie van adem en pols. Zo wordt een belangrijk feit en de samenhang duidelijk. De kracht en het innerlijke spectrum van emoties en hartstochten van de leeuw staan in verbinding met de buitengewoon sterke vorming van zijn longen en zijn goed ontwikkelde hart. Ze werken in het op en neer gaan van adem en hartslag. Wat innerlijk in het ademen op en neer golft, kan in het brullen naar buiten dringen. Wat in de hartslag aan zielenkrachten vibreert, doordringt het lichaam van de leeuw tot in de spieren. Men kan zonder een zweem van metaforisch spreken zeggen: bij de leeuw grijpt het innerlijke leven van long en hart het hele dier. Wanneer de emotionele krachten met de hartslag in de stofwisselingsorganen die bij de leeuw echt niet zoveel betekenen [10], opleven, dan wordt de honger tot een dwingende, hartstochtelijke begeerte. En de zebra’s, gnoes of antilopen die de leeuw eerst nog nauwelijks waargenomen heeft, worden nu voorwerpen waarmee hij deze brandende begeerde bevredigen moet.

Echt indrukwekkend uit het rijke innerlijke leven zich in de kop van de leeuw, met name het aangezicht. Er zijn studies van uitdrukkingen die tonen hoe het leeuwengelaat een buitengewoon levendige spiegel is van de innerlijke belevingen.
Zoals in het brullen, spinnen en grommen dringt het innerlijk naar buiten en wordt zichtbaar. En de manen van de leeuw vertonen in een geïntensiveerde haarvorming als een uiterlijk teken, dat tussen romp en kop innerlijke krachten in de uiterlijke verschijningsvorm dringen.

Ook aan de schedel manifesteert zich het wezen leeuw. De kaken zijn zoals aan de romp de ledematen, tamelijk kort. De spieren echter krachtig. Een leeuwin kan met de bek een zebra die ze te pakken heeft een heel stuk wegslepen. Aan de plastische bouw van de onderkaak kan men zien hoe sterk de spieren zijn die hier zitten. De hartstochtelijke agressie in het doden en opvreten wordt in de vorm van geweldige hoektanden als in een verstard gebaar zichtbaar. Die wordt ook zichtbaar in de smalle achterkiezen met de puntige knobbels. Bijzonder groot is aan de kop dat deel gevormd dat staat voor de borstholte met de longen en het hart, nl. de neusholte.

dierkunde leeuw 3

schedel van een volwassen leeuw (uit Kahn, overzicht van de dierkunde (Duits)

Zo kan het duidelijk worden wat R .Steiner met de uitspraak dat de leeuw de ‘eenzijdige uitwerking is van in het bijzonder de borstholte’ bedoelt. Zo’n formulering moet men niet banaal of oppervlakkig nemen. Ze is het  geconcentreerde resultaat van een diepgaand onderzoek. Dringt men met zijn denken en fantasie door in het bijzondere karakter van de verschillende vormen en uitingen, dan ontdekt men hoe daarin de in het borstorganisme werkende krachten tot uitdrukking komen. Men ziet en beleeft de leeuw echter als daarvoor; men begrijpt hoe hij in zijn wezen en zijn organisme eenzijdig is – maar wel op grandioze wijze.

[1]In GA 301
[
2]Erster Entwurf einer allgemeinen Einleitung in die vergleichende Anatomie, ausgehend von der Osteologie, in ‘Goethes Naturwissenschaftliche Schriften’ Steiner, Dornach 1975
[3]Grundlinien einer Erkenntnistheorie der Goethe’schen Weltanschauung,
GA 2 1979
[4]Het dier tussen mens en kosmos, F.H.Julius, 1970 (Duits)
[5]Het boek van de leeuwen, W. en  H.Hagen 1992 (Duits)
6 ontbreekt
[7]Biologie in getallen, R.Flindt, (blz. 82, 66) 1985 (Duits)
[8]Flindt, blz 80
[9]Handboek van de biologie, Gessner, (blz 992), 1977
[10]De darm is gemiddeld 6,9 m lang. De relatieve darmlente (de verhouding van darmlengte tot lichaamslengte) bedraagt slechts 3,9 m, bij het paard 12 en bij het rund 22 tot 29 m, Flindt, (blz. 44 en 45)

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

 

216-204

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Antroposofische indoctrinatie in het vrijeschoolonderwijs? (2-2)

.

In mijn vorige artikel moest ik tot de conclusie komen de opvatting van de heer Perra, dat er middels de vertelstof antroposofie aan de kinderen wordt doorgegeven – indoctrinerend nog wel – op grond van kennis én ervaring niet te kunnen onderschrijven. Dat hij dat op vrijescholen in Frankrijk heeft waargenomen, kan ik bevestigen noch ontkennen. De stelling dat ‘op vrijescholen kinderen met antroposofie worden geïndoctrineerd’ is op grond van dit voorbeeld voor het vertellen in het algemeen, niet aangetoond.

VOORBEELD 2

Dierkunde klas 4

De heer Perra geeft nog een voorbeeld : dierkunde in klas 4 :

In the fourth grade (CM1), Waldorf students study zoology and tackle the physiology of various animals, like the lion, the cow, and the eagle. At first glance, their class work appears to be an objective study of the behavior of these animals. At least that’s what an inspector will see in the students’ notebooks. But the teacher will also orally tell the students that the eagle must be understood in relation to the human head, the cow in relation to the human metabolic system and limbs, and the lion in relation to the human rhythmic system (the heart and lungs). Thus, the teacher conveys basic elements of Rudolf Steiner’s doctrine, namely that man is a tripartite being having within himself, in a latent state, the various animal kingdoms. [6]

Samengevat: dierkunde in klas 4: de verschijningsvorm van verschillende dieren, als leeuw, koe en adelaar. In het periodenschrift zal de inspecteur iets objectiefs vinden over het gedrag van deze dieren, maar mondeling zal de leerkracht de dieren in verband brengen met hoofd, romp en ledematen – dit is met Steiners drieledige mens die de verschillende dierenrijken latent in zich aanwezig vindt.

Een paar achtergronden bij het vak dierkunde
Wanneer wij een berg- of heuveltop beklimmen en we zijn op het hoogste punt aangekomen, blikken we over de wijde, voor ons zich uitstrekkende omgeving. Al kijkend zien we steeds meer details: daar een meertje, daar een paar koeien; een hutje, in de verte, beneden een dorpje, waarvan de kerktoren het eerst opvalt.

Met talloze andere voorbeelden kan iedereen, want iedereen heeft deze ervaringen, tot de makkelijk te trekken conclusie komen: eerst zien we het geheel, dan de delen.

Ook in het ‘verborgene’, in onze cellen b.v. gaat de vermenigvuldiging daarvan door deling van het geheel naar geledingen, wat zo prachtig is te volgen bij embryonale ontwikkelingen.

Dit ‘van het geheel naar de delen’ ligt in zekere zin van nature in de mens besloten.

Zo bekeken behoort dit ‘bij het leven’.

In Steiners pedagogische voordrachten komen we dit ‘bij het leven’* nog al eens tegen:
Wir gehen immer von dem Ganzen aus. Wie wir im Rechnen von der Summe aus­gehen, nicht von den Addenden, und die Summe zergliedern, so gehen wir auch hier von dem Ganzen ins Einzelne. Das hat den großen Vorteil für die Erziehung und den Unterricht, daß wir es erreichen, das Kind wirklich auch lebendig in die Welt hineinzustellen; denn die Welt ist ein Ganzes, und das Kind bleibt in fortwährender Verbindung mit dem lebendigen Ganzen.[1]

‘We gaan steeds uit van het geheel. Zoals we bij het rekenen uitgaan van de som (het totaal), niet van de optellers en het totaal verdelen, zo gaan we ook hier van het geheel naar het aparte. Dat heeft het grote voordeel voor de opvoeding en het onderwijs dat wij bereiken dat het kind werkelijk ook levend in de wereld komt te staan; want de wereld is een geheel en het kind blijft voortdurend in verbinding met dit levende geheel.*

We gaan steeds uit van het geheel.
Steiners opvatting: de wereld is een totaliteit (die Welt ist ein Ganzes) mag dan nu als vanzelfsprekend klinken, in 1919 was dat niet zo.

Er bestond geen milieuprobleem. Met name de laatste 20 jaar is de mensheid – als totaliteit –  door schade en schande tot het inzicht gekomen dat ‘alles met alles’ samenhangt: CO2-uitstoot-opwarming van de aarde; houtkap-meer erosie, meer overstromingen, aardverschuivingen; landbouwgif – bijensterfte; bijensterfte – 4 jaar na het uitsterven van de bijen, sterft volgens Einstein de mensheid, planten, met name het fruit, sterven uit doordat er geen bestuiving meer plaatsvindt. Enz.enz.

Een aspect van het vrijeschoolonderwijs: zo te werken dat het kind in een voortdurende levende relatie staat tot het levende geheel.

Tegen deze achtergrond is het niet verwonderlijk dat Steiner het vak dierkunde, met betrekking tot de mens’ behandelt.

Ja, dat is ‘mensbeeld’, zoals het ook ‘mensbeeld’ is, het vak dierkunde niet met betrekking tot de mens te geven en slechts het dier te beschrijven in zijn habitat.

Dit is o.a. wat mensen die vrijeschoolleerkracht worden en ouders die hun kind op een vrijeschool willen hebben, aanspreekt: het gaat erom dat de mens van de toekomst – het kind – met eerbied en enthousiasme de schoonheid –hier ‘de samenhang der dingen’, zijn een-zijn met de totaliteit van de wereld beleeft.

NIET NIEUW
De idee van de samenhang van mens en dier is niet nieuw; is niet van Steiner en is daarom ook geen antroposofie. Ook de drie- en vierledige mens zijn dat in de kern niet. Wel heeft Steiner, zoals zo vaak met oudere, bestaande ideeën, deze opnieuw, meer in overeenstemming met de denktrant van nu geformuleerd–en wanneer hij dat in de jaren, ruwweg 1880-1925 – doet, is dat veel minder in de denktrant van die tijd, dan in de denktrant van heden.

De filosofische gezichtspunten in b.v. ‘De filosofie van de vrijheid’ -1894! – zijn, ruim 100 jaar later – nog steeds actueel.

De samenhang van mens en dier wordt b.v. door Lorenz Oken uitgewerkt; ook door Goethe; Darwin, niet te vergeten.

Het ‘drieledige’ is geen exclusief antroposofisch begrip.

Hoofd, romp en ledematen zijn niet door Steiner bedacht.

Ook niet dat in het hoofd de voornaamste zintuigen zetelen; dat in het romp/borstgebied hart en longen ritmisch** pulseren en dat we een stofwisseling hebben, geconcentreerd in de stofwisselingsorganen.

DIERKUNDEPERIODE
Ik herinner me nog als de dag van gisteren de dierkundeperioden.

Een aspect van het vrijeschoolonderwijs: zo te werken dat het kind in een voortdurende levende relatie staat tot het levende geheel.

‘Wat zie je allemaal aan de mens’ kan een vraag zijn aan het begin van een dierkundeperiode.

Als alle losse benamingen zo gerubriceerd worden dat ze wat meer bij elkaar horen, kan plotseling het geheel weer in het oog springen: hoofd, romp en ledematen.

Bij het hoofd kwamen te staan; oren –gehoor; ogen – zien/(ge)zicht; neus –reuk; mond – smaak: zout, zuur (enz)

De andere dag b.v. begon ik dan een dier ‘te spelen’. Ik noemde het niet meteen bij naam; de kinderen die het zagen, mochten het niet meteen roepen. En zo schetste ik, met woorden en bewegingen de karakteristiek van het te behandelen dier. Voor kinderen én leerkracht buitengewoon animerend.

‘Had de mens zulke ogen als ik’, liet ik het dier zeggen, ‘dan zag meester, die nu recht voor zich uitkijkt, tegelijkertijd óók het plafond én zijn schoenen’.

Uit het karakteriseren van de inktvis, blijkt dat het dier ‘bijna helemaal zintuig is’.

Het is niet moeilijk voor wie open waarneemt tot de conclusie te komen dat in de dieren een specialisatie op de voorgrond treedt. Daar is niets ‘antroposofisch’ bij.

Vissen zwemmen sneller dan mensen; vliegen kunnen de mensen niet.

‘Met een vliegtuig’, roepen de kinderen; om tot ontdekking te komen dat dit eerst ‘bedacht’ moest worden.

‘Een mens heeft ideeën’, zei een leerling.

En om die tot uitvoering te brengen: handen.

Daarmee is de mens het meest mens: ‘met zijn handen’.

Die kunnen opbouwen, maar ook afbreken; slaan,  én strelen.

‘‘Een dier doet, wat het moet’, een bekende uitspraak van dokter Leen Mees [2]

Dieren zijn specialisten – niet vrij.

De mens is geen specialist – hij kan het op een bepaald gebied worden.

De dieren zijn in hoge mate afhankelijk; de mens is veel vrijer; heeft daarom een grote verantwoordelijkheid naar de dieren (en de medemens).

Het in samenhang zien van mens en dier op deze wijze, noemt de heer Perra ‘indoctrinatie’.

De mens leren zien in samenhang met de wereld zodat dit eerbied en verwondering teweegbrengt, is opvoeding en ontwikkeling.
Je afvragen wat je met je handen doet, vormt je moraliteit.

Net als bij de vertelstof: ik weet niet hoe dierkunde in de Franse vrijescholen gegeven wordt.

Dit kan ik ook niet opmaken uit de woorden van de heer Perra.

Van indoctrinatie bij de vakken vertelstof en dierkunde, gegeven op bovengeschetste manier – dat is in de trant waarin ze gegeven dienen te worden, is geen sprake.

Ook de heer Perra’s 2e voorbeeld moet ik als onzinnig kwalificeren.

Voortdurend doen mensen pogingen aan te tonen dat er in vrijescholen geprobeerd wordt antroposofie ‘binnen te loodsen’.

Door wie dan? Antroposofische leerkrachten? Wie of wat zijn dat dan? Wat is dan hier ‘antroposofie’? Met welk doel dan?

Op vragen aan critici kreeg ik of geen antwoord; of ze weerden mij van hun blog of ze kwamen elders met onzinnige kretologie.

Voor mij zijn de voorbeelden van de heer Perra die zo zwaarwegend worden aangekondigd als ‘indoctrinatie van vrijeschoolleerlingen met antroposofie’ als de zoveelste muis die naast de olifant op de brug triomfantelijk uitroept: ‘Wat stampen we weer, hè!”

* wie dit tot zich door laat dringen, bedenkt zich wel een paar keer, voor hij het woord ‘sektarisch’ in de mond neemt.

**zie voor een samenhang romp/hart/longen: de leeuw

[1]Steiner Erziehungskunst -Methodisch-Didaktisches
GA 294
[2]Mees  Dieren zijn wat mensen hebben

Perra’s 1e voorbeeld betreft het vertellen van sprookjes in klas 1 en is hier te vinden.

 

vrijeschool en antroposofie: alle artikelen

.
Meer commentaren op onzinnige kritiek:

Geschiedenis of hoe een schriftjesgeleerde stokpaardje rijdt

Atlantis of hoe de Jonghe een kreupel stokpaardje als oude koe uit de sloot haalt
Een belegen berichtje als bewijs

De Jonghes Atlantis
Het belegen berichtje in een nieuw jasje

In een sukkeldrafje verder op een kreupel (Trojaans) paardje

Atlantis: generaliseren en erin leggen
Vertaling van Andreas Lichte generaliseren und hineininterpretieren

Atlantis, ooooo die schriftjes toch
“bewijzen” voor racisme in geschiedenisschriftjes uit klas 5

 

215-203

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Antroposofische indoctrinatie in het vrijeschoolonderwijs? (2-1)

.

KRITIEK



Kritiek op de vrijescholen is er vanaf de oprichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart in 1919 al geweest en is er heden ten dage nog.

In Frankrijk heeft een ex-vrijeschoolleerkracht, tevens oud-vrijeschoolleerling en jarenlang lid van de antroposofische vereniging een artikel ( hier een Engelse vertaling)  gepubliceerd met zijn kritiek – na zoveel jaar – en waarom hij het geheel de rug heeft toegekeerd.

De kern van zijn betoog is, dat de vrijeschool de leerling indoctrineert met antroposofie!.

Vóór ik zal ingaan op de voorbeelden die de heer Perra van indoctrinatie geeft, eerst dit:

KRITIEK EN MENSBEELD
Velen van ons – de mensen – streven er dagelijks naar te weten te komen hoe het zit met de wereld waarin wij leven. Daarbij kunnen we ons op verschillende niveaus bewegen die ruim uiteenlopen, maar altijd zijn er vragen, duizenden vragen én antwoorden. Bij de antwoorden waar de zoektocht had moeten eindigen, begint deze vaak weer opnieuw, want  ‘is dit het antwoord wel; wie heeft het gegeven, waarop is het gebaseerd.’

WETENSCHAP
Het sleutelwoord is hier ‘wetenschap’; die geeft ons de antwoorden. Maar tegelijkertijd ook weer vragen, die mede door diezelfde wetenschap worden gesteld.
Neem als voorbeeld die tak van wetenschap die de afstamming van de mens onderzoekt. Zo’n 50 jaar volg ik de resultaten en wat blijkt: telkens en telkens heeft men DE voorouder gevonden; maar telkens en telkens moest men dit weer herroepen.
Telkens en telkens was hier dus eigenlijk sprake van ‘pseudo’ en werden wij als gewone burgers geïndoctrineerd met gezichtspunten die achteraf niet bleken te kloppen.

Ik gebruik hier met opzet de woorden ‘pseudo’ en ‘indoctrineren’, woorden die bestorven liggen op de lippen van de tegenstanders van geesteswetenschap, dus antroposofie en dientengevolge van de vrijeschoolpedagogie.

We spreken niet voor niets over ‘een tak van wetenschap’; een tak, dat is niet de hele boom.
Er is al veel gefilosofeerd over wat wetenschap is, of wat geen wetenschap is.

Voor mijn verdere betoog neem ik van mijn blog: ‘antroposofie, een inspiratie’ dit artikel over:

ANTROPOSOFIE: WETENSCHAP?

WETENSCHAP , PSEUDOWETENSCHAP
Met grote regelmaat en van verschillende kanten wordt gezegd dat de antroposofie die door Steiner ook geesteswetenschap werd genoemd, geen wetenschap is.

Of ze wordt als “pseudowetenschap” gekwalificeerd.

 WETENSCHAP
Het kan niet anders of mensen die zo iets beweren, weten wat wetenschap wél is, want anders zouden ze niet kunnen zeggen, wat géén wetenschap is.

Wat men onder wetenschap verstaat is toch over het algemeen de wetenschap van maat, gewicht en getal.

WARE WETENSCHAP IS NATUURWETENSCHAP
De meeste mensen die het over de wetenschap hebben, koesteren, vaak onbewust, de overtuiging: de(ze) wetenschap is de ware wetenschap.

a.h.w. een natuurkundige wetenschap.

Ze vergeten in dit uitspreken, dat ze eigenlijk geen natuurwetenschappelijke uitspraak doen, want de uitspraak: “de natuurwetenschap is de echte wetenschap” is geen natuurwetenschappelijke uitspraak, maar een geesteswetenschappelijke.

PROF.DR.LUIJPEN
Deze  zin heb ik opgetekend uit de mond van Prof .Dr. Luijpen.

Als existentieel filosoof was hij onophoudelijk op zoek naar de plaats
van de mens tussen God en wereld. Hij had zo zijn twijfels of de (natuur)wetenschap wel door kan dringen tot de existentie van de mens.

Ook voor mij is het een vraag of slechts de natuurwetenschap alleen, tot
het wezenlijke van het menszijn kan doordringen.

In  zijn “God! Goddank! Godverd….! (uitg.Emmaüs 1972) schetst Luijpen situaties van de mens, in diens leven en noemt deze
“situaties van de existentie’, de mens als “existerende subjectiviteit”.
Voor deze “existerende subjectiviteit” zijn die levenssituaties letterlijk
van levensbelang.

Voor Luijpen ontstaat de vraag: kan de natuurwetenschap iets zeggen
over deze levenssituaties.
Hij stelt zich een situatie voor:
“Wanneer een jongen zijn meisje “lief” noemt, noemt hij haar aldus als existerende subjectiviteit.”

“Maar hij kan haar ook tot een ingrediënt van de mechanica maken.
Dat is het geval wanneer hij haar op de weegschaal zet. De weegschaal
zegt: “negentig pond”. Dat zegt de weegschaal ook als er een zak zout van negentig pond op gezet wordt. De weegschaal kan niet zeggen: “lief”. Als ingrediënten van de mechanica zijn meisjes niet lief. Evenmin zijn mensen religieus als ingrediënten van de wetenschappen.”(blz 9)

Ik vul zelf aan:
Als deze jongen zijn hart laat spreken, zegt hij dat hij van het meisje
houdt.
Maar voor de ‘weegschaal’wetenschap kan het hart niet spreken. Die ziet dat het hart een pompbeweging maakt en noemt het derhalve een pomp.

Die ‘weegschaal’wetenschap ziet ook ‘denken, voelen, willen’ niet,
hoewel ons “existerend zijn” voor het grootste deel bestaat uit denken,
voelen en handelen.

LETTERLIJK: NA-GEDACHT
Luijpen had ook een aardige omschrijving van het woord “nadenken’ .
Hij bedoelde het ‘na’ hier letterlijk: nadat een ander het heeft gedacht.
We denken dat na en vaak spreken we dat na.

Iets dergelijks gebeurt ook met de mededelingen van Steiner. Dat hij ze
door bovenzintuiglijke waarneming heeft verkregen, is in wezen niet zo belangrijk. Belangrijker is dat wij ze kunnen na-denken en dat wij de
waarheid ervan kunnen ervaren, of niet.

Wat ik hier met bepaalde mededelingen van Steiner doe, is ze gebruiken
om te zien wat ze voor mijn existentie betekenen.

Ze inspireren mij om ermee naar mens en wereld te kijken.

Het resultaat van dit kijken is de inhoud van deze blog.

Ik onderstreep hier dat ik tot deze gedachten kwam door de visie van filosoof Willem Luijpen.

De ‘weegschaalwetenschap’ is zijn idee. Waar hij in zijn college’s dikwijls de nadruk op legde was het feit dat wij mensen, in het zoeken naar antwoorden, veel opnemen van wat anderen gedacht hebben – hij noemde dit het letterlijke NA-denken – ‘vele meningen en opvattingen hebben zich als aardlagen in ons afgezet’, zonder dat we dit vaak duidelijk beseffen. Slechts weinigen hebben originele gedachten.

Dat laatste is echter ook nog geen garantie voor DE antwoorden op de vragen waarmee de mensheid zich bezighoudt.

De gedachten, de ideeën van Darwin zijn zeker origineel te noemen. Ze hebben buitengewoon veel indruk gemaakt – bijna letterlijk – in de gedachten van velen staan zijn ideeën gegrift als naar een waarheid gegroeide conclusie: de mens stamt af van de aap. Door velen wordt dit nu ook zo aangenomen: de mens is een hoger dier. Dat denken wij na.

Iets dergelijks geldt voor de ‘oerknal’.

Bij de levensvragen gaat het natuurlijk ook om ‘wie of wat is de mens’. En ook op die vragen zijn vele antwoorden gegeven.

Ook Rudolf Steiner heeft zich met deze vraag langdurig beziggehouden. Zijn ideeën kunnen we leren kennen uit zijn boeken en zijn gestenografeerde voordrachten.

Op mijn hierboven genoemde blog  probeer ik, steeds binding te houden met het concrete leven van alledag, te kijken waar Steiners visie een antwoord geeft op de levensvragen die ik me stel.

Steiner is voor mij zeker niet de enige die, voor mij, wezenlijke antwoorden geeft; voor mij is hij wel een belangrijk denker.

Ik ben geen blinde volger van zijn ideeën; ik noem mij geen antroposoof – ook al niet, omdat de ander met wie ik over de levensvragen zou willen spreken, dan wellicht moet zeggen dat hij atheïst is, of gereformeerd. Ik wil niet tegenover de ander komen te staan. Ik zie meer heil in ‘hoe kunnen wij vanuit verschillende visies antwoorden vinden die ons mens-zijn betreffen.’

Toen ik voor het beroep van onderwijzer koos, heb ik mij ook afgevraagd: met welk onderwijs is het kind het best gediend.

En na bestudering van vele vormen van onderwijs, kwam ik bij de vrijeschoolpedagogie uit.

Eerst werkte ik nog in het reguliere onderwijs en leerde zo iets van het wezen van het kind kennen: o.a. zijn behoefte aan scheppend bezig zijn, zijn behoefte aan fantasie, aan beweging.

In de achtergronden van de vrijeschool vond ik wezenlijke opmerkingen over deze aspecten van het kind-zijn.

Uit het wezen kind zelf, zijn doen en laten, zijn gedragingen enz. enz. bleken de inzichten van Steiner vaak verrassend waar en actueel.

KIEZEN
Leven is vaak: keuzes maken en zoals  Erica Ridzema er  voor kiest om te stoppen met het werken met kinderen, omdat ze vindt dat wat ze moet – van overheidswege – niet strookt met het wezen van de kleuter – zo koos ik destijds voor de vrijeschoolpedagogie, omdat ik daarin een pedagogie ontmoette die het meest strookt met het wezen van een kind.

Wat nu nog steeds actueel is, zo’n 4o jaar geleden gold dat ook: door in het niet-reguliere onderwijs te werken, week en wijk je af van het gangbare. En daarmee wijk je ook af van de gangbare opvatting over onderwijs en opvoeding.

De gangbare opvatting is een ‘opvatting’. Van wie? Van ….allerlei ontstane meningen en gezichtspunten die al naar gelang de tijd waarin ze ontstonden op de een of andere manier de mensen aanspraken. Die hebben zich in de mensen als aardlagen afgezet; die denken ze na.

Momenteel gaat het in Nederland om de ‘kenniseconomie’ en in het onderwijs moet het dus om kennis gaan. De gangbare opvatting is, dat het onderwijs in dienst moet staan van de economie. Presteren!.
Om ‘kennis’ gaat het al heel lang, sinds Bacons  ‘kennis is macht’.

Allerlei opvattingen, soms onduidelijk van wie of van wanneer, vormen het mensbeeld van het gangbare; vooral van mensen die zeggen geen mensbeeld te hebben.

IEDER ZIJN MENSBEELD
Ook de critici van antroposofie en vrijeschool hebben een mensbeeld. Dat strookt duidelijk niet met het mensbeeld dat ze bekritiseren.

WAT WILLEN OUDERS
Ik heb in mijn vrijeschooljaren vele lezingen gehouden over de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie. Bij de toehoorders, veelal ouders, was er altijd het verlangen voor hun kind naar méér dan de opvatting dat dit wezen slechts ‘een naakte aap, een machine, een toevallige samenklontering van chromosomen; slechts een brein’, zou zijn. En ook een wezen dat méér is dan een dienaar van de economie.

Zij konden meer met de opvatting dat een kind, een mens een drie-vierledig wezen is en dat opvoeding en onderwijs een hulp kunnen/moeten zijn bij een harmonische ontwikkeling.

In de vrijeschoolvisie is leerstof ook een bijdrage aan deze ontwikkeling.

Een bekend voorbeeld is het leren schrijven en lezen. Het uiteindelijke resultaat moet natuurlijk zijn dat een kind heeft leren schrijven en lezen, de weg naar dat punt heeft ook tot doel dat de fantasiekrachten van het kind – dat zijn puur menselijke wezenskenmerken – gevoed worden: vandaar de letterbeelden; dat er geschreven wordt van ‘groot naar klein’, van beweging naar verstilling – geheel in overeenstemming met het wilsleven van het kind, enz. enz.

KRITIEK NU
Ook nu ik met pensioen ben, neem ik kritiek op de vrijeschoolpedagogie nog altijd serieus, tenminste, als het als serieuze kritiek is bedoeld.

Die ernstig gemeende kritiek kom ik niet tegen bij Ramon De Jonghe/Verachtert, van wie ik, na bestudering van zijn boek- en blogartikelen moet zeggen dat hij er vrijwel uitsluitend op uit is, Steiner, de antroposofie en de vrijescholen waar mogelijk in een bespottelijk, negatief daglicht te plaatsen. Leugenachtig ook vaak, waardoor ik me geroepen voelde op deze blog tegenover dit leugenachtige iets ‘waar’achtigs te plaatsen.

Zo hij dit nog niet was, mede door mijn activiteiten is hij nu in Nederland en België afdoende bekend en wordt hij, buiten de kring van medestanders, nauwelijks nog serieus genomen.
Positieve ontwikkelingen binnen de vrijeschoolbeweging blijken immuun voor zijn schrijfbezigheden.
Nogal bombastisch aangekondigde activiteiten bij het onthullen van een schandaal: ’we moeten zorgvuldig te werk gaan en mogen niet alles zo maar publiceren’ – of woorden van deze strekking – verzanden, na ruim 2 jaar – in stilte.
Op dit ogenblik doet hij onderzoek naar vermeende onregelmatigheden – belangenverstrengeling – die zouden hebben plaatsgevonden bij een onderzoek naar de kwaliteit van het onderwijs aan de Academie voor Euritmie, onder verantwoording van een overheidsinstelling. Maar misschien horen we hier nog wèl eens wat over.

De heer Perra neem ik, wanneer ik bovengenoemd Engelse artikel begin te lezen wél serieus. Wie zo lang binnen de antroposofie en de vrijescholen heeft verkeerd, moet wel zwaarwichtige redenen hebben, er afstand van te nemen.

Hoeveel innerlijke strijd, slapeloze nachten, heeft dit gekost?

Een man met een groot geweten, lijkt me, die geen verantwoording meer wil nemen voor wat hij ziet: leerlingen worden geïndoctrineerd.

Zo’n ernstige beslissing roept bij mij ook vragen op in de trant van: was mijn werk dan ook indoctrinatie?
En ik ben zeer benieuwd naar zijn voorbeelden. Hij geeft er 3, waarvan er 1 is waar ik niets mee kan, omdat dit bovenbouwstof betreft.

Maar de andere 2 zijn mij wel vertrouwd.

Allereerst deze:
‘Another example: In the early grades, Waldorf teachers tell the children a great number of legends or myths. At first glance, this is part of a traditional study of literature and mythology. But the teachers slip in Anthroposophical interpretations… They make subtle allusions to the contents of Anthroposophical books such as MYTHS AND LEGENDS AND THEIR OCCULT TRUTHS [7] or HIDDEN WISDOM IN GRIMM FAIRY TALES [8]. Most of these works were only recently translated into French (Waldorf teachers having access to them through German connections). National education inspectors therefore cannot detect the Anthroposophical doctrines slipped in by Waldorf teachers when they tell these legends and myths to the children.

‘In de lagere klassen vertellen de vrijeschoolleerkrachten aan de kinderen heel wat legenden of mythen. Op het eerste gezicht is dit een deel van een traditionele bestudering van literatuur en mythologie. Maar de leerkrachten laten er antroposofische interpretaties in terechtkomen. Zij maken subtiele toespelingen op boeken als ‘mythen en legenden en hun occulte waarheden of ‘verborgen wijsheid in de sprookjes van Grimm. De meeste van deze werken werden pas onlangs in het Frans vertaald. (Vrijeschoolleerkrachten kunnen er over beschikken via Duitse collega’s. Daarom kunnen onderwijsinspecteurs er niet de vinger achter krijgen dat er door vrijeschoolleerkrachten antroposofische dogma’s ingevlochten worden wanneer ze deze legenden en mythen aan de kinderen vertellen.’

Hier staan toch wonderlijke dingen ! Legenden of mythen; dat zou dan moeten zijn legenden (klas 2) én mythen (klas 4, als we deze nog tot de ‘vroege’ klassen rekenen (early grades.

Wat de heer Perra bedoelt met’traditionele bestudering van literatuur en mythologie’ is me een raadsel.

De legenden (met als tegenhanger de fabels) worden, niet meer en niet minder, verteld zoals ze ooit zijn opgetekend. Datzelfde geldt voor de verhalen uit de Edda in klas 4.

En daarbij zouden de leerkrachten dan ‘antroposofische uitleg’ geven ?
Vooralsnog kan ik me er geen concrete voorstelling bij mij maken.

Als dat zo gebeurt, gaan de leerkrachten te ver. De verhalen zijn er om simpelweg te vertellen – niks geen uitleg – vooral niet aan kinderen.

Dat je zelf verdieping zoekt en probeert de beelden te duiden, leidt vaak tot een grotere eerbied waarmee je de verhalen dan vertelt.
Zo is mijn eerbied voor b.v. de 7 scheppingsdagen zeer toegenomen door het lezen van Steiners ‘Het Bijbelse scheppingsverhaal‘; maar om de kinderen te vertellen dat ‘de dagen van de schepping eigenlijk grote tijdvakken zouden zijn’  en “God’ eigenlijk één van de Elohim’, nee, dat is absoluut de bedoeling niet van het vertellen van de verhalen uit het Oude Testament.

Welke verdieping of achtergrond dan ook: het is ten enen male niet bestemd voor de kinderen.

Antroposofie in het onderwijs werd bij herhaling door Steiner resoluut afgewezen!

En daaraan moeten de Franse vrijeschoolleerkrachten over wie de heer Perra het heeft, zich gewoon houden, als ze een vrijeschool gestalte willen geven.

Het voorbeeld dat hij hier geeft lijkt mij absoluut niet relevant voor ‘het’ vrijeschoolonderwijs!

Zijn 2e voorbeeld betreft de dierkunde in klas 4, dat hier is te vinden.

vrijeschool en antroposofie: alle artikelen
Meer commentaren op onzinnige kritiek:

Geschiedenis of hoe een schriftjesgeleerde stokpaardje rijdt

Atlantis of hoe de Jonghe een kreupel stokpaardje als oude koe uit de sloot haalt
Een belegen berichtje als bewijs

De Jonghes Atlantis
Het belegen berichtje in een nieuw jasje

In een sukkeldrafje verder op een kreupel (Trojaans) paardje

Atlantis: generaliseren en erin leggen
Vertaling van Andreas Lichte generaliseren und hineininterpretieren

Atlantis, ooooo die schriftjes toch
“bewijzen” voor racisme in geschiedenisschriftjes uit klas 5

214-202

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-3/2)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Licht en duisternis in sprookjes

In de wijsheid van sprookjes liggen veel troostrijke beelden verborgen die op de menselijke levenssituaties van toepassing zijn.
Neem bijvoorbeeld de zo vaak optre­dende situatie dat de hoofdfiguur van het verhaal in een absolute impasse is geraakt, zoals Roodkapje wordt beschreven nadat de wolf haar heeft opgeslokt. Natuurlijk is daar een levensweg, die tot dit punt leidde, aan voorafgegaan. In het sprookje plukt Roodkapje zoveel bloe­men, dat er niets meer bij kan, en zij luistert naar de vogeltjes. En dan, als zij in grootmoeders huis beland is, sluit de don­kerte zich over haar. In deze donkerte, de buik van de wolf, is ook grootmoeder al verdwenen
Als hier het verhaal zou ophouden was het zwart in zwart. Maar de wijsheid van de sprookjes eindigt nooit zonder hoop en ook in deze situatie is hulp in aan­tocht.
Of het nu de koningszoon is, die Sneeuw­witje in de glazen kist ontdekt of, zoals hier, de jager die naar huis komt, er is van buiten af een helpende hand, wanneer de hoofdfiguur van de omgeving is afgeslo­ten, al of niet in duisternis. In welke tijd van ons leven wij in deze wolfsbuik terecht komen – dat kan ver­schillen, maar te zijner tijd zullen wij alle­maal wel door dit stadium heen moeten. Belangrijk is dan dat wij op weg waren naar een doel, zoals Roodkapje naar Grootmoeder. En dat wij, al zijn wij hele­maal van licht verstoken, dit doel willen bereiken en de hoop niet opgeven. Dan komen andere krachten van buiten af te hulp en het kan weer licht worden. Het sprookje laat ons de verandering zien in de mens die uit de duisternis in het licht komt. ‘O, wat was het donker in de wolf zijn buik’, zegt Roodkapje: zij heeft deze toestand ten volle doorleefd. En nu komt er een heel bijzonder moment waarover wij gemakkelijk kunnen heen lezen zonder het te beleven: het rode kapje glansde in de duisternis, toen de jager de buik opende! Het accepteren van het lot en het blijven hopen, hebben het rode kapje zo veranderd dat er licht van af­straalt. Men kan misschien ook zeggen: de ‘diepe duisternis, en het licht dat van Roodkapje uitgaat, houden met elkaar verband. Zonder deze levensfase was het  kapje nooit lichtend geworden. Waar die­pe schaduw is, moet ook een heldere lichtbron zijn. En zo zien wij ten slotte de sprookjesfiguur die hier voor iedere mens staat, verlost te voorschijn komen. Of zoals het in Faust klinkt:

‘Wie worstelend zich inspant steeds,
Die kunnen wij verlossen.’

A.Weissenberg-Seebohm, ‘Jonas’, 18-12-1971

.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

 

213-201

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-4)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Sprookjesbeelden

Op zoek naar de sleutel die de beeldentaal ontraadselt

In Jonas 13, 18 februari 1983 werd door Else Tideman een sprookje verteld dat in zijn beelden een zekere verwantschap heeft met de inhoud van het carnavalsfeest. Hiermee is een serie afgesloten waarin langs een andere weg dan de be­gripsmatige getracht werd iets van de essentie van de jaarfeesten te laten zien. Het kan voor volwassenen een vraag zijn of je aan een sprookje een kwaliteit mag toekennen die gelijkwaardig is aan die van een denkmatige benadering van een bepaald onderwerp. Sprookjes zijn immers verhalen voor kinderen? Of is dat een misvatting? Een misvatting die zijn oorzaak vindt in de eenvoud van taal en beelden die de sprookjes kenmerkt. Denken we misschien te snel dat we alles al gehoord en begrepen hebben? Ligt er onder de oppervlakte van de beel­den meer verborgen dan we op het eerste gezicht vermoedden?

Er bestaat een taal op aarde, die gesproken wordt door een van de Noord-Amerikaanse Hopi Indianenstammen, en die taal kent geen, of bijna geen naamwoorden. Geen zelfstandige en geen bijvoeglijke. Alleen werkwoorden. Ik ken deze taal niet, maar zij zou me ideaal lijken om te gebruiken om de toegang te vinden tot de beelden van sprook­jes. Een taal met enkel werkwoorden! Waar­schijnlijk zou het helemaal niet nodig zijn, aan de sprekers van zo’n taal beelden te ver­klaren.

Voor de westerse twintigste-eeuwer is het een probleem om de weg te vinden van het beeld naar het begrip en van het begrip naar het beeld. De begrippen en voorstellingen die wij hanteren, staan stevig op zichzelf met hun bijvoegingen.

Zelfstandige naamwoorden zijn woorden om een ding mee te beschrijven, bijvoorbeeld ‘trap’. Bijvoeglijke naamwoorden beschrijven nog nauwkeuriger, bijvoorbeeld steile trap’. Maar wanneer we zeggen: afdalen of beklim­men van de trap, hebben we de aandacht van het ding afgewend en op de beweging geves­tigd. Naamwoorden zijn eindpunten van een proces. Met werkwoorden kunnen we een proces dat tot stilstand gekomen is, weer in beweging brengen. Wat hebben we eraan als we verklaren: in het sprookje is de konings­dochter de menselijke ziel of de koningszoon de menselijke geest. Dan hebben we een concrete voorstelling gebruikt voor een abstract begrip, en verder is er niets gebeurd. Het lijkt mij niet zo zinvol om met deze stollingsver­schijnselen die de naamwoorden zijn de sprookjesbeelden te lijf te gaan. Dan zijn we plotsklaps van ons uitgangspunt in het resul­taat gevallen.

Maar wat en hoe is de weg dan wel tussen beeld en begrip? Het is al een heel ding om te beseffen dat er een weg, een afstand tus­sen ligt. Maar hoe die te gaan? Onze taal werkwoordelijk maken. Wat zich in ons denken gekristalliseerd heeft, oplossen. Begrippen in beweging brengen. Voorlo­pig afstand doen van kristalhelderheid en scherpte. Afstand doen van de zekerheid die een definitie geeft. En met deze open blik telkens opnieuw naar het sprookje teruggaan en waarnemen. Innerlijk de voorstellingen opbouwen zoals ze elkaar opvolgen in het sprookje. De vraag wat dit alles te betekenen heeft laten rusten en aan de gang gaan met andere vragen. Wat gebeurt er eigenlijk pre­cies, waar speelt het zich af, wanneer, hoe zien de figuren eruit, welke werking oefenen zij op elkaar uit?

Het kan er immers niet om gaan, dat wij een autoriteit vinden die de taal van de symbolen voor ons uitlegt en vastlegt. Het gaat er om zelf de sleutel te vinden die de beeldentaal ontraadselt. Het allereerste is, dat we de beeldinhouden werkelijk als een taal beleven. Dat het beeld iets betekent en tot schrift wordt. Dat houdt in dat we ons over de beel­den buigen met dezelfde aandacht en open­heid waarmee we als kind het alfabet hebben geleerd. Telkens opnieuw de vormen nateke­nend en zich inprentend vanuit het doen, tot klank en beeld zich verbonden hebben en de betekenis uit het woord oplicht. Zo kan ook de betekenis van de sprookjesbeelden alleen uit het sprookje zelf oplichten, door het sprookje heen verschijnen.

De gouden sleutel 

Op een keer in de winter, toen alles diep on­der de sneeuw lag, moest een arme jongen er met een slee op uit om hout te halen. Toen hij het bij elkaar had gesprokkeld en het had opgeladen wilde hij, omdat hij het zo koud had gekregen, niet dadelijk naar huis gaan maar eerst een vuurtje maken om zich een beetje te warmen. Hij krabde de sneeuw weg en toen hij op die manier de grond blootleg­de, vond hij een klein gouden sleuteltje. Hij dacht, waar een sleutel is moet ook een slot zijn, groef in de aarde en vond een ijzeren kistje. Als de sleutel nu maar past! dacht hij, er zijn vast en zeker kostbaarheden in dat kistje. Hij zocht maar er was geen sleutelgat; eindelijk ontdekte hij het maar het was zó klein dat het nauwelijks te zien was. Hij pro­beerde het en gelukkig paste de sleutel. Toen draaide hij hem eenmaal om… en nu moeten wij wachten tot hij het slot helemaal heeft geopend en de deksel heeft opgelicht en dan zullen wij te weten komen wat voor wonder­baarlijke dingen er in dat kistje liggen.

Dit sprookje is het laatste in de bundel van Grimm. Naar de vorm is het klein, ogen­schijnlijk niet zo betekenisvol. Maar zoals een bruingeworden eikel tussen de afgevallen bladeren zich voor het oog niet van een kiezelsteentje hoeft te onderscheiden, dat er in vorm en kleur geheel aan gelijk is, maar waar de belofte van een machtige eik in rust, zo kan dit sprookje ervaren worden als een samenvatting van al het voorafgaande en tege­lijk als een eersteling waaruit verborgen schatten zich kunnen ontplooien. Hoe gaan we nu aan het werk? Voordat de vraag naar de betekenis beantwoord of ook maar gesteld kan worden, kunnen we ons vele andere vragen stellen wanneer we de beelden in onszelf wakker roepen. Het is winter, alles ligt diep onder de sneeuw. Wat is het voor een dag, vriest het of is de temperatuur net om het vriespunt? Waait het of is het windstil? Hoe laat is het als de jongen van huis gaat, ochtend, midden op de dag of valt de avond al? Is de lucht be­dekt of is het helder? Hoe ziet de jongen er­uit, is hij donker of blond? Hoe is hij gekleed, wat heeft hij aan zijn voeten? In wat voor bos sprokkelt hij zijn hout, is het een loof­bos of een naaldbos? — En dan. Dan gaat hij niet naar huis met zijn hout om daar een vuurtje te maken. Hij wil buiten, in de koude witte wereld een vuur ontsteken. En op de plaats die hij daarvoor uitkiest ligt onder de witte sneeuw en op de donkere aarde, de gouden sleutel. Dit beeld moeten we goed tot ons laten doordringen: het goud tussen sneeuwwit en aardedonker. Een sleutel. Dat is iets waar je op zichzelf niets aan hebt. Het is een onvolledig ding dat erop wijst dat er nog iets bij hoort. De jon­gen neemt deze wenk ter harte en gaat ver­der zoeken en graven. ‘Waar een sleutel is moet ook een slot zijn.’ Wanneer het een ge­woon kistje was geweest met aardse schatten was het, net als de sleutel, van goud geweest. Een juwelenkistje. Maar dat is het niet. Het is van ijzer. Een gouden sleutel en een ijzeren kistje. Stelt u zich voor. Pas wanneer u hier­bij een lichte schrik ondervindt, begint de voorstelling levendig te worden, alsof er iets schuift en knarst. Hoe komen die twee bij el­kaar, goud en ijzer, passen ze bij elkaar? ‘Als de sleutel nu maar past,’ denkt de jongen. Hij zocht, maar er was geen sleutelgat. Voor veel mensen houdt hier het verhaal op. Er is geen sleutelgat. Onze gedachten en voorstel­lingen zijn een sleutel die niet past op de we­reld van onze waarnemingen. Het wezen van de dingen in de wereld, van het leven is niet te begrijpen. Hoevelen leven niet op dit standpunt van de wanhoop. Maar het sprookje gaat verder. De jongen zoekt net zo lang tot hij een heel klein sleu­telgat gevonden heeft. We moeten bedenken dat hij nog steeds buiten in de kou zit. Hij heeft immers geen vuur gemaakt. Hij is ver­geten dat hij bijna bevroren is. Hij is vol ge­spannen verwachting. Maar wij kunnen
ons­zelf nog de vraag stellen. Waar is dat sleutel­gat? Het is er niet en wordt na lang zoeken toch gevonden. Hoe lang heeft de jongen ge­zocht, en hoelang zijn wij bereid te zoeken en kou te lijden?

De sleutel past op het slot maar het kistje wordt nog niet geopend. Wij moeten wach­ten. Wat hebben we aan antwoorden zolang de vraag nog niet brandend geworden is in ons?

De weg van het begrip naar het beeld: in ar­moede op weg gaan, kou lijden, verzamelen, een vuur willen ontsteken, vinden, graven, vinden, zoeken, vinden, éénmaal omdraaien, wachten. Wachten.

(Margreet van der Heide in ‘Jonas’  nr.14, 04-03-1983)

Sprookje nr. 200 van Grimm, uitgave Lemniscaat, Rotterdam.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

 

 

212-200

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes, alle artikelen

.

Voor veel verhalen Volksverhalenalmanak

Sprookjes kunnen en zijn daarom ook, op verschillende manieren verklaard. Bestudeerd vanuit verschillende invalshoeken. O.a. vanuit een freudiaanse invalshoek, of een feministische.
Op de vrijescholen worden ze verteld in de kleuterklas en in klas 1 (groep 3). In de vrijeschooloptiek gaat het om de universele mensheidsbeelden die eruit spreken. Om deze onder woorden te brengen, is niet eenvoudig. En mens kan zich natuurlijk vergissen.

1-1.De beeldentaal van de sprookjes
S.v.d.Heide over: Het aardmanneke (Grimm nr.91); getal drie, vier, zeven en negen; drieledige mens; denken, voelen, willen; Vlaams sprookje ‘De dappere sergeant’; Russisch sprookje ‘Zorjka, Wetsjorka en Poloenotsjka’; drie broers; prins en prinses; jager

1-2/1.De beeldentaal van de sprookjes
Margreet v.d.Heijden over: Vrouw Holle (Grimm nr. 24);

1-2/2.De beeldentaal van de sprookjes
Y.Pronk-Sluiter over: Vrouw Holle – verzameling Paetow – Vrouw Holle en de vlier

1-2/3. De beeldentaal van de sprookjes
Y.Pronk-Sluyter over: Vrouw Holle; de berg Meszner in Duitsland, verblijfplaats van Vrouw Holle; verslag van een reis daarheen

1-3/1.De beeldentaal van de sprookjes
A.Weissenberg over: Roodkapje (Grimm nr. 26)

1-3/2.De beeldentaal van de sprookjes
A.Weissenberg over: Roodkapje (Grimm) Licht en duister;

1-3/3.De beeldentaal van de sprookjes
F.Lenz over: Roodkapje – (Grimm) lotgevallen van de ziel

1-4.De beeldentaal van de sprookjes
Margreet v.d.Heiden over: De gouden sleutel (Grimm nr.200) Hoe krijg je een verhouding tot de diepte van de beelden

1-5.De beeldentaal van de sprookjes
Friedel Lenz over: bos, woud, woestenij; je bewegen in bekend en onbekend; houthakker; Russisch sprookje ‘water des levens’ en ‘Johannes uit de erwt’;

2-1.De kikker en de held Johannes
Else Tideman
over: Russisch sprookje met paasmotief; Wassilissa, de Alwijze

2-2.De koningin van de Rosentuin
 Caroline Bos-Everts maakte een vrije vertaling van een sprookje uit Karl Paetow, ‘Volkssagen und Marchen um Frau Holle’.

7.1. De Germaanse oorsprong van bekende sprookjes
De kikkerkoning, Doornroosje, Sneeuwwitje; uitleg van de beelden
(freudiaans)
7.2. De Germaanse oorsprong van bekende sprookjes
Assepoester; Roodkapje, Allerleirauh; uitleg van de beelden
(freudiaans)
8. De twaalf maanden
Slavisch sprookje
9. De drie lammetjes
Hongaars sprookje
10.De snotterige geitenbok

11/1.De roos die midden in de winter bloeit
Zwitsers sprookje
11/2. De uitleg van dit sprookje.
Friedel Lenz over: de roos; bloedsliefde en vrije liefde; Christusliefde; ontwikkeling ziel; ontwikkeling Ik;

[12-1] Er was eens, maar hoe lang nog…
Pieter HA Witvliet over: verschillende manieren om naar sprookjes te kijken; Schuurman, Fromm, Freud, Steiner; feministische opvatting wil ze herschrijven; de onmogelijkheid daarvan of wel intellectualisering; vrijeschoolpedagogie vraagt spiritualisering;

 

De 7 raven – toneelstukje voor klas 1
Pieter HA Witvliet
Bij dit artikel nog een 2e versie: maker onbekend

.

211-199

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-3/1)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

ROODKAPJE
Er was eens een lief klein meisje; iedereen die haar zag hield veel van haar, maar het aller­meest haar grootmoeder, en die had haar wel alles willen geven. Op een keer gaf zij haar een mutsje van rood fluweel en omdat het haar zo goed stond en zij niets anders meer op wilde zetten werd zij enkel Roodkapje ge­noemd.
Op een dag zei haar moeder tegen haar: ‘Kom, Roodkapje, hier heb je een stuk koek en een fles wijn, breng dat naar je groot­moeder, zij is ziek en zwak en dit zal haar goed doen. Ga nu maar voor het te warm wordt en als je buiten komt, loop dan netjes en rustig en dwaal niet van het pad af, anders val je en breek je de fles en dan heeft groot­moeder niets. En als je haar kamer binnen­komt, vergeet dan niet goedemorgen te zeg­gen en snuffel niet eerst overal rond.’
‘Ik zal goed oppassen.’ zei Roodkapje tegen haar moeder en gaf er haar de hand op.
Grootmoeder woonde echter buiten in het bos een half uur van het dorp. Toen Roodkapje nu in het bos kwam ontmoette zij de wolf. Roodkapje wist echter niet wat voor een boos dier het was en was niet bang voor hem. ‘Goedemorgen, Roodkapje.’ sprak hij. ‘Dag Wolf.’ – ‘Waarheen ben je zo vroeg op pad, Roodkapje?’ – ‘Naar grootmoeder.’ – ‘Wat draag je daar onder je schortje?’ – ‘Koek en wijn. Wij hebben gisteren gebakken en nu zal grootmoeder die ziek en zwak is zich tegoed kunnen doen en weer aansterken.’ – ‘Rood­kapje, waar woont je grootmoeder?’ – ‘Nog ruim een kwartiertje lopen verder het bos in, onder de drie grote eiken, daar staat haar huis, en beneden staan de notenhagen, dat weet je vast wel,’ zei Roodkapje. De wolf dacht bij zichzelf: ‘Dat jonge tere ding dat is een mals hapje, dat smaakt nog lekkerder dan die oude vrouw; je moet het slim aanleg­gen zodat je ze allebei vangt.’ Daarop liep hij een eindje met Roodkapje mee en zei toen: ‘Roodkapje, zie je al die mooie bloemen niet die overal in het rond staan, waarom kijk je niet om je heen? Ik geloof dat je niet eens hoort hoe liefelijk de vogeltjes zingen. Je loopt maar door alsof je naar school gaat en dat terwijl het hier buiten in het bos zo ver­rukkelijk is.’
Roodkapje keek op en toen zij de zonnestra­len door de bomen zag dansen en zag hoeveel mooie bloemen er overal stonden, dacht zij: ‘Als ik voor grootmoeder een vers geplukt boeketje meebreng zal zij dat heerlijk vinden; het is nog zo vroeg op de dag dat ik toch wel op tijd kom.’ Daarmee liep zij van het pad af het bos in en ging bloemen zoeken. En toen zij er één geplukt had, dacht zij dat er verder­op een nog mooiere stond en liep daarheen en raakte steeds dieper het bos in. Maar de wolf liep rechtstreeks naar het huis van grootmoeder en klopte aan de deur.
‘Wie is daar?’ – ‘Roodkapje, ik breng koek en wijn doe de deur maar open.’ – ‘Druk maar op de klink, ik ben te zwak en kan niet opstaan,’ riep grootmoeder. De wolf drukte op de klink, de deur ging open en hij liep, zonder een woord te zeggen, recht op grootmoeders bed af en slokte haar op. Toen trok hij haar kleren aan, zette haar muts op, ging in het bed liggen en trok de gordijnen dicht.
Roodkapje echter had rondgelopen en bloe­men geplukt en toen zij er zoveel bij elkaar had dat zij er niet meer kon dragen, herin­nerde zij zich haar grootmoeder weer en ging op weg naar haar toe. Zij was verbaasd dat de deur openstond en toen zij de kamer in­stapte was het haar zo vreemd te moede dat zij dacht: ‘Lieve hemel, wat vind ik het hier griezelig vandaag, terwijl ik anders toch zo graag bij grootmoeder ben.’ Zij riep: ‘Goede­morgen,’ maar kreeg geen antwoord. Toen liep zij naar het bed en schoof de gordijnen opzij. Daar lag grootmoeder met de muts over het gezicht getrokken en zij zag er erg vreemd uit. ‘O,  grootmoeder,’ zei zij, ‘wat heb je grote oren.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen horen.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote ogen.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen zien.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote handen.’ – ‘Dat is om je beter te kun­nen pakken.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je een verschrikkelijk grote mond.’ – ‘Dat is om je beter op te eten.’ En nauwelijks had de wolf dat gezegd, of hij was met een sprong het bed uit en verslond het arme Roodkapje. Toen de wolf zat was ging hij weer in het bed liggen, viel in slaap en begon heel hard te snurken.
Toen kwam net de jagersman voor­bij die bij zichzelf dacht: ‘Wat is die oude vrouw aan het snurken. Ik zal eens even kij­ken of haar iets mankeert. Hij ging de kamer binnen en toen hij bij het bed kwam zag hij dat de wolf erin lag. ‘Moet ik je hier vinden, ouwe boosdoener,’ zei hij, ‘ik heb lang naar je gezocht.’ Hij wilde net zijn geweer aanleg­gen toen hij ineens bedacht dat de wolf de grootmoeder wel eens opgeslokt zou kunnen hebben en dat zij misschien nog gered kon worden en dus schoot hij niet maar nam een schaar en begon de buik van de slapende wolf open te knippen. Hij had nog maar een klein eindje geknipt toen hij het rode kapje zag glanzen en na nog een paar knippen sprong het meisje eruit en riep: ‘Ach, wat ben ik geschrokken, wat was het donker in de buik van de wolf.’ En toen kwam de oude grootmoeder er ook nog levend en wel uit, al snakte zij naar adem. Roodkapje haalde ech­ter vlug grote stenen en daarmee vulden zij de buik van de wolf en toen hij wakker werd wilde hij weglopen, maar de stenen waren zo zwaar dat hij meteen in elkaar zakte en dood ter aarde viel.
Toen waren zij alle drie blij. De jager stroop­te het vel van de wolf af en ging ermee naar huis, de grootmoeder at de koek op en dronk de wijn die Roodkapje had meegebracht en knapte weer op, maar Roodkapje dacht bij zichzelf: Zolang ik leef, zal ik nooit meer in mijn eentje van het pad afgaan en het bos inlopen, wanneer mijn moeder mij dat verbo­den heeft.

Ook wordt er wel verteld dat op een keer, toen Roodkapje haar grootmoeder weer koek en gebak ging brengen, een andere wolf haar had aangesproken en van de weg af had wil­len leiden. Roodkapje paste echter wel op en liep rechttoe rechtaan door, en zij vertelde aan grootmoeder dat zij de wolf was tegenge­komen die haar goedendag had gewenst maar zó kwaadaardig uit zijn ogen had ge­keken: Als het niet op de grote weg was ge­weest, had hij mij vast opgegeten! ‘Kom,’ zei de grootmoeder, ‘wij zullen de deur op slot doen, zodat hij niet naar binnen kan.’ Kort daarop klopte de wolf aan en riep: ‘Doe open, grootmoeder, ik ben het, Roodkapje, ik breng koek en gebak voor je mee.’ Zij hielden zich echter stil en deden de deur niet open. Daar­op sloop de Grijskop ettelijke malen om het huis heen, sprong ten slotte op het dak en daar wilde hij wachten tot Roodkapje ’s avonds naar huis ging om haar dan achterna te slui­pen en haar in het donker op te eten. Maar de grootmoeder merkte wat hij in de zin had. Nu stond er voor het huis een grote stenen trog en zij zei tegen het kind: ‘Neem de emmer, Roodkapje, gisteren heb ik worsten gekookt, draag jij het water waarin ze zijn gekookt naar de trog.’ Roodkapje droeg net zo lang worstenat aan tot die hele, grote trog vol was. De wolf kreeg de geur van de wors­ten in de neus, hij snuffelde en keek naar beneden en ten slotte rekte hij zijn hals zo ver uit dat hij zich niet meer kon houden en be­gon te glijden, en zo gleed hij van het dak af regelrecht in de grote trog en verdronk. Roodkapje ging echter opgewekt naar huis en niemand deed haar kwaad.

ROODKAPJE
Heeft het zin om over sprookjes te schrijven en te praten? Spreken de beelden niet direct tot de harten van kinderen en volwassenen? Het spreekt vanzelf, dat een kind niets hoeft te weten van uiteenzet­tingen over sprookjes, ja het is zelfs beter, dat het er niets van weet, want de sprookjeswereld stroomt het liefst een open hart binnen en een onbevangen kind brengt de sprookjeswereld een open hart tegemoet.
Nu is de wijsheid, die de sprookjes in zich bergen niet altijd alleen voor de kinderkamer bedoeld geweest. Integendeel, in vroegere tijden vertelden volwassenen elkaar deze verhalen en de kinderen mochten misschien meeluisteren. Toen de sprookjes van Moeder de Gans opgeschreven werden, werden de sprookjes door vol­wassenen aan volwassenen verteld. Dat valt af te lezen aan de stijl dezer sprookjes. Daarentegen zijn de ca. 100 jaar later door de gebroeders Grimm vastgelegde sprookjes opgeschreven met de speciale bedoeling om als huis- en kindersprookjes te dienen. In die tijd waren deze verhalen al haast uitsluitend in de kinderkamers te vinden.

Toen de sprookjes opgeschreven werden, waren ze al honderden en honderden jaren oud. Wat leefde er toch in deze sprook­jeswereld, die dus oorspronkelijk be­doeld was om van mens tot mens doorge­geven te worden?

Laten wij eens een voorbeeld bekijken, en wel:

ROODKAPJE
Op de een of andere manier vertelt ieder sprookje van de levensweg en de levensproblemen van de mens.
Als wij bijvoorbeeld Roodkapje hier laten volgen om daarin zo:n levensweg aan te tonen, dan zou het raadzaam zijn het sprookje van tevoren eerst te lezen. Als u het doorgelezen hebt zullen de hier volgende toelichtingen veel duidelijker tot u spreken.
Aan het begin van dit sprookje staat de grote liefde van de grootmoeder die het rode kapje aan het kind geeft. Vanaf dit ogenblik draagt het meisje dit kapje altijd. Liefde en warmte om­sluiten het hoofd en maken het mogelijk dat onze gedachten warm kunnen zijn in plaats van dood en koud. Hoe deze mogelijkheid door het leven ontwikkeld kan worden zullen wij aan het eind van dit verhaal zien.
Laten wij eens hand in hand met het kleine meisje op stap gaan en meebeleven, wat er allemaal op haar afkomt.
Eerst wordt zij door haar moeder naar grootmoeder gestuurd met wijn en koek, want grootmoeder is zwak en moet aansterken.
Hier valt ons meteen op, dat 
het doel van deze levensreis “zwak” is en opfrissing verwacht van het mensenkind.
Moeder, die haar op pad stuurt, geeft haar een heleboel levensregels mee:
zeg goedendag, ga niet van de weg af, kijk niet eerst in alle hoeken’.
Welk jeugdig mensenkind heeft niet heel wat van deze levensregels meegekregen en gaat welgemoed zijn levensweg beginnen. Zo belanden wij met Roodkapje in het bos, een situatie in de sprookjeswereld, waar vele helden en heldinnen in terecht komen. Waar zijn wij hier? In een donkere onoverzichtelijke om­geving. Niet alle bossen in de sprook­jeswereld zijn donker en onoverzichte­lijk, maar wel die bossen, waar de be­proevingen voor de held of heldin be­ginnen. Zo ook hier: de wolf verschijnt. Dat is een gebeurtenis, waar moeder niet voor gewaarschuwd heeft. En toch is dit zo’n gevaarlijke ontmoeting. Waarom eigenlijk? Omdat die ontmoeting-  en wij allen, die in zekere zin ook Roodkapje zijn – ontmoeten deze wolf heel persoonlijk dat met goed of slecht gedrag niets te maken heeft. De wolf loopt een stukje met Roodkapje op en vraagt o.a.:  “Waar woont je grootmoeder en wat breng je haar?” Nadat hij door Roodkapje daarover op de hoogte is gebracht zegt hij: “Maar je loopt door het bos alsof je naar school toe gaat!” En hij maakt haar opmerkzaam op de bloemen en de vogels. Ons kind, dat op weg is, ziet nu voor het eerst wat voor heerlijks de wereld om haar heen te bieden heeft; en zij gaat van de weg af om bloemen te plukken. Elke bloem, die zij nog niet heeft, is mooier dan de bloem die zij al geplukt heeft en zij plukt en plukt-zoals zij zichzelf voorspiegelt – een ruikertje voor grootmoeder. Maar feitelijk verliest zij zichzelf geheel en al in deze wereld. Dat is voor de wolf het sein om naar de grootmoeder te gaan en haar op te slokken, haar kleren aan te trekken en haar plaats in te nemen. Dit zich­zelf verliezen in de wereld door bloemen te plukken heeft tot gevolg, dat niet alleen de mens, maar ook het doel waarheen hij streeft, verandert. Nadat Roodkapje zoveel bloemen geplukt heeft, dat zij er niet meer kan vasthouden – het was dus waarachtig geen ruikertje – denkt zij weer aan grootmoeder. En wat beleeft zij nu? In het klassieke vraaggesprek van:” Grootmoeder, wat heb je grote oren, ogen, handen, mond”, spreekt zij de wolf iedere keer met grootmoeder aan. Zozeer is haar onderscheidings­vermogen vertroebeld in het bos met de bloemen en de vogels. Zij heeft zelf zo intens naar de vogels geluisterd, dat haar oren overmatig groot geworden zijn. Wat hebben haar ogen begerig rond gekeken naar bloemen en haar handen die bloemen bij elkaar gegrist. Ook de reukzin en de smaak, die in de grote mond gezeteld zijn, heeft zij zelf ontwikkeld in het bos. Kortom:  zij is het zelf, die daar ligt, en zo verdwijnt zij daar in de donkere buik.
Hier op dit moment houden we onwillekeurig de adem in, want wat moet er nu gebeuren? Wat zal hier redding kunnen brengen?                                                                   Zo’n moment komt in veel sprookjes voor en altijd wordt met grote ernst en ook wel met medelijden verteld, hoe de hulp op komt dagen. Hier is het de jager. Wat is een jager? Dat is een man, die in de dierenwereld van het bos dat hij beheert, orde moet houden. Met zekere hand en scherpe blik schiet hij die dieren weg, die het evenwicht in de dierenwereld zouden verstoren, dus de dieren die teveel zijn of die ziek zijn. Hij kent ook de wolf en heeft hem allang gezocht. Zocht hij hem misschien al vanaf de tijd, dat Rood­kapje bloemen plukte? Maar zijn zelf­beheersing toont hij, doordat hij niet meteen schiet. Neen, hij overlegt eerst en handelt dan. Hij knipt de buik van de wolf open met een schaar. Dat is helemaal geen instrument voor een jager, veeleer voor een kleermaker. Hij bedient zich hier van een instrument dat in de sprookjeswereld door het knappe kleermakertje gehanteerd wordt, waardoor dit ventje laat zien dat het zeer bij de pinken is. Wat ziet de jager nu het eerst in de duisternis van de buik? Het rode kapje glanst hem tegemoet. Dit is zeer verrassend, want een gewoon rood kapje zou in de donkerte niet glanzen, er moet dus licht uitgaan van dit kapje. En dat is wat door het leven in de duister­nis als nieuwe eigenschap is ver­worden. Zo komt Roodkapje uit de duisternis in het licht. Ook grootmoeder komt nu op krachten door de wijn en de koek. Zij hoeft niet meer in bed te liggen en is weer aangesterkt. De jager krijgt de vacht van de wolf. Natuurlijk, die is van hem, hij is immers degeen, die met de dierlijke machten om kan gaan. Verenigd in het huis zijn nu de jager, de grootmoeder en Roodkapje. Zij vormen tezamen een levensresultaat, dat Rood­kapje samenvat in de woorden: ” Ik zal nooit meer van de rechte weg afwijken, als moeder het verboden heeft”.
Wat haar in ’t begin van haar levens­weg meegegeven is door de moeder, dat heeft zij zich nu als eigendom ver­worven. “IK” zal nooit enz. Zo sluit deze levensweg met de dankbare her­innering aan haar oorsprong (de moeder en de volwassenwording van het ik.)
Als de ouders deze sprookjes aan hun kinderen vertellen, dan geven zij met de beeldenwereld wijsheid mee, die dieper doorwerkt dan een gewoon ver­haaltje. Immers ieder kind vereenzel­vigt zichzelf met de hoofdpersoon en daarom vereisen deze beelden een in­nerlijke activiteit van de verteller en de toehoorder, en daardoor ontstaat de innige band tussen beiden. Het is natuurlijk gemakkelijker een kind voor de t.v. te zetten maar de  moeite die de ouders zich getroosten om zelf sprookjes te vertellen of voor te lezen draagt voor beiden goede vruchten. U heeft in het sprookjes­boek een bron van vreugde in uw handen, een vreugde voor het hele gezin. Als de sprookjes met rust en liefde verteld worden zonder de emoties de vrije loop te laten en als wij in staat zijn het goede in het sprookje voor 100% naar voren te halen in ons vertellen, dan is het boze, zoals hier de wolf, alleen een beproeving die overwonnen wordt. Diep in de kinderziel ontstaat dan de zekerheid dat ook hij of zij deze overwinning zal behalen. Probeert u het eens een poosje. Voor onze tegenwoordige tijd werken deze beelden als een gezonde voeding voor het kind.

(Mevr. Weissenberg, nadere gegevens ontbreken)

Sprookje nr. 26 van Grimm, uitgave Lemniscaat, Rotterdam.

Roodkapje
Rotkäppchen
Uit de Mainstreek
Een van de meest bekende sprookjes, die door vele mensen op zeer verschillende wijze zijn uitgelegd. (Zie bv. Fromm: ‘Dromen, sprookjes mythen’.) De merkwaardige aanduiding dat het huisje van de grootmoeder staat onder de drie eiken, duidt volgens sommigen op een mysterieplaats waar een inwijding plaats vond.
Bij Perrault (Chaperon Rouge) eindigt het verhaal met de dood van het meisje. Een Zweedse ballade vertelt hoe een meisje moet gaan waken bij een lijk. Onderweg ontmoet zij de wolf en klimt van angst in een boom. Maar de wolf graaft de wortels op en de boom stort neer.
Sprookjes met slechte afloop (Schreckmärchen, Warnmärchen) werden vroeger verteld om kinderen af te schrikken voor gevaren als: aan het water komen, alleen het bos ingaan, de deur openen als je alleen thuis bent.
.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

210-199

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-1/1)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES 

Vrouw Holle 

Een weduwe had twee dochters: de ene was mooi en vlijtig, de andere lelijk en lui. Zij hield echter veel meer van de lelijke en luie omdat deze haar echte dochter was en de andere moest al het werk doen en de assepoes in huis zijn. Het arme meisje moest iedere dag op de grote weg bij een put gaan zitten en zoveel spinnen dat het bloed uit haar vin­gers liep. Nu gebeurde het eens dat de spoel helemaal bebloed was; toen bukte zij zich over de put om de spoel af te wassen. Hij sprong echter uit haar hand en viel naar be­neden. Het meisje huilde, liep naar haar stiefmoeder en vertelde haar van het onge­luk. Deze schold haar echter zo hevig uit en was zo onbarmhartig dat zij sprak: ‘Als jij je spoel er in hebt laten vallen moet jij hem er ook weer uithalen.’ Toen ging het meisje terug naar de put en wist niet wat ze moest beginnen; en in haar grote angst sprong zij in de put om de spoel te halen. Zij verloor haar bewustzijn en toen zij weer wakker werd en tot zichzelf kwam was zij op een mooie weide waar de zon scheen en duizenden bloemen stonden. Op deze weide liep zij voort en toen kwam zij bij een oven vol brood: het brood riep echter: ‘O, haal mij er uit, haal mij er uit, anders verbrand ik; ik ben allang gaar’. Toen ging zij ernaartoe en met de ovenpaal haalde ze alles achter elkaar eruit. Daarna ging zij verder en toen kwam zij bij een boom die vol appels hing en die haar toeriep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn appels zijn alle­maal rijp.’ Toen schudde zij de boom zodat de appels als een regen naar beneden vielen en zij bleef schudden tot er niet één meer in hing; en toen zij ze allemaal op een hoop bij elkaar had gelegd ging zij weer verder. Ten­ slotte kwam zij bij een huisje waaruit een oude vrouw naar buiten keek; maar omdat zij zulke grote tanden had sloeg het meisje de schrik om het hart en zij wilde weglopen. De oude vrouw riep haar echter na: ‘Waarom ben je bang. kindlief? Blijf bij mij; wanneer je al het werk in mijn huis netjes wilt doen. zal je het goed hebben. Je moet er alleen voor zorgen dat je mijn bed goed opmaakt en het vlijtig opschudt zodat de veren in het rond vliegen, dan sneeuwt het op de aarde; ik ben Vrouw Holle.’
Omdat de vrouw haar zo vriendelijk toesprak, vatte het meisje moed, stemde toe en trad bij haar in dienst. Zij deed alles tot haar tevredenheid en schudde haar bed altijd geweldig goed op zodat de veren als sneeuwvlokken in het rond vlogen: in ruil daarvoor had zij dan ook een goed leven bij haar, kreeg geen boze woorden te horen en at iedere dag alles wat maar lekker is. Toen zij nu een tijdlang bij Vrouw Holle was, werd zij treurig en wist in het begin niet wat haar scheelde; eindelijk merkte zij dat het heim­wee was; hoewel zij het hier wel duizend maal beter had dan thuis, verlangde zij daar toch naar. Ten slotte zei zij tot Vrouw Holle: ‘Ik verlang zo verschrikkelijk naar huis en al heb ik het hier beneden ook nog zo goed, ik kan toch niet langer blijven, ik moet weer naar boven, naar mijn familie.’ Vrouw Holle zei: ‘Het doet mij plezier dat je weer naar huis verlangt en omdat je mij zo trouw ge­diend hebt, zal ik je zelf weer naar boven brengen.’ Daarop nam zij haar bij de hand en bracht haar tot voor een grote poort. De poort ging open en juist toen het meisje er­onder stond viel er een stortvloed van goud neer en al het goud bleef aan haar hangen, zodat zij er helemaal mee bedekt was. ‘Dat mag je hebben omdat je zo vlijtig bent ge­weest,’ sprak Vrouw Holle en gaf haar ook de spoel terug die in de put was gevallen. Daar­op werd de poort gesloten en het meisje be­vond zich weer boven, op de aarde, niet ver van het huis van haar moeder; en toen zij het erf opkwam zat de haan op de put en riep:

‘Kukeleku.
Terug is onze gouden jonkvrouw nu.’

Toen ging zij naar binnen naar haar moeder, en omdat zij daar zo met goud bedekt aan­kwam werd zij door haar en door haar zuster goed ontvangen.

Het meisje vertelde alles wat haar overko­men was en toen haar moeder hoorde hoe zij aan die grote rijkdom was gekomen wilde zij haar andere, lelijke en luie dochter graag het­zelfde geluk bezorgen. Zij moest bij de put gaan zitten spinnen; en om haar spoel met bloed te bevlekken, prikte zij in haar vinger en stak haar hand in de doornhaag. Vervol­gens wierp zij de spoel in de put en sprong er zelf ook in. Zij kwam, net als het andere meisje, op de mooie weide en volgde hetzelf­de pad. Toen zij bij de oven kwam riep het brood weer: ‘O, haal mij eruit, haal mij eruit, anders verbrand ik, ik ben allang gaar.’ Het luie meisje antwoordde echter: ‘Denk je dat ik zin heb om mij vuil te maken!’ en ging verder. Spoedig kwam zij bij de appelboom die riep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn ap­pels zijn allemaal rijp.’ Zij antwoordde ech­ter: ‘Dank je wel, er zou er eens een op mijn hoofd kunnen vallen’ en met die woorden liep zij verder. Toen zij voor het huis van vrouw Holle kwam was zij niet bang, omdat zij al alles over haar grote tanden had ge­hoord en zij trad bij haar in dienst. De eerste dag deed zij zichzelf geweld aan, was vlijtig en gehoorzaamde Vrouw Holle als ze haar iets opdroeg, want zij dacht aan al het goud dat deze haar zou schenken; de tweede dag begon zij evenwel al te luieren, de derde dag nog meer, toen wilde zij ’s och­tends helemaal niet opstaan. Zij maakte het bed van Vrouw Holle niet op zoals het hoor­de, en zij schudde het niet zodat de veren eruit vlogen. Daar kreeg Vrouw Holle gauw genoeg van en zij zei haar de dienst op. Het luie meisje was daar heel tevreden over en dacht dat nu de goudregen wel zou komen; Vrouw Holle bracht haar ook naar de poort. Toen zij daar echter onder stond werd er in plaats van goud een grote ketel vol pek over haar uitgestort: ‘Dat is de beloning voor je diensten.’ zei Vrouw Holle en zij deed de poort dicht. Toen kwam het luie meisje thuis, zij was echter helemaal met pek bedekt en de haan op de put riep, toen hij haar zag:

‘Kukeleku,
Terug is onze vuile jonkvrouw nu.’

Het pek bleef echter aan haar kleven en het ging er zo lang zij leefde, niet meer af.

Vrouw Holle
In de sprookjesbundel van de gebroe­ders Grimm, komt een sprookje voor met de titel Vrouw Holle. Het begint als volgt: ‘Een weduwe had twee doch­ters; de ene was mooi en vlijtig, de an­dere lelijk en lui. Maar zij hield veel meer van de lelijke en luie, omdat die haar eigen dochter was en de andere moest al het werk in huis doen…’

Het sprookje vertelt verder hoe het mooie meisje elke dag aan de weg moet zitten spinnen, zóveel, dat het bloed uit haar vingers springt en ook hoe zij de spoel van bloed wil schoon wassen en hem in de put verliest. Wan­neer zij dit huilend komt vertellen aan haar stiefmoeder, zegt deze onbarm­hartig: ‘Als jij je spoel in de put hebt laten vallen, moet je hem er weer uit­halen ook!’
In haar angst springt het meisje in de put en verliest haar bewustzijn. Wan­neer zij ontwaakt en tot zichzelf komt, is zij in een weide waar de zon schijnt en duizenden bloemen bloeien. Zij gaat op weg en vindt enkele taken op haar pad: een oven met gaar brood en een appelboom met appels. Zij haalt het brood uit de oven en plukt de ap­pels van de boom. Na verloop van tijd komt zij bij het huisje van Vrouw Hol­le.

Nu kan men zich afvragen waar zich dit gebied van Vrouw Holle bevindt. Is het een onderaards rijk, waarin zij te­recht is gekomen? Het meisje is naar beneden gesprongen, de put in en juist als zij in de grootste benauwenis ver­keert en denkt dat er geen uitweg meer is, blijkt er een toegangspoort tot een weide te zijn. De put wordt een poort. Alleen weet het meisje niet hóe zij door de poort gaat, want zij verliest het bewustzijn en wordt ergens anders wakker. Vrouw Holle wordt beschreven als een oude vrouw met grote tanden. Aanvan­kelijk is het meisje bang voor haar, maar zij overwint haar vrees en treedt bij Vrouw Holle in dienst. Zij moet hard werken om het huisje schoon te houden en de dekbedden flink schud­den, zodat de veren in het rond vlie­gen: ‘dan sneeuwt het in de wereld.’
Nu moeten wij wel bewegelijk en soe­pel worden in onze gedachtegang: het rijk dat eerst onderaards leek te zijn, blijkt nu een oord te zijn waar de sneeuwvlokken vandaan komen, die op aarde neerdalen. Het meisje heeft het goed bij Vrouw Holle, maar na een tijdje krijgt zij heimwee en wil zij weer naar huis. Vrouw Holle brengt haar zelf ‘naar boven’, naar een poort en wanneer zij daar doorheen gaat, stroomt er goud over haar heen, dat aan haar blijft kle­ven. Ook krijgt zij van Vrouw Holle haar spoel terug. Zij komt weer op aarde, vlak bij haar eigen huis, bij de put waar nu de haan op de rand zit en haar welkom heet: ‘Kukeleku, onze gouden jonkvrouw zien we nu!’

Dan krijgen we dit hele avontuur nog eens, maar allemaal een beetje anders. Het stiefzusje wordt er nu op uit ge­stuurd om met goud thuis te komen. Zij komt ook bij Vrouw Holle, maar zonder te werken. Je zou kunnen zeg­gen dat zij vals speelt. Zij spint niet, maar prikt zich in de vingers en smeert het bloed aan de spoel. Zij laat de ta­ken van brood en appels ongedaan. Zij kan het niet laten sneeuwen. Toen zij nog bij haar moeder was heeft zij niet gewerkt en bij Vrouw Holle kan ze het niet meer leren. Ten slotte komt ze met pek bedekt weer thuis. In dit deel van het verhaal heerst een onwerkelijke stemming. Alles speelt zich veel sneller af dan de eerste keer, omdat de blik van het meisje steeds gericht is op het resultaat van haar verblijf bij Vrouw Holle. Je zou haar kunnen beschouwen als de schaduw van de eerste tocht, zoals je haar kunt beschouwen als de schaduw van het lichte, gouden meisje. Wij moeten niet denken dat deze zusjes twee verschillende personages zijn. Veeleer zijn zij twee aspecten van de mensenziel, waartoe ook de moeder en de haan behoren.

Maar wie is nu Vrouw Holle? Nu zij wij gelukkig niet alleen op dit sprookje aangewezen om een antwoord te vinden op deze vraag. Er bestaat een bundel sprookjes en sagen, geheel aan Vrouw Holle gewijd en verzameld door Karl Paetow*, waaruit wij een duidelijk beeld kunnen krijgen. Hierin komen wij Vrouw Holle tegen onder verschillende namen, in verschillende gedaanten en werkzaamheden.

(Margreet van der Heijden in ‘Jonas’ nr.11, 25-01-1980)

.

Sprookje nr. 24 van Grimm, uitgave Lemniscaat, Rotterdam.
Beschrijving van het sprookje in deze uitgave:

24.Vrouw Holle
Frau Holle
Uit Westfalen en Hessen
Grimm geeft in zijn commentaren een hele rij sprookjes die op Vrouw Holle lijken, maar andere avonturen geven vqn het leven onder de bron, één zelfs verwant met Hans en Grietje in het broodhuisje.
Dr. W.C. de Graaf: ‘Geneeskunde door de eeuwen heen’ geeft van de vlier (Du. Hollunder) andere namen: holderterre, holluntaar. Hij noemt het een boom die gewijd is aan Vrouw Holle, godin van de aarde en van leven en dood.
Zij gaf haar naam aan de onderwereld (hel). Haar feest werd gevierd op 2 februari, later Maria Lichtmis.
Door sommigen wordt dit sprookje in verband gebracht met de reïncarnatiegedachte. Vrouw Holle speelt haar rol tussen dood en geboorte, de stiefmoeder heeft de hoofdrol tussen geboorte en dood. Als het sneeuwt zeggen de mensen in Hessen nog: ‘Frau Holle macht ihr Bett.’
Dit sprookje komt voor in de Elzas, Italië (Pentamerone) en Noorwegen.

*Vrouw Holle;  De koningin van de Rosentuin

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

209-198

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-1)

.

DE BEELDENTAAL VAN HET SPROOKJE

 

HET AARDMANNEKE [1]
Er was eens een rijke koning, die drie doch­ters had die elke dag in de slottuin gingen wandelen: de koning nu was een groot lief­hebber van allerlei mooie bomen: en van een ervan hield hij zoveel, dat hij degene die er ooit een appel van plukte, honderd vadem diep onder de aarde verwenste.
Toen het nu oogsttijd was, werden de appels aan die ene boom zo rood als bloed. De drie dochters gingen elke dag onder de boom kijken of de wind soms een appel had afgerukt, maar van hun levensdagen vonden zij er geen, en de boom zat zo vol dat hij op breken stond en de takken hingen tot op de grond. Toen kreeg het jongste koningskind er geweldig veel zin in en zij sprak tot haar zusters: ‘Onze vader heeft ons veel te lief om ons te verwensen: ik geloof dat het alleen maar voor vreemde mensen geldt.’ En ondertussen plukte het kind een heel dikke appel af, sprong naar haar zusters en zei: ‘O, proef nu eens, mijn lieve zusterkens, zo iets heerlijks heb ik van mijn levensdagen nog nooit geproefd.’ Toen beten de beide andere koningsdochters ook in de appel en meteen verzonken zij alle drie zo diep onder de aarde, dat er geen haan meer naar hen kraaide.

’s Middags wil de koning hen aan tafel roe­pen, maar zij zijn nergens te vinden: hij zoekt zowel in het slot als in de tuin, maar hij kan hen niet vinden. Dan wordt hij zielsbedroefd en laat in het hele land omroepen, dat wie zijn dochters terugbrengt een van haar tot vrouw zal krijgen. Toen trokken vele jonge mannen het veld in om overal te zoeken, want ze hadden allen veel van de drie kinde­ren gehouden, die altijd vriendelijk waren voor iedereen en ook zo lief om te zien. En er trokken ook drie jonge jagers op uit en toen die zowat acht dagen gereisd hadden, kwa­men ze bij een groot slot met mooie zalen en in één kamer is een tafel gedekt waar heer­lijke zoete spijzen op staan, die nog zo warm zijn dat ze dampen; in het hele slot is evenwel geen mens te horen of te zien. Daar wachten zij nog een halve dag en de spijzen blijven maar warm en blijven dampen: tenslotte worden zij zo hongerig dat zij gaan zitten eten, en zij spreken samen af dat zij in het slot zullen blijven wonen en erom zullen lo­ten wie thuis zal blijven, terwijl de beide an­deren de dochters zoeken: dat doen ze ook en het lot treft de oudste. De volgende dag gaan de twee jongsten zoeken en de oudste moet thuis blijven. ’s Middags verschijnt er een klein, klein manneke en smeekt om een stukje brood: de jager neemt het brood dat hij daar had gevonden en snijdt er rondom een stuk van af en wil dat aan hem geven; terwijl hij het hem aanreikt laat het kleine manneke het vallen en vraagt of hij zo vriendelijk wil zijn hem het stukje terug te geven. Maar als hij dat wil doen en zich bukt, pakt het manneke op hetzelfde ogenblik een stok, grijpt hem bij zijn haar en geeft hem een flink pak slaag. De volgende dag is de tweede thuis gebleven, die vergaat het niet beter. Als de beide anderen ’s avonds thuiskomen, zegt de oudste: ‘Nou. hoe is het je gegaan?’ – ‘O. het gaat mij heel slecht.’ Toen klaagden zij elkaar hun nood, maar aan de jongste vertelden zij er niets over, die mochten zij helemaal niet lijden en zij noemden hem altijd domme Hans, omdat hij niet helemaal met zijn benen op de grond stond. De derde dag bleef de jongste thuis, dan komt het kleine manneke weer om een stukje brood vragen; als hij het hem heeft gegeven laat hij het weer vallen en vraagt of hij zo vriendelijk wil zijn hem het stukje terug te geven. Dan zegt hij tegen het man­neke: ‘Wat! kun jij dat stuk niet zelf oprapen: als je zelfs die moeite niet wilt doen voor je dagelijks voedsel, ben je ook niet waard het op te eten.’ Dan wordt het manneke erg boos en zegt dat hij het moet doen: maar hij, ook niet lui, pakte het lieve manneke beet en gaf hem een flink pak slaag. Toen schreeuwde het manneke het uit en riep: ‘Houd op,  houd op en laat me los, dan zal ik je zeggen waar de koningsdochters zijn.’Toen hij dat hoorde, hield hij op met slaan en het manneke vertelde dat hij een aardmanneke was, dat er meer dan duizend waren zoals hij en hij moest maar eens met hem meekomen, dan zou hij hem wijzen waar de koningsdochters waren. Dan wijst hij hem een diepe bron,  maar er is geen water in. Het manneke zegt dat hij wel weet dat zijn metgezellen het niet eerlijk met hem menen; wanneer hij de ko­ningskinderen wilde verlossen, moet hij het alleen doen. De beide andere broers wilden ook wel graag de koningsdochters terug heb­ben, maar zij hebben er geen moeite en ge­vaar voor over; hij moest een grote mand nemen en er met zijn hartsvanger en een bel in gaan zitten en zich naar beneden laten zakken: beneden waren drie kamers, in elk daarvan zat een koningskind met een draak met vele koppen die ze moest ontluizen; die moest hij zijn koppen afslaan. Toen het aard­manneke dat alles had gezegd, verdween het. Als het avond is, komen de beide anderen en zij vragen hoe het hem is gegaan: dan zegt hij: ‘O. wel goed.’ Hij had geen mens gezien, alleen ’s middags was er een heel klein man­neke gekomen die hem om een stukje brood had gevraagd: toen hij het hem gegeven had, had het manneke het laten vallen en gezegd, of hij zo goed wou zijn het voor hem op te rapen: toen hij dat niet had willen doen, was het begonnen op te spelen, maar dat was aan het verkeerde adres geweest en hij had het manneke een pak slaag gegeven en toen had die hem verteld waar de koningsdochters wa­ren. Toen ergerden die twee zich groen en geel. De volgende morgen gingen zij samen naar de bron en lootten wie het eerst in de mand zou gaan zitten; toen viel het lot weer op de oudste, hij moest erin gaan zitten en de bel meenemen. Dan zegt hij: ‘Als ik bel, moe­ten jullie mij snel weer naar boven trekken. Toen hij pas een klein eindje was gezakt, belde hij al en zij trokken hem weer naar boven; daarop ging de tweede erin zitten, die deed net zo; nu komt de jongste aan de beurt, maar die laat zich helemaal tot beneden toe zakken. Als hij uit de mand is geklommen, neemt hij zijn hartsvanger en gaat voor de eerste deur staan luisteren: daar hoort hij de draak heel luid snurken. Hij doet langzaam de deur open, daar zit de ene koningsdochter en heeft op haar schoot negen drakenkoppen liggen die zij aan het ontluizen is. Hij neemt dan zijn hartsvanger en slaat toe en de ne­gen koppen zijn eraf. De koningsdochter sprong op en viel hem om de hals en omhels­de en kuste hem, en zij neemt haar borstsie­raad dat van zuiver goud is en hangt hem dat om. Dan gaat hij ook naar de tweede koningsdochter die een draak met zeven kop­pen te luizen had en verlost die ook en naar de jongste die een draak met vier koppen te luizen had, daar gaat hij ook heen. Toen wa­ren zij allemaal zo blij en zij omhelsden en kusten hem zonder ophouden. Toen belde hij zó hard, dat ze het boven hoorden. Hij zet dan de ene koningsdochter na de andere in de mand en laat ze alle drie naar boven trek­ken; toen hij nu zelf aan de beurt was, scho­ten hem de woorden van het aardmanneke weer te binnen, dat zijn metgezellen het niet goed met hem meenden. Dus neemt hij een grote steen die daar ligt en legt die in de mand; als de mand zo ongeveer halverwege is, snijden de valse broers boven het touw door, zodat de mand met de steen op de grond valt; zij dachten dat hij nu wel dood was en lopen met de drie koningsdochters weg en laten hen beloven om tegen hun va­der te zeggen dat zij beiden hen hadden ver­lost; zo komen ze bij de koning en vragen hen tot vrouw. Intussen loopt de jongste jager diepbedroefd in de drie kamers rond en hij denkt dat hij nu wel zal moeten sterven; daar ziet hij aan de wand een rietfluitje hangen en zegt: ‘Waarom hang jij daar eigenlijk, hier kan toch niemand vrolijk zijn?’ Hij bekijkt ook de drakenkoppen en zegt: ‘Jullie kunt mij ook niet helpen.’ Hij loopt zolang heen en weer dat de aarden vloer er helemaal glad van wordt. En tenslotte komt hij op andere gedachten, hij neemt het rietfluitje van de wand en blaast een wijsje; opeens komen er een heleboel aardmannekes te voorschijn; bij elke toon die hij blaast, komt er een bij – dus blaast hij dat wijsje net zolang tot de kamer propvol is. Nu vragen ze allen wat hij wenst; hij zegt dat hij graag weer naar het daglicht wil op de aarde; ze pakken hem dan met zijn allen beet, elk aan een van de haren die hij op zijn hoofd heeft, en zo vliegen zij met hem naar boven tot op de aarde. Als hij boven is, gaat hij terstond naar het koningsslot waar juist de bruiloft met de ene koningsdochter zal gehouden worden, en hij gaat naar boven naar de kamer waar de koning met zijn drie dochters zit. Als de kinderen hem zien. vallen zij in zwijm. Daar wordt de koning zo boos om dat hij hem meteen gevangen laat zetten, want hij denkt dat hij de kinderen kwaad heeft gedaan. Maar als de koningsdochters weer zijn bijgekomen smeken zij dringend hem toch weer vrij te laten. De koning vraagt hun waarom; dan zeggen zij dat zij dat niet mogen vertellen, maar de vader zegt dat zij het dan maar aan de kachel moeten vertel­len. Hij gaat dan buiten aan de deur staan luisteren en hoort alles. Dan laat hij de beide broers aan de galg ophangen en aan de an­dere geeft hij de jongste dochter. En toen trok ik een paar glazen schoenen aan en stootte ze aan een steen: toen zei het: ‘Klink!’ en toen waren ze kapot.

De beeldentaal van het sprookje

 

Paradijs en zondeval
Het sprookje van het Aardmannetje (nr. 91) van de Sprookjes van Grimm in de uitgave van De Haan) vertelt van een rijke koning, die drie dochters heeft. Deze dochters wan­delen elke dag in de tuin van het paleis, waar veel mooie bomen in staan. Eén boom draagt prachtige appels ‘zo rood als bloed’, maar juist van deze boom heeft de koning gezegd, dat als iemand ‘daar maar één ap­peltje van plukte’, hij hem honderd vadem diep onder de aarde wenste.
De meisjes zoeken elke dag onder die boom, of de wind niet een appel heeft afgewaaid. Maar tevergeefs! Op een keer, in de herfst, krijgt de jongste dochter er zo’n zin in, dat ze tegen haar zusters zegt: ‘Onze vader houdt veel te veel van ons, dat hij ons iets kwaads zou toewensen: ik geloof dat hij dat alleen maar gezegd heeft met het oog op vreemden’.
Zij plukt een heel dikke appel af en zegt: ‘O proef nu eens, lieve zusjes, nu heb ik toch van mijn leven niet zo iets lekkers geproefd’. Dan bijten ook de andere twee prinsessen in de appel ‘en toen verzonken ze alle drie diep onder de aarde, en er kraaide geen haan naar’.

Het beeld van het oude paradijsverhaal staat voor onze ogen: de mens grijpt naar ­de vruchten van de boom der kennis, wordt uit de beslotenheid van het goddelijk para­dijs verstoten en gekluisterd aan het leven op aarde.
Dit is de grote lijn in beide ver­halen.
Typerend voor het sprookje is echter het beeld van de drie prinsessen. Het zielenelement van de mens verschijnt in drievoud. Het ‘oudste’ vermogen van de mens is zijn denken. Oud, omdat het ’t meest doorvormd, ’t meest concreet is. Oud ook in dit opzicht, dat het fysieke instrument, de hersenen, het minst doorleefde deel van het menselijk lichaam is. In het voelen is de mens jonger, levender, spontaner, minder concreet: het leeft in het middengebied van borst, hart en longen. Het jongst is het wil­len: het minst bewuste, het meest onbereken­bare deel van de mens.

In het sprookje kunnen we iets van deze driedeling bevestigd zien. Het blijkt dat de oudste dochter door een draak met negen, de middelste door een draak met zeven, en de jongste door een draak met vier koppen bewaakt wordt.
Het denken leeft in de wijd­heid van de negen, het getal van de hemelse hiërarchische ordening zoals Dionysios Areopagita die kende; in het gevoel leeft de orde van de zeven, die we kennen in de zeven grondtonen, de zeven grondkleurcn; en door de wil bewegen we ons in de vier windrichtingen op aarde.
De jongste dochter is de actieve, die de appel afplukt, maar toch ligt juist hier het grote verschil met het bijbelse scheppings­verhaal. Zij plukt de appel af in het volle vertrouwen op de liefde van de vader, en zij, de jongste, wordt in dit vertrouwen niet be­drogen! Zij verzinkt niet in het onderaardse. Dat gebeurt pas als de andere twee in de appel bijten.
Is er een beter beeld te be­denken voor de menselijke ziel, die ondanks twijfel in het denken en verscheurdheid in het gevoelsleven, zich in haar wilsleven toch geborgen weet in haar verbondenheid met een hogere bestemming? Het is dan ook de jongste dochter, die met haar bevrijder het rijk van haar vader erft.

De drie jagers
Als in het sprookje van het Aardmannetje de drie koningsdochters in het onderaardse verdwenen zijn doordat zij van de verboden boom hebben gegeten, belooft de koning zijn dochters tot vrouw aan wie hen weet te bevrijden.
Drie jagers trekken erop uit. Na acht dagen komen zij aan een groot kasteel en vinden daar een tafel gedekt, voorzien van heerlijke spijzen, die nog zo warm zijn dat ze dampen, hoewel er in het hele slot geen mens te horen of te zien is. Ze wachten nog een halve dag. De gerechten blijven warm en dampen nog steeds. Dan zijn ze zo hongerig geworden, dat zij aan tafel gaan en eten. Ze besluiten op het kasteel te blijven en om beurten met zijn tweeën de dochters te gaan zoeken.

Tegenover het zielselement van de drie dochters hebben we in de drie jagers het beeld van de geest van de mens, die zich voelt opgeroepen om tot die diepe geheimen van deze wereld door te dringen. In welk gebied zijn de jagers doorgedrongen? Waar vinden we het gebied waar de spijzen steeds warm op tafel staan? Het is het gebied van de pure levenskrachten. Overal in de natuur beleven we iets  van die onverwoestbare krachten die steeds ‘dampende warmte’, steeds nieuw leven produceren.

Het is typerend voor de Middeneuropese mens, dat hij, althans in zijn oorspronkelijke zielsgesteldheid, met een zekere schroom te­genover het mysterie van het leven staat: ‘zij wachten nog een halve dag’. In het Vlaamse parallelsprookje van ‘De dappere sergeant’ vallen de drie zonder dralen op het eten aan: de Westeuropese mens dringt onbeschroomd en direct door in wat zich aan hem voordoet. En wel met een wakker bewustzijn: ‘zij begrepen dat het een beto­verd kasteel was,’ vertelt dit sprookje ons.

Hoe anders is daartegenover het beleven van de Russische mens! In het sprookje van Zorjka, Wetsjorka en Poloenotsjka komen de drie broers na een lange tocht in een verlaten hutje met een stal vol schapen er­naast. Deze drie broers zijn koningszonen, de drie prinsessen dochters van de sultan van Indië. De Russische ziel kent de konink­lijke oorsprong van de menselijke geest, en uit dat perspectief gezien, is het mysterie van het leven slechts een hutje.

De drie jagers vertegenwoordigen in het geestgebied wederom de drie krachten van denken, voelen en willen. Dat wordt in het verdere verhaal duidelijk, wanneer het de jongste blijkt te zijn — ‘ze hadden hem altijd domme Hans genoemd’ — die in staat is in de diepte door te dringen en de prinsessen te bevrijden. In het Russische sprookje is dat uitgedrukt in de namen Zorjka, de zoon van de werkster, die bij de dageraad geboren is, Wetsjorka, de zoon van de hofdame, die in de avond geboren is, Poloenotsjka, de zoon van de koningin, die te middernacht geboren is (zij groeien alle drie op als koningszonen): in de dageraad werkt onze wil, in de avond ons voelen, te middernacht kunnen zich de diepste gedachten ontplooien.

De drempelwachter
De drie jagers. die — in het sprookje van het Aardmannetje – op zoek zijn gegaan naar de drie verdwenen prinsessen en die uit het kasteel waar de  spijzen dampend op tafel staan, twee aan twee erop uittrekken om de omgeving te verkennen, maken in dit slot kennis met een heel wonderlijk manne­tje: het was ‘zo’n klein, klein mannetje’; in het overeenkomende Russische sprookje is hij niet groter dan de nagel van een duim, maar heeft een geweldige baard. Dit mannetje verschijnt alleen als één van de drie al­leen is. Dan vraagt hij om een stukje brood, maar als het hem gegeven wordt, laat hij het vallen en dringt erop aan, dat het voor hem wordt opgeraapt. De oudste en de tweede jager geven hier gehoor aan, maar op het moment dat zij zich bukken, maken ze kennis met zijn werkelijke kracht: hij neemt een stok, grijpt hen bij de haren en geeft hun een geducht pak slaag. Alleen de jongste, aan wie de ouderen niets van hun ervaringen hebben verteld, weerstaat het mannetje, hij weigert het stukje brood op te rapen en, als het mannetje zich vreselijk kwaad maakt, pakt hij het beet en slaat er flink op los. Het mannetje smeekt om zijn leven en zegt: ‘dan zal ik je ook zeggen waar de prinsessen zijn.’ Het wijst hem een diepe put, waarin hij ‘met een hartsvanger en een bel’ in een mand moet afdalen; dan beschrijft het hoe hij daar beneden de prin­sessen zal vinden en kan bevrijden, en waarschuwt hem de tweede andere ‘broers’ (zegt het sprookje hier) niet te vertrouwen.
In dit wonderlijke kasteel, waar de spijzen steeds dampend warm op tafel staan, in dit onuitputtelijke gebied van de levenskrachten, ontmoeten de drie jagers een kracht, die hen om beurten op de proef stelt. In feite worden zij beproefd, of zij waarheid en schijn — alsof het mannetje niet zelf het brood kon oprapen — kunnen onderscheiden. De beide oudsten, die wij kunnen zien als de vertegenwoordigers van het verstand en het gevoel, zijn daartoe niet in staat. In de jongste kracht, de wil, ligt deze tref­zekerheid. Daarom is het aan hem, dat het mannetje vertelt waar en hoe de prinsessen te vinden zijn.

Wie is deze drempelwachter in het gebied van de levenskrachten? Het is een wezen dat nauwkeurig het lot van de aan de aarde  ge­kluisterde, menselijke zielenkrachten kent. Ja,  het Russische sprookje van Zorjka en Po­loenotsjka weet ons zelfs te vertellen, dat dit mannetje hetzelfde wezen is, dat de ver­dwijning van de drie prinsessen heeft be­werkt. Maar het wonderlijke is, dat in het Russische sprookje het mannetje een veel minder opvallende rol speelt. Hij is slechts een stap op de weg die de drie broers afleg­gen: zij moeten nog een uiteenzetting heb­ben met Poljanin de Witte, de gewetenloze snoever, en met Baba Jaga, de met doodskrachten omhulde, voordat zij het punt be­reiken waar zij kunnen afdalen naar de ver­borgen prinsessen. Het Duitse sprookje, en ook het Vlaamse parallel ervan, kennen de krachten in de wereld, die het boze vertegenwoordigen, maar tegelijkertijd de positieve opdracht hebben om de mens op de weg tot zijn hogere bestemming te brengen. Maar zij kennen ze slechts in enkelvoudige vorm. De Russische ziel toont in het sprookje van Zorjka, Wetsjorka en Poloenotsjka een be­wustzijn van de geleding van het boze op aarde in zeer verschillende aspecten.

De afdaling in de onderwereld
In alle streken van Europa, van Rusland tot Portugal, van Sicilië tot Denemarken, van Griekenland tot Vlaanderen, zijn sprookjes te vinden, die evenals het sprookje van het Aardmannetje de afdaling in de onderwe­reld beschrijven, waarin drie prinsessen ge­vangen worden gehouden. Het zijn drie ja­gers, broers, prinsen of oersterke kerels, die zich, op zoek naar de drie prinsessen, voor de noodzaak zien gesteld om in een donkere, diepe put af te dalen.
Van de drie oerver­mogens van de menselijke geest, het denken, voelen en willen, is het in de meeste sprook­jes het willen, dit minst bewust ontwikkelde vermogen (daarom de ‘jongste’ broer), dat de moed opbrengt om zo diep in het aardse gebied af te dalen, dat het de gekluisterde zielskrachten kan bereiken. Hierdoor ont­staat echter een spanning tussen de beide oudere broers, die in hun streven minder moed hebben, maar ook minder betrouw­baar zijn, en de jongste broer.

Het is ongetwijfeld een heel sprekend beeld: een sterke wilskracht is nodig voor elke geestelijke ontwikkeling, die tot een ‘bevrijding’, tot een vrije ontplooiing van de diepste zielskrachten leidt. En even waar is het, dat het denkende verstand in zijn slim­heid van mindere morele kwaliteit kan zijn, en dat het gevoel een neiging tot egoïsme in zich draagt. Maar aan de andere kant is de sterke nadruk op het wilsleven en op de wilsactiviteit een typisch westerse neiging. Tenslotte zal het toch voor een totale ont­plooiing van het mensenwezen noodzakelijk zijn, dat ook denken en voelen de ‘afdaling’ volbrengen. Deze toekomst schemert door in het Russische sprookje van Zorjka, Welsjorka en Poloenotsjka en in het Sloweense sprookje van De drie broers en de drie dochters: in beide verhalen volbrengen de broers alle drie de gevaarvolle afdaling.
Even diepgrijpende verschillen zien we in de schildering van de ‘onderwereld’. In de westelijke landen spreken de sprookjes slechts van vertrekken of zalen, waarin de prinsessen gevangen gehouden worden. Dat geeft een sombere indruk. Zo niet het zui­den van Europa: een Siciliaans sprookje spreekt van ‘een mooie tuin’, het Griekse sprookje van De goudappelhoom en de hellevaart ziet in deze onderwereld zelfs ‘een prachtig kasteel met een grote tuin waarin het mooiste lente was’. Hier is in beelden uitgedrukt, dat de gevaarvolle afda­ling op zichzelf, nog afgezien van de eigen­lijke bevrijding, reeds tot een wereld van grotere schoonheid leidt. Het sterkst wordt deze wereld beleefd in het Sloweense sprookje van De heldhaftige smid: deze smid, gewapend met een grote ijzeren paal, staat na de afdaling voor een zwaar ge­grendelde deur. Die slaat hij met zijn paal in stukken en voor zijn verwonderde ogen verschijnt: ‘een nieuwe aarde’.
Op deze nieuwe aarde staan drie kastelen, waarin de drie prinsessen gevangen zijn: een zilveren kasteel, een gouden en een, ‘dat ‘zo glanzend is dat het niet aan te zien is’.
Deze driedeling kent ook het Vlaamse sprookje van De dappere sergeant. Daar geeft de oudste prinses haar bevrijder een zakdoek met een zilveren ster, de tweede een gouden appel en de jongste een zakdoek met zeven diamanten sterren erin verwerkt en met haar naam en de naam van haar vader. De drie kastelen en de drie gaven weerspiegelen de zuiver zilveren, spiegelen­de en weerspiegelende kracht van het den­ken, de gouden volheid van het voelen en de diamanten klaarheid en kracht van het reine willen.

Terugkeer en bruiloft
De terugweg van de man, die in de aarde is afgedaald om de drie prinsessen te bevrijden, wordt in het sprookje van het Aardmannetje en in talrijke verwante sprookjes op de meest verschillende wijzen geschilderd. In Indische sprookjes (van de Kalmukken en uit Bangalen) bevrijdt de held zich uit de onderwereld door zaad te planten en te wachten tot de boom zo groot is geworden, dat hij erin naar boven kan klimmen. In India is de boom (de Bodhi-boom van Boeddha; men denke ook aan de vijgenboom aan het einde van het eerste hoofdstuk van het Johannes-evangelie) het beeld van de in­nerlijke ontwikkeling waardoor de mens toe­gang tot een hogere wereld verkrijgt. Dit maakt ons duidelijk, dat de ‘terugkeer’ in deze verhalen geen terugkeer op aarde, maar terugkeer in een hogere wereld is. Dat wordt in Europa in heel andere, niet minder spre­kende beelden gekleed. In vele gevallen is het een geweldige vogel, die de overwinnaar omhoog draagt. Maar die vogel moet met vlees gevoed worden, en wanneer het meege­nomen vlees niet voldoende is, moet het eigen vlees worden geofferd. Bereikt de held zo de hogere wereld, dan vindt hij daar ook genezing.
Nu ontstaat er bij de terugkeer een conflict. Drie broers zijn erop uitgetrokken om de verdwenen prinsessen te zoeken, maar meestal heeft alleen de jongste moed gehad om in de diepe put af te dalen en de be­wakende draken of reuzen te verslaan. Wan­neer hij dan de drie meisjes omhoog heeft laten trekken, wordt hij zelf in de steek ge­laten: het touw wordt doorgesneden. Bij zijn niet meer verwachte terugkeer in de boven­wereld vindt hij daar de beide andere broers, die zich voor de bevrijders hebben uitgege­ven en het bruiloftsfeest al vieren. De ko­ning laat dan in het sprookje van het Aard­mannetje, de beide oudsten genadeloos op­hangen. De jongste broer trouwt met de jongste prinses en erft het koninkrijk.

Denken wij aan de drie menselijke vermogens van denken, voelen en willen, waar­van de beide oudste broers de eerste twee ­en de jongste de laatste representeert, dan begrijpen we de relatieve juistheid van deze beeldentaal: het is de wil, die de mens in staat stelt tot in aardediepten af te dalen en de aan deze diepten gekluisterde zielenkrach­ten te bevrijden.
Toch blijft er iets onbevre­digends in dit sprookjesbeeld: de oudste broers zijn opgehangen, over de beide oudste prinsessen wordt met geen woord meer ge­rept. Het is waar, dat ‘door de wil de wereld voorwaarts wordt gebracht’ (zoals de oud-Perzische Avesta zegt), maar even waar is het, dat een geringschatting van denken en voelen ertoe kan leiden, dat een ongelouterde wil onreine zielenkrachten ‘naar boven’ brengt.
De recente Duitse geschiedenis heeft dat duidelijk getoond.

In het Vlaamse sprookje is de bedrogen overwinnaar edelmoedig, hij vergeeft zijn beide kameraden hun ontrouw. Zij trouwen met de twee oudste prinsessen. Als beeld is ook dit niet helemaal bevredigend; het is te slap. Weerspiegelt het niet iets van de westerse mentaliteit, die zich de gevaren van onbetrouwbaarheid van verstand en gevoel niet voldoende bewust is?
In twee Sloweense sprookjes ademt het einde van het verhaal een heel andere sfeer. Daar zijn, in het ene verhaal, de drie broers alle drie afgedaald, maar als de anderen al zijn teruggekeerd, slaat een vallende steen een groot gat en daarin daalt de jongste broer nu verder af. In een tweede onder­wereld vindt en bevrijdt hij op bijzondere wijze de ‘wilde vrouw’, die de drie meisjes had geroofd. Hij trekt dan verder en komt bij een kasteel, waar bruiloft gevierd wordt. Hij danst met de jongste dochter, die hem bij haar bevrijding een zakdoekje heeft ge­schonken, waarin haar naam met rood ga­ren geborduurd was. Als hij zich met dit zakdoekje het voorhoofd afwist, herkent zij hem. Nu pas herkent hij ook zijn broers. Hier wordt een weg afgelegd door een gro­tere diepte, waardoorheen dan de ‘bovenwereld’ bereikt wordt. Tegelijkertijd heeft er kennelijk een metamorfose plaats gehad. Deze metamorfose vinden we nog duidelij­ker uitgesproken in het tweede sprookje. Daar is alleen de smid afgedaald. De beide andere oersterke kerels beginnen bij het op­halen van de prinsessen zo hard te vechten om het jongste en mooiste meisje, dat ze de smid vergeten. Wanneer deze zelf de weg naar de bovenwereld heeft gevonden, schrik­ken zij geweldig en houden op met vechten. Daarna trouwen ze alle drie ‘en zij verande­ren in mooie, geheel in zijde geklede, jonge mannen’. Deze sprookjes kennen de meta­morfose, die de hele mens in de drievoud van zijn vermogens moet volbrengen. Zij kennen de wil als drijvende kracht, niet alleen om de Weg te vinden, maar ook om de diepgelegen kern van het boze te verlossen.
.

Dr. S.v.d.Heide, Jonas, 06-03-1971
.

[1] het aardmanneke, sprookje nr. 91 van Grimm, uitgave Lemniscaat, Rotterdam.

91. Het aardmanneke- das Erdmännlein
Uit Paderborn
In dialect geschreven.
Het eerste deel van het sprookje is verwant met het paradijsverhaal. Het aardmannetje is de kwade macht die herkend wordt omdat hij geen achting heeft voor het dagelijks brood. (Zie het Onze Vader)
Het overwinnen van de draken met 9, 7 en 4 koppen, samen 21, het getal van de volwassenheid.
Zie getallensymboliek in Schuurman: ‘Er was eens…en er is nog.’
Dit sprookje is zeer verwant met de verlossing van Krimhilde op de Drachenstein.

.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

 

208-197

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Jan (29)


JOHANNES, PROFEET VAN DE INKEER

Sint- Jan betekent buiten feest vieren, rondom een Sint- Jansvuur. Het zou kunnen voldoen aan het droombeeld dat velen hebben van Het Feest: een glooiend grasveld aan een bosrand, een stralend blauwe hemel, mensen en kinderen met lichte kleren, met bloemen getooid en dansend in wijde kringen. In de praktijk blijkt het vieren van een speels buitenfeest niet altijd gemakkelijk. De magische toverkrachten die van oudsher aan de Sint-Jansnacht worden toegeschreven, worden niet meer als spannende realiteiten ervaren. Het is deze kloof tussen mens en natuur, die – aldus Henk Sweers – zijn afspiegeling vindt in de kloof tussen de aardse mens en zijn geestelijke identiteit.

Wat maakt de mens tot mens en onder­scheidt hem van andere levende we­zens? Dat hij bewustzijn heeft van zichzelf. Ik ben mij bewust, dat ik hier op dit moment naar een groot Sint-Jansvuur sta te kijken. In deze laatste zin is tweemaal sprake van ‘ik’. Het ene ik is zich van het andere ik bewust. Dat kan niet een en hetzelfde ‘ik’ zijn, want om je van iets bewust te kunnen worden moet je er afstand van nemen, moet je er als het ware buiten staan. Het eerste ik is niet aan mijn persoontje gebonden, dat ergens op aarde is geboren en opgegroeid en hier nu staat te kijken naar een vuur. Het tweede ik is identiek met mijn persoon, die een naam heeft en die tegen zichzelf ‘ik’ zegt. Wanneer bedoel ik met ‘ik’ het eerste ik en wanneer het andere? Laten we het tweede mijn per­soon en het eerste mijn persoonlijkheid noe­men. Is die buiten mijn persoon staande persoonlijkheid een abstractie of is zij een reali­teit? Voor mijn persoonlijkheid hangt van het antwoord op deze vraag de zin van haar bestaan af. Mijn persoon bestaat zolang mijn lichaam leeft. Maar in hoeverre is dat wat mij tot mens maakt, mijn persoonlijkheid dus, of althans het reflexievermogen op mijzelf, af­hankelijk van mijn persoon. Het omgekeerde is zeker het geval, maar kan mijn persoonlijk­heid ook los van mijn persoon bestaan?

Wat is de vraag die het sterkst opkomt in de hoogzomertijd, nu mijn bewustzijn wordt verdoezeld door zon en zomer, nu ik mij graag overgeef aan de wereld buiten mij en nu mijn persoon genieten wil van natuur en levenslust. Dat was de vraag die Sint-Jan opriep in zijn tijd, toen de aandacht voorna­melijk gericht bleef op het aardse leven en het voortbestaan na de dood ontkend werd of als een diepe, duistere slaap werd be­schouwd. Sint-Jan riep de mensen toe: ‘Be­keert u! Verandert uw gezindheid! Verandert de richting van uw blik! Spoel uw verganke­lijk wezen van u af!’ En hij dompelde het li­chaam van de duizenden, die hem begrepen, onder in het water van de Jordaan, waaruit zij weer oprezen als mensen, die bevrijd wa­ren van de stroom der wereldse beslomme­ringen die de mens benauwt en benart. Mijn mensenwezen beschikt, zolang het op aarde wandelt, in zekere zin over drie werktuigen. Een zintuiglijk waarneembaar lichaam, een geheel van voor mij specifieke, mij opbouwende en in stand houdende le­venskrachten en een iets, dat gevoelens, be­geerten, wensen en verlangens heeft. Dus: een mineraalachtig, fysiek werktuig, een ve­getatief levens-werktuig en een animaal gevoels-werktuig. Die drie zijn één in zoverre zij elkaar doordringen, beïnvloeden en zelfs bewerken. Maar wie hanteert ze? Dat is de persoonlijkheid. Deze is er slechts van afhan­kelijk in zoverre een kunstenaar van zijn ma­teriaal afhankelijk is. Zijn materiaal is tevens zijn beperking. Zolang de persoonlijkheid aan het werk is, identificeert zij zich met haar werktuigen en vormt daarmee een per­soon, waar zij zich achter verbergt en waar­doorheen zij spreekt. Deze persoon is haar werkstuk, haar kunstwerk. Iets wat in de ma­teriële wereld onmogelijk is doet zich hier voor: kunstenaar, werktuigen, materiaal en kunstwerk vormen in zeker opzicht een een­heid. Maar wanneer de persoonlijkheid het werk beschouwt, dan is zij een kunstenaar, die zich van zijn werk tracht te distantiëren en het kritisch probeert te bekijken. Een kunstenaar zonder zelfkritiek is beklagens­waardig, want hij is afhankelijk van het oor­deel van anderen.
Dit moment van kritiek zou je een rustpunt kunnen noemen in de ontwikkelingsstroom van het leven. Zonder zulke momenten is er geen sprake van echt menselijk leven. Zonder zelfbewustzijn en zelfbezinning blijft het le­ven louter zintuiglijk, vegetatief en animaal. Niet het doek, niet de verf maakt het kunst­werk, maar de kunstenaar. Zoals de schilder of de beeldhouwer zich af en toe terug moet trekken om zijn werk in ogenschouw te ne­men, zo moeten er in het mensenleven mo­menten zijn van ommekeer. Bijvoorbeeld ’s avonds voor het inslapen, iedere week op zondag, ieder jaar met Sint-Jan.

Ritme beheerst ons leven, het hele leven van de kosmos. Ritmisch gaat de zon ieder jaar door de zodiak, ritmisch beschrij­ven de planeten en de aarde hun baan, rit­misch wisselen dag en nacht elkaar af. Maar ritmisch klopt ook ons hart en ritmisch ade­men wij in en uit. De klok en het horloge kennen alleen maar maat, een altijd starre herhaling van hetzelfde. Dat noemen wij ‘de tijd’. Maar de werkelijke tijd is het niet. De ware tijd danst! Hij gaat op en neer, hij gaat nu eens sneller, dan weer langzamer. Hij schept de harmonie in alle ontwikkeling. Bij dansen en springen, in iedere ritmische bewe­ging komt steeds een moment van rust, bij­voorbeeld wanneer de voeten weer op de aar­de komen of tijdens de rust tussen uit- en in­ademen in.

Ritme ontstaat daar waar de constante bewe­ging wordt tegengehouden. De aarde ademt in en uit, ieder jaar. Zij ademt uit van Kerst­mis tot Sin- Jan, zij ademt in van Sint-Jan tot Kerstmis. Kerstmis is het ogenblik van rust tussen in- en uitademen, Sint- Jan is dat tussen uit- en inademen. De tijd van uitade­men is min of meer de tijd van zichzelf-verliezen, van opgaan-in-het-werk, van persoons­ontplooiing. De tijd van inademen is de tijd van in-zichzelf-keren, van bezinning op het werk, van het ontwaken van de persoonlijk­heid. Het hoogtepunt van levensactiviteit is de mid-zomerwende. Beide vormen een soort moment van rust. Zoals Kerstmis drie dagen na midwinter komt, zo komt Sint-Jan drie dagen na midzomer. De aarde is opgegaan in een laaiend feest van leven en vruchtbaarheid. Ook de mensen hebben zich overgegeven aan de extase van de zomer, aan de warmte van de zon en het juichen van de natuur. Vlier, rozen en ontel­bare andere bloemen bedwelmen ons met hun geuren. Nu is het toppunt bereikt. Van­af dit hoogtepunt echter beginnen meteen de dagen korter te worden en de nachten te len­gen. Het duister begint zich meester te ma­ken van het licht.

Is dat voor de mens niet een aansporing om tot zichzelf te komen, om zijn leven op aarde eens onder de loep te gaan nemen? Nu begint de tijd van inkeer. Kerstmis en Sint-Jan verdelen de kring van het jaar in twee helften. In de opstijgende lentehelft vieren wij de Christusfeesten en herdenken wij Christus’ geboorte op aarde, zijn openba­re leven onder de mensen, zijn lijden, zijn kruisdood, zijn opstanding, zijn hemelvaart en de uitstorting van zijn Heilige Geest, de trooster en de leider van ’s mensen aardeleven. Het is het geboortefeest van Jezus van Nazareth, dat de reeks van deze opstijgende feesten inleidt. Wij weten uit het Lucasevangelie dat Johannes, de zoon van Maria’s nicht Elisabeth, zes maanden vóór Jezus werd ge­boren. Hij was Christus’ voorloper en wegbe­reider. Hij predikte ommekeer der zeden. Is Jezus de brenger van liefde en blijvende vreugde, Johannes is de profeet van de
in­keer. Zijn geboortefeest leidt de tijd in van bezinning. Het afdalen na het opstijgen, het inademen na het uitademen. In de eerste helft van het jaar moeten wij en­thousiast werken aan ons aardse wezen. Dat moeten wij altijd, maar dan vooral. Dat kun­nen wij alleen goed en harmonisch en kunst­zinnig doen dankzij Christus’ komst op aarde. Op het hoogtepunt van het zonnejaar bieden wij onze persoon aan Hem aan.

Met het Sint-Jansfeest vindt er een om­mekeer plaats. Wij beschouwen ons eigen leven en dat van de wereld en gaan de vele tekortkomingen ervan zien. Naarmate onze geest wakkerder wordt en ons inzicht groeit kunnen wij als mens onze medemens­en en heel de aarde meer steunen en helpen. Maar naar diezelfde mate gaat onze persoon­lijkheid niet alleen haar eigen tekortkomin­gen bemerken, maar gaat zij ook steeds meer de talloze fouten zien in de wereld om haar heen: milieuverwoesting, economische crises, gevaren der derde wereld, falen van de demo­cratie, verval van cultuur, heerschappij van goddeloosheid en ongeloof, oorlog en geweld. Waar komt dit alles uit voort? De bovenzin­nelijke wereld wordt ontkend of genegeerd. Planmatig worden de instinctieve, onderbe­wuste, animale driften losgegooid. Zinnelo­ze behoeften worden gekweekt en ‘geïdoliseerd’. De drugs worden een cultus. Terro­risme viert hoogtij. Het besturen van een staat of een gemeenschap wordt steeds moei­lijker. Allemaal de gevolgen van een onver­zadigbare hebzucht en een ongebreideld egoïsme. Immers onze vergankelijke persoon is altijd gericht op zelfbehoud en eigenbelang. Waar het onvergankelijke wezen van onze persoonlijkheid, die ons bewustzijn en gees­telijk inzicht geeft, niet in staat is om de lei­ding te nemen, daar neemt iets anders bezit van onze persoon. Het ‘metanoëite’, dat Jo­hannes de omstanders toeroept (Mat. 3:1) en dat meestal wordt vertaald met ‘bekeert u’ of ‘verandert uw gezindheid’, betekent letter­lijk: ‘Ziet in. Komt tot inzicht’. En dat is het nu precies wat in onze tijd meer dan ooit noodzakelijk wordt: tot inzicht komen.

Laten wij ons na zo’n warme stralende zo­merdag eens bezinnen op die heerlijke natuur om ons heen. De vanzelfsprekende verbinding, die de mens vroeger had met de natuur, die hem de geheimen influisterde van wezens die in zijn omgeving leven, is heden ten dage verdwenen. De kabouters, de elven, de waterwezens, de vuurwezens uit de sprookjes worden niet meer als realiteiten aanvaard. Er is een enorme kloof ontstaan tussen de mens en de natuur. Deze kloof is in zekere zin een afspiegeling van de kloof die er gaapt tussen de persoonlijkheid en haar aardse persoon. Het wordt hoog tijd, dat de mens tot inzicht komt en deze kloof tracht te overbruggen. Denken wij ons deze gedach­te goed in, dan moeten wij tegen onszelf zeg­gen: de mens is niet het enige geestelijke we­zen dat op aarde bestaat. Wij zijn geheel en al omgeven door geestelijke wezens. De vast­heid die de aarde ons biedt om te kunnen gaan en te kunnen staan is niet een dode ma­terieklomp. Ons lichaam bestaat voor het al­lergrootste deel uit water. Water is het ele­ment dat voor ons het leven mogelijk maakt. Het is veel meer dan een chemische vloeistof. Wij bewegen ons door de lucht, wij ademen haar in en uit. Zij is niet slechts een chemisch gas, maar ieder zuchtje, iedere wind­vlaag is de openbaring van geestelijke wezens. En waar komt de energie vandaan die het vuur ons geeft?
Wat is dat alles, als wij verder willen kijken dan onze beperkte zintuigen? Wil de mens niet een zeer treurig lot tegemoet gaan, dat zijn leven verdort en vernietigt, dan zal hij bewust inzicht moeten krijgen van dat wat hem in werkelijkheid omgeeft. Zonder dit inzicht zal de mens niet meer verder kun­nen komen en blijven alle maatregelen tot verbetering van het milieu en van de maat­schappij vruchteloze verplaatsingen van symptomen. ‘Komt tot inzicht!’

Waarom bemerken wij die geestelijke wezens niet? Zij trachten in de ele­menten hun werking uit te oefenen, maar zijn afhankelijk van het werk van hogere we­zens en ook van óns werk. Richten wij ons niet tot hen, negeren wij hen, verwerpen en bespotten wij hen zelfs, dan kunnen zij zich niet wenden tot ons, dan bemerken wij hen niet.
Zoals Sint-Jan ons oproept, zo moeten wij hen oproepen. Hoe doen wij dat? Wij moeten leren, om – zoals Gandhi – de goede aarde te danken, dat zij toch steun geeft aan onze onheilige voeten. Wij moeten niet meer gedachteloos omgaan met ons belangrijkst levensmiddel, het alles verfrissende water. Wij moeten met een zekere vroomheid de weldaden indachtig worden van de lucht, die ons doet leven en spreken en ons de relatie met onze medemensen mogelijk maakt. Wij moeten eerbiedig leren omgaan met het vuur, dat ons de kracht en de moed geeft om ons als mens op aarde te ontwikkelen. Aan onze huidige cultuur mogen en kunnen wij ons niet onttrekken. Het is onze persoonlijke plicht om er met nuchter begrip, bezadigd en zonder vals sentiment mee om te gaan, maar dan wel met een nieuwe wilsinzet, met nieuwe gewaarwordingen, met nieuwe, levende gedachten, wetend dat wij leven om een nieuwe cultuur voor te bereiden. Ons waar­nemen van de natuur kan tot inzicht worden in geestelijke gebieden, als het gedragen wordt door morele gevoelens van eerbied, liefde en dankbaarheid.

Het zijn hoog ontwikkelde geestelijke wezens die werken dóór de natuurwe­zens en die ook de beschermers en helpers zijn van ons, mensen. Zonder geestelijke hulp zouden wij niets goed kunnen verrich­ten, want wij zijn vervreemd van de godde­lijke wereldorde en uitgestoten uit de natuur. Voor onze persoon blijft de geestelijke wereld ver weg en onze persoonlijkheid verlangt er voortdurend naar. De oplossing van dit raad­sel ligt in het feit, dat deze gespletenheid juist de voorwaarde is voor onze vrijheid. De godsvervreemding van ons mens-zijn op aarde is de geboortewee van ons eigen, ware, persoon­lijke mensenwezen. De natuur kan niet an­ders dan handelen volgens de natuurwetten. Het water kan niet bij 37° C bevriezen en de lucht kan niet bij die temperatuur vloeibaar worden. Wij vinden het vanzelfsprekend dat het allemaal zo gaat en beseffen niet, dat wij ons juist daardoor als mens kunnen gedragen. Als mens gedragen wil zeggen tegen de wet in kunnen gaan, om zélf de waarheid te ont­dekken, om zélf te gaan inzien wat goed en wat verkeerd is en zélf in vrijheid te kunnen handelen. Aan de onvrije, nooit ophoudende dienstbaarheid der natuurwezens danken wij onze vrijheid.

Dat de mensheid niet te pletter valt in deze kloof tussen haar en de natuur, tussen per­soonlijkheid en persoon, danken wij aan Christus. Hij sprak tot degenen die in Hem geloofden: ‘Indien gij blijft in mijn Woord, dan zijt gij waarlijk mijn leerlingen en gij zult de waarheid inzien en de waarheid zal u vrij maken’ (Joh. 8:31-32). Daarom voegt Sint-Jan aan zijn oproep: ‘Komt tot inzicht!’ ook de woorden toe: ‘Want het rijk der hemelen (dat wil zeggen: de geestelijke wereld) is dichtbij gekomen’. Want nu is Christus ge­worden de Heer der wereld, ‘waarin de ste­nen rusten, de planten levend groeien, de dieren voelend leven’ binnen de wezens der vier elementen. Nu kan in mijn drievoudige persoon, waarin ik leef en nu voor het Sint-Jansvuur sta, ook steeds meer bevrijdende waarheid worden Paulus’ woord: ‘Ik leef, doch niet ik, maar Christus leeft in mij’.

Henk Sweers, ‘Jonas’ nr. 22, 21 juni 1985

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

207-196

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

Wat maakt de mens tot mens en onder­scheidt hem van andere levende we­zens? Dat hij bewustzijn heeft van zichzelf. Ik ben mij bewust, dat ik hier op dit moment naar een groot Sint Jansvuur sta te kijken. In deze laatste zin is tweemaal sprake van ‘ik’. Het ene ik is zich van het andere ik bewust. Dat kan niet een en hetzelfde ‘ik’ zijn, want om je van iets bewust te kunnen worden moet je er afstand van nemen, moet je er als het ware buiten staan. Het eerste ik is niet aan mijn persoontje gebonden, dat ergens op aarde is geboren en opgegroeid en hier nu staat te kijken naar een vuur. Het tweede ik is identiek met mijn persoon, die een naam heeft en die tegen zichzelf ‘ik’ zegt. Wanneer bedoel ik met ‘ik’ het eerste ik en wanneer

hem van andere levende we­zens? Dat hij bewustzijn heeft van zichzelf. Ik ben mij bewust, dat ik hier op dit moment naar een groot Sint Jansvuur sta te kijken. In deze laatste zin is tweemaal sprake van ‘ik’. Het ene ik is zich van het andere ik bewust. Dat kan niet een en hetzelfde ‘ik’ zijn, want om je van iets bewust te kunnen worden moet je er afstand van nemen, moet je er als het ware buiten staan. Het eerste ik is niet aan mijn persoontje gebonden, dat ergens op aarde is geboren en opgegroeid en hier nu staat te kijken naar een vuur. Het tweede ik is identiek met mijn persoon, die een naam heeft en die tegen zichzelf ‘ik’ zegt. Wanneer bedoel ik met ‘ik’ het eerste ik en wanneer