Maandelijks archief: april 2022

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304A – voordracht 3

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER

GA 304A

 Anthroposophische Menschenkunde und Pädagogik

9 openbare voordrachten gehouden tussen 25 maart 1923 en 30 augustus 1924 in verschillende steden.

Vertaling

Antroposofische menskunde en pedagogiek

In de Gesamt-Ausgabe GA 304A is geen inhoudsopgave weergegeven voordracht 1: Pädagogik und Kunst – Stuttgart 25 maart 1923 is uitgegeven bij uitgevrij Pentagon, samen met voordracht 2: Pädagogik und Moral -Stuttgart 26 maart 1923 – onder de titel: Pedagogie, kunst en moraliteit

Inleidende woorden bij een euritmieopvoering 27 maart 1923

(Eigen) inhoudsopgave voordracht 3

‘Pädagogik’ kan worden vertaald met pedagogie én pedagogiek. De laatste is de ‘leer’ en de eerste ‘de praktijk’ van de opvoeding. Wat Steiner met ‘Pädagogik’ bedoelt is het samengaan van beide. Daarom is het m.i. niet nodig in vertalingen van zijn pedagogisch werk daarin een onderscheid te maken. Ik gebruikte beide opvattingen door elkaar. Vandaar ook in de titel (pedagogie(k)

Blz. 60: kan een wereldbeschouwing vruchtbaar zijn voor de pedagogie? Antroposofie wil geen wereldbeschouwing zijn, maar de mens beschrijven zoals hij is, wat daaruit volgt voor de opvoeding, is een vanzelfsprekendheid.
Blz. 61 e.v.: antroposofie wil vruchten kunnen afwerpen voor de opvoeding en het onderwijs: niet een of andere hobby zijn.
Blz. 63 e.v.: grote kloof tussen materialisme en geesteswetenschap, zichtbaar in theorie en praktijk van het leven;
Blz. 65 e.v.: het zich ontwikkelende kind waarnemen; de geest aan het werk zien, respect voor die scheppende wereld;
Blz. 67 e.v.: ontstaan experimentele psychologie; van buitenaf kijken, of innerlijk waarnemen;
Blz. 68 e.v.: over Ernst Mach, hoe deze de wereld zag en waarom; over ether- en astraallijf;
Blz. 71 e.v: de scholingsweg geeft je andere inzichten en doet je anders in het leven staan;
Blz. 75 :voorstellen, geheugen en groei; onderwijsvernieuwing kan niet zonder nieuwe menskunde;
Blz. 76: er is geen antroposofische pedagogie om wille van de antroposofie, maar om wille van vernieuwde opvoeding en onderwijs.

Blz. 60

Voordracht 3, Dornach 30 juni 1923   (deel 1 van 2)

Warum eine anthroposophische Pädagogik?

Meine sehr verehrten Anwesenden, es gereicht mir zur großen Befriedi­gung, wiederum zu Lehrern über ein pädagogisches Thema heute und morgen sprechen zu können, und ich möchte insbesondere neben allen übrigen heute anwesenden Mitgliedern die anwesenden Lehrer aufs herzlichste begrüßen.
Sie werden begreifen, daß angesichts des Umstandes, daß die aus der Anthroposophie hervorgegangene Pädagogik im Wesen nichts Theoreti­sches, nichts irgendwie Utopistisches, sondern eine wirkliche Praxis ist, man gerade aus diesem Grunde in zwei kurzen Vorträgen nur einige Gesichtspunkte angeben kann. Ich habe mir ja erlaubt, als eine Ver­sammlung schweizerischer Lehrer vor kurzem einmal längere Zeit hier anwesend war, in einer ausführlicheren Weise, aber noch immer in einer zu kurzen Art, über anthroposophische Pädagogik zu sprechen. Da war es schon möglich, weil es in der Praxis so vielfach auf Einzelheiten ankommt, die Dinge besser zu behandeln, als das in zwei kurzen Vorträgen möglich ist. Aber ich werde mich bemühen, in diesen kurzen Vorträgen wenigstens einige Gesichtspunkte zu entwickeln gerade mit Bezug auf die Frage, in die ich das Thema hinein formuliert habe:

WAAROM EEN ANTROPOSOFISCHE PEDAGOGIEK?

Zeer geëerde aanwezigen, ik voel me er heel gelukkig mee dat ik vandaag en morgen weer tot leraren kan spreken over een pedagogisch thema en ik zou graag in het bijzonder, naast alle andere aanwezige leden, de leerkrachten die nu hier zijn, hartelijk welkom willen heten.
U zal begrijpen dat met het oog op de omstandigheid dat de pedagogie die voortkomt uit de antroposofie in wezen niets theoretisch, niet iets utopisch of iets dergelijks is, maar een daadwerkelijk praktische en dat je daarom in twee korte voordrachten maar een paar gezichtspunten kan belichten. Toen hier een een poosje geleden voor langere tijd een groep Zwitserse leerkrachten aanwezig was, heb ik me veroorloofd om uitvoerig, maar toch altijd nog te kort, over antroposofische pedagogie te spreken. Het was toen wel mogelijk, omdat het in de praktijk zo vaak op de details aankomt, de dingen beter te behandelen dan in twee korte voordrachten mogelijk is. Maar ik zal mijn best doen in deze korte voordrachten op z’n minst een paar gezichtspunten uit te werken vooral met het oog op de vraag die ik in het thema verwerkt heb:

«Wozu eine anthroposophische Pädagogik?»
Diese Frage muß ja aus den verschiedensten Gründen auftauchen. Schon darum muß sie auftauchen, weil ja Anthroposophie sehr häufig heute noch als irgend etwas Sektiererisches genommen wird, als irgendeine aus der menschlichen Willkür hervorgegangene Weltanschauung. Da frägt man sich dann: Darf denn Pädagogik durch eine bestimmte Weltanschauung beeinflußt werden? Kann man sich etwas Fruchtbares davon versprechen, daß ein Weltanschauungs-Standpunkt irgendwie pädagogische Konsequenzen aus sich heraus zieht? Wenn diese Frage berechtigt wäre, so gäbe es wahrscheinlich das nicht, was man anthropo­sophische Pädagogik nennen kann.
Es ist ja allerdings so, daß die verschiedenen Weltanschauungen, die

‘Waarom een antroposofische pedagogie?
Deze vraag moet wel ontstaan om velerlei redenen. Alleen al, omdat de antroposofie tegenwoordig nog heel vaak als iets sektarisch wordt gezien, als een of andere wereldbeschouwing die door menselijke willekeur is ontstaan. Mag pedagogie door een bepaalde wereldbeschouwing beïnvloed worden? Kan er uit een wereldbeschouwelijk standpunt iets vruchtbaars ontstaan als daar pedagogische consequenties aan verbonden worden? Als deze vraag te rechtvaardigen zou zijn, zou er waarschijnlijk niet zoiets zijn dat je antroposofische pedagogie kan noemen.
Het is zeker zo, dat de verschillende wereldbeschouwingen die

Blz. 61

vorhanden sind, auch über das Erziehungswesen diese oder jene Ansich­ten entwickeln, diese oder jene Forderungen aufstellen. Und man merkt überall diesen oder jenen Weltanschauungs-Standpunkt hindurch.
Das gerade soll bei der anthroposophischen Pädagogik eben ganz unmöglich sein, und ich darf gleich einleitend vielleicht vorausschicken, daß wir ja seit nun schon einer Reihe von Jahren in Stuttgart versucht haben, eine Volks- und auch höhere Schule im Sinne dieser anthroposo­phischen Pädagogik einzurichten, und daß es gewissermaßen dort unser Ideal ist, daß die Dinge so natürlich und selbstverständlich im Einklang mit der ganzen Menschenwesenheit und ihrer Entwickelung vor sich gehen, daß gar niemand auf den Gedanken kommen kann, da sei irgendeine anthroposophische Idee verwirklicht, daß gar niemand eigentlich etwas merken kann davon, daß irgendein Weltanschauungs­Standpunkt da zur Offenbarung kommt. Das was ich in dieser Richtung zu sagen habe, hängt ja allerdings damit zusammen, daß man mit Bezug auf Dinge, die man in der Welt vertritt, nun einmal genötigt ist, einen Namen zu gebrauchen.

er bestaan, ook over de opvoedkunde bepaalde opvattingen ontwikkelen, bepaalde eisen formuleren. En in alles vind je wel het standpunt van die wereldbeschouwing terug.
Maar juist dat moet bij de antroposofische pedagogie dus niet mogelijk zijn en ik mag meteen wel als inleiding naar voren brengen dat wij al een aantal jaren op vrijeschool in Stuttgart geprobeerd hebben, een basis- en een middelbare school in te richten vanuit deze antroposofische pedagogie. En in zekere zin is het ons ideaal dat deze dingen zo natuurlijk en vanzelfsprekend overeenstemmen met het hele wezen mens en zijn ontwikkeling en dat niemand op de gedachte kan komen dat er een of ander antroposofisch idee verwezenlijkt wordt, dat er dus niemand iets van kan merken dat daar een of andere wereldbeschouwing aan het licht treedt. Wat ik, wat dit betreft, daarover wil zeggen, hangt er duidelijk mee samen dat je met het oog op de dingen waar je in de wereld voor staat, nu eenmaal een naam moet gebruiken.

Aber ich kann Ihnen die Versicherung geben, mir wäre es das Allerliebste, wenn das, was hier am Goetheanum vertreten wird, keinen Namen brauchte, wenn man es einmal so und einmal so nennen könnte, weil es sich hier nicht um eine Summe von Ideen handelt, wie sie gewöhnlich eine Weltanschauung bilden, sondern weil es sich hier um eine gewisse Forschungsart und Lebensbetrachtung handelt, die von den verschiedensten Seiten her in der verschiedensten Weise benannt werden kann. Und eigentlich führt bei der Art, wie man Namen gewöhnlich nimmt, jeder Name irre. Ich möchte mich darüber ganz trivial ausdrücken, aber Sie werden mich verstehen.
In bezug auf solche Dinge, wie Namen für geistige Strömungen, ist ja die Menschheit heute noch nicht viel weiter, als sie vor vielen Jahrhun­derten in Europa war mit Bezug auf Namengebung überhaupt. Heute hat man allerdings für die Namengebung bei Menschen das Nötige, was zu vergessen ist, vergessen. Wie gesagt, ich will mich ganz trivial ausdrücken.
Es hat einen Sprachforscher gegeben, einen berühmten Sprachfor­scher, er hieß Max Müller. Nehmen wir einmal an, jemand hätte gesagt, da und dort wohnt der Müller, und hätte damit die Wohnung des

Maar ik kan u wel verzekeren dat het mij het liefst is, dat waar we hier in het Goetheanum voor staan, helemaal geen naam nodig zou hebben; dat je het dan eens zus en dan eens zo zou kunnen noemen, omdat het hier niet om een optelsom van ideeën gaat die gewoonlijk een wereldbeschouwing vormen, maar  om een bepaalde manier van onderzoek en levensbeschouwing die van de meest verschillende kanten op de meest verschillende manieren benoemd kan worden. En eigenlijk leidt op de manier zoals men namen meestal neemt, iedere naam in een verkeerde richting. Dat wil ik heel alledaags onder woorden brengen, maar u begrijpt mij wel.
Met die dingen, zoals namen voor geestelijke stromingen, is de mensheid in Europa tegenwoordig nog niet veel verder dan eeuwen geleden en dat betreft ook het geven van namen in het algemeen. Tegenwoordig is in ieder geval wat de naamgeving bij mensen betreft, het nodige wat vergeten kan worden, ook vergeten. Zoals gezegd, ik druk me alledaags uit.
Er is een taalonderzoeker geweest, een beroemde, nl. Max Müller. Laten we eens aannemen dat iemand zou hebben gezegd dat daar of daar deze Müller woont en 

Sprachforschers Max Müller gemeint, und jemand hätte dann im Hin­blick auf das Wort Müller dem betreffenden Sprachforscher Getreide gebracht, daß er es mahlen solle – weil man ihm gesagt hatte, da wohne der Müller. Nicht wahr, bei Menschen sind wir bereits gewöhnt worden, nicht allzuviel auf die Wortbedeutung der Namen zu geben. Bei solchen Dingen, wie geistige Strömungen, tut man das heute noch. Man küm­mert sich oftmals nicht viel um die Dinge und analysiert, wie man sagt, den Namen «Anthroposophie». Man deutet den Namen und macht sich daraus eine Vorstellung.
Aber gerade so viel, wie das Wort Müller für den Sprachforscher Max Müller bedeutet, bedeutet das Wort Anthroposophie für das, was hier eigentlich als eine geistige Forschung und geistige Lebensbetrachtung gemeint ist. Daher wäre es mir am liebsten, wenn man, wie gesagt, jeden Tag die hier getriebene geistige Forschung und geistige Lebensbetrach­tung anders benennen könnte. Denn darin würde sich gerade ihre Lebendigkeit zum Ausdruck bringen. Man kann nur einigermaßen charakterisieren, was Anthroposophie will heute in der Weltzivilisation; man kann aber eigentlich nicht von ihr eine von vornherein verständliche Definition geben.

dat hij daarmee de woning van de taalonderzoeker Max Müller zou hebben bedoeld en dat er dan iemand met het oog op het woord Müller (molenaar) de betreffende taalonderzoeker koren zou hebben gebracht om dat te malen – omdat men hem had gezegd dat daar de molenaar woont. En niet waar, bij mensen zijn we er wel aan gewend geraakt, niet al te veel rekening te houden met de betekenis van namen. Maar als het om geestelijke zaken gaat, doet men dat nu nog wel. Dikwijls is men daar niet al te veel mee bezig en dan analyseert men de naam ‘antroposofie’. Men duidt die naam en maakt daarvan dan een voorstelling.
Maar net zoveel als de naam molenaar iets betekent voor de taalonderzoeker Max Müller, betekent het woord antroposofie iets voor wat hier eigenlijk als  geestelijk onderzoek en geestelijke levensbeschouwing wordt bedoeld.
Vandaar dat ik het liefst zou hebben, dat men, zoals gezegd, wat hier aan geestelijk onderzoek en geestelijke levensbeschouwing wordt gedaan, iedere dag anders zou kunnen noemen.
Want daarmee zou nu juist het levendige ervan tot uitdrukking gebracht worden. Je kan wel enigszins karakteriseren wat antroposofie vandaag in de wereldbeschaving wil; maar je kan er eigenlijk van te voren geen verstandige definitie van geven.

Und heute und morgen möchte ich mich eben bemü­hen, ein wenig gerade mit Bezug auf das Pädagogische zu zeigen, wie Anthroposophie fruchtbar werden kann für die Erziehung des werden­den Menschen, für das Unterrichten des werdenden Menschen.
Das werden einseitige Charakteristiken sein, denn die ganze Fülle desjenigen, was gemeint ist, kann eben durchaus nicht in zwei Vorträgen erschöpft werden.
Wenn wir uns heute mit Interesse für die Geistesentwicklung der Welt umsehen, dann merken wir ja unter den verschiedensten Forderun­gen, die uns umschwirren, die sogenannte pädagogische Frage. Reform­pläne über Reformpläne treten von mehr oder weniger geschulten, zumeist aber von dilettantischen Menschen auf. Das alles weist aber darauf hin, daß immerhin ein tiefes Bedürfnis vorhanden ist, über die Fragen des Erziehungs- und Unterrichtswesens ins klare zu kommen.
Das aber hängt auf der anderen Seite zusammen damit, daß es heute außerordentlich schwierig ist, gerade mit Bezug auf die Behandlung des werdenden Menschen zu fruchtbaren, ja nur zu genügenden Anschauungen

En vandaag en morgen wil ik proberen iets op pedagogisch gebied te laten zien van hoe de antroposofie vruchtbaar kan worden voor de opvoeding van de wordende mens, voor het lesgeven aan de wordende mens.
Dat zullen eenzijdige karakteristieken zijn, want wat volledig wordt bedoeld, kan echt niet in twee voordrachten uitputtend worden behandeld.
Wanneer we tegenwoordig met belangstelling voor de geestelijke ontwikkeling in de wereld om ons heen kijken, zien we dat onder de meest uiteenlopende vragen die ons niet loslaten, de z.g. pedagogische vraag is. Het ene vernieuwingsplan na het andere wordt door meer of minder geschoolde, maar meestal toch door leken in de openbaarheid gebracht. Maar dat wijst er wél op, dat er op z’n minst een diepe behoefte bestaat om over de opvoedings- en onderwijsvragen helderheid te krijgen.
Dat hangt aan de andere kant samen met dat het tegenwoordig buitengewoon moeilijk is, juist met betrekking tot de omgang met de wordende mens, tot vruchtbare, zelfs tot genoegzame gezichtspunten

Blz. 63

zu kommen. Und wir werden schon ein wenig hineinschauen müssen in einen Teil unserer Zivilisationsentwicklung, wenn wir die Gründe einsehen wollen, warum heute so viel von Erziehungs- und Unterrichtsforderungen und Idealen gesprochen wird.
Wenn wir heute das äußere Leben auf der einen Seite betrachten und auf der anderen Seite das geistige Leben, so finden wir eigentlich trotz der so großen Fruchtbarkeit, welche die Wissenschaft für das praktische Leben, für die Technik und so weiter gewonnen hat, eine tiefe Kluft, einen tiefen Abgrund zwischen dem, was man Wissenschaft, Theorie nennt, was man überhaupt zu lernen hat, wenn man in einem gewissen Sinne eine Bildung anstrebt, und demjenigen, was dann im äußeren Leben, in der Lebenspraxis verwirklicht wird. Es hat sich ja immer mehr und mehr ein eigentümliches Bedürfnis in der heutigen Zivilisation herausgestellt mit Bezug auf das, was man sich durch das Lernen, insofern es auf unseren Unterrichtsanstalten getrieben wird, aneignet.
Bedenken Sie nur einmal ein gewisses Gebiet, sagen wir die Medizin. Der junge Mediziner macht sein Studium durch. Er lernt dasjenige, was der Inhalt der heutigen medizinischen Wissenschaft ist, er lernt es auch an der Hand von allerlei Laboratoriums- und Klinikpraktiken.

te komen. En we zullen een beetje inzicht moeten kunnen krijgen in een deel van hoe onze beschaving zich ontwikkelt, willen we de redenen zien waarom er tegenwoordig zoveel over opvoedings- en onderwijsvraagstukken en idealen wordt gesproken.
Wanneer we nu aan de ene kant het uiterlijke leven in ogenschouw nemen en aan de andere kant het geestesleven, dan vinden we eigenlijk, ondanks dat de wetenschap voor het praktische leven, voor de techniek enz. zoveel potentieels heeft gebracht, een diepe kloof, een grote afstand tussen wat de wetenschap theorie noemt, die je wel degelijk moet leren, wil je in zeker opzicht gevormd worden en wat dan in het uiterlijke leven, in de praktijk van het leven verwezenlijkt wordt. In de huidige cultuur is er steeds duidelijker een merkwaardig verlangen ontstaan naar wat men zich door het leren, in zoverre dat plaatsvindt in onze onderwijsinstellingen, eigen maakt.
Kijkt u eens naar een bepaald terrein, laten we zeggen dat van de geneeskunst. De jonge arts volgt een studie. Hij leert de inhoud van de huidige medische wetenschap, hij leert die ook aan de hand van allerlei praktijkgevallen in het laboratorium en het ziekenhuis.

Wenn er aber dann sein letztes Examen gemacht hat, dann ist man sich klar dar­über, daß er nun erst eigentlich eine Art Praktikum, ein klinisches Prak­tikum durchzumachen hat, daß er also eigentlich mit dem letzten Ex­amen noch nicht praktisch ist. Und gar häufig, ja fast immer stellt sich dann heraus, daß eigentlich ungemein wenig von dem, was man zuerst theore­tisch getrieben hat, in der wirklichen Praxis eine Anwendung findet. Ich habe nur das Gebiet des medizinischen Studiums herausgehoben, ich könnte es fast mit jedem Studium so machen. Überall würden wir sehen, daß wir heute, indem wir eine gewisse Bildung uns aneignen auf diesem oder jenem Lebensgebiet, im Grunde genommen die Kluft, den Abgrund zur Praxis hin erst extra noch zu überwinden haben. Das hat nicht nur der Mediziner, das hat nicht nur der Techniker, das hat nicht nur derjenige, der eine Handelshochschule absolviert, das hat vor allen Dingen heute auch der Lehrer zu überwinden, der, weil wir nun einmal im wissenschaftlichen Zeitalter leben, in einer Art Wissenschaftlichkeit in die Pädagogik hineingeführt wird, aber dann, nachdem er eben einen

Maar wanneer hij dan eindexamen heeft gedaan, is het duidelijk dat hij nu eigenlijk pas een soort practicum, een ziekenhuispracticum moet doen, dat hij dus eigenlijk met zijn eindexamen nog niet praktisch is. En heel vaak, ja bijna altijd, blijkt dan, dat er eigenlijk heel erg weinig van wat men eerst theoretisch gedaan heeft, praktisch kan worden toegepast.
Ik heb alleen maar de nadruk gelegd op de medicijnenstudie, maar ik zou het bij elke studie kunnen doen. Telkens zouden we zien dat wij tegenwoordig, als we een bepaalde opleiding voor dit of dat levensgebied hebben gevolgd, we dan in de grond van de zaak de kloof naar de praktijd dan pas nog extra moeten overbruggen. Dat is niet alleen bij de arts zo, niet alleen bij de technicus, niet alleen bij degene die de handelshogeschool afsluit, maar dat moet vooral tegenwoordig de leraar overbruggen die, omdat wij nu eenmaal in een wetenschappelijke tijdsfase leven, in een vorm van wetenschappelijkheid in de pedagogie ingeleid wordt, maar dan, nadat hij dus een

Blz. 64

gewissen theoretischen Bildungsstoff aufgenommen hat, nun sich erst in die Praxis hineinfinden muß.
Das, was ich bis jetzt gesagt habe, wird man mehr oder weniger zugeben. Aber ein anderes wird man kaum zugeben wollen, und das ist dieses, daß eigentlich heute eine so starke Kluft besteht zwischen dem, was man theoretisch sich aneignet, was den eigentlichen Inhalt unseres Geisteslebens bildet, und dem, was die Lebenspraxis ausmacht; daß diese Kluft heute eigentlich nur überbrückt wird von den technischen Berufszweigen, weil diese technischen Berufszweige, ich möchte sagen, grau­sam unerbittlich sind. Baut man eine Brücke theoretisch richtig, aber praktisch unmöglich, so stürzt sie bei dem ersten Eisenbahnzug, der darüberfährt, ein. Die Natur reagiert sogleich auf das Falsche. Da muß man sich schon wirkliche Lebenspraxis aneignen.
Geht man herauf in diejenigen Dinge, die mehr mit dem Menschen zu tun haben, dann wird die Geschichte schon anders. Die Frage ist ja gar nicht zu beantworten, wie viele Menschen von einem Arzt richtig und wie viele falsch behandelt werden, denn da hört ja jede Möglichkeit auf, daß das Leben selber einen Beweis führt.

een bepaalde theoretische leerstof zich eigen heeft gemaakt, nu pas zijn weg moet vinden in de praktijk.
Wat ik nu gezegd heb, zal men wel min of meer kunnen toegeven. Maar iets anders zal men volstrekt niet willen toegeven en wel dit, dat er vandaag eigenlijk zo’n grote kloof bestaat tussen wat men zich theoretisch eigen heeft gemaakt, wat de eigenlijke inhoud van ons geestesleven vormt en wat de praktijk van het leven bepaalt; dat deze kloof tegenwoordig eigenlijk alleen maar overbrugd wordt door de technische beroepen, omdat deze buitengewoon stringent zijn. Als je een theoretisch juiste brug bouwt, maar een onmogelijke voor de praktijk, dan stort die in als de eerste trein erover heen rijdt. De natuur reageert meteen op het verkeerde. Hier moet je je echt wel levenspraktijk hebben eigen gemaakt.
Ga je dan in op de dingen die meer met de mens te maken hebben, wordt het hele verhaal anders. De vraag hoeveel mensen er door een arts juist of verkeerd behandeld worden, is helemaal niet te beantwoorden, want daar houdt iedere mogelijkheid op dat het leven zelf daar een bewijs voor aanvoert.

Und gehen wir gar in das Feld der Pädagogik herauf, gewiß, man kann da durchaus der Anschauung sein, daß in dieser Richtung viel kritisiert wird, und daß die Pädagogen schon einiges auszuhalten haben. Aber daß das Leben irgendwie eine Entscheidung darüber trifft, ob nun falsch oder richtig erzogen worden ist, das wird man nicht mit einem unbedingten Ja beantworten können. Man wird allerdings sagen können: Das Leben gibt nicht so bestimmte Antworten wie die tote Natur, aber es ist dennoch eine gewisse Empfin­dung berechtigt, die dahin geht, daß wir mit der besonderen Art, wie wir uns heute das Theoretische, also das eigentlich Geistige, in seiner heuti­gen Form aneignen, in die Lebenspraxis eigentlich gar nicht hinein­kommen.
Nun gibt es eines in der Welt, bei dem man, ich möchte sagen, recht anschaulich zeigen kann, wie unmöglich es ist, weiterzukommen mit einem geistigen Leben, das eine solche Kluft hat zwischen dem Theore­tisch-Wissenschaftlichen auf der einen Seite, und dem Leben und seiner Praxis auf der anderen Seite. Und dieses eine in der Welt ist eben der Mensch.

En begeven we ons op het terrein van de pedagogie, dan kan je zeker van mening zijn, dat er in deze richting veel kritiek is, en dat de pedagogen wel wat moeten verdragen. Maar dat het leven een of andere beslissing neemt over of we verkeerd, dan wel goed opgevoed zijn, dat zul je niet met een volmondig ja kunnen beantwoorden. Zeker kun je zeggen: het leven geeft niet van die zekere antwoorden als de levenloze natuur, maar toch is een bepaald gevoel wel gerechtvaardigd aangaande dat wij met de bijzondere manier van hoe wij tegenwoordig de theorie, dus het eigenlijk geestelijke, in zijn huidige vorm ons eigen maken, niet kunnen doordringen tot de eigenlijke praktijk van het leven. Nu is er iets in de wereld waarbij je heel goed kan laten zien, hoe onmogelijk het is, met het geestesleven verder te komen waarbij zo’n grote kloof bestaat met enerzijds het theoretisch-wetenschappelijke en anderzijds met het leven en de levenspraktijk. En dit ene in de wereld is nu net de mens.

Blz. 65

Wir haben im Laufe der letzten Jahrhunderte, insbesondere des 19. Jahrhunderts, einmal einen bestimmten wissenschaftlichen Geist ent­wickelt. Jeder einzelne Mensch, heute sogar schon der sogenannte völlig Ungebildete, steht eigentlich in diesem wissenschaftlichen Geist drinnen. Alles denkt im Sinne dieses wissenschaftlichen Geistes.
Und sehen Sie sich einmal die Weltfremdheit dieses wissenschaftlichen Geistes an, wenn es sich darum handelt, ihn in die Lebenspraxis überzu­führen. Kläglich war es ja zum Beispiel in den letzten Jahren, als wirklich in großen Zügen die Weltgeschichte an uns vorüberrollte und Tatsachen brachte von ungeheurer Tragweite, daß die Menschen mit ihren Theo­rien recht gescheit sein konnten, aber eben durchaus nichts über den Verlauf der Lebenspraxis auszumachen imstande waren. Haben wir ja doch gesehen, daß gescheite Nationalökonomen im Beginn des Welt­krieges gesagt haben: Unsere Wissenschaft lehrt uns heute, daß die kommerziellen und anderen wirtschaftlichen Zusammenhänge in der Welt so verstrickt sind, daß heute ein Krieg höchstens mehrere Monate dauern kann. Die Realität hat das Lügen gestraft. Der Krieg hat jahrelang gedauert. Was die Menschen dachten aus ihrer Wissenschaft heraus, was sie ergrübelt hatten über den Gang der Weltereignisse, war ganz und gar unmaßgebend für diesen Gang der Weltereignisse selber.

We hebben in de loop van de eeuwen, vooral in de 19e eeuw, nu eenmaal een bepaalde wetenschappelijke geest ontwikkeld. Ieder mens, tegenwoordig zelfs ook de mens zonder opleiding, maakt deel uit van deze wetenschappelijke gezindheid. Alles wordt hiermee gedacht.
En kijk nu eens naar de wereldvreemdheid van deze wetenschappelijke gezindheid als het erom gaat deze in het leven in praktijk te brengen. De laatste jaren bijv., toen de wereldgeschiedenis zich in grote trekken voor ons afspeelde en gebeurtenissen met zich meebracht van ongekende reikwijdte, was het betreurenswaardig dat de mensen met hun theorieën heel slim konden zijn, maar toch niet in staat waren iets voor het verloop van de levensomstandigheden te doen. We hebben toch kunnen zien dat knappe staatseconomen aan het begin van de Wereldoorlog gezegd hebben: onze wetenschap houdt ons nu voor dat de commerciële en andere economische samenhangen in de wereld zo verstrikt zijn geraakt dat een oorlog vandaag de dag hooguit een paar maanden kan duren. De werkelijkheid heeft die leugen afgestraft. De oorlog heeft jaren geduurd. Wat de mensen vanuit hun wetenschap dachten, wat ze hebben zitten uitdenken over het verloop van de gebeurtenissen in de wereld, speelde voor dit verloop zelf geen enkele rol.

Der Mensch, indem er heranwächst, indem er vor uns hintritt, man möchte sagen, in seiner wunderbarsten Gestalt, als Kind, der Mensch ist nicht irgendwie zu erfassen mit einer geistigen Art, die eine solche Kluft hat zwischen Praxis und Theorie. Denn man müßte schon ein starrer Materialist sein, wenn man glauben wollte, daß dasjenige, was in dem Kinde heranwächst, nur eine Folge, ein Ergebnis seiner leiblich-physi­schen Entwickelung sei.
Wir sehen mit ungeheurer Hingebung, Bewunderung, mit Ehrerbie­tung auf jene Offenbarung der Schöpfung hin, die uns das Kind in seinen ersten Lebenswochen darstellt, wo in ihm noch alles unbestimmt ist, wo in ihm aber schon dasjenige liegt, was dieser Mensch im späteren Leben leisten wird.
Und wir schauen hin auf das werdende Kind, wie es von Woche zu Woche, von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr aus seinem Inneren heraus die Kräfte an die Oberfläche treibt, die seine Physiognomie

De mens, wanneer deze opgroeit, wanneer deze zich aan ons voordoet in zijn meest wonderbaarlijke vorm, als kind, is op geen enkele manier geestelijk te begrijpen, als er zo’n kloof gaapt tussen praktijk en theorie. Je moet wel een starre materialist zijn om te kunnen geloven dat wat er uit een kind wordt, alleen maar het gevolg zou zijn van een lichamelijk-fysieke ontwikkeling.
We kijken met een buitengewone toewijding, bewondering, eerbied naar die uiting van de schepping die het kind ons in zijn eerste weken van zijn leven vertoont, waarin bij hem alles nog maar vaag zichtbaar is, maar waarin al wel ligt wat deze mens in het latere leven zal gaan doen. En wij kijken naar het zich ontwikkelende kind hoe dat van week tot week, maand na maand, jaar na jaar vanuit zijn innerlijk de krachten naar de buitenkant brengt die zijn fysionomie

Blz. 66

immer ausdrucksvoller machen, die seine Bewegungen immer geordne­ter, orientierter machen. Wir sehen in diesem werdenden Menschen das ganze Rätsel der Schöpfung in wunderbarer Weise vor unseren Augen sich abspielen. Und wenn wir sehen, wie der eigentümlich unbestimmte Blick des kindlichen Auges im Laufe der ersten Lebenszeit Aktivität gewinnt, innere Wärme, inneres Feuer gewinnt, wenn wir sehen, wie aus den unbestimmten Bewegungen der Arme und Finger Bewegungen werden, die in schönerer Weise etwas bedeuten als die Buchstaben des Alphabetes – wenn wir das alles mit voller menschlicher Hingabe betrachten, müssen wir uns sagen: Da arbeitet gewiß nicht bloß Physi­sches, da arbeitet im Physischen das Geistig-Seelische; da ist jedes Stückchen Mensch im Physischen zu gleicher Zeit eine Offenbarung des Geistig-Seelischen. Da gibt es keine Färbung der Wange, die nicht Ausdruck eines Geistig-Seelischen wäre; da gibt es keine Möglichkeit, die Färbung der Wange aus bloßen materiellen Grundlagen zu verstehen, wenn wir nicht wissen, wie die Seele sich hineinergießt in das Wangen-rot. Da ist Geist und Natur in einem vorhanden.
Und wenn wir dann mit unserer altgewordenen Geistesanschauung kommen, die eine Kluft läßt zwischen dem, was sich theoretisch auf den Geist richtet, und dem, was sich äußerlich praktisch an das Leben richtet, dann gehen wir an dem Kinde vorbei

steeds meer tot uitdrukking brengen, die zijn bewegingen steeds meer gecoördineerd, georiënteerd laten verlopen. Wij zien in deze wordende mens het hele raadsel van de schepping op een wonderbaarlijke manier zich voor onze ogen afspelen. En als we zien hoe de karakteristieke vage blik van het kinderlijke oog in de loop van de eerste tijd in het leven aan activiteit wint, meer warmte krijgt, innerlijk vuur; als we zien hoe uit de ongecoördineerde bewegingen van de armen en de vingers bewegingen komen die op een mooiere manier iets betekenen dan de letters van het alfabet – als we dat allemaal met een diepe menselijke eerbied aanschouwen, moeten we zeggen: daar is niet alleen iets lichamelijks aan het werk, daar is iets van de geest en de ziel in het lichamelijke aan het werk; daar is elk stukje mens lichamelijk gezien, tegelijkertijd een uiting van geest en ziel. Er bestaat geen kleur op de wangen die niet een uitdrukking zou zijn van geest en ziel; er is geen mogelijkheid de kleur op de wangen vanuit een pure materiële basis te begrijpen, als we niet weten hoe de ziel uitvloeit in het rood van de wangen. Daar is geest en natuur als één geheel aanwezig.
En als we dan aankomen met onze oud geworden geestelijke opvattingen die een kloof laten bestaan tussen wat zich theoretisch naar de geest richt en wat zich richt naar het uiterlijk praktische in het leven, dan gaan we aan het kind voorbij.

Dann wissen wir weder mit unserer Theorie, noch mit unserem Instinkt, der keinen Geist erfassen kann in unserer heutigen Zivilisation, etwas mit dem Kinde anzufangen. Wir haben im Leben das geistige Treiben von dem materiel­len getrennt. Damit ist uns das geistige Treiben zu einer abstrakten Theorie geworden. Und dann sind solche abstrakte theoretische Anschauungen auch über die Erziehung erwachsen, wie sie zum Beispiel in der Herbartschen Pädagogik enthalten waren, die geistvoll in ihrer Art, theoretisch großar­tig sind, die aber ohnmächtig sind, in das eigentliche Leben einzugreifen. Oder aber wir werden irre an allem Hineinleben in das Geistige, wir wollen absehen von aller wissenschaftlichen Pädagogik und uns rein dem Erziehungsinstinkt überlassen. Das ist etwas, was heute auch schon viele Menschen fordern.
Wir können auch noch an einer anderen Erscheinung sehen, wie wir

Dan weten we noch met onze theorie, noch met ons instinct die in deze cultuur geen geest als inhoud kan hebben, iets met het kind te beginnen. We hebben in het leven een scheiding aangebracht tussen de werking van de geest en de materie. Daardoor is voor ons deze werking een abstracte theorie geworden.
En dan zijn dergelijke abstract theoretische opvattingen ook bij de pedagogie terecht gekomen, zoals bijv. in de pedagogie van Herbart; op hun manier geestrijk, theoretisch geweldig, maar niet bij machte om invloed uit te oefenen op het eigenlijke leven. Of we worden dol van al dit inleven in het geestelijke, we willen afzien van al die wetenschappelijke pedagogie en het alleen maar laten bij ons opvoedingsinstinct.
Dat is iets waar tegenwoordig veel mensen naar verlangen.
Ook aan een ander verschijnsel kunnen we nog zien, hoe voor ons

Blz. 67

im Grunde genommen dem Menschen fremd geworden sind dadurch, daß wir die Kluft geschaffen haben zwischen dem theoretischen Ergrei­fen des geistigen und dem vollen Erfassen des praktischen Lebens.
Unsere Wissenschaft hat sich großartig entwickelt. Natürlich war auch die Pädagogik aus der Wissenschaft heraus zu gestalten. Aber die Wissenschaft hatte nichts, um an den Menschen heranzukommen. Die Wissenschaft wußte vieles zu sagen über die äußere Natur; aber je mehr sie über die äußere Natur in der neueren Zeit zu sagen wußte, über den Menschen wußte sie eigentlich immer weniger zu sagen. Und so mußte man sich anschicken, nach dem Muster der Naturwissenschaft an dem Menschen zu experimentieren, und eine experimentelle Pädagogik stellte sich ein.
Was bedeutet denn dieser Drang zur experimentellen Pädagogik? Mißverstehen Sie mich nicht, ich habe weder etwas gegen Experimen­talpsychologie noch gegen experimentelle Pädagogik; sie können wis­senschaftlich viel leisten, sie geben theoretisch großartige Aufschlüsse. Hier handelt es sich nicht darum, in kritischer Weise über diese Dinge abzusprechen. Hier handelt es sich aber darum zu sehen: was für ein Drang der Zeit drückt sich in solchen Dingen aus? Man ist genötigt, außen herumzuexperimentieren, wie das Gedächtnis bei diesem, bei jenem Kinde ist, wie der Wille wirkt, wie die Aufmerksamkeit wirkt; außen an dem Menschen herumzuexperimentieren ist man genötigt.

in de aard van de zaak de mens een vreemde geworden is door de kloof die wij tussen het theoretisch begrijpen van het geestelijke en het volle begrijpen van het leven hebben doen ontstaan.
Onze wetenschap heeft zich reusachtig ontwikkeld. En natuurlijk kun je ook de pedagogie vanuit de wetenschap vorm geven. Maar de wetenschap had niets om dichter bij de mens te komen. De wetenschap wist veel aan te dragen over de zichtbare natuur; en naarmate ze meer in de modernere tijd over de zichtbare natuur te berde kon brengen, wist ze over de mens eigenlijk steeds minder te zeggen. En dus moest men zich opmaken om naar het voorbeeld van de natuurwetenschap nu met de mens te gaan experimenteren en er ontstond een experimentele pedagogie.
Wat betekent die hang naar deze experimentele pedagogie? Begrijp me niet verkeerd, ik heb niets tegen experimentele psychologie of  pedagogie; die kunnen wetenschappelijk veel voor elkaar krijgen, die geven theoretisch belangrijke uitkomsten. Het gaat er niet om deze dingen op een kritische manier af te wijzen.
Het gaat er hier echter om te zien welke tijdsdrang zich uitdrukt in dit soort zaken.
Men voelt zich genoodzaakt van buitenaf te experimenteren hoe het geheugen bij het ene of het andere kind is, hoe de wil functioneert, hoe de aandacht werkt; men voelt zich genoodzaakt van buitenaf met de mens te experimenteren.

Weil man das innere Verhältnis zum Menschen, das eigentlich geistige Verhältnis zum Menschen verloren hat, weil man nicht mehr als Mensch mit der Seele zur Seele des anderen Menschen dringt, will man aus seinen körperlichen Äußerungen experimentell ablesen, welches diese seeli­schen Äußerungen sind. Gerade diese experimentelle Pädagogik und Psychologie sind ein Beweis dafür, daß unsere Wissenschaft ohnmächtig ist, an den vollen Menschen, der Geist, Seele und Leib zugleich ist, wirklich heranzukommen.
Diese Dinge müssen, wenn man im Ernste heute auf Erziehungs- und Unterrichtsfragen eingehen will, in vollem Maße gewürdigt werden, denn sie führen allmählich zu der Anschauung hin, daß das Notwendig­ste für einen Fortschritt auf dem Gebiet des Erziehungs- und Unter­richtswesens eine wirkliche Menschenerkenntnis ist.

Omdat men de innerlijke relatie tot de mens, de eigenlijk geestelijke relatie verloren is, omdat men niet meer als mens met de ziel doordringt tot de ziel van de andere mens, daarom wil men vanuit de lichamelijke uitingen experimenteel aflezen wat die uitingen van het gevoelsleven zijn. Juist deze experimentele pedagogie en psychologie zijn het bewijs dat onze wetenschap machteloos geworden is daadwerkelijk de volledige mens die tegelijkertijd geest, ziel en lichaam is, te bereiken.
Deze dingen moeten, wil je in alle ernst tegenwoordig in wil gaan op de opvoedings- en onderwijsvragen, volledig serieus genoemen worden, want zij voeren stap voor stap tot de opvatting dat het meest noodzakelijke voor een vooruitgang op dit gebied van opvoeding en onderwijs, echte menskunde is.

Blz. 68

Aber eine wirkliche Menschenerkenntnis wird man nicht gewinnen, wenn nicht der Abgrund zwischen Theorie und Praxis, der sich heute so furchtbar aufgetan hat, wirklich überbrückt wird. Solche Theorie, wie wir sie heute haben, kommt nämlich nur an den menschlichen Körper heran. Und wenn solche Theorie auch an die Seele und an den Geist herankommen will, so macht sie krampfhafte Versuche, kommt aber doch in Wirklichkeit nicht an sie heran, denn Seele und Geist müssen auf eine andere Weise erforscht werden, als diejenige ist, die im Sinne der heute anerkannten sogenannten wissenschaftlichen Methode liegt.
Um den Menschen zu erkennen, muß in ganz anderer Weise an den Menschen herangegangen werden, als es heute vielfach für exakt und richtig gilt. Dieses Herangehen aber an die wahre, wirkliche Menschen natur, dieses Aufsuchen einer wirklichen Menschenkenntnis, einer Men­schenkenntnis, die Geist, Seele und Leib im Menschen in einem schaut, das ist die Aufgabe der Anthroposophie. Anthroposophie will wiederum nicht bloß den physischen Menschen, sondern den ganzen Menschen erkennen. Aber wo da die großen Aufgaben gegenüber dem vollen Leben liegen, das bemerkt man heute vielfach gar nicht.

Maar er komt geen werkelijke menskunde wanneer de kloof tussen theorie en praktijk die tegenwoordig zo vreselijk gemeengoed is geworden, niet overbrugd wordt. Die theorieën die we nu hebben, benaderen alleen maar het menselijk lichaam. En als je daarmee ook de ziel en de geest wil benaderen, zie je de krampachtige pogingen waarmee je ziel en geest niet bereikt, want die moeten op een andere manier onderzocht worden, anders dan op de manier van de huidige officiële wetenschappelijke methode.
Om de mens te kennen, moet je deze op een heel andere manier benaderen dan die tegenwoordig als exact en juist gezien wordt. Maar het benaderen van de echte, reële natuur van de mens, dit zoeken naar een echte menskunde, een die geest, ziel en lichaam in en aan de mens waarneemt, is de opdracht van de antroposofie. Die wil op haar beurt niet alleen de fysieke mens leren kennen, maar de hele mens. Heel vaak wordt niet gezien waar de grote opgaven liggen als het om het leven gaat.

Ich möchte mich durch ein Beispiel aussprechen, um Sie hinzuweisen darauf, wie die Aufmerksamkeit ganz anderen Dingen einmal zugelenkt werden muß, als man es heute gewöhnt ist, wenn wirkliche Menschener­kenntnis wiederum erworben werden soll.
Sehen Sie, als ich jung war, es ist lange her, da kam unter anderen Weltanschauungs-Standpunkten auch der auf, den der Physiker Mach begründet hat. Es war ein ganz berühmter Weltanschauungs-Stand punkt. Ich führe das, was ich jetzt sage, nur als Beispiel an, und ich bitte, es auch nur als Beispiel hinzunehmen. Das Wesentliche dieses Mach­schen Standpunktes bestand darin, daß Mach sagte: Es ist ein Unsinn, von einem Ding an sich zu sprechen, ein Unsinn, von einem Ding an sich als Atom in der Welt zu sprechen. Es ist auch ein Unsinn, von einem Ich zu sprechen, das wie ein Ding in uns selber ist, sondern wir können nur sprechen von Empfindungen. Wer hat schon einmal ein Atom wahrge­nommen? Rote, blaue, gelbe Dinge, cis, g, a in den Tönen nehmen die Leute wahr; süße und saure und bittere Geschmäcke nehmen die Leute wahr; harte und weiche Dinge für den Tastsinn nehmen die Leute wahr,

Ik wil een voorbeeld geven om u erop te wijzen hoe de aandacht op heel andere dingen gevestigd moet worden dan tegenwoordig gebruikelijk is, willen we echte menskunde verkrijgen.
Kijk, toen ik jong was – dat is lang geleden – deed naast andere wereldbeschouwelijke opvatting ook die van de natuurkundige Mach opgeld. Ik zeg dit alleen als voorbeeld en ik zou het fijn vinden als u het ook alleen als voorbeeld ziet. Het wezenlijke van het standpunt van Mach bestaat erin dat hij zegt: het is onzin om over een ‘ding-op-zich’ te spreken, een ‘ding-op-zich’ als atoom in de wereld. Het is ook onzin om over een Ik te spreken dat als een ding in ons zelf zit, we kunnen alleen maar over gevoelens spreken. Wie heeft er ooit een atoom waargenomen? Rode, blauwe, gele dingen, cis, g, a in de tonen, nemen de mensen waar, harde en zachte dingen nemen ze met hun tastzin waar.

Blz. 69

Empfindungen nehmen die Leute wahr. Und wenn wir uns ein Weltbild machen, so besteht es nur aus solchen Empfindungen. Und wenn wir in uns selbst hineinschauen, so haben wir auch nur Empfindungen. Nichts ist da, als nur überall Empfindungen; Empfindungen, die zusammengehalten werden. Eine gewisse Härte, ein gewisses, ich will sagen, sanftartiges Anfühlen mit der Röte in der Rose, die Empfindung, daß man gebrannt wird, mit einem rötlichen Aussehen beim glühenden Eisen – überall miteinander verbundene Empfindungen, so sagte Ernst Mach. Man muß sagen, gegenüber der Anschauung einer Atomwelt, die kein Mensch natürlich sehen kann, war das in der damaligen Zeit ein Fortschritt. Das ist wieder vergessen worden. Ich will nicht über diese Anschauung sprechen, sondern über ein Beispiel menschlicher Entwik­kelung.
Sehen Sie, Ernst Mach hat einmal erzählt, wie er zu dieser Anschauung gekommen ist. Da sagte er, er sei als siebzehnjähriger Jüngling zu den Hauptsachen dieser Anschauung gekommen. Einmal, als er spazieren ging an einem besonders heißen Sommertag, da wurde ihm klar, die ganze Welt der Dinge an sich ist eigentlich müßig, das fünfte Rad am Wagen in aller Weltanschauung.

De mensen ervaren hun gevoelens. En wanneer wij een wereldbeeld creëren bestaat deze alleen uit deze gevoelens. En als we in ons zelf naar binnen kijken , hebben we daar ook alleen maar gevoelens. Niets is er dan alleen maar gevoelens; gevoelens die bij elkaar gehouden worden. Een bepaalde hardheid, een bepaald teer aanvoelen van het rood van de roos, het gevoel dat je je brandt aan een gloeiend ijzer dat er rood uitziet – overal gevoelens die met elkaar verbonden zijn, aldus Ernst Mach. Je moet wel zeggen dat t.o.v. de opvatting van een atomaire wereld die natuurlijk niemand kan zien, dit  in die tijd een vooruitgang betekende. Dat is weer vergeten. Ik wil het niet over deze opvatting hebben, maar over het voorbeeld van een menselijke ontwikkeling.

Kijk, Ernst Mach heeft eens verteld hoe hij tot deze opvatting is gekomen. Toen zei hij dat hij als zeventienjarige tot de hoofdzaken van die opvatting is gekomen. Toen hij eens op een bijzonder warme zomerdag ging wandelen, werd het hem duidelijk dat de hele wereld van de dingen op zich, er eigenlijk niet toe doet, het vijfde wiel aan de wagen van alle wereldbeschouwingen.

Da draußen sind nur Empfindungen. Die schmelzen mit den Empfindungen der eigenen Leiblichkeit, des eigenen menschlichen Wesens zusammen. Draußen sind die Empfindun­gen etwas loser, innen etwas fester verbunden, und zaubern dem Men­schen ein Ich vor. Alles Empfindung. Das kam dem siebzehnjährigen Jüngling an einem heißen Sommertag in einem Moment gerade zu. Spater, sagte er, hat er eigentlich das nur noch theoretisch weiter ausgeführt, aber die ganze Weltanschauung kam ihm auf diese Art an einem heißen Sommertag, wie er plotzlich sich zusammenfließen fühlte mit dem Rosenduft, der Rosenröte und so weiter. Ja, wäre es noch ein bißchen heißer geworden, dann würde wahr­scheinlich nicht diese Weltanschauung entstanden sein vom Zusammenfließen des eigenen Ichs mit den Empfindungen, sondern der gute Mach wäre als siebzehnjähn.ger Jüngling vielleicht von einer Ohnmacht befal­len worden, und wenn es noch heißer geworden wäre, hätte er einen Sonnenstich gekriegt.

Daar buiten bestaan er alleen maar gevoelens. Die smelten met de gevoelens van het eigen lichaam, met het eigen mensenwezen samen. Daar buiten zijn de gevoelens wat losser, van binnen steviger met elkaar verbonden en toveren de mens een Ik voor. Alles gevoelens.
Dat kwam bij de zeventienjarige jongen op een warme zomerdag in een ogenblik bij hem op. Later, zei hij, had hij dat alleen nog maar theoretisch verder uitgewerkt, maar zijn hele wereldbeschouwing kwam op deze manier op een warme zomerdag bij hem op, toen hij zich plotseling samen voelde smelten met de rozengeur, met het rood van de roos, enz. Maar ja, als het nog een beetje warmer zou zijn geworden, zou deze wereldbeschouwing van het samensmelten van het eigen Ik met de gevoelens waarschijnlijk niet ontstaan zijn, maar dan zou de goede Mach als zeventienjarige misschien flauw zijn gevallen en als het nog warmer zou zijn geworden, had hij misschien een zonnesteek opgelopen.

Blz. 70

Da haben wir drei Stufen von dem, was ein Mensch durchmachen kann. Die erste Stufe besteht darinnen, daß er, etwas gelockert, eine Weltanschauung ausgestaltet, die zweite, daß er ohnmächtig wird, die dritte, daß er einen Sonnenstich kriegt. Ich glaube, wenn heute einer äußerlich nachdenkt darüber, wie so jemand, wie der sehr gelehrte Ernst Mach, zu seiner Weltanschauung gekommen ist, da wird er nachdenken, was der alles gelernt hat, was in seinen Anlagen gelegen hat und so weiter; daß aber das die Hauptsache ist, wie er nun selbst erzählt, daß er die erste von den drei charakterisier­ten Stufen durchgemacht hat, das wird man nicht in den Vordergrund stellen. Und dennoch ist es so.
Worauf beruht denn das? Sehen Sie, man kennt einfach den Menschen nicht, wenn man nicht eine solche Erscheinung versteht. Was ist denn da eigentlich geschehen, als der siebzehnjährige Jüngling Mach spazieren ging? Es ist ihm offenbar sehr, sehr heiß geworden, und er stand zwischen dem, wo man sich ohne Hitze wohl fühlt und dem Ohnmäch­tigwerden mitten drinnen. Über einen solchen Zustand weiß man nichts Richtiges, wenn man nicht durch die anthroposophische Forschung darauf kommt, daß der Mensch eben nicht nur seinen physischen Leib hat, sondern über diesen physischen Leib hinaus noch das, was ich in meinen Schriften den ätherischen oder Bildekräfteleib genannt habe, einen übersinnlichen, unsichtbaren Leib.

We hebben hier drie niveaus van iets wat een mens kan doormaken. Het eerste bestaat eruit dat hij, een beetje losjes, een wereldbeschouwing vormt, het tweede dat hij gaat flauwvallen en het derde dat hij een zonnesteek oploopt.
Ik geloof dat wanneer tegenwoordig iemand er uiterlijk over nadenkt, hoe zo iemand als de zeer geleerde Ernst Mach, tot zijn wereldbeschouwing is gekomen, hij er dan over zal nadenken wat Mach allemaal heeft geleerd, wat hij in aanleg had enz.; maar wat de hoofdzaak is hoe hij nu zelf vertelt dat hij de eerste van de drie genoemde niveaus door heeft gemaakt, dat zal men niet voorop stellen. En toch is het zo.
Waar berust dat dan op? Kijk, je kent de mens simpelweg niet, wanneer je zo’n verschijnsel niet begrijpt. Wat is er eigenlijk gebeurd, toen de zeventienjarige Mach ging wandelen? Hij heeft het klaarblijkelijk erg warm gekregen en hij bevond zich precies in het midden van de toestand waarbij men zich zonder warmte goed voelt en het flauwvallen.
Over zo’n toestand weet men niet iets te zeggen wat juist is, wanneer men niet door het antroposofisch onderzoeken erop komt, dat de mens dus niet alleen maar zijn fysieke lichaam heeft, maar daarboven nog iets wat ik in mijn schriftelijk werk het etherische of het vormkrachtenlichaam genoemd heb, een bovenzintuiglijk, onzichtbaar lichaam.

Ich kann Ihnen heute natürlich nicht alle die Forschungen vorerzäh­len, auf denen die Erkenntnis eines solchen übersinnlichen Bildekräfte­leibes beruht; aber Sie können das ja in der anthroposophischen Litera­tur nachlesen. Es ist ein gesichertes Forschungsresultat, wie andere gesicherte Forschungsresultate.
Aber wie verhält es sich mit diesem Bildekräfteleib? Mit diesem Bildekräfteleib verhält es sich so, daß wir sonst immer im wachen Zustand voll angewiesen sind auf unseren physischen Leib. Die materialistische Anschauung hat ganz recht, wenn sie das Denken, das der Mensch in der physischen Welt entwickelt, an das Gehirn oder das Nervensystem überhaupt gebunden erklärt, denn wir brauchen den physischen Leib zu dem gewöhnlichen Denken. Wenn wir aber dieses gewöhnliche Denken etwas überleiten in ein gewisses freies innerliches

Ik kan u natuurlijk niet alle onderzoeken gaan vertellen waarop de kennis van zo’n bovenzintuiglijk vormkrachtenlichaam berust; maar dat kan u in de antroposofische literatuur nalezen. Het resultaat van dat onderzoek staat vast, zoals andere vaststaande onderzoeksresultaten. Maar hoe is de samenhang met dit vormkrachtenlichaam? Zodanig, dat we anders in wakkere toestand volledig aangewezen zijn op ons fysieke lichaam. De materialistische opvatting heeft helemaal gelijk dat wanneer die het denken dat de mens in de fysieke wereld ontwikkelt, aan de hersenen of het zenuwsysteem gebonden verklaart, want we hebben het fysieke lichaam nodig voor het gewone denken. Wanneer we echter dit gewone denken iets verder brengen tot een zeker vrij innerlijk

Blz. 71

Erleben, wie das zum Beispiel in der künstlerischen Phantasie der Fall ist, dann geht die fast gar nicht bemerkbare Tätigkeit des Bildekräfte-oder ätherischen Leibes zu einer größeren Intensität über.
Denkt also einer, wie man im gewöhnlichen Leben denken muß – mit dem, was ich da charakterisiere, ist wirklich nichts Abfälliges gemeint -, denkt einer in der gewöhnlichen nüchternen Weise, wie man es nun einmal muß im äußeren physischen Leben, so denkt er mit seinem physischen Leibe, und nur ganz wenig wird der Ätherleib benützt.
Geht einer zum Phantasieschaffen über, sagen wir zum dichterischen Schaffen, so tritt der physische Leib etwas zurück und der Ätherleib wird mehr tätig. Dadurch werden die Vorstellungen beweglicher; die eine fügt sich lebendiger in die andere ein und so weiter. Der ganze innere Mensch geht in eine größere innere Beweglichkeit über, als wenn die gewöhnliche nüchterne Alltagstätigkeit als Denken ausgeführt wird. Das alles liegt in der Willkür des Menschen. Aber zu all dem, was in der menschlichen Willkür liegt, kommt noch etwas anderes dazu, etwas, wozu der Mensch veranlaßt werden kann durch die äußere Natur. Wenn es uns recht warm wird, dann tritt die Tätigkeit des physischen Leibes, also auch die Denktätigkeit des physischen Leibes zurück, und der Ätherleib wird tätiger und tätiger.
Und indem der siebzehnjährige Mach spazieren gegangen ist und unter dem Eindruck der drückenden Sonnenhitze war, wurde einfach sein Ätherleib tätiger.

beleven, zoals dat bijv. het geval is in de kunstzinnige fantasie, dan gaat de nauwelijks merkbare activiteit van het vormkrachten- of etherlijf tot een grotere intensiteit over.
Wanneer iemand denkt zoals je in het gewone leven moet denken – met wat ik hier karakteriseer is niets afkeurends bedoeld – wanneer iemand op een gewone, nuchtere manier denkt, zoals dat nu eenmaal in het uiterlijk fysieke leven moet, dan denkt hij met zijn fysieke lichaam en het etherlijf wordt maar weinig gebruikt.
Wanneer iemand fantasievol schept, bijv. bij het dichten, dan houdt het fysieke lichaam zich iets terug en het etherlijf wordt actiever. Daardoor worden de voorstellingen beweeglijker; de ene voegt zich levendiger bij de andere enz. De hele mens komt in een grotere beweeglijkheid dan wanneer het gewone, nuchtere alledaagse denken actief is. Dat heeft de mens in zijn willekeur. Maar bij alles wat de mens willekeurig kan doen, komt nog iets anders, iets waartoe de mens aangezet kan worden door de uiterlijke natuur. Wanneer we het goed warm krijgen, neemt de activiteit van het fysieke lichaam af, dus ook de denkactiviteit van het fysieke lichaam en dan wordt het etherlijf steeds actiever.
En wanneer de zeventienjarige Mach is gaan wandelen en met de invloed van de drukkende zonnewarmte te maken krijgt, wordt simpelweg zijn etherlijf actiever.

Alle übrigen Physiker haben mit ihrem massiven physischen Leib die Physik ausgebildet. Den jungen Mach hat die Sonnenhitze dazu gebracht, nicht so denken zu können wie die anderen Physiker, sondern mit flüssigeren Begriffen zu denken: die ganze Welt besteht nur aus Empfindungen. Wäre die Hitze noch größer geworden, so wäre der Zusammenhang zwischen seinem physischen Leib und seinem Ätherleib so gelockert worden, daß der gute Mach nicht mehr mit seinem Ätherleib hätte denken können, gar keine Tätigkeit mehr hätte ausüben können. Der physische Leib denkt nicht mehr, wenn es zu heiß ist; und wenn es noch weiter geht, wird der Mensch krank, bekommt den Sonnenstich.
Ich führe Ihnen dies als Beispiel an, weil wir hier an der Entwicklung eines Menschen sehen, wie man verstehen muß, wie da in die menschliche

Alle andere natuurkundigen hebben met hun vaste fysieke lichaam de natuurkunde ontwikkeld. De jonge Mach werd er door de zonnewarmte toe gebracht dat hij niet zo kon denken als de andere natuurkundigen, hij dacht juist met meer stromende begrippen: de hele wereld bestaat alleen maar uit gevoelens.
Als de hitte nog was toegenomen, dan was het samengaan van zijn fysieke lichaam en zijn etherlijf nog losser geraakt en dan had de goede Mach niet meer met zijn etherlijf kunnen denken, dan had hij helemaal niets meer kunnen uitvoeren. Het fysieke lichaam denkt niet meer als het te warm is, en als dat nog verder gaat, wordt de mens ziek, hij krijgt een zonnesteek.
Ik kom hiermee als voorbeeld, omdat we hier aan de ontwikkeling van een mens zien, hoe je moet begrijpen, hoe hier in de menselijke

Blz. 72

Tätigkeit eingreift ein Übersinnliches im Menschen, der ätherische oder Bildekräfteleib, der uns die Form gibt, der uns die Gestalt gibt, der in uns die Wachstumskräfte hat und so weiter.
Außer diesem aber zeigt uns Anthroposophie, wie im Menschen noch weitere übersinnliche Wesensglieder stecken. – Stoßen Sie sich nicht an Ausdrücken. – Über den Bildekräfte- oder ätherischen Leib hinaus haben wir dann dasjenige, was der eigentliche Träger der Empfindung ist, den astralischen Leib, und dann erst die Wesenheit des Ich. Wir müssen den Menschen nicht nur seinem physischen Leibe nach kennen­lernen, sondern wir müssen ihn praktisch kennenlernen als ein Zusam­menwirken verschiedener Glieder seiner Wesenheit.
Diesen Gang vom Sinnlichen, dem die ganze gegenwärtige Wissen­schaft huldigt, zum Übersinnlichen hin, diesen Gang geht Anthroposo­phie. Sie geht ihn nicht aus Mystik und Phantastik heraus, sie geht ihn in derselben strengen Wissenschaftlichkeit wie heute die Wissenschaft in bezug auf die Sinnenwelt und die gewöhnliche nüchterne Verstandestä­tigkeit, die aber an den physischen Leib gebunden ist, verfährt. So entwickelt Anthroposophie eine Erkenntnis, eine Anschauung, und damit eine Empfindung für das Übersinnliche.

activiteit iets bovenzintuiglijks in de mens ingrijpt, het ether- of vormkrachtenlichaam dat ons de vorm geeft, de gestalte, die in ons de groeikracht heeft enz.
Buiten dit echter laat de antroposofie ons ook zien, hoe er in mens nog andere wezensdelen aanwezig zijn. Neem geen aanstoot aan uitdrukkingen!
Boven het vormkrachten- of etherlijf hebben we dan iets wat de eigenlijke drager van de gevoelens is, het astraallijf en dan ook het Ik-wezen. We moeten de mens niet alleen leren kennen wat zijn fysieke lichaam betreft, maar we moeten hem praktisch leren kennen als een samenwerking van verschillende wezensdelen.
De weg vanuit het zintuiglijke die door de hele tegenwoordige wetenschap eer wordt aangedaan, naar het bovenzintuiglijke, bewandelt de antroposofie. Dat is geen weg van mystiek of fantasterij, maar een van dezelfde strenge wetenschappelijkheid als de wetenschap bewandelt wat betreft de zintuigwereld en de gewone, nuchtere activiteit van het verstand, dat echter aan het fysieke lichaam is gebonden. En op deze wijze ontwikkelt de antroposofie kennis, opvattingen en daarmee een gevoel voor het bovenzintuiglijke.

Damit aber wird nicht etwa bloß das geliefert, daß man über die gewöhnliche Wissenschaft hinaus noch eine andere Wissenschaft hat. Es ist ja nicht so in der Anthroposophie, daß man zu dem, was wir heute als Naturwissenschaft, als Geschichtswissenschaft haben, noch eine andere besondere Geisteswissenschaft hinzufügt, die nun auch wiederum nur eine Theorie ist. Nein, wenn man so zum Übersinnlichen hinaufsteigt, so bleibt die Wissenschaft nicht Theorie, sondern die Wissenschaft wird da von selbst Praxis. Die Wissenschaft wird dasjenige, was da aus dem ganzen Menschen hervorströmt.
Von der Theorie wird nur der Kopf ergriffen. Von dem, was Anthro­posophie als eine Erkenntnis, die aber mehr ist als Erkenntnis, über den ganzen Menschen gibt, wird auch der ganze Mensch ergriffen. Und wie ist es dann?
Ja, lernt man in der Anthroposophie kennen, was im ätherischen oder Bildekräfteleib enthalten ist, dann kann man nicht stehenbleiben bei den scharf konturierten Begriffen, die wir heute haben für die physische

Daarmee wordt niet alleen maar aangedragen dat er naast de gewone wetenschap nog een andere wetenschap is. Het is niet zo bij de antroposofie dat we naast wat we tegenwoordig als natuurwetenschap, als geschiedeniswetenschap hebben, nog een andere bijzondere geesteswetenschap zetten, die dan ook weer alleen maar een theorie is.
Nee, wanneer je tot het bovenzintuiglijke komt, blijft de wetenschap geen theorie, maar wordt de wetenschap vanzelf praktijk. Wetenschap wordt iets wat uit de hele mens tevoorschijn stroomt.
Door de theorie wordt alleen het hoofd aangesproken. Door wat antroposofie als weten, dat echter meer is dan weten, over de hele mens aanreikt, wordt de hele mens aangesproken. En hoe is dat dan?
Wel, als je in de antroposofie leert kennen wat in het etherische of vormkrachtenlichaam aanwezig is, kun je niet blijven staan bij de scherp gekaderde begrippen die we tegenwoordig hebben voor de fysieke

Blz. 73

Welt, dann werden alle Begriffe beweglich, dann wird der Mensch, indem er zum Beispiel die Pflanzenwelt ansieht, nicht bloß Formen, bestimmte aufzuzeichnende Formen des Pflanzlichen haben, sondern bewegliche Formen. Sein ganzes Vorstellungsleben kommt in eine innere Beweglichkeit. Der Mensch ist genötigt, seelisch sich eine Frische zuzulegen, weil er jetzt nicht mehr die Pflanze zum Beispiel äußerlich bloß anschaut, sondern weil er, indem er über die Pflanze denkt, das Wach­sen, das Sprießen, das Sprossen der Pflanze selber mitmacht. Der Mensch wird im Frühling selber Frühling mit seinen Vorstellungen, im Herbste selber Herbst mit seinen Vorstellungen. Der Mensch sieht nicht nur die Pflanze aus dem Boden sprießen, Blüten bekommen, oder wiederum die Blätter sich verfärben ins Bräunliche, abfallen, nein, der Mensch macht diesen ganzen Prozeß mit. Indem er über die sprießende, sprossende Pflanze im Frühling, auf die er hinschaut, denkt, vorstellt, wird seine Seele mitgerissen. Seine Seele macht innerlich den Wachs­tums-, den Blüteprozeß mit. Seine Seele wird innerlich ein Erlebnis haben, wie wenn alle seine Vorstellungen zum Sonnenhaften hingingen.

wereld, dan worden alle begrippen beweeglijk, dan zal de mens, wanneer hij bijv. naar de plantenwereld kijkt, niet alleen maar vormen, bepaalde plantenvormen moeten optekenen, maar beweeglijke vormen. Heel zijn voorstellingsleven komt innerlijk in beweging. De mens wordt genoodzaakt wat zijn gevoel betreft, een bepaalde frisheid te verwerven, omdat hij nu de plant bijv. niet meer van buiten waarneemt, maar omdat hij, als hij over de plant denkt, de groei, het uitbotten, het uitlopen van de plant zelf meebeleeft. De mens wordt in de lente met zijn voorstellingen zelf lente, in de herfst met zijn voorstellingen zelf herfst. De mens ziet niet alleen maar de plant opkomen uit de grond, in bloei raken of  de bladeren verkleuren tot bruinachtig, afvallen, nee de mens maakt dit hele proces mee. Wanneer hij over de uitlopende, uitbottende plant die hij waarneemt in de lente, denkt, zich voorstelt, wordt zijn ziel meegenomen. Zijn ziel beleeft innerlijk het groei- en bloeiproces mee. Innerlijk beleeft hij mee hoe al zijn voorstellingen zich op het zonachtige richten.

Er hat gewissermaßen die Vorstellung, indem er immer mehr und mehr sich vertieft in das Pflanzliche, es ist das Sonnenlicht, zu dem er innerlich in der Seele emporstrebt. Alles wird innerlich lebendig.
Da werden wir nicht vertrocknete Begriffsmenschen, da werden wir innerlich seelisch lebendige Menschen. Da machen wir etwas von einer gewissen Trauer mit, wenn die Blätter sich verfärben und abfallen, da werden wir, wie gesagt, selber Frühling, Sommer, Herbst und Winter. Da frieren wir innerlich seelisch mit dem Schnee, der als äußerlich weißes Kleid die Erde bedeckt. Da wird alles in uns lebendig, was sonst trockenes Vorstellungsleben ist.
Und kommt man gar herauf zu Begriffen des sogenannten astralischen Leibes, ja, sehen Sie, da kommen die Leute und sagen: Ach, dieser astralische Leib, den haben so ein paar phantastische Kerle ausgesonnen.
Nein, er ist beobachtet, beobachtet wie etwas anderes. Aber derjenige, der ihn wirklich versteht, beginnt etwas anderes zu verstehen. Er beginnt zu verstehen dasjenige zum Beispiel, was erlebte Liebe ist. Er beginnt zu verstehen, wie die Liebe webt und wellt im Dasein. So wie er durch seinen Körper eine innere Erfahrung bekommt, ob es warm oder kalt ist,

Op een bepaalde manier krijgt hij de voorstelling, wanneer hij steeds meer zich verdiept in de plantenwereld, dat hij zich innerlijk in zijn ziel richt op het zonnelicht. Alles wordt innerlijk levend.
Dan worden we geen mensen met droge begrippen, maar mensen die innerlijk in hun gevoel léven. Dan beleven we iets van een bepaalde droefenis als de bladeren kleuren en afvallen, we worden, zoals gezegd, innerlijk in ons gevoel zelf lente, zomer, herfst en winter. Dan bevriezen we innerlijk als het sneeuwt, als de sneeuw als een uiterlijk wit kleed de aarde bedekt. Alles wat anders droge voorstellingen zijn, gaat dan in ons leven.
En wanneer je dan de begrippen van het zogenaamde astraallijf aanroert, komen er mensen die zeggen: ‘Ach, dit astraallijf is maar verzonnen door een paar fantasierijke figuren.
Nee, dit is waargenomen, waargenomen zoals andere dingen. Wie het werkelijk begrijpt, begint ook iets anders te begrijpen. Bij. wat doorleefde liefde is. Hij begint te begrijpen wat de liefde is die in het bestaan als een golfbeweging verbindt. Alsof hij door zijn lichaam een innerlijke ervaring krijgt, alsof het warm of koud is,

Blz. 74

so bekommt er durch die Erkenntnis des astralischen Leibes eine innerli­che Wahrnehmung, ob Liebe webt und wellt, oder ob Antipathie webt und wellt. Es ist eine volle Bereicherung des Lebens.
Sie werden nicht behaupten können, wenn Sie auch noch so viel Theorien, wie sie heute üblich sind, studieren, daß dann dasjenige, was Sie studieren, in Ihren ganzen Menschen übergeht. Es bleibt Kopfbesitz. Wollen Sie es anwenden, so müssen Sie es nach einem äußerlichen Prinzip anwenden. Studieren Sie Anthroposophie, so geht das über in Ihren ganzen Menschen, wie das Blut in Ihrem Körper rinnt. Das ist Lebensstoff, geistiger Lebensstoff – wenn ich das widerspruchsvolle Wort bilden darf -, geistiger Lebensstoff, der uns durchdringt. Wir werden andere Menschen, wenn wir Anthroposophie aufnehmen.
Und es ist so: wenn Sie ein Stück eines Menschenleibes nehmen, vom Finger hier, so kann dieses Stück höchstens tasten. Es muß ganz anders sich durchorganisieren, wenn es das Auge werden soll. Das Auge besteht auch aus solchen Geweben wie der Finger, aber das Auge ist innerlich selbstlos, ist innerlich durchsichtig geworden. Daher vermittelt einem das Auge dasjenige, was außerhalb des Auges ist.

zo krijgt hij door de kennis van het astraallijf een innerlijke waarneming alsof liefde verbindt en golft of dat antipathie heerst en golft. Het is een totale verrijking van het leven.
Je zal niet kunnen beweren, ook al zou je nog zoveel theorieën. zoals die nu gebruikelijk zijn, bestuderen, dat dan wat je bestudeert een deel wordt van je hele wezen. Het blijft iets van het hoofd. Als je het wil toepassen, moet dat volgens een uiterlijk principe. Als je antroposofie bestudeert, gaat dat in je hele wezen zitten, zoals het bloed door het fysieke lichaam stroomt. Het is stof voor het leven, geestelijke stof voor het leven – als ik deze tegenstrijdige woorden mag gebruiken: geestelijke stof voor het leven die ons doordringt. We worden andere mensen, wanneer we antroposofie in ons opnemen. En het is zo, wanneer je een deel van een mensenlichaam neemt, neem dit stukje vinger, dat kan alleen maar aftasten. Dat moet heel anders in elkaar steken om een oog te worden. Het oog heeft net zulk weefsel als een vinger, maar innerlijk is het oog onzelfzuchtig, innerlijk is het doorlaatbaar geworden. Vandaar dat het oog je doorgeeft, wat zich erbuiten bevindt.

Hat der Mensch innerlich ergriffen den astralischen Leib, so vermittelt der ihm dasjenige, was außerhalb ist. Der astralische Leib wird ein seelisches Auge. Der Mensch schaut in die Seele des anderen Menschen hinein, nicht in einer abergläubischen, zauberischen Weise, sondern in einer ganz natürlichen Weise. Aber es tritt so ein, was sonst nur unbewußt im Leben die Liebe macht. Sie schauen dasjenige, was in der Seele des anderen Menschen ist. Unsere heutige Wissenschaft sondert Theorie von Praxis ab. Anthroposophie bringt dasjenige, was Erkenntnis ist, in das unmittelbare Leben hinein, macht den Menschen zu einem anderen Menschen.
Es ist unmöglich, wenn man Anthroposophie studiert, daß man hinterher erst eine Praxis in der Anthroposophie durchmachen muß. Es ware ein Widerspruch in sich. So wie das Blut, wenn der Mensch als Embryo organisiert wird, in seinen Körper dringt, so dringt in Seele und Geist als eine Realität dasjenige, was Anthroposophie ist.
Dadurch aber kommen wir nicht etwa dazu, nun äußerlich am Men­schen herumzuexperimentieren, sondern wir kommen dahin, in das

Wanneer de mens innerlijk het astraallijf heeft begrepen, dan geeft dit aan hem wat erbuiten is. Het astraallijf wordt een oog voor de ziel. De mens kijkt in de ziel van de andere mens, niet op een bijgelovige, magische manier, maar heel natuurlijk. Maar het gebeurt zo, zoals anders alleen maar onbewust in het leven de liefde doet. Je kijkt in wat de ziel van de andere mens is. Onze huidige wetenschap scheidt theorie van praktijk. Antroposofie brengt hetgeen wat weten is, direct over op het praktische leven, maakt de mens tot een ander mens.
Het is onmogelijk wanneer je de antroposofie bestudeert, om pas achteraf een praktijk door te moeten maken. Dat zou met elkaar in tegenspraak zijn. Zoals het bloed in het lichaam doordringt wanneer de mens als embryo ontstaat, zo dringt de antroposofie door in ziel en geest als een realiteit.
Daarom komen wij er niet toe om uiterlijk met de mens te gaan experimenteren, maar wij komen ertoe

Blz. 75

innere Seelengefüge des Menschen hineinzuschauen, an den Menschen wirklich heranzukommen. Dann aber lernen wir auch noch etwas ande­tes. Dann lernen wir erkennen, wie innig verwandt zum Beispiel das menschliche Vorstellen mit dem menschlichen Wachstum ist.
Was weiß denn die heutige Psychologie von der Verwandtschaft des menschlichen Vorstellens mit dem menschlichen Wachstum? Man redet auf der einen Seite von der Art und Weise, wie Vorstellungen zustande­kommen. Man redet auf der anderen Seite in der Physiologie, wie der Mensch wächst. Aber daß diese beiden Dinge, Wachstum und Vorstel­lung, etwas miteinander zu tun haben, innig verwandt sind, davon weiß man ja gar nichts. Daher weiß man auch nicht, was es bedeutet, wenn in dem Lebensalter, das ungefähr zwischen dem siebenten und vierzehnten Jahr liegt, an den Menschen, an das Kind, unrichtige Vorstellungen herangebracht werden, wie das seinen Wachstumsprozeß beeinflußt, wie das den richtigen körperlichen Wachstumsprozeß beeinflußt. Man weiß nicht, wenn man dem Kinde zuviel Gedächtnisvorstellungen beibringt, wie das hemmend wirkt auf seinen Wachstumsprozeß. Man weiß nicht, wenn man dem Kinde zuwenig Gedächtnisvorstellungen beibringt, wie das sein Wachstum, ich möchte sagen, übermächtig macht, so daß es zu allerlei Krankheiten neigt.

dat we kunnen waarnemen in de ziel van de mens, we komen werkelijk bij de mens. Dan leren we ook nog iets anders. Dan leren we bijv. kennen dat het menselijke voorstellen diep verbonden is met de groei van de mens.
Wat weet de huidige psychologie van het verband van het voorstellen door de mens met zijn groeien? Aan de ene kant heeft men het over de wijze waarop voorstellingen tot stand komen. Aan de andere kant heeft men het in de psychologie erover hoe de mens groeit. Maar dat deze twee, groeien en voorstellen, iets met elkaar te maken hebben, diep verbonden zijn, daar weet men echter niets vanaf. Daarom weet men ook niet wat het betekent, als je in de levensfase die ongeveer tussen het zevende en het veertiende jaar ligt, de mens, het kind, onjuiste voorstellingen meegeeft en hoe dat zijn groeiproces beïnvloedt, hoe dat een gezond lichamelijk groeiproces beïnvloedt. Men weet niet dat wanneer je een kind te veel voorstellingen voor zijn geheugen bijbrengt, dit remmend werkt op zijn groeiproces. Men weet niet dat wanneer je een kind te weinig gedachtevoorstellingen bijbrengt, dat zijn groeien oppermachtig wordt, zodat dit tot allerlei ziekten neigt.

Man kennt nicht diesen innigen Zusammen­hang zwischen allem Seelischen und allem Leiblichen.
Ohne das aber ist jede Erziehung und jeder Unterricht ein finsteres Herumtappen am Menschen. Anthroposophie hat ganz gewiß im Anfang nicht darnach gestrebt, eine Pädagogik zu begründen. Sie wollte Menschenerkenntnis, ganze, volle Menschenerkenntnis liefern. Aber indem sie ganze, volle Menschenerkenntnis lieferte, entstand ganz von selbst das Pädagogische. Und wenn wir uns nun umschauen, was da und dort heute als Reformgedanken auftritt, so ist das alles außerordentlich gut gemeint, und man kann vor mancherlei allen Respekt haben, was in dieser Weise auftritt, denn die Menschen können ja nichts dafür, daß zunächst keine Menschenerkenntnis, keine wahre, wirkliche Menschenerkenntnis da ist. Wäre Menschenerkenntnis in diesen pädagogischen Reformplänen, Anthroposophie brauchte nichts zu sagen. Aber wenn Menschener-kenntnis vorhanden wäre, dann wäre es ja eben Anthroposophie. Weil

Men kent de diepe samenhang niet tussen alles wat ziel is en alles wat lichaam is.
Zonder dat is iedere opvoeding en elk onderwijs echter een vaag wat doen met de mens. Antroposofie had aanvankelijk niet de bedoeling een pedagogie te ontwikkelen. Ze wilde menskunde, volledige menskunde leveren. Maar toen ze deze bracht, ontstond als vanzelf het pedagogische.
En als we nu eens kijken wat hier en daar als vernieuwingsgedachten naar voren komt, is dat allemaal goed bedoeld en je kan voor van alles wat op deze manier gebracht wordt, veel respect hebben, niettegenstaande dat er voor de mensen nu geen menskunde, geen echte reële menskunde bestaat. Als er in deze pedagogische vernieuwingsplannen echte menskunde zou zitten, dan hoefde de antroposofie niets te zeggen. Maar als daar echte menskunde bij zou zijn, dan zou het antroposofie zijn. Omdat

Blz. 76

eine wirkliche Menschenerkenntnis heute in unserem ganzen Zivilisa­tionsleben fehlt, kam Anthroposophie und wollte diese Menschenerkenntnis geben. Und weil Pädagogik nur auf Menschenerkenntnis fußen kann, weil Pädagogik nur dann gedeihen kann, wenn nicht Theorie auf der einen Seite, Praxis auf der anderen Seite da ist, sondern wenn, ie beim wirklichen Künstler, alles, was man weiß, auch in das Tun, in die Tätigkeit hineingehen kann; weil Pädagogik nur gedeihen kann, Wenn alles Wissen Kunst ist, wenn die Erziehungswissenschaft nicht Wissen schaft, sondern Erziehungskunst ist, muß eine solche in sich tätige Menschenerkenntnis die Grundlage des pädagogischen Wirkens und Arbeitens sein.
Sehen Sie, darum existiert eine anthroposophische Pädagogik. Nicht weil man nun einmal fanatisiert ist für Anthroposophie, und deshalb der Anthroposophie zuschreibt, daß sie ein solcher Allerweltskerl ist, daß sie alles kann, also auch Kinder erziehen, nicht deshalb gibt es eine anthro­posophische Pädagogik, sondern weil mit Notwendigkeit nur aus einer wirklichen Menschenerkenntnis heraus, die eben Anthroposophie geben will, Pädagogik erwachsen kann. Deshalb, meine sehr verehrten Anwe­senden, gibt es eine anthroposophische Pädagogik.

Nun möchte ich morgen, nachdem ich heute nur einige einleitende Striche gegeben habe, über das Thema weitersprechen.

er nu in onze hele beschaving een echte menskunde ontbreekt, kan de antroposofie die geven en dat wil ze ook doen. En omdat pedagogie alleen maar gefundeerd kan worden op menskunde, omdat de pedagogie alleen maar gedijen kan als er niet aan de ene kant theorie bestaat en aan de andere kant praktijk, maar wanneer er, net als bij de echte kunstenaar, alles wat je weet ook in het doen, in de activiteit over kan gaan; omdat pedagogiek slechts gedijen kan, wanneer alle kennis kunst is, wanneer de opvoedingswetenschap geen kennis creëert, maar opvoedkunst is, dan moet de in zichzelf actieve menskunde de basis zijn van het pedagogisch bezig zijn.
U ziet het: daarom bestaat er een antroposofische pedagogie. Niet omdat we nu eenmaal fanatiek antroposofie willen en men daarom van de antroposofie zegt dat het een manusje-van-alles is, dat ze alles kan, dus ook kinderen opvoeden. Maar daarom is er geen antroposofische pedagogie. Maar wel door de noodzaak dat een pedagogie alleen groeien kan door een echte menskunde, die de antroposofie dus wil geven.
Daarom, zeer geachte aanwezigen, is er antroposofische pedagogie.

Nu wil ik, nadat ik vandaag maar een paar inleidende aanzetten heb gegeven, morgen over het thema verder spreken.

.

Rudolf Steinerpedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

.2646

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfase en ziekte

.
Dr.Med. H.K.Mittelstrass, kinderarts, Weledaberichten nr.137 december 1995

.

ONTWIKKELINGSFASEN EN AANLEG VOOR ZIEKTEN IN DE EERSTE DRIE LEVENSPERIODES VAN ZEVEN JAREN

.

Elk jaar gedenken wij met Kerstmis de geboorte van het Jezuskind dat de Christus wordt, die wij als de Verlosser vereren. Als wij zijn levensgeschiedenis overzien, zoals die aan ons is overgeleverd, dan gebeuren er rondom de geboorte van het kind wonderbaarlijke dingen: de drie Koningen kwamen van verre. Zij begrepen de gebeurtenis vanuit de sterren. De herders beleefden die in hun harten en zij ontwaarden de hemelse heerscharen boven het heilige kind. Na de doop in de Jordaan begint echter pas de werking van Jezus van Nazareth, die zijn discipelen als de Christus herkennen. Nu stelt hij zelf tekenen. Wat ligt daartussen? Wij vernemen over de vlucht naar Egypte, een terugtocht in het verborgene. Daarna de terugkomst naar Galilea, die zo begenadigde streek van Israël, die los staat van het politieke leven van Jeruzalem. Daarna zien wij een uniek oplichten van hetgeen later zichtbaar zal worden, als de twaalfjarige Jezus, op de drempel van de kindsheid naar het jongelingschap, de Schriftgeleerden in verbazing brengt voor zijn leer en uitlegging van de Schrift in de tempel. In de stilte voltrok zich het rijpen, daarna kwam het begin van zijn taak op aarde.

Op die manier voltrekt zich ook de rijping van ieder mens. Er zijn vele jaren voor nodig, ongeveer twee decennia, tot wij diegenen zijn, die in het leven vormgevend ingrijpen, om onze taken op aarde te volbrengen. Het zijn jaren van leren, rijpen, groei en verandering. Vanaf onze geboorte zijn wij wel fysiek aanwezig, toegerust met een ontembare levensdrang, na een geheimzinnige, in het verborgene van de moederschoot zich voltrekkende voorbereiding, maar… hoe hulpeloos zijn wij niet? Wij hebben deel aan de wereld, hebben echter de krachten, de substanties van die wereld nodig, bovenal de andere mensen om op te groeien, te rijpen en uiteindelijk zelfstandig te worden.

Deze ontwikkelingsfase vertoont naast continuïteit duidelijk markante punten waar nieuwe eigenschappen en impulsen tevoorschijn komen, misschien alleen maar terloops zichtbaar worden, om dan weer in de stroom van de voortschrijdende ontwikkeling onder te duiken.

Dergelijke in het oog lopende punten herkennen wij in de vroege kindsheid gemakkelijker als zij gepaard gaan met zichtbare lichamelijke veranderingen. Later worden zij minder duidelijk, als zulke veranderingen nog slechts psychisch-geestelijke ontwikkelingen weergeven, die wij dus ook met andere waarnemingsorganen moeten observeren. Wij zien een groot, ongeveer zeven jaren omvattend biologisch en biografisch ontwikkelingsritme, dat op zich zelf in fasen is geleed.

Er zijn twee kenmerkende gebeurtenissen na de geboorte waardoor wij fysiek tot verschijning komen.

De eerste is het tijdstip van de tandenwisseling, die de kleuterfase afsluit en altijd al als het juiste ogenblik van de schoolrijpheid werd beschouwd, omdat er nu kennelijk nieuwe mogelijkheden en vaardigheden ontstaan.

De tweede is het intreden van de puberteit omstreeks het 14e jaar. Met de lichamelijke verandering van de geslachtsrijpheid ontwaken nieuwe zielenkrachten, die vrij komen en die zich naar de medemens en de wereld keren.

Rondom het 21e jaar is de menselijke gestalte voltooid. Het is de tijd van de volwassenheid. Daarna kan de mens het ”wij” beleven en in de wereld actief worden.

Tussen deze overgangen om de zeven jaren ligt het doorbreken van de eerste tanden in het zuigelingenstadium omstreeks de 6e maand. Vanaf nu kan ook vaster voedsel dan alleen de zoete moedermelk worden verdragen; het kind wil zich gaan oprichten. Als het één jaar is kan het dat. Daarop volgt het leren lopen. De wereld wordt groter. Het kind wil die wereld gaan begrijpen en ervaren. Na een eerste begin van de mogelijkheid om te denken ontvonkt met ongeveer 2½ jaar het ik-bewustzijn, waarmee dan allengs het continue zelfbewustzijn, de mogelijkheid van het zich-herinneren gepaard gaat.

Lichaamsbeheersing (wie beheerst wie?) en leren gaan geweldig vooruit. Het lichaam groeit op in fasen van afwisselend strekken en vullen. De kindsheid is door iets betoverends omgeven. Het echt-slechte bestaat niet. In de omgang met het kind krijgen wij eerbied voor hetgeen daar zienderogen opgroeit en rijpt onder onze zorgzame handen. Met ongeveer 9 jaar wordt die harmonie dikwijls haast onmerkbaar plotseling verstoord, als ons vragen, twijfel omtrent de ouders en opvoeders uit de droeve, resignerende blik van het kind tegemoet komen. Deze vertroebeling van onze relatie met het kind en van het kind met ons wordt verhevigd als wij beleven, hoe rondom de puberteit driften loskomen, verdorvenheid de ziel gaat beproeven, krachten in tegenstelling tot hetgeen de opvoeder en de wereld beogen, de vrije loop trachten te krijgen om dan weer te worden gebruikt voor lichamelijke en geestelijke prestaties die van een verbazingwekkende zekerheid getuigen en die vooral blijken in de adolescentie – vooropgesteld dat de jonge mens de juiste gelegenheid krijgt om lichaam, ziel en geest te voeden en te trainen. Maar rondom het 18e, 19e jaar komt er een nieuwe breuk als opeens gedurende een zekere tijd een opeenvolging van blunders en pech ontstaat waaruit de adolescent dan ontwaakt, gerijpt door de ervaring, dat niet alles zomaar vanzelf gaat en teleurstelling – waardoor het begrip voor de omgeving wordt verdiept – wordt ervaren; wij zien de mens nu volwassen worden. Wij vermoeden iets van de worsteling tussen opbouwende groeikrachten en vormgevende afbrekende krachten in de jonge mens, tot ten slotte na vele metamorfosen de bij hem passende gedaante met de daaraan inherente vermogens voor ons staat.

Het kan na het hierboven beschrevene duidelijk zijn, dat dit verloop van de menswording in ritmische ontwikkelingsfasen verloopt. Aan die fasen, waarin plotseling nieuwe resp. oude vermogens in veranderde gedaante tevoorschijn komen, gaan tijden van voorbereiding vooraf, waar in het verborgene de aanleg ontstaat voor hetgeen later verschijnt.

Wij weten, dat de stappen in een ontwikkeling vaak pijnlijk zijn en het beeld van ziekten vertonen. Uit de waarneming daarvan en het weten daaromtrent dringt zich de gedachte op, dat ziekten – vooral gedurende de kinderjaren- de uiting van ontwikkelingsfasen of op zijn minst de heftige poging om een ontwikkeling door te maken zijn, die zonder de inspanning van een ziekte niet mogelijk zou zijn geworden.

In het hierna volgende worden enkele typische ziekten met betrekking tot de verschillende levensfasen beschreven die deze gedachte kunnen illustreren.

Ziekten in de eerste zeven jaar

In de eerste zeven jaren spelen infectieziekten de hoofdrol. Zij zijn zo kenmerkend voor deze leeftijd, dat ze kinderziekten worden genoemd. Met de krachten van de nabootsing, waarover het kind op deze leeftijd beschikt en die bij de infectieziekten aan het fysieke lichaam gebonden optreden, verwerft het zich als resultaat van de ziekte de immuniteit, d.w.z. het kan niet een tweede keer zo’n ziekte krijgen. Het kind krijgt dus iets wat helemaal van hemzelf is: het vermogen om zich zelf in stand te houden.

Het beleeft, gekluisterd aan zijn lichaam, een proces, dat al in de ziel in de fase van het nee-zeggen, van het eerste ik-bewustzijn, is begonnen. Zulke ziekten, die van binnenuit via het zweten met hoge koorts, door de huid worden afgeleid, treden op in een fase van lichaamsverandering en groei. Na mazelen, roodvonk, waterpokken wordt tegelijk met de roofjes en korsten de oude huid afgelegd. Het kind komt als herboren tevoorschijn met zijn nieuwe vaardigheden, vooreerst nog een beetje uitgeput door de worsteling, op den duur echter versterkt. Het beschikt over nieuwe vaardigheden, heeft belemmeringen uit het verleden zoals bijv. gebrek aan eetlust en bedwateren overwonnen.

Ziekten in de tweede zeven jaar

Terwijl in de eerste zeven jaren deze ziekten de totale mens met hoge koortsen doorgloeiden, waarvoor men eigenlijk niet bevreesd behoeft te zijn, hebben de typische en veel voorkomende ziekten van de tweede fase van zeven jaren eerder een vluchtig nauwelijks vatbaar functioneel element. Het totaal van de wisselende symptomen vatte Holzapfel als schoolziekten samen: buikpijn, braken, diarree, verstopping, hoofdpijn, pijn in de ledematen, steken in de hartstreek, ademnood, duizeligheid wisselen elkaar af. De arts zal, als hij organische manifestaties zoekt, nauwelijks iets vinden wat van belang is.

Terwijl het lichaam in de eerste zeven jaren steeds meer gevormd werd, moet het zich nu aan uiterlijke omstandigheden aanpassen. Dat lukt niet zonder dat ook het zielenleven, dat nu ontstaat hierbij betrokken is. Wij denken hierbij eraan, hoe schrik de adem doet stokken en het gelaat doet verbleken, toorn het gezicht rood laat worden en vreugde het hart sneller laat kloppen. Aldus kunnen wij meevoelen, wat in deze levensfase het voornaamste element is, dat wordt getraind en leiding geeft: de ziel, die gebruik maakt van de lichamelijke functies, wier kenmerk is heen en weer te pendelen tussen vreugde en smart, moed en angst, sympathie en antipathie, instemming en afkeuring en die in het gezonde heen-en-weer schommelen tussen de polen niet in de stilstand het evenwicht zoekt en vindt. In de eerste zeven jaren vinden wij uiterlijke oorzaken voor het optreden van de kinderziekten die worden “nagebootst”. Zij zijn een welkome aanleiding om de wil te activeren, die het kind van top tot teen doortrekt. Opdat dit goed gebeurt, behoeven wij als artsen en opvoeders hier niet veel aan toe te voegen.

In de gezondheidsstoornissen van de basisschoolleeftijd hebben wij eveneens uiterlijke aanleidingen die uitgaan van het ouderlijk huis, de civilisatie, de voeding, een tekort aan ritme in het dagverloop, intellectuele overbelasting, een overmaat van zintuigelijke indrukken. Een hulp, die wij ter overwinning van de stoornissen kunnen bieden ligt op het psychische vlak om het heen en weer gaan tussen twee uitersten weer op gang te brengen of tot de juiste maat te herleiden. Het pendelen heeft echter ook ten doel een evenwicht tot stand te brengen. Ondersteuning daarvan bestaat in een gezonde opvoeding, zoals die te vinden is in de vrijeschoolpedagogie. Wie zich daarmee bezig houdt scherpt ook zijn blik om de genoemde uiterlijke aanleidingen van de stoornissen te kunnen herkennen en verschaft aan ouders en opvoeders de mogelijkheid om de kinderen te helpen.

Ziekten in de derde zeven jaar

Als de puberteit zich aankondigt als een overgang van de 2e naar de 3e fase van zeven jaren, met een versnelling van de wasdom, in lichamelijke zwaarte vallen, rijping van geslachtsorganen, verandert ook het kenmerk van de typische door de leeftijd bepaalde ziekten: botnecrose, slechte lichaamshouding, vetzucht treden op en verkondigen, dat in de toekomst ziekten anders, meer aan de organen gebonden zullen zijn. Als wij bedenken, hoe verbonden met crises in het ziels- en wilsleven de fase van de puberteit bijna door iedereen wordt beleefd, dan wordt ook begrijpelijk, dat nu werkelijk de levensloop beïnvloedende storingen kunnen optreden, als deze overgang niet gelukt.

Nemen wij in dit verband de steeds meer in de puberteit optredende drift om te vermageren of een ander gedragspatroon (verslaving aan drugs, alcohol, nicotine etc.), wat in onze tijd een overgroot vraagstuk wordt, dan wijzen deze ziekten wat hun kiem betreft naar eerder liggende stadia. Niet in de eerste plaats in de directe omgeving, het heden, liggen de oorzaken van de ziekten, zoals dat bij de voorafgaande leeftijdsfasen voornamelijk het geval was; veeleer zijn die dan te vinden in factoren uit het verleden. Zij beïnvloeden de actuele situatie en werpen een drempel op voor de toekomst. Deze ziekten zijn misschien nog de uitdrukking van de wil tot zelfgenezing, van de poging om stadia van de ontwikkeling in te halen, maar door de ernst van de ziekte wordt toch duidelijk, dat zij uit zichzelf niet meer tot genezing in staat zijn. Veeleer kan men vermoeden, dat er beschadigingen zullen overblijven, als er niet energiek wordt ingegrepen en geholpen van buiten af door opvoeders en genezers.

Deze ziekten van de derde zevenjaarperiode blijken in tegenstelling te staan, tot de typische ziekten van de voorafgaande periodes. Van de eerstgenoemde ziekten krijgt men de indruk, dat zij gunstig zijn voor de ontwikkeling. De later optredende ziekten lijken die te remmen, af te snijden. Als wij nauwgezet andere ziekten nagaan, die behalve de genoemde in de eerste twee periodes van zeven jaren optreden, dan kunnen wij misschien in toenemende mate ook in eerdere levensperiodes dergelijke belemmerende ziekten ontdekken.

Daardoor rijst de vraag: wat zijn de voorwaarden voor het ontstaan van zulke ingrijpende en uiteindelijk vernietigende ziekten? Als men nagaat, wat jonge mensen, die verslavingsgedrag vertonen, tevoren hebben meegemaakt op hun ontwikkelingsweg, dan ontdekt men dikwijls krenkende en storende gebeurtenissen, die hoogst persoonlijk zijn en niet over één kam geschoren en vereenvoudigd kunnen worden opgesomd – gebeurtenissen, die schreden op de ontwikkelingsweg bemoeilijkten of onmogelijk maakten. Men denkt aan het ontbreken van kinderziekten, van nestwarmte in de eerste kinderjaren, intellectuele overbelasting in de schooltijd, vervelende leraren i.p.v. ontmoetingen met een enthousiasmerende, kunstzinnige persoonlijkheid die voor het kind een dierbare autoriteit wordt.)

De vraag naar de voorwaarden van de ontwikkeling-belemmerende ziekte in de derde zevenjaarperiode roept de vraag op naar de voorwaarden voor de ontwikkeling van een levend wezen in ’t algemeen.

In de planten- en dierenwereld ziet men, dat in elke ontwikkeling levenswetten een rol spelen. Men kan ze als volgt formuleren:

1e: dat de ontwikkeling naast een continuïteit een ritmische geleding in de tijd vertoont.
2e: dat met dit ritme in de tijd ook ritmisch zich voltrekkende gedaanteverwisselingen gepaard gaan (metamorfosen).
3e: dat ontwikkelingsfasen en veranderingen in het verborgene worden voorbereid in een beschermende omhulling.

De eerste beide gezichtspunten vonden wij reeds in de voorafgaande beschouwing. Het noemen van ziektefasen diende ter verduidelijking daarvan. De derde wetmatigheid werd ook reeds vermeld.

Wij willen daar nog enkele gezichtspunten aan toevoegen met de bedoeling de oorzaak van die de ontwikkeling remmende ziekten van de derde zevenjaarperiode na te gaan en misschien een bijdrage te leveren, hoe dit soort ziekten aan te pakken.

Ziekte is geen levensuiting van planten en dieren als het milieu intact is. Ziekte wordt echter in toenemende mate mogelijk door de mens, die het milieu ook van deze levende wezens verandert en is voor ons een signaal om zorgvuldiger met het milieu om te gaan. De plant verbergt voor onze blik de voorbereiding voor de volgende ontwikkelingsfase onder de schutbladeren van de knop. Het dier verbergt in het ei de larf. Die verpopt zich tot de rups een vlinder wordt. Het dier bouwt nesten, maakt holen, trekt zich in het struikgewas terug of het wordt in de kudde door de volwassen dieren omringd. Elke keer worden omhullingen gevormd in de bescherming waarvan stappen in de ontwikkeling worden gedaan. Voor zover die lichamelijk zijn kunnen wij ze zien, meten, wegen. Psychische ontwikkeling blijkt uit het gedrag. Die volgt meestal op lichamelijke veranderingen, zoals men door subtiele waarneming ook na de duidelijke keerpunten van de tandenwisseling, de puberteit nog kan zien. Ook psychische ontwikkelingsetappes hebben ter voorbereiding omhullingen, afzondering nodig. Wij mogen dit afleiden uit het voorafgaande betoog. Deze omhullingen, in de bescherming waarvan psychische, geestelijke en lichamelijke ontwikkelingen worden voorbereid, behoeven niet zichtbaar, moeten echter werkzaam zijn.

Laten wij niet vergeten, dat wij in tegenstelling tot de dieren kunstmatige verwarming door kleren en woningen nodig hebben. Vergeten wij ook niet de psychische omhulling die het gezin aan het zich in wording bevindende zielenwezen van het kind geeft. Daarbij komt nog de omhulling van de moedertaal voor het denken, die een klas, een schoolgemeenschap, een functionerende buurtschap kunnen geven om geestelijke en sociale vaardigheden te trainen, opdat daarna een eigen zielspatroon, het eigenlijke wezen van de mens, zich met behulp van de culturele omhulling kan ontwikkelen.

Als wij het wezenlijke van omhullingen nader beschouwen, dan wordt duidelijk dat die beschermende organen niet alleen naar binnen en naar buiten afsluiten. Ze zijn ook doorlaatbaar.

Die doorlaatbaarheid is echter ook gefilterd: de pop van de vlinder laat heel bepaalde werkingen door van buitenaf, bijv. bepaalde frequenties van stralingen uit een breed spectrum, die voor de wordingsprocessen van belang zijn; andere worden afgewezen.

De omhullende lagen zijn gevoelig voor licht, warmte en vochtigheid, zij beschermen tegen koude en droogte.
Wij zien nu in de omhullingen eigenschappen die onze huid ook heeft, die ons van de buitenwereld afschermt, maar tevens signalen van buiten naar binnen overbrengt in een gefilterde vorm. Omhullingen beschermen. Zij zijn noodzakelijk in de ontwikkelingsweg van levende wezens. Wij gaan beseffen, omdat omhullingen noodzakelijk zijn, hoe kwetsbaar de ontwikkeling van levende wezens in ’t algemeen is, vooral in het stadium van de gedaanteverwisseling, als de oude omhulling is afgeworpen en de nieuwe toestand nog niet is gevestigd.

Langs deze weg kan duidelijk worden, hoe gevoelig voor stoornissen een ontwikkeling is, als omhullingen niet te juister tijd zijn ontstaan of de bescherming die zij kunnen bieden, ontijdig is aangetast of te laat werd opgelost. De ervaringen en waarnemingen in het dierenrijk vertellen ons echter ook: hoe eerder zich ontwikkeling in het onbeschermde milieu voltrekt, des te lager is de graad van de uiteindelijke organisatie. Dieren hebben bijv. geen culturele omhullingen ontwikkeld, zij blijven dus in de soort gevangen.

Een te vroeg geboren kind heeft de intensieve inzet van artsen en verpleegsters nodig om in leven te blijven. Het krijgt een kunstmatige omhulling in de gedaante van een couveuse. Dikwijls vertoont het zijn leven lang de sporen van een te vroege geboorte, bijv. cerebrale bewegingsstoornissen, waaruit blijkt, dat een rijping niet in rust werd volbracht, maar hals over kop moest worden ingehaald in een onnatuurlijk milieu buiten de beschermende en voedende moederlijke lichamelijke omhulling. De liefde van de moeder biedt weliswaar hulp in de eerste weken tegen het ’t leven bedreigend gevaar, maar is op zichzelf niet toereikend.

Evenzo kan het leven in de hoogste mate in gevaar komen of voortijdig uitblussen, als niet op tijd die tot dusver voedende en vormgevende omhulling wordt afgestoten, als de geboorte dus niet tot stand wil komen en een kunstmatige beëindiging van de zwangerschap voor het te lang gedragen kind noodzakelijk is.

Beide stoornissen aan het begin van een leven zijn oerbeelden van ziekten door een te vroeg of een te laat, zoals die op elke trede van de ontwikkeling mogelijk zijn, waarbij een te vroege geboorte laat zien, wat het betekent om op de toekomst vooruit te lopen: het heden en het verleden moeten worden ingehaald. Het te lang gedragen kind laat zien, hoe vernietigend en de toekomst onmogelijk makend het kan zijn, als het verleden te lang wordt vastgehouden.

Wij willen dus de mens beschouwen als een wezen, dat omhullingen heeft. Laten wij onze blik scherpen voor het feit, hoe dat is, waar hij littekens heeft, waar omhullingen ontbraken, als wij naar hem kijken zoals hij nu is. Maar wij willen tevens ook ontdekken wat er nu nodig is. Er wordt een appel op ons gedaan onze wil te activeren, tevens te zoeken naar wegen om hulp te bieden. Want wat doen wij als iemand gewond is? Wij maken een kunstmatige omhulling, wij verbinden de wond, opdat onder die bescherming de totaliteit weer kan ontstaan.

Met Kerstmis wordt elk jaar ter herinnering aan de geboorte van Jezus een beroep op die kant van ons wezen gedaan, dat liefderijk zich naar de medemens zou willen keren. Zou de kersttijd niet ook het juiste tijdstip zijn om met een innerlijke oefening te beginnen, n.l. dat men de medemens als een in omhullingen zich openbarend wezen ziet?

.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2645

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – wegwijzer (363)

.

In het geschreven werk van Rudolf Steiner, maar ook in zijn opgetekende voordrachten vind ik vaak uitspraken, die – enigszins los van hun verband – op zich een inhoud hebben waarover je lang kan nadenken. Een tijdlang zo’n zin regelmatig op je laten inwerken, kan tot gevolg hebben dat deze zin je in een bepaalde situatie plotseling invalt en dan een antwoord of een richting blijkt te geven voor waarmee je op dat ogenblik bezig bent.
Ze wijzen je een weg; misschien ‘de’ weg; en ze wijzen je weg van het alledaagse. of geven je juist daarop een andere kijk,

‘wegwijzers’ dus

363
Ik had het liefst dat ik de antroposofie iedere dag anders zou kunnen noemen, opdat de mensen niet bij het woord blijven hangen, dat woord uit het Grieks vertalen en daar dan een mening over hebben
.

Mir wäre es am liebsten, wenn ich die Anthroposophie jeden Tag anders nennen könnte, damit nicht die Leute am Worte festhalten, das Wort aus dem Griechischen übersetzen und darnach sich ihr Urteil bilden.
GA 306/29
Op deze blog vertaald/29

.

Rudolf Steineralle wegwijzers

Rudolf Steineralle artikelen

.

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/35)

.

stier

De stier is het sterrenbeeld dat tegen de morgen aansluiting zoekt bij de ram. Hij is eveneens het tweede sterrenbeeld van de dierenriem. Zijn helderste ster, het oog van de stier, Aldebaran, licht aan de nachtelijke sterrenhemel rood op. Dit fonkelende, lichtende hemellichaam heeft bij de aardbewoners te allen tijde een gevoel van eerbied en ingetogenheid opgeroepen. 
De oude culturen van Babylon, Egypte en Kreta zagen in de stier een goddelijk wezen, dat moed, uithoudingsvermogen en kracht belichaamde. Dat komt ook in de volgende legende tot uitdrukking.

Europa was de knappe dochter van koning Agenor van Fenicië. Op een dag zag Zeus, die al lang verliefd op haar was, hoe ze met haar vriendinnen bij het strand van de zee bloemen plukte. Toen nam hij de gedaante van een witte stier aan en sloot zich aan bij een kudde van de koning die in de buurt weidde. 
Europa zag de prachtige stier meteen, want hij overtrof alle andere in pracht en kracht. Zijn kleur was zo wit als vers gevallen sneeuw. Zijn nekspieren verraadden een grote kracht, zijn horens zagen eruit als edelstenen en zijn ogen stonden open en vriendelijk. De dochter van Agenor verbaasde zich erover hoe trots hij daar rond liep en de meisjes vol vertrouwen naderde. Hoewel hij zich tam voordeed, aarzelde ze toch hem te aaien. Maar weldra was ze toch dicht bij hem en hield hem bloemen voor, waarvoor de verliefde haar teder de handen aanraakte. Speels maakte hij danssprongen op het groene gras en ging toen met zijn sneeuwwitte lijf op het goudgele zand liggen. Toen ebde bij de jonkvrouw de angst weg. Ze mocht hem rustig op de borst kloppen en in zijn horens verse kransen vlechten. Toen durfde ze zelfs op zijn rug te gaan zitten.
Rustig ging de stier nu staan en liep langzaam naar de zee. De jonkvrouw vond het leuk dat hij haar zo het kalme water in droeg.
Maar hij ging steeds dieper en verder weg van de oever. Europa zag het angstig aan en riep haar vriendinnen om hulp, maar de stier zwom al verder het diepe water in.
Voorzichtig droeg hij zijn kostbare buit op zijn gewelfde rug door het water, zonder dat haar voeten nat werden. Met haar rechterhand greep ze een horen vast, haar linker rustte op de rug van het dier. Haar jurk fladderde in de wind en stond bol als een zeil. Bevend van angst gleed het meisje zo door het water, ver van iedere kust vandaan. 
Pas op het einde van de tweede dag bereikten ze een verafgelegen oever. Op een ondiepe plaats ging de stier aan land, liet de jonkvrouw zacht van zijn rug glijden en verdween voor haar aanblik. 
In zijn plaats verscheen er een prachte jongeling, een god gelijk en hij sprak: ‘Ik ben de heer van dit eiland dat Kreta heet. Wanneer je mij gelukkig maakt, zal ik je voor elk gevaar behoeden.’ Wat moest Europa in deze toestand doen? In haar gevoel van troosteloze eenzaamheid reikte ze hem haar hand als teken van toestemming en Zeus had zijn doel bereikt.
Maar toen verliet hij Europa en verhief zich in de hemel als stralend sterrenbeeld, naast de enkels van de voerman. Daar zien we hem nu hoe hij half zichtbaar door het water van de zee zwemt, met zijn voorpoten de golven klievend.
Europa echter, schonk het leven aan een zoon die zij Minos noemde. Als koning van Kreta werd hij de stichter van de Minoïsche cultuur, de eerste in Europa, dat de naam van zijn moeder kreeg.

Het sterrenbeeld omvat nog twee kleinere: de Plejaden en de Hyaden. De Plejaden vinden we op de rug van de stier en de Hyaden vormen zijn voorhoofd, een liggende grote Latijnse V. Deze twee sterrenbeelden kenden naar het schijnt, de mensen al in heel vroege tijden en er zijn veel legenden mee verbonden.

De Pleiaden waren zeven nimfen, dochters van de titaan Atlas en de dochter van Okeanos, Pleione, van wie ze hun naam hebben. Met hen verbonden zich goden en zo werden zij de stammoeders van het Griekse heldengeslacht. 
De mooiste van hen was Maia met wie de godenvader Zeus trouwde en Hermes, de bode van de goden verwekte. Alleen een van de zusters, Merope, vond geen godenliefde en moest met een sterveling trouwen, Sisyphos, de stichter van Korinthe. Uit schaamde verborg zij zich voor haar zusters en daarom zien we met het blote oog slechts zes sterren, hoewel men de Pleiaden van oudsher een zevengesternte noemt.

De Hyaden waren riviernimfen. Aan hen bracht Hermes de jonge Dionysos die later de dionysische mysteriën stichtte, kort na zijn geboorte. Omdat de Hyaden zijn zoon melk gaven en hem verzorgden, kregen ze van Zeus een plaats aan de sterrenhemel.

Zo                                                                    z                                                               zw      dec.    1    24°°u                                      jan    1  22°°u                            febr  1   20°°u
15   23°°u                                              15  21°°u                                    15  19°°u

In december staat de Stier aan de avondhemel hoog in het zuidoosten, in januari in het zuiden en daalt dan in februari naar het zuidwesten.

De namen van de sterren betekenen:

Aldebaran (Arabisch) = die na de Pleiaden volgt
Nath (Arabisch) = de stoot

.

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2644

 

 

 

 

.

 

 

 

 

.

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – warmte (11-5)

.
Dr.med. Olaf Koob, Weledaberichten nr. 134 december 1984

.

WARMTE EN LEVEN
.

Iedereen weet dat warmte iets met leven en koude iets met dood te maken heeft. Een wezen dat warm is, d.w.z. goed met bloed doorstroomd, is levend; een wezen daarentegen dat koud is geworden, beleven wij als dood. In de jaargetijden staan zomer en winter diametraal tegenover elkaar. In de warmte van de zomer voelen wij ons prettig, één met onze omgeving, wij vloeien a.h.w. lichamelijk uit door de transpiratie en psychisch, doordat wij vreugde beleven aan de in het zonlicht opengaande wereld. Wij leven zelf in deze tijd meer in de buitenwereld dan in ons innerlijk.
Het tegenovergestelde gebeurt in de winter: uit de koud geworden wereld waarin het plantenleven zich heeft teruggetrokken, trekken wij ons ook meer in onszelf terug; wij beschermen ons door warme kleding tegen de verkoelende invloeden van buitenaf, wij zoeken de warme haard en de gezelligheid samen met andere mensen.

Wat is er met de warmte, dat wij die zo graag opzoeken en dat wij tot in de taal positieve gedachten én gevoelens daaraan vastknopen? Wij hebben het over hartewarmte, warme gevoelens en – verhevigd – gloeiende geestdrift. In ’t algemeen wordt ook het gevoel van liefde met warmte en met de actieve kleur rood vergeleken. Haat en afgunst daarentegen beleven wij als koud en a.h.w. groengelig van kleur. Daardoor komen wij erop, dat uitgaande boven het meetbaar-fysieke ervan, de warmte haar oorsprong heeft in het psychische en geestelijke gebied. Dat ervaren wij vooral in de Kersttijd in de grote tegenstelling tussen koude, eenzaamheid en duisternis buiten en de zielsverwarmende gebeurtenis van de geboorte van het Kerstkind, van toekomst en verlossing in een wereld waarin verkilling van het gevoel, ongeïnteresseerdheid en haat de overhand willen krijgen. 

Gedachten over het ontstaan van warmte 

Als wij nagaan waardoor er warmte in de wereld ontstaat dan vinden wij dat daaraan altijd een verbrandingsproces ten grondslag ligt. Dit betekent dat materie wordt vernietigd, wordt opgelost, in zeker opzicht zichzelf offert of wordt geofferd om iets wat daarin verborgen is, eigen substantie aan de omgeving te schenken. Uit een kwantiteit wordt door een geheimzinnig proces een kwaliteit, nl. warmte.

Wij zeggen dan ook, dat een wezen warmte geeft. In dit geven is een offer besloten. Er wordt iets aan de wereld of aan een ander geschonken; zoals wij dat ook bij de ware liefde kunnen ervaren. Warmte, offer, liefde en leven behoren bij elkaar.

In de kosmos vindt dit proces plaats door de zon, die met haar licht en warmte de ziel verkwikt, de planten laat gedijen en de mens dichter bij de natuur brengt. De zon moet wel een oneindige warmtebron zijn.

Bij de lichaamswarmte van de mens zien wij dat deze, uitgaande van het geestelijke en psychische wezen, ook door verbrandingsprocessen wordt gedragen. Voedingssubstantie wordt geofferd om in de mens levensprocessen in stand te houden.

Bij de stoffen zijn het vooral de vetten en oliën die bij de mens een grote invloed hebben op het tot stand komen van warmte. Bij de voeding en ook uitwendig toegepast maken zij bij de mens een verlies aan warmte ongedaan en heffen zij storingen in de warmtehuishouding op.
Hier komen wij op een belangrijk terrein: de verstoring van de lichaamswarmte. Steeds meer klaagt men over koude handen en voeten, blijken organen een te lage temperatuur te hebben, treedt het zogenoemde kouvatten op. Het lijkt alsof de warmtekrachten van het menselijke organisme niet meer toereikend zijn om tegen temperatuurverschillen van buitenaf bestand te zijn. Wij moeten hier wijzen op een uiterst belangrijke factor van gezondheid en ziekte: het zogenoemde ”warmte-organisme” van de mens. Dit is een in zich zelf gesloten geheel, kan gemeten worden op verschillende plaatsen van de huid en reageert zeer gevoelig op psychische veranderingen. Angst, shock, remmingen, maar ook koude van het gevoel kunnen rechtstreeks worden afgelezen aan de warmtehuishouding.

Warmte en gemoed

Als iemand moeite heeft zijn lot te aanvaarden, niet “met beide benen op de grond staat” kan het gevolg daarvan zijn dat hij chronisch last heeft van koude voeten. Als de mens zich in zichzelf terugtrekt, of als zijn gevoelens moeilijk naar buiten komen, dan lijdt hij aan chronische koude handen. De basis voor een gezonde lichaamstemperatuur zijn nl. het bloed en het hart, die immers bij alle emoties betrokken zijn. Beide zijn de lichamelijk-organische manifestatie van de ziel en de geest.

Als ervan iemand veel liefde, belangstelling, goedheid, welwillendheid uitgaat, d.w.z. als hij iets van zijn wezen aan de wereld geeft, dan noemen we hem een gevoelswarm mens; hij beschikt over een zielenkracht, die wezenlijk met de warmte te maken heeft: het gemoed. De krachten van het gemoed ontspruiten uit het hart. Mensen van dit type zijn goed doorbloed, ze hebben iets wat rond en sterk aandoet.

Warmte als kracht in het fysieke, het psychische en het geestelijke gebied

Wij bespraken de warmte in haar fysieke en psychische verschijningsvorm en wij zagen het samenspel ervan. Als iets zich offert, er iets van de eigen substantie uitstroomt, dan ontstaat er warmte die positief werkt op de omgeving en in het psychische gebied als liefde wordt gevoeld.

Kinderen hebben absoluut een liefdevolle omgeving nodig, de zogenoemde ”nestwarmte”, opdat zij lichamelijk en psychisch kunnen gedijen. De liefde, die ons omringt, bevestigt ons in ons bestaan, laat ons merken dat wij op de aarde worden geaccepteerd, zodat wij van onze kant de wereld kunnen aanvaarden. Door het kleine kind, dat zich aan alles wat het tegemoet komt vol vertrouwen overgeeft, stroomt nog iets heen van de kosmische liefde waarop in ’t bijzonder op Kerstavond onze blik kan zijn gericht.

Juist in onze tijd, waar de gedachte van het offer zo sterk op de achtergrond is geraakt, waaraan de ene kant in het psychische, dikwijls egoïsme, verkilling van het gevoel, haat en apathie heersen en aan de andere kant in het lichamelijke gebied, tumoren, verhardingen en verslappingen optreden, blijkt het nodig om zich met het vraagstuk van de warmte bezig te houden. Niet in de laatste plaats is de warmte in het geestelijke gebied waar a.h.w. haar oorsprong ligt, van wezenlijke betekenis. Wij beleven de warmte hier bijv. wanneer een idee, die eerst met het koele verstand, in het hoofd, wordt begrepen, een verbinding aangaat met het hart en tot daad wordt, d.w.z. als een idee met de warmte van het hart en de kracht van de wil wordt doordrongen en tot een ideaal wordt. De ware idealist wordt immers gekenmerkt doordat hij zelfs zijn leven voor een idee, die hij tot een ideaal heeft gemaakt, opoffert. Ook dit beschrijven wij in de taal als een warmteproces: men loopt warm voor iets. Bij zo iemand kunnen wij ons geborgen voelen; wij vermoeden dat het leven pas dan verder kan gaan als mensen hun ideeën weer tot idealen verheffen.

In het fysieke, psychische en geestelijke gebied is de warmte een kracht, die van de mens naar de wereld stroomt, die leven opwekt en in stand houdt. Voor de koude is typisch, dat iets zich samentrekt, gaat verharden, tot egoïsme wordt en de dood in zich bergt.

Juist in de Kersttijd, als de natuur als gestorven rust en de aarde bedekt is met sneeuw, werd in de geschiedenis van de mensheid een impuls zichtbaar die ieder aangaat: de geboorte van het Kerstkind die in een stal plaatsvond. Deze gebeurtenis brengt ons tot de vraag, waar vandaan de warmte en het leven eigenlijk komen. In het licht van de Kerstgeschiedenis moeten wij zeggen, dat zij uit geestelijke werelden stammen. Daar vandaan stroomt de liefde en het offer, die eens leven hebben verwekt en nog steeds leven in stand houden. De geboorte met Kerstmis herinnert ons elk jaar aan die hemelse oorsprong van het leven en wekt ons op, ons niet alleen aan het stoffelijke vast te klampen, maar het geestelijke van die gebeurtenis in de warmte van het gemoed te koesteren opdat wij weer de weg tot onszelf en tot de medemens vinden. Een spreuk van Rudolf Steiner moge deze beschouwing afsluiten:

Den Stoff sich verschreiben,
Heisst Seelen zerreiben.
lm Geiste sich finden,
Heisst Menschen verbinden,
Im Menschen sich schauen,
Heisst Welten erbauen.

Duisternis, licht, liefde

In de ban van de stof raken
is: – zielen stukmaken.
In de geest zichzelf vinden
is: – mensen verbinden.
In de mens zichzelf schouwen
is: – werelden bouwen.

Vertaling Wijnand Mees in: Rudolf Steiner ‘Gedichten, spreuken, meditaties’  (blz. 104)

Menskunde en pedagogiekover warmte nr. 11

Zintuigen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2643

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – wegwijzer (362)

.

In het geschreven werk van Rudolf Steiner, maar ook in zijn opgetekende voordrachten vind ik vaak uitspraken, die – enigszins los van hun verband – op zich een inhoud hebben waarover je lang kan nadenken. Een tijdlang zo’n zin regelmatig op je laten inwerken, kan tot gevolg hebben dat deze zin je in een bepaalde situatie plotseling invalt en dan een antwoord of een richting blijkt te geven voor waarmee je op dat ogenblik bezig bent.
Ze wijzen je een weg; misschien ‘de’ weg; en ze wijzen je weg van het alledaagse. of geven je juist daarop een andere kijk,

‘wegwijzers’ dus

362
In iedere leeftijdsfase moet er dus volstrekt op gelet worden dat je niet alleen voor deze leeftijdsfase opvoedt, maar voor heel het aardse mensenleven, zelfs voor wat daar op volgt.

In jedem Lebensalter muβ eben durchaus darauf gesehen werden, daβ man nicht bloβ für dieses Lebensalter erzieht, sondern für das ganze irdische Menschenleben, ja noch darüber hinaus.
GA 309/80
Op deze blog vertaald/80  

Rudolf Steineralle wegwijzers

Rudolf Steineralle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL Jaarfeesten – Pasen (45)

.
Tineke Croese, Antroposofisch Magazine nr.5 2017
.

Over dood en opstanding, over sterven en opnieuw verrijzen
.

PASEN
.

Bij ‘lente’ denk je aan een teer groen waas over de bomen, zwellende knoppen, de eerste eendenkuikentjes in de sloot en huppelende lammetjes in de wei. Als de natuur weer tot leven komt, is dat een feest op zich. Ook Pasen is een lentefeest, ook daar gaat het om de vernieuwing van het leven. Maar het is een andere vorm van leven, die met Pasen de dood overwint.

Naar geen seizoen kunnen we zo verlangend uitzien als naar de lente. Dat heeft vermoedelijk te maken met het seizoen dat eraan voorafgaat. Ook de winter heeft zijn aantrekkelijke kanten, van behaaglijk binnen zitten tot buiten plezier hebben in de sneeuw of op het ijs. Maar als er één seizoen is dat een einde moet hebben, dan is het de winter wel. We zijn dan voor voedsel aangewezen op voorraden. Die raken nu eenmaal een keer uitgeput. Tegenwoordig vliegen we groenten in uit andere delen van de wereld, maar die mogelijkheid bestaat nog niet zo lang. Dat maakt het begrijpelijk dat de lente vroeger werd begroet met een vreugde en opluchting die ook voor ons nog herkenbaar zijn. Want stel je voor dat het hele jaar net zo donker zou zijn als de winter! Daar moet je toch niet aan denken. De lente brengt behalve het leven ook het licht terug op aarde.

Al in de voorchristelijke tijd waren het ei en de haas lentesymbolen. Dat het ei naar nieuw leven verwijst, spreekt vanzelf. Bovendien geeft de ronde vorm aan dat het leven geen begin of einde kent, maar altijd doorgaat. De haas is een heel kwetsbaar dier, een echt prooidier dat door andere dieren gegeten wordt. Hij verdedigt zich voornamelijk met zijn grote vruchtbaarheid. De haas staat voor de levenskracht van de plantenwereld, die zichzelf onbaatzuchtig wegschenkt als voedsel voor dier en mens. Als paasei en paashaas zijn het ei en de haas ook bij de symboliek rond het paasfeest gaan horen. Ze laten namelijk ook iets zien van de essentie van Pasen. Het kuikentje moet, om verder te kunnen leven, eerst door een schaal van dode kalksteen breken. Van de haas wordt gezegd dat hij de plaats inneemt van een door jagers achtervolgde soortgenoot. De achtervolgde haas kan op adem komen doordat een ander zich voor hem offert: dat maakt de haas tot Christussymbool.

Nieuw begin

In de Oudheid waren de lentefeesten ook nieuwjaarsfeesten. De aarde begint in de lente immers aan een nieuwe levenscyclus, en zorgt daarmee voor het voortbestaan van de mens. Maar al die levensvormen die in de natuur ontstaan, zijn vergankelijk. Wat in de winter dood was, ontkiemt en groeit in de lente, komt in de zomer tot bloei en rijping, en wordt in de herfst geoogst – maar moet in de winter onherroepelijk weer sterven.

Ook Pasen gaat over dood en opstanding, over sterven en opnieuw verrijzen. Maar het leven dat dan de dood overwint, is een onvergankelijke kracht in de mens. De opstanding van Christus is geen tijdelijk tot leven komen in de eeuwige cyclus van de natuur, maar rekent definitief af met de dood. Dat maakt Pasen moeilijk te begrijpen: hoe kun je de dood definitief overwinnen? De opstanding gaat in tegen alle natuurwetten. Het maakt Pasen tot een nieuw begin. Niet het nieuwe begin van een jaarcyclus, maar hét grote keerpunt in de geschiedenis van de mensheid.

Schimmenrijk

Die geschiedenis begint bij de schepping. De frisheid van een pas geschapen wereld stel je je onwillekeurig voor als het prille, net ontluikende leven in de lente. En bijna vanaf dat eerste begin was ook de dood aanwezig in de schepping. Na de verdrijving uit het paradijs raken mens en natuur steeds meer in de greep van de dood. Voor de mens hield de dood op de eerste plaats in wat hij nu ook nog inhoudt: het leven op aarde en het leven na de dood spelen zich af in twee gescheiden werelden. Maar op de tweede plaats werd het voor de ziel steeds moeilijker om in het leven na de dood haar weg te vinden. Volgens de mythologieën uit de tijd rond het begin van de jaartelling verbleef de ziel na de dood in een afgesloten schimmenrijk waar ze nauwelijks bewustzijn had van zichzelf. De hemelse wezens die de ziel wilden helpen, konden haar niet bereiken. Want in het schimmenrijk kwam je alleen door te sterven, en hemelse wezens sterven niet. Daarom nam Christus, een van die hemelse wezens, de taak op zich om mens te worden en als mens te sterven. Zo kon hij het schimmenrijk binnengaan en de macht van de dood breken. Lijden en dood van Christus getuigen van zijn volledige menswording, de opstanding getuigt van zijn overwinning op de dood. Tussen dood en opstanding voltrok zich een gebeuren dat in legenden en in sommige apocriefe evangeliën verteld wordt: toen Christus direct na zijn sterven in de duisternis van het schimmenrijk verscheen, was het of daar het licht van de zon opging. Het heldere licht van de Christuszon gaf de zielen – en geeft ze nog steeds – de kracht om hun eigen weg te zoeken in het leven na de dood.

Pasen

Christus bevrijdde door zijn dood en opstanding de oude schepping uit de macht van de dood. Die schepping kwam tot stand in zeven ‘dagen’. Met die ‘dagen’ worden de kosmische krachten aangeduid die bij de schepping betrokken waren. Zij waren in de week voor Pasen ook betrokken bij de vernieuwing van de schepping. Ze werkten namelijk in de gebeurtenissen van de Stille Week. Pasen valt na de Stille Week, en altijd op een zondag. Maar Pasen is ook een lentefeest. In de Oudheid werd het lentefeest gevierd op de dag van de eerste volle maan in de lente (dat is: als de zon in de kosmos door het lentepunt is gegaan]. Pasen valt echter op de eerste zondag na de eerste volle maan in de lente. Dit samenspel van kosmische krachten maakt dat Pasen elk jaar op een andere datum valt: het wordt immers elk jaar op een ander tijdstip lente, en dat geldt ook voor het vol worden van de maan.

Het is niet moeilijk om het herleven van de natuur in de lente te vieren. Maar het is wel moeilijk om Pasen te ‘vieren’ – de lichamelijke dood en opstanding kun je bij leven niet ervaren. De katholieke en oosters-orthodoxe kerken lieten de gelovigen het paasfeest beleven door hen veertig dagen streng te laten vasten. Door te vasten beperk je de levenskracht van je organen tot een minimum, en na enige tijd wordt je bewustzijn ongewoon helder. Zo kun je in je eigen organisme bij leven toch een vorm van dood en opstanding ervaren.

Een meer innerlijke vorm reikt het leven ons vaak zelf aan. Als je geconfronteerd wordt met verdriet, verlies en rouw, met depressies, traumatische ervaringen, of gewoon tegenslag – dan kan dat een doodsbeleven zijn. Midden in het leven beleef je je eigen Golgotha. Vaak ga je uit innerlijke noodzaak op zoek naar de zin van zulke ‘doodservaringen’, of minstens naar een manier om ermee te leven. Lukt dat, dan kan dat voelen als een opstandingsmoment, een sterke levenskracht. Ook dat is Pasen, en dat kan voor iedereen op een ander moment zijn.

.

Jaarfeesten: Pasen alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten: Palmpasen/Pasen

.

2642

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas voedingsleer (2-6)

.

We zijn zo gewend dat wij over water kunnen beschikken, dat we er niet bij stilstaan wat voor bijzonder element dit is. Helaas leven we in een tijd waarin het water sterk vervuild is, hoewel er sinds tientallen jaren heel veel energie gestoken is, het weer gezonder te krijgen dan het was, vooral in o.a. rivieren, meren en beken. Het slechtst is het gesteld met de zeeën.
In de voedingsleerperiode in klas 7 kan ook ‘water’ als voeding worden benaderd.
De leerkracht die op zoek is naar achtergronden over wat water nu eigenlijk is, vindt hier enige gezichtspunten.

.

Wolfram Schwenk, Weledaberichten nr. 130, september 1983

.

HET LEVENSELEMENT WATER

.

Water is niet de een of andere willekeurige grondstof, maar in tegendeel, het belangrijkste en onontbeerlijkste levensmiddel voor mens, dier en plant. Met geen substantie echter gaan wij zo gedachteloos om als juist hiermee: de media informeren ons dagelijks daarover. Want de grondslag voor een verantwoorde omgang met deze schenker van het leven, namelijk dat men zich op grond van de feiten en wetenschappelijk gefundeerd ervan bewust is dat het water als bemiddelaar van het leven fungeert, ontbreekt heden ten dage.

De huidige, slechts analytisch gerichte wetenschap houdt zich weliswaar met ongewone scherpzinnigheid en research bezig met de watervervuiling. Daardoor weten wij tot in allerlei bijzonderheden wat, materieel gezien, vervuild water kan bevatten. Deze wetenschap echter geeft geen antwoord op de vraag wat “goed” water is, hoe het begerenswaardige, levenschenkende water kan worden omschreven dat de mens als verkwikkend beleeft. Zij wijst deze vraag als wetenschappelijk niet objectiveerbaar, als subjectief af. Zij verklaart elk water goed, dat van een kleine reeks van giftige stoffen niet meer dan een bepaalde hoeveelheid bevat en waarin zich ook geen infectieverwekkende ziektekiemen of hun onschuldige metgezellen bevinden, zodat daardoor geen acute vergiftigingsverschijnselen of infecties kunnen worden opgewekt.

Hoe strikt noodzakelijk deze eisen van negatieve aard wat het drinkwater betreft ook zijn, toch zijn zij ontoereikend om goed, levenschenkend water te kenschetsen.

Zowel voor het water als voor het milieu in het algemeen geldt, wat ook voor de mens geldt: slechts vanuit een inzicht en een beeld dat aan zijn aard en zijn betekenis recht doet wedervaren, kan een echte genezing en het gezond houden worden bewerkstelligd. Zonder een duidelijke voorstelling van de gezonde toestand van het water kunnen er geen maatstaven worden gevonden om de voortdurende en steeds bedenkelijker wordende aantasting ervan door de mens af te wenden.

Een dergelijk beeld van de aard van het water kan voor ons oprijzen, als wij boven de constatering uit of er schadelijke componenten afwezig zijn, in ’t bijzonder letten op wat onbedorven fris water doet.

Ons organisme is geen statisch geheel. Er vinden daarin door voeding, stofwisseling en uitscheiding, door ademhaling en bloedsomloop enz. voortdurend processen van vernieuwing plaats. Waar dergelijke processen ook optreden, zij gebeuren steeds door de bemiddelende activiteit van het water. Het water is de grote bemiddelaar van alle levensprocessen. Als universeel medium heeft het aan het transport van substanties en de stofwisseling in het organisme net zo deel als aan alle ritmische processen en aan de functies van onze zintuigen en zenuwen. Heel in het bijzonder heeft ons organisme het water nodig bij de meest verschillende regulerende processen.

Wat zich in het menselijk organisme functioneel door de bemiddeling van het water afspeelt, dat vinden wij in de rol van het water via het wateromhulsel van de aarde uitgebreid als een voorbeeld terug: het transport van substanties en chemische veranderingen van de stof spelen zich in de natuur hoofdzakelijk af in het waterachtige milieu, door de bemiddeling van in beweging gebracht water. Overal waar water in beweging komt, ontstaan ritmische processen. Golfbewegingen en kolken, ook meer gecompliceerde stromingen voltrekken zich zowel ruimtelijk als tijdelijk ritmisch. Niet echter in starre eigen ritmen, maar in het aanpakken en verbinden van uiterlijke polariteiten ontwikkelt het water zijn eigen ritme, steeds onzelfzuchtig bemiddelend en evenwicht scheppend. En niet alleen bij min of meer vanzelfsprekende uiterlijke aanleidingen uit de rechtstreeks aangrenzende omgeving, maar tot in de grote ritmen van de aarde, zon en maan kan dit bijv. in de bewegingen van de getijden der zeeën en oceanen worden afgelezen. Zelfs de kosmische ritmen van het samenspel der planeten van ons totale zonnesysteem worden, zoals wij thans weten, door de bewegingen van het water gespiegeld.

Aldus beschouwd, functioneert het water globaal als een groot zintuigorgaan, dat op zeer subtiele processen in de kosmos wat zijn bewegingen betreft kan reageren en deze aan de aarde en de daarop levende wezens kan doorgeven.

Al deze functioneel driegelede activiteiten oefent het water uit in ritmische bewegingen. Via deze werkt het vernieuwend. Men ziet die vernieuwende impuls tot in de gedaantevorming waaraan het in het organisme actief meewerkt. Het water heeft zeker niet alleen maar een gedaante-oplossende functie. Veeleer werkt het mee aan de opbouw en de voortdurende vernieuwing van de organen. De vormen die het in stromende beweging schept, tonen dat het daarvoor geschikt is. Men kan tegenwoordig van “organiserende” stromingen spreken. Daarin komt de leven-vernieuwende rol van het water rechtstreeks tot uitdrukking. Hier wordt zichtbaar dat het water levenwekkende vormkrachten doorgeeft.
In deze organiserende stromingen komt een beeld van de kwaliteit van het water te voorschijn en blijkt de affiniteit ervan ten opzichte van levensprocessen.

Oorspronkelijk, vers water, dat als onbeschadigd grondwater het ideaal van goed en verkwikkend drinkwater is, stroomt in rijk gedifferentieerd., ritmisch gelede vormen, die zich voortdurend vernieuwen en in hun beweeglijkheid meegaan met de kosmische ritmen. In deze natuurlijke toestand is het water met al zijn fysisch-materiële eigenschappen geheel en al op zijn het leven dienende functies afgestemd: het kan via deze tot in de gedaantevorming vernieuwend werken. Het is in elk opzicht naar het leven gericht, een onzelfzuchtige bemiddelaar. Van zulk water beleven wij dat het levend en verkwikkend is.

Vervuild, door de mens beschadigd water, dat qua zijn fysische eigenschappen vervreemd is van zijn gerichtheid naar het leven, stroomt onritmisch, is arm aan structuur, minder gedifferentieerd, gesloten tegenover de kosmische ritmen. Ook als het dan technisch tot drinkwater wordt gemaakt, waar in hygiënisch opzicht volgens de voorstellingen van de huidige wetenschap niets op aan te merken is, dan tonen zijn bijna onveranderd verarmde, belemmerde stromingen toch, dat het nog een dode minerale stof, nog niet weer levend is geworden.

Wij moeten daaruit afleiden, dat water niet reeds in elke schone toestand levenselement is. Het komt niet alleen op materieel constateerbare factoren aan. De voorwaarden, die het water voor de vervulling van zijn levensvernieuwende functies nodig heeft, zijn pas na het doorlopen van de natuurlijke kringloop vervuld, als het in natuurlijke zuiverheid uit de aarde tevoorschijn is gekomen.

Wij kunnen zo door onze blik te scholen voor de levenvernieuwende, gedaantevernieuwende activiteit van het water een natuurwetenschappelijk, experimenteel opgezette maatstaf vinden voor goed water en voor de kwaliteit van drinkwater waardoor blijkt, of het water behalve wat zijn hygiënische toestand betreft bevorderlijk is voor levensprocessen.

Het „Institut für Strömungswissenschaften im Verein für Bewegungsforschung e.V.” in D-7881 Herrischried houdt zich bezig met het uitwerken van dergelijke maatstaven voor de kwaliteit van het water.

Zie ook:  Levenskrachten – water

7e klas: voedingsleer: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 7e klas

Menskunde en pedagogie: over het etherlijf

Plantkundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

2641

.

.

VRIJESCHOOL- actueel- Palmpasen – Pasen

.

Palmpasen en Pasen: alle artikelen

Pasen wordt met een hoofdletter geschreven; alle afleidingen en samenstellingen met een kleine: paashaas, paaszondag.

Dat geldt ook voor Palmpasen; palmpasenstok.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – wegwijzer (361)

.

In het geschreven werk van Rudolf Steiner, maar ook in zijn opgetekende voordrachten vind ik vaak uitspraken, die – enigszins los van hun verband – op zich een inhoud hebben waarover je lang kan nadenken. Een tijdlang zo’n zin regelmatig op je laten inwerken, kan tot gevolg hebben dat deze zin je in een bepaalde situatie plotseling invalt en dan een antwoord of een richting blijkt te geven voor waarmee je op dat ogenblik bezig bent.
Ze wijzen je een weg; misschien ‘de’ weg; en ze wijzen je weg van het alledaagse. of geven je juist daarop een andere kijk,

‘wegwijzers’ dus

.

361
Juist om het kind lichamelijk krachtig en sterk te laten worden en zonder remmingen, moet men tijdens de kinderjaren het lichaam benaderen via de omweg van ziel en geest.

Gerade um das Kind körperlich stark, kräftig und ohne Hemmungen zu machen, muβ man im kindlicen Alter den Köprper auf dem Umwege der Seele und des Geistes finden.
GA 305/113
Vertaald/113

 

Rudolf Steineralle wegwijzers

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (5-3)

.
Wanneer in de 7e klas – de 1e klas van de middelbare vrijeschool – de ‘bovenbouw’ – een periode ‘voedingsleer‘ wordt gegeven, kunnen we in deze tijd bijna niet meer om de ‘landbouwproblematiek’ heen en dat geldt zeker in de daarop volgende jaren, vanuit verschillende vakgezichtspunten.
Onderstaand artikel uit 1993 wijst al op de grote problemen die eraan komen, als de landbouw en de veeteelt op zo’n intensieve manier bedreven worden als nu gebeurt. Nu, 30 jaar later, zien we die problemen levensgroot voor ons.

Tegelijkertijd is de ‘biologische’ landbouw in opmars. (Ik laat even buiten beschouwing hoe ver we van een gezonde landbouw afstaan, als de landbouw die gezond is, ‘biologisch’ moet worden genoemd.
Zonder allerlei ingewikkelde proeven, volstaat het gewone proeven om vast te stellen dat biologische groente lekkerder smaakt dan niet-biologische en dat geldt vooral voor de producten die op biologisch-dynamische manier zijn geteeld.
Om ook daarover in en periode te kunnen vertellen, geeft dit artikel wat meer algemene achtergrondinformatie voor de leerkracht.

Julius F. Obermaier, Weledaberichten nr. 130 sept. 1993
.

HOE GAAN WIJ OM MET DE AARDE, DE BASIS VAN HET LEVEN?

.

Als men nagaat, hoe de landbouw zich door duizenden jaren heen heeft ontwikkeld, dan ziet men hoe daarin als het ware in golven steeds weer nieuwe inzichten verwerkt werden. In de laatste tijd worden die golven korter, daardoor konden ook bedenkelijke dwalingen ten gevolge van denkfouten ingeburgerd raken. Thans zien wij de ons allen bekende gevolgen van de beschadigingen op vele gebieden van het leven en het milieu.

In de landbouw zien de boeren en tuinders, dat de cultuurplanten de aangekweekte eigenschappen verliezen en dat daardoor voortdurend het zaaigoed moet worden vernieuwd. Planten en dieren die sinds tijden bij een bepaald milieu hoorden, vinden de leefruimte niet meer waarin zij kunnen gedijen. De mensen worden niet op de juiste manier gevoed omdat het aspect van voor de mens bevorderlijke kwaliteit ontbreekt. 

Nog andere verschijnselen, zoals bijv. de toenemende erosie van de bodem, de aangetaste gezondheid van de dieren of de toename van schadelijke insecten en schimmels zijn aanleiding dat wij moeten erkennen dat de verzorging en gezondmaking van de aarde een van de belangrijkste taken is van onze tijd.

Er bestaan verschillende opvattingen omtrent de wegen waarlangs dit doel te bereiken valt. “Terug naar de natuur”, roepen sommigen en bedoelen daarmee de ongeschonden wereld van vroeger. Sinds de chemisch-synthetische gifstoffen over de hele aarde zijn en worden verspreid, is het duidelijk, dat hier geen wegen kunnen worden gewezen die naar de toekomst leiden. “Vooruit in harmonie met de natuur en op zoek naar een nieuwe landbouw”, zeggen anderen die hopen op die manier een verdere ontwikkeling in te luiden.

Vanuit dit gezichtspunt is de biologisch-dynamische landbouwmethode te begrijpen. De bodem, de planten, de dieren vragen erom dat zij worden behandeld en verzorgd in overeenstemming met hun aard. Om dit te bereiken wordt in de biologisch-dynamische land- en tuinbouw met de samenhangen in de natuur op een nieuwe manier rekening gehouden. Het beeld van een agrarisch geheel, een organisme, is hierbij stellig treffend. Het vat de daarin werkende mensen, de hofstede, de dieren, alles wat er op de akker geteeld wordt en ook de bodem in één geheel samen: al deze factoren zijn als het ware de organen uit wier samenwerking het juiste voedsel kan ontstaan.

Een dergelijk agrarisch organisme kan men overal ter wereld doen ontstaan wanneer men uitgaat van de plaatselijke omstandigheden. In de biologisch-dynamische werkgemeenschappen in vele streken van de wereld wordt hieraan voortdurend gewerkt.

Ervaringen uit vroeger tijden en geheel nieuwe resultaten van geesteswetenschappelijk onderzoek gaan hand in hand wanneer het op de praktijk aankomt. De oorsprong van onze huidige tuinbouw is te vinden in de middeleeuwse kloostertuinen. Daar werd met het verbouwen van groenten en kruiden begonnen; ook de fruitteelt is zo ontstaan. Door de traditie ontstond er in de loop der eeuwen een land- en tuinbouw en een veefokkerij die aangepast was aan de aard van planten en dieren. Op vele plaatsen kon men tot in het begin van onze eeuw nog zien, hoe zorgvuldig dit werd gehanteerd. Daardoor bestond er een agrarische cultuur, die in de eerste plaats op de verzorging van de natuurrijken was gericht. De technische mogelijkheden waardoor men in de natuurlijke processen kan ingrijpen, kwamen pas in de laatste decennia op.

Als men de vroegere kennis samenvat dan blijkt, dat men het bewerken van de bodem en het verzorgen van zijn vruchtbaarheid in de loop van het jaar als de grondslag van alle verdere handelingen zag. Het verbouwen en de daarbij behorende maatregelen tot aan de oogst volgden hierop. Gedurende het hele jaar voltrok zich het voederen van het vee en het winnen van de mest. Hierin mondt de veehouderij uit in de vruchtbaarheid van de grond; deze sluit de kring en bepaalt tevens de nodige hoeveelheid veevoer in het teeltplan. In de tuinbouw is er een andere kringloop.

De kundigheid van de landbouwer blijkt uit de juiste afstemming ten opzichte van elkaar van bovengenoemde factoren. Tevens wordt duidelijk, dat men geen afstand kan doen van de veehouderij. Vooral de koemest is belangrijk omdat die de krachten bevat die het meest waardevol voor de bodem zijn. De biologisch-dynamische compostpreparaten doen deze mest op de composthoop dan nog rijpen, zodat er een optimale kwaliteit ontstaat. De stoffen en krachten ervan bewerkstelligen dat de bodem levend blijft. Alle andere dierlijke mest en composten van plantaardig afval worden eveneens zo geprepareerd. Steeds ontstaat er na een aantal maanden een humusrijke mest die ertoe bijdraagt dat de cultuurplanten zich al naar gelang van hun aard kunnen ontwikkelen.

Basissubstanties van de biologisch-dynamische compostpreparaten zijn bekende geneeskrachtige planten zoals kamille, duizendblad, brandnetel en ook eikenschors. Na een rijpingsproces in een dierlijk omhulsel, dat zich ’s winters in de grond afspeelt, heeft men er slechts geringe hoeveelheden van nodig om de composthopen daarmee een of meer keren te prepareren.
Als de compost op die manier is toebereid is er voor het leven van de bodem al veel gedaan. Het geesteswetenschappelijk onderzoek van Rudolf Steiner heeft twee veldpreparaten opgeleverd om de opgroeiende planten daarna de kans te geven dat zij op de juiste manier tussen aarde en hemel komen te staan. Deze preparaten worden, eveneens in heel geringe hoeveelheden, een uur lang geroerd en daarna gesproeid: het preparaat hoornmest op de grond, het preparaat hoornkiezel op de groene plant. Ook hier geldt voor de toebereiding een speciaal procedé.
Door de hoornmest kan de plant beter wortelen. De hoornkiezel helpt de plant om de lichtkrachten beter te verwerken. Het resultaat is onder andere dat in de grond een dichter wortelstelsel en boven de grond meer gerijpte substantie ontstaat.

Als de bodem door middel van de preparaten is ontsloten, kunnen daarin de kosmische ritmen in het wasdom werken; in de grondbewerking, de verzorging van het gewas en de oogst kan dit principe volgens plan worden betrokken. Dit is natuurlijk bevorderlijk voor de kwaliteit en de kwantiteit van het gewas. Als men de compost- en sproeipreparaten gebruikt zoals de ervaring dat heeft geleerd, dan heeft dat twee grondleggende vernieuwingen in de landbouw tot gevolg. Vooreerst ontstaat er een optimale kwaliteit van de planten. Voorts wordt door de handelwijze van de mens als hij de biologisch-dynamische preparaten toebereidt, laat rijpen en toepast, het plantaardige en het dierlijke principe als het ware een trede hoger geheven. Het natuurlijke wordt in zeker opzicht dichter bij de mens gebracht. Dit veredelt de natuur en is tegelijkertijd van waarde voor de mens.

Op de hierboven beschreven manier is het mogelijk, de nieuwe agrarische cultuur in haar praktische toepassing overal in te voeren waar mensen uit inzicht daartoe besluiten. Alleen op die manier kan de aarde als grondslag voor het leven in stand worden gehouden, worden genezen en ontwikkeld.
.

Ritmen in de landbouw

De mens in het midden van de natuurrijken

Plantkunde: alle artikelen

B.d.-vereniging in Nederland

Het is mogelijk gezamenlijk grond aan te kopen om de b.d.-landbouw verder te ontwikkelen.

.

2640

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – De mens in het midden van de natuurrijken

.

Voor de dierkunde en de plantkunde bijv. probeerde Steiner een methode te ontwerpen waarbij de kinderen een bepaalde samenhang kunnen beleven die er bestaat tussen mens en dier en mens en plant. Dat alles ook met een bij de samenhang horende eerbied.
In onderstaand artikel wordt uiteengezet dat de mens die verbondenheid en de eerbied die daar bij hoort in hoge mate is kwijtgeraakt met als gevolg een verkeerd omgaan met de natuur dat zich uit in allerlei ernstige gevolgen.

Nu is het enerzijds de kunst om de kinderen de wereld te laten beleven, nog zonder al te veel intellectualistische verklaringen (kleuters – klas 5/6), anderzijds komt er steeds meer een tijd waarin er met de kinderen meer bewust over de problematiek gesproken moet worden (v.a. klas 5/6)

Dit artikel geeft de leerkracht achtergronden en gezichtspunten die een hulp kunnen zijn bij het formuleren van gedachten.
.

Andreas Suchantke, Weledaberichten nr. 130 sept. 1993

.

DE MENS ALS HET MIDDEN VAN DE NATUUR
.

Ook al heeft de wetenschap van het leven, de biologie, in deze eeuw in veel opzichten een stormachtige en adembenemende ontwikkeling doorgemaakt, toch is zij op veel gebieden niet boven de methodes van haar beginstadium uitgekomen – boven de analyse; in de Renaissance werd sectie op lijken gedaan, thans zijn het macromoleculen; in steeds kleinere dimensies zoekt men de “oorsprongen van het leven”, in gebieden, waarin men niet eens meer de bouwstenen, maar alleen nog de grondelementen van de bouwstenen en uitsluitend chemisch-fysische processen vindt. En men komt dan tot de overtuiging, dat hetgeen wij “leven” noemen, in werkelijkheid niets anders is dan een overweldigend veelzijdig, volgens het principe van toevalligheden ontstaan netwerk van heel minieme chemisch-fysische processen. Dat is begrijpelijk, want men kan de levensprocessen ook niet langs deze weg vinden; men heeft ze immers juist, door de uiteenleggende, analyserende methodes van onderzoek geëlimineerd en vernietigd. Men is, om het in een vergelijking uit te drukken, te werk gegaan alsof men de inhoud, de betekenis van een kunstwerk, van bijv. een schilderij zou willen vinden door de chemische analyse van de kleurstoffen die het bevat. Beslissend zijn echter in beide gevallen niet de materie en de kwantitatieve eigenschapen van de substantie, maar de regie waaraan zij is onderworpen, dus datgene, wat hun onderlinge relatie, hun compositie bepaalt. De analyse leidt echter nooit ertoe, de regie te zien, ze maakt de afzonderlijke acteurs zichtbaar. Hun spel blijft onverklaarbaar als het niet in de context van het geheel, van de totale conceptie wordt gezien, die aan de delen – de spelers, de kleurelementen, de moleculen – hun rollen toebedeelt en ze daarmee pas een zin toebedeelt.

De vergelijking met de kunst is niet zo buitenissig, ze dringt zich eigenlijk vanzelf op: biologie, de wetenschap van het leven, heeft met de kunst minstens zoveel te maken als met scheikunde en natuurkunde! Misschien lijdt onze huidige biologie er eenvoudig onder, dat haar beoefenaren noch in het waarnemen van kunst noch in het beoefenen ervan worden geschoold. Zij zouden dan namelijk in het waarnemen en – innerlijk – in het nascheppen van gedaanten meer bedreven, niet zo blind zijn voor vormen als dat tegenwoordig het geval is.

Wat kan kunst ons schenken? Het vinden van de wetmatigheden, die boven de delen als zingevend principe werkzaam zijn: muziek bijv. bestaat niet uit een aaneenschakeling van tonen. Als wij de tonen afzonderlijk zouden horen, om zo te zeggen atomistisch, dan zouden wij geen muzikaal beleven hebben. Wat wij horen is een samenklank – tevens een samenklank van samenklanken – het zijn klankgedaanten van gecompliceerde aard, waarbij het beslissende datgene is, wat niet in de afzonderlijke, zintuigelijk waarneembare tonen ligt, maar boven de afzonderlijke tonen uit als harmonische (en zelfs wiskundig exacte) totaliteit wordt ervaren.

Natuurlijk is het geen toeval, dat de eerste onderzoeker, die de tot op heden meest beslissende stappen in de richting van een gestaltebiologie zette, zowel kunstenaar als man van de wetenschap was: Goethe. Aan hem hebben wij het eerste begin van een leer omtrent de wetmatigheden van compositie van de organismen te danken; in de muziek zou men van harmonieleer spreken; op het organische gebied noemt men dit morfologie. Haar methode gaat uit van de vergelijking  van de organen, van de aard van hun samenklank en vandaar gaat men verder naar de ontwikkeling, de opeenvolging der organen. In hun gedaanteveranderingen en de daaruit voortkomende variaties van het thema – bijv. van het blad – ontdekt zij de bepalende en dirigerende totale ductus.

Maar, zal wellicht een serieuze huidige bioloog vragen: waar leidt dat heen, wat heeft zo’n kunstzinnige manier van beschouwen voor nut, waartoe dient uiteindelijk een klassieke morfologie van de dieren en planten: zij is nooit boven het stadium van een hulpwetenschap uitgekomen en tegenwoordig, nu er heel andere vragen op de voorgrond staan – bijv. de biochemische sturing en beïnvloeding van de erfelijke aanleg -is zij van totaal ondergeschikte betekenis.

Misschien, zou men kunnen tegenwerpen, ligt juist daarin een betreurenswaardig verzuim: men heeft nog helemaal niet beseft, welke concrete mogelijkheden Goethes methode behelst. Namelijk waar – ogenschijnlijk volledig onafhankelijk van Goethe, maar geheel in diens zin – naar zo’n van de totaliteit uitgaande fenomenologie in de biologie werd gezocht, is zonder meer gebleken hoe vruchtbaar deze methode is. Er ontstond een nieuwe wetenschap waarin het morfologisch denken niet – zoals nog bij Goethe – beperkt blijft tot het gebied van het afzonderlijke organisme. Ook het samenspel van verschillende organismen en groepen daarvan wordt beschouwd in samenhang met de bodemgesteldheid, het klimaat en de invloed van de kosmos.

Deze wetenschap is de Ecologie die, hoe jong zij ook is, resultaten heeft opgeleverd die ons begrip omtrent de natuur danig hebben doen veranderen en, wat méér zegt, ook tot een volledig nieuw besef hebben geleid omtrent de plaats van de mens in de natuur. 

Als men het totaal van de levensprocessen in de natuur en de plaats overziet, die door verschillende organismen binnen dit bestel wordt ingenomen, dan blijkt dat er drie groepen van levende wezens zijn, die totaal verschillende taken binnen dit geheel hebben.

In de eerste plaats zijn er de groene planten, wier heel bijzondere vermogen het is, anorganische substanties – minerale van de bodem en gasvormige van de lucht – op te nemen in de kringloop van het leven, deze te assimileren. Bij mens en dier ontbreken vergelijkbare vermogens: zij zijn daarom op organisch, door de planten toebereid voedsel aangewezen. De plant staat zo sterk in het teken van de opbouw, dat zij tot aan haar dood de meest oorspronkelijke jeugdigheid bewaart: ook de vijfduizend jaar oude baarddennen van de Californische Siërra Nevada hebben in hun eindknoppen nog embryonaal weefsel, waaruit zij nieuwe naalden, bloemen en zaden kunnen vormen.

In hoe grote mate de groene planten ook de voortdurende vernieuwers en dragers van het leven zijn, toch zou leven onmogelijk zijn, als zij slechts alléén bestonden. Zij zouden spoedig alle voor het leven belangrijke minerale stoffen door middel van hun wortels uit de bodem hebben gehaald en het leven zou verkommeren en te gronde gaan. Voor de continuïteit zorgen echter zulke organismen, die afgestorven organische substantie weer in eenvoudige anorganische componenten splitsen: de bacteriën en de schimmels. Zij staan zo primair aan de kant van de afbraak en het verval, dat zij zelf daarvan tot in hun eigen verschijning de stempel dragen; vooral de bacteriën beschikken over totaal geen eigen gedaante-opbouwende potentie. Het enige wat zij kunnen is onophoudelijk splitsen: een beeld voor het uiteenvallen.

Beide, de “producenten” zowel als de “destructoren” zijn nauw op elkaar aangewezen; nog meer: zij staan ten opzichte van elkaar als de polaire uitlopers van één enkel organisme. Elk organisme kent immers de pool van de dood en van het leven, waarvan het ruimtelijk en het tijdelijk principe op elkaar inspelen in een ritmisch verloop. In het gevormd op elkaar inwerken van opbouw- en afbraakprocessen ontplooit zich het leven.

De mens en de dieren nemen in dit bestel een middenpositie in – als
“consumenten” leven zij rechtstreeks of indirect van hetgeen de “producenten” opbouwen; zij geven dit naar de andere kant door. Vooral in de talloze voedingsketens van de zee (maar natuurlijk ook op het vasteland) weerspiegelt zich een onophoudelijke afwisseling tussen opbouw en afbraak: de keten begint steeds aan de kant van de opbouw, bij de groene planten, in dit geval bij de eencellige algen van de oppervlakte van de zee; de substantie daarvan wordt door de zeeslakken en kreeftjes eerst afgebroken en dan als eigen lichaamssubstantie weer opgebouwd. De vissen, die zich met deze diertjes voeden, breken de organische substantie daarvan eerst af en vervolgens bouwen ze die als eigen lichamelijke stoffelijkheid weer op. En zo gaat de kringloop verder, voortdurend wisselend, om uiteindelijk, via afscheiding en dood, volledig aan de kant van de afbraak te eindigen.

Als men deze geordende samenhang in het oog vat, dan lijkt het bijna, alsof men hier te maken heeft met een driegeleed organisme. Deze “gedifferentieerde eenheid” van de totale levende wereld vertoont immers alle kenmerken, die Rudolf Steiner als principieel ten grondslag liggend aan de geleding van fysiologische processen van het menselijke organisme heeft beschreven: het bestaan, aan de ene kant, van een opbouwende “stofwisselingspool”, die in een voortdurende vorming van nieuwe substantie leeft, en aan de andere kant een afbrekende, verterende, naar de dood drijvende tegenpool, de “zenuwzintuigpool” (in de hersenen vinden bij de volwassen mens in ’t geheel geen regeneratieprocessen meer plaats!). Het evenwicht en de bemiddeling tussen beide antagonisten wordt door het systeem van de bloedsomloop gevormd, dat aan het zenuwstelsel vanuit de tegenpool voortdurend voedingsstoffen moet aanreiken en omgekeerd de afbraakproducten, ontstaan door de activiteit van het zenuwstelsel, moet helpen verwijderen. De bloedsomloop heeft dientengevolge een beslissende functie – zonder diens verbindend-bemiddelende, tot harmonie leidende activiteit zouden de beide polen door hun tegengesteldheid elkaar bestrijden en blokkeren: de bloedsomloop werkt zodanig, dat ze tot elkaar aanvullende delen van een hogere kwaliteit, namelijk van het organisme worden.

Dit nu is bij de drieheid van producent, consument en “destruent” kennelijk heel anders. Uit hun samenwerking ontstaat de verbluffende indruk, dat dit “organisme” blijkbaar slechts uit twee elementen bestaat – uit de producent en de destruent. Deze beide tegengestelde levensvormen dragen en bepalen elkaar immers wederkerig zoals wij zagen. Zij zijn in hun samenspel volkomen. Mens en dier zouden daarin zelfs overbodig kunnen lijken.

Maar dat is wel een verkeerde kijk op de zaak, die slechts dan optreedt, als men de wetmatigheden van het menselijke organisme eenvoudigweg naar de natuur overhevelt. In werkelijkheid zijn de omstandigheden anders: de beide polen scheppen de ruimte en verschaffen de mogelijkheid dat in hun midden mens en dier kunnen leven! Het is alsof het de bestemming van de samenwerking van de polen is, dat in het midden tussen beide een hoger stadium van het bestaan mogelijk wordt gemaakt: polariteit en verhoging.

Een ongewoon beeld en een geheel nieuwe voorstelling: de mens, niet als losstaande top hoog boven de natuur, haar beheersend of op haar neerziend, of, in zijn kunstmatig opgebouwde geciviliseerde wereld ver en vervreemd van haar, maar staande in het centrum van de natuur. Een beeld, dat misschien op allerlei manieren tegemoet komt aan hetgeen velen tegenwoordig als een nieuwe broederlijke verhouding in franciscaanse zin tegenover de natuur voelen. Tevens een beeld, dat onze rol niet tegenover maar binnen de natuur kan verklaren: de sleutelpositie, waarvan wij ons tegenwoordig met schrik bewust worden. Door onze centrale plaats nemen wij nu juist de positie in van de evenwichtsbalk en van de centrale as, waarop de evenwichtsbalk rust.

Pas door de mens is de natuur een driegeleed organisme, beter gezegd: pas door hem kan zij dat worden. Fouten en dwalingen, die oermenselijke mogelijkheden, zouden ergens aan de periferie niet zo’n grote uitwerking hebben, maar vanuit het centrum werken zij naar alle kanten in de breedte en, wat het belangrijkste is: wat in het centrum van weinig betekenis en onbelangrijk kan lijken, heeft daarbuiten, in de schalen van de weegschaal een geweldige uitwerking. Wij beleven thans op een tragische manier, dat de mens de middenpositie nog niet heeft gevonden, maar het gewicht naar de kant van de afbraak en vernietiging heeft verschoven.

Het is echter ook een kenmerk van de mens om van fouten te leren, daardoor wakker te worden, besef en verantwoording te ontwikkelen.
Prachtig geeft het middeleeuwse Paradijsspel uit Oberufer – dat in de kersttijd op alle vrijescholen wordt gespeeld – deze situatie weer: God geeft aan Adam de heerschappij over de gehele paradijselijke oernatuur, met één strikte uitzondering: van de boom van goed en kwaad.

”So gunder inder midden staet,
den alderbesten moet ghi weten,
daervan en suldi nimmer eten.”

Deze centrale boom is de goddelijke spil van het bestaan, die de evenwichtsbalk droeg eer de mens het evenwicht verstoorde; waarmee de mens een zo nauwe relatie heeft, dat God hem op de gevolgen wijst die zullen komen, als hij de boom overmoedig en lichtvaardig benadert en tracht hem aan zich te onderwerpen. Wat dan gebeurt en moet gebeuren, is de verdrijving uit het paradijs – een gebeurtenis, die nog steeds plaatsvindt en die ten doel heeft, dat de mens allengs de draag- en evenwichtskrachten verwerft, om zelf de plaats van die boom als centrale as van de evolutie in te nemen.’

Wat in de mythen en sprookjes leeft – wij beginnen het tegenwoordig opnieuw te beseffen – zijn in de taal van beelden vertelde grondleggende waarheden van de innerlijke ontwikkeling van de mens. Sprookjes, mythen zijn “wijs”, dat wil zeggen zij weerspiegelen algemeen geldende waarheden. Maar kan ons het beeld van de mythe van het paradijs nu nog werkelijk helpen? Zien wij niet juist in onze tijd, dat wij totaal verdwaald zijn, dat een terugkeer onmogelijk wordt, alleen al doordat wij het paradijs allang hebben vernietigd?

Een “terug” bestaat niet. De wereld is geen toestand; alles in haar is ontwikkeling. In die ontwikkeling staan wij volledig geïntegreerd. Het zijn intensieve, hoewel tegenwoordig merendeels negatieve ontwikkelingsprocessen, die wij in de natuur losmaken. Aan de andere kant voltrekt zich ook in de mensheid een innerlijke, psychische ontwikkeling. Ook deze kan een verandering van het bewustzijn bewerkstelligen, die steeds meer mensen ervaren en die ze tot een volledig andere, tot een broederlijk-coöperatieve omgang met de natuur leidt. Er groeit een nieuw verantwoordelijkheidsgevoel dat voordien niet bestond en dat in vervlogen tijden hoogstens door enkele bijzondere persoonlijkheden zoals Franciscus van Assisi werd ervaren en in praktijk gebracht.

Door zijn centrale plaats, zijn positie van het midden, is de mens tot heerser geworden over de ontwikkeling van de natuur. Het feit, dat hij tegen die taak niet is opgewassen verandert hieraan niets: geen ander wezen kan veranderend en omvormend ingrijpen in de natuur, geen dier verandert de natuur waarin hij leeft; het blijft harmonisch daarin opgenomen en daaraan “aangepast”.

Ver verbreid is tegenwoordig de opvatting, dat de mens principieel niets anders kan dan verstoren en vernietigen. Die pessimistische zienswijze vergeet, dat de mens vroeger op een heel andere manier met de natuur kon omgaan. Onze Midden-Europese, tegenwoordig onder beton verdwijnende intens gelede culturele omgeving was onuitsprekelijk rijker geschakeerd (en is het op veel plaatsen nog) dan het daaraan voorafgaande bos, het Midden-Europa, dat de mens alleen maar nederzettingen langs oevers en meren toestond. Het rijk gevarieerde mozaïeklandschap van weiden, akkers, moestuinen en grote of kleine bossen met hun rijkdom van cultuurplanten bood levensruimte aan een groot aantal in het wild levende dieren en planten die destijds naar onze gebieden trokken; het waren er veel meer dan er tevoren in de monotonie van de wouden leefden.

Die scheppende fase van de door de mens op gang gebrachte ontwikkeling lijkt onherroepelijk voorbij te zijn. Wij kunnen de vermogens die de mensen vroeger hadden niet meer in ons opwekken. Alle getuigenissen uit die cultuurscheppende tijden vertonen ons de mens als minder uit zichzelf handelend maar geïnspireerd door kosmische krachten en in een vertrouwde omgang met de elementaire wezens van de natuur: nog in de Middeleeuwen vereerden de boeren die wezens. De “heidense dwaling” om offers te brengen aan bronnen, bomen en bergen werd door de kerk met de zwaarste straffen bestreden en met succes uitgeroeid.

Deze fase, waarin de mensen in innerlijke, religieuze beelden leefden, die zij creatief in de hun omringende wereld konden omzetten, lijkt in menig opzicht op de ontwikkelingsfase van de kindheid – als sprookjes, mythen en legenden de omgeving bezield en van geest vervuld weergeven – de uitdrukking van een zielenhouding die de verbinding met het paradijs nog niet geheel en al heeft verloren.

Klaarblijkelijk is de moderne mensheid in een ontwikkelingsfase beland die op elke kindheid volgt: de pubertijd, waar in crises en revoluties eerst alles, wat eertijds een geschenk van de goden was, verloren gaat en moet gaan, opdat het daarna uit eigen vrijheid, uit inzicht weer kan worden heroverd. De wegen die in het bijzonder in een nieuwe landbouw worden gezocht, wijzen in die richting. Zij leiden niet terug naar de tijden van een instinctief zich één weten met wat als geest in de natuur leeft. Dat is onherroepelijk voorbij. Maar zij trachten aan te knopen aan fasen van creatief-juiste omgang met de natuur, die met de moderne methodes van een bewust, wetenschappelijk gefundeerd inzicht in de samenhangen van het leven uitmonden en dit pogen verder te ontwikkelen.

.

4e klas dierkunde: alle artikelen

5e klas plantkunde: alle artikelen

Over de drieledige mens

Goethe

.

2639

 

 

.

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – wegwijzer (360)

.

In het geschreven werk van Rudolf Steiner, maar ook in zijn opgetekende voordrachten vind ik vaak uitspraken, die – enigszins los van hun verband – op zich een inhoud hebben waarover je lang kan nadenken. Een tijdlang zo’n zin regelmatig op je laten inwerken, kan tot gevolg hebben dat deze zin je in een bepaalde situatie plotseling invalt en dan een antwoord of een richting blijkt te geven voor waarmee je op dat ogenblik bezig bent.
Ze wijzen je een weg; misschien ‘de’ weg; en ze wijzen je weg van het alledaagse. of geven je juist daarop een andere kijk,

‘wegwijzers’ dus

.

360
Een op menskundig inzicht gebouwde pedagogie moet er absoluut van uitgaan, de ontwikkeling, de levensvoorwaarden af te lezen aan de menselijke natuur. Als de opvoeder goed kan ‘aflezen’, kan hij het kind zó helpen, dat de eigen aard van het kind te voorschijn komt. Alleen dan is de opvoedkunst echt gezond.

Eine auf Menschenerkenntnis gebaute Pädagogik muβ durchaus davon ausgehen, die Entwicklung, die Lebensbedinungen der Menschennatur abzulesen und im Sinne dieses Ablesens der Lebensbedingungen so dem Kinde zu helfen, daβ die eigene Natur des Kindes herauskommt. Einzig und allein dann ist die Erziehungskunst wirklich gesund.
GA 310/69
Vertaald/73

Rudolf Steineralle wegwijzers

Rudolf Steineralle artikelen

.

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (12)

.
Pieter HA Witvliet, bron: Mellie Uyldert ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen‘*

 

OMMEGANG MET PALMPASEN

.
In het artikel ‘Ommegangvolgde ik een paar gedachten van Mellie Uyldert die in haar boek ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen ‘ over de ommegangen schrijft.
Aansluitend behandelt ze de ommegang met Palmpasen.

Zij ziet in de voorjaarsommegangen een verering voor het feit dat de levensgeest weer boven de grond gaat komen. 
Een oeroud gebruik dat in bepaalde streken in ons land in ere wordt gehouden.* 

En in de vrijescholen is het ook tot traditie geworden dat de kinderen een palmpaasoptocht lopen. 

Van oudsher zat er boven op de stok een haantje van brooddeeg met een krent als oog. ‘Haantje-pik’. 
Er zou ook wel een haasje op de stok geprijkt hebben, beide de gedaanten van de levensgeest, waarbij de haan meer met de zon als de manlijke pool, en de haas meer met de maan als de vrouwelijke pool te maken heeft. ‘Een feest van zon en maan, die hun heilig huwelijk vieren!’

Ook met halfvasten zijn er hier en daar nog ommegangen. Tegenwoordig zie je slechts carnavalwagens, maar Uyldert maakt nog melding van optochten waarbij geestelijken op een schimmel zaten, ‘zoals Wodan op Sleipnir; en mannen met stokpaarden. Ik heb daarvan geen afbeeldingen gevonden, maar er wordt wel over de symboliek van bepaalde gebruiken gesproken.

Uyldert schrijft dat de gestalte van haan en haas, wanneer we naar hun ‘vertakking’ kijken, een overeenkomst zou vertonen met het gaffelkruis, de rune voor lente en geboorte.
Echter, de rune voor lente en geboorte is niet het gaffelkruis:

Kruisvormen | Antonius       maar dit teken                  de berk

of moeten we deze misschien draaien? 

De hoepel om de palmpaasstok zou ook van brooddeeg gemaakt zijn en als krans een symbool van het vrouwelijke; we zien terug aan de mei- of pinksterboom.

*Bert van Zandwijk schrijft o.a. over de Pinksterboom op Schiermonnikoog: ‘Doorgaans hebben oude gebruiken in het voorjaar en de zomer te maken met leven, terwijl gebruiken in het najaar en de winter te maken hebben met de dood. Lentefeesten gaan altijd over de terugkeer van de zon. De tijd van schaarste is voorbij, met daaraan gekoppeld de vruchtbaarheid van het land, het vee en de mensen. De gewassen beginnen te groeien, er wordt jongvee geboren en er wordt duidelijk welke vrouwen tijdens de koude en donkere wintermaanden zwanger zijn geraakt. Het was ook de tijd waarop de nieuwe volwassenen op zoek gingen naar een partner.

Aan de stokken kun je zien  hangen: eieren en groen, lekkers en nagemaakte bloemen, om de ontluikende planten- en dierenwereld aan te duiden. Appels, linten, rode bessen aan takjes, sinaasappels en vlaggetjes.

Wanneer je op zoek gaat, vind je nog van alles, zoals het Aermstokje uit Zeeland.

Uyldert besluit:

De liedjes die bij het rondlopen in optocht met de Palmpasen in de hand worden gezongen, hebben weinig om het lijf, bv.:

Palm palm pasen, hei koerei,
over enen zondag, dan krijgen wij een ei!
Eén ei is geen ei,
twee ei is een hallef ei,
drie ei is een paas-ei!

Henk Sweers duidt in dit artikel op iets wat wel wat meer om het lijf heeft.
Maar helemaal zeker is een en ander niet.

 

.

Palmpasen en Pasen: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten: Palmpasen/Pasen

.

2338

 

 

 

.

 

 

 

.