Maandelijks archief: oktober 2019

VRIJESCHOOL – Paradijsspel- regie-aanwijzingen (3-5)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’
Deel 4: de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.
Dit deel (5) duivel met ketting, bestraffing door Godvader; nawoord engel en beëindiging van het spel.

Na de verdrijving uit het Paradijs is de toneelsituatie zo:

Adam en Eva wandelen langzaam links op het toneel; Godvader zit op zijn troon; duivel achter de boom. Engel zit. Boompjesdrager staat rechts vooraan.

Duivel komt op:
In DH rammelend met een ketting. Volgens wijlen Willem Bruning, destijds muziekleraar in Den Haag, komt de duivel springend, a.h.w. ‘golvend op.
In Dornach was hij al een keer met de ketting opgekomen (3-4) en die lag voor op het toneel. Er staat nergens dat hij die weer meeneemt en er opnieuw mee opkomt; ook is er geen melding van dat hij de ketting opraapt. Er staat alleen: de duivel (Schwarzengel! = zwarte engel) komt op en spreekt, dicht aan de rand van het toneel, fixeert het publiek:

Duyvel spreeckt:

GT:  lck heb die beyden sluw bedroghen.
se uyt het paradys geloghen:
maer nu wilc sien waer ickse oan vinden
omse met myn kettingh tsaem te binden.

Hij gaat op Adam en Eva af en legt de ketting op hun schouders, trekt hem samen en trekt ze beiden, terwijl ze zich hevig verzetten, voor de troon van God

DH: Hij gaat op Adam en Eva af en draait de ketting rond hun middel, waarbij Adam ongezien het begin van de ketting vasthoudt. Duivel komt met beide uiteinden van de ketting schuin rechts achter Adam en Eva te staan en begint te trekken, richting troon. 

Bij ‘Heer rechter’ steekt duivel zijn arm rechts omhoog (dus zijn eigen linker arm) en schreeuwt, terwijl hij aan de ketting rukt, maar ook Adem en Eva soms wat naar voren duwt. Adam en Eva reageren op deze bewegingen.
Dornach: hij trekt aan de ketting. Adam en Eva laten zich als zakken schudden, zakken door de knieën en beven als espenblad.

Heer rechter, heer rechter, eeuwiche schand
over Adam en Eva in kettingh en band.
lek weet ghy en scheltse de schuld niet kwyt.
sy sullen syn vermaeledyt.
In sondighe wereldt gestooten voor goet,
so my treffelyck gevallen doet.
Te daghe en te nacht sallic mit haer syn,
daer jammer is ende groote pyn.

Hij blaast heftig, voor en achter/idem

Daer blaes ick van agter en veuren int vuur;
In myn helle hebbense rust noch duur.
Ick poock er de vlammen vlytigh aen
datse mit my sweeten tsaem
en sullen eeuwelyc daer branden.

Zijn stem is gaandeweg schreeuweriger geworden met als hoogtepunt:

Niemand en rukte z’ uyt mynen handen!
D: trekt de kettingeinden weer bij elkaar en wil Adam en Eva meenemen

Godvader gaat energiek staan en wijst gebiedend naar de duivel/idem, met strenge (lage) stem:

God de Heer spreeckt:

GT: Pack u wegh satan, ghy helle hond!
D: duivel laat de ketting vallen, Adam en Eva luisteren nieuwsgierig met grote belangstelling. De duivel sluipt naar de boom en naast de troon van Godvader bij de woorden

welck schandelyck woordt quam uyt u mondt.
Stof ende aerde sy voortaen u spys,

In Den Haag heeft de duivel de ketting nog steeds vast, al trekt hij daar niet meer aan. Bij ‘op uw buyck’ laat de duivel de ketting los en valt plat voorover.

en tegen der creaturen wys,
wyl ghy dit quaade hebt gedaen,
sult ghe op u buyck al’ daghen gaen.

Siet hoe is Adam thans soo ryck,
geworden eenen god geiyck,
D: Adam en Eva kijken elkaar aan, ook bij de volgende woorden

daer hy het goed en quaadt beseft,
wanneer hy syne handen heft
D: hij houdt de ketting omhoog
DH: hij houdt zijn armen en handen omhoog. Dit zou een soort Grieks gebaar zijn, i.t.t. het christelijke gebaar waarbij de handen gevouwen zouden worden. Geen verdere info.

en leeve in alle eeuwicheidt.

Een kleine pauze. De duivel gaat weer staan. De kompany formeert zich met de boompjesdrager voorop, als ze het toneel verlaten; op het toneel is de volgorde: engel, Godvader, de duivel, Adam met de ketting en Eva achteraan.

DH: op het toneel: engel, Godvader, Eva, Adam, met ketting, en de duivel.
De plaats van Eva verschilt aanzienlijk. De uitleg is dat Eva na de zondeval als vrouwelijk element dichter bij God blijft. De man wordt dieper in de zondeval gestoten. Ook bij de appel gebeurt er pas wat als Adam erin bijt.

Kompany singht afgaende:

Lied 10:

O heilighe drievuldicheydt,
o goddelyck regiment,
aen doot, duyvel en oock de hel
quam nu voor goet een end.
Ghy hebt het eeuwich leven
ons allen weergegheven.
Nu syt gepresen alsoo seer!
die ons’ gedachten kent, de heer,
syn rijck wil hy ons gheven.

Dornach: de kompany is weer voor het toneel aangekomen en gaat zitten. De engel geeft het zwaard aan Godvader *, daarna gaat hij het toneel op. De boompjesdrager staat weer midden voor het toneel.
DH: kompany komt weer op toneel (links) en vormt een boog van links naar rechts, de engel komt naar voren:

Engel spreeckt:

Achtbaere, seer vroede goetgunstige heeren,
Hier is weer het groeten 3x: midden, rechts, links/DH groet 1x

oock deugtsame vrouwen ende jonckvrouwen in alle eere, idem/idem

wilt altegaer niet euvel duyden
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden,

vriendelijk
van hoe god al dingen heyt gemaeckt
mitgaeder de menschen bloot ende naekt;
die schiep hy deur ’t goddelyck raetsbesluyt
nae syn gelyckenis, uyt eene aerdenkluyt
en gafse ‘t paradys tot woon,
den hof van Eeden alsoo schoon.
Maor de slangh mit haore listigheyt
heeft Adam ende Eva verleyd
datse overtraden gods gebod
en aten dat god verboden hadt.
So synse gecomen in angst ende noot,
ten leste geslaeghen mit eeuwiche doot,

dit zeer benadrukken
tot den barmhert’ gen god syn Soon liet nederdaelen
die veur ons menschen deed losgeld betaelen.
‘k Bid soo wy quamen veuls te cort
’t ons niet en aengerekend wordt.
Maar alles dat wy schuldich bleven
onze onkunde mach syn toegeschreven:
hiermee elckeen het alder best betracht’
soo wenschen me van god almachtich ‘n goede nacht.

Engel maakt nog 3x een diepe buiging. De boompjesdrager, met het boompje voor zich, doet deze mee. Ze gaan nu allen op het toneel, volgorde: engel (is daar al) Godvader, boompjesdrager, Adam, Eva, duivel; staand in rij maken zij nog een diepee buiging en gaan achter op het toneel weg.
Na ’n goede nacht’ zeggend ‘ buigt de kompany en loopt op het laatste lied, dit herhalend, door de zaaldeur van de hoofdingang de zaal uit.

*dit suggereert dat de engel tot nu toe het zwaard steeds heeft gedragen. Iik heb geen concrete aanwijzing waar het zwaard in DH bleef; ik dacht dat de engel het na gebruik aan Godvader teruggeeft die het op zijn beurt aan de duivel geeft die het weer achter de boom plaatst. 

einde

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’
Deel 4: de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.
Dit deel (5) duivel met ketting, bestraffing door Godvader; nawoord engel en beëindging van het spel.

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelenalle artikelen

.

1943

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen – 0 – 7

.

Weleda Puur Kind, herfst 2005, nr.16
.

Kijken is een leerproces

Hoe leren we zien? Waarom kijken kinderen graag naar primaire kleuren en aan welke visuele indrukken hebben zij behoefte bij hun ontwikkeling? Mirre Bots sprak met oogarts Wim Huige en kinderarts Edmond Schoorel.

‘Ogen zijn de spiegels van de ziel. Bij kinderen is dat bij uitstek te zien. Door hele grote kijkers kijken ze vol verwondering de wereld in. Hun ogen lijken zo groot omdat de pupillen veel groter zijn dan die van bijvoorbeeld bejaarde mensen,’ legt oogarts Wim Huige uit.
‘Door het leven getekend en met eelt op zijn ziel laat de oude mens zich niet meer goed in zijn ogen kijken, terwijl kinderen nog vol bewondering de wereld in zich opnemen en ze voor de meeste mensen een open boek zijn. Het verschil in
pupilgrootte is een normaal, fysiologisch gegeven.’

De wereld leren ontmoeten

Wim Huige: ‘Een ander prachtig cadeau van de natuur is dat kinderen bij de geboorte een lenssterkte van +3 tot +5 hebben. In de loop van de eerste zeven tot acht jaar vermindert deze sterkte van de lens, om rond nul uit te komen. Willen kinderen vanaf het begin al goed te kunnen zien, dan moeten ze zich dus inspannen om die lenssterkte van +3 tot +5 te overbruggen. Dat doen ze door te accommoderen, oftewel het leren focussen van het beeld. Dit is een aangeboren, natuurlijk proces. Het is tegelijkertijd een leerproces om vertrouwd te raken met hun eigen lijfje en de wereld om hen heen.’
Tot ongeveer het zevende jaar rijpt de oogzenuw uit. Het gezichtsvermogen kan hierna eigenlijk niet meer worden verbeterd. Vanaf nu gaan kinderen diepte zien en kunnen ze in het verkeer gaan inschatten hoe ver een auto van hen vandaan is. ‘Daarvóór kun je ze wel een helmpje opzetten, maar dat helpt hen niet in het leren anticiperen op de omgeving.’

Een hang naar echt

Het oog is bij uitstek het orgaan om de wereld mee te ontmoeten. Huige: ‘Het begint al bij een baby die vol overgave aan de borst ligt. Elke moeder kent dat wel, dat haar baby haar dan zo intens kan aankijken. De moeder kijkt liefdevol terug. Die liefde van de moeder is de prikkel om te kijken. Het kind wil met zijn oog de wereld om hem heen leren kennen. Daarbij kan het de eerste jaren vanwege die oogsterkte nog niet zo goed differentiëren. In eerste instantie heeft het kind een natuurlijke hang naar gewone, echte dingen als een manier om de wereld te leren herkennen. Daarom kijken kinderen graag naar primaire kleuren. Rood is rood en groen is groen.’

Kinderarts Edmond Schoorel vult aan: ‘Via zijn ogen kan een kind ervaren hoe de werkelijkheid eruit ziet. Een glazen vaas die op een harde grond kapot valt, spat in duizend stukjes uiteen. Dat zegt dus iets over glas. Maar een kind ziet alleen die dingen min of meer bewust waar hij de begrippen van kent. Als een kind bijvoorbeeld iets dat rond is een bal gaat noemen, heeft het een begrip geleerd. Naarmate de hoeveelheid begrippen ruimer wordt, gaat het kind meer zien. Een prullenbak van gevlochten riet leert een kind wat riet is en wat gevlochten is. Ons oog is erop ingericht dat je met het begrip riet en gevlochten naar buiten gaat en dat vervolgens ziet.’

Steeds dezelfde plaat

Ouders zouden hun kinderen niet te veel visuele prikkels moeten aanbieden, vindt Schoorel. ‘Een kind zit het liefst rustig op schoot om zich heen te kijken. In een kamer of tuin valt al genoeg te zien, daar hoef je nog niet allerlei prikkels aan toe te voegen. Als je met je kind zomer en winter hetzelfde rondje loopt, wordt het voor jou misschien saai, maar hij ziet dezelfde wereld steeds in een andere verschijningsvorm: met sneeuw, groene blaadjes of kale takken. Hij kijkt zijn ogen uit. Ook op zijn kamertje is één bepaalde plaat aan de muur genoeg. Je hoeft daar niet steeds iets anders leuks of flitsends op te hangen. Steeds dezelfde plaat zien geeft het kind juist het gevoel “hier hoor ik”, “hier ben ik veilig”. En dat heeft een kind weer nodig om vanuit een veilige haven de wereld te kunnen gaan ontdekken.’»

RODE EN ONTSTOKEN OOGJES

Kleine kinderen lopen gemakkelijk rode of ontstoken oogjes op. Ze zitten veel bij en aan elkaar en zijn bevattelijk voor allerlei virussen die de slijmvliezen prikkelen. Toch zijn die rode oogjes meestal onschuldig. Dat kun je zien aan het oogwit: als dat wit blijft, kun je de klachten zelf verlichten door een kompres met kamillethee of ogentroost.[1] Ook kun je de oogjes met een watje gedrenkt in gekookt water schoonwrijven. Wrijf wel naar de neus toe. Als het lang duurt of echt om een ontsteking gaat (te zien aan het oogwit dat ook rood wordt), dan is een bezoekje aan de dokter raadzaam.

Heeft een baby vanaf de geboorte regelmatig pus in zijn oogjes, dan kan het een verstopt traanbuisje zijn. Hiervan gaat 95 procent vóór het eerste jaar spontaan open en dan is een ingreep om het te verhelpen niet nodig. Wat ouders kunnen doen om het opengaan te bevorderen, is vier tot zes keer per dag, bijvoorbeeld tijdens de voeding, de traankanaaltjes masseren door met de wijsvinger zachtjes vanaf de ooghoek langs de neus naar beneden te wrijven.

Dit is geen commerciele blog. De firma Weleda maakt hier niet zelf reclame: dat doe ik uit een soort dankbaarheid dat deze middelen bestaan. Ik heb van vele de weldadige werking ondervonden: bij mijzelf, bij onze kinderen en bij kinderen in mijn klas, bij bv. builen en wondjes. Vandaar onderstaand bericht:

Geprikkelde oogjes? Ogentroost helpt!

Weleda: gezondheidsproduct voor de ogen: ogentroost oogdruppels. Het is speciaal ontwikkeld voor kinderen en volwassenen met geprikkelde, rode en tranende ogen.

Ogentroost oogdruppels bestaat uit een extract van verse ogentroost (Euphrasia officinalis) in een isotone zoutoplossing. Door toevoeging van de natuurlijke zouten kaliumnitraat en natriumboraat is de samenstelling van de oogdruppels gelijk aan die van de lichaamseigen vloeistoffen. Daarnaast bevatten de druppels natuurlijk boorzuur, dat de pH-waarde dichtbij die van natuurlijke tranen brengt (rond 7,4). Zo ontstaat een zuiver natuurlijk product dat verlicht, verzorgt en verzacht bij geprikkelde, rode en tranende ogen.

Met de hand plukken

In de Weleda-tuin in Wetzgau, Zuid-Duitsland, staat de kleine ogentroost tussen grassen en kruiden en ‘kijkt’ zij met haar geel-paarse bloemetjes blij de wereld in. Haar bloeiende stengels bevatten ontstekings- en bacteriënremmende stoffen die samentrekken en verzachten. Deze zijn met name werkzaam op de tere huid rond de ogen en op de slijmvliezen. In juli gaan de tuinmedewerkers van Weleda het veld in om de bloeiende stengels met de hand te plukken, waarna nog dezelfde dag collega’s van de productieafdeling de verse planten reinigen en versnijden. Om de heilzame stoffen uit de plant te ‘trekken’, voegen ze deze toe aan een mengsel van water en alcohol. Na twee weken is een extract ontstaan. Dit extract helpt, verwerkt in Ogentroost oogdruppels, geprikkelde en vermoeide ogen verzachten en verzorgen. Uit een onderzoek onder 112 kinderen in de leeftijd van 0 tot 16 jaar blijkt dat de oogdruppels bij JüÉ 98 procent rode, sm tranende, brandende en dichte ogen binnen zes dagen verhelpt.* Bovendien worden ze goed verdragen.

 

Weleda Ogentroost

ontwikkelingsfasenalle artikelen

menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen

.

1943

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Paradijsspel- regie-aanwijzingen (3-4)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’
Dit deel (4): de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.

De situatie na lied 6, 2e couplet ‘Sy gaf oock’:

DH: De Haagse muziekleraar Willem Bruning was van mening dat de duivel – die 3x verschijnt, de 2e keer, dus hier – opkomt in een soort hoekige vorm (zigzag)

Dornach: hier werd een ommegang gemaakt over het toneel, Adam en Eva blijven bij de boom. De duivel komt op met een ketting. Dat gebeurde in DH niet, daar kwam de duivel pas in zijn laatste optreden met de ketting.

Duyvel spreeckt:

Dornach: hij komt door het midden naar voren, werpt de ketting terzijde en op de rand van het toneel kijkt hij strak naar het publiek, wijzend op zichzelf

lck ben de duyvel van de echtelie’n
aldaer wort ick soo menichmael gesien.
Zet zijn handen in zijn zij en kijkt overtuigd

k Blaas haerluy int oor: waerom al’daghen
sichselven en malkander plaaghen?

De man can sich opknoopen,
maakt gebaar van een touw om de nek

de vrouw int water loopen
hij geeft een verstikking aan; e.e.a. komt overeen met DH. hier loopt de duivel al kleiner wordend vooruit alsof hij steeds dieper in het water loopt en rilt e.d.

dan synse van al haer plaaghen af,
by myn hebbense in de hell’ haer graf.
Adam en Eva heb ick oock bedroghen,
hebse listichlyck iet voorgelooghen,
datse overtraden gods gebodt
en aten dat god verboden hat.
‘t Is regt, ‘t is regt, sulcke fruyt
en gheef ick niet om een duyt;

D en DH: vals listig, en al naar achter lopend en omkijkend naar het publiek

hadden Adam en Eva pruymedanten genoomen,
‘t waerse duysent mael beter becomen!

Duivel weer achter boom/idem.
Alleen Dornach: hij pakt het zwaard en geeft dit aan God. Die staat opzij van de troon.
DH: God neemt plaats op de troon.

Adam komt met Eva hand in hand in gedrukte stemming van achter de boom naar voren. Adam en Eva komen langzaam wandelend links van de boom wat naar voren.

Adam spreeckt:

Ach, myn gemoet is gansch verwandelt!
O vrouw, seer qualyck heb ik gehandeld
Eva schrikt

deur dien ick volleghde u raet.
Het bloote swaert nu voor my staet;
DH: duivel staat met zwaard omhoog achter Adam, ook al staat er in de tekst ‘voor’ – het zou om een visioen gaan.

D: heft de handen en kijkt naar zichzelf; Eva kijkt verbaasd naar hem
ick sien my naekend en oock bloot,
o Eva, onse sonde is also groot.

Hij pakt Eva bij de schouder en wil met haar naar de boom – (die in Dornach veel meer naar links op het toneel staat.) DH: weer naar links van de boom terug. Ze moeten de indruk wekken te willen vluchten; dan roept God 

God de Heer spreeckt:

God staat opzij van de troon/DH: hij zit

Waer syt ghy Adam, coomt tot my.

Adam spreeckt:

D: Adam heeft zich angstig achter de boom verstopt en antwoordt aarzelend, bedeesd. Hij komt schoorvoetend aangelopen

Hier ben ick heer,
lek schaem my voor u ooghen seer.

God de Heer spreeckt:

Wat schaemt ghy u?

Adam spreeckt:

Omdat ik at
Wat ghy, o heer, verboden hadt.

God de Heer spreeckt:

En waent ghy Adam, durft ghy hopen
dat ghy u straffe sult ontloopen.
of dat ghy u vergryp niet boet?
wie gaf u, Adam, d’euvelen moet?

D: Adam komt tevoorschijn, bevend.

Adam spreeckt:

Adam wel schuldbewust, maar ook wel enigszins opgelucht:

Och heer, ick sweer u by myn trou,
Eva, die ghy my gaeft tot vrouw,
die gaf my van den boom te eten:
ick en hadde my waerlyck niet vermeten.
Een schoonen appel pluckte sy
en beet er in, – ick stond er by –
soo overtradt sy u gebodt
en met coomt ghy daer aen, heer god.

God de Heer spreeckt:

Waer is de vrouw die sulckx misdeed?

Adam wijst naar Eva die bij de boom staat/idem

Adam spreeckt:

Ginds by dien boom, heer, dattic weet.

Eva die zich nog meer verstoppen wil, wordt nu door Adam gehaald, haar naar voren ‘duwend’, terwijl zij hevig tegenstribbelt en begint te huilen.

God de Heer spreeckt:

GT (tot Eva) Wat is dit dat ghy hebt gedaen?

Eva spreeckt:

Snikkend

De boose slangh, heer, dreef my aen
met haer bedrogh, soolang tot dat
‘k van de verboden vrughten at.
Heer, voortaan doenme wat ghy seght.
Dornach heedt hier een ontkennende zin, waarbij Eva ‘nee’ schudt.

Ze loopt links naar voren, vóór Adam langs en komt links van hem te staan

Godt de Heer spreeckt:

Waer syt ghy Gabriël myn knegt?
Dornach: Eva huilt en Adam kijkt dom, verbaasd. De engel staat op. Engel loopt naar troon

Coomt haestelyck hier opdat ghy hoort
myn goddelycken wil en woordt:
Engel loopt naar troon en gaat links staan 

Adam en Eva sult ghy heden
verjaghen uyt den hof van Eden.
Op ‘Eden’ geeft de duivel het zwaard aan God

Dryft met myn blinkend swaert hen uyt,
de poort, die ick voor eeuwich sluyt.
Hij geeft het zwaard aan Gabriël.

Dornach: lied nr. 7 wordt 2x achter elkaar gezongen. Engel, God en duivel maken een ommegang over het toneel, Adam en Eva blijven staan en zingen niet mee. De engel houdt het zwaard schuin omhoog.

DH: de spelers blijven tijdens het zingen van lied 7 (1x) op hun plaats; de engel heeft het zwaard niet omhoog, maar voor zich staand, punt even boven de vloer.

Kompany singht:

Toen joegh de engel Gabriël
hen uyten hof nae gods bevel.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.

Engel spreeckt:

Dornach: de engel spreekt tot het publiek met opgeheven zwaard:

DH: zwaard nog naar beneden

lck heb ontfangen een gebodt
al van den allerhoochsten god
dat ick Adam en Eva heden
verjaghe uyten hof van Eden.

GT De engel buigt met het swaert tot Adam en Eva

DH: het zwaard is nog iets schuin omhoog

Soo gaet dan henen voor altyt,
Adem en Eva buigen hoofd

bebouwt het veldt met noeste vlyt!
int zweet uws aanschyns eet u broot kleine pauze

De engel draait het zwaard van links schuin omhoog een kwartslag naar voren en loopt krachtig op Adam en Eva af, het zwaard vanuit het polsgewricht bewegend:
A.h.w. vanuiit de draai een prikkende beweging.

Adam
Hij kijkt op/hij hoort het geschrokken aan en wist het zweet van ziojn voorhoofd

– en kleine paueze Eva  idem, zwaard met zwaai boven het hoofd [ik denk A/B] zij kijkt op

ghy met noot

draegt uwe kinders ondert harte,
slag in de richting van Eva

vermenichvuldigt sy u smarte.
Engel neemt het zwaard terug:

 

Eva spreeckt:

Snikkend/stap naar voren, met armen omhoog in wanhoop, maar niet pathetisch

Wee ons, die arme vrouwen
moetent om my berouwen!

Wendt zich tot Adam

alsnu tmoet syn, soo sullenme ‘t waaghen
ons immer nae gods leer gedraaghen
en bidden dat hy ons behoed.

Adam spreeckt:

Coomt maer by my, myn Eva soet!
Adam legt een arm om Eva’s schouder/idem en leidt haar wat opzij/idem

Heel innig:
Myn god, wanneer roept ghy ons wéér?
och, laet ons niet lang wachten, heer!

Engel spreeckt:

Soo gaet en uyt den hove treet;
De  engel zet weer een ferme pas naar voren en brengt het zwaard horizontaal (E)

in de aanwijzing staat dat het zwaard tot die tijd zo schuin naar de grond wees en nu omhoog komt,

DH: met het naar voren gerichte zwaard loopt de engel rimisch schrijdend op de woorden naar links en drijft Adam en Eva weg die eveneens ritmisch schuin naar voren lopen, maar niet te ver, want de duivel moet er nog omheen kunnen.

tot ick u langsaem wederkeeren heet.

De engel neemt het zwaard terug en zet dit voor zich met de punt naar beneden:

Eva spreeckt:

lek bid, heer god, verlaet my niet nae desen.

Engel spreeckt:

Eva, wilt sonder twyfel wesen!
u man volght nae, sorght voor u kind daerneven,
Soo sal god u de sonden àl vergheven.

Nu schreidt de engel met afwerend gestrekt zwaard langzaam naar voren, God en de duivel sluiten aan en lopen over het toneel, zingen het couplet  van lied 82x , Adam en Eva blijven staan, zingend. DH: allen blijven op dezelfde plaats, Godvader is gaan staan, engel: zwaard naar beneden. Couplet 1x.

Kompany singht:

lied 8

Soo joegh de engel Gabriël
hen uyten hof nae gods bevel.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.

DH:Daarna engel terug naar bank; Adam en Eva wandelen wat naar links.Godvader gaat weer zitten; Na de ommegang gaat Godvader weer op de troon zitten. De duivel komt naar voren.

Duyvel spreeckt:

zie 3-5 nog niet oproepbaar.

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’
Dit deel (4): de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelenalle artikelen

.

1942

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Paradijsspel- regie-aanwijzingen (3-3)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Dit deel (3)Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

Vanaf na lied 4 de verleidingsscène met de duivel tot aan Adam ‘Ach myn gemoet’

Na het laatste couplet van lied 4 – de 3 coupletten werden op het toneel gelopen, is de opstelling zo:

Dornach: na het 3e couplet gaan god en de engel naar hun plaats, de duivel helemaal naar voren. Adam en Eva wandelen hand in hand door het paradijs en laten elkaar de mooie vruchten en bomen zien.

DH. de duivel staat na het 3e couplet weer achter de boom, maar komt naar voren; Adam en Eva: zie Dornach

Duivel:
Kijkt voortdurend fel naar het publiek.
DH: De Haagse muziekleraar Willem Bruning was van mening dat de duivel – die 3x verschijnt, de 1e keer, dus hier – opkomt in een soort S-vorm.

Duyvel spreeckt:

lek come in het paradys
geslopen al nae der slanghe wys.
God schiep temet een menschenpaer,
hy cierde het soo wonderbaer
en settet in syn schoon plantsoen:

sluw:
maar ick sal sien of ‘k se daer uyt can doen
Dies coom ick in het paradys
en maek datse eten van de spys.
Hoe, sullense alle vrughten smaeken,
en aen die ééne boom niet raeken?

Duivel benadert Adam en Eva links en iets achter hen

In Dornach plukt de duivel hier geen appel, in DH wél

Adam, proeft van het sap soo ryck,
soo wort ghy aen u god gelyck.

Dornach en DH: Adam weert het verschrikt af

Ghy, rozige Eva, neemt gerust
dees appel, eet nae hartelust
en gheeft ervan aen Adam oock.

Idem Eva weer het af

God en de engel gaan staan; duivel weer achter boom
De kompany zingt. Dornach: Adam en Eva niet

Kompany singht:

Lied 5:

Toen pluckte sy den appel af
en Eva dien te eten gaf.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

Idem: Eva staat in gedachten verzonken naar de boom te kijken; dan richt ze zich tot Adam:

Eva spreeckt:

Eva spreekt zo vloeiend als maar kan, wat sanguinisch; ze constateert voor haar vreemde feiten.

Siet hier Adam, ick ben u vrouw
en ghy myn man. lek bid, beschouw
die schoonste daer van alle boomen
daervan ick gheen vrught noyt heb genoomen.
Het lust my, voort er van te eten.

Zij gaat naar de boom. Adam probeert haar met alle kracht tegen te houden. Ondertussen heeft de duivel aan de andere kant een appel geplukt en geeft deze op een listige manier aan Eva. Adam laat zijn afkeer blijken, Zij kijkt een ogenblik naar de appel, dan bijt ze er met graagte in, DH idem

Adam, wilt ghy de waarheidt weten,
dit is de allerbeste spys.

klopt op haar buik, heeft de appel in de linkerhand en biedt deze aan Adam aan; idem: die kijkt verschrikt

Hier, neemt hem aen en proeft ereis
idem: Adam weert af

als ghy my mint.
Adam strijkt over haar wang idem en knikt

Het is een lust
dit sap te smaeken. Eet gerust!

idem Adam kijkt lang twijfelend naar de appel die Eva aanbiedt

Adam spreeckt:

Soo het aen my lag, syde ick neen,
soo ick eet, isset om u alleen.

Adam bijt in de appel. Op hetzelfde ogenblik wordt de tot nog toe vriendelijk-heldere belichting donker. Adam laat de appel vallen – ook – smijt hem weg en zijn gezichtsuitdrukking toont dat er een heel bijzondere werking vanuit gaat. Hij houdt zijn maag vast. Eva kijkt verbaasd toe:
DH:zelfde, geen aanwijzing voor maagaanraking: op het ogenblik dast Adeam bijt, springt de duivel op.

Adam byt in den appel en smyt hem wegh

Ach, hoe dat ‘t myn gemoet verwandelt….

De kompany gaat in Dornach over het toneel; in DH blijft deze staan.

Kompany singht:

1. Sy gaf oock haeren man met haer,
geopend wird hem ‘t ooghenpaer.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

DH: tijdens 2e couplet gaan Adam en Eva achter de boom (tussen de bomen)

2. Sy aten en in de eigen stond
wierd heel de waerelt met verwond.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

.
Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 (Adam erkent); schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘(Nu leefden se’.)
Dit deel (3)Na lied nr 4: ‘Al nae der slanghe wijze’: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

Vervolg Paradijsspel nog niet oproepbaar

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelenalle artikelen

.

1941

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sint-Maarten – het lichtje

.
Over de symboliek van de lantaarn

Het dichtst bij de symboliek van de ‘lichtjesdrager’ – het Ik van de mens – staat voor het fysieke, aardse lichaam: de koolraap.

In het spraakgebruik ook wel ‘knol’ genoemd, maar niet te verwarren met de knolraap. 

Kijk hier voor het exacte verschil.

In aanmerking komt ook de suikerbiet, een selderijknol, als het om het benadrukken van het aardse element gaat.

Voor peuters en kleuters die als wezentje nog niet zó aards zijn, wordt wel gekozen voor de pompoen of de rode winterpeen, zelfs een rode biet, als er maar een lichtje in past.

Vanaf klas 1 gaat het echt om de ‘knol’.

Wanneer de oudere kinderen niet meer mee willen lopen, kunnen zij juist uitgedaagd worden een kunstwerk te leveren door een knol of een pompoen te bewerken die dan bijv. in school of buiten kan staan om het Sint-Maartensfeest sfeervol-kunstzinnig op te luisteren. 

St.-Maarten 26

Het versieren, dus wegsnijden van de materie zodat het licht naar buiten kan stralen, is een wezenlijk onderdeel: hoe mooi en kunstzinnig kun je dat.

Het is net als met eieren beschilderen: je hebt beginners en gevorderden.

Het is al geslaagd als je je licht kan laten schijnen!

Op deze blog staan verschillende artikelen over Sint-Maarten waarin over het lantaarntje gesproken wordt.
Ik heb hier de voornaamste conclusies nog eens op een rij gezet:

Een knol of grote winterpeen wordt uit­gehold. Van deze vrucht, tot wasdom geko­men in de donkere aarde, wordt de buiten­kant, de huid of schil, bewerkt zodat de uit­gesneden zon, maan en sterren transparant oplichten door het licht van het kaarsje dat er binnenin is geplaatst.
Sint-Maarten [1]

Een kaarsje in een uit­geholde koolraap of peen werpt de fi­guurtjes die daarin zijn uitgesneden flakkerend in het rond.
Sint-Maarten [2]

De oudere kinderen lepelen zorgzaam een voeder­biet uit of een koolraap. Mooie sterfi­guren worden erin uitgesneden, en het lichtje daarbinnen maakt die harde knol ineens doorschijnend en stralend, zodat je er steeds weer naar kijken moet. Als het op 11 november waaierig en regenachtig weer is, dan beleef je het sintmaartensfeest het beste. Want dan kost het de meesten moeite om dat kleine lichtje in je lantaren brandende te houden!
Sint-Maarten [3]

Het beeld van de uitgeholde voederbiet met een lichtje erin sluit aan bij de stemming en kwaliteit van de novembertijd. Diep verborgen in de aarde, in de kern van een biet, wordt gewezen op een teer licht dat voorzichtig behoed moet worden waar een kiemachtige verwachting van uitgaat.
Sint-Maarten [4]

Het kleine lichtje, vei­lig beschermd door de knol als symbool van de aarde, is een eerste voorverkondiging van het licht dat met Kerst wordt geboren. Vroeger hingen de boeren op elf november een uitgeholde knol met een kaarslichtje erin aan de staldeur, als teken dat het werk op het land klaar was. Het graan was binnen, de slacht gedaan en het winterkoren was gezaaid. Op elf november moest de boer klaar zijn met de aarde. Hij had de vruchten ervan ge­nomen (het uithollen van de knol); het licht­je in de knol wilde zeggen dat de tijd was aangebroken om in de donkere maanden het licht niet langer buiten je te zoeken, maar in het eigen innerlijk.
Sint-Maarten [6]

Maar die er zijn, zijn een bewijs voor een veelheid aan opgespaard zonlicht en warmte, veilig opgeborgen onder de geelgroene schil. Wat doen we ermee? In de tijd van verinnerlijking, als we allemaal de mantel nog eens ste­vig om de schouders slaan, om warm te blijven, zoeken we ruimte om ons eigen innerlijke licht, onze innerlijke warmte te doen ontwikkelen en te koesteren, opdat we als het moment daar is, met een ander kunnen delen. Waar anders kunnen we dat beter doen dan in een koolraap, waarvan de schil zelf al dienst doet als mantel, als om­hulsel voor opgespaarde warmte. We halen het zonlicht er uit, door hem uit te hollen en stoppen ons lichtje erin. Bij het uithollen hebben we er rekening mee ge­houden, dat het licht door de schil heen naar buiten kan stralen, zodat anderen ons kunnen zien en er van mee genieten. We zijn als ‘t ware een lichtend voorbeeld. Daarom lopen we er, al zingende, mee rond en kloppen op iedere deur.
Sint-Maarten [8]

Het meest karakteristieke van de oude maartensgebruiken is het uithollen van een koolraap, een suikerbiet of een hoornse wor­tel. Hierin wordt een brandende kaars of lichtje geplaatst en daarmee wordt, onder het zingen van vele liederen, ’s avonds een ommegang gehouden.
Sint-Maarten [9]

Op het feest van Sint-Maarten lopen de kinderen met hun zelfgemaakte lichtjes langs de deur. Knollen en wortels, die in de duisternis van de aarde zijn ge­groeid, worden hiervoor uitgehold en in het buitenste laagje van de wand worden zon, maan en sterren, de lichtdragers aan de hemel, uitgesneden.
Sint-Maarten [10]

Dan komt aan het begin van de winter ons  St.-Maartensfeest: knollen en wortelen wor­den uitgehold om er lantarens van te maken. Met een lichtje erin zie je pas goed, hoe ook in deze aardvruchten het zonlicht verborgen zit. Dit is ons eerste kleine lichtje aan het begin van de wintertijd. Met onze lantarens lopen we buiten in regen en storm, zingend van St.-Maarten.
Sint-Maarten [14]

Is het niet zo, dat we pas echt de vreugde leren kennen,  die het warme licht­schijnsel geeft door de doffe, massieve wand van de kool heen, wanneer we zelf de moeite en beproevingen hebben doorstaan bij het uithollen van de vrucht tot maartenslampje?
Sint-Maarten [15]

Zowel de grote verering, als ook de oude volksrijmen en gebruiken op Sint-Maarten zijn erg uitgebreid. Het meest karakteristieke van de oude maartensgebruiken zijn het uithollen van koolrapen, suikerbiet of wortel.
Sint-Maarten [16]

De kinderen brengen lichtjes in donkere, duistere gewassen, zoals koolraap, winterpeen en suikerbiet en gaan daarmee zingend door de straten:
Sint-Maarten [17]

Met Sint-Maarten holden we de mooiste goudgele uit, net zoals een koolraap met een scherp mesje en een lepel. Natuurlijk is het beeld van de knol uit de grond als lichtje juister dan van de pompoen, die boven de grond groeit, maar ik denk dat je zulke dingen best naast elkaar kunt hanteren.
Toen ik een paar mensen onder de optocht tegen elkaar daarover hoorde kibbelen, leek me dat nog allerminst de bedoeling! ‘O, een pompoen, dat kan niet, hoor!’ De ander geschokt: ‘Waarom niet?’  ‘Hij komt toch niet uit het donker van de aarde?’ De ander (inmiddels hersteld): ‘Nee, hij toont de zonnekracht, ook goed?’
Sint-Maarten [18]

De donkere uitgeholde koolrapen of winterpenen worden van binnenuit verlicht door een vonk van het vuur, dat eens uit de hemel kwam om ons mensen warmte en licht te brengen. Maar het vlammetje kan alleen blijven leven als er een opening is naar boven toe, naar het rijk van de sterren.
Sint-Maarten [19]

Ook dit jaar* zullen op 11 november de knollen weer uitgehold worden. We halen er het vruchtvlees uit, dat gerijpt werd door de zomerzon en plaatsen er ons lichtje in, ons eigen zielenlicht. Dit ritueel heeft zoveel waarde als je beseft hoe wezenlijk dit lichtje is.
Als de kinderen in de optocht door de straten lopen, merken ze hoe moeilijk het kan zijn om je lichtje brandende te houden. Vaak waait het, soms regent het, soms ook loop je te hard. Het beste is om dicht bij elkaar te lopen om licht en warmte bij ons te kunnen houden.
Sint-Maarten [22]

.

Sint-Maarten: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Sint-Maarten     jaartafel

.
1940

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (15) – over de mieren

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 116                                                                                                   hoofdstuk 15

Over de mieren

 

Allereerst gaan we het hebben over het leven van de zwart-bruine bosmieren. Die heeft iedereen weleens gezien. Hun woning is een grote mierenhoop, die het volk van dennen- of sparrennaalden, stukjes hout en steentjes zelf verzameld heeft. Wanneer het zonnig en warm weer is, zie je de bewoners gehaast naar binnen en naar buiten gaan. Schijnbaar doelloos lopen ze druk heen en weer en rennen kriskras door elkaar. ’s Nachts echter en bij niet zo’n lekker weer, blijven de ingangen gesloten. Die hebben de mieren dichtgemaakt; maar wie kan nu weten, wat daarbinnen in die vele kamertjes gebeurt.
De opgeworpen heuvel is zeer zeker niet de hele mierenbehuizing. Die gaat onder de grond verder en je zou kunnen zeggen, dat maar de helft boven de grond uitkomt. De andere helft is in de aarde uitgegraven. Daardoor kunnen de mieren én de vochtigheid én de warmte daarvan binnen regelen, d.w.z. ze kunnen het broedsel steeds daarheen brengen, waar het het beste is. Mieren zijn namelijk heel ijverige, zorgzame en trouwe verzorgers van het broedsel.
Bij iedere mierenhoop hoort ook een jachtterrein. Wanneer bewoners van andere volken daarin komen, worden ze meteen herkend aan een andere nestgeur, aangevallen en opgevreten. Zo vijandig kunnen de ijverige mieren zich tegen huns gelijken gedragen! Er zijn zelfs roofzuchtige soorten die regelrechte rooftochten naar andere volken ondernemen!
Om het heen en weer snellen ongehinderd en snel te kunnen laten verlopen, worden de weggetjes vanaf het nest naar de jachtterreinen als regel heel bijzonder aangelegd. Het zijn de mierenstraten. Je kan zien dat ze geëffend zijn en de hindernissen zijn opgeruimd. Zelfs plantjes mogen er niet groeien. Wat een komen en gaan op warme zomerdagen! Vele werksters komen zwaar beladen terug, maar geen enkele gunt zich rust. Hoe ze in de weer zijn en maar slepen, deze daadkrachtige mieren! Is het voor één mier te zwaar, dan helpen andere mee. Wat een leven waarbij ieder alleen maar door de drang bezield is, werk te verrichten, om het even wie het doet!
Dat is de gewoonte bij het mierenvolk en alleen zo kunnen de vele wonderlijke dingen uitgevoerd worden.
Maar wat doen ze daar dan, wat voeren ze in die wijde wereld uit, de kriebel- en krabbelaars? Ze moeten voor zichzelf en voor het broedsel voedsel buit maken en wegslepen. Daarbij is hun geen weg te zwaar, geen boom een bezwaar. Ze hebben scherpe klauwtjes aan hun sterke pootjes! Wat hun voedsel betreft, zijn ze niet kieskeurig, als ze de prooi maar kunnen overmeesteren. Ze houden heel erg van zoetigheid en ze stellen geen vragen waar dat vandaan komt. En om te snoepen dringen ze zelfs de huizen van de mensen binnen.
De bosmieren houden het bij de bladluizen die een zoet sap afscheiden; ze betasten en betrommelen die met hun voelsprieten om zo de afscheiding te stimuleren.
De rode tuinmieren slepen zelfs zulke bladluizen in hun woning en geven ze daar ook in de winter onderdak, In de zomer worden ze dan weer naar buiten gebracht, maar alleen als het zonnig en warm is. Bij slecht weer moeten ze binnen blijven.
Maar er zijn genoeg snoepers die op hun beurt achter de mieren aanzitten. Zo’n gevaarlijke vreetzak is de specht die heel erg in de mierenwoningen huis kan houden. Andere ijverige mierenvreters zijn de zwaluwen, roodstaarten en vele vogels die insecten eten, verder libellen, hagedissen, kikkers en padden. Wanneer je echter bedenkt dat het volk van een mierenhoop uit honderdduizenden mieren kan bestaan, hoef je je niet al te veel zorgen te maken om hun voortbestaan. Anders had de natuur wellicht de mierenvreters hun 
niet dat voedsel toebedeeld.
Wanneer mieren gestoord worden of geïrriteerd raken, dan verweren ze zich dapper. Veel soorten hebben een gifangel, andere daarentegen, zoals de bosmieren, spuiten vanuit een klier aan het achterlijf dat weliswaar kruidig ruikende, maar etsende gif, het mierenzuur en delen tegelijkertijd aan de tegenstander met hun kaken beten uit. Het achterlijf heeft namelijk zo’n spitse punt dat die makkelijk naar voren gedraaid kan worden. Daardoor raakt het gif de bijtwond. Wie op de heuvel van de bosmieren slaat, kan de straal ook op z’n vlakke hand laten spuiten en dan kun je het sterke zuur ruiken. En wie een bijzonder goede neus heeft, zou de plaatsen in het bos, waar veel mieren rondkruipen, eveneens aan hun vluchtige geur kunnen herkennen. Maar, om net als de mieren aan de geur te kunnen ruiken bij welk volk het hoort, is wellicht voor een mens te veel gevraagd.
Voor het bos echter, is het van het allergrootste belang, dat er mieren huizen, niet alleen maar omdat ze zoveel ongedierte opvreten, maar omdat de fijne mierengeur, de allerfijnste, bomen, struiken, maar ook kruiden stimuleert gezond te groeien. Ja, het bos heeft sterk behoefte aan mieren en hun geur maakt het sterk. Hoe zou het zijn als het bos beroofd zou worden van zijn mieren!

Mieren zijn ook bezig als tuinlieden, natuurlijk zonder dat ze dit willen. Ze slepen in hun huizen de zaadjes van de ereprijs, van het zwartkoren, van het viooltje, de dovenetel en zelfs van het sneeuwklokje, omdat er voedselrijke deeltjes aan zitten. Wat ze niet kunnen verteren, brengen ze weer naar buiten. De zaadjes echter, hebben er niet het minste nadeel van ondervonden en kiemen waar ze gevallen zijn. Zo vind je dus vaak plantjes die door de mieren zelf op hun paden zijn gezaaid en wij kunnen niet verklaren wie dat daar heeft gedaan. Zelfs de tuinlieden niet.
Op een mooie zomerdag valt er over het mierenvolk grote opwinding en onrust. Alles rent in het bouwwerk door elkaar heen en aan de oppervlakte komen massa’s gevleugelde mieren tevoorschijn, waarvan niemand van tevoren wist dat die er überhaupt waren, want ze zijn pas net uit het poppenomhulsel gekropen. Het zijn de mannelijke mieren van het volk en bovendien een paar koninginnen. Die hebben niet alleen vleugels, maar zijn ook groter dan de werksters. Weldra gaat de hele zwerm de lucht in en als een wolk draaien ze om de bomen en nog hoger. Dat is de bruidsvlucht van het mierenvolk. Dan voeren de volken geen oorlog, ze gaan in elkaar op en vermengen zich met elkaar. Dat wil de ziel van de mieren, want op deze dag gelden andere wetten.
Wanneer de zwerm moe is van de vlucht, de enige in zijn leven, valt die naar de aarde terug. Dan is het korte leven van de mannetjes al klaar en ze sterven. Je kan ze overal in massa’s zien liggen en voor vele mierenvreters is het een goede dag. Bij de koninginnen breken alleen de vleugels af en nu gaat het erom in het bouwwerk onder de aarde ijverig eieren te leggen, als het mogelijk is jarenlang. Werksters wachten er al op, een koningin beet te pakken en naar huis te dragen. Zelden gebeurt het dat er een jonge koningin in een nest terecht komt, waar ze zelf uitkomt. Zo kunnen de volken dus vermengd raken en die koninginnen die nog geen volk hebben, moeten met de eerste werksters die uit de eieren komen, er een stichten. Maar ook vele koninginnen gaan ten gronde.
De bruidsvlucht was de bloeitijd van het mierenvolk. Nu begint het rennen en slepen weer, verzorgen en schoonhouden, het alledaagse leven.
De koningin woont natuurlijk in een bijzondere kamer in het huis waar veel doolhoven, holletjes en tunnels zijn. Omdat ze maar één opdracht heeft – het leggen van eieren voor het hele volk – want werksters zijn de onvruchtbare vrouwtjes – moet ze verzorgd worden, schoongehouden, ja zelfs gevoerd worden. Omdat met de tijd de eierenvoorraad groter wordt, zwelt haar achterlijf dik op en dat maakt dat ze moeilijk kan bewegen. Maar het lijkt erop dat alle werksters weten, hoe belangrijk haar werk voor het volk is.
De eieren worden meteen bij de koningin weggehaald en weggedragen naar een plek waar ze optimaal kunnen groeien. Ze worden weliswaar niet uitgebroed, maar de mierenhoop heeft binnen een temperatuur die 10 tot 15 graden hoger is dan de buitentemperatuur. Waarschijnlijk wordt die veroorzaakt door broeiende planten, want mieren zelf zijn koudbloedige dieren. Ja, dat is toch wel een geheim, dat de hele mierenhoop bijna een soort warmte heeft als bloed.
Wanneer dan uiteindelijk de witte, bloedloze maden uit het ei komen, moet er pas echt voor ze gezorgd worden. De werksters voeren ze vanuit hun eigen bek, zoals duiven hun jongen te eten geven, wrijven ze ijverig schoon en dragen ze weg naar een plek waar ze qua vochtigheid en warmte het best gedijen. Om het broedsel te kunnen voeden, moeten de werksters natuurlijk zelf eerst ontelbaar veel rupsen en kevers, vliegen, pissebedden en larven doodmaken>
Op zekere dag komt aan de vreetlust van de larven een eind en wanneer elk zich omwikkeld heeft met een cocon, begint de rust van de poppen. Maar de zorg van de werksters mag nog niet stoppen.
Opnieuw betekent dit de poppen naar de juiste plaats te brengen waar ze zich het beste verder kunnen ontwikkelen. Meestal worden deze poppen miereneieren genoemd, hoewel ze allang geen ei meer zijn. 
Bij het uit het ei komen, moeten de werksters weer helpen, We zien dus, dat zij, ook al kunnen ze geen eieren leggen, erg veel moeten presteren voor het voortbestaan van het volk. De hulp bij het uitkomen is de laatste.
In de winter staat het leven van het mierenvolk volledig stil. Het volk bevindt zich in verstarde rust en alleen de zonnewarmte van de lente wekt ze daaruit. Weldra is het oude leven dan weer op gang en alles wordt al weer in gereedheid gebracht voor een nieuwe bruidsvlucht.

Overal ter wereld zijn mieren en in bijna alle klimaten. Hun leven, doen en laten, kan daar nog veel wonderbaarlijker zijn dan bij ons. En ze werpen beslist niet overal hopen op. Vele leven simpelweg in aardspleten en onder stenen, andere benutten holtes in boomstammen of bouwen nesten van papier. Zoveel variatie is er mogelijk.
Maar ook anderszins is er nogal veel merkwaardigs.
Onder bepaalde soorten komen werksters voor met bijzonder grote en harde koppen. Zij nemen de taak van de poortwachters over en kunnen de ingang tot het bouwwerk zo versperren dat alleen nog de gevaarlijke kaken naar buiten steken.
Bij andere volken bestaan er bijzondere ‘soldaten’, die groter, sterker en weerbaarder zijn dan de gewone werksters.
Wanneer ze een rooftocht houden, gaan zij snel voor het volk uit, overvallen de buit en maken die kleiner, zodat de werksters die naar huis kunnen brengen.
Bij de Amerkaanse honingpotmier moeten een aantal werksters zich voor iets bijzonders opofferen. Ze worden nl. als levende honingpotten gebruikt. In bijzondere kamertjes hangen ze aan het plafond bij elkaar en worden ze rijkelijk met honing en zoet sap gevoerd. Omdat er maar een klein deel van het voedsel dat naar binnen is gegaan, verteerd kan worden, wordt het meeste opgeslagen in het achterlijf, dat mettertijd opzwelt tot een blaas zo groot als een erwt. In tijden van nood kan daar een heel volk van leven. Dan moeten de ‘honingpotten’ hun voorraad weer afgeven. Dat er voorraden opgeslagen worden, kan ook steeds wel bij andere mierensoorten voorkomen, zoals bij de oogstmieren, die graan verzamelen – maar dat werksters ook als voorraadkamer moeten dienen, is toch wel heel merkwaardig.
Sommige roofmieren breken in bij woningen van vreemde volken om hun larven te stelen, maar niet om die op te vreten, maar om ze naar huis te slepen en daar te gebruiken voor de dienstverlening, zodra ze uitgekomen zijn. Gewillig en ijverig wordt door de slaven het werk gedaan: schoonmaken van de gangen, het broedsel reinigen en de verzorging daarvan.
Sommige mierensoorten zijn zo zeer aangewezen op deze vreemde hulp, dat ze zonder, zouden moeten verhongeren, omdat ze dan niet meer zouden kunnen vreten. Het voedsel moet hun in de mond gestopt worden.
Bij de onderzoekers is het al lang bekend, dat vele mieren in hun bouwsels bepaalde insectensoorten niet alleen dulden, maar ze er ook graag bij hebben en hen toestaan het meegebrachte voedsel uit de bek te laten halen. Op hun beurt scheiden deze gasten wel weer een zoet sap uit, dat door de mieren maar al te graag als een toetje opgeslurpt wordt. Zo krijgen de mieren het voor elkaar een soort genotmiddel te verkrijgen.
Maar hiermee heb je het met de wonderen van de mieren nog niet gehad. Sommige volken houden namelijk, zoals je misschien vergelijkswijze mag zeggen, er een soort tuinbouw op na. Dat zijn de Zuid-Amerikaanse bladsnijdermieren. Met hun kaken bijten ze stukjes van een blad af en maken dat thuis heel klein tot een soort weke brij. Daarmee leggen de mieren perken aan die vrijwel meteen door paddenstoelenkiemen bezaaid worden. De paddenstoel lijkt op een schimmel, maar brengt kleine, voedselrijke knopjes tevoorschijn die voor de mieren een heel welkome spijs betekent.
Er zit zoveel wijsheid in de leefgewoonten van deze nietige mieren, waar de mier op zich toch heel zeker niet het allerminst van kan denken en weten. En toch weet iedere mier precies wat hij moet doen.
Nog wonderbaarlijker dan alles wat tot nog toe beschreven is, zijn de nesten van de wevermieren. Deze mieren gebruiken hun eigen larven als weefgetouw en tegelijkertijd als schietspoel. Het thuisland van deze bijzondere soorten is het eiland Sri Lanka. De woning wordt gevormd door bladeren, die nog aan de boom bij elkaar gebogen worden. Door een fijn, zijdeachtig weefsel wordt alles verbonden. Om de bladeren dan bij elkaar te krijgen, moeten heel veel mieren samenwerken. Naar gelang hoe ver het naar het volgende blad is, moeten verschillende rijen over elkaar heen klimmen. De bovenste mieren houden zich met de pootjes aan de onderste vast. Dan gaat het samentrekken van de bladeren met rukjes zoals in de maat.
Om de bladeren uiteindelijk met elkaar te kunnen verbinden, hebben andere mieren al larven gebracht die net wilden beginnen met het spinnen van een cocon. Omdat ze heel grote spinklieren hebben, kunnen ze nu door de mieren gebruikt worden als weefgetouw en schietklos. Eerst worden ze tegen de rand van een blad gedrukt om daar de draad vast te lijmen, die wordt naar het andere blas getrokken en daar vastgemaakt. Zo gaat het heen en weer, tot de draad een dicht vlechtwerk vormt. 
Het nest dat klaar is, dat zo uit vele verbonden bladeren bestaat, is drie centmeter groot. De onderzoekers die het zagen ontstaan, waren natuurlijk zeer verbaasd dat hier een mier haar eigen larven zo gebruikt, zoals werd beschreven en er bestaat in de hele dierenwereld niet iets anders wat hiermee te vergelijken is.

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1939

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Paradijsspel – regie-aanwijzingen (3-2)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Dit deel (2): na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

De aanwijzingen in [3-1] werden afgesloten met het weer op het toneel komen tijdens de laatste coupletten van lied nr. 2 ‘Hoe koel schijnt ons de morgen’.

Dornach

De spelers stonden opzij en nemen nu hun plaats in. De boompjesdrager is niet op het toneel, maar staat ‘beneden’.

Den Haag:

DH: Godvader loopt naar de troon en gaat zitten, Adam staat op en gaat schuin links voor de troon staan. God blijft zitten en maakt een gebaar van een wijde ademstroom in de richting van Adam:

GT:

God de Heer spreeckt:

Adam, nu neemt den adem des levens,
dien ghy ontfaet mit deuzen dach

Dornach en DHAdam haalt de zak van zijn gezicht en laat die schuin links achter zich vallen; de duivel komt snel tevoorschijn en vangt de zak op waarmee hij weer achter de boom verdwijnt

Bij de volgende tekst maakt god allerlei gebaren die Adam dromerig nadoet, ‘de mens in de nabootsingsfase’. (Hij ziet godvader niet, dus dit stukje moet goed gerepeteerd worden!)

neemt oock verstant waerdoor ghy leert
dattic u uyt stof heb geformeerd.

Dornach/DH: Op ‘verstant’ wijst Adam met zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd en raakt dit aan.

Soo leef dan. En van stonde af aen
gaet steevast op uw voeten staen!

Dornach: leef dan: Adam beweegt krachtig zijn armen; DH: ademt diep in/uit
‘voeten’: loopt met vaste tred heen en weer; DH: eerst de linker, dan de rechter krachtig stampend op grond.

GT:
Spreeckt op, Adam, en segt my nu,
myn schepping, hoe behaegt sy u?
Verwondert u niet de aarde wyt?
der zonne glans en heerlyckheyt?

Dornach: zonneglans: O-gebaar

en myn gewelfden hemelsboogh?

Dornach: A met de armen:

kleine pauze

‘k Mocht weten, Adam, oft u oogh
mit lust op al dit schoone blickt.

De gemoedsstemming vanwaaruit Adam spreekt is ‘A’; hij heeft nog geen ‘Ik’, naïef, geen volwassenheid

Adam spreeckt:

O heer, hoe wys heeft ‘t al beschickt
u goddelycke majesteyt
Oock myn heeft u almogentheyt
geschaepen soo dat ick erken
hoeck nae u beelt geschaepen ben.
U wil mach volghen t’ allen tyt,
soals ghy myn int herten lyt.

Dornach: raakt zijn hart aan.
De vertaling heeft als volgorde ; erken, hart, volgen: daarin kun je een volgorde zien van denken, voelen, willen. Adam zou die drieledigheid kunnen benadrukken. Op ‘lyt’ buigt Adam.

Ook hier maakt God gebaren die Adam nabootst.

God de Heer spreeckt:

Siet, Adam, veulderhand gediert
dwelc u van myn geschonken wierd.
lck gheef het u in heerschappy,

Adam reageert bevestigend, knikt, trotse, fiere houding

en bergh’ en daelen noch daer by

De armen, weg kijkend, verwondering over vissen

oock het gevogelt van den hemel,
der visschen spartelend geweemel.

De armen, naar beneden kijken,

‘k Wil met u deelen het bestuur
over de gansche creatuur.

Adam knikt

U woonstee hebt ghy voor altyt
in myn geplanten hof so weydt.
Proef vryelyck van allen boomen
daer van de vrught u wel becoome.
Al wat daer groeyt int paradys
sy u tot kostelycke spys.

DH: over buik wrijven (bij becoome of spijs)

God gaat staan:

Doch wil ick, almachtich god
u gheven één gestrangh gebodt:
Aensiet den boom van goet en quaat,
die ginder in het midden staet.
(de allerbeste, moet ge weten),
daervan en sult ghy nimmer eten.

Adam maakt afwerend gebaar

Ten daghe dat ghy u vermeet
en de verboden boomvrught eet,
de doot voor eeuwich sult ghy smaeken,
ja int verderven plots geraeken.

God maakt daar een krachtig armgebaar en Adam bootst dit nu, zonder te beseffen wat het betekent.

Dornach: schrik in A verbazing

Merckt uyt hetgeen ick u geboot
dat hy, die ‘t leven en de doot u gaf,
het alsoo nemen can.

Adam buigt.

De kompany neemt de oude volgorde aan en gaat door de zaal.

DH: idem

Kompany singht:

Lied 3

1. Adam erkent die alles schiep|
hem selfs en elck dingh int aensyn riep.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

2. Hy schonk hem alde vrughten soet,
begeerlyck voor ‘t oogh, tot spyze goet.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

3. Eén boom des hofs sou hy vermyden
opdat hy niet mogt schaade leyden.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

4. Die boom sou kennen quaat en goet,
God spreeckt: Dit prent in u gemoet.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

5. God nu deet een slaep soo diep
op Adam vallen en hy sliep.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.

6. Hy neemt, als Adam de ooghen sluyt,
syn ribbe en schept een vrouw daeruyt.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

In Dornach neemt men dan de plaatsen weer in: boompjesdrager blijft beneden, Eva staat achter de boom, evenals de duivel; godvader gaat op de troon zitten en Adam komt en knielt voor hem, het hoofd in de handen steunend alsof hij slaapt

DH: op het 4e couplet komt men weer op het toneel; bij het 5e: God nu deet: ieder staat stil; Adam knielt bij troon, op ‘Ja, alles’: kompany loopt verder en gaat naar de plaats, 6e couplet zingend.

Godt de Heer spreeckt:

Dornach: god trekt bij zijn woorden een rib uit Adams lichaan. Dan schrijdt hij achter de boom en neemt Eva bij de hand naar Adam.
Hij trekt een lange rib uit Adams kleding, d.w.z. hij geeft het aan. [markiert es]
De rib heeft vanaf het begin verborgen op de troon gelegen. God moet die nu ongemerkt in zijn handen zien te krijgen.
Eva kijkt nieuwsgierig naar alles.

Noor Gerretsen merkte op dat dit gegeven al heel oud is, dus al vroeg bij het opvoeren van het spel, werd gebruikt. Zij sprak over een grote koeienrib.
Ik heb alleen gezien dat ‘gedaan werd alsof’ (markieren).
Het aanduiden van de grootte van de rib, ging zeker de werkelijke grootte (ver) te boven.

Een ribbe uyt Adams lichaam bouw
ick, hem ter hulpe, tot een vrouw,

God, de rib ‘vasthoudend’ gaat achter de boom en komt met Eva terug:

God tikt Adam op de schouder bij ‘wordt wakker’, waarop Adam zich meteen opricht.

Adam wordt wacker, wilt opstaen,

Adam dromerig verrast.

Hier neemt u ghesellinne aen.

Adam springt op en drukt een grote verbazing uit als hij naar Eva kijkt. Ze staan tegenover elkaar, links en rechts van god.

Sy is geschaepen uyt u lyf,

Adam betast zich

mit u te deelen dit verblyf;
Adam knikt

Sy is temet uyt u gebeent,
Adam kijkt verbaasd naar zijn eigen lichaam.

God heft zegenend zijn handen

dies – hebt haer lief, weest trou vereend.
Adam knikt heftig bevestigend met het hoofd. 

Myn enghel behoede u allerweeghen.
Engel staat op en komt iets naar voren

U volghe staeg myn milde seeghen.
Weest vrugtbaer, u naecomelinghen
vervullen ‘t aerdtryck. Alle dingen
syn u, soo ghy gehoorsaeim syt.

langere pauze

Adam spreeckt:

met overtuiging

Van herten ben ick hiertoe bereydt
o heer, want ghy hebt my gegheven
al creatuur en oock myn leven.

GT Zij buigen tegen elkaar. God de Heer af

Ze buigen. God gaat langzaam naar de achtergrond en gaat bij de engel op de bank zitten. Adam en Eva staan tegenover elkaar en bekijken elkaar. Dan wenkt Adam Eva om naderbij te komen en slaat een arm om haar schouder.

DH: Eva moet alles a.h.w. in het lucht-waterige element houden. (Lemurië) Zeer dromerig en vloeiend.
Adam en Eva wandelen met arm om elkaar heen (om het ongeslachtelijke uit te drukken)
Adam spreekt de woorden van godvader na, zonder eigenlijk te weten wat er bedoeld wordt. Eva bootst hem na.

GT:

Hoe lieffelyck, Eva, op deuse wys
met u te wonen int paradys,
dwelc god de heer ons wilde gheven
om soo vernoegd daerin te leven
van lasten vry. Slechts één gebodt
gaf ons de goedertieren god.

Dornach: en DH kleine pauze; dan tikt Adam Eva op de schouder:

Ei, hoort de blye vogels quelen,
Houden de hand aan het oor en luisteren

siet alom het gedierte spelen;
ze wijzen elkaar beurtelings op de die dieren

tsyn boomen overal,
veulderhand vrughten sonder tal.
daervan te eten met syn beyden,
ze wijzen op de vruchten en wrijven over hun maag

en hoeven maer één boom te meyden.
de beste, die int midden staet.
Adam wijst hem aan

Daer van god niet en eten laet.
Eva schudt nee

Ten daghe dat wy ons vermeten
van de verboden boom te eten,
Eva weert met de hand af

de doot voor eeuwich sulle’me smaeken,
ja, int verderven plots geraeken.
Adam heft waarschuwend zijn vinger; Eva hoort hem geschrokken aan met wijd open mond

Merckt uyt hetgeen ons god geboot
dat hy, die ’t leven en de doot
ons gaf, het alsoo nemen can.
De laatste regel vol betekenis en met de vinger zoals god ook deed

Dornach en DH lied in 3 coupletten over het toneel

De Kompany singht:

Lied 4

1. Nu leefdense vol heerlyckheit;
elck dingh was tot haar dienst bereydt.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

2. Soo dra de duyvel sulcks vernam
hy heimelyck geslopen quam.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

3. Al nae der slanghe wyze
al in den paradyze.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

.

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Dit deel (2): na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

vervolg Paradijsspel nog niet oproepbaar

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelenalle artikelen

.

1938

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL –– Het leerplan – Caroline von Heydebrand (6e klas)

.

Kort na het overlijden van Rudolf Steiner in maart 1925 verscheen voor de eerste keer een schriftelijke weergave van het leerplan van de vrijeschool.
Die werd samengesteld door Caroline von Heydebrand die vanaf het begin in 1919 aan de vrijeschool in Stuttgart was verbonden. Zij had ook de begincursus – GA 293294 en 295 – bijgewoond en de vele lerarenvergaderingen met Rudolf Steiner (GA 300abc). 
In de jaren 1919 – 1925 tekenden zich de contouren van een leerplan af dat nadien in grote lijnen hetzelfde is gebleven.
Dat betekent echter niet dat het ‘achterhaald’ zou zijn. In velerlei opzichten zijn de ideeën nog altijd even verfrissend en laten ruimte voor ontwikkeling.

Caroline von Heydebrand, Mitteilungsblatt, okt. 1925
.

HET SCHOOLKIND VAN HET TWAALFDE JAAR TOT DE PUBERTEIT

Zoals het negende jaar een belangrijke cesuur in het leven van de wordende mens betekent, zo is ook het binnengaan in het twaalfde jaar van een bijzondere betekenis. 
Op deze leeftijd begint het kind zich steeds sterker te verbinden met zijn bottensysteem dan eerder het geval was. 
Het jongere kind beweegt met een vanzelfsprekende gratie door zijn spiersysteem dat gevoed wordt door de ritmische bloedsomloop. Nu neemt de jonge mens bezit van zijn skelet, hij gaat a.h.w.van de spieren via de pezen naar het skelet, zijn bewegingen verliezen het ritme en de bevalligheid, worden hoekig, onbeholpen, willekeurig. Het kind komt in de ‘vlegeljaren’ en weet niet wat het met zijn ledematen moet beginnen.
Maar alles wat in het leven en in de wetenschap moet gehoorzamen aan mechanische wetmatigheden, kan nu zonder nadeel zinvol aan het kind bijgebracht worden daar het zich met zijn geest-zielenwerzen sterker met de mechanica van zijn bottensysteem verbindt. 
Een hele wereld van nieuwe leergebieden gaat in deze tijd voor hem open. 

De zesde klas

[De vakken zijn door mij in alfabetische volgorde gezet]

Aardrijkskunde

Je behandelt de verdere delen van de aarde en gaat uit van het schetsen van de klimatologische verhoudingen van een gebied m.b.t. de kosmos. Om e.e.a. aanschouwelijker te maken wordt er gebruik gemaakt van tekenen, schilderen en boetseren, zodanig dat ieder detail, bv. ook van landkaarten gedragen wordt door een kunstzinnige beleving.

Biologie

Je gaat verder met het bespreken van de plantkunde en dan ga je over op de mineralogie. De mineralen worden echt in samenhang met de aardrijkskunde bekeken en niet losgemaakt van de geologische inbedding. Pas wanneer het kind bv. een levendig-aanschouwelijk beeld heeft van een granietgebergte in tegenstelling tot een kalkgebergte, kun je het het losse graniet en de kalk laten zien.
Om e.e.a. aanschouwelijker te maken wordt er gebruik gemaakt van tekenen, schilderen en boetseren, zodanig dat ieder detail, bv. ook van landkaarten gedragen wordt door een kunstzinnige beleving.

Boetseren

Beschreven als in dienst staand van andere vakken (aardrijkskunde, biologie, geschiedenis)

Euritmie

Het uitwerken van grammaticale vormen wordt verder uitgewerkt. Ook met de pedagogische groepsoefeningen, alliteraties enz. wordt verder gewerkt. Met het oog op het stijver worden van de spieren, worden de staafoefeningen met verve geoefend.  Er kan bij alle oefeningen rekening worden gehouden met dat het kind op een krachtige manier zijn bottensysteem wil gebruiken.
Het incarneren van het geest-zielenwezen van het kind in het harde bottensysteem kan je op een andere manier weer helpend tegemoet komen
door het oefenen van octaafbewegingen in de tooneuritmie. Nu is ook het tijdstip aangebroken waarop je aanvullend bij de tot nog toe geleerde intervalbewegingen, die bewegingen voor de hele toonladder aan het kind aanbiedt, vanaf de priem tot het octaaf. Ook de ruimtevormen voor de aparte tonen van de toonladder worden nu intensief geoefend.
De muzikale opmaat om een driehoek, vierkant in de ruimte om te vormen wordt geoefend. Het meetkundige wordt voor het kind in een nieuwe vorm samengenomen met het muzikale en de spraak.

Geschiedenis

De geschiedenis van de Romeinen wordt behandeld en wat er vanuit de Grieks-Romeinse tijd nog doorwerkt, wordt gevolgd tot in het begin van de vijftiende eeuw. Om e.e.a. aanschouwelijker te maken wordt er gebruik gemaakt van tekenen, schilderen en boetseren, zodanig dat ieder detail, bv. ook van landkaarten gedragen wordt door een kunstzinnige beleving.

Gymnastiek

Oefeningen met toestellen worden nu losgemaakt van het spelelement; door langzamerhand de nadruk te leggen op de precieze uitvoering wordt de weg geopend voor een bewuste lichaamsbeheersing. 
(Stütz =) steunoefeningen die tot nog toe werden vermeden, worden nu op eenvoudige manier, uitgevoerd.
Wat tot nog toe [Duits: ‘reigenartig’ ] was, kringspelachtig? wordt losgelaten. Vooralsnog sterk ritmische oefeningen en met een sterk meetkundige inslag (driehoek met of zonder staaf/stok, vierkant, cirkel). Ritmische sprongen in groepsverband.
Speerwerpen met speren zonder punt. Ver- en hoogspringen.

Handenarbeid

De kinderen maken eenvoudige, praktische voorwerpen en beweeglijk speelgoed van hout. Zowel bij tekenen als bij handenarbeid wek je ook hier het gevoel voor het samengaan van doelmatigheid en schoonheid bij maken van voorwerpen.

Handwerken

Naast poppen en dieren naaien de kinderen gym- of euritmieschoenen. Daarop worden zinvolle patronen geborduurd die het eigen ontwerp van het kind zijn.

Meetkunde

Op basis van het vormtekenen dat al vanaf het begin van de schooltijd werd geoefend, wordt de meetkunde ontwikkeld. De leerlingen leren wat voordien kunstzinnig getekende vormen waren, de driehoek, het vierkant, de cirkel enz. nu ook begrijpen met de meetkundige begrippen.

Muziek

Verder werken aan waarmee begonnen was. Mol-toonladders verder oefenen.

Natuurkunde

Dit schooljaar is het kind pas rijp geworden voor het eerste natuurkundeonderwijs. Ook hier wordt de adequate en heilzame weg bewandeld van het kunstzinnige naar het intellectuele. 
Vanuit het muzikale breng je het kind naar de akoestiek. Je bespreekt ook het strottenhoofd. 
De kleuren waarmee de kinderen door het schilderen sinds het begin van hun schooltijd vertrouwd zijn, leidt naar de optica, naar de kleur- en lichtverschijnselen. Over het oog wordt nog niet gesproken, omdat het voor deze leeftijd nog te vroeg is, te laten zien hoe in de zintuigapparaten natuurkundige wetten zich als in golven in het levende lichaam verspreiden.
Er wordt begonnen met warmte, elektriciteit, magnetisme door van de verschijnselen uit te gaan en daaraan wetten te ontwikkelen.

Niet-Nederlandse talen

Je begint met eenvoudige leesstof en bespreekt in samenhang met het bijzondere van de manier van uitdrukken, hoe iets wordt gezegd, ook spreekwoordelijk. Ook ingaan op land en volk.

Latijn en Grieks:

De kinderen worden gestimuleerd de zinnen van de leesstof te veranderen in eigen zinnen. Uit de leesstof verdienen mythologische verhalen, fabels en verhalen over de helden van de oude geschiedenis die het kind aanspreken, de voorkeur. Fabels worden uit het hoofd geleerd.
In de 6e klas alsmede in de volgende klassen moet in het bijzonder het vrije navertellen worden geoefend, in het begin van heel simpele stukjes proza. Het vertalen kun je niet missen, daar zonder vertaling de helderheid en scherpte bij het begrijpen van de andere zinsbouw niet tot stand komt; maar er wordt alleen vertaald vanuit de andere taal in het Duits, niet andersom.
Bij de behandeling van de vormleer wordt met het werkwoord begonnen, dat het middeplunt moet zijn van de taalles. Dat is in overeenstemming met de ontwikkeling van mens en wereld en die van het kind. Het werkwoord is de ziel, het scheppende en levendige in de taal.

Rekenen

Er wordt een begin gemaakt met rente- en procentberekeningen, wisselkoers- en discontoberekening en vanuit de renteberekening wordt de algebra ontwikkeld.

Schilderen

Beschreven als in dienst staand van andere vakken (aardrijkskunde, biologie, geschiedenis)

Taal

De leerkracht probeert bij het kind het gevoel voor stijl zo mogelijk sterk te ontwikkelen bij het gebruik van de aanvoegende wijs (conjunctief), voor het spreken en het schrijven. [In het Nederlands speelt deze ‘wijs’ een veel minder belangrijke rol]
Bij het schrijven van brieven worden makkelijk overzichtbare zakenbrieven geschreven waarvan de inhoud sinds de derde klas voorbereid is.

Tekenen

Eenvoudige projectie- en schaduwleer, door zonder nadruk te leggen op de constructie het tot standkomen van schaduwvorm en -gestalte te behandelen en deze zowel uit de vrije hand als met lineaal en passer te laten tekenen. Je probeert in het kind begrip te wekken hoe techniek en schoonheid in het vormen van voorwerpen samen kunnen gaan.
Ook beschreven als in dienst staand van andere vakken (aardrijkskunde, biologie, geschiedenis)

Tuinbouw

Bij tuinbouw leren de kinderen in de praktijk het verschillende werk kennen. Ze moeten bij het bewerken van de grond, bij het kweken van groenten en fruit ervaren, hoeveel moeite en aandacht en geduld nodig is, tot je iets kan oogsten waarvan je kan genieten.

Vertelstof

O.a. genomen uit het gebied van de volkerenkunde.

.

Meer artikelen over het leerplan

6e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 6e klas:  alle beelden

.

1937

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (14 – 21)

.

Ernst Amons, Jonas 1, 06-09-1978
.

Tussen 17 en 21 jaar:
op weg naar het eigen ik

Bericht van een ervaring

‘Het moet ’s avonds om een uur of tien zijn geweest. Ik liep helemaal alleen langs de spoorbaan. Misschien had ik al uren gelopen en ineens ontstond er een grote rust in me. En hoewel het donker was, werd het plotseling heel licht. Alles was heel nabij en ik voelde een ongekende warmte in mijzelf.
Het gevoel van verlatenheid en eenzaamheid wat al dagen als een grauwe sluier door me heen trok en wat ik bij het wakker worden steeds weer tegen kwam was plotseling geweken. Langzamerhand verdichtte zich dit gevoel tot een gedachte: ‘Dit is mijn leven, ik ben ik, ik moet niet buiten, bij andere mensen zoeken wat ik in mezelf kan vinden. Ik hoef niet meer afhankelijk te zijn van het oordeel van anderen.
Als in een roes liep ik door en plotseling stond ik voor de omtrekken van een oude boerenschuur. Er was niemand. Ik ben toen gaan zitten, zo maar ergens, en terwijl ik in het donker keek haalde ik verlicht adem. Ik voelde me als na een overwinning, na zware strijd. Strijd tegen wie eigenlijk? Strijd tegen mezelf? Tegen mijn situatie? Tegen mijn ouders of vrienden?
Het deed er niet toe, dit gevoel was heel nieuw, een scharnierpunt in mijn eigen leven, iets wat vanaf dit moment niet meer ongedaan gemaakt kon worden. Het was heel stil om me heen, er waren sterren, ze leken heel dichtbij, luisterend naar mijn gedachten.
Ik was helemaal alleen en het gevoel dat er misschien in kilometers omtrek geen mensen waren gaf mij een diepe voldoening. Ik voelde me rijk, het was alsof ik voor het eerst weer kon luisteren, kon zien, kon ervaren, mezelf kon zijn.
Dit was nu werkelijkheid. Het was glashelder hoe het er voor mij voorstond. Maar… hoe nu verder te gaan Welke consequenties had dit voor mij? Nee! Niet nu! Ik mocht dit gevoel nog niet verstoren.
Toen ik weer terug ging was het diep in de nacht geworden, de sterren waren verdwenen en een zachte regen was begonnen te vallen. Wonderlijk hoe dit paste bij mijn eigen gevoel, deze milde zachte regen!

Toen ik weer terugkwam was alles in diepe rust. Iedereen sliep, behalve ik, en plotseling wist ik dat het deze ervaring was, waarvoor ik hier naar toe was gegaan. Dagenlang had ik mezelf afgepijnigd wat ik hier eigenlijk moest, wat de zin van alles was.
Ik kreeg een diep verlangen om naar iemand toe te gaan en te vertellen hoe ik was veranderd, wat er met me was gebeurd. Nee! Ook dat niet! Nog niet, later misschien.

Uiteindelijk in bed beland viel ik in een diepe en droomloze slaap.
Ook de volgende dagen bleef het gevoel van…, ja, hoe moest ik het noemen; bevrijding, bij mezelf aankomen; mij beheersen. Rustiger nu, maar heel machtig.

Nu ben ik op een punt gekomen dat ik er met anderen over wil praten. Sommigen zien het ook aan me zonder dat ik het hoef te vertellen. Dat vind ik erg goed, dan weet ik dat het echt is.
Ik merk dat ik nu pas echt interesse voor anderen op kan brengen, zonder alles steeds op mezelf te betrekken. Iets voor anderen te betekenen is voor mij erg belangrijk, een soort ideaal.
Maar, op welke manier kan ik nu verder gaan, ik ben er nog niet, dat weet ik heel goed. Ik heb een vorm nodig van waaruit ik me verder kan ontwikkelen. Straks zijn de anderen er niet meer, dan moet ik alleen verder en dat wil ik ook. Misschien kan je me helpen nu een aangrijpingspunt te vinden voor de toekomst.’

Beeld van een levensfase: sterven en geboren worden

Als ik zo luister, ergens buiten op het grasveld, mét ver verwijderd de geluiden van het drukke, bezige leven, dat zich langs de weg voortspoedt, dan besef ik hoe rijk het omgaan met juist deze leeftijdsgroep is.

Het zijn vaak heel intense ervaringen waar je deelgenoot van wordt gemaakt, ervaringen waarmee je met de grootste terughouding, heel behoedzaam, om moet leren gaan.

‘Het is de leeftijd waarin ze langzamerhand weer menselijk worden’, zoals een goede collega het eens uitdrukte. En dat is meer dan waar. En een ieder doet dit op zijn heel eigen manier.

Voor de één betekent het een innerlijke strijd van voortdurend zoeken, een ontdekkingstocht in de eigen binnenwereld. Voor de ander een voortdurend meegenomen worden in impulsen die hij niet begrijpt of doorziet, een confrontatie met gebeurtenissen die van buitenaf zijn handelen bepalen of ontregelen.

Hoe langer je je verdiept in de wereld van de 17 – 21 jarigen, hoe sterker je de realiteit kan ervaren van een geboorteproces, een geboren willen worden als individu. En geen enkel geboorteproces vindt plaats zónder pijn. De eerste jeugd ‘sterft’ in de beginnende volwassenheid, die nog als een onbekend terrein, heel kwetsbaar, zich begint af te tekenen.
Niet voor iedereen is dit een dramatische gebeuren, er zitten ook veel feestelijke kanten aan. Het feest van het nieuwe, van het ontdekken van de eigen innerlijke vermogens, het genieten van dingen die allemaal nog zouden kunnen gebeuren.
Soms ook zijn de schaduwen van het verleden nog erg machtig; moeilijke gezinssituaties, pijnlijke schoolervaringen, vormen soms een blokkade om de eerste volwassenheidsfase binnen te gaan.
Vooral het meemaken van echtscheidingsproblematiek in de puberteitsjaren kan jarenlang een schaduw leggen op de eigen ontwikkeling en het vertrouwen in de wereld van de volwassenen diep beschadigen.

Pendelen tussen binnenwereld en buitenwereld

In de eigenlijke adolescentie jaren begint er meestentijds een voorlopig evenwicht te groeien tussen binnenwereld en buitenwereld. De eigen aard, het karakter, de specifieke aanleg en bekwaamheden beginnen zichtbaar te worden.
De grote labiliteit in het gevoelsleven – zo kenmerkend voor de puberteitsfase, waarbij lichamelijke omvormings-processen nog zo sterk het innerlijke leven beheersen -, begint plaats te maken voor momenten van rustige zelfbezinning.
Momenten van zoeken naar ‘levenswaarden’, van zoeken naar een eigen levensfilosofie. Er is hier sprake van momenten, omdat duurzaamheid ook voor de adolescent nog geen realiteit kan zijn. Nog altijd is ‘innerlijke vrijheid’ een moeizaam proces, een labiel evenwicht, een pendelen tussen ‘Himmelhoch jauchzend’ en ‘zum Tode betrübt’ momenten van grote en innerlijke twijfels en onrust en plotseling doorbrekend inzicht in een volwassen kijk op de wereld wisselen elkaar nog in snel tempo af.

Er is een machtig streven naar ongebondenheid, ‘naar vrij zijn van’, non commitment, enerzijds en aan de andere kant een diepe behoefte om ‘Ik’ te worden, zichzelf te realiseren in het leven.

‘Ik’ worden, jezelf leren kennen, betekent dan het aangaan van de confrontatie met die onbekende, verlokkende of beangstigende wereld.

Het is dit grondgevoel van waaruit de adolescent het vraagstuk van zijn levensbestemming als keuzevraagstuk ontmoet.

Keuze – rijp worden

De houding ten opzichte van het keuzevraagstuk is van meet af aan ambivalent. Vanuit het streven naar ongebondenheid, naar non-commitment, zal de adolescent zijn of haar beroepskeuze opvatten als een uiterlijke stoorfactor, iets dat hem of haar van buitenaf wordt opgedrongen en niet strookt met het gevoel van ‘vrij-zijn’ en ‘vrij-blijven’.

Aan de andere kant heeft de adolescent een diepe behoefte om erkend te worden, zichzelf te verwerkelijken in de wereld van de volwassenen, die hij tegelijkertijd vaak kritisch afwijst. Intuïtief weet hij vaak heel goed dat dit zelf-ontdekken en zelf-realiseren, pas mogelijk wordt in actieve wisselwerking met zijn sociale omgeving, met leeftijdsgenoten, met de wereld van de volwassenen.

Pas aan het ‘Ik’ vreemde wordt het ‘Ik’  eigene herkenbaar, pas in de ontmoeting met andere mensen groeit het ‘Ik’ en komt tot zelfwaarneming.

Het zijn concrete sociale situaties waarin dit geboorteproces zich voltrekt.
Situaties waarin men wederkerig eikaars helper kan zijn in de ontmoeting met de ander.
Het is dit vermogen tot ontmoeting wat vaak na de schooljaren weer gewekt moet worden en grondslag legt voor een leven rijk aan menselijke ervaringen.
Keuze – rijp worden betekent dan de moed vinden tot een voorlopige zelfbepaling in een evenwicht tussen uiterlijke ervaringen en het eigen innerlijke leven.

Verleden en toekomst

In het voorafgaande was sprake van ‘Ik-worden’, van ‘Ik-geboorte’.

Voor het omgaan met deze leeftijdsgroep is het van groot belang dat men niet alleen oog heeft voor wat doorgaans ‘persoonlijkheidsvorming’ wordt genoemd. Achter de ‘persoonlijkheidsvorming’ gaat het veel grotere geheim schuil van het Ik dat als kiem in de biografie als eigen entiteit gaat optreden. Het ontwakende ik vindt zijn uitdrukking in de op de bodem van de zich rustende vragen ‘Wie ben ik’ ‘Wat kan ik’ ‘Wat wil ik’. Het zijn deze vragen die de vaste begeleiders vormen van het ontwakend zelfbewustzijn.

Op zich genomen zijn het vragen die in een sfeer van een innerlijk zoeken en aftasten liggen. Zij vormen een kracht in onze ziel die langzamerhand in onze biografie zichtbaar kan worden maar nooit geheel tot voltooiing komt.
Immers, het ‘Ik’ is nooit, maar is altijd wordend, toont zich in ons zelfbewustzijn in meestal wisselende en soms verwarrende beelden.
Het ‘Ik’ is ingebed in een spanningsveld tussen verleden en toekomst, tussen diegene die men ‘was’ en die men ‘zal worden’.

Wanneer men in een groep jonge mensen elkaar vertelt van de eigen levensloop dan is het alsof men vanaf een — pas-overgang terugblikt naar het dal waar men vandaan is gekomen. Kijkend naar de toekomst ziet men in het andere dal dat zich op een zonnige dag in blauw waas verliest. Het zijn deze pas-overgangen in de fase van 17 – 21 jaar die de mogelijkheid kunnen geven tot het ontdekken van de dimensies van het eigen Ik-, al is het soms maar op momenten.

En wanneer men aarzelend in het nieuwe dal afdaalt dan is het goed om deze ik-ervaring daarin mee te nemen. Eenmaal afgedaald ontbreekt het soms aan een verder uitzicht en moet het beeld dat men vanaf de pasovergang had het innerlijke richtsnoer vormen. Het is daarom belangrijk dat deze jaren niet voorbijgesneld worden om maar zo snel mogelijk volwassen te willen zijn.

Het is juist dit innerlijk verkennen van de eigen innerlijke ruimte en het ontdekken van de andere mens als ‘Ik’, dat kracht kan geven voor de toekomst.

.

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1936

 

VRIJESCHOOL – Kinderbespreking (1-4/3)

.
(tekst in blauw van mij)
In de vorige artikelen over ‘kinderbespreking’ (1-4 e.v.) [1] ging het om het thema ‘te sterke of te zwakke Ik-ontwikkeling.
In het m.i. zeer waardevolle boek: ; Pedagogie, een kunst, een kunde’ behandelt Christie Amons de 4e voordracht uit GA 302A  ‘Meditativ erarbeitete Menschenkunde’, vertaald te vinden inMenskunde innerlijk vernieuwd’,

Zij zegt o.a.:

De leerkracht krijgt in deze voordracht veel in handen om het kind te kunnen begeleiden. Het gaat om menskundig inzicht en om didactische mogelijkheden. Er worden wegen gewezen om het kind beter te leren waarnemen en oog te krijgen voor zijn mogelijkheden en beperkingen. Bijzonder is de flexibiliteit die aangesproken wordt. De ontmoeting tussen leerkracht en leerling doet een appèl op de actualiteit van ieder moment in het opvoedingsproces. Als de leerkracht uit tegenwoordigheid van geest handelt, is dit de voorwaarde van kunstzinnig werken en wederzijds liefdevol respect.

In het vrijeschoolonderwijs gaat het niet alleen om kennisoverdracht. 
De makkelijk uitgesproken zin ‘dat het kind centraal’ moet staan, gaat voor de vrijeschoolleerkracht een stapje verder: wie is dit kind, wat brengt het mee en hoe help ik het verder.
Voor Rudolf Steiner is ieder kind een raadsel, ‘dat de leerkracht moet oplossen’.
Om dit raadsel te kunnen benaderen gaf hij gezichtspunten die o.a. genoteerd staan in de genoemde 4e voordracht.
Christie Amons schetst in haar hoofdstuk niet alleen de essenties van deze voordracht, maar beschrijft eveneens het ruimere perspectief van waarnemen, inleven, afwegen, dat voor de leerkracht een absolute voorwaarde is om met de inhoud van deze 4e voordracht zinvol voor het betreffende kind te kunnen werken. Geen recepten, geen labels, maar een dieper verbinden met het ‘raadselachtige’.

Amons:

In de vierde voordracht wordt door Rudolf Steiner de blikrichting van het Ik gekozen dat zich, gedragen door het astrale lichaam, met de lichamelijkheid van het kind verbindt. Er treedt daarmee een proces van individualisering op, waarbij van binnenuit oplichtend, persoonlijke kenmerken zichtbaar worden in de verschillende zevenjaarsfasen. In de eerste zeven jaren is de nabootsing van belang, wil het Ik zich met het fysieke lichaam kunnen verbinden. In de tweede zevenjaarsfase ligt er een belangrijke taak voor de leerkracht in het onderwijs om de werkzaamheid van het Ik in het nu ‘geboren’ etherlichaam te begeleiden. En zo ligt er ook een dergelijke taak in de derde zevenjaarsperiode met betrekking tot het astrale lichaam.
Deze begeleiding is noodzakelijk omdat het Ik zich zowel te diep als te weinig met de lichamelijkheid kan verbinden. Dit is een steeds wisselend proces, waarbij van moment tot moment van meerdere of mindere binding sprake is. Daarbij kan de constitutionele geaardheid van het kind een sterker accent oproepen naar de ene of andere zijde toe. In alle gevallen moet de leerkracht naar de juiste balans, het juiste evenwicht helpen zoeken.

Hoe belangrijk dit is wordt zichtbaar als de te eenzijdige binding of te geringe verbondenheid door Rudolf Steiner in beeld wordt gebracht. Bij sterk opzuigen van het Ik wordt de mens een te materieel wezen, wordt te sterk afhankelijk van zijn lichaam, een feit dat tot in denken en gedrag gevolgen heeft. Uiteindelijk kan dit leiden tot gewelddadigheid, zelfs tot misdadig gedrag. Zijn er ook lichamelijke kenmerken aanwezig die op een te sterke verharding wijzen, dan is het des te meer noodzakelijk dat de leerkracht een Ik-bevrijdende beweging helpt op te roepen.

Wanneer het Ik echter te veel buiten het organisme blijft, komt de dromer, dweper of fantast in beeld die niet in staat is de juiste verhouding tot het praktische leven te vinden. Daarbij wordt het appèl om te helpen sterker wanneer deze tendens tot een te geringe verharding ook lichamelijk zichtbaar wordt. In beide gevallen wordt ter oriëntatie op de vorming van het hoofd gewezen (overigens wel in bewoordingen die nu minder vanzelfsprekend begrepen worden dan het in 1920 het geval moet zijn geweest).

De praktische vraag hoe er geholpen kan worden, krijgt vervolgens in de voordracht uitgebreid de aandacht. Om Ik-bindende en Ik-bevrijdende activiteiten te onderscheiden, is het behulpzaam deze in de tekst verschillend gekleurd te onderstrepen. Dan wordt pas echt zichtbaar hoe levendig het weefwerk is in het balanceren tussen een teveel en te weinig binden. Wat beschreven wordt zou men als een ademproces kunnen zien met een eerste accent op de inademing, een tweede accent op de uitademing. De muzikale-woordstroom wordt vooropgesteld, zoals deze oefenend, het Ik aansprekend, in het organisme moet doorwerken en zich daarin moet verankeren. Het gaat daarbij om rekenen en geometrie, om klankgeheugen of bijvoorbeeld het muzikale aspect van de taal. Daarmee worden kosmische krachten ‘ingeademd’.

De plastisch-architectonische stroom wordt zichtbaar gemaakt als gestalte-vormende krachten met de omgeving van het kind worden verbonden. Dat gebeurt in het doen, als het kind tekent, maar ook in het beeldend voorstellen bij vakken als aardrijkskunde of geschiedenis. Het gaat dan vooral om gevoels-betrokkenheid bij de aarde waarop de mens leeft, bij persoonlijkheden uit de geschiedenis. Hierbij wordt een beweging van binnen naar buiten aangesproken. Doch steeds weer kan het nodig zijn iets terug te nemen in de tegenbeweging; dat vergt opmerkzaamheid en alert handelen van de leerkracht.

Centraal in de voordracht staat het ademende als proces, dat microkosmos en macrokosmos verbindt. Dat (macrokosmisch) stikstof en zuurstof gemengd zijn in de lucht en geen chemische verbinding aangaan, wordt als voorwaarde genoemd, opdat in de microkosmos mens astraal lichaam en etherlichaam zich vrij tot elkaar kunnen verhouden. Daardoor kan het bondgenootschap van Ik en astraal lichaam zich bij het ademhalen, maar ook bij het waken en slapen zo tot het etherlichaam en fysiek lichaam verhouden, dat binden en ontbinden als beweeglijk proces mogelijk wordt.

Na dit centrale gedeelte komt de ‘grote adem’ aan bod van de incarnerende mens als zodanig, die zijn levensweg tegemoet gaat. Beweging die tot rust komt en rust als kiem voor nieuwe beweging is het thema dat opklinkt.
In de geestelijke wereld is de mens voortdurend in beweging opgenomen. Om het fysieke bestaan binnen te komen, moet de mens deze beweeglijkheid echter afleggen. Daarbij helpt datgene wat zich als hoofd gaat ontwikkelen. Het hoofd zoals dit uit kosmische krachten gevormd wordt, is als het ware de wagen die het Ik het leven binnendraagt. Daar kan het tot rust komen. Dit is mogelijk omdat de overige organisatie, die uit aardse (erfelijkheids)krachten gevormd is, de beweging overneemt.

Kosmische en aardse krachten komen elkaar in de menswording tegemoet. Deze visie werpt niet alleen nieuw licht op de embryologie (waarbij hoofd en romp-ledematen in hun ontstaansgeschiedenis onderscheiden moeten worden), maar heeft tevens betekenis voor de blikrichting van de leerkracht. Want ook in latere ontwikkelingsjaren is dit samenspel tussen kosmische en aardse werking waar te nemen. Bij het beschouwen van het hoofd is dan plastisch-kunstzinnige inleving vereist; romp en ledematen moeten dynamisch, muzikaal-euritmisch begrepen worden.
Dit laatste aspect krijgt nu de volle aandacht. Het gaat erom de invloed van vooral de ledematen op de bewegingsgestalte te begrijpen. Niet de vorm in directe zin, maar de lengte en het gewicht van de ledematen spelen een rol. Het gaat om de dimensie licht-zwaar, die tot te licht of te zwaar kan doorwerken. Het voorbeeld van lange armen en zware handen die eerder de neiging oproepen tot slaan dan korte armen en kleine handen, laat zien dat morele problematiek kan ontstaan in aansluiting op wat constitutioneel gegeven is.

Voor de leerkracht betekent een dergelijke kunstzinnige benadering dat hij oog krijgt voor het lot dat zich constitutioneel uitdrukt. Het behoedt hem of haar ervoor vanuit te snelle eigen emoties te oordelen of te handelen. Er kan ruimte ontstaan om van het kind te houden, werkelijk zoals het is. Karmisch begrip wekt de kracht om liefdevol op te voeden. Het kind dat voelt dat de leerkracht hem begrijpt, zal zich ook voor moeilijke taken willen inzetten, ter wille van deze leerkracht van wie hij op zijn beurt gaat houden. Zo kan de juiste verhouding tussen leerkracht en leerling ontstaan, in de ontmoeting van mens tot mens, ieder met zijn eigen Ik-ontwikkeling.

In de structurele opbouw is een spiegeling van thematiek rond het midden van de voordracht te herkennen (vierde stap). Het ademen geeft daarbij de essentie aan van wat de hele voordracht doortrekt, namelijk het thema van de juiste balans, het flexibele evenwicht tussen tegenstellingen. Binden-ontbinden en kunstzinnig onderwijs met zijn ademende kwaliteit behoren daartoe.

De voordracht opent met het Ik, zoals dit individualiserend in zevenjaarsfasen op de wezensdelen inwerkt. De taak van de leerkracht is balancerend tussen een te sterke of te zwakke Ik-binding dit beweeglijke proces te ondersteunen (eerste stap). Belangrijk is het menskundig inzicht op grond waarvan de leerkracht deze processen kan waarnemen en zo ook het kind kan gaan helpen. De voordracht eindigt met de wezenlijke Ik-ontmoeting tussen leerkracht en leerling, waarbij primaire emoties overwonnen worden. Liefdevolle interesse met oog voor het lot van het kind is de basis van ware, kunstzinnige pedagogie. Het gaat om de juiste verhouding tussen leerkracht en leerling (zevende stap).

In ‘zeven stappen vat de schrijfster van het hoofdstuk de voordracht (nogmaals) samen. Zie daarvoor het boek.

Helpend bij wat geworden is, ontmoetend dat wat worden wil als ademend proces, zo zou men de zeven stappen in hun totaliteit voor zich kunnen zien.

Terugblik

Terugkijkend op het werk aan deze voordracht is een aantal gezichtspunten voor mij van bijzonder belang geworden.

Het besef dat slechts verantwoord over constitutionele verschillen tussen kinderen gesproken kan worden, als de mens als geestelijk wezen begrepen wordt. Pas in relatie tot het Ik als kern van de persoonlijkheid krijgen deze verschillen hun betekenis, als mogelijkheid en beperking op de biografische leerweg. Dat de mens uniek is en zijn eigen lot moet vinden, opent juist ook de weg tot respect voor datgene waarmee hij in zijn leven te maken krijgt. Als het om kinderen gaat, wordt vanuit dit besef van hun eigen Ik en eigen lot de pedagogische en ook therapeutische wil geboren om te helpen.

Het appel om methodisch exact, maar met kunstzinnige instelling naar de gestalte en het gedrag van het kind te leren kijken.Verrassend is het zeker dat men de vormen van het hoofd anders moet leren waarnemen dan de overige gestalte en vooral de armen en benen. Inlevend waarnemen van het hoofd vereist het meebeleven van de expressie van plastische krachten in de vormgeving, alsof men een beeldhouwer is. De ledematen daarentegen geven een impressie van hun bewegingsmogelijkheid als men zich dynamisch (muzikaal-euritmisch) in een bewegingsverloop kan inleven. Eigen kunstzinnige activiteit is een voorwaarde om dit inlevend waarnemen te scholen.

Dat de verschillende kwaliteit van de blik op de rugzijde van het kind of de frontale ontmoeting nog vele geheimen in zich draagt. Dit stimuleert tot verder onderzoek om deze dimensie bewuster te gaan hanteren. Het gaat nu om de persoonlijkheidsontwikkeling van het kind, waarbij de levenservaring meespeelt, en de werkzaamheid van het Ik pas echt zichtbaar wordt. Constitutioneel leren waarnemen en persoonlijk ontmoeten zijn de voorwaarden om dit perspectief‘achter-voor’ te gaan ontwikkelen.
.

[1] Bovenstaande artikel vormt met [1-4/1)] en [1-4/2] min of meer een geheel.
.

Kinderbespreking: alle artikelen

.

1935

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-6/3)

.

Drs. S.C.Derksen, ‘de Vacature’, 06-01-1976
.

AGRESSIE, GEWELD EN TV
.

Er is nog hoop voor de wereld, als we met ons allen de grootste ziekte van deze wereld, het denken in geweld, gaan bestrijden (Born, nobelprijswinnaar).

Het vorige artikel sloten we af met de conclusie dat er wel degelijk verband bestaat tussen het geweld in de televisieprogramma’s enerzijds en de toenemende agressiviteit anderzijds. Dat dit niet een bewering zonder meer is, blijkt overduidelijk uit het beschikbare onderzoeksmateriaal. Voor serieuze wetenschapsmensen als Wertham, Berkewitz, Glück, Hacker, Bandura en anderen staat het zonder meer vast dat een bepaald soort televisieprogramma’s een schadelijke invloed heeft op de geestelijke volksgezondheid – in het bijzonder op die van jongere en labiele kijkers. Bekend in dit opzicht is ook een rapport dat is uitgebracht door de commissie-Eisenhouwer (broer van de ex-president), en waarin op grond van een aantal feiten de televisiemensen wordt voorgehouden, eindelijk eens te stoppen met de bewering dat men met de onderzoeksresultaten op dit gebied twee kanten uit kan. Dit rapport is ook verschenen als documentatie van de N.O.S. (nr. 19), maar heeft in ons land, zelfs in eigen kring, weinig publiciteit gekregen.

In ons land is er de betrekkelijk recente dissertatie van dr. T. Fris „Gelegenheidsagressie“, die eveneens tot grote voorzichtigheid maant. Trouwens vele televisiemensen zijn diep in hun hart waarschijnlijk zelf evenzeer van de schadelijke invloed van het geweld op de tv overtuigd als genoemde onderzoekers. Hoe anders te verklaren dat bijv. de Amerikaanse televisiemakers na de moord op J.F. Kennedy vrijwillig de hoeveelheid geweld in hun programma’s gingen beperken. Dat deze televisiemakers na verloop van tijd weer in hun oude fout vervielen doet aan de zaak niets af. Ook de N.O.S. heeft in 1969 besloten tijdens het journaal minder gruwelijke beelden van de Vietnamoorlog uit te zenden omdat men bang was dat de gevoelens van medelijden van de kijkers anders te sterk zouden afstompen.

Des te meer bevreemdt het daarom dat van de zijde van de televisie steeds weer een poging wordt gedaan om de invloed van het geweld op de tv te bagatelliseren. Zo stelde niet zo lang geleden de V.P.R.O.-publiciteits-secretaris, Ad Kooyman, in een interview in „Trouw” en in een artikel in „Vredesopbouw” dat er tegengestelde meningen bestaan ten opzichte van de schadelijke werking van bepaalde televisieprogramma’s. Als bewijs voor zijn stelling haalt hij dan een uitspraak aan van een Amerikaanse deskundige Wilbur Schramm, die zegt dat sommige televisie-uitzendingen voor sommige kinderen onder bepaalde omstandigheden nadelig zijn, voor andere kinderen onder dezelfde omstandigheden of voor dezelfde kinderen onder andere omstandigheden juist goed. Kooyman – en andere televisiedeskundigen doen dit meestal ook – vergeet dan echter dat Schramm aan deze uitspraak heeft toegevoegd, dat alleen al de mogelijkheid van schadelijke effecten, dus ook wanneer het overtuigende bewijs nog ontbreekt, als een voldoende reden beschouwd moet worden om actie te voeren tegen een frequente presentatie van geweld. De samenleving moet in een zo belangrijke en gevaarlijke zaak als deze niet gokken, aldus Schramm. Dit laatste doen onze televisiemakers wel en in zo verre zijn ze medeplichting aan een niet gering aantal gewelddaden. Ook de kijker die door zijn belangstelling voor een grote kijkdichtheid van deze programma’s zorgt, gaat hier in principe niet vrij uit.

Een vraag die men hier kan stellen is, hoe het komt, dat terwijl zo velen zich kritisch tegen de foute maatschappelijke structuren opstellen, er zo weinig mensen zijn die protesteren tegen de culturele verloedering van onze samenleving. Lezing van een boekje als „Weimar-culture” (van Peter Gay) kan hierbij tot pijnlijke conclusies leiden.

Modelfabrieken van onmenselijkheid

Natuurlijk moeten we hier oppassen voor al te eenvoudige vergelijkingen, maar het lijkt niet te gewaagd te constateren dat de wereld weer in toenemende mate „bedreigd wordt door een overmaat aan geweld, en dat waakzaamheid ten opzichte van een bepaald soort film- en televisieprogramma’s dringend gewenst is. De reeds genoemde Amerikaanse psychiater Wertham noemde naar aanleiding van een onderzoek naar het geweld in kinderprogramma’s film- en televisie modelfabrieken van onmenselijkheid.

Speciaal voor kinderen die nu eenmaal moeilijk onderscheid kunnen maken tussen fictie en werkelijkheid is hier de grootst mogelijke voorzichtigheid geboden. Dit houdt ook voor de onderwijsmensen een groot stuk verantwoordelijkheid in. Een betere geïnformeerdheid en een grotere probleembewustheid zijn op dit gebied noodzakelijk. Daarnaast is er een grote behoefte aan goede alternatieven (meer mogelijkheden tot zelfontplooiing in de opvoeding, meer geduld en liefde in de omgang tussen opvoeder en kind, betere mogelijkheden voor ontspanning; vooral de sport biedt goede mogelijkheden voor het op onschuldige wijze afreageren van agressieve spanningen, meer aandacht voor spannende en gezonde kinderlectuur, enz.). In de hogere leerjaren zal men ook moeten proberen de leerlingen inzicht te geven in de achtergrond van eigen gedrag en in het gedrag en de motieven van anderen. Op die manier zal een nieuwe wijze van conflictoplossing, waarbij zoveel mogelijk van geweld wordt afgezien, ingeoefend kunnen worden. Daartoe is o.m. een hoger niveau van psychische volwassenheid nodig. Tenslotte is het nodig dat nieuwe identificatiemodellen worden ontwikkeld. Speciaal in het geschiedenisonderwijs, waarover we het een volgende keer eens hopen te hebben, worden deugd en moed nog maar al te vaak vereenzelvigd met de figuren van het slagveld, en is de held nog maar al te vaak degene die de ander het leven heeft genomen in plaats van heeft helpen leven. Een betrekkelijk recent Unesco-onderzoek heeft daarover zeer onthullende dingen opgeleverd. Ook in het onderwijs dient een nieuwe erecode te worden ontwikkeld, waarin de ‘moed van het kwaad’ door de „courage du bien” dient te worden vervangen, en elke verheerlijking van het geweld is verdwenen. Verbetering van de levenscondities en vermindering van het geweld zijn, zoals uit het voorgaande hopelijk is duidelijk geworden, absolute voorwaarden voor het voortbestaan van de mensheid geworden.

De zachte krachten

Een belangrijk punt is nog het geweldverschijnsel in onze samenleving. Een verschijnsel dat ongetwijfeld met een surplus aan onbehagen samenhangt. Uiterste waakzaamheid is op dit punt geboden, en de school zal o.a. andere identificatiemodellen en meer en betere altematieven voor de menselijke
agressiedrift moeten bieden (sport is een van de weinig overgebleven afleidingsmogelijkheden van agressie in een wereld die steeds armer wordt aan scheppende arbeid maar helaas komt ook deze sport hoe langer hoe meer in de sfeer van commercie en efficiency te liggen). Daarnaast is elke verheerlijking van geweld of oorlog uit den boze.

Van Ghandi, die beroemd is geworden door zijn politiek van geweldloosheid is bekend, dat hij eens gezegd heeft dat de wereld nog slechts gered kon worden door “the wisdom of the women”.

Eigenaardig genoeg werd deze uitspraak later herhaald door de oude vechtjas Mac Arthur, n.b. de man die in 1952 de atoombom tegen China had willen gebruiken.

Beiden bedoelden hiermee dat de wereld behoefte heeft aan meer mildheid en meer zachtheid. Henriëtte Roland Holst bracht dit al eerder onder woorden toen ze sprak van „de zachte krachten die het zouden winnen op het eind”. Haar tijdgenote en geestverwante, de edele Rosa Luxemburg die (al in 1919) onder moordenaarshanden viel, ging eveneens uit van de stelling dat de menselijkheid en tederheid uiteindelijk van doorslaggevende betekenis zouden zijn. Hoe ongeloofwaardig deze uitspraken in onze tijd ook mogen klinken, zonder betekenis zijn ze toch niet.

Als er in de opvoeding wat meer accent gelegd zou worden op deze zachte krachten, dan zou de huidige harde lijn (stoere mannenheroïek) in onze samenleving mogelijk gaan verdwijnen, er zou meer eerbied voor het leven ontstaan en het vermogen tot liefhebben en tot medelijden zou worden gestimuleerd. Het was een dichteres die schreef:

Er is maar één ding
beter dan de mens,
een ander mens

(Ellen Warmond)

Door vast te houden aan dit besef van menselijke solidariteit d.i. door zich één te voelen met de slachtoffers van deze wereld en zich actief in te zetten voor een herstel van de menselijke waarden kan de opvoeder een belangrijke bijdrage aan de vrede leveren. Een absoluut néén tegen allé geweld, en alle vertoon daarvan is dan echter een van de dingen die absoluut noodzakelijk zijn.

Uit: S.C. Derksen „Hoe leren we de vrede”.

Deel 1 en deel 2 van deze artikelenreeks

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen  onder 19 over tv

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1934

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Paradijsspel- regie-aanwijzingen (3-1)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Dit deel (1) vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

 

De spelersgroep:
Volgorde: boompjesdrager, engel, godvader, Adam, Eva, duivel
Er wordt begonnen zonder zingen.

DH: zelfde volgorde, maar bij binnenkomst wordt lied nr. 1 gezongen:

De kompany singt binnengaande:

Lied 1:
1e couplet:

Singhen wilc uyter herten myn
alst leyt in myn gemoet,
heer, laet ‘t myn mond gegeven syn
dat het u preysen doet!
want ghy syt onsen god
– laet af van alle spot –
die alle dinc geschaepen heit
ent al bestiert nae syn beleyt,
geloofd, geloofd sy god!

DH: onder het zingen van couplet 1 wordt door de zaal naar het toneel gelopen in dezelfde volgorde als hierboven. Rechts het toneel op, zodat de beginvolgorde zo is:

Paradijsspel 1

 

Of er (veel) bomen kunnen staan, hangt natuurlijk af van de grootte van het toneel; de ‘grote’ boom kan ook meer naar links, de troon blijft er wel rechts voor.

Het boompje dat de boompjesdrager in zijn hand houdt, heeft vanuit de zaal gezien links sinaasappels, rechts citroenen.

DH: kleine appeltjes rondom

De boompjesdrager staat voor het toneel met zijn gezicht naar het publiek, de anderen staan tegenover hem met de rug naar het publiek. De duivel staat ‘gekronkeld als een slang’.

Boompjesdrager:

Goê sanghersluyden myn, coomt naederby en siet
wat grote vreught en eer u deusen dach geschiedt:
veul vollecks sit bijeene alhier in deusen sael,
groot ende kleyn, die syn gecomen al te mael
u spel te hooren. So wilt rontsomme staen

De spelers gaan nu in een boog om de boompjesdrager staan en keren hun gezicht naar het publiek
en neerstellic een wyl voor haerluy singhen gaen.

boompjesdrager
                                                 Adam                            godvader
                                              Eva
                                           engeol                                    duivel

DH: dus zeer afwijkend

Toont een betaamelyc en vroom gesicht,
Allen doen hun best zo vroom mogellijk te kijken, vooral de duivel

soodat ghyse allen oock van herten sticht;
merckt dat u stemme suver word’ gehoordt en hertelyck klinck’ u gesanck ende woord.
Alevel groeten me te voren
de goê gemeynt, so u wel vlytigh aen wilt hooren.
Maer laet ons teersten groeten god vader in synen troon,

Bij het groeten van godvader, de zoon en de Heilige Geest worden door alle spelers 3 buigingen gemaakt: 1x midden -1x  rechts – 1x links

DH: godvader in zijn synen troon: 3x midden
synen eenighen soon: 3x links
den heylighen geest ( ) waarhweyt leert: 3x rechts

Ook gezien: bij godvader, zoon en Heilige Geest bij ieder: 1x midden, 1x links, 1x rechts. In Dornach dus ook zo, maar volgorde m  r   l.

groeten me desgelyc synen eenighen soon, mitgaeder den heylighen geest hooch vereert,
die aen ons menschen den wegh ter waerheyt leert.
Groeten me tesamen heel de heilighe triniteit: vader, soon ende geest gedrieën in eenicheit.
Dornach 1x midden; 1x rechts; 1x links; DH: 1x midden; 1x links; 1x rechts

Adam en Eva gaan het toneel op.

Groeten me Adam en Eva in den hove,
daer me allen wel geern souden binnen moghen.

Adam en Eva groeten hierna niet uitbundig: ‘ze slapen a.h.w. nog’,
God en de engel niet overdreven.

Wat er gegroet wordt: steeds 3 buigingen: 1x midden, 1x rechts; 1x links

Groeten me oock alt geboomt ende gediert,
soo veul als in het paradys gevonden wierd.
Dornach groet weer 3x; DH wat willekeurig, naar alle kanten, soms 1x, soms meer.

En groeten me fyn neffens de andere dieren
idem; idem

Duivel fluit vogeltonen
de veughelkens die soo schone slaen ende tierelieren.
Eva wijst op de vogels (in de bo(o)m(en) 

Het andere groeten blijft idem  idem

Groeten me oock het gantsche firmament,
alsoo god heere heyt gheset aen swaerelts end.
Groeten me seer de edele overheydt;

Groeten me meester, nu als tallentyd.

‘Meester’ is de regisseur

Groeten me de eerwaerde geestlycken soo goet me connen,
Noyt en moghen me iet speulen, als sy ’t niet en gonnen.
Groeten me tsaem de schepenen en den schout,
De vroe raetheeren nae vermoghen, jong ende oud.
Want we sullense al gaeder gevoeghelyck eeren
Naerdien sy over ons ghestelt syn van god ons heere.
En nu, goê sanghersluyden myn, fanght vlytigh aen,

den boom, dwelc in het midden van den hof doet staen,
daer van en mach niemant de vrught niet en aenroeren,
soo hy nae gods ghebieden tleven wilt voeren;
die boom willen me oock groeten op syn best
met al syne vrughten, van de eerste tot de lest.
Ernaar wijzend, nog steeds 3 buigingen
Duivel uitbundig om boom springend en groetend

Die quaie Eva isser eenmael van gaen eten,
Ze keert zich af; idem

toen heyt Adam – die hals –

Adam is nog niet geboren en draagt daarom een zak over zijn hoofd.
Die tilt hij bij ‘hals’ omhoog zodat zijn gezicht zichtbaar wordt en weer omlaag.
(‘Angabe’ – zie boven)
Adam kijkt zeer dom en verbaasd ‘vanuit zijn zak = ‘aardekluit’.

er oock van gegeten.
Daervuur wirdense van god verstooten meteenen;
aen deuse saack willen me allen exempel nemen.
Allenich den duvel, die en willen me niet groeten,
veur dien de lieve heer ons mach behoeden,
Boompjesdrager gaat op duivel af
we willen den booserick in syne steerte knypen en in syne leul’cken haeren grypen.
Hij grijpt hem bij zijn staart en maakt trekkende bewegingen; de duivel kermt
Dornach idem, duivel sist, blaast als een kat

Alsoo, goê sanghersluyden myn, hebt ghe allen wel geheurt
van dat tonser schaede int paradys is gebeurt.
Laet ons tende groeten ons leermeester goet

De opvatting bestaat, dat net zoals in het kerstspel de sterrenzanger de leermeester is, ook de boompjesdrager de leermeester is en dat hij hier dus zichzelf groet.
Dornach 3x

en groeten me oock syne const en synen moet, met dwelck hy onse rauwe stemmen
In Dornach grijpt de boompjesdrager naar zijn keel – is dat niet toch een kleine aanwijzing dat hij niet zelf de ‘leermeester’ is, dat ook zijn stem eraan moest geloven? 

sonder als te veul slaegh heyt tomen kennen.
De spelers wrijven over hun achterste. DH idem.

Nu weet ghy wat van u begheert u oud compaan,
goê sanghersluyden myn. Soo fanghet aen.

Dornach: Adam en Eva komen van het toneel en sluiten zich bij de anderen aan. Ommegang door de zaal, boompjesdrager voorop. Het eerste couplet – zie boven – wordt gezongen, maar in de Duitse tekst is er geen duidelijke cesuur tussen couplet 1 en 2, dus worden die als 1 lied achterelkaar gezongen.

De tekst in het Nederlands begint met de kompany die 2 coupletten zingt van lied nr. 1.
Volgens Noor Gerretsen – zie boven  de opmerking over ‘Angabe’  – was het een aanwijzing van Steiner dat er maar 1 couplet werd gezongen aan het begin en dat nu het 2e couplet wordt gezongen (dus vóór de engel gaat spreken) en niet het 1e opnieuw zoals in de tekst staat.

En in het midden daer stond een boom,
met kostlycke vrugt belaen,
die haer van god verboden wierd: |
die soudense laeten staen.
Sy en mochten die niet smaeken,
sy en mochten daer aen niet raeken. Den boom sou syn het leven:
daer omme wil god niet en gheven
de vrught die hong daer aen.

Een ommegansbeweging is vaak afhankelijk van de ruimte waarin je speelt. In Dornach werd in de Schreinerei gespeeld en kennelijk was zo lopen als hier aangegeven, het meest voor de hand liggend.

In DH waar men dus op het toneel stond, gaat men links van het toneel af – daar is een trapje! en loopt voor de 1e rij publiek langs naar het rechtertrapje waarmee men weer op het toneel komt. Hierbij wordt dus couplet 2 gezongen!

Dornach: de spelersgroep gaat op de banken zitten die opzij staan. De engel betreedt het toneel. De boompjesdrager gaat – niet op het toneel, maar in de zaal – vóór de engel staan en doet mee met de buigingen die de engel maakt.

De opstelling in DH is dan zo:

De boompjesdrager blijft op het toneel bij het trapje staan. De engel blijft staan, de anderen gaan zitten. De duivel is onzichtbaar achter de boom.
De engel loopt nu naar voor midden van het toneel buigt 3x: midden, links, rechts. (Dornach rechts, links)

De engel Gabriël treet op:

k Treet voor uluyden sonder spot!
goên avond saamen gheve u god,
een goên avond ende geseeghende tyt
mooch ons van daerboven syn toegeseit.
Achtbaare, seer vroede, goetgunstige heeren,
3z buigen; 3x buigen

oock deugtsaame vrouwen ende jonckvrouwen in alle eere,
3z buigen; 3x buigen

wilt altegaer niet euvel duyden
dat wy ons spel gaen toonen voor uluyden,
en wel van Adam en Eva, ent verhael

hoese uytet paradys verdreeven syn eenmael.
Soo ghy bereyt syt om ons aen te hooren,
swycht stil en opent wyt u ooren.

De rechter wijsvinger naar boven bewegen, bij ‘stil’ de vinger nog hoger, het hoofd iets naar de rechter schouder. De hand ver van het lichaam houden bij het groeten.
De engel gaat van het toneel om de andere spelers op te halen.

DH: Omdat hiermee iets wordt afgesloten, ligt het voor de hand dat de engel weer teruggaat richting zitplaats bank. De muziek begint en de boompjesdrager loopt van rechts naar links over het otneel; engel en godvader voegen zich achter boompjesdrager, Adam en Eva en duivel eveneens en de ommegangen beginnen:
boompjesdrager, engel, godvader, Adam, Eva, duivel.

Dornach: overal waar de ommegang door de zaal gaat, loopt de boompjesdrager voorop.

Nu volgen de 8 coupletten van lied nr.2 waarbij de ommegangen zo moeten worden gekozen dat je weer goed ‘uitkomt’, d.w.z. wanneer het laatste couplet uit is, je op je plaats staat die je moet innemen. In DH op toneel, op de banken/krukken o.i.d met een blauwe lap.

Lied nr. 2

De kompany singht ommegaende:

1. Hoe koel schynt ons den morgen,
de sonne leyt verborgen,
en alles wat leeft
god eere gheeft.

2. Wy coomen van alsoo veer gegaen
uytet land van Babilon vandaen.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

3. Eens schiep de heer die boven troont
het wereldryck en wat daar woont.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

4. God schiep de gansche wyde aerdt,
met alle schepselen nae haer aerdt,
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

5. Als oock de hooghe hemelstent
met zon ende maan aent firmament.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

6. En maeckt, als ’t al geschaepen is,
de mensch nae syn gelyckenis.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.

7. Wel heeft god alle werck volbraght:
den lighten dach en oock de nacht.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

8. Adam formeert hy uytet stof
en set hem in syn groenen hof.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

In Dornach:

Bij de laatste coupletten is de kompany op het toneel gekomen. De boompjesdrager blijft ‘beneden’. Alle spelers staan op een rij en maken een buiging, waarna ze op hun plaats gaan staan, langzaam schrijdend.

Den Haag, na het zingen van het 8e couplet:

Dit deel (1) vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

vervolg nog niet oproepbaar

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelen: alle artikelen

.

1933

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde

.

In de jaren 70 schreef J.C.Alders over sterren in het blad ‘de Vacature’, een uitgave van Thieme in Zutphen.
Hij behandelde de toestand aan de hemel van de betreffende maand en illustreerde zijn artikel met gedichten en wetenswaardigheden, veelal uit de mythologie – ook nu: Griekse mythologie
De gedichten en wetenswaardigheden heb ik uit dit artikel ‘de sterrenhemel in januari’ (1975) hier overgenomen.

J.C.Alders, ‘de Vacature’, 18-12-1975

Volght de vaste en wufte lichten
Op hun spoor
Dat’s op d’aerde een hemel stichten.
Elke star bewaert haer plichten
In Godts koor.
Zeven losse danssen binnen
’t vaste vier.
Dat rondom om prijs te winnen
Zeven telt aen’s hemels tinnen
In hun zwier.
Dat ick dan de zon uitbeelde,
Gij mijn bruit
’t Maenlicht, ’t welckme nooit verveelde.
Scherpe prickel van mijn weelde,
Dans vooruit.

J. v.d. Vondel (1587-1679), „Adam in Ballingschap’.

Ik zal dit jaar citaten nemen van Vondel, daar waar hij over sterren spreekt. Maar dit eist wel toelichting, want vele lezers zullen bij dit citaat niet begrijpen waar Vondel op doelt. We moeten daarom eerst het wereldbeeld uit de tijd van Vondel kennen, dat vooral in de „Lucifer” naar voren komt. Men nam in die tijd het Ptolemeische wereldbeeld aan, dat van de 2e eeuw na Chr. tot ver na de middeleeuwen, ook nog in Vondels tijd, aanvaard werd. De Aarde was hier het middelpunt van het heelal, stil staand in de ruimte, terwijl zon en planeten om de Aarde draaien. Ptolemeus neemt 3 concentrische sferen aan: de sfeer der planeten, de sfeer der vaste sterren en de kristalyne hemel of het primum nobile. Daarbuiten komt dan volgens de mystiek der middeleeuwen het empyreum, de hemel van God en de engelen.

De hemelsferen of planetensferen zijn 7 in getal: de sfeer van de maan, Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus, we begrijpen nu het getal 7 losse in Vondels citaat en Vier-Vuur. Vervolgens de sfeer der vaste sterren, dan komt het onzichtbare primum nobile en dan het empyreum. De Nederlandse taal kent nog twee uitdrukkingen, die aan de leer der sferen herinneren: „in hoger sferen zijn”, dat vooral voor dichters een geschikte verblijfplaats is. En dan „in de 7e hemel zijn”. Daar vertoeven de vrijers welke van de aangebeden vrijster het ja-woord verkregen mits zij wél op het juiste ogenblik aanzoek deden en Jacob Cats (1577-1660) zegt in „Houwelick veroorsaeckt uit Medelyden” uitdrukkelijk, dat dit voor élle vrijsters geldt:

„Daer is een vreemde luym, die alle vrijsters krijgen.
En komt, men weet niet hoe, haer in den boesem zijgen:

Wie na den rechten eysch dat uurtjen treffen kan,
Men houdt’ et voor gewis, die wort’ er meester van”.

In de hemel van Ptolemeus is echter géén plaats voor vrouwen!
Vondel wijst er in de „Lucifer” nog eens nadrukkelijk op en laat Apollon zeggen:

„Helaes, wij zijn misdeelt, wij weten van geen trouwen.
Van gade of gading in een hemel zonder vrouwen”,

(gade = echtgenote, gading = coitus).

Toch is dit wel te begrijpen, immers in de Middeleeuwen en nog lang daarna, meenden „geleerde” mannen „Mulieres homines non sunt” (de vrouwen zijn geen mensen) en nog in 1545 verscheen in Breslau het boek „Charteque” van Acidalius, waarin hij met behulp van alle natuurwetenschappen „bewijst”, dat vrouwen geen mensen zijn. Echter schrijft een tijdgenoot, dat de vrouwen wél bewezen mensen te zijn, althans de menselijke eigenschap van vermoorden bezaten, want „Acidalius moest oppassen dat de vrouwen hem de nek niet braken”.

Of aan zijn overlijden, kort na het verschijnen van het boek, zachte vrouwenhanden deel hadden, schrijft de tijdgenoot niet.

Als de vrouw dan geen mens was en dus geen ziel had bespaarde de theologen de moeilijkheid waar de vrouwenzielen te onderbrengen: in de hel, in het vagevuur. Daarom ontmoet Dante (1265-1321) bij zijn omzwervingen door de hel en het vagevuur géén dameszielen, wél pausen, koningen, keizers en herenzielen.

Volgens de Nederlandse taal hebben de vrouwen wél een ziel, getuige de uitdrukking „een vrouw op haar ziel geven” en blijkens afbeeldingen van middeleeuwse scherprechters „in functie” wisten deze heren precies waar de vrouwenziel zat, want zij geeselden de vrouwen op de blote billen.

In het slot zegt Vondel, dat Adam de zon en Eva de maan uitbeeldt.

We zullen dit verklaren. Dat de zon mannelijk voorgesteld wordt, komt omdat de zon de Aarde bevrucht en de oogst voortbrengt. Derhalve zijn zonnegoden altijd mannelijk. (Merkwaardigerwijze bestuurt bij de Germanen Suna, een godin, de zonnewagen). De maan móest wel vrouwelijk zijn, omdat de synodische omloopstijd van de maan gelijk is aan de cyclus van de vrouw en daarom kennen alle godsdiensten een maangodin.

Ook Vondel wijst daarop in de „Gijsbrecht”: „Hij (Gozewijn) scheen een zon gelijck en zij (Klaeris) de klaeremaen”.

Nu moeten we het getal 7 in Vondels citaat verklaren. Het was een zgn. „heilig” getal en is afkomstig van de maan:

7 dagen duurt het vóór de sikkel half is, 7 dagen voor de maan vol is, dan weer 7 dagen tot de sikkel half is en dan weer na 7 dagen nieuwe maan. Zo zijn dan de „heilige” dagen Sabbath en Zondag ontstaan.

Men telde 7 sterren in Orion en de Grote Beer. Dit leeft nog voort in het Frans: noordelijk is septentrional naar die 7 sterren in de Gr. Beer. En 7 sterren hadden de kleur van Mars, 7 die van Jupiter. Zelfs telde men 7 als er géén 7 te tellen was, want het Zevengesternte telt voor het blote oog 6 sterren en Newton „telde” 7 kleuren in de regenboog omdat 7 een „heilig” getal was.

In de bijbel vinden we tal van feiten en gebeurtenissen met de aanduiding 7 (en 40).

Toch waren in Vondels tijd de nieuwe inzichten der sterrenkunde wél degelijk bekend. Copernicus (1472-1 543) was de eerste, die aannam dat de zon het middelpunt van de planeten was. In 1543 verscheen zijn boek „de revolutionisbus orbium coelestium” (over de draaiing van aarde en hemel) dat van kerkelijke zijde fel bestreden werd en op de Index van verboden boeken in 1616 kwam. Buiten het bereik van de Inquisitie verscheen het boek in 1566 te Bazel en in 1617, na de plaatsing op de Index, in de stad der vrijheid, in Amsterdam, in herdruk.

Galilei nam de leer van Copernicus aan en in 1613 begon zijn strijd met de R.K. kerk. Men ving hem op de stelling van Copernicus en Galilei mocht de ideëen van Copernicus niet meer verkondigen. Galilei schreef nu een boek dat indirect de leer van Copernicus bevatte, het passeerde in 1630 de censuur in Rome en verscheen in 1632. Galilei moest daarom in 1633 voor een kerkelijke rechtbank verschijnen en bleef enigen tijd gevangen in het gebouw der inquisitie. Hij moest de leer van Copernicus afzweren en werd verbannen. In 1638 verscheen zijn boek bij Elsevier in Leiden. Door Galilei’s toedoen werd de leer van Copernicus in brede kring bekend en zetten zijn denkbeelden door. Hoewel deze denkbeelden in uitgaven in Amsterdam en Leiden te lezen waren, hield Vondel vast aan de leer der sferen van Ptolemeus, wat vooral in de „Lucifer” blijkt.

Saturnus

Bij Saturnus is nog [1975] geen ruimtevaartuig geweest, zodat we het met oude kijkerwaarnemingen moeten doen. Hoogstwaarschijnlijk is de structuur dezelfde als van Jupiter, dus een waterstofbol. De dichtheid van Saturnus is nog lager dan van Jupiter, nl. 0,69, het laagst van alle planeten.

Ook vertoont Saturnus banden als Jupiter. De rotatie-duur aan de evenaar bedraagt 10 uur 14 min. De afplatting is 1/10. Er zijn ook af en toe witte vlekken te zien. De temperatuur bedraagt -150°C. De equator middellijn is 12.800 km., dat is 10x de Aardmiddellijn. (Jup. 11 x). De massa van Sat. is 95,22 Aard-massa’s. De afstand tot de zon 1427 miljoen km. De siderische omloopstijd om de zon is 29,458 jaar (een jaar op Sat. duurt 297? aardse jaren).

De versnelling van de zwaartekracht g = 112°. In 1655 ontdekte Huygens de ring. Later bleken er 4 lagen te zijn, A, B, C, D waarbij D in 1969 ontdekt is.

De dikte van de ring bedraagt 20 km en de ring bestaat uit fijn stof. In 1981 zien we de ring op zijn kant. Staat Sat. tussen Stier en Tweelingen, dan is de ring wijd open, staat Sat. in de Leeuw of Vissen, dan is de ring onzichtbaar, want we kijken tegen de kant van de ring, die maar 20 km dik is. Tussen de grootste opening en onzichtbaar zijn van de ring liggen 7 jaar 4 maanden. Albedo 0,42. Baansnelheid 9,6 km/sec. Saturnus heeft 10 manen. We zetten de diameter er tussen haakjes bij: Mias (520), Enceladus (600), Thetys (1000), Dione (1000), Rhea (1400), Titan (5000), Hyperion (400), Japetus (1000), Phoebe (200),Janus (400).

Er is maar 1 maan bij van de grootte van de maan van de Aarde (3476 km). Dat is Titan, 5000 km reeds in 1655 door Huygens ontdekt. Titan heeft een dampkring van methaan en heeft m = 8,3 bij oppositie en kan nu in kleine kijkers bij 40x-50x gezien worden. Titan is de grootste van alle planetenmanen.

Phoebe is retrogade en de laatste maan Japetus is in 1966 ontdekt.

De helderheid m van de manen is gering, ligt tussen + 11 en+ 14.

De manen kregen namen van de titanen, de 6 zonen en 6 dochters van Uranos (hemel) en Gaia (Aarde). Uranos was de zoon en gemaal van Gaia.
Zijn zoon Saturnus (Kronos) ontmande zijn vader, Vondel herinnert er aan in de „Palemedes”:

Saturnus, die zijn vader lubt,
De zoute zee met bloet bedrupt
Een oirzaeck dat’er Venus quam,
Met haere onkuische minnevlam”

lubben = ontmannen. Het afgesneden lid viel in zee, bevruchtte de zee en uit het zeeschuim werd Venus, de godin van de liefde, geboren. Uit de bloeddruppels die op Aarde vielen, ontstonden de Giganten (reuzen) en Erinyen (wraakgodinnen). Saturnus, verwekte bij zijn zuster Rhea: Hestia, Demeter, Hera, Pluto, Poseidon, Zeus. Titanen waren Thetys, Rhea, Titan, Hyperion, Japetus, Phoebe, Dione was een nimf, echtgenote van Zeus, maar later door Hera verdrongen, Zij wordt ook de moeder van Venus (Aphodrite) genoemd. Enceladus was een Gigant.
Janus was een Romeinse god met twee gezichten, één gericht op het verleden, één op de toekomst.

De astrologen brengen Saturnus in verband met lood.

We zien in januari de winterhemel. Recht in het zuiden Orion, daaronder de bij ons zelden zichtbare Haas en Duif. Ook Sirius staat in het zuiden niet hoog boven de kim en flonkert sterk, (scintillatie). Tennyson drukte dit zo uit „and fiery Sirius altes hue And bickers into red and emerald” (en vurig wisselt Sirius van tint en fonkelt als robijn en smaragd). De dichtheid van de dampkring wordt van beneden naar boven steeds ijler en de lichtstraal van de ster gaat door lagen van ongelijke dichtheid en we zien reeksen van verschillende intensiteit en daardoor fonkelt de ster. Ook treedt interferentie op. De lichtstralen komen tot ons langs verschillende wegen, waardoor enkele golflengten verzwakt of versterkt worden, zodat de kleuren variëren. We zien dat goed bij Sirius: rood en groen. Venus en Jupiter fonkelen bijna niet. Maar Mercurius wel, omdat deze planeet altijd zeer laag boven de kim staat. Het fonkelen wordt niet veroorzaakt door de ster, maar door de dampkring van de Aarde. We zitten op de bodem van een luchtzee en daar doorheen moeten we naar de sterren kijken. Op de maan, waar geen dampkring is, is dus ook geen scintillatie. Als de luchtlagen ongelijk verwarmd worden, treden wervelingen op en fonkelen de sterren sterk. In het zenith is de scintillatie het geringst, hoe lager ze staan hoe sterker de sterren fonkelen. Beneden 35° boven de kim fonkelen ze altijd en daarom zien we Sirius altijd fonkelen. Bij lage barometerstand, grote luchtvochtigheid en wind neemt het fonkelen toe. Als des avonds de sterren sterk fonkelen en zelfs Jupiter fonkelt, betekent dat onrust in de dampkring en als de barometer laag staat kan men de volgende dag slecht weer verwachten.

.

7e klas sterrenkundealle artikelen

.

1932

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-6/2)

.
Drs. S.C.Derksen, ‘de Vacature’, 18-12-1975
.

AGRESSIE, GEWELD EN TV

Het meest kwalijke van het geweld is dat het steeds nieuw geweld oproept.

In het vorige nummer schreven we over agressie en het toenemende geweld. Wat dit laatste betreft wezen we op de toenemende geweldcijfers in de V.S. en op het grote aantal gewelddaden elders.[1] Een en ander deed de bekende Amerikaanse filmregisseur Fritz Lang onlangs opmerken dat de huidige wereld ziek is van geweld. Deze uitspraak is zeker niet overdreven, en houdt voor ons allen een dringende waarschuwing in omdat geweld zoals we de vorige keer al schreven, niet alleen een verschrikkelijke zaak is, maar in een wereld met onbeperkte vernietigingsmiddelen zoals de onze ook een rechtstreekse bedreiging van ons voortbestaan betekent.

Vragen we ons af wat nu de oorzaken van de toenemende agressie (en geweldgebruik) zijn, dan kan op een hele rij van factoren gewezen worden. Aangenomen mag worden dat we voor een deel nog steeds te maken hebben met de nawerking van de Tweede Wereldoorlog, en dat de ongeest van het nationaal-socialisme nog altijd niet volledig is uitgebannen. Wie hieraan mocht twijfelen, raden we aan het boekje van Adorno „Opvoeden tot mondigheid” eens te raadplegen. Verder speelt hier het gevoel van vervreemding en van machteloosheid in een steeds groter en ingewikkelder wordende maatschappij een rol. „De mens heeft de weg naar de sterren gevonden”, schreef een bekend Duits psychiater, „maar is in zich zelf verdwaald.” Een onzekere of niet bestaande relatie met zijn omgeving is voor vele mensen in onze tijd een kenmerkende situatie geworden. En het is bekend dat agressie en geweld juist optreden wanneer de mens niet meer weet waar hij aan toe is. Innerlijke leegte, angst, spanning en verveling zijn momenteel de grootste vijanden van de mensheid. De mens die niet tot zingeving in staat is, blijkt gemakkelijk geneigd tot destructie of zelfdestructie.

Een andere oorzaak vormen de vele tegenstrijdigheden waaraan onze moderne samenleving zo rijk is. Aan de ene kant wordt door reclame en dergelijke een groot aantal behoeften opgeroepen, anderzijds zijn er vele beperkingen die een bevrediging van deze behoeften onmogelijk maken. Ook degenen die voor een prestatieloze maatschappij of anti-autoritaire opvoeding pleiten, maken zich aan deze overdrijving schuldig en wekken verwachtingen die niet waar gemaakt kunnen worden (hetgeen niet inhoudt dat het streven naar een grotere gelijkheid en een minder strak opvoedingspatroon op zich zelf waardeloos zou zijn).

Ook is het bekend dat een gebrek aan liefde en vertrouwen in de opvoeding de agressieve neigingen van de mens versterkt. Het staat bijv. vast dat een groot percentage van de delinquenten (± 80%) afkomstig is uit gezinnen waar het aan liefde en geborgenheid heeft ontbroken. Onderzoek heeft verder aangetoond dat kinderen die een strenge opvoeding hebben gehad zich baldadiger gedragen, andere, ruwere spelletjes hebben en meer geneigd zijn tot vooroordelen en anti-gevoelens. Het uiteenvallen van vele gezinnen moet hier dus als een negatieve factor worden beschouwd. Tenslotte kan hier gewezen worden op het ontbreken van een algemeen aanvaard levensperspectief dat zo kenmerkend voor onze tijd is, aan de schaalvergroting die de mens tot nummer dreigt te reduceren, de rationalisering van het arbeidsleven en het daarmee gepaard gaande verlies aan scheppende arbeid en aan de angst die door het huidige afschrikkingsevenwicht wordt opgeroepen. Allemaal factoren die er toe bijgedragen hebben dat bij velen een gevoel van machteloosheid en onbehagen is ontstaan en die de mens meer vatbaar hebben gemaakt voor agressieve en driftmatige impulsen.

Een factor die we nog niet noemden en die ons weer tot ons uitgangspunt terugvoert, is het geweld in onze massamedia. Zoals door meer dan één onderzoek is aangetoond gaat dit geweld meer en meer een bedreiging voor de geestelijke volksgezondheid vormen en dreigt speciaal het kind het slachtoffer van een onvolwassen mediabeleid te worden.

Door de Duitse filmdeskundige Kracauer is in dit opzicht een vergelijking gemaakt met de jaren twintig in Duitsland, toen het Duitse volk, tot wanhoop gebracht door een verloren oorlog enz., in film en literatuur al droomde van misdaad, sadisme en dgl., voordat men ooit van Hitler had gehoord. M.a.w. tijdens het Hitler-bewind kwam slechts aan de oppervlakte wat er voordien in Duitsland in de film en literatuur al aanwezig was. Een van degenen die van mening is dat we uit dit feit lering moeten trekken teneinde een herhaling te voorkomen, is de bekende schrijver Marcuse, eens de lieveling van de links-radicale studenten maar nu om zijn strijd tegen het geweld niet meer zo populair. Volgens Marcuse leidt overmatig gebruik van geweld in film, televisie enz. onherroepelijk tot een normalisering van dit geweld, m.a.w. door dit vertoon van geweld wordt het gruwelijke steeds méér gewoon in de ogen van de mensen en verliest het zijn afschrikkende werking. Hoe groot de hoeveelheid geweld in de tv-programma’s wel is, blijkt o.a. uit het feit dat in de V.S. een schoolkind in de periode van 5 tot 15 jaar gemiddeld 13.400 moorden en dgl. op het televisiescherm ziet, en dat er in een rustig(?) landje als Nederland in een week ruim 150 ernstige gewelddaden op de beeldbuis voorkomen waarvan meer dan 50 met dodelijke afloop. Op zichzelf is het natuurlijk een beschamende en in-trieste zaak, dat bij gebrek aan voldoende andere mogelijkheden het geweld als middel tot vermaak en verstrooiing moet dienen. Maar erger is nog, dat dit gebeurt, terwijl langzamerhand wetenschappelijk vast is komen te staan, dat er een duidelijke correlatie bestaat tussen de overmatige grote hoeveelheid geweid in de massamedia enerzijds en het toenemen van de agressie anderzijds. In een volgend artikel zullen we wat uitvoeriger op de resultaten van dit onderzoek ingaan en tevens de vraag aan de orde stellen hoe de school hier en elders een tegenwicht tegenover het oprukkend geweld kan vormen.

1] Op het ogenblik dat we dit artikel afsloten, maakte de radio de eerste feiten rond het treindrama bij Beilen bekend. Hoewel het in deze kapingszaak vooral om politieke achtergronden gaat, kan men zich afvragen in hoeverre ook hier het constante dieet van geweld in onze media medeschuldig is, en er toe heeft bijgedragen de weerstand tegen het doden van onschuldige mensen te verminderen.

Geweld op de beeldbuis

In 1969 werd er in de Ver. Staten een onderzoek verricht waarin een sample van 183 programma’s was betrokken (met een totale duur van 122,5 uur). In 149 van de 183 gevallen kwam geweld voor, waarvan 30 keer met dodelijke afloop. In Engeland leverde een overeenkomstig onderzoek resp. de volgende getallen op: 49, 79 en 15.

In het zesde jaar bleek uit een in Nederland gehouden onderzoek, dat er in de (rustige) week van 25-31 januari niet minder dan 22 programma’s werden uitgezonden waarin sprake was van ernstige vormen van geweld. Het aantal slachtoffers bedroeg hier 153, waarvan 51 werden gedood. De meest gewelddadige programma’s waren Rawhide, de Wrekers, Babette op Oorlogspad, High Chapperelle, Gunsmoke, Ironside en Dubbelganger, terwijl ook het Journaal een niet gering aantal gewelddadigheden met dodelijke afloop vertoonde. De verhouding fictie en realiteit was resp. 80 en 73, 44 en 7.

Hoewel na 1969 geen exact onderzoeksmateriaal over deze kwestie beschikbaar kwam, mag men op grond van een aantal incidentele gegevens aannemen dat het aantal gewelddadigheden op de beeldbuis al weer aanzienlijk groter is dan in bovenvermelde onderzoekingen kon worden vastgesteld.

Gegevens o.a. ontleend aan W. Kok, Geweld op de Televisie, Groningen 1971.

.Deel 1 en deel 3 van deze artikelenreeks

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1931

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (32)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

 

.Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, lente 2002, nr 9
.

Klank, beweging, oriëntatie in de ruimte, taal en tasten -het is een greep uit de schat aan ontwikkelingsmogelijkheden die kinderrijmpjes in zich bergen. En dan met name die waarin ledematen, handjes en voetjes volop meedoen.

Het eerste moment waarop je de aanstekelijke uitwerking van kinderversjes kunt beleven is als je baby net kan zitten, met een eenvoudig liedje als ‘Klap eens in je handjes, blij, blij, blij’. Eerst houd je zijn handjes nog vast en laat hem merken hoe het is als die tegen elkaar aan klappen. Je brengt zijn armpjes naar boven en met allebei zijn handjes laat je hem zijn ‘boze bolletje’ aftasten. Al snel zal hij bij de eerste tonen van het versje zelf enthousiast en – zoals je baby natuurlijk ook wel merkt – onder grote bijval van de omstanders zijn handjes tegen elkaar klappen en naar zijn hoofdje brengen. Een volgende stap vormen rijmpjes als:

Duimelot is in het water gevallen,
Likkepot heeft hem eruit gehaald,
Lange Jaap heeft hem thuis gebracht,
Ringeling heeft hem in bed gelegd
En het kleine pinkje heeft alles tegen moeder gezegd

Daarbij krijgen alle vingertjes (of teentjes) een beurt. En ten slotte zijn er de versjes waarbij handen en vingers op ingenieuze manier in elkaar strengelen om er een klingelend klokje, een bootje, vogelhuisje of vlinder uit te voorschijn te toveren. Vooral de wat oudere kleuters kunnen met hun vingers feilloos ingewikkelde vormen maken waar je als volwassene echt eerst even stiekem op moet oefenen. Tot je schrik merk je dan nogal eens hoe moeilijk het is om te voelen wat je vingers doen.

Misschien minder praktisch dan ‘Spelen met de vingers’, maar wel heel fraai uitgegeven is het boek Kinderrijmpjes. Bij de tijdloos mooie aquarellen uit Beatrix Potters dierenboekjes zijn rijmpjes en raadsels gekozen waar ze zelf als kind dol op was.

Eekhoorn Hakketak:

Het ligt op zijn zij
Met wat strootjes erbij
Er is geen dokter of kapelaan
Die hem rechtop kan laten staan.

Kinderrijmpjes 2

 

Kinderrijmpjes

Beatrix Potter

 

Boek

 

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1930

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.