Tagarchief: 0 – 7

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen – 0 – 7

.

Weleda Puur Kind, herfst 2005, nr.16
.

Kijken is een leerproces

Hoe leren we zien? Waarom kijken kinderen graag naar primaire kleuren en aan welke visuele indrukken hebben zij behoefte bij hun ontwikkeling? Mirre Bots sprak met oogarts Wim Huige en kinderarts Edmond Schoorel.

‘Ogen zijn de spiegels van de ziel. Bij kinderen is dat bij uitstek te zien. Door hele grote kijkers kijken ze vol verwondering de wereld in. Hun ogen lijken zo groot omdat de pupillen veel groter zijn dan die van bijvoorbeeld bejaarde mensen,’ legt oogarts Wim Huige uit.
‘Door het leven getekend en met eelt op zijn ziel laat de oude mens zich niet meer goed in zijn ogen kijken, terwijl kinderen nog vol bewondering de wereld in zich opnemen en ze voor de meeste mensen een open boek zijn. Het verschil in
pupilgrootte is een normaal, fysiologisch gegeven.’

De wereld leren ontmoeten

Wim Huige: ‘Een ander prachtig cadeau van de natuur is dat kinderen bij de geboorte een lenssterkte van +3 tot +5 hebben. In de loop van de eerste zeven tot acht jaar vermindert deze sterkte van de lens, om rond nul uit te komen. Willen kinderen vanaf het begin al goed te kunnen zien, dan moeten ze zich dus inspannen om die lenssterkte van +3 tot +5 te overbruggen. Dat doen ze door te accommoderen, oftewel het leren focussen van het beeld. Dit is een aangeboren, natuurlijk proces. Het is tegelijkertijd een leerproces om vertrouwd te raken met hun eigen lijfje en de wereld om hen heen.’
Tot ongeveer het zevende jaar rijpt de oogzenuw uit. Het gezichtsvermogen kan hierna eigenlijk niet meer worden verbeterd. Vanaf nu gaan kinderen diepte zien en kunnen ze in het verkeer gaan inschatten hoe ver een auto van hen vandaan is. ‘Daarvóór kun je ze wel een helmpje opzetten, maar dat helpt hen niet in het leren anticiperen op de omgeving.’

Een hang naar echt

Het oog is bij uitstek het orgaan om de wereld mee te ontmoeten. Huige: ‘Het begint al bij een baby die vol overgave aan de borst ligt. Elke moeder kent dat wel, dat haar baby haar dan zo intens kan aankijken. De moeder kijkt liefdevol terug. Die liefde van de moeder is de prikkel om te kijken. Het kind wil met zijn oog de wereld om hem heen leren kennen. Daarbij kan het de eerste jaren vanwege die oogsterkte nog niet zo goed differentiëren. In eerste instantie heeft het kind een natuurlijke hang naar gewone, echte dingen als een manier om de wereld te leren herkennen. Daarom kijken kinderen graag naar primaire kleuren. Rood is rood en groen is groen.’

Kinderarts Edmond Schoorel vult aan: ‘Via zijn ogen kan een kind ervaren hoe de werkelijkheid eruit ziet. Een glazen vaas die op een harde grond kapot valt, spat in duizend stukjes uiteen. Dat zegt dus iets over glas. Maar een kind ziet alleen die dingen min of meer bewust waar hij de begrippen van kent. Als een kind bijvoorbeeld iets dat rond is een bal gaat noemen, heeft het een begrip geleerd. Naarmate de hoeveelheid begrippen ruimer wordt, gaat het kind meer zien. Een prullenbak van gevlochten riet leert een kind wat riet is en wat gevlochten is. Ons oog is erop ingericht dat je met het begrip riet en gevlochten naar buiten gaat en dat vervolgens ziet.’

Steeds dezelfde plaat

Ouders zouden hun kinderen niet te veel visuele prikkels moeten aanbieden, vindt Schoorel. ‘Een kind zit het liefst rustig op schoot om zich heen te kijken. In een kamer of tuin valt al genoeg te zien, daar hoef je nog niet allerlei prikkels aan toe te voegen. Als je met je kind zomer en winter hetzelfde rondje loopt, wordt het voor jou misschien saai, maar hij ziet dezelfde wereld steeds in een andere verschijningsvorm: met sneeuw, groene blaadjes of kale takken. Hij kijkt zijn ogen uit. Ook op zijn kamertje is één bepaalde plaat aan de muur genoeg. Je hoeft daar niet steeds iets anders leuks of flitsends op te hangen. Steeds dezelfde plaat zien geeft het kind juist het gevoel “hier hoor ik”, “hier ben ik veilig”. En dat heeft een kind weer nodig om vanuit een veilige haven de wereld te kunnen gaan ontdekken.’»

RODE EN ONTSTOKEN OOGJES

Kleine kinderen lopen gemakkelijk rode of ontstoken oogjes op. Ze zitten veel bij en aan elkaar en zijn bevattelijk voor allerlei virussen die de slijmvliezen prikkelen. Toch zijn die rode oogjes meestal onschuldig. Dat kun je zien aan het oogwit: als dat wit blijft, kun je de klachten zelf verlichten door een kompres met kamillethee of ogentroost.[1] Ook kun je de oogjes met een watje gedrenkt in gekookt water schoonwrijven. Wrijf wel naar de neus toe. Als het lang duurt of echt om een ontsteking gaat (te zien aan het oogwit dat ook rood wordt), dan is een bezoekje aan de dokter raadzaam.

Heeft een baby vanaf de geboorte regelmatig pus in zijn oogjes, dan kan het een verstopt traanbuisje zijn. Hiervan gaat 95 procent vóór het eerste jaar spontaan open en dan is een ingreep om het te verhelpen niet nodig. Wat ouders kunnen doen om het opengaan te bevorderen, is vier tot zes keer per dag, bijvoorbeeld tijdens de voeding, de traankanaaltjes masseren door met de wijsvinger zachtjes vanaf de ooghoek langs de neus naar beneden te wrijven.

Dit is geen commerciele blog. De firma Weleda maakt hier niet zelf reclame: dat doe ik uit een soort dankbaarheid dat deze middelen bestaan. Ik heb van vele de weldadige werking ondervonden: bij mijzelf, bij onze kinderen en bij kinderen in mijn klas, bij bv. builen en wondjes. Vandaar onderstaand bericht:

Geprikkelde oogjes? Ogentroost helpt!

Weleda: gezondheidsproduct voor de ogen: ogentroost oogdruppels. Het is speciaal ontwikkeld voor kinderen en volwassenen met geprikkelde, rode en tranende ogen.

Ogentroost oogdruppels bestaat uit een extract van verse ogentroost (Euphrasia officinalis) in een isotone zoutoplossing. Door toevoeging van de natuurlijke zouten kaliumnitraat en natriumboraat is de samenstelling van de oogdruppels gelijk aan die van de lichaamseigen vloeistoffen. Daarnaast bevatten de druppels natuurlijk boorzuur, dat de pH-waarde dichtbij die van natuurlijke tranen brengt (rond 7,4). Zo ontstaat een zuiver natuurlijk product dat verlicht, verzorgt en verzacht bij geprikkelde, rode en tranende ogen.

Met de hand plukken

In de Weleda-tuin in Wetzgau, Zuid-Duitsland, staat de kleine ogentroost tussen grassen en kruiden en ‘kijkt’ zij met haar geel-paarse bloemetjes blij de wereld in. Haar bloeiende stengels bevatten ontstekings- en bacteriënremmende stoffen die samentrekken en verzachten. Deze zijn met name werkzaam op de tere huid rond de ogen en op de slijmvliezen. In juli gaan de tuinmedewerkers van Weleda het veld in om de bloeiende stengels met de hand te plukken, waarna nog dezelfde dag collega’s van de productieafdeling de verse planten reinigen en versnijden. Om de heilzame stoffen uit de plant te ‘trekken’, voegen ze deze toe aan een mengsel van water en alcohol. Na twee weken is een extract ontstaan. Dit extract helpt, verwerkt in Ogentroost oogdruppels, geprikkelde en vermoeide ogen verzachten en verzorgen. Uit een onderzoek onder 112 kinderen in de leeftijd van 0 tot 16 jaar blijkt dat de oogdruppels bij JüÉ 98 procent rode, sm tranende, brandende en dichte ogen binnen zes dagen verhelpt.* Bovendien worden ze goed verdragen.

 

Weleda Ogentroost

ontwikkelingsfasenalle artikelen

menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen

.

1943

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen van het kind

.

In het rapport ‘Het binnenste buiten’ wordt soms korter, soms langer de ontwikkeling van het kind geschetst. Dat gebeurt op verschillende plaatsen.

Hier staat alles nog eens bij elkaar:

Ontwikkelingsfasen van het kind
Een meer uitvoerige typering van de leeftijdsfasen die in de kinderontwikkeling te onderscheiden zijn, kan niet gemist worden om te verduidelijken hoe de leerstof als ontwikkellingsstof gepresenteerd kan worden. De keuze van de leerstof heeft dan ook een antropologische grondslag en wordt niet alleen bepaald door externe, maatschappelijke eisen. De grondgedachte is dat de — inmiddels voor de biologie achterhaalde — recapitulatie-theorie van Haeckel geldigheid bezigt voor de psychologische ontwikkeling van het kind wiens bewustzijnsprocessen een korte herhaling te zien geven van de in de historie herkenbare bewustzijnsontwikkeling van de mensheid. [1]
De leerstof wordt derhalve geput uit het algemene cultuurgoed van de mensheid. Daarmede wordt — met C. Vervoort — het z.g. ‘middle-class cultuurmodel’ als unidimensionaal referentiekader duidelijk afgewezen. Principieel wordt de psychische geaardheid van de kinderen als uitgangspunt gekozen. Het gaat om mensvorming in de eerste plaats, aangezien de biologische geboorte nu eenmaal geen garantie vormt voor de menswording van de mens. Innerlijke processen bij het kind kunnen hun weerspiegeling vinden in beelden en feiten van de leerstof.

Wanneer het kind iets van zichzelf ‘herkent’ in de leerstof, iets wezenlijks dat bij hemzelf behoort, is een zeer belangrijke bron van motivatie aangeboord. Volgens het door Rudolf Steiner ontwikkelde mensbeeld bestaat de mens uit lichaam, ziel en geest. Het lichaam, sterk bepaald door erfelijkheid en milieu, verschaft de geest middels de ziel een woning. De geest is de eeuwige wezenskern, de individualiteit, die zich met de geboorte belichaamt en zijn levensplan via ziel en lichaam wil verwezenlijken. De wezenskern is uniek. Geen twee mensen zijn dan ook hetzelfde. Men kan deze wezenskern ook ‘hoger Ik’ noemen. Het hoger Ik gebruikt de ziel als instrument. De ziel, middelaar tussen geest en lichaam, is een bundeling van drie krachtvelden: het denken, het voelen en het willen.

De basis voor de ontplooiing van de wil wordt gelegd in de eerste zeven levensjaren. De grondslag voor de ontplooiing van een rijk en genuanceerd gevoelsleven wordt ontwikkeld in dc tweede zevenjarige periode (7-14 jaar). Na het 14e levensjaar ontwikkelt zich het zelfstandige, kritische denken. Na 21 jaar is de jongere rijp om zelfstandig in het leven te staan; het ik kan nu in de denkkrachten, gevoelskrachten en wilskrachten tot uitdrukking worden gebracht. Volgens de bovengenoemde wetmatigheid ontwikkelen de drie zielskrachten zich spontaan in ieder kind, al brengt het de globale wetmatigheid van de leeftijdsfasen toch op persoonlijke wijze tot uitdrukking.

De eerste zeven jaar (algemeen)
Het kind is in de eerste zeven jaar geheel aan de zintuiglijke indrukken overgeleverd. Het leeft met zijn zintuigen in de hem omringende wereld. Het is geheel oor als het luistert, geheel oog als het kijkt. Er is een onbewuste wilsstroom die op de wereld gericht is en zich uit in de nabootsing. Door de bewegingen na te bootsen ontwikkelt het kind zijn eigen bewegingen.

Lichamelijk presteert het kind dat het zijn eigen lichaam opbouwt. In de antroposofie spreekt men ervan dat het kind het hem geschonken ‘erfelijkheidslichaam’ naar buiten uitstoot en van binnen uit zijn individuele lichaam, de individuele vormen van de organen, opbouwt naar eigen temperament en aanleg. Als afsluiting van dit proces worden de melktanden uitgestoten.

Hoe degelijker en rustiger het lichamelijke fundament gelegd wordt, hoe beter het kind zijn verdere ontwikkeling daarop kan bouwen. Een huis met een slechte fundering stort in.

De eerste fase is dus de lichamelijke fase, het lichaam moet verzorgd worden, gewoonten moeten in deze tijd bijgebracht worden. Bijvoorbeeld goed kauwen, waarbij zowel het fysieke orgaan van de spraak — hetgeen articulatie ten goede komt — als ook het hele verdere lichaam in beweging gezet wordt, met name de bloedstroom en stofwisseling. Eten is ook de verbinding met de aarde.

Het kind moet in deze tijd in de eerste plaats aardeburger worden. Ontvangen we het kind met 4 jaar in de kleuterklas, dan is dit proces in volle gang. De kleuterklas (school) behoort dus eigenlijk een instituut te zijn waar deze processen een vervolg kunnen hebben zodat het kind de gezonde lichamelijkheid kan opbouwen als basis voor het verdere leven.

Het kind van de tandwisseling tot het negende jaar

De ontwikkeling van het kind
De drie zevenjarige perioden, waarin het kind zich tot volwassene ontwikkelt, zijn uitdrukking van de drieledige mens. Lichaam, ziel en geest staan respectievelijk tussen geboorte en mondigheid op de voorgrond.
Wanneer men dezelfde tijd vanuit het psychische wil karakteriseren, mag men zeggen: 0-7 ‘wilsperiode’, 7-14 ‘gevoelsperiode’ en 14-21 ‘denkperiode’ om daarmede aan te geven, dat de eerste periode streefkarakter, de tweede gemoedskarakter en de derde voorstellings- en gedachtekarakter heeft.
Het interessante is, dat in iedere periode weer een spiegeling van deze drieledigheid te vinden is. Populair kan men zeggen: de basisschooltijd is de ‘grote gevoelsfase’, beginnend met een ‘kleine wilsfase’.

Een kleine fase duurt 21/jaar. De basisschooltijd wordt in het lichamelijke gekenmerkt door een vulling van de romp, gevolgd door een strekking van de ledematen. Fysiologisch staat de ontwikkeling van het ritmische systeem op de voorgrond. Langzamerhand ontstaat de harmonische één-op-vier-verhouding tusen ademtocht en hartslag. Het ritmische systeem is de drager van het gemoedsleven, dat zijn culminatie vindt gedurende de kleine gevoelsfase.
De gemoedskrachten zijn op hun beurt gedragen door een machtige fantasiestroom, die omstreeks het vierde jaar begint te vloeien. Men zou de tweede periode ook ‘fantasieperiode’ mogen noemen.
Rond de tandwisseling is uit de kleuter een geheel ander kind gegroeid. Het denken heeft zich geëmancipeerd, zodat het kind kan denken in beelden, die zelfstandig gehanteerd kunnen worden. Intellectueel is het kind nog onrijp, d.w.z. het vermogen om abstracties en het logisch-theoretische op te nemen en te verwerken is nog niet aanwezig. Normaal en goed is het, dat dit vermogen tegen het einde van de schooltijd optreedt.
Wél is het geheugen rijp en klaar wakker. Het kind kan zeer veel opnemen. Abstracties echter belasten het geheugen en maltraiteren het. Inhouden van beeldend karakter echter zijn ‘brood’ voor de kinderziel.
De beelden worden gebracht door de taal. Het kind wordt steeds ontvankelijker voor het woord als zodanig. Beelden die ‘verwoord’ zijn, worden met grote sympathie door het kind opgenomen. Daarvoor is het nodig, dat het kind een leerkracht volgt, die hem tot luisteren kan brengen. De tijd van nabootsing is overgegaan in een tijd van navolging. De leerkracht moet dan ook een autoriteit voor het kind zijn d.w.z. een mens, die gevolgd wordt uit liefde en sympathie. Rudolf Steiner wijst er met klem op, dat eigenlijk alleen een autoriteit het kind tot het ‘luisteren naar een ander’ kan brengen, een belangrijk sociaal vermogen, dat de grondslag vormt voor het latere besef, dat alle menselijke wezens
gelijkwaardig zijn.
Ten slotte moet worden vermeld, dat de wil bij het schoolkind nog voor een groot deel verbonden is met de zintuigprocessen. Zo kan het alleen die leerstof met vrucht opnemen, die op de gehele mens werkt d.w.z. beweging, creatief doen en spelelementen in zich draagt. Juist voor de intellectuele vakken is het
spelelement bij het leren onmisbaar en gezond makend.

Het kind van het negende jaar tot het twaalfde jaar

De ontwikkeling van het kind
De middenmoot van de tweede zevenjaarperiode wordt gekenmerkt door een intensivering van het gevoelsleven. We hebben de gehele basisschooltijd gekenschetst met ‘gemoedsperiode, fantasieperiode’. Nu nadert deze tijd zijn hoogtepunt in de gemoedsperiode. Fantasie-ontwikkeling is zeer noodzakelijk: gemoed in het kwadraat, fantasie in het kwadraat.

Waardoor is het kind zo gevoelvol, kittelorig, onzeker, kritisch en vaak onhebbelijk, wanneer het negende jaar is verstreken? Waardoor ontbreekt het vaak aan moed of goede wil? Waardoor ontstaat die prikkelbaarheid?
Er is een kleine crisis ontstaan. De krachten van het gemoedsleven zijn aan een metamorfose toe, die naar een persoonlijk zielenleven leidt, zeven jaar, nadat omstreeks het vierde levensjaar de totaliteit van het gemoed, de fantasiekracht en het geheugen werden geboren. Deze verdieping brengt mee, dat het Ik niet alleen als Ik-bewustzijn, zoals op het 3e jaar, begint te werken, maar dat nu het Ik als centrum van de ziel zó ver met het gehele lichaam verbonden raakt, dat een beleving ontstaat, van de tegenstelling tussen ik (individualiteit) en wereld (al het andere).
De kracht van het Ik-bewustzijn neemt aanmerkelijk toe, de scheiding tussen het kind en de omgeving, waarin het naïef én vanzelfsprekend leefde, wordt voltrokken. Het zielenleven wordt daardoor zelfstandiger en meer verinnerlijkt. Bij sommige kinderen is het zelfs een schok-achtig beleven. Maar voor ieder kind is het een beleving, die leidt tot onzekerheid, angst en vaak een zekere agressiviteit. Het kind wil nu de gehele wereld (en ook zijn opvoeders!) van een nieuwe zijde leren kennen. Het wil kritisch zijn, maar ook wel bewust gaan achten, waar het voorheen kinderlijk liefhad. Ja, het wil dan ook bemerken, dat deze achting terecht is.

Wel stelt deze levensperiode van het kind de opvoeders en leraren voor problemen, die met wijsheid en tact moeten worden opgelost. Het kind kan zeer ontgoocheld raken tegenover een volwassene.
Een harmonisering treedt op in het 11e jaar. Het kind begint de goede ritmen van pols en adem te krijgen (4 : 1).

Het kind van het twaalfde jaar tot de geslachtsrijpheid

De ontwikkeling van het kind
Het laatste gedeelte van de tweede zevenjaarperiode wordt gekenmerkt door een intensivering van het denk- en voorstellingsleven. De hoogtepunten van de gemoedsperiode (of fantasieperiode) zijn voorbij. Een denken kondigt zich aan, dat het volwassen denken met logische en theoretische functie gaat benaderen en op normale wijze rijp wordt voor abstracties. Lichamelijk is er iets te zien, wat deze ontwikkeling als het ware ondersteunt: de vulling van de romp gaat geleidelijk over in een strekking van de ledematen. Het kind heeft een zeker evenwicht hervonden, het wordt geboeid door de geweldige mogelijkheden die de zintuiglijke waarneming biedt om de wereld te leren kennen. Innerlijk is er iets, wat het kind vooral wil: het wil de waarheid omtrent de wereld leren kennen. Ook fysiologisch is er veel aan de hand. De overschrijding van de twaalfjaargrens is zeker even belangrijk als die van het 9e jaar was. Wat is namelijk het geval? Veel sterker dan voor die tijd begint het kind zich te verbinden met zijn skelet.

Het jongere kind beweegt zich met een vanzelfsprekende gratie door zijn spiersysteem, dat gevoed wordt door de ritmisch circulerende bloedstroom. Maar tegen het twaalfde jaar ‘pakt’ de jonge mens zijn skelet. Van de spieren gaat het via de pezen tot de botten. De bewegingen verliezen ritme en gratie, zij worden hoekig, onhandig en willekeurig. Het kind komt in de zogenaamde ‘vlegeljaren’ en het weet niet, wat het met zijn ledematen beginnen moet.

Maar nu het geestzielenwezen van het kind zich sterker met het mechanische van het skelet verbindt, kan het ook alles met nut en zonder schade opnemen, wat in het leven en in de wetenschap aan mechanische wetmatigheden onderworpen is.

Een hele rij van nieuwe vakgebieden gaat voor het kind op dat moment een rol spelen: meetkunde, algebra, natuurkunde, mechanica, scheikunde, perspectieftekenen.

Het kind wil de wereld in deze mechanische wetmatigheden aan fenomenen leren kennen, het waargenomene doordénken en daaruit conclusies trekken. De wereld moet ‘waar’ voor hem zijn!

.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

.

Het 12-jarige kind

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

1342

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.