VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 3 (3-7-1)

.

Een van de mensbeelden die Rudolf Steiner gebruikt om meer over het wezen mens te kunnen meedelen, is het drieledige mensbeeld.

Deze visie is voor velen aanleiding geweest er op hun eigen werkterrein mee te zoeken naar antwoorden op vragen en/of het opstellen en uitwerken van gezichtspunten.

In onderstaand artikel gaat de arts Dr.O.Wolff in op wat het kan betekenen voor de medische wetenschap:

 

De drieledige mens als grondslag voor een verruiming van de medische wetenschap

.

Er verstrijkt geen jaar, waarin niet een overvloed van resultaten van wetenschappelijk onderzoek en nieuwe medicijnen wordt aangeboden. Daarom is de vraag gerechtvaardigd: wat is nu werkelijk nieuw?

Men spreekt tegenwoordig [art. uit 1971] over een crisis in de medische wetenschap. En daarbij is men er zich ten volle van bewust, dat het om principes gaat, niet om een of andere verbetering, al zou die nog zo indrukwekkend zijn. De grondslag van onze huidige medische wetenschap is echter de wijze van denken van de natuurwetenschap, zoals deze zich sedert het begin van de nieuwe tijd ontwikkeld en vanzelfsprekend ook geperfectioneerd heeft. Hier wordt de mens dus eenzijdig, d.w.z. ook natuurwetenschappelijk gezien. Het is de taak en de dwingende noodzaak van onze tijd, dit te erkennen en — zonder van de verworven inzichten afstand te doen — de mens in zijn totaliteit van lichaam, ziel en geest te realiseren en dit samenspel concreet tot in alle onderdelen na te gaan, zodat men kan doorzien, welke substantie de stoffelijke drager van bepaalde processen van psychische of geestelijke aard is.

De grondslag van zo’n inzicht, dat de gehele mens omvat is de drieledigheid van het menselijke organisme, zoals Rudolf Steiner deze uiteengezet heeft na een moeitevol onderzoek van tientallen jaren. Een korte samenvatting op enkele bladzijden zoals de hier volgende, kan vanzelfsprekend slechts enkele grondprincipes ter sprake brengen.

Het onderzoek van organen levert belangrijke gezichtspunten op voor de functies daarvan. Wanneer men echter hun betekenis voor de gehele mens wil onderkennen, dan moet men onderzoeken, wat zich uitdrukt in de speciale functies daarvan. Men moet van het orgaan komen tot de dynamiek, die daarin werkzaam is. Op die manier kan men tot het inzicht komen, dat verschillende organen door hun functie in zichzelf een eenheid vormen. Wanneer men bv. de zintuigen bekijkt, dan kan men gemakkelijk inzien, dat die alle iets met elkaar gemeen hebben; ze geven de menselijke ziel de indrukken door van de wereld die haar omgeeft (bv. oog en oor), of wel van zijn eigen lichaam (bv. evenwicht, warmte, tastwaarneming). Bovendien zal men kunnen vaststellen, dat alle zintuigen een duidelijke verbinding hebben met, of wel relatie tot de zenuwen en daarmede tot de hersenen. Het is dan ook geen toeval, dat de belangrijkste zintuigen in het hoofd geconcentreerd zijn (oog, oor, neus, tong, halfcirkelvormige kanalen in het oor als evenwichtsorgaan). Ook bevindt zich in het hoofd de grootste hoeveelheid van de zenuwen, nl. de hersenen.
Vanuit dit gezichtspunt kan men deze twee groepen van organen tot een functionele eenheid, het zenuw-zintuigstelsel, samenvatten.

Wanneer men dan ook de dynamiek, de tendenties van de richtingen en krachtsverhoudingen zoals die in het zenuw-zintuigstelsel voorkomen vervolgt, dan moet men zeggen, dat het zeker geen toeval is, dat in het gebied van het hoofd de waarnemingsorganen liggen, waarvan de richting waarin ze werken zich van buiten naar binnen uitstrekt. Het licht, de toon en ten slotte het voedsel stromen door de daarvoor geschapen poorten in het inwendige van het organisme binnen. Inderdaad vervullen de zintuigen de taak van poorten: ze moeten iets zoveel mogelijk onveranderd doorlaten, bv. het oog het licht, het oor de toon enz. Hoe minder ze de indrukken veranderen, des te beter functioneren ze. Maar een dwingende eis om zo te kunnen functioneren is: rust. Daarom is het hoofd ook dat deel van het lichaam, dat bij bewegingen het meest in rust gelaten wordt. Er zijn zelfs vele functies, die schokken en bewegingen teniet doen en opvangen, zoals de elasticiteit van de wervelkolom, van het kraakbeen, het hersenvocht enz. Geen orgaan is dan ook zo gevoelig voor schokken als de hersenen.
Van de karakteristieke relatie van het zenuw-zintuigstelsel tot bepaalde krachten willen we nog noemen: de verhouding tot warmte en kou. Iedereen zal kunnen beleven, dat het hoofd, d.w.z. het zenuwstelsel voor zijn gezond functioneren een bepaalde mate van warmte niet moet overschrijden. Men moet „het hoofd koel houden” om bv. goed te kunnen denken. In tegenstelling daarmee heeft een te sterke aandrang van bloed zoals die bij een stijging van de warmte bv. bij koorts optreedt, een duidelijke nadelige invloed op de functie van de zintuigen. Voor het ongestoord functioneren van het zenuw-zintuigstelsel is dus niet alleen rust, maar een matige warmte d.w.z. een bepaalde graad van koude karakteristiek.

Wanneer men daarbij nog in aanmerking neemt, dat in het zenuw-zintuigstelsel niet alleen „rust en koude” overheersen, maar dat juist daardoor niets gebeurt, d.w.z. dat er nauwelijks stofomzettingen te vinden zijn, dan wordt begrijpelijk, dat de zenuwcellen — en ook de zintuigcellen — het minste leven vertonen. Een zenuwcel verliest praktisch onmiddellijk na de geboorte het vermogen tot deling. Een eigenlijke groei, als uitdrukking van het leven, is in dit gebied nauwelijks aanwezig. Het grootste deel van het oog, alsook de witte hersensubstantie vertonen bijna in het geheel geen leven meer. Wanneer men deze gedachtegang verder vervolgt — wat hier natuurlijk slechts aangeduid kan worden — dan moet men zeggen, dat in het zenuw-zintuigstelsel juist het tegendeel van leven is, nl. de dood. Reeds gedurende het leven zijn ten minste delen van deze organen zo goed als afgestorven en kunnen daardoor alleen hun functie uitoefenen. Bv. vindt men in de lens en in het glasachtig lichaam van het oog geen bloed en nauwelijks stofwisselingsprocessen. Hetzelfde geldt voor de witte hersensubstantie.
Men kan zich gemakkelijk voorstellen, dat de mens door middel van dergelijke organen niet zou kunnen leven en dat dus het leven zelf met andere organen verbonden moet zijn. De hierboven beschreven dynamiek met de tendentie „rust, koude en dood” is zo duidelijk eenzijdig en op één gebied gcconcentreerd, dat er in het organisme ergens het tegendeel aanwezig en actief moet zijn.

Inderdaad kan men organen vinden, waarin een volkomen tegengestelde tendentie heerst. Er is nauwelijks een orgaan te vinden, waarvoor de beweging zo karakteristiek is als voor de spier. Het is algemeen bekend, en de sportman weet dit dan ook en handelt ernaar, dat warmte voorwaarde is voor een ongestoord functioneren van de spier. Anderzijds wordt door warmte ieder proces versneld en daarmee juist de rust opgeheven. Beweging en warmte horen evenzeer bij elkaar als rust en koude.

Men mag onder beweging niet alleen uiterlijk te herkennen voortbewegen verstaan: ook stofomzettingen vallen hieronder. Warmte ontstaat immers door verbranding, oxidatie, dus een zeer intensieve omvorming van de stof.
Er zijn organen, waarvan de voornaamste taak uit omzetting en verandering van stoffen bestaat. De lever is daarbij het hoofdorgaan. Daarin vinden voortdurend stofwisselingsprocessen uit het gehele lichaam plaats. Daarom behoort het ook tot het wezen van deze orgaanfunctie, dat men in de lever steeds een iets hogere temperatuur vindt, dan in het overige organisme.
Dergelijke omzettingen, d.w.z. intensieve stofwisselingsprocessen, komen niet alleen voor in de spieren en de lever, maar ook in de darmen en de nieren en eveneens in het bloed. In deze organen kan men het zwaartepunt van de stofomzettingen zien en het totaal van deze processen en deze organen als stofwisselings-ledematenstelsel samenvatten. Inderdaad vertonen deze organen een duidelijke relatie tot het leven. De woorden „lever” en „leven” staan met elkaar in verband. Wanneer men de leverfuncties tot in hun uitwerkingen nagaat, dan blijkt dat de lever werkelijk een zeer voornaam levensorgaan is. Het leven zelf is in zijn verschijningsvorm aan stofomzettingen gebonden en uit zich daarin.

Bekijkt men nu deze beide systemen, het zenuw-zintuigstelsel en het stofwisselingsstelsel als tegenspelers, dan blijkt, dat niet alleen hun voornaamste organen ruimtelijk van elkander gescheiden liggen, maar dat de geschilderde tendenties en alle verschijnselen aan elkaar tegengesteld zijn.

In het zenuw-zintuigstelsel is de voornaamste tendentie, om door de waarnemingsorganen de buitenwereld in het organisme te laten binnendringen. In het gebied van het stofwisselings-ledematenstelsel daarentegen ligt het zwaartepunt op de uitscheidingen. In plaats van opname en passiviteit vindt men hier uitscheiding, activiteit en een zich inprenten in de omgeving.

Wanneer nu alleen deze twee tegengestelde systemen bestonden, dan zouden deze voortdurend met elkaar in botsing komen en hun wederzijdse functies uitwissen, zoals ook koude en warmte — wanneer ze gemengd voorkomen — in een lauw evenwicht overgaan of plus en min elkaar in een kortsluiting opheffen. In de mens wordt dit gevaar opgeheven door de vorming van een derde systeem, dat bemiddelend tussen de beide instaat. Pas door deze bemiddeling kan de spanning van de tegenstellingen verhoogd worden. Het gaat daarbij om een verheviging van de polariteit. Als we de bovenstaande gedachtegangen verder doorvoeren, zullen we dit systeem ruimtelijk in het midden moeten zoeken.

Het evenwicht tussen de beide systemen bestaat niet alleen tussen boven en onder, maar vooral ook in een wisseling in de tijd. En deze nu veroorzaakt het ritme. Alle ritmische processen in het organisme zijn bij die wisseling van de tijd betrokken en kunnen dus samengevat worden als ritmisch systeem. In werkelijkheid zijn de beide beschreven tegengestelde systemen niet tegelijkertijd in functie, maar ze wisselen elkaar voortdurend af. Overdag is de mens wakker en „leeft” van de krachten van het zenuw-zintuigstelsel; in de nacht, gedurende de slaap, ontplooien zich de eigenlijke levensprocessen. Er treedt dan een algemene doorstroming met warmte, regeneratie, stimulering van stofwisselingsprocessen op. Daarmee is noodzakelijkerwijs een uitschakeling van het zenuw-zintuigproces verbonden: de mens slaapt.

De werkzaamheid van het ritmische systeem wordt dus bemerkbaar in de tijd. Wanneer men dit nader onderzoekt, dan begrijpt men, dat het genoemde ritme van waken en slapen een uitdrukking is van het overwegen van telkens een van de twee polaire systemen, d.w.z. de zenuw-zintuigfunctie of de stofwisse-lingsfunctie.

Deze afwisseling, of dit ritme ziet men a.h.w. als een oerbeeld uitgedrukt in het hart en de longen. Hun ritmische functie is zó opvallend, dat men deze twee organen kan zien als vertegenwoordigers van het ritmische systeem. Het hart wisselt onophoudelijk tussen samentrekken en uitbreiden en men kan in het samentrekken en spannen het tegendeel zien van het uitbreiden en verslappen. De beschreven dynamiek is hier zonder meer zichtbaar. Met de longen, met hun voortdurende wisseling van in- en uitademen, is dit ook het geval. Hierbij komt het minder aan op dat, wat over het algemeen als hoofdzaak voor deze beide orgaansystemen gezien wordt: de bloed- resp. luchtbeweging. Vanzelfsprekend zijn die van groot belang, maar met de funkte van het ritmische systeem is meer de zuivere functie van de organen, hun dynamiek, bedoeld, nl. dat ze tussen twee polen zijn ingeschakeld en daartussen bemiddelen. In de samentrekking leeft de dynamiek van het zenuwstelsel, in de uitbreiding die van het stofwisselingssysteem.

Het wezenlijke van de hier slechts kort geschetste drieledigheid van het menselijke organisme is, dat men daarin de sleutel voor gezondheid en ziekte heeft. Wanneer nl. bv. het bovenste, d.w.z. het zenuw-zintuigsysteem overheerst — wat tegenwoordig bij vele mensen het geval is — dan geeft dit aanleiding tot zeer bepaalde ziekten. Wanneer de neiging tot samentrekken, tot koude en rust, d.w.z. het doodsproces, overweegt, leidt dit tot verharding, neerslag, verstijving, dus tot een te vroeg ouderdomsproces. Dat leidt tot bepaalde ziekten, zoals sclerose, jicht, reumatische ziekten, artrose of ook tot verlammingen, verminderde vitaliteit enz. Bij deze ziekten ontbreekt de regenererende oplossende en met warmte doorstromende impuls van het stofwisselings-organisme. Anderzijds kan ook de stofwisseling overheersen. Dan hebben we te maken met een te grote neiging tot warmtevorming, vermeerdering van stofomzettingen, dus een overmaat aan leven. Dit leidt tot de verschillende ontstekingsziekten, die meestal gepaard gaan met koorts. Hun kenmerk is de te sterke oplossing en doorstroming met warmte.

Ook hierbij is het zo, dat op bepaalde tijden de ene of de andere tendentie de overhand heeft. Het is wel duidelijk, dat de eerste tendentie in de ouderdom overheerst, terwijl ontstekingen en koorts, d.w.z. overmaat aan leven, kenmerken zijn van de jeugd. Het is daarom voor de arts niet alleen beslissend om te onderkennen welke neiging in een organisme de overhand heeft, maar hoe die zich ten opzichte van de leeftijd, d.w.z. van de tijd, gedraagt.

Daaruit volgt reeds een beslissende conclusie van grote betekenis, nl. wanneer de beschreven tendenties polair zijn en elkaar wederzijds kunnen opheffen, dan zijn ze ook in staat elkaar wederzijds te genezen. Dat wil zeggen dat een neiging tot neerslag en verharding door de tegenpool, de warmte — die het organisme in sommige gevallen als ontsteking produceert — opgeheven kan worden. Iedere lijder aan reumatiek of jicht kan dan ook beleven, dat warmte hem goed doet en dat een juiste warmtebehandeling de genezing op gang brengt.

Het is dus een beslissend inzicht, dat er twee nieuwe groepen van ziekten bestaan, die uit de beschreven tendenties ontstaan. Deze kunnen elkaar zelfs wederzijds opheffen. Zogezien kan dus een „nieuwe ziekte” zelfs een poging van het organisme zijn om de „oude ziekte” te overwinnen. In de medische wetenschap zijn zulke samenhangen weliswaar bekend, maar er wordt tegenwoordig nauwelijks aandacht aan besteed en ze worden zeker niet op hun juiste betekenis gewaardeerd, omdat de grondslag voor het begrijpen van dit fenomeen nl. de beschreven dynamisch-polaire zienswijze en het verder voeren daarvan naar de drieledigheid van het menselijk organisme heden ten dage nog niet voldoende wordt onderkend.

Door deze zienswijze rijst vanzelf de vraag op naar de gezondheid. Deze ligt noodzakelijkerwijs in het midden tussen de beschreven ziekte-tendenties. De mens is dus gezond wanneer hij deze tendenties op de juiste manier beheerst — en dat kan hij, wanneer hij op de juiste wijze een verbinding heeft met het proces van het ritme. Het ritmische systeem is volgens Rudolf Steiner het oerbeeld van de gezondheid.

Zo beschouwd heeft de fundamentele idee van de drieledigheid, die hier slechts kort geschetst kon worden als basis voor een omvattende medische wetenschap, een vergaande betekenis, niet alleen voor het inzicht in genezing en ziekte, maar vooral ook voor de therapie, zoals die sedert tientallen jaren vruchtbaar is gebleken.

.

Algemene menskunde: voordracht 3 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2577

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.