Categorie archief: godsdienst/religie

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-4/2)

.

over de ochtendspreuk van de hogere klassen

 

IS DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Deze vraag stelt Luc Cielen, leerkracht met een zeer lange praktijkervaring waarvan een deel bij de Federatie van steinerscholen in België; het grootste deel op scholen die hij zelf oprichtte en waar hij de vrijeschoolpedagogie op zijn manier en met zijn gezichtspunten in de praktijk bracht.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. zijn praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site LUXIELEN in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

In zijn eerste artikel zegt hij:
‘Is de steinerschool een antroposofische school? In vele opzichten niet, maar de wetenschappelijke vakken zijn wel sterk getekend door de antroposofie. Er is werk aan de winkel om de steinerscholen hiervan te bevrijden. Ik probeer al vele jaren de steinerleerkrachten hiervan bewust te maken, maar dit dringt moeilijk door. Dat Steiner zelf meer dan eens gezegd heeft dat er geen antroposofie in de school mag komen, is een uitspraak van hem die blijkbaar niet gehoord wordt.’ 

Luc is in de reeks van inmiddels 11 artikelen tot de conclusie gekomen dat er ‘een te groot antroposofisch keurslijf’ is waaruit – volgens hem – de scholen zich moeten bevrijden.’

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft veel voorbeelden van wat in zijn optiek antroposofie in het vrijeschoolonderwijs is.

Hij begint zijn 3e artikel als volgt: (cursief)

DE OCHTENDSPREUK IN DE STEINERSCHOOL

Ook al heeft Rudolf Steiner herhaaldelijk gezegd dat er in de Waldorfschool (= Vrijeschool = Steinerschool) geen antroposofie gegeven wordt – in zijn eigen woorden: ‘We zullen in onze lessen geen antroposofische dogma’s onderwijzen’, toch heeft hijzelf van bij het ontstaan van de school zijn antroposofische leer in de school binnengebracht. In mijn blog Is de steinerschool een antroposofische school? deel 1 van 20/01/2017 heb ik drie voorbeelden gegeven van hoe zijn mens- en wereldbeeld toch aanwezig is in de leerstof. In mijn blog van 2 februari 2017 heb ik de ochtendspreuk in de eerste, tweede en derde klas (groep 3,4 en 5) onder de loep genomen. In dit derde deel komt de ochtendspreuk voor de klassen 4 tot en met 12 aan de beurt.

Hoe anders je hiernaar ook kan kijken, heb ik verwoord in:
over geschiedenis [1]   [2]
dierkunde
plantkunde
de ochtendspreuk voor de lagere klassen

In de ochtendspreuk die dagelijks bij aanvang van de schooldag door de leerlingen gezegd wordt onder leiding van de leerkracht, klinkt duidelijk de antroposofische leer door.

De tekst van de ochtendspreuk voor de klassen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en 12. Dit zijn de hoogste drie klassen van de lagere school en alle klassen van de middelbare school (voortgezet onderwijs).

In tegenstelling tot de spreuk voor de klassen 1-2-3 is de Nederlandse tekst van deze spreuk minder aan varianten onderhevig. Slechts hier en daar zijn er kleine verschillen.

De tekst hieronder heb ik gevonden op www.steinerschoolantwerpen.be(2016). Varianten staan er tussen haakjes naast. De Nederlandse variant komt van de site van de Utrechtse Vrijeschool (2010).

Ik zie rond in de wereld,
waarin de zon haar licht zendt,
waarin de sterren fonkelen,
waarin de stenen rusten,
de planten levend groeien,
de dieren voelend leven,
waarin de mens bezield
de geest zijn woning geeft; (de geest een woning geeft)

Ik schouw diep in mijn ziel, (NL: Ik schouw diep in de ziel)
die binnen in mij leeft,
De Godesgeest, hij weeft
in zon- en zielenlicht,
in wereldruimten buiten,
in zielendiepten binnen.

Tot u, o Godesgeest,
wil ik mij vragend wenden,
dat kracht en zegen, (dat kracht en zegening) (NL: dat in mij kracht en zegen)
voor leren en voor arbeid,
zich in mijn ziel ontplooien. (NL: tot wasdom moge komen)

De originele Duitse tekst van Rudolf Steiner uit 1919 ziet er zo uit:

Ich schaue in die Welt
In der die Sonne leuchtet,
In der die Sterne funkeln,
In der die Steine lagern,
Die Pflanzen lebend wachsen,
Die Tiere fühlend leben,
In der der Mensch beseelt
Dem Geiste Wohnung gibt.

Ich schaue in die Seele
Die mir im Innern lebet.
Der Gottesgeist, er webt
Im Sonn’- und Seelenlicht
Im Weltenraum, da drauβen
In Seelentiefen drinnen.

Zu Dir, o Gottesgeist,
Will ich bittend mich wenden
Dass Kraft und Segen mir
Zum Lernen und zur Arbeit
In meinem Innern wachsen.

Over het ontstaan van de ochtendspreuk:
Rudolf Steiner over de ochtendspreuk

De aanhef van deze spreuk geeft een opsomming van de vier natuurrijken – minerale rijk, plantenrijk, dierenrijk, mensdom – met wat extra kosmische verwijzing naar zon en sterren. Al lijkt dit een objectieve opsomming, toch is dit niet zo, want alleen de mens blijkt een ziel te hebben. Daarmee is dan ook meteen het onderscheid tussen mens en dier gemaakt zoals dit in de antroposofie – en in sommige filosofische strekkingen en religies – gemeengoed is.

Beste Luc,
Als ik op je andere blog de vele citaten zie uit het werk van Steiner, verbaast het me dat je schrijft: alleen de mens blijkt een ziel te hebben. Je kan er toch moeilijk overheen gelezen hebben, dat we de ziel gemeen hebben met het dier. Weliswaar in beperkte mate: het gaat vooral om de gewaarwordingsziel, maar daar gaat het nu niet om. Wat je hier schrijft is niet waar. Het onderscheid ligt erin dat de mens een Ik-zegger is, het dier niet. Wezenlijk is in deze ook niet of dit nu ‘objectief’ is vastgelegd of niet: iedereen zal desgevraagd moeten erkennen dat hij een Ik-zegger is, simpelweg, omdat hij het dagelijks vele malen doet. Het is een realiteit. En dat hebben we al eens gehad: als antroposofie de realiteit beschrijft: wat is daar op tegen. Wie kan er iets hebben tegen het beschrijven van wat waar is; toch alleen maar iemand die de leugen liever heeft?
Ik zie je absoluut niet als iemand die de leugen liever heeft. Ik geef er alleen mee aan, dat ik je formulering ongelukkig vind.

Maar ik zie toch nog twee niet onbelangrijke onvolkomenheden in deze opsomming.

1. De stenen rusten. Voor een oppervlakkige beschouwer lijkt het inderdaad of de stenen gewoon liggen of rusten. Maar in feite is dat niet zo: stenen ondergaan vele invloeden van klimaat, weer, bewegingen van de aardkorst, waterstromen enz. Denk bijvoorbeeld aan kalk, dat in overgrote mate aanwezig is op aarde. Dit gesteente rust absoluut niet. Het is continu aan verandering onderhevig. Bovendien is het zelf uit levende wezens ontstaan en wordt het ook voortdurend door levende wezens opgenomen en uitgescheiden. Maar zelfs basalt en graniet – oergesteenten van de aardkorst – zijn voortdurend in beweging, al lijkt dat binnen de duur van een mensenleven dikwijls niet zo. Gesteenten, onder de vorm van mineralen, maken trouwens inherent deel uit van het leven op aarde. Planten, dieren en mensen nemen mineralen op en geven die ook af.

Maar dit, Luc, is precies wat Steiner meer dan 100 jaar geleden al zei: de stenen bewegen niet van binnenuit, maar als ze bewegen, of dit nu snel is: vallend of langzaam eroderend: de aanzet daartoe komt van buiten. Het feit dat de minerale wereld door levende wezens opgenomen en uitgescheiden wordt, wijst niet op de actieve werking van de ‘stenen’, maar op de activiteit van het levende organisme dat opneemt, verteert en uitscheidt. Ze zijn niet in beweging: ze WORDEN bewogen: dat is hier bedoeld met ‘rusten’. Het woord is volkomem juist gekozen.
Bovendien, we hebben hier te maken met een spreuk die boven het alledaagse wil staan, die het op een bijzondere wil zeggen.
Die bijzondere kant van ‘rusten’ zien we ook waar mensen vol respect spreken over hun geliefde overledene: zij/hij ruste in vrede!
Iedereen weet wel dat ook daar de processen niet stilstaan: maar daar denken we toch niet aan als we voor een grafsteen staan waar op staat: “Hier rust….”, ook al is die steen jaren geleden geplaatst.

Nee, Luc, ik kan er ‘geen onbelangrijke onvolkomenheid’ van maken. Ik zie de onvolkomenheid allereerst in je betoogtrant.

Nu signaleer je nog een tweede onvolkomenheid:

De planten levend groeien, de dieren voelend leven. En waar zijn de zwammen? In Steiners dagen werden de zwammen nog tot de planten gerekend, maar dat is nu al vele decennia niet meer zo. De spreuk is dan ook niet volledig, er zou tenminste één regel over de zwammen moeten toegevoegd worden. Zoals de tekst nu luidt, zeggen de leerlingen gedurende negen jaar een opsomming die niet correct is.

Jij hebt het opgeschreven, dus moet het voor jou wel een serieuze aangelegenheid zijn: waar zijn de zwammen? En waarom dan ook niet: waar zijn de blauwalgen die niet tot de algen worden gerekend, maar tot de bacteriën, de virussen, de microben. Alsof er in de bovenbouw niet zou worden stilgestaan bij allerlei vormen van leven die niet in de spreuk staan.
De spreuk is geen leerstof!
De plantkunde in klas 5 is ook niet in de eerste plaats wetenschap, al worden er al heel veel wetenschappelijke feiten geleerd: het gaat om een verbinding tussen kind en wereld:
Steiner: (over plant- en dierkunde (blz. 127) als eerste kennismaking): ‘We hoeven hier niet op de details in te gaan, omdat we hier niet met gewone wetenschap, maar met pedagogie te maken hebben.’

Dat lijkt mij voor de spreuk ook te gelden. Die vier rijken volstaan volkomen!

Dat de dieren een gevoelsleven hebben, kunnen we gemakkelijk vaststellen, maar hebben de planten dan geen gevoelsleven? Steiner wil duidelijk een gradatie aanbrengen:

De stenen doen niets, die liggen er maar;
De planten leven (hier is er nog geen sprake van voelen);
De dieren voelen (ze leven dus én voelen, maar hebben geen ziel);
De mens heeft een ziel (de mens leeft, voelt én heeft een ziel).

Je begripshantering klopt hier eveneens niet: de dieren voelen: dat is hun ziel; de mens heeft daarnaast zijn Ik.

Na de opsomming van de natuurrijken (zij het zonder de zwammen) volgt het summum: het rijk van de geest: waarin de mens bezield de geest een woning geeft. De geest staat dus boven alles. Tegelijk wordt hier een antroposofische geloofsbelijdenis uitgesproken: de ziel van de mens is de woning van de geest. In Vlaamse steinerscholen zegt men meestal: de geest zijn woning geeft. Hiermee zegt men expliciet dat de geest een wezen is dat in de ziel van de mens woont, en lijkt het ook alsof de geest niet zonder die mensenziel kan, want hij heeft haar nodig zoals de mens een woonst nodig heeft.

Het spijt me, Luc, maar opnieuw vergis je je. Je kan niet spreken van ‘een summum; de geest staat niet boven alles. Wie Steiner bestudeert, komt al gauw tot het inzicht dat we als geest niets zijn zonder de materie. Hadden wij geen materieel lichaam: als denkende entiteit zou een bestaan onmogelijk zijn.
En ‘de geest een woning geven’ is niet, dat ‘de ziel de woning van de geest’ is: de hele mens is dat. Je kan ‘de geest’ ook niet ergens in de mens localiseren. Hoewel onderscheid er nog is te maken tussen Ik en geest, hier word ttoch vooral het wezen van de mens, zijn individualiteit, bedoeld. 

En een geloofsbelijdenis: al helemaal niet: de uitdrukking ‘ik zit lekker in mijn vel’, ‘ik zit er niet zo in’, en voor sommigen, kort na het wakker worden: ‘Ik ben er nog niet helemaal’, duiden klip en klaar op de betrekking ik-lichaam. Natuurlijk wordt dat ook weer poëtischer in de spreuk uitgedrukt.
En in deze tijd blijkt dat er mensen zijn die ‘zich niet thuis voelen in hun lichaam’ en die dit zelfs willen laten veranderen om er zich wél in thuis te kunnen voelen. Thuis, Luc, dat is je woning.
Wie zich niet laat verblinden door vooroordelen en zijn ogen en oren openhoudt, vindt overal in de wereld aanknopingspunten voor wat Steiner lang geleden al benoemde.

In de tweede strofe wordt het antroposofisch gedachtegoed klaar en duidelijk uiteengezet. In de ziel van de mens leeft (weeft) de geest van God net zoals hij in de wereld en in de kosmos werkt.

Die tweede strofe vereng je m.i. te veel tot antroposofisch gedachtegoed. Veel meer beleef ik er een religieuze stemming in die we in talloze christelijke godsdienstrichtingen terug vinden.
Ik heb in mijn artikel ‘Rudolf Steiner over de ochtendspreuk’ ook naar voren gebracht dat het er aanvankelijk op lijkt, dat de spreuken bedoeld waren voor het antroposofisch godsdienstonderwijs, dat op vraag van de ouders zou worden gegeven die dat voor hun kind(eren) wilden, i.p.v. geen godsdienstonderwijs, of het katholieke, dan wel het protestantse. En daarom kan ik je volgende opmerking wel begrijpen:

De derde strofe is een gebed tot die goddelijke geest met de vraag om de mens kracht te geven om te leren en te werken. En tegelijk is het een vraag om dit leren en dit werk te zegenen. Op de site van de Antwerpse Steinerschool staat nochtans dat deze spreuk geen gebed is: ‘Dit bezinnen met een spreuk onderscheidt zich in wezen van het gewone bidden, dat een bijzonder geloof veronderstelt.’

In dit geval de Antwerpse school, maar er zullen zeker andere scholen zijn met dezelfde opvatting of weer net iets anders. Bezinning, gebed, meditatie: het ligt allemaal dicht bij elkaar.

Gaat het in deze spreuk dan niet om een geloof? Volgens de antroposofen inderdaad niet want antroposofie is geen geloof, maar een wetenschap van de geest. Helaas is antroposofie een wetenschap die slechts door één persoon bedreven werd en nog nooit door anderen herhaald is, ondanks het feit dat Steiner een ‘methode’ heeft gegeven om net als hem tot inzicht in de geestelijke wereld te komen. Dit wil zeggen dat iedere antroposoof een gelovige is die aanvaardt dat wat Steiner over de geestelijke wereld zegt, waarheid is.

Als ik zou moeten aangeven waar ik ‘geloof’ in de spreuk zie, is dat in deze derde strofe. In de rest dan niet? Voor mij zeker niet! Wat jij hier zegt over ‘dat het door anderen nooit herhaald is’ heb ik ook al enkele malen bij andere gelegenheden geschreven. Ik weet van geen mensen die door de scholingsoefeningen van Steiner tot hetzelfde inzicht – de helderziende waarneming’ – zijn gekomen.
Maar Steiner geeft nog een andere weg. Die past meer bij mij. Het verifiëren langs een meer logisch denkende, beschouwende weg, zijn uitspraken in de praktijk van het leven verifiërend. En dan kom ik vaak tot verrassende uitkomsten. Dat is toch niet hetzelfde als de ‘gelovige’ waar jij het over hebt. Want wat ik niet als mijn realiteit kan overzien, is mijn realiteit niet en ga ik niet mijn of een, laat staan ‘de’ realiteit verkondigen, omdat Steiner dat nu eenmaal zo zei.

Is het gerechtvaardigd dat men kinderen en jongeren gedurende negen jaar dagelijks deze geloofsbelijdenis laat opzeggen?

Wie je artikel tot het eind heeft gelezen, weet dat je deze vraag ontkennend beantwoordt, maar door het woord ‘geloofsbelijdenis’ kleur je m.i. het antwoord al van tevoren in. En daar doe je nog een schepje bovenop door te stellen:

Omdat het zeggen van de ochtendspreuk een verplichting is in de steinerscholen, verkondigen kinderen en jongeren gedurende negen jaar dagelijks deze antroposofische mens- en wereldvisie. Een schooljaar telt gemiddeld 180 schooldagen. Negen jaar maal 180 is 1.620. De leerlingen zeggen dus 1.620 keer in hun jonge leven deze antroposofische tekst. Noemt men dat niet indoctrinatie?

Evenals in je artikel over de morgenspreuk in de lagere klassen kom je hier met de vraag of dit geen indoctrinatie is. Het is nog een vraag, maar wel met een retorisch karakter.
Ik antwoordde erop: Nee, voor mij is dit geen indoctrinatie. Wat voor boosaardig voordeel zou ik ervan hebben, kinderen te indoctrineren? Kan ik überhaupt een mens te kort doen als ik hem zie als een goddelijk-geestelijk wezen, als die unieke mens die ik hier op aarde een poosje begeleiden mag?

Gelukkig beseffen de meeste leerlingen niet wat er gezegd wordt in deze spreuk. Ofwel omdat ze te jong zijn om de inhoud ervan te begrijpen ofwel omdat ze er als puber of adolescent geen belang aan hechten. Mijn kinderen vonden het een van de eigenaardige gewoonten van de steinerschool – te vergelijken met het kruisteken in de katholieke scholen – en hechtten er verder geen belang aan, al kunnen ze twintig jaar na afzwaaien de tekst nog bijna volledig uit het hoofd opzeggen.

Ook dat opperde je al en ook nu zeg ik: ‘Waarom is het gelukkig dat leerlingen dat niet begrijpen. Hoe kan een leerkracht blij zijn wanneer hij met leerlingen iets doet en ze snappen het niet?
En pubers, uiteraard, geen huisje is heilig en dat ze daar lucht aan geven bij vrijwel alles, dus ook bij een spreuk, is nog geen reden om dat ten nadele van de spreuk uit te leggen.

Ondanks de verplichting tot het zeggen van de ochtendspreuk heb ik me – leraar zijnde in steinerscholen – al meer dan twintig jaar niet aan die verplichting gehouden omdat ik het niet eens ben met de inhoud ervan. Men kan toch moeilijk van een leerkracht verlangen dat hij dagelijks zijn eigen inzichten en overtuigingen overboord gooit en iets verkondigt waar hij niet achter staat.

Je hebt het volste recht om het met iets eens of oneens te zijn. En juist bij deze zaken gaat het om wat Steiner zo vaak het imponderabele noemt. Verkondigen waar je niet achter staat, het wellicht als leugen beleven, dat moet je niet willen uitstralen bij leerlingen.

De steinerscholen beweren trouwens dat ze opvoeden tot vrije mensen – of zoals een steinerschool zich propageert: Kind mogen zijn om vrij mens te worden – dan moeten ze ook accepteren dat leerkrachten die zover gekomen zijn ook afstand mogen (moeten) nemen van geloofsovertuigingen die niet de hunne zijn.

Dat ben ik met je eens. Maar bij dat accepteren hoort m.i. wel dat je opstapt. Hoe zou je op een school kunnen werken waar het opgroeiende kind als een unieke geest, individualiteit wordt gezien, wanneer je de geest ontkent?

Je wordt toch ook geen lid van een voetbalclub, omdat je handbal zo geweldig vindt?

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks: is de vrijeschool een antroposofische school:

.
geschiedenis [1]   [2]
dierkunde
plantkunde
de ochtendspreuk in de lagere klassen

Rudolf Steiner over: de ochtendspreuk

de ochtendspreuk [2]   [3]

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

.

1323

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de ochtendspreuk

.

De leerlingen op de vrijeschool beginnen iedere morgen de schooldag met de zgn. ochtendspreuk. Vanaf klas 1 t/m klas 4 de ene, vanaf klas 5 t/m klas 12 de andere.
(Omdat er in klas 4 voor het eerst aardrijkskunde wordt gegeven, is de gewoonte ontstaan met de tweede spreuk te beginnen, die de beginwoorden heeft: ‘Ik zie rond in de wereld’, als met de 1e aardrijkskundeperiode wordt begonnen. Dat heeft ertoe geleid dat deze spreuk (soms) al vanaf het begin van klas 4 wordt gesproken; oorspronkelijk was dit dus vanaf klas 5)

Wanneer de 1e vrijeschool op 7 september 1919 in Stuttgart begint, bestaan de spreuken voor de leerlingen nog niet. In de cursus die Steiner geeft vóór het starten van de school, vind je niets over spreuken.
Dat gebeurt een aantal weken later op 25 september 1919 in een lerarenvergadering waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.
De school was net begonnen en er waren natuurlijk talloze problemen op te lossen – van technische, logistieke aard, tot inhoudelijke aan toe.

Op 20 augustus 1919 houdt Steiner aan de vooravond van de cursus een welkomstoespraak voor de deelnemers. Hij geeft daarin o.a. de opzet van de cursus aan:

Für den Kurs ist anzukündigen, daß er enthalten wird:
Erstens eine fortlaufende Auseinandersetzung über allgemein päd­agogische Fragen
zweitens eine Auseinandersetzung über speziell methodische Fragen der wichtigsten Unterrichtsgegenstände
drittens eine Art seminaristisches Arbeiten innerhalb dessen, was unsere Lehraufgaben sein werden. Solche Lehraufgaben werden wir ausarbeiten und in Disputationsübungen zur Geltung bringen.
An jedem Tag werden wir vormittags das mehr Theoretische haben und nachmittags dann das Seminaristische. Wir werden also morgen um 9 Uhr beginnen mit der Allgemeinen Pädagogik, haben dann um 1/2 11 die speziell methodische Unterweisung und am Nachmittag von 3-6 Uhr die seminaristischen Übungen.
Wir müssen uns voll bewußt sein, daß eine große Kulturtat nach jeder Richtung hin getan werden soll.

Ten eerste: een doorlopende uiteenzetting over algemeen pedagogische vragen
Ten tweede: een uiteenzetting over speciaal methodische vragen over de belangrijkste vakken
Ten derde: een vorm van oefenwerk in het kader van wat onze onderwijsdoelen moeten zijn. Die zullen we uitwerken en erover discussiëren.

Iedere dag zullen we ’s ochtends het meer theoretische deel hebben (te vinden in GA 293: Algemene menskunde; GA  294: Opvoedkunst methodisch-didactisch) en ’s middags dan het seminaarwerk (GA 295: Praktijk van het lesgeven). We zullen dus morgen beginnen om 9 uur met de algemene pedagogiek, om half 11 de speciale methodiek en ’s middags van 3 tot 6 de seminaaroefeningen.

We moeten ons vol bewustzijn dat er in iedere richting een grote cultuurdaad verricht moet worden.

Meteen aansluitend volgt:

Wir wollen hier in der Waldorfschule keine Weltanschauungsschule einrichten. Die Waldorfschule soll keine Weltanschauungsschule sein, in der wir die Kinder möglichst mit anthroposophischen Dog­men vollstopfen. Wir wollen keine anthroposophische Dogmatik leh-ren, aber wir streben hin auf praktische Handhabung der Anthro­posophie. Wir wollen umsetzen dasjenige, was auf anthroposophi­schem Gebiet gewonnen werden kann, in wirkliche Unterrichts­praxis.
Auf den Lehrinhalt der Anthroposophie wird es viel weniger ankom­men als auf die praktische Handhabung dessen, was in pädagogischer Richtung im allgemeinen und im speziell Methodischen im besonde­ren aus Anthroposophie werden kann, wie Anthroposophie in Hand­habung des Unterrichts übergehen kann.

Wij willen hier met de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school openen. De vrijeschool moet geen wereldbeschouwelijke school zijn waarin we de kinderen zoveel mogelijk volstoppen met antroposofische leerstellingen. Wij willen geen antroposofische leerstellingen aanleren, maar wij streven ernaar de antroposofie in de praktijk toe te passen. Wij willen dat wat op antroposofisch gebied gewonnen kan worden, omwerken tot werkelijke onderwijspraktijk.
Op de theoretische inhoud van de antroposofie zal het veel minder aankomen dan op de practische uitvoering van wat in pedagogische richting in het algemeen en in de speciale methodiek in het bijzonder uit de antroposofie kan komen, hoe antroposofie over kan gaan in lesgeven.
GA 300A/63
Niet vertaald

Op veel meer plaatsen – niet alleen in de pedagogische voordrachten – herhaalt Steiner telkens dat het vrijeschoolonderwijs geen wereldbeschouwelijk onderwijs moet zijn. 

Dan zal hij ook vaak aangeven dat de vrijeschool gelegenheid moet bieden aan ‘de kerk(en)’ om godsdienstonderwijs te geven door haar vertegenwoordigers.

Die religiöse Unterweisung wird in den Religionsgemeinschaften erteilt werden. Die Anthroposophie werden wir nur betätigen in der Methodik des Unterrichts. Wir werden also die Kinder an die Reli­gionslehrer nach den Konfessionen verteilen.

Het godsdienstonderwijs is voorbehouden aan de religieuze gemeenschap. Antroposofie gebruiken we alleen in de methode van lesgeven. We zullen dus de kinderen over de godsdienstleerkrachten van de geloofsrichtingen verdelen.
GA 300A/63
Niet vertaald

Wanneer de school op 7 september van start gaat, is er in het leerplan plaats ingeruimd voor dit confessionele godsdienstonderwijs.
Op 8 september al, in de eerste pedagogische vergadering, is ook al sprake van ‘vrij godsdienstonderwijs’ dat uiteraard wél antroposofisch onderwijs genoemd moet worden, omdat het door (antroposofische) ouders wordt gewild. Daarmee wordt niet meteen begonnen: het wordt verschoven naar 23 september. Op die dag is er echter geen vergadering – er zijn geen notities van – maar wél van 25 sept.
Op zeker ogenblik zegt Steiner: ‘We moeten nog over het vrije godsdienstonderwijs spreken’.
En dan gaat het over wat je van antroposofie wel of niet aan de kinderen die daar speciaal aan meedoen, moet vertellen of niet. Vóór een leerkracht een vraag stelt, zei Steiner: ‘De weekspreuken kun je ook met de kinderen aan het begin van de les zeggen. 

Daarop vraagt een leekracht: ‘Zou het niet goed zijn de kinderen een soort morgengebed te laten spreken? Steiner antwoordt dat je dat zou kunnen doen en wil er de volgende dag op terugkomen.

Dat doet hij inderdaad op 26 september, maar nadat iemand heeft voorgesteld ’s morgens met het Onze Vader te beginnen. 

X.    schlägt vor, morgens mit dem Vaterunser zu beginnen.

Hier is eerst sprake van een spreuk voor de 4 laagste klassen. Een dag eerder heeft Steiner al over het vrije godsdienstonderwijs gesproken en een indeling gemaakt voor de klassen 1 t/m 4 en 5 t/m 8, op dat ogenblik alle bestaande klassen.
Dit alles overziend krijg ik sterk de indruk dat de spreuken zoals ze nu in alle vrijescholen iedere dag door alle kinderen gesproken worden, oorspronkelijk bedoeld waren voor de kinderen die het vrije godsdienstonderwijs zouden volgen, dus onderwijs waarin antroposofie als wereldbeschouwing een rol speelt.

De vraag is nu, waarom deze spreuken dan algemeen zijn geworden en sinds wanneer. In 1921 zegt Steiner:

Der Lehrer also betritt, in der gekennzeichneten Weise vorbereitet, am Morgen das Schulgebäude. Die Kinder erscheinen etwas früher in der Sommerszeit, um acht Uhr, etwas später im Winter, und nachdem sie sich in den Klassen versammelt haben, werden sie zunächst dadurch gesammelt, daß jeder Lehrer, jede Lehrerin in ihrer Klasse mit einem möglichst an das allgemein Menschliche und auch Religiöse herange­henden Spruch beginnt, der entweder in Sprach- oder Gesangsform, aber zugleich mit einer Art Gebetscharakter von der ganzen Klasse im Chore vorgebracht wird. Ein wirkliches Gebet kann sich dann daran-schließen. Die Einzelheiten sind ja in unserer Freien Waldorfschule immer ganz der Individualität des betreffenden Lehrers überlassen.
Dann beginnt der sogenannte Hauptunterricht (  )

De leraar komt ’s morgens dus, op de beschreven manier voorbereid, het schoolgebouw binnen. De kinderen komen ’s zomers iets vroeger, om acht uur, en ’s winters iets later. Nadat zij zich in de klassen verzameld hebben, begint iedere leraar, iedere lerares in de klas met een spreuk, die een alge­meen menselijke en ook religieus getinte inhoud heeft. Die spreuk wordt gezegd of gezongen, maar gelijktijdig met een soort gebedskarakter, en door de hele klas in koor. Een echt gebed kan daarop volgen. De details worden in onze vrij­eschool altijd volledig aan de individualiteit van de betref­fende leraar overgelaten.
Dan begint het zogenaamde hoofdonderwijs, (  )
GA 303/140
Vertaald/153

Ik weet niet of ‘met een spreuk’ hier betekent met ‘de’ spreuk, zoals nu het geval is. Als ‘de details’ betekent dat je als leerkracht je eigen spreuk kon/kan kiezen, zou dat nog ergens te achterhalen moeten zijn. Ik weet het op dit ogenblik niet.
Het is voor nu ook niet zo wezenlijk, want de spreuken worden gezegd en interessanter is het ‘waarom’.

Dr. Steiner: Ich würde es sehr schön finden, mit dem Vaterunser den Unterricht zu beginnen. Dann gehen Sie über zu den Sprüchen, die ich Ihnen sagen werde.
Für die vier unteren Klassen bitte ich, den Spruch in der folgenden
Weise zu sagen:    

Ik zou het erg mooi vinden de les met het Onze Vader te beginnen. Dan gaat u over tot de spreuken die ik U zal zeggen. Voor de vier laagste klassen verzoek ik de spreuk op de volgende manier te zeggen:

Der Sonne liebes Licht,
Es hellet mir den Tag; 
Der Seele Geistesmacht, 
Sie gibt den Gliedern Kraft;
Im Sonnen-Lichtes-Glanz 
Verehre ich, o Gott, 
Die Menschenkraft, die Du 
in meine Seele mir 
So gütig hast gepflanzt, 
Daß ich kann arbeitsam 
und lernbegierig sein.
Von Dir stammt Licht und Kraft, 
Zu Dir ström’ Lieb’ und Dank.

Het liefdelicht der zon,
Verheldert mij de dag;
De geestesmacht der ziel,
Geeft kracht aan hand en voet;
In de lichtglans van de zon
Vereer ik diep, o God,
De mensenkracht, die Gij
In mijn ziel
Vol goedheid hebt geplant,
Opdat ik ijverig werken
En gretig leren kan.
Van U stamt licht en kracht,
Tot U strome liefde en dank.

Das müßten die Schüler so empfinden, wie ich es gesprochen habe. Man müßte ihnen auch klarmachen nach und nach – erst sollen sie die Worte aufnehmen – den Gegensatz des Äußeren und des Inne­ren.

Der Sonne liebes Licht, 
Es hellet mir den Tag; 
Der Seele Geistesmacht, 
Sie gibt den Gliedern Kraft;

Das eine bemerkt man beobachtend, wie das Licht den Tag erhellt; das andere ist das Fühlen des Seelischen, wie es in die Glieder geht. Geistig-seelisch – physisch-körperlich: das liegt in diesem Satz.

Im Sonnen-Lichtes-Glanz
Verehre ich, o Gott,
Die Menschenkraft, die Du
In meine Seele mir
So gütig hast gepflanzt,
Daß ich kann arbeitsam
Und lernbegierig sein.

Dies also verehrend zu denselben beiden. Dann noch einmal zu bei­den sich wendend:

Von Dir stammt Licht und Kraft,   (die Sonne) 
Zu Dir ström’ Lieb’ und Dank.     (vom Innern)

So, würde ich meinen, sollen die Kinder es empfinden: zu dem Göttlichen im Licht und in der Seele.
Sie müssen versuchen, mit dieser Empfindung, wie ich es vorgelesen habe, es mit den Kindern zusammen im Chor zu sprechen. Zuerst lernen es die Kinder rein wortgemäß, so daß sie Wort, Takt und Rhythmus haben. Erst später erklären Sie einmal gelegentlich: Jetzt wollen wir mal sehen, was da drinnen ist. – Erst müssen sie es haben, dann erst erklären. Nicht zuerst erklären, auch nicht viel darauf geben, daß die Kinder es auswendig können. Im Gebrauch erst, nach und nach sollen sie es auswendig lernen. Sie sollen es förmlich von Ihren Lippen zunächst ablesen. Wenn es lange Zeit, vier Wochen meinetwegen, schlecht geht, um so besser wird es später gehen. Die Größeren können es schon aufschreiben; mit den Kleinsten muß man es nach und nach einlernen. Nicht befehlen, daß sie es auswen­dig lernen! Wenn Sie es ihnen aufschreiben, ist es ja schön; dann haben sie es in Ihrer Schrift.
Den Spruch für die vier höheren Klassen gebe ich Ihnen morgen noch.

Dat zouden de leerlingen zo moeten beleven, als ik het gesproken heb. Ook moet je ze stap voor stap duidelijk maken – eerst moeten ze de woorden in zich opnemen – wat het verschil is tussen wat buiten hen is en in hun innerlijk.

Het liefdelicht der zon,
Verheldert mij de dag;
De geestesmacht der ziel,
Geeft kracht aan hand en voet;

Het ene merk je al waarnemend, hoe de zon de dag verlicht; het andere is het gevoel in je ziel, hoe dat naar je ledematen gaat. Geest, ziel en lichaam: dat zit in deze zin.

In de lichtglans van de zon
Vereer ik diep, o God,
De mensenkracht, die Gij
In mijn ziel
Vol goedheid hebt geplant,
Opdat ik ijverig leren
En gretig leren kan.
Van U stamt licht en kracht,
Tot U strome liefde en dank.

Dit dus vererend naar allebei. Dan nog een keer gericht op beide:

Van U stamt licht en kracht (de zon)
Tot U strome liefde en dank (vanuit het innerlijk)

Zo bedoel ik, moeten de kinderen het beleven: naar het goddelijke in het licht en in de ziel.
U moet proberen met dit gevoel waarmee ik het voorgelezen heb, het met de kinderen samen in koor te spreken. Eerst leren de kinderen alleen de woorden, zodat ze woord, maat en ritme hebben. Pas later legt u bij gelegenheid wat uit: nu willen we eens kijken wat daarin staat. Niet eerst verklaren, ook niet te veel de nadruk erop leggen dat de kinderen het uit het hoofd kennen. Door het gebruik,  zullen ze het langzamerhand uit hun hoofd leren. Ze moeten het eerst als vorm van u naspreken. Wanneer het een poos, vier weken wat mij netrreft, slecht gaat, zal het later des te beter gaan. De groteren kunnen het wel opschrijven; met de kleintjes moet je het langzaam aanleren. Niet eisen dat ze het van buiten leren! Wanneer u het voor hen opschrijft, is dat mooi; dan staat het in uw handschrift.

De spreuk voor de vier hogere klassen geef ik u morgen nog.

Der Spruch für die vier höheren Klassen lautet so:

Ich schaue in die Welt;
In der die Sonne leuchtet,
In der die Sterne funkeln;
In der die Steine lagern,
Die Pflanzen lebend wachsen,
#SE300a-098
Die Tiere fühlend leben,
In der der Mensch beseelt
Dem Geiste Wohnung gibt;
Ich schaue in die Seele,
Die mir im Innern lebet.
Der Gottesgeist, er webt
Im Sonn- und Seelenlicht,
Im Weltenraum, da draußen,
In Seelentiefen, drinnen.
Zu Dir, o Gottesgeist,
Will ich bittend mich wenden,
Daß Kraft und Segen mir
Zum Lernen und zur Arbeit
In meinem Innern wachse.

Die Texte sind hier genau nach den Handschriften wiedergegeben, ausgenom­men die Absätze im ersten Spruch, die Dr. Steiner wahrscheinlich beim Dik­tieren zum Ausdruck gebracht hat, laut Stenogramm. Es ist nicht ausgeschlos­sen, daß er ,,Liebeslicht” diktiert hat.

De spreuk voor de vier hogere klassen luidt zo:

Ik zie rond in de wereld;
Waarin de zon haar licht zendt,
Waarin de sterren fonkelen;
Waarin de stenen rusten,
De planten levend groeien,
De dieren voelend leven,
Waarin de mens bezield
De geest een woning geeft;
Ik schouw diep in de ziel,
Die binnen in mij leeft.
De godesgeest, hij weeft
In zon- en zielelicht,
In wereldruimten, buiten,
In zielediepten, binnen
Tot u, o godesgeest,
Wil ik mij vragend wenden,
Dat kracht en zegening
Voor leren en voor arbeid
Tot wasdom moge komen.

De teksten zijn hier precies naar de handschriften weergegeven, behalve de alinea’s in de eerste spreuk die Dr.Steiner waarschijnlijk bij het dicteren tot uitdrukking heeft gebracht, volgens het stenogram. Het is niet uitgesloten dat hij ‘Liebeslicht’ ‘liefdeslicht’ gedicteerd heeft.
GA 300A/96-97
Niet vertaald

Religieus onderwijs

Religieus onderwijs

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1287

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Religieus onderwijs – vensteruur

.

Bij dit artikel noemde ik het woord ‘vensteruur’. Het werd, dacht ik, voor het eerst gebruikt op de Geert Grooteschool eind jaren ’70 van de vorige eeuw.

Hier volgt een stukje uit een schoolkrant van die tijd.
.

vensteruur

We leven in een tijd, waarin we twee grote stromingen in de mensheid zien optreden:
Het materialistische denken, wat in de vorige eeuw met kracht door grote denkers op aarde werd vertegenwoordigd, heeft zich vooral in de westerse wereld verbreid. Kant toonde aan, dat er grenzen waren aan het menselijke denken – we moeten ons noodgedwongen beperken tot het hier en nu. Darwin bracht de afstammingsleer: de mens als nakomeling van de aap.

Als reactie hierop zien we nu een ander verschijnsel optreden: een vlucht in hoger sferen in talloze sekten en in veelal met het Oosten verwante religieuze stromingen.

Ook de verdovende en verslavende middelen zijn in eerste instantie een hulp, je van de aarde, van dit donkere tranendal af te wenden.

In de Vrije Scholen wordt getracht om tussen deze twee klippen door te zeilen door de kinderen het beleven mee te geven burger van beide werelden te zijn:
Op aarde ligt je werk, op aarde maak je als mens een ontwikkeling door, maar je put krachten uit de verbinding met een andere wereld opdat in de aardeduisternis geestlicht kan stralen. Gebeurt dit, dan kan je als mens zelfs in de diepste duisternis leven. Dat hebben velen getoond in de verschrikkingen van oorlog en onderdrukking.

Kijken we nu concreet naar de inhoud van de vensteruren, dan zie je, dat in de eerste jaren sterk wordt uitgegaan van de door God geschapen wereld om ons heen. De liefde tot de aarde wordt in verhalen en kleine legenden in de kinderziel gewekt. Sprookjes en mythologieën geven in beeldvorm te zien hoe de mens als geestelijk zielewezen in de loop van een lange ontwikkelingstijd zich steeds meer met de aarde verbond. Eerbied voor het leven op aarde en vertrouwen in de leiding en de overwinning van goede machten spelen in alle verhalen een rol en vormen een bron van kracht in latere levenssituaties.

Na het tiende jaar, als een nieuwe verhouding tot de omringende wereld wordt gevonden, beginnen we over het leven van Christus te spreken. Op deze leeftijd worden de gelijkenissen en genezingen nog als vanzelfsprekend opgenomen. Als de kinderen ouder zijn, rijzen er vele vragen en wordt het nodig de Evangeliën ook voor de denkende mens zinvol te bespreken.

Naast verhalen uit het Nieuwe Testament wordt nog steeds geput uit de rijke sagen- en legendenstof uit vele landen. Er wordt een begin gemaakt met biografische vertellingen, waarin tastend gezocht wordt naar de lijnen van het lot, een mogelijke leiding die een mens vanuit een hogere wereld in zijn leven kan ervaren. Of het licht valt op de kracht van de eigen persoonlijkheid, die vorm geeft aan zijn leven.

In de bovenbouw* maken de verhalen veelal plaats voor gezamenlijke gesprekken over tijdsfenomenen, over de plaats van de jaarfeesten, de vele geestelijke stromingen in de mensheid. Niet alleen aan de dromende ziel, maar ook aan de denkende geest wordt nu geappelleerd.

In de huidige cultuur valt het niet gemakkelijk om de wereld van de geest in het nuchtere aardebestaan een plaats te geven. Het geweld van televisie en radio, van het jachtige, luidruchtige leven verdooft ons een beetj.  Daardoor is er veel kracht, maar ook veel warme belangstelling en begeleiding nodig, om dit facet van hot vrijeschoolonderwijs te kunnen blijven verzorgen.

Claartje Wijnbergh, Geert Grooteschool, april 1979

*de middelbare schoolafdeling (klassen 7  t/m 12)

.

1285

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJECHOOL – Religieus onderwijs

.

Men kan er niet mee volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar men moet dit onderwijs vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.
Rudolf Steiner, wegwijzer 12

.

Toen ik op de basisschool zat – die toen nog lagere school heette – waren er in ons dorp twee scholen: een openbare en een christelijke.
Op de openbare school bestond de mogelijkheid, als de ouders dat wilden, hun kinderen godsdienstles te laten geven door de dominee of desgewenst de pastoor of kapelaan.

Toen in 1919 de vrijeschool in Stuttgart werd opgericht, was daar de situatie min of meer dezelfde. Steiner vertelt er o.a. hier (blz.181) over.

Toen ik op de vrijeschool in Den Haag kwam werken, stond er op de lesrooster het vak godsdienstonderwijs en er waren enkele (klassen)leerkrachten die in de verschillende klassen dit vak gaven.
Zij kwamen regelmatig bijeen met andere godsdienstleraren uit het land en ook internationaal waren er studiebijeenkomsten.

Rond 1980 kwamen er al snel veel scholen bij en voor het vak godsdienst deden zich wel wat problemen voor: wie moesten dat geven en wilden de ouders dit wel.
Ik herinner me nog wel grotere weerstand bij die ouders die nu net in de vrijeschool een school gevonden dachten te hebben die had afgerekend met kerkelijk gedoe.

Er ontstonden tussen ouders en leerkrachten en tussen de leerkrachten onderling en met de landelijke godsdienstleerkrachten wel boeiende gesprekken over hoe dit religieuze onderwijs er dan uit zou moeten zien. 
En door gebrek aan godsdienstleerkrachten begonnen de ‘gewone’ leerkrachten zich te bezinnen op waar het ‘gewone’ onderwijs dan religieus is.
Het woord ‘godsdienstonderwijs’ werd hier en daar vervangen door ‘vensteruur’, om aan te geven dat er a.h.w. door een raam wordt gegeken naar o.a. andere godsdiensten, andersdenkenden.
Toen ik ook nog op andere scholen werkzaam was die de beginfase al achter zich hadden, viel me op dat het vak godsdienst niet op de rooster voorkwam; er waren ook geen speciale godsdienstleraren.

Hoe het nu met het vak is, en dat op de verschillende scholen – met een onderscheid in onder-midden- en bovenbouw? weet ik niet precies.

Als er kinderen van belijdende moslims worden aangemeld, mag dan desgevraagd de imam komen? Krijgt de Koran een plaats? Veel vragen. Zijn er al antwoorden?

In onderstaand artikel komen enkele aspecten van het godsdienstonderwijs naar voren zoals die in de laatste tientallen jaren konden worden verwoord. :

GODSDIENST EN ONDERWIJS

(het is adventstijd)

Het ochtendbegin in de eerste klas staat elke dag in het teken van advent. De klas is donker, enkele lichtjes branden. De kaarsen van de adventskaars worden aangestoken, de kinderen zingen daarbij: “Stil nu, stil nu.”

Na de ochtendspreuk en de andere adventsliedjes: “Het daghet in het Oosten” en “Het komt een schip geladen” werken we aan ons kerstspelletje, waar elke dag een stukje aan wordt toegevoegd. Dan een kort verhaal uit “Maria’s kleine ezeltje” van Gunhild Sehlin. Hierna besluiten we ons “adventsbegin” met de spreuk:

“Donker is de aarde
Duister overal
Maar ons hart beware
’t Licht dat komen zal
Dat het helder branden
Lichten mag heel ver
Dan zal eens de aarde
Worden tot een ster.”

Dit dagelijkse ‘adventsbegin’ is een goed voorbeeld van een stukje religie in de dagelijkse praktijk van net vrijeschoolonderwijs. De sfeer in de klas zo aan het begin van de dag is daar ook naar. Het is een heel aparte en bijzondere stemming die er dan is in de klas. Het is alsof elk kind op dat moment ook echt even iets beleeft van het kerstgebeuren. Opdat uiteindelijk iets van het Christuswezen werkelijk ontvangen kan worden. Het Christuswezen dat zich via de mens Jezus van Nazareth met de aarde verbindt. Dit is niet louter iets dat in het verleden zich afspeelde, maar verrassend actueel is en blijft.

Door zo in het onderwijs deze kant aan bod te laten komen wordt de kinderen iets heel waardevols geschonken.

Men zou het een kracht voor het verdere leven kunnen noemen. Dit is een voorbeeld, het betreft het verloop van de feesten door het jaar heen. Het beleven van de jaarfeesten draagt een belangrijk religieus element in zich.

Met religie wordt dan bedoeld het opnieuw verbinden. En dan gaat het om de verbinding met de wereld waar we vandaan komen, de oorsprong van de mens. Een wezenlijk karakter van de antroposofie en de vrije schoolpedagogiek is het uitgangspunt dat er achter de zintuiglijk te beleven wereld een niet-zichtbare wereld schuilgaat.

In vroeger tijden was déze wereld reëler dan het aardse bestaan. Dit laatste was voor de Indiër “Maya”, schijn.
In onze cultuur is het besef van de realiteit van deze kant van het mens-zijn verloren gegaan. Dat is een noodzakelijke ontwikkeling, de mens heeft er zijn vrijheid aan te danken. We kunnen de klok niet terugzetten.

Typisch voor een moderne ontwikkelingsweg als de antroposofie is dat het erom gaat met behoud van de menselijke verworvenheden op eigen kracht de niet-zichtbare wereld te integreren in het aardse bestaan. Dat is niet alleen een religieus gegeven. We komen dan tegelijkertijd ook bij een ware Christuskracht. Het is Zijn taak met in Zijn voetspoor de aartsengel Michaël om beide werelden te verenigen.

Terug naar het onderwijs. In de school staat de opvoeding centraal. De leerstof dient het pedagogische, namelijk de ontwikkeling van het kind. Overigens betekent dit niet dat in de verwerking van de stof de kinderen rustig aan hoeven te werken. Integendeel. Er moet gewoon hard gewerkt worden, hetgeen een gezonde ontwikkeling alleen maar bevordert. Het doel is echter dit laatste en niet de prestatie op zich. Maar dit even terzijde.

In de pedagogiek is het streven erop gericht dat het kind in staat is, zichzelf te vinden. Dat ware zelf is nu juist afkomstig uit de geestelijke wereld. Ons Ik, onze individualiteit is drager van onze geest.

In onze cultuur is zichtbaar dat wat dát betreft veel mensen het spoor bijster zijn. Wat hen ten diepste beweegt is op de achtergrond geraakt. Vandaar dat juist in deze tijd dat religieuze zo op z’n plaats is, daarmee staat of valt alles.

Deze jaarfeesten zijn een van die religieuze elementen in de school.
Aan de andere kant hebben het vieren en beleven daarvan ook met tijd en tijdsbeleving te maken. Tijd is een aards kenmerk. Door het bewust omgaan met de tijd worden de kinderen in de richting van het aardse geleid. Dit gebeurt door de kinderen lang van te voren voor te bereiden op dat wat komen gaat. Ze krijgen daar zo meer zicht op. Op een hele natuurlijke en geleidelijke manier groeien ze in de aardse werkelijkheid.

Op andere momenten ontstaat Ik-wording door schokken, drempels, confrontaties. Dat is een andere wijze om echt aardeburger te worden. Zeker net zo belangrijk. Het heeft geen zin die drempels weg te nemen of confrontaties uit de weg te gaan. Door de weerstand word je mens. Moge het voorafgaande niet tot de misvatting leiden dat vanuit dit religieuze het erom gaat de kinderen weg te houden van het aardse. Integendeel, het is juist de bedoeling dat de kinderen uiteindelijk met de beide benen op de grond komen te staan. Dat ze bewust en zelfstandig een bestaan kunnen inrichten. Maar dat alles met behoud van de spiritualiteit.

Want al het kunstzinnige en de creativiteit is daar vandaan afkomstig. Als men over de ontplooiing spreekt, bedoelt men eigenlijk de ontwikkeling van datgene dat in de mens aan diepste impulsen leeft. Elk kind komt op aarde met een bepaald plan. Het heeft zich iets voorgenomen.

Het is de taak van de opvoeding de voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van deze impulsen.

Een andere element waarin het kind in z’n diepste zijn wordt aangesproken is de vertelstof. Elke klas in de lagere school heeft bij de ontwikkelingsfasen behorende verhalen.
Elke dag wordt aan het eind van het hoofdonderwijs ( de eerste twee uren van de morgen) in iedere klas een verhaal verteld.
Als men een verhaal vertelt, dan wordt in feite een zichtbare realiteit geschapen. Zeker als het beeldende karakter daarvan sterk is. De verteller zou het verhaal dan ook in sterke mate voor zich moeten zien. Dat is geen eenvoudige opgave, maar de kinderen inspireren zeker daartoe. Ze zien het namelijk daadwerkelijk. Ze gaan er geheel en al in op. Het is net alsof ze even met hun bewustzijn in die andere realiteit zijn.
Er zijn kinderen die het dagelijks verhaal snel weer vergeten, als het dan weer tevoorschijn komt is het net alsof het van ver weg komt. Het moet uit hun tenen komen, zeggen we wel eens. Het doet een beetje denken aan de slaap, na het wakker worden kunnen we ook het gevoel hebben dat we van ver komen.

Maar dat is niet weg als we wakker worden. En ook het verhaal dat diep weggezakt is, is niet verdwenen. Het is er wel degelijk, alleen zijn we ons er niet meer van bewust. Maar het kan wel in sterke mate doorwerken. Datgene dat we uit de slaap meenemen kan van groot belang zijn. Ideeën kunnen we op deze wijze opdoen. Die zijn dan afkomstig uit de wereld van de nacht. Elke nacht bij het inslapen gaat het geest-zielewezen van de mens terug naar de wereld waaruit het vandaan komt. Het neemt daaruit mee terug wat voor de wereld van alledag nodig is. Zeker als we bewust pogen ons iets daaruit te herinneren kunnen we dat versterken.
Zo is het precies als met het verhaal. Dat maakt dat kinderen heel even in dat andere vertoeven. Ze excarneren dan, in het kinderleven is dat heen en weer gaan, dat in-en excarneren veel vanzelfsprekender dan bij de volwassene. Bij het kind moet zoiets kunnen gebeuren, maar dan op verantwoorde wijze. Als kinderen er geheel uitvliegen, doen ze dingen waar ze geen bewustzijn van hebben. Zoiets moet zorgvuldig in de hand worden gehouden.

In de pedagogiek is in dit verband het “ademende” element van belang. Dat wil zeggen, het op elkaar afstemmen van de diverse activiteiten. Het ene vak werkt meer incarnerend, vormend, maakt dat het kind tot zichzelf komt. Vormtekenen en boetseren hebben zo’n werkzaamheid. Vakken als muziek en vertellen werken meer excarnerend, meer ontspannend. Als het verhaal op spirituele wijze “lukt”, dan kunnen daaruit inspiraties worden geput. Net zoals de wereld van de slaap doorwerkt in het alledaagse. Alleen veelal bij het verhaal is de kracht die er in doorwerkt voor “later”.
Het is een soort toekomstkracht. Iedere volwassene zal zich dingen kunnen herinneren uit de eigen jeugd die diepe, diepe indruk gemaakt hebben.
Het kan ontmoetingen als gevolg hebben gehad, dingen beslissend beïnvloed hebben.
Het woord ‘morele kracht is hier op zijn plaats. Juist als deze kracht later in de daden doorwerkt.

Men zou hier ook de begrippen waarheid, schoonheid en goedheid mee kunnen verbinden.
Dan zijn het krachten, kwaliteiten die aan het bestaan op aarde een glans kunnen geven, een glans uit de wereld van de geest.
Niet elk verhaal zal dit grootse in zich dragen, maar ook in de eenvoud, in heel elementaire beelden leeft iets hiervan. Sprookjes dragen het sterk in zich en alleen al een bekend sprookjesbeeld als: ‘de wijde wereld intrekken’ betekent in feite wakker in de wereld gaan staan, de wereld verkennen, ontdekken. Voor een kind kan zo’n verhaal een duidelijke stimulans zijn in de zin van, eropuit, alles wijst naar de aarde, dat is het doel.

Dat is eigenlijk ook de taal van het kind, de beeldentaal.

Dit wordt vaak beter verstaan dan het volwassen, meer abstracte en soms ook lege taalgebruik. Beelden gebruiken is de ziel aanspreken, zielenvoedsel aanbieden.

Sprookjes drukken het tijdloze element, de wereld van de geest zeer sterk uit. Zo wijst het sprookje van de stukgedanste schoentjes op het mysterie van de nacht. De koning in dat verhaal vraagt zich af waar zijn twaalf dochters zich ’s nachts bevinden. En hoe het komt dat de schoentjes stukgedanst zijn iedere morgen.

We worden hier duidelijk geconfronteerd met het mysterie van de nacht, van de slaap.
Men zou het een kerstmysterie kunnen noemen. Wat werkt door dit nachtelijke heen naar de wereld van de dag? Wie doorgrondt dit raadsel en legt de verbinding?
Als we de weg van de vertelstof vervolgen in grote stappen komen we bij de legenden uit. Hier wordt het sprookjesachtige meer persoonsgebonden. Het oerbeeld van het sprookje wordt geïndividualiseerd. Bij een sage speelt daarnaast nog de plaats van handeling een grote rol.
Mythologieën drukken iets uit van een vermenselijking, het speelt zich nu meer op aarde af. We zien een ontwikkelingsgang in één persoon. De zwerftocht van Odysseus bij voorbeeld.
Uiteindelijk wordt de mythologie dan tot geschiedenis. Dit zien we onder meer bij de overgang van Grieken naar Romeinen. Bij de Romeinen is geen plaats meer voor mythologie. Het is op de grond gekomen.

Zo leidt de stroom van de vertelstof het kind heel duidelijk naar het hier en nu. In het Oude Testament speelt zich dit heel in het klein af. Het scheppingsverhaal drukt iets kosmisch uit, iets van de oerbeelden. Later zien we bij de aartsvaderen een mythisch element, ten slotte wordt het bij de koningen historisch.

Het is goed om in de gaten te houden dat de vertelstof een weg in de richting van het concrete is. Een ontwikkeling die synchroon loopt met de ontwikkeling van de mensheid.

Eenzelfde verhaal zou in een godsdienstles een heel ander accent kunnen krijgen. Eenmaal per week zou dan dat verhaal vanuit een totaal andere invalshoek verteld worden. Wat is de achtergrond daarvan, waarin onderscheidt zich dat van de verhalen die in het hoofdonderwijs verteld worden?

De vertelstof, zo is in het bovenstaande aangetoond, is geordend volgens het principe van de ontwikkelingsfasen van het kind. Daarop is het verhaal van de klassenleraar gericht.
In een godsdienstles krijgt het beeld of de lesinhoud een heel andere glans. Hier gaat het nu juist om de morele kracht, om de religieuze inhoud.

In de derde klas worden de reeds genoemde verhalen van het Oude Testament verteld. De verhalen over het ontstaan van mens en mensheid, de grote rol van inspirerende leiders geven een gevoel van rust en zekerheid. Voor het laatst spreekt uit de verhalen een imponerende autoriteit die diepe indruk maakt. Het richt zich juist op het kind in déze fase.

In de godsdienstles zouden dergelijke beelden in een nog breder perspectief geplaatst worden. Dan gaat het niet om de fase waarin de mensheid zich bevindt, de grote overgang naar een nieuwe tijd. Dan zou juist benadrukt kunnen worden waar dat op wijst, waar het naartoe gaat.

Alles in het Oude Testament wijst op de geboorte van Christus. We kunnen dat op vele plaatsen, soms direct, soms meer verhuld, tegenkomen.

Ook een wezen als de aartsengel Michaël heeft zich diepgaand met het Joodse volk verbonden, juist om de weg voor Christus voor te bereiden.

In het godsdienstonderwijs zal het christelijke element een wezenlijke rol spelen. En dan wordt bedoeld het algemeen-christelijke. Niet uitgedrukt in een bepaalde vorm, maar het principe van de vereniging van twee werkelijkheden uitgedrukt in de mens als middelaar ertussen in.

Maar, zult u zich afvragen, wordt het kind in deze een bepaalde kant op geleid? Is er niet iets dwingends gelegen in deze lessen?

De ouders van de eerste Waldorfschule in Stuttgart vroegen ons “vrij godsdienstonderwijs”, hetgeen gerealiseerd werd. In die tijd was godsdienstonderwijs vanzelfsprekend. Een priester of een dominee verzorgden dit onderwijs al naar gelang de confessie. De antroposofisch georiënteerde ouders wilden graag ook dergelijke lessen in de geest van de antroposofie. Vrij godsdienstonderwijs is de grondslag hiervan.

Vrij, omdat de ouders ervoor kiezen, vrij ook omdat een beeld aan de kinderen geschonken altijd ruimte laat. Een beeld is nooit dwingend. Het ene kind zal er dit uit putten, het andere kind wellicht iets heel anders. Waar het om gaat is dat het kind later zelf een keuze maakt op levensbeschouwelijk gebied op basis van een schat aan verhalen over mens en wereld. Op kunstzinnig gebied zal een kind eerst de kleuren moeten leren kennen, alvorens er creatief mee om te kunnen gaan.

Slaan we deze stap over en laten we het kind z’n gang gaan, dan zal de creativiteit letterlijk niet uit da verf komen. Deze namelijk is gebaseerd op een geleide ervaring en beleving maar wél vanuit het kind, in zijn taal.

Het godsdienstonderwijs in z’n praktische uitwerking is niet alleen een zaak van de school, maar juist ook van de antroposofische vereniging. Juist vanwege de specifieke achtergrond van de lessen. Dat is dan vooral gelegen in de geest van dit onderwijs. De sfeer, de stemming, die de godsdienstleraar tracht te bereiken is er een van glans, van zonnigheid. Daarom zal het godsdienstonderwijs meestal niet door de eigen leraar worden gegeven. Iemand die daar speciaal voor komt, brengt een heel speciaal element in de klas. Net zoals de Franse juf voor de kinderen een heel aparte wereld meebrengt.

Christus is een zonnewezen, een wezen van het midden. Het is Zijn taak de mensheid de liefde te leren. Ware broederschap, ware naastenliefde heeft Hij op aarde voorgeleefd. Deze kracht zien we op vele manieren, in vele mensen terugkomen.

Het kan op een concrete wijze gestalte krijgen. Alleen al als we de ons omringende natuurrijken met zorg en liefde behandelen. Ook een aspect van religie in de vrije chool. Vele ingewijden zijn verbonden met het Christus-wezen. Zo was in het oude Perzië Zarathustra werkzaam.
De Perzen werden geconfronteerd met een weerbarstige natuur. Onvruchtbaar berglandschap, de bevolking was ruw en strijdlustig. “Smeed uit de zwaarden ploegen”, zou een gezegde van Zarathustra geweest kunnen zijn. Hij leerde de mensen de aarde te bewerken. De legende verhaalt hoe Zarathustra aan de Perzen het gouden mes en de gouden dolk geeft. Een nieuwe geest ontstaat in het volk. Nieuwe gewassen, vruchten ontstaan, de strijd wordt met de onvruchtbare grond aangegaan.

Even een sprong naar een andere tijd. De tijd van koning Arthur en zijn ridders. Een duistere periode in de geschiedenis. Het voorafgaande voorbeeld over de Perzen had een legende-achtig karakter. Koning Arthur is een mythische figuur met historische aspecten. Een zeer inspirerende persoonlijkheid, dat blijkt uit de vele bewerkingen die er van de Arthursagen zijn verschenen. Van Jaap ter Haar tot Marion Bradly, in al de prachtige verhalen spreekt een geest die op de een of andere manier tot daden inspireert.

Dat zou ik een grondbeginsel van de Arthurridders willen noemen; het doen, het werkelijk practiseren van de Christelijk-Michaëlische impulsen.

In de voorbeelden van inhouden die in de godsdienstlessen aan bod zouden kunnen komen, mag eigenlijk het Graalgebeuren niet ontbreken. In de zevende klas wordt gewoonlijk het Parzivalepos verteld, in de bewerking van Wolfram von Eschenbach. Parzival die van Arthurridder Graalridder wordt. De Graal is het symbool van de krachten van de liefde, die vanuit het Zonnewezen door de aarde ontvangen worden. De Graal is een schaal waarin volgens de legende het bloed van Christus werd opgevangen.

Deze verhalen, het moge duidelijk zijn, hebben een heel eigen karakter. Heel anders dan de beelden die in het hoofdonderwijs verteld worden. Dan zal vaak ook de leerstof ermee verbonden worden, of het verhaal gedifferentieerd in één der vier temperamenten.

Geheel los daarvan staat het verhaal in de godsdienstles. Als een soort zuil staat het, even los van al het andere. Het krijgt in een apart uur even de volle aandacht die het verdient. Van de voorbeelden in het voorafgaande kan gezegd worden: dat kunnen de kinderen niet vaak genoeg horen. Dat is dermate wezenlijk, dat mag je de kinderen eigenlijk niet onthouden.

In onze cultuur neemt de onwaarachtigheid toe. De waarheid wordt in sterke mate geweld aangedaan. De draak waarover in de Michaëltijd gesproken wordt, krijgt gestadig meer macht.

In feite is het altijd Michaëltijd, niet alleen in de vroege herfst. Ons hele tijdsbestel staat in dit teken: Michaël als tijdgeest. De draak is dan een symbool van een wezen dat we tegenkracht kunnen noemen. Het zijn de tegenkrachten die wat aan goede impulsen in de mens leeft willen verstoren. Hun is er alles aan gelegen de bestemming van de mens te doorbreken. Ze zullen er steeds meer toe overgaan het ware wezen van de mens in slaap te sussen.

Juist in zo’n tijdsbestek zouden waarheid, schoonheid en goedheid een plaats moeten krijgen. Dat kan de mens nooit alleen. Daarvoor zou hij zich open moeten stellen voor datgene dat er aan kracht in de geestelijke werkelijkheden leeft. Die kracht is reëel aanwezig. Men kan het zien aan kleine initiatieven die overal genomen worden op uiteenlopende gebieden. Men kan een opening bewerkstelligen.

Op verzoek van de ouders in de eerste vrije school ontstond na het vrije godsdienstonderwijs ook nog een zondagsdienst, de Handeling.
Het woord geeft al aan waar het hier om gaat. Er wordt iets gedaan. Het betreft een cultische handeling. Een cultus drukt uit dat de geestelijke wereld in een zeer kort moment de op aarde bewegende mens beroert. Even komt het bij elkaar.
Een moderne cultus heeft Rudolf Steiner voor deze handeling ontwikkeld. Iets waar men vanuit volle vrijheid aan deelneemt.

In vroeger tijden vond inwijding plaats door een priester. Oude inwijdingswijzen zijn in deze tijd niet meer passend. De moderne mens maakt zelf de stap, wil zoiets meemaken. Het gaat niet meer buiten hem om.

Er is ook nog een Handeling voor de kinderen: de kinderhandeling. Ieder kind wordt dan aangesproken in wat hem tot mens maakt: de kracht waardoor een mens in staat is zich op te richten, zich te verheffen. Daarmee wordt de zwaartekracht overwonnen en in dienst van het Ik gesteld.
In de Handeling komt het meest wezenlijke van wat de vrijeschool zich ten doel stelt tot uitdrukking. Het is de bedoeling van datgene dat in de godsdienstles gebeurt.
En dat vanuit de daad.
Een verbinding wordt op deze wijze gerealiseerd, net als in het verhaal, net als in het omgaan met de materie.

Net als in de adventstijd.
.

Frank de Kiefte, nadere gegevens onbekend

.

1279

 

 

 

 

 

 

 

 

.