Categorie archief: godsdienst/religie

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de ochtendspreuk

.

De leerlingen op de vrijeschool beginnen iedere morgen de schooldag met de zgn. ochtendspreuk. Vanaf klas 1 t/m klas 4 de ene, vanaf klas 5 t/m klas 12 de andere.
(Omdat er in klas 4 voor het eerst aardrijkskunde wordt gegeven, is de gewoonte ontstaan met de tweede spreuk te beginnen, die de beginwoorden heeft: ‘Ik zie rond in de wereld’, als met de 1e aardrijkskundeperiode wordt begonnen. Dat heeft ertoe geleid dat deze spreuk (soms) al vanaf het begin van klas 4 wordt gesproken; oorspronkelijk was dit dus vanaf klas 5)

Wanneer de 1e vrijeschool op 7 september 1919 in Stuttgart begint, bestaan de spreuken voor de leerlingen nog niet. In de cursus die Steiner geeft vóór het starten van de school, vind je niets over spreuken.
Dat gebeurt een aantal weken later op 25 september 1919 in een lerarenvergadering waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.
De school was net begonnen en er waren natuurlijk talloze problemen op te lossen – van technische, logistieke aard, tot inhoudelijke aan toe.

Op 20 augustus 1919 houdt Steiner aan de vooravond van de cursus een welkomstoespraak voor de deelnemers. Hij geeft daarin o.a. de opzet van de cursus aan:

Für den Kurs ist anzukündigen, daß er enthalten wird:
Erstens eine fortlaufende Auseinandersetzung über allgemein päd­agogische Fragen
zweitens eine Auseinandersetzung über speziell methodische Fragen der wichtigsten Unterrichtsgegenstände
drittens eine Art seminaristisches Arbeiten innerhalb dessen, was unsere Lehraufgaben sein werden. Solche Lehraufgaben werden wir ausarbeiten und in Disputationsübungen zur Geltung bringen.
An jedem Tag werden wir vormittags das mehr Theoretische haben und nachmittags dann das Seminaristische. Wir werden also morgen um 9 Uhr beginnen mit der Allgemeinen Pädagogik, haben dann um 1/2 11 die speziell methodische Unterweisung und am Nachmittag von 3-6 Uhr die seminaristischen Übungen.
Wir müssen uns voll bewußt sein, daß eine große Kulturtat nach jeder Richtung hin getan werden soll.

Ten eerste: een doorlopende uiteenzetting over algemeen pedagogische vragen
Ten tweede: een uiteenzetting over speciaal methodische vragen over de belangrijkste vakken
Ten derde: een vorm van oefenwerk in het kader van wat onze onderwijsdoelen moeten zijn. Die zullen we uitwerken en erover discussiëren.

Iedere dag zullen we ’s ochtends het meer theoretische deel hebben (te vinden in GA 293: Algemene menskunde; GA  294: Opvoedkunst methodisch-didactisch) en ’s middags dan het seminaarwerk (GA 295: Praktijk van het lesgeven). We zullen dus morgen beginnen om 9 uur met de algemene pedagogiek, om half 11 de speciale methodiek en ’s middags van 3 tot 6 de seminaaroefeningen.

We moeten ons vol bewustzijn dat er in iedere richting een grote cultuurdaad verricht moet worden.

Meteen aansluitend volgt:

Wir wollen hier in der Waldorfschule keine Weltanschauungsschule einrichten. Die Waldorfschule soll keine Weltanschauungsschule sein, in der wir die Kinder möglichst mit anthroposophischen Dog­men vollstopfen. Wir wollen keine anthroposophische Dogmatik leh-ren, aber wir streben hin auf praktische Handhabung der Anthro­posophie. Wir wollen umsetzen dasjenige, was auf anthroposophi­schem Gebiet gewonnen werden kann, in wirkliche Unterrichts­praxis.
Auf den Lehrinhalt der Anthroposophie wird es viel weniger ankom­men als auf die praktische Handhabung dessen, was in pädagogischer Richtung im allgemeinen und im speziell Methodischen im besonde­ren aus Anthroposophie werden kann, wie Anthroposophie in Hand­habung des Unterrichts übergehen kann.

Wij willen hier met de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school openen. De vrijeschool moet geen wereldbeschouwelijke school zijn waarin we de kinderen zoveel mogelijk volstoppen met antroposofische leerstellingen. Wij willen geen antroposofische leerstellingen aanleren, maar wij streven ernaar de antroposofie in de praktijk toe te passen. Wij willen dat wat op antroposofisch gebied gewonnen kan worden, omwerken tot werkelijke onderwijspraktijk.
Op de theoretische inhoud van de antroposofie zal het veel minder aankomen dan op de practische uitvoering van wat in pedagogische richting in het algemeen en in de speciale methodiek in het bijzonder uit de antroposofie kan komen, hoe antroposofie over kan gaan in lesgeven.
GA 300A/63
Niet vertaald

Op veel meer plaatsen – niet alleen in de pedagogische voordrachten – herhaalt Steiner telkens dat het vrijeschoolonderwijs geen wereldbeschouwelijk onderwijs moet zijn. 

Dan zal hij ook vaak aangeven dat de vrijeschool gelegenheid moet bieden aan ‘de kerk(en)’ om godsdienstonderwijs te geven door haar vertegenwoordigers.

Die religiöse Unterweisung wird in den Religionsgemeinschaften erteilt werden. Die Anthroposophie werden wir nur betätigen in der Methodik des Unterrichts. Wir werden also die Kinder an die Reli­gionslehrer nach den Konfessionen verteilen.

Het godsdienstonderwijs is voorbehouden aan de religieuze gemeenschap. Antroposofie gebruiken we alleen in de methode van lesgeven. We zullen dus de kinderen over de godsdienstleerkrachten van de geloofsrichtingen verdelen.
GA 300A/63
Niet vertaald

Wanneer de school op 7 september van start gaat, is er in het leerplan plaats ingeruimd voor dit confessionele godsdienstonderwijs.
Op 8 september al, in de eerste pedagogische vergadering, is ook al sprake van ‘vrij godsdienstonderwijs’ dat uiteraard wél antroposofisch onderwijs genoemd moet worden, omdat het door (antroposofische) ouders wordt gewild. Daarmee wordt niet meteen begonnen: het wordt verschoven naar 23 september. Op die dag is er echter geen vergadering – er zijn geen notities van – maar wél van 25 sept.
Op zeker ogenblik zegt Steiner: ‘We moeten nog over het vrije godsdienstonderwijs spreken’.
En dan gaat het over wat je van antroposofie wel of niet aan de kinderen die daar speciaal aan meedoen, moet vertellen of niet. Vóór een leerkracht een vraag stelt, zei Steiner: ‘De weekspreuken kun je ook met de kinderen aan het begin van de les zeggen. 

Daarop vraagt een leekracht: ‘Zou het niet goed zijn de kinderen een soort morgengebed te laten spreken? Steiner antwoordt dat je dat zou kunnen doen en wil er de volgende dag op terugkomen.

Dat doet hij inderdaad op 26 september, maar nadat iemand heeft voorgesteld ’s morgens met het Onze Vader te beginnen. 

X.    schlägt vor, morgens mit dem Vaterunser zu beginnen.

Hier is eerst sprake van een spreuk voor de 4 laagste klassen. Een dag eerder heeft Steiner al over het vrije godsdienstonderwijs gesproken en een indeling gemaakt voor de klassen 1 t/m 4 en 5 t/m 8, op dat ogenblik alle bestaande klassen.
Dit alles overziend krijg ik sterk de indruk dat de spreuken zoals ze nu in alle vrijescholen iedere dag door alle kinderen gesproken worden, oorspronkelijk bedoeld waren voor de kinderen die het vrije godsdienstonderwijs zouden volgen, dus onderwijs waarin antroposofie als wereldbeschouwing een rol speelt.

De vraag is nu, waarom deze spreuken dan algemeen zijn geworden en sinds wanneer. In 1921 zegt Steiner:

Der Lehrer also betritt, in der gekennzeichneten Weise vorbereitet, am Morgen das Schulgebäude. Die Kinder erscheinen etwas früher in der Sommerszeit, um acht Uhr, etwas später im Winter, und nachdem sie sich in den Klassen versammelt haben, werden sie zunächst dadurch gesammelt, daß jeder Lehrer, jede Lehrerin in ihrer Klasse mit einem möglichst an das allgemein Menschliche und auch Religiöse herange­henden Spruch beginnt, der entweder in Sprach- oder Gesangsform, aber zugleich mit einer Art Gebetscharakter von der ganzen Klasse im Chore vorgebracht wird. Ein wirkliches Gebet kann sich dann daran-schließen. Die Einzelheiten sind ja in unserer Freien Waldorfschule immer ganz der Individualität des betreffenden Lehrers überlassen.
Dann beginnt der sogenannte Hauptunterricht (  )

De leraar komt ’s morgens dus, op de beschreven manier voorbereid, het schoolgebouw binnen. De kinderen komen ’s zomers iets vroeger, om acht uur, en ’s winters iets later. Nadat zij zich in de klassen verzameld hebben, begint iedere leraar, iedere lerares in de klas met een spreuk, die een alge­meen menselijke en ook religieus getinte inhoud heeft. Die spreuk wordt gezegd of gezongen, maar gelijktijdig met een soort gebedskarakter, en door de hele klas in koor. Een echt gebed kan daarop volgen. De details worden in onze vrij­eschool altijd volledig aan de individualiteit van de betref­fende leraar overgelaten.
Dan begint het zogenaamde hoofdonderwijs, (  )
GA 303/140
Vertaald/153

Ik weet niet of ‘met een spreuk’ hier betekent met ‘de’ spreuk, zoals nu het geval is. Als ‘de details’ betekent dat je als leerkracht je eigen spreuk kon/kan kiezen, zou dat nog ergens te achterhalen moeten zijn. Ik weet het op dit ogenblik niet.
Het is voor nu ook niet zo wezenlijk, want de spreuken worden gezegd en interessanter is het ‘waarom’.

Dr. Steiner: Ich würde es sehr schön finden, mit dem Vaterunser den Unterricht zu beginnen. Dann gehen Sie über zu den Sprüchen, die ich Ihnen sagen werde.
Für die vier unteren Klassen bitte ich, den Spruch in der folgenden
Weise zu sagen:    

Ik zou het erg mooi vinden de les met het Onze Vader te beginnen. Dan gaat u over tot de spreuken die ik U zal zeggen. Voor de vier laagste klassen verzoek ik de spreuk op de volgende manier te zeggen:

Der Sonne liebes Licht,
Es hellet mir den Tag; 
Der Seele Geistesmacht, 
Sie gibt den Gliedern Kraft;
Im Sonnen-Lichtes-Glanz 
Verehre ich, o Gott, 
Die Menschenkraft, die Du 
in meine Seele mir 
So gütig hast gepflanzt, 
Daß ich kann arbeitsam 
und lernbegierig sein.
Von Dir stammt Licht und Kraft, 
Zu Dir ström’ Lieb’ und Dank.

Het liefdelicht der zon,
Verheldert mij de dag;
De geestesmacht der ziel,
Geeft kracht aan hand en voet;
In de lichtglans van de zon
Vereer ik diep, o God,
De mensenkracht, die Gij
In mijn ziel
Vol goedheid hebt geplant,
Opdat ik ijverig werken
En gretig leren kan.
Van U stamt licht en kracht,
Tot U strome liefde en dank.

Das müßten die Schüler so empfinden, wie ich es gesprochen habe. Man müßte ihnen auch klarmachen nach und nach – erst sollen sie die Worte aufnehmen – den Gegensatz des Äußeren und des Inne­ren.

Der Sonne liebes Licht, 
Es hellet mir den Tag; 
Der Seele Geistesmacht, 
Sie gibt den Gliedern Kraft;

Das eine bemerkt man beobachtend, wie das Licht den Tag erhellt; das andere ist das Fühlen des Seelischen, wie es in die Glieder geht. Geistig-seelisch – physisch-körperlich: das liegt in diesem Satz.

Im Sonnen-Lichtes-Glanz
Verehre ich, o Gott,
Die Menschenkraft, die Du
In meine Seele mir
So gütig hast gepflanzt,
Daß ich kann arbeitsam
Und lernbegierig sein.

Dies also verehrend zu denselben beiden. Dann noch einmal zu bei­den sich wendend:

Von Dir stammt Licht und Kraft,   (die Sonne) 
Zu Dir ström’ Lieb’ und Dank.     (vom Innern)

So, würde ich meinen, sollen die Kinder es empfinden: zu dem Göttlichen im Licht und in der Seele.
Sie müssen versuchen, mit dieser Empfindung, wie ich es vorgelesen habe, es mit den Kindern zusammen im Chor zu sprechen. Zuerst lernen es die Kinder rein wortgemäß, so daß sie Wort, Takt und Rhythmus haben. Erst später erklären Sie einmal gelegentlich: Jetzt wollen wir mal sehen, was da drinnen ist. – Erst müssen sie es haben, dann erst erklären. Nicht zuerst erklären, auch nicht viel darauf geben, daß die Kinder es auswendig können. Im Gebrauch erst, nach und nach sollen sie es auswendig lernen. Sie sollen es förmlich von Ihren Lippen zunächst ablesen. Wenn es lange Zeit, vier Wochen meinetwegen, schlecht geht, um so besser wird es später gehen. Die Größeren können es schon aufschreiben; mit den Kleinsten muß man es nach und nach einlernen. Nicht befehlen, daß sie es auswen­dig lernen! Wenn Sie es ihnen aufschreiben, ist es ja schön; dann haben sie es in Ihrer Schrift.
Den Spruch für die vier höheren Klassen gebe ich Ihnen morgen noch.

Dat zouden de leerlingen zo moeten beleven, als ik het gesproken heb. Ook moet je ze stap voor stap duidelijk maken – eerst moeten ze de woorden in zich opnemen – wat het verschil is tussen wat buiten hen is en in hun innerlijk.

Het liefdelicht der zon,
Verheldert mij de dag;
De geestesmacht der ziel,
Geeft kracht aan hand en voet;

Het ene merk je al waarnemend, hoe de zon de dag verlicht; het andere is het gevoel in je ziel, hoe dat naar je ledematen gaat. Geest, ziel en lichaam: dat zit in deze zin.

In de lichtglans van de zon
Vereer ik diep, o God,
De mensenkracht, die Gij
In mijn ziel
Vol goedheid hebt geplant,
Opdat ik ijverig leren
En gretig leren kan.
Van U stamt licht en kracht,
Tot U strome liefde en dank.

Dit dus vererend naar allebei. Dan nog een keer gericht op beide:

Van U stamt licht en kracht (de zon)
Tot U strome liefde en dank (vanuit het innerlijk)

Zo bedoel ik, moeten de kinderen het beleven: naar het goddelijke in het licht en in de ziel.
U moet proberen met dit gevoel waarmee ik het voorgelezen heb, het met de kinderen samen in koor te spreken. Eerst leren de kinderen alleen de woorden, zodat ze woord, maat en ritme hebben. Pas later legt u bij gelegenheid wat uit: nu willen we eens kijken wat daarin staat. Niet eerst verklaren, ook niet te veel de nadruk erop leggen dat de kinderen het uit het hoofd kennen. Door het gebruik,  zullen ze het langzamerhand uit hun hoofd leren. Ze moeten het eerst als vorm van u naspreken. Wanneer het een poos, vier weken wat mij netrreft, slecht gaat, zal het later des te beter gaan. De groteren kunnen het wel opschrijven; met de kleintjes moet je het langzaam aanleren. Niet eisen dat ze het van buiten leren! Wanneer u het voor hen opschrijft, is dat mooi; dan staat het in uw handschrift.

De spreuk voor de vier hogere klassen geef ik u morgen nog.

Der Spruch für die vier höheren Klassen lautet so:

Ich schaue in die Welt;
In der die Sonne leuchtet,
In der die Sterne funkeln;
In der die Steine lagern,
Die Pflanzen lebend wachsen,
#SE300a-098
Die Tiere fühlend leben,
In der der Mensch beseelt
Dem Geiste Wohnung gibt;
Ich schaue in die Seele,
Die mir im Innern lebet.
Der Gottesgeist, er webt
Im Sonn- und Seelenlicht,
Im Weltenraum, da draußen,
In Seelentiefen, drinnen.
Zu Dir, o Gottesgeist,
Will ich bittend mich wenden,
Daß Kraft und Segen mir
Zum Lernen und zur Arbeit
In meinem Innern wachse.

Die Texte sind hier genau nach den Handschriften wiedergegeben, ausgenom­men die Absätze im ersten Spruch, die Dr. Steiner wahrscheinlich beim Dik­tieren zum Ausdruck gebracht hat, laut Stenogramm. Es ist nicht ausgeschlos­sen, daß er ,,Liebeslicht” diktiert hat.

De spreuk voor de vier hogere klassen luidt zo:

Ik zie rond in de wereld;
Waarin de zon haar licht zendt,
Waarin de sterren fonkelen;
Waarin de stenen rusten,
De planten levend groeien,
De dieren voelend leven,
Waarin de mens bezield
De geest een woning geeft;
Ik schouw diep in de ziel,
Die binnen in mij leeft.
De godesgeest, hij weeft
In zon- en zielelicht,
In wereldruimten, buiten,
In zielediepten, binnen
Tot u, o godesgeest,
Wil ik mij vragend wenden,
Dat kracht en zegening
Voor leren en voor arbeid
Tot wasdom moge komen.

De teksten zijn hier precies naar de handschriften weergegeven, behalve de alinea’s in de eerste spreuk die Dr.Steiner waarschijnlijk bij het dicteren tot uitdrukking heeft gebracht, volgens het stenogram. Het is niet uitgesloten dat hij ‘Liebeslicht’ ‘liefdeslicht’ gedicteerd heeft.
GA 300A/96-97
Niet vertaald

Religieus onderwijs

Religieus onderwijs

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1287

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Religieus onderwijs – vensteruur

.

Bij dit artikel noemde ik het woord ‘vensteruur’. Het werd, dacht ik, voor het eerst gebruikt op de Geert Grooteschool eind jaren ’70 van de vorige eeuw.

Hier volgt een stukje uit een schoolkrant van die tijd.
.

vensteruur

We leven in een tijd, waarin we twee grote stromingen in de mensheid zien optreden:
Het materialistische denken, wat in de vorige eeuw met kracht door grote denkers op aarde werd vertegenwoordigd, heeft zich vooral in de westerse wereld verbreid. Kant toonde aan, dat er grenzen waren aan het menselijke denken – we moeten ons noodgedwongen beperken tot het hier en nu. Darwin bracht de afstammingsleer: de mens als nakomeling van de aap.

Als reactie hierop zien we nu een ander verschijnsel optreden: een vlucht in hoger sferen in talloze sekten en in veelal met het Oosten verwante religieuze stromingen.

Ook de verdovende en verslavende middelen zijn in eerste instantie een hulp, je van de aarde, van dit donkere tranendal af te wenden.

In de Vrije Scholen wordt getracht om tussen deze twee klippen door te zeilen door de kinderen het beleven mee te geven burger van beide werelden te zijn:
Op aarde ligt je werk, op aarde maak je als mens een ontwikkeling door, maar je put krachten uit de verbinding met een andere wereld opdat in de aardeduisternis geestlicht kan stralen. Gebeurt dit, dan kan je als mens zelfs in de diepste duisternis leven. Dat hebben velen getoond in de verschrikkingen van oorlog en onderdrukking.

Kijken we nu concreet naar de inhoud van de vensteruren, dan zie je, dat in de eerste jaren sterk wordt uitgegaan van de door God geschapen wereld om ons heen. De liefde tot de aarde wordt in verhalen en kleine legenden in de kinderziel gewekt. Sprookjes en mythologieën geven in beeldvorm te zien hoe de mens als geestelijk zielewezen in de loop van een lange ontwikkelingstijd zich steeds meer met de aarde verbond. Eerbied voor het leven op aarde en vertrouwen in de leiding en de overwinning van goede machten spelen in alle verhalen een rol en vormen een bron van kracht in latere levenssituaties.

Na het tiende jaar, als een nieuwe verhouding tot de omringende wereld wordt gevonden, beginnen we over het leven van Christus te spreken. Op deze leeftijd worden de gelijkenissen en genezingen nog als vanzelfsprekend opgenomen. Als de kinderen ouder zijn, rijzen er vele vragen en wordt het nodig de Evangeliën ook voor de denkende mens zinvol te bespreken.

Naast verhalen uit het Nieuwe Testament wordt nog steeds geput uit de rijke sagen- en legendenstof uit vele landen. Er wordt een begin gemaakt met biografische vertellingen, waarin tastend gezocht wordt naar de lijnen van het lot, een mogelijke leiding die een mens vanuit een hogere wereld in zijn leven kan ervaren. Of het licht valt op de kracht van de eigen persoonlijkheid, die vorm geeft aan zijn leven.

In de bovenbouw* maken de verhalen veelal plaats voor gezamenlijke gesprekken over tijdsfenomenen, over de plaats van de jaarfeesten, de vele geestelijke stromingen in de mensheid. Niet alleen aan de dromende ziel, maar ook aan de denkende geest wordt nu geappelleerd.

In de huidige cultuur valt het niet gemakkelijk om de wereld van de geest in het nuchtere aardebestaan een plaats te geven. Het geweld van televisie en radio, van het jachtige, luidruchtige leven verdooft ons een beetj.  Daardoor is er veel kracht, maar ook veel warme belangstelling en begeleiding nodig, om dit facet van hot vrijeschoolonderwijs te kunnen blijven verzorgen.

Claartje Wijnbergh, Geert Grooteschool, april 1979

*de middelbare schoolafdeling (klassen 7  t/m 12)

.

1285

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJECHOOL – Religieus onderwijs

.

Men kan er niet mee volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar men moet dit onderwijs vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.
Rudolf Steiner, wegwijzer 12

.

Toen ik op de basisschool zat – die toen nog lagere school heette – waren er in ons dorp twee scholen: een openbare en een christelijke.
Op de openbare school bestond de mogelijkheid, als de ouders dat wilden, hun kinderen godsdienstles te laten geven door de dominee of desgewenst de pastoor of kapelaan.

Toen in 1919 de vrijeschool in Stuttgart werd opgericht, was daar de situatie min of meer dezelfde. Steiner vertelt er o.a. hier (blz.181) over.

Toen ik op de vrijeschool in Den Haag kwam werken, stond er op de lesrooster het vak godsdienstonderwijs en er waren enkele (klassen)leerkrachten die in de verschillende klassen dit vak gaven.
Zij kwamen regelmatig bijeen met andere godsdienstleraren uit het land en ook internationaal waren er studiebijeenkomsten.

Rond 1980 kwamen er al snel veel scholen bij en voor het vak godsdienst deden zich wel wat problemen voor: wie moesten dat geven en wilden de ouders dit wel.
Ik herinner me nog wel grotere weerstand bij die ouders die nu net in de vrijeschool een school gevonden dachten te hebben die had afgerekend met kerkelijk gedoe.

Er ontstonden tussen ouders en leerkrachten en tussen de leerkrachten onderling en met de landelijke godsdienstleerkrachten wel boeiende gesprekken over hoe dit religieuze onderwijs er dan uit zou moeten zien. 
En door gebrek aan godsdienstleerkrachten begonnen de ‘gewone’ leerkrachten zich te bezinnen op waar het ‘gewone’ onderwijs dan religieus is.
Het woord ‘godsdienstonderwijs’ werd hier en daar vervangen door ‘vensteruur’, om aan te geven dat er a.h.w. door een raam wordt gegeken naar o.a. andere godsdiensten, andersdenkenden.
Toen ik ook nog op andere scholen werkzaam was die de beginfase al achter zich hadden, viel me op dat het vak godsdienst niet op de rooster voorkwam; er waren ook geen speciale godsdienstleraren.

Hoe het nu met het vak is, en dat op de verschillende scholen – met een onderscheid in onder-midden- en bovenbouw? weet ik niet precies.

Als er kinderen van belijdende moslims worden aangemeld, mag dan desgevraagd de imam komen? Krijgt de Koran een plaats? Veel vragen. Zijn er al antwoorden?

In onderstaand artikel komen enkele aspecten van het godsdienstonderwijs naar voren zoals die in de laatste tientallen jaren konden worden verwoord. :

GODSDIENST EN ONDERWIJS

(het is adventstijd)

Het ochtendbegin in de eerste klas staat elke dag in het teken van advent. De klas is donker, enkele lichtjes branden. De kaarsen van de adventskaars worden aangestoken, de kinderen zingen daarbij: “Stil nu, stil nu.”

Na de ochtendspreuk en de andere adventsliedjes: “Het daghet in het Oosten” en “Het komt een schip geladen” werken we aan ons kerstspelletje, waar elke dag een stukje aan wordt toegevoegd. Dan een kort verhaal uit “Maria’s kleine ezeltje” van Gunhild Sehlin. Hierna besluiten we ons “adventsbegin” met de spreuk:

“Donker is de aarde
Duister overal
Maar ons hart beware
’t Licht dat komen zal
Dat het helder branden
Lichten mag heel ver
Dan zal eens de aarde
Worden tot een ster.”

Dit dagelijkse ‘adventsbegin’ is een goed voorbeeld van een stukje religie in de dagelijkse praktijk van net vrijeschoolonderwijs. De sfeer in de klas zo aan het begin van de dag is daar ook naar. Het is een heel aparte en bijzondere stemming die er dan is in de klas. Het is alsof elk kind op dat moment ook echt even iets beleeft van het kerstgebeuren. Opdat uiteindelijk iets van het Christuswezen werkelijk ontvangen kan worden. Het Christuswezen dat zich via de mens Jezus van Nazareth met de aarde verbindt. Dit is niet louter iets dat in het verleden zich afspeelde, maar verrassend actueel is en blijft.

Door zo in het onderwijs deze kant aan bod te laten komen wordt de kinderen iets heel waardevols geschonken.

Men zou het een kracht voor het verdere leven kunnen noemen. Dit is een voorbeeld, het betreft het verloop van de feesten door het jaar heen. Het beleven van de jaarfeesten draagt een belangrijk religieus element in zich.

Met religie wordt dan bedoeld het opnieuw verbinden. En dan gaat het om de verbinding met de wereld waar we vandaan komen, de oorsprong van de mens. Een wezenlijk karakter van de antroposofie en de vrije schoolpedagogiek is het uitgangspunt dat er achter de zintuiglijk te beleven wereld een niet-zichtbare wereld schuilgaat.

In vroeger tijden was déze wereld reëler dan het aardse bestaan. Dit laatste was voor de Indiër “Maya”, schijn.
In onze cultuur is het besef van de realiteit van deze kant van het mens-zijn verloren gegaan. Dat is een noodzakelijke ontwikkeling, de mens heeft er zijn vrijheid aan te danken. We kunnen de klok niet terugzetten.

Typisch voor een moderne ontwikkelingsweg als de antroposofie is dat het erom gaat met behoud van de menselijke verworvenheden op eigen kracht de niet-zichtbare wereld te integreren in het aardse bestaan. Dat is niet alleen een religieus gegeven. We komen dan tegelijkertijd ook bij een ware Christuskracht. Het is Zijn taak met in Zijn voetspoor de aartsengel Michaël om beide werelden te verenigen.

Terug naar het onderwijs. In de school staat de opvoeding centraal. De leerstof dient het pedagogische, namelijk de ontwikkeling van het kind. Overigens betekent dit niet dat in de verwerking van de stof de kinderen rustig aan hoeven te werken. Integendeel. Er moet gewoon hard gewerkt worden, hetgeen een gezonde ontwikkeling alleen maar bevordert. Het doel is echter dit laatste en niet de prestatie op zich. Maar dit even terzijde.

In de pedagogiek is het streven erop gericht dat het kind in staat is, zichzelf te vinden. Dat ware zelf is nu juist afkomstig uit de geestelijke wereld. Ons Ik, onze individualiteit is drager van onze geest.

In onze cultuur is zichtbaar dat wat dát betreft veel mensen het spoor bijster zijn. Wat hen ten diepste beweegt is op de achtergrond geraakt. Vandaar dat juist in deze tijd dat religieuze zo op z’n plaats is, daarmee staat of valt alles.

Deze jaarfeesten zijn een van die religieuze elementen in de school.
Aan de andere kant hebben het vieren en beleven daarvan ook met tijd en tijdsbeleving te maken. Tijd is een aards kenmerk. Door het bewust omgaan met de tijd worden de kinderen in de richting van het aardse geleid. Dit gebeurt door de kinderen lang van te voren voor te bereiden op dat wat komen gaat. Ze krijgen daar zo meer zicht op. Op een hele natuurlijke en geleidelijke manier groeien ze in de aardse werkelijkheid.

Op andere momenten ontstaat Ik-wording door schokken, drempels, confrontaties. Dat is een andere wijze om echt aardeburger te worden. Zeker net zo belangrijk. Het heeft geen zin die drempels weg te nemen of confrontaties uit de weg te gaan. Door de weerstand word je mens. Moge het voorafgaande niet tot de misvatting leiden dat vanuit dit religieuze het erom gaat de kinderen weg te houden van het aardse. Integendeel, het is juist de bedoeling dat de kinderen uiteindelijk met de beide benen op de grond komen te staan. Dat ze bewust en zelfstandig een bestaan kunnen inrichten. Maar dat alles met behoud van de spiritualiteit.

Want al het kunstzinnige en de creativiteit is daar vandaan afkomstig. Als men over de ontplooiing spreekt, bedoelt men eigenlijk de ontwikkeling van datgene dat in de mens aan diepste impulsen leeft. Elk kind komt op aarde met een bepaald plan. Het heeft zich iets voorgenomen.

Het is de taak van de opvoeding de voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van deze impulsen.

Een andere element waarin het kind in z’n diepste zijn wordt aangesproken is de vertelstof. Elke klas in de lagere school heeft bij de ontwikkelingsfasen behorende verhalen.
Elke dag wordt aan het eind van het hoofdonderwijs ( de eerste twee uren van de morgen) in iedere klas een verhaal verteld.
Als men een verhaal vertelt, dan wordt in feite een zichtbare realiteit geschapen. Zeker als het beeldende karakter daarvan sterk is. De verteller zou het verhaal dan ook in sterke mate voor zich moeten zien. Dat is geen eenvoudige opgave, maar de kinderen inspireren zeker daartoe. Ze zien het namelijk daadwerkelijk. Ze gaan er geheel en al in op. Het is net alsof ze even met hun bewustzijn in die andere realiteit zijn.
Er zijn kinderen die het dagelijks verhaal snel weer vergeten, als het dan weer tevoorschijn komt is het net alsof het van ver weg komt. Het moet uit hun tenen komen, zeggen we wel eens. Het doet een beetje denken aan de slaap, na het wakker worden kunnen we ook het gevoel hebben dat we van ver komen.

Maar dat is niet weg als we wakker worden. En ook het verhaal dat diep weggezakt is, is niet verdwenen. Het is er wel degelijk, alleen zijn we ons er niet meer van bewust. Maar het kan wel in sterke mate doorwerken. Datgene dat we uit de slaap meenemen kan van groot belang zijn. Ideeën kunnen we op deze wijze opdoen. Die zijn dan afkomstig uit de wereld van de nacht. Elke nacht bij het inslapen gaat het geest-zielewezen van de mens terug naar de wereld waaruit het vandaan komt. Het neemt daaruit mee terug wat voor de wereld van alledag nodig is. Zeker als we bewust pogen ons iets daaruit te herinneren kunnen we dat versterken.
Zo is het precies als met het verhaal. Dat maakt dat kinderen heel even in dat andere vertoeven. Ze excarneren dan, in het kinderleven is dat heen en weer gaan, dat in-en excarneren veel vanzelfsprekender dan bij de volwassene. Bij het kind moet zoiets kunnen gebeuren, maar dan op verantwoorde wijze. Als kinderen er geheel uitvliegen, doen ze dingen waar ze geen bewustzijn van hebben. Zoiets moet zorgvuldig in de hand worden gehouden.

In de pedagogiek is in dit verband het “ademende” element van belang. Dat wil zeggen, het op elkaar afstemmen van de diverse activiteiten. Het ene vak werkt meer incarnerend, vormend, maakt dat het kind tot zichzelf komt. Vormtekenen en boetseren hebben zo’n werkzaamheid. Vakken als muziek en vertellen werken meer excarnerend, meer ontspannend. Als het verhaal op spirituele wijze “lukt”, dan kunnen daaruit inspiraties worden geput. Net zoals de wereld van de slaap doorwerkt in het alledaagse. Alleen veelal bij het verhaal is de kracht die er in doorwerkt voor “later”.
Het is een soort toekomstkracht. Iedere volwassene zal zich dingen kunnen herinneren uit de eigen jeugd die diepe, diepe indruk gemaakt hebben.
Het kan ontmoetingen als gevolg hebben gehad, dingen beslissend beïnvloed hebben.
Het woord ‘morele kracht is hier op zijn plaats. Juist als deze kracht later in de daden doorwerkt.

Men zou hier ook de begrippen waarheid, schoonheid en goedheid mee kunnen verbinden.
Dan zijn het krachten, kwaliteiten die aan het bestaan op aarde een glans kunnen geven, een glans uit de wereld van de geest.
Niet elk verhaal zal dit grootse in zich dragen, maar ook in de eenvoud, in heel elementaire beelden leeft iets hiervan. Sprookjes dragen het sterk in zich en alleen al een bekend sprookjesbeeld als: ‘de wijde wereld intrekken’ betekent in feite wakker in de wereld gaan staan, de wereld verkennen, ontdekken. Voor een kind kan zo’n verhaal een duidelijke stimulans zijn in de zin van, eropuit, alles wijst naar de aarde, dat is het doel.

Dat is eigenlijk ook de taal van het kind, de beeldentaal.

Dit wordt vaak beter verstaan dan het volwassen, meer abstracte en soms ook lege taalgebruik. Beelden gebruiken is de ziel aanspreken, zielenvoedsel aanbieden.

Sprookjes drukken het tijdloze element, de wereld van de geest zeer sterk uit. Zo wijst het sprookje van de stukgedanste schoentjes op het mysterie van de nacht. De koning in dat verhaal vraagt zich af waar zijn twaalf dochters zich ’s nachts bevinden. En hoe het komt dat de schoentjes stukgedanst zijn iedere morgen.

We worden hier duidelijk geconfronteerd met het mysterie van de nacht, van de slaap.
Men zou het een kerstmysterie kunnen noemen. Wat werkt door dit nachtelijke heen naar de wereld van de dag? Wie doorgrondt dit raadsel en legt de verbinding?
Als we de weg van de vertelstof vervolgen in grote stappen komen we bij de legenden uit. Hier wordt het sprookjesachtige meer persoonsgebonden. Het oerbeeld van het sprookje wordt geïndividualiseerd. Bij een sage speelt daarnaast nog de plaats van handeling een grote rol.
Mythologieën drukken iets uit van een vermenselijking, het speelt zich nu meer op aarde af. We zien een ontwikkelingsgang in één persoon. De zwerftocht van Odysseus bij voorbeeld.
Uiteindelijk wordt de mythologie dan tot geschiedenis. Dit zien we onder meer bij de overgang van Grieken naar Romeinen. Bij de Romeinen is geen plaats meer voor mythologie. Het is op de grond gekomen.

Zo leidt de stroom van de vertelstof het kind heel duidelijk naar het hier en nu. In het Oude Testament speelt zich dit heel in het klein af. Het scheppingsverhaal drukt iets kosmisch uit, iets van de oerbeelden. Later zien we bij de aartsvaderen een mythisch element, ten slotte wordt het bij de koningen historisch.

Het is goed om in de gaten te houden dat de vertelstof een weg in de richting van het concrete is. Een ontwikkeling die synchroon loopt met de ontwikkeling van de mensheid.

Eenzelfde verhaal zou in een godsdienstles een heel ander accent kunnen krijgen. Eenmaal per week zou dan dat verhaal vanuit een totaal andere invalshoek verteld worden. Wat is de achtergrond daarvan, waarin onderscheidt zich dat van de verhalen die in het hoofdonderwijs verteld worden?

De vertelstof, zo is in het bovenstaande aangetoond, is geordend volgens het principe van de ontwikkelingsfasen van het kind. Daarop is het verhaal van de klassenleraar gericht.
In een godsdienstles krijgt het beeld of de lesinhoud een heel andere glans. Hier gaat het nu juist om de morele kracht, om de religieuze inhoud.

In de derde klas worden de reeds genoemde verhalen van het Oude Testament verteld. De verhalen over het ontstaan van mens en mensheid, de grote rol van inspirerende leiders geven een gevoel van rust en zekerheid. Voor het laatst spreekt uit de verhalen een imponerende autoriteit die diepe indruk maakt. Het richt zich juist op het kind in déze fase.

In de godsdienstles zouden dergelijke beelden in een nog breder perspectief geplaatst worden. Dan gaat het niet om de fase waarin de mensheid zich bevindt, de grote overgang naar een nieuwe tijd. Dan zou juist benadrukt kunnen worden waar dat op wijst, waar het naartoe gaat.

Alles in het Oude Testament wijst op de geboorte van Christus. We kunnen dat op vele plaatsen, soms direct, soms meer verhuld, tegenkomen.

Ook een wezen als de aartsengel Michaël heeft zich diepgaand met het Joodse volk verbonden, juist om de weg voor Christus voor te bereiden.

In het godsdienstonderwijs zal het christelijke element een wezenlijke rol spelen. En dan wordt bedoeld het algemeen-christelijke. Niet uitgedrukt in een bepaalde vorm, maar het principe van de vereniging van twee werkelijkheden uitgedrukt in de mens als middelaar ertussen in.

Maar, zult u zich afvragen, wordt het kind in deze een bepaalde kant op geleid? Is er niet iets dwingends gelegen in deze lessen?

De ouders van de eerste Waldorfschule in Stuttgart vroegen ons “vrij godsdienstonderwijs”, hetgeen gerealiseerd werd. In die tijd was godsdienstonderwijs vanzelfsprekend. Een priester of een dominee verzorgden dit onderwijs al naar gelang de confessie. De antroposofisch georiënteerde ouders wilden graag ook dergelijke lessen in de geest van de antroposofie. Vrij godsdienstonderwijs is de grondslag hiervan.

Vrij, omdat de ouders ervoor kiezen, vrij ook omdat een beeld aan de kinderen geschonken altijd ruimte laat. Een beeld is nooit dwingend. Het ene kind zal er dit uit putten, het andere kind wellicht iets heel anders. Waar het om gaat is dat het kind later zelf een keuze maakt op levensbeschouwelijk gebied op basis van een schat aan verhalen over mens en wereld. Op kunstzinnig gebied zal een kind eerst de kleuren moeten leren kennen, alvorens er creatief mee om te kunnen gaan.

Slaan we deze stap over en laten we het kind z’n gang gaan, dan zal de creativiteit letterlijk niet uit da verf komen. Deze namelijk is gebaseerd op een geleide ervaring en beleving maar wél vanuit het kind, in zijn taal.

Het godsdienstonderwijs in z’n praktische uitwerking is niet alleen een zaak van de school, maar juist ook van de antroposofische vereniging. Juist vanwege de specifieke achtergrond van de lessen. Dat is dan vooral gelegen in de geest van dit onderwijs. De sfeer, de stemming, die de godsdienstleraar tracht te bereiken is er een van glans, van zonnigheid. Daarom zal het godsdienstonderwijs meestal niet door de eigen leraar worden gegeven. Iemand die daar speciaal voor komt, brengt een heel speciaal element in de klas. Net zoals de Franse juf voor de kinderen een heel aparte wereld meebrengt.

Christus is een zonnewezen, een wezen van het midden. Het is Zijn taak de mensheid de liefde te leren. Ware broederschap, ware naastenliefde heeft Hij op aarde voorgeleefd. Deze kracht zien we op vele manieren, in vele mensen terugkomen.

Het kan op een concrete wijze gestalte krijgen. Alleen al als we de ons omringende natuurrijken met zorg en liefde behandelen. Ook een aspect van religie in de vrije chool. Vele ingewijden zijn verbonden met het Christus-wezen. Zo was in het oude Perzië Zarathustra werkzaam.
De Perzen werden geconfronteerd met een weerbarstige natuur. Onvruchtbaar berglandschap, de bevolking was ruw en strijdlustig. “Smeed uit de zwaarden ploegen”, zou een gezegde van Zarathustra geweest kunnen zijn. Hij leerde de mensen de aarde te bewerken. De legende verhaalt hoe Zarathustra aan de Perzen het gouden mes en de gouden dolk geeft. Een nieuwe geest ontstaat in het volk. Nieuwe gewassen, vruchten ontstaan, de strijd wordt met de onvruchtbare grond aangegaan.

Even een sprong naar een andere tijd. De tijd van koning Arthur en zijn ridders. Een duistere periode in de geschiedenis. Het voorafgaande voorbeeld over de Perzen had een legende-achtig karakter. Koning Arthur is een mythische figuur met historische aspecten. Een zeer inspirerende persoonlijkheid, dat blijkt uit de vele bewerkingen die er van de Arthursagen zijn verschenen. Van Jaap ter Haar tot Marion Bradly, in al de prachtige verhalen spreekt een geest die op de een of andere manier tot daden inspireert.

Dat zou ik een grondbeginsel van de Arthurridders willen noemen; het doen, het werkelijk practiseren van de Christelijk-Michaëlische impulsen.

In de voorbeelden van inhouden die in de godsdienstlessen aan bod zouden kunnen komen, mag eigenlijk het Graalgebeuren niet ontbreken. In de zevende klas wordt gewoonlijk het Parzivalepos verteld, in de bewerking van Wolfram von Eschenbach. Parzival die van Arthurridder Graalridder wordt. De Graal is het symbool van de krachten van de liefde, die vanuit het Zonnewezen door de aarde ontvangen worden. De Graal is een schaal waarin volgens de legende het bloed van Christus werd opgevangen.

Deze verhalen, het moge duidelijk zijn, hebben een heel eigen karakter. Heel anders dan de beelden die in het hoofdonderwijs verteld worden. Dan zal vaak ook de leerstof ermee verbonden worden, of het verhaal gedifferentieerd in één der vier temperamenten.

Geheel los daarvan staat het verhaal in de godsdienstles. Als een soort zuil staat het, even los van al het andere. Het krijgt in een apart uur even de volle aandacht die het verdient. Van de voorbeelden in het voorafgaande kan gezegd worden: dat kunnen de kinderen niet vaak genoeg horen. Dat is dermate wezenlijk, dat mag je de kinderen eigenlijk niet onthouden.

In onze cultuur neemt de onwaarachtigheid toe. De waarheid wordt in sterke mate geweld aangedaan. De draak waarover in de Michaëltijd gesproken wordt, krijgt gestadig meer macht.

In feite is het altijd Michaëltijd, niet alleen in de vroege herfst. Ons hele tijdsbestel staat in dit teken: Michaël als tijdgeest. De draak is dan een symbool van een wezen dat we tegenkracht kunnen noemen. Het zijn de tegenkrachten die wat aan goede impulsen in de mens leeft willen verstoren. Hun is er alles aan gelegen de bestemming van de mens te doorbreken. Ze zullen er steeds meer toe overgaan het ware wezen van de mens in slaap te sussen.

Juist in zo’n tijdsbestek zouden waarheid, schoonheid en goedheid een plaats moeten krijgen. Dat kan de mens nooit alleen. Daarvoor zou hij zich open moeten stellen voor datgene dat er aan kracht in de geestelijke werkelijkheden leeft. Die kracht is reëel aanwezig. Men kan het zien aan kleine initiatieven die overal genomen worden op uiteenlopende gebieden. Men kan een opening bewerkstelligen.

Op verzoek van de ouders in de eerste vrije school ontstond na het vrije godsdienstonderwijs ook nog een zondagsdienst, de Handeling.
Het woord geeft al aan waar het hier om gaat. Er wordt iets gedaan. Het betreft een cultische handeling. Een cultus drukt uit dat de geestelijke wereld in een zeer kort moment de op aarde bewegende mens beroert. Even komt het bij elkaar.
Een moderne cultus heeft Rudolf Steiner voor deze handeling ontwikkeld. Iets waar men vanuit volle vrijheid aan deelneemt.

In vroeger tijden vond inwijding plaats door een priester. Oude inwijdingswijzen zijn in deze tijd niet meer passend. De moderne mens maakt zelf de stap, wil zoiets meemaken. Het gaat niet meer buiten hem om.

Er is ook nog een Handeling voor de kinderen: de kinderhandeling. Ieder kind wordt dan aangesproken in wat hem tot mens maakt: de kracht waardoor een mens in staat is zich op te richten, zich te verheffen. Daarmee wordt de zwaartekracht overwonnen en in dienst van het Ik gesteld.
In de Handeling komt het meest wezenlijke van wat de vrijeschool zich ten doel stelt tot uitdrukking. Het is de bedoeling van datgene dat in de godsdienstles gebeurt.
En dat vanuit de daad.
Een verbinding wordt op deze wijze gerealiseerd, net als in het verhaal, net als in het omgaan met de materie.

Net als in de adventstijd.
.

Frank de Kiefte, nadere gegevens onbekend

.

1279

 

 

 

 

 

 

 

 

.