Tagarchief: religie

VRIJESCHOOL – Godsdienstonderwijs (5)

.

Veel informatie hoe het godsdienstonderwijs op de vrijescholen in de loop van de tijd is vormgegeven, heb ik niet.
In de jaren 1970 werd er over gesproken, vooral over het basale en waaraan moet het voldoen, wil het toekomst hebben.

Hieronder een paar artikelen:
.

J. Timmers, Zeist ergens in okt/nov. 1976
.

ALGEMENE OUDERAVOND OVER GODSDIENSTONDERWIJS – een impressie

Aan het eind van de hierboven vermelde ouderavond werd gevraagd of een der aanwezigen een impressie wilde schrijven van hetgeen deze avond ter sprake was gekomen. Het volgende is dus niet een objectief verslag, dat door alle aanwezigen onderschreven zou kunnen worden. Ik denk dat het enige punt, dat een groot deel van de aanwezige ouders verbond, de mengeling van gevoelens was, die je ondergaat als “nieuwe ouder” – dus iemand die de vrijeschool nog niet eerder daadwerkelijk in zijn leven heeft ontmoet – wanneer je wordt geconfronteerd met het begrip godsdienstles.
Die avond kwam dan ook vooral in het teken te staan van het uitspreken en zo mogelijk relativeren van de vaak diepgewortelde associaties en vooroordelen, die velen, waaronder ikzelf, hebben (hadden?) bij het begrip godsdienstonderwijs.

De inleiding van de heer Mees was voor mij een didaktisch meesterwerkje, grofmazig genoeg van opzet om veel vragen op te roepen en veel denkprocessen op gang te brengen, maar tevens subtiel genoeg geweven om de rode draad achter de jaarfeesten, de zondagshandeling en de godsdienstlessen te zien.

Hij beschreef de jaarcyclus van de natuur met haar opgang en neergang, haar sterven en bloeien, van dag en nacht die door de mens in zijn gevoelsleven, in zijn zielenleven in een geweldige tegenpolige cyclus tegemoet werd getreden.
Hoe het de mens is die in de jaarfeesten de natuur ontmoet, tegemoet treedt door in zijn gevoelsleven, in zijn ziel, het tegengestelde te beleven. Hoe bijvoorbeeld de mens in de donkere tijd het feest van het licht viert, hoe hij juist dan verlicht, verwarmd, helder van geest wordt. Hoe de mens in het Michaelsfeest beleeft wakker te worden tot de strijd, terwijl de natuur zich opmaakt om te slapen. Kortom: hoe het de jaarfeesten zijn waar de mens zichzelf beleeft aan de natuur, niét met de natuur mee; werkelijk ont-moeten dus, niet-moeten, vrijworden van, vrij-worden aan de natuur.

Centraler, dieper -..of hoger, net wat je wilt – staat het geestelijk wezen in de mens, onveranderlijk en eeuwig rechtlijnig voortgaand, temidden van deze nimmer aflatende cycli van perioden in het zielenleven van de mens. En zo komt de godsdienstles naar voren als dat punt in het in perioden leven, spelen en leren van het kind, dat voortdurend probeert te wijzen naar dat eeuwige, dat menselijke in de mens.

Zo kwam ook de zondagshandeling in beeld als het punt in de week, waar het voortdurend bewegen, het voortdurende periodeleven, verstild om te wijzen naar, te appellieren aan dié kern achter de dingen, die leven in ons, dat tijdloze in ons.

In de hierop volgende discussie kwam nog veel meer naar voren. Hoe de lessen bij het jonge kind tot doel hebben het kind in beelden te laten beleven van dingen, waarvan hiervoor sprake was, en hoe pas later de lessen geleidelijk aan meer in de begrippen terecht komen en tot de lessen “oriëntatie” voor de bovenbouw evolueren. Ook werd gesproken over het belang – misschien? – van het samenbrengen van religie en alledag; de zondagshandeling in de school dus (“ieder mens zijn eigen priester”, zei de heer Mees in een soort toekomstvisioen).

Over het vertrouwen van de ouders in de godsdienstleerkracht, gekoppeld aan het gevaar van te veel richting en inhoud geven aan het beleven van het kind in deze materie. Over de relatie tussen geloofsgemeenschap (kerk) en het nieuwe (toekomstige?) christendom. Nog veel meer. Kortom: Het natuurgebeuren voltrekt zich in periodes: winter, lente, zomer, herfst.
Deze seizoenen zijn te typeren als periode van duisternis (winter), licht (zomer), ochtend (lente), avond (herfst).
Zomer en winter hebben hun hoogtepunten in zomer- en winter: zonnewende.
Het menselijk lichaam heeft deels aardse periodiciteit, zo ook de ziel.

De perioden van de ziel gaan bijna gelijk op met de jaargetijden. De hoogtepunten zijn Kerstmis, Pasen, St.-Jan en Michaelsfeest. Maar de perioden van de ziel zijn tegengesteld van karakter aan die van de natuur.

Voor de ziel is de winter het tijdperk van het licht, met als hoogtepunt Kerstmis. De lente is de periode van de avond; het rekenschap geven van dood en opstanding – Pasen. De zomer is het tijdperk van de nacht: St. -Jan, een feest in de late avond, nachtelijk duister, sterrenhemel. De herfst brengt ochtendstemming met St.-Michael als voorbereider van het Lichtfeest.

De mens is niet alleen onderhevig aan verandering en periodiciteit. Er is ook iets in hem dat gelijk blijft, door de seizoenen en jaren heen. Je bent bewust van jezelf en de eigen periodiciteit, je kunt jezelf observeren en jezelf overstijgen. Dat is mogelijk door de geest. De geest is een constante en onveranderlijke factor, is leeftijd-loos.

Het leven in periodes is ook terug te vinden in de opbouw van het onderwijs aan de vrijeschool. Denk maar aan het periode-onderwijs en het vieren van en toeleven naar de jaarfeesten. Naast deze periodiciteit kent het vrijeschoolleven ook de onveranderlijkheid. De handelingen met hun vaste “liturgie” vormen dit constante element. Het kind wordt op iets anders en op een andere wijze aangesproken dan door de week. De geest wordt toegesproken, gewekt en versterkt.

Religie legt de band tussen mens en datgene wat meer, hoger of goddelijk is. Godsdienst is een ongelukkig woord voor religie. Godsdienstonderwijs wordt de wekelijkse les genoemd waarin leraar en leerling zich wijden aan religie. Die godsdienstlessen zouden ook best oriëntatie genoemd kunnen worden.

De mogelijkheden van een pedagoog zijn heel beperkt. Zijn belangrijkste taak is niet om een kind te veranderen, maar om het wezen van een kind te omhullen en te beschermen.

De godsdienstlessen zijn er niet voor om kinderen religieus besef bij te brengen. Dat is er. Het onderwijs moet de kans scheppen dat dit besef zich kan ontwikkelen. De leraar voedt het kind met beelden waarin het zich thuis voelt.

Het godsdienstonderwijs legt de schakel tussen ziel en geest en dus tussen periodiciteit en onveranderlijkheid, of anders gezegd tussen handelingen en periode-onderwijs, jaar- en andere feesten.

In de discussie die volgde kwamen nog de volgende informaties te voorschijn.

Het ontstaan van de handelingen is verbonden met de vrijeschool. Het was een antwoord van Steiner op vragen van ouders en kinderen. De kinderhandelingen worden ook gegeven in de kerk van de Christengemeenschap.

Sommige ouders en kinderen trekken meer naar de bijeenkomsten in de kerk, anderen gaan liever naar de school.

Mees: “Het past misschien goed in deze tijd dat leken de handelingen leiden en dat ze worden gehouden in een ruimte waarin door de week een hoop andere dingen gebeuren.”

Bij de handelingen staat de Christus-figuur centraal. Zoals trouwens ook in de Anthroposofie. Door Rudolf Steiner werd Anthroposofie wel eens aangeduid als een nieuw Christendom.

In de godsdienstlessen krijgen ook de andere wereldreligies veel aandacht. Het volgen van het godsdienstonderwijs hoeft op geen enkele wijze strijdig te zijn met het behoren tot een bepaalde confessie. Het volgen van deze lessen is facultatief, maar vrijwel alle kinderen nemen er aan deel.

Wat gebeurt er in de lessen, wat is de lesstof, wat hebben de godsdienstleraren voor achtergrond, kunnen ouders de lessen niet eens volgen?

Discussie over deze vragen maakte duidelijk dat het goed is als ouders proberen vanuit zichzelf de ontwikkeling van hun kinderen mee te maken.

De godsdienstleraren zijn altijd bereid deel te nemen aan gespreksgroepjes van ouders. Bij de lessen kunnen de ouders onmogelijk aanwezig zijn, omdat zij de relatie leraar-leerlingen, waarop de lessen gebouwd zijn, zouden verstoren.

0-0-0

Kraamwinkel  Haarlem, nadere gegevens ontbreken

.

RELIGIOSITEIT EN OPVOEDING
.

Wie een peuter met water en zand ziet spelen, kan daar een prettig gevoel bij krijgen; een gevoel van vertedering.
Tegelijkertijd ontdekt hij met pijnlijke verbazing, dat zo ’n peuter nog iets heeft, wat de volwassene al lang is kwijtgeraakt: een volmaakt onbevangen overgave aan de waarneming, een totaal opgaan in het korrelig door de vingertjes glijdende zand, in het bewegelijke, heldere waterstraaltje dat uit z’n theepotje komt.
Een klein kind heeft het vermogen om de kwaliteiten der natuurlijke dingen direct te beleven, zonder enig oordeel, zonder enig begrip. Dat beleven zou je natuurlijke religiositeit kunnen noemen.

Het schoolkind heeft deze natuurlijke religie niet meer. In hem groeit een nieuw vermogen: het vermogen tot “medemenselijkheid”. 
Zijn medemens en met name de volwassene is nu de spiegel geworden, waarin hij de wereld ziet; door het gesproken woord wordt het kind de wereld verteld, liever nog: vertaald.
Het kind kan de taal nog opnemen met z’n gevoel, met z’n hart. Gelukkig het kind, dat zo wordt aangesproken, dat het uit liefde en eerbied kan opzien naar zijn volwassen medemens.

In onze jongelingsjaren zoeken we de waarheid; we willen de wereld en de mensen met onze gedachten doorgronden, begrijpen.
Dat beleven van de waarheid, van de ideeën die achter al het uiterlijke schuil gaan, geeft een groot geluksgevoel, een gevoel dat te vergelijken is met het beleven van de kleuter in zijn ontmoeting met het natuurlijke, en met dat van het schoolkind in zijn ontmoeting met de medemens.

Drie, dagen hebben we met ongeveer tweehonderd collega’s intensief aan dit moeilijke thema gewerkt, dat al geruime tijd in de verschillende lerarencolleges was voorbereid.

Met nieuwe ideeën keerden we zondag diep voldaan huiswaarts.

Hartelijk dank, beste ouders, dat U door de extra-lange herfstvakantie deze waardevolle ontmoeting mogeliik hebt gemaakt.

0-0-0

Godsdienstonderwijsalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3546-3331

,

,

,

,

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Godsdienstonderwijs (4)

.
Klaus Walther*, Erziehungskunst nr.12 2025

.

in godsdienstonderwijs het gesprek mogelijk maken
.

Het fysieke met het spirituele verbinden, of preciezer gezegd, ze opnieuw met elkaar verbinden.
Volgens Rudolf Steiner is dit zowel de mogelijkheid als de taak van religie.

Klaus Walther geeft al 30 jaar alternatief godsdienstonderwijs aan de Vrije Waldorfschool Hannover-Bothfeld. Hij zegt dat de uitspraak: “Onderwijs is relatie” [Erziehung ist Beziehung] in het bijzonder van toepassing is op godsdienstonderwijs.

In zijn boek *Demokratie braucht Religion* beschrijft filosoof en resonantieonderzoeker Hartmut Rosa een verband dat op het eerste gezicht ongebruikelijk lijkt. Hij schrijft de toenemende agressie in de politiek en de samenleving toe aan een steeds groter wordend gevoel van overweldiging door mensen en politici. Dit gevoel van overweldiging leidt tot de wens om het eigen standpunt als het enige juiste op te leggen. Critici, dissidenten of individuen of groepen die als tegenstanders worden beschouwd, worden gezien als vijanden en storende elementen voor de eigen intenties. De gevolgen van deze manier van denken zijn momenteel zichtbaar in de wereldpolitiek en het publieke debat. Democratie functioneert echter niet in een agressieve modus. Om een ​​duurzame toekomst vorm te geven, is niet alleen tolerantie nodig jegens mensen die anders denken of als tegenstanders worden gezien, maar ook het vermogen en de bereidheid om naar elkaar te luisteren.
Zonder onbevooroordeeld, wederzijds luisteren is geen transformatie, geen duurzame ontwikkeling, geen resonantie en geen levensvatbare relatie mogelijk. Volgens Hartmut Rosa biedt religie zo’n ruimte voor resonantie. Religieus onderwijs, al dan niet confessioneel georiënteerd, kan zo’n relatie met de wereld voorbereiden en bevorderen.

Net zoals een jong kind van nature de behoefte heeft om te lopen, te spreken en te denken, en deze vaardigheden ontwikkelt tijdens de imitatiefase, worstelen kinderen en jongeren, min of meer bewust, tijdens hun schooljaren met de vraag naar de zin van het leven, hun individuele doel, geboorte en dood. Zo biedt religie, naast de studie van wetenschap en kunst, de mogelijkheid om het ontwikkelingspad van het opgroeiende individu te begeleiden, met of zonder confessionele oriëntatie. De traditionele inhoud kan, naast het algemene educatieve karakter ervan, antwoorden bevatten op vragen en behoeften van kinderen en jongeren.

1919: Vernieuwing van religie door Steiner

In Goethes gelijknamige drama ontwijkt de kritische, kenniszoekende Faust de cruciale vraag hoe hij over religie denkt. De dialoog tussen de twee vertegenwoordigt het dilemma tussen Gretchens toegewijde geloof en Fausts kritisch twijfelende geweten. Wordt religie gevormd door traditie en de culturele omgeving van een bepaalde samenleving, of drukt ze een spirituele en emotionele behoefte uit van het zich ontwikkelende individu? Wat betekent religie eigenlijk in de wereld van vandaag?

Na het einde van de Eerste Wereldoorlog bevond Duitsland zich in een staat van grote beroering.
De oprichting van de Waldorfschool door Rudolf Steiner in Stuttgart in september 1919 was bedoeld als een culturele impuls, een bijdrage aan een nieuwe democratische samenleving in lijn met de drievoudige maatschappelijke orde die Steiner in diezelfde periode ontwikkelde. Het was voor de oprichter van de school van groot belang om religie als vak te vestigen en de verschillende stromingen die destijds aanwezig waren de mogelijkheid te bieden hun onderwijs op de school te verzorgen via externe docenten. Hij zag de “vernieuwing van wetenschap, kunst en religie” dan ook als een essentieel fundament van het Waldorfonderwijs, zoals hij destijds nadrukkelijk benadrukte in een lezing voor de leerkrachten.

Wat betekent “vernieuwing van religie” in deze context?
Hoe kwam het religieuze element tot uiting in de nieuw opgerichte school?
De jaarfeesten, de kerstspelen en de vieringen van Sint-Jan en Michaël spelen nog steeds een belangrijke rol in de schoolgemeenschap van een Waldorfschool. De lessen godsdienst, die geleidelijk werden ingevoerd, waren bedoeld om het leerplan te verdiepen.
Aanvankelijk waren de katholieke en protestantse kerken verantwoordelijk voor de respectievelijke lessen met hun eigen docenten. Later werd de Christengemeenschap, opgericht door Rudolf Steiner, hieraan toegevoegd, evenals het niet-confessionele, gratis godsdienstonderwijs van de Antroposofische Vereniging. Dit bood kinderen van niet-religieuze ouders een religieuze oriëntatie.
Waarom was deze diversiteit aan godsdienstonderwijs zo belangrijk voor Steiner? Alle religies, met al hun stromingen, omvatten verhalen, rituelen, vormen van aanbidding, feesten, feestdagen en waarden voor het leven. Dit alles werd traditioneel van buitenaf aan kinderen en jongeren doorgegeven en – afhankelijk van hun achtergrond – in meer of mindere mate overgenomen.

Gretchens vraag en Fausts kritische houding drukken dit ook uit.

Dit dekt niet de volledige betekenis van religie voor de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Religie is niet alleen een gemeenschapsvormende, systeemstabiliserende kracht, maar speelt ook een belangrijke rol in de individuele ontwikkeling.

Dialoog mogelijk maken

Religie is in de geschiedenis van de mensheid vaak misbruikt door oorlogen, dogmatisme en de legitimering van machtsverhoudingen en aanspraken op dominantie. Religieus gemotiveerde oorlogen, destructieve, onmenselijke daden en moorden waren en zijn het gevolg.
Volgens Steiner betekent religie in eerste instantie niets anders dan een verbinding tussen de fysieke en de spirituele wereld. Religie moet daarom opnieuw worden doordacht. Dit betekent dat religie, hoewel historisch gegroeid en gebaseerd op tradities, zich voortdurend opnieuw moet ontwikkelen door middel van dialoog. Deze dialoog kan plaatsvinden in de klas, maar ook tussen verschillende denominaties, wereldreligies en generaties.

Het is de taak van de godsdienstdocenten om tot deze dialoog uit te nodigen en deze mogelijk te maken. Dat kan niet volgens een vast stramien, maar moet voortkomen uit een alert proces waarbij alle betrokkenen betrokken zijn. Opvoeding is relatie, en dat geldt in het bijzonder voor het godsdienstonderwijs.
Het godsdienstonderwijs dat in de afzonderlijke Waldorfscholen wordt aangeboden, verschilt van deelstaat tot deelstaat en hangt af van de capaciteit van het betreffende docententeam.
Over het geheel genomen valt vast te stellen dat de afzonderlijke geloofsgemeenschappen niet meer zonder uitzondering in staat zijn
om docenten te leveren, zodat er in veel gevallen interconfessioneel onderwijs plaatsvindt.
Een essentieel doel van de lessen is om, uitgaande van de op de menskunde gebaseerde verhalen, beelden en motieven, met de kinderen en jongeren
in gesprek te komen en levensvragen te bespreken, zonder daarbij te hoeven
toewerken naar een toetsbaar resultaat. De methoden variëren daarbij per leeftijdsgroep.

Verwant aan filosofie en ethiek

Bovendien vormt het godsdienstonderwijs soms een begeleiding bij de voorbereiding op het vormsel binnen de katholieke geloofsgemeenschap, de confirmatie in het kader van de protestantse kerk en de Christengemeenschap.
Het vervangt echter niet de lessen voor vormelingen. Voor de kinderen die het vrije godsdienstonderwijs volgen, bestaat aan het einde van het achtste leerjaar de mogelijkheid om deel te nemen aan de jeugdviering.
Deze vindt ongeveer tegelijkertijd plaats als het vormsel en de confirmatie,
maar is geen sacrament, maar symboliseert de overgang van kindertijd naar jeugd, zonder gebonden te zijn aan een gemeente of een geloofsbelijdenis.

Op sommige middelbare scholen worden als alternatief of uitsluitend ook
filosofie en ethiek als onderdeel van godsdienstonderwijs gegeven.
Het gaat daarbij om een intellectuele verdieping in vragen over moraal en het tolerant samenleven. De lesinhoud overlapt elkaar op veel punten.
Dat is met name het geval in de tiende klas, waar onderwerpen als euthanasie, prenatale diagnostiek en orgaandonatie vanuit verschillende perspectieven worden behandeld.

Op de Vrije Waldorfschool Hannover-Bothfeld, waar ik* al 30 jaar vrij godsdienstonderwijs geef in alle leerjaren, staan de godsdienstdocenten van alle geloofsrichtingen voortdurend in contact over de lopende lessen in de verschillende leerjaren.
Het is ons streven om de kinderen en jongeren verschillende mogelijkheden te bieden om zich individueel te ontwikkelen en zich te verdiepen in levensbelangrijke vragen die in de andere vakken slechts terloops kunnen worden aangestipt. 

.

*Klaus Walther, 1954, seit 1988 Oberstufenlehrer an der Freien
Waldorfschule Hannover-Bothfeld, verheiratet, vier Enkelkinder. Seit 30 Jahren
gibt er freien Religionsunterricht für die Klassen 1 bis 12.
Er ist Mitglied des Internationalen und Deutschen Gremiums für religiöse
Erziehung.
k.walther@waldorfschule-bothfeld.de

.

Godsdienstonderwijs: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3539-3325

.

.

.

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vrijheid (7-1/4)

.

In de jaren ’75-’76 van de vorige eeuw leefde de idee van de sociale driegeleding in de vrijescholen veel meer dan nu. Met name de vrijheid van inrichting van het vrijeschoolonderwijs kwam door de regeringsplannen steeds meer onder druk te staan. 
De Amsterdams Geert Grooteschool was actief op het gebied van de ‘onderwijsvernieuwing’. Er werden verschillende bijeenkomsten georganiseerd en in de schoolkrant verschenen allerlei artikelen.

Er werd o.a. stil gestaan bij wat ‘vrijheid’ kan betekenen.

Een aantal van deze artikelen over vrijheid – hoewel ik de reeks niet compleet heb – zal hier volgen.|
.

VRIJHEID EN RELIGIE

Gewoonlijk wordt aangenomen dat het woord religie afkomstig is van religere = herbinden. Men bedoelt dan dat godsdienst de ziel opnieuw verbindt met een hogere macht, waarvan hij afgevallen is. Of deze woordverklaring juist is of niet, ze is in elk geval algemeen gangbaar.

Religie dus als binding. Is dat verenigbaar met vrijheid?

Hoe is het in de praktijk van het religieuze leven? Men zoekt steun en kracht bij een hoger wezen. Deze verhouding kan direct zijn zonder tussenkomst van andere mensen of organisaties. Maar er is dan toch een gevoel van afhankelijkheid van het hogere wezen, dat men als zodanig erkent en vereert. Kan daar van vrijheid sprake zijn? Dit hogere wezen kan zich ook uiten door geschriften, heilige boeken. Deze heilige boeken geven levensregels, voorschriften. Het niet opvolgen daarvan betekent ongehoorzaamheid. Vrijheid?

Het religieuze leven speelt zich veelal af in gemeenschappen. Deze hebben een zekere orde, een gemeenschappelijke norm van leven, soms streng, soms wat liberaler, maar toch altijd de individuele vrijheid beperkend. Nog eens: vrijheid?

In een vorig artikel werd geschilderd hoe de binding, van de mens aan afstamming hem onvrij maakt, causaal gebonden aan het mechanisme dat hem heeft voortgebracht. Duidelijk kwam naar voren dat het hier ging om een hypothese, die zo suggestief dwingend optreedt dat onze voorstellingen over ons zelf en onze vrijheid daardoor bepaald worden. De onvrijheid wordt bewerkt door de wijze waarop de hypothese wordt gebracht. Bij het religieuze leven hebben we met de tegenpool te maken. De hypothese is hier niet de gebondenheid aan het materiële mechanisme van de voortplanting, maar gebondenheid aan goddelijke wezens, die meer weten en kunnen dan wij (de almachtige, alwetende God) en daardoor met ons kunnen handelen naar hun wil. Deze wil kan worden voorgesteld als goede wil, maar ook als willekeur, waardoor de mens speelbal lijkt te zijn van hogere machten (noodlot).

Evenals in de biologie de darwinistische hypothese of wat daarvoor doorgaat niet zo vaststaat als men vaak meent, evenzo is het gesteld met de religieuze hypothese.

Kunnen we een onderzoek instellen naar de mens als religieus wezen? Dat kan inderdaad en is ook honderden, zo niet duizenden keren gebeurd. Vroeger schreef men dikke folianten vol over God sinds de tweede helft van de vorige eeuw en vooral in het begin van deze eeuw kwamen de boeken over het religieuze leven. Daar zat een zekere bescheidenheid in: over God kunnen we niet spreken, want daar weten we niets van. En daarom spreken we over de religie als een verschijnsel van de menselijke ziel. Dat men daarbij ging spreken over iets waarvan men de ene pool: de mens, het subject van de religiositeit, wel meende te kennen, maar er tevens van uitging dat men de andere pool: de goddelijke wereld, het object van de religiositeit, niet kon kennen, ontging aan de meeste onderzoekers. Diegenen, die dat wel bemerkten, konden dan ook de religieuze ervaring alleen maar zien als een illusie, waarmee de mens al of niet gelukkig was, maar die geen enkele graad van zekerheid had. De minder radicale onderzoekers bleven uitgaan van de menselijke ziel en zijn belevenissen. Religiositeit werd zo voor de wetenschap een onderzoeksobject voor de psychologie of zelfs de sociologie. Over de realiteit van het object van de religiositeit liet men zich niet uit. De theologie had uitgediend.

Over de ervaring van schoonheid te schrijven zonder het object dat die ervaring opriep (schilderij, landschap, muziek, enz.) te kennen, lijkt onzin. Kan men over religieuze ervaring denken zonder het object dat die ervaring te voorschijn roept, te kennen? Natuurlijk kan men dat niet en dus zoekt men het object in de mens zelf: zijn voorstelling over hogere wezens en blijft zo in een vicieuze cirkel binnen de menselijke ziel ronddraaien. De onvrijheid ten top gevoerd. Gebondenheid aan eigen willekeurige voorstellingen, eventueel waanvoorstellingen.

Over vrijheid te spreken in verband met religie heeft alleen zin als we het object van de religie buiten ons kunnen kennen. Dit object kan een vaststaande geopenbaarde leer zijn over een goddelijk wezen. Het kan ook zijn een ritueel gebeuren, een cultus, waarin het werken of leven van een goddelijk wezen wordt uitgebeeld. Wat betekent in deze samenhang ‘kennen’? Het gaat hier immers om iets bovenzinnelijks. Dat wil zeggen: wij moeten organen ontwikkelen, die het bovenzinnelijke kunnen waarnemen. Dat lijkt voor velen veel verder weg te liggen dan het in werkelijkheid is. Wij hebben allen de mogelijkheid een liefhebbend hart waar te nemen of een goed denker te onderkennen. We kunnen het karakter van een mens leren kennen (niet als een complex van eigenschappen, maar als een geheel), we bemerken waarheid in een uitspraak, echtheid in een kunstwerk. Alles in wezen bovenzinnelijke waarnemingen.

Deze soort waarnemingen zijn echter gebonden aan de zintüigelijke waarneming: een mens, gehoorde of gelezen woorden, een zicht- of hoorbaar kunstwerk. Dat is voor de tegenwoordige mens het uitgangspunt: het bovenzinnelijke wordt waarneembaar door middel van het zintuigelijk waargenomene. Hoe kan men het goddelijke waarnemen in het zintuigelijke?

In zeer oude tijden nam men de goden zuiver geestelijk waar. Dat was in het oude India. Later veranderde dat: de waarneming van de natuur bestond in het waarnemen van boom-en riviergeesten, vuur- en stormreuzen, enz. Een laatste rest hiervan vindt men nog in de schilderijen van John Bauer b.v.  Het Oude Testament is er vol van, maar dan in kritische zin. De Joden moeten hun God anders leren waarnemen. Eerst in een wolkenzuil, die ’s nachts verlicht is. Daarna zonder enig uiterlijk aanknopingspunt. Zwakke resten blijven erin b.v. de zondebok, die de woestijn ingejaagd wordt op grote verzoendag. Als hij niet terugkomt heeft Jahveh de zonden vergeven. Als hij wel terugkeert worden de zonden aangerekend en komt er onheil over het volk.

Als bij Joden en heidenen de zichtbaarheid van het goddelijke in de natuur wordt afgelost door het zichtbaar worden van het uiterlijke als zodanig, ontstaat de angst voor het onbekende, voor het principieel onkenbare.

Van vrijheid kan geen sprake zijn, zolang natuurbeelden de mensen dwongen tot religieuze verering. Deze dwang werd niet als zodanig gevoeld omdat ze vanzelf sprak. Vanzelfsprekende onvrijheid. Ook als er angst ontstaat voor het onkenbare, kan er geen vrijheid zijn, hoewel het niet-waarnemen van het goddelijke de basis voor de vrijheid legt; het beeld dwingt niet meer.

Als dit proces een bepaald punt heeft bereikt, komt een goddelijk wezen op aarde. Dit is het midden van de geschiedenis van de mensheid, want het is een duidelijk keerpunt. Niet meer de natuur, maar een mens wordt voor de eerste keer beeld van God: de Mensenzoon wordt Godszoon. Vóór die tijd konden de mensen een God verkondigen maar ze waren zelf geen goddelijk beeld. In de Christus wordt het goddelijke zichtbaar, in zijn woord hoorbaar. Voor zijn volgelingen (tijdens zijn aardeleven) betekende dit een absolute vrijheid. Het zou belangrijk kunnen zijn de evangeliën eens vanuit dit gezichtspunt te lezen: Jezus wint nooit volgelingen door autoriteit. Integendeel, hij stoot haast meer terug dan hij aantrekt. Wie hem volgen wil, doet dat omdat hij in volle vrijheid in Christus Jezus het goddelijke waarneemt. Zeer typerend is hiervoor Paulus. Dan kan men in vrijheid volgeling worden. Nadat Christus zich met brood en wijn verbonden had en tot zijn discipelen zei, hem in het vervolg in brood en wijn waar te nemen, werkte deze vrijheid nog enige tijd door.

Maar het eigen waarnemen nam af; men leerde geloven op gezag. Augustinus zegt: “Ik zou het evangelie niet geloven als de kerk me niet daartoe bracht.” De tijd van de onvrijheid breekt aan. Vanaf Augustinus’ tijd tot nu toe wordt de vraag naar de vrijheid dan ook telkens weer aan de orde gesteld en niet tot een oplossing gebracht, omdat men het bovenzinnelijke niet meer zelf waarneemt. Daarom moet de religieuze mens sinds de 5e eeuw na Christus onvrij zijn. Hij is gebonden aan een macht, die hij zelf niet waarneemt.

In de hervormingstijd wordt hier een bepaald crisispunt bereikt. Enerzijds wanhopige pogingen om iets van vrijheid te redden, anderzijds wordt de mens beleefd als “een stok en een blok, tot generlei goeds in staat.”

Aan de mensen van onze tijd werd een nieuwe mogelijkheid van vrijheid geschonken. Rudolf Steiner schonk dit op verschillende manieren. Daaronder voor het religieuze leven als de mogelijkheid de Christus zelf waar te nemen in een vernieuwde christelijke cultus. Daar wordt het bovenzinnelijke zichtbaar in het zintuigelijke voor de mens die zijn religieuze krachten oefent in de godsdienstoefening. In de beelden van het altaar en kaarsen, in gewaden en handelingen wordt het proces van de overwinning van de dood zichtbaar en in het meemaken van de heilige handeling wordt het bovenzinnelijke Christuswezen als een realiteit buiten ons in het eigen zieleleven waarneembaar. Er is hierbij geen historische autoriteit nodig, geen autoriteit van enig geschrift, maar alleen de eigen onbevangen waarneming.

In een religie, waar geen geloofsplicht is, maar waar ieder zover kan gaan als hij zelf wil en kan in de waarneming van Christus, kan vrijheid ontstaan. Ze zal er niet meteen zijn, maar ze is bezig te ontstaan. Vrijheid in wording.

Ons onderwerp was vrijheid en religie en we zijn aangeland bij het christendom in zijn tegenwoordig mogelijke vorm. Hiermee wordt religie voor onze tijd christendom in de gedaante die Rudolf Steiner tot verschijning kon helpen brengen. Dit kan niet anders zijn omdat déze ontwikkelingsweg tot vrijheid alleen in het christendom aanwezig is. Andere religies dragen hoge waarden in zich. Maar niet de mogelijkheid tot vrijheid.
.

J. Knijpenga, maandblad Geert Grooteschool, april 1976
.

De sprookjeswereld van John Bauer,

Aanbevolen literatuur:

Rudolf Frieling – Het wezen van het Christendom
August Pauli – Der Mensch und seine Freiheit (Red.)

.

Annet Schukking over vrijheid

Sociale driegeledingalle artikelen      onder nr 7 over vrijheid

.

1497-1404

.

.

VRIJECHOOL – Religieus onderwijs

.

Men kan er niet mee volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar men moet dit onderwijs vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.
Rudolf Steiner, wegwijzer 12

.

Toen ik op de basisschool zat – die toen nog lagere school heette – waren er in ons dorp twee scholen: een openbare en een christelijke.
Op de openbare school bestond de mogelijkheid, als de ouders dat wilden, hun kinderen godsdienstles te laten geven door de dominee of desgewenst de pastoor of kapelaan.

Toen in 1919 de vrijeschool in Stuttgart werd opgericht, was daar de situatie min of meer dezelfde. Steiner vertelt er o.a. hier (blz.181) over.

Toen ik op de vrijeschool in Den Haag kwam werken, stond er op de lesrooster het vak (vrij)godsdienstonderwijs en er waren enkele (klassen)leerkrachten die in de verschillende klassen dit vak gaven.
Zij kwamen regelmatig bijeen met andere godsdienstleraren uit het land en ook internationaal waren er studiebijeenkomsten.

Rond 1980 kwamen er al snel veel scholen bij en voor het vak godsdienst deden zich wel wat problemen voor: wie moesten dat geven en wilden de ouders dit wel.
Ik herinner me nog wel grotere weerstand bij die ouders die nu net in de vrijeschool een school gevonden dachten te hebben die had afgerekend met kerkelijk gedoe.

Er ontstonden tussen ouders en leerkrachten en tussen de leerkrachten onderling en met de landelijke godsdienstleerkrachten wel boeiende gesprekken over hoe dit religieuze onderwijs er dan uit zou moeten zien. 
En door gebrek aan godsdienstleerkrachten begonnen de ‘gewone’ leerkrachten zich te bezinnen op waar het ‘gewone’ onderwijs dan religieus is.
Het woord ‘godsdienstonderwijs’ werd hier en daar vervangen door ‘vensteruur’, om aan te geven dat er a.h.w. door een raam wordt gekeken naar o.a. andere godsdiensten, andersdenkenden.
Toen ik ook nog op andere scholen werkzaam was die de beginfase al achter zich hadden, viel me op dat het vak godsdienst niet op de rooster voorkwam; er waren ook geen speciale godsdienstleraren.

Hoe het nu met het vak is, en dat op de verschillende scholen – met een onderscheid in onder-midden- en bovenbouw? weet ik niet precies.

Als er kinderen van belijdende moslims worden aangemeld, mag dan desgevraagd de imam komen? Krijgt de Koran een plaats? Veel vragen. Zijn er al antwoorden?

In onderstaand artikel komen enkele aspecten van het godsdienstonderwijs naar voren zoals die in de laatste tientallen jaren konden worden verwoord:
.

Frank de Kiefte, nadere gegevens onbekend
.

GODSDIENST EN ONDERWIJS

(het is adventstijd)

Het ochtendbegin in de eerste klas staat elke dag in het teken van advent. De klas is donker, enkele lichtjes branden. De kaarsen van de adventskaars worden aangestoken, de kinderen zingen daarbij:Stil nu, stil nu.”

Na de ochtendspreuk en de andere adventsliedjes: “Het daghet in het Oosten” enHet komt een schip geladenwerken we aan ons kerstspelletje, waar elke dag een stukje aan wordt toegevoegd. Dan een kort verhaal uit “Maria’s kleine ezel” van Gunhild Sehlin. Hierna besluiten we ons “adventsbegin” met de spreuk:

“Donker is de aarde
Duister overal
Maar ons hart beware
’t Licht dat komen zal
Dat het helder branden
Lichten mag heel ver
Dan zal eens de aarde
Worden tot een ster.”

Dit dagelijkse ‘adventsbegin’ is een goed voorbeeld van een stukje religie in de dagelijkse praktijk van het vrijeschoolonderwijs. De sfeer in de klas zo aan het begin van de dag is daar ook naar. Het is een heel aparte en bijzondere stemming die er dan is in de klas. Het is alsof elk kind op dat moment ook echt even iets beleeft van het kerstgebeuren. Opdat uiteindelijk iets van het Christuswezen werkelijk ontvangen kan worden. Het Christuswezen dat zich via de mens Jezus van Nazareth met de aarde verbindt. Dit is niet louter iets dat in het verleden zich afspeelde, maar verrassend actueel is en blijft.

Door zo in het onderwijs deze kant aan bod te laten komen, wordt de kinderen iets heel waardevols geschonken.

Men zou het een kracht voor het verdere leven kunnen noemen. Dit is een voorbeeld, het betreft het verloop van de feesten door het jaar heen. Het beleven van de jaarfeesten draagt een belangrijk religieus element in zich.

Met religie wordt dan bedoeld het opnieuw verbinden. En dan gaat het om de verbinding met de wereld waar we vandaan komen, de oorsprong van de mens. Een wezenlijk karakter van de antroposofie en de vrijeschoolpedagogiek is het uitgangspunt dat er achter de zintuiglijk te beleven wereld een niet-zichtbare wereld schuilgaat.

In vroeger tijden was déze wereld reëler dan het aardse bestaan. Dit laatste was voor de Indiër “Maya”, schijn.
In onze cultuur is het besef van de realiteit van deze kant van het mens-zijn verloren gegaan. Dat is een noodzakelijke ontwikkeling, de mens heeft er zijn vrijheid aan te danken. We kunnen de klok niet terugzetten.

Typisch voor een moderne ontwikkelingsweg als de antroposofie is dat het erom gaat met behoud van de menselijke verworvenheden op eigen kracht de niet-zichtbare wereld te integreren in het aardse bestaan. Dat is niet alleen een religieus gegeven. We komen dan tegelijkertijd ook bij een ware Christuskracht. Het is Zijn taak met in Zijn voetspoor de aartsengel Michaël om beide werelden te verenigen.

Terug naar het onderwijs. In de school staat de opvoeding centraal. De leerstof dient het pedagogische, namelijk de ontwikkeling van het kind. Overigens betekent dit niet dat in de verwerking van de stof de kinderen rustig aan hoeven te werken. Integendeel. Er moet gewoon hard gewerkt worden, hetgeen een gezonde ontwikkeling alleen maar bevordert. Het doel is echter dit laatste en niet de prestatie op zich. Maar dit even terzijde.

In de pedagogiek is het streven erop gericht dat het kind in staat is, zichzelf te vinden. Dat ware zelf is nu juist afkomstig uit de geestelijke wereld. Ons Ik, onze individualiteit is drager van onze geest.

In onze cultuur is zichtbaar dat wat dát betreft veel mensen het spoor bijster zijn. Wat hen ten diepste beweegt is op de achtergrond geraakt. Vandaar dat juist in deze tijd dat religieuze zo op z’n plaats is, daarmee staat of valt alles.

Deze jaarfeesten zijn een van die religieuze elementen in de school.
Aan de andere kant hebben het vieren en beleven daarvan ook met tijd en tijdsbeleving te maken. Tijd is een aards kenmerk. Door het bewust omgaan met de tijd worden de kinderen in de richting van het aardse geleid. Dit gebeurt door de kinderen lang van te voren voor te bereiden op dat wat komen gaat. Ze krijgen daar zo meer zicht op. Op een hele natuurlijke en geleidelijke manier groeien ze in de aardse werkelijkheid.

Op andere momenten ontstaat Ik-wording door schokken, drempels, confrontaties. Dat is een andere wijze om echt aardeburger te worden. Zeker net zo belangrijk. Het heeft geen zin die drempels weg te nemen of confrontaties uit de weg te gaan. Door de weerstand word je mens. Moge het voorafgaande niet tot de misvatting leiden dat vanuit dit religieuze het erom gaat de kinderen weg te houden van het aardse. Integendeel, het is juist de bedoeling dat de kinderen uiteindelijk met de beide benen op de grond komen te staan. Dat ze bewust en zelfstandig een bestaan kunnen inrichten. Maar dat alles met behoud van de spiritualiteit.

Want al het kunstzinnige en de creativiteit is daarvan afkomstig. Als men over de ontplooiing spreekt, bedoelt men eigenlijk de ontwikkeling van datgene dat in de mens aan diepste impulsen leeft. Elk kind komt op aarde met een bepaald plan. Het heeft zich iets voorgenomen.

Het is de taak van de opvoeding de voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van deze impulsen.

Een andere element waarin het kind in z’n diepste zijn wordt aangesproken is de vertelstof. Elke klas in de basisschool heeft bij de ontwikkelingsfasen behorende verhalen.
Elke dag wordt aan het eind van het hoofdonderwijs (de eerste twee uren van de morgen) in iedere klas een verhaal verteld.
Als men een verhaal vertelt, dan wordt in feite een zichtbare realiteit geschapen. Zeker als het beeldende karakter daarvan sterk is. De verteller zou het verhaal dan ook in sterke mate voor zich moeten zien. Dat is geen eenvoudige opgave, maar de kinderen inspireren zeker daartoe. Ze zien het namelijk daadwerkelijk. Ze gaan er geheel en al in op. Het is net alsof ze even met hun bewustzijn in die andere realiteit zijn.
Er zijn kinderen die het dagelijks verhaal snel weer vergeten, als het dan weer tevoorschijn komt is het net alsof het van ver weg komt. Het moet uit hun tenen komen, zeggen we wel eens. Het doet een beetje denken aan de slaap, na het wakker worden kunnen we ook het gevoel hebben dat we van ver komen.

Maar dat is niet weg als we wakker worden. En ook het verhaal dat diep weggezakt is, is niet verdwenen. Het is er wel degelijk, alleen zijn we ons er niet meer van bewust. Maar het kan wel in sterke mate doorwerken. Datgene dat we uit de slaap meenemen kan van groot belang zijn. Ideeën kunnen we op deze wijze opdoen. Die zijn dan afkomstig uit de wereld van de nacht. Elke nacht bij het inslapen gaat het geest-zielenwezen van de mens terug naar de wereld waaruit het vandaan komt. Het neemt daaruit mee terug wat voor de wereld van alledag nodig is. Zeker als we bewust pogen ons iets daaruit te herinneren kunnen we dat versterken.
Zo is het precies als met het verhaal. Dat maakt dat kinderen heel even in dat andere vertoeven. Ze excarneren dan, in het kinderleven is dat heen en weer gaan, dat in-en excarneren veel vanzelfsprekender dan bij de volwassene. Bij het kind moet zoiets kunnen gebeuren, maar dan op verantwoorde wijze. Als kinderen er geheel uitvliegen, doen ze dingen waar ze geen bewustzijn van hebben. Zoiets moet zorgvuldig in de hand worden gehouden.

In de pedagogiek is in dit verband het “ademende” element van belang. Dat wil zeggen, het op elkaar afstemmen van de diverse activiteiten. Het ene vak werkt meer incarnerend, vormend, maakt dat het kind tot zichzelf komt. Vormtekenen en boetseren hebben zo’n werkzaamheid. Vakken als muziek en vertellen werken meer excarnerend, meer ontspannend. Als het verhaal op spirituele wijze “lukt”, dan kunnen daaruit inspiraties worden geput. Net zoals de wereld van de slaap doorwerkt in het alledaagse. Alleen veelal bij het verhaal is de kracht die erin doorwerkt voor “later”.
Het is een soort toekomstkracht. Iedere volwassene zal zich dingen kunnen herinneren uit de eigen jeugd die diepe, diepe indruk gemaakt hebben.
Het kan ontmoetingen als gevolg hebben gehad, dingen beslissend beïnvloed hebben.
Het woord ‘morele kracht’ is hier op zijn plaats. Juist als deze kracht later in de daden doorwerkt.

Men zou hier ook de begrippen waarheid, schoonheid en goedheid mee kunnen verbinden.
Dan zijn het krachten, kwaliteiten die aan het bestaan op aarde een glans kunnen geven, een glans uit de wereld van de geest.
Niet elk verhaal zal dit grootse in zich dragen, maar ook in de eenvoud, in heel elementaire beelden leeft iets hiervan. Sprookjes dragen het sterk in zich en alleen al een bekend sprookjesbeeld als: ‘de wijde wereld intrekken’ betekent in feite wakker in de wereld gaan staan, de wereld verkennen, ontdekken. Voor een kind kan zo’n verhaal een duidelijke stimulans zijn in de zin van, eropuit, alles wijst naar de aarde, dat is het doel.

Dat is eigenlijk ook de taal van het kind, de beeldentaal.

Dit wordt vaak beter verstaan dan het volwassen, meer abstracte en soms ook lege taalgebruik. Beelden gebruiken is de ziel aanspreken, zielenvoedsel aanbieden.

Sprookjes drukken het tijdloze element, de wereld van de geest zeer sterk uit. Zo wijst het sprookje van de stukgedanste schoentjes op het mysterie van de nacht. De koning in dat verhaal vraagt zich af waar zijn twaalf dochters zich ’s nachts bevinden. En hoe het komt dat de schoentjes stukgedanst zijn iedere morgen.

We worden hier duidelijk geconfronteerd met het mysterie van de nacht, van de slaap.
Men zou het een kerstmysterie kunnen noemen. Wat werkt door dit nachtelijke heen naar de wereld van de dag? Wie doorgrondt dit raadsel en legt de verbinding?
Als we de weg van de vertelstof vervolgen in grote stappen komen we bij de legenden uit. Hier wordt het sprookjesachtige meer persoonsgebonden. Het oerbeeld van het sprookje wordt geïndividualiseerd. Bij een sage speelt daarnaast nog de plaats van handeling een grote rol.
Mythologieën drukken iets uit van een vermenselijking, het speelt zich nu meer op aarde af. We zien een ontwikkelingsgang in één persoon. De zwerftocht van Odysseus bij voorbeeld.
Uiteindelijk wordt de mythologie dan tot geschiedenis. Dit zien we onder meer bij de overgang van Grieken naar Romeinen. Bij de Romeinen is geen plaats meer voor mythologie. Het is op de grond gekomen.

Zo leidt de stroom van de vertelstof het kind heel duidelijk naar het hier en nu. In het Oude Testament speelt zich dit heel in het klein af. Het scheppingsverhaal drukt iets kosmisch uit, iets van de oerbeelden. Later zien we bij de aartsvaderen een mythisch element, ten slotte wordt het bij de koningen historisch.

Het is goed om in de gaten te houden dat de vertelstof een weg in de richting van het concrete is. Een ontwikkeling die synchroon loopt met de ontwikkeling van de mensheid.

Eenzelfde verhaal zou in een godsdienstles een heel ander accent kunnen krijgen. Eenmaal per week zou dan dat verhaal vanuit een totaal andere invalshoek verteld worden. Wat is de achtergrond daarvan, waarin onderscheidt zich dat van de verhalen die in het hoofdonderwijs verteld worden?

De vertelstof, zo is in het bovenstaande aangetoond, is geordend volgens het principe van de ontwikkelingsfasen van het kind. Daarop is het verhaal van de klassenleraar gericht.
In een godsdienstles krijgt het beeld of de lesinhoud een heel andere glans. Hier gaat het nu juist om de morele kracht, om de religieuze inhoud.

In de derde klas worden de reeds genoemde verhalen van het Oude Testament verteld. De verhalen over het ontstaan van mens en mensheid, de grote rol van inspirerende leiders geven een gevoel van rust en zekerheid. Voor het laatst spreekt uit de verhalen een imponerende autoriteit die diepe indruk maakt. Het richt zich juist op het kind in déze fase.

In de godsdienstles zouden dergelijke beelden in een nog breder perspectief geplaatst worden. Dan gaat het niet om de fase waarin de mensheid zich bevindt, de grote overgang naar een nieuwe tijd. Dan zou juist benadrukt kunnen worden waar dat op wijst, waar het naartoe gaat.

Alles in het Oude Testament wijst op de geboorte van Christus. We kunnen dat op vele plaatsen, soms direct, soms meer verhuld, tegenkomen.

Ook een wezen als de aartsengel Michaël heeft zich diepgaand met het Joodse volk verbonden, juist om de weg voor Christus voor te bereiden.

In het godsdienstonderwijs zal het christelijke element een wezenlijke rol spelen. En dan wordt bedoeld het algemeen-christelijke. Niet uitgedrukt in een bepaalde vorm, maar het principe van de vereniging van twee werkelijkheden uitgedrukt in de mens als middelaar ertussen in.

Maar, zult u zich afvragen, wordt het kind in deze een bepaalde kant op geleid? Is er niet iets dwingends gelegen in deze lessen?

De ouders van de eerste Waldorfschule in Stuttgart vroegen ons “vrij godsdienstonderwijs”, hetgeen gerealiseerd werd. In die tijd was godsdienstonderwijs vanzelfsprekend. Een priester of een dominee verzorgden dit onderwijs al naar gelang de confessie. De antroposofisch georiënteerde ouders wilden graag ook dergelijke lessen in de geest van de antroposofie. Vrij godsdienstonderwijs is de grondslag hiervan.

Vrij, omdat de ouders ervoor kiezen, vrij ook omdat een beeld aan de kinderen geschonken altijd ruimte laat. Een beeld is nooit dwingend. Het ene kind zal er dit uit putten, het andere kind wellicht iets heel anders. Waar het om gaat is dat het kind later zelf een keuze maakt op levensbeschouwelijk gebied op basis van een schat aan verhalen over mens en wereld. Op kunstzinnig gebied zal een kind eerst de kleuren moeten leren kennen, alvorens er creatief mee om te kunnen gaan.

Slaan we deze stap over en laten we het kind z’n gang gaan, dan zal de creativiteit letterlijk niet uit da verf komen. Deze namelijk is gebaseerd op een geleide ervaring en beleving maar wél vanuit het kind, in zijn taal.

Het godsdienstonderwijs in z’n praktische uitwerking is niet alleen een zaak van de school, maar juist ook van de antroposofische vereniging. Juist vanwege de specifieke achtergrond van de lessen. Dat is dan vooral gelegen in de geest van dit onderwijs. De sfeer, de stemming, die de godsdienstleraar tracht te bereiken is er een van glans, van zonnigheid. Daarom zal het godsdienstonderwijs meestal niet door de eigen leraar worden gegeven. Iemand die daar speciaal voor komt, brengt een heel speciaal element in de klas. Net zoals de Franse juf voor de kinderen een heel aparte wereld meebrengt.

Christus is een zonnewezen, een wezen van het midden. Het is Zijn taak de mensheid de liefde te leren. Ware broederschap, ware naastenliefde heeft Hij op aarde voorgeleefd. Deze kracht zien we op vele manieren, in vele mensen terugkomen.

Het kan op een concrete wijze gestalte krijgen. Alleen al als we de ons omringende natuurrijken met zorg en liefde behandelen. Ook een aspect van religie in de vrijeschool. Vele ingewijden zijn verbonden met het Christus-wezen. Zo was in het oude Perzië Zarathustra werkzaam.
De Perzen werden geconfronteerd met een weerbarstige natuur. Onvruchtbaar berglandschap, de bevolking was ruw en strijdlustig. “Smeed uit de zwaarden ploegen”, zou een gezegde van Zarathustra geweest kunnen zijn. Hij leerde de mensen de aarde te bewerken. De legende verhaalt hoe Zarathustra aan de Perzen het gouden mes en de gouden dolk geeft. Een nieuwe geest ontstaat in het volk. Nieuwe gewassen, vruchten ontstaan, de strijd wordt met de onvruchtbare grond aangegaan.

Even een sprong naar een andere tijd. De tijd van koning Arthur en zijn ridders. Een duistere periode in de geschiedenis. Het voorafgaande voorbeeld over de Perzen had een legende-achtig karakter. Koning Arthur is een mythische figuur met historische aspecten. Een zeer inspirerende persoonlijkheid, dat blijkt uit de vele bewerkingen die er van de Arthursagen zijn verschenen. Van Jaap ter Haar tot Marion Bradly, in al de prachtige verhalen spreekt een geest die op de een of andere manier tot daden inspireert.

Dat zou ik een grondbeginsel van de Arthurridders willen noemen; het doen, het werkelijk praktiseren van de Christelijk-Michaëlische impulsen.

In de voorbeelden van inhouden die in de godsdienstlessen aan bod zouden kunnen komen, mag eigenlijk het Graalgebeuren niet ontbreken. In de zevende klas wordt gewoonlijk het Parzivalepos verteld, in de bewerking van Wolfram von Eschenbach. Parzival die van Arthurridder Graalridder wordt. De Graal is het symbool van de krachten van de liefde, die vanuit het Zonnewezen door de aarde ontvangen worden. De Graal is een schaal waarin volgens de legende het bloed van Christus werd opgevangen.

Deze verhalen, het moge duidelijk zijn, hebben een heel eigen karakter. Heel anders dan de beelden die in het hoofdonderwijs verteld worden. Dan zal vaak ook de leerstof ermee verbonden worden, of het verhaal gedifferentieerd in één der vier temperamenten.

Geheel los daarvan staat het verhaal in de godsdienstles. Als een soort zuil staat het, even los van al het andere. Het krijgt in een apart uur even de volle aandacht die het verdient. Van de voorbeelden in het voorafgaande kan gezegd worden: dat kunnen de kinderen niet vaak genoeg horen. Dat is dermate wezenlijk, dat mag je de kinderen eigenlijk niet onthouden.

In onze cultuur neemt de onwaarachtigheid toe. De waarheid wordt in sterke mate geweld aangedaan. De draak waarover in de Michaëltijd gesproken wordt, krijgt gestadig meer macht.

In feite is het altijd Michaëltijd, niet alleen in de vroege herfst. Ons hele tijdsbestel staat in dit teken: Michaël als tijdgeest. De draak is dan een symbool van een wezen dat we tegenkracht kunnen noemen. Het zijn de tegenkrachten die wat aan goede impulsen in de mens leeft willen verstoren. Hun is er alles aan gelegen de bestemming van de mens te doorbreken. Ze zullen er steeds meer toe overgaan het ware wezen van de mens in slaap te sussen.

Juist in zo’n tijdsbestek zouden waarheid, schoonheid en goedheid een plaats moeten krijgen. Dat kan de mens nooit alleen. Daarvoor zou hij zich open moeten stellen voor datgene dat er aan kracht in de geestelijke werkelijkheden leeft. Die kracht is reëel aanwezig. Men kan het zien aan kleine initiatieven die overal genomen worden op uiteenlopende gebieden. Men kan een opening bewerkstelligen.

Op verzoek van de ouders in de eerste vrijeschool ontstond na het vrije godsdienstonderwijs ook nog een zondagsdienst, de Handeling.
Het woord geeft al aan waar het hier om gaat. Er wordt iets gedaan. Het betreft een cultische handeling. Een cultus drukt uit dat de geestelijke wereld in een zeer kort moment de op aarde bewegende mens beroert. Even komt het bij elkaar.
Een moderne cultus heeft Rudolf Steiner voor deze handeling ontwikkeld. Iets waar men vanuit volle vrijheid aan deelneemt.

In vroeger tijden vond inwijding plaats door een priester. Oude inwijdingswijzen zijn in deze tijd niet meer passend. De moderne mens maakt zelf de stap, wil zoiets meemaken. Het gaat niet meer buiten hem om.

Er is ook nog een Handeling voor de kinderen: de kinderhandeling. Ieder kind wordt dan aangesproken in wat hem tot mens maakt: de kracht waardoor een mens in staat is zich op te richten, zich te verheffen. Daarmee wordt de zwaartekracht overwonnen en in dienst van het Ik gesteld.
In de Handeling komt het meest wezenlijke van wat de vrijeschool zich ten doel stelt tot uitdrukking. Het is de bedoeling van datgene dat in de godsdienstles gebeurt.
En dat vanuit de daad.
Een verbinding wordt op deze wijze gerealiseerd, net als in het verhaal, net als in het omgaan met de materie.

Net als in de adventstijd.
.

Jaarfeesten: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

1347-1259

.

.