Tagarchief: Christengemeenschap

VRIJESCHOOL – Godsdienstonderwijs (4)

.
Klaus Walther*, Erziehungskunst nr.12 2025

.

in godsdienstonderwijs het gesprek mogelijk maken
.

Het fysieke met het spirituele verbinden, of preciezer gezegd, ze opnieuw met elkaar verbinden.
Volgens Rudolf Steiner is dit zowel de mogelijkheid als de taak van religie.

Klaus Walther geeft al 30 jaar alternatief godsdienstonderwijs aan de Vrije Waldorfschool Hannover-Bothfeld. Hij zegt dat de uitspraak: “Onderwijs is relatie” [Erziehung ist Beziehung] in het bijzonder van toepassing is op godsdienstonderwijs.

In zijn boek *Demokratie braucht Religion* beschrijft filosoof en resonantieonderzoeker Hartmut Rosa een verband dat op het eerste gezicht ongebruikelijk lijkt. Hij schrijft de toenemende agressie in de politiek en de samenleving toe aan een steeds groter wordend gevoel van overweldiging door mensen en politici. Dit gevoel van overweldiging leidt tot de wens om het eigen standpunt als het enige juiste op te leggen. Critici, dissidenten of individuen of groepen die als tegenstanders worden beschouwd, worden gezien als vijanden en storende elementen voor de eigen intenties. De gevolgen van deze manier van denken zijn momenteel zichtbaar in de wereldpolitiek en het publieke debat. Democratie functioneert echter niet in een agressieve modus. Om een ​​duurzame toekomst vorm te geven, is niet alleen tolerantie nodig jegens mensen die anders denken of als tegenstanders worden gezien, maar ook het vermogen en de bereidheid om naar elkaar te luisteren.
Zonder onbevooroordeeld, wederzijds luisteren is geen transformatie, geen duurzame ontwikkeling, geen resonantie en geen levensvatbare relatie mogelijk. Volgens Hartmut Rosa biedt religie zo’n ruimte voor resonantie. Religieus onderwijs, al dan niet confessioneel georiënteerd, kan zo’n relatie met de wereld voorbereiden en bevorderen.

Net zoals een jong kind van nature de behoefte heeft om te lopen, te spreken en te denken, en deze vaardigheden ontwikkelt tijdens de imitatiefase, worstelen kinderen en jongeren, min of meer bewust, tijdens hun schooljaren met de vraag naar de zin van het leven, hun individuele doel, geboorte en dood. Zo biedt religie, naast de studie van wetenschap en kunst, de mogelijkheid om het ontwikkelingspad van het opgroeiende individu te begeleiden, met of zonder confessionele oriëntatie. De traditionele inhoud kan, naast het algemene educatieve karakter ervan, antwoorden bevatten op vragen en behoeften van kinderen en jongeren.

1919: Vernieuwing van religie door Steiner

In Goethes gelijknamige drama ontwijkt de kritische, kenniszoekende Faust de cruciale vraag hoe hij over religie denkt. De dialoog tussen de twee vertegenwoordigt het dilemma tussen Gretchens toegewijde geloof en Fausts kritisch twijfelende geweten. Wordt religie gevormd door traditie en de culturele omgeving van een bepaalde samenleving, of drukt ze een spirituele en emotionele behoefte uit van het zich ontwikkelende individu? Wat betekent religie eigenlijk in de wereld van vandaag?

Na het einde van de Eerste Wereldoorlog bevond Duitsland zich in een staat van grote beroering.
De oprichting van de Waldorfschool door Rudolf Steiner in Stuttgart in september 1919 was bedoeld als een culturele impuls, een bijdrage aan een nieuwe democratische samenleving in lijn met de drievoudige maatschappelijke orde die Steiner in diezelfde periode ontwikkelde. Het was voor de oprichter van de school van groot belang om religie als vak te vestigen en de verschillende stromingen die destijds aanwezig waren de mogelijkheid te bieden hun onderwijs op de school te verzorgen via externe docenten. Hij zag de “vernieuwing van wetenschap, kunst en religie” dan ook als een essentieel fundament van het Waldorfonderwijs, zoals hij destijds nadrukkelijk benadrukte in een lezing voor de leerkrachten.

Wat betekent “vernieuwing van religie” in deze context?
Hoe kwam het religieuze element tot uiting in de nieuw opgerichte school?
De jaarfeesten, de kerstspelen en de vieringen van Sint-Jan en Michaël spelen nog steeds een belangrijke rol in de schoolgemeenschap van een Waldorfschool. De lessen godsdienst, die geleidelijk werden ingevoerd, waren bedoeld om het leerplan te verdiepen.
Aanvankelijk waren de katholieke en protestantse kerken verantwoordelijk voor de respectievelijke lessen met hun eigen docenten. Later werd de Christengemeenschap, opgericht door Rudolf Steiner, hieraan toegevoegd, evenals het niet-confessionele, gratis godsdienstonderwijs van de Antroposofische Vereniging. Dit bood kinderen van niet-religieuze ouders een religieuze oriëntatie.
Waarom was deze diversiteit aan godsdienstonderwijs zo belangrijk voor Steiner? Alle religies, met al hun stromingen, omvatten verhalen, rituelen, vormen van aanbidding, feesten, feestdagen en waarden voor het leven. Dit alles werd traditioneel van buitenaf aan kinderen en jongeren doorgegeven en – afhankelijk van hun achtergrond – in meer of mindere mate overgenomen.

Gretchens vraag en Fausts kritische houding drukken dit ook uit.

Dit dekt niet de volledige betekenis van religie voor de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Religie is niet alleen een gemeenschapsvormende, systeemstabiliserende kracht, maar speelt ook een belangrijke rol in de individuele ontwikkeling.

Dialoog mogelijk maken

Religie is in de geschiedenis van de mensheid vaak misbruikt door oorlogen, dogmatisme en de legitimering van machtsverhoudingen en aanspraken op dominantie. Religieus gemotiveerde oorlogen, destructieve, onmenselijke daden en moorden waren en zijn het gevolg.
Volgens Steiner betekent religie in eerste instantie niets anders dan een verbinding tussen de fysieke en de spirituele wereld. Religie moet daarom opnieuw worden doordacht. Dit betekent dat religie, hoewel historisch gegroeid en gebaseerd op tradities, zich voortdurend opnieuw moet ontwikkelen door middel van dialoog. Deze dialoog kan plaatsvinden in de klas, maar ook tussen verschillende denominaties, wereldreligies en generaties.

Het is de taak van de godsdienstdocenten om tot deze dialoog uit te nodigen en deze mogelijk te maken. Dat kan niet volgens een vast stramien, maar moet voortkomen uit een alert proces waarbij alle betrokkenen betrokken zijn. Opvoeding is relatie, en dat geldt in het bijzonder voor het godsdienstonderwijs.
Het godsdienstonderwijs dat in de afzonderlijke Waldorfscholen wordt aangeboden, verschilt van deelstaat tot deelstaat en hangt af van de capaciteit van het betreffende docententeam.
Over het geheel genomen valt vast te stellen dat de afzonderlijke geloofsgemeenschappen niet meer zonder uitzondering in staat zijn
om docenten te leveren, zodat er in veel gevallen interconfessioneel onderwijs plaatsvindt.
Een essentieel doel van de lessen is om, uitgaande van de op de menskunde gebaseerde verhalen, beelden en motieven, met de kinderen en jongeren
in gesprek te komen en levensvragen te bespreken, zonder daarbij te hoeven
toewerken naar een toetsbaar resultaat. De methoden variëren daarbij per leeftijdsgroep.

Verwant aan filosofie en ethiek

Bovendien vormt het godsdienstonderwijs soms een begeleiding bij de voorbereiding op het vormsel binnen de katholieke geloofsgemeenschap, de confirmatie in het kader van de protestantse kerk en de Christengemeenschap.
Het vervangt echter niet de lessen voor vormelingen. Voor de kinderen die het vrije godsdienstonderwijs volgen, bestaat aan het einde van het achtste leerjaar de mogelijkheid om deel te nemen aan de jeugdviering.
Deze vindt ongeveer tegelijkertijd plaats als het vormsel en de confirmatie,
maar is geen sacrament, maar symboliseert de overgang van kindertijd naar jeugd, zonder gebonden te zijn aan een gemeente of een geloofsbelijdenis.

Op sommige middelbare scholen worden als alternatief of uitsluitend ook
filosofie en ethiek als onderdeel van godsdienstonderwijs gegeven.
Het gaat daarbij om een intellectuele verdieping in vragen over moraal en het tolerant samenleven. De lesinhoud overlapt elkaar op veel punten.
Dat is met name het geval in de tiende klas, waar onderwerpen als euthanasie, prenatale diagnostiek en orgaandonatie vanuit verschillende perspectieven worden behandeld.

Op de Vrije Waldorfschool Hannover-Bothfeld, waar ik* al 30 jaar vrij godsdienstonderwijs geef in alle leerjaren, staan de godsdienstdocenten van alle geloofsrichtingen voortdurend in contact over de lopende lessen in de verschillende leerjaren.
Het is ons streven om de kinderen en jongeren verschillende mogelijkheden te bieden om zich individueel te ontwikkelen en zich te verdiepen in levensbelangrijke vragen die in de andere vakken slechts terloops kunnen worden aangestipt. 

.

*Klaus Walther, 1954, seit 1988 Oberstufenlehrer an der Freien
Waldorfschule Hannover-Bothfeld, verheiratet, vier Enkelkinder. Seit 30 Jahren
gibt er freien Religionsunterricht für die Klassen 1 bis 12.
Er ist Mitglied des Internationalen und Deutschen Gremiums für religiöse
Erziehung.
k.walther@waldorfschule-bothfeld.de

.

Godsdienstonderwijs: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3539-3325

.

.

.

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – 7 thema’s (7)

.

De 7 thema’s die Erich Gabert als inleidingen verwoordt, geven een beknopt overzicht van wat er zich rond de oprichting van de waldorfschool en de verdere jaren waarin Steiner de school leidde, plaatsvond. 
Om niet te veel ‘leesvoer’ in één keer te geven, zullen de thema’s in aparte artikelen verschijnen die ik later bij elkaar zal voegen.
Het is nog niet mogelijk om alle plaatsen waarnaar verwezen wordt, van een link te voorzien. Wat hier ‘overzicht’ wordt genoemd, bevat voor een groot gedeelte verwijzingen naar de Gesamt Ausgabe (volledig overzicht van alle werk van Steiner, afgekort GA). Naar die GA’s heb ik direct een link geplaatst, waar mogelijk ook naar een vertaling.
Dit overzicht staat in deel 3 van de vergaderingen – GA 300C/213)
De aanduiding, bv. (1/184) betekent deel 1, dus GA 300A, blz. 184)

Blz. 35

Konfessioneller und freier Religionsunterricht;
Christengemeinschaft

Confessioneel en vrij godsdienstonderwijs;
de Christengemeenschap

In einem Verhältnis ganz eigener Art stand die Waldorfschule zur umgebenden Welt in bezug auf den Religionsunterricht. Er wurde in den Räumen der Schule erteilt und war doch nicht deren eigene Sache. Er war, wie Rudolf Steiner wohl sagte, „exterritorial”.
Das galt sichtlich von dem sogenannten konfessionellen Religionsunterricht, von dem anfangs allein die Rede war. Schon am Abend
des 20. August, noch vor dem grundlegenden pädagogischen Kurs,
sprach Rudolf Steiner von dem „Kompromiß”, der hier gemacht
werden müsse (1/63). „Wir wollen keine anthroposophische Dogmatik lehren. . . . Wir wollen umsetzen das, was auf anthroposophischem Gebiet gewonnen werden kann, in wirkliche Unterrichtspraxis. . . . Die religiöse Unterweisung wird in den Religionsgemeinschaften erteilt werden.” Und am Ende des Kurses, in der Rede zur Eröffnungsfeier am 7. September hieß es: „Ehrlich werden wir einhalten, was wir gelobt haben: daß die verschiedenen
Religionsbekenntnisse, die von sich aus den Religionsunterricht erteilen wollen, ihre Weltanschauungsprinzipien in unsere Schule

De vrijeschool had een heel bijzondere relatie met de wereld met betrekking tot godsdienstonderwijs. Dat werd gegeven in de ruimten van de school en was toch niet haar eigen aangelegenheid. Het was, zoals Rudolf Steiner weleens zei, “extraterritoriaal”.
Dit gold duidelijk voor het zogenaamde confessionele godsdienstonderwijs, waarvan alleen in het begin sprake was. Al op de avond van 20 augustus, nog voor de pedagogische basiscursus, sprak Rudolf Steiner over het “compromis” dat hier gesloten moest worden. (In deze band op blz. 63, echter niet op deze blog vertaald, omdat de vertaling in GA 293, blz. 15) staat.

“Wij willen geen antroposofische dogmatiek onderwijzen. . . . Wij willen datgene wat op antroposofisch gebied te leren valt, omzetten in echte onderwijspraktijk.  . . Religieus onderricht wordt gegeven in de religieuze gemeenschappen.”
En aan het einde van de cursus, in de toespraak bij de openingsceremonie op 7 september, werd gezegd: “We zullen onze belofte eerlijk nakomen: dat de verschillende godsdiensten die uit eigen beweging godsdienstonderwijs willen geven hun levensbeschouwelijke principes op onze school kunnen onderwijzen.

Blz. 36

hineintragen können.” („Rudolf Steiner in der Waldorfschule” S. 27; Liste Nr. 8.) Für Rudolf Steiner schien es dem Wesen und den Bedürfnissen des
heranwachsenden Menschen unangemessen, ja schädlich, wenn er
ohne jegliche religiöse Unterweisung aufwachsen müßte. Deshalb
wurden gleich von Anfang an Zeit und Räume bereitgestellt für die
von den Konfessionen beauftragten Lehrer, selbst wenn dafür an sich
bessere Prinzipien des Stundenplans aufgeopfert werden mußten
(1/65,69).
Und Rudolf Steiner bestand streng darauf, daß diese Übergabe an die
Religionsgemeinschaften in jedem Sinne „ehrlich” durchgeführt
werde. Er wurde ungehalten, als von manchen Schulkindern einige
Kameraden nicht recht ernst genommen wurden, nur weil sie aus
anderen Konfessionszusammenhängen stammten (2/111, 112).
Aber schon gegen Ende des pädagogischen Kurses muß Rudolf Steiner gebeten worden sein, auch für solche Kinder, deren Eltern gar
keiner Konfession angehörten, und das war bei den Arbeiterkindern
vielfach der Fall, einen auf anthroposophischer Erkenntnis gegründeten Religionsunterricht einzurichten, einen „freien Religionsunterricht” von durchaus christlichem Charakter.
In der ersten Lehrerkonferenz am 8. September 1919 wurde ein
Doppeltes bemerkbar. Es war schon die Rede vom „anthroposophischen Unterricht, dem freien Religionsunterricht”, aber es wurde
auch deutlich, daß die Gedanken über die Gestalt dieses Unterrichts
noch nicht voll ausgereift waren

(“Rudolf Steiner in de vrijeschool”, de betreffende toespraak staat in GA 294 blz. 
Voor Rudolf Steiner leek het niet passend bij de aard en behoeften van de opgroeiende mens, zelfs schadelijk, als deze zonder enig godsdienstonderwijs zou moeten opgroeien.
Daarom werden vanaf het begin tijd en ruimtes beschikbaar gesteld voor de
leraren die door de kerkgenootschappen waren aangesteld, zelfs als dit betekende dat er betere uitgangspunten van het lesrooster opgeofferd moest worden. (1/65, 69).
En Rudolf Steiner stond er streng op dat dit overdragen aan de religieuze
gemeenschappen in alle opzichten “eerlijk” werd uitgevoerd.
Hij was verontwaardigd toen sommige schoolkinderen niet echt serieus genomen werden door hun schoolgenoten, alleen maar omdat ze een andere confessionele achtergrond hadden. (2/111, 112).
Maar al tegen het einde van de pedagogische opleiding moet Rudolf Steiner gevraagd zijn om ook de kinderen te onderwijzen van wie de ouders tot geen enkel kerkgenootschap behoorden, en dit was vaak het geval bij de kinderen van de werknemers, om een op antroposofische inzichten gebaseerde religieuze opvoeding met een door en door christelijk karakter tot stand te brengen.
Op de eerste lerarenvergadering op 8 september 1919 werden twee dingen duidelijk: Er werd al gesproken over ‘antroposofisch onderwijs, het vrije godsdienstonderwijs’, maar het werd ook  duidelijk dat de ideeën over de vorm van dit onderwijs nog niet volledig ontwikkeld waren.

So hieß es, die Klassenlehrer könnten ihn geben (1/67). Davon war zwei Wochen später, in den Konferenzen vom 25. und 26. September (1/79-81 , 98—105) nicht
mehr die Rede. Es wurden Herbert Hahn und Friedrich Oehlschlegel mit diesem Unterricht beauftragt. Nun wurde auch der gesamte Lehrplan des Religionsunterrichts für alle damals vorhandenen acht Klassen gegeben. Sie sollten in zwei Gruppen zusammengefaßt werden, 1.—4. und 5.-8 . Klasse. Als dann im Herbst 1920 die 9. Klasse hinzukam, wurden es drei Gruppen, 1.—3., 4.-6. , 7.-9. , und stufenweise näherte sich die Einteilung für den Religionsunterricht der üblichen Klasseneinteilung (3/157). Das machte auch immer mehr Lehrer nötig für diesen Unterricht. Dem Lehrplan wurden ständig
Einzelheiten und die Erweiterungen für die neu hinzukommenden Klassen angefügt. (Näheres vgl. Sachwortverzeichnis.)
Bei einem Elternabend am 3. November 1919 wurde nun gefragt, ob nicht auch für die Schüler des freien Religionsunterrichts an den Sonntagen eine religiöse Feier eingerichtet werden könne. Nachdem

Dus werd er gezegd dat de klassenleraren het konden geven (1/67). Dit was twee weken later niet het geval, in de vergaderingen van 25 en 26 september (1/79-81 , 98-105) werd er niet meer over gesproken.
Herbert Hahn en Friedrich Oehlschlegel werden met deze lessen belast. Nu werd het hele leerplan voor godsdienstonderwijs gemaakt voor alle acht klassen die er toen waren.
Ze zou in twee groepen worden gegeven, 1e-4e en 5e-8e klas. Toen de 9e klas werd toegevoegd in de herfst van 1920, waren er drie groepen, 1e – 3e, 4e – 6e, 7e – 9e , en de verdeling voor godsdienstonderwijs benaderde geleidelijk de gebruikelijke klassenindeling (3/157).
Dit betekende ook dat er steeds meer leerkrachten nodig waren voor deze lessen. Aan het leerplan werden voortdurend details toegevoegd en uitgebreid met
aanvullingen voor de nieuwe klassen die erbij kwamen.
(Voor meer details, zie de register -niet oproepbaar).
Op een ouderavond op 3 november 1919 werd de vraag gesteld of niet ook een godsdienstige viering ontworpen kon worden op zondag voor de leerlingen van het vrije godsdienstonderwijs

Blz. 37

Überlegungen darüber unbefriedigend verlaufen waren, baten die beiden Religionslehrer in der Weihnachtszeit 1919 Rudolf Steiner um seinen Rat. Wenige Tage später übergab er ihnen das Ritual für die Sonntagshandlung. Weil Oehlschlegel bald für geraume Zeit nach Amerika reiste und dann nicht mehr an die Schule zurückkam, hatte Herbert Hahn lange allein für die Sonntagshandlung zu sorgen. Sie wurde zum ersten Male gehalten am 1. Februar 1920. Rudolf Steiner war immer, wenn er in Stuttgart war, dabei anwesend, zuerst am 29. Februar 1920.
Die Teilnahme an diesen Sonntagshandlungen war strenge beschränkt auf die Schüler des freien Religionsunterrichtes, auf die Lehrer der Schule, die Eltern und diejenigen, ,,die anerkannt werden können durch die Lehrerschaft als moralische Vormünder” (1/137).
Rudolf Steiner rechnete darauf, daß möglichst viele Lehrer der Schule, nicht nur die Religionslehrer, bei den Handlungen dabei seien (2/58,199).
Nach und nach kamen die anderen Handlungen hinzu, die Weihnachtshandlung (1/252) zum ersten Male am 25. Dezember 1920, die Jugendfeier (1/136) am Palmsonntag, dem 20. März 1921. Als letztes wurde von Rudolf Steiner, nachdem im September 1922 schon die Wirksamkeit der Christengemeinschaft angefangen hatte, im Frühling 1923 für die beiden obersten Klassen die Opferfeier hinzugefügt (2/222, 241, 305). Sie fand zum ersten Male statt in der Osterzeit 1923. 

Na onbevredigend overleg vroegen de twee godsdienstleraren in de kersttijd van 1919 Rudolf Steiner om advies. Een paar dagen later gaf hij hen het ritueel voor de zondagshandeling. Omdat Oehlschlegel al snel voor enige tijd naar Amerika reisde en vervolgens niet naar de school terugkeerde, moest Herbert Hahn lange tijd alleen de zondagshandeling verzorgen. Deze werd voor het eerst gehouden op 1 februari 1920. Rudolf Steiner was er als hij in Stuttgart was, altijd aanwezig, voor het eerst op 29 februari 1920.
Deelname aan deze zondagsdiensten was strikt beperkt tot de leerlingen van het vrije godsdienstonderwijs, de leraren van de school, de ouders en degenen “die door de leerkrachten erkend konden worden als morele hoeders” (1/137).
Rudolf Steiner rekende erop dat zoveel mogelijk leraren, niet alleen de godsdienstleraren, aanwezig waren bij de handelingen. (2/58,199).
Geleidelijk kwamen daar de andere handelingen bij, de kersthandeling (1/252) voor het eerst op 25 december 1920, de jeugdhandeling (1/136) op Palmzondag, 20 maart 1921. Als laatste werd door Rudolf Steiner, nadat de Christengemeenschap al in september 1922 was begonnen, in het voorjaar van 1923  de offerhandeling toegevoegd voor de twee hoogste klassen (2/222, 241, 305). Die vond voor het eerst plaats in de paastijd van 1923.

Die Absicht Rudolf Steiners war, man solle all diesen Kultus einrichten „mit großer Innigkeit und Herzlichkeit . . . als etwas Ernstes, aber ohne schwül zu sein”, dennoch ,,auf der anderen Seite ihn so schlicht halten, als es möglich ist” (2/199).
So wie der freie Religionsunterricht selbstverständlich kein „obligatorischer” Unterricht war (2/305), so war auch die Teilnahme an den
Sonntagshandlungen den Schülern des freien Religionsunterrichtes
durchaus „freigestellt, ob sie kommen wollen oder nicht” (2/304).
Das Wesen des freien Religionsunterrichtes und die Art, wie Rudolf
Steiner ihm gleichsam eine Mittelstellung gab zwischen der Schule einerseits und der Anthroposophie und Anthroposophischen Gesellschaft andererseits, ist nicht leicht zu durchschauen. Es stellte an die damaligen Waldorflehrer, und es stellt auch heute noch große Anforderungen an Erkenntnisbemühen und Bewußtsein. Es müssen da jedesmal Aspekte zusammengeschaut werden, die einander zu widersprechen scheinen.
Von der einen Seite her gesehen sollte nicht nur für den konfessio-

Het was Rudolf Steiners bedoeling dat al deze cultus tot stand zou komen “met grote intimiteit en hartelijkheid . . . als iets serieus, maar zonder zwaarte”, en toch ”aan de andere kant het zo eenvoudig mogelijk te houden” (2/199).
Net zoals het vrije godsdienstonderricht natuurlijk geen “verplichte” les was (2/305), was ook deelname aan de zondagshandeling volledig “facultatief”, want de leerlingen van het vrije godsdienstonderricht “waren vrij om te beslissen of ze wilden komen of niet” (2/304).
De aard van het vrije godsdienstonderwijs en de manier waarop Rudolf Steiner het als het ware een middenpositie gaf tussen de school aan de ene kant en de antroposofie en de Antroposofische Vereniging aan de andere kant, is niet eenvoudig te begrijpen.
Het stelde destijds eisen aan de vrijeschoolleraren en stelt ook nu nog hoge eisen aan hun streven naar kennis en bewustzijn. Aspecten die elkaar lijken tegen te spreken, moeten samen worden bekeken.
Vanuit het ene gezichtspunt is het niet alleen voor het confessio-

Blz. 38

nellen Unterricht, sondern auch für den freien vermieden werden, „daß er als etwas in die Schule Eingereihtes erscheine” (2/19). Demgegenüber steht die Antwort, die von Rudolf Steiner an Emil Moltmgegeben wurde, als der geäußert hatte, „eine reine Schulangelegenheit soll es ja nicht sein; es ist ja losgelöst von der Schule”. Da sagte ihm Rudolf Steiner: „Die Sonntagshandlung ist etwas im Rahmen der Schule Liegendes. Eine Einzelheit innerhalb der Schule, . . . die nicht eine allgemeine Schulangelegenheit ist” (1/138), weil eben nicht alle Schüler daran teilnehmen. Rudolf Steiner hat auch den Lehrplan und alle dessen spätere Ergänzungen innerhalb der allgemeinen Lehrerkonferenz gegeben (vgl. Sachwortverzeichnis), hat auch seine Auswahl der Religionslehrer, die Handhabung der Handlungen, die Ausgestaltung des Handlungsraumes, und was es sonst noch sein mochte (vgl. wiederum Sachwortverzeichnis), fast ausnahmslos dort besprochen. Er hat damit nicht nur die Religionslehrer, sondern die gesamte Lehrerschaft aufgerufen zum Tragen dieses Unterrichts. Und es war keine Äußerlichkeit, wenn er sich dabei immer der Sprachform des „wir” bediente — „unser” Religionsunterricht. Er tat das selbstverständlich nicht, wenn er sich äußerte über den konfessionellen Unterricht, aber auch später nicht in bezug auf den Religionsunterricht der Christengemeinschaft, von dem noch zu reden sein wird.

le onderwijs, maar ook voor het vrije “dat het verschijnt als iets dat in de school is opgenomen” (2/19). Daar tegenover staat het antwoord van Rudolf Steiner aan Emil Molt toen deze zei dat “het niet puur een schoolaangelegenheid moet zijn; het staat los van de school”. Toen zei Rudolf Steiner tegen hem: “De zondagshandeling is iets binnen het kader van de school. Een apart iets binnen de school, . . . dat geen algemene schoolaangelegenheid is” (1/138), omdat niet alle leerlingen eraan deelnemen.
Rudolf Steiner schreef ook het leerplan en alle latere aanvullingen binnen de algemene lerarenvergadering (zie trefwoorden – niet oproepbaar), zijn selectie van de godsdienstleraren, de omgang met de handelingen, de aankleding van de handelingsruimte, en wat er verder nog bij komt kijken (vgl. trefwoordenlijst), werden daar bijna zonder uitzondering besproken. Hij deed dus niet alleen een beroep op de godsdienstleraren, maar op al het onderwijzend personeel om dit onderwijs te ondersteunen.
En het was geen uiterlijkheid dat hij dan steeds over “wij” – ‘ons’ godsdienstonderwijs sprak. Natuurlijk deed hij dit niet toen hij over het confessioneel onderwijs sprak, maar ook later niet met betrekking tot godsdienstonderwijs van de Christengemeenschap waarover later meer.

Ebenso treten in Rudolf Steiners Worten zwei ganz verschiedene Aspekte hervor in bezug auf das Verhältnis zur Anthroposophischen Gesellschaft. So sagte er zu einem der Lehrer: „Als Religionslehrer gehören Sie nicht der Schule an. Den erteilen Sie, wie wenn Sie Pastor in einer anthroposophischen Kirche draußen wären und hereinkommen” (1/286). (Dazu ist die Anmerkung einzuschieben, daß mit der „anthroposophischen Kirche” keineswegs die Christengemeinschaft gemeint ist. Denn die gab es damals noch nicht; der erste, noch vorbereitende Theologenkurs fand erst einen Monat später statt. Eine „anthroposophische Kirche” konnte und kann es selbstverständlich gar nicht geben. Der Ausdruck ist überspitzt gebraucht.)
Und dem steht das gegenüber, was Rudolf Steiner im Hinweis auf die
Weihnachtstagung sagte. Erst wies er darauf hin, daß „die Schule als eine von der Anthroposophischen Gesellschaft unabhängige Institution” geschaffen sei. Dann ging er auf die besondere Lage des Religionsunterrichtes ein. „Damit stimmt logisch ganz gut überein, daß der Religionsunterricht von den Religionsgemeinschaften aus besorgt wird, der freie Religionsunterricht von der Anthroposophi-

Zo komen ook in de woorden van Rudolf Steiner twee heel verschillende aspecten naar voren in de relatie met de Antroposofische Vereniging.
Tegen een van de leraren zei hij: ‘Als godsdienstleraar hoort u niet bij de school. U geeft les alsof u een voorganger in een antroposofische kerk buiten de school bent die hier binnenkomt” (1/286). (Opgemerkt moet worden dat
de “antroposofische kerk” in geen geval verwijst naar de Christengemeenschap. Want die bestond toen nog niet; de eerste, voorbereidende theologische cursus vond pas een maand later plaats. Een ‘antroposofische kerk’ kon of kan helemaal niet.. De uitdrukking is overdreven overdreven gebruikt).
En daar staat tegenover wat Rudolf Steiner zei in zijn verwijzing naar de
Kerstconferentie. Eerst wees hij erop dat ‘de school als instituut is opgericht
onafhankelijk van de Antroposofische Vereniging’. Daarna ging hij in op de bijzondere situatie van het godsdienstonderwijs. “Het is logisch daarmee in overeenstemming, dat het godsdienstonderwijs door de religieuze gemeenschappen wordt verzorgd, terwijl het vrije godsdienstonderwijs door de Antroposofische

Blz. 39

sehen Gesellschaft aus, daß die Anthroposophische Gesellschaft mit dem freien Religionsunterricht darinnensteht wie die anderen religiösen Gemeinschaften. Die Anthroposophische Gesellschaft gibt eigentlich den Religionsunterricht und den Kultus” (3/119).
Das sagte Rudolf Steiner nach der Neubegründung der Anthroposophischen Gesellschaft und nachdem er selbst das Amt des Ersten Vorsitzenden und das des Leiters der Pädagogischen Sektion übernommen hatte. Damit waren auch für den freien Religionsunterricht Aufgaben gestellt, die sich in der kommenden Zeit auswirken sollten. Es kam praktisch nicht dazu, weil Rudolf Steiner starb. Diese Aufgaben aber stehen immer noch da und stehen vor uns.

Als die zuletzt angeführten Worte am 5. Februar 1924 gesprochen wurden, bestand nun aber schon seit fast einundeinhalb Jahren die Christengemeinschaft.
Im Jahre 1921 waren, zuerst unabhängig voneinander, Gruppen von
jungen Theologen, meist Studenten, an Rudolf Steiner herangetreten mit der Frage, ob und wie sie mit Hilfe der anthroposophischen Erkenntnis in der rechten Weise ihren Lebensberuf auf dem religiösen Felde finden könnten. Daraufhin hielt ihnen Rudolf Steiner mehrere „Theologenkurse”, an deren erstem auch die Lehrer des freien Religionsunterrichtes teilnahmen (2/39. Liste Nrn. 105, 126).

Vereniging; dat de Antroposofische Vereniging met het vrije godsdienstonderwijs op dezelfde manier erin staat als andere religieuze gemeenschappen. De Antroposofische Vereniging geeft eigenlijk het godsdienstonderricht en de cultus’ (3/119).
Rudolf Steiner zei dit na de heroprichting van de Antroposofische Vereniging en nadat hij zelf het ambt van Eerste voorzitter op zich had genomen en hoofd van de pedagogische sectie was geworden. Daarmee kwam ook het vrije godsdienstonderwijs voor opgaven te staan die in de komende tijd uitgewerkt zouden moeten worden. Door de dood van Rudolf Steiner is dit niet doorgegaan.
Deze taken zijn er echter nog steeds en liggen voor ons. (geschreven 1975)

Toen de laatst genoemde woorden op 5 februari 1924 werden gesproken, bestond de Christengemeenschap al bijna anderhalf jaar.
In 1921 hadden groepen jonge theologen, aanvankelijk onafhankelijk van elkaar, meestal studenten, Rudolf Steiner benaderd met de vraag of en hoe zij met behulp van antroposofische kennis op de juiste manier hun roeping op religieus gebied konden vinden. Rudolf Steiner gaf hen toen theologiecursussen, aan de eerste daarvan namen ook leraren van het vrije godsdienstonderwijs deel. (2/39. 
GA 343  (niet vertaald)   GA 346   (vertaald)

Auf Grund dieser Kurse schlössen sich die jungen Theologen, in
deren Namen Rudolf Steiner um seinen Rat gefragt worden war, im
September 1922 von sich selbst aus zusammen. Es wurde zuerst der
Name üblich: „Bewegung für religiöse Erneuerung” (2/199). Friedrich Rittelmeyer, der wegen Krankheit an den ersten Kursen nicht hatte teilnehmen können, gab jetzt seine Stellung als Pfarrer in Berlin auf. Er hatte schon seit Jahren aktiv in der anthroposophischen Bewegung gestanden und tat das auch weiterhin; aber er trat nun auch an die Spitze der „Religionserneuerung”, die den Namen „Christengemeinschaft” annahm. Sie war nicht von der Anthroposophischen Gesellschaft aus gegründet und auch nicht von Rudolf Steiner.
Er sprach vielfach von der „auf eigenen Füßen der Anthroposophischen Gesellschaft gegenüberstehenden Christengemeinschaft” (3/123).
Er äußerte, diese Bewegung „hätte den Keim in sich, etwas
sehr Großes zu werden” (2/199). Und fast zwei Jahre später sagte er von den Priestern, daß sie „in kürzester Zeit die größten Fortschritte gemacht hätten” (3/177),
Es ist verständlich, daß nun Fragen heraufkamen, wie das Verhältnis der Anthroposophie zur Christengemeinschaft sei und wie man sich

Op basis van deze cursussen kwamen de jonge theologen namens wie Rudolf Steiner om raad was gevraagd, in september 1922 op eigen initiatief bij elkaar
Aanvankelijk werd de naam  “Beweging voor Religieuze Vernieuwing” gebruikt (2/199). Friedrich Rittelmeyer, die door ziekte de eerste cursussen niet had kunnen bijwonen, gaf nu zijn baan als predikant in Berlijn op. Hij was al jaren actief in de Antroposofische Vereniging en bleef dat ook, maar hij werd nu ook leider van de ‘Godsdienstvernieuwing’, die de naam ‘Christengemeenschap’ aannam. Deze was niet door de Antroposofische Vereniging opgericht en ook niet door Rudolf Steiner.
Hij sprak vaak over de ‘Christengemeenschap die op eigen benen staat wat de Antroposofische Vereniging’ betreft (3/123).
Hij zei dat deze beweging ‘de kiem in zich had om iets heel groots te worden” (2/199). En bijna twee jaar later zei hij over de priesters dat zij “in zeer korte tijd de grootste vooruitgang hadden geboekt” (3/177).
Het is begrijpelijk dat er nu vragen rezen over de verhouding van de antroposofie tot de Christengemeenschap en hoe men

Blz. 40

richtig zu verhalten habe. Für die Mitglieder der Gesellschaft suchte
Rudolf Steiner Klarheit zu schaffen durch seinen Vortrag vom
30. Dezember 1922. Es war der zweitletzte Abendvortrag, ehe das
erste Goetheanum abbrannte (2/226, 227. Liste Nr. 111).
Auch um die Waldorfschule herum entstand Unsicherheit. Sind
jetzt, nachdem das neue Priestertum der Christengemeinschaft da
ist, freier Religionsunterricht und Kulthandlung an der Waldorfschule noch berechtigt?
Als dann bald die Priester anfingen, für die Kinder der Gemeindemitglieder auch Religionsunterricht zu geben, erhob sich die weitere Frage: „Wie ist der freie Religionsunterricht in der Waldorfschule vereinbar mit dem Religionsunterricht der Christengemeinschaft? ” (3/175).
Rudolf Steiner sprach daraufhin in den Konferenzen deutlich aus,
daß jede von diesen beiden Arten von Religionsunterricht eigenen
Charakter, eigene Ziele und volle Berechtigung habe, auch in die
Zukunft hinein. Er gab jetzt für den freien Religionsunterricht nicht
nur, wie schon erwähnt, etwa ein halbes Jahr nach der Entstehung
der Christengemeinschaft, das neue Ritual der Opferfeier, um das die
Schüler der obersten Klassen gebeten hatten (2/222, 241, 305).

en hoe je daar een verhouding mee krijgt. Rudolf Steiner probeerde met zijn voordracht op 30 december 1922 duidelijkheid te scheppen voor de leden van de vereniging. Het was de op een na laatste avondvoordracht voordat het eerste Goetheanum afbrandde (2/226, 227). GA 219/162  (niet vertaald)

Er ontstond ook onzekerheid rond de vrijeschool. Zijn, nu het nieuwe priesterschap van de Christengemeenschap er is, vrij godsdienstonderwijs en handelingen op de vrijeschool nog wel op zijn plaats?
Toen de priesters al snel begonnen met het geven van godsdienstonderwijs aan de kinderen van de gemeenschapsleden, rees de vraag: “Hoe is het vrije godsdienstonderwijs in de vrijeschool verenigbaar met de godsdienstige opvoeding van de Christengemeenschap? ” (3/175).
Rudolf Steiner heeft toen in de vergaderingen duidelijk gezegd dat elk van deze twee soorten godsdienstige opvoeding een eigen karakter had, zijn eigen doelen en volledige rechtvaardiging, ook in de toekomst.
Pas, zoals reeds vermeld, ongeveer een half jaar na de vorming van de
Christengemeenschap, gaf hij de nieuwe offerhandeling, waar de leerlingen
van de hoogste klassen om hadden gevraagd (2/222, 241, 305).

Er hat auch das Weiterbestehen des freien Religionsunterrichtes teils als
selbstverständlich vorausgesetzt (3/175—179), teils im Gespräch
ausdrücklich ausgesprochen.
Es sollten keineswegs diese beiden Bewegungen ineinanderfließen.
Rudolf Steiner wollte ,,so lange als möglich” vermeiden, ,,bei der
Christengemeinschaft einen Religionslehrer zu suchen für die
Schule”. Aber man solle „nicht so exklusiv sein’ (3/177). Einzelnen
der jungen Priester hätte er, wie er sagte, diesen Unterricht gerne
anvertraut (2/169).
Auf der anderen Seite gestand Rudolf Steiner auch der Christengemeinschaft, die inzwischen schon in ihren eigenen Räumen für die Kinder der Gemeindeglieder einen eigenen Religionsunterricht eingerichtet hatte, ohne weiteres zu, daß sie „wie die anderen Konfessionen” das Recht in Anspruch nehmen könnte, ebenfalls innerhalb der Waldorfschule ihren Religionsunterricht auszuüben. „Dann würden wir also einen Religionsunterricht mehr haben” (3/176). Er fand es aber besser, wenn es dabei bliebe, daß die Kinder der Gemeindemitglieder, soweit sie in die Waldorfschule gingen, auch weiterhin nur am freien Religionsunterricht teilnähmen (3/176).
So ist es denn auch in den weitaus meisten Fällen geschehen, bis 1938 die Schule verboten wurde. Erst nach dem zweiten Weltkrieg

Ook was hij  enerzijds vanzelfsprekend uitgegaan het voortbestaan van het vrije godsdienstonderwijs, (3/175-179), en anderzijds sprak hij dat in sommige gevallen expliciet uit.
Deze twee bewegingen mochten in geen geval samensmelten.
Rudolf Steiner wilde “zo lang mogelijk” vermijden “een godsdienstleraar voor de school bij de Christengemeenschap te zoeken.’ Maar we moeten  “niet al te exclusief zijn” (3/177). Een paar van de jonge priesters zou hij, zoals hij zei, dit onderwijs graag hebben toevertrouwd (2/177).
Aan de andere kant gaf Rudolf Steiner ook toe dat de Christengemeenschap, die intussen al een eigen godsdienstonderwijs voor de kinderen van de gemeenschapsleden in de eigen ruimtes organiseerde., ‘net als de andere kerkgenootschappen’ het recht kon opeisen om ook haar godsdienstonderwijs binnen de vrijeschool aan te bieden. “Dan zouden we er nog een godsdienstonderwijs bij hebben” (3/176). 
Hij vond het echter beter dat de kinderen van de gemeenteleden die naar de vrijeschool gingen, alleen aan het vrije godsdienstonderwijs bleven deelnemen (3/176).
Dit gebeurde in de overgrote meerderheid van de gevallen totdat de school in 1938 werd verboden. Pas na de Tweede Wereldoorlog

Blz. 41

ist auch der Religionsunterricht der Christengemeinschaft, ebenso
wie der bisherige konfessionelle, in den Räumen der Waldorfschule
eingerichtet worden.
Zu Lebzeiten Rudolf Steiners wurde diese Frage nur insoweit praktisch, als Eltern, ausdrücklich wünschten, ihre Kinder sollten an beiden Unterrichten teilnehmen. Rudolf Steiner hielt das für durchaus
möglich. Hindern könnte „höchstens der einzige Punkt der Gesundheit, daß es zuviel wäre” . . . Die Waldorfschule müsse da nicht „dogmatisch entscheiden” (3/176). „Am schönsten würde ich finden,
wenn dann, wenn sie an beiden teilnehmen, von dem Religionslehrer
hier und dem Religionslehrer dort die Stoffe besprochen werden, so
daß Einklang da ist” (3/177).
Ernsthaftere Schwierigkeiten schienen aufzukommen bei der Frage,
wie sich die Jugendfeier der Christengemeinschaft und die des freien
Religionsunterrichtes miteinander vereinigen ließen. Aber auch hier
seien keinerlei Verhandlungen mit der Christengemeinschaft nötig.
Sie sei ja in sich selbständig. „Wir können doch machen, was wir
wollen, und die können machen, was sie wollen” (2/305).

werd ook het godsdienstonderwijs van de Christengemeenschap, evenals de
het confessionele van toen, in de ruimtes van de vrijeschool gegeven.
Tijdens Rudolf Steiners leven werd deze vraag alleen praktisch voor zover ouders uitdrukkelijk wilden dat hun kinderen naar beide lessen gingen. Rudolf Steiner achtte dit mogelijk. Het enige obstakel zou “het punt van gezondheid kunnen zijn, dat het te veel is” . . . De vrijeschool hoefde niet “dogmatisch te beslissen” (3/176). “Ik zou het het mooist vinden als dan, als ze aan beide deelnemen, de godsdienstleraar hier en de godsdienstleraar daar de stof bespreken, zodat er
afstemming is” (3/177).
Ernstiger problemen leken zich voor te doen bij de vraag hoe de jongerenviering van de Christengemeenschap en die van het vrije godsdienstonderwijs samen zouden kunnen gaan. Maar ook hier waren onderhandelingen met de Christengemeenschap niet nodig.
Zij was onafhankelijk op zichzelf. “Wij kunnen doen wat wij willen en zij kunnen doen wat zij willen” (2/305).

Aber dann machte Rudolf Steiner den Weg frei, indem er auf den grundlegenden Unterschied hinwies in der Zielsetzung der beiden Handlungen. „Der innere Sinn unserer Jugendfeier ist, daß der Mensch ganz allgemein in die Menschheit hineingestellt wird . . . Die Christengemeinschaft aber stellt in eine bestimmte Religionsgemeinschaft hinein” (3/178).
Daraus ergeben sich zwanglos alle praktischen Handhabungen, die nötig sind: etwa die, welche der beiden Handlungen vorausgehen müsse, und dergleichen (3/177,178).
Vor allem aber — und das ist das Allerwichtigste — weisen solche  Unterschiede wohl auf Wesensverschiedenheiten hin, aber sie bedeuten keinerlei reale Widersprüche und kein Gegeneinander. „Innerlich ist es durchaus vereinbar” (3/178). Es gilt auch hier, was für das ganze Verhältnis des freien Religionsunterrichtes zur Christengemeinschaft gilt: „Eine Diskrepanz zwischen beiden in inhaltlicher Beziehung kann es eigentlich nicht geben” (3/176).

Maar toen maakte Rudolf Steiner de weg vrij door te wijzen op het fundamentele verschil in het doel van de twee handelingen. “De innerlijke betekenis van onze jeugdhandeling is dat de mens wordt geplaatst in de mensheid in het algemeen . . . De Christengemeenschap plaatst ons echter in een specifieke religieuze gemeenschap” (3/178).
Hieruit volgen alle noodzakelijke praktische regelingen die nodig zijn: bijvoorbeeld welke van de twee handelingen eerst wordt gehouden
en dergelijke (3/177,178).
Maar bovenal – en dat is het belangrijkste – wijzen zulke verschillen op de essentie van beide, maar ze betekenen geen echte tegenstellingen of oppositie. “Innerlijk is het heel verenigbaar” (3/178). Ook hier geldt wat voor de
relatie tussen het vrije godsdienstonderwijs en de Christengemeenschap geldt: “Inhoudelijk kan er geen discrepantie zijn tussen beide” (3/178).

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

.

3321-3125

.

.

.

.