Tagarchief: dialoog

VRIJESCHOOL – Godsdienstonderwijs (4)

.
Klaus Walther*, Erziehungskunst nr.12 2025

.

in godsdienstonderwijs het gesprek mogelijk maken
.

Het fysieke met het spirituele verbinden, of preciezer gezegd, ze opnieuw met elkaar verbinden.
Volgens Rudolf Steiner is dit zowel de mogelijkheid als de taak van religie.

Klaus Walther geeft al 30 jaar alternatief godsdienstonderwijs aan de Vrije Waldorfschool Hannover-Bothfeld. Hij zegt dat de uitspraak: “Onderwijs is relatie” [Erziehung ist Beziehung] in het bijzonder van toepassing is op godsdienstonderwijs.

In zijn boek *Demokratie braucht Religion* beschrijft filosoof en resonantieonderzoeker Hartmut Rosa een verband dat op het eerste gezicht ongebruikelijk lijkt. Hij schrijft de toenemende agressie in de politiek en de samenleving toe aan een steeds groter wordend gevoel van overweldiging door mensen en politici. Dit gevoel van overweldiging leidt tot de wens om het eigen standpunt als het enige juiste op te leggen. Critici, dissidenten of individuen of groepen die als tegenstanders worden beschouwd, worden gezien als vijanden en storende elementen voor de eigen intenties. De gevolgen van deze manier van denken zijn momenteel zichtbaar in de wereldpolitiek en het publieke debat. Democratie functioneert echter niet in een agressieve modus. Om een ​​duurzame toekomst vorm te geven, is niet alleen tolerantie nodig jegens mensen die anders denken of als tegenstanders worden gezien, maar ook het vermogen en de bereidheid om naar elkaar te luisteren.
Zonder onbevooroordeeld, wederzijds luisteren is geen transformatie, geen duurzame ontwikkeling, geen resonantie en geen levensvatbare relatie mogelijk. Volgens Hartmut Rosa biedt religie zo’n ruimte voor resonantie. Religieus onderwijs, al dan niet confessioneel georiënteerd, kan zo’n relatie met de wereld voorbereiden en bevorderen.

Net zoals een jong kind van nature de behoefte heeft om te lopen, te spreken en te denken, en deze vaardigheden ontwikkelt tijdens de imitatiefase, worstelen kinderen en jongeren, min of meer bewust, tijdens hun schooljaren met de vraag naar de zin van het leven, hun individuele doel, geboorte en dood. Zo biedt religie, naast de studie van wetenschap en kunst, de mogelijkheid om het ontwikkelingspad van het opgroeiende individu te begeleiden, met of zonder confessionele oriëntatie. De traditionele inhoud kan, naast het algemene educatieve karakter ervan, antwoorden bevatten op vragen en behoeften van kinderen en jongeren.

1919: Vernieuwing van religie door Steiner

In Goethes gelijknamige drama ontwijkt de kritische, kenniszoekende Faust de cruciale vraag hoe hij over religie denkt. De dialoog tussen de twee vertegenwoordigt het dilemma tussen Gretchens toegewijde geloof en Fausts kritisch twijfelende geweten. Wordt religie gevormd door traditie en de culturele omgeving van een bepaalde samenleving, of drukt ze een spirituele en emotionele behoefte uit van het zich ontwikkelende individu? Wat betekent religie eigenlijk in de wereld van vandaag?

Na het einde van de Eerste Wereldoorlog bevond Duitsland zich in een staat van grote beroering.
De oprichting van de Waldorfschool door Rudolf Steiner in Stuttgart in september 1919 was bedoeld als een culturele impuls, een bijdrage aan een nieuwe democratische samenleving in lijn met de drievoudige maatschappelijke orde die Steiner in diezelfde periode ontwikkelde. Het was voor de oprichter van de school van groot belang om religie als vak te vestigen en de verschillende stromingen die destijds aanwezig waren de mogelijkheid te bieden hun onderwijs op de school te verzorgen via externe docenten. Hij zag de “vernieuwing van wetenschap, kunst en religie” dan ook als een essentieel fundament van het Waldorfonderwijs, zoals hij destijds nadrukkelijk benadrukte in een lezing voor de leerkrachten.

Wat betekent “vernieuwing van religie” in deze context?
Hoe kwam het religieuze element tot uiting in de nieuw opgerichte school?
De jaarfeesten, de kerstspelen en de vieringen van Sint-Jan en Michaël spelen nog steeds een belangrijke rol in de schoolgemeenschap van een Waldorfschool. De lessen godsdienst, die geleidelijk werden ingevoerd, waren bedoeld om het leerplan te verdiepen.
Aanvankelijk waren de katholieke en protestantse kerken verantwoordelijk voor de respectievelijke lessen met hun eigen docenten. Later werd de Christengemeenschap, opgericht door Rudolf Steiner, hieraan toegevoegd, evenals het niet-confessionele, gratis godsdienstonderwijs van de Antroposofische Vereniging. Dit bood kinderen van niet-religieuze ouders een religieuze oriëntatie.
Waarom was deze diversiteit aan godsdienstonderwijs zo belangrijk voor Steiner? Alle religies, met al hun stromingen, omvatten verhalen, rituelen, vormen van aanbidding, feesten, feestdagen en waarden voor het leven. Dit alles werd traditioneel van buitenaf aan kinderen en jongeren doorgegeven en – afhankelijk van hun achtergrond – in meer of mindere mate overgenomen.

Gretchens vraag en Fausts kritische houding drukken dit ook uit.

Dit dekt niet de volledige betekenis van religie voor de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Religie is niet alleen een gemeenschapsvormende, systeemstabiliserende kracht, maar speelt ook een belangrijke rol in de individuele ontwikkeling.

Dialoog mogelijk maken

Religie is in de geschiedenis van de mensheid vaak misbruikt door oorlogen, dogmatisme en de legitimering van machtsverhoudingen en aanspraken op dominantie. Religieus gemotiveerde oorlogen, destructieve, onmenselijke daden en moorden waren en zijn het gevolg.
Volgens Steiner betekent religie in eerste instantie niets anders dan een verbinding tussen de fysieke en de spirituele wereld. Religie moet daarom opnieuw worden doordacht. Dit betekent dat religie, hoewel historisch gegroeid en gebaseerd op tradities, zich voortdurend opnieuw moet ontwikkelen door middel van dialoog. Deze dialoog kan plaatsvinden in de klas, maar ook tussen verschillende denominaties, wereldreligies en generaties.

Het is de taak van de godsdienstdocenten om tot deze dialoog uit te nodigen en deze mogelijk te maken. Dat kan niet volgens een vast stramien, maar moet voortkomen uit een alert proces waarbij alle betrokkenen betrokken zijn. Opvoeding is relatie, en dat geldt in het bijzonder voor het godsdienstonderwijs.
Het godsdienstonderwijs dat in de afzonderlijke Waldorfscholen wordt aangeboden, verschilt van deelstaat tot deelstaat en hangt af van de capaciteit van het betreffende docententeam.
Over het geheel genomen valt vast te stellen dat de afzonderlijke geloofsgemeenschappen niet meer zonder uitzondering in staat zijn
om docenten te leveren, zodat er in veel gevallen interconfessioneel onderwijs plaatsvindt.
Een essentieel doel van de lessen is om, uitgaande van de op de menskunde gebaseerde verhalen, beelden en motieven, met de kinderen en jongeren
in gesprek te komen en levensvragen te bespreken, zonder daarbij te hoeven
toewerken naar een toetsbaar resultaat. De methoden variëren daarbij per leeftijdsgroep.

Verwant aan filosofie en ethiek

Bovendien vormt het godsdienstonderwijs soms een begeleiding bij de voorbereiding op het vormsel binnen de katholieke geloofsgemeenschap, de confirmatie in het kader van de protestantse kerk en de Christengemeenschap.
Het vervangt echter niet de lessen voor vormelingen. Voor de kinderen die het vrije godsdienstonderwijs volgen, bestaat aan het einde van het achtste leerjaar de mogelijkheid om deel te nemen aan de jeugdviering.
Deze vindt ongeveer tegelijkertijd plaats als het vormsel en de confirmatie,
maar is geen sacrament, maar symboliseert de overgang van kindertijd naar jeugd, zonder gebonden te zijn aan een gemeente of een geloofsbelijdenis.

Op sommige middelbare scholen worden als alternatief of uitsluitend ook
filosofie en ethiek als onderdeel van godsdienstonderwijs gegeven.
Het gaat daarbij om een intellectuele verdieping in vragen over moraal en het tolerant samenleven. De lesinhoud overlapt elkaar op veel punten.
Dat is met name het geval in de tiende klas, waar onderwerpen als euthanasie, prenatale diagnostiek en orgaandonatie vanuit verschillende perspectieven worden behandeld.

Op de Vrije Waldorfschool Hannover-Bothfeld, waar ik* al 30 jaar vrij godsdienstonderwijs geef in alle leerjaren, staan de godsdienstdocenten van alle geloofsrichtingen voortdurend in contact over de lopende lessen in de verschillende leerjaren.
Het is ons streven om de kinderen en jongeren verschillende mogelijkheden te bieden om zich individueel te ontwikkelen en zich te verdiepen in levensbelangrijke vragen die in de andere vakken slechts terloops kunnen worden aangestipt. 

.

*Klaus Walther, 1954, seit 1988 Oberstufenlehrer an der Freien
Waldorfschule Hannover-Bothfeld, verheiratet, vier Enkelkinder. Seit 30 Jahren
gibt er freien Religionsunterricht für die Klassen 1 bis 12.
Er ist Mitglied des Internationalen und Deutschen Gremiums für religiöse
Erziehung.
k.walther@waldorfschule-bothfeld.de

.

Godsdienstonderwijs: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3539-3325

.

.

.

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – sociale initiatieven (5-1/3)

.

sociale initiatieven deel 1,   deel 2

HET VERZORGEN VAN SOCIALE INITIATIEVEN

DE DIALOOG

In  het tweede artikel over het verzorgen sociale initiatieven, worden twee kanten van een organisatie beschreven, die gekarakteriseerd worden als de dag- en nachtzijde.

Voor zover wij als werkers in organisaties bezig zijn, behoren we tot de dagzijde van de organisatie. Voor zover wij als consument onze behoeften kenbaar maken en daardoor organisaties in het leven roepen en houden, behoren we tot de nachtzijde van de organisatie. Aan enkele voorbeelden universiteit, warenhuis, patiëntenkring – wordt deze polariteit duidelijk gemaakt.

De dag- en nachtzijde van de organisatie, doen steeds herinneren aan de beide stromen waaruit de organisatie ontstaan is: het vaderzaad van het initiatief dat in de moederschoot van een deel van de samenleving valt; of met andere woorden: door een vraag, een behoefte ontstaat de mogelijkheid nieuwe sociale vormen te laten ontkiemen Bij een opgroeiend kind is het van vitaal belang dat het vaderlijke en moederlijke element in de opvoeding evenwichtig verzorgd wordt. Het sleutelwoord hiervoor is de dialoog tussen degenen, die met verantwoordelijkheid om en naast het kind staan, worden de inzichten en krachten geboren, waarmee het kind in zijn ontwikkeling geholpen kan worden. Ook bij het verzorgen, opvoeden en grootbrengen van maatschappelijke schepsels, resultaten en sociale initiatieven, gaat het om de dialoog.

De dialoog tussen vader en moeder
Het hart van de vijf dialogen die ik zal beschrijven is die tussen de initiatiefnemers en degenen die een vraag gesteld hebben, de afnemers, abstracter geformuleerd tussen producent(en) en consument(en). Hier doet zich een eindeloze variatie aan vormmogelijkheden voor, al naar gelang het ‘productie-proces’ waar het om gaat, een leerproces (bijvoorbeeld een school), een genezingsproces (bijvoorbeeld een gezondheidscentrum), een verzorgings-proces (bijvoorbeeld de horecasector), een transportproces (bijvoorbeeld het openbaar vervoer) of een productvoortbrengingsproces (bijvoorbeeld een fabriek), is. Ook worden die vormvariaties bepaald door de vraag óf en hóe degenen, terwille waarvan de organisatie in het leven is geroepen, aanspreekbaar zijn. Dat kan erg verschillend zijn in verband met leeftijd (kleuterklas), hun geestelijke toestand (zwakzinnigeninrichting), hun lijfelijke aanwezigheid (winkel), of hun onbekendheid (massagoederen fabriek). Dat maakt dat de dialoog soms plaats moet hebben met ouders, plaatsvervangende instanties, vertegenwoordigersgroepen, steekproefpersonen en dergelijke.

Op al deze vormen van associatief overleg kan hier niet ingegaan worden. Wel zal ik nog wijzen op een drietal verschillend-soortige relaties die zowel producent als consument tot de betreffende institutie kan hebben. Ik zal dit toelichten door middel van het overleg tussen ouders en leraren rondom een school. Er zijn leraren die primair in hun vak geïnteresseerd zijn, zij richten zich volledig op het pedagogisch handwerk en op de kinderen. Hun bewustzijn houdt bij wijze van spreken op, bij de muren van de klas. Het gebeuren in de school als geheel en het doen en laten van de collega’s om hen heen, interesseert hen alleen voorzover ze er last van hebben of iets nodig hebben voor hun klas.

Anderen proberen de school als sociaal organisme in hun bewustzijn te krijgen en nemen taken op zich die de institutie als totaliteit helpen verzorgen en ontwikkelen. Zij proberen organisatievormen te scheppen die dienstbaar zijn aan het pedagogisch gebeuren in de klas.

Ook zijn er leerkrachten die naar de school proberen te kijken als een orgaan van een schoolbeweging, die als geheel een vernieuwingsimpuls betekent in het onderwijsbestel. (Er zijn natuurlijk ook leraren denkbaar die alleen in geld geïnteresseerd zijn. Die wil ik buiten beschouwing laten).
Het zinvol op elkaar afstemmen van deze drie dimensies wordt ernstig bemoeilijkt, wanneer deze over wezenlijk verschillende groepen verdeeld zijn, wanneer bijvoorbeeld de groep die de tweede dimensie behartigt als directie, niet meer als leraar in de ervaringswerkelijkheid van de eerste dimensie staat, en wanneer de groep die de derde dimensie verzorgt als bestuur niet meer de realiteit van het schoolgebeuren als organisatie kent. Natuurlijk moet er differentiatie zijn. De affiniteit tot een van de drie dimensies zal ook verschillen per persoon en leeftijdsfase, maar de essentie van school-zelfbestuur is toch wel dat alle drie dimensies (mede)bemand worden door praktiserende leerkrachten, of omgekeerd dat alle leerkrachten ook een taak(je) vervullen in de tweede en derde dimensie.
Ik beschrijf deze geleding daarom zo uitvoerig, omdat het bewustzijn daarvoor van vitaal belang is voor een vruchtbaar overleg tussen producent en consument. Het overleg rondom de school ziet er totaal anders uit wanneer daaraan van ‘producentenzijde’ geen politieke bestuurders en bureaucratische schoolleiders deelnemen, maar mensen die de tweede en derde dimensie verzorgen vanuit een verankering in het basisproces in de school: het werken met de kinderen.
Aan de kant van de consument, in dit geval van de ouders, vinden we ook een dergelijk verschil in oriëntatie. Er zijn ouders die alleen in het ‘product sec’ geïnteresseerd zijn, in casu hun kind en wat daarmee en daaraan in de klas gebeurt. Wanneer er een schoolfeest is, informeren ze hoe laat hun Pietje op het toneel verschijnt en dan komen ze even kijken.
Dan zijn er ouders die geboeid raken door de school als geheel, en dan ook bereid zijn taken op zich te nemen die met de school als organisatie te maken hebben.
En dan zijn er ouders die zich bewust worden van het feit dat door deze school heen een pedagogische impuls werkt, die in feite een maatschappij vernieuwende betekenis kan hebben.

Voor een vruchtbare dialoog tussen de dagzijde en de nachtzijde van een organisatie is het van belang te beseffen dat aan beide zijden een zekere differentiatie in bewustzijn aanwezig zal zijn, dat deze verschillende oriëntaties ook hun recht van bestaan hebben en, zonder ze moreel te waarderen, alle drie hun betekenis voor het overleg hebben.

De dialoog binnen de vadergroep
Van heel andere aard is de dialoog, tussen degenen die zich als productie-werkers samen verantwoordelijk voelen voor het initiatief. Dit overleg uiterlijk van belang ten behoeve van interne coördinatie. De essentie is echter, dat men door dit overleg zicht krijgt op de individuele impulsen en intenties van de werkers. De biografie van het initiatief wordt in hoge mate bepaald door de persoonlijke biografieën van de medewerkers, hun onderlinge lotsrelaties, hun al dan niet openstaan voor inspiraties en dergelijke. Maar evenzeer kan die ontwikkeling geremd worden door het gebrek aan zicht op totaal verschillende impulsen en intenties die binnen de groep werkzaam zijn, door onopgeloste lotsverwikkelingen, door gefixeerde beelden die men van elkaar heeft en die de communicatie blokkeren. Een aantal van de aan het begin van dit artikel genoemde draken zullen in dit overleg, object van strijd moeten zijn.

3. De dialoog tussen de moedergroepen
Zoals we in de vorige dialoog dieper in de dagzijde van de organisatie zijn binnen gedrongen, betekent de dialoog tussen de moedergroepen een verdere ontwikkeling van de nachtzijde. Slechts schaarse aanzetten zijn daarvan in de praktijk aanwijsbaar. Het gaat om het volgende. Elke institutie heeft zijn eigen taak en zijn eigen omgeving. Maar de omgevingen overlappen elkaar en de grenzen tussen die taken kunnen vervagen. Ouders van een school ontmoeten elkaar gedeeltelijk weer als patiënten van een gezondheidscentrum, ze ontdekken dat ze voor een ander deel tot de klantenkring van een zelfde winkel behoren, weer andere ouders blijken elkaar terug te vinden als gebruikers van dezelfde plaatselijke bibliotheek. En in het contact met de school ontdekken al die ouders ook dat de taak van de school niet te vangen is in een pedagogisch hokje, maar dat er grensovergangen zijn naar het medische, naar de voeding, naar architectuur (een schoolgebouw!), naar boeken verkopen of uitlenen en zo meer.

En zo komt er overleg op gang tussen de omgevingsgroepen van gespecialiseerde organisaties teneinde de ‘producties’ van al die instituties op zinvolle wijze in relatie tot elkaar te brengen, en de behoeftes van al die omgevingsgroepen op elkaar af te stemmen. Aanvankelijk wellicht ‘bilateraal’ tussen de ene groep en de andere, maar langzaam uitgroeiend tot een associatief netwerk van gebruikersgroepen-relaties.

4. De dialoog met de vadergeest
Wanneer een initiatief zijn kracht ontleent aan geestelijke inspiratie dan moet de relatie tot die bron verzorgd worden. Die verzorging kan in werkelijkheid het karakter van een dialoog krijgen. Een innerlijk gesprek met de geestelijke werkelijkheid waaruit de initiatieven stammen. Primair is dat een individuele aangelegenheid. Maar het is ook van belang dat een groep die verantwoordelijkheid voor een initiatief draagt zich gezamenlijk tot die bron wendt. Het gaat bij die dialoog eigenlijk helemaal niet meer om de institutie.

Niets van instituutsbelang of vakgerichtheid dringt in deze dialoog meer door. Het gaat om de relatie tot de vadergeest als zodanig. Alleen de verantwoordelijkheid, die relatie te willen verzorgen kan de dialoog een waardige inhoud geven.

5. De dialoog met de aarde-moeder
Het is niet zo moeilijk om je voor te stellen hoe de dialoog tussen de moedergroepen, hoe het associatieve vlechtwerk van consumentenoverleg, langzaam uit kan groeien tot een dimensie waar verantwoordelijkheden ontstaan voor maatschappelijke velden, voor bevolkingsgroepen, voor een buurt, een wijk, een regio. Wat we als karikatuur kennen in het werk van beroepsmatige politici wordt dan verankerd in reële situaties en reële verantwoordelijkheden van kconcrete mensen. Langzaam zal deze dimensie zich kenbaar moeten maken als die van de mensheid. Iets daarvan kondigt zich reeds aan doordat we ons bewust worden van het feit dat we met z’n allen op één aarde leven, dat we die met elkaar moeten verzorgen en dat wij dank zij het aarde-burgerschap, een economisch leven hebben dat ons de mogelijkheid geeft behoeftes te hebben, van elkaar afhankelijk te zijn, elkaar te verzorgen. Daarom is deze laatste dialoog, hoewel ze helemaal politiek-maatschappelijk gekarakteriseerd kan worden, in feite een dialoog met de aarde.

Tot zover een aanduiding van het dialoog-organisme dat zich ontwikkelt door het verzorgen, van sociale initiatieven. De weerstandskrachten waardoor dit proces zich voltrekt, hebben we in het begin beschreven in het beeld van twaalf draken. Het is te begrijpen dat de tegenkrachten krijgsraad houden, want het gaat bij sociale initiatieven en het verzorgen daarvan om niet minder dan om een totaal nieuwe verbinding van het masculine en het feminine in onze cultuur, om bewust zowel in de dagzijde als in de nachtzijde van het sociale organisme te kunnen staan. Uit de verbinding van die twee, uit het door de mensen heen verbinden (re-ligere) van de vadergeest met de moeder-aarde, worden wij scheppers van een nieuwe kosmos, een sociale kosmos, een mensheidsorganis-me. Christus is de drager van dit mensheidsorganisme. Het scheppen van nieuwe sociale vormen is het bouwen van een tempel waarin de mensheidsgeest kan leven. Zoals de individuele mens de vruchten van zijn aardeleven aanbiedt aan zijn hogere Ik. Zo kunnen groepen van mensen het verzorgen van sociale initiatieven beleven als het aandragen van bouwmateriaal voor deze nieuwe tempel.

Lex Bos, Jonas 17 20-04-1979

Sociale initiatieven (1)

Sociale initiatieven (2)

Sociale driegeleding: alle artikelen– waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs
.

1403-1314

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – sociale initiatieven (5-1/2)

.

Dag- en nachtzijden van organisaties

Het verzorgen van sociale initiatieven   (2)

In het eerste artikel over het verzorgen van sociale initiatieven wordt beschreven hoe de mens onvrij wordt door de begeerte-opwekkende en wilsverlammende krachten, die vanuit de maatschappij op hem inwerken.

De uitdrukking ‘sociaal initiatief’’ bevat eigenlijk een innerlijke tegenstrijdigheid: ‘initiatief’ duidt op een sterke ik-betrokkenheid, ‘sociaal’ zegt meer over het betrokken zijn op anderen, op de omgeving.

Door het nemen van sociale initiatieven, gericht op de behoeften, die in de omgeving leven, kan de mens een vrije daad stellen, vanuit de geest tot handelen komen.

Talrijke weerstandskrachten – ze worden als 12 draken ten tonele gevoerd – belagen deze jonge initiatieven. Het is daarom van belang ze zorgzaam te behoeden, te begeleiden. Alleen dan kan het bewustzijnsproces – waarin de initiatiefnemers met hun ideeën de omgeving bevruchten plaatsvinden, zodat nieuwe sociale organismen (consumentenkringen, scholen, therapeutica etc.) tot leven gewekt worden en kunnen gaan groeien.

We zijn gewend organisaties te beschrijven in termen van het zichtbare productiecentrum (fabriek, school, kantoor, ziekenhuis), waar mensen werken in min of meer georganiseerd verband aan een product of dienstverlening. Er wordt veel intelligentie en wakkerheid aangewend, om alles in van te voren bepaalde rationele banen te laten verlopen. De mensen die in de organisatie werken, verwerven er een inkomen en zijn aanspreekbaar op concrete verantwoordelijkheden.

Is daarmee het verschijnsel organisatie uitgeput? Dat dit niet het geval is, blijkt bijvoorbeeld uit ontwikkelingen in opleidingsinstituten. Daar rijst de vraag: ‘Horen de consumenten bij de organisatie?’ In een universiteit zijn de ‘afnemers’ van het onderwijsproces de studenten. Het interessante van dit type organisatie is dat het zijn afnemers in huis heeft. Moderne opvattingen over inspraak en samenwerking hebben tot het inzicht geleid dat de afnemers – in dit geval de studenten – een wezenlijk deel van de organisatie vormen. Dat komt ook tot uitdrukking in het feit dat zij – naast onderwijzend en technisch-administratief personeel – zitting hebben in de Hogeschool Raad. Nu is de relatie van een organisatie tot degenen in wier behoefte zij voorziet, zeer verschillend al naar gelang het type organisatie. Een school heeft dagelijks al zijn afnemers een keer binnenshuis. Voor een gezondheidscentrum geldt ook dat de afnemers bekend zijn (kaarsysteem van ingeschreven patiënten), maar de arts weet nooit wie er ’s morgens in de wachtkamer zal zitten. Slechts een klein deel van de patiënten treedt af en toe uit het duister naar voren in het licht van de behandelkamer. Voor een producent van tijdschriften zijn de lezers op papier bekend, maar ze worden eigenlijk nooit zichtbaar als personen. Voor een warenhuis is het klantenbestand een anonieme massa, die zich weliswaar in het centrum kenbaar maakt, maar waarvan de identiteit alleen door steekproeven en statistieken enigszins achterhaald kan worden. Voor producenten van massagoederen is de consument extreem anoniem en onzichtbaar. De spullen komen via groothandel en detaillist op de markt in binnen- en buitenland. Toch is er geen enkele reden, om in al deze gevallen de consument niet wezenlijk tot het levende organisme van de onderneming te rekenen. Waarom de studenten wel en de gebruikers van diensten en de kopers van producten niet?

Wanneer we dit deel van de organisatie trachten te beschrijven dan beschrijven we iets in de periferie, dat als het ware onzichtbaar om het producerend centrum heenligt; iets dat als distributiesysteem vanuit de producent gezien, wel een zekere organisatiegraad heeft, maar vanuit het feitelijke consumentengedrag beschreven, een vaak amorf, onvoorspelbaar beeld vertoont zonder veel bewustzijn, zonder veel verantwoordelijke binding aan de producent, de dienstverlener, de winkelier. We hebben twee aspecten van het organisatiewezen gekarakteriseerd in de woord-paren:

. zichtbaar – onzichtbaar.
. georganiseerd – amorf
. centraal – perifeer
. mensen verant- – mensen in
woordelijk               vrijblijvende
gebonden                 relatie
. wakend – slapend
. producerend – consumerend
. initiërend – receptief
. antwoord – vraag
. manlijk – vrouwelijk

We zouden de polariteit die we hier trachten aan te duiden, misschien het meest kernachtig kunnen omschrijven door te zeggen dat de organisatie een dagzijde en een nachtzijde heeft. Voor zover wij als werkers in organisaties bezig zijn, horen wij tot de dagzijde van die organisaties. Wij voelen ons dan in ons waakbewustzijn aangesproken. Voor zover wij als consumenten door onze koopdaad, door onze vraag, door het kenbaar maken van behoeften, organisaties in het leven roepen en houden, behoren wij tot de nachtzijde van die organisaties.

Dat feit dringt nauwelijks tot ons bewustzijn door. Wij zijn in dat gebied nog slapend. Zoals mensen overdag in hun fysieke lichaam ruimtelijk van elkaar gescheiden zijn, en zich daarvan bewust zijn, terwijl zij ’s nachts, wanneer zij vrij van hun lichaam zijn, door elkaar heen leven en weven, zonder daar bewust van te zijn, zo zijn de dagzijden van ondernemingen ruimtelijk gescheiden als zichtbare instituties en organisaties, terwijl de nachtzijden van al die organisaties in en door elkaar leven. Bedenk eens hoeveel mensen daar kopend, diensten gebruikend, goederen verslijtend door elkaar heen leven en van hoeveel verschillende organisaties zij daardoor de onbewuste nachtzijde vormen!

Wanneer in de mensengemeenschap steeds meer tot werking komt, wat als kracht in de menselijke ziel leeft, wanneer de maatschappij zich steeds meer vormt door zich te spiegelen aan de mensenziel, dan moeten we in de mens zelf het oerbeeld vinden van het verschijnsel dat sociale organismen een centrale, zichtbare dagzijde en een perifere onzichtbare nachtzijde, hebben. We komen hiermee op een van de meest centrale hoofdstukken uit Steiners antroposofie. Dat is het onderwerp over de dubbele verschijningsvorm van het Ik. Steiner beschrijft dit als volgt. Het hogere Ik van de mens bereidt zich in het voorgeboortelijk leven voor op een volgende incarnatie. Het doet dit enerzijds door voor zichzelf een sterfelijk lichaam te scheppen waarin het op aarde kan leven, anderzijds door een omgeving uit te zoeken waarmee het in wisselwerking kan treden. Ongeveer tot het derde jaar werkt dit hoger Ik nog direct in de fysieke omhulling, dan trekt het zich terug in de geestelijke wereld. Het laat op aarde z’n afspiegeling achter. Dit aardse Ik kan zich bewust worden van zijn dag- en nachtzijde. Van de dagzijde is sprake als wij met ons waakbewustzijn Ik zeggen tegen wat wij in onze fysieke constitutie, in onze levenskrachten, in onze zielenkwaliteiten met ons meedragen als omhulling van dit Ik. Van de nachtzijde is sprake als wij met ons intuïtieve nachtbewustzijn langzamerhand Ik leren zeggen tegen datgene wat als lot uit de periferie op ons afkomt, aan wensen, aan vragen, aan weerstanden, aan uitdagingen, aan grenzen. Het Ik verschijnt zichtbaar centraal in de fysieke gestalte, het maakt zich onzichtbaar perifeer kenbaar in het op ons toekomende lot. Het mensen-ik verschijnt in een dag- en een nachtzijde, in een vrouwelijk vragende bedding en in een manlijk-actieve stroom die daarop antwoordt.

Wat er geboren wordt aan nieuwe vermogens en nieuwe ervaringen in de wisselwerking tussen de dag- en de nachtzijde van het Ik, tussen de dagbewuste mens en wat er uit het duister van het lot op hem afkomt, dat is de vrucht van deze incarnatie, dat is het geesteskind dat door de dialoog van het vader-ik en het moeder-ik verwekt is. Dat geesteskind wordt na de dood, als het fysieke lichaam is afgelegd en het aardse lot tot een einde is gekomen, aan het hogere Ik, wachtend aan de drempel, aangeboden.

Dit oerbeeld van de incarnatie van de mens als geesteswezen in de aardse werkelijkheid vinden we weerspiegeld in het verschijnsel dat wij eerder beschreven: nieuwe sociale vormen die ontstaan doordat het vaderzaad van het initiatief valt in de moederschoot van een deel van de samenleving, of wel doordat de vragende leegte van een behoefte de mogelijkheid schept om deze behoefte op creatieve wijze te bevredigen. Zo ontstaan sociale vormen, organisaties die in hun dag- en hun nachtzijde voortdurend herinneren aan de twee stromen waaruit zij ontstaan zijn.

Deze beschouwing kan ons helpen dieper in te gaan op de vraag wat het verzorgen van sociale initiatieven eigenlijk inhoudt, of beter uitgedrukt: het verzorgen van hetgeen als resultaat van sociale initiatieven in de wereld is gezet.

Voor het opgroeiende kind is van vitaal belang het pedagogisch klimaat dat de vader en moeder om het kind heen creëeren, of meer algemeen gezegd: dat ontstaat doordat het vaderlijk en het moederlijk element in de opvoeding evenwichtig verzorgd worden. Het sleutelwoord daarvoor is de dialoog. In de dialoog tussen diegenen die met verantwoordelijkheid om en naast het kind staan, worden de inzichten en krachten geboren waarmee het kind in z’n ontwikkeling geholpen kan worden. Wanneer we nu op zoek gaan naar deze dialoog-kwaliteit daar waar het gaat om het verzorgen, opvoeden en grootbrengen van maatschappelijke schepsels, resultaten van sociale initiatieven, dan springen een vijftal dialogen in het oog.

Ik wil deze artikelen eindigen in Jonas 17 door deze vijf in concreto te beschrijven.

Lex Bos, Jonas 16, 06-04-1979\

.
Sociale initiatieven [1]     [3]

Sociale driegeledingalle artikelen   waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

1389-1300

.

.