Categorie archief: dierkunde

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.
Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

.
VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 1675 artikelen

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas

L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
via de blog van Madelief Weideveld

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

 

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

 

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

Advertenties

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (8) – over slakken

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 61                                                                                                     hoofdstuk 8

Zeven slakkengeheimen

Over de wijngaardslak

De slakken behoren tot die dieren waarover heel vaak geringschattend wordt gesproken, men heeft er een hekel aan, tenzij ze als delicatesse worden opgegeten zoals in Frankrijk en Spanje.
De wijngaardslak is een huisjesslak en om dit huisje te kunnen bouwen heeft ze kalk nodig. Vandaar dat ze in kalkrijke streken veelvuldig voorkomt.
Zo weinig betekenend ze zelf dan mag zijn, ze heeft toch prachtige familieleden, grote zeeslakken met heel fraaie kleuren en tekening op de huisjes met stekels die binnenin bovendien nog glanzen als paarlemoer.
Wanneer je er een aan je oor houdt, hoor je je eigen bloed daarin ruisen en dan zegt men weleens ‘je hoort de zee die daar nog geheimzinnig in naklinkt.’
Soms worden deze slakken foutief mosselen genoemd, maar die hebben, zoals bekend is, geen huisjes, alleen maar twee schalen die door een vorm van een scharnier beweeglijk aan elkaar vast zitten. In mossels kunnen mooie parels ontstaan, maar de slakken daarentegen hebben alleen maar een heel dun laagje paarlemoer aan de binnenkant van hun huisje, maar geen parels.
Wie de slakken wil begrijpen moet weten dat het eigenlijk allemaal waterdiertjes zijn, ook als ze over het land kruipen. De prachtigste komen voor in de zuidelijke meren. En daar is onze wijngaardslak met het geel-bruine huisje en de donkere strepen eroverheen maar een nietig schepsel. Meestal ziet men het nauwelijks dat ze een tekening hebben.
En toch is het slakkenhuis het meest merkwaardige en tegelijkertijd ook het wonderbaarlijkste stukje natuur dat je je maar kan indenken. Is het dan een omgevormd botje? Nee, zeker niet! Het is gewoon een huisje, zoals de naam al zegt. En er woont iemand in en de bewoner heeft het zelf gebouwd. Hij kan naar binnen en naar buiten kruipen, maar omdat hij eraan vast gegroeid is, moet hij z’n huisje overal mee naar toe nemen, als een rugzak. En verborgen in het huisje zitten ook de inwendige ingewanden van de slak. Veel van de mooie zeeslakken hebben veel dikkere en daarom veel zwaardere huisjes, maar de zee helpt bij het dragen.
Hoe groter de slak wordt, des te groter moet natuurlijk ook het huisje worden. Het heeft maar één kamertje en dat heeft de vorm van een spiraal. En de slak moet zich daarin oprollen, tot hij aan de voorkant naar buiten kijkt. Een mooi geheim ben jij, gedraaid slakkenhuis!
Soms vind je oude slakkenhuizen waarin geen slak meer zit. Als je een figuurzaagje neemt en je zaagt er een doormidden, wat zie je dan? Allereerst dat het huisje vanbinnen een wenteltrap heeft of zoals het beter klinkt, een spil. Deze is hol en daaruit volgt dat het hele slakkenhuis eigenlijk niets anders is dan een gedraaid buisje. Bovenaan de top is het nauw, naar onderen toe wordt het steeds wijder. Maar het is toch spiraalsgewijs opgerold. Zolang de slak nog groeit, maakt ze vooraan er steeds nieuwe banen aan. Die zijn eerst heel dun en breekbaar; als de slak eindelijk klaar is met groeien, maakt ze de rand van het huisje dikker en laat die wat naar buiten stulpen. Dat is dan de ‘mond’ van het slakkenhuis. Zo zweet de slak haar huisje uit en de kalk die ze daarvoor nodig heeft, neemt ze tot zich door het voedsel. Vaak zie je slakken hoog tegen de muren op kruipen waar ze uit de voegen en van de stenen kalk wegknagen. Al naar gelang wat de slak vindt en hoe ze zich voeden kan, groeit het huisje, soms met onregelmatige, dunnere of dikkere dwarsstrepen.
Het huisje is dus het allereerste geheim van de slak en zeker niet het kleinste.

Het tweede en derde gaat erover hoe slakken kruipen. Ze hebben geen benen en maar één voet, zoals men zegt, met een kruipzool. Je zou het ook wel een tong kunnen noemen waarop de slak rondreist en die ze in- en weer uit kan trekken. Vooraan de kop heeft de slak twee paar tasters. Wanneer hij kruipt, is het net of hij vooruitglijdt, je hoort niet het minste en je ziet geen beweging. Wanneer je ze op een glasplaat laat kruipen, kun je de mooie golfbewegingen zien die door de voetzool gaan. Ook bij waterslakken in een aquarium kun je dat makkelijk zien. Langzaam en rustig komt de ene golfbeweging na de andere en iedere keer wanneer er de golfslag vanachter vandaan komt, wordt de voet nauwelijks zichtbaar iets korter en wanneer de golf vooraan gekomen is, strekt de slak zich weer uit. Zo ontstaat het rustige verder glijden.
Dat is het tweede geheim en daar hoort het derde bij. Een slak staat namelijk helemaal niet op de vaste grond. Het is alsof ze op een heel kleine zee zwemt, een zee die steeds door haarzelf wordt neergelegd doordat zij slijm afscheidt. Dit slijm verbindt zich weliswaar stevig met de aarde, maar niet met de slak zelf. Ook wanneer dit al opgedroogd is, zit het nog aan de aarde vast en daar kun je dat zijn opglanzen, Zo maakt het voor de slak niets uit of zij op een gladde ondergrond, dan wel op een ruwe haar weggetje gaat, want zij glijdt nu eenmaal op het eigen slijm verder. Zij kan langs steile wanden omhoog kruipen of aan het plafond. Zelfs op zaagsel glijdt zij nog verder.
Dat is toch echt wel een verrassing voor iedereen die het nog niet wist, dat geen enkele slak met haar voet de aarde aanraakt. Dat is toch een slakkenwonder!
Bij zeeslakken kun je dat wel begrijpen, maar bij landslakken? Wat doen die dan eigenlijk? Ze nemen hun eigen kleine zeetje mee om daarop te zwemmen. Hun zee is het slakkenslijm.
Zo is het en niet anders.

Moeten we er ons over verbazen dat er bij droogte en zonneschijn geen slakken onderweg zijn? Ze gaan alleen bij vochtig weer op pad, vooral ’s nachts. Anders zou hun meegevoerde zee helemaal opdrogen en zij zelf ook. Wanneer waterbewoners zich op het vaste land wagen, moeten ze wel heel voorzichtig zijn.

Het vierde geheim gaat over de zintuigen en de zintuigorganen van de slak. Natuurlijk kun je van zulke eenvoudige dieren als de slakken niet verwachten dat ze net zulke volledige zintuigen hebben als de mens. Maar zij hebben precies de zintuigen die ze nodig hebben om te kruipen en bladeren te zoeken.
De beide ogen op de grote tasters zijn zeer bijziende. Maar dat is voor een slak helemaal voldoende. Vaak loopt zij nog tegen iets op, ook al lopen ze zo langzaam. Wanneer je ze echter met een vinger benadert, dan trekken ze zich meteen terug, nog vóór je ze hebt aangeraakt en trekken ze hun ogentasters als een handschoenvinger naar binnen. Dat kan, omdat de tasters van binnen hol zijn. Waarschijnlijk voelt zij je lichaamswarmte. De tastzin die over het hele lichaam verbreid is, moet wel heel gevoelig zijn.
Zij heeft zo haar lievelingskostje, deze wijngaardslak, zoals b.v. koolbladeren en weet die ook te vinden. Experimenten met slakken hebben laten zien dat de voeltasters tegelijkertijd ook reukorganen zijn. De smaak zit natuurlijk in de mond, aan de onderkant van de kop en wanneer er bij slakken nog van gehoor gesproken zou kunnen worden, dan zou dat wel de naakte huid kunnen zijn die zo fijngevoelig is. Want slakken hebben geen oren. Wanneer je een slak bent, heb je het waarschijnlijk ook helemaal niet nodig dat alle zintuigen zo duidelijk verschillend zijn. Daarom staat ook in Goethes Faust:

Zie je daar de slak? die komt aangekropen
met haar tastende gezicht
heeft ze jou al wel geroken

Hoe weinig je het bij de natte, koele slakken voor mogelijk zou houden, zo waar is het toch: ze zijn gevoelig voor warmte en ze houden niet alleen van warmte, maar ze hebben die ook nodig en omdat de wijngaarden altijd op de warmste plaatsen aangelegd worden, komen daar ook steeds de meeste slakken voor.
De wijngaardslak heet er zelfs naar omdat ze daar zo talrijk zijn. Maar het mag daar niet al te droog zijn. Wanneer het ’s zomers een langere tijd niet regent of wanneer het te warm wordt, komen de slakken in gevaar, kunnen dus uitdrogen. Maar dan trekken ze zich in hun huisje terug en wachten de regen af. Dat is dan hun zomerslaap. Daarvoor kruipen ze eerst nog onder de bladeren, waar veel schaduw is. Dan scheiden ze voor de opening van het huisje slijm af dat meteen hard wordt. Op die manier kunnen slakken het maandenlang uithouden, woestijnslakken zelfs jaren.

Het vijfde geheim is de slakkenmond. Die vraatzuchtige slak heeft ook lippen en zelfs een tand waarmee ze kleine stukjes van de bladeren af kan bijten. Wie goed luistert, kan het ‘knagen’ zelfs horen. Maar het eigenlijke wonder is de slakkentong. Die wordt alleen uitgestoken als de slak iets wil afschaven. Een echte tong is het natuurlijk niet. Eerder is het een klein rolletjes of een walsje. En die heeft geen puntje. Het is een heel klein raspje met bijna ontelbare, heel kleine tandjes. Wanneer de slak het tongwalsje op een blad perst, kan hij weliwswaar niet bijten, maar toch raspen, steeds van voor naar achter.
Met een vergrootglas kan je heel goed zien dat de tandjes van de slakkentong op een wonderbaarlijke manier geordend staan, bijna als de schubben van een dennenappel, vele rijen achter elkaar. Die zijn zo zorgvuldig gevormd dat de onderzoeker van slakken zelfs de slakkensoorten daarmee kan indelen. Is het niet grappig dat een dier naar zijn tong ingedeeld wordt? Slakken hebben bijna geen vaste delen. Daarom heten ze dan ook weekdieren.

Het zesde slakkengeheim is hoe de slakken ademen. Hun long ligt verborgen onder het huisje, maar je ziet toch een ademopening, de slak heeft er maar één. Die staat in verbinding met een ademholte, ook wel mantelholte genoemd. De slak kan die sluiten en openen, maar dat is niet de ademhaling, want dat doet de slak niet. Ze laat de lucht simpelweg naar binnen stromen en weer naar buiten. Wie zich zo langzaam beweegt, raakt nooit buiten adem. Dan is het genoeg om een slakkenlong te hebben.

De voortplanting is het zevende en het laatste geheim dat hier besproken wordt. Wijngaardslakken leggen namelijk eieren, een beetje witachtig. En omdat het slakkeneieren zijn hebben ze ook al een dun, kalkhoudend perkamentachtige schaal. Voor een slak zijn deze eieren in ieder geval zeer groot, als erwten namelijk. Als je dan bedenkt dat een slak tot wel zestig eieren achter elkaar legt, dan is dat wel een topprestatie. En omdat het legsel zeer zeker veel liefhebbers zou vinden, is het heel goed dat vrouw slak eerst een gat in de aarde graaft. Dat is voor haar uiteraard een moeilijk werk en dat kost wel tien tot twaalf uur, omdat ze geen ander gereedschap heeft dan haar weke voet. Als het holletje uiteindelijk tien centimeter diep is, begin het eieren leggen. Ontdek je een slak die eieren legt, zie je dat ze voor de helft in het holletje zit. Het is moeilijk van die grote eieren te leggen en het duurt vele uren, want de eieren komen zo om het half uur. Maar zoals bekend, slakken hebben de tijd, veel tijd. Ten slotte begraaft moeder slak het broedsel zorgvuldig – en bekommert er zich verder helemaal niet meer om. Na dertig dasgen is het echter zo ver: uit de eieren kruipen heel kleine slakjes.
Wel een geluk dat het niet iedere slak vergund is, groot te worden. Dan zou ieder ook weer zestig eieren leggen. Dan zou de aarde wemelen van grote en kleine slakken en dan zouden al gauw alle bladeren opgevreten zijn. Maar moeder natuur rekent anders. Zij heeft ook aan de vele hongerige magen gedacht van de dieren die slakken op willen vreten, grote en kleine.
De merels b.v. kraken op een harde steen eerst het huisje. Daarom vind je weleens stenen waar alleen maar gebroken huisjes bij liggen. Andere slakkenopruimers zijn de spreeuwen, zanglijsters, spitsmuizen, enz. In de natuur heeft nu eenmaal alles zijn maat en doel.

Als het uiteindelijk voor een dier dat zo naakt rondkruipen moet als een slak te koud wordt, dan zoekt zij een schuilplaats op waar zij kan overwinteren. Dan trekt de slak zich diep in zijn huisje terug en slaapt. Van te voren echter scheidt zij nog een keer kalk af, dit keer uiteraard voor de opening van het huis en maakt er een sterk dekseltje van. Er kunnen wel meerdere van die dekseltjes ontstaan, iedere keer als de slak zich terugtrekt. Zo overwintert de wijngaardslak in een aardholletje met een dekseltje naar boven. Alleen een heel klein ademgaatje wordt opengelaten.

Wanner het dan lente wordt en er geen gevaar meer bestaat dat het gaat vriezen, stoot de slak het dekseltje weg en komt zij weer uit het huisje tevoorschijn. De dekseltjes zie je overal liggen.
Wie ze opraapt kan onderzoeken hoe breekbaar ze zijn en welke mooie vorm ze hebben.

Zeven grote geheimen dus, die de wijngaardslak ons leert. Wat is het grootste? Geen of allemaal! Wie zou het kunnen zeggen, want iedere keer is dat het grootste, wat jij zo bewondert.

Schnecklein war ins Haus gegangen,
hatt’ es richtig angefangen;
denn da draufien allerorten
war es machtig kalt geworden.

Schnecklein macht’ den Deckel zu
und begann die Winterruh,
ließ die Stürme eisig blasen
und von Nord nach Süden rasen.

Schnecklein aber rührt sich nicht,
bis der Lenz die Scholle bricht.
Schon beim Morgensonnenblitzen
fängt das Schnecklein an zu schwitzen.

Komm heraus, du alte Schnecke,
warst schon lange im Verstecke,
reit auf deinem Schleimespfad
hin zu Nachbars Kopfsalat!

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1743

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vlinders in de klas

.

Vlinders fascineren de mensheid sinds eeuwen, zoals oude Egyptische voorstellingen bewijzen en nog steeds behoren ze bij onze leefwereld, vooral voor die van de kinderen en de jeugd. Op veel scholen en kleuterscholen worden er rupsen gevoerd, tot ze als vlinder tevoorschijn komen en vrijgelaten worden.

Je met iets vertrouwd maken, het veelsoortige ontdekken in wat je al kent, waarmee je vertrouwd bent steeds weer bewonderen, ook zoeken naar samenhangen: dat zijn een paar motieven die mij*, naast het zo diepzinnige beeld van de metamorfose van de ziel, gemotiveerd hebben, beginnend in mijn eerste klas, gedurende mijn klassenleraarschap de wereld van rupsen en vlinders te ontdekken. Het omgaan met de rupsen in een klas kun je met een paar eenvoudige maatregelen organiseren: de kinderen en ik nemen alleen de rupsen mee die op een plant zitten die ze eten – de waardplant – of de rupsen die ik intussen ken. Ik ben verantwoordelijk, dus ik moet beslissen, wat ik goed kan behartigen en zelf onderzoeken. Omdat je in het schoolleven van alledag de weekenden heb en in mei de vrije dagen, moet ik inschatten hoeveel werk er nog bijkomt en in noodgevallen alleen aankan, zodat de rupsen ook in deze tijd verzorgd worden.

Hoe kom je aan rupsen? Het mooiste is, als je ze vindt. Veel bekende en mooie vlinders komen op veel plaatsen naar de brandnetels, zoals

de kleine vos,

bron

de dagpauwoog,

bron

het landkaartje, 

bron

de gehakkelede aurelia

bron

 

de atalanta

bron

Nu moet je een blik ontwikkelen voor waar je ze kan vinden: jaargetijde, landschap. Dat kunnen de kinderen heel snel. Op wandelingen neem ik glazen potjes mee met een metalen schroefdeksel.
Als ‘stal’ gebruik ik grote inmaakpotten die ik met gaas afsluit. In de tussentijd hebben we in onze school de kweekkastjes van Ento-Meier aangeschaft. Op internet vind je bovendien nog van alles ter stimulering of eenvoudige bouwwijzen van kasten. In een vaas met een lange hals of een glas met schroefdeksel en gaatjes erin kun je het voedsel rechtop zetten, zodat de rups niet in het water valt en verdrinkt. Je moet het rupsenverblijf schoonhouden en de bewoners hebben telkens vers voedsel nodig. Als de rupsen zich verpopt hebben, kan je het voedsel weghalen en het verblijf schoonmaken. Sommige jaren heb ik de poppen eruit genomen en in de klas opgehangen.

Het verpoppen en uitkomen is zo mooi en indrukwekkend, dat ik daarover niets wil schrijven. Veel mooier is het dat deze of gene zelf eerbiedig naar de vlinders kijkt om het kleine wonder zelf mee te beleven.

In mijn klas kwamen tot nog toe dagpauwogen, nachtpauwogen, kleine vossen, uiltjes, spinners, bonte beren, atalanta’s, motten,  landkaartjes, distelvlinders, aurelia’s en koninginnepages. Vaak hebben we poppen op school en thuis laten overwinteren. Dat zijn allemaal vlinders die nog niet ernstig bedreigd zijn. Dat de mens deze dieren beschermen kan, kan voor kinderen een grondhouding zijn voor een verantwoordelijk begrip voor het milieu en dat is tegenwoordig voor de vlinders wel op zijn plaats. Natuurlijk moet dat niet in de plaats komen van natuurbescherming en het in je eigen tuin zetten van voedsel- en nectarplanten.

Wat bij de ervaringen in de klas  ook steeds weer hoort is, dat rupsen of poppen aangetast kunnen zijn door parasieten. In de onderbouw kan je deze ervaringen goed begeleiden met zinvolle verhaaltjes of gesprekjes. Je moet jezelf ook voor ogen houden dat in een ecologisch evenwicht in de natuur er van de 100 eieren uiteindelijk maar een stuk of twee de metamorfose tot vlinder doormaken. In een ongerept leefmilieu dient dit het behoud van de eigen soort en in het licht van het ecologisch evenwicht ook het in stand houden van andere soorten. 

In de klas zijn de rupsen en hun vormverandering een groot, rustig verlopend avontuur: het zoeken en vinden, het dagelijkse verzorgen – en je moet niet onderschatten hoe alleen al het eten, rusten, groeien en verpoppen van de rupsen de kinderen dag voor dag boeit en dat het indruk maakt – de gesprekjes, het wachten, het waarnemen van elke kleine verandering en ieder teken dat op het uitkomen wijst, de schoonheid van de jonge vlinder die de kinderen, wanneer het zo ver is, voorzichtig in het licht houden en laten vliegen.

In de klas komen langzaam na elkaar de vlinders die overwinterden, zoals de landkaartjes, de dagpauwogen en op een morgen ook een koninginnepage tevoorschijn. Iedere keer als ze uitkomen wordt dat door de kinderen als een nieuw wonder beleefd en is aanleiding om aan het eind van de morgen naar buiten te gaan: wij brengen de vlinders voorzichtig naar de nabij gelegen natuur waar ze de nectarplanten en de waardplanten voor de rupsen kunnen vinden.

De koninginnepage laten we los in de schooltuin, waar we haar vorige zomer vonden. Zoals de mooie grote vlinder in de zon haar vleugels uitspreidt en uiteindelijk wegvliegt, zal ons allen nog lang heugen!

.
*Simona Grünhage, Erziehungskunst, juli/aug. 2018

.

Grohmann: vlinder en bloem

Vlinderstichting

.

1722

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (7) – over de dromedaris

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 52                                                                                                     hoofdstuk 7

Het Duits is enigszins verwarrend. De kameel met twee bulten heet ‘Trampeltier’. ‘Kamel’ is in het Duits de kameel met één bult, die wij dromedaris noemen, een woord dat ook in het Duits bestaat als ‘Dromedar’. Grohmann gebuikt hier steeds ‘Kamel’ als het over de dromedaris gaat. Vandaar de eerste zin: ‘Die Kamele, auch Dromedare genannt’.

Het kamelengeslacht waartoe ook de dromedarissen behoren, vertoont veel verwantschap met de herkauwers, want beide diersoorten behoren tot de herkauwers. Wat is erger, iemand een rund noemen of als os bestempelen of hem voor kameel uit te schelden? [Kamel = ‘ezel, domkop’] Wie zou deze vraag makkelijk kunnen beantwoorden? Maar wacht maar eens af wat de bioloog daarover te zeggen heeft. Misschien kan hij ons het juiste antwoord geven. Zo gaat dat, wanneer de mens op de een of andere manier iets van het dier overneemt. Meteen houdt hij dan een beetje op mens te zijn.
Maar aan de andere kant, wie heeft nu eigenlijk het recht een dier minder te achten, omdat het maar een dier is? Zeker geen mens, want dieren worden toch juist zo volmaakt in hun soort, ook zo nuttig of dienstbaar omdat ze iets bepaalds volmaakt ontwikkeld hebben of goed kunnen, veel beter dan de mens het ooit zou kunnen. Moeten we daarom dan minder van hen houden?
De koe kan buitengewoon goed het groenvoer verteren om daaruit uiteindelijk melk te laten ontstaan. In haar verschillende magen zondert ze het voedsel af en verandert het. Iedereen weet toch wat voor ingewikkelde buik ze heeft. Die is veel volmaakter en zit gecompliceerder in elkaar dan de onze. In haar kop is ze daarom oliedom. Maar wat maakt dat uit als ze daarvoor in de plaats in haar buik zo kunstig gebouwd is. Daar is ze bijna de hele dag bezig. Acht uur alleen al moet ze per dag grazen. Dan gaat ze liggen om te herkauwen, want dat is haar belangrijkste taak. Nee, deze goede runderen zijn echt ijverig en ze worden bij hun werk dan ook niet graag gestoord.

Aan de dromedaris zie je al uit de verte dat hij hoewel hij ook een herkauwer is, niet zo’n grote buik heeft. Hij heeft ook één maag minder dan andere herkauwers. want hij heeft geen boekmaag. Daarvoor in de plaats zitten de goede eigenschappen in de lange en sterke poten. Hij kan vracht dragen en je kan zelfs op zijn rug rijden. Het is echt een origineel dier, deze dromedaris, ondanks veel echt wel slechte eigenschappen, maar daarover hebben we het niet.
De gezichtsuitdrukking van de dromedaris lijkt onbewogen, zelfs een beetje onnozel waaraan in het bijzonder ook de overhangende bovenlip bijdraagt. Die is gespleten. De oogpupil is een langwerpige, scheefstaande spleet. Aanhankelijkheid aan de mens, ook aan die hem verzorgt en beschermt, kent de dromedaris niet. Hij is gedienstig als hij daartoe wordt gedwongen en stribbelt tegen, als het maar eventjes kan.

Het is beter om maar eerst de slechte eigenschappen van het dier te noemen, zodat later de goede des te meer opvallen.
Laten we eens luisteren naar hoe de beroemde bioloog Brehm zijn slechte ervaringen met dromedarissen samenvat:
‘De enige eigenschap waar de dromedaris groot mee is, is zijn vreetlust; al het andere valt daarbij in het niet. Hij heeft buitengewoon weinig verstand. Onaangedaan vertoont hij geen liefde en geen haat, het is hem wat alles betreft om het even, behalve zijn voer en de jongen. Prikkelbaar wordt hij, zo gauw hij zich moet inspannen; als z’n boosheid niets helpt, schikt hij zich weer onverschillig in wat hij doen moet, zoals in al het andere. Als hij kwaad is, wordt hij boosaardig en gevaarlijk. Echt afschuwelijk is zijn grenzeloze angst. Het gebrul van een leeuw laat meteen de karavaan uiteenvallen; iedere dromedaris werpt ogenblikkelijk z’n vracht af en gaat ervan door.  Van het huilen van een hyena wordt hij buitengewoon onrusitg; een aap, een hond, een schildpad, voor hem zijn het verschrikkelijke schepsels. Ik ken geen ander dier waarmee het op een vriendelijke manier omgaat. Met de ezel lukt dat nog wel; het paard ziet hij als het meest afschuwelijke dier. Van zijn kant lijkt de dromedaris de andere schepsels met dezelfde wrevel aan te kijken, als waarmee hij naar de mens kijkt.
De dromedaris komt wat edelmoedigheid betreft achter aan de rij van alle huisdieren. Hij heeft echt geen enkele grote karaktereigenschap; hij verstaat de kunst om de mens razend te maken. En daarom heeft ook de benaming [Duits Kamel, kameel] een diepere betekenis, want wanneer je een mens die naam geeft die alle eigenschappen van een os, ezel, schaap en muildier in zich verenigt, kun je geen beter voorbeeld kiezen.’
Na deze woorden van de natuuronderzoeker Brehm is het nu wel duidelijk of het erger is om iemand een os of een rund te noemen of een kameel.

Maar wanneer er nu zoveel slechte eigenschappen van de dromedaris te berde zijn gebracht, is het toch niet anders dan eerlijk en billijk om ook de vele eigenschappen naar behoren onder de aandacht te brengen die het dier tot een bijna niet te vervangen vriend en helper van de mens maken. Als je ooit van dieren kan zeggen dat ze met ‘huid en haar’ door hun vlees en vet, ook door de melk, talloze mensen het leven mogelijk maken, dan moet er toch in de allereerste plaats aan de dromedaris gedacht worden. Hij is lastdier en rijdier, geeft kleding en voedsel sinds oertijden, wat we bijv. uit de Bijbel weten. De melk kan door het hoge vetgehalte beslist niet worden gedronken. Zelfs de mest die in de morgen geproduceerd wordt, wordt meegenomen, want in de woestijn waar geen hout is, is het een kostbaarheid. Overdag droogt het in de hitte en ’s avonds doet het dienst als brandstof voor het vuur bij het kamp. Niets mag ongebruikt verloren gaan! Reusachtige stukken woestijn en steppenland maakt de dromedaris door zijn veelzijdige nuttigheid pas bewoonbaar. Hij maakt het leven mogelijk voor veel volksgemeenschappen. Toen het Suezkanaal er nog niet was, trokken grote karavanen van Suez naar Port Said door de woestijn.
Ten zuiden van de 12e breedtegraad kan de dromedaris niet meer leven, daar ook niet in woestijnen of op de steppen. Van Noordwest-Indië naar Klein-Azië, in Palestina en het land van de Nijl, uiteindelijk in heel Noord-Afrika wordt hij als onmisbare helper gefokt. Hij is naar Australië en Amerika gehaald. Vooral in vochtig-hete klimaten kan hij in zijn thuisland niet en ook niet ergens anders bestaan.
Laten we nu eens naar zijn eten kijken.
Ondanks de vreetzucht die we al genoemd hebben, is er aan de andere kant geen dier dat met weinig zo tevreden is als de dromedaris, vooral wanneer er simpelweg geen voedsel is. Als het avond is geworden en de drijvers de dieren van hun last bevrijd hebben, beginnen de dromedarissen zelf naar voedsel te zoeken. Van hun drijvers kunnen ze op lange woestijnreizen niet meer dan een paar handen gierst of gerst krijgen. De drijver houdt dit karige voer voor hen in zijn omslagdoek bij zich. Wat de dromedaris nog vindt is dor en droog, hard en doornig. Maar daar geeft hij niets om. Hij vermaalt alles met zijn sterke tanden en omdat de lippen en de bek verhoornd zijn, voelt hij er ook niets van. De strohutten van de woestijnbewoners die met bladeren gedekt zijn, moeten met een muur beschermd worden, anders vreten de dromedarissen ze tot aan de grond toe op. Bijzonder graag halen ze ook de bladeren van de bomen naar beneden. Dierenonderzoeker Brehm vertelt dat hij op zijn reizen steeds weer op scherpe doorns trapte die door de zolen van zijn laarzen drongen of door de leren neuzen van zijn schoenen; maar dat de dromedaris dat soort doornen met graagte opvrat. Met een dergelijk karig voedsel kan een dromedaris zeker geen vet produceren.
Nu heeft de dromedaris boven op zijn rug iets heel wonderlijks meegekregen dat hem helpt wanneer hij door gebrek in nood raakt: zijn bult. Die is in betere tijden  door eten ontstaan, want het is niets anders dan een vetbuikje dat hij op zijn rug draagt. Er zitten geen beenderen in en daarom kunnen ze dikker worden en weer dunner al naar gelang het goede of slechte dagen zijn. Wie zijn vetbuik op zijn rug draagt, wordt bij het lopen niet gehinderd. Als een bult goed vol zit, kan die wel 15 kg wegen, maar wanneer die opgebruikt is, weegt die nog maar 2 kg en je ziet hem haast niet meer. Wat een geluk voor iemand die zo lang een voorraad voedsel heeft!
Ook wat drinken betreft zijn de dromedarissen onderweg met weinig tevreden. Als ze veel verse bladeren vinden, kunnen ze ook wel helemaal zonder water, maar anders zakken ze in elkaar wanneer ze geen drinken krijgen. Met hun bijzonder verfijnde speurzin nemen ze een bron al op grote afstand waar. Ze weten ook de plaastsen nog waar ze vroeger weleens hebben gedronken, strekken de halzen, rennen erop los en laten zich niet tegenhouden tot ze bij hun doel zijn. Dan slurpen ze begerig en heel lang en het hele lijf schijn het water op te zuigen, maar dat de dromedaris speciale waterzakken in zich heeft die het voor droge tijden kan vullen, is echt een voorstelling waarom hij die het weet, moet glimlachen.
Alle streken op aarde hebben dieren als helper en elk doet dat op zijn manier. In het hoge noorden is het dat half in het wild levende rendier, ook een herkauwer, in de Afrikaanse woestijn is het de dromedaris. De loggere kameel met zijn twee bulten die in Azië tot ver in het noorden voorkomt en daar eveneens als lastdier, vlees- en melkdier gefokt wordt, noemen we hier terloops. De lama die heel verwant is aan de dromedaris, dient in het hooggebergte van Zuid-Amerika als lastdier. Door zijn andere lichaamsbouw is hij juist voor het gebergte bijzonder geschikt. 

De dromedaris daarentegen is alleen geschikt voor vlak land of een beetje bergachtig. Daarin ligt zijn eenzijdigheid, maar ook zijn kracht. Juist voor deze leefruimte vind je geen geschikter dier. De hoge poten beweegt hij in telgang, dat betekent dat er twee poten aan dezelfde kant tegelijk naar voren worden gezet. Daar komt de wat schommelende gang vandaan, het schommelen van het schip van de woestijn. Maar wanneer hij steil van de berg naar beneden moet, wordt hij onzeker. Zijn eigen lichaam met de lange poten moet hij wel als een last ervaren die hem steeds opzij trekt. Nee, van iemand die zo is als de dromedaris kan je niet verlangen dat die steil naar beneden van een berg afdaalt!

Het is vanzelfsprekend dat er van een dier dat al duizenden jaren onder de menselijke zorg leeft – wilde dromedarissen zijn er niet meer – wel net zoveel rassen moeten zijn dan bij paarden en runderen. Zware, logge kamelen die vooral gebruikt worden voor het dragen van vracht, vind je bijv. in Egypte. Ook in de vruchtbare gebieden van Noord-Afrika worden zulke kamelen gehouden. Men gebruikt ze niet om op te rijden. Daarvoor zijn toch de in de hoogte gegroeide slanke dromedarissen met de hoge poten die de berijder in snelle loop door de woestijn dragen, zodat geen paard volgen kan, een trots geslacht! De woestijnrijders kunnen daarom alleen maar geringschattend naar de zwaar uitgevallen vrachtkamelen kijken. Ook bij dromedarissen spreekt men van edele en onedele soorten. Beroemd geworden is de rit op de dromedaris van de profeet Mohammed die haastig vluchtend op een ‘hedjin’, een rijkameel of pelgrimskameel genoemd in twaalf uur de afstand van Kairo naar Alexandrië aflegde.

Wat gebeurt er allemaal tot de karavaan eindelijk klaar is, de dromedarissen gevangen en bepakt? Laten we het Brehm, de ervaren woestijnreiziger, laten vertellen:
‘De dromedarissen die de vracht verder moeten brengen, zijn pas gisteren aangekomen en vreten met het onschuldigste gezicht de muur van een strohut op, waarvan de eigenaar even afwezig is en die nagelaten heeft zijn huis met doornstruiken te beschermen. Een paar dromedarissen ondersteunen het geschreeuw van de drijver met dat van henzelf in afwachting van wat er gaat komen; bij de andere, die nog niet meebrullen, betekent dat zoveel als: ‘Onze tijd is nog niet aangebroken, maar die komt wel. Ja, die komt! De zon geeft de tijd aan voor het namiddaggebed, de tijd van elk begin volgens Arabische begrippen.  De gebruinde mannen stormen naar alle kanten om hun aan de huizen vretende of ergens anders onheil aanrichtende dromedarissen te vangen; gauw daarna zie je ze met hen tgerugkomen. Iedere dromedaris wordt tussen de klaarstaande goederen van zijn lading geleid en met een onbeschrijfelijk gorgelend geluid gevraagd of door een paar zweepslagen die de vraag ondersteund, te gaan liggen. Met uiterste tegenzin gehoorzaamt het schepsel dat wel een vermoeden heeft dat er een aantal zware dagen in schrille kleuren aankomen. Eerst brult hij met gebruikmaking van zijn longen op een manier die door merg en been gaat en weigert duidelijk hoorbaar en vastbesloten zijn nek uit te steken voor de vracht. Hij schikt zich in het onvermijdeliljke, maar niet met berusting en overgave, maar met alle tekens van een gemoed dat in hoge mate is verstoord, met het draaien van zijn ogen, het laten zien van zijn tanden, met stoten, slaan, bijten, kortom met ongekende grimmigheid. Eindelijk schijnen de longen leeg te zijn. Maar nee: er worden andere stemmen opgezet en in een afgrijselijke volgorde iets klagelijkere tonen aangeheven.’

Zo schetst Brehm het. Ja, ze zouden het weleens kunnen voorvoelen, deze dieren, dat hun nood en ontbering wacht. Op veel plaatsen ken je de karavaanroute aan de geraamten van dromedarissen die aan hun einde zijn gekomen. Dieren die in elkaar gezakt zijn, kun je niet anders dan simpelweg laten liggen. Dan komen uit duizelingwekkende hoogte, waar je ze nauwelijks nog als een puntje kan zien, de grote aasgieren naar beneden. Ze hebben de woestijn afgezocht naar buit en de dode dromedaris ontdekt. Met hun vreselijke snavels scheuren ze wat eetbaar is van het karkas af, steken hun kop met de kale hals in de holte van de ingewanden en verslinden gretig wat daar is te vinden. Scharen andere aasvogels komen erbij, vechten, tot er nog alleen maar een skelet op de grond ligt dat in de zon verbleekt. Zo neemt het leven van de woestijn het dode lichaam van de dromedaris weer in zich op.
Alsof de woestijnbodem hen heeft gemaakt als een deel van zichzelf, zo zijn de poten van dromedaris. Ze lopen maar op twee tenen, net zoals de andere tweehoevige zoogdieren, runderen, herten en ook giraffen. Ze staan allemaal maar alleen op de derde en vierde teen van de voet. De andere tenen zijn verkommerd. De teennagels zijn bij de dromedarissen tamelijk klein, veel kleiner dan bij andere tweehoevigen, maar de dromedarisvoet is met een eeltkussen gepolsterd. Dan kan hij niet wegzakken in het zand. Die merkwaardige zolen hebben hem de naam eeltpotige gegeven.
Men zegt wel na vele ervaringen, dat de dromedarissen bang zijn. Ze worden ook onrustig als ze een woestijnstorm aan voelen komen, een zandstorm, de samum.  Al lang voor die aankomt, hebben ze die met hun fijne zintuigen waargenomen. Dan beginnen ze steeds sneller te lopen om hem nog voor te blijven. Maar tenslotte gaan ze liggen, met de rug in de windrichting en leggen ook hun gestrekte hals in het zand. Zo houden ze het uit, tot die alles doordringende gloeiende hitte weer voorbij is. Ze lijden zeker niet minder dan de mens die onder de vracht beschutting heeft gezocht. De zon is door de dikke wolken verduisterd en nog voor ze weer zichtbaar wordt, zijn sommige dromedarissen aan de droogte en de gloeiende hitte bezweken. Met de tong uit de bek blijven zij op de route liggen.
Wanneer de dromedaris gaat rusten, bijv. ’s avonds, wanneer hij gaat herkauwen, komen de eeltkussens hem goed van pas. Hij ligt erop als op een ondergrond die het zelf meegebracht heeft, omdat ze aan hem vastgegroeid zijn. Die kussens worden gevormnd wanneer de dromedaris groter wordt, op z’n borst, op zijn ellebogen, op zijn zoolgewrichten, op de knieën en de hielen, overal dus, waar het liggend met de bodem in aanraking komt. Je kan wel bewondering hebben voor de wonderlijke samenhang van dit dier met het landschap waarin het leeft. Ja, tot in zijn lichaamsbouw is de dromedaris zelf een stukje woestijn geworden.
Tot slot moet er ook nog iets worden gezegd over de jonge dromedarissen. Iedere dromedarismoeder of  -merrie brengt er jaarlijks maar één ter wereld. Hij is meteen beweeglijk en speelt vrolijk met de andere. De kalfjes hebben een mooie, wollige huid. Ook wanneer ze niet meer door hun moeder gezoogd worden, mogen ze nog jarenlang vrij rondspringen. Dan lopen ze hun moeder achterna en zo raken ze aan het lange reizen gewend. Na ongeveer drie jaar moeten ze dan leren zalf lasten te dragen of de ruiter op hun rug te verdragen. Dat is natuurlijk zoals bij alle last- en rijdieren een zwaar werk waarbij het niet zonder slaag toegaat. Maar de moeite wordt beloond, want een edele berijdbare dromedaris is net zoals een edel paard, de trots van zijn berijder.

.

dromedaris

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1582

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (3-1/2)

,

DE SEPIA

De sepia is een weekdier dat verwant is met de octopus en de pijlinktvis. Hij heeft een ovaal lichaam waarvan de randen twee dunne smalle vinnen vormen. De betrekkelijk kleine kop draagt acht armen. Bovendien heeft hij nog twee lange tentakels, die in rust teruggetrokken zijn in een holte naast ieder oog. De armen liggen dan tegen elkaar aan, zodat zij een kegel vormen, waarvan de punt naar voren wijst. De armen zijn geheel bedekt met zuignappen op de knotsvormige uiteinden van de tentakels. Iedere zuignap zit op een kort gespierd steeltje en hun rand wordt verstevigd door een hoornig ringetje dat eveneens een gekartelde rand heeft. De schelp is inwendig. Hij is bijna even lang als het lichaam, ovaal met een hoornige rand en het midden bestaat uit kalk, waarin zich holten bevinden die met gas gevuld zijn (‘zeeschuim’).
De gewone sepia, de bekendste van de 80 soorten, werd voor het eerst nauwkeurig beschreven door Aristoteles, meer dan 2000 jaar geleden.
Hij komt voor in het oostelijk deel van de Atlantische Oceaan, van de Noordzee tot de Middellandse Zee. Zijn totale lengte is maximaal 1 m, het lichaam is dan niet meer dan ca. 40 cm. De kleinste sepia is in totaal 4 cm en de grootste 1.50m.

weekdier met straalaandrijving

Sepia’s kunnen verschillende kleuren aannemen, waarin hij elk ander dier de baas is. Een sepia die over een rots zwemt die bedekt is met wier en vastzittende dieren van verschillende kleuren, kan van grijs in roodbruin veranderen, dan weer in lichtbruin of groenachtig, al naar gelang de kleurpatronen waar hij overheen zwemt. Zijn eigenlijke kleur is vuil-grijs, maar in de huid liggen blaasjes gevuld met pigment, bekend als chromatoforen. Deze blaasjes zijn zeer elastisch en kunnen met behulp van spiervezels worden samengetrokken of uitgespreid. Het pigment is in hoofdzaak geel, oranje, bruin, rood en zwart waardoor een heel scala van kleuren gevormd kan worden. Kleurveranderingen ontstaan in minder dan een seconde, in een oogwenk kan een sepia veranderen van dodelijk bleek in pikzwart.
Sepia’s zwemmen in scholen. Zij zwemmen tegelijk en veranderen ook tegelijk van kleur, de prikkel voor de kleurveranderingen ontvangen zij door de ogen. Sepia’s bewegen zich langzamer dan de octopussen, maar zij blijven meer in beweging. Door hun inwendige schelp hebben zij een zeker drijfvermogen. Zij zwemmen door golvende bewegingen van de vinnen aan de zijkanten, terwijl zij de trechter aan de onderkant van hun lichaam gebruiken, wanneer zij meer snelheid moeten ontwikkelen. De trechter kan met kracht een straal water uitstoten, waardoor het dier naar achteren gaat door een soort straalaandrijving. De trechter kan naar iedere richting wijzen en het dier gaat dus in een richting tegenovergesteld aan die waarin het water gespoten wordt. Hij kan de trechteer ook gebruiken om op dezelfde plaats te blijven. Een sepia die zo te zien stilstaat vlak onder de oppervlakte van het water, ziet men zijn trechter voortdurend heen en weer draaien, eerst de ene kant op, dan de andere, waarbij hij iedere keer een beetje water uitstoot. Samen met de golvende vinnen blijft de sepia hierdoor min of meer op dezelfde plaats. Het dier kan ook om zijn eigen as draaien door de vin aan de ene kant naar voren te laten golven en de vin aan de andere kant in tegenovergestelde richting, waarbij hij tegelijkerijd zijn trechter gebruikt om zichzelf rond te draaien. De trechter wordt gebruikt om blauw-zwarte ‘inkt’ uit te stoten. Sepia’s kunnen hun voorraad hiervan zo snel aanvullen dat zij in een paar minuten door herhaald spuiten 20 m3 water gekleurd hebben. Zelfs kleine sepia’s, net uit het ei, stoten inkt uit wanneer zij geprikkeld worden.

jagen met tentakels

Sepia’s voeden zich overdag met garnalen, steurkrabben, krabben en vissen. De prooi wordt beslopen en wanneer hij dicht genoeg genaderd is, worden de twee tentakels bliksemsnel uitgestoken en gebruikt als een paar levende tongen, om het voedsel naar de mond te brengen. Deze is gewapend met een hoornige snavel en een raspachtige tong of radula. Een krab wordt heel voorzichtig van achteren gegrepen en wanneer hij zijn scharen nog kan gebruiken, laat de sepia hem vallen.
Ook grote dode vissen worden gegeten. De sepia scheurt ze open met zijn snavwel voordat hij zijn tentakels erin stopt om er stukken vlees af te halen. Het duurt twaalf uur voordat deze verteerd zijn.
Garnalen worden door de sepia opgejaagd doordat hij het zand opdwarrelt met waterstralen van zijn trechter. Wanneer de garnalen te voorschijn komen, worden ze door de tentakels gegrepen.
Zijn voornaamste vijanden zijn: haaien, dolfijnen en bruinvissen. Een sepia kan een verloren arm weer laten aangroeien, maar het is heel gewoon dat hele scholen de zee bevolken of op het strand worden geworpen die allemaal ernstig verminkt zijn. Het is niet bekend waardoor dit veroorzaakt wordt.

hofmakerij vol kleur

De voortplanting heeft plaats in het voorjaar en in de zomer. Dan trekt de sepia zijn bruiloftskleed aan, een soort zebrapatroon dat bij de mannetjes duidelijker van tekening is dan bij de vrouwtjes. Nu verandert een van de armen aan de linkerzijde van het mannetje. Sommige van de zuignappen aan de basis verdwijnen en worden dan gebruikt om sperma naar het wijfje over te brengen. men zegt dat de wijfjes licht geven tijdens de broedtijd. De eieren worden een voor een gelegd. Zij komen door de trechter naar buiten, worden daar bevrucht en omgeven door een rubberachtige stof die gekleurd is met een straaltje inkt. Ieder kapsel dat gevormd wordt doordat de stof hard wordt, draagt een lange steel. De steeltjes van de eieren worden door de wijfjes samengevlochten op een vaste ondergrond of zij maakt de steeltjes van een reeks eieren aan elkaar vast, zodat het een bundeltje kapseltjes wordt. Deze gaan vaak drijven en men ziet ze dan als ze op het strand geworpen zijn als een trosje druiven. ieder wijfje legt niet meer dan 300 eieren in groepjes van 20-30. Wanneer de jonge sepia uit het ei komt, is hij ruim 1 cm lang en lijkt op zijn ouders, alleen heeft hij een grotere kop.

In de liefde en bij het vissen is alles geoorloofd

Drie duizend jaar geleden werden sepia’s in de Middellandse Zee gevangen met dans- en fakkellicht. Dat gebeurt nu nog. Drie duizend jaar geleden lokte men de vrouwelijke sepia’s om hun eieren te leggen op planken die men even buiten de kust in het water gelegd had. Bijna dezelfde methode wordt nu nog gebruikt. De mannetjes volgen de eierleggende wijfjes en wanneer de eieren gelegd zijn, grijpen de vissers hen.
Dit lijkt oneerlijk, maar het kan nog anders. Een van de methoden die bestaat om sepia’s te vangen voor de consumptie, bestaat hierin dat men een haak door de huid van het wijfje steekt en haar dan door het water sleept, zodat zij ongeveer 2 m onder de oppervlakte drijft. De mannetjes komen de een na de ander naar haar toe gezwommen. Nauwelijks hebben zij elkaar omhelsd of zij worden beide met een net uit het water gehaald. Hij wordt losgemaakt en bewaard, zij wordt weer teruggedaan in het water om een volgende minnaar te verleiden en naar zijn ondergang te voeren.

.

dierkundealle artikelen

4e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld – 4e klasinktvis

.

1561

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Louis Bolk

.

louis bolk 1866-1930

De vader van de foetalisatietheorie

‘De mens staat niet aan het eind, maar aan het begin van de evolutiereeks.’
Een revolutionaire uitspraak van de anatoom Louis Bolk, die zo contrasteerde met de ideeën over evolutie, dat hij toen, en ook nu nog, op weinig waardering kon rekenen.
Een miskend genie? De antroposofische arts Leen Mees meent van wel en zet in deze schets uiteen waarom.

olieverfschilderij van Lizzy Ansingh 1921

 

Prof. Dr. Louis Bolk is in de wetenschap weliswaar geen onbekende, doch in het algemeen wat men zou kunnen noemen een omstreden figuur. Men heeft zijn retardatietheorie, ook foetalisatietheorie genoemd, in het begin van deze eeuw met zeer gemengde gevoelens opgenomen. Mij persoonlijk is het overkomen dat ik er nooit een warm woord van waardering over heb horen uitspreken.

Welwillendheid, dat was de grens tot welke men wilde gaan.

Het contrast met de officiële opvattingen over evolutie was dermate groot, dat dit niet dieper ingaan op Bolks voorstellingen begrijpelijk is. Wie met de antroposofische belichting van het evolutievraagstuk bekend is, kan echter niet anders dan met diep respect kijken naar een figuur die, zonder ooit iets van antroposofie gehoord of gelezen te hebben, tot een inzicht kwam dat zich ongedwongen met resultaten van de geesteswetenschap laat verbinden.

In verschillende uitspraken van vooraanstaande antroposofische vrienden – het dunkt mij niet nodig deze persoonlijk te vermelden, hoewel ze schriftelijk vastliggen – bespeurt men een zeker gebrek aan waardering. Een van de opmerkingen was, dat voor Bolk de mens slechts een geslachtsrijp geworden apenfoetus zou zijn. Een andere is, dat hij gemeend zou hebben dat de menswording slechts het gevolg is van diepgaande storingen van de productie van hormonen en hun samenwerking. Er wordt letterlijk gezegd dat Bolk de mens beschouwde als een ‘hormonale misvorming’, dat wil zeggen het zwaar beschadigde toevalsproduct van een ongelukkig verlopen zijnde mutatie.
Ik kan zulke uitspraken slechts bedroevend, de laatste zelfs schandelijk noemen. Beide opmerkingen zijn het gevolg van het feit dat men op een gegeven ogenblik een mededeling van Bolk zo uit z’n verband gerukt heeft en het voor een eigen belichting misbruikte. Het duidelijkst komt dit wel naar voren in de opmerking dat voor Bolk de mens een toevalsproduct zou zijn. Wie de inhoud van het volgende leest, zal merken hoe Bolk juist op dit punt zijn tijd ver vooruit was.

Voor mij is Bolk een in hoge mate miskende figuur, ik durf zelfs te zeggen: een miskend genie. Waar ik hem verscheidene jaren heb mogen meemaken, berust een en ander op persoonlijke indrukken. Ik was bijzonder gelukkig toen ik vernam dat het Bolk Instituut zijn naam met zijn activiteiten verbonden heeft. Voorzover het mogelijk is in kort bestek iets van de fenomenologische benaderingswijze uit Bolks werk te geven, zal ik dat in deze schets trachten te doen. Het is mede als een verduidelijking bedoeld van de impuls die Bolk aan de evolutieleer hoopte te geven.

Vrees en verering

Een stampvolle collegezaal. Doodse stilte, je kunt een speld horen vallen. Dan gaat de deur open, de amanuensis laat Bolk binnen. Hij is moeilijk ter been, loopt met twee stokken. Toch gaat er een grote waardigheid van hem uit. ‘Dames en Heren’, – de wijze waarop Bolk deze woorden voor ieder college uitsprak zal ik nooit vergeten. Rustig, zonder emotie. Toch leefde er in die zachte stem een soort geladenheid, die het kenmerk is voor elke spreker die zich bewust is van de autoriteit die men hem toekent.

Hij was uiterst correct in zijn optreden en eiste dat ook van anderen. Te laat komen op college betekende dat je riskeerde weggestuurd te worden. Ook wanneer je onder de voordracht met anderen zat te praten. Een student kwam op examen op blote voeten in sandalen. ‘Mijnheer, gaat u eerst naar huis zich fatsoenlijk aankleden.’ (Feitelijk hoorde je in die dagen nog in jacquet examen te doen!)

Ook op het taalgebruik lette hij. Toen ik zei dat ik mijn trein nog moest halen, vroeg hij een beetje smalend: ‘O, is dat uw trein?’. Het was echter kenmerkend dat er in die tijd nog haast geen kritiek in ons op kwam. Naast een zekere vrees leefde er ook een grote mate van verering in ons.

Hij was hoogleraar in de anatomie. In de Winkler Prins vindt men de opmerking: ‘Bolk is de grondvester van de nieuwere Hollandse ontleedkundige school, zodat zowel in Nederlands-Indië als hier te lande, alle leerstoelen in de ontleedkunde werden bezet door zijn leerlingen. Grote bekendheid verkreeg hij door zijn werken over de segmentale anatomie, over de kleine hersenen en op het laatst van zijn leven door zijn foetalisatietheorie. Ook zijn antropologische onderzoekingen verdienen genoemd te worden’.

Wat wij vóór alles moesten kennen waren de beenderen, de spieren en het zenuwstelsel. Het skelet moest van te voren bestudeerd worden, elke student moest een tentamen osteologie (‘botjes’) afleggen, bij Bolk zelf. Hij eiste veel, nam bijvoorbeeld een pijpbeen, stak het in z’n mouw en aan het uiteinde moest je herkennen en weten wat het was, wat vóór of achter was en of het een linker of een rechter was. Hij was beslist niet iemand die bovenmatig veel kennis vroeg. Wat hij eiste waren korte, duidelijke formuleringen.

Hij had zo zijn speciale definities en indelingen.
‘Wat is een spier?’ ‘Een spier is een contractiel orgaan.’
‘Wat is een gewricht?’ Een gewricht is een verbinding tussen twee
skeletstukken.’
Daarbij werden we voor het eerst geconfronteerd met het feit dat ook bijvoorbeeld bij de later totale vergroeiing van de zogenaamde voorhoofdsbeenderen tot één geheel, toch van een gewricht gesproken mag worden.
‘Wat voor soorten beenderen onderscheiden we?’ ‘Lange pijpbeenderen, korte pijpbeenderen, platte beenderen en onregelmatige beenderen.’

Het deed iedereen goed tegelijkertijd exact en beeldkrachtig te leren denken. Reeds in deze wijze van weergeven lag een eigenschap besloten, die in Bolks werk zo duidelijk naar voren springt: het overzien van de feiten. Niet met je neus te dicht erop zitten, je niet in details verliezen. Bolk was een wetenschappelijk onderzoeker van de grote lijn. We kunnen dit zo duidelijk aflezen aan zijn uitspraak:
‘Wij zijn gewoon het leven na te sporen door vergrootglazen en daardoor het anders onzichtbaar stoffelijke binnen onzen gezichtskring te brengen. Hoe geheel anders, hoe ruimer zeker zou onze opvatting van het leven zijn, indien het ons gegeven ware, dit eens te bestudeeren met verkleinglazen, waardoor wij het voor het ongewapende oog onoverzichtbare binnen onzen gezichtskring konden brengen, om dan in plaats van zooals thans de stoffelijke verbindingen, den samenhang der verschijnselen meer tot studiedoel te nemen.’

Twee jaar lang gaf hij een extra college over de zogenaamde retardatietheorie, door hem zelf ook foetalisatietheorie genoemd. Deze term was zeker gerechtvaardigd, doch zij heeft aanleiding gegeven tot veel misverstanden. Reeds jaren vóór Bolk in staat was zijn theorie aan de wereld voor te leggen, was hij getroffen door het feit dat de mens, die traditiegetrouw achter de dierenreeks geplaatst werd in de evolutie en uit het dierenrijk geëvolueerd gedacht werd, zo’n verschillend tempo in z’n ontwikkeling vertoont ten opzichte van de dieren.
Bolk zegt in ‘Het vraagstuk van het ontstaan van de mens’ hierover: ‘Er is geen zoogdier dat zich in een dusdanig langzaam tempo ontwikkelt als de mens; er is geen tweede, dat pas zoo lang na zijn geboorte volwassen wordt. Kunt u mij een ander zoogdier noemen dat, als het volwassen is, over zoo’n lange bloeitijd beschikt? Bovendien wordt deze langzaame ontplooiing ten slotte gevolgd door een phase van ouder worden, die zich zoo langzaam voltrekt als bij geen enkel zoogdier bekend is. Waar is het dier dat, nadat zijn voortplantingsfunctie afgelopen is, nog zoo lang lichamelijk gezond verder blijft leven?’

Hij kon deze fenomenen nog niet met andere ervaringen in samenhang zien; hij constateerde alleen maar een feit. Een andere zaak was, dat de gangbare evolutietheorieën hem beslist niet bevredigden. Integendeel, hij sprak openlijk uit dat hij het oneens was met de opvattingen van Lamarck en Darwin, ter verklaring van het ontstaan van de mens in de evolutie. Aanpassing aan de omgeving, teeltkeus, strijd om het bestaan, het waren voor Bolk eerder argumenten tegen dan vóór deze theorieën. Een paar citaten mogen dit verduidelijken.

Wanneer de gedachte ‘aanpassing aan de omgeving’ naar voren wordt gebracht, pleegt men deze ook met de overgang van dier naar mens in verband te brengen: de nog half-opgericht-lopende ‘mensaap’ richtte zich op en ontwikkelde daardoor zijn menselijke eigenschappen. Bolk denkt hier radicaal anders over. In ‘Het vraagstuk over het ontstaan van de mens’ zegt hij: ‘Naar mijn mening was het rechtop gaan loopen een aanpassing aan veranderingen die zich in verband met geheel andere oorzaken in de lichaamsvorm hadden voltrokken. Zij was een consequentie. Niet omdat het lichaam zich oprichtte werd de menschwording voorbereid, maar omdat de vorm menschelijk werd, richtte het lichaam zich op. ’

Ten opzichte van de strijd om het bestaan is hij minstens even radicaal (‘Hersenen en Cultuur’): ‘Eerst een algemene opmerking naar aanleiding van dit laatste. Wanneer ooit die harde strijd om het bestaan, die dan van meerdere zijden voor de ontwikkeling van de menschheid van zoo groote beteekenis geacht wordt, een rol zou gespeeld hebben in de ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid, de mensch zou dier gebleven zijn. Want nooit of te nimmer zou die strijd in den vorm waarin hij werkelijk in de natuur gestreden wordt, de menschheid tot moreel inzicht, tot zedelijk bewustzijn hebben kunnen voeren. Het wezen toch van den strijd om het bestaan, zooals deze in de natuur gestreden wordt, is een kamp tusschen macht en overmacht; in dien strijd is overmacht recht en zwakheid een misdaad. En is het niet juist een uiting van ’s menschen hooger, verhevener standpunt, wanneer hij de toepassing van dit laatste beginsel, wanneer het zich in ’t maatschappelijk leven nog eens voordoet, als ‘brutisme’ kenmerkt. Als grondslag voor de menschwording, als drijfkracht voor de hooger ontwikkeling der menschheid, heeft dan ook voor mij de strijd om het bestaan niet de minste betekenis’.

Ten slotte over de teeltkeus nog dit (eveneens uit ‘Hersenen en Cultuur’): ‘Blijft nu ter beantwoording nog over de vraag in hoeverre van de sexueele teeltkeus een dergelijke invloed kan zijn uitgegaan. En ook op deze vraag zullen wij een ontkennend antwoord moeten geven, er zijn meerdere gronden aan te voeren, die tegen deze oorzaak van de evolutie van den menschelijken geest pleiten. Reeds in ’t algemeen moet er op gewezen worden, dat, hoewel bepaalde eigenschappen van geest of karakter niet zelden van een der ouders op het kind overgedragen worden, werkelijke superioriteit van den geest niet erfelijk is. De brieven van geestelijken adeldom luiden persoonlijk ’.

Men voelt misschien al wel hoe door dit alles heen een rode draad loopt. Voor Bolk was de gedachte aan de werkelijkheid van een scheppend principe, dat wil zeggen de werkelijkheid van de geest, een vanzelfsprekendheid, al sprak hij dit (nog) niet direct zo uit.

Haeckel

Om het volgende in z’n volle omvang te waarderen, ik zou haast willen zeggen, in z’n dramatiek te ondergaan, moet nog even iets gezegd worden over het werk van een oudere tijdgenoot van Bolk, die een grote rol in de evolutieleer gespeeld heeft: Ernst Haeckel. Haeckel had zich de opgave gesteld sterkere argumenten te vinden voor de juistheid der stelling, volgens welke elke latere diersoort zich uit een voorafgaande vorm ontwikkeld zou hebben. Hij vond dit argument door het bestuderen van de embryonale ontwikkeling van verschillende dieren. Haeckel nam waar dat gedurende de ontwikkeling van eicel tot voldragen vorm van bijvoorbeeld een vogel, in het embryo een stadium doorlopen wordt met eigenaardige uitstulpingen aan de oorspronkelijke slokdarm, die later weer spoorloos verdwijnen. Hij kon hiervoor aanvankelijk geen verklaring vinden. Hij bracht dit echter met recht in verband met het feit dat ook bij de foetale ontwikkeling van de mens iets dergelijks optreedt. Ook de mens vertoont een tijdlang ‘kieuwspleten’.

Toen hij bij de reptielen hetzelfde constateerde en ten slotte ontdekte dat hetzelfde bij de vissen voorkwam, dat echter hier die genoemde uitstulpingen niet verdwenen doch tot de kieuwen werden, zag hij in een grootse visie datgene wat door hem samengevat werd als de zogenaamde biogenetische grondwet. Deze houdt in dat elke diersoort in haar ontwikkeling van eicel tot voldragen vorm in het kort de stadia doormaakt die zij in de evolutie tot dan toe doorlopen heeft. Het feit dat de reptielen, vogels en zoogdieren de genoemde uitstulpingen, die bij de vissen tot kieuwen worden, slechts voorbijgaand vertonen, betekende voor hem dat de latere dieren hun vroegere vissenstadium als het ware als een soort herinnering nog even snel doorlopen. In wetenschappelijke termen uitgedrukt luidt dit: elke ontogenie (ontwikkeling van het embryo) is een verkorte phylogenie (ontwikkeling van de soort). Men heeft later Haeckel veel bekritiseerd. Men heeft gezegd dat zijn waarnemingen niet exact waren, dat het wel ongeveer zo was, doch dat er te veel vragen over de details bleven. Wat men daarbij niet besefte, was dat ook een genie als Haeckel in grote lijnen denkt en weet dat de verklaringen van de details zich naar die grote lijn zullen moeten richten.

Ook Bolk voelde de juistheid van het principe van Haeckels grondwet, ondanks het feit dat hij tegelijkertijd steeds meer moeilijkheden zag bij het verklaren van de evolutie door het laten ontstaan van één diersoort uit de vorige. Hij zat in een impasse. Hij had het gevoel dat het feit dat de dierensoorten een duidelijke reeks vormen, dat de wet van Haeckel in wezen niet genegeerd kan worden, dat de mens zich zo geheel anders ontwikkelt dan alle dieren, dat al deze feiten een reeks aparte fenomenen betekenden, die ergens met elkaar samenhingen.

Bolk wachtte om zo te zeggen op een ervaring, die deze beduidende schakel zou kunnen zijn. Die schakel kwam, toen op zekere dag aan Bolk een chimpansee-foetus van ongeveer zeven maanden gestuurd werd. De moeder was door een ongeval om het leven gekomen. Wat Bolk zag, was een wezentje dat met een kaal lichaam en alleen haar op het hoofd, met een voorhoofd en een kin precies op een menselijke foetus leek. Hij zag in gedachten dit mensachtige diertje later uitgegroeid als chimpansee met z’n behaarde lijf, z’n hellende voorhoofd en z’n sterk naar voren dringende snoet en was diep getroffen door het intense verschil.

Zijn eerste verdere gedachte was: volgens de biogenetische grondwet zou de mens, die na de aap op aarde verschijnt, vóór zijn geboorte een apenstadium moeten doormaken. Hier zien we dat het omgekeerde het geval is! De aap maakt vóór z’n geboorte een mensenstadium door. Later verwijdert de aap zich snel van dit stadium. De mens ontwikkelt zich echter niet zo veel verder, hij blijft ten opzichte van de aap achter, hij is vertraagd in z’n ontwikkeling, geretardeerd. Vandaar de uitdrukking: retardatietheorie. De ontwikkeling van de aap is versneld, hij is propulsief. Hij snelt zo te zeggen naar de aarde toe.

Dit komt er echter op neer dat de mens weliswaar later op aarde verschijnt dan de aap, doch in wezen ouder is! De aap is een aftwijging van de zich langzamer ontwikkelende mens. Hij was eerst mensachtig en werd dier. Het was voor Bolk haast vanzelfsprekend dit onmiddellijk als een oerbeginsel te herkennen, dat aan het ontstaan van het hele dierenrijk ten grondslag ligt. Daarmee was hij echter genoodzaakt de hele evolutie in een totaal nieuw licht te gaan zien.

Hij moest tegen zich zelf zeggen: het is nu duidelijk dat de dierensoorten weliswaar een reeks vertonen, doch niet uit elkaar zijn ontstaan. Ze zijn achtereenvolgens afgetwijgd van een zich naast de dieren ontwikkelende vorm, die de latere mens zou worden. Dieren zijn gefixeerde stadia van de menselijke evolutie.

Revolutionaire gedachten

Het meest revolutionaire van deze gedachtegang is dat daarmee de mens als idee, als beginsel niet aan het eind doch aan het begin van de
dierenevolutiereeks geplaatst moet worden. In zijn eigen woorden zegt Bolk hierover (‘Hersenen en Cultuur’): ‘In zijn uiterste consequentie toegepast moet dit standpunt voeren tot de meening dat in het laagste, of laat ik het maar aanduiden als oer-organisme, reeds de noodzakelijkheid besloten lag der menschwording, die met even groote zekerheid in den loop der tijden daaruit volgen moest, als uit een bevruchte dierlijke eicel een volwassen dier als eindstadium van den ontwikkelingsgang ontstaat. Dat klinkt mystiek maar geeft mij zelve toch meer bevrediging dan de consequente toepassing van de selectie- of aanpassings-theorie, als eenig leidend beginsel der evolutie, waarbij ten slotte de menschwording een louter spel van het toeval geweest is’.

Evenzeer was Bolk zich ervan bewust dat hij daarmee iets in een wetenschappelijke beschouwing introduceert dat in de moderne wetenschap radicaal afgewezen wordt: de gedachte aan een richtinggevende kracht die in de evolutie impulserend gewerkt heeft. Hoezeer hij zich van dit revolutionaire standpunt bewust was, spreekt duidelijk uit zijn eigen woorden (‘Hersenen en Cultuur’):
‘Nu ben ik mij zeer wel bewust, dat ik met de boven getrokken conclusie op zeer glad en gevaarlijk terrein gekomen ben. Want ik stel mij toch bloot aan de opmerking, dat ik met de invoering van een inwendigen, in het organisme zelve gelegen ontwikkelingsfactor, die het voorkomen en de vormveranderingen der diervormen in den loop der tijden mede beheerscht zou hebben, de evolutiegang als iets a priori gedetermineerds, iets als van binnen uit gegeven zal moeten gaan beschouwen. Elke nieuwe vorm zou dan tot zekere hoogte zijn een vorm-noodwendigheid, ontstaan door de actie van dien, de evolutie reguleerenden en beheerschenden, in het organisme zelve wonenden factor. De opmerking is juist, maar ik wijk voor deze consequentie niet terug’.

De werkelijke waarde van deze uitspraak, de grootheid van Bolks persoonlijkheid, kunnen we het beste illustreren door een gesprek te vermelden dat meer dan een eeuw geleden in Frankrijk plaats gevonden zou hebben. Laplace (1749-1827) had in de loop van jarenlange studies en in verband met de filosofische beschouwingen van zijn tijd een speciale theorie opgesteld over het ontstaan van de aarde en van de natuurrijken. Deze theorie komt in het kort hierop neer dat de oorspronkelijke oneindig uitgebreide en verspreide
deeltjeswereld (men sprak toen over atomen, nu zou men over elektronen spreken) samenklonteringen ging vertonen, waardoor vanuit de atomen moleculen en moleculaire samenstellingen ontstonden. Deze werden steeds gecompliceerder, om ten slotte zo samengesteld en ingewikkeld te worden, dat ze de verschijnselen gingen vertonen van wat we als ‘leven’ plegen te omschrijven. Deze levende vormen ontwikkelden zich onder invloed van buitenaf verder en verder tot de verschijnselen van reageren, van bewustzijn, begonnen op te treden. Zo ontstond uit een oorspronkelijk universeel stadium een planten- en een dierenstadium. De verdere evolutie van dier naar mens werd op dezelfde manier voortgezet gedacht, zoals in wezen de meeste moderne evolutietheorieën nog steeds doen. Zo ontstond ten slotte de mens.

Laplace – zo doet het verhaal de ronde -toonde de conceptie van deze totale evolutietheorie aan Napoleon, die deze eerst aandachtig bestudeerde en toen met enige verbazing zei: ‘Ik kom het begrip God niet tegen in uw beschouwing,’ waarop Laplace bescheiden glimlachend geantwoord zou hebben: ‘Sire, je n’avais pas besoin de cette hypothèse’ (Sire, aan deze hypothese had ik geen behoefte meer). Het scheppende principe tot overbodige hypothese gedegradeerd aan de ene kant; aan de andere kant Bolk, die evenzeer via een wetenschappelijk onderzoek tot een uitspraak komt, waarvan ik meen dat de hele wereld kennis zou moeten nemen.

‘Ik wijk voor deze consequentie niet terug’!

Moed, in dienst van wat hij als waarheid voelde, is hetgeen we hier bij Bolk op zulk een bijzondere wijze ontmoeten. Bolk was een eenzame figuur, diep in zijn ziel was hij ervan doordrongen dat hij geen algemene bijval van de wereld kon verwachten.

Ik heb later nog met meerdere familieleden van hem kennis kunnen maken. Ze spraken altijd met de grootste verering over ‘Louis’, doch er was ook een kloof: Bolk stond op zichzelf; hij volgde geheel zijn eigen lijn. Waar het erom ging eigenschappen van een mens uit de erfelijkheid te willen verklaren, had hij ook een strikt persoonlijke visie. We zijn z’n uitspraak tegengekomen: ‘Brieven van adeldom luiden persoonlijk’. Dit was geheel in overeenstemming met wat hij, in mijn laatste ontmoeting met hem op z’n ziekbed, uitsprak: ‘Wat een mens als geestelijk wezen hier op aarde vertoont, hangt weliswaar af van waartoe zijn tijdelijke vorm hem in staat stelt; in wezen is de menselijke geest echter universeel’.

Onbeantwoorde vragen

Op twee vragen kon Bolk geen antwoord geven. Ten eerste worstelde hij met de vraag hoe zich de beschreven menselijke evolutie voltrokken had. Hij kon zich de heersende opvatting niet anders voorstellen dan dat dit plaats had gevonden op een wereld, op de aarde, zoals wij haar nu kennen. De tweede vraag was: wat is de zin van deze aftwijging van het dier? Voorzover ik weet heeft hij in die richting nimmer een uitlating gedaan.
Door Rudolf Steiner werd een licht geworpen op deze twee problemen. De ontwikkeling der aarde heeft zich voltrokken in samenhang met een verdichting van toestanden die naar het verleden toe steeds ijler gedacht moeten worden. Daarnaast krijgen we met een principe te maken dat tot dusverre in een evolutieleer nog nimmer is opgedoken. Men gaat ervan uit dat de mens ééns een dier was en zou dan consequenterwijze de conclusie moeten trekken dat het dier ééns plant geweest is en de plant ééns mineraal.

In een belichting vanuit de antroposofie klinkt dit als volgt: de mens heeft een dierenfase doorgemaakt, een plantenfase en een minerale-fase. Deze fasen zijn dus stadia in de evolutie van de mens. Tevens hebben zij zich afgespeeld in een zich steeds verder verdichtende materialiteit. Deze verdichting is er een van ‘warmte’ naar lucht, naar water en aarde. Dat men hiermee nieuwe voorstellingen introduceert, waar bijvoorbeeld warmte als een vorm van ‘materialiteit’ verschijnt, is duidelijk.

In de eerste fase wordt slechts het fysieke lichaam – in principe – gevormd. In de tweede wordt er het leven aan toegevoegd; in de derde het zielenelement, in de vierde datgene wat wij ‘geest’ plegen te noemen. Kijkende naar de natuurrijken om ons heen – mineraal, plant, dier en mens – heeft men een duidelijk beeld van datgene wat hier bedoeld is, doch tevens kan men daardoor een indruk krijgen van wat zich gedurende de menselijke evolutie afgespeeld heeft. Van de minerale fase is namelijk iets teruggebleven dat later tot mineralenrijk werd; van de plantenfase een deel dat later het plantenrijk werd. Op dezelfde wijze is het dierenrijk de representant van wat zich in de dierenfase van de mens heeft afgespeeld.

Wanneer dan de mens ten slotte op aarde verschijnt, zijn de drie rijken om hem heen reeds min of meer aanwezig. Dat al die rijken in de loop van hun verdere verdichting nog veranderingen ondergaan hebben (wat niets te maken heeft met ‘evolueren’) is vanzelfsprekend. Het bijzondere van deze gedachte is, dat wij in de rijken dus stadia van de menselijke evolutie kunnen herkennen, waarbij we bij de vraag van Bolk aangeland zijn: waarom vond dit plaats?

Er moet hier volstaan worden met dit opnoemen van het resultaat, door te zeggen: ‘Het dierenrijk is de belichaming van een overmaat van begeertekracht die anders een belemmering voor de overgang van de dierlijke naar de menselijke fase onzer evolutie geweest zou zijn. Het plantenrijk is de overmaat van vitaliteit die anders een belemmering voor de overgang van de planten naar de dierlijke fase van onze evolutie geweest zou zijn. Met het mineralenrijk is een overmaat van verdichtingstendens van de zich ontwikkelende mens afgenomen die anders een belemmering voor de overgang van de minerale naar de
plantenfase van onze evolutie geweest zou zijn*’.

Zo zijn de drie ons omgevende rijken een beeld van onze eigen evolutie. Zo begrijpt men dat speciaal planten- en dierenrijk, waar men te maken heeft met ‘lagere’ en ‘hogere’ planten en dieren, tevens verhalen van hetgeen zich gedurende de menselijke evolutie afgespeeld heeft. Zo leeft de mens thans op het mineraal, van de planten, met de dieren en onder de mensen.

Dat deze visie ten slotte uit moet monden in een ongelooflijk gevoel van dankbaarheid tegenover de rijken om ons heen, waarvan de antroposofie tevens onthult dat hun ontstaan te danken is aan de scheppende wijsheid van geestelijke wezens die daarmee een onvoorstelbaar offer gebracht hebben, mag niet onvermeld blijven. Ik kan niet nalaten op te merken hoe zeer Bolk verheugd geweest zou zijn als hij het nog had mogen meemaken dat Prof. Dr. Erich Blechschmidt uit Göttingen door exact wetenschappelijke onderzoekingen tot de conclusie kwam dat de mens nimmer een dier geweest kan zijn. Het lot heeft met zich meegebracht dat Bolk nimmer met antroposofie in aanraking gekomen is. Zijn werk en zijn visie monden echter direct uit in de stroom van deze wijsheidsvernieuwing.

*Een en ander is uitgewerkt in mijn boek ‘Dieren zijn wat mensen hebben’.
.

Leen Mees, Jonas 17, 15-04-1983
.

Biografieën: alle biografieën

Louis Bolk instituut
.

1530

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (6) – over de bonte specht

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 46                                                                                                     hoofdstuk 6

Welke timmerman moet aankloppen
nog vóór het huis gebouwd is
en dan komt er ook nog eens geen deur in?

Meester specht is een heel wonderbaarlijke gezel. Het bos geeft hem een woonplaats en in het bos brengt hij zijn leven door. Dat vogels tussen de takken en op boomkronen wonen en daar ook nestelen, is zeker niets bijzonders, maar dat iemand hamer en beitel neemt om er gaten mee in een stam te hakken om juist daar zijn eieren te leggen en jongen groot te brengen, wie zou zich daarover nou niet verwonderen!
Er zijn verschillende soorten spechten. De grootste is de schuwe zwarte specht met de prachtige rode kopkap. Dan komen de groene en de grijskopspecht, ten slotte de drie gebroeders bonte specht, de grote, die we hier nader gaan bekijken, de middelste en de kleine.

De grote bonte specht is zo groot als een spreeuw. Het mannetje is opgesierd met een mooie rode nekvlek; die heeft het vrouwtje niet. Onderaan de staart zijn ze beide prachtig rood. Door de grote zwarte en witte vlekken worden de veren van de bonte spechten driekleurig. Wat hun gewoontes betreft als ze nestelen, lijken alle spechten op elkaar, zij het dan dat de groene specht meer dan de andere naar de weiden gaat om mierennesten te plunderen. De grijskopspecht houdt heel erg veel van de grote bosmieren, maar alle spechten hebben wel een voorliefde voor mieren en hun eitjes. Je kan er een specht vaak op betrappen dat hij op de grond aan het zoeken is en zijn krop aan het vullen met mieren.
Bijna de hele dag is hij bezig met kloppen en hameren. Je hoort de slagen ver door het bos schallen. Dan hipt hij met zijn korte pootjes waaraan opvallend lange tenen zitten met sterke, gebogen nagels, met kleine sprongetjes langs de stam. Allebei de voortenen zijn tot op de helft met elkaar vergroeid, de derde, buitenste teen van de poot is een keerteen, d.w.z. die is naar achter gebogen en ligt naast de kortere achtertenen. De specht moet zich goed vast kunnen houden, wanneer hij met zijn snavel zo hard en stevig wil hameren.
Die spechtensnavel, sterk, recht en kegelvormig, kun je vergelijken met een beitel, de rug al scherp kantig en aan de voorkant bovendien scherp en spits, bijna geslepen, zou je kunnen zeggen. De hamer daarbij is de grote en zware kop. Dan vliegen de spaanders in het rond! Omdat die beneden neerkomen, verraden ze de timmerman, voor het geval je hem nog niet gehoord zou hebben.
Probeer maar zoals een specht aan de stam hangend met beitel en hamer te slaan zonder naar beneden te vallen! Ook als je je vast zou kunnen houden, zou je toch de terugslag voelen. De specht echter, klauwt zich met zijn poten vast en steunt daarbij met zijn staart tegen de schors. De staart van de specht wordt vaak met een soort knijpveer vergeleken. Die heeft twee rijen van maar korte veren, waarvan de schachten heel sterk en stevig zijn. Zo vormt de staart met de beide poten een soort derde poot voor de trommelende specht. Roffel er maar lekker op los, jij specht, laat de spaanders maar in het rond vliegen, jij staat stevig en geen hamerslag zal jou omver gooien! Jij hoort bij het bos en daarvoor is je instrument bestemd; en in de stammen breng je ook je jongen nog groot!
Maar zeg toch eens, sterke, mooie vogel, wie geeft jou je thuis en je voeding?
Dat is het bos, het bos! Op en onder de schors is er beweging of ze houden zich stil, die ontelbare larven, poppen, eitjes en bastkevertjes die daar leven. Wacht maar, allemaal, buiten wordt al geklopt en voor wie dat doet, hoef je geen ‘binnen’ te roepen. Kijk, daar vliegen de spaanders al in het rond!
Het meeste vindt de specht natuurlijk in bomen die al ziek zijn of aan het afsterven. Heeft hij dat uitgeprobeerd? Wie heeft hem dat geleerd, er les in gegeven? Het bos, het bos!
Wanneer de specht op een boom toevliegt, begint hij steeds onderaan en hupt dan naar boven, draaiend om de stam. Met z’n kop naar beneden kan de specht niet klimmen, dan zou hij vallen. Op een volgende boom begint hij dan weer beneden.
Met vlugge, snorrende of ruisende vleugelslag vliegt de specht eerst een stukje hoger en schiet dan met gevouwen vleugels weer naar beneden. Zo schrijft hij zijn golvende vlucht tot hij weer bij het volgende doel is aangekomen. Omdat de bonte specht helemaal niet zo’n schuwe vogel is, kun je de vlucht gemakkelijk waarnemen en die zal je wanneer je die eenmaal aandachtig heb bekeken, niet meer zo snel vergeten>
Maar de spechten zijn geen doorvliegers. Zijn ze eens naar een ander bos gevlogen, dan rusten ze snel weer uit en kijken wat er daar te roffelen valt. Zijn ze naar een nieuwe stam gevlogen, dan beginnen ze gelijk met hun werk, wat voor een specht zoveel betekent als voedsel zoeken. Met vlugge, huppende klimpasjes gaat het weer langs de stam naarboven. Wanneer hij zich bespied waant, gaat hij naar de ander kant van de stam, dan hoor je hem wel, maar je ziet hem niet. De specht kan wel schadelijk zijn voor gezonde bomen, wanneer hij in kleine stammen rondjes maakt om het uitstromende sap te drinken.
Een waar kunstwerk is de tong. Die kan snel naar voren gebracht worden en is heel dun, hoornachtig hard en tegelijkertijd uiterst elastisch en buigzaam. Die kan ook in van die kleine gangetjes en scheurtjes gestoken worden, om een hoekje gebogen of net zo gaan als de gangen van de bastkever die tussen hout en schors lopen. Maar dat gaat allemaal zo snel dat je het nauwelijks kan volgen. Grotere insecten worden eenvoudigweg aan de tong gespietst en omdat daaraan ook nog weerhaakjes zitten, kan de prooi ook uit het schuilhoekje worden getrokken. Voor eitjes, kleinere larven en poppen heeft de specht nog een ander middel, het kleverige speeksel van zijn bek. Daarmee wordt de tong iedere keer bevochtigd, waneer die weer naar binnen wordt getrokken. Dat is echt een nuttig ding, zo’n lange, dunne, buigbare, van weerhaakjes voorziene spechtentong met lijmerig en kleverig speeksel. En wat kan die ver naar buiten!
Weinig mensen weten dat de specht helemaal niet alleen maar leeft van zijn geboor in oude stammen en van mieren. O nee, hij weet nog zoveel andere lekkere dingen! In de winter kan hij zelfs wel eens een bijenkast openbreken en wanneer hij dan een gat heeft gehamerd bijen én honing verorberen. Dat is wel een graadje erger! Maar ja, kwajongens gaan ook wel eens honing pikken.
Op gezette tijden doet hij zich ook wel tegoed aan bosvruchten en daar moppert natuurlijk niemand op. Dennenappels, die vooral op zijn menu staan, haalt hij uit de boom en zet die klem in een passende scheur in een bast die hij voor dit doel zelfs meestal gemaakt heeft. Die plekjes noem je spechtensmidse (ook wel aambeeld) Dan zie je hoe de meester de goede, oliehoudende zaden eruit pikt. Hij maakt de schubben kapot, net zoals de kruisbekken dat doen, zonder ze eraf te trekken. Wanneer hij weer wegvliegt, laat hij de dennenappels die nog niet van alle pitjes ontdaan zijn, in de smidse zitten. Want de specht is wel een heel onrustige en ongeduldige vogel die weer gauw naar een volgende boom gedreven wordt. En wanneer hij weer terugkomt, is hij natuurlijk ook blij dat hij meteen iets eetbaars heeft.
Zelfs het kraken van noten gaat meester specht goed af. Hij stopt ze voor dit doel ook weer in een smidse. Dat is goed loon naar werken, die grote goedsmakende pitten. Ook weet hij maar al te goed, hoe kersen smaken en hij neemt, wanneer de gelegenheid zich voordoet, graag deel aan de oogst. In dit geval kan hij ook de pit nog kraken en oppeuzelen. Dat hij ook bessen niet versmaadt, is vanzelfsprekend.
Smakelijk eten, oude timmerman!
De spechten zijn geen gezelschapsvogels. Wanneer er een tweede in de buurt komt die misschien wel in hetzelfde jachtgebied actief wil worden, ontstaat er meestal een vechtpartij met veel geschreeuw en lawaai.
Behalve in de paartijd zijn alle spechten vooral op zichzelf.
In de herst en de winter zie je ze vaak in gezelschap van kleinere vogels in de tuin scharrelen. Je hoort ze meteen aan hun ‘giek, giek’ of meer metalig ‘gi-gi-gi-gi-gi. Dan scharrelt hij wat rond met boomklevertjes en boomkruipers, mezen en goudhaantjes. Maar het lijkt erop dat hij niet veel aan ze heeft.
Al vanaf eind januari kan je de specht horen trommelen. Dat is een soort paringsroep. Wie, zoals de specht, zo bij het bos hoort, verstaat natuurlijk ook de kunst bomen als muziekinstrument te gebruiken. Het zijn voornamelijk de mannetjes die zich als trommelaar gedragen. De specht vliegt op een dorre tak en slaat daar in ras tempo krachtige slagen op. Zo ontstaat de lokroep die ieder wel eens gehoord heeft, meest hoog boven in de kroon. Dat is meester specht, hij alleen kan met zijn snavel zo op de takken roffelen dat je het ver in het hele bos hoort en die toch geen hoofdpijn* krijgt.
Ja, het kan niemand anders zijn geweest dan de specht!
Wanneer hij een nest bouwt, doet hij niet veel beter zijn best dan een uil, d.w.z. dus bijna niet. Het gat in de boom niet meegerekend, maar wat hij daarin voor de jongen klaarmaakt – dat is zoveel als niets. Maar een spechtengat dient niet alleen als nestruimte, ook als slaapruimte wordt die steeds weer gebruikt. Daar slaapt de specht, zoals je weet, staand zich vasthoudend met de steunende staart.
Om het hameren niet al te moeilijk te maken, zoekt de specht naar bomen die al een beetje vermolmd zijn of bomen die van zich zacht hout hebben, zoals de populier bijv. Dan vliegen de spaanders wat makkelijker rond, maar het duurt wel een hele week werken tot alles uiteindelijk klaar is. Het is natuurlijk wel eenvoudiger om een holte klaar te maken die er al is.
Een nestholte mag niet lager dan ongeveer tien meter van de grond zijn om er zeker van te zijn dat de jonge vogeltjes veilig zijn voor allerlei roversgezellen en indringers die daar beneden over de aarde rondsluipen. Maar als zo’n rover kan klimmen, zoals de marter, is goede raad duur. Marters zijn de ergste en gevaarlijkste vijanden die ook nog eens zelf in de spechtholte hun intrek nemen. De kraamkamer moet ongeveer dertien centimeter diep zijn en een bodem van vijftien centimeter hebben.
Maar hoe vaak begint een specht niet aan een holte om die dan niet af te maken! Is het werk dan toch te zwaar of heeft meester specht alleen maar een beetje willen hameren?
Het vrouwtje legt vier tot vijf kleine, rondachtige witte eieren en ze broedt afgewisseld door het mannetje. Dat duurt maar veertien tot zestien dagen. Jonge spechten zien er de eerste tijd heel lelijk uit. Nog niets doet denken aan de mooie statige vogels die ze later zullen worden. Maar wat maakt het uit of kinderen lelijk zijn! De ouders zien alleen maar dat het hun jongen zijn en ze houden van hen en verzorgen ze met liefde. Het duurt heel lang voor de jonge spechten tenslotte het nest verlaten en zich zonder gevaar in de wereld durven wagen. Hopenlijk heeft de marter niet gehoord hoe het daarbinnen met de gestrekte nekken en opengesperde snaveltjes om voedsel geschreeuwd heeft!
Zijn de jonge spechtjes eenmaal in staat uit te vliegen, dan houdt de familie meteen op te bestaan. De jongen verspreidem zich en vinden weldra hun eigen weg, en de ouders doen alsof ze nooit van elkaar hebben gehoord.
De jongen herken je het eerste jaar nog omdat ze meer rood op hun kop hebben dan later. Maar weldra zijn ze allemaal net zulke kluizenaars geworden als hun ouders dat nu weer zijn.
Voor een specht is het goed zo, want dan kan hij het beste doen wat hij doen moet. Hij moet alleen zijn, onze altijd bezige, onrusitge specht!
En zwijgend zegt het bos dan: ‘Hamer maar, mijn specht! Mogen je kinderen altijd gaan naar waar ze nodig zijn – als timmerlui, als verzorgers,

want wat zou het bos zijn
wanneer de spechtroep niet zou weerklinken
wanneer het lentespechtgeroffel
niet door bladeren en kronen te horen zou zijn!

.
**waarom niet, lees je hier
.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

 

1425

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.