VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 12 (12-1-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 174-176  in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Verbinding mens en wereld

Vanuit verschillende invalshoeken heeft Steiner geprobeerd de verbondenheid van de mens met de wereld te verduidelijken.
Een van de bekendste is ‘de vierledige mens’ waarbij een duidelijke samenhang van de mens met de wereld om hem heen aan het licht komt: het fysieke lichaam als deel van de fysieke wereld; het etherlijf dat hij gemeenschappelijk heeft met het plantenrijk en het astraallijf dat hij gemeenschappelijk heeft met dierenrijk.

Al in de 1e voordracht van de ‘Algemene menskunde’ [1-7] komt bijv. een ‘drievoudige verbinding’ van de mens met de wereld aan de orde.
Zie bijv. ookAntroposofie, een inspiratie

Hoe verbonden we zijn, komt in deze tijd (2021) pijnlijk duidelijk aan het licht, waarin het gedrag van bepaalde delen van de mensheid de ‘van nature verbondenheid’ zodanig blijkt te kunnen verstoren dat het leven ‘in deze verbondenheid’ onmogelijk wordt.

Nog maar enkele weken na Pasen (opstandingsfeest!) zegt Steiner in weekspreuk 4:

‘Ik voel het wezen van mijn wezen:
zo spreekt ontwarend voelen
dat in door zon verlichte wereld
met stromen licht tezamen vloeit;
het wil het denken
voor helderheid zijn warmte schenken
en mens en wereld tot eenheid hecht verbinden.’

Voor mij is het zo dat dit ‘ontwarend voelen’ het aftasten is van de inhoud van de antroposofie, in het bijzonder deze ‘Algemene menskunde’; hier voel ik inderdaad hoe het ‘mee’denken met Steiners gezichtspunten, licht en warmte kan brengen die in dit bijzondere geval ertoe leiden kan dat je als mens die ‘hechte’ verbondenheid (weer) begint te beleven – om ernaar te handelen.

Wie zich verdiept in wat Steiner over bijv. de dierkunde zegt, ziet daar ook hoe hij de kinderen ‘in eenheid hecht verbinden’ wil met de dierenwereld. En dan hoop je als klassenleerkracht dat de manier waarop jij de kinderen met deze dierenwereld vertrouwd maakt, in hen zoveel ‘hechte verbondenheid’ en eerbied wordt ontwikkeld, dat ze daarnaar handelen in hun (latere) leven. [Rudolf Steiner over dierkunde]

Wat hij in deze voordracht zegt over de relatie mens-dier is beslist geen lesstof, maar een verruiming van onze blik op die relatie. 

Verder over het hoofd

We moeten, denk ik, niet uit het oog verliezen, dat Steiner voor mensen sprak van wie de meesten al veel meer van hem hadden gehoord; daardoor in zekere zin vertrouwd(er) waren met bepaalde geesteswetenschappelijke inhoud, meer dan wij – wanneer wij voor het eerst ons in de Algemene Menskunde verdiepen zonder die achtergrond te hebben,
Wat er nu verder volgt, kan zeker wonderlijk overkomen, zoals dat met meer uitspraken van Steiner is.
Hoe vinden we – we staan open en zijn van goede wil om te begrijpen – een bepaalde ingang tot wat hij nu gaat aanvoeren.
Dat is niet eenvoudig: wat moeten we met het gegeven dat ‘het hoofd van ons een wolf zou willen maken. Of een draak, of een lam.’

Blz. 174   vert. 174

Sie müssen sich schon bequemen zu der Anschauung, daß der Kopf fortwährend im geheimen etwas anderes aus Ihnen machen will, als Sie sind. Da gibt es Augenblicke, in denen Sie der Kopf so gestalten möchte, daß Sie aussehen wie ein Wolf. Da gibt es Augenblicke, in denen Sie der Kopf so gestalten möchte, daß Sie aussehen wie ein Lamm, dann wiederum, daß Sie aussehen wie ein Wurm; zum Wurm, zum Drachen möchte er Sie machen. All die Gestaltungen, die eigentlich Ihr Haupt mit Ihnen vor- hat, die finden Sie ausgebreitet draußen in der Natur in den verschiedenen Tierformen. Schauen Sie das Tierreich an, so können Sie sich sagen: Das bin ich selbst, nur erweist mir mein Rumpfsystem und mein Gliedmaßensystem die Gefälligkeit, fortwährend, indem vom Kopf ausgeht zum Beispiel die Wolfsgestalt, diese Woifsgestalt umzuwandeln zur Menschenform. Sie überwinden den sich fortwährend das Animalische. Sie bemächtigen sich seiner so, daß Sie es in sich nicht ganz zum Dasein kommen lassen, sondern es metamorpbosieren, umgestalten. 

U moet proberen vertrouwd te raken met de gedachte dat het hoofd voortdurend in het geheim iets anders van u wil maken dan u bent. Er zijn momenten dat het hoofd u het uiterlijk van een wolf zou willen geven. Dan zijn er momenten dat het hoofd u het uiterlijk van een lam zou willen geven of van een draak. Ja, werkelijk, een draak zou het van u willen maken. Alle vormen die het hoofd met u voorheeft, vindt u in de natuur om u heen in de verschillende vormen der dieren. Van het dierenrijk kunt u zeggen: dat ben ik zelf; alleen zijn mijn romp en ledematen zo vriendelijk om elke diervorm die het hoofd voor ogen staat – bijvoorbeeld de vorm van de wolf- voortdurend te metamorfoseren tot de menselijke vorm. U overwint voortdurend het dierlijke in uzelf. U maakt zich daarvan zo meester, dat u het niet tot volle ontplooiing laat komen in u, maar het metamorfoseert, omvormt.

Nu kun je dit ‘gek’ vinden, zelfs ‘absurd’, maar wanneer die eerste gevoelens enigszins tot rust zijn gekomen, kan er ineens de gedachte bij je opkomen dat je weleens afbeeldingen van mensen met een dierenkop hebt gezien. In hoeverre die afbeeldingen beelden zijn van werkelijkheden of dat hier ook een bepaalde symboliek is toegepast, het feit blijft dat er kennelijk aanleiding voor bestond een mensengestalte weer te geven met een dierenkop.

Een artistieke impressie van Chnoem, die uit klei een mens vormt op zijn pottenbakkersschijf. Volgens beschrijvingen maakte Chnoem twee beeldjes: het ene vertegenwoordigde de ka (de ziel), het andere het lichaam. Samen vormden die twee beeldjes de pasgeborene.

Er wordt geprobeerd te duiden waarom de Egyptenaren dit deden:

‘Er zijn tientallen goden met ieder eigen herkenningspunten zoals symbolen of een bepaalde kroon, maar vaak ook een dier. Het dierenrijk diende vaak als inspiratie. De oude Egyptenaren geloofden dat de goden die normaal onzichtbaar en ongrijpbaar waren, zich in dierengedaanten konden manifesteren om zich aan de mensheid te tonen. De dieren waren dan de verschijningsvorm van de ziel (de ba) van de goden.

Vanuit een andere invalshoek is geconstateerd dat de mens en het dier ‘de ziel’ gemeenschappelijk hebben, zoals ook het fysieke lichaam en het etherlijf.
Bij het dier treden voor het eerst be-levingen op, die we bij de plant nog niet zien: daar is alleen leven.
Mensen en dieren hebben hun gevoelens die ze naar buiten brengen, uiten.
Het is interessant om vast te stellen dat mensen aan hun medemensen soms gevoelens toedichten die ze een dierennaam geven, vooral als het negatieve van dat gedrag hen raakt.
Je kan je ‘schaapachtig’ gedragen; dat is iets anders dan met ‘leeuwenmoed’ de wereld tegemoet treden; slim en sluw gedrag maakt ons tot ‘een vos’.

Al in de Romeinse tijd ontstond de uitdrukking: ‘homo homini lupus‘, vaak vertaald met ‘de ene mens is voor de andere een wolf’.

Dat inspireerde tot allerlei voorstellingen waarbij het voor de hand ligt dat dan het mensenhoofd een wolvenkop is geworden.

En dan kennen we de fabels waarin de menselijke eigenschappen verbonden worden met bepaalde dieren. 

Striptekenaars die bepaalde eigenschappen van de mens aan de kaak willen stellen, gebruiken daarvoor vaak een dier dat nu juist die eigenschap heeft.

Daarin was Marten Toonder een meester: in zijn Tom Poesverhalen komen we ze veelvuldig tegen: de trouwe, goedmoedige lobbes, de hond als bediende Joost

; de bijterige en waakzame hond Bulle! Bas, de politiecommissaris; de geslepen vos Joris Goedbloed, een meesteroplichter, en vele meer.

Daar hebben de figuren dan min of meer wél de dierenkop gekregen die wij – als we Steiner verder volgen – ook zouden krijgen, als romp en ledematen dat niet zouden verhinderen.

Es ist also der Mensch durch sein Kopfsystem mit der tierischen Umwelt in einer Beziehung, aber so, daß er in seinem leiblichen Schaffen über diese tierische Umwelt fortwährend hinausgeht. Was bleibt denn da eigentlich in Ihnen? Sie können einen Menschen anschauen. Stellen Sie sich den Menschen vor. Sie können die interessante Betrachtung anstellen, daß Sie sagen: Da ist der Mensch. Oben hat er seinen Kopf. Da bewegt sich eigentlich ein Wolf, aber es wird kein Wolf; er wird gleich durch den Rumpf und die Gliedmaßen aufgelöst. Da bewegt sich eigentlich ein Lamm; es wird durch den Rumpf und die Gliedmaßen aufgelöst.

De mens hangt dus wat zijn hoofdsysteem betreft samen met de dierenwereld, maar wel zo dat hij fysiek voortdurend uitstijgt boven deze dierenwereld om hem heen. Want wat blijft er eigenlijk in u over? U kunt naar een mens kijken of u een mens voorstellen. U kunt hem beschouwen en zeggen: dat is de mens. Boven zit zijn hoofd. Daarin beweegt zich eigenlijk een wolf, maar het wordt geen wolf: de wolf wordt dadelijk weer teniet gedaan door de romp en de ledematen. Dan beweegt er zich eigenlijk een lam en ook dit wordt teniet gedaan door romp en ledematen.

‘Je laat het niet tot volle ontplooiing komen’.

M.a.w. zou je ook kunnen zeggen: je houdt het terug.

En wat betreft menswording t.o.v. het dier speelt het principe van de ‘terughouding’ een wezenlijke rol. Letterlijk: het maakt het wezen uit.

Voor Louis Bolk was de idee van deze terughouding een sleutelbegrip tot het begrijpen van het verschil tussen mens en dier.
Bolk zegt in ‘Het vraagstuk van het ontstaan van de mens’ hierover: ‘Er is geen zoogdier dat zich in een dusdanig langzaam tempo ontwikkelt als de mens; er is geen tweede, dat pas zoo lang na zijn geboorte volwassen wordt. Kunt u mij een ander zoogdier noemen dat, als het volwassen is, over zoo’n lange bloeitijd beschikt? Bovendien wordt deze langzaame ontplooiing ten slotte gevolgd door een phase van ouder worden, die zich zoo langzaam voltrekt als bij geen enkel zoogdier bekend is. Waar is het dier dat, nadat zijn voortplantingsfunctie afgelopen is, nog zoo lang lichamelijk gezond verder blijft leven?’

( ) Op zekere dag kreeg Bolk een chimpansee-foetus van ongeveer zeven maanden toegestuurd. De moeder was door een ongeval om het leven gekomen. Wat Bolk zag, was een wezentje dat met een kaal lichaam en alleen haar op het hoofd, met een voorhoofd en een kin precies op een menselijke foetus leek. Hij zag in gedachten dit mensachtige diertje later uitgegroeid als chimpansee met z’n behaarde lijf, z’n hellende voorhoofd en z’n sterk naar voren dringende snoet en was diep getroffen door het intense verschil.

Zijn eerste verdere gedachte was: volgens de biogenetische grondwet zou de mens, die na de aap op aarde verschijnt, vóór zijn geboorte een apenstadium moeten doormaken. Hier zien we dat het omgekeerde het geval is! De aap maakt vóór z’n geboorte een mensenstadium door. Later verwijdert de aap zich snel van dit stadium. De mens ontwikkelt zich echter niet zo veel verder, hij blijft ten opzichte van de aap achter, hij is vertraagd in z’n ontwikkeling, geretardeerd. Vandaar de uitdrukking: retardatietheorie. De ontwikkeling van de aap is versneld, hij is propulsief. Hij snelt zo te zeggen naar de aarde toe.

Dit komt er echter op neer dat de mens weliswaar later op aarde verschijnt dan de aap, doch in wezen ouder is! De aap is een aftwijging van de zich langzamer ontwikkelende mens. Hij was eerst mensachtig en werd dier. Het was voor Bolk haast vanzelfsprekend dit onmiddellijk als een oerbeginsel te herkennen, dat aan het ontstaan van het hele dierenrijk ten grondslag ligt. Daarmee was hij echter genoodzaakt de hele evolutie in een totaal nieuw licht te gaan zien.
Zie volledige artikel

Ook de bioloog Portmann [4] stelde vast dat de dieren in hun ontwikkeling veel sneller gaan en dat de mens daarbij achterblijft.

‘De mens ontwikkelt zich in vergelijking met het dier slechts langzaam. Er gaan jaren voorbij, voor hij zijn uiteindelijke gedaante heeft bereikt, en deze ontwikkelingsgang wordt gemarkeerd door tal van gebeurtenissen die sterk afwijken van de gebeurtenissen in de ontwikkeling van het dier.

Sinds de dagen van Darwin hebben de biologen steeds weer opnieuw de aandacht gevestigd op de punten van overeenkomst tussen de dierlijke en de menselijke ontwikkeling. Er werd zelfs een ‘biogenetische hoofdwet’ opgesteld, die behelsde dat de mens in zijn embryonale ontwikkeling achtereenvolgens alle stadia zou doorlopen die het menselijk geslacht in zijn evolutie achter zich heeft liggen. Het ligt voor de hand dat een dergelijke zienswijze eenzijdig de nadruk legt op de overeenkomst tussen mens en dier. Velen hebben zich dan ook lange jaren blind gestaard op de biologische aspecten van de menselijke ontwikkeling. Hierbij zagen ze het specifiek menselijke, dat reeds vroeg in deze ontwikkelingsgang zo duidelijk aan de dag treedt, volledig over het hoofd.’

Steiner vervolgt zijn beschouwingen:

Fortwährend bewegen sich da übersinnlich die tierischen Formen im Menschen und werden aufgelöst. Was wäre es denn, wenn es einen übersinnlichen Photographen gäbe, der diesen Prozeß festhielte, der also diesen ganzen Prozeß auf die Photographenplatte oder auf fortwährend wechselnde Photographenplatten brächte? Was würde man denn da auf der Photographenplatte sehen?

Voortdurend bewegen zich bovenzinnelijk allerlei dieren in de mens die dan weer oplossen. Stel je voor dat er een bovenzinnelijke fotograaf was die dit proces vast zou leggen, die dit hele proces fotografeerde. Wat zouden we dan zien?

En het antwoord is zowel verrassend als onbegrijpelijk:

Die Gedanken des Menschen würden wir sehen. Diese Gedanken des Menschen sind nämlich das Überinnnliche Korrelat desjenigen, was sinnlich nicht zum Ausdruck kommt. Sinnlich kommt nicht zum Ausdruck diese fortwährende Metamorphose aus dem Tierischen, vom Kopfe nach unten strömend, aber übersinnlich wirkt sie im Menschen als der Gcdankenprozeß. Als ein übersinnlich realer Prozeß ist das durchaus vorhanden. Ihr Kopf ist nicht nur der Faulenzer auf den Schultern, sondern er ist derjenige, der Sie eigentlich gerne in dcr Terheit erhalten möchte. Er gibt Ihnen die Formen des ganzen Tierreiches, er möchte gerne, daß fortwährend Tierreiche entstehen. Aber Sie lassen es durch Ihren Rumpf und die Gliedmaßen nicht dazu kommen, daß durch Sie ein ganzes Tierreich im Laufe Ihres Lebens entsteht, sondern Sie verwandeln dieses Tierreich in Ihre Gedanken. So stehen wir zum Tierreich in Beziehung. Wir lassen ühersinnlich dieses Tierreich in uns entstehen und lassen es dann nicht zur sinnlichen Wirklichkeit kommen, sondern halten es im Übersinnlichen zurück. Rumpf und Gliedmaßen lassen diese entstehenden Tiere in ihr Gebiet nicht herein. 

De gedachten van de mens. De gedachten van de mens zijn namelijk het bovenzinnelijk correlaat van dat wat niet zintuiglijk waarneembaar wordt. Deze metamorfose van het dierlijke, die als een stroom is van het hoofd uit naar beneden, wordt niet zintuiglijk waarneembaar, maar bovenzintuiglijk werkt ze als het gedachteproces. Er is daar dus wel degelijk een werkelijk, bovenzinnelijk proces aanwezig. Uw hoofd is niet alleen die luiwammes op uw schouders, maar ook degene die u eigenlijk graag in de dierenwereld wil houden. Hij geeft u de vormen van het hele dierenrijk, hij wil graag dat er voortdurend dierenrijken ontstaan. Maar uw romp en ledematen laten het niet zo ver komen dat door u een hele dierenwereld zou ontstaan in uw leven. U metamorfoseert deze dieren tot uw gedachten. Dit is onze relatie tot de dierenwereld. We laten de dierenwereld bovenzintuiglijk in ons ontstaan en laten die dan niet zintuiglijk tot verschijning komen, maar houden die terug in de bovenzintuiglijke wereld. Romp en ledematen laten deze dieren niet in hun gebied toe.

In GA 311 wordt dit nog iets duidelijker uiteengezet tegen de achtergronden van het te geven dierkundeonderwijs.

Belangrijk voor het beter kunnen inleven in wat hierboven aangedragen werd, is naast wat op de blz. 48 t/m 52 staat, het volgende:

Blz. 52:

So hat man einmal in früheren Zeiten die Geschichte des Tierreiches auch gelehrt. Das war eine gute, gesunde Erkenntnis. Sie ist verlorengegangen, aber eigentlich erst verhältnismäßig spät. Zum Beispiel hat man im achtzehnten Jahrhundert noch ganz gut gewußt, wenn dasjenige, was der Mensch in der Nase hat, den Riechnerv, wenn der genügend groß ist, nach hinten sich fortsetzt, so wird ein Hund daraus. Wenn aber der Riechnerv verkümmert, und wir nur ein Stückchen vom Riechnerv haben, und das andere Stückchen sich um­metamorphosiert, so entsteht unser Nerv für das intellektuelle Leben.
Wenn Sie den Hund anschauen, wenn er so riecht, so hat er von der Nase nach hinten die Fortsetzung seines Riechnervs. Er riecht die Eigentümlichkeit der Dinge; er stellt sie nicht vor, er riecht alles. Er hat nicht einen Willen und eine Vorstellung, sondern er hat einen Willen und einen Geruch für alle Dinge. Einen wunderbaren Ge­ruch! Die Welt ist für den Hund nicht uninteressanter als für den Menschen. Der Mensch kann sich alles vorstellen. Der Hund kann alles riechen. Wir haben ein paar, nicht wahr, sympathische und anti­pathische Gerüche; aber der Hund hat vielerlei Gerüche. Denken Sie nur einmal, wie der Hund im Geruchssinn spezialisiert. Polizei­hunde gibt es in der neueren Zeit. Man führt sie an den Ort, wo einer war, der etwas stibitzt hat. Der Hund faßt sogleich die Spur des Menschen auf, geht ihr nach und findet ihn. Das alles beruht darauf, daß es wirklich eine ungeheure Differenzierung, eine reiche Welt

Zo leerde men dus in vroeger tijd de zaak met dieren ook aan. Dat was een goede, gezonde kennis. Die is verloren gegaan, maar eigenlijk pas betrekkelijk laat. Men wist bijv. in de 18e eeuw nog heel goed, dat dat wat de mens in de neus heeft, de reukzenuw, wanneer die maar groot genoeg is, naar achter zich voortzet, dat dat dan een hond wordt. Wanneer de reukzenuw verkommert en we maar een stukje van de reukzenuw hebben en het andere stukje metamorfoseert, dan ontstaat onze zenuw voor het intellectuele leven. Wanneer u naar de hond kijkt wanneer deze ruikt, dan heeft hij vanuit de neus naar achteren toe de voortzetting van de reukzenuw. Hij ruikt het karakteristieke van de dingen; hij stelt zich niet voor, hij ruikt alles. Hij heeft geen wil en geen voorstelling, maar hij heeft wil en reuk voor alle dingen. Een wonderbaarlijke reuk. De wereld is voor de hond niet oninteressanter dan voor de mens. De mens kan zich alles voorstellen. De hond kan alles ruiken, niet waar, wij hebben een paar sympathieke en antipathieke geuren, maar de hond heeft een heleboel geuren. Denkt u er eens aan hoe de hond in zijn reukzintuig gespecialiseerd is. De laatste tijd zijn er politiehonden.** Men brengt ze op een plaats waar iemand was die iets gepikt heeft. De hond pakt meteen het spoor van de mens op, volgt het en vindt hem. Dat berust op het feit dat er werkelijk een ongekende differentiatie, een rijke wereld

blz. 53

der Gerüche gibt für den Hund. Davon ist der Träger der nach rückwärts in den Kopf, in den Schädel hin eingehende Riechnerv.
Wenn wir den Riechnerv durch die Nase des Hundes zeichnen, müssen wir ihn nach rückwärts zeichnen (es wird gezeichnet). Beim Menschen ist nur ein Stückchen geblieben da unten, das andere ist umgebildet und steht hier unter unserer Stirn. Es ist ein metamor­phosierter, ein transformierter Riechnerv. Mit dem bilden wir unsere Vorstellungen. Deshalb können wir nicht so riechen, wie der Hund, aber wir können vorstellen. Wir tragen den riechenden Hund in uns, nur umgebildet. 

aan geuren voor de hond bestaat. Daarvan is de drager de ruikzenuw die naar achter in de kop, in de schedel loopt.
Wanneer we de reukzenuw door de neus van de hond tekenen, moeten wij deze naar achteren tekenen. Bij de mens is slechts een stukje overgebleven, daar onder;  het andere is omgevormd  en ligt hier onder ons voorhoofd. Het is een gemetamorfoseerde, een veranderde reukzenuw. Daarmee vormen wij onze voorstellingen. Daarom kunnen we niet zo ruiken als de hond, maar wij kunnen voorstellen. Wij dragen de ruikende hond  n ons mee, alleen omgevormd. 

Ook al is de metamorfose heel moeilijk te begrijpen, we hebben hier wél een bepaalde hulp bij het verschijnsel dat ‘iets’ teruggehouden wordt en omgevormd tot wat met het denken samenhangt: het vormen van voorstellingen. 

In GA 348, vertaald, behandelt Steiner dit op een eenvoudigere manier in voordracht 6.  

Misschien heeft bovenstaande wat meer licht geworpen op:

Blz. 174  vert. 175

Sie verwandeln dieses Tierreich in Ihre Gedanken. So stehen wir zum Tierreich in Beziehung. Wir lassen ühersinnlich dieses Tierreich in uns entstehen und lassen es dann nicht zur sinnlichen Wirklichkeit kommen, sondern halten es im Übersinnlichen zurück. Rumpf und Gliedmaßen lassen diese entstehenden Tiere in ihr Gebiet nicht herein.

U metamorfoseert deze dieren tot uw gedachten. Dit is onze relatie tot de dierenwereld. We laten de dierenwereld bovenzintuiglijk in ons ontstaan en laten die dan niet zintuiglijk tot verschijning komen, maar houden die terug in de bovenzintuiglijke wereld. Romp en ledematen laten deze dieren niet in hun gebied toe. 

Dan eindigt dit stukje met – opnieuw – een moeilijk te vatten gezichtspunt:

Wenn der Kopf zu sehr die Neigung hat, etwas von diesem Tierischen zu erzeugen, dann sträubt sich der übrige Organismus, das aufzunehmen, und dann muß der Kopf zur Migräne greifen, um es wiederum auszurotten, und zu ähnlichen Dingen, die sich im Kopfe abspielen.

Wanneer het hoofd te zeer de neiging vertoont iets van dit dierlijke te laten ontstaan, dan verzet zich de rest van het organisme ertegen dit in zich op te nemen en dan moet het hoofd naar migraine en dergelijke middelen grijpen om dit dierlijke weer te vernietigen.
GA 293/173-175
Vertaald/174-176

Nu ligt uiteraard ‘migraine’ op het gebied van de geneeskunst.
In GA 312, voordracht 5
Vertaald en als PDF-bestand gratis te downloaden

en GA 27, hoofdstuk 19
Vertaald  idem

behandelt Steiner dit onderwerp uitvoeriger.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] Portmann ‘Het beeld van de mens
.

Algemene menskunde: voordracht 12 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

2514

 

.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.