Categorie archief: nederlandse taal

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.
Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

.
VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 1500 artikelen

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
via de blog van Madelief Weideveld

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

 

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

 

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

Advertenties

VRIJESCHOOL – Poëzie – over de roos

.
Wanneer het in de (hogere) klassen van de middelbare vrijeschool om poëzie gaat, kan dit artikel een waardevolle achtergrond zijn voor de behandeling van bepaalde gedichten. Ook de meer filosofisch getinte gedachten kunnen in het aan de orde stellen van deze manier van denken een bepaalde handleiding vormen.

De roos in de poëzie

De vraag: ‘Waarom lees je gedichten?’ is niet zo eenvoudig te beantwoorden. Voor de hand liggende antwoorden zijn natuurlijk: ‘Ik lees gedichten, omdat ik ze mooi vind’, of: ‘Gedichten doen me wat’. Hiermee is echter weinig wezenlijks gezegd. Beide antwoorden geven aanleiding tot het stellen van vragen. Immers: als je zegt dat je gedichten mooi vindt, rijst onmiddellijk de vraag:

‘Waarom vind je ze mooi?’

Als je zegt dat gedichten je wat doen, stuit je op de vraag: ‘Waf doen gedichten eigenlijk?

De vraag naar het waarom van gedichten lezen, roept een aantal achterliggende vragen op, die alle een antwoord behoeven. In dit artikel wil ik een aantal van die vragen bewust maken en proberen ze te beantwoorden.

De vraag luidde: waarom lees je gedichten? Het eerste antwoord was: ik vind gedichten mooi.
De tweede vraag luidde toen: waarom vind je ze mooi?
Het antwoord kan zijn: ik vind ze mooi, omdat de dingen er vaak zo prachtig in worden gezegd.
Als je een voorbeeld wilt geven, kun je zeggen: De meeste mensen zeggen iets gewoon in alledaagse taal, bijvoorbeeld: ik had vroeger een groot verdriet.

Roland Holst kon het veel mooier zeggen:

‘Al menig najaar ritselt en dwerelt
over het graf van een oud verdriet.’

Een ander zal niet zeggen: de dingen worden in gedichten mooi gezegd, maar: de dingen worden ontroerend gezegd. Ook hij kan voorbeelden vinden:

Wij sloegen hem aan ’t kruis. Zijn vingers
grepen
wild om den spijker toen ’k den hamer hief –
Maar hij zei zacht mijn naam en: ‘Heb mij
lief-
En ’t groot geheim had ik voorgoed begrepen.
(Nijhoff)

Een derde zal zeggen: in gedichten worden de dingen op een verrassende, treffende manier beschreven. Zijn voorbeeld:

Zag ik een bloesem
die naar haar tak terugkeerde?
Ach, ’t was een vlinder.
(Moritake)

En zo kunnen we doorgaan: schoonheid, ontroering, verrassing, helderheid, geheimzinnigheid, eerlijkheid, grappigheid, enz… het zijn allemaal elementen die we in poëzie kunnen aantreffen.
Een tijdje verkeerde ik in de veronderstelling, dat hiermee het wezen van poëzie was begrepen: poëzie brengt zielenstemmingen teweeg. Ze ontroert, verrast, verblijdt, verstilt, enz. Het beleven van de poëzie leek een wandeling door een museum van menselijke gevoelens. Het stellen van verdere vragen doet echter inzien dat er meer schuilt in veel poëzie. Met de ontdekking dat poëzie menselijke gevoelens beschrijft, is niet het wezen van poëzie blootgelegd, maar slechts benaderd, aangeraakt.

De volgende vraag die gesteld moet worden is deze: in gedichten vind ik beelden die indruk op mij maken. Maar hoe kan het, dat het ene beeld ‘overtuigender en werkzamer’ is dan het andere?
De eerste lezing van het gedicht ‘Hulshorst’ van Gerrit Achterberg was een onvergetelijke belevenis, terwijl het gedicht ‘Vreemd’ van Arie Gelderblom in het geheel geen indruk achterliet.

Hulshorst

Hulshorst, als vergeten ijzer
is uw naam, binnen de dennen
en de bittere coniferen, roest uw station;
waar de spoortrein naar het noorden
met een godverlaten knars
stilhoudt, niemand uitlaat
niemand inlaat, o minuten,
dat ik hoor het weinig waaien
als een oeroude legende
uit uw bossen: barse bende
rovers, rans en ruw:
uit het witte veluwhart.

Vreemd

er stond een regenboog aan de hemel
die alleen blauw was.

Beide gedichten begrijp ik, dat wil zeggen, ik weet waar beide dichters op aan sturen. Doch de uitwerking van beide gedichten is volkomen verschillend. Achterberg brengt iets onder woorden dat ik onmiddellijk herkende. Ik heb nogal eens in de stoptrein Utrecht-Zwolle gezeten en een van de vele plaatsjes die deze trein aandoet is Hulshorst. Al die Veluwse plaatsjes langs de spoorlijn hebben een bepaald karakter, wekken een stemming op die vaak blijft sluimeren aan de rand van het bewustzijn (dit geldt trouwens niet alleen voor Veluwse plaatsjes). Het is meestal moeilijk die sluimerende stemming tot een heldere voorstelling te laten worden. Toen ik het gedicht van Achterberg las kreeg ik het gevoel dat hij nu precies in een helder beeld had gevat wat mij onbewust was bijgebleven. Ik herkende zijn beschrijving terstond: de bewuste ‘ontmoeting’ met Hulsthorst vond plaats. Ik werd er wijzer van.
Van het gedicht van Arie Gelderblom word ik niets wijzer. Ik verdiep me tijdens het lezen ervan even in de verwarring die het wil stichten: wat is nu blauw, de hemel of de regenboog? De hemel natuurlijk, alhoewel de zinstructuur even doet denken dat de regenboog blauw is. Trouwens, kan een regenboog verschijnen aan een hemel die alleen blauw is? Nee, tenzij je met een tuinslang de bloemetjes water geeft. Doet Gelderblom dat misschien? Lijkt me van niet. Vreemd, inderdaad Vreemd… en zo mijmer ik nog even verder tot ik uitgemijmerd ben. Als ik zover ben – en dat duurt niet lang – is het gedicht dood, ontkracht, en lees ik – na schouderophaal – verder. Niks wijzer. Even om de tuin geleid, even gemijmerd en verder niets. ‘Grapje’ denk je hoogstens. Het gedicht van Achterberg geeft het gevoel: dit is waar! Het gedicht van Gelderblom laat niets achter dan de gewaarwording: ik heb me uit een verwarring gemijmerd, zonder er door verrijkt te worden. Achterberg voegt iets toe aan mijn werkelijkheid. Gelderblom niets, behalve misschien de ontdekking dat je met taal allerlei grapjes kunt uithalen, maar dat wisten we al lang.

Het besef dat beelden krachtiger op je inwerken, naarmate ze – naar je gevoel – meer waar en bovendien nieuw zijn, is een belangrijke stap in de richting van het begrijpen van het wezen van de poëzie. Een krachtig beeld is waar én nieuw, dat wil zeggen de gewaarwording die door het beeld wordt gedragen en die je als waar ervaart, had je op die manier niet eerder gehad. (Er zijn veel ware beelden die niet nieuw zijn. Die noemen we clichés). Op deze stap volgen vragen die de zaak eerst recht ingewikkeld maken: als je het gevoel hebt dat iets waar is, is het dan ook waar? Hoe moeten wij met deze gevoelswaarheid omgaan? Maar voordat we deze vragen kunnen beantwoorden, moeten we eerst weten onder welke omstandigheden wij iets waar vinden. Wat bedoelen we als we zeggen: Iets is waar.

Als we een roos bekijken en de bladeren tellen, zeggen we: deze bloem heeft vijf kelkbladeren. Als we aan de juistheid van deze waarneming twijfelen, kunnen we de bladeren nog een tweede maal tellen, en als we dan weer uitkomen op het getal vijf, zeggen we: het is waar dat deze bloem vijf kelkbladeren heeft. Geen zinnig mens zal – als hij zelf nog eens geteld heeft – aan deze waarheid twijfelen.

We kunnen over de roos nog veel meer zeggen wat iedereen als waar ervaart: de rand van de bladeren is getand, de bloemen zijn enkelvoudig, aan de stengel zitten doornen, enz. We kunnen zo komen tot een categorische beschrijving van de plant, waarin alle (of een aantal) waarnemingen die wij met de zintuigen hebben gedaan, zijn ondergebracht. Wij bundelen al deze gegevens samen met gegevens van andere planten in een flora; gaan zelfs zover dat we relaties tussen planten vastleggen (plantenfamilies), daarbij uitgaand van dezelfde soort categorieën op grond waarvan we de roos beschreven, en zeggen: wat in deze flora staat is waar. Met behulp van het denken hebben we de wereld van de verschijnselen ingedeeld, in categorieën ondergebracht. Deze functie van het denken is voor ons zo vanzelf sprekend, dat de ontdekking dat het denken niet altijd is geweest wat het nu is, verbazing en ongeloof wekt. De geschiedenis van de wetenschap en de filosofie leert ons, dat het Aristoteles is geweest, die het menselijk denken voor het eerst met het oog op de categoriserende functie ervan, heeft bestudeerd en die als vader van de westerse wetenschap voor het eerst op grote schaal verschijnselen categorisch heeft beschreven. Zijn belangstelling voor de planten en de dieren was zo groot, dat hij Alexander de Grote, die op zijn tochten door gebieden kwam die voor de Grieken onbekend waren, planten en skeletten liet zenden naar Athene. Hij bestudeerde ze en vergeleek ze met voorbeelden uit zijn eigen omgeving. Aristoteles ontdekte zo samenhangen, die in zijn tijd grote verbazing wekten. Voor ons zijn dit soort studies gesneden koek.

De beschrijving van een plant, is niet de plant zelf. Dit is natuurlijk een open deur, maar het is van belang deze deur binnen te gaan om te zien wat er achter is. Want wat is een beschrijving dan wel? De mens neemt een plant waar. Hij verinnerlijkt de plant door er zich een voorstelling van te vormen. Hij schept de plant na. Hij denkt de plant na. In het innerlijk van de mens leven krachten, waarmee een beeld van de omringende wereld wordt gevormd. Het beeld dat de mens zich vormt wordt exacter – zeggen wij – naarmate de categoriale aspecten van het waargenomene meer zichtbaar worden. De categorieën maken het waargenomene tot een transparant mentaal beeld. De mens beschrijft de plant, nadat deze is verinnerlijkt, dat wil zeggen nadat de mens er zich een beeld van heeft gevormd en zich klaarheid heeft verschaft over de bouw en de vorm van de plant door haar te bezien in het licht van de (ideeële) categorieën. Een beschrijving van een plant is het resultaat van een proces, waarin de plant als het ware door de mens is heengegaan.

We zijn nu aangekomen op een punt, waarop het stellen van vragen niet langer zinvol is. De vraag rijst immers: Waarom leidt denken tot waarheid? Deze vraag kan leiden tot boeiende discussies, waarbij echter altijd één ding opvalt: zelfs de mensen die menen dat het denken niét tot waarheid leidt, trachten dit duidelijk te maken met behulp van het denken. Steeds weer zoeken ze argumenten, die echter alle kracht zouden verliezen, zodra ze in de praktijk zouden brengen wat ze proberen te bewijzen. Ook de mensen die menen dat het denken niet tot waarheid leidt, geven blijk van een spontaan vertrouwen in het denken op het moment, dat ze hun stelling met redenen omkleden. Op dit punt staat de mens eeuwig schaak, zou je kunnen zeggen. Het antwoord op de vraag: Waarom leidt denken tot waarheid?, luidt dan ook: deze vraag kan met het denken niet worden beantwoord. Ieder antwoord dat het denken geeft schuift de vraag op. Eeuwig schaak. We kunnen alleen in onszelf waarnemen, dat we een spontaan vertrouwen hebben in het denken, zoals we ook een natuurlijk vertrouwen hebben in de lucht die we inademen. Stop het ademhalen en je sterft. Stop het denken en je verliest jezelf.

Wij ervaren dus als waar, wat zuiver is waargenomen en waarover zuiver is nagedacht. Zuiver waarnemen en zuiver denken zijn de twee voorwaarden voor “verstandskennis’ (Het woord ‘zuiver’ zou hier vervangen kunnen worden door het woord ‘objectief’).

In een gedicht over Sappho (Grieks dichteres, 630 v. Chr. – 570 v. Chr.) vergelijkt Ida Gerhardt Sappho’s strofen met rozen. Het beeld dat zij van de rozen geeft, herkende ik onmiddellijk: ik had hetzelfde gevoel gehad bij het kijken naar rozen die al over het bloeihoogtepunt heen zijn:

Fragment

Als grote rozen voor een donkerend raam
de strofen, met het weggeborgen hart
van purper, haast versomberd tot zwart.
Als grote rozen voor een donkerend raam.
Sappho, de ondoorgrondelijke naam.

‘Het weggeborgen hart’, ‘het ondoorgrondelijke’, ‘de grote rozen’: deze beelden roepen het gevoel op dat men kan hebben’ bij het kijken naar rijpe rozen. Het gevoel van het geheimzinnige, het verborgene, het grote dat achter de dingen is. Het ondoorgrondelijke. Het ondoorgrondelijke dat je in paars geworden rozen kunt beleven, wordt sterk voelbaar door het beeld: ‘grote rozen voor een donkerend raam’. In paarse rozen kun je wegzinken, opgaan in het grote dat erachter is: het donkerend raam (er valt natuurlijk meer te zeggen over de betekenis van de rozen in dit gedicht. Er is bijvoorbeeld een verband met de liefde. Dat wil ik hier buiten beschouwing laten).

Een bioloog neemt een roos waar en denkt erover na. Ook de dichter neemt rozen waar, maar hij doet er heel iets anders mee dan de wetenschapper. Ik zei al dat de waarheid die we in poëtische beelden ervaren een gevoelswaarheid is. Zoals de wetenschapper de roos verinnerlijkt om het licht van het denken erover te laten schijnen, zo verinnerlijkt de dichter de roos om er tevens het licht van het gevoel over te doen schijnen. Een dichter neemt de roos waar, maar let daarbij niet alleen op het aantal kelkbladeren, de dikte van de stengel, enz. Waar het denken belang stelt in categoriale kenmerken, zoekt het gevoel naar de stemming, de ‘zielenkleur’ die van het verschijnsel uitgaat.

Zodra het onderscheid tussen verstandswaarheid en gevoelswaarheid me duidelijk was, rees de volgende vraag: je kunt nu wel het gevoel hebben dat iets waar is, maar is het dan ook waar? De zielenstemming die je meent waar te nemen, is dat iets objectiefs? Of is dat niets anders dan een soort
gevoelssamenstelling van herinneringen, verlangens, e.d.? Bestaat die zielenstemming, die zielenkleur die je waarneemt bij het kijken naar een roos ook buiten jou?

Nu is het een gewoonte geworden om de categoriale kenmerken ‘objectief’ te noemen, dat wil zeggen meetbaar, terwijl men de zielenkleur ‘subjectief’ noemt. Deze gewoonte is het resultaat van een wetenschapsopvatting die in Europa in de zeventiende eeuw gestalte kreeg in de werken van onder andere Newton en Locke, het zogenaamde empirisme. Alles wat objectief is, kun je hard maken, in getallen en maten weergeven, met je zintuigen waarnemen,… en daar houden we van. Vrijwel de gehele hedendaagse wetenschap roemt zichzelf om haar objectiviteit: de uitkomsten kunnen in principe door iedereen gecontroleerd worden. Het predikaat ‘subjectief’ wordt gebruikt om het tegendeel van algemene geldigheid aan te duiden. Een subjectieve ervaring geldt alleen voor het subject dat de ervaring heeft. Subjectief wordt dan ook in de regel in geringschattende zin gebruikt. Gedachten kunnen helder zijn en dus objectief. Gevoelens zijn alleen maar vaag, dus subjectief.

En hiermee lijkt de poëzie op de schroothoop te zijn beland. ‘Als tijdverdrijf wel leuk, maar met kennis heeft het niks te maken.’ Gevoelens zijn subjectief, dus poëtische beelden, waarin je een zielenkleur ervaart, ook.

Maar: is de rooservaring van Ida Gerhardt subjectief? Geldt deze ervaring alleen voor haar? Zeker niet. Ze geldt bijvoorbeeld ook voor mij, maar ook vele dichters en dichteressen hebben er in hun gedichten blijk van gegeven, dat het ‘ondoorgrondelijke’ voor hen nauwverbonden was met de roos. De twee volgende voorbeelden zijn niet bedoeld als bewijs voor deze stelling. Ze zijn bedoeld als illustratie. Iedereen kan voor zichzelf gaan zoeken naar ‘roosgedichten’ om de juistheid van het beweerde te toetsen. (Het is overigens een goede wijze van kennismaken met de poëzie om uit te gaan van een bepaald thema of dichterlijk beeld. Als je bijvoorbeeld op zoek gaat naar de gevoelswaarnemingen van de herfst, de jeugd, de boom, de moeder, de lelie, enz., ervaar je de eenheid en de verscheidenheid van die waarnemingen en bovendien krijg je vertrouwen in de poëtische waarneming als zodanig).

Het eerste voorbeeld is van de Mexicaanse dichter Xavier Villauruttia (vertaald door H.C. ten Berge). In deze ‘Roos nocturne’. wil de dichter spreken van de roos. Hij zegt:

Het is niet de windwijzer roos,
noch het geheime gezwel,
noch de stipte roos die de tijd geeft,
noch de zee kompas roos.

Hij wil spreken van een andere roos. Hij zegt dan:

Nee, het is niet de roos roos
maar de ongeschapen roos,
de nachtelijke,
de onstoffelijke roos,
de lege roos.

En de eerste regel van de volgende strofe luidt:

Het is de roos van de tastzin
in het diepe donker.

Voor Xavier Villauruttia hangt de roos samen met het verborgenen, het ondoorgrondelijke. Dat blijkt uit bovenstaande strofe, maar ook uit de laatste drie regels van het gedicht:

de zwarte roos van kool diamant
die geruisloos het diepste donker doorboort
en geen plaats inneemt in de ruimte.

Het tweede voorbeeld is van Rainer Maria Rilke. In veel van zijn gedichten beschrijft hij rozen. Ik koos een aantal regels uit het gedicht ‘Das Rosen-Innere’. Het gedicht begint met de vraag:

Wo ist zu diesem Innen
ein Aussen?

en een tweetal regels verder:

Welche Himmel spiegeln sich drinnen
in dem Binnensee
dieser offenen Rosen,
(…).

En ook:

(…)viele Hessen
sich überfüllen und fliessen
über von Innenraum (…).

Ik weet uit eigen ervaring dat het gevoel buitengewoon subjectief kan zijn. Maar dat kan ook het geval zijn met het denken, vandaar ook dat we zeggen: zuiver denken leidt tot waarheid. We erkennen het zuivere (objectieve) denken als wetenschappelijk kenorgaan. We doen dat, omdat een individuele ‘denkhandeling’ controleerbaar is. Iedereen is bereid een gedachte van een ander te aanvaarden na deze te hebben getoetst aan de waarneming en de logica. De basis van deze bereidheid ligt in het gemeenschappelijke vertrouwen in het denken.

Dit alles kan ook gelden voor het gevoel. Als wij thuis raken in het gevoelsleven, zoals wij thuis zijn in het denken, kan een gevoelszuiverheid ontstaan, waarin het emotionele sympathie- en antipathiebeleven de waarnemingen niet langer een subjectieve kleur geeft, maar waarin in de verstilling stemmingsgestalten groeien die ons wezenlijke eigenschappen van de verschijnselen openbaren. Deze openbaringen zijn objectief: de mensen die de weg van de emotieverstilling zijn gegaan, kunnen ze controleren. Alle grote dichters blonken uit in het verstild waarnemen. Ze namen mensen, bomen, dieren, bloemen, ideeële voorstellingen enz. waar, zonder zich persoonlijk te mengen in de indruk die dit alles op hen maakte. Het denken, zeggen wij, hoort vooroordeelloos te zijn. Het gevoel zou ook zonder zelf iets te willen, zonder zelf emotionele doelstellingen te hebben, vrij moeten zijn, zoals het denken vrij kan zijn.

Na een aantal vragen te hebben gesteld (een andere vragenreeks zou ook mogelijk geweest zijn: klank- en ritme-aspecten zijn bijvoorbeeld niet aan de orde geweest) komen we weer uit op de eerste vraag: Waarom lees je gedichten?

In goede gedichten word je geconfronteerd met ware gevoelswaarnemingen. De dichterlijke beelden verruimen onze ervaring en dat geeft plezier. Maar tevens wordt door het mediterend lezen van gedichten onze gevoelswaarneming geschoold, zodat we zelf steeds zelfstandiger en objectiever als gevoelswezen in de wereld kunnen staan. En dat is belangrijk in een tijd waarin voor velen nog steeds de uitspraak van Fleming geldt: ‘Gevoel is iets waar ik niet mee bekend ben.’

.

Jelle van der Meulen, Jonas 18, 04-05-1979

.

Nederlandse taal: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Taalraadsels

.

voor hogere klassen

1] HIAAT

Per kolom van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters. De drie ontbrekende combinaties van kolom 1, 2 en 3 vormen samen een woord

[1-1]

—ND                —NDY               —UID

TO—T              S—EP                TE—

S—D                POR—T             —OOF

Oplossing:

In de eerste kolom ontbreken de letters  MAA  (maand, tomaat, smaad)
In de tweede: TRE (trendy, streep, portret)
In de derde: GEL (geluid, tegel, geloof)

Samen MAA  TRE  GEL = gezochte woord: MAATREGEL

[1-2]

Per kolom van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters. De drie ontbrekende combinaties van kolom 1, 2 en 3 vormen samen een woord

AM…                           RO…                               ATT

…RON                        …TEL                              …REE

KA…                           …IE                                 KR…

Oplossing:

In de eerste kolom ontbreken de letters  PER  (amper, perron, kaper)
In de tweede: MAN (roman, mantel, manie)
In de derde: ENT (attent, entree, krent)

Samen: PER MAN ENTt = gezochte woord: PERMANENT

[1-3]

Per kolom van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters. De drie ontbrekende combinaties van kolom 1, 2 en 3 vormen samen een woord

…TANT                                    …LIE                                 …SIN

BA…                                         …PEZE                              KALE…

…SUL                                       MA…S                                 …TA

oplossing:
de ontbrekende letters in de 1e kolom:  CON   (contant, bacon, consul)
in de 2e: TRA (tralie, trapeze, matras)
in de 3e: BAS (bassin, kalebas, basta)

Het hiaat wordt gevormd door:  CON  TRA  BAS = CONTRABAS

.

]1-4]

Per kolom van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters. De drie ontbrekende combinaties van kolom 1, 2 en 3 vormen samen een woord

…TEST                                                CE…T                                             …LAAR

…MPT                                                 …UET                                             AUB…

…ZA                                                    SA….                                                 PAR…

 

Oplossing:

In de eerste kolom gaat het om: PRO   (protest, prompr, proza
In de tweede om: MEN   (cement, menuet, samen)
In de derde om: ADE  (adelaar, aubade, parade)

Gevraagde hiaat: PRO    MEN   ADE  =  PROMENADE

 

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

.

1519

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 9e klas – taal: opstellen in ‘stijl’ (4)

.

Dit artikel is het vervolg op ‘deel 1’ , deel 2 en deel 3.  Ik heb het in de oorspronkelijke spelling laten staan. 

 

OPSTELLEN VAN KINDEREN. (Vervolg)

Het stylistisch vermogen der kinderen, dat in de achtste klas vooral gevormd werd door het schrijven van handelsbrieven, krijgt in de negende klasse een vrijer arbeidsveld, namelijk het historische opstel. De historische leerstof van de negende klas omvat de moderne geschiedenis vanaf de tachtig- en dertigjarige oorlog ongeveer.
Over hetgeen in de geschiedenisperiode behandeld werd, moeten de leerlingen in de literatuurperiode opstellen maken — tevens een schoone herhaling van de geschiedenis!

Nu gaat echter lang niet altijd de menschelijke ontwikkeling steeds in een rechte lijn voorwaarts. Het stijlvermogen der kinderen ondervindt m.i. op ongeveer vijftienjarigen leeftijd eenige beperking. Het is vooral de lichte stijl, die de kinderen meester zijn, terwijl zwaarder stijlvormen moeilijkheden opleveren. Ik druk — om de voorbeelden extra-karakteristiek te maken — kleine opstellen van twee melancholische kinderen (die van nature juist neigen tot het zwaarder genre) af. Er werden ook grootere opstellen gemaakt, doch deze voorbeelden zijn waarschijnlijk sprekend genoeg, zoowel voor ’t lichte- in den stijl, als voor het stijlvermogen.

Drieentwintigste voorbeeld

Fransche salon

Helder, stralend licht van vele duizenden kleine vetkaarsjes — stralend licht, hoewel een beetje walmig en benauwd. Zwierige meubelen in rococostijl en hooge, groote spiegels, schitterend, die alles verdrie-, viervoudigen. Zware zijden, ruischende gewaden (soms al van groot- en overgrootmoeder) met ellenlange slepen en kilometer hooge coiffures. Zij spiegelen naar alle kanten rond geleerde gezichten (van de dames natuurlijk) en schoone, edele, dappere, geestige, krijgslustige, prachtige, snoezige (ach, ach) gezichten van de heeren; buigend en beleefd (doodsbenauwd voor de dames. ,,Zoo akelig geleerd, he! Niks voor ons.” Maar dat kan je natuurlijk niet laten merken. Liever sterven, ah, ah, prachtig, met het zwaard in de hand.)

— „Monsieur de Sévigné, hebt u Keppler’s nieuwste boek over natuurwetenschappelijke onderzoekingen al gelezen?” ,,Eh, ja, eh, mevrouw. Werkelijk, het leek mij, eh, ook zoo buitengewoon interessant, daarom heb ik het ook nog niet, ach nee, ben ik ook van plan het zoo spoedig mogelijk te lezen. Ja, die Keppler, welk een schoone geest, nietwaar Mevrouw; ach, ik aanbid hem (eh, uit de verte), ik bestudeer en lees alles van hem (o God, wat zei ik toch), ja Mevrouw, ik dweep met hem!”

Vierentwintigste voorbeeld

Spanje aan het eind van de 17e eeuw

Boem, boem, boem —

Spanje is dood, dood — boem, boem, dood, dood, dood —
Zware galmen vervulden de lucht, grauwend de wolken en traag vloeit een rivier.
Lange droeve kreten weerklonken, smart beheerschte de menigten, rouw de harten.
Zie, die treurig lange, grauwende stoet, de lange stoet, optrekkend door het land; want Spanje is dood.
Weenende, groote gestalten; kermende doffe ellende, zie hoe zij optrekken. Optrekken door het land. Langs verlaten dorpen en mijnen, die vervallen zijn en akelige havens met half verrotte schepen.
Boem, boem. Dood. Spanje, Spanje is dood.

Vijfentwintigste voorbeeld

Spanje in ’t begin der 17e eeuw

Het is een stille nacht over Madrid. De straten zijn verlaten: doch daar sluipt iets roods, een groote hoed, een warbos van linten; ’t is al voorbij geslopen. ”
Daar beweegt zich nog iets in dezelfde richting: ’t is groen, een kleine hoed met reusachtige veeren, een warbos van linten; ’t is al voorbij. Nu is ’t weer eenzaam op straat.
Maar daar beweegt zich weer iets, wit, vliegend; ’t is een duif, die vergat te slapen.
Doch nu is de stilte geweken. Uit iedere duistere hoek klinken de serenades op in de lucht, bestemd voor een Spaansche schoone. Hier een cavalier op de knieën liggend, met smeltende stem, begeleid door in elkaar vloeiende tonen en accoorden der gitaar, zijn schoone toezingend. Daar een cavalier, zijn serenade geëindigd, wachtende op een bloem, een lied of slechts een blik van haar. Weer iets verder klinkt een helderzingende stem van een Spaansch meisje dat aan het open verlichte venster staande, een serenade beantwoordt. Als het geëindigd is, valt een witte roos naar beneden, plotseling is ’t venster dicht en donker. De roos wordt door hem opgeraapt, hij drukt de roos aan zijn hart, aan zijn lippen….. dan is ook hij verdwenen.

Zes en twintigste voorbeeld

Spanje aan het eind der 17e eeuw

Donkere donderwolken pakken zich samen. Donderend en brullend bruischt de zee tegen de zwarte rotsen.
In de verte is op de woeste zee een donkere massa zichtbaar: een vloot. De witte dorpjes langs de kust gelegen op de zwarte rotsen lijken grauw en verlaten. Geen wonder. De zeeroovers hebben de gansche Spaansche kunst leeggeplunderd. Nu naderen daar de onheilspellende zwarte drakenschepen. De zeeroovers hebben een goed land uitgezocht. Soldaten zijn niet te vinden. De menschen zijn allen teruggegaan naar de grauwe steden. De groote huizen staan er leeg en kaal. Vuil, met donkere ramen en grijze muren. De menschen zijn bedelaars en vagebonden, weerloos.
Krijgsgeschreeuw klinkt en weerklinkt in de straten. De zeeroovers!
Ook hier is geen bedelaar veilig en in dichte drommen trekken de weerlooze loome menschen weg. Weg naar een andere stad, om daar weer verjaagd te worden.
En de koning? Heeft dit land dan geen koning? Geen ministers?
Is er niet één in dit land, die iets kan?
In ’t paleis van den koning is ’t stil. De koning is een gek, die niet weet, dat hij regeeren moet. Met doffe oogen en een doffe geest wacht hij op den dood, tot deze hem komt halen uit dit tot verval gedoemde land.

 

De lichte stijl, die de kinderen op dezen leeftijd zoo graag gebruiken, vindt uitstekend zijn weg in korte gedichtjes, waartoe zij snel komen. Hiervan enkele voorbeelden:

Zevenentwintigste voorbeeld

Marie Antoinette

Gewichtig in de geschiedenis
Dat Marie Antoinette is!
Zeker, zeker!
Duizend jurken,
Vijfhonderd hoeden van echte zij,
En staatszaken nog daarbij.

Achtentwintigste voorbeeld

Gaetan Vestris, (de groote danser van de 18e eeuw, voor wiens voorstelling in Londen zelfs ’t parlement verdaagd werd.)

Hiep ho, hopsa hei
Altijd lustig, altijd blij;
’t Parlement vergadert niet
Als men Gaetan op ’t podium ziet.

Negenentwintigste voorbeeld

18e Eeuwsche feest

De sierlijke zwierige paren
Glijden geruischloos door de zaal,
Golvend als wieken der baren.
Oude heeren, leelijk en kaal
Dansen met glinstrende oogen
Doorgaand uur na uur, onder de bogen
Van licht.

Dertigste voorbeeld

Sérénade au clair de la lune (18e eeuwsch)

Un beau soir
A son boudoir
Se met a écouter la jeue belle.
Dans sa bouche
Comme une cérise
Rouge et précise
Un caramel.
Au fond du jardin
Sous les arbres noirs
II chante ses sérénades,
Sachant qu’elle
Dans son boudoir
Pense a lui.

(Het Fransch is weliswaar niet geheel correct, maar het gedichtje als zoodanig, in zijn lichtheid, m.i. vaardig genoeg om op te nemen.)

Eenendertigste voorbeeld

Ode aan de zon (18e eeuwsch)

O zon, gij doet de mensch zoo goed,
Doet tintelen ons bloed.
Gij geeft den mensch weer kracht,
O zon, gij hebt veel macht.

Want als gij eens verdween;
Sterven zou dan iedereen.
De aarde zou dan worden als de maan
En andere planeten die rondom u staan.

Ja zon, zooals ik zei, ik houd van jou;
En was je geen zon, maar een lieftallige vrouw
Ik omhelsde je teeder, enzoovoort
Maar jij bent de zon, waarbij zoo iets niet hoort.

Met deze kleine voorbeelden wil ik voorloopig deze serie artikelen besluiten. Echter niet zonder nog eens erbij gevoegd te hebben dat het vermogen de taal te hanteeren — mondeling en schriftelijk — behoort tot de edelste menschelijke vermogens. Het aankweeken van goede stijl in schrijven en spreken, beteekent het aankweeken van ware menschelijkheid. En zoo kan in het algemeen gezegd worden: Het onderwijs in de moedertaal heeft vooral tot taak het edelste in het menschenkind op te roepen en tot ontwikkeling te brengen; het moet den mensch brengen in harmonie met zichzelf.

.

M.Stibbe, Ostara vrijeschool Den Haag, 1e jrg.nr.6, 1928

.

deel 1   deel 2    deel 3

Rudolf Steiner: over het schrijven van opstellen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

.

1084

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e, 8e klas – taal: opstellen in ‘stijl’ (3)

.

Dit artikel is het vervolg op ‘deel 1’ en deel 2.  Ik heb het in de oorspronkelijke spelling laten staan. 

.

OPSTELLEN VAN KINDEREN (vervolg)

In de twee vorige nummers  van „Ostara” schreef ik over het taalonderwijs in de zevende en achtste klasse van de „Vrije School”. Ditmaal laat ik hierbij aansluiten eenige opstellen van kinderen uit een achtste klasse over twee dezelfde onderwerpen, namelijk een bezoek aan het Museum Mesdag te ‘s-Gravenhage, dat kort daarop gevolgd werd door een bezoek aan het Museum Kröller, waar meer moderne schilderijen tentoongesteld worden. Het kan misschien voor velen interessant zijn naast elkaar te lezen, wat op vrije wijze, hierover, door de leerlingen werd geschreven. De bezoeken hadden plaats naar aanleiding van het behandelen der schilderkunst in de 19e en 20e eeuw in de geschiedenisperiode. Hierover en over de elkaar opvolgende kunstrichtingen werd in het algemeen gesproken, over de bijzonderheden minder, zcodat de in de opstellen besproken details geheel uit de kinderen zelf ontstaan zijn.

Zestiende voorbeeld

Gedachten bij het schilderij van Jozef Israëls: „Alleen op de Wereld”.

Een nevelig waas hangt over de kamer. Een waas van den dood; van het onbegrijpelijke. Jarenlang had hij, Jelle, met zijn vrouw samengewoond en zij had gezorgd en gezwoegd van den morgen tot laat in den avond. Nu was ze dood. En als ik naar het schilderij kijk, zie ik den man zich omdraaien en angstig kijken naar het bleeke gelaat, met de rimpels van arbeid en de zorg. En hij grijpt naar de medicijnflesch, die op tafel staat. Maar zijn vrouw is dood… In stomme droefheid, de handen gevouwen, bevend, zit hij op een stoel. Hij kan het zich niet indenken. De klok in de eenvoudige kamer tikt langzaam. Jelle staat op en zacht, op zijn kousevoeten loopt hij naar de doode. Hij kust het rimpelige gezicht en fluistert zacht: „Je was toch goed voor me, hoor.” De man herinnerde zich de tijd, waarin ze elkaar soms niet begrepen hadden. Tranen biggelen langs zijn wangen, terwijl de nevel langzaam wijkt. Nu staat hij alleen in de wereld.

Zeventiende voorbeeld

Bij het schilderij van Jozef Israëls „De zieke vrouw”.

Schamel is het anders zoo overvloedige maal bij den heer Hennings. Zijn zaken, die tot nog toe zoo reusachtig goed gingen, zijn langzamerhand achteruitgegaan. Een week geleden had hij de zaak moeten opheffen. Dit was een te groote slag geweest voor zijn nog jong vrouwtje. In die week was ze zoo erg ziek geworden, dat de dokters voor haar leven vreesden. Dure levensmiddelen kon men haar niet geven. Dus haar genezing werd niet geholpen. Arme Hennings, om daar zijn jong, blozend en gezond vrouwtje zoo uitgeteerd op het schamele leger te zien liggen. De lijdenstrekken, die al dien tijd om zijn lippen speelden, waren tot een diepe groef geworden. De dokter was er vandaag nog geweest en had gezegd, dat de crisis nabij was. Zoo ligt zij dan met den dood te strijden. Hennings staart droevig voor zich uit. Daar ontsnapt de laatste zucht bij de stervende. Arme vrouw. De dood heeft overwonnen. Zij moest haar diepbedroefden man alleen achterlaten. Het was Gods wil.

Achttiende voorbeeld

Museum Mesdag.

Vanmiddag gingen wij naar het Museum Mesdag. Toen wij binnenkwamen trof ons dadelijk het borstbeeld van dezen grooten meester. Zijn breede, groote kop keek vriendelijk rond in het huis waar hij gewoond en gewerkt had. Boven hingen groote zeegezichten van hem; de zee woest-bewegelijk, groen en bruin, met dikke witte koppen; kleine visscherspinken op den achtergrond, en geweldige wolkenmassa’s, waar het licht zoo straalsgewijs, als na een onweer, even doorbreekt. Een van de werken van Millet heeft een geweldigen indruk op mij gemaakt. De uitdrukking op het gezicht van de vrouw op den voorgrond was van zoo’n doffe dierlijkheid en van zoo’n groot menschelijk verlangen tegelijk, dat het was of deze mensch levend van ’t doek zou komen.

Negentiende voorbeeld

Museum Kröller.

De schilderijen in ’t Museum Kröller waren wel in staat iemand te overweldigen; ik kan niet zeggen wat van alles mij het meest heeft getroffen. Het „Trappenhuis” van den Hollandschen schilder Mondriaan, de „Piëta” van Degouve de Nunques of de „Blinden” en de „Pratende Vrouwen” van den Kubist van der Leck. — Ik geloof wel de laatsten. De stemming, die over de werken lag deed iemand rillen. Dat moeten dragen van „de Blinden”, waar geen opstandigheid of gelatenheid op hun gezichten te lezen was, maar alleen blindheid, in de omgeving, de buizen, ja zelfs tot in de kleeren toe, was zóó grootsch, zóó geniaal gedaan, dat het tegelijk heerlijk en afschuwelijk was, om naar dit werk te zien. Toen kwamen we bij van Gogh. In tegenstelling met het Kubisme geen vaste vormen, geen begrensde lijnen, alleen kleur en schwung, kracht en moed.

Het „Ravijn”, wilde bergstroom tusschen rotsen; cypressen, donker, dreigend en met een geweldige kracht.En daarnaast het heel teere roze kerseboompje.

Van Gogh was een hartstochtelijk zoekend mensch. Moet men hem daarom beklagen? Hij zocht, heeft hij gevonden? Ja!

Twintigste voorbeeld

Schilderijen. (Uit het Museum Kröller.)

Een waterval ruischt naar beneden. De blanke droppels vallen in het heldere meertje. Zij zijn zoo schoon en fijn en zóó kleurrijk. De duizend blanke drupjes zijn zoo blank en rein.

Een donkere mist, grauw opeengepakt. Ondoordringbaar. — Een blij lichtje en vogelgezang. Het is alles zoo grauw en donker. Hu, hu, hu.

Een oplaaiende vlam. En een vonk. Een bliksemstraal. En een lichtende zon. Alles dwarrelt omhoog met een groote kracht. Dan weer wild, woest, grootsch. Dan weer zacht en kalm. En de lentezon kijkt vriendelijk om een hoekje.

Eenentwintigste voorbeeld

Een Schildersmeening.

De eene mensch zegt: „Schilderen is de kunst”. Maar een ieder heeft een anderen smaak. „Tooneelspelen, dat is ’t wat men hebben moet.” Zoo zegt de een dit en de ander dat. Ik vind alles wat mooi is en goed kunst. Als een mensch een schilderstuk maakt, waarin hij zijn gevoelens probeert uit te drukken en om de menschen daarmee te helpen, dan is dat goed en mooi. Als iemand een rol speelt bijv. van een arme vrouw en ze leeft daarin en laat zien hoe vreeselijk zoo iets kan zijn, dat de menschen toch medelijden moeten hebben, dan is dat ook zeer goed en kunstig. Maar men moet meenen, wat men in die rol tracht uit te beelden, anders denken de menschen iets goeds over die uitbeelding, terwijl het eigenlijk valsch en niet gemeend is. Vincent van Gogh tracht ook zichzelf in zijn werk uit te beelden; ’t broeit en woelt in hem om in zijn schilderstuk ’t leven te brengen. Zijn boomen staan daar vlammend als wilden zij omhoog. Hij schildert een cypres, heel hoog, naar boven getrokken; de maan en de sterren leven. Hij maakt den hemel zoo, als zag je daar de baan, die de sterren beschrijven. Hij smeert de kleuren op het doek, het duurt hem te lang, voordat er een beeld verschijnt. Maar dan is ’t ook zoo forsch en met zoo’n leven bezield, dat ’t als ’t ware te zien is hoe alles leeft en werkt.Zijn werk is met leven bezield; zijn koppen zijn gedurfd en geestig.

Een schilderstuk (van Degouve de Nunques) was er van een stad, blauw en geheimzinnig. Degene, die buiten op het veld staat voelt zich eenzaam en alleen, als hij daar die stad ziet liggen met haar gezellige flikkerende lichtjes, die tusschen de huizen dóórschemeren. Zoo zal de schilder zich ook hebben gevoeld. „Ik sta hier alleen en daar in een warm huis, wat zal ’t daar heerlijk en gezellig zijn!”

De „Pias” van Renoir vond ik erg geestig.

’t Schilderwerk, dat ik gezien heb, was allemaal erg mooi en vol gevoel, dit laatste ’t meest bij Vincent van Gogh; de felle kleurschakeeringen van van Rysselberghe en trouwens ook van van Gogh waren prachtig. Ik heb er weer veel van geleerd. Schilderen is moeilijk, maar prachtig.

Tweeentwintigste voorbeeld

Vincent van Gogh.

Vincent van Gogh, de voorganger van het expressionisme. Vincent van Gogh, de woelende, zoekende mensch, uitbeeldend van wat er in zijn ziel omging in zijn schilderstukken. De laaiende, krachtige boomen en luchten op het doek, die den toeschouwer in vuur en vlam zetten. De cypressenweg met de maan en de sterren, die schijnen te leven, te bewegen, te deinen, is onvergetelijk. Maar ook de tragische zijde vindt haar plaats in zijn schilderstukken. In het oude mannetje op den kapotten stoel bij het stervende vuurtje is zoo iets droevigs, dat het alles levend schijnt. Ik vind dezen vertwijfelenden grijsaard veel mooier dan de kubistische schilderstukken van van der Leck. De ellende van het blindzijn is wel uitgebeeld op de gezichten van de beide mannen, geleid door het kleine meisje, maar het leeft niet. De houding van de menschen bij den „Brand”, een werk van denzelfden schilder, is ver van menschelijk. Het lijkt wel wat op de Egyptische muurschilderingen. Het schilderstuk van van Gogh is veel aangrijpender, omdat de houding menschelijker is.

M.Stibbe, Ostara vrijeschool Den Haag, 1e jrg.nr.5, 1928

.

deel 1   deel 2    deel 4

Rudolf Steiner: over het schrijven van opstellen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

.

1083

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – 7e, 8e klas – taal: opstellen in ‘stijl’ (2)

.
Dit artikel is het vervolg op ‘deel 1’. Ik heb het in de oorspronkelijke spelling laten staan. 

OPSTELLEN VAN KINDEREN. (Vervolg)

In het vorige nummer van „Ostara” kon ik aan de hand van eenige voorbeelden van kinderopstellen laten zien op welke wijze door mij werd getracht de kinderen te oefenen in het gebruiken van hun taal en het vinden van een stijl, die de noodige soepelheid heeft.

Voor de 8e klas van de „Vrije School” staat voorgeschreven als vervolg van wat in de 7e klasse geoefend werd, het schrijven van zakenbrieven. Het waardevolle van wat Dr. Steiner in het leerplan voorschrijft, blijkt ook weer hier. De kinderen, die geleerd hebben, scheppend te werken met de taal, zoodat zij allerlei gevoelsmanieren kunnen uitdrukken, moeten nu leeren dit ook te doen, daar waar de meest vastgelegde uiterlijke vorm bestaat, zooals in de zakenbrieven.

De uiterlijke vorm is een oefening voor de zorgvuldige en correcte afwerking. De inhoud van een zakenbrief is het resultaat vaak van zeer fijne gevoelsnuancen, zooals die in de zakenwereld kunnen bestaan tusschen een handelsman en zijn leveranciers eenerzijds en cliëntèle anderzijds.

Drie voorbeelden mogen dit demonstreeren, namelijk een van een sollicitatiebrief (geheel eigen fantasie van het kind), een reclamebrief (idem), en een antwoord op een reclamebrief (idem).

Tiende voorbeeld

Zeer geachte Heer,

Naar aanleiding van Uw advertentie ben ik zoo vrij mij aan te bieden als typiste. De H. B. S. is door mij afgeloopen, waarna ik op het Instituut Schoevers het diploma voor machineschrijven behaalde.

Later woonde ik een jaar te Amsterdam en werkte daar als typiste op het handelskantoor van mijn oom, de Firma Pietersen. In September 1926 deed ik examen stenographie en slaagde, eveneens op het Instituut Schoevers.

Mijn vader, genoodzaakt door een langdurige ziekte te bed te blijven, moest zijn werkzaamheden afbreken. Daar het ziekenpensioen niet toereikend is om in de behoeften van ons gezin te voorzien, ben ik verplicht een betrekking te zoeken om in het noodige te voorzien.

Mijn leeftijd is 24 jaar. Ik ben ongehuwd. Zeer gaarne zou ik met grooten ijver mijn betrekking aanvaarden.

In de hoop op gunstige tijding, verblijf ik

Hoogachtend, uw dw.

MARIE VAN LINT.

Elfde voocbeeld

W. Feldin & Co.
Spui 15
Den Haag
Holland.

Aan den heer F. Wolseley,
8—10 Bloomsbury Square
London W. C. I.

Mijnheer,

Tot onze groote spijt moeten wij U erop opmerkzaam maken, dat de betalingen van de door ons geleverde goederen aan U reeds langen tijd gestaakt zijn.

De posten van het saldo zijn reeds zeer hoog, n.l. £ 8000.— en het is ons zeer onaangenaam, dat de betalingen in den laatsten tijd zoo onregelmatig verloopen.

Daar wij zelf verplichtingen hebben en niet graag zoolang laten wachten, hebben wij reeds eenige zeer waardevolle papieren moeten verkoopen, terwijl anders deze verplichtingen door Uw betalingen gedekt zouden zijn.

De langste termijn, die wij nu nog kunnen stellen is één maand. Wanneer aan de verplichtingen dan nog niet voldaan is, zullen wij, hoewel het ons natuurlijk zeer onaangenaam zal zijn, ertoe moeten overgaan, de betrekkingen, die toch reeds zeer langen tijd bestaan hebben, te verbreken.

Door deze omstandigheden hebben wij de voordeelige aanbiedingen, aan Uw concurrenten gedaan, zooals o. a.

100 kisten kalfshuiden a £5.— per kist c. & f.
150 kisten rundleer a £ 7.— per kist c. & f.

met zeer voordeelige betalingsvoorwaarden, aan U tot onze spijt niet kunnen doen.

In afwachting van Uw spoedige betaling, waarop wij nogmaals ten zeerste aandringen, verblijven wij

Hoogachtend, uw dw.

W. FELDIN

Twaalfde voorbeeld

Antwoord op een reclamebrief.

‘s-Gravenhage, 2 Oct. 1926.

Aan de Firma A. L. Pietersen & Zn
Maasstraat 100
Maastricht.

Mijne Heeren,

Tot onze niet geringe verbazing mochten wij met onze laatste levering Uw zeer op prijs gestelde waardeering en goedkeuring niet wegdragen.

Geen woorden zouden onze spijt over Uw blijkbaar misnoegen ook maar ten halve kunnen uitdrukken.

Niets zouden wij liever doen dan onze jarenlange, geregelde betrekkingen, die de laatste drie maanden verbroken waren, weer, naar wij hopen tot Uw tevredenheid, aanknoopen.

Met groote vreugde sturen wij U daarom onze zeer verlaagde prijscourant.

Zooals U zeker wel zult opmerken, zijn de prijzen van onze Edammer kazen buitengewoon verlaagd.

Met het grootste genoegen willen wij onze eventueele vorige fouten eenigermate trachten te herstellen. Als U ons daarom de eer zoudt willen doen ons Uw grieven over de laatste nakoming van Uw bestelling te willen berichten, zouden wij al het mogelijke willen doen om Uw vroeger vertrouwen te herwinnen.

In afwachting van Uw volgend bericht, verblijven wij

Hoogachtend,

Uw dw.

v. BERGEN & Zn.

 

Als losse voorbeelden van wat hier en daar bereikt wordt, laat ik nu nog drie kleine stukjes volgen. Het eerste is een gedicht, dat als vrij huiswerk gemaakt werd door een zeer intellectueel meisje; de versbouw in overeenstemming met het luchtige lichte onderwerp; het tweede eveneens een vrij huiswerk van een meer poëtisch aangelegd meisje, het derde een verhaal van wijsheid en verlangen.

Dertiende voorbeeld

Lente.

Lente, lente, jub’len de kinderen;
Lente, lente, fluiten de vogels
Lente, lente, ruischen de boomen;
„Ja de lente is gekomen.

Lente, lente, tingelen de klokjes
Van ’t kleine kerkje in ’t dal;
Ja, zij is het, ja zij is het,
Die ons vreugde brengen zal.

Veertiende voorbeeld

Geur

Nu zijn er de nachten, de nachten vol geurige bloemenadem, en valt er de regen, zachtkens of het niet storen wou de stilte; geen blad beweegt, alleen gaan zij glimmen. Nu is er de Meinacht.

De tuinen worden wakker, daar waar een lichtslijn komt gevallen, soms van een lantaarn, die ver staat, en als een verrassing treedt veel moois naar voren.

Kostbaar lijsterbesboompje staat zoo te prijken, overladen met sneeuwige plekken, de bloemen, waar dat zoete kostelijke uitstroomt, en met den vochtigen bodem en de geurende regen en de wazige regenwolken, die in de nabijheid zijn, en stil bewaakt worden. Want er is nu geen slapen in deze nachten, er is een aanhoudend voorzichtig groeien, een beminnen van het leven.

Vijftiende voorbeeld

Verhaal

Eens heel lang geleden stond er in een groote heide, die ’s zomers hel paarse bloemen had, een oud en bouwvallig hutje. In dit kleine, maar o, zoo gezellige huisje woonden een moeder en zoon. Diram, het zoontje van tien jaar, was reeds mank vanaf zijn geboorte. Zoo lag hij dus maar steeds op een rustbank voor ’t eenige raam, dat het hutje bezat. Dan tuurde hij en dacht over wat daarbuiten te zien was. Over de blauwe lucht, de wuivende dennen en de geurige hei. lederen middag kwam een herder voorbij met zijn kudde wollige schapen en blatende lammetjes en dan vertelde deze man, die reeds grijs en oud geworden was, allerlei verhalen over de bloemen en planten en over de schaapherders met hun kudden, uit vroegere dagen. De jongen vond deze vertellingem erg mooi en hij vroeg aan zijn moeder als zij thuis kwam na een lange dag van werken: ,,Seppo, de schaapherder, is een wijs man, niet waar moeder? Hij weet zooveel te vertellen van alle dieren en boomen en ieder hoekje in ’t bosch, ieder vogeltje kent hij. Dat is toch erg knap, hè? ’t Lijkt altijd net, alsof de schapen hem groeten en de bloemen ook. En weet u dan wel wat hij antwoordt?”
„Nee hoor, dat weet ik niet, mijn jongen, vertel jij ’t mij maar,” antwoordde zijn moeder glimlachend.

„Zoo zoo, mijn schaapjes, lekker geslapen? Goeden morgen, viooltje, goeden morgen, bloemen! Jullie zijn nog heelemaal nat van de dauw.” Dat zegt hij altijd, moeder, en hij is zoo wijs, want ik geloof, dat hij met de vogels kan praten!” riep Diram zijn moeder toe, verrukt, dat hij nu ook eens wat vertellen kon.

Zijn moeder keek met stralende oogen naar zijn blij gezichtje en dacht bedroefd: „O God, zou mijn zoontje nog eens worden zooals andere jongens!”

Op een avond toen zijn moeder hem weer een mooi verhaal voorlas uit den Bijbel, zei Diram in eens: „Moeder, weet u waar ik nu zoo vreeselijk naar verlang?” „Nu, mijn jongen,” was het antwoord.

Toen zei de knaap, terwijl hij haar aanzag met groote droomoogen: „Ik wilde zoo heel erg graag een schaapherder zijn zooals Seppo, de schapen hoeden en de vogels leeren begrijpen. O, als ik dan op de hei zou liggen, dan kon ik luisteren naar de wind, die door de dennen ruischt, naar de bijen, die honing snoepen uit de paarse heibloemen. De vogels zouden dan een liedje voor mij zingen, net als zij bij Seppo doen en dan zou ik in slaap vallen en droomen, heerlijk droomen.

Als het dan donker werd, zou mijn hond mij wekken en dan bracht ik de schapen naar hun kooi. Alles zei mij dan goeden nacht, de vogels, de bloemen en ook de boomen, moeder, die zouden hun kruinen buigen en mij zoo groeten. O, wat zou dat heerlijk zijn om zoo te leven!” Vermoeid zweeg hij en keek moeder aan. Deze knikte, maar zei niets, dacht erover na, dacht.

Diram viel in slaap en alles was stil, doodstil, de vogels zwegen en ’t leek, als overdacht alles het verlangen, dat de knaap geuit had.

 

Het slot van deze serie zal bevatten eenige opstellen van kinderen over een zelfde onderwerp, opdat men zich ook daarvan een beeld kan vormen, dat niet slechts enkelen een zeker stijlgevoel krijgen, maar bij alle kinderen dit oorspronkelijk gevoel wakker gemaakt kan worden tot op bepaalde hoogte.

M.Stibbe, Ostara vrijeschool Den Haag, 1e jrg.nr.4, 1928

.

deel 1     deel 3      deel 4

Rudolf Steiner: over het schrijven van opstellen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

.

1081

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 7e, 8e klas – taal: opstellen in ‘stijl’ (1)

.

Een artikel  ‘uit de oude doos’, maar zoals zo vaak dan, zou het ook van veel recentere datum kunnen zijn. (Ik heb de spelling niet aangepast).
Wat Rudolf Steiner belangrijk vond bij het maken van opstellen was vooral het navertellen van wat er in de les behandeld is. En eigenlijk geen ‘vrije’ opstellen.
Maar in klas 7 en 8 wordt ook ‘stijl’ behandeld. en daarbij wordt het opstel vrijer, maar houdt zijn directe verband naar de opdracht: in een bepaalde stijl!

Hier zien we er voorbeelden van:

OPSTELLEN VAN KINDEREN

In het Anthroposophisch onderwijs trachten we alle vermogens die in den mensch sluimeren tot ontwaken te brengen. Tot de belangrijkste menschelijke vermogens rekenen we de taal. Want door de taal onderscheidt de mensch zich van de dierenwereld. Hoe bewuster de taalgeest in hem werkt, hoe hooger .hij zich leert verheffen boven het dierlijke in de natuur en in zich.

In dit kort bestek kan ik niet uitweiden over voorbereidende oefeningen tot het gebruiken van de taal. Dat hierbij het totaal van het onderwijs een groote rol speelt, en vooral het doen van onze spreekoefeningen en recitatie, grammaticale oefeningen en zang van beteekenis zijn, worde alleen vermeld. Het meest danken wij echter de Eurhythmie.

De Eurhythmie geeft onze oud geworden taal nieuw leven en verheft de klanken in het bewustzijn. Een kostbaar geschenk is zij daarom voor den paedagoog en verder voor ieder die het menschelijke opnieuw zou willen trachten vol in zich aan te kweeken.

Wanneer een kind op jonge leeftijd met liefde heeft kunnen leeren de elementen van de taal, doordat de onderwijzer iets heeft verstaan van wat de geest van de taal te openbaren heeft, kan het later met eenig bewustzijn de taal in zijn vele vormen gebruiken, ermee beeldhouwen, plasticeeren, in één woord: styleeren. En dan niet zoo, dat het één bepaalde stijl zou ontwikkelen, maar dat het zijn stijl kan aanpassen aan het te behandelen onderwerp.

Ik geef enkele kleine voorbeelden van oefeningen gemaakt door kinderen van 13—14 jaar oud, uit een zevende en achtste klas van de „Vrije School”.

Eerste voorbeeld:

Een gevoel van kracht en geweld, in de zinsbouw zich uitdrukkend door korte, desnoods afgebroken zinnen; onderwerp opgegeven.

Het begin van den tachtigjarigen oorlog

De oorlog is uitgebroken! Godsdiensttwisten woeden onder ’t volk. Onschuldigen worden vermoord, veroordeeld wegens ketterij. Arglist en wrok, haat en venijn besluipen de menschen en dwingen tot gruwelijke daden. Soldaten verbranden, verwoesten, vernielen de dorpen en steden. De aarde dreunt. Rivieren overstroomen, menschen verdrinken. De winter komt met groote strengheid en doet de wateren bevriezen. De legers kunnen erom trekken en dringen verder het geteisterde land binnen. Hongersnood brengt pest, cholera en typhus. Moedige mannen offeren zich op voor hun land. Zoo is het land in beroering.

Tweede voorbeeld:

idem; onderwerp opgegeven.

Arabië

Een zonnevuurgloed stroomde van den helderen blauwen hemel. Daar ginds in de verte komen de Bedouïnen. De Arabieren met hun fladderende zwarte haren. Daar komen zij met hun kameelen, hun koopwaren; de schatten die zij gestolen of verdiend hebben. Gestolen hebben zij; hun heele leven, en hun heele leven verder zullen zij het doen. Hun buit geladen op de afgematte kameelen voeren zij mee naar Mekka, de heilige stad. Gloeiend en brandend schijnt de zon, maar zij merken het niet. Zij, de gebronsde Oosterlingen. Naar Mekka gaan zij! Naar Mekka, waar Mohammed eens leefde. „Naar Mekka!” roepen zij elkaar toe. Daar komen zij!

Derde voorbeeld:

idem; onderwerp vrij.

Bedouïnen Krijgszang.

Wild stuift het zand en de zon schijnt hel,
Woest is de mensch en zijn oog blinkt fel.
Woedende blikken vol wilden haat!
„Dooden zal ik dien onverlaat!”

„Dood is mijn vrouw, en dood is mijn kind,
Waar ik mijn huis en mijn schatten vind.”
Woedende blikken vol wilden haat!
„Dooden zal ik dien onverlaat!”

Vlug op het paard en in wilden galop
Zoekt hij den vijand zijn harten op.
Woedende blikken vol wilden haat!
„Dooden zal ik dien onverlaat!”

’t Strijden begon en het maanvormig zwaard
Hieuw met één slag.zijn vijand ter aard.
’n Zegevierende blik over deze daad!
„Gedood heb ik dien onverlaat!”

Vierde voorbeeld:

Een gevoel van rust, uitgedrukt in langer geconstrueerde zinnen; onderwerp gegeven.

Stiltestemming

Langs de blauwe hemel dreven de wolkjes als groote lichte vogels. Zacht wandelde ik langs het paadje om de zomergeluiden niet te storen. Overal in de groene weide bloeiden de helgele en roode bloemen. Even talrijk bijna als de bloemen lagen daar tusschen het gras de koeien slaperig te herkauwen. Een beetje verbaasd keken ze naar mij, die hier vreemd leek. Ik wilde niet vreemd zijn, erbij hooren en luisteren naar de weinige en jubelende tonen van den zomerdag. Hoog in de lucht dreef een vogel zeilend over den wind, zacht kweelende. Lammetjes blaatten en rolden als witte balletjes over de hei, heel in de verte. De warmte maakte mij loom en ik werd slaperig. Ik droomde van den blauwen hemel, de zingende vogel en de bloeiende aarde vol groen en lichte kleuren, rustige en levendige dieren.

Vijfde voorbeeld:

idem, onderwerp vrij:

Als vader weg is.

De zon kwam op en bescheen met haar roode gloed de bergen en heuvels, waarop veel bloemtuinen en rijstvelden lagen uitgespreid. Op het meer dreef een prauw, waarin een jongen van veertien eentonig en weemoedig zingend op en neer wiegelde. Hij is in gedachten verdiept. Straks gaat vader weg. Naar de zee om parels te vangen en geld te verdienen voor hem en zijn zusjes, Adinda en Vaisala. Wat zal het eenzaam zijn zonder vader, maar Saidja werkt toch bij zijn Heer Banoeman op de plantage. Adinda zal hem opwachten in plaats van vader. Zij zullen met hun drieën eten en Saidja zal in plaats van vader het avondgebed opzeggen. Hij zal ook niet meer met vader kunnen wandelen. Maar des te prettiger zal het zijn als vader weer thuis komt. Saidja zal hard werken en aldoor denken dat het voor vader is. Ja, dat zal hij doen.

Zesde voorbeeld:

Een kort stuk proza, zoo geconstrueerd, dat het rustig vertellend begint (met langer uitgewerkte zinsbouw), dan heftiger en bewegelijker wordt (met kortere zinsbouw) en dan weer afneemt in kracht (langere zinsbouw). Deze lijn geeft weer het innerlijk beeld van de opgave:

klas 7 taal 2
De Storm

Eindeloos ruischt de geweldige zee, af en aan vloeien de golven in rustige kabbeling tegen het geelwitte strand. Maar aan den blauwen horizont pakken dikke wolken samen: groot, grauw en dreigend. Al nader en nader komen ze. De wind steekt op en giert in huilende vlagen over de zee. De golven worden opgezweept en ruischen huizenhoog naar den donkeren hemel. Hooger en hooger! Bliksemschichten: flikkeren, donderslagen ratelen! Het water bruischt en kookt en woelt. Het stijgt en stijgt. Groote vloedgolven verzwelgen den dijk. Het achter gelegen dorp wordt overstroomd. In den donkeren nacht drijven menschen en dieren naar de onmetelijke wijdte. Den volgenden dag schijnt de zon weer, stralend van licht boven de golven. Meeuwen vliegen krijschend rond en begeleiden den doodenzang, die de zee zingt.

Zevende voorbeeld:

Het omgekeerde van het vorige, dus volgens deze lijnL

klas 7 taal 3

 

 

Strijd

Wild huilden de Germanen! De vrouwen krijschten! De dierenvellen om hun gespierde lichamen slingerden in wilden cadans. De koehoorns bulderden. Speren sloegen met duivelsch geweld tegen de schilden. De volksstam had een verschrikkelijken dag gekozen. De hemel was zwart. Donderslagen rommelden. De bliksem verlichtte alles spookachtig. Thor streed ook! Wodan reed op zijn ros door de wolken. De strijd begon. De mannen sloegen hun knotsen op elkaar. Een verslapping kwam over de mannen. Reed Wodan niet meer op zijn achtvoetig ros? Wapenstilstand. Door niets werd de stilte verbroken dan door het tandenknarsen der moedige gewonden. De vrouwen zochten de gewonde strijders op, terwijl de honden klagelijk huilden. Triestig krijschend vlogen raven over het slagveld. Maar toen vlamde de haat weer op! De vrouwen maakten helsche geluiden! De mannen spoorden elkander aan! Met geweldige eikenwortels verbrijzelden de stammen de hersens der tegenstanders. Bloed spatte overal! En Thor sloeg met zijn hamer op de wolken en lachte bulderend.

Achtste voorbeeld:

idem.

Offeren

Hai! Hai! Uitzolopochtli! Uitzolopochtli! Gr! Gr! Hai! Woedend krijschend loopt een groote Mexicanentroep voor een priester uit. Ha! Wraak, bloedwraak! Daar bereiken ze den tempel, waar sidderend een Tlaxcalaansche koning op een wissen dood wachtte. Hij wachtte al uren en uren. Eindelijk klonk de groote klok en de troep kwam aan. De priester vooraan, dan een woedende menigte. Langzaam liep de priester op den koning toe; het blinkend mes flikkerde.
Bons, rrt, klets; de Tlaxcalanen waren Mexico binnengerukt. Eindelijk gewroken. Waar was hun koning? Daar! Daar, in den tempel! Zij stormden op den tempel toe, bevrijdden hun koning. Gaven hem een zwaard. Zijn oogen flikkerden van moordlust! Reng, daar vloog een hoofd, daar een arm! Bloed droop! De harten vlogen rond! Zwaarden kletterden. Speren suisden! Ha! Heerlijk!

Negende voorbeeld:

Stemmingsbeeld, hoofdzakelijk in zich dragend een element van bewondering, dat zich uit in constructies van hoofdzinnen met bijzinnen; belangrijk is hierbij dat de kinderen leeren, zelfs waar zij uit stemming schrijven, met bewustheid de taal te hanteeren. Dit voorbeeld moge hiervoor dienen!

Zonsondergang

Op een mooie zoele zomeravond ging ik naar het strand om de zonsondergang te zien. Stil lag de zee, heelemaal stil, in een geheimzinnig lila licht gehuld. Kleine zeilscheepjes dreven als ranke lichte meeuwen over het water. De ondergaande zon, schitterend geel en rose, bescheen ze met een glanzend licht. Kleine witte wolkjes lagen als een poort om de glanzende zon heen. Lang kon ik kijken naar dit schitterende geel en goud. Het licht, dat daar zoo mooi en verheven scheen, vol prachtige kleuren, leek mij de ingang naar iets wat onbereikbaar is voor den mensch. Pas als het leven is verdwenen, dan kan de ziel door deze poort van licht en heerlijkheid naar het paradijs gaan. Moeilijk is het om dit te bereiken, veel goed moet er gedaan worden, eer men het betreden mag. Nog steeds stralend rose, lila en oranjegeel was daar de zon. De gekleurde wolkjes werden donkerder en de aarde hulde zich in nachtelijk duister. Donkerder werd de hemel, de gloeiende bol van licht zonk weg in de zee en de lucht werd donker blauw, violet en een weinig helrood. Als een nietig menschenkind was ik nu onder het naar huis gaan. Heelemaal nog onder den indruk ging ik weg; de boomen, waar ik langs kwam, leken zoo groot en donker; de duinen waren geheimzinnig, zoo heel anders dan overdag. Toen ik thuis kwam, dacht ik nog lang over die hemelpoort van goud en rose en ’s nachts droomde ik van die zonsondergang en zijn geheimzinnige kleuren en indrukken. Nietig is de mensch, vergeleken bij zooveel grootheid en kleurenpracht.

.

M.Stibbe, Ostara, vrijeschool Den Haag, 1e jrg.3  jan. 1928

 

deel 2   deel 3   deel 4

Rudolf Steiner: over het schrijven van opstellen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

.

1077

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.