Maandelijks archief: maart 2015

VRIJESCHOOL – 2e klas – legenden (3-11)

 

DE MAALTIJD VAN SINT-RIGOBERTUS

St.-Rigobertus was zeer hongerig, want hij, noch Peter, zijn helper, die voor hem uitliep op weg naar Rheims, had die morgen iets gegeten. Zij waren op weg om Wibertus, de Gouverneur van Rheims te bezoeken, en hem wat geld af te dragen,  dat  de bisschop hem schul­dig was; helaas al het geld, dat hij bezat. En daarom nu hadden zij niets gehad om eten voor hun ontbijt van te kopen, en keek de kleine Peter zo begerig in elke bakkerswinkel, die zij voorbij­ liepen.
De goede heilige Rigobertus evenwel zag niets van al de heer­lijkheden, die voor de vensters uitgestald waren, want hij had de ogen neergeslagen, naar de grond,  en zong onderwijl enige hymnen zacht vóór zich heen. Niettemin voelde ook hij zich zeer flauw. Sint-Rigobertus was zeer arm, want hoewel hij een goede oude bisschop was, hield de Koning van Frankrijk niet veel van hem en hij had hem van het hof en uit de grote, rijke stad weggezonden, om zijn leven verder onder de arme boeren buiten te slijten. Maar Sint-Rigobertus betreurde zijn vroeger leven al zeer weinig, want hij hield van het aardige dorpje Gernicour, waar hij nu woonde. Hij hield van de mensen, die daar leefden, en in het bijzonder hield hij van Peter, die bij hem was komen wonen, om hem in alles te helpen.

De bewoners van het dorpje hadden vriendelijk en mild voor hem behoren te zijn, doch het waren domme, zelfzuchtige mensen, die alleen dachten aan zich zelf en er geen begrip van hadden, hoe arm hun goede bisschop wel was. Nu waren zij zelf ook wel arm en bezaten maar zeer weinig geld, maar zij hadden toch ruimschoots voedsel: overvloed van groenten, melk, eieren en boter, en wanneer ieder van hen iets had afgestaan – wat zij behoorden te doen,  want Sint- Rigobertus deed hun zoveel goed – dan zou de Heilige niet zo dik­wijls  honger hebben hoeven te lijden.

Sint-Rigobertus had er verdriet van, dat zij zo weinig aan hem dachten, maar nooit klaagde hij erover. Hij zou het hun niet heb­ben willen zeggen, of zou hun niet hebben willen vragen hem te hel­pen, en dikwijls wist zelfs kleine Peter niet hoelang hij al ge­vast had. Want als er weinig was, gaf hij het Peter ‘s avonds en behield voor zichzelf niets ervan.

Toch was hij altijd tevreden en opgeruimd en had steeds voor ieder, die hij tegenkwam in het dorp, een vriendelijk woord. En wanneer hij in de grote stad Rheims kwam, beklaagde hij zich bij de Gou­verneur nooit over zijn armoedig
leven van gebrek en ontbering, noch over het weinige, dat de inwoners van Gernicour voor hun bisschop over hadden. Want hij wilde het liefst goeds van hen denken, en geloven, dat zij in alles hun best deden.

En zo kwam het nu, dat beiden, Sint-Rigobertus en zijn helper, het geld aan de Gouverneur afdroegen,  zonder een enkel woord ervan te zeggen, hoe zwak en hongerig zij zich voelden. En toen hij de grote gedekte tafel in de eetzaal zag en de warme, geurige spij­zen, die de dienaren achtereenvolgens opdroegen, stond hij maar gauw op om niet in verzoeking gebracht te worden zijn nood te klagen. Zijn bisschopsstaf opnemend, wilde hij dadelijk terugkeren naar Gernicour en naar zijn huis, waarin niets voor hem te eten was. Doch toen zij op het punt stonden de zaal te verlaten, keek de kleine Pe­ter telkens zo begerig om naar de gedekte tafel, dat Wibertus, de Gouverneur, hem terugriep. Zeker had hij de begerige blikken van de jongen gezien en opgemerkt, hoe bleek en ingevallen Sint-Rigo­bertus er uitzag en half de oorzaak daarvan geraden, want hij zei op vriendelijke toon:

“Doet mij het genoegen met uw metgezel bij mij te blijven eten. Zie het middagmaal is juist gereed, en er is plaats te over aan mijn ta­fel.”

Maar Sint-Rigobertus had een dienst te houden in de kerk van Gernicour, en wist, dat zij nauwelijks op tijd  terug konden zijn, al lie­pen zij nog zo vlug. Daarenboven wilde hij, terwille van zijn ge­meente, de Gouverneur niet laten merken, hoe hongerig hij was. “Dank u,” antwoordde hij minzaam, “dank u voor uw vriendelijke uit­nodiging, vriend Wibertus. Wij mogen ons niet langer ophouden en heb­ben geen tijd meer nog vóór de dienst in de kerk te Gernicour te eten. Als wij ons niet haasten, komen wij te laat. Zoon, Peter, mijn jongen, wij moeten weg.”

Tranen van teleurstelling kwamen Peter in de ogen. Hij was zo graag gebleven, om wat van het heerlijke middagmaal te krijgen. Maar hij verzette zich nooit tegen de bevelen van zijn meester en was vol­strekt gehoorzaam. De Gouverneur drong nog tot blijven aan, maar Ri­gobertus bleef standvastig, en ging naar de deur, gevolgd door de pruilende Peter. Doch juist stond hij gereed de zaal te verlaten, toen hem van buiten een groot rumoer en het kwaken van een dier en het gelach van mensen tegen klonk. Op hetzelfde ogenblik kwam een der bedienden de zaal in met een grote, witte gans in de armen, die aanhoudend met de vleugels van zich af sloeg en van angst zich bij­na schor geschreeuwd had.

“Wat betekent dat daar?’, vroeg de Gouverneur streng”Waarom maken jullie zo’n stampij  in mijn huis.”

11 Vergeef me,”  zei de man, zo goed als hij kon met de weerbarstige gans in zijn armen, “deze gans is een geschenk van de weduwe Réné, en zij verzocht u haar dc eer aan te doen, het dier te willen aannemen.”
“Een armzalig geschenk voorwaar,”  zei de Gouverneur knorrig. “Wat moet ik met dat beest doen? We hebben zelf al meer gevogelte dan we bergen kunnen. Ik wil haar niet hebben.”
Toen viel hem opeens iets in en zich tot Sint-Rigobertus kerend, zei hij lachend: “Wel, eerwaarde heer, nu gij hier niet wilt blij­ven eten, verzoek ik u vriendelijk, neem deze vette gans mee naar huis, dan kunt gij in Gernicour een goede maaltijd van haar maken. En ons bewijst gij er omgekeerd een dienst mee, ons van het dier te bevrijden.”

Sint-Rigobertus aarzelde. Doch de gretige blik van Peter1s gelaat ziend, besloot hij de gift aan te nemen. wat in die tijd zeer gebruikelijk was.
“Veel dank voor uw beleefdheid, Heer Wibertus,” antwoordde hij. “Wij zullen de milde gift, deze mooie gans aanvaarden, ook omdat wij zien dat aan uw tafel niet veel meer ontbreekt.
Komaan, Peter, mijn jongen, neem uw buit, en pas op, dat het dier u niet bijt,” voegde hij er bij, toen hij zag, hoe de  jongen haastig het grote, tegenspartelende dier aannam.

De gans pikte en snaterde en sloeg vreselijk met de vleugels, ter­wijl Peter zijn arm om haar heen sloeg. Doch eindelijk waren zij toch klaar om te vertrekken. Peter voorop met de gans, die bijna zo groot was als hijzelf, gevolgd door de bisschop, leunend op zijn staf, de ogen naar de grond geslagen. Peter was buiten zichzelf van blijdschap, hij grinnikte van vreugd en had haast geen geduld te wach­ten, tot hij goed en wel thuis was, zo zeer verheugde hij zich op het heerlijke middagmaal.
Maar Sint-Rigobertus had de gans al helemaal vergeten; hij had zoveel andere dingen om aan te. denken. Juist op deze wijze, door aan wat anders te denken, had hij geleerd, zijn honger te vergeten.

Plotseling echter werd Rigobertus’ aandacht getrokken door een luid gesnater en een luide kreet die van de weg voor hem uit kwam. En op­kijkend zag hij nog juist een groot, wit ding omhooggaan, en Peter gillend en schreeuwend de weg op en neer hollen. Onmiddellijk begreep de bisschop wat er gebeurd was. “Jongen,  jongen, ben je je gans kwijt?” vroeg hij vriendelijk. “O, Vader,” snikte de jongen, “ons heerlijk middagmaal. Uw middag­maal, meester! De ondeugende gans is weggevlogen. O, wat ben ik toch dom, dat ik haar heb laten ontsnappen.” En hij ging op een steen zit­ten en huilde, alsof hem het hart breken zou.

“Neen, neen,”  zei de goede bisschop, hem op het hoofd kloppend, “ik denk, dat de arme gans misschien geen zin had om gebraden te worden. Peter, kan je het haar  verwijten, dat  zij liever haar vrij­heid zocht? Ik kan niet vinden, dat zij enig kwaad deed, maar het spijt me wel van je middagmaal, mijn jongen. We moeten nu proberen wat anders te eten te krijgen. Kom Peter, laat de gans gaan. Het zal nog wel in orde komen, mijn jongen.”

Hij hielp Peter opstaan, terwijl de jongen nog altijd bitter huil­de, en toen ging het weer verder over de stoffige weg naar huis. Doch nu had de jongen geen middagmaal meer in het vooruitzicht, en leek de weg hem nog eens zo lang. Met lome schreden ging hij ver­der, en het was alsof hij geen voet meer zou kunnen verzetten met dat lege gevoel in de maag en die pijn in het hoofd. SintRigober­tus zong opnieuw zijn hymnes zacht voor zich heen en liep op de maat ervan voort over den stoffige. weg. Om het verlies van zijn maaltijd scheen hij zich al heel weinig te bekommeren, eigenlijk gezegd was hij heimelijk blij, dat de arme gans ontsnapt was, want hij was zeer zachtzinnig en wilde niet graag dat levende schepselen gedood werden, zelfs niet voor zijn voeding.

Zo hadden zij een eind gelopen en Rigobertus begon luider en lui­der te zingen, toen zij het kerkje weer naderden, totdat opeens een vreemd geluid boven hun hoofden in de lucht weerklonk. Daar kwam een groote, witte gans fladderend in wijde kringen naar beneden en streek recht voor Rigobertus’ voeten neer. De goede Heilige stond verrast stil, en Peter, zich omkerend, kon zijn ogen nauwelijks geloven. Want daar zat in werkelijkheid dezelfde gans op de grond vlak voor Rigobertus, terwijl zij snaterend naar hem opkeek, alsof zij hem iets wilde vertellen.

“Het was mijn bedoeling niet om weg te vliegen,”  scheen zij te zeg­gen. “Ik wist niet, dat gij zo’n honger had, heilige man, en dat ik uw middagmaal zodoende wegnam. Zing maar verder, ik zal u naar uw huis volgen.”

Peter wilde de gans bij de nek pakken om haar te beletten weer weg te vliegen, maar Sint-Rigobertus  stak waarschuwend zijn vinger op, zodat de jongen stil bleef staan. “Raak haar niet aan, Peter,”  sprak de bisschop ernstig. “Ik geloof niet, dat zij weer weg zal vliegen. Laten wij maar eens zien.”
En zo was het ook. Toen zij weer op weg gingen1 Sint-Rigobertus zacht voor zich heen zingend, zag Peter, tersluiks omkijkend, de gans langzaam vlak achter zijn meester aanwagge­len. Zo kwam de eigenaardige kleine processie in Gernicour aan;  en iedereen op straat stond met open mond stil, om hen na te kijken.
Ein­delijk hadden zij het huis van de bisschop bereikt. En Rigobertus, zijn gezang stakend, keerde zich om naar de gans en haar vriendelijk over de veren strijkend,  zei hij:
“Mijn goede vriend, jij bent zeer trouw geweest. Je zult beloond worden daarvoor. Schud je veren op, mijn beste gans, want ze zullen niet uitgetrokken worden. Je zult niet voor ons middagmaal gebraden worden. Van heden af ben jij mijn goede vriend. Van de schachten van je veren zullen geen pennen gesneden worden, maar jij zult mij volgen, als je wilt.”

En de Heilige hield zijn belofte, want van die dag af leefde de gans bij hem gelukkig en in vrede. Lange wandelingen maakten zij samen in de velden rondom Gernicour, en zij bezochten trouw met elkaar de zie­ken en bedroefden. Waar Sint-Rigobertus ging, zag men ook de gans die hem als een hond volgde. Zelfs toen Rigobertus weer naar de Gouverneur van Rheims moest, waggelde de gans heen en weer de langen weg, die hij eens had afgelegd in de armen van Peter. En de Gouverneur vermaak­te zich kostelijk, toen hij,  in de deur staande, het vreemde paar bij hun vertrek nakeek over de weg.

“Hij zal wel niet zo’n grote honger gehad hebben, toen,”  dacht de Gouverneur, “want anders zou ik de gans nooit teruggezien hebben.”
Een bewijs hoe weinig zelfs Gouverneuren voor sommige dingen voelen.

Ook dan, wanneer Rigobertus in zijn kerkje dienst had, vergezelde de gans hem daarheen. Doch zij begreep wel, dat zij niet mee naar bin­nen kon gaan, en bleef daarom geduldig buiten wachten op haar mees­ter, terwijl zij in de zon haar veren netjes glad streek en tussen het gras van het kerkplein allerlei lekkere hapjes opzocht. Was de dienst afgelopen, dan volgde zij haar meester weer terug naar huis.

Ondertussen had de arme Peter zijn middageten gemist die dag. Doch alles was beter terecht gekomen dan hij op dat eerste ogenblik dacht. Want toen Rigobertus hongerig en zeer vermoeid na de lange wandeling en de ongewone gebeurtenis met de gans, uit de kerk terugkwam, was, was Peter hem met een van vreugde stralend gelaat tegemoet gekomen. “O, Vader, Vader!” riep hij, “we zullen toch nog een goed middagmaal hebben. Kom gauw mee, ik heb toch zo’n honger en kan het haast niet meer uithouden! De mensen uit het dorp hebben gehoord, hoe de lief­devolle gans teruggekomen was om u tot voedsel te strekken, en hoe gij geweigerd hebt haar op te eten. En daarom hebben zij ons nu een mand vol heerlijke spijzen gestuurd. En zij hebben ook beloofd, dat wij nooit meer, zolang zij zelf nog maar iets te eten zullen hebben, honger behoeven te lijden. O, Vader! Ik ben nu toch zo blij, dat wij de gans niet hebben opgegeten”

En de goede Sint Rigobertus, zijn hand op Peters hoofd leggend, zei: “Beste jongen, je zult nooit in je leven berouw hebben, wanneer je goed geweest bent voor een vogel of voor enig dier.”

Op datzelfde ogenblik kwam de gans snaterend naar hen toe en gingen zij met hun drieën tegelijk naar huis, om zich te goed te doen aan de maaltijd, diende dorpelingen hun gezonden hadden.

 

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen 

771

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Bolivar

 

DE GROTE BEVRIJDER

BolivarHij is veel meer dan de George Washington van Zuid-Amerika. Hij is de Washington, de Patrick Henry, de Thomas Jefferson, de Abraham Lincoln.
Hij begon de opstand tegen Spanje die leidde tot de stichting van vijf naties; hij voerde de legers aan die de vrijheid veroverden; hij formuleer­de de beginselen waarop de republieken werden gegrondvest, hij vormde hun regeringen en schreef de grondwetten.

Voor miljoenen Zuidamerikanen is Simón Bolivar thans, meer dan een en een kwart eeuw* na zijn dood, bijna een godheid. Veel meer dan enige figuur in de Westerse geschiedenis bestaat de Bevrijder in het bewustzijn van zijn volk als een levend mens. In afgelegen pueblo’s van de Andes, in de diepe wildernissen, om de kampvuren op de uitgestrekte vlakten herhalen Indianen en ar­beiders, die niet lezen of schrijven kunnen, zijn woorden alsof ze gisteren werden gesproken. In Zuidamerikaanse steden nemen staatslieden de hoed af bij het noemen van zijn naam.

Op een zomermiddag in 1805 beklommen twee mannen de Aventine, een van de heuvels van Rome, en rustten wat uit op de top. De een, een tengere, knappe jongeman, ging liggen, en zijn diepliggende, donkere en stralende ogen keken strak en ge­boeid naar de Eeuwige Stad, die zich daar beneden uitstrekte. De ander — ouder, slordig, zijn lange haar golvend in de wind — stond naast hem te praten. Van tijd tot tijd las hij voor van de gehavende bladzijden van Emile van Rousseau, De rechten van de mens van Tom Paine, en werken van Voltaire. Hij sprak over de vergane glorie van Rome, over de nobele experimenten met de republikeinse regeringsvorm die daar gedaan waren.

Tenslotte, toen de ondergaande zon hen in een rode gloed zette, richtte de jongeman zich op zijn knieën op en “met vochtige ogen en een kleur op zijn gezicht van koortsachtige bezieling,” sprak hij deze woorden: “Ik zweer bij de God van mijn vaderen en bij mijn vaderland dat mijn handen nooit moe zullen worden of mijn ziel zal rusten voor ik de ketenen verbroken heb die ons aan Spanje binden!”
Zijn gehele verdere leven wijdde hij aan de vervulling van die eed.

Simón José Antonio de la Santisima Trinidad Bolivar y Palacio werd geboren in Caracas, Venezuela; hij was het verwende en vroegrijpe jongste kind van een van de rijkste families van het land. Zijn metgezel op die dag in Rome was Simón Rodriguez, zijn gouverneur vanaf zijn kinderjaren. Bolivar was toen 23 jaar. Op 16-jarige leeftijd was hij naar Spanje gezonden voor de “opvoeding” die toen bij zijn stand hoorde. Drie jaar lang was zijn leven één wild feest van weelde en losbandigheid in Madrid, Parijs en Londen. Hij was een voortreffelijk schermer en danser, een niet te overtreffen ruiter, en omdat hij met geld kon smijten, werd hij bekend als de jonge Prins Bolivar. Londense kleermakers maakten zijn kleding na, de Parijse zaken kwamen uit met de “chapeau Bolivar”.

Maar aan deze periode in zijn leven kwam plotseling een einde; hij ontmoette Maria Teresa del Toro, werd verliefd op haar, en trouwde met haar. Zij was een mooi, teer schepseltje, en zoals Bolivar later zei, “niet geschapen voor deze wereld”. Enkele maanden later stierf zij in Venezuela aan gele koorts. Verteerd door hevig verdriet, zag Bolivar in de dood van zijn vrouw een verborgen teken. “Het verhief mij uit het rijk van de wereldse zaken en richtte mijn gedachten op de problemen van mijn verdrukte land.”

Hij zocht en hervond de leraar uit zijn kinderjaren, Rodriguez. Op lange wandeltochten in Europa dronk Bolivar met hernieuwd vuur de leerstellingen van zijn leidsman in. In 1804 stond hij in de Notre Dame te Parijs en zag hoe Napoleon zichzelf tot keizer kroonde. “Deze daad,” zei hij, “kwam mij voor als een uitbarsting van de hel. De kroon die hij zich op het hoofd plaatste was een overblijfsel uit de donkere middeleeuwen.” Kort daarna sprak hij op de Aventine de woorden die de opdracht van zijn leven werden en het lot van een half werelddeel bepaalden.

Bolivars besluit was van een weergaloze aanmatiging. De 23-jarige jongeman genoot geen bijzonder prestige in het land dat hij wilde bevrijden. Zijn militaire ervaring was beperkt tot een paar jaar dienst bij de Venezolaanse militie. Hoewel Spanje zijn koloniën in de Nieuwe Wereld drie eeuwen lang schandelijk had uitgebuit en onderdrukt, was er nooit een georganiseerde beweging voor onafhankelijkheid geweest. Ja, toen generaal Francisco Miranda van Venezuela, die onder Washington ge­vochten had in de Amerikaanse Revolutie, een poging deed om de kolonie te bevrijden, was hij op gewapende tegenstand van zijn landgenoten gestuit. Zijn legertje werd vernietigd, hijzelf werd gedwongen naar Engeland te vluchten. Toen Bolivar in Venezuela aankwam, begon hij ondergronds te werken met een groep jonge aristocraten, die de idee van de revolutie bij het volk aankweekten. Toen hij zich zijn gebrek aan militaire kennis bewust werd, haalde hij Miranda over om terug te keren.

Op 3 juli 1811 uitte Bolivar het woord “Vrijheid”, voor de eerste maal in het openbaar uitgesproken in het land, en eiste volledige onafhankelijkheid van Spanje. Een ontzaglijke golf van vaderlandslievende gevoelens overspoelde Caracas; tijdens een bijeenkomst van patriotten werd Venezuela vrij verklaard. De teerling was geworpen. Miranda trachtte een leger te formeren uit allerlei soorten kleurlingen en elegante jonge aristocraten die zich verbeeldden dat ze officier waren. Het was een ontmoedigen­de taak en tenslotte faalde hij. De beproefde Spaanse legioenen joegen de Venezuelaanse vrijwilligers uiteen en veroverden Caracas. Weldra was het met de Eerste Republiek gebeurd, Miranda zat op een Spaans schip, op weg naar zijn dood in de gevangenis van Cadiz, en Simón Bolivar zat als straatarme banneling op het eiland Curaçao, dat toen aan Engeland be­hoorde.

Als hij niet zo bezield was geweest, zou hij alle hoop hebben laten varen. Alles wat hij had bezeten — zijn grote landgoederen, enorme kudden vee, huizenblokken in de stad — was weg, in beslag genomen door de Spanjaarden. Hij moest bij vreemden bedelen om in leven te blijven. Maar na een paar weken al ont­snapte hij naar de kolonie Nieuw Granada (Colombia) waar een garnizoen patriottische troepen een stukje kust bezet had. Hier kreeg hij het bevel over 200 man — haveloze, ongeschoeide negers, indianen en halfbloeds.

In de eerste fase van de strijd had Bolivar veel geleerd over de wijze waarop er oorlog gevoerd moest worden tegen de Spanjaar­den. Hij had meegevochten, en zich in de strijd onderscheiden. Op een nacht in december 1812 nam hij bij verrassing het garnizoen van Teneriffe, vernietigde het en maakte het arsenaal buit. De volgende nacht viel hij Mompós binnen en joeg de Spaanse troepen uiteen. Zo ging het zes dagen achter elkaar — zes slagen, zes overwinningen, zes steden bevrijd. Na twee weken had hij het hele gebied van vijanden gezuiverd. In elk dorp werd Bolivar met gejuich door de bevolking ontvangen, en honderden rekruten schaarden zich achter zijn banier. Hierdoor aangemoedigd be­sloot hij een aanval te doen op zijn geboortestad Caracas. Het was een enorme onderneming. Tussen hem en zijn doel stonden 6000 man Spaanse troepen en 900 kilometer bergachtig terrein.

Half mei 1813 vertrok Bolivar met ruim 600 man. Beladen met wapens en bepakking baanden de mannen zich een weg over ijzige hoogvlakten en door met rotsblokken bezaaide ravijnen, en worstelden door onbegaanbare en dampende oerwouden, onder het bloed door de dorens en miljarden insecten. De militaire acties van de veldtocht droegen hetzelfde heroïsche karakter. Bolivar paste onveranderlijk een tactiek toe van vermetelheid, snelheid, verrassing — hij vermeed frontale aanvallen, pakte de vijand in de flank aan, sneed gedeelten van het vijandelijke leger af en vernietigde die. De Spaanse legers vielen, de een na de ander, en zijn eigen troepen werden met iedere overwinning groter tot ze een echt leger waren met artillerie, cavalerie en geneeskundige troepen. Binnen 90 dagen na zijn vertrek had hij zes belangrijke veldslagen geleverd en gewonnen en het gehele westen van Venezuela heroverd. Toen hij Caracas naderde gaf de geschrokken Spaanse bevelhebber de stad zonder slag of stoot over.

Zijn intocht in Caracas was iets uit de annalen van het oude Rome. Bij de stadspoort stapte Bolivar, blootshoofds, een knappe man in zijn wit met blauwe uniform met zware gouden tressen, en mooie hoge laarzen, in een triomfwagen behangen met lauwer­kransen en zegepalm. Twaalf in het wit geklede meisjes met bloemenslingers om pakten een zijden koord en trokken hem langzaam door de straten. De menigte juichte hem als waanzinnig toe, er donderden saluutschoten en de kerkklokken luidden, en het regende rozen, oleanders en camelia’s van de balkons. Een haastig bijeengeroepen vergadering riep weer de republiek uit en schonk Bolivar de titel van Bevrijder — de enige titel die hij zijn hele leven verder gebruikte.

Maar weldra kwamen de machtige Spaanse schepen de At­lantische Oceaan over, en Spaanse veteranen uit de Napoleon­tische oorlogen stroomden het land binnen via de kuststeden.

Bolivar moest het tegen hen opnemen met de geringe middelen die hij uit een arm, onrustig en primitief land kon persen. De strijd woedde 14 jaar lang, en breidde zich uit over het gehele werelddeel, zodat hij tenslotte een gebied omvatte zo groot als de gehele Verenigde Staten. Over dit uitgestrekte slagveld leidde Bolivar zijn schamele legers, steeds minder in aantal, slecht ge­kleed, ondervoed, zonder voldoende wapens. Als hij op de ene plaats afgesneden werd, sloeg Bolivar op de andere toe. Als hij ergens een leger verloor, dan verscheen hij op wonderbaarlijke wijze ergens anders met een nieuw.

Op een keer hadden de Spanjaarden, met sterke artillerie- en cavalerie-eenheden, hun kamp voor de nacht opgeslagen; hun 3000 paarden liepen in een met touw omheinde ruimte. Eén van Bolivar’s cavalerie-aanvoerders bond gedroogde ossehuiden aan de staarten van 50 van zijn eigen paarden, en joeg die toen op de Spaanse in. De paarden van de vijand, dol geworden door het lawaai, daverden tussen de slapende Spaanse troepen door, en in de duisternis en de verwarring drongen de patriotten binnen met sabel en lans. Hoewel zijn legers dikwijls de nederlaag leden, wankelde Bolivars vertrouwen in de uiteindelijke overwinning nooit.

Eens, tijdens een banket dat door zijn officieren werd aan­geboden, sprong hij boven op de lange tafel en liep er met grote stappen in de lengte overheen, terwijl hij uitriep: “Zoals ik nu over deze tafel loop van het ene einde naar het andere, zal ik trekken van de Atlantische naar de Grote Oceaan, van Panama naar Kaap Hoorn, tot de laatste Spanjaard verdreven is!” Toen keerde hij om en liep terug. “En zo,” schreeuwde hij, “zal ik terugkeren, en ik zal niemand iets aangedaan hebben behalve diegenen die de voltooiing van mijn heilige zending in de weg staan!” En hij meende dat ook; want het was vrijwel precies wat hij deed.

Bolivars grootste prestatie — die door elke militair ter wereld tot de grootste uit de geschiedenis gerekend wordt — was zijn mars van Angostura, nu Ciudad Bolivar, aan de benedenloop van de Orinoco, dwars over het hele vasteland en over de voor­naamste bergketen van de Andes. Langs het grootste gedeelte van deze route is er zelfs vandaag geen weg of spoor. Zijn leger be­stond uit 1600 man infanterie en 800 man cavalerie. Verscheidene honderden vrouwen vergezelden hen. Het waren allemaal mensen uit de laagvlakten die nooit een berg hadden gezien of wisten wat koude was. Het eerste deel van de tocht ging over brandend hete vlakten en door verstikkende oerwouden midden in de regentijd, de warmste tijd van het jaar. Dat ging zo vierhonderd­vijftig kilometer door, en daarna kregen ze de vlakten langs de rivier Casanara — eindeloos, overstroomd, een loden spiegel onder de voortdurende regen.

Drie weken lang, dag in dag uit, ploegden de colonnes lang­zaam voorwaarts. Ze liepen tot hun middel in het water en hielden hun geweer en bepakking omhoog terwijl hun voeten bij iedere moeizame stap voorwaarts vastzogen in de modder. Toen kwam eindelijk de Andes. De uitgeputte mensen uit de vlakte keken met verbazing omhoog naar de hemelhoge toppen, die ijzig wit blon­ken. Om de vijand zijn positie niet te verraden, koos Bolivar een zeer weinig gebruikt spoor dat over een van de hoogste passen leidde. De rotswanden rezen bijna loodrecht omhoog. Het leger klauterde naar boven, de mensen klemden zich met bloedende handen en blote voeten aan de richels vast. De klim duurde zes dagen. Toen kwamen ze terecht op de onherbergzame Paramo de Pisba, 4000 meter boven de zeespiegel. Drieduizend mensen waren de mars begonnen. Bolivar leidde 1200 vogelverschrikkers langs de westelijke hellingen van de Andes omlaag. Toch ver­sloeg hij na slechts drie dagen rusten een leger van Spaanse vete­ranen. Deze slag betekende het keerpunt van de hele oorlog.

Na de mars over de Andes rees de ster van Bolivar nog hoger; zijn legers en hulpbronnen groeiden, terwijl de macht van de Spaanse strijdkrachten afnam. Bolivar, die ervan overtuigd was dat vrijheid voor enig Zuidamerikaans land onbestaanbaar was zo lang Spanje nog één kolonie bezat van waaruit het een aanval zou kunnen ondernemen, trok van het ene land naar het andere, zonder zich iets aan te trekken van koloniale grenzen, en hij be­streed de Spanjaarden waar hij ze maar vond. Hij behaalde vier klinkende overwinningen — die elk een heel land bevrijdden, en die elk even vermaard zijn in Zuid-Amerika als welke grote slag uit de geschiedenis ook: Boyaca, Carabobo, Pichincha, Ayacucho.

Het zuidelijke deel van het continent — Chili, en het tegen­woordige Argentinië — was al bevrijd van de Spanjaarden door een andere grote bevrijder, José de San Martin. Toen dus in januari 1826 de Spaanse bevelhebber van Callao in Peru zich overgaf aan Bolivar, werd de laatste Spaanse vlag op het Ameri­kaanse continent gestreken en heel Zuid-Amerika was vrij. Bolivar had 15 jaar gestreden, bijna 500 veldslagen geleverd en een gebied bevrijd dat de tegenwoordige republieken Venezuela, Colombia, Ecuador, Bolivia en Peru omvat.

Toch was het niet alleen om zijn militaire successen dat Bolivar een god voor zijn volk werd. Zijn woorden bezielden hen niet minder. Hij was een van de grootste meesters van het woord van alle tijden. Toen hij stierf liet hij tien koffers vol met manus­cripten na. Eén verzameling van zijn geschriften, die 32 grote delen vullen, vertegenwoordigt slechts een klein gedeelte van het totaal. Voor elk van de bevrijde landen schreef hij een grondwet en organiseerde hij een regering tot in de kleinste bijzonderheden: hij riep een parlement bijeen, regelde de financiën, vormde kabinetten, wees diplomatieke vertegenwoordigers aan en gaf de grote lijnen aan voor de binnen- en buitenlandse politiek.

Zijn profetische blik was als die van een helderziende, zoals uit de latere geschiedenis is gebleken. Hij voorspelde de toekomst van ieder land in het westen voor de eerstkomende honderd jaar. Hij drong aan op de aanleg van het Panama Kanaal, en voorspelde de vorming van een grote unie van Zuidamerikaanse republieken die een bolwerk moest vormen tegen de decadente levensbeschouwing van de oude wereld. Hij deed zelfs stappen om tot zo’n unie te komen, en nodigde al de staten uit om afgevaardigden naar een congres in Panama te sturen. Het congres kwam inderdaad bijeen en het werd een mislukking. Ook dat had Bolivar voorspeld. “Maar het zaad zal worden gezaaid,” zei hij, “en eens zal het vrucht dragen.”

Als man bezat Bolivar de persoonlijkheid, de charme en het knappe uiterlijk die zo belangrijk zijn voor een leider van het volk. Tijdens de veldtochten deelde hij in al de ontberingen van zijn mannen; ze noemden hem “Oude IJzervreter”, en verafgoodden hem. Maar hij was ook verzot op muziek en dans, en liet nooit de gelegenheid voor een fiësta voorbijgaan.

Hij had alles bereikt wat hij gezworen had te zullen bereiken; de volgende stap was: een politieke unie van al de nieuwe staten te vormen onder een sterke centrale regering, zo iets als de Ver­enigde Staten. Maar het nationalisme en de politieke partijen die vooral uit waren op hun eigen macht in de afzonderlijke landen, boden felle tegenstand. Oude vrienden, eens zijn kameraden in de strijd, stonden nu tegenover hem als politieke vijanden. De landen die als één man hadden gevochten tegen de Spanjaarden waren nu bereid de wapens tegen elkaar op te nemen. Wanhopig begon Bolivar weer lange reizen te ondernemen, in de hoop eenheid te brengen. Hij had aan gezag nog niets ingeboet. Overal werd hij geestdriftig ontvangen. Maar hij kon niet overal tegelijk zijn. En nauwelijks had hij zijn hielen gelicht of de golven van de tweedracht sloten zich weer achter hem. “Ik heb in de zee ge­ploegd!” riep hij vermoeid en ontgoocheld uit.

Hij was geen voorstander van een zuivere democratie. De Zuidamerikaanse volken waren er nog niet rijp voor, meende hij. “Hun ogen zijn nog te kort geleden uit de duisternis van de slaver­nij gekomen om dat heilige, verblindende licht te kunnen ver­dragen.” Wat hij voorstelde voor de verschillende republieken was meer een regering naar het voorbeeld van Engeland dan van Noord-Amerika, met een gekozen Lagerhuis, een erfelijke Senaat, en een president die voor het leven benoemd werd. Hij had natuurlijk steeds als dictator kunnen optreden en alle landen die hij had bevrijd zijn bewind opdringen. Maar hij verafschuwde de dictatuur. Toen eens een groep voorstelde dat hij zich tot keizer moest laten kronen, antwoordde hij : “De titel van Bevrijder is ver verheven boven enige titel die de menselijke hoogmoed heeft be­dacht; het is ondenkbaar dat ik die titel naar beneden zou halen.”

De jaren van ontberingen begonnen hun tol te vragen. Hij was ziek en vermoeid, een oude man op zijn 47ste. Toen hij tenslotte in Bogota vernam dat er dictatoriale regeringen waren gevormd in Venezuela en Peru, in Bolivia en Colombia, wist Bolivar dat dit het einde was. “Ik zal spoedig sterven,” schreef hij. “Mijn rondgang is voltooid. God roept mij.” Hij was vastbesloten elders te sterven, omdat hij geloofde dat zijn aanwezigheid alleen al nog meer tweedracht zou zaaien in de republieken die hij had ge­vestigd. Zijn vrienden smeekten hem te blijven en zijn wil met de wapens af te dwingen. Duizenden zouden zich onmiddellijk aan zijn zijde scharen, zeiden zij. Maar hij weigerde zulke middelen tegen zijn eigen landgenoten te gebruiken.

Toen hij uit Bogota vertrok, stond de gehele bevolking langs de straten, en de mensen huilden toen hij langs reed. De ministers, de regeringsambtenaren en honderden burgers reden met hem mee tot aan de rand van de stad. Daar stegen zij van hun paard en omhelsden hem. Met grote inspanning klom hij in het zadel en verdween uit het gezicht op de weg naar de kust. Nadat Bolivar aan boord van een fregat was gegaan met bestemming Jamaica, werd zijn ziekte erger, en de kapitein zette koers naar de Colombiaanse kust en zette hem aan land in Santa Marta. Ze droegen hem aan wal op een draagbaar — een stelletje botten dat de grootste man van Zuid-Amerika was geweest. Straatarm, vrijwel van iedereen verlaten, stierf hij in Santa Marta op 17 december 1830. Om zijn hals droeg hij een medaillon met de beeltenis van George Washington, dat hij van Lafayette gekregen had.

Toen de bevolking van Caracas eens had voorgesteld een stand­beeld van hem op te richten, zei Bolivar: “Wacht tot na mijn dood, opdat u mij kunt beoordelen zonder vooroordeel. Er moeten nooit monumenten voor een man worden gebouwd tijdens zijn leven; misschien verandert hij, of pleegt hij verraad. U zult mij daar nooit van behoeven te beschuldigen; maar wacht, wacht, zeg ik nog eens.”

Ze hebben hem nu volledig beoordeeld. Twaalf jaar na zijn dood voer er een grote vloot van oorlogsschepen naar de haven van Santa Marta. Naast de kleuren van al de landen die hij had bevrijd, hingen de vlaggen van Engeland, Frankrijk en Nederland halfstok aan de mast. De stad was vol buitenlandse vertegenwoordigers. Bij het langzame gedreun van kanonnen en tromgeroffel werd het stoffelijk overschot van Bolivar op een schuit geplaatst en naar een wachtend schip geroeid. Weldra lichtte de hele vloot het anker, hees de zeilen en voer oostwaarts. Zo kwam het lichaam van Bolivar thuis. Caracas had zich in de rouw gestoken en er waren bogen over de straten gebouwd. Daar­onder reed een lange stoet van hooggeplaatste mannen uit vele landen en daarachter, getrokken door paarden met zwarte kleden, kwam een enorme katafalk, bedekt met kransen en bloemen en gedrapeerd met zwarte zijde. De mensen keken zwijgend toe ter­wijl de stoet voorbij trok op de maat van langzame muziek.

Bolivar had eindelijk de plaats gevonden waarnaar hij in de harten van zijn mensen en in de geschiedenis had gezocht
*ca 1950

770

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (42)

 

In de artikelen Pasen (38) en Pasen (41) wordt gesproken over vertellingen voor kleinere kinderen waarmee ze kunnen meebeleven wat er buiten in de natuur rondom Pasen gebeurt.

In onderstaand verhaal heeft de schrijver geprobeerd iets van de zon met de aarde te verbinden. Daarin kun je zeker een paasmotief herkennen.

Het heeft m.i. ook een functie in bijv. de heemkunde, want met een kleine uitbreiding kun je met dit ‘zinrijke’ verhaal de kinderen ook vertellen hoe het graan op aarde is gekomen, dat ons dagelijks het brood geeft.

 

het zonnekoren – een paasverhaal

Er was eens een groot statig gras. Op een dag had een oude broer het ontdekt en meegenomen. Hij plantte het in heel vruchtbare aarde en verzorgde het vanaf dat ogenblik heel liefdevol.
Wanneer het eens een tijd niet regende , gaf hij het water en als het veel te veel regende, groef hij er een diepe geul rondom, zodat het water weg kan lopen. Alle onkruid in de nabije omgeving haalde hij weg, Zo was het gras steeds een beetje groter en mooier geworden. Het dacht er nooit aan groter of mooier te worden. Het wilde alleen maar naar het licht groeien; het wilde dichter bij de zon komen.

Daar, in het licht van de zon, woonde een machtige zonnestraal. Ook hij had het grote, statige gras ontdekt, zag hoe het groeide en had het daarbij geholpen. Als er eens wolken voor de zonnestralen, zijn broeders, schoven en zo het licht de weg naar de aarde versperden, vond hij altijd nog wel een opening waar hij doorheen kon sluipen om zo toch nog het gras te kunnen beschijnen.

Toen het gras zo groot geworden was dat het bijna niet meer verder groeien kon, vormde het op de punt een klein schaaltje en hield dat naar de zonnestralen omhoog.
Toen de machtige zonnestraal dat zag, wist hij dat zijn tijd gekomen was. Hij trok zich terug in zijn hart. Steeds dichter bij zijn hart kwam het eind van zijn straal. Voortdurend kleiner en kleiner werd hij, tot hij al het licht in zijn hart verzameld had en hij niets meer was dan een kleine, stralende druppel zonlicht.

Zo liet hij zich vallen. Vanuit de hemel viel hij naar de aarde, naar het gras dat hij zo lang had beschenen. Steeds dichterbij kwam de helder glanzende zonnedruppel  op het grote, statige gras af en hij zag dat dit een klein schaaltje op zijn punt naar hem toe hield, net of het riep: ‘Hier moet je in vallen, ik vang je op!’
Zacht viel de zonnedruppel in het kommetje op het puntje van het gras. Dit was zijn huis, zoals een nestje voor de vogels.

Toen de boer dat zag, was hij heel verheugd. ‘Kijk nou toch eens,’ riep hij naar de knechten en meiden, ‘het grote, statige gras dat ik gevonden heb en meegenomen, heeft een zonnedruppel opgevangen.

Op zijn weg van de hemel naar de aarde was de zonnedruppel steeds meeer gaan stralen. En ook nu nog was het alsof hij alles wat er om hem heen was, alle licht, alle warmte, alle geuren en klanken in zich op nam. Het leek erop of hij ook het water van de aarde in zich opzoog met alles wat er aan stevige aardestoffen hem door het gras werd aangereikt. Daardoor werd hij steeds steviger en harder. Maar zijn glans verloor hij niet. De zonnedruppel was gerijpt tot een zonnekorenkorrel.

Toen kwam de herfst en daarmee hevige stormen die zelfs zo’n groot en statig, zo’n sterk gras als het onze, toch behoorlijk lastig kunnen vallen. Het gras werd heen en weer geblazen. Er werd aan geschud en gerukt, zo dat het gras dacht dat het nu wel zou breken.

Op een dag was er een heel heftige storm. Toen verloor het gras de zonnekorrel. Het had geen kracht meer om het vast te houden.

Even dacht het gras dat de korrel uit zichzelf was weggesprongen.

De korrel viel op de grond. Het rolde een beetje heen en weer – en toen verdween het in een spleet in de donkere aarde. Het gras stond er, toen het de korrel kwijt was, treurig bij en verdorde. De knechten en meiden van de boer jammerden: ‘Het gras heeft de korrel niet kunnen vasthouden. Die is op de grond gevallen en in de aarde verdwenen. Die zullen we nooit meer terugzien.’

De oude boer zweeg.

Stilletjes lag de zonnekorrel in de donkere aarde en wachtte. Hij pakte al zijn krachten samen. En toen de tijd daar was, strekte hij kleine worteltjes uit, tastend in de aarde, dieper en dieper en hield zich goed daarin stevig vast. Toen stak hij zijn hoofdje omhoog en groeide. En spoedig groeide hij boven de aarde  uit; hij ademde de kruidige lucht in, was blij met de warmte die naar hem toe kwam en groeide naar het licht, zijn zonnestralenbroeders tegemoet.

‘Dat gras heb ik nog nooit eerder gezien,’ zei de oude boer tot de knechten en meiden, ‘ het moet de zonnekorrel zijn.’

Het koren groeide verder. Het werd groter en statiger dan het grootste en statigste van alle grassen. Hij werd zo groot dat hij met zijn hoofd  het lichtrijk van de zon bereikte, waaruit hij ooit vandaan was gekomen.

Toen werd hij geel, stralend geel, zoals hij als zonnekorrel was geweest. Zo stond hij daar, met zijn hoofd naar de hemel en zijn voeten diep in de aarde: een gras en een zonnestraal.

(Jörg Undeutsch, Der Elternbrief 04-1993)

Grohmann: grassen en granen

Pasen: alle artikelen

769

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (41)

wij vieren Pasen

Tot het leven van de mens in het ritme van het jaar behoren al sinds ‘de eeuwigheid’ de vier jaarritmen: lente, zomer, herfst en winter.
Is het ‘toeval’ of de bedoeling van hogere geestelijk-goddelijke machten dat ook de grote feesten die de christenheid in het jaar viert, dikwijls aan het begin van een nieuw jaargetijde liggen?

Tegen het begin van de lente, dus in maart of begin april wordt het paasfeest gevierd. Pasen is wat de datum betreft een beweeglijk feest; het valt – door een besluit van het Concilie van Nicea in 325 altijd op de eerste zondag na de eerste volle maan van de lente.

De voorloper van Pasen daarentegen, het joodse paasfeest, viel steeds precies op de eerste vollemaansdag na het begin van de lente, zonder rekening te houden met de dag van de week.

Het eerst mogelijke feest kan dus volgens de huidige regeling op 22 maart vallen, het laatste op 25 april, daar zitten dus 35 dagen tussen. Van deze datum is ook die van Pinksteren afhankelijk; dit hoort dus ook tot de beweeglijke feesten.

Bij het begin van de zomer en wel op 24 juni wordt het Sint-Jansfeest ter herinnering aan Johannes de doper gevoerd, dikwijls met grote vreugdevuren. In dit jaargetijde staat bij ons de zon op de zomerdag om 12 uur in de middag op het hoogste punt; dit is de langste dag en daar tegenover staat dus de kortste nacht.

Het Michaëlsfeest vieren de christenen tegenwoordig zeker niet meer zo als een 100 jaar geleden, dus bij het begin van de herfst wanneer dag en nacht even lang zijn.

Bij het begin van de winter, op 21 december,  de kortste dan en langste nacht beleven, wordt het zeker bekendste (en waarschijnlijk door de geschenken ook het meest gewilde) van alle christelijke feesten gevierd op 25 december: Kerst als het geboortefeest van Jezus Christus.

Maar niet alleen de christenen vieren hun grootste feesten aan het begin van een nieuw seizoen, ook veel andere ‘natuur’volken, heidense enz. hadden op deze tijdstippen uit kosmische wijsheid en kosmisch weten dikwijls hun heilige feesten.

Waar komt de naam Pasen vandaan
De naam Pasen (omdat dit artikel uit het Duits werd vertaald staat hier Ostern) komt als Ostern alleen in het Engels (Easter)  en het Duits voor. Hij berust blijkbaar op een vergissing. De kerklatijnse naam voor paasweek (Osterwoche) ‘Albae paschales’ werd abusievelijk lang verwisseld met het Oud-Hoogduits ‘austro’ – in het meervoud: ostarun – wat zoveel betekent als ‘morgenrood’. Rond ongeveer 600 na Chr. kwam deze verkeerde naam in Engeland door de vertalers van Augustinus, die de Angelsaksen tot het christelijk geloof bekeerd had.

Zeker bestaat ook de afleiding van de naam Ostern uit het Germaanse spraakgebruik die toch nog meer van toepassing lijkt. Lang voor de Germanen bekeerd werden, vierden ze het feest van de lentegodin Ostara aan het begin van de lente en het is vrij zeker dat deze naam later door de bekeerde Germanen voor het feest van de opstanding van Jezus – Ostern – werd overgenomen.

Hoe vieren we Pasen met de kinderen
De christelijke opvatting, de christelijke cultuur verbindt met het paasfeest de kruisiging en de lichamelijke dood van Jezus Christus op ‘de eerste’ Goede Vrijdag in de wereldhistorie en zijn opstanding drie dagen later op de historisch ‘eerste’ paasmorgen. Voor de gelovige en belijdende christen behoort wat er met Pasen plaatsvindt tot de centrale gebeurtenis van de geschiedenis der mensheid; volgens zijn inzicht en geloof is Jezus Christus voor alle mensen voor hun verlossing als mens geboren en heeft hij ook de fysieke dood (door de kruisiging)  geleden en op zich genomen.

Daarom is het wel te begrijpen dat met name in het verleden, gelovige ouders, kerkelijke en niet – kerkelijke opvoeders – van godsdienstfanaten afgezien – er betrokken mee bezig waren de historische achtergrond en de betekenis van Goede Vrijdag en Pasen de kleine kinderen zo vroeg als mogelijk mee te geven en te verklaren, opdat zij zoveel mogelijk ‘goede’en gelovige christenen zouden worden.

Het kan zijn dat deze goed bedoelende mensen juist het tegenovergestelde hebben bereikt: welk kind zou dood en opstanding nu al in begrippen kunnen vatten. Hebben wij zelf als volwassenen niet vaak problemen met het begrijpen van de diepere achtergronden van de werken van Christus en zijn daden en uitspraken?

Zijn er andere, misschien betere mogelijkheden om aan de kinderen het paasfeest op het niveau van hun leeftijd bij te brengen, de gebeurtenissen voor hen levendig te omschrijven?

Pasen in de natuur
Het paasfeest is onlosmakelijk verbonden met het begin van de lente. Naar aanleiding van deze bijzondere tijd van het jaar waarin het  nieuwe  leven uit de door het winterproces afgestorven natuur weer opnieuw ontspringt, werd sinds mensenheugenis bij vele volken een opgewekt, vrolijk voorjaarsfeest gevierd en werden de goden dank en offers gebracht. Oorspronkelijk was het lente- respectievelijk paasfeest noch joods noch christelijk, het was een ‘heidens’ feest. De weer uitlopende, ontkiemende natuurkrachten hebben de ‘doodskrachten’  van de winter overwonnen; de hoop voor het nieuwe begin, de hernieuwde opstanding van licht- warmte- en groeikrachten kiemde. In die oudere tijden was de winter met zijn ijzige kou, duisternis, vele ontberingen en last en de weinige voedingsmiddelen – er was geen centrale verwarming, elektrisch licht enz. ook geen moderne mogelijkheid om voorraden te bewaren – het hardste van alle seizoenen waarin de meeste mensen stierven en wel het meest door honger, kou, ontbering en talloze ziekten. 

Daarom begrijpen wij en de kinderen wel, wanneer we terugkijken in de cultuurgeschiedenis, dat de mensen het begin van de lente met jubel en vrolijke feesten gevierd hebben en hun goden en heiligen dankten, omdat zij de winter overleefd hadden en voor een hoopvol nieuw begin stonden.

Maar niet allen de mensen begroetten en vierden de terugkeer van de lente, ieder jaar begroet en viert ook heel de natuur de opklimmende warme zon, het terugkerende levend brengende licht; de vogels jubileren met hun zang; vele mensen vinden elkaar in de liefde en verbinden zich en de voorjaarsbloemen betonen hun vreugde met de allermooiste bonte kleuren.

Wie herinnert zich dan nu niet ‘Osterspaziergang’ uit de Faust van Goethe:

Vor dem Tor

Vom Eise befreit sind Strom und Bäche
Durch des Frühlings holden, belebenden
Blick,Im Tale grünet Hoffnungsglück;
Der alte Winter, in seiner Schwäche,
Zog sich in rauhe Berge zurück.
Von dort her sendet er, fliehend, nur
Ohnmächtige Schauer körnigen Eises
In Streifen über die grünende Flur.
Aber die Sonne duldet kein Weißes,
Überall regt sich Bildung und Streben,
Alles will sie mit Farben beleben;
Doch an Blumen fehlts im Revier,
Sie nimmt geputzte Menschen dafür.
Kehre dich um, von diesen Höhen
Nach der Stadt zurück zu sehen!
Aus dem hohlen finstern Tor
Dringt ein buntes Gewimmel hervor.
Jeder sonnt sich heute so gern.
Sie feiern die Auferstehung des Herrn,
Denn sie sind selber auferstanden:
Aus niedriger Häuser dumpfen Gemächern,
Aus Handwerks- und Gewerbesbanden,
Aus dem Druck von Giebeln und Dächern,
Aus der Straßen quetschender Enge,
Aus der Kirchen ehrwürdiger Nacht
Sind sie alle ans Licht gebracht.
Sieh nur, sieh! wie behend sich die Menge
Durch die Gärten und Felder zerschlägt,
Wie der Fluß in Breit und Länge
So manchen lustigen Nachen bewegt,
Und, bis zum Sinken überladen,
Entfernt sich dieser letzte Kahn.
Selbst von des Berges fernen Pfaden
Blinken uns farbige Kleider an.
Ich höre schon des Dorfs Getümmel,
Hier ist des Volkes wahrer Himmel,
Zufrieden jauchzet groß und klein:
Hier bin ich Mensch, hier darf ichs sein!
VOOR DE POORT

Van ijs bevrijd zijn rivier en beken,
door de stralende blik van de lente ontdooid,
het dal is hoopvol met groen getooid;
de oude winter is uitgeweken
naar barre hoogten, al vluchtende gooit
hij machteloos, met bevende hand
ijzige korrels in straffe vlagen
over het groen-gestreepte land.
Maar de zon kan geen wit verdragen,
overal is er een kiemen en streven,
alles probeert ze weer kleur te geven,
maar bloemen ontbreken nog op de wei,
dus neemt ze mensen in feestkledij.
Draai je om! Daarbeneden ligt onze stad.
Zie wat er alles staat te gebeuren:
uit de poort, dat sombere holle gat,
stromen de mensen in vrolijke kleuren.
Ze zoeken de zon op, hun grootste gemis,
en vieren dat Christus herrezen is
want zijzelf zijn opgestaan:
uit hun muffe hokjes naar buiten gegaan,
moe van het juk van nering en werken,
te lang onder gevels en daken gebukt,
door gangen en steegjes benauwd en bedrukt,
ontsnapt aan de heilige nacht van hun kerken
vonden ze allen de weg naar het licht.
Kijk al die mensen, een prachtig gezicht-
krioelen langs velden, tuinen en perken.
Op de brede rivier zie je boot na boot
aan komen drijven, een vrolijke vloot;
en kijk, tot zinkens toe beladen
sluit dat pleziervaartuig de rij.
Zelfs op de berg trekt langs de paden
in de verte een bonte stoet voorbij.
Het dorpje is vol gegons en gewemel,
hier vindt het volk zijn ware hemel,
je hoort het gejuich van groot en klein:
hier ben ik mens, hier mag ‘k het zijn.

(vertaling: Ard Posthuma)

Offerfeesten in het voorjaar
Toen de individuele mens in het stadium verkeerde waarin hij veel meer een deel van een groep was en in de mensheidsontwikkeling nog niets individueels ontwikkeld had, dus nog geen ‘Ik’ of een persoonlijkheid was zoals wat we daar nu onder verstaan, was er in veel volksgroepen  verspreid over de hele wereld sprake van mensenoffers – naast dier- en plantenoffers – als dankgave aan hun hogere goden. Toen in de loop van de ontwikkeling het menselijke bewustzijn zich steeds verder ontwikkelde, werden de mensenoffers steeds vaker vervangen door het offeren van dieren; dat hield later ook op naarmate een volk of een volksgroep zich verder ontwikkelde.

Aan het offeren van mensen herinnert ons nog het verhaal rond Abraham die voor God zijn zoon Izaak moet doden en moet offeren, waartoe Abraham zonder aarzelen bereid was. Toen hij het mes om de dodelijke steek toe te brengen al getrokken had, gaf een stem uit de hemel hem het gebod niet verder te gaan en in plaats van zijn zoon een ram te offeren. Hieruit ontstond het gebruik om met Pasen – lentetijd – het paaslam te offeren.

Toen later het gevangen volk van Israël Egypte wilde verlaten en moest, was het tegen de Pasen, eind maart, begin april; toen at men gemeenschappelijk het paaslam met de ongezuurde broden met bittere kruiden, zoals het heet. Het bloed van het paaslam werd op de deurposten van de huizen gestreken; daarmee zou het onmogelijk worden dat ‘de boze’ het volk van Israël zou vernietigen. Zoals in Exodus 12 – 12, 23 is beschreven, gaat de ‘boze’, ook de ‘verderver’ genoemd aan die mensen voorbij en spaart hen die afzien van het verdere verblijf in Egypte. Dat ‘sparen van het leven’ en in zekere zin ‘het voorbijtrekken’ heet in het Hebreeuws ‘pe’sach’ en dat werd tot Passahfeest’ d.w.z. het offerlam werd onderdeel van het joodse paasfeest.

Het opstandingsbeleven bij andere volken
Wat er in de jaargetijden gebeurt, het sterfproces van de natuur in de winter en het weer opbloeien in het voorjaar, kennen vanzelfsprekend talloze volken over de hele aarde, zoals we dat uit hun mythen en vertellingen tegenwoordig precies weten.

In het oude Egypte was het Osiris die stierf en altijd weer opnieuw tot leven kwam.
Al het leven van de Egyptenaren werd enkel en alleen bepaald door de Nijl die eenmaal per jaar de smalle stroken land tussen de beide grote woestijnen rechts en links van de rivier met haar levensbrengend water en vruchtbaar slib overstroomde en zo het land niet alleen van water, maar ook van vruchtbare meststof voorzag.

In het tweestromenland van de Assyriërs en Babyloniërs was het de god van de vegetatie Tammuz die tegen de tijd van Pasen in het voorjaar tot nieuw leven werd opgewekt.

Een symbool voor het proces van sterven en weer opstaan is ook de geschiedenis van de vogel Phoenix  die zichzelf steeds weer in het vuur verbrandt en daaruit steeds weer jong, met nieuwe levenskrachten begiftigd, opstaat.

In het land van de Syriërs , Kanaän genoemd, werd aan het begin van de lente de semitische weer- en hemelsgod Baäl, de grootste van alle goden van dit volk, weer geboren.

Ook het volk van de Oude Grieken kende de dood en de wederopstanding; bij hen was het de schone jongeling Adonis, die ook na zijn aardse dood tijdens de winter in de onderwereld moest verblijven, maar die met het voorjaar weer terug mocht in het licht van de wereld, dus opstond.

Zo is er nog bij veel meer volken het feest van de wederopstanding van de natuur- en levenskracht, dat met grote dankbaarheid en blijdschap wordt gevierd.

Pasen in de sprookjes
Op de diepere en wijsheidsvolle betekenis van het zich steeds weer herhalende leven in de natuur kun je je bezinnen en dat loont de moeite want het is het lot van ieder van ons dat we dit, doordat we geboren worden en weer sterven (en weer geboren worden voor zover je dit kunt aannemen) meemaken.

Aan de jonge kinderen kun je dit leven dat zich steeds weer in de natuur herhaalt op een begrijpelijke manier bij brengen door bijv. het prachtige sprookje van Grimm ‘Doornroosje’.
Het 15-jarige Doornroosje viel, nadat ze zich op haar verjaardag aan een spintol had geprikt, in een honderdjarige doodsslaap, waaruit ze door een prins met een kus werd opgewekt.

Wellicht nog dieper wordt de wijsheid van dood en wedergeboorte van de mens, dus het beeld van de vernieuwde opstanding van de ziel, dat is het paasmotief, in het sprookje van de wachtelboom verbeeld.
Wijze leiders der mensheid hebben deze en andere verhalen, ook sproken genoemd, zeer lang geleden gevormd om de mens van die tijd die beeldend dacht, en nog niet zo zeer met het verstand kon leren en gevormd worden, te vertellen over kosmisch-geestelijke en aardse natuurgebeurtenissen, over de achtergronden van hemel en aarde.

In het sprookje van de wachtelboom wordt het paasmotief van dood en opstanding van de ziel duidelijk verbeeld.
De boze stiefmoeder doodt haar stiefzoon. Zijn zusje legde zijn beenderen in een witte doek onder een wachtelboom, waaronder zijn moeder al begraven lag. Uit de boom stijgt een nevelwolk omhoog die tot een vlam wordt. Daaruit vliegt een wonderschone vogel op, (het Phoenixmotief), die prachtig begint te zingen, zo dat alle mensen hun werk en waarmee ze bezig zijn laten voor wat het is om naar hem te luisteren en hem te bewonderen. Hij is als de weergeboren paaszon.
Op het eind van het sprookje wordt de boze stiefmoeder door een zware molensteen verpulverd; uit een vuur komt haar zoon, levend herboren.

Als deze twee sprookjes zijn er nog veel andere waarin het motief van dood en opstanding tot nieuw leven wordt geschilderd.

Sneeuwwitje die na een beet in de vergiftigde appel voor dood in de glazen kist ligt en weer levend wordt, kent ieder kind, net zoals Roodkapje die door de wolf met huid en haar wordt verslonden en door de jager weer in het licht van de zon teruggehaald wordt.

Ook in Vrouw Holle zit hetzelfde motief; Goudmarie en Pekmarie vallen in de met water gevulde bron en komen – lichamelijk dood – in een andere wereld waaruit ze, na goede of slechte werken, weer terugkeren naar de andere wereld.

Wie de sprookjes van de gebroeders Grimm kent of leest, zal nog een paar andere vinden die verhalen van dood en opstanding.

Deze sprookjes zijn zeer geschikt om aan kinderen tot (en met) de tweede klas te vertellen, als je ze beeldend bij wilt brengen wat er aan het begin van de lente, rond Pasen gebeurt. Wanneer je de kinderen deze sprookjes vertelt is het wel heel belangrijk dat je ze die met een inlevend bewustzijn vertelt, wanneer je zelf probeert je in te leven in wat met Pasen gebeurt.
Net als met het vertellen van andere sprookjes; wanneer je als volwassene deze met hun diepe wijsheidsvolle beelden doorgronden en accepteren kan, werken ze bij het vertellen aan de kinderen met veel inniger kracht verder waardoor zij in hen waardevolle opbouwende en sterker makende helpers kunnen vinden voor hun toekomst.

Verhalen voor de oudere kinderen
De kinderen die op een vrijeschool zitten, krijgen in de 3e klas de grootse verhalen uit het Oude Testament; in de 4e klas de sagen van de Germanen, door hun leerkracht verteld.

De kinderen hebben nu een ander bewustzijn gekregen ( zijn de Rubicon overgestoken) en zij kunnen nu de verhalen over het Joodse volk horen. De uittocht uit Egypte van het volk Israël (tot aan de Sinaï) en de betekenis van het offer van het paaslam – hierboven beschreven.

Vanaf klas 6-7 , dus vanaf 12-13 jaar kun je de kinderen ook verhalen uit het Nieuwe Testament vertellen zonder over hun hoofden heen te spreken. Met hun bewustzijn kunnen ze steeds beter het dode, abstracte opnemen. Bij de dood echter, hoort ook steeds het leven, het opnieuw geboren worden; die feiten mag je niet verre van hen houden om hun niet het gevoel van angst, maar dat van vertrouwen en uitzicht te geven.

Paasgebruiken – paasgewoonten
Wat zou het paasfeest in een gezin zijn zonder  hopelijk zelf beschilderde bonte paaseieren en zonder de paashaas.
Wat heeft dat met het ei, met het ‘paasei’ van doen

Wel, steeds al gold het ei als symbool van het (nieuwe) leven en van de vruchtbaarheid. Je moet bij deze beschouwing niet meteen aan het kippenei denken; vele zaden die in zich de kiem van de nieuwe plant dragen, vele eieren van dieren – en natuurlijk ook die van de vrouw – zijn bolvormig rond en zijn daarmee niet alleen een beeld van de aarde, maar ook van de totale kosmos. De kosmos echter draagt – zoals ook het ei – alle krachten voor het nieuwe leven dat ontstaat, in zich. Omdat het kippenei ook nog eens goed te verteren is, dus als voedsel te gebruiken, heeft men het wellicht als plaatsvervangend voor alle zaden en kiemen als symbool voor het nieuwe, wordende leven genomen en heeft zich juist in de lente daaruit in vele volken een gewoonte  ontwikkeld.

Het is bekend dat de Chinezen 4- tot 5-duizend jaar geleden al elkaar bij het begin van de lente bont versierde eieren cadeau gaven. Ook uit de geschriften en verhalen uit de Oude-perzische cultuur; die van de Indiërs, Babyloniërs, Egyptenaren, Grieken, Finnen en Germanen en andere volksgroepen weten wij, dat de mensen elkaar beschilderde eieren gaven of dat het ei een bijzondere offergave voor de goden betekende.

In een Indische mythe wordt verteld  dat in het oerbegin alle Zijn uit een reusachtig ei dat in een zilver en een gouden helft splitste, zich de hemel en de aarde hebben gevormd.

Een oude Perzische sage verhaalt dat eens een reusachtige stier met zijn puntige hoorns het grote wereldei opengestoten heeft en dat alle levende wezens voor de aarde daar uit kwamen. In het geloof van de Oude Perzen was de wereld waarin nog geen kwaad bestond, een reusachtig groot licht-ei. Zij gaven elkaar later bij het begin van de lente vooral rood beschilderde eieren.

In een Fins scheppingsverhaal ontstaat uit een groot gouden ei dat in twee helften brak, hemel en aarde. Uit de gele dooier werd de stralende zon gevormd.

In de Romeinse catacombengraven heeft men nagemaakte eieren gevonden uit louter zilver.

Uit al deze mythen en sagen ontstonden steeds weer nieuwe gebruiken om elkaar versierde en geschilderde eieren te geven. Eieren van kippen en ook van andere vogels, maar ook kunstzinnig gemaakt van goud, zilver en edelsteen.
Na de uitvinding van het horloge werden er ook kostbare uurwerken in de vorm van een ei gemaakt.

Wij beschilderen eieren
Wie zelf graag eens eieren met natuurverf zou willen beschilderen, kan dat als volgt doen:

Een tot twee handjes uienschillen een paar minuten in een liter water gekookt en daarbij dan de eieren koken tot ze hard zijn. Hoe langer de eieren hierin koken, des te donkerder de schalen worden; je kunt het uitproberen.

Ook met zwarte thee kun je de witte schalen bruiner maken. Groen krijg je door brandnetels; rood door rode bieten, geel door saffraan of karwei als je dit van te voren eerst kookt. Doe je azijn in het water, dan worden de kleuren vaak intenser. Wie na het koken de eieren met olie of spekzwoerd inwrijft, krijgt mooie, glanzende exemplaren.
Plak je vóór het schilderen kleine blaadjes erop, of grashalmpjes o.i.d. en je doet er dan verband of tule omheen en je kookt ze dan in het plantenvocht, zie je naderhand de mooie patroontjes op de eierschalen als je de blaadjes er dan afhaalt.

Je kan de eieren natuurlijk ook met bonte waslaagjes beplakken of met waskrijt bewerken. Wanneer de eieren nog warm zijn, smelt de kleur van de waskrijtjes en dan kun je dit mooi uitwrijven of dat weer mengen. Je kunt – papier eronder – het drogen met de föhn.

Er zijn nog veel meer technieken om eieren te beschilderen of met kleurig papier te versieren, nesten en diertjes te knutselen.

Er zijn veel boekjes in omloop met voorbeelden.

Wie het geluk heeft in een omgeving te wonen waar in het bijzonder de dorpsbronnen met honderden eieren versierd worden, rijdt door die dorpen om ze te bewonderen. Je vindt ze soms in de kleinste dorpjes. In deze streken is het ook de gewoonte om struiken en bosjes in de tuin en in huis met bont beschilderde eieren te versieren.

Natuurlijk behoort het voor de kinderen wel tot het mooiste van de paasbelevingen om in de tuin of de vrije natuur eieren te zoeken die de ouderen daar van te voren hebben verstopt. Misschien krijg je onderweg nog een idee om een zinvol verhaal te vertellen over de paashaas.

(Hans Harres, Der Elternbrief 04-1992)

Pasen: alle artikelen

768

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (40)

Pasen – feest van leven en vruchtbaarheid

Om nauwelijks een feest zijn zoveel gebruiken geweven op de hele wereld als om Pasen, als het belangrijkste feest van het kerkelijk jaar – in dat in drieërlei opzicht: terugblikkend wordt het afscheid van de winter vrolijk gevierd, met Pasen zelf staat het ei als actueel vruchtbaarheidssymbool op de voorgrond in vele gewoonten en symbolen en met het oog op hopelijk een goede oogst gedurende het jaar worden sommige paassymbolen met zegen brengende handelingen verbonden.

Paasvuren brengen vruchtbaarheid

Veel paasgebruiken zijn in de loop van de tijd in de vergetelheid geraakt; bij andere trad er een vermenging op van christelijke mythen met heidense gewoonten.
Zo wordt Pasen als het feest van de opstanding van Jezus en tegelijkertijd als vernieuwing van de natuur gevierd.
In voorchristelijke tijd kwamen de voorjaarsfeesten op de eerste plaats en dat niet zonder reden: in het oude Rome viel het nieuwjaarsfeest in maart en dus viel het samen met het ontwaken van de natuur.

Op Witte Donderdag – vaak al op de maandag ervoor – begint in veel streken het paasfeest. Het ei krijgt overal een bijzondere symbolische betekenis: zoals het kuiken uit het ei, zo verrijst Christus uit het graf.
Je mag echter – zoals in het Sauerland gebruikelijk is -nooit met ‘martelgereedschappen’ werken: (spijkers en hamer); tot de eigenlijke feestdag geen schoon hemd aantrekken, niet je haar kammen, geen dieren slachten en je moet door lawaaierige optochten met fakkellicht in de paasnacht de ‘geesten’ van de kou, van de winter en de verstarde natuur verdrijven.
Misdienaren in Rheinland gaan vandaag de dag* nog tegen de tijd dat de klokken gaan luiden met fluiten, ratels en kleppers door de straten, de plaats van de klokken innemend en ze willen kleine paasgeschenkjes hebben.

Globaal is Stille Zaterdag het einde van de Vasten en geeft dus aanleiding genoeg om zich op het vreugdefeest Pasen grondig voor te bereiden. Paaswielen worden met stro omvlochten en brandend de heuvels afgerold, net zo bekend zijn de paasvuren – symbolisch wordt daarbij de winter verbrand en het vuur geeft vruchtbaarheid aan de akker.
Gezegend paaswater helpt bij de persoonlijke wasbeurt en om de vastenvierders af te leiden en wat vrolijker te stemmen, zouden er nu nog pastoors zijn die aan de gelovigen in de kerkdienst vóór het feest paassprookjes zouden vertellen met vrolijke onderwerpen.

Metalen eieren luiden Pasen in
In het Maindal en de regio Fulda gaat de jeugd tegen Pasen met houten ratels lawaai makend door stegen en buurten om – zoals de sterrenzanger** in januari verzamelt – maar nu om eieren en zoetigheid op te halen. Overal kom je daar kransen uit bukshout gevlochten tegen  in de vorm van een kroon en versierd met een gouden metalen kruis. Versierd met o.a. bontgekleurde randen en slingers waaraan paaseieren hangen. Vaak wordt de kroon over een Mariabeeld bij de dorpsbron geplaatst.
Vaak hangt er ook een groen gevlochten streng waar je de plaats binnenkomet; in het midden ook weer van deze paaskronen.
Naast eierbomen in de plaats zelf begroeten vele gemeenten in het Fuldadal het binnenrijdende verkeer in de paastijd met guirlandes van groene struiktakken; er hangen aan kleurige linten vele metalen eieren aan die in de wind een kling-klangend geluid maken. Op deze manier begint Pasen.

Het is ondoenlijk om al de verschillende paasgebruiken op te tekenen, zoals bv. de paasnesten op palen met een haas of een kip daarin, zoals in Hohenlohe de gewoonte is.

Overal echter, ontstonden bijzonder veel gewoonten rondom het ei.

Paaseieren als kleine kostbaarheden
Symbool voor het leven was het ei al bij de oude Chinesen die ervan uit gingen dat de wereld eens alleen maar door water bedekt was, waaruit als ‘oercel’ het ei opdook, vast land werd en het leven liet ontstaan. Vast staat dat het ei overal als een symbool geldt voor de scheppingsgeschiedenis, als brenger van het leven en in vele landen als ‘zetel van de ziel’ werd gezien.
Eieren werden gebruikt als offergave bij huis- en dijkenbouw. Eieren golden en gelden als tover- en geneesmiddel tegen kwalen en blikseminslag, werden in de stal verstopt of op de graanakker als symbool van de vruchtbaarheid of daar na de oogst opgesteld, zoals dat nu nog gaat met struikjes uit dankbaarheid in het Welzheimer Woud.
Vaak voorkomend zijn de gebruiken om het ei waar het om de tover van de liefde gaat, daarop wijzen de eieren met spreuken die geschonken worden.
Maar niet alleen gelukwensen en toverspreuken weven zich rond de paaseieren. In ieder land, iedere streek hebben zich aparte gewoonten ontwikkeld die in ere worden gehouden om eieren te versieren.
In Tsjechië worden eieren beplakt met gestreken strohalmen; de Sorben gebruiken kras- en batiktechnieken; bij de Hongaren vind je gehaakte; met bloemmotieven; in Roemenië met voorstellingen van het Avondmaal, als wasbatik bekend. Op tentoonstellingen vind je eieren uit Polen met woldraden versierd; uit Slesië mobiles met eieren; uit Hessen waarop heel klein geschreven is, iconeneieren uit Rusland, van klei en onyx uit Mexico en uit ivoor (China) en papier-maché uit Pakistan. Veel van deze eieren waren altijd al en zijn dat nog steeds onbetaalbare kostbaarheden, vooral als ze van metaal, porselein, emaille, ivoor of zelfs van goud zijn.

Ook de patronen hebben altijd wel een bepaalde betekenis: golven bv. als symbool voor het eeuwige leven; puntjes als ‘de tranen van Maria’.
Goud geldt als goddelijke kleur, rood is de offerkleur, groen betekent hoop, blauw bestendigheid. Vorm en kleur kunnen met allerlei technieken op deze meest verschillende manieren variëren en geven het paasei zijn onvergelijkbare betekenis, of je de eieren nu verft, dan wel bestempelt, batikt of krast, marmert of appliquert.

(Karl-Heinz Wiedner, Der Elternbrief *04-1992)

**sterrenzanger in het kerstspel

Pasen: alle artikelen

767

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (39)

Een verhaal over paaseieren voor kinderen rond de leeftijd van 6.

DE PAASEIEREN

Een kuiken dat nog niet zo heel lang geleden het licht in de wereld voor het eerst zag, besloot eens een uitstapje te maken in deze wereld. Vergenoegd rende het langs een beekje, tot het, plotseling stijf van schrik bleef staan. Een vreselijk ondier waarvan het gevaar vooral aan de reuzenoren af te lezen was, kwam het nu juist van daar tegemoet, waar het naartoe wilde gaan. Het nieuwsgierige kuiken maakte meteen rechtsomkeer en rende terug naar waar het vandaan was gekomen.

Het monster echter waarvoor het op de vlucht was geslagen, was een jonge haas die ook op zijn eerste ontdekkingsreis was. Hij was nietsvermoedend langs de beek gehuppeld, hier eens een groen grassprietje plukkend, en daar eens over de grond snuffelend, tot hem ook een hoogst gevaarlijk wezen tegemoetkwam. Een vogel was het, niet erg groot, maar met scherp spiedende ogen en een weinig uitnodigende, spitse snavel. Kort en goed, onder deze omstandigheden leek het de haas beter het hazenpad te kiezen. Pas bij de rand van het bos hield hij stil en gluurde voorzichtig achterom om te kijken hoe ver zijn achtervolger gekomen was. Maar met de beste wil van de wereld kon hij daarvan alleen nog de wegrennende achterkant zien. ‘Er is dus een dier,’dacht hij verzaligd, ‘dat voor mij op de vlucht slaat. Dat moet een heel aardig dier zijn.’

Intussen was ook het kuiken blijven staan om op adem te komen en ontdekte nu dat het vermeende ondier overduidelijk de benen had genomen.

En wat deden de beide helden nu?

Heel voorzichtig liepen ze weer op elkaar af, tot ze bij elkaar waren en elkaar, een beetje beschaamd, groetten. Van toen af aan mochten zij elkaar en er ontstond een mooie vriendschap. Je kon ze heel vaak samen zien. Dat had tot gevolg dat ook hun familie met elkaar kennis maakte en zij vonden elkaar aardig. Dat was heel belangrijk, want  dit allemaal is alleen maar verteld omdat het door deze vriendschap is gekomen dat er nu paashazen en paaseieren zijn. Dit zit zo.

De hazen en de kippen die beide rond Pasen vele kleintjes hebben, behoren tot de meest vredelievende dieren die er op de wereld bestaan. En vooral die waarover hier wordt verteld, waren heel erg zachtaardig. De oude kip had half onder een struik een mooi plekje ontdekt waar ze besloten had te gaan broeden. De hazen, die nog nooit eieren hadden gezien, konden er maar niet genoeg van krijgen naar die mooie, witte, ronde eieren te kijken en toen de hen dat zag, schonk zij ze aan de hazen. Ze wist dat ze nog genoeg eieren zou kunnen leggen.

En daar zaten heel de hazenfamilie en heel de kippenfamilie bij elkaar bij de struik waar de eieren lagen en ze raakten in gesprek.

‘Waar komt de wereld eigenlijk vandaan’, vroeg de oude grijze haas. ‘Wij komen uit het bos waar onze ouders woonden, maar waar komt de wereld vandaan?’

‘Dat kan ik jullie wel zeggen,’ antwoordde de oude hen gewichtig. ‘Dat kunnen alleen de kippen weten. D e  w e r e l d  k o m t  u i t  e e n  e i.’

En ze vertelde over het broeden van haar eigen eieren.

‘Dan moet er ook iemand geweest zijn die het wereldei uitgebroed heeft,’ zeiden de hazen. ‘Ja, zeker,’ gaf de hen ten antwoord, ‘zonder broeden gaat het niet. Dan kan er niets uit het ei komen. Dat heeft de grote wereldvogel gedaan die het ei heeft gelegd. Die heeft het ei warm gehouden en uitgebroed.’

Dat vonden de hazen geweldig en ze keken heel blij naar de eieren. Zij wisten niet dat het die dag toevallig paaszondag was.

‘Hoe is het dan verder gegaan met dat wereldei?’ vroegen de hazen; maar toen hoorden ze plotseling allemaal muziek. De zon was in volle glorie opgekomen en ze straalde op de eieren die oplichtten, die anders onder de hen gelegen zouden hebben. De muziek klonk en de hazen, die erg muzikaal zijn, begonnen op hun achterpootjes op de maat mee te dansen. Hun oren, lang en kort, waren net de noten die bij deze muziek hoorden. Een leeuwerik had zich in de lucht begeven en zong hetzelfde lied en prees het licht.

En terwijl de leeuwerik zong en de zonnestralen de eieren aanraakten, kregen ze voor de ogen van de hazen en de kippen bonte kleuren. Door de stralen van de zon kregen ze kleur, omdat het deze morgen paasmorgen was en de zon een heel bijzondere kracht had. De zon geeft immers ook de kleur aan de bloemen en dikwijls aan de regenboog en aan de hemel. En op deze dag kleurde ze de eieren.

En terwijl de hazen en de kippen dit alles sprakeloos beleefden, herinnerde de oude haas zich plotseling iets over de wereld.

‘Eerst was daar de wereldvogel en het wereldei,’ zei hij ‘en toen scheen het licht op het wereldei, zodat het met alle kleuren straalde.’

De oude hen vroeg: ‘Mag ik de geschiedenis verder vertellen, want dit is nog niet alles. In het ei zat een zilverkleurige vloeistof en een gouden bol. Zoals dat ook in mijn eieren zit. Eèèèindelijk was dit ei met het water en de bol rijp. Als dat bij mijn eieren het geval is, dan is er een gepiep en gepik en de harde schaal breekt en komt er een goudgeel kuiken tevoorschijn, dat meteen zijn kopje omhoog steekt. Zo moet het met het wereldei ook zijn gegaan. De schaal brak en de wereld en de mens en wij allemaal wandelden naar buiten, want het was wel een oneindig groot ei.’

‘Ja, zo móet het wel gegaan zijn,’ zei de oude haas nadenkend en ging weer liggen. De muziek was ook opgehouden. En hij deed zijn oren naar beneden.

Daar lagen nu tussen de hazen en de kippen de gekleurde eieren. ‘Wat kunnen we nu het beste met de eieren doen die we van de lieve kippen hebben gekregen?’ vroeg de kleine haas, waarover we het in het begin hadden.

Op dat ogenblik kwamen de kinderen van de boer, van wie de kippen waren, aangesprongen op de weg die vanaf de boerderij langs de beek liep. ‘Ik weet het,’ zei de kleine haas, die het vriendje van het kuiken  was. ‘We hebben de eieren zelf gekregen. We geven ze weg aan de kinderen van de boer die daar aankomen. Dat is het beste wat we ermee kunnen doen.’

En dat werd gedaan. De kleine haas ging naast de eieren zitten aan de oever van de beek. Hij ging op zijn achterpoten zitten, zodat de kinderen hem wel moesten zien. Wat juichten ze toen ze het nest met de bonte eieren ontdekten. ‘Paaseieren, gekleurde paaseieren,’riepen ze en zij lieten ze aan hun ouders zien die in hun zondagse kleren achter de kinderen langs de beek meeliepen. ‘Waar komen die nou vandaan,’ vroegen de ouders. ‘dat zijn geen gewone kippeneieren.’

‘De haas heeft ze ons geschonken,’ antwoordden de kinderen en ze waren heel blij met de bonte eieren.

(Elisabeth Klein, Der Elternbrief 04-1966)

Pasen: alle artikelen

 766

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Lord Beaverbrook

 

 

ENGELANDS ONSTUIMIGE KRANTENMAGNAAT

In de vriendelijke oktoberzon zat hij op het terras van Cherkley, zijn landhuis in Surrey: een oude man, ingepakt in een enorme jas, een slappe deukhoed op het hoofd gedrukt, één hand op de telefoon naast hem. “Vines,” riep hij, “breng me mijn agenda.” De secretaris — een van de vier — kwam aangehold. “Vines,” riep hij twee minuten later, “bel meneer Baker.” Even later was de adjunct-hoofdredacteur van de Londense Daily Express aan de lijn. De oude baas mompelde nors: “Hallo” en vroeg: “Wat heb je voor nieuws?” Aandachtig zat hij te luisteren en gooide er zo nu en dan een opmerking tussendoor. “Je hebt er toch een fotograaf heengestuurd, hoop ik? . . . Wat is er nog meer? . . . Tussen Engeland en Frankrijk? . . . Zo, neem even een hoofdartikel op.” En snel gaf Beaverbrook in grote lijnen aan wat er de volgende dag in het hoofdartikel moest komen te staan — te snel dan dat iemand aantekeningen kon maken, maar ik begreep wel dat aan het andere eind van de lijn een bandopnemer zijn woorden vastlegde. (Alle belangrijke medewerkers van Beaver­brook hadden een bandopnemer om hem te kunnen bijhouden.)

Lord Beaverbrook, een naar Engeland overgeplante Canadees, is in juni 1964 in Cherkley overleden. En daarmee kwam een einde aan een fabelachtige carrière van een halve eeuw — als krantenman, politicus en wakkerschudder van Engeland. Als laatste van de ouderwetse krantenkoningen drukte hij zijn stempel op drie grote Londense bladen: het ochtendblad Daily Express, de Evening Standard en het weekblad Sunday Express.

In 1963 kwam zijn 12de boek uit en trouwde hij voor de tweede maal (zijn eerste vrouw was in 1927 overleden).

Voor Beaverbrook heeft de journalistiek altijd betekend: het nastreven van de een of andere zaak en het leveren van gevechten — waar hij van genoot. Ik heb hem eens gevraagd naar zijn ruzie met de oud-premier en oud-leider van de Britse Conservatieve Partij, wijlen Stanley Baldwin. “Vines,” brulde Beaverbrook, “wat zei Baldwin ook alweer precies toen hij me een prostituee noemde?” De secretaris antwoordde dat Baldwin hem ervan had beschuldigd “naar macht te streven zonder verantwoordelijkheid te willen dragen . . . door de eeuwen heen het privilege van de lichtekooi.” Beaverbrook wierp het hoofd in de nek en bulderde van het lachen.

Hij bladerde in een dik plakboek, vol knipsels uit de verkiezings­dagen van 1945. “Magnifiek! Magnifiek!” riep hij uit, wijzend op de aanvallen die op hem waren gedaan. De Times had hem in een hoofdartikel, ‘De boze wolf’ getiteld, flink onder handen ge­nomen. De Cooperative News had hem “minister van Chaos” ge­noemd ; een ander blad sprak van “Beaverbrook in Blunderland”.

De meeste van deze aanvallen werden plichtsgetrouw in Beaverbrooks kranten overgenomen, met uitzondering van één, in juni 1945, toen de Daily Express deze mededeling afdrukte: “Ten einde ruimte te maken voor de radiotoespraak van de heer Churchill, zijn de verslagen van de aanvallen op Lord Beaverbrook van gis­teravond blijven overstaan.” Zijn medewerkers hadden altijd de vrijheid “The Beaver” (de bever) in zijn eigen kranten te bekritise­ren, een voorrecht waarvan vooral zijn cartoontekenaars een dankbaar gebruik hebben gemaakt. De karikaturen die wijlen David Low van hem maakte — kalend, met een vollemaansgezicht en een brede, meesmuilende mond — waren beroemd.

Pittig, één bonk enthousiasme, stond Beaverbrook nu en dan zelf ietwat versteld van zijn eigen onverwoestbaarheid. “De men­sen vragen zich af waarom deze boom nog altijd staat,” zei hij dan. “Ik vraag ’t mezelf ook af.”

Hij vermoedde dat het antwoord qp die vraag iets te maken had met “de felheid en de hartstocht” die al zijn daden beheersten. “Ik ben het slachtoffer van de Furiën,” schreef hij eens. “Op de rotskust van New Brunswick staat eeuwig en altijd de branding. Nu en dan slaat een bijzonder gevaarlijke golf woest tegen de rotsen. Zo’n golf noemt men De Razende. Kijk, dat ben ik nou.”

De Razende bestuurde zijn omvangrijke ondernemingen vanuit een overdadig gecapitonneerde fauteuil in zijn werkkamer van Cherkley. Daar had hij twee telefoons onder zijn onmiddellijk bereik, een dictafoon, een paneel met drukknoppen om zijn secretarissen op te commanderen, blocnotes, stapels correspon­dentie, kranten en boeken. Hij vloog brieven en aantekeningen door en smeet wat hij aflegde op de vloer, zodat hij om een uur of twaalf tot over zijn enkels in het papier zat. Met geregelde tussen­pozen belde hij de hoofdredacteuren en directeuren van zijn drie kranten op. Zijn eerste vraag was altijd: “Wat heb je voor nieuws?” en dikwijls had hij, dank zij een uitgebreid netwerk van relaties in regeringskringen, zelf een paar berichten in petto.

Als hij de geest kreeg, greep Beaverbrook de microfoon van zijn dictafoon en spuide zijn ideeën, kritiek en vermaningen. Elke dag bracht een koerier de platen naar zijn redactiebureaus van de Express in Fleet Street. “Te veel ruimte gegeven aan cartoons,” luidde bijvoorbeeld een waarschuwing. Of: “In de eerste editie van de Daily Express stonden geen foto’s uit Indonesië. Waarom niet?” Hij verwachtte dan onmiddellijk antwoord, telefonisch of over de telex. Zakelijke gesprekken gingen gewoon door terwijl hij zijn haar liet knippen, in bed ontbeet of in het bad zat. Toen hij nog aan paardrijden deed, werd hij altijd vergezeld door een be­reden secretaris, die aantekeningen op een blocnote krabbelde.

Beaverbrook had jarenlang een aantal van de beste krachten uit Fleet Street in zijn dienst, maar zijn wervingsmethoden waren dan ook altijd hoogst origineel. In 1948 las hij met bewondering een boek van Milton Shulman over de oorlog. Onmiddellijk gaf hij het bevel: Ga Shulmann zoeken! Tot ieders verrassing bleek dat Shulman al een ondergeschikte baan bij de Evening Standard had. Beaverbrook ontbood hem naar Cherkley en vroeg hem of hij zin had filmcriticus bij de Standard te worden. Shulman antwoordde dat hij zelden naar de bioscoop ging. “Dat hindert niet,” stelde Beaverbrook hem gerust.

Na de lunch begaven ze zich naar de privé-bioscoop van de krantenkoning om een thriller te zien. Beaverbrook had de film al gezien en viel prompt in slaap. Na twee filmrollen werd hij wakker. “Wie heeft dat blonde meisje vermoord?” wilde hij weten. Maar na die twee rollen kon Shulman dat met geen mogelijkheid zeggen. “Doet er niet toe,” zei Beaverbrook. “Ga naar huis en schrijf een recensie van 400 woorden. Stuur me die morgen toe.” Shulman vertrok in wanhoop, maar ontdekte gelukkig dat de film in een achteraf-bioscoopje in Londen draaide. De volgende morgen woonde hij de voorstelling van tien uur bij en zorgde er­voor dat Beaverbrook vroeg in de middag zijn recensie had. Hij werd aangenomen.

Hoe excentriek zijn manieren om personeel uit te kiezen ook mochten zijn, Beaverbrook stond altijd achter zijn mensen. Shul­man met zijn geestige en ook bijtende pen werd weldra de ge­vierdste filmcriticus van Londen; maar ook haalde hij zich met zijn scherpe kritieken de vijandschap van de filmmaatschappijen op de hals. In 1953 stopten ze met adverteren in Beaverbrooks bladen. Die advertenties brachten 2½ miljoen gulden per jaar op, maar Beaverbrook gaf geen krimp. Shulman behield zijn baan en na vier maanden begon de boycot te verlopen.

De jaren 1940—’41 vormden Beaverbrooks roemruchte tijd. In mei 1940 kwam aan het licht dat de Britse verdediging in de lucht erbarmelijk ontoereikend was. Een van Churchills eerste daden als minister-president was Beaverbrook aan te wijzen als minister van Vliegtuigproduktie en hem terstond carte blanche te geven.

Beaverbrook was geen genie op het gebied van de produktie; maar waarschijnlijk wel de energiekste en meest meedogenloze man van heel Groot-Brittannië. In de overtuiging dat de komende zes maanden over het lot van het land zouden beslissen, ontzag hij zich niet alle denkbare listen en manieren te gebruiken om de zo van vitaal belang zijnde vliegtuigen te verkrijgen. Hij werkte zeven dagen van de week, 18 uur per dag, en bezielde zijn collega’s met een heilig vuur. In tientallen vliegtuigfabrieken sprak hij de arbeiders toe en overdonderde hen met zijn gloedvolle bezwering dat het lot van de natie van hun arbeid afhing.

Hij trapte op bureaucratische lange tenen door fabrieksruimte te rekwireren waar hij die maar vond en materieel dat onder andere ministeries ressorteerde, weg te kapen. Een hem typerende manoeuvre had te maken met het tekort aan een bepaalde staal-alliage. Langs de normale weg, bij het ministerie van Bevoorra­ding, kon de Beaver niets bereiken, en daarom machtigde hij een medewerker de alliage via een vriend in de Verenigde Staten te kopen.

Toen de zending Liverpool bereikte, was de haven juist door een luchtaanval zwaar geteisterd en lagen er wel honderd schepen te wachten om gelost te worden. Weer speelde Beaverbrook het via onofficiële kanalen klaar dat zijn schip vóór zijn beurt werd gelost — en dit alles zonder voorkennis van het ministerie van Bevoor­rading.
Deze methoden wekten heel wat verontwaardiging, maar waar het op aankwam was dat Beaverbrook de vliegtuigen leverde zonder welke de Slag om Engeland nooit gewonnen had kunnen worden. In mei, toen hij minister werd, hadden de luchtstrijd­krachten in Engeland nog geen 800 vliegklare Hurricanes en Spitfires; in september was dit aantal — ondanks zware verliezen in de luchtoorlog — tot 1228 gestegen. Churchill vond in het Lagerhuis de juiste woorden: “Lord Beaverbrook is op zijn aller­best als de toestand op zijn allerslechtst is.”

Voordat Beaverbrook in 1917 in de adelstand werd verheven, heette hij William Maxwell Aitken. Max, zoals hij werd genoemd, werd in 1879 te Maple in Ontario geboren als een van de tien kinderen van een Presbyteriaanse dominee, die het jaar daarop naar New Brunswick verhuisde. Na de middelbare school, stu­deerde Max korte tijd rechten, werd toen verzekeringsagent en beheerde een kegelbaan in Calgary. In Edmonton werkte hij een tijdje in de vleeshandel.

Even twintig trok hij naar Halifax in het oosten van Canada en begon daar als makelaar in effecten, waarbij hij van meet af aan toonde een scherp zakeninstinct en ook een groot overwicht op cliënten te bezitten. Zijn commissie bedroeg tien percent en tegen de tijd dat hij 22 werd had hij voor anderhalf miljoen dollar ver­kocht.

Het duurde niet lang of hij was actief bij de fusie van industriële ondernemingen — staal, elektriciteit, cement en andere bedrijven. Hij bracht de fusies tot stand en verkocht dan de aandelen van de nieuw gevormde firma’s aan het publiek. Op zijn 31ste jaar bezat hij een fortuin van vijf miljoen dollar en de reputatie van een financiële piraat.

In augustus 1910 bracht hij met zijn vrouw een bezoek aan Engeland. Op verzoek van zijn vriend Bonar Law, een der mach­tige figuren in de Conservatieve Partij, stelde hij zich bij de ver­kiezingen van december 1910 kandidaat voor het Lagerhuis. De jonge Canadees boekte een verrassende overwinning, werd op slag beroemd en wierp zich meteen midden in de partijpolitiek.

In 1916 had Aitken een belangrijk aandeel in de manoeuvres die resulteerden in de benoeming van Lloyd George tot eerste minister. Uit erkentelijkheid voor zijn bemoeiingen werd hij als de eerste Baron Beaverbrook tot lid van het Hogerhuis gepromo­veerd, een onderscheiding waar hij later spijt van zou krijgen, want zij verwijderde hem van het ware centrum van de macht.

Ook in 1916 kocht hij de Daily Express, een noodlijdende krant, voor 175 000 gulden. Zijn motief hiervoor was louter van politieke aard: de carrière van Bonar Law steunen en zijn eigen campagne kracht bijzetten, die gericht was op een voorkeurbehandeling in Groot-Brittannië van producten uit het Imperium, en op tol­muren tegen de rest van de wereld.

Om de grote massa te kunnen bekeren, moest hij eerst een groot publiek trekken; en om een groot publiek te trekken had hij een uiterst leesbaar product nodig.

Beaverbrook zette zich ertoe zelf de journalistiek als vak te leren en in de loop der jaren kregen zijn bladen hun eigen stijl, geken­merkt door een eenvoudige, directe manier van schrijven waarin men de bijtende spreektrant van Beaverbrook herkende, nadruk op het menselijke element en dramatische verslagen uit de eerste hand. Arthur Christiansen, die vijfentwintig jaar hoofdredacteur van de Daily Express is geweest, heeft gezegd dat het streven was, het nieuws te brengen “op zo’n manier dat het even interessant was voor de secretaris-generaal van het ministerie van Buiten­landse Zaken als voor de werkster die ’s morgens vroeg de vloer van zijn bureau aanveegde. Ik werkte erop dat je bij het zien van de voorpagina ‘Grote genade!’ zei; bij het opslaan van de mid­denpagina ‘Als-je-me-nou!’ en tegen de tijd dat je aan de achter­pagina toe was — ik zou een lelijk woord moeten gebruiken om aan te geven hoe opwindend die wel was.”

De krant sprak de mensen sterk aan. De Express had een oplage van 229 000 toen Beaverbrook hem kocht; nu zijn het dagelijks meer dan 4 190 000 exemplaren, die gelijktijdig uit Londen, Manchester en Glasgow over heel het land worden verspreid.

De ironie van het lot wilde dat, toen hij zich eindelijk een lezers­kring van miljoenen mensen had verworven, velen zijn kranten wel met plezier bleken te lezen, maar van zijn politieke opvat­tingen niets moesten hebben.

De ideeën die hij aan de man trachtte te brengen, zijn in de loop der jaren niet wezenlijk veranderd. Geen journalist heeft welsprekender de glorie van het Britse imperium bezongen en met dieper smart om het uiteenvallen ervan getreurd dan Beaver­brook. Sinds 1951, toen hij zich tegen de regeringspolitiek ten aanzien van het Imperium verzette, is de figuur van de kruisvaar­der bovenaan de voorpagina in ketenen geslagen. In de jaren ’20 en het begin van de jaren ’30 voerde hij een heftige campagne voor “Vrijhandel in het Empire”, bestreed de orthodoxe leiding van de Conservatieve Partij en stelde zijn eigen kandidaten. (Beaverbrook verloor.) In 1961 en 1962 verzette hij zich met grote felheid tegen Engelands toetreden tot de EEG.

Altijd was hij een buitenbeentje in de politiek der Conservatie­ven, dwars ingaande tegen het officiële partijstandpunt in zaken als vrijheid voor Ierland (waar hij voorstander van was) en de gedwongen troonsafstand van koning Edward VIII (waar hij zich tegen verzette). Zijn kranten maken de erfelijkheid van adellijke titels belachelijk, verheerlijken de economische vrijheid van het individu en de overvoed voor de massa. Zonder twijfel heeft hij in de loop der jaren de houding van het land op deze punten beïnvloed.

De kranten eisten volstrekt niet al zijn energie op. Een groot deel van zijn tijd wijdde hij aan charitatieve arbeid in New Bruns­wick, de provincie waar hij vandaan kwam; daar heeft hij 20 mil­joen dollar geschonken voor scholen, bibliotheken, ijsbanen en allerlei andere instellingen. De laatste jaren publiceerde hij een reeks politieke kronieken over de grote gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt en waarin hij een aandeel heeft gehad, te beginnen met de Eerste Wereldoorlog. Drie van deze historische kronieken zijn verschenen — de laatste is Ondergang en val van Lloyd George — en hij was bezig aan twee andere: Het Baldwintijdperk en Churchills oorlog. De tot dusverre verschenen delen zijn stuk voor stuk ge­prezen om hun genialiteit en de nimmer verflauwende, levendige verteltrant.

Enkele maanden voor zijn dood zei Beaverbrook peinzend: “Het moet nu toch wel zo ongeveer tijd zijn voor de afrekening,” waarbij hij zich realiseerde dat hij en Churchill als laatsten waren overgebleven van de regering die Groot-Brittannië door twee wereldoorlogen had geloodst. “Het zal niet lang meer duren voor­dat mijn laatste editie uitkomt.” Maar die bespiegelende pauze duurde maar even. Dan drukte hij op een knop en greep naar de telefoon, in de wervelwind van activiteit die het centrum van een machtig, levendig krantenrijk kenmerkte.

alle biografieën

 

765