Tagarchief: Goethe metamorfose van de plant

VRIJESCHOOL – Ritme (3-12)

.

De onmacht van kalender en klok

Bewustzijn voor ritme en regelmaat

Een kort krantenbericht uit de afgelopen vrieswinter*: op Ameland maakt men normaal zijn afspraken in samenhang met de aankomst en afvaart van de boot: ‘we zien elkaar morgen bij de vroege boot’. Toen de boot bij de ijsgang niet meer varen kon, ontstond er een ander tijdsbewustzijn: we zien elkaar morgen om kwart over tien. Hier een abstracte aanduiding met behulp van het horloge, daar een aansluiting aan een concrete waarneming, die in het gewoonteleven verankerd lag.

Deze twee manieren om de tijd te ervaren doordringen ons hele leven. Op de voorgrond treedt de meetbare tijd. Het werk in werkplaatsen en fabrieken wordt ernaar ingedeeld, de lonen zijn uurlonen. Voor de vrije beroepen en de hogere functies in het bedrijfsleven gelden andere maatstaven: de kwaliteit van het werk, de ervaring en bijzondere capaciteiten worden uitgedrukt in het honorarium, maar de uiteindelijke waardering blijft kwantitatief. De status van velen wordt door de hoogte van het inkomen bepaald. [1]

Kwantiteit beheerst voor een groot deel ons uiterlijke leven. Toch kennen wij allen de uren, die we nooit vergeten omdat er iets wezenlijks voor ons leven gebeurde. Die uren worden niet gewaardeerd naar hun lengte, hun kwantiteit, maar naar hun kwaliteit. Ritmische herdenking van deze uren en dagen (bijvoorbeeld geboorte, huwelijk, enzovoort) vormt een wezenlijk bestanddeel van ons zielenleven. De oorspronkelijke gebeurtenis wordt telkens herhaald met alle gevoelens die er bij horen. Tot ze hun kracht beginnen te verliezen en tot routine worden. Routine werkt leven-slopend; ritme werkt leven-bevorderend.

Ritme is geen regelmaat. De klok kent regelmaat, het hart kent ritme. Het hart is nooit regelmatig. Door bepaalde gevoelens, door veranderende fysieke omstandigheden (maaltijden, slaap), gaat het sneller of langzamer kloppen. Maar het staat altijd in een zekere verhouding tot de ademhaling, namelijk één in- en uitademing op vier hartkloppen.

Dit fundamentele ritme van ons lichaam heeft merkwaardige samenhangen met een kosmisch ritme: 18 ademhalingen per minuut (uitgaande van 72 polsslagen) worden 1080 per uur, dat is 25920 per etmaal.

Het voorjaarspunt (het punt op de dierenriem waar de zon opkomt als dag en nacht in het voorjaar even lang zijn), verplaatst zich elk jaar een heel klein beetje, elk jaar 50 sec van de gradenboog. Dat wordt in 2160 jaar 10800 sec = 1800 min = 30°, dat is één teken van de dierenriem. 12 x 2160 jaar heeft het voorjaarspunt nodig om op dezelfde plaats weer terug te komen, dat is 25920 jaar. Dit zijn evenveel jaren als het aantal ademhalingen van de mens per etmaal. Dan heeft ons zonnestelsel één werelddag doorgemaakt.
Voor wie zich van deze samenhangen rekenschap geeft, wordt het duidelijk hoe sterk de mens in zijn ritmen met zon en aarde verbonden is. Ritmisch beleven van de tijd betekent dus verbinding met de wereld waaruit wij stammen. Deze verbinding wordt ons normaal niet bewust. Ze bestaat in de levensprocessen. Het bewust maken ervan kan het gevoel van verbinding met de wereld om ons heen versterken.

Er zijn andere ritmen, die meer in het bewustzijn liggen. Ze hangen eveneens samen met de verhoudingen in ons zonnestelsel en betreffen achtereenvolgens de tijdsritmen van dag, week, maand en jaar. Wat is het kenmerk van deze ritmen?

Allereerst leven we van dag tot dag zo, dat we van slapen gaan tot slapen gaan leven of van wakker worden tot wakker worden. Dat is een bewustzijnswisseling, verwant met in- en uitademen. We worden wakker en ademen met onze zintuigen de wereld om ons heen in, we gaan slapen en ademen uit. Aan het waken en slapen worden we ik-bewust. Wie niet goed slaapt en niet goed wakker is, verliest snel zijn ik-bewustzijn. Men denke hierbij aan het niet laten slapen van politieke gevangenen bijvoorbeeld.

Week-ritme

Een tweede ritme is dat van de week. Dit lijkt op zichzelf in ons organisme geen grondslag te hebben. het is meer psychisch. Er zijn in ons lichamelijk organisme wel grondslagen voor aanwezig, maar die liggen niet zo aan de oppervlakte als het ritme van de dag.
Men kan hier bijvoorbeeld denken aan de zeven jaren, waarin zich telkens een nieuwe levensfase, ook lichamelijk, openbaart. De namen van de weekdagen verwijzen ons naar de planeten. Maar dat zegt voorlopig niet meer dan dat men er vroeger een samenhang met de planetengoden in zocht.

Kan men een weg vinden om nu weer een verhouding tot dit getal zeven te krijgen? Hier ligt een van de belangrijkste vragen omdat telkens weer voorgestelde kalenderhervorming ook inhoudt dat het ritme van de week doorbroken wordt. Het historische gezichtspunt, dat hier terecht geldt, komt in een volgend artikel ter sprake. Hier kan voorlopig een volgende proefneming worden aangeduid om tot een begrip voor dit psychische ritme te komen.

Wie bijvoorbeeld een artikel moet schrijven of een lezing houden, kan drie dagen besteden aan het verzamelen van materiaal en daarna drie dagen aan de manier waarop men dit materiaal verwerken zal om dan op de zevende dag het artikel te schrijven of de lezing te houden. Juist omdat dit ideaal vaak niet te verwerkelijken is, kan men de resultaten vergelijken wanneer het werk wel of niet zo voorbereid is. Dit ritme geldt voor alles waarin wij productief moeten zijn. Een week als voorbereiding! De oer-productiviteit, de schepping van de wereld wordt beschreven in zeven dagen. Zou dat een waardeloze mythe zijn?

Laten we dit getal zeven nog eens bezien van de kant van de namen der planeten. We zagen reeds bij dag en nacht, bij in- en uitademing, dat ritme ook berust op polariteit, activiteit en passiviteit. Het oerbeeld hiervan vond Goethe in de plant. De plant heeft als oervorm het blad. Ritmisch afwisselend trekt zich dit samen of breidt het zich uit (zaad – kiemblad – stengel – blad – knop – bloem -vruchtbeginsel – vrucht). Als we nu de planetennamen in de week bezien, verschijnen de snellopende planeten (maan, mercurius, venus) afwisselend met de langzaamlopende (mars-jupiter-saturnus). De zon staat dan in het midden. Opnieuw een ritme in polariteit. De week verloopt ritmisch met de zon als rustpunt, de zondag als rustdag.

Eén enkel punt moet hier nog worden genoemd. Een zevenhoek is de eerste meerhoekige figuur, die niet exact-mathematisch te construeren is. Het getal 7 ontsnapt aan de ruimte en gaat zich in de tijd bewegen. Vandaar misschien dat het getal 7 in ons ruimtelijk organisme niet te vinden is?

Het derde ritme is dat van de maand, ten naaste bij dertig dagen. Het ritme van de maan is ruim 29 dagen. Hier klopt het dus niet precies. Het maanritme van ruim vier weken vinden we in eb en vloed weerspiegeld en in de vruchtbaarheidscyclus van de vrouw. Bovendien in het ontkiemen en groeien van de planten (zie de zaaikalender van Maria Thun). Het heeft dus kennelijk met onze levensprocessen te maken, nog iets minder bewust dan het zielenritme van de week. Levensritmen verlopen trager dan zielenprocessen, zoals zielenprocessen trager verlopen dan bewuste gedachtegangen en daden.

Tenslotte als vierde het ritme van het jaar. Dit richt zich naar de zon. We tellen onze jaren naar de ouderdom van ons fysieke lichaam. Telkens als de aarde één tocht rond de zon volbracht heeft is er één jaar verstreken. Op merkwaardige wijze hangt dit jaarritme weer samen met het getal 7. Na de eerste 7 jaar wisselen we onze tanden, na nog eens 7 jaar treden we in de puberteit en na nog eens 7 jaar is onze lichamelijke ontwikkeling voltooid. De verdere 7-tallen voltrekken zich meer merkbaar in de psychische sfeer maar toch ook meer verborgen in het lichamelijke.

Het jaar heeft ook zijn samenhang met het getal 4 van de maand in zijn vier jaargetijden. Zo heeft ook de dag vier perioden: nacht, morgen, middag en avond.

Samenhang

Ook dit is een kenmerk van levend ritme: de verschillende ritmen hangen met elkaar samen, maar ze gaan nergens in elkaar op. Het jaar is geen compleet aantal dagen (365, 2422), de maand is niet precies vier weken en ook geen geheel aantal dagen. Evenzo is de week geen geheel aantal dagen van 24 uur. Geen enkele dag is van zonsopgang tot zonsondergang even lang als de andere. Het lengen en korten van de dagen hebben we allemaal in ons bewustzijn, voorzover het langer of korter licht is. Maar het leeft minder in ons bewustzijn dat een dag duurt van zonsopgang tot zonsopgang en dat dat elke dag verandert, veel in voor- en najaar, weinig in winter en zomer. Daaruit volgt dat ook de week van zonsopgang op zondag tot zonsopgang op de volgende zondag van december tot juni steeds langer wordt en daarna steeds korter. De jaren zelf zijn alle even lang, maar de dagen, weken, maanden passen er niet in. Om het min of meer passend te houden hebben we schrikkeljaren nodig, die dan bij een eeuwwisseling weer uitvallen. Maar helemaal kloppen doet het nooit.

Dit is het kenmerk van ritme tegenover regelmaat: het eerste klopt nooit helemaal. Levensprocessen zijn bewegelijk.

Onze kalender weerspiegelt dat levende nog min of meer: de maanden zijn niet even lang, de paasdatum verschuift, op onregelmatige tijden zijn er feestdagen op een werkdag. Elke verstarring hiervan mag misschien voor industrie en zakenleven voordelen bieden, misschien is het ook gemakkelijker voor de statistiek, maar we worden er steeds verder door van het leven verwijderd.
.

J.Knijpenga, Jonas 15, *26-03-1976
.

[1] Merkwaardig is dat hier, waar een kwaliteitselement zich gaat uitdrukken in kwantiteit, door steeds meer mensen een onbillijkheid wordt beleefd. Waarom geven bepaalde kwaliteiten recht op een hogerre kwantiteit aan inkomen?

.

Ritme: alle artikelen

.

1512

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Goethes fenomenologische methode

.

Waarnemen is niet eenvoudig. Je moet er je tijd voor nemen. Je wil wat opschrijven, vastleggen. Dat gaat in een klas niet zo makkelijk. Als je bezig bent, ben je meestal zo op je werk geconcentreerd dat het daarbij nog extra waarnemingen doen aan de kinderen, er vaak bij inschiet.
Toch zijn er dagelijks ook vele ogenblikjes waarin het wel kan. Je moet niet te veel willen. Neem bijv. Steiners aanwijzingen voor de temperamenten, die criteria “Stärke’ en ‘Erregbarkeit’: doet het kind iets intensief of oppervlakkig en is het druk of rustig. Neem een paar kinderen, volg die een aantal dagen extra – ook op het plein! Zo bouw je je eigen methode op en door over de kinderen te spreken met je collega’s die ze ook lesgeven, ontstaat er een groot beeld.

Een fenomenoligsche methode: aanvankelijk zonder oordeel.

Goethe was er heel sterk in:

        Goethes fenomenologische methode

‘ Gebaren, tendensen en werkingen ’

Bij het nauwkeurig waarnemen van planten in hun groei van kiemblad naar bloem, kan je vaststellen dat de vormen van de uitwendige organen van een plant zich na elkaar en veelal ook uit elkaar ontwikkelen. Deze ontwikkeling wordt door Goethe ‘metamorfose’ genoemd.

Bob Siepman van der Berg over het karakteristieke van de methode die Goethe toepaste: ‘In welk opzicht is Goethes aanpak ‘anders’?’

Op eenenveertigjarige leeftijd, na een periode van veertien jaar grondige bestudering van de plantenwereld, publiceerde Goethe zijn botanische hoofdwerk ‘Die Metamorphose der Pflanzen’.
In de Nederlandse vertaling daarvan werd een artikel van Rudolf Steiner opgenomen waarin het ontstaan en de ontwikkeling van de metamorfoseleer uitvoerig besproken wordt.
Ik wil daarom in dit artikel niet verder ingaan op allerlei historische achtergronden. Allereerst zal ik een aantal centrale gezichtspunten en resultaten uit ‘Die Metamorphosen der Pflanzen’ bespreken. Van daaruit kom ik tot de vraag: hoe is Goethe tot deze inzichten en resultaten gekomen? In het beantwoorden van deze vraag wil ik tenslotte iets zichtbaar maken van het bijzondere of karakteristieke van zijn methode.

Wanneer wij bloemendragende planten waarnemen, kunnen we daar verschillende uitwendige delen of organen aan onderscheiden, zoals kiem- en stengelbladeren, kelk- en kroonbladeren, meeldraden, stampers, vruchten en zaden. Wanneer wij ook nog een bepaalde plant gedurende het verloop van weken en maanden vervolgen in zijn groei, kunnen we er een indruk van krijgen hoe deze uitwendige onderdelen of organen van de plant overwegend na elkaar en veelal ook uit elkaar zich ontwikkelen. Goethe spreekt in zijn inleiding over een ‘geheime verwantschap’ van al deze uitwendige delen van de plant. Sommige planten, zoals bijvoorbeeld de pioenroos, vertonen deze verwantschap op een zeer sprekende wijze, zoals blijkt uit figuur 1.

De verschillende onderdelen van deze pioenroos heb ik geplukt en tussen wat krantenpapier gedroogd, waarna ik ze in een spiraal naast elkaar heb gelegd. Het grootste samengestelde blad (aan de buitenkant) was het onderste blad aan de stengel. Dit blad is dan ook het eerste stengelblad dat in het voorjaar verschijnt. De overige bladeren zitten hoger aan de stengel en ontstaan later en wel in de volgorde waarin ik ze in de spiraal naar binnen naast elkaar heb gelegd.

De centrale gedachte bij Goethe is nu dat deze uitwendige delen of organen van de plant verschillende verschijningsvormen zijn van een in wezen identiek orgaan. De werking waardoor dit in-wezen-identiek orgaan in steeds iets veranderende vorm verschijnt, wordt door Goethe ‘metamorfose’ genoemd. Gelet op de verschillende manieren waarop deze metamorfose bij een plant kan optreden, maakt Goethe een onderscheid in drie soorten: de regelmatige, de onregelmatige en de toevallige metamorfose.
De regelmatige wordt door Goethe ook wel de voortschrijdende genoemd, omdat deze vanaf de allereerste ontplooiing van de kiembladeren tot aan de uiteindelijke vorming van het zaad zich trapsgewijs ontwikkelt, zonder afwijkingen in de reeks.
De onregelmatige metamorfose kan ook de terugschrijdende genoemd worden, omdat dan de natuur als het ware één of enkele schreden terug doet, zoals in het geval dat er op de plaats waar normaal meeldraden gevormd worden nog meer bloembladeren ontstaan. Bij talloze gekweekte bloemen, zoals bij vele rozensoorten, vind je dan niet alleen extra kroonbladeren maar ook bepaalde overgangsvormen. Dit zijn organen die wat betreft hun uiterlijke gedaante een overgang laten zien tussen bijvoorbeeld een kroonblad en een meeldraad. In figuur 2 zijn wat voorbeelden getekend van zulke ‘tussengedaantes’ of ‘overgangsvormen’ bij een roos.

 

 

 

De toevallige metamorfose, die bijvoorbeeld door insecten veroorzaakt kan worden en die dan onder andere kan leiden tot galletjes, Iaat Goethe buiten beschouwing.

Goethe schetst zeer levendig hoe de groei en ontwikkeling bij een groot aantal eenjarige bloemendragende planten plaatsvindt. Hij beschrijft daarbij ook zeer uitvoerig en gedetailleerd de vorming van de afzonderlijke organen ter bevestiging en illustratie van zijn metamorfosegedachte. In deze beschrijvingen spreekt Goethe van ‘gebaren’, ‘tendensen’ of ‘werkingen’, die we kunnen ervaren bij het vervolgen van de metamorfose van de plant. Goethe noemt als een belangrijk geheel van ‘werkingen’ een drievoudige uitbreiding en samentrekking die je bij het vervolgen van de groei van de plant kunt ervaren.

De eerste uitbreiding en samentrekking vindt plaats in het loofbladgebied. Vanaf de ontkieming van het zaad en de vorming van de kiembladeren tot aan de allergrootste groene stengelbladeren ervaren we een uitbreiding. Dan worden de bladeren meestal weer kleiner en kan men spreken van een samentrekking met als eindpunt de vorming van de kelk. De tweede uitbreiding en samentrekking vindt plaats in het bloemgebied. Met de vorming van de kleurrijke kroonbladeren begint de plant zich opnieuw uit te breiden om vervolgens bij de vorming van meeldraden en stamper zich weer samen te trekken. De derde uitbreiding en samentrekking vindt plaats in het vruchtgebied van de plant. In het ontstaan en zwellen van de vrucht ziet men een laatste alzijdige uitbreiding en de zaden, pitten of bonen zijn te beschouwen als de meest samengetrokken delen van de plant. Goethe spreekt ook nog over twee andere werkingen of tendensen die eveneens een tegengesteld of beter gezegd polair karakter hebben. Het is de tendens van het vergroeien of verenigen tegenover de tendens van het insnijden of verdelen van onderdelen van de plant.

Het insnijden of verdelen ervaar je als je bijvoorbeeld de later gevormde stengelbladeren van een boterbloem of een paardenbloem vergelijkt met de
eerstgevormde stengelbladeren onderaan de stengel. Het vergroeien of verenigen ervaar je bij bloemen met een gesloten kroon, bijvoorbeeld een grasklokje of een narcis.

In een veel later verschenen werk over de spiraaltendens in de plantenwereld onderscheidt Goethe ook nog een verticaaltendens en een spiraaltendens, die hij eveneens als twee tegenover elkaar staande werkingen beschouwt. Daarnaast zijn er bij de voortschrijdende metamorfose nog andere werkingen of tendensen te zien, zoals bijvoorbeeld de algemene tendens tot verfijning van de vormen en de grote toename en verandering aan kwaliteiten bij de vorming van de bloem, hetgeen door Goethe ook wel met het begrip ‘Steigerung’ wordt aangeduid. Met dit begrip wil Goethe ook tot uitdrukking brengen dat de plant in zijn ontwikkeling stapsgewijs een soort hoogtepunt of climax bereikt bij het verschijnen van de bloem.

Het is opmerkelijk dat Goethe overal zeer veel aandacht besteedt aan allerlei uitzonderingen en afwijkingen in de plantengroei. Goethe zegt hierover dat men de afzonderlijke vormingstendensen hierdoor beter kan leren kennen. Dit komt omdat bij de ‘normale’ ontwikkeling van de plant de afzonderlijke werkingen of krachten die de groei en ontwikkeling van de plant bepalen op een harmonische of evenwichtige manier samenwerken. Uitzonderingen of afwijkingen daarentegen ontstaan meestal doordat bepaalde tendensen gaan overheersen en juist in de ontstane onevenwichtigheid of eenzijdigheid spreken ze zich veel duidelijker uit. Zo is het te begrijpen dat Goethe aparte hoofdstukken wijdt aan de bespreking van een doorgegroeide roos en een doorgegroeide anjer. De ‘verticale stengeltendens’ wint het hier als het ware van de ‘perifere bladtendens’. Figuur 3 toont de doorgegroeide roos.

naar een aquarel van Goethe

In de voorafgaande alinea kwam reeds een interessant methodisch aspect naar voren. Nu wil ik echter nog wat systematischer ingaan op de methode die Goethe bij zijn plantenstudies hanteerde. We kunnen ons de vraag stellen: ‘Wat zeggen deze resultaten ons over Goethes werkwijze?’ Ook kunnen we ons daarbij afvragen in welk opzicht Goethes aanpak ‘anders’ is dan de gangbare methoden in de biologie. Wanneer we wat dit betreft willen doordringen tot de essentie, dan moeten we mijns inziens onze vraagstelling toespitsen op de volgende twee vragen:

1. Wat voor een waarnemende, voorstellende en denkende activiteiten moet Goethe verricht hebben om tot deze resultaten te komen?

2. In hoeverre zijn dit algemeen gangbare activiteiten in de plantkunde en in de wetenschap in het algemeen?

Om een antwoord te krijgen op deze vragen moeten we onze aandacht richten op de beschrijvingen in ‘Die Metamorphose der Pflanzen’. Hetgeen mij hieraan opgevallen is laat zich in drie niveau’s onderscheiden die overeenkomen met de eerste drie fasen of stappen in de Goetheanistische fenomenologie.

1. Zijn beschrijvingen getuigen van een buitengewoon nauwkeurig waarnemen en vergelijken van planten en onderdelen van planten.
2. Zijn beschrijvingen zijn daarbij zodanig dat we ons daardoor de planten niet meer als onbeweeglijke, verstarde voorwerpen voorstellen, maar als groeiende en zich ontwikkelende levende wezens.
3. In zijn beschrijvingen spreekt Goethe over gebaren, tendensen en werkingen waarmee hij een dynamisch geheel aanduidt wat als zodanig niet in de directe zintuiglijke waarneming gegeven is.

Ten aanzien van het laatste punt kunnen we ons de vraag stellen wat dan wel de hoedanigheid is van dat ‘dynamisch geheel’. Wanneer we het niet kunnen waarnemen in de gewone zin van het woord kunnen we het mogelijkerwijze wel met een beweeglijk voorstellen scheppen! Het vermogen dat hiervoor nodig is en dat over het algemeen nog weinig ontwikkeld is, noemt Goethe de ‘exacte zintuiglijke fantasie’. Deze uitdrukking laat zien dat het hier gaat om een bijzondere verbinding of synthese van twee menselijke vermogens, namelijk enerzijds het heldere, exacte zintuiglijke waarnemen en voorstellen en anderzijds de beweeglijke, scheppende fantasie. Alleen hierdoor is het mogelijk om onze verstarde, foto-achtige voorstellingsbeelden van de zintuiglijke wereld tot leven te wekken en kan ons denken een levendigheid krijgen die we niet of nauwelijks aantreffen in de gangbare natuurwetenschap.

Juist het in beweging brengen of tot leven wekken van de voorstellingsbeelden vormt een fundamenteel verschil met de gangbare methode in de biologie. Men kan ook zeggen dat er in de Goetheanistische fenomenologie sprake is van een terughouden of uitgestelde – en daardoor ‘verruimde begripsvorming’. Deze verruimde begripsvorming vindt plaats, zoals reeds uiteengezet werd, op basis van een rijk, dynamisch beeld wat men uitgaande van de zintuiglijke waarneming eerst zelf actief moet scheppen. Het gevolg is dat in de fenomenologie de waarnemingsgegevens niet gereduceerd en verarmd worden en zo alleen kunnen leiden tot causaal-mechanische verklaringsmodellen, maar dat ze daarentegen een plaats krijgen in een rijk en omvattend levend beeld dat in zijn gebarentaal tot ons kan gaan spreken.

Bob Siepman van der Berg, Jonas 19, 11-05-1984

.

Goethe: metamorfose van de planten

Plantkunde: alle artikelen -waaronder Goethes fenomenologische methode

VRIJESCHOOL in beeldplantkunde

.

1362

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Organische bouw (2-2)

grondslagen voor een levende bouwkunst (2)

In Jonas 22 liet Prof. B.C.J. Lievegoed in het eerste deel van een door de redactie van Futura bewerkte voordracht zien hoe in onze westerse bouwkunst de kristallijne vormen overheersen en er nog weinig gebruik gemaakt wordt van organische vormen, dat zijn vormen die ontstaan wanneer we het element van de beweging in de ruimte laten binnentreden. Prof. Lievegoed ziet dit als een kwestie van ontwikkeling van de cultuur: vanuit een oorspronkelijke mythologisch bewustzijn ontstond de behoefte aan het ontwikkelen van het ‘kristallijne’ denken. Naar de toekomst toe zal echter de behoefte aan beweeglijkheid ontstaan, nu we in de kristallijne vormen aan een eindpunt gekomen zijn.

Prof. Lievegoed gaf voorts een beeld van de invloed die ruimtelijke vormen op het innerlijk beleven van de mens hebben. Dit gaat via de waarneming, dus via de zintuigen. Rudolf Steiner onderscheidde twaalf zintuigen, waarvan de zogenaamde haptische, dat zijn zintuigen die de waarnemingen voornamelijk via het onderbewustzijn op de mens laten in­werken, in dit geval het belangrijkst zijn. Het is dan natuurlijk interessant om na te gaan wat bepaalde vormen aan ons doen en waar­om.

Wat bepaalt nu de werking van een bouwwerk? Hoe komt het dat bepaalde vormen een bepaalde invloed hebben op de mens? Er zijn twee begrippen die hier een belangrijke rol in spelen en waar ik nog wat nader op in zou willen gaan. Dat zijn de begrippen ritme en metamorfose.

Ritme
Ritme ontstaat daar waar twee polariteiten elkaar ontmoeten. Bijvoorbeeld: wind, die beweegt en water, dat een grotere traagheid heeft ontmoeten elkaar; de wind strijkt over het water en er ontstaat een golf. Overal waar beweging en traagheid elkaar ontmoeten, ontstaat ritme. Ritme is de grote scheppende kracht in het universum; het is een van de belangrijkste verschijnselen van het leven. Alle processen van opbouw en afbraak immers, zijn ritmische processen.

Sinds een jaar of twintig bestaat er een ‘Internationale Gesellschaft für Rythmusforschung’, waarin juist die samenhang van levensverschijnselen van ziekte, gezondheid en ritme worden onderzocht. Daar is inmiddels al belangrijke literatuur over. Verschijnselen als ritme in de arbeid, ritmische processen in de mens gedurende het etmaal, zijn overigens voldoende bekend.

Ritme is ook een van de belangrijkste organisaties van de ruimte. Overal waar ruimte en tegenruimte elkaar ontmoeten, ontstaan ritmische vormen.

Ritme is iets anders dan maat. Maat is een herhaling van een element, is een repetitie. Maat in muzikale zin wordt bijvoorbeeld aangegeven door de metronoom, een puur mechanisch ding. Maat nemen we ook waar, wanneer we een lange gevel zien met daarin dertig ramen, allemaal precies op gelijke afstand van elkaar. Ook dan nemen we een mechanische gebeurtenis waar.

Ritme daarentegen is levend, heeft versnellingen en vertragingen; ritme vertoont telkens kleine afwijkingen. Dat zien we zelfs in de omloop van ons planetenstelsel: geen jaar is precies even lang als een ander.

De hele kosmos zit vol ritme en het hele leven bestaat uit ritme. Maat, de zuiver wiskundige maat, werkt negatief op het leven, omdat het ritme gedwongen wordt zich er aan aan te passen.

Een van de vermoeiende dingen van een lopende band is, dat men voortdurend gedwongen wordt z’n eigen ritme te doorbreken en aan de machinemaat aan te passen. Daarom is werken aan de lopende band oneindig veel vermoeiender dan werk wat op zichzelf misschien wel veel inspannender is, maar waarbij men z’n eigen tempo, z’n eigen  ritme kan volgen.

Dit geldt ook voor gebouwen: wanneer we een gebouw zien of een ruimte beleven, dan zouden we een ritmisch evenwicht moeten ervaren, dat in overeenstemming is met onze eigen levensprocessen. Hier kom ik op het begrip van de metamorfose.

Metamorfose
De metamorfoseleer, reeds ontwikkeld door Goethe, zou men kunnen karakteriseren als een beschrijving van de procesmatige ontwikkeling van het leven. De ene vorm komt uit de andere voort, er is als het ware een beweging van de ene vorm naar de andere.
We kennen dat proces ook uit de plantenwereld, een proces dat uitgaat van het kiemblad, zich terugtrekt, steeds kleiner wordt en dan weer in de bloem tevoorschijn komt. De bloem trekt zich dan tenslotte in de zaadkorrel weer samen. Goethe sprak hierbij over ‘Metamorfose und Steigerung’. Een opeenvolging van verschijningsvormen, waarbij elk volgend blad een verdere uitwerking is van het vormprincipe van de plant.

Metamorfose zelf is een muzikaal principe. Wanneer we in de muziek een interval horen, bijvoorbeeld de drieklank c-e-g, dan beleven we de spanning tussen die verschillende tonen, nemen als het ware de beweging waar van de ene toon naar de andere.

In de bouwkunst hebben we met datzelfde principe van intervallen te maken. Wanneer je met het oog langs een gebouw gaat, van beneden naar boven langs de ramen op de verschillende verdiepingen of langs een rij of een groep ramen, dan ben je met je tastzin bezig dat af te tasten. Dat heeft innerlijk een enorme invloed, zoals ik reeds heb uiteengezet.

Het kan zijn, dat je alleen maar een repetitie ziet van steeds dezelfde elementen; dan is er geen ritme en geen metamorfose. Maar het kan ook zijn dat de ramen naar boven toe steeds iets veranderen, zodat je een gebeuren krijgt van beneden naar boven toe. Een gebeuren dat kan werken alsof je een drieklank aanslaat. Dat is een metamorfose, waarin de vormen zich uit elkaar ontwikkelen, met net als in de drieklank, intervallen of spanningsvelden tussen de verschillende vormen.

Zodra je een bouwwerk ziet dat voor je gevoel een zekere kunstzinnigheid heeft, dan is vanuit het kunstzinnig aanvoelend vermogen van de architect een dergelijk muzikaal element in het geheel ingebouwd. Soortgelijke metamorfosen kennen we ook uit de natuur, denk bijvoorbeeld aan de zogenaamde wervelstraat, die men vindt in stromend water waar een stok in staat, of wanneer men rook door een ruimte laat stromen. De eerste vormen daarin zijn nog vaag en elke vorm is een verandering ten opzichte van de vorige. Hier toont de natuur ons een metamorfose van vormen, die echter op zich mog mathematisch zijn. Ze zijn nog volkomen te berekenen, behalve dan dat ze in de natuur nooit zuiver in hun mathematische vorm voorkomen, maar altijd met kleine afwijkingen. Rationeel denkend zeggen wij: er zijn altijd storingen. Maar die storingen zijn essentieel voor het leven!

Wanneer men een bouwwerk wil maken voor mensen, dan moet men bedenken dat het om levende mensen gaat, die in beweging zijn. Wanneer we door een lange gang lopen, kunnen we verschillende dingen ondergaan.
Er zijn gangen die een verschrikking zijn om doorheen te gaan. De mens die daar doorheen loopt, wordt gestoord in zijn levensritme en dat beleeft hij, al dan niet bewust, als onaangenaam.
Diezelfde gang kan zonder veel meerkosten zo worden gebouwd, dat er kleine verschillen in ontstaan, dat er verschuivingen plaatsvinden. Die verschuiving moet natuurlijk niet willekeurig zijn, die moet zinvol zijn en voldoen aan muzikale eisen. Als je muzikaal bent en je loopt door een gang die werkelijk organisch gebouwd is, dan is het alsof je een stuk muziek hoort; dan maak je hetzelfde door als wanneer iemand muziek gemaakt zou hebben.

Ook een mens maakt in z’n leven een aantal metamorfosen door. Het is daarom voor hem van zeer groot belang, dat hij vormen om zich heen heeft die hem daarin, in dat proces van z’n leven, begeleiden.

Het oog dat langs de gevel van een gebouw gaat, zou eigenlijk, wanneer het gebouw werkelijk interessant, levensvriendelijk is, een zeker ritme, een zekere metamorfose moeten beleven, zou er ook een stuk intervallenreeks in moeten vinden, zodat het geheel wordt tot iets wat hem wat zegt. Wanneer een gebouw daar aan voldoet, kan het werken op de menselijke ontwikkeling. Als je vaak door een bepaalde ruimte moet, kun je iets ondergaan waardoor je beweeglijk wordt, creatief of, in het tegenovergestelde geval, je ondergaat een zekere verstarring die je creativiteit kapot maakt.

Wanneer men in het eerste Goetheanum kwam, dan kwam men in een ruimte met een aantal zuilen en een aantal vensters. De motieven van de sokkels werden begeleid door die van de architraven erboven. Elke zuilvorm ontwikkelde zich in een metamorfose uit de vorige zuil. Daarboven werd de spanning ertussen in een vorm gebracht die als het ware die metamorfose zichtbaar maakte. De ruimte was een muzikaal gebeuren, als men daarbinnen kwam, dan had men het gevoel in een machtige orgeltoon te komen, een orgeltoon die ontstond wanneer men van de ene zuil naar de andere ging. Langzamerhand werd de klankfiguur dan steeds rijker en geweldiger. De bedoeling van Steiner was, dat de mens door deze ruimte heen zou lopen, in de richting van een groot beeld dat aan het einde van de dubbelkoepel stond. Dit was de beeldengroep van de
‘Mensheidsrepresentant’, die worstelt om het evenwicht te bewerkstelligen tussen de machten van licht en duisternis. Op weg naar dat beeld, maakte men een bepaalde ontwikkeling, een metamorfose door, ook wanneer men zich dat niet bewust was.

Het organisch-functionele
Nog een laatste punt wil ik in dit kader bespreken en dat is het functionele, het organisch -functionele van een gebouw.

Kijken we eerst naar de elementen afzonderlijk, bijvoorbeeld een raam. Datgene wat men van de buitenwereld ziet wanneer men door dat raam kijkt, wordt bepaald door de vorm ervan. Moet dat nu altijd de vorm van een zoutkristal zijn, een rechthoek of een vierkant?
Lijsten om iets heen, en dat geldt ook voor schilderijen, zouden zo gemaakt moeten worden dat datgene wat ze omlijsten als een levend iets naar voren komt. Er zou altijd gezocht moeten worden naar een evenwicht tussen omlijsting en datgene wat er doorheen gezien wordt. Eigenlijk zou je voor ieder uizicht een eigen venster moeten maken! Dat kan natuurlijk niet, want we hebben ook te maken met het gebouw als totaliteit, zoals we er van de buitenkant tegenaan kijken. Zo betekent elk venster een compromis. Een compromis tussen wat we van binnenuit zouden willen en wat van buitenaf mogelijk is. Natuurlijk moet het niet een maniertje worden, in de trant van: ‘als ik maar ergens een schuine lijn aanbreng, of een afgeronde hoek maak, dan bouw ik organisch’. Het is ook niet de bedoeling dat je organische vormen uit de natuur nabootst, zoals een eiken-of lindenblad of iets dergelijks, nee, zelf creatief zijn, zelf nieuwe organische vormen scheppen.

Wat bedoelt men te zeggen met een bepaald gebouw? Moet een gebouw – als conceptie – aan de buitenkant uitdrukken wat er binnen gebeurt? Over het algemeen wil de opdrachtgever een gebouw hebben dat een bepaalde kwaliteit uitdrukt. Tegenwoordig maakt men vaak gebouwen waarvan men dat aan de buitenkant niet meer kan zien. Die gebouwen zijn niet functioneel in de zin die ik daaraan geef, ze zijn niet organisch-functioneel. Het is bijzonder moeilijk om gebouwen zo te ontwerpen. Want niet alleen hebben we altijd te maken met een geheel van gebouwen, ofwel met een ‘architectonische ecologie’, maar ook is het zoeken naar de vorm zelf geen geringe zaak en kunnen we wederom vervallen tot het ‘maniertje’. Zoals ook de Jugendstil aan het maniertje ten gronde is gegaan, aan de overwoekering van zichzelf. Wat men meestal als tegenwerping naar voren brengt, is het argument: het is veel te duur. Dat wil ik bestrijden.

Maar dan moeten we niet ons wonen en bouwen als een apart aspect bezien met een aparte kostenfactor, dan moeten we kijken naar de totaliteit van ons bezig zijn in de samenleving. En daarin vormen bouwen, wonen, gezondheid, medische verzorging en levensgeluk – en de kosten daaraan verbonden – één geheel. Wat je aan het één toevoegt spaar je uit op het ander. Maar is het ook werkelijk zoveel duurder?

Ik wil hierbij een voorbeeld aanhalen van het antroposofische ziekenhuis in Herdecke, Duitsland; een ziekenhuis met eerst 250, thans* 500 bedden. Men heeft geprobeerd dit enorme complex te bouwen in een organische vorm, en toen bleek dat de ruimte van binnen veel meer leefmogelijkheden ging bieden, veel meer variatie, veel meer mogelijkheden om ruimtes die normaal ongebruikt bleven (en dit soort ‘loze’ ruimtes zijn er vele!) werkelijk te gebruiken.

En de bouwkosten van de eerste fase van dit ziekenhuis bleken 40 procent lager te zijn dan de kosten van een dergelijk ziekenhuis wanneer men het zou bouwen naar de gebruikelijke maatstaven van ziekenhuisbouw. De uitbreiding echter van het ziekenhuis werd aanvankelijk afgewezen, omdat men meende dat voor zo’n prijs niet behoorlijk gebouwd kon worden en dat meer moest worden geïnvesteerd. Het bouwplan moest opnieuw worden ingediend, met
opschroeving van de bouwkosten. Wat zat daarachter? Natuurlijk, de andere ziekenhuizen, die anders hun dure ‘utilitaire’ bouw niet meer konden rechtvaardigen.

Wanneer we bouwen, bieden we de vormen die we ontwerpen en maken aan aan onze medemensen. Dat is een grote verantwoordelijkheid.

Een gebouw kan een levend wezen zijn, waar je bevriend mee raakt, zoals met een vriend die je helpt, die je trooost, een vriend die je vreugde brengt. De bouw van de toekomst zie ik als de bouw die de mens begeleidt op zijn levensweg van geboorte naar ouderdom. Een bouw waarin kinderen kunnen opgroeien en zich ontwikkelen, die jonge mensen fris en gezond maakt, dat zie ik als opdracht van de architekt van de toekomst, die wil proberen te bouwen in vormen die weer menselijke vormen zijn.

Geen ‘dode’ materie. Geen symbolisme. Geen nabootsen van voorbeelden uit de natuur. Maar wel een besef van hoe een natuurlijk organisme tot stand komt; een besef van de eigen levenssituatie en de levensprocessen in zichzelf.

Dan kan men zover komen dat uit een zuiver inzicht zelfstandig en oorspronkelijk deze bouwvormen ontstaan. De mate waarin men in deze vorm van ‘vermenselijking’ van het bouwen slaagt, bepaalt mijns inziens tevens de mate van kunstenaarschap van de architect.

B.C.J.Lievegoed, Jonas 23 11-07-1980

Organische bouw

The Little Yarra Steiner School, Australië.

Het lijkt erop of de architect de vormen van het dak in een zekere relatie tot het achterliggende gebergte heeft willen brengen.

872

 

 

VRIJESCHOOL – Plantkunde – over metamorfose

 

DE METAMORFOSE VAN DE PLANTEN.

Nog heden ten dage, honderdvijftig jaar* na Goethes dood, is de morfologie van de planten, de ‘leer van de verschijning der planten’ niet zover gekomen dat zij de zichtbaar wordende vormen kan verklaren vanuit de werkzame processen die ten grondslag lig­gen aan die verschijningen.

Pas als men er toe over gaat niet meer de blik te richten op wat er in de ruimte van de plant zichtbaar is maar na te gaan wat er zich in de tijd afspeelt en de vormgevende processen beschrijft, zal er een begrip voor ontstaan wat een plant als levend organisme is.
Wij willen hier trachten de vormgevende Tijd’ te beschrijven naar aanleiding van Goethes gezichtspunten die hij als ‘Metamorfose van de planten’ in 1792 heeft gepubli­ceerd.
Voor de lezers van een tijdschrift dat zich met farmacie bezighoudt merken wij op, dat morfologie en chemie van de plant slechts tot één geheel zullen worden naarmate het lukt, de opeenvolging van processen en de daarin werkzame krachten te onderkennen. Die scheppen zowel de gedaante als de stoffen van de plant. Een ratio­nele leer van de geneeskrachtige werking van de plantenstoffen zal langs die weg uit de huidige empirische toestand van de farmacie kunnen worden ontwikkeld. In de dichterlijke vorm, die Goethe aan de ‘Metamorfose van de planten’ ook heeft gegeven, zegt hij:

‘Werdend betrachten Sie nun, wie nach und nach sich die Pflanze,
stufenweise geführt, bildet zu Blüten und Frucht’

Om het ‘worden’, de werking van de vormgevende krachten te leren kennen, bekijken wij aardappels, waarvan er een in de kelder, de andere in de grond kiemt.
In afb. 1 zien wij wat er na ongeveer 4 weken kan worden waargenomen.

metamorfose 1

De aardappel in de kelder heeft een (waterige) heel lange verticale spruit te voorschijn gebracht, en de bladeren bestaan uit onontwikkelde driehoekige kleurloze schubben die tegen de spruit aanliggen.

De plant in de tuin daarentegen vertoont volledig ontplooide bladeren, die min of meer horizontaal naar het licht staan; hij heeft bovendien vergeleken met de kelderplant, een korte en gestuwde spruit.

Wat is de oorzaak van die verrassend verschillende vorm bij één plantensoort? Om die oorzaak te vinden herinneren wij ons, dat alle planten organismen zijn die open staan voor de omgeving; die slechts bestaan doordat uit de omgeving krachten werken.
Het zijn vier verschillende krachten:
=ten eerste de voedingsstoffen, in ’t bijzonder de humus van de bodem; =ten tweede het water, vooral het grondwater, dat evenals de
voedings­stoffen via de wortels wordt opgenomen;
=ten derde de met licht doortrokken lucht en tenslotte
=ten vierde de alles doordringende warmte.

Als wij de beide aardappels in hun verschijning vergelijken met betrekking tot de werking van deze vier krachten, dan blijkt dat beide uit de voorraadstoffen van hun knollen worden voorzien van voedingsstoffen en water. Ook lucht en warmte zijn — daar gaan wij van uit — op vergelijkbare wijze werkzaam geweest. De oorzaak voor de totaal verschillende verschijningen moet dus liggen in het licht, dat bij de in de tuin gegroeide aardappel werkte en in de kelder ontbrak.

Wij kunnen dus concluderen: voor de eerste ontplooiing van de groei van een aardap­pelplant:

bewerkstelligt licht een ontplooiing van het loof en een afremming van de as;
bewerkstelligt duisternis een strekking van de spruit en een afremming van het loof.

Als licht de strekking van de spruit afremt, dan kan het de totstandkoming daarvan ook niet opwekken. (Wij ontkennen met zo’n oordeel niet, dat in elk plantenorgaan alle vier krachten actief zijn. Hier gaat het slechts om de vraag, welke kracht inducerend, de vorming opwekkend, actief is; de andere werken mee).

Als het licht ontbreekt, dan hangt de lengte van de spruit bij de in de kelder groeiende aardappel al van de voorraad voedingsstoffen die kan worden gemobiliseerd. Het zijn dus de voedingsstoffen die de spruit doen groeien. Zij zijn de aardse krachten in de vorming van de plant.
Licht daarentegen is een kosmische kracht die de vorming van het loof op gang brengt, deze immers blijft dan achterwege als de krachten van de voedingsstoffen in het donker werkzaam zijn. De plant heeft hierdoor twee aan elkaar tegengestelde orgaansystemen, die wij willen benoemen afhankelijk van de manier waarop zij zich in da ruimte
ont­plooien.

Het verticale systeem van de plant, waartoe alle afstammelingen van de aanleg op de steel** behoren. Met dit orgaansysteem stelt de plant zich open voor de terrestrische krachten.

Het horizontale systeem van de plant, waartoe alle afstammelingen van de aanleg tot blad behoren. Met dit orgaansysteem stelt de plant zich open voor de  kosmische krach­ten.

Binnen het bestek van dit artikel is het niet mogelijk, beide orgaansystemen van de plant grondig te bespreken. Zou men dit trachten te doen, dan zou er een beeld ontstaan van hetgeen Goethe de ‘oerplant’ heeft genoemd; wij zouden ook van de ‘idee’van de plant kunnen spreken. Wij willen hier slechts een voorbeeld tonen van de manier hoe ermee om te gaan.

Als de idee van de plant ontwikkeld is, kan deze tot een instrument omge­werkt worden, waarmee men iedere plant in de natuur als een bijzondere verschijnings­vorm van die idee kan herkennen. Die vaardigheid zou in de scholen en op de universi­teiten moeten worden veroverd om een grondslag te worden voor een aan de mens en aan de natuur aangepast onderzoek op menig gebied.

Een metamorfose treedt overal op waar men de gedaanteverandering van een plantenorgaan, van de hele plant of van een reeks verwante planten kan waarnemen en waar men die tot de verandering in de compositie van de veroorzakende krachten kan herlei­den. Wij willen nu in grote trekken de ‘metamorfose van het horizontale systeem’ beschrijven.

Wij bekijken de opeenvolging van de bladeren van een eenjarige naar de bloei toegaande loot van een kruid, bijv. van de boterbloem (Ranunculus arvensis) (afb. 2)

metamorfose 2

Wie zelf zijn waarneming wil doen, kan boterbloemen, kruisbloemigen, roosachtigen of samengesteldbloemigen kiezen; zij alle vertonen soortgelijke verschijnselen.

Het blad vlakbij de wortel heeft de relatief langste steel en de grootste ronding. Bij de volgende bladeren vermindert de lengte van de bladsteel snel, de spreiding groeit daar­entegen tot ook die afneemt en door de intredende geveerdheid wordt ‘verbruikt’. Met de weer afnemende geveerdheid worden alle uiteinden steeds spitser tot alleen een enkele, hier zelfs naaldvormige spits overblijft. Men kan in de bladopeenvolging vier hoedanigheden van de gedaante onderscheiden; al naar gelang de verschillende com­positie daarvan worden de bladeren vanaf de wortel tot bij de bloem gevormd.

steel

spreiding

geleding

spits

Als men nagaat, of deze vier de gedaante bepalende elementen reacties van de plant zijn op verschillende biologisch werkende krachten, dan blijkt dat de bladsteel wat de groei in de lengte betreft door duisternis kan worden gestimuleerd. Het is de herhaling van het stengelprincipe van de plant in het blad en een werking van de vanuit de aarde via de plantenwortel en de spruit actieve voedingsstoffen van de bodem. De natuur vertoont bij uitstek gespreide bladeren op het wateroppervlak. Het blad van de waterlelie bijv. laat de uitspreiding in een rond vlak bijzonder fraai zien. Wij hebben hier te maken, met een werking van het water. Deze verschijnt het zuiverst waar het water niet alleen uit de bodem via de hele plant werkt, maar het blad bovendien van onderen door het water wordt gedragen. Als een element het blad van buiten omgeeft, ontstaat een gevederde vorm. Het blad kan daarbij in het water of in de lucht opgeno­men zijn. Als het zich openstelt voor de biologische werking van het omringende ele­ment, dan is de gevederde vorm het antwoord. Wij willen dit omringende element ‘lucht’ noemen. Als de warmte uit de omgeving van buiten naar binnen de bladeren doordringt, ontstaan puntige vormen. Om een voorbeeld te noemen: men kan zien hoe de bladeren van de paardenbloem opklimmend van een standplaats in een vochtige wei tot hoog in het gebergte in toe­nemende mate scherpere punten vertonen en dat daarbij de bladspreiding kleiner wordt.

Wij kunnen aan de vier vormende elementen van het blad dientengevolgde vier biolo­gisch actieve krachten toekennen:

bladsteel             aarde

bladspreiding   water

geveerdheid     lucht

spitsen              warmte

De bladeren zijn evenwel niet de enige organen, die door het horizontale principe tevoorschijn worden gebracht.

Ook de bloemorganen stammen, zoals de stengelbladeren uit een zijwaarts afgesplitste aanleg. In de bloem vinden wij vier verschillende organen die alle in een kring zijn gerangschikt. Van buiten naar binnen zijn dit:

kelkbladeren

bloembladeren

honing- en nectarbladeren

stuifmeelbladeren.

De bloemen van de waterlelie en de boterbloem vertonen overgangen van het ene orgaan in het andere. Wij bekijken de bladopeenvolging van een pioenroos vanaf het laatste, het dichtst bij de bloem staande stengelblad tot aan het volledig ontwikkelde bloemblad (afb.3)

metamorfose 3

Dan blijkt, dat de bloemorganen uit een tweevoudige aanleg komen, die ruimtelijk onder het gebied ligt, dat het stengelblad voortbrengt. Men noemt dit het onderblad, terwijl de bladsteel en het uitgebreide blad het bovenblad vormen. De bladopeenvolging op afb. 3 laat zien, hoe het bovenblad verdwijnt en het onderblad verandert in het kelkblad en verder tot bloem- of kroonblad wordt. Zolang het nog een rest van het bovenblad heeft, is het groenachtig en verschijnt het als kelkblad. Zodra het bovenblad de ontwikkeling afremt, wordt het een gekleurd bloemblad en verschijnt het tweevleugelig. De oorzaak hiervan moet in een veranderde mogelijkheid liggen om nieuwe biologisch werkzame krachten op te nemen. Het kelkblad daarentegen verschilt wat zijn gedaante betreft niet van het stengelblad dat het dichtst bij de bloem staat: het is alleen puntig. Dientengevolge moet aan die gedaante de mogelijkheid Ion grondslag liggen om de biologische werking van de warmte op te nemen. Het tweevleugelige, uit een tweezijdige aanleg van het onderblad tevoorschijn komende bloemblad heeft zijn grootste breedte niet meer aan de basis zoals het kelkblad, maar boven het midden. De geheel nieuwe hoedanigheid waardoor wij attent worden gemaakt op de werkzame kracht, is evenwel de kleur. Kleur wordt door het licht tevoorschijn gebracht. Zo is ook de bloem als totale verschijning, qua tekening en vooral qua kleur, voor de waarnemende blik gebouwd. De hele biologie van de bestuiving maakt dit duidelijk. Bloemen worden door insecten, vogels, zelfs zoogdieren bezocht.

Het op het bloemblad volgende honingblad kan wat zijn overgang betreft aan de gele plomp (Nupher luteum) worden bestudeerd (afb. 4)

metamorfose 4                                                  

In het geheel trekken de vleugels samen. Er verschijnt een paarsgewijze verdikking waarin zich meestal een holte bevindt die nectar afscheidt. De nectarbladeren van de akelei worden tot zakjes; op de bodem daarvan komt de nectar tevoorschijn. Zoals de kleur van de bloem er is voor het ziende oog, zo is de nectar er voor de proevende tong.
Chemische krachten, die de suiker en andere smaakstoffen scheppen, moeten hier gewerkt hebben.
Een overgang van het bloemblad naar het stuifmeelblad vertoont de waterlelie, (afb. 5)

metamorfose 5

Hier trekken de vleugels zich samen tot de opzwellende meeldraden. Deze zijn de plantenorganen met de kortste levensduur, die moeten afsterven op het moment van de bloei. Zodra de bloem opengaat barsten de meeldraden open en het stuifmeel wordt of door de wind of door de insecten meegedragen. Het stuifmeel werkt op de
ademha­lingsorganen van alle warmbloedigen, ook op die van de mens. Hooikoorts is een overmatige reactie op stuifmeel. Als een plantenorgaan zo gevormd wordt dat het in de bedoeling ligt tot stof te vergaan, moet de dood al aan zijn vorming ten grondslag liggen. Het zijn de uit de periferie komende krachten, die biologisch de vorming van stuifmeel teweegbrengen.

Als wij de opeenvolging van bloemorganen in de afbeeldingen 3-5 vertonen om de daarin gevonden wetmatigheid van de verandering der verschijningsvorm te laten zien, dan is daarmee niet bedoeld, dat één orgaan in een ander verandert. De opeenvolging van de steeds nieuw gevormde organen toont door de gedaante die zij van stadium tot stadium aannemen, hoe de gevoeligheid voor de werkzame krachten van orgaan tot orgaan is veranderd. Wat anders in grote stappen van het typische stengelblad tot het kelkblad, het bloem­blad enz. zichtbaar wordt, is door een aantal, bijv. de hier genoemde soorten, in een reeks van kleine stappen onderverdeeld waaruit blijkt wat grotere stappen van de meta­morfose verbergen.

Wij hebben via de organen van het horizontaal werkzame principe zeven krachten gevonden, die achtereenvolgens vanaf het laagste stengelblad tot aan het stuifmeelblad actief worden. Hieronder worden zij in een tabel opgesomd.

Tevens wordt aangegeven, welke gedaantevormende elementen actief zijn, resp. welke organen daardoor als totaliteit en welke nieuwe hoedanigheden er ontstaan. De tabel is zo gerangschikt, dat onder en boven met de ruimtelijke bouw van de plant overeenko­men.

Krachten                               Hoedanigheden                    Organen

doodskrachten                      stuifmeel                               stuifmeelblad

chemische krachten             nectar                                     honingblad

licht                                          kleur                                       bloemblad

warmte                                   punt, stekel                           kelkblad, puntig                                                                                                     blad

lucht                                       gevederd                               gevederd blad

water                                      uitspreiding                           drijvend blad

aarde                                      stengel                                   langstelig blad

De plant gaat in de vorming van de organen, die te maken hebben met het horizontale principe, door alle krachtvelden heen die werkzaam zijn tussen de aarde en de kosmos.

Het beeld van deze weg verschijnt in de verschillende gedaanten van het stengelblad en de bloem.

Als wij het algemene van dit proces in het oog vatten, dan hebben wij te maken met de idee van het horizontaal werkzame principe van de plant. In de concrete gevallen komen de afzonderlijke verschijningen tevoorschijn zoals de verschillende soorten van de plan­tenwereld die vertonen.

Het zal de lezer niet ontgaan zijn, dat wij evenmin als het verticaal werkzame principe ook de vrucht- en zaadvorming van de plant niet hebben genoemd. Dit staat in verband met het feit, dat in de vruchtvorming een principe van metamorfose werkt dat ontstaat als de krachten elkaar doordringen, die in het verticaal en horizontaal werkzame principe van elkaar gescheiden zijn. Een beschrijving hiervan heeft daarom pas zin, als ook het verticaal werkzame principe is uiteengezet.

Wij besluiten dit artikel in de hoop dat wij een licht hebben kunnen werpen op een toekomstige plantkunde die in heldere gedachten de werkelijkheid van het levende kan vatten en met diepere lagen van de menselijke ziel kan verbinden. Voor een menselijke wetenschap, die de natuur in de mens zodanig doet opleven, dat hij uit inzicht leert om zinrijk in te grijpen in de werkelijkheid, zal in deze en soortgelijke pogingen een uitgangspunt kunnen liggen.

(Thomas Göbel, Weledaberichten 126, **juni 1982)

*hier is een woord weggevallen, maar ik meen dat het over de steel moet gaan, gezien de context)

plantkunde: alle artikelen

762

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (11)

.

ZOMERTIJD RIJPINGSTIJD

Johannes de Doper: profeet van de ommekeer

Loom hangt de lucht boven het land. De hitte zindert en broeit dagenlang, je kunt er niet aan ontkomen. De gloeiende hitte wordt je teveel, je snakt naar adem, iedere beweging wordt vertraagd.
En dan ineens op een avond barst het onweer los. De bliksem flitst onop­houdelijk en zet alles in een geel-groen licht. Ratelende donderslagen rollen over de stad, en dan komt de regen. Het hemelwater stroomt langs de ra­men, het gutst door de goten, het bor­relt uit de putjes, en de planten neigen hun takken onder de last van zoveel water. De volgende morgen hangen ze nog diep gebogen naar de grond. Maar dan is de bui over, de hemel is opge­klaard, de lucht is weer blauw met on­schuldige witte wolkjes. Een nieuwe dag is aangebroken.
Dit woeste geweld van de elementen en de opklaring daarna is karakteris­tiek voor de hoogzomer. De frisse, onstuimige groei in de plantenwereld is over zijn hoogtepunt heen. Het is de tijd van rijping, de vruchten stoven in de zon en nemen de warmte in zich op. Als de zomer ten einde loopt, kan er geoogst worden, bij manden vol. Wat een rijkdom!
Ook voor de schoolkin­deren is het een rijpingstijd: wat ze opgenomen hebben in het afgelopen schooljaar, rijpt in de vakantietijd, in de tijd van het ‘vacuüm’, waar ogen­schijnlijk niets gebeurt. De rijping vol­trekt zich ‘onderhuids’, maar na deze ‘lege tijd’ kun je de vruchten plukken. Waar ruimte is voor rijping in alle rust, smaken de vruchten zoet en sappig! In iedere gezonde, rijpe vrucht ligt het zaad voor een nieuwe plant verborgen. Het schijnbaar dode zaad, de pit, de kern, zegt de Engelsman, bergt nieuw leven in zich. De plant ontwikkelt zich in de tijd en in de ruimte, volgens een ritme dat voor iedere plant een bepaal­de variatie is van een soort oer-ritme: uitbreiden en samentrekken in stengel en blad. Tenslotte is het of de hele 
plant zijn mooiste uitbreiding vormt in de bloem, maar tegelijk voltrekt zich in het hart van de bloem de laat­ste samentrekking. Wij genieten van de ontzaglijke rijkdom aan kleuren, waarmee de bloemen ons hart verwar­men. Maar we denken pas aan die ver­borgen harde ‘kern’ als de bloem ver­welkt. De gedachte daaraan: dat het leven in die onooglijke pitjes voortge­zet wordt, helpt ons over een gevoel van droefheid heen. De mooie, kleuri­ge bloemen vergaan, maar het punt van ommekeer tot iets nieuws, houden we in de hand. En daarmee moeten we aan de slag.

Johannes de Doper
Aan het begin van deze rijpingstijd staat een machtige gestalte, die zelf een ‘rijpe vrucht’ was van alle culturen die de mensheid tot dan toe had ge­kend. Het evangelie van Markus begint met een aanhaling uit het Oude Testa­ment, die deze voorloper van een nieuwe tijd beschrijft: ‘Zoals geschre­ven is in het boek van Jesaja de pro­feet: Zie, ik zend mijn Engel voor uw aangezicht uit: hij zal u de weg berei­den. Een stem hoort men roepen in de eenzaamheid: baant de weg van de Heer. maakt zijn paden recht. –
Zo was Johannes de Doper in de woestijn en verkondigde de doop der ommekeer tot bevrijding der zonden.
Op 24 juni vieren we het feest van Jo­hannes de Doper. Hij is de enige heili­ge op de oude kerkelijke kalender van wie niet de sterfdag wordt gevierd, maar de geboortedag. In de geboorte herkennen we dat punt van om­keer, het begin van iets nieuws. Hij is de laatste machtige profeet van Israël, de verkondiger van een nieuwe tijd, de profeet van de ommekeer. En opdat de mensen de geboorte van dat nieuwe kunnen meemaken, doopt hij allen die tot hem komen ‘uit het gehele land Judea en de stad Jeruzalem’, in het water van de Jordaan. ‘Tot bevrijding der zonden’ staat er dan nog bij. Het levende, stromende water bevrijdde, maakte los uit een soort verstarring, een te sterke gebondenheid aan het li­chaam. En als je wat meer los komt van dat fysieke lichaam en het teveel aan zorg daarvoor, dan kun je de op­dracht van Johannes begrijpen: ‘En het volk vroeg hem: Wat moeten we doen? Hij gaf hun ten antwoord: wie twee gewaden heeft, geve een aan wie er geen heeft, en wie voedsel heeft, doe desgelijks.’ Zo spreekt hij ook de tollenaars en de soldaten aan in hun speciale functie: neem niet meer dan je toekomt. Hij veroordeelt niet het beroep; dat doet ook later Jezus niet. Hij wijst op dat kleine punt van inner­lijke vernieuwing, dat iedereen in zijn eigen situatie moet leren ontdekken. Merkwaardig eigenlijk dat Johannes geboren wordt en leeft en werkt in Judea, het droogste en steenachtigste gebied van het oude Israël. Er lijkt een overeenkomst te zijn met de innerlijke ‘verharding’ waaruit de mensen bevrijd moeten worden. Alsof het juist daar het meeste nodig was dat deze grote persoonlijkheid optrad. Hij die het ja­renlang in de eenzaamheid van de woestijn had uitgehouden, kon het nu opnemen tegen de innerlijke woestijn waarin de mensen leefden. Nadrukke­lijk wordt vermeld dat er ook mensen kwamen uit de stad Jeruzalem. Was het de ‘steenwoestenij’ die zij ont­vluchtten of waren het de duistere praktijken van de koningen, die toen over de stad heersten? Een feit is dat men bang was aan het hof voor de machtige stem van Johannes, die de Farizeeërs en Sadduceeërs, de alom ge-eerde en gevreesde wetsgeleerden, aan­sprak met ‘Gij adderengebroed’.
Alles wat Johannes doet en zegt, is zo nieuw en verrassend voor zijn volgelin­gen, dat hem de vraag wordt gesteld of hij niet zelf degene is die komen zal, de Christus. Maar hij antwoordt: ‘Ik ben de stem van een roepende in de eenzaamheid.’ Hij is de stem, niet het Woord zelf, maar de stem is het woord het meest nabij. Zonder de menselijke stem kan het woord niet klinken in de wereld. En daarom ge­tuigt Johannes de Doper van het Woord.

Ontmoetingen
Er worden in de evangeliën twee exis­tentieel belangrijke ontmoetingen be­schreven van Johannes met Jezus, en beide keren heeft de ontmoeting met een geboorte te maken. De eerste ont­moeting wordt beschreven in het Lukas-evangelie. Maria gaat op weg naar haar nicht Elizabeth in Judea. Zij ont­moeten elkaar in het huis van Zacharias: ‘En toen Elizabeth de groet van Maria hoorde, geschiedde het dat het kind opsprong in haar schoot’. Enige maanden later wordt het kind Johan­nes geboren. Over de jaren daarna wordt niet geschreven, maar die ‘stille tijd’ zou je misschien kunnen aanvaar­den met het woord ‘rijping’. En als dan de tijd rijp is. vindt de volgende ontmoeting plaats, dertig jaar later. Bij de doop in de Jordaan schept Johan­nes door zijn rituele handeling ruimte, waardoor het Christuswezen geboren kan worden in de mens Jezus van Nazareth.

Het ongelooflijke is, dat hij, ook voor de Doop, in Jezus volkomen zijn meerdere erkende.’ Ik ben niet waard zijn schoenriem los te maken’. En toch zei Jezus later van hem, dat hij groter was dan wie ooit op aarde was geboren. De ‘lijfspreuk’ van Johannes was: ‘Hij moet groeien, ik moet afne­men’; en daarmee stelde hij zich ten volle in dienst van het nieuwe dat ge­boren wilde worden.

Het Isenheimer altaar
In de Franse stad Colmar in de Vogezen staat, in een voormalig klooster, een groot schilderij van Matthias Grünewald, die in de 16e eeuw leefde. Het stelt de Kruisiging voor en is oorspron­kelijk het middenpaneel van een drie­luik. Het wordt het Isenheimer altaar genoemd.

Rechts van de Gekruisigde staat Jo­hannes de evangelist die Maria onder­steunt, en een knielende Maria Magdalena. Links staat de geweldige gestalte van Johannes de Doper. Achter hem zie je de woorden (in het Latijn): ‘Hij moet groeien, ik moet afnemen.’ In de linkerhand draagt hij een opengeslagen boek en met zijn rechterhand wijst hij, duidelijk en gebiedend, naar de Ge­kruisigde. Aan zijn voeten staat een jong lam met de kruisstaf; bloed stroomt uit de nek in een gouden kelk. Dit offerlam wijst op een andere uit­spraak van Johannes: ‘De volgende dag zag hij Jezus tot zich komen en hij sprak: Zie het Lam Gods, dat de zon­delast der wereld op zich neemt.’ (Joh. 1).
Maar niet alleen Jezus, ook Johannes zelf was een offerlam, een ‘slacht-offer’. Kort na de Doop in de Jordaan werd hij gevangen genomen door dienaren van koning Herodes, en onthoofd. Het blijkt echter, dat door zijn dood de werkzaamheid van de Christus kon gaan groeien. Het ‘afne­men’ van Johannes moest door een nulpunt heen, voordat het nieuwe be­gin werkelijk kon komen.
Grünewald heeft Johannes de Doper naast het kruis afgebeeld, alsof hij daarmee zeggen wilde: ‘Al is hij niet in levenden lijve erbij geweest, hij was er toch bij op een andere wijze. Mede door zijn leven en sterven is dit moge­lijk geworden’.
Door en in het stromende water van de Jordaan had Jo­hannes reeds vele kleine oasen gescha­pen in de innerlijke woestijn der men­sen. Groene plekken waar van alles groeien kon, en waar later het zaad van het Christuswoord uitgestrooid kon worden.

Johannes wijst ons op het kruis van Golgotha, op de dood, op het nulpunt. Dat was het moment van de omme­keer waardoor de Opstanding mogelijk werd, de kiem van een nieuw begin. Die ommekeer zal voor ons dan ook betekenen: ruimte scheppen om be­wust het christelijk element binnen te laten in je leven. Dat betekent een le­ren omgaan met en herkennen van ‘dode punten’ in je leven, in het ver­trouwen dat daaruit iedere keer weer iets nieuws geboren kan worden.

 Marieke Anschütz in ‘Jonas’ 21 van 15 juni 1979)

Grunewald_Isenheim1

John_baptist_angel_of_desert

 

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

187-177

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.