Tagarchief: metamorfose van het dier

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 10 (10-5-2/1)

.

In de 10e voordracht bespreekt Steiner de – naar zijn zeggen – moeilijk te begrijpen metamorfose die geleid heeft tot de vorm van ons hoofd.

Aangezien het begrip ‘metamorfose’ in zijn werk veelvuldig voorkomt, ook op het terrein van de opvoedkunst, is het van groot belang dat de opvoeder/leraar met dit begrip vertrouwd raakt.

Er zijn verschillende artikelen die daarbij kunnen helpen.

Zie de reeks [10-5/volgnr]

De antroposofische arts Leen(dert) Mees hield m.n. rond de jaren 1970 vele voordrachten over antroposofische onderwerpen.
Hij bundelde zijn voordrachten tot een reeks boeken, w.o. bijv. ‘Dieren zijn wat mensen hebben’, waarin hij een verrassend licht werpt op de samenhang mens-dier. Dit boek is – naast nog een aantal – te downloaden op ‘Antrovista‘.

Ook wijdde Mees zijn aandacht aan ‘metamorfose’ en probeerde de opmerkingen van Steiner over metamorfosen in of van het menselijk skelet te duiden.

Uit zijn ‘Geheimen van het skelet hier zijn gezichtspunten over metamorfose.

Hoofdstuk 2 draagt als titel:

Metamorfosen in planten-, dieren en mensenrijk

De planten-metamorfose

Het verschijnsel van de metamorfose, zoals Goethe het bespreekt, houdt in dat een scheppend principe op een bepaalde manier verschillende vormen in het leven roept. Die bepaalde manier bestaat daarin, dat de vormen die achtereenvolgens ontstaan, een tendens tot ontwikkeling vertonen. Deze ontwikkeling wordt voltooid door het bereiken van een eindpunt, dat ten opzichte van het uitgangspunt een tegenstelling betekent. Wat hiermee uitgesproken is, kan het best verduidelijkt worden door de voornoemde metamorfosen van de plant van dichtbij te bezien.

Aan de (hogere) plant als geheel nemen wij boven de grond de stengel met de bladeren en de bloem als karakteristieke delen waar. Nu was het, ook vóór Goethe, natuuronderzoekers opgevallen dat soms een stengelblad voor een gedeelte bloemblad-(kroonblad)-karakter krijgt. Ook het omgekeerde komt voor: dat een kroonblad een groen gedeelte vertoont. Meeldraden kunnen ten dele weer tot bloembladen worden. Vruchtbladen kunnen tot stengelbladachtige vormen uitgroeien, enzovoort. Voor Goethe werd het duidelijk dat er aan al deze plantenorganen: stengel, kelk en kroonbladeren, meeldraden en vruchtbladeren, een zelfde vormgevend principe ten grondslag moet liggen. Hij merkte echter tevens op, dat vanaf het laagste stengelblad tot aan het verschijnen van de bloem een voortdurende toename van kwaliteit, van specialisatie, van fijnheid, van schoonheid te beleven valt. Men kan ook andere woorden kiezen en spreken van verborgen en geopenbaard. Vooral als men de tegenstelling zaad-bloem bedenkt, wordt zo’n uitdrukking gerechtvaardigd. Van zaad tot bloem vinden wij in de plant voortdurend een toename van wat we ’zich openbarend’ zouden kunnen noemen.

’Steigerung’ noemde Goethe dat; zaad en bloem waren voor hem polariteiten. ’Polaritat’ en ’Steigerung’ zijn de wetten die met het begrip metamorfose wezenlijk verbonden zijn. Het woord ’Steigerung’ laat zich moeilijk precies in het Nederlands vertalen. Wij willen zowel het woord toename als ontwikkeling daarvoor gebruiken, hoewel de begrippen zich niet geheel dekken met de uitdrukking van Goethe.

Nu openbaart zich het wezen der metamorfose echter nog niet in het constateren van de genoemde vormverwantschappen tussen de verschillende plantenorganen. Daarvoor moet men zich het volgende voorstellen.

Als we een volgroeide plant, een roos bijvoorbeeld bezien, kunnen we de volgende indruk krijgen: in de loop der tijd zijn stengelstukken en bladontplooiing ontstaan. Deze bladontplooiing wordt ten slotte tot bloem. Dan houdt de verdere groei op. In de bloem komt de plant telkens opnieuw tot een eindpunt. In werkelijkheid verloopt de plantenontwikkeling anders. De stengelgroei van een plant begint altijd met een bladvorming. Ook de eerste ontkieming begint met het ontwikkelen der – in aanleg reeds aanwezige – zaadbladeren of zaadlobben. Zodra in dit blad-knop gebied een neiging tot ontplooiing gewekt wordt (door warmte-, licht-, kortom lente-invloeden) begint het steeltje daaronder te groeien en wordt tot stengel-gedeelte.

Intussen hebben zich in het (blad)knop gebied, in de bladoksels een of meer nieuwe knoppen gevormd. Zodra die tot verdere ontwikkeling gebracht worden door de genoemde invloeden, begint opnieuw een stengelgroei. Deze stengel is dus het oorspronkelijke steeltje van de knop. Op die manier ’schuift’ een plant als het ware steeds een bladknop omhoog. Tevens treden bij elke verdere stap min of meer nieuwe bladvormen op; eenzelfde principe toont zich telkens in een enigszins veranderde gedaante. De plant kan dus gezien worden als een kleiner of groter aantal bladknop-stengel-geledingen, eindigend in een
bloemknop-stengelstuk. Deze worden telkens om zo te zeggen ’gewekt’ door invloeden van de tijd van het jaar. De plant is een jaargetijdenwezen.

Dit hangt tevens samen met de beschreven polariteit zaad-bloem. Zij vertoont als beeld de tegenstelling aarde-hemel (kosmos). Het is deze laatste die de ’Steigerung’ in het leven roept. Immers, bij elke volgende knop-stengel-trap zullen de bladeren, zoals gezegd, er iets anders uitzien, het verschijnsel ’Steigerung’ vertonen. Dat zich dit bij de verschillende planten niet overal op dezelfde wijze vertoont, doet aan het principe niets af. Van dat gezichtspunt uit bezien kan men zeggen: De omgeving brengt de plant voortdurend tot andere vormen.

Wanneer je je wat langer bezighoudt met ‘metamorfose’ kan je ook op de gedachte komen of metamorfose en variatie identiek zijn en zo nee, wat het verschil dan is. Ook Mees bespreekt dit.

Wanneer kunnen we van variaties spreken? Stellen we ons een groot veld voor, vol bloeiende margrieten. Elke plant vertoont de beschreven metamorfose in haar bouw. Vergelijkt men nu de bloemen of de kelkbladeren of de
stengelbladeren op gelijke hoogte van verschillende planten met elkaar, dan merkt men dat bijvoorbeeld twee margrieten nooit precies hetzelfde zijn. Hier heeft men met variatie te maken. Waarom niet met metamorfose?
Omdat er geen sprake is van polariteit en toename. Men zou ze kunnen beschrijven als spelingen van dezelfde vorm.
Daarom zijn muzikale variaties van een thema ook geen metamorfosen in de eigenlijke zin van het woord. Het thema is niet het verborgene, de variatie openbaart het thema niet verder. Men zou eerder het tegendeel kunnen beweren! De variaties omspelen slechts het thema, meestal volgens een traditioneel schema.

‘Variaties vertonen een ’naast elkaar’, metamorfosen een ’na elkaar’.

( ) 

Bij ‘metamorfose’ gaat het om een idee dat een ontwikkeling ondergaat en er is een toename in de zin van een ’Steigerung’, er is sprake van grote tegenstellingen — al is de ontwikkeling natuurlijk nog niet afgelopen.

Mees maakt een onderscheid tussen de metamorfose bij planten en die bij dieren:

De dierenmetamorfose

Wanneer wij van de metamorfose in de plantenwereld overgaan op die in de dierenwereld, zullen velen van ons onmiddellijk denken aan de bekende voorbeelden van de vlinder en de kikker. Voor de metamorfose die in deze
diergroepen bestudeerd wordt heeft de Nederlandse taal een unieke uitdrukking: gedaanteverwisseling. In de insectenwereld kent iedereen de reeks: ei, rups, pop, vlinder; bij de amfibieën: ei, donderkopje, kikker.

De reeks ei, rups, pop, vlinder vertoont een aantrekkelijke gelijkenis met de reeks zaad, blad, knop, bloem. Ei en zaad zijn overeenkomstige uitgangspunten. De stengel en de bladeren, het eigenlijke bladgebied van de plant, en de rups van de vlinder, vertegenwoordigen de meest vitale periode van de desbetreffende metamorfose. Het eigenlijke groeigebied van de plant is haar bladgebied. Iedereen weet hoe zeer gemaaid gras of gesnoeide bomen deze vitaliteit aan den dag brengen. Evenzeer is bekend hoe snel kleine rupsen groter worden, levende op en zich voedende met diezelfde groene bladeren. Pop en knop kunnen beide zonder bezwaar als ogenblikken van schijnbare stilstand gekarakteriseerd worden, van stagnatie. Min of meer in het verborgene wordt de volgende fase voorbereid. Als dan ten slotte bloem en vlinder verschijnen, is datgene wat in voorbereiding was zichtbaar geworden. Dat vlinder en bloem bovendien in hun verschijning een intieme verwantschap vertonen, vooral in hun kleurige pracht, zal iedereen duidelijk zijn.

Dat vinden we bijv. vanuit een andere invalshoek, in het ‘Leesboek voor de plantkunde‘.

Bij de gedaantewisseling van de kikker krijgen wij te maken met een metamorfose in het hogere dierenrijk, de gewervelde dieren. Dat hier nog een gedaantewisseling in uiterlijke stadia plaats vindt is feitelijk iets opmerkelijks, waarvoor geen verklaring gegeven hoeft te worden. Wij kunnen echter onmiddellijk begrijpen dat de genoemde gedaanteverwisselingen in zulke duidelijk van elkaar gescheiden fasen slechts bijzondere voorbeelden zijn van hetgeen zich ten slotte in elk dier afspeelt. Vanaf het begin dat het dier zich gaat ontwikkelen zien wij een onafgebroken vormwisseling, metamorfose, die ten slotte resulteert in de voldragen dierenvorm. Stellen wij deze vorm tegenover het ei, dan kunnen wij ook hier van een polariteit spreken. Daarbij kan men in de embryonale ontwikkeling zonder meer een voortdurende ’Steigerung’ ontdekken.

Oppervlakkig beschouwd zal men de dieren- en de planten-metamorfose in zoverre met elkaar kunnen vergelijken. Het zal velen duidelijk zijn dat er echter een diepgaand verschil is. De planten-metamorfose kan men aan de ontwikkelde plant in haar geheel — in het algemeen gesproken – bestuderen. De metamorfose die zich afspeelt in de vormen van de stengelbladeren, de kelkbladeren, de bloembladeren enzovoort is aan de hele plant af te lezen.

Bij het dier verloopt dit heel anders, immers in de metamorfose bij de dieren gaat iedere fase geheel over in de volgende. Kort gezegd: als de rups pop wordt is de rups weg, als de pop vlinder wordt is de pop weg. Reeds daardoor voelen wij dat wij met een heel andere wereld te doen hebben. Het zal er nu om gaan het verschil tussen planten- en dierenwereld in dit opzicht zo duidelijk mogelijk te karakteriseren. Wij kunnen dat het beste doen door weer de vraag te stellen: wat metamorfoseert zich in de plant? Goethe heeft van de plant gezegd dat zij van het begin tot het eind blad is. De metamorfose van planten wordt aan bladvormen afgelezen en wij kunnen de plant de metamorfose van een vorm noemen. De metamorfose vertoont zich in de reeks die de bladvormen van onderen naar boven gekeken vertonen. De plant is een vorm-metamorfose, zoals wij gezien hebben.

Mees gaat nog dieper in op de metamorfose bij het dier om die dan ook op te zoeken bij de mens.
Daarover gaat [10-5-2/2] nog niet oproepbaar.

.
L.F.C. Mees ‘Geheimen van het skelet’   (volg link voor een PDF-versie)

Op deze blog staan ook verschillende artikelen die de metamorfose (van de plant) behandelen:

Metamorfose van de planten

Goethes fenomenologische methode

Ook in het tijdschrift van de Ver, v Vrije Opvoedkunst verschenen talloze artikelen over metamorfose

Algemene menskunde: voordracht 10 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2416

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.