Categorie archief: sociale driegeleding

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-4)

.
Een mooi voorbeeld van ‘sociale en individuele bewustwording’ is het stukje levensverhaal van Peter Schilinkski die als marxist vastloopt in het gedachtegoed van Marx en ‘toevallig’ Steiners ‘Kernpunten van het sociale vraagstuk’ in handen krijgt. 
Waarom artikelen over sociale driegeleding op deze vrijeschoolblog verschijnen, wordt hier verantwoord.
In onderstaand artikel zegt Schilinkski: 

„Steiner heeft in de laatste jaren van zijn leven gezegd, dat van de hele driegeleding eigenlijk alleen de vrijescholen zijn overgebleven. Op sommige antroposofen heeft die uitlating diepe indruk gemaakt. Zij denken, dat als zij voor de vrijescholen werken, zij daarmee ook voor de driegeleding actief zijn.

Hij heeft echter nog andere dingen gezegd, bijv. dat bepaalde gedachten en ideeën in de geschiedenis met intervallen telkens weer terugkomen, en dat er dan voor de driegeleding een nieuwe kans ontstaat. Andere antroposofen, waartoe ik behoor, zijn nu diep getroffen door juist déze uitlating. Zij zeggen: wij moeten de eerste de beste kans waarnemen om de driegeleding als maatschappijconceptie opnieuw in de wereld te brengen.

In het Nederlandse onderwijsveld neemt de weerstand tegen te veel overheidsbemoeienis toe. 

Zou ‘100 jaar vrijeschool’ zo’n interval kunnen zijn waarover hieronder wordt gesproken?

 

MAATSCHAPPELIJKE DRIEGELEDING 

Door mensen, die met bezorgdheid de chaotische situatie van 1917 gadesloegen, hierom gevraagd, ontvouwde Rudolf Steiner de gedachte van de maatschappelijke driegeleding. Deze houdt in, dat alleen een autonoom (doch van zijn machtsmiddelen ontdaan) economisch leven werkelijk voor de stoffelijke behoeften van de mens kan zorgen; dat slechts een bevrijd en vrij geestesleven, in onbelemmerde concurrentie van de verscheidenheid, die aan het geestelijk streven van de mensheid eigen is, in staat is om een cultuur te scheppen, waaraan alle mensen kunnen deelnemen en die inzichten te produceren, die nodig zijn om de overstelpende problemen van de toekomst op te lossen; en dat een onafhankelijk en democratisch rechtsleven te waken heeft voor de rechten van de mens. Juist omdat de drie gebieden volstrekt van elkaar afhankelijk zijn, zal hun autonomie tot samenspel en hieruit tot een organische samenleving leiden.

Voor wie vandaag* ziet, hoe het nieuwe maatschappijtype van de technocratie in zijn Oostelijke en zijn Westelijke variant in snel tempo naar de termietenstaat toegroeit, zal de opmerking van Steiner in 1919, dat de maatschappij van de toekomst of driegeleed of bolsjewistisch zal zijn, een angstwekkende actualiteit hebben.

Sedert de Tweede Wereldoorlog heeft Peter Schilinski onvermoeid gewerkt om de principes van de sociale driegeleding in de openbaarheid te brengen: door voordrachten, (straat-)gesprekken, uitgifte van het tijdschrift Jedermann en anderzins. Vorig jaar vond zijn streven een eerste bekroning in de oprichting van het eerste driegeledingscentrum ter wereld in Achberg (zie het artikel van Michiel Damen in Jonas 15).(niet op deze blog)  In de week van 22 t/m 28 maart hield hij een voordrachtsreis door Nederland.

Professor dr. D. Brüll had een gesprek met hem, waarvan hier Schilinski’s aandeel wordt weergegeven.

bepaalde ideeën komen in de geschiedenis met intervallen terug

„Ik ben altijd bewogen geweest door de vraag: hoe kan men alle mensen helpen? Ik was onbevredigd als slechts enkelen werden ondersteund, bijvoorbeeld als één mens de studie van drie studenten financierde, of een kleine groep een andere grotere groep probeerde te ondersteunen. De vraag: hoe kan men alle mensen helpen, leidde me aanvankelijk naar het marxisme. Dat is al lang geleden, meer dan dertig jaar en ik heb toen door het marxisme leren inzien dat het zo niet gaat. Want de partijleiding kan niet weten wie er hulp nodig heeft. De partijleiding moet, op grond van haar officiële principes, de ,goeden’ begunstigen en de activiteiten van de ,slechten’ verhinderen.

Steeds opnieuw heb ik met de vraag geworsteld: hoe kan het recht en de vrijheid van iedere mens worden verwerkelijkt? Toen heb ik aan het einde van de Tweede Wereldoorlog op een eigenaardige manier het boek van Rudolf Steiner ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk‘ in handen gekregen.

Wij hadden een studiegroep voor marxisme en we waren juist in een stadium gekomen dat wij tot de conclusie kwamen: zo gaat het niet. Ik was zeer gedeprimeerd. Toen kwam iemand met een rijdend bibliotheekje langs. In die tijd waren er bij ons bijna geen boeken te krijgen en er was een al helemaal aan flarden gelezen boekje bij, dat ik vanwege de titel kocht. Daar stond namelijk op de omslag ‘De kernproblemen van het sociale vraagstuk’.

Wij hadden net enkele duizenden bladzijden van Marx ‘Das Kapital’ doorgewerkt en we vonden het om zo te zeggen bespottelijk dat iemand op 110 bladzijden de kernproblemen van het sociale vraagstuk zou kunnen behandelen. We vonden het ook een ongelooflijke aanmatiging, maar ik zei tegen de anderen: ‘Als wij zoveel duizend bladzijden gelezen hebben, dan kunnen die 110 bladzijden er ook nog wel bij…….’

Op die manier ontstond de eerste marxistische studiegroep voor de kernproblemen van het sociale vraagstuk.

De studiegroep viel hierdoor uit elkaar. Enkelen vonden: ‘Dat is complete nonsens, laat die man dan maar op zijn eentje verder studeren, hij weet kennelijk niet wat hij wil’.
Maar ik had indertijd het gevoel: er zit geweldig veel in, alleen weet ik niet wat; je moet je er diepgaand mee bezighouden. Ik heb toen ongeveer twee jaar lang praktisch niets anders gedaan dan dit boekje en de geschriften van Steiner op maatschappelijk gebied bestuderen. Ik moet hieraan toevoegen, dat ik tijdens mijn studie de naam Rudolf Steiner nooit was tegengekomen … Ik studeerde geschiedenis, Frans en Latijn . . . Ook geen van mijn studiegenoten noemde die naam, ik heb de naam Steiner voor het eerst op dat smoezelige omslagje gezien.’

UITGAAN VAN CONSUMPTIE

„Ik moet zeggen, dat ik zonder de maatschappelijke driegeleding de antroposofie niet had kunnen aanvaarden. In mijn toenmalige levenssituatie was het voor mij beslissend of iemand iets kon zeggen over de vraag: hoe kan men alle mensen helpen, zonder daarvoor enkelen te moeten onderdrukken. Daarop liep ook mijn studie van het marxisme uit: ook daar geldt de hulp niet alle mensen; er moeten mensen onderdrukt worden. Waar is echter een maatschappijsysteem ten behoeve van alle mensen?

Ik ben er nu zekerder van dan ooit, dat driegeleding de maatschappijvorm is, die de mens de materiële rechten vanzelfsprekend garandeert door vrije informatie en democratisch stemrecht. Maar veel belangrijker is, dat driegeleding de geestelijke ontwikkelingsmogelijkheden van de mens door middel van het vrije schoolwezen, en door een vrij geestesleven, de grootst mogelijke ontwikkelingskansen biedt. Dat is tegenwoordig voor mij van veel beslissender belang.

In de driegeleding wordt over het economische leven gezegd, dat men moet uitgaan van de consument, van de consumptie van de mensen. Dat is volkomen vanzelfsprekend! En toch zou ik daar nooit op gekomen zijn . . . Vanaf het moment dat ik dat bij Steiner las, dat men het bedrijfsleven moet inrichten vanuit het gezichtspunt van de consumptie, was dat voor mij de duidelijkste zaak van de wereld.

Het is interessant dat het gezichtspunt over het economische leven in dienst van de menselijke behoefte, door vertegenwoordigers van andere maatschappijvormen wel telkens naar voren wordt gebracht; maar tenslotte staat in alle andere systemen toch weer de productie op de eerste plaats! Driegeleding gaat wat dat betreft in de allereerste plaats en uitsluitend uit van een mobilisatie van de consumenten, hoe moeilijk dat ook is. Maar als ik de consument mobiliseer en als de consument zich bewust wordt van zijn belang in het economische leven, dan krijg je pas kans op een economisch leven in dienst van de consument.’

‘In het cultuurcentrum Achberg wordt geprobeerd twee dingen van de driegeleding te verwerkelijken: namelijk geestelijke vrijheid voor verschillende soorten activiteiten en wederzijdse gelijke rechten voor deze initiatieven. Wij willen daar dus een forum bieden waar de meest verschillende soorten initiatieven onder woorden gebracht kunnen worden en werkzaam kunnen zijn. Dat betekent uitwisseling van elkaars denkbeelden. Wij hopen vrijheid en gelijkgerechtigdheid dusdanig in de praktijk te brengen, dat deze levensvorm voor veel verschillende groeperingen aanleiding zal zijn om het Humboldthuis van Achberg als conferentieoord te gaan gebruiken. Daardoor kan waardering ontstaan voor de vrije uitwisseling van zeer verschillende levnsovertuigingen. En daarmee zal men zowel de idee, alsook een stukje praktijk van de driegeleding eenvoudig als ervaring ondergaan. Dat is mijn hoop en mijn verwachting en voor de verwerkelijking hiervan wil ik alles in het werk stellen! ’

SOCIALE SAMENWERKING

‘Het ergste wat ons kan overkomen is dat onze antroposofische vrienden, die dc driegeleding kennen en de noodzaak daarvan inzien, ons niet voldoende ondersteunen. Dat zou heel erg zijn. Wij zijn aangewezen op mensen die de noodzaak van driegeleding inzien. Hier schuilt een merkwaardige tragiek van deze tijd. Wat overtrokken gezegd: de antroposofen zien de noodzaak van driegeleding in, maar zij doen niets voor de verbreiding ervan, en de marxisten zien de noodzaak van sociale werkzaamheid, maar zij staan vreemd tegenover de driegeleding, omdat zij zich blind staren op de „eenheidsstaat”.

In de Duitse Bondsrepubliek hebben wij op het ogenblik eigenlijk alleen marxistische groeperingen als een progressieve en actieve factor. De anderen zou ik niet actief willen noemen, terwijl de „driegeleders” pas op gang komen.
Wij hebben tot nu toe pas 60 groepen, dat is een heel klein beetje tegenover dat wat het marxisme in het westen op de been brengt.”

„Verder zie ik nog een gevaar, dat ons van de kant van de huidige maatschappij te wachten staat. Dat is de radicalisering in de Duitse Bondsrepubliek van rechts, via de CDU/CSU, en de radicalisering van de linkerzijde, dus via marxistisch-communistische groeperingen. Deze twee radicaliserende stromingen kunnen de kleine ruimte voor Achberg die wij voor driegeleding nodig hebben, op een heel gevaarlijke manier beperken. Dit gevaar zouden wij graag keren door over een steeds groter aantal driegeleders in alle lagen van de maatschappij te beschikken.
Dat kunnen ook onopvallende propagandisten zijn: bijv. de man die als werknemer helemaal geen grote redevoeringen houdt, maar die zijn collega’s zo nu en dan een paar tips geeft op grond van de ervaringen die zij hebben. Dat is bijv. de leraar die gezonde ideeën naar voren brengt als een van zijn collega’s op de onderwijsvoorschriften scheldt. Dat is de man die aan zijn medeambtenaar die in vertwijfeling raakt omdat de rechters van het praktische leven niets weten, daarvoor de verklaring kan geven. Ik vind deze informatieve taak in het dagelijkse leven minstens even belangrijk als de publieke spreker, want daar gaat het erom dat iemand in zijn beroepsleven het probleem van zijn medemens onderkent en onder woorden kan brengen.

Ja, in dit opzicht functioneert de driegeleding verwant aan het marxisme. In het boek ,De kernproblemen van het sociale vraagstuk’ spreekt Steiner veel minder over de fouten van de mensen dan over de fouten van de instellingen; tegenwoordig zou je zeggen: de structuurfouten.”

BUITENPARLEMENTAIRE OPPOSITIE

„Steiner heeft in de laatste jaren van zijn leven gezegd, dat van de hele driegeleding eigenlijk alleen de vrijescholen zijn overgebleven. Op sommige antroposofen heeft die uitlating diepe indruk gemaakt. Zij denken, dat als zij voor de vrijescholen werken, zij daarmee ook voor de driegeleding actief zijn.

Hij heeft echter nog andere dingen gezegd, bijv. dat bepaalde gedachten en ideeën in de geschiedenis met intervallen telkens weer terugkomen, en dat er dan voor de driegeleding een nieuwe kans ontstaat. Andere antroposofen, waartoe ik behoor, zijn nu diep getroffen door juist déze uitlating. Zij zeggen: wij moeten de eerste de beste kans waarnemen om de driegeleding als maatschappijconceptie opnieuw in de wereld te brengen.

Ik heb het als een rampzalige situatie beleefd, dat antroposofische driegeleders in de tijd van de A.P.O. (de Duitse buitenparlementaire oppositie) schitterden door afwezigheid. Zij waren er niet, in aantal niet en ook niet in kwaliteit. Zij hadden de buitenparlementaire oppositie de ideële grondslag kunnen geven.”

“In de vrijheidsbeweging van de zestiger jaren kan men voor het eerst het vrijheidsstreven zien als een reële behoefte van mensenzielen: niet meer als een politiek programma, maar als een werkelijkheid in de ziel. Steiner heeft destijds al opgemerkt dat de jeugd verwacht, hier op aarde maatschappijvornten te vinden waarin zij in vrijheid geestelijke activiteit kan beoefenen. Zij is nu ten diepste teleurgesteld een maatschappij te vinden, die Steiner al in 1919 aanduidt als een maatschappij van mensen, die geen mensen zijn, maar maskers.

Ik vond het hoogst interessant om te horen dat Rudi Dutschke, die voordat hij mij ontmoette nog nooit een woord van Steiner had gelezen, uit eigen inzicht in publieke toespraken tegen zijn medestudenten zei: ,De mensen die wij op het ogenblik als volwassenen ontmoeten, zijn geen mensen, maar maskers.’

Letterlijk dezelfde woorden vindt men bij Steiner in toespraken tot de jeugd in 1924. (,Die Erkenntnissaufgabe der Jugend’). Daarom heeft de huidige jeugd het zo moeilijk met de oudere generatie: het zijn karaktermaskers.”

„Voor het eerst sedert 1921 is er weer een centrum van waaruit de driegeledingsgedachte openlijk in de wereld wordt geplaatst, heeft de driegeleding een eigen huis gekregen. Deze impuls heeft hulp nodig: hulp in spirituele zin door medewerking van mensen. En ook hulp in materiële zin. Laat het voor heel veel mensen een brandende vraag worden: hoe kunnen wij het cultuurcentrum Achberg tot een steeds sterker middelpunt van de driegeledingsgedachte maken; hoe kunnen wij deze vormingsschool voor driegeleding tot een model maken van soortgelijke opleidingsinstituten in de toekomst? ”

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (5-2)

.

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

 

UIT/IN ARCHIEF

 

 

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de vrijeschoolbeweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

In de jaren ’70 – ’90 van de vorige eeuw stond de vrijheid van onderwijs nog wel  meer in de belangstelling van het vrijeschoolonderwijsveld dan nu – de belangstelling lijkt helemaal verdwenen – , maar te weinig om een beweging te worden die zich daadwerkelijk inzette voor m.n. de vrijheid van inrichting.

Het ‘vrijeschoolonderwijsveld’ was op een bepaalde manier vertegenwoordigd in de Bond van vrijescholen. De Bond ondersteunde de scholen bijv. bij juridische kwesties en probeerde steeds meer door onderhandelen met de overheid, de – toen zeker nog – uitzonderlijke positie van de vrijescholen te beschermen, waarbij o.a. te denken valt aan de 7e en de 13e klas.
‘In het veld’ was er soms wel een impuls om strijdvaardiger te zijn voor meer vrijheid van inrichting, maar het bleef toch vooral bij praten.

Aan het eind van zijn artikel – zie 100 jaar vrijeschool [5-1] benadrukt Helmut van Renesse: “We willen geen revolutie, en dan zijn de mogelijkheden de dialoog en kleine stapjes burgerlijke ongehoorzaamheid.”

Of er, en zo ja, welke dialogen met de overheid plaatsvonden en of er ‘kleine stapjes burgerlijke ongehoorzaamheid’ zijn gezet, is mij niet bekend.

Hoe dan ook: in augustus 1984 verscheen in Jonas ‘Journaal’ dit bericht:

Onderwijsraad: ‘Vrije Scholen moeten examineren ’

De Onderwijsraad heeft staatssecretaris Ginjaar geadviseerd pas tot subsidiëring van nieuwe bovenbouwen van Vrije Scholen over te gaan, zodra deze scholen een eindexamen-reglement hebben. Zoals bekend nemen Vrije Scholen geen eindexamens af, maar werken met zogenaamde eindgetuigschriften en eindwerkstukken. Het is nog niet bekend of de staatssecretaris dit advies zal ovememen.

Vorig jaar kwamen de Vrije Scholen afspraken overeen met de staatssecretaris betreffende de structuur van de scholen. Dit had tot gevolg dat de staatssecretaris drie nieuwe bovenbouwen, namelijk Eindhoven, Alkmaar en Groningen, op het ‘Plan van Scholen’ zette. Dit laatste betekent dat deze scholen in principe in aanmerking komen voor subsidie. Aangezien de Vrije Scholen aanspraak maken op ontheffing van bepaalde wetsartikelen, moest de staatssecretaris de kwestie voorleggen aan de Onderwijsraad. Deze heeft nu subsidiëring afhankelijk gemaakt van een eindexamenregeling. De subsidie die de Bond van Vrije Scholen voor de bovenbouw van de school in Eindhoven verwachtte, zal nu naar alle waarschijnlijkheid uitblijven. Een dezer dagen zal de Bond met de staatssecretaris een gesprek hebben over deze zaak.

Helmuth van Renesse van de Bond van Vrije Scholen spreekt van een ‘bepaald onvriendelijk advies’. Hij zegt dat het voor het eerst is in de gesprekken over de bovenbouwen, dat de overheid serieuze problemen ziet in het feit dat de Vrije Scholen geen examens afnemen.

Van Renesse: ‘Als het advies van de Onderwijsraad betekent dat wij moeten gaan examineren, dan komen we in de problemen. Wij zijn daar principieel tegen. Wij menen dat het systeem van toetsen dat in het onderwijs gangbaar is te kort doet waar het naar ons inzicht werkelijk om gaat, namelijk de ontwikkeling van de leerling. Die laat zich niet op één bepaald moment toetsen. Je kunt hooguit een heel bepaald aspect toetsen, namelijk het cognitieve. Het Vrije Schoolonderwijs ziet dat als een onderdeel van een groter geheel van pedagogische doelstellingen’.

Het advies betekent overigens niet dat de bestaande bovenbouwen in problemen komen. Als de Vrije Scholen geen overeenstemming bereiken met de overheid op dit punt, houdt dit in dat er in de toekomst geen nieuwe bovenbouwen gesubsidieerd gaan worden. De Bond hoopt dat het gesprek met staatssecretaris Ginjaar soelaas kan bieden.

Jonas 15e jrg. nr.1, 31-08-1984

.

Uiteindelijk ging ook dit stukje wezenlijke vrijeschool verloren. Basisschool en bovenbouw mochten ook niet meer onder één dak en iets later verdween de 7e klas uit de onderbouw naar de middelbare school.

We weten inmiddels dat het examenspook nog veel meer typisch vrijeschoolvoedsel verorberd heeft.

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

Sociale driegeledingalle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (8-1)

.

Op 5 mei 1818 werd Karl Marx geboren.
Zijn opvattingen stonden ver af van die van Steiner, die een honderd jaar later zijn ideeën over een driegelede maatschappijstructuur kenbaar maakte. In die tijd – o.a. van de Russische revolutie – was de invloed van Marx’ ideeën groot, maar ze stonden vrijwel haaks op de gedachten van Steiner.
Het is daarom niet verwonderlijk dat Steiner ruimschoots aandacht aan hem en aan zijn opvattingen – bijv. over ‘waren, arbeid en kapitaal’ – besteedde.

In de jaren ’70 – ’80 van de vorige eeuw bestond er voor de idee van de sociale driegeleding veel meer zichtbare belangstelling dan nu – min of meer 100 jaar nadat Steiner die ideeën probeerde ingang in de maatschappij te doen vinden.

In het tijdschrift Jonas schreven door Steiner geïnspireerde auteurs met grote regelmaat over de driegeleding. En ook over Marx.

Aangezien deze artikelen nauwelijks aan zienswijze hebben ingeboet, zullen ze hier – in het kader van ‘archieveren’ worden weergegeven, voor zocer ze nog in mijn bezit zijn.

Wat kunnen we doen?

Iedere nieuwe gedachte is het kind van een nieuwe ervaring

Nog is er niets gebeurd; nog kan men zich terugtrekken in een dal van de Hoge Alpen in een „gezonde” natuur om uren- en dagenlang de bedreigingen van onze beschaving te vergeten, te verdringen — waarom ook niet, als men uit de stilte en schoonheid van die oases kracht en moed voor het dagelijkse leven meebrengt. Wie de wereldsituatie echter goed beschouwt en de tijdstendensen volgt, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de ontwikkelingslijnen steeds duidelijker op komende crisissen en catastrofes wijzen. Zo iets schrijft men niet graag neer en zeer zeker niet zonder zorg. Het woord catastrofe gebruik ik bepaald met tegenzin, want met „paniekzaaien” is niemand geholpen. Maar de tekenen des tijds zijn zo overduidelijk, dat men wel blind moet zijn om ze niet te zien.

Zelf zie ik de volgende hoofdproblemen, die stuk voor stuk belangrijk genoeg zijn om de mensheid in haar bestaan te bedreigen of haar ontwikkeling eeuwen terug te zetten:

• De bevolkingsexplosie en de tengevolge daarvan dreigende hongercatastrofe, die tot ernstige conflicten tussen het noorden en het zuiden kan leiden.

• De dreigende milieuvernietiging en -vergiftiging.

• De wedkamp der supermachten USA, USSR en China, die reeds door een fout in het communicatiesysteem tot een oorlog opgevoerd kan worden.

• De zelfvernietiging van de steden die een duizenden jaren oude stadscultuur dreigt te verstoren, wat een enorm sociaal onheil met zich brengen kan.

• De ongeremde exploitatie van de verstandelijke vermogens van de jeugd door de machinerie van het intellectualisme (geprogrammeerd leren, het vervroegd leren lezen, enz.)

• Het verval van de oude — alleszins problematische — moraal, zonder dat nieuwe en betere gedragsregels ervoor in de plaats komen.

Gesteld tegenover deze problemen, die men nog zou kunnen aanvullen en illustreren, komt de vraag in ons op: „Wat kunnen we doen! ” Deze vraag dringt zich vooral aan ons op, omdat men van mening is, dat degenen die de verantwoording dragen niet genoeg en niet het juiste zouden hebben gedaan. Het meest verbreide antwoord op de vraag „Wat te doen” is kort en bondig: revolutie, omwenteling! De onderlinge betrekkingen, de omstandigheden moeten veranderd worden als men werkelijk wat bereiken wil. Pas als het kapitalistische stelsel en de bureaucratische staat geliquideerd zijn, is er een kans om een nieuwe, betere maatschappij en een nieuwe mens te vormen. Revolutie betekent: radicaal opnieuw beginnen, het kwaad bij de wortel aanpakken door de oorzaken van de huidige misstand te verwijderen. En de oorzaken liggen, zo meent men, in de omstandigheden, in de maatschappelijke machtsverhoudingen. Wie draagt de schuld van de milieuvernietiging: het op voordeel beluste „kapitalisme”! Wie verdient aan de oorlogen? Het „kapitalisme”! Wie wil reeds de kinderen op de omgang met machines africhten? Het machtbegerende „kapitalisme”, dat zich een gedwee volk kweekt! —Het is de materialistische interpretatie die meent met de wijziging van de omstandigheden — dus in ons geval met de liquidatie van het kapitalisme en imperialisme – de problemen zelf te kunnen oplossen en zo ook de mensen te kunnen verbeteren.

revolutie

Het is de revolutie die de gewenste grote en ingrijpende verandering in de omstandigheden brengt. Vatten we nog eenmaal kort de geschiedenis van de revolutie samen, om ons een beeld te vormen van de historische praktijk van deze wereldverandering. De revoluties treden in de latere tijd in de plaats van die bewegingen die het „goede oude” wilden herstellen: in de middeleeuwen was het de Renovatie; daarna volgden de Renaissance en de Reformatie. Ook de eerste grote revolutie van de nieuwe tijd, de Engelse, begon nog als een beweging tot herstel van het goede oude recht der Magna Charta (waarin men zijn eigen wensen geïnterpreteerd had), maar na een zestig jaar durende strijd had men tenslotte „de glorierijke revolutie” volbracht, en aan staat en maatschappij een nieuwe ordening gegeven. Zonder plannen gemaakt te hebben en zonder theorie had men de revolutie haast instinctief ten uitvoer gebracht.

Anders verliep de revolutie in Frankrijk: men wist dat er een revolutie zou komen. De gedachten van Montesquieu (machtenscheiding) en Rousseau (gelijkheid) vormden een theorie die de gebeurtenissen hun richting gaven. Met het geweld van een natuurgebeuren brak dan echter de revolutie toch in wezen onvoorgenomen en ongewild los en verzwolg niet alleen de Royalisten en Girondijnen, maar ook haar eigen bijzonderste kinderen, Marat, Danton en Robespierre. Niet de ideale deugdzame mens, die Robespierre en Rousseau zich hadden voorgesteld, werd uit de Franse Revolutie geboren, maar Napoleon, de code civil (het Burgerlijk Wetboek) en — de burgerlijke samenleving van de negentiende eeuw.

Door het voorbeeld van de Franse Revolutie en de kleinere die daarna nog kwamen tot aan de opstand van de Parijse Commune besefte men, wat revolutie eigenlijk was. Karl Marx voorspelde de komende revolutie. Lenin was dat niet genoeg: hij beraamde plannen en voerde tenslotte de revolutie uit.

Met het „uitvoeren” van de revolutie is een wereldhistorisch gewichtig stadium in de geschiedenis der mensheid bereikt: men maakt geschiedenis, plannen en sociale gebeurtenissen volgens bepaalde theorieën. De mensheid overschrijdt zo de drempel van de van buitenaf bepaalde „menselijke geschiedenis”.

Lenin merkte zelf al in de laatste jaren van zijn leven, dat zijn revolutie haar doel niet bereikt had. Weliswaar had hij gepoogd de oude staat, het oude leger en de bureaucratie te vernietigen en was het kapitalisme geliquideerd, maar uit alle hoeken en gaten van de Sovjetstaat kroop de oude bureaucratie tevoorschijn; al spoedig vormde zich, zoals Milovan Djilas het raak gekarakteriseerd heeft, een „nieuwe klasse” van functionarissen, en uiteindelijk bedreef de nieuwe Sovjetstaat de oude imperialistische politiek van Rusland. Men had iets nieuws willen brengen maar was ongewild weer in het oude beland. Ook al herkent men de prestaties van de Sovjetunie volledig, dan kan men nochtans de mening zijn toegedaan dat in de Sovjetstaat een technocratische kaste van functionarissen heerst over een kleinburgerlijke samenleving.

Mao Tse-tung

Vanuit dit aspect moeten we de door Mao Tse-tung in scène gezette grote Chinese cultuurrevolutie beschouwen. Nadat in 1949 de volksrepubliek China door een boerenrevolutie gegrondvest was, begon na een twintigjarige burgeroorlog een fase van kalmering en consolidering, en dat was de aanvang van een nieuwe verburgerlijking. Hoge posten werden bekleed door academici; letterkundige en wetenschappelijke examens openden de weg daartoe, zoals dat ten tijde van het confucianisme ook het geval was. Zo dreigde weer een klasse van functionarissen, litteratoren en technici te ontstaan.

Doordat men in China het gehele examensysteem en de inschrijving van studenten afschafte en in de opvoeding elke theoretische opleiding met praktisch werk verbond, begon er een heropvoedingsproces dat klassenvorming en verburgerlijking verhindert. De terugkeer der mandarijnen is door de proletarische cultuurrevolutie zeker verhinderd. Of echter de cultuurrevolutie werkelijk een spontane, vrije, scheppende beweging van de revolutionaire massa’s of de grootste massa-
indoctrinatie en geestelijke gelijkschakeling aller tijden geweest is, dat zal de toekomst ons moeten leren. — Eén ding laat het verloop van de revolutie in China ons in elk geval zien: de revolutie is geen eenmalig gebeuren meer; volgens de woorden van Mao is het zelfs als voortdurend omvormingsproces van mens en milieu gedacht.

Nieuwe ordening

Duidelijk komt in de volgende vragen de problematiek van de revolutie naar voren, namelijk: „Wat wil ze in de plaats van de oude ordening stellen? ” en „Hoe brengt ze een nieuwe ordening tot stand? ” De Franse en de Russische revolutie hebben in wezen het vraagstuk van de nieuwe ordening en van de nieuwe mens niet opgelost, maar alleen op bepaalde gebieden ingrijpende veranderingen gebracht.

De Chinese cultuurrevolutie, wat voor een zonderlinge en avontuurlijke indruk ze ook op de Europese waarnemer maken mag, heeft in elk geval een belangrijk probleem herkend en geformuleerd: „De uitbuitende klassen werden ontwapend — maar hun reactionaire ideeën blijven stevig in hun hoofden vastgeworteld. Wij hebben hun eigendom in beslag genomen, maar hun hoofden kunnen we niet van reactionaire gedachten bevrijden.”

Om de hoofden nieuwe gedachten in te prenten, begon men de cultuurrevolutie en men prijst nu in heel China de „gedachten van Mao Tse-tung”, omdat men heeft ingezien dat het handelen van de mens door zijn gedachten bepaald en geleid wordt, en men laat de intellectueel lichamelijke arbeid verrichten opdat hij uit de praktijk nieuwe gedachten zal opdoen. De revolutie wordt op deze manier tot opvoedingsproces. Mao weet dat alleen daar een nieuwe wereld, een nieuwe ordening kan ontstaan, waar nieuwe gedachten zijn.

Daarmee krijgt de gedachte, de idee, een betekenis die in de materialistische interpretatie van de geschiedenis in het geheel niet was voorzien. Naast de verandering van alleen de omstandigheden komt de verandering van de mensen en hun gedachten te staan.

Reeds in een geschrift uit het jaar 1845 kan men lezen: „De materialistische leer van de verandering der omstandigheden en der opvoeding vergeet, dat de omstandigheden door de mensen moeten worden veranderd en dat de opvoeder zelf moet worden opgevoed. Om de samenleving te kunnen doorgronden, moet ze in twee delen worden gezien, waarvan het ene deel boven het andere verheven is.”

Deze woorden uit de stellingen over Feuerbach van Karl Marx geven een tweevoudig dilemma aan: Wanneer de omstandigheden — of de opvoeding van de mens — door iemand worden veranderd die niet al zelf veranderd is, die niet al zelf „een nieuwe mens” is, dan moet men zich niet verwonderen als alle, zij het ook met nog zo veel vlijt aangebrachte verandering, tenslotte alleen het oude reproduceert, omdat telkens de verkeerde manier van denken van de vaders weer binnensluipt en zich ermee vermengt.

Aan de andere kant vraagt Marx met recht: Welk deel van de samenleving heeft het recht zichzelf boven de ander te verheffen en hem op te voeden? Alleen de reeds volbrachte zelfopvoeding van een enkeling of van een groep mensen kan de bevoegdheid geven om de omstandigheden te veranderen! Men kan de mensheid niet de chaotische wensen van zijn eigen door het kapitalisme gevormde wezen als revolutionair programma aanbieden. Wel moet deze zelfopvoeding ook werkelijk praktisch zijn, een proces dat zich midden in het maatschappelijke leven van onze tijd afspeelt en daarin voldoet. Dan zal namelijk de omvorming van onszelf niet abstract zijn maar zich tegelijkertijd bezighouden met de verandering van de wereld. Dat weet ook Karl Marx. Hij hecht er veel waarde aan dat het allebei, de verandering van de wereld die van onszelf, op dezelfde wijze en in dezelfde mate zal gebeuren, dat het samenvalt: „De gelijktijdigheid van zowel de verandering van de omstandigheden als van de menselijke bemoeiingen om zichzelf te veranderen, kan alleen als revolutionaire praktijk gebracht en rationeel, op wetenschappelijke feiten gebaseerd, worden begrepen.

Rationeel

Waar kan zo’n revolutionaire praktijk rationeel beginnen? Vele „revolutionairen” uit onze dagen menen: in de dagelijkse politieke strijd. Dat leidt echter, zoals de ervaring ons heeft geleerd, alleen tot een hier en daar proberen, tot onrust en tenslotte tot berusting. De werkelijke revolutie neemt een ander uitgangspunt: ze begint met een verandering van het eigen denken. Normalerwijze wenden we onze gedachten net zoals ze in ons opkomen aan, om de wereld te beoordelen. Daarbij besturen zowel denkgewoonten als antipathie en sympathie onze meningen. Hebben we ons eenmaal het denkbeeld gevormd dat b.v. het materialisme de juiste wereldbeschouwing is, dan zullen we alle gedachten en redenen met ons denken erbij sleuren om deze mening te ondersteunen. Ons denken is dan in één richting geprogrammeerd.

Daartegen helpt slechts één ding: zich tegenover zijn eigen denken plaatsen en het observeren. Met de waarneming en controle van de eigen gedachten begint de werkelijke zelfbevrijding van de mens, die een omwenteling in zijn bestaan betekent. Dit is geen theoretisch probleem, maar een voortdurende practische opgave: Inzicht te verkrijgen in de gedachten en motieven die de eigen denkbeelden en daarmee ook het eigen handelen bepalen. Hiermee begint het proces van de zelfbevrijding. En dat is bepaald geen genoegen, want op hetzelfde moment waarin men ophoudt instinctmatig en volgens gewoonte over alles te oordelen, wordt men om te beginnen onzeker, men begint te vragen. Dat is al een enorme vooruitgang, want de vraag leidt tot beter en misschien ook onbevangener observeren.

Zolang men nog instinctief gewoon „erop los” dacht, wist men op alles een antwoord. Vooral als er in menselijke relaties iets verkeerd ging, was het meteen duidelijk waar dat aan lag. De van zichzelf overtuigde zocht de schuld bij de anderen; de ander, moedeloos geworden, stelde — al even onproductief — vast: mij lukt ook nooit iets. De werkelijke oorzaken opmerken, dat kan alleen hij wiens denken niet geprogrammeerd is. Wie zich vragend aan de verschijnselen weet over te geven, leert uit de praktijk van het leven. Hij krijgt dan ook vanuit de omgang met de mensen en dingen nieuwe gedachten. De theoretici van het marxisme hadden gedacht dat de bevrijde klasse der proletariërs vanzelf wel voor de nieuwe gedachten en nieuwe sociale vormen zouden zorgen. Rosa Luxemburg b.v. geloofde dat het revolutionerende proletariaat de intuitiebron zou zijn, waaruit nieuw denken en nieuw willen geboren zouden worden. Bij een dergelijke opvatting wordt vergeten dat ook het als een mythe vereerde proletariaat het bedorven, in verval geraakte voortbrengsel is van een burgerlijk-kapitalistische samenleving. Het denken van dit proletariaat — voor zover dat tenminste nog bestaat — is door de gedegradeerde vormen der burgerlijke wetenschap geblokkeerd. In werkelijkheid heeft het revolutionaire proletariaat in het geheel geen nieuwe vormen en ideeën voortgebracht, maar werd het integendeel door een kleine groep burgerlijke beroepsrevolutionairen bestuurd en aan de leiband gehouden.

Ervaring

Antroposofie stelt zich ten doel, de weg naar nieuwe gedachten en sociale vormen werkelijk vrij te maken, en ze heeft in de afgelopen tientallen jaren weliswaar niet genoeg maar toch van alles gepresteerd wat de aandacht verdient. Deze wereldbeschouwing doelt geenszins alleen op verinnerlijking en zelfopvoeding, maar in dezelfde mate op wereldhervorming. Voor haar begint echter de praktijk der verandering met de verandering van het practische denken.

In de kennisleer van Rudolf Steiner wordt dat volkomen duidelijk: de eerste schrede naar het verkrijgen van inzicht is een poging om tot rechtstreekse ervaring en waarneming te komen. In het dagelijks leven hebben we om twee redenen geen directe ervaringen. Enerzijds omdat we datgene waarmee we in aanraking komen altijd beschouwen vanuit abstracte gezichtspunten: als het om een mens gaat dan vinden we hem dom of knap, vriendelijk of hatelijk, sympathiek of onsympathiek, en zo vormen we oordelen die al van te voren onder de dictatuur van bepaalde begrippen staan, begrippen die nergens aan getoetst zijn en waarvan de gegrondheid twijfelachtig is. Erger is echter dat deze abstracte brillen ons verhinderen tot werkelijke ervaring te komen.

Anderzijds zorgt heden ten dage de technische wereld om ons heen ervoor dat mensen steeds minder werkelijke ervaringen kunnen maken. In vroeger tijden werden de meeste mensen door hun werk in weer en wind en met ploeg en hamer wezenlijk met de dingen vertrouwd. Men ondervond de gevolgen van het eigen bezigzijn lichamelijk. Tegenwoordig beschermen we ons niet alleen als we ons b.v. in het wegverkeer begeven, met een stalen pantser dat we auto noemen, we zijn ook bij de uitvoering van ons dagelijks werk tegen vele gevolgen „verzekerd”.

Het is echter noodzakelijk dat wezenlijke ervaringen gemaakt en dat deze ervaringen ten volle innerlijk doorleefd worden. Pas dan kan de mens ertoe komen dat hij spontaan vanuit eigen beleven en ervaren zichzelf uitspreekt. Directheid, spontaniteit, vrijheid, het zijn geen geschenken van de natuur, zij moeten door bewuste scholing worden voorbereid.

Nieuwe gedachten

Hoe ieder afzonderlijk zoveel mogelijk ervaringen kan opdoen, is moeilijk in het algemeen te zeggen. Maar zoveel is wel duidelijk: Men kan ernaar streven met zoveel mogelijk mensen een innerlijk levendige ontmoeting te hebben, en ook onaangenaam lijkende ontmoetingen niet uit de weg te gaan.

Verder kan men ervoor zorgen niet in een sleur te verstarren door heel bewust nieuwe werkzaamheden en taken op zich te nemen, ook die waarvoor men niet „geschikt” is. Zelfs de vakantie kan men daartoe gebruiken, door niet alleen zo maar op reis te gaan maar door zich in ander werk, onder andere mensen te hervinden, zich werkelijk te herstellen, zichzelf op een nieuwe plaats te stellen. Uiteindelijk dienen alle oefeningen waarbij de geest geschoold wordt, ter vermeerdering van de ervaring. De controle van de eigen gedachten is daarentegen een oefening die iedereen in de eerste plaats alleen te verwerken heeft. Hierbij gaat het erom niet volgens het gebruikelijke patroon te denken. Niet te vragen: wat was goed — wat was verkeerd — maar zich onbevangen aan de verschijningen over te geven en te vragen: wat is dat?

Werkelijk nieuwe gedachten komen vaak niet in ons op, omdat we al een bepaalde opvatting over het probleem hebben, omdat we al weten — of beter: denken te weten —, wat er moet gebeuren-. Als men echter al weet wat er aan de hand is en wat men te doen heeft, kan men het verschijnsel niet meer onbevangen waarnemen. Alleen daar waar het is gelukt de situatie onbevangen, met open vragende ziel innerlijk te doorleven, alleen daar treden intuïties op.

Iedere nieuwe gedachte is het kind van een nieuwe ervaring; uit het zuivere waarnemen ontstaat de zuivere en nieuwe gedachte. Men zal zo weliswaar niet direct met het oplossen van alle aan het begin genoemde wereldvragen kunnen beginnen, maar wel kan men iets reëlers doen: men zal kunnen beginnen met handelen, met werken, en in deze arbeid legt men kiemen, die zich verder kunnen ontwikkelen.
.

Christoph Lindenberg, Jonas 04-03-1972

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

Boeken van Lindenberg

Vrijescholen, leren zonder angstscroll op alfabet

 

1521

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (6-4)

.

SOCIALE DRIEGELEDING

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

In de jaren 1970 ontwikkelde zich een bloeiende ouderbeweging rond de vrijescholen. Dit L(andelijk) O(uder) C(ontact) zocht naar de verdieping van de achtergronden van de vrijeschool en derhalve ook naar die van de sociale driegeleding.

Op 18-11-1978 organiseerde ze een lezing voor de ouders over ‘Geld’:

 

Koopgeld, Leengeld en Schenkingsgeld

Geld speelt een belangrijke rol in onze samenleving, ook in de taal: als voorbeeld kan gelden ‘tot gelding brengen’ en ‘geld stinkt niet’, (door een keizer ingestelde rioolbelasting, waarbij het geld voor de belasting, in tegenstelling tot het object, niet stinkt).
Ongeveer 400 jaar voor Chr. komt haast tegelijk met het schrift het geld in omloop.
Het schrift was heilig in verband met de herkomst van het schrift, ook het geld had deze spirituele achtergrond, dit kunnen wij zien aan de beeltenissen van heilige dieren of van koningen op de munten en verder op de ingebrachte vrome zinnen op de munten.
Via geld, in de vorm van munten, ontstond er een duidelijker ruilhandel, welke voortkwam en gestimuleerd werd door de arbeidsverdeling.

Dit geld in de vom van munten noemen wij chartaal geld.

In de tijd van de Franse Revolutie ontstond het bankpapier, dat wil zeggen: een belofte om aan de toonder van dit bankpapier de tegenwaarde in chartaal geld, indien dit gewenst wordt, uit te betalen. Dit systeem werkte dus op basis van wederzijds vertrouwen.

In het begin van deze eeuw ontstond naast het bankpapier en de munten het girale geld, dit zijn tegoeden, op grond, waarvan nieuw geld in omloop wordt gebracht, dit girale geld omvat nu* ongeveer 3/4 van de totale geldhoeveelheid.

In de nabije toekomst zullen we op schermen onze tegoeden kunnen aflezen, om te kunnen zien waarover wij nog de beschikking hebben ter besteding voor allerlei doeleinden.

Deze historische ontwikkelingsgang roept een bepaald beeld bij ons op, want het geld kwam op een zeker moment heel concreet in de menselijke samenleving vanuit spirituele achtergrond en verdwijnt nu langzamerhand steeds verder weg in de mist.

Dit roept de vraag op: ‘Wat is geld en wat kun je er mee doen?’

Geld is ongedifferentieerde koopkracht en via de waardering van artikelen en diensten hanteerbaar als ruilmiddel, maar wat kun je er zoal meedoen ?

1.Hantering ten behoeve van de behoeftebevrediging, zowel fysiek als geestelijk.
Door middel van kopen hanteren wij het geld als koopgeld.

Maar realiseren wij welk enorm mechanisme in werking wordt gesteld, op het moment dat wij bijvoorbeeld een pond suiker in een Reformhuls kopen ?

Wij kopen heel gewoon een pond rietsuiker, omdat wij bij dat product het aantal chemicaliën zo minimaal mogelijk aantreffen; netjes verpakt in degelijk papier – niet in plastic – en met enkele nietjes afgesloten, om het pond ook thuis te krijgen, je betaalt de prijs en gaat huiswaarts, maar wat heb je in wezen wel niet veroorzaakt!
Ieder moment, dat je iets koopt in de materiële sfeer, creëer je een vacuüm, omdat ook de volgende koper graag zijn pond rietsuiker mee naar huis wil nemen.
Onmiddellijk na jouw koopactie moet het vacuüm weer aangevuld worden, ettelijke productiekolommen komen wereldwijd in werking door jouw actie.

Van rietsuikerplantages tot kristalsuiker, van bomen kappen tot de papieren verpakking en van kopermijnen tot het afsluitende nietje.

Wij staan dus midden in het productieprooes met al zijn bijbehorende milieuproblemen en dat alleen door het kopen van zo’n simpel pond rietsuiker.

Economie, E.E.G*., Derde Wereldproblematiek en wereldhandel, alles heeft ermee te maken.

2.Wij kunnen het geld laten staan, dus sparen of liever uitsparen.
Hierdoor kan een ander, in plaats van wij zelf, er gebruik van gaan maken.

Hoe staan die twee mensen – de spaarder én de gebruiker – in feite tegen over elkaar ?
De spaarder vraagt een rentepercentage en maakt een afspraak over de tijdsduur en wil na afloop van de tijdsduur zowel de rente als de hoofdsom weer terug ontvangen.
De gebruiker wil met het geld iets gaan doen, waarbij hij geneigd is om een zo laag mogelijk rentepercentage te vergoeden. Maar onzekerheid ten aanzien van de tijdsduur, waarop de gebruiker de rente kan betalen en of hij in het algemeen wel in staat zal blijken te zijn om de hoofdsom op het afgesproken moment terug te betalen, verduisteren het beeld.
Met andere woorden: de spaarder en de gebruiker staan met de ruggen tegen elkaar, zij hebben volkomen gescheiden interessen en door het ontbreken van de tussen-menselijke relatie ( = interesse ) wordt dit vacuüm opgevuld door het fenomeem bank.
De afwezigheid van interesse is waard 300 miljoen gulden*, of wel het gezamenlijk totaal van alle bankbalansen in Nederland, was dit wat wij met leengeld bedoelden?

3, Wij kunnen het geld niet voor ons zelf gebruiken, ook niet sparen, maar het weggeven.

De ander krijgt nu de volledige beschikkingsbevoegdheid over dit schenkingsgeld.

Maar hoe schenken wij, welke verschillen kunnen we hierin onderscheiden ?

– Wij schenken, maar we verwachten er wel wat voor terug in welke vorm dan ook.

Een voorbeeld hiervan is bij voorbeeld de Pieterspenning ( de bijdrage van gelovige rooms-katholieken ter dekking van de kosten van de Heilige Stoel) of onze ouderbijdrage aan de vrijeschool, waarbij de bijdrage voor het tweede en derde kind in verhouding nog maar een gedeelte is van de bijdrage voor het eerste kind, hierbij gaat de verkooptekst ‘cheaper by dozen’ volledig op.

Maar we realiseren ons, dat we hierbij het woord “schenken” zelfs niet mogen spellen, omdat het op deze wijze niets met schenken te maken heeft.

– Wij schenken geld, maar met bepaalde condities erbij wat betreft de besteding ervan.

Ook dit heeft weinig met schenken uit te staan, beter is om in zo’n geval van lenen met zeer soepele condities te spreken in plaats van schenken.

Want schenken is een uiterst onvoorwaardelijk weggeven van geld.

– Nu komen we aan het echte schenken en om dat te kunnen, moeten we ons eerst goed realiseren, dat we als egoïsten – dus werkelijk doorwinterde egoïsten – tegenover elkaar staan, pas vanuit die positie is het slechts mogelijk om werkelijk te gaan “schenken”.
Vanuit de Bijbel en het Kerstspel worden vele voorbeelden gegeven, welke aangeven, dat het geld een diepe spirituele waarde heeft, als voorbeelden kunnen gelden de verwijdering van de geldwisselaars uit de tempel en de 30 zilverlingen.

– 3 .Het Oberufer Weihnachtspiel (het Kerstspel) is in wezen bestek 81 anno het jaar nul. Denk eens aan: ‘…..rest ons temet geen duyt noch penninc meer, al sulck ellend geclaegt sy god de heer…,ick spreeck er een vrund aan te morghen, syt hier om sonder sorghen..,’ Verder het zowel vanuit Jozef als vanuit Maria voorstellen en tegensputteren wat betreft het wel of niet verkopen van het osje en wat dat dan wel op zou gaan brengen.

Als het Jezuskind geboren is, wat zegt Jozef dan ? Hij vervolgt zijn economische verhandeling en spreekt: Mettet kriecken van den uchtend, gae ick totten slagter in Kana; ons osjen sallic hem offreren, sien wat hy hier voor uyt wilt keeren….. enz.

Bij de herders is het al niet anders gesteld, ook bij hen een groto economische jammerklacht en terecht zegt Gallus: ” Wie can daor wesen vrooen moets?

Ze krijgen er zelfs ruzie om en nu moeten we opletten, op dat moment intervenieert Witok met grutten en spek, de drie bevredigen hun fysieke honger en ze slapen tevreden in.
Dan volgt de verkondiging aan de herders en na hun aan elkaar meedelen, wat ze gedroomd hebben, gaan ze over schenken praten en zijn alle economische problemen vergeten!
‘Wat veur gaven willenme offreeren? Wat veur present aan dat kinde vereeren ?
Crispyn, in tegenstelling tot de andere herders, geeft niet iets uit de natuur, maar wat hij zelf gemaakt heeft, al hoewel hij er eerst eens over denken moet (bewustzijn). ‘Jao, jao, ick sallereis bedencken ent kind een slip van myn pelsvagt schencken.’

Wij geven de kwaliteit aan het geld, het kan iets worden van de hoogste orde van spirituele werkelijkheid. Het mag geen systeem worden via het bankstelsel, maar met geld omgaan moet een bewustzijn van ons worden.

Indien wij het geld als handelswaar zien, dan veroorzaken wij het probleem en niet het geld, dan ontstaan zaken als zwart geld en smeergeld ( zwart geld is in waarde nagenoeg gelijk aan de totale circulatie van briefjes van ƒ 1.000,=, deze zijn bijna verdwenen)*.
Binnen de vrijeschool moeten juist ook de leerkrachten volledig op de hoogte zijn van het functioneren van het geld binnen de sohool, dus het totale budget kennen, indien dit niet het geval is, dan is er iets niet goed binnen de school.

Wij ouders zijn er voor verantwoordelijk, dat vóóraf het benodigde geld, dat als totaal inkomen voor de leerkrachten nodig is, er ook werkelijk komt.

En dit moeten we zeker niet achteraf vaststellen, want dan is het een prestatiebeloning.
Ook mag er geen enkele voorwaarde aan het geven van onze ouderbijdrage gesteld worden, of verwachtingen of zelfs verplichtingen daaraan verbonden worden, de leerkracht moet zich kunnen ontwikkelen op zijn manier, met behulp van ons geld, dat wij geven.

Als wij over geld spreken, dan zullen wij ons steeds meer moeten gaan realiseren, wat geld eigenlijk is en Rudolf Steiner houdt ons voor, dat geld ‘ realisierter Geist’, dus in de praktijk gerealiseerde geestkracht is.

En dat is wel iets waar we nog eens goed over moeten gaan denken en leren te gaan denken.
.

Drs. Rudolf Mees. *18-11-1978, genotuleerd door Aalt Riezebos (LOC)

 

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1498

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool – (5-1)

.

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

 

UIT/IN ARCHIEF

 

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de vrijeschoolbeweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

In de jaren ’70 – ’90 van de vorige eeuw stond de vrijheid van onderwijs nog wel  meer in de belangstelling van het vrijeschoolonderwijsveld dan nu – de belangstelling lijkt helemaal verdwenen – , maar te weinig om een beweging te worden die zich daadwerkelijk inzette voor m.n. de vrijheid van inrichting.

Het ‘vrijeschoolonderwijsveld’ was op een bepaalde manier vertegenwoordigd in de Bond van vrijescholen. De Bond ondersteunde de scholen bijv. bij juridische kwesties en probeerde steeds meer door onderhandelen met de overheid, de – toen zeker nog – uitzonderlijke positie van de vrijescholen te beschermen, waarbij o.a. te denken valt aan de 7e en de 13e klas.
‘In het veld’ was er soms wel een impuls om strijdvaardiger te zijn voor meer vrijheid van inrichting, maar het bleef toch vooral bij praten.
Een bestuurslid van de Bond legt uit.

 

Vrijheid van onderwijs

‘Burgelijke ongehoorzaamheid zo nu en dan noodzakelijk’

 

In Jonas 11 (niet op deze blog) hield Maarten Ploeger een pleidooi voor ‘privatisering’ van het onderwijs. Naar zijn mening moet de invloed van de overheid op het onderwijs drastisch worden teruggedrongen.

Hij meende tevens dat hier een taak ligt voor de Bond van Vrije Scholen. We vroegen Helmut van Renesse, medewerker van de Bond, om een reactie. Hij schreef onder persoonlijke titel.

‘Voor wie mocht menen dat de gedachte aan een vrij geestesleven door de Vrije Scholen feitelijk als achterhaalde utopie in het rariteitenkabinet was bijgeschoven, is 1983 goed begonnen. In Jonas nummer 11 staat immers een artikel van Maarten Ploeger, waarin hij het gehele onderwijs uitdaagt om de invloed van de overheid terug te dringen.

Kort samengevat stelt Ploeger dat vruchtbaar onderwijs alleen mogelijk is als de onderwijsgevenden volledig autonoom de verantwoordelijkheid kunnen nemen voor hun taak. De financiering zou voorlopig nog wel uit belastinggelden moeten komen, waarbij per leerling een – vrij te besteden – bedrag beschikbaar wordt gesteld uit de algemene middelen. De overheid dient zich te beperken tot het garanderen van het leerrecht voor ieder, en aan de scholen mag openbaarheid gevraagd worden ten aanzien van leerplan, levensbeschouwing en financiën. In de overgangsfase naar dit nieuwe stelsel zal nog een tweestromenland gecreëerd moeten worden, waarin onafhankelijk (‘vrij’) onderwijs en gebonden onderwijs naast elkaar bestaan. Aan het slot van zijn artikel stelt Ploeger de vraag: ‘Wie doet welke stappen?’

Op uitnodiging doe ik hierbij een stapje.

Ik stem van harte in met de opvatting van Maarten Ploeger, zoals die boeiend uiteengezet is in het betreffende artikel, en zonder twijfel zullen veel lezers dat doen. Maar, zo’n instemming is vrijblijvend. Het is goed en verfrissend om elkaar nu en dan te vertellen hoe het eigenlijk zou moeten. Maar verder, wat doen we d’r aan, hoe bereiken we iets? We willen geen revolutie, en dan zijn de mogelijkheden de dialoog en kleine stapjes burgerlijke ongehoorzaamheid.

De dialoog

Op het eerste gezicht zou je kunnen zeggen dat een dialoog het plezierigste verloopt als het zo gaat: eerst geef ik mijn mening ten beste, terwijl de ander begripvol luistert. Dan zegt de ander nadenkend: ‘Daar zit wel iets in,’ en geeft me vervolgens gelijk. Mooi zou het zijn geweest als dit de werkgroep identiteit kleuteronderwijs was overkomen bij haar actie tegen verlaging van de leerplicht. Zo ging het echter niet.

Op 16 december 1982 was ik als morele steun voor de werkgroep identiteit aanwezig bij de hoorzitting van de vaste Commissie voor Onderwijs van de Tweede Kamer over de zogenaamde Overgangswet Basisonderwijs. Woordvoerders van de werkgroep deden uitspraken over verlaging van de leerplicht naar de leeftijd van vijf jaar die mij uit het hart waren gegrepen; in het bijzonder als iemand van de Vrije Schoolbeweging sprak kreeg ik de neiging om te applaudiseren. Tevreden kon ik voor mijzelf vaststellen dat ‘we’ ontzettend gelijk hadden.

Straks, wanneer de Overgangswet in de Kamer zal worden behandeld, zal vermoedelijk blijken dat we dit gelijk niet krijgen. Van vertegenwoordigers van twee partijen had ik de verwachting dat zij sympathie, althans enig begrip zouden hebben. De een excuseerde zich na de eerste zinnen van de werkgroep bij de voorzitter en liep weg omdat hij wat anders te doen had. De ander luisterde geïnteresseerd. Hem vroeg ik enige weken later naar zijn mening. ‘De werkgroep heeft me absoluut niet overtuigd,’ zei hij, ‘het was vaag en verwarrend. Verlaging van de leerplicht is zinvol omdat…’ en toen kwamen zijn argumenten.

Een aantal gedachten over de dialoog kwamen bij me op naar aanleiding van het hierboven beschreven gebeuren. Als ik een duidelijk standpunt heb, overigens een voorwaarde voor een goed gesprek, en ik heb me vóóraf reeds voorgenomen hiervan niet te wijken, dan kan ik moeilijk verwachten dat de ander dit wél doet. Verder is voorwaarde voor een ‘ontmoeting’ dat gestreefd wordt naar iets gemeenschappelijks. Als de andere partij dat niet doet, dan is het enige wat rest dit althans zelf te doen, want de ander heb je niet in de hand. Hij heeft zelfs, zoals in de boven omschreven situatie, de macht. We kunnen hier niet volstaan met het afdoen van verlaging van de leerplicht als een verwerpelijk staaltje van overheidsbemoeienis. We kunnen ons ook afvragen of de politiek zich niet werkelijk zorgen maakt om iets, zij het om iets anders dan wij. In dit geval gaat het de overheid niet om kleuters op Vrije Scholen, en als die thuisblijven zal het de staat een zorg zijn. Het gaat om gezinnen waarin de belangen van de kinderen niet goed worden behartigd, althans dat denkt de overheid. Ons antwoord op dit probleem, (maar we hebben hier niets over gezegd) is wellicht in eerste instantie: daar heeft de overheid geen moer mee te maken. Van zo’n standpunt zal echter niemand zich iets aantrekken. Om de ander te bereiken zullen we mee moeten denken om dit probleem op te lossen.

De Raad voor het Jeugdbeleid is met een oplossing gekomen, die ik heel plausibel vind. Géén leerplichtverlaging, maar een inschrijfplicht voor kinderen van vier jaar. Bij de inschrijving en daarna overleggen de ouders met de school óf het kind komt, en zo ja, wanneer en hoe vaak. Met de inschrijfplicht is de mogelijkheid geschapen een gesprek over opvoeding en school te hebben, zonder dat dit leidt tot leerplicht. Ook dit voorstel zal het vermoedelijk niet halen, maar het heeft de aantrekkelijkheid dat er althans een suggestie wordt gedaan die de andere partij niet buiten spel plaatst.

Vrijheid van inrichting

Maarten Ploeger trekt de conclusie dat vrijmaking van het geestesleven uit de ziekmakende omklemming door de staat (rechtsleven) van levensbelang is voor de nabije toekomst. Dit inzicht in de maatschappelijke samenhang, met de noodzaak van driegeleding, die Rudolf Steiner gegeven heeft, wordt niet onmiddellijk door ieder gedeeld, laat staan door hen die werken in dienst van die staat, en dat zijn er steeds meer. De weg tot dit inzicht kan (te) lang zijn.

Een houding van ‘als u de antroposofie niet kent, kunt u dat toch niet begrijpen’ is niet vruchtbaar. Een dialoog met anderen die de antroposofie niet kennen is nodig. Maar het is daarmee net zo gesteld als met de positie van Nederland in de wereld: het buitenland is héél groot. Hoe meer je je bezig houdt met de maatschappelijke driegeleding, hoe meer je overtuigd raakt van de juistheid van dit inzicht. Er treedt dan echter ook een proces van verwijdering op, en je raakt steeds meer verwonderd over de ‘wereldvreemdheid’ van de maatschappij. Het omgekeerde overkomt de maatschappij ook ten opzichte van mij. En daar zit de moeilijkheid.

In de dialoog is het van belang dat we ons eigen oordeel terug kunnen houden, er als het ware ‘los’ van komen, opdat ruimte ontstaat waarin het standpunt van de ander, en vooral de achtergrond daarvan, beter kan worden begrepen. Met andere woorden, dat van die vrijheid van inrichting weten we al, laten we nu eens kijken waarom anderen dat niet nodig vinden, ja zelfs niet wenselijk achten. Als we dat niet echt begrijpen is aan de voorwaarde om een gesprek aan te gaan niet voldaan, en is het ontwerpen van een strategie zinloos.

In 1977 verscheen een bundel opstellen onder de titel ‘Vrijheid van Onderwijs’, die ik ieder kan aanbevelen.* Hierin zijn opvattingen te lezen die wel eens gezichtsbepalend zouden kunnen zijn voor de huidige ‘constructieve’ onderwijspolitiek. Bij lezing vond ik het opvallend dat geen van de auteurs het ontbreken van een werkelijke vrijheid van inrichting als een echt probleem ziet. Eén auteur verwondert zich erover dat er geen verzet is gerezen tegen de verregaande inperking van deze vrijheid. Met name diens beschouwing over artikel 208 van de grondwet kan ik aanbevelen (P.W.C. Akkermans).

De gedachte dat geestesleven gefinancierd kan worden met sehenkgeld uit het
economisch leven vinden we niet terug. Simplificerend kun je stellen dat het om louter koopgeld gaat in de huidige subsidiepolitiek. Hieraan ligt niet de gedachte ten grondslag dat de school, de leerkracht, het kind helpt diens opgave te vervullen. Het kind wordt gezien als grondstof, in ruwe vorm onbruikbaar. De grondstof zal eerst een stevige bewerking moeten ondergaan, aleer deze maatschappelijk en economisch nut opbrengt. Onderwijs is een proces van waardetoevoeging, waarbij een bruikbaar product op de markt behoort te worden afgeleverd. Klant is niet het kind (‘romantische onzin’, durft men tegenwoordig weer hardop te zeggen), maar de maatschappij, in haar belangen vertegenwoordigd door de overheid (regering, ambtenaren, parlement). In deze gedachtegang ligt het erg voor de hand dat de klant eisen wil stellen aan het product. Het stellen van subsidievoorwaarden heeft niets onfatsoenlijks, is eerder uiting van een toegenomen consumentenbewustzijn. In arbeidsorganisaties hebben de werkers recht op inspraak, dat bevordert ook hun loyaliteit aan het productieproces. Zo wordt tegenwoordig gedacht. Wat mopperen we nog over vrijheid van inrichting, we hebben nu toch de Wet Medezeggenschap Onderwijs?

Hierboven heb ik een gedachtegang geschetst waarbij vrijheid van onderwijs wordt gereduceerd tot het recht van de leerkracht op inspraak. Er valt ook een andere gedachte waar te nemen: het onderwijs is al vrij; wie daarom vraagt is blind en trapt een open deur in. In dit opzicht valt een vergelijking te trekken met de positie van de vrouw. Tot in de zestiger jaren dacht men dat deze gelijkwaardig was aan die van de man. Thans realiseren zich velen, mannen en vrouwen, dat de gewenste gelijkwaardigheid maar heel betrekkelijk is, en dat er nog een hoop valt te doen. We mogen hopen dat een proces, zoals dat zich de afgelopen jaren heeft afgespeeld rond de positie van de vrouw, zich ook voltrekt ten aanzien van de vrijheid van inrichting in het onderwijs. Dat dus steeds meer mensen, vanuit een situatie waarin men meent dat vrijheid van inrichting geen probleem is, zich ervan bewust worden dat men zich heeft vergist en tot daadwerkelijke stappen komen om er iets aan te doen. Voorwaarde is dat het als probleem onderkend wordt in brede kring. Wellicht helpt de overheid ons een handje. Steeds meer wetten, steeds meer veranderingen die worden opgelegd, steeds meer circulaires. Het systeem kan doldraaien.

Burgerlijke ongehoorzaamheid

In het kader van kleine stapjes burgerlijke ongehoorzaamheid, dacht ik eraan dat scholen wel eens kunnen zeggen: dit doen we niet, en dat hardop. (Dit in tegenstelling tot het huidige beeld in veel scholen: we doen wél alsof.) Het nu en dan nee zeggen leidt tot discussie, en hopelijk tot dé bewustwording van meer mensen dat er toch wel van een probleem sprake is. Iets dergelijks heeft zich kortgeleden afgespeeld toen voor de zoveelste keer subsidie voor een aantal bovenbouwen werd afgewezen. We hebben toen uitgeroepen dat we een dergelijke behandeling en berekeningswijze niet meer pikken. Verschillende kamerleden hebben toen geconcludeerd dat er toch kennelijk iets fout zat. En ditmaal niet bij ons.

Eén opmerking wil ik nog maken bij het artikel van Maarten Ploeger. En dit betreft het begrip privatisering. Uit de context van het artikel wordt duidelijk wat hiermee is bedoeld, maar toch wil ik het gebruik van dit begrip afraden, omdat het in de gangbare betekenis in het onderwijs net iets anders wil zeggen, namelijk een richtingverandering van openbaar naar bijzonder onderwijs. En daar gaat het hier niet om.

Ten slotte kan ik hier verklappen dat menige vergadering van het dagelijks bestuur van de Bond van Vrije Scholen wordt afgesloten met de woorden: ‘En overigens ben ik van mening dat er een wet op de vrijheid van onderwijs moet komen’. Stillekens wordt dan gehoopt dat dit uiteindelijk een verwoestende uitwerking zal hebben op de overheidsbemoeienis. En misschien helpt dat ook.

*Uitg. LINK

Helmut van Renesse, Jonas 12, 04-02-1983

.

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1496

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-2/3)

.

Rond 1920 ontwikkelde Rudolf Steiner een aantal gezichtspunten die hadden kunnen leiden tot een vernieuwing van het toenmalige sociale leven. De beweging van de ‘sociale driegeleding’, die zich tot doel stelde de gedachten van Rudolf Steiner te verwerkelijken, verzandde. De reden: de wil om tot werkelijke vernieuwing te komen op macro-sociaal gebied, was nog niet sterk genoeg.

In twee voorafgaande artikelen gaf Cees Zwart een schets van de gedachten die ten grondslag liggen aan de sociale driegeleding.

In een slotbeschouwing diept hij een en ander uit. ‘Voor het oplossen van sociale problemen hoeven we niet te wachten op de autoriteiten en de deskundigen’.

Sociale driegeleding en de problemen van de jaren tachtig (3)

In de voorafgaande artikelen hebben we geconcludeerd dat het macro-sociale organisme in de war is, ziek zo men wil. Ook merkte ik op dat sociale driegeleding niet ‘ingevoerd’ kan worden, doordat zij er bij goede waarneming al blijkt te zijn. Hoe verhouden zich beide conclusies tot elkaar?

Sociale driegeleding is geen model, dat de maatschappelijke werkelijkheid op zijn kop zet. Het is omgekeerd. Omdat het sociale organisme ziek is, staat de maatschappelijke werkelijkheid op zijn kop en moet een ontwikkelingsproces op gang gebracht worden in de richting van sociale driegeleding. Deze sociale driegeleding kunnen we dan zien, wanneer we de positieve tegenbeelden op het spoor komen van de huidige, in de sociale werkelijkheid negatief werkende beelden van van het geestesleven, rechtsleven en economisch leven. Hierop kom ik nog terug. Nog anders gezegd: in een lang historisch ontwikkelingsproces is het sociale organisme geworden tot wat het thans is, namelijk een verstrengelde kluwen.
Rudolf Steiner roept ons op om de ontwarring van deze kluwen ter hand te nemen. Maar dit laatste kan nu juist niet buiten onszelf om. Het vraagt van ons, dat wij ons eigen mensenwezen, onze eigen zielvermogens tot instrument moeten maken voor dit ontwarringsproces. Niet de
partijpolitieke wensenlijstjes, niet de maatschappelijke ideologieën, niet ook de sociale driegeleding als een model, zullen de oplossing brengen, maar de in ieder mens aanwezige sociale impulsen. Mits wij deze sociale impulsen kunnen en willen mobiliseren.

Uitgaan van de mens

Hiermee ben ik gekomen bij de tweede consequentie van mijn uitspraak, dat het moderne macrosociale organisme alleen dan gezond zal kunnen functioneren, wanneer het uitgaat van de mens.
Dit betekent zonder twijfel: uitgaan van sociale impulsen die in de mens leven. Maar het betekent tegelijkertijd nog veel meer.
Zoveel meer, dat het bijna dwaas idealisme lijkt om dat te willen. Dat ik er toch voor pleit om deze weg – meer dan wij thans doen – in te slaan, hangt samen met mijn opmerkingen over de situatie, waarvoor wij in de tachtiger jaren gesteld worden. Ik acht het risico groter, dat er sociale chaos ontstaat, doordat we star vasthouden aan de perfectionering van beheersingsstrategieën, dan doordat we proberen meer op de mens te bouwen.

Wat betekent het nu in concreto wanneer wij het sociale organisme op de mens willen bouwen.

Om te beginnen, dat wij leren te vertrouwen op en te werken met de eigenheid van denkbeelden, oordelen, belevingen en strevingen van elk mens. Met andere woorden: het authentieke zielemateriaal, de hoogst individuele zielesubstantie van de mens wordt tot grondslag van de vormgeving van het sociale organisme. Dat is nieuw, omdat de maatschappij van vandaag nog steeds in niet onbelangrijke mate steunt op collectiviteiten, zoals standen, klassen, rangen, beroepsgroepen, belangengroepen, geografische groepen enzovoort.

Ondanks alle emancipatie, die er in de mensheidsontwikkeling heeft plaatsgevonden, is er nog steeds sprake van sociale gelaagdheid die werkzaam is in het sociale organisme. Deze gelaagdheid voert ons ver terug in de mensheidsgeschiedenis toen er nog vrijen en slaven, heersers en dienaren, meesters en knechten, edelen en voetvolk, vorsten en gepeupel waren. Hoewel veel van de scherpte van dit soort onderscheidingen en indelingen door de eeuwen heen verzacht en zelfs verdwenen is, blijven restanten ook vandaag nog aktief werkzaam en soms zelfs bepalend voor het functioneren van het sociale organisme. Echter, wat vroeger zinvol was toen de gemiddelde mens geestelijk nog onvrij was, werkt nu averechts omdat het de mens verhindert eigen individuele verantwoordelijkheid voor het sociale leven op zich te nemen. Voor de moderne mens geldt, dat niet de sociale positie of de status beslissend moet zijn voor zijn sociale handelen, maar datgene wat zich souverein in en door zijn eigen ziel wil uitspreken.

Veel in het sociale organisme functioneert ook nog op basis van bloedverwantschap via rassen, volkeren, stammen, families enzovoort. Ook in dit opzicht geldt, dat wat vroeger uiterst zinvol was thans averechts werkt. Sinds mensen zich aaneengesloten hebben in gemeenschappen heeft de mens min of meer instinctief uitgedragen wat er als
gemeenschapsimpuls uit zijn bloed in de wil opsteeg. Nu echter de
macrosociale organisatie werkelijk mondiale allure heeft gekregen en zich in al zijn gedifferentieerdheid aan ons toont, wordt het vasthouden aan de beschutting van de bloedsband gemakkelijk tot groepsegoïsme. Ons probleem in de tachtiger jaren is niet, dat wij solidair moeten leren worden binnen de groepsverbanden waar we ons van nature thuisvoelen. Dat kunnen we prima. Voor het gezonde functioneren van het sociale organisme is het nodig, dat we solidair worden over de grenzen van onze eigen groep heen met andersgezinden, met groepen die zich vreemd gedragen, kortom uiteindelijk met de tegenpartij, die wij moeten leren zien als drager van een andere waarde of intentie, niet als een opposant die ons in de weg staat.

Dit laatste vraagt erom dat wij loskomen uit de beschutting van natuurlijke, instinctief gevormde groepsverbanden en hiervoor in de plaats de zelf gekozen gemeenschapsvorming stellen. Dit voert mij tot het volgende: uitgaan van de mens betekent ook, dat wij tot het inzicht leren komen, dat het tussenmenselijke niet een gebied is waar het toeval heerst. In relaties tussen mensen, in de ontmoeting, wordt de ziel van de ene mens in verbinding gebracht met die van een andere mens. Vrijwel steeds vraagt dit inzet, activiteit van beide partners. Deze inzet bestaat hierin, dat elk zijn eigen zieleninhoud in beweging moet brengen. Pas als dat gebeurt, gaat er iets heen en weer golven, gaat er iets weven tussen beide. In dit proces van innerlijk bewegen en weven vormen zich zielenconstellaties. De kwaliteit van deze constellaties wordt de substantie die het sociale organisme binnenvloeit. De manier, waarop dit alles gebeurt, evenals de plaats en de tijdstippen, staan onder de heerschappij van het levenslot of anders gezegd: onder de wetmatigheid van het karma. Niet in de zin van gedetermineerde noodlottigheid, maar in de betekenis van zelf gekozen, zelf ontworpen keuzemogelijkheid om met anderen samen in het sociale leven kansen op iets nieuws te verwerkelijken of te verslapen. Bouwen op de mens betekent vertrouwen hebben in de werking van het levenslot en in de manier, waarop uit dit levenslot sociale constellaties willen ontstaan en veranderen. Naarmate het sociale leven hechter dichtgetimmerd wordt met beheersingssystemen en bureaucratische procedures, die voorgeprogrammeerd sociaal gedrag vereisen, zal de kans kleiner worden dat het sociale organisme gevoed wordt met datgene wat zich tussen mensen als levende en bewegende werkelijkheid voltrekt. En van dit laatste moeten we het in onze tijd nu juist in belangrijke mate hebben. De sociale werkelijkheid van nu is zo gecompliceerd, zo veelkleurig en zo van moment tot moment anders van karakter en stemming, dat we haast vanzelfsprekend door de praktijk van het leven in de richting worden geduwd van situationele, ad hoe oplossingen. Deze tendens staat echter haaks op onze neiging het sociale leven te willen vangen in vaste kaders en regels, hetzij uit overdreven ijver, hetzij uit onzekerheid.

Ten slotte betekent uitgaan van de mens, dat we af moeten van een traditionele en diepgewortelde wijze van denken en handelen, die de zorg voor het macrosociale bestel – voor het sociale organisme dus – exclusief neerlegt bij geprivilegieerde groeperingen zoals de beter gesitueerden, de aanzienlijken, de machtigen, de hoger geplaatsten, de deskundigen, de ouderen, de politiek bewusten, kortom bij hen die zich menen te mogen verheugen in een speciaal soort maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef.

Meer nog dan in de tijd van de sociale driegeledingsbeweging zal het er in de tachtiger jaren om gaan dat het maatschappelijke verantwoordelijkheidsbesef gespreid wordt over velen, of om het in moderne taal te zeggen, aan de basis van onze samenleving terecht komt.

Dit zal alleen gebeuren, wanneer het bewustzijn bij de mens doorbreekt, dat het maatschappelijk gebeuren geen bizar pokerspel is dat zich ver buiten de horizon afspeelt volgens geheime spelregels, maar dagelijkse werkelijkheid dichtbij huis is waarin hij zelf participeert en waaraan hij zelf door eigen handelingen of het nalaten ervan vorm geeft. Nog anders gezegd: het sociale organisme is ons aller zorg, omdat we er dagelijks middenin staan, omdat we dagelijks om zo te zeggen heentrekken door het hele, gevarieerde landschap van geestesleven, rechtsleven en economisch leven. Deze uitspraak kan zowel historisch als menskundig gemotiveerd worden.

Verbreken van grauwsluier

Het historische gezichtspunt is zijdelings al aan de orde geweest toen ik gewezen heb op de rol van maatschappelijke collectiviteiten, zoals standen, klassen, rassen, volkeren enzovoort en maatschappelijke instituten, zoals de kerk, de overheid, het bedrijfsleven enzovoort gespeeld hebben in de ontwikkelingsgang van het sociale organisme. Deze rol is zinvol geweest, ik herhaal dat nog eens. In de loop echter van de twintigste eeuw is een fundamentele bijstelling van deze rol steeds dringender geworden. De tragiek van onze tijd is, dat we zo druk bezig zijn geweest met de technocratische perfectionering en beheersing van de maatschappelijke bovenstromen, dat we de onderstromen die er ook waren en die soms, zoals in de zestiger jaren, aan de oppervlakte wilden komen, niet voldoende hebben kunnen waarnemen als kiemen van iets, dat zich positief wilde invoegen in de ontwikkelingsweg van het sociale organisme.

Vrijwel zeker als gevolg hiervan is de sprongsgewijze individualisering van gedragspatronen, levensstijlen, oordelen, levenservaringen, opvattingen, waarden en normen van de laatste twee decennia verkeerd getaxeerd en teveel gezien als inbreuk op het bestaande en afbraak van verworvenheden. De moeilijkheid is, dat noch in het handboek Soldaat, noch in het handboek voor Sociologie te lezen is, waar de sociale onderstromen te vinden zijn en hoe ze eruit zien. Evenmin bewegen ze zich overeenkomstig de modellen van het Economisch Planbureau of volgens het Handvest van de Verenigde Naties. Ze zijn te vinden daar waar mensen een handtekening onder een belastingformulier zetten, benzine tanken, woningen kraken, vergaderingen leiden of misleiden, een buurman helpen of laten verkommeren, in opwinding raken over wat er in de krant staat of er juist niet in staat, ideeën verwezenlijken of bestrijden enzovoort.

Zo breken de sociale impulsen en bewegingen uit de onderstroom zich baan en vormen geestesleven, rechtsleven en economisch leven op de hartslag van het dagelijks leven. Daarom zei ik dat wij allemaal en dus niet alleen de officiële functionarissen en ambtsdragers moeten leren vorm te geven aan ons maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Hierbij is van groot belang dat wij er ons meer en meer van bewust worden dat we steeds in alle drie de geledingen van het sociale organisme staan. Niet alleen in de algemene zin van het woord als burgers, maar ook als werkers in scholen, universiteiten, ziekenhuizen, welzijnsorganisaties, bedrijven enzovoort.

Wie leert om zich met groeiend bewustzijn in deze werkelijkheid te oriënteren ontdekt dat de maatschappelijke bewegingen en processen steeds duidelijker dwars door klassen, standen en rangen heengaan en zich ook steeds minder aantrekken van traditionele sociale ordeningskaders en reguleringssystemen. Wanneer zich met dit waarnemen van de dynamiek ook de echte interesse verbindt, dan zijn we op weg om strevende tijdgenoten te worden en vinden we houvast om de grauwsluier die over het sociale organisme ligt te verbreken. Polen 1980 heeft ons in dit opzicht sprekende beelden geleverd.

Drieledige aandrift

Het menskundige gezichtspunt is, dat er een nauwe samenhang bestaat tussen het sociale organisme en de mensennatuur. De samenhang bestaat hierin, dat het sociale organisme zich om zo te zeggen spiegelt in de drieledigheid van de mensennatuur. En de drieledigheid van geestesleven, rechtsleven en economisch leven is spiegeling of weerklank van een drieledige behoefte of aandrift die in ieder mens huist.

Het eerste aspect van deze drieledige aandrift is dat ieder mens er van nature naar streeft om zich als fysiek wezen in stand te houden. De mens zoekt een aardse grondslag, die bij hem hoort en die kan fungeren als een passende thuishaven, als een fundament voor zijn levenslot. Dit fundament moet de moderne mens zich veroveren door actief te worden. Iedere dag is de mens daartoe in meerdere of mindere mate actief. In zijn fysiek-biologische constitutie is de mens weliswaar diep verbonden met de aarde en al hetgeen de aarde als substantie in zich draagt, maar deze substantie is in de regel niet zonder meer geschikt om als fundament voor zijn fysieke bestaan te dienen. Preciezer gezegd: de mens strekt van nature zijn handen uit naar de aarde om haar te vormen tot voedsel, beschutting, brandstof, werktuig enzovoort. In dit omvormingsproces ontstaat het economisch leven. Ook de meest gecompliceerde economische processen zijn uiteindelijk terug te voeren tot het essentiële gegeven, dat uit een deel van de mensennatuur een aandrift opwelt tot omvorming van de aarde.

Toch is dit gebeuren geen doel op zich zelf, maar middel, instrument voor iets anders. Dit voert ons binnen in het tweede aspect van de drieledige mensennatuur. In het hart van elk mens leeft een diep verlangen zichzelf als mens tot gelding te kunnen brengen en door andere mensen in dit streven erkend te worden. Ieder mens verlangt dat met dit natuurlijke streven op respectvolle wijze wordt omgegaan. In hetzelfde vlak moeten wij ook de pogingen zien om algemene mensenrechten vastgelegd en geëerbiedigd te krijgen. Erkenning van en respect voor het recht van ieder mens zichzelf te kunnen zijn of liever zichzelf te kunnen worden, culmine-ren in iets wat doorgaans menswaardigheid wordt genoemd.

Voor een menswaardig bestaan is een passend fundament, een passende plek op aarde noodzakelijk, maar niet voldoende. Wij moeten ook kunnen uitspreken en openbaren wie wij als mens zelf zijn. Wij moeten kunnen rekenen op aandacht en gehoor. Dan worden wij als het ware omgevormd van aarde- of behoeftige mens tot medemens of mondige mens. In dat natuurlijke streven naar mondigheid wortelt alles wat rechtsleven of om-gangsleven is. Men denke hierbij niet alleen aan de officiële rechtsorde, maar ook aan alles wat zich in innerlijke en uiterlijke afspraken tussen mensen uitdrukt. In zekere zin is ook het medemens zijn – hoe belangrijk en centraal ook voor het mens zijn – toch ook weer middel tot iets anders. Dit kan duidelijk worden wanneer wij naar het derde aspect van de drieledige mensennatuur kijken.

In ieder mens leeft een derde aandrift of verlangen, namelijk om in
zichzelf te laten oplichten wat hij als individualiteit is of wil worden. We kunnen dit ook als volgt zeggen: in ieder mens leeft de impuls om een eigen wezenskern te verwerkelijken, te worden tot een geïndividualiseerde droppel uit de oceaan van geestelijke mogelijkheden. Alles wat we geestesleven noemen is het gevolg van deze werking van de mensennatuur.

We mogen dus vaststellen dat het sociale organisme zich in de meest letterlijke zin opbouwt op de drieledigheid van de mensennatuur. Behoeftigheid, mondigheid en eigenheid zijn voedingskrachten voor het sociale organisme. In dit geheim ligt een belangrijke uitdaging voor de mens besloten. Hij kan immers deze krachten, omdat ze zo innig met
hemzelf samenhangen, leren kennen en ontwikkelen. Hij kan zelf beslissen hoe hij ermee om wil gaan. Hij kan ze vruchtbaar maken maar ook kan hij ze laten verdorren, hij kan ze zuinig en doeltreffend gebruiken, maar hij kan ze ook verspillen. Met andere woorden: wat als kracht uit de mensennatuur uitstroomt in het sociale organisme, leeft en ontwikkelt zich tegelijkertijd ook als kwaliteit, als impuls in het innerlijk van de mens, dat wil zeggen in de ziel.

Zo blijkt dus dat het geestesleven, het rechtsleven en het economisch leven rechtsstreeks verbonden zijn met ons innerlijke leven en wat wij daarin als kwaliteit en vermogen tot ontwikkeling brengen.

Sociale hoofdwet

Wanneer Rudolf Steiner zegt dat het economisch leven op broederlijkheid, rechtsleven op gelijkheid of gelijkwaardigheid en het geestesleven op vrijheid gebaseerd moeten zijn, formuleert hij niet alleen drie sociale of maatschappelijke ordeningsprincipes, maar ook drie ontwikkelingsopgaven voor het innerlijke leven van de mens.

Een vrij geestesleven kan alleen ontstaan ais wij de kwaliteit van de vrijheid in onszelf wakker roepen. Het rechtsleven kan alleen op de directe betrekking van mens tot gelijkwaardige mens gebouwd worden, wanneer wij de kwaliteit van gelijkwaardigheid in de betekenis van mondigheid in ons zelf tot ontwikkeling brengen. Een broederlijk economisch leven zal slechts dan ontstaan, wanneer wij deelgenootschap in het welgaan van anderen als zielenvermogen leren te wekken. Zo bezien wordt maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef uiterst concreet, dat wil zeggen weggehaald uit de sfeer van vrijblijvendheid waarin het doorgaans vertoeft. Het krijgt er een dimensie bij, omdat het in verbinding wordt gebracht met ons vermogen om de mensennatuur om te smelten tot een bewuste vormgever van het sociale organisme.

Wanneer we het historische en het menskundige gezichtspunt samenvoegen, dan blijkt van hoeveel verschillende kanten het vraagstuk van de sociale driegeleding benaderd kan worden. Dat neemt niet weg dat er toch twee hoofdrichtingen te onderscheiden zijn. Volgt men de eerste richting dan vertrekt men vanuit de mens en de mogelijkheden die in hem sluimeren te worden tot een bewuste sociale vormgever. Vanuit dit vertrekpunt verschijnt een toekomstgestalte van het sociale organisme dat de mensennatuur spiegelt of het uitdrukkelijk brengt.

Volgt men de tweede richting dan vertrekt men vanuit het sociale organisme zoals het geworden is. Vanuit dit vertrekpunt ontwaart men het in zijn actuele biografische gestalte, die als gevolg van de eerder genoemde verknopingen en verstrengelingen zo terugwerkt op de mens, dat hij dreigt ontmoedigd te worden om juist die vermogens te ontwikkelen die nodig zijn voor de verdere ontwikkelingsgang.

Rudolf Steiner heeft bij voortduring gewezen op de innige betrokkenheid van de mens en het sociale organisme op elkaar. Ik meen zelfs te mogen stellen, dat het de rode draad is die door zijn hele werk voor de sociale driegeleding heenloopt, zowel inhoudelijk als methodisch.
Ik wil hier nog nader op ingaan.

Reeds in 1905, dus ver voordat de bond voor de driegeleding van het sociale organisme gesticht werd, spreekt Rudolf Steiner in drie opstellen 1) over het sociale vraagstuk en de weg om het aan te pakken. Het is opmerkelijk, dat hij de wederzijdse betrokkenheid van de mens en het sociale organisme direct voorop stelt. Twee opvattingen zijn er, zo zegt hij over de oorzaak van het sociale vraagstuk. De ene zegt, dat al het goede en slechte in het sociale leven toe te schrijven is aan de mens; de andere verklaart alles uit de verhoudingen, de structuren waarbinnen de mens moet leven. Dan stelt hij de vraag waardoor deze verhoudingen ontstaan zijn, waar ze vandaan komen en zijn even korte als nuchtere antwoord luidt: van andere mensen. En ter adstructie voegt hij toe, dat alle maatschappelijke verhoudingen uitdrukking zijn van een innerlijk leven van de mens. Zij zijn scheppingen van de ziel. Pas daarna volgt de eigenlijke kern van de drie opstellen wanneer hij de zogenaamde ‘sociale hoofdwet’ formuleert. Deze luidt als volgt: ‘het heil van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter naarmate de enkeling de opbrengst van zijn prestaties minder voor zich zelf opeist, dat betekent, des te meer hij van deze opbrengst afstaat aan zijn medearbeiders, en des te meer zijn eigen behoeften niet uit zijn eigen prestaties, maar uit de prestaties van anderen bevredigd worden’. Het zou te ver voeren deze grondwet van het maatschappelijke leven hier volledig te bespreken. Ik wil mij beperken tot enkele hoofdzaken.

Ten eerste: Duidelijk wordt gesteld, dat voor de andere mens werken en een zeker inkomen verwerven twee van elkaar gescheiden zaken zijn. Dit is in feite het broederlijkheidsprincipe in optima forma. Immers: scheiding van deze twee zaken betekent, dat ik mijn vermogens en de prestaties die hieruit volgen, richt op de ander en dat ik de dekking van mijn behoeften – dat is inkomen – afhankelijk stel van wat anderen presteren. Wanneer wij hierbij bedenken, dat bij Rudolf Steiner het begrip ‘prestatie’ altijd verwijst naar het economisch leven, dan zegt hij dus eigenlijk dat het economisch leven alleen gezond zal functioneren wanneer wij de broederlijkheid, opgevat als concreet deelgenootschap in praktijk brengen.

Ten tweede: Rudolf Steiner karakteriseert zijn hoofdwet als een natuurwet. In een natuurwet gaat het steeds om de dwingende werking van het oorzaak-en-gevolg-principe. Bij een bepaalde oorzaak hoort een bepaald gevolg. Uitdrukkelijk stelt hij dan ook, dat we zoiets als de broederlijkheid niet moeten opvatten als een algemene morele gezindheid, maar als een kracht die een bepaalde uitwerking heeft in het sociale organisme. Hij wijst ons dus op de verbinding tussen innerlijke sociale impulsen en hun uitwerking in een maatschappelijke constellatie.

Ten derde: Hetzelfde kan ook in omgekeerde richting uit dezelfde wet afgeleid worden. De mens, zo zegt Rudolf Steiner, moet zulke ‘soziale Einrichtungen’ maken, dat niemand de opbrengsten van zijn eigen werk voor zich zelf kan behouden. Sociale inrichtingen zijn geen organisaties of ruimtelijke instituutsvormen, maar beweeglijke, zich vormende en oplossende ‘tijdsgestalten’. Ik herinner eraan, dat ik eerder gezegd heb, dat we met het begrip organiseren in de sfeer van de lichamelijkheid zijn. Kernpunt was daarbij, dat in de lichamelijke werkelijkheid het stoffelijk ruimtelijke in de tijdsstroom wordt opgenomen. Sociale inrichtingen zijn dan ook ritmisch in de tijd verschijnende patronen.
Ik geef twee voorbeelden als illustratie.
Een prikklok is een machine, een mechanisch ding. De manier waarop de aanwezigheid en afwezigheid van mensen in een bedrijf tot een ritmisch patroon in de tijd wordt, is een sociale inrichting.

Een leerplan is een papieren schema. De manier waarop docenten en leerlingen door de week heen, door de maand heen en door het jaar heen, dat wil zeggen in de tijd, samen gestalte geven aan dit plan maakt het tot een sociale inrichting. Er zijn sociale inrichtingen in een oneindige variëteit. Van heel eenvoudige tot zeer ingewikkelde. Zo is de manier waarop een simpele afspraak tussen twee mensen in de tijd concreet gestalte krijgt een inrichting, maar ook de manier waarop de algemene vergadering van de Verenigde Naties als levend sociaal patroon verschijnt. We kunnen dus ook zeggen, dat het sociale organisme bestaat uit verzamelingen of bundels van sociale inrichtingen, waarvan sommigen zich verdichten tot organisaties of organen.

Sociale architectuur

Ik keer terug naar de sociale hoofdwet en het daarin vervatte broederlijkheidsprincipe. De werkelijkheid van het huidige economische leven laat zien hoe keihard de relatie tussen innerlijke impuls en sociale inrichting is. Het moderne economisch leven, zoals het na de industriële revolutie opgekomen is, wordt gekenmerkt door een hoge graad van arbeidsdeling. Dit drukt zich uit in een wereldomspannend patroon van wederzijdse afhankelijkheden. Dat is de economische werkelijkheid van vandaag. Wie deze werkelijkheid onbevooroordeeld waarneemt, moet tot de conclusie komen dat alleen sociale inrichtingen die op broederlijkheid stoelen aan deze werkelijkheid aangepast zijn. Maar we hebben nog steeds te maken met inrichtingen die opgebouwd zijn op zelfverzorging, concurrentie, enzovoort. Is het een wonder dat we de grote economische problemen van de tachtiger jaren niet op kunnen lossen? Valt het te verwachten dat dit zal gebeuren, wanneer we blijven sleutelen aan de bestaande inrichtingen zonder de vraag te stellen uit welke impulsen ze geboren worden en zonder te zoeken naar volstrekt nieuwe inrichtingen die aangepast zijn aan de levenswerkelijkheid van nu? Ik heb het voorbeeld van de broederlijkheid en het economisch leven genomen omdat het zo sprekend is, maar het gaat in feite om een fundamenteler, algemener gezichtspunt. Wij moeten creatief worden in het scheppen van inrichtingen die aan de situatie van nu aangepast zijn. Dat geldt voor alle geledingen van het sociale organisme. Het interessante is dat we hierbij al evenmin behoeven te wachten op de autoriteiten en de deskundigen, hoewel het fijn zou zijn wanneer zij ons op deze weg zouden voorgaan.

Wij kunnen zelf veel doen. We kunnen ons afvragen uit welke bron – Rudolf Steiner spreekt over ‘Urgedanken’ – de sociale inrichtingen waar wij met anderen samen in staan, ontstaan zijn, wij kunnen proberen nieuwe inrichtingen te inaugureren en ze weer op te lossen als ze niet doeltreffend blijken te zijn. Zo geven we zelf vorm aan het sociale organisme en kunnen we sociale inrichtingen die we als blokkades voor onze impulsen ervaren geleidelijk en met geduld oplossen en vernieuwen. In wezen is dit een kunstzinnige activiteit, de kunst van de sociale architectuur zou men kunnen zeggen. Zo’n kunst zou op scholen en universiteiten beoefend moeten worden. Wat Rudolf Steiner in 1905 als thema en als werkwijze introduceert, keert in de latere periode van de sociale driegeleding steeds weer terug. Ik zei dat reeds.

Men kan het vinden in zijn boek ‘Die Kernpunkte der sozialen Frage’, dat in 1919 verscheen midden in de grote activiteit voor de sociale driegeleding, maar men kan het ook vinden, helemaal aan het eind in de laatste voordracht die hij in Oxford houdt over de sociale driegeleding 2). Daar zegt hij: ‘Het moet duidelijk zijn dat in het sociale leven alles oorzaak en uitwerking is’. En verder: ‘Wat voor inrichtingen moeten er zijn, opdat de mensen de juiste gedachten hebben kunnen. En wat voor gedachte-impulsen moeten er zijn opdat hieruit de juiste sociale inrichtingen ontstaan’.

Steeds weer blijkt het te gaan om de creatieve spanningsverhouding tussen wat uit de mens als toekomstimpuls aan de oppervlakte van het sociale leven wil komen en wat in het geworden sociale organisme functioneert als sociale inrichtingen. In onze tijd wordt de verbindende schakel tussen beide gevormd door de drieslag van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid uit de Franse Revolutie. Mits men, zoals gezegd, de diepe betekenis ervan voor de mensheidsontwikkeling wil proberen te doorgronden. Dat is ook voor de tachtiger jaren uiterst relevant.

1) R. Steiner. Geisteswissenschaft und Soziale Frage 1905, GA 34/191
Niet vertaald
2) R. Steiner. Der Mensch in den sozialen Ordnung. 3 voordrachten gehouden in Oxford, 26, 28, 29 augustus 1922. GA 305.
Vertaald, maar niet de hier genoemde voordrachten 28, 29 aug.
Rudolf Steiner: Die Kernpunkte der sozialen Frage
Vertaald: De kernpunten van het sociale vraagstuk

Voor het tijdschrift ‘Sociale Zukunft’ ontwierp Steiner een aantal vignetten:

Cees Zwart, Jonas 13, 20-02-1981

.

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

.

1487

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-2/2)

.

Zie de inleiding bij de artikelenreeks, waarvan dit het tweede deel is.

.

Sociale driegeleding en de problemen van de jaren tachtig (2)

Rond 1920 ontwikkelde Rudolf Steiner een aantal gezichtspunten die hadden kunnen leiden tot een vernieuwing van het toenmalige sociale leven. De beweging van de ‘sociale driegeleding’, die zich tot doel stelde de gedachten van Rudolf Steiner te verwerkelijken, verzandde. De reden: de wil om tot werkelijke vernieuwing te komen op macro-sociaal gebied, was nog niet sterk genoeg.

In een vorig artikel schreef Cees Zwart dat de ideeën van Rudolf Steiner ook voor onze tijd vruchtbaar kunnen zijn. Na een schets te hebben gegeven van de huidige sociale problemen, ging hij in op de begrippen ‘sociaal organisme’ en driegeleding’. De samenleving, aldus Zwart, kun je beschouwen als een organisch geheel, waarin je echter drie gebieden kunt onderscheiden: het economische-, het rechts- en het geestesleven.

In het volgende artikel werkt Cees Zwart het thema verder uit.

Rudolf Steiner heeft in zijn werken voor de driegeleding van het sociale organisme aansluiting gezocht, zowel bij de historische trend tot ontbinding van maatschappelijke of sociale verbanden als bij de dreigende tendens tot hyperindividualisering. Krachtig, ja bijna op radicale wijze heeft hij uitgesproken dat het voor de mens van de twintigste eeuw absoluut nodig is om zich los te maken uit een ordening via klassen, standen, kasten, sektes enzovoort. Maar ook uit sociale verbanden die primair functioneren op basis van bloedverwantschap, waarbij hij in het bijzonder dacht aan volkeren, rassen en stammen. Diepgaand heeft hij gemotiveerd hoe dit proces van zelfstandig worden, dit op eigen benen gaan staan van de mens samenhangt met de werking van de vrijheidsimpuls in de mensheidsontwikkeling.

Even krachtig en radicaal heeft hij er echter op gewezen, dat het dringend nodig is ervoor te zorgen dat dit streven van de mens om zich zelf te tonen nu en in de toekomst ingebed kan blijven in een gezond functionerend sociaal organisme. Het proces van zelfstandig worden is per definitie anti-sociaal en roept daarom eenzaamheid op. Twee kanttekeningen zijn hier nodig. De eerste is, dat ‘antisociaal’ uitdrukkelijk onderscheiden moet worden van ‘a-sociaal’. Zelfstandig worden is niet onmaatschappelijk in de gebruikelijke zin van het woord. Het is wel een proces waardoor men steeds sterker ontwaakt in het eigen mensenwezen en waardoor men niet tegelijkertijd verbonden kan zijn met het wezen van een ander mens. De tweede kanttekening is, dat zelfstandig worden geen vrijbrief inhoudt voor groeiend egoisme. Rudolf Steiner spreekt daarom van streven naar geestelijk-ethisch individualisme.

De mens moet dus door de eenzaamheid heen om zich zelf te kunnen vinden. Maar wanneer het sociale organisme geen tegenwicht biedt, dat wil zeggen niet opwekt om de vrucht van de eenzaamheid, namelijk de grotere zelfstandigheid, in te voegen in de ontwikkeling van het sociale organisme dan wordt de mens geheel en al gebannen in het anti-sociale. Het sociale organisme raakt daardoor in zich zelf verstrikt en verstikt. Met andere woorden: een gezond functionerend sociaal organisme kan in onze tijd alleen bestaan wanneer het gebouwd is op de mens zelf. Nu heb ik in het eerste artikel al vermeld ‘dat het sociale organisme niet buiten de mens om kan bestaan’. Het lijkt er dus een beetje op dat ik na een grote tussenstap weer terug ben bij het uitgangspunt. Toch is dat niet het geval. Ik had de tussenstap nodig om enigermate zichtbaar te maken wat de achtergrond, het decor is waartegen de consequenties van mijn uitspraak gezien moeten worden.

Op een aantal consequenties wil ik in het bijzonder wijzen. Het sociale organisme zoals het vandaag de dag – meer nog dan in de tijd van de driegeledingsbeweging – functioneert, voldoet niet aan de voorwaarde, dat het de mens opwekt om de kracht van zijn zelfstandigheid in te zetten voor de verdere uitbouw en ontwikkeling van dat organisme. Dat hangt samen met de omstandigheid, dat het opgenomen is in een historisch ontwikkelingsproces vol voetangels en klemmen. Bij nauwkeurige beschouwing van dat proces blijkt dat onze maatschappij zowel jong als oud is. Jong is ons macro-sociale bestel. Het is als driegeleed organisme eigenlijk pas zichtbaar geworden sinds de industriële revolutie. Toen werd immers het economisch leven in de vorm van de moderne industriële economie pas zelfstandig. Met het geestesleven en het rechtsleven is het heel anders gesteld. Zij zijn van veel oudere datum en hebben dus al een respectabele ontwikkelingsweg afgelegd. Om de geboorte van het rechtsleven als zelfstandige geleding van het sociale organisme te vinden moeten we teruggaan tot de Grieks-Romeinse tijd en voor de oorsprong van het geestesleven moeten we zelfs nog een cultuurperiode verder teruggaan.

Ontwikkeling verloopt nooit rechtlijnig of continu, maar via drempels en door discontinuïteiten heen. Dat geldt ook voor de ontwikkelingsgang van het sociale organisme. Aangezien de ontwikkeling van het sociale organisme zich over zo’n geweldig lange tijdsperiode voltrekt, wekt het geen verbazing dat er vele kleinere en grotere schokken of crises geweest zijn in het totale proces van ontwikkeling. Wanneer men zelf in een tijd van crisis leeft – en dat is voor ons inderdaad vandaag aan de orde – dan heeft men er vaak onvoldoende oog voor om te zien dat men in werkelijkheid al in een omvormingsproces op weg naar het nieuwe betrokken is. Het verlies, de afbraak van het oude is dan zo overweldigend, dat men moeite heeft de
toekomstkiemen te ontdekken. Een ander aspect van ontwikkeling is dat in elke volgende fase resten van vorige fasen, die niet volledig omgevormd zijn, blijven doorwerken. Ook dat geldt voor het sociale organisme.

Staat en Kerk

Elders heb ik uitvoerig uiteengezet hoe het oorspronkelijk zinvolle ‘theoretisch-autoritair-hiërarchische’ van het geestesleven en het ‘democratisch-menselijk-nevengeschikte’ van het rechtsleven in onze tijd decadent doorwerken. Gaat men terug in de geschiedenis dan zal men bovendien ontdekken, dat de feitelijke gedaante die het sociale organisme in de loop der tijden heeft aangenomen sinds het zelfstandig worden van het rechtsleven, sterk bepaald is door de strijd tussen de kerk en de staat om de hegemonie te verwerven in het vormgeven aan en behoeden en beheren van het maatschappelijk bestel. In de Europese cultuur heeft deze strijd tussen geestelijk en wereldlijk leiderschap, tussen paus en koning, ruwweg gewoed vanaf het begin van het na-Christelijke tijdperk tot het moment, dat de idee van de moderne eenheidsstaat algemene ingang vond. Sindsdien lijkt de staat – of liever de overheid als drager en representant van de staatsidee- het pleit wel definitief gewonnen te hebben. Enerzijds heeft dit te maken met de afnemende invloed van het instituut kerk op de dagelijkse handel en wandel van de mens als gevolg van de voortschrijdende secularisatie; anderzijds met de opkomst van de moderne welvaarts- en verzorgingsstaat, die de overheid van hoeder op afstand heeft gemaakt tot actieve regelaar van het maatschappelijk gebeuren. Weliswaar valt waar te nemen, dat de kerk van tijd tot tijd pogingen onderneemt het verloren terrein te herwinnen maar in wezen zijn dit toch achterhoedegevechten. Ik kan tenminste nog niet zien, hoe bijvoorbeeld de jongste pogingen van de paus, de ayatollah Khomeiny en ook van enkele Nederlandse kerkelijke leiders werkelijk zouden kunnen leiclen tot een nieuwe, vaste greep op het maatschappelijke gebeuren. Dat deze pogingen vandaag weerklank vinden hangt samen met een typische kortetermijndynamiek van het sociale leven, die te vergelijken is met de pendelbeweging van een klassieke klok. Na de heftige uitslag van het maatschappelijk gebeuren in ‘links-progressieve’ richting zoals aan het einde van de zestiger en het begin van de zeventiger jaren, moest er onherroepelijk een tegenbeweging in rechts-restauratieve richting komen. En inderdaad is Nieuw Links inmiddels opgevolgd door Nieuw Rechts en het Symplistisch Verbond door de Tegenpartij.

Wanneer wij afzien van deze kortere golfbeweging en letten op de doorgaande onderstroom in de richting van verdere vrijwording of emancipatie, dan lijkt het toch zeer onwaarschijnlijk dat de kerk een voor de moderne mens aanvaardbare vorm van theocratische maatschappelijke ordening zou kunnen herstellen. Voor alle duidelijkheid voeg ik hieraan toe, dat ik uitdrukkelijk het oog heb op de kerk als instituut, en haar streven om andere levensgebieden dan het religieuze leven in engere zin blijvend te willen domineren. Vanzelfsprekend laat dit onaangetast, dat ook voor de moderne mens zowel de geloofsbeleving in het algemeen, alsook het samen vorm geven aan het religieuze leven een diepe en heilzame kracht kan geven voor het persoonlijke leven en het werken met en voor de medemens.

Staat en bedrijfsleven

Belangrijker en actueler lijkt mij intussen een andere strijd, namelijk de worsteling tussen de staat en het bedrijfsleven of liever tussen het rechtsleven en het economisch leven. Het is duidelijk dat de invloed van het economisch leven na het op gang komen van de industriële revolutie gigantisch is toegenomen. Het economisch leven werd niet alleen een zelfstandige geleding van het sociale organisme, maar het strekte zijn lange armen tevens uit naar andere levensterreinen, waaronder in het bijzonder het onderwijs en de wetenschapsbeoefening. Vanwege het vooruitgangsoptimisme hebben vroegere generaties zich zonder bezwaar aan dit proces willen en kunnen overgeven. Echter, duidelijker en duidelijker wordt het dat wij met z’n allen in de valkuil van een soort moderne slavernij dreigen terecht te komen of reeds zijn gekomen.

Slaaf zijn wij van ons egoïsme, van onze consumptiedrift en productiedwang, slaaf kortom van het materialisme. Het merkwaardige feit doet zich voor, dat de mensheid zich in een eeuwenlang proces heeft vrijgemaakt uit de macht van Goden en Afgoden, maar zich tegelijkertijd met handen en voeten heeft gekluisterd aan de macht van het aardse economische leven. Wakker worden uit de droom is natuurlijk pijnlijk maar het moet toch gebeuren. Waarom?

Omdat de eenheidsstaat zoals zij aan het begin van de tachtiger jaren functioneert niet bij machte is om ons werkelijk verder te helpen. Ik zie zeer wel in, dat de staat de historische opgave heeft gehad om de mens te helpen in zijn streven vrij te worden van een te benauwd dogmatisme van de kerk. Ik heb respect voor de mensen die deze taak op zich genomen hebben en voor allen die ook thans nog in deze stroom voortwerken.

Ik zie ook, dat de overheid na de industriële revolutie de ondankbare taak op zich heeft willen en moeten nemen om het puin te ruimen, dat achtergelaten werd en wordt door de stoomwals van het moderne technocratische industrialisme. Wij mogen dankbaar zijn, dat er mensen zijn geweest die deze taak op zich hebben genomen en zich hebben ingezet om het lot te verbeteren van minderheden en zwakken in onze samenleving. Dit alles is historische realiteit, die erkend en gewaardeerd mag worden. Toch neemt dat tegelijkertijd niet weg, dat er een meer dan grote kans bestaat, dat de verdere uitbouw van de monolitische eenheidsstaat en de verdere
accentuering van de rol van de overheid als superregelaar voor de tachtiger jaren, slechts zal leiden tot vergroting van de onbestuurbaarheid en de onbeheersbaarheid van de maatschappij. Wie ogen heeft om te zien, kan vaststellen dat de overheid, de regering die wij te pas en vaak te onpas belasten met het oplossen van onze problemen, nu reeds machteloos is om echte oplossingen te forceren. Werkeloosheid, inflatie, energievoorziening, abortus, veiligheid op straat, euthanasie, woningspeculatie, terrorisme, onderwijs en gezondheidszorg; het zijn vraagstukken die zo gecompliceerd en verknoopt met elkaar zijn, dat alle intelligentie en raffinement van de bestaande beheersingssystemen ten spijt, de bestuurlijke machteloosheid steeds groter wordt. Als gevolg hiervan worden de maatschappelijke besluitvormingsprocessen steeds verwarder en ondoorzichtiger. Bij de zogenaamde ‘gewone man’ of zoals we tegenwoordig zeggen bij de ‘modale burger’, roept dit onherroepelijk vroeger of later een stemming wakker van ‘ze doen maar’ en ‘het zal wel geen zuivere koffie zijn’. En vervolgens gaat het bijna vanzelfsprekend tot het ‘modale’ sociale gedrag behoren om het met de zuiverheid van de koffie die men zelf schenkt ook niet zo nauw meer te nemen.

Plechtiger gezegd: het samengaan van machteloosheid en ondoorzichtigheid leidt tot een algemene vervaging en versluiering van de criteria die aan het sociale handelen ten grondslag liggen. Zo’n situatie kunnen we omschrijven als een toestand van waardenerosie. En waardenerosie betekent dat we bezig zijn het sociale organisme te beroven van het voedsel waardoor het gezond kan functioneren.

Ontwarring

Het voorgaande moge voldoende zijn als illustratie bij de stelling, dat ons maatschappelijk bestel in een zorgelijke situatie verkeert, omdat het is geworden tot een verwarde kluwen, waarin tal van draden van verschillende kleur en kwaliteit hopeloos met elkaar verstrengeld zijn geraakt. Wat anno 1981 op wereldschaal bijna onontkoombaar uit de feitelijke ontwikkelingen op ons afkomt, was aan het begin van deze eeuw nog niet op zo dramatische wijze aan de oppervlakte van het maatschappelijke leven zichtbaar en herkenbaar voor de mensen van toen.

Rudolf Steiner heeft echter kunnen waarnemen wat er gaande was, zowel in het uiterlijke sociale leven als in de onderstromen. Dat is de reden, waarom hij de mensen die naar hem toekwamen met de vraag hoe het sociale vraagstuk opgelost moest worden opriep ernst te maken met de ontwarring van de maatschappelijke kluwen.

Dat is tevens de reden, waarom hij is gaan wijzen op de noodzaak om te komen tot daadwerkelijke ontvlechting van het geestesleven, rechtsleven en economisch leven en tot autonoom bestuur en beheer van elk van deze gebieden. In feite riep hij zijn tijdgenoten, maar in diepste wezen ook ons die na hem zijn gekomen, op om het sociale organisme te zien en vorm te geven als een geheel, functionerend op basis van drie zichzelf regulerende
subsystemen. Precies zoals in het menselijke organisme alles draait om de werkzaamheid van dit zelfregelingsprincipe, zo is dat ook het geval in het sociale organisme.

En precies zoals in het menselijke organisme ziekte zich hierom uitdrukt, dat één van de lichaamssystemen te zeer in de andere penetreert of deze zelfs overwoekert, zo is dat ook het geval in het sociale organisme. Eenheid van functioneren ontstaat in het sociale organisme niet door die eenheid logisch-technocratisch te construeren of af te dingen vanuit één van de levensgebieden. Integendeel, eenheid ontstaat in de levende werkelijkheid alleen wanneer de delen zich in hun eigensoortigheid kunnen manifesteren en verbinden met elkaar.

Cees Zwart, Jonas 12,* 06-02-1981
.

Cees Zwart: Samen leven met het oog op morgen

deel 1

.

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

1486

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..