Categorie archief: sociale driegeleding

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 305 – voordracht 12

.

GA 305 bevat 12 voordrachten, 2 toespraken en een slotwoord.
De eerste negen voordrachten werden vertaald.
De vertaalde toespraken vind je op deze blog, evenals het slotwoord.

De laatste drie gaan niet specifiek over vrijeschoolpedagogie(k), maar wel over sociale driegeleding. Vrijheid van onderwijs is een voorwaarde om het door Steiner bedoelde vrijeschoolonderwijs te kunnen realiseren.

Sociale driegeleding en vrijeschool hebben in Nederland niet zo’n hechte relatie, terwijl je zou kunnen zeggen dat de sociale driegeleding de moederschoot van de vrijeschoolpedagogie(k) is.

Er zullen redenen zijn om de voordrachten 10 t/m 12 niet op te nemen. Hopelijk is daar de ‘desinteresse’ niet bij……

Inhoud van de voordracht:

De huidige overgangsperiode: zich losmaken van alle bindingen om
eenvoudigweg een vrij mens te zijn.
De noodzaak van een op vrijheid gebaseerd wereldbeeld.
Geweten en individuele morele intuïtie.
Opvoeding die vertrouwen in het individu bevordert; liefde voor de mensheid;
een mondiaal perspectief.
De noodzaak om te leren denken “in cirkels” in plaats van in een rechte, programmatische lijn.
Het misverstand dat de “kernpunten” een leer over sociale klassen zouden zijn. Geen indeling van mensen, maar de structurering van het sociale organisme
door middel van regelingen die menselijk handelen in staat stellen in te grijpen en door te werken in het sociale geheel.
De drie aspecten van het sociale organisme.
Voorbeelden van hoe je dynamisch kan blijven denken over hun evolutie: kapitalisme; arbeid; het geldwezen.
Het denken terugbrengen in het leven.
Dankwoord.

GA 305

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst
Spirituelle Werte in Erziehung und sozialem Leben

Opvoeding en onderwijs
Spirituele grondslagen

Der Mensch in der sozialen Ordnung:
Individualität und Gemeinschaft

Het individu in de maatschappelijke orde:
Individualiteit en gemeenschap

Blz. 223

Voordracht 12, Oxford, 29 augustus 1922 

Meine Damen und Herren, wenn ich heute noch versuche, die Schilderung des sozialen Lebens der Gegenwart und der sozialen Forderungen der Zeit in einer gewissen Weise abzuschließen, so bin ich mir bewußt, daß alles dasjenige, was ich hier sagen konnte und werde sagen können über das soziale Leben und die sozialen Fragen, nur ganz spärliche Richtlinien sein können. Denn die soziale Frage in unserer Zeit ist eine sehr umfassende, sehr universelle, und vor allen Dingen sind zwei Betrachtungen notwendig für denjenigen, der einen Gesichtspunkt gewinnen will in der sozialen Frage. Zuerst ist es notwendig, ins Auge zu fassen den gegenwärtigen geschichtlichen Augenblick der Menschheit, und auf der anderen Seite ist es notwendig, die unmittelbaren äußeren, irdisch-räumlichen Verhältnisse ins Auge zu fassen.

Dames en heren, nu ik vandaag tracht mijn beschrijving van het hedendaagse maatschappelijke leven en de maatschappelijke eisen van deze tijd tot een zekere afronding te brengen, ben ik mij er terdege van bewust dat alles wat ik hier over het maatschappelijk leven en maatschappelijke vraagstukken heb kunnen zeggen – en nog zal zeggen – slechts de meest schetsmatige richtlijnen kan bieden. Want de sociale kwestie van onze tijd is omvangrijk en van universele strekking; wie er een helder beeld van wil krijgen, dient vooral twee gezichtspunten in acht te nemen. Ten eerste moet je  het huidige historische moment in de levensloop van de mensheid beschouwen, en ten tweede moet je rekening houden met de directe uiterlijke voorwaarden – de aardse, ruimtelijke omstandigheden.

Der gegenwärtige geschichtliche Augenblick der Menschheit ist ein solcher, der mit dem denkbar unbefangensten Verständnis angesehen werden muß. Man geht sehr leicht aus Vorurteilen und namentlich Vorgefühlen über dasjenige hinweg, was in den Tiefen, ich sage nicht einmal der Menschenseelen, sondern der Menschennaturen in der Gegenwart geschieht.
Man wird sehr leicht mißverstanden, wenn man so etwas sagt, weil fast zu jeder Zeit die Menschen es gesagt haben und es auch heute sagen: Wir leben in einer Übergangszeit. Gewiß, wir leben immer in einer Übergangszeit, nämlich von der Vergangenheit in die Zukunft, und es handelt sich eben nicht darum, zu wissen, man lebe in einer Übergangszeit – das ist selbstverständlich, das ist eine Trivialität -, sondern es handelt sich darum, worinnen der Übergang charakterisiert ist, worinnen der Übergang besteht. Und da muß man sagen: Gegenwart umfaßt nicht etwa das jetzige Jahr oder auch nur das jetzige Jahrzehnt, sondern Gegenwart umfaßt einen langen Zeitraum. Vorbereitet hat

Het huidige historische moment voor de mensheid moet met een zo groot mogelijke openheid van geest worden beschouwd. Het is maar al te gemakkelijk om – gedreven door vooroordelen en, bovenal, door vooropgezette meningen – over het hoofd te zien wat zich in de diepten van het heden afspeelt: niet slechts in de menselijke ziel, maar in de menselijke natuur zelf.
Je wordt gemakkelijk verkeerd begrepen wanneer je dergelijke dingen zegt, omdat mensen in vrijwel elk tijdperk hebben gezegd – en ook vandaag de dag nog zeggen –: “We leven in een overgangstijd.” Uiteraard leven we altijd in een overgangstijd – namelijk van het verleden naar de toekomst – en het gaat er niet simpelweg om te weten dat je in een overgangstijd leeft (dat spreekt voor zich; het is een gemeenplaats); waar het werkelijk op aankomt, is het begrijpen van het specifieke karakter van deze overgang – wat deze feitelijk inhoudt. En hier moet worden opgemerkt: het “heden” omvat niet slechts het huidige jaar of zelfs het huidige decennium; het beslaat een lange tijdsperiode. 

Blz. 224

sich dieser Zeitraum seit dem 15. Jahrhundert, und das 19. Jahrhundert bedeutete seine Kulmination. Wir stehen heute in diesem Zeitraum drinnen, aber die Menschheit im allgemeinen hat sich noch wenig Verständnis erworben für das Eigentümliche dieses weltgeschichtlichen Augenblicks, in dem wir drinnenstehen. Man muß sagen: Was gegenwärtig, wenn man überhaupt in das soziale Leben hineinsehen will, anzuschauen notwendig ist, das ist, daß
der Mensch aus alten Bildungen überall herausstrebt und lediglich
Mensch sein will, freier Mensch sein will.
Daher brauchen wir heute vor allen Dingen eine Weltanschauung – wie man im Deutschen sagen kann -, eine Weltanschauung der Freiheit, hier muß man sagen, weil das Wort Freiheit hier eine andere Bedeutung hat: Eine Weltanschauung der spirituellen Aktivität, des Handelns, des Denkens, des Fühlens, aus der menschlichen geistigen Individualität heraus.
Ich versuchte im Beginn der neunziger Jahre das Bild des Menschen, wie er gegenwärtig strebt, wie er ist, wenn man nicht auf seinen Kopf, sondern auf sein Unterbewußtes sieht, in meiner «Philosophie der Freiheit» zu zeichnen, die ja hier ins Englische übersetzt ist. Der Mensch war früher in Bindungen drinnen, die sein Denken und sein Handeln bestimmten. Man sehe sich einen Menschen des Mittelalters an:

Deze periode is al sinds de 15e eeuw in voorbereiding, met de 19e eeuw als hoogtepunt. Wij bevinden ons vandaag de dag in deze periode, en toch heeft de mensheid in het algemeen weinig inzicht gekregen in de unieke aard van dit wereldhistorische moment waarin wij staan. Er moet worden gezegd: wat vandaag de dag essentieel is om waar te nemen – wil je enig inzicht krijgen in het maatschappelijk leven – is dat mensen overal ernaar streven zich los te maken van oude structuren en simpelweg mens te zijn; vrije mensen te zijn.
Daarom hebben we bovenal een wereldbeeld nodig – een wereldbeeld van vrijheid; al moeten we dat hier, omdat het woord ‘vrijheid’ een andere betekenis heeft, een wereldbeeld van geestelijke activiteit noemen – van handelen, denken en voelen – dat voortkomt uit de menselijke geestelijke individualiteit.
Begin jaren negentig van de negentiende eeuw heb ik in mijn *Filosofie van de vrijheid* GA 4 (dat in het Engels is vertaald) geprobeerd de mens te schetsen zoals hij vandaag de dag streeft – zoals hij werkelijk is wanneer je niet naar zijn intellect kijkt, maar naar zijn onderbewustzijn. In het verleden waren mensen gebonden door banden die hun denken en handelen bepaalden. Denk maar aan de mens uit de middeleeuwen:

Er ist ja nicht in dem Sinne Mensch, wie der heutige, er ist vor allen Dingen der Angehörige eines Standes, einer Kaste. Er ist nicht Mensch, er ist Christ, er ist Adeliger, er ist Bürger. Alles, was er denkt, ist bürgerlich oder adelig oder priesterhaft. Der Mensch wurde erst im Laufe der letzten Jahrhunderte aus solchen Zusammenhängen gelöst. Man fragte in früheren Zeiten, wenn es sich darum handelte, sich sozial hineinzustellen in die menschliche Gemeinschaft als Individuum, man fragte: Was ist gut priesterhaft? Wie verhält man sich als Priester zu den anderen Menschen? Wie verhält man sich als Bürger zu den anderen Menschen? Wie verhält man sich als Adeliger zu den anderen Menschen? – Heute fragt man: Wie verhält sich der Mensch, wenn er sich
seiner Menschenwürde und seiner Menschenrechte voll bewußt sein
kann?
Da muß aber dann der Mensch in sich etwas finden.

Hij is geen mens in de zin waarin mensen dat tegenwoordig zijn; bovenal is hij lid van een maatschappelijke stand of kaste. Hij is niet louter een mens; hij is christen, edelman of burger. Alles wat hij denkt, wordt gevormd door zijn status als burger, edelman of priester. Pas in de loop van de laatste eeuwen is het individu uit dergelijke verbanden bevrijd. Wanneer het er in vroeger tijden om ging de eigen plaats als individu binnen de menselijke gemeenschap in te nemen, luidde de vraag: wat is passend gedrag voor een priester? Hoe gedraagt ​​een priester zich tegenover anderen? Hoe gedraagt een burger zich tegenover anderen? Hoe gedraagt ​​een edelman zich tegenover anderen? Tegenwoordig luidt de vraag: hoe gedraagt een mens zich wanneer hij zich ten volle bewust kan zijn van zijn menselijke waardigheid en zijn mensenrechten?
In dit geval moet het individu echter iets in zichzelf vinden.

Blz. 225

Er muß die Antriebe, die ihm früher das Bürgertum, das Adelstum, das Priestertum gegeben und die ihn zu seinem sozialen Handeln getrieben haben, er muß diese Antriebe in sich selber finden. Und er kann sie nicht in seinem Körper finden, er muß sie in dem Geiste, der eingeprägt ist seiner Seele, finden. Deshalb bezeichnete ich in meiner «Philosophie der Freiheit» den sittlichen Impuls, der zu gleicher Zeit der tiefste soziale Impuls ist, das moralisch Impulsierende im Menschen, das bezeichnete ich als moralische Intuition. Es muß etwas aufgehen in dem Menschen drinnen, was ihm sagen soll im konkretesten Falle des Lebens:
So sollst du handeln.
Sehen Sie, da ist alles auf die menschliche Individualität gestellt. Da muß man den einzelnen Menschen, die Individualität anschauen und muß voraussetzen: In diesem Herzen, in dieser Seele sind moralische Intuitionen. Darauf muß alle Erziehung hinauslaufen, diese moralischen Intuitionen zu wecken, so daß jeder Mensch fühlt von sich: Ich bin nicht von dieser Erde allein, ich bin nicht bloß ein Produkt der physischen Vererbung, ich bin aus den geistigen Welten heruntergestiegen auf die Erde und habe etwas zu tun auf dieser Erde als dieser
einzelne individuelle Mensch.

Hij moet in zichzelf de drijvende krachten vinden – krachten die voorheen door de bourgeoisie, de adel en de geestelijkheid werden aangereikt en die hem tot maatschappelijk handelen aanzetten. En hij kan deze niet in zijn lichaam vinden; hij moet ze vinden in de geest die in zijn ziel is ingeprent. Daarom heb ik in mijn *Filosofie van de vrijheid* de morele impuls – die tegelijkertijd de diepste sociale impuls en de morele drijfveer in de mens is – aangeduid als ‘morele intuïtie’. Er moet in de mens iets opgaan dat hem, in de meest concrete levenssituatie, zegt: “Zo moet je handelen.”
Alles draait hier immers om de menselijke individualiteit. Je moet naar de individuele mens kijken – naar de individualiteit – en ervan uitgaan: “In dit hart, in deze ziel, bevinden zich morele intuïties.”
Alle opvoeding moet erop gericht zijn deze morele intuïties te wekken, zodat ieder mens voelt: “Ik ben niet slechts van deze aarde; ik ben niet louter een product van fysieke erfelijkheid; ik ben vanuit de geestelijke werelden naar de aarde afgedaald en heb hier een taak te vervullen als deze specifieke, individuele mens.”

Aber da muß man wissen nicht bloß, daß man etwas zu tun hat, sondern was man zu tun hat. Man muß in sich finden in der einzelnen konkreten Situation darinnen, was man zu tun hat. Das muß einem die Seele sagen. Das unbestimmte Gewissen muß zur moralischen individuellen Intuition werden. Das heißt: Frei werden als Mensch -, das heißt: Nur bauen auf dasjenige, was in dem Menschen selber drinnen ist.
Und das haben manche Menschen sehr übelgenommen, weil sie gemeint haben, dann sei alles Moralisch-Soziale in die Willkür des einzelnen Individuums gegeben. Das ist es nicht, sondern es ist gestellt auf diejenige Basis, auf der allein das soziale Leben stehen kann; nämlich einerseits auf der Basis des Vertrauens. Dieses Vertrauen, wir müssen es gewinnen können auch den großen Angelegenheiten des Lebens gegenüber. Den kleinen Angelegenheiten des Lebens gegenüber, da haben wir es; denn wenn ich hier hinausgehe zur Tür, und Mr. K. begegnet mir draußen, habe ich ein unbewußtes Vertrauen, daß er nicht auf mich loskommt und mich niederstößt, i

Maar hier moet je niet slechts weten dat er iets gedaan moet worden, maar *wat* er gedaan moet worden. Binnen de specifieke, concrete situatie moet je zelf ontdekken wat er moet gebeuren. De ziel zelf moet dit onthullen. Een vaag geweten moet zich ontwikkelen tot een individuele morele intuïtie. Dit betekent vrij worden als mens – het betekent uitsluitend vertrouwen op wat in de mens zelf ligt.
Sommige mensen namen hier groot aanstoot aan, in de veronderstelling dat dit betekende dat alle morele en maatschappelijke kwesties werden overgelaten aan de willekeur van het individu. Dat is niet het geval; integendeel, het wordt geplaatst op het enige fundament dat het maatschappelijk leven kan dragen – namelijk het fundament van vertrouwen. We moeten dit vertrouwen ook kunnen ontwikkelen met betrekking tot de grote levenszaken. Wat de kleine zaken van het leven betreft, bezitten we dit al; want als ik door die deur naar buiten loop en buiten de heer K. tegenkom, heb ik een onbewust vertrouwen dat hij niet op mij af zal stormen en mij omver zal lopen 

Blz. 226

indem er gerade seinen Weg geht; ich richte mich selber nach diesem Vertrauen ein und wir weichen einander gegenseitig aus, damit wir uns nicht stoßen.
Das tun wir in den kleinen Details des Lebens. Das ist etwas, was, wenn sich der freie Mensch richtig versteht, überall in allen Angelegenheiten des Lebens
angewandt werden kann. Aber es ist notwendig, daß Vertrauen herrscht von Mensch zu Mensch. In diesem Vertrauen – was ein goldenes Wort ist -, in der Erziehung zu diesem Vertrauen, zu dem Glauben an den einzelnen Menschen, nicht bloß an die Nation oder an die Menschheit, in dieser Erziehung zu dem Glauben an den einzelnen Menschen liegt dasjenige, was allein Impuls sein kann für das soziale Leben der Zukunft; denn von dem einzelnen Menschen zur Gemeinschaft führt auf der einen Seite nur dieses Vertrauen.
Und die andere Basis ist diese: wir müssen, wenn niemand dasteht, der uns zwingt, irgend etwas zu tun, den Antrieb in uns selber finden.
Auch den Gefühls-, den Gemüts-, den Seelenantrieb müssen wir in uns
selber finden.

terwijl hij zijn eigen weg gaat; ik gedraag me op basis van dit vertrouwen en we gaan voor elkaar opzij om een ​​botsing te voorkomen. We doen dit in de kleine details van het leven. Dit is iets wat – mits het vrije individu zichzelf werkelijk begrijpt – overal kan worden toegepast, in alle levensverhoudingen. Toch is het essentieel dat er vertrouwen heerst tussen mensen. In dit vertrouwen – een werkelijk gouden woord – en in het koesteren van dit vertrouwen (het vertrouwen in het individuele mens, veeleer dan louter in de natie of de mensheid) ligt precies datgene wat als enige impuls kan dienen voor het sociale leven van de toekomst; want dit vertrouwen is de enige weg die van het individu naar de gemeenschap leidt.
En de andere grondslag is deze: wanneer er niemand is die ons dwingt iets te doen, moeten we de drijvende kracht in onszelf vinden. We moeten die impuls – vanuit het gevoel, het hart, de ziel – in onszelf vinden.

Was heißt das? Wenn ich früher Priester gewesen bin, so wußte ich, wie ich eingeordnet bin in das soziale Leben. Ich brauchte da nicht gerade in ein Buch hineinzuschauen, aber ich habe gewußt: So habe ich mich zu verhalten. Hatte ich das Ordenskleid an, so wußte ich, indem ich das Ordenskleid anhabe, das legt mir ganz bestimmte Pflichten auf.
Hatte ich den Adelsdegen, so wußte ich, daß der Adel meine Menschlichkeit bestimmt. Ich war gerichtet, ich war geordnet im sozialen Leben. War ich Bürger, war das ebenso.
Das ist etwas, was, man kann es nun tadeln oder loben, darauf kommt es nicht an, in dem gegenwärtigen Augenblick der Menschheit wegfällt. Sie können noch so viele Menschen finden, die das alles wieder zurückhaben möchten, die Weltgeschichte sagt eben anderes. Da nützt es nichts, abstrakte Programme aufzustellen für allerlei Gemeinschaften, da nützt es nur, die Weltgeschichte sich anzuschauen.
Und da kommen wir zu der Frage: Was soll jetzt der Gefühlsimpuls werden für dasjenige, was soziales Handeln ist, wenn nicht mehr die Priestertugend, nicht mehr die Bürgertugend, nicht mehr die Adelstugend, die Tugend des vierten Standes von hinten treibt?

Wat betekent dit? Als ik in het verleden priester was, wist ik hoe ik in het maatschappelijk leven stond. Ik hoefde niet per se een boek te raadplegen; ik wist simpelweg: zo moet ik mij gedragen. Als ik het religieuze gewaad droeg, wist ik dat dit dragen specifieke verplichtingen met zich meebracht.
Als ik het zwaard van de adel droeg, wist ik dat mijn adellijke status mijn menszijn bepaalde. Ik wist waar ik stond; ik had een vaste plek in het maatschappelijk leven.
Als ik burger was, gold hetzelfde.
Dit is iets – of je het nu prijst of bekritiseert, doet er niet toe – dat in het huidige tijdperk van de menselijke geschiedenis aan het verdwijnen is.
Je kan talloze mensen vinden die dit alles graag terug zouden zien, maar de wereldgeschiedenis vertelt een ander verhaal. Het heeft geen zin om abstracte programma’s op te stellen voor allerlei gemeenschappen; het enige dat helpt, is kijken naar de wereldgeschiedenis.
En dit brengt ons bij de vraag: wat wordt nu de emotionele impuls die maatschappelijk handelen drijft, als priesterdeugd, burgerdeugd, adelsdeugd en de deugd van de vierde stand niet langer die stuwende kracht vanuit de achtergrond leveren?

Blz. 227

Es kann nur das werden: wenn wir zu dem, was wir zu tun haben, namentlich gegenüber anderen Menschen, ein solches Vertrauen fassen können, wie wir es zu einem Menschen fassen, wenn wir ihn lieben.
Frei sein heißt: in Handlungen sich ausleben, die man liebt.
Vertrauen ist das eine goldene Wort, das in der Zukunft das soziale Leben beherrschen muß. Liebe zu dem, was man zu tun hat, ist das andere goldene Wort. Und in der Zukunft werden diejenigen Handlungen sozial gut sein, die aus allgemeiner Menschenliebe gemacht werden.
Aber man muß diese allgemeine Menschenliebe erst verstehen lernen. Man muß sich nicht in bequemer Weise einreden, sie ist schon da.
Sie ist eben nicht da. Und je mehr man sich sagt: sie ist nicht da, desto besser ist es. Denn diese allgemeine Menschenliebe, die muß eben die Liebe zu Taten sein, die muß aktiv werden, die muß sich in Freiheit ausleben können. Dann wird sie aber allmählich aus einem Urteil des häuslichen Herdes oder der Kirchturmnähe zu einem Universellen, zu einem Welturteil

Dit kan alleen werkelijkheid worden als we hetzelfde vertrouwen kunnen stellen in de taken die we moeten verrichten – vooral die waarbij andere mensen betrokken zijn – als in een persoon van wie we houden. Vrij zijn betekent vervulling vinden in handelingen waar men van houdt. Vertrouwen is het ene gouden woord dat in de toekomst richtinggevend moet zijn voor het maatschappelijk leven. Liefde voor het werk dat men moet doen, is het andere gouden woord. En in de toekomst zullen die handelingen maatschappelijk goed zijn die voortkomen uit een universele liefde voor de mensheid.
Je moet echter eerst leren begrijpen wat die universele liefde voor de mensheid inhoudt. Je mag jezelf niet op zelfvoldane wijze wijsmaken dat deze al bestaat.
Het feit is dat ze niet bestaat. En hoe meer je erkent dat ze er niet is, des te beter. Want deze universele liefde voor de mensheid moet een liefde zijn die zich in daden uitdrukt; ze moet actief worden en haar vervulling vinden in vrijheid. Dan zal ze zich geleidelijk ontwikkelen van een opvatting die geworteld is in de huiselijke kring of de directe lokale gemeenschap, tot iets universeels – een opvatting met een wereldwijde reikwijdte.

Und nun frage ich Sie von diesem Gesichtspunkte aus: Wie stellt sich ein solches Welturteil zum Beispiel zu dem, was jetzt als, ich möchte sagen, die furchtbarste Illustration des sozialen Chaos herzzerbrechend zu uns spricht, zu der furchtbaren Not in Osteuropa, in Rußland? Wie stellt es sich dazu?
Da handelt es sich darum, einer solchen Angelegenheit gegenüber die richtige Frage zu stellen. Und die richtige Frage ist diese: Gibt es heute auf der Erde – und die Erde muß hier angezogen werden, denn wir haben seit dem letzten Drittel des 19. Jahrhunderts nicht mehr Nationalwirtschaft, sondern Weltwirtschaft, das ist das Wichtige, was im sozialen Leben zu beachten ist -, gibt es heute auf der Erde zuwenig Nahrungsmittel für die gesamte Menschheit? Das wird niemand bejahen. Es gibt nicht zuwenig Nahrungsmittel auf der Erde für die gesamte Menschheit! Mag einmal die Zeit kommen, dann müssen die Menschen aus ihrem Genius heraus andere Mittel finden. Heute müssen wir noch sagen: Wenn an einem Fleck der Erde unzählbare Menschen hungern, dann sind es die menschlichen Einrichtungen der letzten Jahrzehnte, die das bewirkt haben. Denn dann sind diese menschlichen Einrichtungen nicht so, daß auf den hungernden Fleck der Erde in der richtigen Zeit die richtigen Nahrungsmittel hinkommen.

En nu vraag ik u, vanuit dit gezichtspunt: hoe verhoudt zo’n mondiaal oordeel zich bijvoorbeeld tot wat ons nu zo aangrijpend treft als – ik zou bijna zeggen – het meest verschrikkelijke voorbeeld van maatschappelijke chaos: de vreselijke nood in Oost-Europa, in Rusland? Hoe verhoudt het zich daartoe?
Het gaat er hier om de juiste vraag te stellen met betrekking tot een dergelijke kwestie. En de juiste vraag luidt: is er vandaag de dag op aarde – en de aarde moet hierbij in beschouwing worden genomen, want sinds het laatste derde deel van de 19e eeuw hebben we niet meer te maken met een nationale economie, maar met een wereldeconomie; dat is de cruciale factor die in het maatschappelijk leven onderkend moet worden – is er vandaag de dag op aarde te weinig voedsel voor de gehele mensheid? Niemand zou die vraag bevestigend beantwoorden. Er is op aarde geen tekort aan voedsel voor de gehele mensheid! Er kan een tijd komen waarin dat verandert, en dan zullen mensen door hun eigen vindingrijkheid andere wegen moeten vinden. Maar vandaag de dag moeten we nog steeds zeggen: als talloze mensen in een bepaald deel van de wereld honger lijden, dan zijn het de menselijke instellingen van de afgelopen decennia die dit hebben veroorzaakt. Want die menselijke instellingen zijn niet zodanig ingericht dat het juiste voedsel op het juiste moment dat hongerlijdende gebied op aarde bereikt.

Blz. 228

Es kommt darauf an, wie die Menschen auf der Erde diese Nahrungsmittel im
richtigen Augenblick in der richtigen Weise verteilen.
Was ist geschehen? In einem historischen Augenblicke ist in Rußland ein großes Gebiet der Erde durch eine aus reinem Intellektualismus, aus reiner Abstraktion geborenen Fortsetzung des Zarentums abgeschlossen worden von der Welt, eingesperrt worden. Ein für ein großes, aber doch für ein Territorium sich festlegendes Nationalgefühl hat Rußland abgesperrt von der Welt und verhindert, daß jene sozialen Einrichtungen über die Erde hin herrschen, die es möglich machen, daß, wenn einmal die Natur an einem Orte versagt, die Natur an einem anderen Orte durch Menschenhände in ausgiebiger Weise eingreifen kann.
Es müssen die Blicke, die heute das soziale Elend schauen, wenn man den richtigen Gesichtspunkt hat, dahin führen, daß die Menschen «mea culpa» sagen, daß jeder Mensch «mea culpa» sagt. Denn daß der einzelne Mensch als Individualität sich fühlt, schließt nicht das aus, daß er auch mit der ganzen Menschheit sich verbunden fühlt. Man hat in der Menschheitsentwickelung nicht das Recht, sich als Individualität zu fühlen, wenn man sich nicht zu gleicher Zeit als Angehöriger der ganzen Menschheit fühlt.

Het hangt ervan af hoe de mensen op aarde deze voedingsmiddelen verdelen – op het juiste moment en op de juiste wijze. Wat is er gebeurd? Op een cruciaal moment in de geschiedenis werd een uitgestrekt deel van de aarde – Rusland – van de rest van de wereld afgesneden en afgegrendeld door een voortzetting van het tsaristische regime, dat voortkwam uit louter intellectualisme en louter abstractie. Een besef van nationale identiteit – weliswaar van betekenis, maar ook gefixeerd op een specifiek grondgebied – isoleerde Rusland van de wereld. Dit verhinderde de totstandkoming van wereldwijde maatschappelijke structuren die het mogelijk zouden maken dat menselijk ingrijpen op de ene plek doeltreffend compenseert wanneer de natuur op een andere plek tekortschiet. Vanuit het juiste perspectief bezien, moet de aanblik van de huidige maatschappelijke ellende mensen ertoe aanzetten “mea culpa” te zeggen – ieder individu ertoe brengen “mea culpa” te zeggen. Want het feit dat iemand zichzelf als individu ervaart, sluit niet uit dat hij zich ook verbonden voelt met de mensheid als geheel.
In de loop van de menselijke evolutie heeft men niet het recht zichzelf als individu te beschouwen zonder zich tegelijkertijd als lid van de mensheid als geheel te voelen.

Das ist, ich möchte sagen, der Grundton, die Grundnote, die aus einer jeden Philosophie der Freiheit kommen muß, die den Menschen in einer ganz anderen Art hineinstellen muß in die soziale Ordnung.
Die Fragen werden dann ganz anders.
Was ist alles gefragt worden in sozialer Beziehung in den letzten  Jahrhunderten, namentlich im 19. Jahrhundert, und was ist aus diesen Fragen, die zuerst aufgetaucht sind in den höheren Ständen, bei dem Millionenproletariat geworden? Warum ist das Millionenproletariat heute auf Abwegen nach der Ansicht vieler? Weil es falsche Lehren angenommen hat von den höheren Ständen. Es war der Schüler der höheren Stände; das Proletariat hat diese Lehren nicht selber geprägt.
Worauf es ankommt, ist, daß man einmal klar sieht. Die Leute haben gesagt: Der Mensch ist das Produkt der Verhältnisse; wie die sozialen Verhältnisse, die sozialen Einrichtungen ringsherum sind, so ist der Mensch. Andere haben gesagt: Die sozialen Verhältnisse sind so, wie die Menschen sie sich gemacht haben

Dit is – zo zou je kunnen zeggen – de grondtoon, de leidende toon, die moet voortkomen uit elke filosofie van de vrijheid – een filosofie die de mens op een geheel andere wijze binnen de maatschappelijke orde moet plaatsen. De vraagstukken krijgen daardoor een totaal ander karakter.
Denk aan de vragen die de afgelopen eeuwen – en dan vooral de negentiende – rond maatschappelijke kwesties zijn opgeworpen, en aan wat er met die vragen (die aanvankelijk in de hogere klassen ontstonden) gebeurde toen ze het miljoenen tellende proletariaat bereikten. Waarom is dit enorme proletariaat volgens velen vandaag de dag op een dwaalspoor geraakt? Omdat het verkeerde opvattingen van de hogere klassen heeft overgenomen. Het was de leerling van de hogere klassen; het proletariaat heeft deze opvattingen niet zelf voortgebracht.
Waar het om gaat, is dat we de zaken helder zien. Men heeft gezegd: de mens is het product van de omstandigheden; het individu wordt gevormd door de maatschappelijke verhoudingen en instellingen waarin het leeft. Anderen hebben gezegd: de maatschappelijke verhoudingen zijn wat de mensen ervan hebben gemaakt.

Blz. 229

Alle diese Lehren sind ungefähr so klug, als wenn jemand sagt oder fragt: Ist der physische Mensch das Produkt seines Kopfes oder das Produkt seines Magens?
Der physische Mensch ist eben weder das Produkt seines Kopfes noch das Produkt seines Magens, sondern das Produkt der fortwährenden Wechselwirkung zwischen Kopf und Magen. Die müssen immer zusammenwirken. Der Kopf ist Ursache und Wirkung; der Magen ist
Ursache und Wirkung. Und wenn wir tiefer eingehen auf die menschliche Organisation, so finden wir sogar, daß der Magen vom Kopf gemacht wird; denn im embryonalen Leben entsteht zuerst der Kopf, und dann bildet sich erst der Magen; und dann wiederum macht der Magen den Organismus. So müssen wir nicht fragen: Sind die Verhältnisse, das Milieu die Ursache, daß die Menschen so und so sind? Oder sind es die Menschen, die das Milieu, die Verhältnisse gemacht haben? Wir müssen uns klar sein, daß jedes Ursache und Wirkung ist,
daß alles ineinanderwirkt, und daß wir vor allen Dingen heute die Frage auf werfen müssen: Was für Einrichtungen müssen da sein, damit die Menschen die richtigen Gedanken haben können in sozialer Beziehung? Und was für Gedanken müssen da sein, damit im Denken auch diese richtigen sozialen Einrichtungen entstehen?

Al deze opvattingen zijn ongeveer net zo zinvol als de vraag: is de fysieke mens het product van zijn hoofd of van zijn maag? De fysieke mens is in feite noch het product van het hoofd, noch dat van de maag, maar veeleer het resultaat van de voortdurende wisselwerking tussen hoofd en maag. Ze moeten altijd samenwerken. Het hoofd is zowel oorzaak als gevolg; de maag is zowel oorzaak als gevolg. En als we dieper ingaan op de menselijke constitutie, zien we zelfs dat de maag door het hoofd wordt voortgebracht; want in het embryonale stadium ontwikkelt het hoofd zich als eerste en vormt de maag zich pas daarna – waarna de maag op haar beurt het organisme vormgeeft. We moeten ons dus niet afvragen: zijn de omstandigheden – de omgeving – de oorzaak van hoe mensen zijn? Of zijn het de mensen zelf die die omgeving en die omstandigheden hebben gecreëerd? We moeten goed begrijpen dat alles zowel oorzaak als gevolg is, dat alles met elkaar in wisselwerking staat en dat we ons vandaag de dag vooral de vraag moeten stellen: wat voor soort instellingen zijn er nodig zodat mensen zich de juiste gedachten kunnen vormen over maatschappelijke verhoudingen? En wat voor soort gedachten zijn er nodig opdat deze juiste maatschappelijke instellingen uit ons denken kunnen voortkomen?

Die Menschen haben nämlich gerade, wenn es auf das äußere praktische Leben ankommt, die Ansicht: Erst kommt dieses, dann kommt dieses. Damit kommt man in der Welt nicht vorwärts. Man kommt nur vorwärts, wenn man im Kreise denkt. Da denken aber die meisten Menschen: Da geht einem ein Mühlrad im Kopfe herum. Das können sie nicht. Man muß im Kreise denken; man muß sich denken, wenn man die äußeren Verhältnisse anschaut, sie sind vom Menschen gemacht, aber sie machen auch die Menschen; oder wenn man die menschlichen
Handlungen anschaut, sie machen die äußeren Verhältnisse, aber werden auch wiederum getragen von den äußeren Verhältnissen. Und so müssen wir fortwährend mit unseren Gedanken hin- und hertanzen, wenn wir die Wirklichkeit haben wollen. Und das wollen die Menschen nicht. Die Menschen möchten, wenn sie irgend etwas anordnen, vor allen Dingen ein Programm: Erstens, zweitens, drittens bis zwölftens meinetwegen, und zwölf ist das letzte und eins ist das erste.

Wat het praktische, uiterlijke leven betreft, zijn mensen geneigd te denken dat de dingen een lineair verloop volgen: eerst gebeurt dit, dan dat. Op die manier kom je in de wereld niet ver. Je boekt alleen vooruitgang als je in cirkels denkt. Wanneer mensen echter met het idee van cirkelvormig denken worden geconfronteerd, stellen ze zich vaak een ronddraaiend molenrad in hun hoofd voor – iets waartoe ze naar hun gevoel niet in staat zijn. Toch *moet* men in cirkels denken; men moet beseffen dat uiterlijke omstandigheden weliswaar door mensen worden gecreëerd, maar op hun beurt ook de mens vormen; of – kijkend naar menselijk handelen – dat dit handelen weliswaar uiterlijke omstandigheden schept, maar zelf weer door diezelfde omstandigheden in stand wordt gehouden. We moeten onze gedachten voortdurend op deze manier heen en weer laten dansen als we de werkelijkheid willen doorgronden. En dat is precies wat mensen niet willen. Bij het opzetten van iets willen ze vooral een programma: eerst, tweede, derde – tot aan de twaalfde stap, laten we zeggen – waarbij twaalf de laatste stap is en één de eerste.

Blz. 230

Aber das ist leblos. Denn jedes Programm muß so sein, daß man es auch umkehren kann, daß man auch bei zwölf anfangen kann bis eins zurück,
geradeso wie der Magen den Organismus ernährt, und wenn die Nerven, die unter dem kleinen Gehirn liegen, nicht ordentlich sind, kann nicht ordentlich geatmet werden. Geradeso wie das sich umkehrt im Leben, so hat man auch im sozialen Leben hinzuschauen darauf, daß alles sich umkehrt.
Und so hat mein Buch: «Die Kernpunkte der sozialen Frage» aus den sozialen Verhältnissen heraus Leser voraussetzen müssen, welche mit ihren Gedanken sich umkehren können. Aber das wollen die Menschen nicht, sie wollen vom Anfang bis Ende lesen und dann wissen: Jetzt haben sie das Ende erreicht. Daß das Ende der Anfang ist, darauf wollen sie nicht eingehen. Und so war das das ärgste Mißverständnis dieses sozial gemeinten Buches, daß man es falsch gelesen hat. Und man fährt fort, es falsch zu lesen. Man will sich nicht mit den Gedanken dem Leben anpassen, sondern man will, daß das Leben sich dem Denken anpasse. Das ist aber ganz und gar nicht die Voraussetzung der sozialen Einrichtungen, die diesen Darstellungen zugrunde liegen. Ich werde
dies dann gleich im nächsten Teile fortsetzen.

Maar dat leeft niet. Want elk programma moet zo zijn opgezet dat het ook kan worden omgekeerd – dat men bij twaalf kan beginnen en terug kan tellen naar één – net zoals de maag het organisme voedt; als de zenuwen onder de kleine hersenen niet goed functioneren, kan de ademhaling niet correct verlopen. Zoals deze omkering in het leven plaatsvindt, zo moet men ook in het maatschappelijk leven inzien dat alles omkeerbaar moet kunnen zijn.
En daarom moest mijn boek *De kernpunten van de sociale vraag* – dat voortkwam uit maatschappelijke verhoudingen – uitgaan van lezers die in staat waren hun gedachtegang om te keren. Maar mensen willen dat niet; ze willen van begin tot eind lezen en dan het gevoel hebben dat ze bij de conclusie zijn aangekomen. Ze willen niet begrijpen dat het einde het begin is. Het gevolg was dat het grootste misverstand rond dit boek – dat bedoeld was om maatschappelijke vraagstukken te behandelen – erin bestond dat het verkeerd werd gelezen. En men blijft het verkeerd lezen. Men wil het eigen denken niet aan het leven aanpassen; men wil juist dat het leven zich aan het eigen denken aanpast. Dat is echter geenszins het uitgangspunt van de hier beschreven maatschappelijke ordening. Hierop zal ik in het volgende gedeelte nader ingaan.

Meine Damen und Herren, als die Dreigliederung des sozialen Organismus anfing etwas besprochen zu werden unter den Menschen, da konnte ich ein merkwürdiges Urteil hören. Die Dreigliederung wirft ihren Blick auf die drei Strömungen im sozialen Leben, die ich in diesen Tagen charakterisiert habe, auf das Geistesleben als solches, wie es heute besteht als Erbschaft der Theokratie; denn alles geistige Leben ist zum Schluß zurückzuführen auf dasjenige, was in den Theokratien zunächst als Ursache gelegen hat. Zweitens auf dasjenige, was ich juristisch-staatliches Leben nenne; drittens auf dasjenige, was ökonomisches, wirtschaftliches Leben zu nennen ist. Als der Blick auf die drei Ideen der Dreigliederung, den Impuls der Dreigliederung geworfen wurde, da kamen zunächst diejenigen Menschen, die vielleicht mit ihrem Körper ganz gut in der Welt drinnenstehen, vielleicht sogar Fabrikanten sind in ihrem äußeren Leben, Pastoren sind in ihrem äußeren Leben, also mit ihrer Leiblichkeit irgendwo im äußeren Leben lokalisiert sind, sie kamen und sie dozierten nun:

Dames en heren, toen men voor het eerst begon te spreken over de drieledigheid van het sociale organisme, hoorde ik een opmerkelijk oordeel uitspreken. Dit concept van drieledigheid richt zich op de drie stromingen van het maatschappelijk leven die ik de afgelopen dagen heb gekarakteriseerd: ten eerste op het geestelijk leven als zodanig – dat vandaag de dag voortbestaat als een erfenis van de theocratie, aangezien al het geestelijk leven uiteindelijk kan worden herleid tot de oorspronkelijke oorzaken in theocratieën; ten tweede op wat ik de rechts-politieke sfeer noem; en ten derde op wat de economische sfeer wordt genoemd. Toen de aandacht op deze drie ideeën werd gevestigd – op de impuls van de drieledigheid – traden er bepaalde mensen naar voren: individuen die wellicht stevig verankerd waren in de materiële wereld – fabriekseigenaren of geestelijken in hun uiterlijke leven, mensen wier fysieke bestaan ​​in de uiterlijke sfeer was geworteld – en zij begonnen hun betoog:

Blz. 231

Ach ja, nun können wir froh sein, nun taucht eine neue Idee auf, die endlich wieder die alte grandiose Plato-Idee zur Geltung bringt, denn es ist ja nur ein Aufwärmen desjenigen, was Plato als Gliederung der Menschen hingestellt hat in Nährstand, Wehrstand, Lehrstand. Da haben wir den alten Plato wiederum zu Ehren gebracht.
Nun, meine Damen und Herren, ich hatte nichts anderes zu sagen, als: Für all jene Menschen, die zunächst, wenn eine neue Idee auftaucht, in die Bibliothek gehen und nachschauen, wo die registriert ist, mag das so sein; für denjenigen, der die Dreigliederung versteht, ist die Dreigliederung das Gegenteil von dem, was Plato geschildert hat als Nährstand, Wehrstand und Lehrstand, das genaue Gegenteil. Und zwar, weil Plato so und so viel Jahre vor dem Mysterium von Golgatha gelebt hat. Für die damalige Zeit war die Gliederung im Nährstand,
Lehrstand und Wehrstand richtig; heute sie wiederum auffrischen zu
wollen, ist absurd.

We kunnen ons nu wel verheugen over het opkomen van een nieuw idee – een idee dat het oude, grootse platonische concept eindelijk weer in ere herstelt – maar in feite is het slechts een herhaling van de door Plato voorgestelde indeling: de klasse van de voortbrengers, de klasse van de verdedigers en de klasse van de leraren. Op die manier hebben we de oude Plato opnieuw eer bewezen.
Dames en heren, ik wil hier slechts dit over zeggen: voor wie bij het opkomen van een nieuw idee onmiddellijk naar de bibliotheek snelt om te zien waar het is gecatalogiseerd, mag die opvatting juist lijken; maar voor iedereen die de drieledige sociale orde begrijpt, is dat concept precies het tegenovergestelde van wat Plato beschreef – lijnrecht het tegenovergestelde. En de reden daarvoor is simpelweg dat Plato zoveel jaren vóór het Mysterie van Golgotha ​​leefde. Voor dat tijdperk was de indeling in voortbrengers, leraren en verdedigers juist; pogingen om die vandaag de dag nieuw leven in te blazen, zijn absurd.

Denn bei der Dreigliederung des sozialen Organismus handelt es sich nicht darum, daß hier wiederum die Menschen gegliedert werden, so daß einer drinnensteckt in dem Lehrstand, der andere in dem Wehrstand, in dem juristischen und Kriegerstand, der andere drinnensteckt in dem Nährstand, sondern es handelt sich um Einrichtungen, um Institutionen, in denen abwechselnd jeder drinnen sein kann, weil wir es in der neueren Zeit mit Menschen zu tun haben, und nicht mit Ständen. So daß es sich darum handelt, daß eine Institution da ist, in welcher universell das geistige Leben des Menschen gepflegt wird, das lediglich auf die Fähigkeiten der Individualitäten
gebaut sein muß; daß zweitens da ist die staatlich-juristische Institution in ihrer Selbständigkeit, ohne Intentionen, die anderen Glieder des sozialen Organismus zu verschlingen, und daß drittens da ist eine Institution, die rein wirtschaftlich ist. Die staatlich-juristische wird es zu tun haben mit all dem, was der einzelne Mensch mit dem anderen abzumachen hat, was von Mensch zu Mensch festzusetzen ist.
Im geistigen Leben kann nicht jeder ein Urteil haben; im geistigen Leben kann jeder nur das Urteil haben, zu dem er befähigt ist. Da muß alles aus der Individualität herauskommen.

Bij de driegeleding van het sociale organisme gaat het niet om het indelen van mensen in vaste categorieën – zoals de ene persoon die tot de onderwijssfeer behoort, de andere tot de rechts- en legersfeer en een derde tot de economische sfeer. Het gaat veeleer om structuren en instellingen waaraan ieder op verschillende momenten kan deelnemen, aangezien we in de moderne tijd te maken hebben met individuele mensen en niet met starre maatschappelijke standen. Het doel is een instelling waarin het geestelijk leven van de mensheid op universele wijze wordt gecultiveerd – een leven dat uitsluitend moet rusten op de vermogens van individuele persoonlijkheden; ten tweede een onafhankelijke staatsrechtelijke instelling die niet de intentie heeft de andere sferen van het sociale organisme op te slokken; en ten derde een instelling die van zuiver economische aard is.
De staatsrechtelijke sfeer zal zich bezighouden met alle zaken die individuen onderling moeten regelen – alles wat vastgelegd moet worden in de verhoudingen tussen mensen onderling.
Op het gebied van het geestelijk leven kan niet iedereen over elk onderwerp een mening hebben; in het geestelijke leven kan iedereen slechts het oordeel vellen waartoe hij in staat is. In deze sfeer moet alles voortkomen uit de individuele persoonlijkheid.

Blz. 232

Das geistige Leben muß auf die Individualitäten gebaut sein. Das geistige Leben macht notwendig, daß es ein in sich geschlossener, einheitlicher Körper ist. – Sie werden sagen: Das ist es nicht. – Aber ich werde gleich darauf zu sprechen kommen.
Das staatlich-juristische Leben macht es notwendig, daß die Menschen im Sinne der schon einmal heraufgekommenen Demokratie, wo der Mensch als Mensch Gelegenheit hat, von Mensch zu Mensch sich verständigen zu können über dasjenige, worüber jeder Mensch ein Urteil haben muß, worüber es nicht Sach- und Fachkenntnis gibt, sondern worüber jeder Mensch ein Urteil haben muß. Es gibt ein solches Gebiet des Lebens, das ist das Juristisch-Staatliche.
Und drittens das ökonomische Gebiet. Da zeigt sich, wie da alles nicht von dem einzelnen Urteil ausgehen kann – das Urteil des einzelnen ist gleichgültig, denn es kann niemals richtig sein -, sondern von den Assoziationen, von den Gemeinschaften der Menschen, die aus dem Zusammenfluß ihrer Urteile ein gemeinschaftliches Urteil heraus zustande bringen. Nicht darauf kommt es an, daß man sagt, man solle den Staat oder sonst irgendeine Gemeinschaft in drei Glieder teilen, sondern darauf kommt es an, daß von diesen drei Gliedern jedes
dasjenige tun kann, was es tun soll, damit der soziale Organismus
richtig wirkt.

Het geestesleven moet gefundeerd zijn op individualiteiten. Het geestesleven vereist dat het een op zichzelf staand, samenhangend geheel vormt. — Je zou
kunnen zeggen: dat is niet het geval. — Maar daarop kom ik zo dadelijk terug.
De rechts-politieke sfeer vereist dat mensen handelen in de geest van de democratie die is ontstaan ​​— waarin de mens, als mens, de mogelijkheid heeft
om tot overeenstemming te komen met anderen over zaken waarover iedereen zich een oordeel moet vormen — zaken die niet afhangen van gespecialiseerde technische deskundigheid, maar waarover ieder individu een opvatting moet hebben. Er bestaat inderdaad zo’n levenssfeer: het rechts-politieke domein.
En ten derde: de economische sfeer. Hier zien we dat de zaken niet kunnen uitgaan van het individuele oordeel — het oordeel van het individu doet er niet toe, want het kan nooit juist zijn — maar veeleer van associaties, van gemeenschappen van mensen die, door het samenbrengen van hun oordelen, tot een gezamenlijk oordeel komen.
Het gaat er niet simpelweg om voor te stellen de staat — of welke gemeenschap dan ook — in drie delen te splitsen; het cruciale punt is dat elk van deze drie delen zijn eigenlijke functie kan vervullen, zodat het sociale organisme
goed kan functioneren.

Mit der Denkweise, die ich hier vertrete, meine Damen und Herren, kann man drinnenstehen in der Welt. Man kann unter Umständen – ich will jetzt nur hypothetisch das anführen -, man kann aus seinen Fähigkeiten heraus das oder jenes wollen, man kann vielleicht sogar die Geschicklichkeit, die Technik dazu haben, das oder jenes zu wollen; aber dasjenige, was man selber als Mensch tut, wird ja weiter getan durch andere Menschen. Ich handle; darauf kommt etwas an, aber nicht alles und nicht die Hauptsache. Es kommt darauf an, daß meine Handlung von dem anderen verständig weitergeführt wird, daß sie weiter von einem dritten, vierten, xten geführt wird. Dazu muß aber der soziale Organismus so geführt werden, daß die Spuren meiner Handlung nicht verschwinden. Sonst tue ich etwas in Oxford; es wird weiter getan, weiter getan; aber in Whitechapel ist keine Spur mehr davon vorhanden. Dann sehen wir nur das äußere Symptom, dann sehen wir nur, daß dort Elend ist.

Met de denkwijze die ik hier uiteenzet, dames en heren, kan je midden in de wereld staan. Je kan — ik noem dit slechts hypothetisch — dit of dat willen doen
op grond van eigen vermogens; je kan wellicht zelfs beschikken over de vaardigheid en de techniek om dergelijke doelen na te streven; toch wordt datgene wat je als individu doet, voortgezet door andere mensen. Ik handel; dat is zeker van belang, maar het is niet alles, en evenmin de hoofdzaak. Waar het om gaat, is dat mijn handeling op intelligente wijze door een ander wordt voortgezet, dat ze wordt doorgegeven door een derde, een vierde, een -tigste persoon.
Wil dit echter kunnen gebeuren, dan moet het sociale organisme zo worden bestuurd dat de sporen van mijn handeling niet verloren gaan.
Anders zou ik iets in Oxford kunnen doen — het wordt voortgezet en voortgezet — maar in Whitechapel blijft er geen spoor van over.
Dan zien we slechts het uiterlijke symptoom; dan zien we alleen dat daar ellende bestaat.

Blz. 233

Das Elend muß aber hervorgehen, wenn die menschlichen Kräfte nicht in der richtigen Weise eingehen können in den sozialen Organismus.
Wir schauen nach Rußland – Elend. Warum? Weil die sozialen Kräfte nicht richtig eingreifen können in den sozialen Organismus; weil der soziale Organismus nicht in der richtigen Weise nach seinen naturgemäßen drei Gliedern gegliedert ist. Wenn ein sozialer Organismus so gegliedert ist, daß darinnen das Geistesleben frei auf die Individualitäten gestellt ist, daß ein juristisch-staatliches Leben da ist, welches alle die Angelegenheiten ordnet, wofür jeder Mensch kompetent ist, gleichgültig was er für einen Bildungsstand und so weiter hat, und wenn drittens ein selbständiges wirtschaftliches Leben da ist, das es nur zu tun hat mit Produktion, Warenkonsumtion und Zirkulation, dann ist dieser Organismus so gegliedert, daß die einzelne Handlung, die einer tun kann, wirklich so durchfließt durch den sozialen Organismus, wie das Blut durch den Menschen durchfließt.
Ja, das kann man aus einer wirklichen realen Welterkenntnis heraus. Aber aus einer solchen realen Welterkenntnis heraus müssen es auch die Menschen verstehen.

Er zal echter onvermijdelijk ellende ontstaan wanneer menselijke krachten niet op de juiste wijze het sociale organisme kunnen binnentreden.
We kijken naar Rusland – ellende. Waarom? Omdat sociale krachten niet op de juiste manier kunnen ingrijpen in het sociale organisme; omdat het sociale organisme niet op de juiste wijze is gestructureerd volgens zijn natuurlijke drieledigheid. Wanneer een sociaal organisme zo is gestructureerd dat het geestesleven wordt overgelaten aan de vrijheid van de individuen daarbinnen,
dat er een rechts- en staatssfeer bestaat die alle zaken regelt waartoe ieder mens bekwaam is – ongeacht opleidingsniveau of dergelijke – en wanneer er ten derde sprake is van een zelfstandig economisch leven dat zich uitsluitend richt op productie, consumptie van goederen en circulatie, dan is dit organisme zodanig gestructureerd dat het individuele handelen van een mens werkelijk door het sociale organisme stroomt, net zoals bloed door het menselijk lichaam stroomt.
Dit kan inderdaad worden begrepen vanuit een werkelijke kennis van de wereld.
Maar mensen moeten het ook gaan begrijpen op basis van een dergelijke werkelijke kennis van de wereld.

Wenn heute so etwas gesagt wird, und es kommt dann jemand und erklärt es theoretisch mit doktrinärem Marxismus und Intellektualismus, dann wird das natürlich gar nicht aufgefaßt, dann weiß man gar nicht, was der nun meint, der nun nicht an der Oberfläche bleibt und an der Oberfläche das Elend sieht, und sagt: Da kann man nichts bessern, man muß erst die Menschen in solche soziale Zusammenhänge hineinbringen, daß aus den Zusammenhängen der Menschen heraus das Elend verschwindet. Das ist es.
Und da müssen wir uns klar sein, allmählich hat das, was ursprünglich Theokratie war, vom Leben sich entfernt. Denn in denjenigen Stätten, wo die ursprünglichen Theokraten gelebt haben, da gab es keine Bibliotheken, da war nicht die Wissenschaft in Bibliotheken eingereiht; da setzte man sich nicht hin, wenn man sich vorbereitete, um eine Wissenschaft zu beherrschen, und studierte alte Bücher, sondern da lebte man mit dem lebendigen Wesen des Menschen. Da sah man den Menschen an. Da fragte man sich: Was ist da draußen mit dem Menschen zu tun.

Wanneer zoiets tegenwoordig wordt gezegd, en iemand komt aanzetten met een theoretische uitleg in termen van doctrinair marxisme en intellectualisme, komt de boodschap simpelweg niet over; men begrijpt niet wat de spreker bedoelt – iemand die weigert aan de oppervlakte te blijven en slechts de ellende daar te observeren, maar in plaats daarvan betoogt dat daar niets te verbeteren valt; men moet de mens integendeel in zodanige sociale verbanden plaatsen dat de ellende verdwijnt als gevolg van die menselijke verhoudingen zelf. Dat is de kern van de zaak.
En we moeten ons één ding goed realiseren: wat oorspronkelijk theocratie was, is gaandeweg losgeraakt van het leven zelf. Want op de plekken waar de oorspronkelijke theocraten leefden, waren geen bibliotheken; kennis werd niet in bibliotheken opgeslagen; men ging niet zitten studeren in oude boeken om zich een kennisbestand eigen te maken – men leefde in plaats daarvan in verbinding met de levende essentie van de mens. Men keek naar de mens. Men vroeg zich af: wat moet er daar buiten met de mens gebeuren?

Blz. 234

Die Bibliothek war die Welt. Man schaute nicht in Bücher, sondern auf die menschliche Physiognomie, man achtete auf menschliche Seelen, man las in ihnen; man schaute nicht in die Bücher hinein, sondern man schaute auf die Menschen. In die Bibliotheken ist allmählich unsere Wissenschaft hineingegangen oder sonst irgendwie aufgespeichert, vom Menschen getrennt.
Wir brauchen ein Geistesleben, das wiederum ganz in der Welt drinnensteht, wir brauchen ein Geistesleben, wo die Bücher aus dem Leben heraus geschrieben sind, ins Leben hinein wirken und nur Anregungen sind für das Leben, nur Mittel und Wege sein wollen für das Leben. Wir müssen aus der Bibliothek heraus. Wir müssen gerade im geistigen Leben in das Leben hinein. Und wir müssen ein Erziehungswesen haben, das nicht nach Regeln verfährt, das nach den Kindern verfährt, die real da sind, nach Menschenkenntnis; aus Menschenkenntnis heraus die Kinder kennenlernt und aus dem Kinde selbst herausliest, was zu tun ist jeden Tag, jede Woche, jedes Jahr.

De bibliotheek was de wereld. Men keek niet in boeken, maar naar de menselijke gelaatstrekken; men had oog voor menselijke zielen en las daarin; men keek niet in boeken, maar naar mensen. Gaandeweg is onze wetenschapsbeoefening naar bibliotheken verhuisd – of daar op andere wijze opgeslagen – en losgeraakt van de mens.
We hebben behoefte aan een geestesleven dat weer volledig in de wereld verankerd is; een geestesleven waarin boeken vanuit het leven zelf worden geschreven, op het leven inwerken en slechts als prikkel voor het leven dienen – als eenvoudige middelen en wegen om te leven. We moeten de bibliotheek verlaten. Op het gebied van de geest moeten we ons rechtstreeks in het leven begeven.
En we hebben een onderwijssysteem nodig dat niet volgens abstracte regels werkt, maar inspeelt op de werkelijk aanwezige kinderen – geleid door inzicht in de menselijke natuur; een systeem dat de kinderen door dat inzicht leert kennen en – vanuit het kind zelf – bepaalt wat er elke dag, elke week en elk jaar moet gebeuren.

Wir brauchen ein staatlich-juristisches Leben, in dem Mensch dem Menschen gegenübersteht, wo nur nach dem geurteilt wird, wozu eine berechtigte Kompetenz jeder einzelne hat, wie ich schon sagte, gleichgültig in welchem Beruf, in welcher sonstigen Situation er drinnensteht. Das gehört in das staatlich-juristische Leben hinein; was alle Menschen gleich macht.
Was wird dann in das geistige Leben hineinkommen, wenn das geistige Leben so aufgefaßt wird, wie ich es jetzt beschrieben habe? Vom wirtschaftlichen Leben wird von selbst nach und nach die Kapitalverwaltung in das geistige Leben hineinkommen. Schimpft man heute über den Kapitalismus – man kann ja nichts machen gegen den Kapitalismus, man braucht doch den Kapitalismus. Es handelt sich nicht darum, daß Kapital da ist, Kapitalismus da ist, sondern: welche sozialen Kräfte in dem Kapital und Kapitalismus wirken. Der Kapitalismus ist entstanden aus der geistigen Erfindungsgabe der Menschheit. Er ist schon aus dem Geistigen heraus entstanden durch Arbeitsteilung und
geistige Erkenntnis. Ich habe nur zur Illustration, weil ich keine Utopie geben wollte, in meinen «Kernpunkten» gesagt, wie etwa dieses Hinströmen des Kapitals zum geistigen Glied des sozialen Organismus geschehen könnte, indem derjenige, der zunächst Kapital erworben hat

We hebben een sfeer van staats- en rechtsleven nodig waarin de ene mens tegenover de andere staat en waarin oordelen uitsluitend gebaseerd zijn op zaken die binnen de legitieme bevoegdheid van elk individu vallen – ongeacht, zoals gezegd, het beroep of de situatie waarin zij zich bevinden. Dit behoort tot de sfeer van het staats- en rechtsleven: het domein dat alle mensen als gelijken behandelt.
Wat treedt er dan binnen in de sfeer van het geestelijk en cultureel leven, als we die sfeer opvatten zoals ik zojuist heb beschreven? Geleidelijk en op natuurlijke wijze zal het beheer van kapitaal verschuiven van de economische sfeer naar de geestelijk-culturele sfeer. Mensen geven vandaag de dag af op het kapitalisme, en toch kan er niets worden gedaan om het af te schaffen; het kapitalisme is essentieel. Het gaat niet om het loutere bestaan ​​van kapitaal of kapitalisme, maar om de aard van de maatschappelijke krachten die daarin werkzaam zijn. Het kapitalisme is voortgekomen uit het menselijk vermogen tot geestelijke vindingrijkheid; het is ontstaan ​​vanuit het domein van de geest, door middel van arbeidsdeling en geestelijk inzicht. Louter ter illustratie – en zonder de pretentie een utopie te schetsen – heb ik in mijn boek *De kernpunten* uiteengezet hoe kapitaal zou kunnen toevloeien naar het geestelijk-culturele deel van het sociale organisme: een individu dat kapitaal heeft verworven – 

Blz. 235

und dadurch Kapital arbeitend hat, und mit seiner eigenen Person bei dieser Arbeit des Kapitals dabei ist, indem der so, wie man es heute mit den Büchern macht, die nach dreißig Jahren an die Allgemeinheit übergehen, dafür sorgt, daß das Kapital an die Allgemeinheit übergeht.
Ich habe es nicht als einen utopischen Standpunkt aufgestellt, sondern gesagt, so könnte man vielleicht dazu kommen, dem Kapital diese Strömung zu geben, so daß es, statt daß es überall stockt, in die Blutzirkulation des sozialen Lebens hineinkomme. Alles das, was ich gesagt habe, ist gesagt als Illustration, sind nicht Dogmen, nicht utopische Begriffe, sondern ich wollte etwas anführen, was vielleicht durch die Assoziation geschehen wird.
Es kann vielleicht aber etwas ganz anderes geschehen. Derjenige, der lebensvoll denkt, setzt nicht Dogmen hin, die ausgeführt werden sollen, sondern rechnet mit Menschen, die aus ihrem Zusammenhang dasjenige herausbringen, was sozial ziel- und zweckvoll ist, wenn diese Menschen in der richtigen Weise in den sozialen Organismus hineingestellt sind. Überall ist gerechnet mit Menschen und nicht mit Dogmen.

en het aldus heeft aangewend terwijl hij persoonlijk bij dat proces betrokken bleef – zou ervoor zorgen dat het kapitaal overgaat naar de gemeenschap als geheel, vergelijkbaar met de manier waarop boeken tegenwoordig na dertig jaar in het publieke domein terechtkomen.
Ik heb dit niet naar voren gebracht als een utopisch standpunt; eerder suggereerde ik dat men er zo wellicht in zou kunnen slagen het
kapitaal zodanig te laten stromen dat het – in plaats van overal te stagneren –
in de bloedsomloop van het maatschappelijk leven terechtkomt. Alles wat ik
heb gezegd, was bedoeld als illustratie; het zijn geen dogma’s of utopische
concepten, maar voorbeelden van wat er door middel van associatie zou kunnen ontstaan.
Er kan echter ook iets heel anders gebeuren. Wie levend denkt, stelt geen dogma’s op die moeten worden uitgevoerd, maar vertrouwt erop dat mensen – vanuit hun eigen context – datgene voortbrengen wat maatschappelijk zinvol en doeltreffend is, mits zij op de juiste wijze in het maatschappelijk organisme zijn geplaatst. De nadruk ligt steeds op de mens, niet op dogma’s.

Aber ich habe es ja erleben müssen: Dasjenige, was eigentlich gemeint war mit den «Kernpunkten», ist gar nicht diskutiert worden. Dagegen haben die Leute gefragt: Wie wird man es dahin bringen, daß das Kapital sich nach so und so viel Jahren an den Fähigsten vererbt?
Und so weiter. Die Menschen wollen ja nichts Wirkliches, wollen nur Utopien. Das ist es aber, was gerade gegen die unbefangene Aufnahme eines solchen Impulses spricht, wie er in der Dreigliederung vorliegt.
Und so wird man sehen, wenn das juristisch-staatliche Leben in der richtigen Weise sich auswirken kann, daß dieses juristisch-staatliche Leben vor allen Dingen dann die Arbeit des Menschen einbezieht. Die Arbeit des Menschen steckt ja heute ganz im wirtschaftlichen Leben drinnen. Sie wird nicht behandelt als etwas, was von Mensch zu Mensch bestimmt wird. Ich habe etwa 1905 einen Aufsatz geschrieben über die soziale Frage, und habe da klarmachen wollen, daß unter unserer heutigen Arbeitsteilung Arbeit nur eine Ware wird, indem sie hineinfließt in den ganzen übrigen Organismus. Für uns selber hat in Wirklichkeit unsere Arbeit nur einen Scheinwert. Nur was die anderen für uns tun, hat einen Wert; während das, was wir tun, für die anderen einen Wert haben soll. Das ist etwas, was die Technik schon erreicht hat.

Toch moest ik het zelf vaststellen: juist datgene wat met de ‘kernpunten’ eigenlijk was beoogd, werd helemaal niet besproken. In plaats daarvan vroeg men: hoe kunnen we ervoor zorgen dat kapitaal na een bepaald aantal jaren overgaat op de meest bekwame personen? En dergelijke vragen meer. Men wil niets werkelijks; men wil slechts utopieën. En precies dat staat een open ontvangst in de weg van een impuls zoals die vervat ligt in de sociale driegeleding. Wanneer de rechts- en staatkundige sfeer op de juiste wijze tot werking komt, zal blijken dat deze sfeer bovenal de menselijke arbeid omvat. Tegenwoordig is menselijke arbeid volledig ingebed in het economisch leven; ze wordt niet behandeld als iets dat tussen mensen onderling wordt bepaald. Rond 1905 schreef ik een essay over de sociale kwestie, waarin ik duidelijk wilde maken dat arbeid – binnen onze huidige arbeidsverdeling – louter tot waar wordt wanneer deze in de rest van het sociale organisme vloeit. Voor ons persoonlijk heeft onze eigen arbeid eigenlijk slechts een schijnwaarde. Alleen wat anderen voor ons doen, heeft waarde – terwijl wat wij doen waarde zou moeten hebben voor anderen. Dat is iets wat de techniek reeds heeft bereikt.

Blz. 236

Das ist etwas, was die Technik schon erreicht hat. Nur sind wir mit unserer Moral noch nicht nachgekommen. Technisch, innerhalb der heutigen sozialen Ordnung, kann man nichts für sich machen, nicht einmal einen Rock. Sogar wenn man sich den Rock selber macht, so hat er einen solchen Preis, wie er ihn haben würde, wenn er innerhalb der ganzen sozialen Ordnung von einem anderen gemacht wird. Das heißt, was den Rock ins ökonomische hineinstellt, das ist universell, ist aus der Gemeinschaft heraus bestimmt. Es ist nur ein Scheingebilde, wenn man meint, der vom Schneider für sich selbst hergestellte Rock sei billiger. Man kann das ausrechnen mit Zahlen, da erscheint es billiger. Würde man es aber hineinstellen in eine Gesamtbilanz, so würde man sehen: Ebensowenig wie man aus seiner eigenen Haut herausfahren kann, ebensowenig kann man, indem man sich selber ein Kleidungsstück macht, das ökonomische ändern oder ausschalten. Auch das Kleidungsstück, das man für sich selbst gemacht hat, muß insgesamt bezahlt werden. Die Arbeit ist dasjenige, was der Mensch für den Menschen macht, die nicht darnach geordnet werden kann, wieviel Arbeitszeit man in der Fabrik braucht. Die Bewertung der Arbeit führt im eminentesten Sinne hinein in das Gebiet des Rechts, der staatlich-juristischen Ordnung.

Dit is iets wat de technologie al heeft bereikt; onze moraal is echter niet in hetzelfde tempo meegegroeid. Vanuit technisch oogpunt – en binnen het kader van de huidige maatschappelijke orde – kan je niets uitsluitend voor jezelf produceren, zelfs geen jas. Ook al maakt je de jas zelf, er hangt hetzelfde prijskaartje aan als wanneer deze door iemand anders binnen de bredere maatschappelijke orde zou zijn vervaardigd. Met andere woorden: de factor die de jas in de economische sfeer plaatst, is universeel; deze wordt bepaald door de gemeenschap als geheel. Het is een illusie te denken dat een jas die een kleermaker voor eigen gebruik maakt, goedkoper is. Je kan de kosten berekenen en het op papier goedkoper laten lijken; wie het echter in de context van een algehele balans bekijkt, ziet de waarheid: net zoals je niet uit je eigen vel kan stappen, kan je economische realiteiten niet veranderen of omzeilen door een kledingstuk voor jezelf te maken. Ook voor een kledingstuk dat voor persoonlijk gebruik is gemaakt, moet de volledige prijs worden betaald. Arbeid is wat de ene mens voor de andere verricht; dit laat zich niet simpelweg regelen door de hoeveelheid arbeidstijd die in een fabriek vereist is. De waardering van arbeid voert ons – in de meest wezenlijke zin – naar het domein van het recht en de rechtsorde van de staat.

Daß das nicht unzeitgemäß, sondern zeitgemäß ist, das können Sie daraus entnehmen, daß die Arbeit überall geschützt wird, gesichert wird und so weiter. Aber das sind alles nicht halbe, das sind Viertelsmaßregeln, die nur dann voll zur Geltung kommen können, wenn eine richtige Dreigliederung des sozialen Organismus da ist. Denn dann wird erst der Mensch dem Menschen gegenüberstehen und wird erst die Arbeit eine richtige Regelung finden, wenn Menschenwürde gegen Menschenwürde sprechen wird, aus dem heraus, für das alle Menschen kompetent sind.
Dann werden Sie sagen: Ja, da kann einmal nicht genügend Arbeit da sein, wenn auf diese Weise im demokratischen Staat dann die Arbeit bestimmt wird. Ja, da ist einer der Punkte, wo das Soziale hineinführt in das Allgemein-Historische, in die allgemeine Menschheitsentwickelung. Das wirtschaftliche Leben darf nicht die Arbeit bestimmen. Es muß eingeschlossen sein auf der einen Seite zwischen der Natur, auf der anderen Seite zwischen der staatlich festgesetzten Arbeit.

Dat dit niet losstaat van de tijdgeest, maar er juist mee in overeenstemming is, blijkt uit het feit dat arbeid overal wordt beschermd, gewaarborgd, enzovoort. Toch zijn dit geen halve, maar slechts kwartmaatregelen; ze kunnen pas werkelijk effectief worden als er sprake is van een daadwerkelijke driegeleding van het sociale organisme. Want pas dan zullen mensen werkelijk tegenover elkaar staan ​​en pas dan zal arbeid zijn juiste ordening vinden – wanneer menselijke waardigheid tot menselijke waardigheid spreekt, vanuit die sfeer waarin alle mensen competent zijn.
Je zou kunnen tegenwerpen: “Maar wat als er niet genoeg werk beschikbaar is wanneer arbeid op deze wijze binnen de democratische staat wordt bepaald?” Hier raken we aan een punt waarop de sociale kwestie overgaat in de bredere context van de geschiedenis en de algemene evolutie van de mensheid. Het economische leven mag niet de kracht zijn die de arbeid bepaalt; het moet zich veeleer situeren tussen de natuur enerzijds en de door de staat gereguleerde arbeid anderzijds.

Blz. 237

Geradesowenig wie ein Komitee jetzt bestimmen kann, wie viele Regentage
im Jahre 1923 da sein sollen, damit man richtig wirtschaften kann im Jahre 1923, wie man das hinnehmen und damit rechnen muß als einem Gegebenen, mit demjenigen, was die Natur gibt, so wird man auch im selbständigen wirtschaftlichen Organismus rechnen müssen mit dem Gegebenen als mit einer Arbeitsmenge, die innerhalb des staatlich-juristischen Organismus sich ergibt. Das kann ich nur im allgemeinen erwähnen als eine Charakteristik.
Im ökonomischen Glied des sozialen Organismus werden die Assoziationen dastehen, in denen werden Konsumenten und Produzenten und Händler in gleicher Weise aus ihren Lebenserfahrungen heraus ein assoziatives Urteil – nicht ein individuelles, das gar keine Bedeutung hat -, ein assoziatives Urteil abgeben. Das kann man heute nicht erreichen, wenn man die kleinen Ansätze nur verfolgt, welche da sind.
Daß diese kleinen Ansätze da sind, beweist, daß unbewußt in der Menschheit die Intention besteht, es so zu machen. Man gründet Genossenschaften, Gewerkschaften, alle möglichen Gemeinschaften. Gewiß, das bezeugt, daß der Drang da ist.

Zoals een commissie momenteel niet kan bepalen hoeveel regendagen er in 1923 moeten zijn om een ​​goed economisch beheer te waarborgen – en wij in plaats daarvan moeten aanvaarden en rekening moeten houden met wat de natuur als gegeven aanreikt – zo zullen wij ook binnen een autonoom economisch organisme rekening moeten houden met een gegeven factor: de hoeveelheid werk die binnen het staatsrechtelijke organisme ontstaat. Ik kan dit hier slechts in algemene termen, als kenmerkend aspect, aanstippen.
In de economische sfeer van het sociale organisme zullen verenigingen bestaan ​​waarin consumenten, producenten en handelaren – puttend uit hun levenservaring – gezamenlijk tot een associatief oordeel komen (en niet slechts tot een individueel oordeel, dat geen gewicht in de schaal legt). Dit kan vandaag de dag niet worden bereikt door simpelweg voort te bouwen op de kleinschalige initiatieven die reeds bestaan.
Het bestaan ​​van deze kleinschalige initiatieven bewijst dat er bij de mensheid een onbewust streven leeft om op deze wijze te werk te gaan. Er worden coöperaties, vakbonden en allerlei gemeenschappen opgericht; dit getuigt onmiskenbaar van het bestaan ​​van die impuls.

Aber wenn sie heute eine Genossenschaft gründen neben der übrigen sozialen Ordnung, so muß diese Genossenschaft entweder hineinwachsen in die übrige soziale Ordnung, gerade solche Preise haben, geradeso die Ware auf den Markt bringen, wie dies üblich ist, oder aber sie muß zugrunde gehen. Dasjenige, um
was es sich bei der Dreigliederung des sozialen Organismus handelt, ist nicht, aus einem utopistischen Gedanken heraus Wirklichkeiten zu schaffen, sondern das, was wirklich ist, anzufassen; diejenigen Institutionen, die gegenwärtig da sind, diejenigen, die konsumieren, die produzieren, der Unternehmer, das, was da ist selber ohne Neugründung, das soll in Assoziationen zusammengefaßt werden. Man soll gar nicht fragen; Wie gründet man neue Assoziationen? – Sondern; Wie faßt man die wirtschaftlichen Verbände, die wirtschaftlichen Institutionen, die da sind, in Assoziationen zusammen? – Dann wird vor
allen Dingen innerhalb dieser Assoziationen aus der wirtschaftlichen
Erfahrung heraus eines richtig erfolgen, woraus tatsächlich eine soziale Ordnung kommen kann – wie aus dem gesunden menschlichen 

Wanneer er echter vandaag de dag naast de bestaande maatschappelijke orde een coöperatie wordt opgericht, moet deze óf in die orde opgaan – door dezelfde prijsstructuren en marktpraktijken te hanteren als gebruikelijk zijn – óf ze is gedoemd te mislukken. Het doel van de drieledige sociale orde is niet om werkelijkheden te creëren op basis van een utopisch idee, maar om aan te sluiten bij wat reeds bestaat: de huidige instellingen – consumenten, producenten, ondernemers en de bestaande structuren zelf – dienen in associaties te worden georganiseerd. De vraag moet niet luiden: “Hoe richten we nieuwe associaties op?”, maar veeleer: “Hoe organiseren we bestaande economische lichamen en instellingen tot associaties?” Dan zal er binnen deze associaties – en geworteld in economische ervaring – een vitaal proces ontstaan ​​waaruit zich een ware sociale orde kan ontwikkelen 

Blz. 238

Organismus eben die menschliche Gesundheit kommt im menschlichen Leben-, eine ökonomische Zirkulation: Produktionsgeld, Leihgeld und Schenkungsgeld, Stiftung. Ohne daß diese drei Glieder darinnen sind, gibt es keinen sozialen Organismus. Man kann heute noch so viel wettern gegen die Stiftungen, Schenkungen, sie müssen da sein. Die Menschen machen sich nur etwas vor. Sie sagen sich: Ja, in einem gesunden sozialen Organismus gibt es keine Schenkungen. Aber sie zahlen ihre Steuern. Die Steuern sind ja nur der Umweg; denn darin sind die Schenkungen, die wir an die Schulen und so weiter abgeben, das sind die Schenkungen.
Die Menschen sollten aber eine solche soziale Ordnung haben, wo sie immer sehen, wie die Dinge laufen, und sich nicht etwas vormachen. Wenn sie das soziale Leben herauskriegen allmählich aus demjenigen, was jetzt konfundiert alles in sich enthält, dann werden sie, wie sie jetzt in dem gesunden menschlichen Organismus das Blut laufen sehen, so das Geld laufen sehen als Produktionsgeld, Leihgeld, Schenkungsgeld.

net zoals menselijke gezondheid voortkomt uit een gezond menselijk organisme: een economische kringloop die bestaat uit productiekapitaal, leenkapitaal en schenkings- of stichtingskapitaal. Zonder de aanwezigheid van deze drie geledingen bestaat er geen sociaal organisme. Men kan vandaag de dag nog zo fel afgeven op schenkingen en giften, maar ze zijn onontbeerlijk. Men houdt zichzelf slechts voor de gek. Men zegt tegen zichzelf: “In een gezond sociaal organisme bestaan ​​geen giften.” Toch betaalt men belasting. Belastingen zijn slechts een omweg; de giften die we aan scholen en dergelijke doen – dát zijn de werkelijke giften.
Men zou moeten streven naar een maatschappelijke orde waarin men steeds kan zien hoe de processen verlopen, in plaats van zichzelf iets wijs te maken. Als men het maatschappelijk leven geleidelijk losmaakt uit de huidige verwarring – waarin alles door elkaar loopt – dan zal men, net zoals men nu het bloed ziet circuleren in het gezonde menselijk organisme, het geld zien circuleren als productiekapitaal, leenkapitaal en schenkingskapitaal.

Und sie werden sehen, wie mit dem Menschen zusammenhängt auf der einen Seite im Handels-, Zirkulations-, Produktions- und Erwerbsgeld dasjenige Geld, das angelegt wird, damit es auf dem Wege des Leihens, indem es verzinst wird, wiederum in die Produktion übergeht, und auf der anderen Seite das Schenkgeld, das zufließen muß dem, was freies Geistesleben ist.
So nur können die Menschen am sozialen Geschehen teilnehmen, daß jeder in der freien Assoziation sieht: So läuft das Leben – dann kann Gesundheit hineinkommen in den sozialen Organismus. Dieser Dreigliederungsidee gegenüber ist alles abstrakte Denken verpönt. Da gibt es nur lebendiges Denken.
Aber wir haben ja heute auch im ökonomischen nicht mehr lebendiges Denken. Wir haben überall abstraktes Denken. Denn wo lebt denn die heutige Ökonomie? Wie hat sie begonnen, als sie sich herausgearbeitet hat aus der Zeit, wo man noch irgendeinen schmutzigen Fetzen Papier genommen hat und sich seine Einnahmen und Ausgaben aufgeschrieben hat. Als die Sache komplizierter geworden ist, da nahm man dafür diejenigen, die im Priestertum waren, die Kleriker; die wurden die Schreiber.

En mensen zullen het verband gaan zien tussen de mens en – enerzijds – het geld dat een rol speelt in handel, circulatie, productie en verwerving (geld dat wordt geïnvesteerd om via leningen en renteopbrengst weer in de productie terug te vloeien), en – anderzijds – het geld dat als gift wordt gegeven en dat naar het domein van het vrije geestesleven moet stromen.
Alleen op die manier kunnen mensen deelnemen aan maatschappelijke processen – waarbij iedereen binnen vrije associaties ziet hoe het leven zich werkelijk voltrekt; alleen dan kan er gezondheid in het sociale organisme komen. Wat dit idee van de sociale driegeleding betreft, is abstract denken misplaatst; er is alleen ruimte voor levend denken.
Toch beschikken we tegenwoordig, zelfs in de economische sfeer, niet meer over levend denken; overal overheerst het abstracte denken. Want waar leeft de hedendaagse economie eigenlijk? Hoe is ze ontstaan, toen ze voortkwam uit het tijdperk waarin men simpelweg een vuil stukje papier nam om inkomsten en uitgaven te noteren? Naarmate de zaken complexer werden, wendde men zich tot leden van de priesterstand – de geestelijkheid – om als schrijver op te treden.

Blz. 239

Die leiteten nun von ihren Kenntnissen aus dasjenige, was sie verstanden von dem äußeren Leben. Heute – wer ist der Nachfolger des Klerikers, des Schreibers, der aus der Kirche heraus genommen wurde, um die Ökonomie des Fürsten zu registrieren? Das ist der Buchhalter. Der Buchhalter, er hat in seinem Kassabuch, in seinem Hauptbuch nur noch eine ganz kleine Erinnerung daran, die auch nur noch in wenigen Gegenden vorhanden ist. Wenn man aufschlägt die erste Seite – ich weiß nicht, ob es hier auch noch so ist – da steht: «Mit Gott.» Solche Buchhaltungsbücher gibt es in gewissen Gegenden. «Mit Gott» steht da. Es erinnert noch an alte Zeiten. Wenn man weiterblättert, da findet man wenig, was «mit Gott» ist. Nun, da ist hinein abstrahiert alles dasjenige, was aber volles Leben sein muß, was in den Assoziationen als Leben dastehen muß, was nicht in die Bücher hineinkommen kann.
Und so handelt es sich bei der Dreigliederung wirklich nicht darum, wiederum in alter Weise, diese Begriffe, die wir haben: Geistesleben, Staatsleben, wirtschaftliches Leben so herumzukollern, und ein bißel anders herumzukollern, als man es in der jüngsten Zeit versucht hat, herumzukollern; sondern es handelt sich darum, überhaupt einmal den Begriff des Organismus zu erfassen, und dasjenige, was allmählich so ungeheuer stark hineingedrängt hat in das Abstrakte, wiederum zum Leben zurückzuführen.

Uit hun kennis putten zij hun inzicht in het uiterlijke leven. Wie is tegenwoordig de opvolger van de geestelijke, de schrijver die vanuit de kerk werd aangesteld om de financiën van de vorst bij te houden? Dat is de boekhouder. In zijn kasboek of grootboek bewaart de boekhouder slechts een vage herinnering hieraan – iets dat nog maar in enkele regio’s voortbestaat. Als men de eerste bladzijde openslaat – ik weet niet of dat hier nog steeds het geval is – treft men het opschrift aan: “Met God”. Dergelijke boeken bestaan ​​in bepaalde streken; er staat “Met God” in geschreven. Het is een overblijfsel uit vervlogen tijden. Toch vindt men bij het doorbladeren weinig dat getuigt van dat “met God”. In die boeken is alles geabstraheerd wat eigenlijk volle, levende werkelijkheid zou moeten zijn – elementen die als levende krachten binnen de gemeenschappen zouden moeten bestaan, maar die niet in boekhoudkundige registers kunnen worden vastgelegd. De sociale driegeleding is dan ook niet louter een kwestie van het op de oude manier jongleren met de begrippen waarover we beschikken – geestelijk leven, politiek leven en economisch leven – of van het op een iets andere wijze herschikken ervan dan de laatste tijd is geprobeerd. Het gaat er veeleer om het begrip ‘organisme’ werkelijk te doorgronden en datgene weer tot leven te wekken wat zo krachtig in de sfeer van de abstractie is gedrongen.

In diesem Zurückführen zum Leben liegt dasjenige, worauf es ankommt. Denn in den Assoziationen des Wirtschaftslebens werden alle sitzen; auch die Vertreter des geistigen Lebens werden drinnensitzen, denn sie essen. Es werden die Staatsvertreter drinnensitzen. Und umgekehrt werden in den anderen Gliedern alle drinnen sein.
Dann aber ist etwas die notwendige Folge, was die Leute furchtbar schockiert, wenn man in der Gegenwart davon spricht – natürlich setzt man manchmal etwas Paradoxes hin, um die Sache genauer zu charakterisieren. Ich habe einmal einem Industriellen, der ein ausgezeichneter Mensch auf seinem Gebiete ist, gesagt: Wir werden erst recht ins Leben hineinkommen, wenn Sie in der Fabrik einen Menschen haben, der sich ins volle Leben der Fabrik hineinstellt, der mit seinem ganzen Wesen dadrinnen steht; dann kommt irgendeine Hochschule, eine technische Hochschule, die nimmt sich diesen Menschen aus der Fabrik heraus, nicht den, der gerade zubereitet ist, sondern diesen aus dem Leben heraus nimmt sie.

In deze terugkeer naar het werkelijke leven ligt de kern van de zaak. Iedereen zal immers deelnemen aan de associaties van het economische leven; ook vertegenwoordigers uit het domein van het geestelijke en culturele leven zullen daaraan meedoen – zij moeten immers ook eten. Ook vertegenwoordigers van de staat zullen deelnemen. En omgekeerd zal iedereen betrokken zijn bij de andere domeinen.
Dit brengt echter een noodzakelijk gevolg met zich mee – een gevolg dat mensen diep schokt wanneer het vandaag de dag ter sprake komt (hoewel men natuurlijk soms iets paradoxaals poneert om de zaak nauwkeuriger te typeren). Ik zei ooit tegen een industrieel – een uitstekend man in zijn vakgebied – dat we pas werkelijk het echte leven zouden binnengaan wanneer er binnen de fabriek iemand zou zijn die zich volledig in het fabrieksleven onderdompelde, die er met zijn hele wezen middenin stond; en wanneer vervolgens een instelling voor hoger onderwijs – een technische hogeschool – deze persoon uit de fabriek zou halen: niet iemand die slechts op die rol was ‘voorbereid’, maar iemand die rechtstreeks uit het midden van het werkelijke leven was gehaald.

Blz. 240

Sie stellt ihn hin, damit er nun fünf oder zehn Jahre dasjenige den Jungen oder Mädchen zu sagen hat, was zu sagen ist aus dem Leben. Dann, wenn das ein bißchen altbacken geworden ist, mag er wieder zurückgehen in die Fabrik. – Es wird das Leben kompliziert, aber das fordert die Zeit, das läßt sich nicht anders
machen.
Geradeso wie immer neues Leben die soziale Ordnung durchströmen wird, oder die soziale Ordnung wird in die Dekadenz kommen, so muß man sagen: Entweder muß der Mensch wirklich Mensch werden, das heißt, er muß mit seinen Fähigkeiten zirkulieren können im sozialen Organismus, oder wir kommen in die Dekadenz hinein. Man kann ja die Dekadenz wählen, wenn man will, wenn man auf dem alten Standpunkt stehenbleiben will; aber Stehenbleiben, das läßt uns eben die Evolution nicht. Das ist es, auf was es ankommt.

Hij wordt daar geplaatst zodat hij gedurende vijf of tien jaar aan de jongens of meisjes kan overbrengen wat er over het leven gezegd moet worden. Wanneer die rol vervolgens wat sleets is geworden, kan hij naar de fabriek terugkeren. Het leven wordt ingewikkeld, maar de tijd vereist het; er is geen andere weg.
Zoals er voortdurend nieuw leven door de maatschappelijke orde moet stromen – wil die orde niet in verval raken – zo moeten we zeggen: de mens moet werkelijk mens worden – dat wil zeggen: hij moet in staat zijn om met behulp van zijn vermogens binnen het maatschappelijk organisme te circuleren – of we zullen in verval raken. Men kan natuurlijk voor verval kiezen als men wil vasthouden aan het oude standpunt, maar de evolutie staat nu eenmaal niet toe dat we stilstaan. Dat is het cruciale punt.

Abschließend möchte ich sagen: Ich konnte mehr in einem Gefühle entwickeln, was von dem Gesichtspunkte aus, von dem ich hier sprach, zu sagen war. Dieser Gesichtspunkt soll nicht in einseitiger Weise als ein spiritueller aufgefaßt werden, sondern spirituell nennt er sich nur deshalb, weil er aus dem Geiste des Lebens heraus sein will. So konnte ich mehr nach dem Gefühl den Impuls nur charakterisieren, der ja leben soll durch diese soziale Idee. Mehr kann man nicht in drei Vorträgen.
Aber, meine Damen und Herren, daß ich dieses konnte und durfte hier, das ist dasjenige, wofür ich Ihnen jetzt, wo ich diese Vorträge abschließen werde, auf das allerherzlichste danke. Ich empfinde diesen Dank wirklich im tiefsten Herzen in erster Linie gegenüber Mrs. Mackenzie an der Spitze dieses Komitees, ohne deren Bemühungen die ganze Oxforder Unternehmung unmöglich hätte zustande kommen können. In erster Linie sei Mrs. Mackenzie der aufrichtigste, herzlichste Dank ausgesprochen, und dann dem ganzen Komitee, das ihr hilfreich zur Seite gestanden hat. Insbesondere danke ich auch dafür, daß dasjenige, was wir durften einordnen als Künstlerisches dem Streben, das wir von Dornach aus in die Welt hineinschicken möchten, daß auch das Eurythmisch-Künstlerische in konkreter Art hat hier zur Geltung kommen dürfen in Oxford während dieses Meetings.

Tot slot wil ik zeggen dat ik – meer vanuit een aanvoelen van de zaak – heb kunnen overbrengen wat er vanuit het hier geschetste perspectief gezegd moest worden. Dit perspectief mag niet eenzijdig als louter ‘spiritueel’ worden beschouwd; het wordt slechts zo genoemd omdat het wil voortkomen uit de levensgeest zelf. Zo heb ik – vooral door middel van het gevoel – de impuls kunnen typeren die door dit sociale idee tot leven moet komen. Meer kan men in drie lezingen niet doen.
Toch, dames en heren, ben ik u zeer dankbaar dat ik dit hier heb mogen doen, nu ik deze lezingenreeks afsluit. Ik voel deze dankbaarheid diep in mijn hart – allereerst jegens mevrouw Mackenzie, de voorzitster van deze commissie; zonder haar inzet had het hele initiatief in Oxford onmogelijk kunnen plaatsvinden. Mijn oprechte, diepgevoelde dank gaat in de eerste plaats uit naar mevrouw Mackenzie en vervolgens naar de gehele commissie die haar zo kundig heeft bijgestaan. Ik ben ook bijzonder dankbaar dat het artistieke element – ​​dat wij willen integreren in de strevingen die wij vanuit Dornach de wereld in sturen – hier in Oxford tijdens deze bijeenkomst concrete gestalte heeft kunnen krijgen, met name door de kunst van de euritmie.

Blz. 241

Dafür allen denjenigen, die sich dafür Verdienste erworben haben, herzlichsten Dank!
Sie werden fühlen, daß dieser Dank ein ernster sein muß, wenn ich Ihnen sage, daß ja doch das Goetheanum in Dornach hingestellt worden ist als ein Ausgangspunkt für dasjenige, was erst real wird, wenn solche Dinge geschehen, wie sie jetzt hier in Oxford geschehen sind. Und daß das Verständnis und gute Herzen braucht, das werden Sie aus dem ersehen können, was ich nicht als Anspielung sage, wirklich nicht, aber erwähnen doch möchte, daß wir wohl werden im November unseren Bau unterbrechen müssen, nicht werden fortsetzen können, weil wir nicht die nötigen Geldmittel haben. Wir glauben aber, daß sie noch in der Welt vorhanden wären, und daß also auch da irgendwo etwas stockt.
Wenn die Sachen so weitergehen, wie sie im richtiggehenden sozialen Organismus weitergehen würden, dann – aber das ist etwas, was uns in Dornach gerade mit der allergrößten Sorge bedrückt, daß dieses
Werk unternommen wurde und durch die Ungunst der Zeitverhältnisse, wenn nicht zur rechten Zeit sich Verständnis für die Fortsetzung findet, unterbrochen werden müßte. Ich will das aus dem Grunde erwähnen, damit Sie sehen, wie herzlich der Dank gemeint ist, den ich Ihnen hier ausspreche

Mijn oprechte dank gaat uit naar allen die zich op dit vlak verdienstelijk hebben gemaakt!
U zult aanvoelen dat deze dankbetuiging diep gemeend is wanneer ik u vertel dat het Goetheanum in Dornach werd opgericht als uitgangspunt voor iets dat pas werkelijkheid wordt wanneer er gebeurtenissen plaatsvinden zoals die welke hier in Oxford zojuist hebben plaatsgehad.
En u zult beseffen dat hiervoor begrip en welwillendheid nodig zijn – niet slechts als een toespeling, zeker niet, maar als een feit dat ik moet noemen – wanneer ik zeg dat we de bouw in november waarschijnlijk zullen moeten stilleggen, niet in staat om verder te gaan, simpelweg omdat de nodige middelen ontbreken.
Toch geloven wij dat de middelen wel degelijk in de wereld aanwezig zijn, en dat er ergens een blokkade in de loop der dingen zit.
Als de zaken zouden verlopen zoals in een werkelijk gezond sociaal organisme, dan – maar het baart ons in Dornach grote zorgen dat dit werk ter hand is genomen, om vervolgens het risico te lopen te worden onderbroken door ongunstige omstandigheden – tenzij er tijdig begrip voor de voortzetting ervan wordt gevonden. Ik vermeld dit opdat u kunt zien hoe oprecht de dank is die ik
hier aan u uitspreek.

Wenn ich den Versuch gemacht habe, auf der einen Seite das Erziehungsmäßige auseinanderzusetzen, auf der anderen Seite das Soziale, so möchte ich doch darauf aufmerksam machen, daß das von Dornach aus gepflegt werden soll als ein Universelles. Zunächst ist ja vom Weltanschauungs-, vom Erkenntnisstandpunkte ausgegangen worden, als die anthroposophische Bewegung gegründet worden ist. Und erst als Menschen gesehen haben und gefühlt haben in unserer Zeit aus dem, was in unserer Zeit an Niedergangskräften lebt, daß in erzieherischer Weise und auch in sozialer Weise etwas geschehen muß, da sind die Menschen herangekommen an mich mit der Frage: Was hat Anthroposophie zu sagen für Schulgründungen, die mit dem vollen Leben rechnen, mit einer Zukunft, die aus den tieferen Menschenkräften hervorgeht? Denn aus der Oberfläche der Menschenkräfte läßt sich für die Zukunft zunächst nichts gewinnen.

Hoewel ik heb geprobeerd enerzijds op het pedagogische en anderzijds op het sociale aspect in te gaan, wil ik benadrukken dat dit werk vanuit Dornach als iets universeels tot ontwikkeling moet komen. Bij de oprichting van de antroposofische beweging vormde immers een op wereldbeschouwing en kennis gebaseerd perspectief het uitgangspunt. Pas toen men in onze tijd – de krachten van verval waarnemend – besefte en aanvoelde dat er zowel op pedagogisch als op sociaal vlak gehandeld moest worden, wendde men zich tot mij met de vraag: wat heeft de antroposofie te bieden voor de oprichting van scholen die zich verhouden tot het leven in zijn volle omvang – tot een toekomst die voortkomt uit de diepere krachten van de mens? Want vanuit het oppervlakkige niveau van menselijke krachten alleen valt er voor de toekomst niets te winnen.

Blz. 242

Nicht aus irgendeiner Schrulle heraus, auch nicht aus einer abstrakten Idee ist die erzieherische Strömung entstanden, sondern weil Menschen gekommen sind, die an die Anthroposophie diese Frage gestellt haben, die wissen wollten, was Anthroposophie da zu sagen habe aus dem Leben heraus, nicht aus einer sektiererischen Bestrebung.
Und in noch höherem Maße war das der Fall mit der sozialen Frage.
Auch da sind Menschen, denen das Herz brach über dasjenige, was in der Gegenwart in den Niedergang hineinführt, gekommen und wollten wissen, was anthroposophische Erkenntnis an wirklichem Eindringen in die Realität zu sagen hat über Impulse, die von der Gegenwart in die Zukunft hineingeschickt werden sollen.
Daß ich hier Verständnis dafür fand, dafür sage ich am Schlüsse meinen herzlichsten Dank, indem ich noch betone, daß dasjenige, was gerade so gesagt werden muß, darauf angewiesen ist, daß es aufgenommen wird in das volle Leben, daß es aus dem College hinauswirkt in die Welt, wo die Menschen stehen, daß es also nicht antiquarische Wissenschaft sei, sondern daß gerade in den Stätten des geistigen Lebens die Impulse entstehen, die bewirken, daß auch in den Fabriken die richtigen Menschen stehen, die gerade das Kapital verwalten, von denen Leben ausgeht.

Deze onderwijsbeweging is niet voortgekomen uit een loutere gril of een abstract idee; ze ontstond veeleer doordat mensen met een vraag naar de antroposofie kwamen – gedreven door de realiteit van het leven zelf, en niet door een sektarische agenda – en wilden weten wat de antroposofie over deze kwestie te zeggen had.
Hetzelfde gold, en wel in nog sterkere mate, voor de sociale kwestie.
Ook daar kwamen mensen wier hart gebroken was door de krachten van verval die in het heden werkzaam zijn; zij wilden weten wat antroposofisch inzicht – vanuit een oprechte betrokkenheid bij de werkelijkheid – kon bieden met betrekking tot de impulsen die vanuit het heden naar de toekomst toe moeten worden uitgedragen.
Tot slot wil ik mijn oprechte dank uitspreken voor het begrip dat ik hier heb mogen ervaren, en daarbij benadrukken dat ideeën die op deze wijze verwoord moeten worden, afhankelijk zijn van hun opname in de volle breedte van het leven; ze moeten vanuit het College uitstralen naar de wereld waarin mensen daadwerkelijk staan. Ze mogen geen louter antiquarische geleerdheid blijven; juist vanuit deze centra van geestelijk leven moeten de impulsen voortkomen die ervoor zorgen dat in onze fabrieken de juiste mensen worden gevonden – mensen die kapitaal beheren op een wijze die het leven bevordert.

Daß das charakterisiert wurde mit Beispielen, die sich darbieten, wird man mir nicht übelnehmen, wenn ich auf der anderen Seite wiederhole, was ich schon mehrmals gesagt habe, daß es mir mit ein ganz besonderes beglückendes Gefühl war, diese Impulse hier in Oxford auseinandersetzen zu können, wo jeder Schritt
auf die Straße inspirierend wirkt aus dem ehrwürdigen Alter heraus, wo das ganz besonders wirkt, was derjenige braucht, der aus dem Geiste heraus sprechen will.
In älteren Zeiten war nicht der Geist lebendig, der heute lebendig werden muß, und der in die Zukunft hinein wirken soll, aber es war Geist lebendig. Und dieser Geist kann inspirierend wirken. Deshalb war es mir auch tief befriedigend, gerade hier unter dem Eindruck des Altehrwürdigen, des Verehrungswürdigen in Oxford diese Vorträge halten und diese Anregungen geben zu dürfen.
Ich muß zum Schluß noch einen Dank aussprechen. Sie werden alle verstehen, daß ich außerordentlich dankbar bin Mr. Kaufmann, der mit großer Liebe hier die Übersetzungen geleistet hat.

U zult het mij niet kwalijk nemen als ik, na deze kwestie te hebben toegelicht aan de hand van voorbeelden die zich als vanzelf opdringen, nogmaals herhaal wat ik al vaker heb gezegd: dat het mij een heel bijzonder en bevredigend gevoel gaf om hier in Oxford – een plaats waar elke stap op straat inspireert door de eerbiedwaardige ouderdom en waar de sfeer een unieke kracht bezit voor wie vanuit de geest wil spreken – uiteenzettingen te mogen geven over deze impulsen.
In vroeger tijden was de geest die vandaag tot leven moet komen – en die bestemd is om in de toekomst door te werken – nog niet actief; toch was er destijds wel een geest werkzaam, en die geest kan als inspiratiebron dienen. Daarom heb ik het als zeer vervullend ervaren om hier, te midden van de indrukwekkende, eerbiedwaardige sfeer van Oxford, deze voordrachten te mogen houden en deze ideeën te mogen uiteenzetten.
Tot slot wil ik nog een dank uitspreken. U zult begrijpen dat ik de heer Kaufmann buitengewoon dankbaar ben, die hier met zoveel toewijding voor de vertalingen heeft gezorgd.

Blz. 243

Wenn man weiß, wieviel Mühe die Übersetzung verhältnismäßig schwieriger Dinge macht, wieviel das von den Kräften des Menschen auch in kurzer Zeit
wegnehmen kann, dann weiß man zu würdigen, welche Arbeit gerade
Mr. Kaufmann in den letzten Wochen in Oxford für diese Holiday Konferenz geleistet hat. Ich spreche ihm hier, und hoffentlich tun das auch noch viele, diesen Dank aus, und bitte, daß er mir diesen letzten Ubersetzerdienst noch tut, und dasjenige, was ich eben hier gesagt habe, auch so treu und wörtlich noch übersetzt, wie er das vorige übersetzt hat.

Wie weet hoeveel inspanning het vertalen van relatief complexe teksten vergt – en hoeveel energie dat kan kosten, zelfs in korte tijd – leert het werk waarderen dat de heer Kaufmann de afgelopen weken in Oxford voor deze vakantieconferentie heeft verricht. Ik wil hem hierbij mijn dank betuigen – zoals ik hoop dat velen anderen dat ook zullen doen – en ik verzoek hem deze laatste vertaaldienst voor mij te verlenen: datgene wat ik zojuist heb gezegd net zo getrouw en letterlijk te vertalen als hij de voorgaande opmerkingen heeft vertaald.
GA 305/223-243  
Voordracht 1 t/m 9 vertaald.    Voordracht 10      voordracht 11
.

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Rudolf Steiner over pedagogievindplaatsen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3597-3390

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 305 – voordracht 11

.

GA 305 bevat 12 voordrachten, 2 toespraken en een slotwoord.
De eerste negen voordrachten werden vertaald.
De vertaalde toespraken vind je op deze blog, het nawoord volgt nog.

De laatste drie gaan niet specifiek over vrijeschoolpedagogie(k), maar wel over sociale driegeleding. Vrijheid van onderwijs is een voorwaarde om het door Steiner bedoelde vrijeschoolonderwijs te kunnen realiseren.

Sociale driegeleding en vrijeschool hebben in Nederland niet zo’n hechte relatie, terwijl je zou kunnen zeggen dat de sociale driegeleding de moederschoot van de vrijeschoolpedagogie(k) is.

Er zullen redenen zijn om de voordrachten 10 t/m 12 niet op te nemen. Hopelijk is daar de ‘desinteresse’ niet bij……

Inhoud van de voordracht:

Het ontstaan ​​van het boek “De kernpunten van het sociale vraagstuk”. –
Verschillen in de wisselwerking tussen geestelijk, staats- en economisch leven in Centraal- en West-Europa. 
Sociale oordeelsvorming door de oprichting van associaties.
Theocratie: “God wilde het”; de industriële staat: “Mensen moeten hun
zaken onderling regelen”; het tijdperk van het industrialisme: het individu
losgemaakt van alle bindingen; teruggeworpen op het eigen mens-zijn. 
Het abstracte karakter van sociale “praktijkmensen”.
De noodzaak om vanuit vrijheid tot een nieuwe geestelijke inhoud voor de mens te komen.
Zich losmaken van alle begrippen omtrent beroep en maatschappelijke stand
die voortkomen uit de juridische stroming.
De kloof tussen mensen overbruggen door een levende spiritualiteit die als verbindende kracht werkt.
Het asociale karakter van het traditionalisme. 
“De kernpunten” als een boek van wil en hart.
.

GA 305

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst
Spirituelle Werte in Erziehung und sozialem Leben

Opvoeding en onderwijs
Spirituele grondslagen

Die soziale Frage

                                                      Het sociale vraagstuk

Blz. 202

Voordracht 11, Oxford, 28 augustus 1922 

                                         Soziale Impulse in der Gegenwart

Meine Damen und Herren! “Wer in der Gegenwart über die soziale Frage denken will, der muß vor allen Dingen berücksichtigen, daß in der wirklichen Welt die Wirkungen aus Ursachen herkommen, an die man gewöhnlich, wenn man nur eine Oberflächenbetrachtung anstellt, gar nicht denkt. Man sieht bei einer solchen Betrachtung dasjenige, was sich an der Außenseite der Wirklichkeit abspielt, und man sieht nicht die eigentlichen tieferen Ursachen, die tieferen Gründe. Deshalb sind aufgetreten und treten noch immer auf so viele gut gemeinte utopistische Vorstellungen, mit denen man glaubt, das soziale Leben, wie es heute fordernd auftritt, bewältigen zu können. Es ist von mir nun der Versuch gemacht worden, in einem sehr wichtigen Momente, in dem Momente zwischen dem Kriegsabschlusse und dem Versailler Friedensversuch in einigen Linien darzustellen, wie man sich denken könnte die Gliederung als eine organische im gegenwärtigen sozialen Organismus nach den drei Teilen des sozialen Lebens, die ich mir erlaubte, im letzten Vortrag zu charakterisieren.

                                      Sociale impulsen in het heden

Dames en heren! Wie wil nadenken over de sociale kwestie van deze tijd, moet vooral bedenken dat in de werkelijkheid gevolgen voortkomen uit oorzaken die – bij een louter oppervlakkige beschouwing – niet eens in ogenschouw worden genomen. Een dergelijke blik onthult slechts wat zich aan de oppervlakte van de werkelijkheid afspeelt, terwijl de werkelijke, diepere oorzaken en achterliggende redenen buiten beeld blijven. Dit verklaart het ontstaan ​​– zowel in het verleden als in het heden – van zoveel goedbedoelde utopische ideeën, waarvan men meent dat ze het sociale leven in zijn huidige, veeleisende vorm kunnen beheersen. Ik heb getracht om op een cruciaal moment – ​​de periode tussen het einde van de oorlog en het vredesinitiatief van Versailles – uiteen te zetten hoe men de structuur van het hedendaagse sociale organisme als een organisch geheel zou kunnen opvatten, gebaseerd op de drie sferen van het sociale leven die ik in mijn vorige lezing heb beschreven.

Ich habe im letzten Vortrage darauf aufmerksam gemacht, wie im Laufe der geschichtlichen Entwicklung der Menschheit drei stark voneinander geschiedene Strömungen aus einer ursprünglichen Strömung, aus der theokratischen Strömung heraus, entstanden sind, wie gegenwärtig nebeneinanderliegen im sozialen Organismus das geistige Leben, das juristisch-staatliche Leben und das wirtschaftliche Leben. Ich hatte ausdrücklich bemerkt, daß ich nicht etwa die Meinung habe, man brauche theoretisch erst den sozialen Organismus in diese drei Glieder zu teilen. Das käme mir in meiner wirklichkeitsgemäßen, nicht theoretischen Ansicht so vor, als wenn jemand nachdenken wollte, wie er den Menschen in Kopf, Brust und Gliedmaßen erst teilen sollte. Die Teilung im sozialen Organismus ist eine geschichtlich gewordene und ist einfach heute da, und es handelt sich heute nicht darum,

In de vorige voordracht heb ik erop gewezen hoe er in de loop van de historische ontwikkeling van de mensheid drie scherp onderscheiden stromingen zijn voortgekomen uit een oorspronkelijke stroming – de theocratische – en hoe tegenwoordig het geestesleven, het rechts- en staatsleven en het economisch leven naast elkaar bestaan ​​binnen het sociale organisme. Ik heb uitdrukkelijk opgemerkt dat ik niet de opvatting huldig dat men het sociale organisme theoretisch in deze drie sferen moet opdelen. Vanuit mijn gezichtspunt – dat eerder op de werkelijkheid dan op theorie is gebaseerd – zou dat hetzelfde zijn als wanneer iemand zou proberen te achterhalen hoe de mens in hoofd, borst en ledematen kan worden opgedeeld. De indeling binnen het sociale organisme is historisch tot stand gekomen en bestaat nu eenmaal; de opgave is nu niet om te 

Blz. 202

nachzudenken darüber, wie man den sozialen Organismus in drei Glieder trennen soll, sondern wie man die Verbindungsglieder finden soll zwischen den drei Gliedern, die da sind.
Wenn man über diese Frage als die soziale Grundfrage in unserer Zeit richtig denken will, dann muß man ganz wirklichkeitsgemäß denken, nur aus den Tatsachen heraus denken. Dann aber denkt man für einen bestimmten Zeitpunkt und für einen bestimmten Ort. Und ich habe in meinem Buche: «Die Kernpunkte der sozialen Frage», weil das Buch vom südlichen Deutschland, von Stuttgarter Freunden aus von mir gefordert worden ist – ich habe es nicht aus eigenem Antrieb geschrieben, es ist mir abgefordert worden -, ich habe dieses Buch geschrieben für jenen Zeitpunkt Frühjahr 1919, Ort Süddeutschland, weil ich mir vorgestellt habe, daß, wenn die Menschen zum Willen kommen, der Wille in der Zeit und an dem Orte gerade so geartet sein könne, daß man Verständnis finden werde für dasjenige, was nun nicht als Programmpunkte, sondern als Willensrichtungen in diesem Buche angedeutet ist.

bedenken hoe het sociale organisme in drie delen kan worden gesplitst, maar veeleer om de verbindende schakels te vinden tussen de drie delen die er reeds zijn.
Wie zich een juist beeld wil vormen van deze kwestie – de fundamentele sociale vraag van onze tijd – moet denken op een wijze die volledig in de werkelijkheid geworteld is en zich uitsluitend op de feiten baseert. Toch denkt men daarbij vanuit een specifieke tijd en plaats. Wat betreft mijn boek ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk’ [GA 23  vertaald] – dat ik schreef op verzoek van vrienden in Stuttgart, in Zuid-Duitsland (ik schreef het niet op eigen initiatief, maar in opdracht) – heb ik het geschreven voor dat specifieke moment in het voorjaar van 1919 en voor die specifieke regio in Zuid-Duitsland. Ik deed dit omdat ik voorzag dat, mochten mensen tot het besluit komen om te handelen, de aard van die wil – gezien tijd en plaats – er wel eens toe zou kunnen leiden dat zij begrip zouden opbrengen voor wat in het boek uiteengezet wordt: niet slechts als programmapunten, maar als richtingen van de wil.

Nun liegt die Sache so, daß die Frage, die in diesem Buch berührt wird, eine ganz andere ist für den Osten der zivilisierten Welt, für Rußland, Asien, eine ganz andere ist für Mitteleuropa, und eine ganz andere ist für den Westen, für England und Amerika. Das ergibt sich aus einem wirklichkeitsgemäßen Denken. Denn dasjenige, was ich im letzten Vortrag charakterisiert habe, das Hervorgehen der industriellen Weltordnung aus den beiden früheren, so daß sie neben ihnen als eine besondere Strömung weiterläuft, das hat sich vorzugsweise unter dem Einfluß der westlichen Länder entwickelt. Es hat sich entwickelt unter dem Einflüsse desjenigen, was im 18. Jahrhundert in den westlichen Ländern Sitte, Gewohnheit, soziale Ordnung war, hat sich da hineingepaßt. Will man es konkreter, genauer charakterisieren, so muß man sagen: England ist im Laufe der neueren geschichtlichen Entwickelung die große Handelsnation geworden. Dasjenige, was, ich möchte sagen, jedes dritte Wort heute in der sozialen Proletarierfrage ist, das Kapital, das hat sich für Westeuropa unter dem Einflüsse der großen Handelsverhältnisse entwickelt als kommerzielles Kapital.
Ja, meine Damen und Herren, das gibt einer Sache einen ganz bestimmten Charakter, denn das kommerzielle Wesen hat sich organisch

De situatie is zodanig dat de in dit boek behandelde kwestie zich voor het oosten van de beschaafde wereld – voor Rusland en Azië – heel anders voordoet dan voor Centraal-Europa, en weer heel anders voor het westen – voor Engeland en Amerika. Dit wordt duidelijk wanneer men de werkelijkheid in ogenschouw neemt. Want het verschijnsel dat ik in de vorige voordracht heb beschreven – het ontstaan ​​van de industriële wereldorde uit de twee voorgaande ordes, waarbij zij daarnaast als een afzonderlijke stroming bleef voortbestaan ​​– ontwikkelde zich voornamelijk onder invloed van westerse naties. Het kwam tot stand binnen de context van – en paste zich aan aan – de gebruiken, gewoonten en maatschappelijke orde die in de achttiende eeuw in westerse landen heersten. Om dit concreter en nauwkeuriger te typeren, moet men zeggen: in de loop van de moderne historische ontwikkeling groeide Engeland uit tot de grote handelsnatie. Dat element dat – zo zou men kunnen zeggen – in bijna elk derde woord voorkomt dat tegenwoordig over de sociale kwestie van het proletariaat wordt gesproken – namelijk het kapitaal – ontwikkelde zich in West-Europa als ‘handelskapitaal’, onder invloed van omvangrijke handelsactiviteiten.
Ja, dames en heren, dit geeft de zaak een heel specifiek karakter, want het commerciële karakter van de dingen is in de moderne tijd op organische

Blz. 204

herausentwickelt in der neueren Zeit aus den westlichen Lebensgewohnheiten und Lebenssitten. Es hat tatsächlich Karl Marx in England etwas anderes angeschaut, als was er in Deutschland um sich hatte. Er hat von Deutschland nur die Theorie gebracht, das Denken, die Dialektik. Er hat hier ein fremdes soziales Strukturgebilde angeschaut.
Und so muß man sagen: Alles dasjenige, was dann als industrielle Ordnung aufgetaucht ist, das ist in kontinuierlicher Fortentwickelung als ein nächstes Glied der kommerziellen Entwickelung im Westen aufgetaucht. Industrielles hat sich in organischer Weise aus dem Handel heraus entwickelt.
In Mitteleuropa und in dem repräsentativen Lande Mitteleuropas, in Deutschland, war das nicht der Fall. Deutschland war noch bis in die Mitte des 19. Jahrhunderts im wesentlichen ein Agrarland, ein Land, in dem die Landwirtschaft weitaus dominiert hat. Und dasjenige, was da war als die moderne Industrie, diese moderne industrielle Strömung, die sich als dritte neben die beiden anderen hingestellt hat, das war ein staatliches Gefüge, ein Gefüge, das sich staatlich immer mehr und mehr konsolidierte, und das daher die Tendenz entwickelte, den Industrialismus in das Staatsgebilde hineinzugliedern, zu absorbieren.

 wijze voortgekomen uit westerse gewoonten en gebruiken. Wat Karl Marx in Engeland waarnam, verschilde in feite van wat hem in Duitsland omringde. Hij bracht vanuit Duitsland slechts de theorie mee – de denkwijze, de dialectiek. Hier observeerde hij een vreemde maatschappelijke structuur. Men moet dus zeggen: alles wat vervolgens als industriële orde ontstond, deed zich voor als de volgende schakel in de voortdurende evolutie van de westerse handel. De industriële sector ontwikkelde zich op organische wijze vanuit de handel.
In Centraal-Europa – en in Duitsland, het representatieve land van Centraal-Europa – lag dat anders. Tot halverwege de 19e eeuw bleef Duitsland in wezen een agrarische natie, een land waar de landbouw overheersend was. Wat de moderne industrie betreft – die moderne industriële stroming die zich als derde kracht naast de andere twee vestigde – ging het om een ​​door de staat gestuurde structuur; een structuur die zich steeds sterker consolideerde via de staat en daardoor de neiging vertoonde om het industrialisme in het staatsapparaat te integreren, erin op te nemen.

Vergleichen Sie nur einmal wirklichkeitsgemäß Mitteleuropa, wie es vor dem Kriege war, mit Westeuropa vor dem Kriege. In Westeuropa hat sich das wirtschaftliche, das ökonomische Wesen in einer gewissen Emanzipation vom Staate erhalten, und das geistige Wesen erst recht. Das steht in einer gewissen Selbständigkeit den anderen beiden Gliedern gegenüber.
In Mitteleuropa entstand eine kompakte Masse aus Geistesleben, juristischem Staats- und Verfassungsleben und Wirtschaftsleben. In Deutschland mußte man daher daran denken, wie man die drei Glieder auseinanderbringt, um sie dann organisch zum Zusammenwirken zu bringen, wie sie sich nebeneinander zu stellen haben, um sie nebeneinander zur Wirksamkeit zu bringen, um die Bänder zwischen ihnen zusammenzubringen.
Hier im Westen handelt es sich darum, daß die drei Glieder nebeneinander daliegen, daß sie deutlich voneinander gesondert sind, daß

Vergelijk, bezien vanuit de realiteit, Centraal-Europa van vóór de oorlog eens met West-Europa van vóór de oorlog. In West-Europa behield het economisch leven een zekere mate van zelfstandigheid ten opzichte van de staat – en het intellectuele leven nog meer. Het nam een ​​relatief onafhankelijke positie in ten opzichte van de andere twee sferen.
In Centraal-Europa ontstond daarentegen een compact geheel waarin het intellectuele leven, het juridische leven van staat en grondwet, en het economische leven met elkaar versmolten waren. De uitdaging in Duitsland bestond er dan ook in te onderzoeken hoe deze drie sferen van elkaar konden worden losgemaakt – om ze vervolgens tot organische samenwerking te brengen, ze naast elkaar te plaatsen zodat ze doeltreffend naast elkaar konden functioneren, en de onderlinge verbindingen tot stand te brengen.
Hier in het Westen is de situatie zo dat de drie sferen naast elkaar liggen en duidelijk van elkaar gescheiden zijn;

Blz. 205

man selbst räumlich das geistige Leben so zusammengefaßt findet wie hier in Oxford, wo man das Gefühl hat, als ob es draußen überhaupt keine Staats- und keine wirtschaftliche Welt mehr gäbe, als ob alles Geistige souverän und autonom dastünde. Aber man hat auch das Gefühl, dasjenige, was in diesem souveränen Geistesleben sich entwickelt, das hat nicht mehr die Kraft, hinauszuwirken in die beiden anderen Glieder. Das ist etwas, was nur in sich selber lebt, was nicht organisch eingewebt ist in die beiden anderen Glieder.
In Deutschland hat man das Gefühl: Das geistige Leben steckt so drinnen im staatlichen Leben, daß man ihm erst auf die Beine helfen muß, daß es selbständig stehen kann. Hier hat man das Gefühl, das geistige Leben steht so selbständig da, daß es sich überhaupt nicht irgendwie kümmert um die anderen Glieder. Das gibt eine wesentlich andere Färbung, wenn man wirklichkeitsgemäß denkt gegenüber der ganzen sozialen Frage der Gegenwart und dem Grundimpuls der sozialen Frage in unseren Tagen.

het geestelijk leven is geconcentreerd in een eigen, afzonderlijke ruimte – zoals hier in Oxford, waar men het gevoel heeft dat de werelden van staat en economie daarbuiten helemaal niet meer bestaan, en dat het geestelijke domein soeverein en autonoom is. Tegelijkertijd heeft men echter het gevoel dat wat zich binnen dit soevereine geestelijke leven ontwikkelt, de kracht mist om uit te stralen naar de andere twee sferen. Het is iets dat slechts in zichzelf leeft, en niet iets dat organisch verweven is met de andere twee sferen.
In Duitsland bestaat de indruk dat het geestelijk leven zo diep in het staatsleven verankerd is, dat het eerst geholpen moet worden om op eigen benen te staan ​​– om zelfstandigheid te verwerven. Hier daarentegen is de indruk dat het geestelijk leven zo zelfstandig staat, dat het totaal geen acht slaat op de andere sferen. Dit geeft – wanneer men de zaken realistisch beschouwt – een fundamenteel ander karakter aan het denken over de gehele sociale kwestie van deze tijd en over de fundamentele impuls die aan die sociale kwestie ten grondslag ligt.

Aus diesem Grunde meine ich, daß meine «Kernpunkte der sozialen
Frage», wenn sie heute in Deutschland fast vergessen sind – es ist ja ein
bißchen übertrieben, aber es ist fast so -, wenn sie heute in Deutschland
fast vergessen sind, und im Jahre 1919 eine ungeheuer schnelle Verbreitung gefunden haben, daß das ganz natürlich ist. Denn der Zeitpunkt, wo man das, was in den «Kernpunkten der sozialen Frage» steht, realisieren sollte, der ist vorüber für Mitteleuropa. Der ist in dem Augenblicke vorüber gewesen, als jener starke Valutaniedergang eingetreten ist, der der deutschen Wirtschaft völlig die Hände bindet.
Ich bin damals, als die «Kernpunkte der sozialen Frage» erschienen waren, von vielen Leuten gefragt worden: Ja, das wäre alles recht schön, aber jetzt handelt es sich vor allen Dingen darum, wie wir die Valuta verbessern. – Sie war dazumal verhältnismäßig noch gut gegen den heutigen schändlichen Stand. Ich konnte nur sagen: Da drinnen in den «Kernpunkten» steht es, wie man die Valuta verbessern kann. –
Aber die Leute sahen es nicht. Sie wußten nicht, wo die Antwort sitzt auf die Frage, sondern sie suchten die Antwort extra irgendwie an der Oberfläche behandelt, nicht in den Tiefen. Daß gerade das Buch die Antwort war, das verstanden die Leute nicht.

Om deze reden vind ik het volkomen natuurlijk dat mijn ‘Kernpunten’  tegenwoordig in Duitsland bijna vergeten is (hoewel “bijna” misschien een lichte overdrijving is). Het is natuurlijk omdat het moment om de ideeën in dat boek te verwezenlijken voor Centraal-Europa voorbij is. Dat moment was al voorbij toen de drastische muntcrash plaatsvond – een crash die de Duitse economie volledig lamlegde.
Toen het boek voor het eerst verscheen, vroegen veel mensen me: “Dat is allemaal mooi en aardig, maar de belangrijkste vraag is nu hoe we de munt kunnen verbeteren.” (Destijds was de munt nog relatief gezond vergeleken met de huidige beschamende toestand.) Ik kon alleen maar antwoorden: “Het antwoord op de vraag hoe de munt verbeterd kan worden, staat gewoon in het boek.” Maar mensen zagen het niet. Ze wisten niet waar het antwoord lag; in plaats daarvan zochten ze het aan de oppervlakte in plaats van in de diepte. Ze begrepen niet dat het boek zelf het antwoord bevatte.

Blz. 206

Nun, das ist einer der Grundimpulse im sozialen Leben unserer Zeit. Wenn man versucht, aus der Wirklichkeit heraus zu denken, den Menschen Antworten zu geben aus der Wirklichkeit heraus, so verstehen sie sie nicht, denn sie kommen mit Theorien, mit einem Kopf, der ganz gespickt ist mit «Kapital» und «Mehrwert»» und «Klassenkampf» und allem möglichen, und mit allen alten Vorurteilen. Sie kommen mit demjenigen, was alte Denkgewohnheiten sind. Und heute schlagen gerade im praktischen Leben die Theorien die Wirklichkeit tot. Das ist das eigentümliche Rätsel unserer Zeit, daß die Praktiker alle Theoretiker geworden sind, daß sie alle Ideen im Kopfe haben, die sie gerade, meinetwillen, aus einer Fabrik heraus zusammengeschmiedet haben, und mit diesen theoretischen Ideen das ganze soziale Leben meistern wollen.
Deshalb glaube ich, daß in der Zukunft meine «Kernpunkte» mehr gelesen werden sollten im Westen und in Rußland, daß sie in Deutschland heute eigentlich ohne eine Möglichkeit des Wirkens dastehen. Denn im Westen zum Beispiel kann man trotzdem an diesem Buche sehr viel sehen, denn es stellt ohne Utopie einmal hin, wie die drei Glieder eben nebeneinanderstehen und ineinandergreifen sollten.

Welnu, dat is een van de drijfveren in het sociale leven van onze tijd. Als je probeert vanuit de werkelijkheid te redeneren en mensen antwoorden te geven vanuit de werkelijkheid, dan begrijpen ze die niet, want ze komen met theorieën, met een hoofd dat helemaal vol zit met ‘kapitaal’ en ‘meerwaarde’ en ‘klassenstrijd’ en van alles en nog wat, en met alle oude vooroordelen. Ze
komen met wat oude denkgewoonten zijn. En vandaag de dag slaan juist in het praktische leven de theorieën de werkelijkheid volledig dood. Dat is het eigenaardige raadsel van onze tijd, dat de praktijkmensen allemaal theoretici zijn geworden, dat ze allemaal ideeën in hun hoofd hebben die ze juist, wat mij betreft, vanuit een fabriek bij elkaar hebben gesmeed, en met deze theoretische ideeën het hele sociale leven willen beheersen.
Daarom geloof ik dat mijn ‘Kernpunten’ in de toekomst meer gelezen zouden moeten worden in het Westen en in Rusland, dat ze in Duitsland vandaag de dag eigenlijk geen kans hebben om effect te sorteren. Want in het Westen bijvoorbeeld kan men aan dit boek toch heel veel aflezen, omdat het zonder utopie nu eenmaal laat zien hoe de drie onderdelen naast elkaar staan en in elkaar zouden moeten grijpen.

Da ist es für den Westen ganz gleichgültig in bezug auf den Zeitpunkt, denn auch da ist noch viel zu tun in bezug auf die richtige Gliederung der drei Strömungen, Geistesleben, Wirtschaftsleben, staatlich-rechtliches Leben.
Aber wir müssen vor allen Dingen lernen, wirklich modern zu denken, um im modernen Sinne zu einer sozialen Urteilsbildung zu kommen – fassen wir das doch nicht oberflächlich auf, meine Damen und Herren -, um im modernen Sinne zu einem sozialen Urteil, zu einer sozialen Urteilsbildung zu kommen. Das können wir nur, wenn wir unter die Oberfläche der sozialen Erscheinungen hineinsehen in die Tiefen. Und da ergibt sich heute eine eigentümliche Tatsache. Da ergibt sich die Tatsache, daß der einzelne überhaupt, wenn er noch so gescheit ist, wenn er ein noch so intelligenter und meinetwillen auch idealistischer und praktischer Mensch ist – ich möchte das «Praktisch» dreimal unterstreichen -, daß er als einzelner überhaupt ein soziales Urteil nicht gewinnen kann. Es ist ein, ich möchte sagen, soziales Mysterium, meine Damen und Herren, daß jedes soziale Einzelurteil falsch ist.

Voor het Westen maakt het qua tijdstip helemaal niets uit, want ook daar
is er nog veel werk aan de winkel wat betreft de juiste indeling van de drie stromingen: het geestelijk leven, het economisch leven en het staatsrechtelijk leven.
Maar we moeten bovenal leren om echt modern te denken, om in moderne zin tot een sociaal oordeel te komen – laten we dat toch niet oppervlakkig opvatten, dames en heren – om in moderne zin tot een sociaal oordeel, tot een
sociale oordeelsvorming te komen. Dat kunnen we alleen als we onder de oppervlakte van de sociale verschijnselen kijken, tot in de diepten. En daar doet zich vandaag de dag een merkwaardig feit voor. Daar doet zich het feit voor dat de individuele mens, hoe slim hij ook is, hoe intelligent en, wat mij betreft, ook idealistisch en praktisch hij ook is – ik wil dat ‘praktisch’ drie keer onderstrepen –, dat hij als individu überhaupt geen sociaal oordeel kan vormen. Het is, ik zou willen zeggen, een sociaal mysterie, dames en heren, dat elk sociaal individueel oordeel onjuist is.

Blz. 207

Studieren Sie einmal, welche ungeheuer gescheiten Urteile gefällt worden sind, als in Europa die Goldwährung eingeführt werden sollte.
Wer sich vertieft in das, was dazumal in Handelsverbänden, in den Parlamenten geredet worden ist – ich sage das nicht mit Ironie, sondern aus voller Überzeugung heraus -, das ist ein exzellentes Beispiel von menschlicher Gescheitheit. Man bekommt förmlich einen tiefen Respekt, wenn man sich vertieft in das, was von all den ungeheuer gescheiten Menschen geredet worden ist von der Mitte des 19. Jahrhunderts ab über den Einfluß der Goldwährung auf die soziale Gliederung der Welt. Vor allen Dingen, man hat strikte bewiesen, so logisch und so praktisch das nur möglich sein kann, daß es einen ungeheuren Respekt einflößt, man hat strikte bewiesen, wenn die Goldwährung komme, dann werde der Freihandel blühen.
Das Gegenteil ist eingetreten. Man hat sich sogar genötigt gesehen, gerade als Konsequenz der Goldwährung, die Zollschranken wieder aufzurichten. Das heißt: die gescheitesten Leute haben bei ihrem Blick in die Zukunft Unsinn geredet.

Bestudeer eens welke buitengewoon verstandige oordelen er zijn geveld
toen in Europa de goudstandaard zou worden ingevoerd.
Wie zich verdiept in wat er destijds in handelsverenigingen en in de
parlementen is gezegd – ik zeg dit niet ironisch, maar uit volle overtuiging –, dat is een uitstekend voorbeeld van menselijke wijsheid. Je krijgt letterlijk een diep respect als je je verdiept in wat al die buitengewoon verstandige mensen vanaf het midden van de 19e eeuw hebben gezegd over de invloed van de goudstandaard op de sociale structuur van de wereld. Bovenal is er onomstotelijk bewezen, zo logisch en zo praktisch als maar mogelijk is, dat het enorm veel respect inboezemt; er is onomstotelijk bewezen dat, als de goudstandaard zou komen, de vrijhandel zou bloeien.
Het tegenovergestelde is gebeurd. Men heeft zich zelfs genoodzaakt gezien,
juist als gevolg van het goudstelsel, de douanebarrières weer op te werpen. Dat wil zeggen: de slimste mensen hebben bij hun blik op de toekomst onzin gepraat.

Das ist nicht ein Tadel. Das kommt daher, daß in bezug auf das soziale Urteil die gescheitesten Leute vielleicht in dem Maße großen Unsinn reden, je gescheiter sie sind, wenn sie als einzelne reden; wenn sie bloß urteilen mit dem, was aus der einzelnen menschlichen Individualität hervorgehen kann.
Daher handelt es sich heute gar nicht darum, daß wir auf uns wirken lassen dasjenige, was als soziales Elend verbreitet ist. Der einzelne vermag sich kein Urteil zu bilden zwischen Ursache und Wirkungszusammenhang im sozialen Leben. Wir müssen tiefer gehen. Wir müssen hineinschauen bis in die Gliederung der Menschheit. Wir müssen uns fragen: Wie kann ein wirkliches soziales Urteil zustande kommen?
In den alten sozialen Urteilsfällungen, die wir nicht wieder heraufbeschwören wollen, die einer alten Zeit angehörten, der Zeit der Theokratien, in diesen alten Urteilsfällungen war das soziale Urteil nicht bewußt, sondern es wurde unbewußt gefällt; aber es wurde von Menschengruppen gefällt.
Es ist gar nicht wahr, daß die Familie etwa das erste war in der sozialen Ordnung. Die Familie ist ein Spätprodukt, das erst später im Sozialen erschien. Die Urmenschen, die haben nicht nachgedacht, was 

Dat is geen verwijt. Dat komt doordat, wat het sociale oordeel betreft, de slimste mensen misschien des te meer onzin uitkramen naarmate ze slimmer zijn, wanneer ze als individu spreken; wanneer ze louter oordelen op basis van wat voortkomt uit de individuele menselijke eigenheid.
Daarom gaat het vandaag de dag helemaal niet om het feit dat we ons laten beïnvloeden door wat er als sociale ellende heerst. Het individu is niet in staat zich een oordeel te vormen over het verband tussen oorzaak en gevolg in het sociale leven. We moeten dieper graven. We moeten doordringen tot in de structuur van de mensheid. We moeten ons afvragen: hoe kan een werkelijk sociaal oordeel tot stand komen?
In de oude sociale oordelen, die we niet opnieuw willen oproepen, die tot een vervlogen tijd behoorden, de tijd van de theocratieën, in deze oude oordelen was het sociale oordeel niet bewust, maar werd het onbewust geveld; maar het werd wel door groepen mensen geveld.
Het is helemaal niet waar dat het gezin bijvoorbeeld het eerste was in de sociale orde. Het gezin is een laat product, dat pas later in het sociale leven verscheen. De oermensen hebben niet nagedacht over wat het sociale oordeel zou moeten zijn; zij lieten zich inspireren door de priesterschap en namen dit in hun onderbewustzijn op.

Blz. 208

das soziale Urteil sein soll, sie haben sich die Inspiration der Priesterschaft geben lassen und diese aufgefaßt mit dem Unbewußten. das soziale Urteil sein soll, sie haben sich die Inspiration der Priesterschaft geben lassen und diese aufgefaßt mit dem Unbewußten.
Aber diese sozialen Urteilsfällungen, diese unbewußten, sind nur entstanden,
wenn Menschen eben in einer Gliederung standen – durch die Bluts- und
anderen Bande in der Gliederung standen. Soziale Gruppen haben ein
Verständnis gehabt, soziale Gruppen, nicht die einzelnen; soziale Gruppen, die miteinander gelebt haben. Und aus dem Zusammenleben der Gruppen ist das richtige Soziale entstanden. Im Geist der Menschen hat sich aus der Gruppe heraus das Richtige entwickelt, auch die Demokratie entwickelt, und damit der demokratische Gedanke. Das erreichte seine Kulmination erst im Laufe der Zeit. Der einzelne Mensch trat auf den Plan der Weltgeschichte. Er konnte aber noch mitbringen dasjenige, was die Gruppen gebildet hatten. Es lebte in der Tradition fort.
Das ging auch noch hinein in die juristisch-staatliche Ordnung, aber ging nicht mehr hinein in dasjenige, was vom Menschen losgelöst ist, in die maschinelle, in die industrielle Ordnung. Da greift es nicht an, da geht es nicht mehr hinein. 

het sociale oordeel zou moeten zijn; zij lieten zich inspireren door de priesterschap en namen dit in hun onderbewustzijn op. wat het sociale oordeel zou moeten zijn: zij hebben zich door het priesterschap laten inspireren en dit met het onbewuste begrepen.
Maar deze sociale oordelen, deze onbewuste, zijn alleen ontstaan wanneer mensen juist in een structuur stonden – door de bloed- en andere banden in die structuur stonden. Sociale groepen hadden een inzicht, sociale groepen, niet de individuen; sociale groepen die met elkaar leefden. En uit het samenleven van de
groepen is het juiste sociale ontstaan. In de geest van de mensen heeft zich vanuit de groep het juiste ontwikkeld, ook de democratie, en daarmee de democratische gedachte. Dat bereikte pas in de loop van de tijd zijn hoogtepunt. Het individu trad op het toneel van de wereldgeschiedenis. Hij kon echter nog steeds datgene meebrengen wat de groepen hadden gevormd. Het leefde voort in de traditie.
Dat drong ook nog door in de juridisch-staatsrechtelijke orde, maar drong niet meer door in datgene wat losstaat van de mens, in de machinale, in de industriële orde. Daar grijpt het niet aan, daar dringt het niet meer door.

Nun, so sehen wir, daß notwendig wird, wiederum etwas zu bilden gerade innerhalb der Wirtschafts-, der ökonomischen Ordnung, das jetzt bei vollbewußtem Menschtum ähnlich ist den ursprünglichen sozialen Gruppen. Das habe ich genannt in meinem Buche «Die Kernpunkte der sozialen Frage» die Assoziationen, wo das soziale Urteil nicht aus dem einzelnen hervorgeht, sondern aus dem, was in der Assoziation zusammenlebt, sich zusammen auslebt, in jenen Assoziationen, die die Konsumenten, die Produzenten und die Händler untereinander bilden. So daß man wiederum soziale Gruppen hat, aus denen sich jetzt bei vollem Bewußtsein das Urteil bildet, das der einzelne nicht bilden
kann. Man kann noch so lange über eine Lösung der sozialen Frage
nachdenken, alles Nachdenken ist Unsinn. Sinn hat nur, soziale Gruppen zu bilden, von denen man erwarten kann, daß Partiallösungen der sozialen Frage entstehen, daß die Leute, die zusammen urteilen, etwas bringen, was der Partiallösung der sozialen Frage für irgendeinen Ort und irgendeine Zeit nahe kommt, so daß es sich hineinstellt in die Menschheit.
Das ist dasjenige, was heute besonders notwendig ist, und was man so wenig versteht.

Welnu, zo zien we dat het noodzakelijk wordt om opnieuw iets te vormen
juist binnen de economische orde, dat nu, bij een ten volle bewuste mensheid, vergelijkbaar is met de oorspronkelijke sociale groepen. Dat heb ik in mijn boek „De kernpunten van het sociale leven“ de associaties genoemd, waarin het sociale oordeel niet voortkomt uit het individu, maar uit wat in de associatie samenleeft, zich gezamenlijk ontplooit, in die associaties die de consumenten, de producenten en de handelaren onderling vormen. Zodat men weer sociale groepen heeft, waaruit zich nu met volledig bewustzijn het oordeel vormt dat het individu niet kan vormen. Men kan nog zo lang nadenken over een oplossing voor de sociale kwestie, al dat nadenken is onzin. Het heeft alleen zin om sociale groepen te vormen waarvan men kan verwachten dat er gedeeltelijke oplossingen voor de sociale kwestie ontstaan, dat de mensen die samen oordelen iets opleveren dat de gedeeltelijke oplossing van de sociale kwestie voor een bepaalde plaats en een bepaald tijdstip benadert, zodat het zich in de mensheid nestelt.
Dat is wat vandaag de dag bijzonder noodzakelijk is, en wat men zo weinig begrijpt.

Blz. 209

Ich habe es verspürt, wie wenig man das versteht, als ich im Beginn der neunziger Jahre des vorigen Jahrhunderts meine «Philosophie der Freiheit» erscheinen ließ. Auf einem ganz partiellen Gebiet der sozialen Frage hatte ich das zu empfinden bekommen.
Ich mußte dazumal kurz auch die Frauenfrage berühren als eine soziale Frage, und dazumal – es ist jetzt dreißig Jahre her – sagte ich nicht: So löst man die Frauenfrage, denn das ist ganz gleichgültig, was sich der einzelne heute vorstellt, das kann eine feuilletonistische Bedeutung haben, damit kann man Romane schreiben, aber damit greift man nicht in die Wirklichkeit hinein; deshalb sagte ich dazumal: Man muß ja erst die Frauen ordentlich fragen, wie sie sich das denken, dann kann man aus der Wirklichkeit heraus eine Unterlage gewinnen für dasjenige, was geschehen kann.
Die Frauen waren dazumal nicht in Wirklichkeit gefragt; denn die paar Frauen, die bis dahin gesprochen hatten, die hatten ja nur Männerurteile gefällt, indem sie die Männerart, die immer geherrscht hat von der untersten Volksschulklasse bis in die Universitäten hinauf, einfach angewendet haben.

Ik heb ervaren hoe weinig begrip hiervoor bestaat toen ik begin jaren 1890 mijn “Filosofie van de Vrijheid” publiceerde. Ik had dit gevoeld op een heel specifiek gebied van de maatschappelijke kwestie.
Destijds moest ik ook kort ingaan op de vrouwenkwestie als maatschappelijke kwestie, en toen – dat is nu dertig jaar geleden – zei ik niet: “Zo los je de vrouwenkwestie op,” want wat het individu zich vandaag de dag voorstelt, is volkomen irrelevant; het mag dan journalistieke betekenis hebben, je kunt er romans mee schrijven, maar je pakt er de realiteit niet mee aan. Daarom zei ik destijds: “Je moet vrouwen eerst goed vragen hoe zij het voor zich zien, dan kun je vanuit de realiteit een basis vinden voor wat er gedaan kan worden.” Vrouwen werden destijds niet echt geraadpleegd; want de weinige vrouwen die zich tot dan toe hadden uitgesproken, hadden alleen mannelijke oordelen geveld, simpelweg de mannelijke manier van denken toegepast die altijd had geheerst, van de laagste klas van de basisschool tot aan de universiteit.

Diese Frauen haben gar nicht das soziale Urteil in das soziale Gefüge einfügen wollen. Sie haben gar nicht gefragt, wie das soziale Leben herauskommt, nachdem wie der Rock ausschaut, den man anzuziehen hat; sie haben gestrebt darnach – verzeihen Sie, daß ich das erwähne, wenn es auch in England sonst verpönt ist -, sie haben gestrebt darnach, nun auch Beinkleider anzuziehen wie die Männer, haben gestrebt, geradeso nun auch Mediziner, Juristen, Kleriker und Schulmeister zu werden, wie die Männer geworden sind; nicht, das Frauenhafte einzufügen in den sozialen Organismus, nicht die Wirklichkeit
zu nehmen, sondern von einer Theorie auszugehen. Denn die Theorie ist bis zur größten Unfruchtbarkeit in der heutigen Zeit heraufgebracht. Auch das muß man einsehen, daß man sich nicht theoretisch ein Urteil bilden soll in der Frauenfrage, sondern erst einmal die wirklichen Frauen hören. Denn um die Wirklichkeit handelt es sich.
Und so in der ganzen sozialen Frage, nicht wiederum theoretisch beantworten: Wie muß sich Unternehmer und Arbeiter stellen? Wie muß die Fabrik gegliedert werden in der sozialen Beziehung? – sondern einmal die richtigen Assoziationen, die richtigen Menschengruppen zu

Deze vrouwen wilden zelfs geen maatschappelijke oordelen in het sociale weefsel integreren. Ze vroegen zich niet af hoe het sociale leven eruit zou zien afhankelijk van het soort rok dat men moest dragen; ze streefden ernaar – vergeef me dat ik dit zeg, ook al wordt het in Engeland afgekeurd – om een ​​broek te dragen zoals mannen, om arts, advocaat, geestelijke of leraar te worden, net als mannen; niet om het vrouwelijke in het sociale organisme te integreren, niet om de realiteit als uitgangspunt te nemen, maar om uit te gaan van een theorie. Want theorie is in onze tijd volkomen steriel geworden. Het moet ook erkend worden dat men geen theoretisch oordeel moet vellen over de vrouwenkwestie, maar eerst moet luisteren naar echte vrouwen. Want daar gaat het om.
En dus moet men in de hele maatschappelijke kwestie niet theoretisch antwoorden: Hoe moeten ondernemers en werknemers zich positioneren? Hoe

moet de fabriek gestructureerd zijn in termen van sociale verhoudingen? – maar eerst moeten de juiste associaties, de juiste groepen mensen,

Blz. 210

bilden, aus denen dann erst die Antwort kommen wird. Die Fragen, die
soll man richtig stellen, und warten, wie aus den Zusammengliederungen
der Menschen dann die Antworten kommen.
Man muß also, wenn man schon Bücher schreiben will, solche Bücher
schreiben, die gar nicht abgeschlossene Antworten geben, sondern die
darauf hinweisen, wie Menschengruppierungen Antworten geben werden, wenn diese Menschen in der richtigen Weise zusammengebracht
sind. Ein Buch muß schon aus sozialer Denkweise und Gesinnung hervorgehen, wenn es die sozialen Impulse in unserer Zeit richtig berühren will. Davon will ich dann in der zweiten Sektion weitersprechen.
Meine Damen und Herren, es ist in der gegenwärtigen Zeit außerordentlich schwierig, über praktisches Denken zu sprechen. Die Menschen glauben alle Realisten zu sein, aber im Grunde genommen trifft man überall krause Theorien, die allerdings dann im Leben drinnen wirken. Um mich ganz verständlich zu machen für dasjenige, was ich hier noch zu sagen haben werde, gestatten Sie mir eine persönliche
Bemerkung.

gevormd worden, waaruit het antwoord dan zal voortkomen.
De vragen die men moet stellen, moet men correct stellen, en vervolgens afwachten hoe de antwoorden uit de groeperingen van mensen naar voren komen.

Daarom moet men, als men boeken wil schrijven, boeken schrijven die geen definitieve antwoorden geven, maar eerder aangeven hoe groepen mensen tot antwoorden zullen komen wanneer ze op de juiste manier bij elkaar worden gebracht. Een boek moet voortkomen uit een sociale manier van denken en een sociale denkwijze om de sociale impulsen van onze tijd werkelijk te kunnen aanspreken. Ik zal dit verder bespreken in het tweede deel.

Dames en heren, het is tegenwoordig buitengewoon moeilijk om over praktisch denken te praten. Iedereen beschouwt zichzelf als realist, maar in feite stuit men overal op ingewikkelde theorieën, die desondanks wel degelijk invloed hebben op het leven. Om mijn standpunt volledig te verduidelijken, sta mij een persoonlijke opmerking toe.

Ich glaube, daß dasjenige, was in bezug auf die Dreigliederung des sozialen Organismus zu sagen ist, allerdings heute aus meinem Buche «Die Kernpunkte der sozialen Frage» gelesen werden kann, gerade außerhalb Deutschlands; aber ich selbst war gedrängt, durch praktisch-wirklichkeitsgemäßes Denken die Dinge anders auszudrücken, als ich einmal die Sache niederschrieb für ein Gebiet außerhalb von Deutschland, für eine schweizerische Zeitschrift. Und da finden Sie dann denjenigen Aufsatz, der jetzt in «The Hibbert Journal» abgedruckt ist. Der ist international geschrieben, weil er von vornherein für alle Menschen geschrieben ist. So faßt man aber heute die Dinge nicht auf. Deshalb muß ich diese persönliche Bemerkung machen, damit die folgenden Dinge, die für die Erfassung des sozialen Lebens in der Gegenwart wichtig sind, damit die folgenden Dinge, die ich zu sagen habe, richtig verstanden werden. Mir ist jede Theorie ganz gleichgültig, und deshalb gilt mir jede
Formulierung von Ideen und Begriffen bloß als eine Sprache, um die
Realität auszudrücken. Wenn ich finde, daß man die Realität

Ik ben ervan overtuigd dat wat er te zeggen valt over de drievoudige structuur van het sociale organisme vandaag de dag nog steeds te lezen is in mijn boek “De kernpunten van het sociale vraagstuk”, met name buiten Duitsland; maar zelf voelde ik me, vanuit een praktische en realistische invalshoek, genoodzaakt de zaken anders te formuleren toen ik ooit voor een Zwitsers tijdschrift schreef, voor een regio buiten Duitsland. Daar vindt u het essay dat nu is gepubliceerd in “The Hibbert Journal”. Het is internationaal geschreven, omdat het van meet af aan voor iedereen bedoeld is. Maar zo worden de zaken tegenwoordig niet meer begrepen. Daarom moet ik deze persoonlijke opmerking maken, zodat de volgende punten, die belangrijk zijn voor het begrijpen van het sociale leven in het heden, correct worden begrepen.
Ik sta volkomen onverschillig tegenover elke theorie, en daarom is elke formulering van ideeën en concepten slechts een taal om de werkelijkheid uit te drukken. Als ik vaststel dat de werkelijkheid wordt uitgedrukt

Blz. 211

mit den Begriffen ausdrückt, die die Materialisten geformt haben, dann
drücke ich das, was als Wirklichkeit zu sagen ist, materialistisch aus.
Finde ich, daß die Idealisten passende Begriffe haben, um irgend etwas wirklich auszudrücken, dann drücke ich es eben idealistisch aus. Mir ist Materialismus, Idealismus, Realismus alles in der Theorie ganz gleich; ich betrachte es als eine Sprache, um die Wirklichkeiten auszudrücken. Daher kann man sehr leicht finden, wenn ich einmal in einer Zeit dasjenige, was ich habe ausführen wollen, mit den Worten Ernst Haeckels ausdrückte, daß gerade die Schriften, die ich in dieser Zeit schrieb, eine Form haben, die Anlaß geben kann, mich einen Materialisten zu nennen; und so kann man Widerspruch über Widerspruch finden.
Allein so ist das Leben, und das kompliziert gewordene Leben der neueren Zeit namentlich. Wenn wir über das Soziale praktisch denken wollen, dann muß man berücksichtigen, daß all das, was wir als Naturalismus, Idealismus, Materialismus, Spiritualismus haben, dem juristisch-logischen Denken enstammt, daß das alles für die Gegenwart nicht mehr paßt; aber ebensowenig paßt «Industrialismus», «Kommunismus», «Sozialismus»

met de concepten die de materialisten hebben ontwikkeld, dan druk ik uit wat als werkelijkheid kan worden beschouwd op een materialistische manier. Als ik  denk dat de idealisten overal passende termen voor hebben om het goed uit te drukken, dan druk ik het idealistisch uit. Materialisme, idealisme en realisme zijn allemaal in theorie hetzelfde. Ik zie het als een taal om realiteiten uit te drukken. Daarom kun je het heel gemakkelijk vinden, toen ik eens wat ik naar voren wilde brengen in de trant van Ernst Haeckels verwoordde, de geschriften die ik toen schreef, een vorm hebben die aanleiding kunnen geven mij een materialist te noemen, en zo kan men tegenspraak na tegenspraak vinden.
Maar dat is het leven, en het leven is ingewikkeld geworden vooral van recentere tijden. Als we praktisch aan het sociale denken willen, dan moet men er rekening mee houden dat alles wat we hebben als naturalisme, idealisme, materialisme, spiritualisme voortkomt uit juridisch-logisch denken, dat dat alles voor het heden niet meer geschikt is; maar ‘industrialisme’, ‘communisme’ en ‘socialisme’ zijn dat ook niet.

Alle diese Dinge sind gut um das eine oder das andere auszudrücken, aber sie sind, wenn man sie als Theorien, Schlagworte, als Agitationsdirektiven nimmt, alle bereits verbraucht.
Deshalb ist es so schwer, Titel zu finden. Ich habe zum Beispiel für meinen morgigen Vortrag einen Titel gewählt, der mir im Grunde ekelhaft ist, weil er im Grunde eben auf alte Schlagworte reflektiert, aber die gelten heute nicht mehr. Heute müssen wir in das wirkliche Leben untertauchen. Das ist nicht ideell, das ist eben real, und das fordert angesehen zu werden von den verschiedensten Gesichtspunkten.
Ich habe es schon gesagt: Den Baum photographiert man von der einen Seite = «Materialismus»; den Baum photographieren wir von der anderen Seite = «Idealismus»; den Baum photographiert von der dritten Seite = «Naturalismus». Man photographiert das soziale Leben von der einen Seite = «Sozialismus»; von der anderen Seite = «Autokratie»; von der dritten Seite = «Kommunismus». Aber all das sind nicht Dinge, mit denen man heute operieren sollte. Man hat eben nicht heute einen richtigen Instinkt dafür, Begriffe zu finden, die aus dem heutigen 

Al deze dingen zijn goed om het een of ander uit te drukken, maar als je ze beschouwt als theorieën, slogans of richtlijnen voor agitatie, zijn ze allemaal al lang achterhaald. Daarom is het zo moeilijk om titels te vinden. Ik heb bijvoorbeeld een titel voor mijn lezing van morgen gekozen waar ik fundamenteel een hekel aan heb, omdat die in wezen oude slogans weerspiegelt, maar die zijn niet langer geldig. Vandaag moeten we ons verdiepen in de realiteit. Dit is niet idealistisch; het is de realiteit en het vraagt ​​erom vanuit een breed scala aan perspectieven bekeken te worden.
Zoals ik al zei: Je fotografeert een boom van één kant = “Materialisme”; we fotograferen een boom van een andere kant = “Idealisme”; de boom wordt van een derde kant gefotografeerd = “Naturalisme”. Je fotografeert het sociale leven van één kant = “Socialisme”; van een andere kant = “Autocratie”; van een derde kant = “Communisme”. Maar geen van deze dingen zijn zaken waarmee je vandaag de dag zou moeten werken. Men beschikt tegenwoordig simpelweg niet over het juiste instinct om concepten te vinden die moeten worden afgeleid uit het hedendaagse 

Blz. 212

Leben, das überall durchsetzt ist von Industrialismus, gewonnen werden müssen.
Man sollte nur sich überlegen, wie intensiv das Leben gewirkt hat in den verflossenen Menschheitsepochen. Theokratie war
einmal so intensiv allem sozialen Leben aufgedrückt, daß auch das
ökonomische, wie ich vorgestern sagte, unmittelbar aus den theokratischen Direktiven herauswuchs. Da geht es aber nur bis zu der Landwirtschaft. Die Landwirtschaft läßt sich in einen sozialen Organismus
voll hineingliedern, der theokratisch gedacht ist, denn es lebt im menschlichen Herzen, Grund und Boden mit dem Theokratischen zusammenzubringen. Fragen Sie den Menschen, der mit dem Lande, mit dem
Grund und Boden zusammengewachsen ist, was ihm das Brot ist. Das
Brot ist ihm in erster Linie eine Gabe Gottes. Da sehen Sie im Wortgebrauche dasjenige, was er auf dem Tische hat, zusammenhängen mit
demjenigen, was er in der Theokratie erlebt.
Und dann bilden sich die sozialen Ordnungen, die ich vorgestern
auseinandergesetzt habe, die begründet sind auf das Händlertum, auf
das Gewerbe. Die Frage der Arbeit tritt auf. Ich habe es vorgestern
in seiner Entstehung im Römertum zu erörtern gesucht. Und dann tritt
auf ein ganz anderes Denken.

leven, dat overal doordrongen is van industrialisme.
Men moet bedenken hoe intens het leven in vroegere tijdperken van de mensheid is gevormd. De theocratie werd ooit zo sterk opgelegd aan het hele sociale leven dat zelfs de economische sfeer, zoals ik eergisteren al zei, rechtstreeks voortvloeide uit theocratische richtlijnen. Maar dit geldt slechts voor de landbouw. ​​Landbouw kan volledig worden geïntegreerd in een sociaal organisme dat theocratisch is opgevat, want het zit in het menselijk hart om land en bodem te verbinden met het theocratische. Vraag iemand die verweven is met het land, met de grond en de bodem, wat brood voor hem of haar betekent. Brood is in de eerste plaats een geschenk van God. Daar zie je in de manier waarop mensen woorden gebruiken wat ze op hun tafel hebben, verbonden met wat ze ervaren in de theocratie.

En dan ontstaan ​​de sociale ordeningen waarover ik eergisteren sprak, die gebaseerd zijn op handel en commercie. De kwestie van arbeid komt op. Ik probeerde eergisteren de oorsprong ervan in de Romeinse tijd te bespreken. En dan ontstaat er een compleet andere manier van denken.

Alle Begriffe, die wir haben, Eigentum, menschliches Recht gegenüber menschlichem Recht, bekamen damals eine juristisch-dialektisch-logische Färbung. «Gott hat es gewollt», das war die soziale Devise der Theokratien. «Menschen haben es untereinander abzumachen» – das wurde die soziale Devise in der juristisch-staatlichen Ordnung.
Und das wirkte so intensiv, daß es allem Leben den Stempel aufdrückte. Nicht nur, was ich vorgestern gesagt habe, daß die Theosophie eine Theologie wurde, sondern viel intensiver noch ging das in das Leben hinein.
Bitte, sehen Sie sich das grandiose Bild an, das heute in der Sixtinischen Kapelle in Rom von Michelangelo gemalt ist: Christus, der Weltenrichter, aus der Zeit heraus, in der am intensivsten das juristisch-staatliche Leben alles erfaßt hat. Aber ein religiöses Geheimnis sollte an die Wand gemalt werden der religiösen zentralen Wirkungsstätte.
Glauben Sie, wenn man aus dem alten orientalischen Theokratismus den Christus gemalt hätte, der wäre so geworden, wie ihn Michelangelo
gemalt hat?

Alle concepten die we kennen – eigendom, mensenrechten – kregen in die tijd een legalistisch-dialectisch-logische tint. “God heeft het zo gewild”, dat was het maatschappelijke motto van theocratieën. “Mensen moeten het zelf maar uitzoeken” – dat werd het maatschappelijke motto in de legalistische staatsorde.
En dit had zo’n diepgaande invloed dat het zijn stempel drukte op het hele leven. Niet alleen, zoals ik eergisteren al zei, werd de theosofie een theologie, maar ze doordrong het leven zelf nog intenser.
Kijk vandaag de dag eens naar het magnifieke schilderij dat Michelangelo in de Sixtijnse Kapel in Rome heeft gemaakt: Christus, de Rechter van de Wereld, uit de tijd dat het legalistische leven alles intens beheerste. Maar een religieus mysterie moest worden geschilderd op de muur van de centrale religieuze sfeer. Denkt u dat als iemand Christus had geschilderd vanuit het perspectief van de oude oosterse theocratie, hij er zo uit zou hebben gezien als Michelangelo hem heeft geschilderd?

Nimmermehr! Er wäre derjenige geworden, der in irgendeiner Weise die Weltengaben, die Gnaden, die der Mensch erhalten kann, mit segnenden Händen hinunterreicht, und der wäre der Weltengott geworden, der den Menschen segnend gibt.
Was ist der Christus auf dem Bilde von Michelangelo? Der Weltenrichter, der große Weltenjurist, der die Guten belohnt, die Bösen bestraft. Das ganze Bild ist juristisch, ist getaucht in die Zeit, aus der es herausgeboren ist. Das ganze soziale Impulsieren der Zeit schaut man in diesem Bilde noch künstlerisch an. Die einstmalige Anschauung der Götterwelt, wo Gott eben Gott war, hat sich so verwandelt, daß die Welt-Anschauung eine Welt-Jurisprudenz geworden ist. Gott ist der große Jurist auf dem Bilde des Michelangelo. Jurisprudenz zieht sich hinein in die intimsten Fäden des Denkens, auch der Religion. Die Religion wird eine Empfindung desjenigen, was gerecht, ungerecht, gut und böse ist, und wie das zu belohnen oder zu bestrafen ist. Die Welt geht nicht aus in etwas, wohinein sie gegangen ist im alten Oriente: Wiedervereinigung der Menschheit mit der göttlichen Substanz, sondern die Welt naht sich an ihrem Ende der großen juristischen Session, wo juristisch entschieden wird über das Schicksal der Welt.

Absoluut niet! Hij zou degene zijn geworden die, op een of andere manier, met zegenende handen de gaven van de wereld uitreikt, de genade die de mens kan ontvangen, en hij zou de wereldgod zijn geworden die de mens zegent.
Wat is Christus in Michelangelo’s schilderij? De rechter van de wereld, de grote wereldjurist, die het goede beloont en het kwade straft. Het hele schilderij is legalistisch, doordrenkt van de tijd waarin het is ontstaan. De hele maatschappelijke impuls van die tijd wordt nog steeds artistiek weergegeven in dit schilderij. De vroegere opvatting van de wereld van de goden, waar God simpelweg God was, is zodanig getransformeerd dat het wereldbeeld een wereldrechtspraak is geworden. God is de grote jurist in Michelangelo’s schilderij. Rechtspraak strekt zich uit tot de meest intieme denkprocessen, waaronder religie. Religie wordt een gevoel van wat rechtvaardig, onrechtvaardig, goed en kwaad is, en hoe dit te belonen of te straffen. De wereld gaat niet verder zoals in het oude Oosten, namelijk de hereniging van de mensheid met de goddelijke substantie, maar de wereld nadert juist haar einde, de grote rechtszitting waar het lot van de wereld op juridische wijze zal worden beslist.

Michelangelo hat so gemalt. Adam Smith hat so gedacht. Aber er hat gedacht nach der anderen Seite hin. Michelangelo hat gemalt nach der Seite der Theokratie hin, und die theokratische Ordnung ist ihm als Künstler in die juristische hineingerutscht. Adam Smith hat ganz juristisch gedacht; Ricardo ebenso und noch Karl Marx ebenso, und sie wollten dieses juristische Denken über die neue industrielle Ordnung stülpen, die nun nicht mehr den Menschen so hinstellt, wie die früheren Ordnungen den Menschen hingestellt haben.
Der Mensch in der theokratischen Ordnung war hingestellt zum Boden, zum Grund und Boden; mit dem war er zusammengewachsen.
Und er fühlte, wie er mit diesem Boden zusammenwachsen kann, wenn eben die theokratische soziale Ordnung hinter ihm ist. Das Zentrum, der Mittelpunkt, war die Stätte, wo die Inspirierten die Direktive abgaben, was in späterer Zeit das Dorf wurde mit dem umliegenden Grund und Boden und mit der Kirche. Im Laufe der menschheitlichen Entwickelung kam die Stadt.

Michelangelo schilderde zo. Adam Smith dacht zo. Maar hij dacht in de tegenovergestelde richting. Michelangelo schilderde in de richting van de theocratie, en de theocratische orde vloeide voor hem als kunstenaar over in de juridische. Adam Smith dacht volledig in juridische termen; Ricardo en Karl Marx ook, en zij wilden dit legalistische denken opleggen aan de nieuwe industriële orde, die mensen niet langer op dezelfde manier positioneerde als voorgaande orden.
In de theocratische orde was de mens verbonden met de aarde, met het land; hij was er één mee. En hij voelde hoe hij samen met deze aarde kon groeien wanneer de theocratische maatschappelijke orde achter hem stond. Het centrum, het brandpunt, was de plek waar de geïnspireerden de richtlijnen uitvaardigden, wat later het dorp werd met het omliggende land en de kerk. In de loop van de menselijke ontwikkeling ontstond de stad.

Blz. 214

Die Stadt ist aus der sozialen Ordnung der Jurisprudenz heraus entstanden. Jetzt hat man nicht den Gegensatz Bauer und Priester, jetzt hat man den Gegensatz Stadt und Land.
Das ist aber ganz in juristische Kategorien hinein verwebt. Aus diesen juristischen Kategorien heraus haben aber auch noch diejenigen gedacht, die dann den sozialen Organismus Stadt und Land zusammenfaßten als Staat; so haben sie auch noch gedacht von Adam Smith und John Stuart Mill bis Karl Marx. Da herrschen überall abstrakte, juristische Kategorien, wenn sie auch kritisch behandelt werden bei Karl Marx – bei Adam Smith positiv, bei Karl Marx negativ -, aber er arbeitet ganz in juristischen Begriffen. Diese juristischen Begriffe sind Allgemeingut geworden jetzt derjenigen Menschheit, die mit nichts mehr verknüpft ist.
Der Bauer war verknüpft mit dem Grund und Boden. Der Händler, der Gewerbetreibende war verknüpft mit dem anderen Menschen. Man studiert das nur nicht ordentlich, wie der Mensch dem anderen Menschen wert wurde, wenn er ihm etwas kaufte oder verkaufte, das er selber verfertigt hatte, mit dem er noch zusammenhing.

De stad is voortgekomen uit de maatschappelijke orde van de rechtsgeleerdheid. Nu bestaat het contrast niet langer tussen boer en priester, maar tussen stad en platteland.
Dit is volledig verweven met juridische categorieën. Degenen die vervolgens het maatschappelijke organisme van stad en platteland tot de staat combineerden, dachten ook vanuit deze juridische categorieën; zo dachten Adam Smith en John Stuart Mill tot Karl Marx ook nog. Abstracte, juridische categorieën overheersen overal, zelfs als Karl Marx ze kritisch behandelt – positief door Adam Smith, negatief door Marx – maar hij werkt volledig in juridische termen. Deze juridische termen zijn nu gemeengoed geworden van die mensheid die nergens meer mee verbonden is. De boer was verbonden met het land. De koopman, de handelaar, was verbonden met andere mensen. Maar men onderzoekt niet goed hoe iemand waardevol werd voor een ander toen hij iets kocht of verkocht dat hij zelf had geproduceerd, iets waarmee hij nog steeds een band had.

Da war maßgebend dasjenige, was juristisch gedacht war. Da war maßgebend für
den gerechten Preis dasjenige, was von Mensch zu Mensch wirkt, was sich abspielte zwischen Stadt und Land, die Gegenseitigkeit, dasjenige, was Mensch und Mensch untereinander abzumachen haben.
Nun kam die Zeit, wo die Menschheit der Maschine, der Technik gegenüberstand. Der Mensch insbesondere, der nun hineingestellt ist in die maschinelle Welt, der ist herausgerissen aus allen früheren Verhältnissen, hängt nicht mehr mit Grund und Boden zusammen, hängt nicht mehr zusammen mit dem, was gegenseitig spielte zwischen Mensch und Mensch, in der Zeit, wo Handel und Gewerbe dominierten. Er ist auf seine Menschlichkeit gestellt.
Und dabei ist das so, daß sich die soziale Struktur mit großer Abstraktheit entwickelt. Der Unternehmer steht da, und er hat im Grunde genommen bloß die Möglichkeit, mit der Bilanz zu rechnen, mit demjenigen zu rechnen, was sich ergibt aus der Unternehmung, denn alle übrigen Faktoren entziehen sich seiner Beobachtung. Er steht ja gar nicht mehr in Beziehung zum Menschen; er steht in Beziehung zu dem,

In die context was de juridische opvatting de doorslaggevende factor. Wat een eerlijke prijs betreft, was de interactie tussen individuen – de dynamiek tussen stad en platteland, de wederkerigheid en de onderlinge afspraken – het bepalende element.
Toen brak het tijdperk aan waarin de mensheid geconfronteerd werd met de machine en de technologie. Vooral het individu – nu geplaatst in deze gemechaniseerde wereld – werd losgerukt van alle voorgaande contexten; niet langer gebonden aan het land, noch verbonden met de wederkerige menselijke interacties die kenmerkend waren voor het tijdperk waarin handel en commercie de boventoon voerden, hij werd teruggeworpen op zijn eigen menselijkheid.

Tegelijkertijd ontwikkelde de sociale structuur zich op een zeer abstracte manier. De ondernemer stond daar, in wezen zonder andere keuze dan te rekenen op basis van de balans – op de cijfers die de onderneming zelf opleverde – omdat alle andere factoren buiten zijn blikveld lagen.
Hij staat immers niet langer in een verhouding tot de mens; hij staat in een verhouding tot datgene

Blz. 215

 was vom Menschlichen in die Bücher hineingegangen ist. Deshalb wird man gerade von sogenannten Praktikern heute außerordentlich schwer verstanden mit einem wirklich richtigen Denken. Das konnte sich herausstellen, als versucht wurde im Praktischen etwas zu begründen, was wiederum hineinarbeitet ins konkrete Leben, wo diejenigen, die etwas leiten, nicht bloß nach den Büchern leiten, sondern in den wirklichen konkreten Unternehmungen mit ihrem Denken drinnenstehen. Aber man fand keine Mitarbeiter. Die Mitarbeiter, die stellten sich in der Mehrzahl hin und sagten: Das ist der Theoretiker, der denkt etwas aus; wir sind die Praktiker. Wir als Praktiker wissen, wie es ist. – Aber was hatten diese Praktiker im Kopfe? Ein paar Begriffe, ganz theoretische Begriffe, aus denen heraus sie sich einbildeten,
wie es gerade zunächst da und dort sein muß just. Das waren ja die Philosophen, aber die Philosophen von den wenigen Begriffen, die sich just aus einer Ecke des ökonomischen Lebens heraus ein paar Begriffe bildeten bloß, und nun breit sagten: Diese theoretischen Begriffe, das ist die Praxis, und wenn irgend jemand mit etwas anderem kommt, dann versteht er halt gar nichts von allem.

wat vanuit de mens in boeken is overgegaan. Daarom is het tegenwoordig buitengewoon moeilijk om begrepen te worden – vooral door zogenaamde beoefenaars – wanneer men zich bezighoudt met werkelijk juist denken.
Dit bleek toen men probeerde iets op praktisch vlak te realiseren – iets dat direct zou ingrijpen in de concrete werkelijkheid, waarin leidinggevenden niet slechts volgens het boekje werken, maar zich met hun eigen denkvermogen actief inzetten voor de daadwerkelijke, concrete taken. Toch waren er geen medewerkers te vinden. De meeste potentiële medewerkers namen het standpunt in: “Hij is de theoreticus; hij bedenkt van alles, terwijl wij de praktijkmensen zijn. Wij praktijkmensen weten hoe de vork werkelijk in de steel zit.” Maar wat hadden deze praktijkmensen eigenlijk voor ogen? Enkele begrippen – louter theoretische begrippen – op basis waarvan ze zich precies voorstelden hoe de zaken in dit of dat specifieke geval moesten verlopen. In feite waren het filosofen – maar dan van het soort dat slechts over ‘enkele begrippen’ beschikt; mensen die zich een handvol ideeën hadden gevormd op basis van slechts één deelgebied van het economisch leven en vervolgens luidkeels verkondigden: “Deze theoretische begrippen zijn de praktijk; en wie met iets anders aankomt, begrijpt er simpelweg niets van.”

Es ist deshalb so ungeheuer schwer, heute mit «praktischem» Denken in der Welt etwas anzufangen, weil die Praktiker alle Theoretiker sind, und zwar die abstraktesten Theoretiker.
Und so haben wir durchaus heute den Menschen dastehen, den Menschen aller Stände dastehen, denn auch die Begriffe «Bourgeoisie» und «Proletariat», «Arzttum» und «Priestertum», sie sind durchaus heute alle nicht mehr gültig. Wir können mit diesen alten Begriffsscheidemünzen nichts mehr anfangen. Denn wenn wir realistisch urteilen – verzeihen Sie, daß ich das ohnedies schon totgetretene Bild noch einmal gebrauche -, ich konnte wirklich, als ich unserem verehrten Mitvorsitzenden in den Straßen begegnete mit Talar und Barett, nicht mehr unterscheiden: ist er ein Priester oder ist er etwas anderes. Es gelingt nicht, die Dinge auseinanderzuhalten, weil wir im Leben drinnen mit den festgewordenen Begriffen stehen.
Wir müssen alles wiederum in Bewegung bringen, müssen untertauchen in das Leben, müssen nun sehen, wie der Industrialismus geworden ist, wie er sich abgelöst hat vom Menschen. In jedem Türschloß 

Het is tegenwoordig zo ongelooflijk moeilijk om iets in de wereld te bereiken door middel van “praktisch” denken, omdat de “beoefenaars uit de praktijk” stuk voor stuk theoretici zijn – en dan nog wel de meest abstracte theoretici.
En zo zien we vandaag de dag mensen – mensen uit alle lagen van de bevolking – voor ons staan; want de begrippen “bourgeoisie” en “proletariaat”, “arts” en “priester” zijn niet langer geldig. We kunnen niets meer aanvangen met dit oude, versleten begrippenarsenaal. Want als we realistisch oordelen – vergeef me dat ik een metafoor gebruik die al tot vervelens toe is herhaald –: toen ik onze gewaardeerde medevoorzitter op straat tegenkwam, gekleed in zijn priestergewaad en met zijn baret op, kon ik werkelijk geen onderscheid meer maken of hij nu priester was of iets anders. Het is onmogelijk om deze zaken nog van elkaar te scheiden, omdat we in ons werkelijke leven gebonden zijn aan begrippen die star zijn geworden.
We moeten alles weer in beweging brengen; we moeten ons in het leven onderdompelen en waarnemen hoe het industrialisme zich heeft ontwikkeld en hoe het zich van de mens heeft losgemaakt. In een deurslot

Blz. 216

ebenso wie in der gotischen Kirche war früher etwas Menschliches darinnen. Davon strahlten die sozialen Impulse aus.
In dem, was heute der Arbeiter in der Fabrik macht, und in dem, was der Architekt aufführt als Warenhaus in seiner ästhetischen Scheußlichkeit – die aber der Gegenwart gerade richtig angemessen ist, denn das Warenhaus ist der Stil, der Baustil der Gegenwart -, in dem drückt sich gar nichts mehr aus, was in irgendeiner Beziehung zum Menschen steht. Darum brauchen wir etwas, was wieder ausstrahlt von innen.
Vom Grund und Boden strahlte das Essentielle des Geistes so aus, daß der Mensch sagte: Was mir der Grund und Boden gibt, das Brot, das ist eine Gabe Gottes. Ja, meine Damen und Herren, es wuchs die Theokratie nicht nur vom Himmel auf die Erde herunter, es wuchs die Theokratie mit jedem Weizenhalm aus dem Boden heraus. Das lebte doch in den menschlichen Seelen. Und später, indem der Mensch dasjenige, was er erworben hatte, dem anderen abgab, begründete sich in Handel und Gewerbe ein menschliches Verhältnis.

zat, net als in een gotische kerk, ooit een menselijk element; daarvan gingen sociale impulsen uit.
In wat de fabrieksarbeider vandaag de dag doet, en in het warenhuis dat de architect optrekt – met zijn esthetische afzichtelijkheid, die niettemin perfect past bij het huidige tijdperk (want het warenhuis is de bouwstijl van onze tijd) – komt niets tot uitdrukking dat ook maar enige relatie heeft met de mens. Daarom hebben we iets nodig dat weer vanuit het innerlijke naar buiten toe uitstraalt.
De wezenlijke aard van de geest straalde op zo’n wijze uit de bodem op, dat de mens zei: “Wat de bodem mij schenkt – het brood – is een gave van God.” Ja, dames en heren, de theocratie daalde niet slechts vanuit de hemel op aarde neer; ze groeide met elke tarwehalm uit de grond omhoog. Dat was een levende werkelijkheid in de menselijke ziel. En later, toen de mens doorgaf wat hij had verworven, ontstond er door handel en verkeer een menselijke verhouding.

Ein menschliches Verhältnis aber zur Maschine — es ist unmöglich.
Die Maschine ist kalt, lebt kalt da. Und wir kommen nicht zu einer sozialen Urteilsbildung, weil wir nicht verstehen, dem Menschen von ganz woanders her nun einen menschlichen Inhalt zu geben, der aus der Maschine nicht so hervorkommen kann, wie aus dem Grund und Boden. Aus dem Grund und Boden wachsen Weizenhalme hervor, die eine Gabe Gottes sind für den Menschen; aus Handel und Gewerbe wächst das hervor, was zwischen Mensch und Mensch spielt, wo der Mensch das Gefühl hat: Du mußt anständig sein zu dem anderen, aus der Maschine wächst nicht gerade eine Gabe Gottes hervor; aber auch mit dem Anstand gegenüber der Maschine geht es nicht recht. Und so
braucht gerade ein solches Zeitalter, das vom Industrialismus durchsetzt ist, einen Menscheninhalt, der nun nicht von dieser Erde ist, der gar nicht von dieser Erde ist, der die Seelen erfüllt aus der spirituellen Welt heraus.
So lange die Erde dem Menschen die Spiritualität gegeben hat, brauchte man nicht in freier Geistigkeit die Spiritualität zu erringen.
So lange noch stark war das Gefühl von Mensch zu Mensch, brauchte man nicht in freier Geistigkeit die Spiritualität zu erringen.

Toch is een menselijke verhouding tot de machine onmogelijk.
De machine is koud; ze bestaat in een koude afzondering. En we slagen er niet in
tot een maatschappelijk oordeel te komen, omdat we niet begrijpen hoe we
de mens kunnen doordringen van een menselijke inhoud die uit een totaal
andere bron voortkomt – iets wat niet op dezelfde wijze uit de machine
kan voortkomen als uit de bodem. Uit de bodem groeien tarwestengels, een geschenk van God aan de mensheid; uit handel en verkeer ontstaat datgene wat zich tussen mensen afspeelt – waarbij men voelt: “Ik moet de ander met fatsoen behandelen” – terwijl de machine niet bepaald een geschenk van God oplevert; evenmin is het begrip fatsoen echt van toepassing op onze omgang met de machine. Zo heeft een tijdperk dat door het industrialisme wordt beheerst, in het bijzonder behoefte aan een menselijke inhoud die niet van deze aarde is – ja, die zelfs helemaal niet van deze aarde is – maar de ziel vanuit de geestelijke wereld vervult.
Zolang de aarde de mensheid van spiritualiteit voorzag, was er geen noodzaak om deze door middel van vrije geestelijke activiteit te verwerven.
Zolang het gevoel van verbondenheid tussen mensen sterk bleef, was er geen noodzaak om spiritualiteit door middel van vrije geestelijke activiteit te verwerven.

Blz. 217 

Heute sind wir darauf angewiesen, nachdem die Natur, die die Gaben Gottes
gibt, sich zum großen Teil umgewandelt hat in die Welt der Produktionsmittel, die vom Menschen in abstrakter Weise als eine zweite Natur geschaffen worden ist, heute brauchen wir zu den Produktionsmitteln die Welt der freien Geistigkeit, die uns einen Inhalt gibt.
Mit diesem Inhalt kommt man auch heran an diejenigen, mit denen man zusammen Assoziationen bilden will. Sehen Sie, ich habe gerade von Dornach, wo wir auch ein kleines Arbeiterheer, eine kleine Arbeiter-Kompagnie haben, neuere Erfahrungen. Diese Arbeiter, die wollen nicht nur arbeiten, sie wollen auch etwas Menschliches haben. Und man ist ja auch darauf gekommen, Arbeitern etwas Menschliches zu geben. Aber man spricht ihnen von allerlei ökonomischen Dingen, von Kapitalismus, Sozialismus, Bourgeoisismus, Kommunismus und so weiter. Man glaubt anfangs, daß das die Leute packt. Und die Arbeiterführer glauben am meisten, daß sie den Leuten nur davon sprechen
sollten.

Vandaag de dag zijn we hiervan afhankelijk: nu de natuur – die Gods gaven schenkt – grotendeels is veranderd in een wereld van productiemiddelen (door de mens in abstracte zin geschapen als een ‘tweede natuur’), ​​hebben we naast deze productiemiddelen een sfeer van vrije spiritualiteit nodig die ons van inhoud voorziet.
Juist door die inhoud kan men werkelijk verbinding maken met de mensen met wie men zich wil verenigen. Ik heb onlangs ervaring opgedaan in Dornach, waar we een klein personeelsbestand hebben – een kleine groep arbeiders. Deze arbeiders willen niet alleen maar werken; ze verlangen ook naar iets dat hun mens-zijn aanspreekt. Men heeft wel degelijk ingezien dat het nodig is om arbeiders iets menselijks te bieden. Toch spreekt men met hen over allerlei economische kwesties: kapitalisme, socialisme, de bourgeoisie, communisme, enzovoort. Aanvankelijk denkt men dat dergelijke onderwerpen hun interesse zullen wekken; sterker nog, juist de arbeidersleiders zijn ervan overtuigd dat dit de enige onderwerpen zijn die met de arbeiders besproken moeten worden.

Nun, ich fing auch zunächst an – als ich zum Schluß diese Sache selbst in die Hand nehmen mußte in Dornach -, ich fing auch zunächst an, mehr über ökonomisches zu sprechen. Eines Tages tauchte aus der Masse der Arbeiter, die ich jedesmal das Thema selber geben lasse am Beginn der Stunde, ich rede unter diesen Leuten nicht über ein Thema, das ich selbst wähle, sondern ich lasse mir das Thema sagenam Anfang der Stunde und rede dann über das Thema – es stand einer auf, der zog unsere Zeitschrift «Die Drei» aus der Tasche und sagte, er wolle wissen, wie das eigentlich wäre, als die Erde noch ein Mond war, also unter einer ganz anderen Entwickelung stand. Und seit jener Zeit entwickelte sich die Sache so, daß über das Wesen des Menschen, über die Eingliederung des Menschen in den Kosmos, auf die Weise, wie sie die Dinge verstehen, gesprochen wird. Ich konnte unter Proletariern heute schon, denken Sie sich, so daß sie es als selbstverständlich ansehen, von den Einflüssen aus den Tierkreisrichtungen sprechen.
Wir müssen erst die Möglichkeit finden, zu erkennen, was in den anderen drinnensitzt an Seelischem und Geistigem und was in uns drinnen sitzt, wenn wir uns zusammensetzen wollen mit ihnen in den Assoziationen.

Welnu, om te beginnen – toen ik deze zaak in Dornach uiteindelijk zelf ter hand moest nemen – begon ik met meer over economische vraagstukken te spreken. Op een dag stond er een man uit de groep arbeiders op – ik liet hen aan het begin van de bijeenkomst altijd zelf het onderwerp kiezen; ik sprak deze mensen niet toe over een onderwerp dat ik zelf had uitgekozen, maar liet hen aan het begin het thema aandragen en sprak daar vervolgens over – hij haalde ons tijdschrift *Die Drei* uit zijn zak en zei dat hij wilde weten hoe het eigenlijk was toen de Aarde nog een maan was; dat wil zeggen, toen ze een totaal andere evolutiefase doormaakte. Vanaf dat moment ontwikkelden de gesprekken zich in de richting van de aard van de mens en de inbedding van de mens in de kosmos, op een wijze die aansloot bij hun eigen begripsvermogen. Ik ben inmiddels zover dat ik met proletariërs kan spreken – en zij beschouwen dat als heel vanzelfsprekend – over de invloeden die vanuit de richtingen van de dierenriem komen.
We moeten eerst een manier vinden om de ziel en de geest in anderen te herkennen, evenals datgene wat in onszelf leeft, als we met hen in de verenigingen aan tafel willen zitten.

Blz. 218

Wir müssen die Klüfte überbrücken, die sich gebildet haben. Das ist dasjenige, was die erste Anforderung ist.
Daher ist die soziale Frage in ihrem tiefsten Sinne zuallererst eine geistige Frage: Wie breiten wir eine einheitlich wirkende Geistigkeit unter den Menschen aus? Dann werden wir auf wirtschaftlichem Gebiete uns in Assoziationen zusammenfinden können, aus denen heraus sich erst die soziale Frage in einer konkreten Weise wird gestalten und partiell – muß ich immer sagen – lösen lassen.
Aber wir denken heute noch ganz in den alten Kategorien. Wir bilden juristisches Denken, aber wir bilden noch nicht ökonomisches Denken, weil – so paradox es klingt – ökonomisches Denken bedeutet: inmFreiheit denken. Man braucht gerade in der Zeit, in der eine zweite Natur in den Produktionsmitteln aufgetaucht ist, in dieser Zeit, wo der Geist aus den Arbeitsmitteln, aus den Produktionsmitteln ganz gewichen ist, braucht man gerade eine Geistigkeit, die nun nicht geschöpft ist mehr aus der Natur, die nicht geschöpft ist in der Weise, wie sie in der Theokratie geschöpft wurde aus demjenigen, was noch mehr physisch im Menschen lebte, sondern die frei errungen ist, und die aber
einen Inhalt hat.

We moeten de kloven overbruggen die zijn ontstaan. Dat is de eerste vereiste.
Daarom is de sociale kwestie, in haar diepste zin, allereerst een spirituele kwestie: hoe verspreiden we een spiritualiteit die verbindend werkt tussen mensen? Pas dan zullen we in staat zijn ons in de economische sfeer te verenigen in associaties – associaties van waaruit de sociale kwestie concrete vorm kan krijgen en – dat moet ik er altijd bij zeggen – gedeeltelijk kan worden opgelost.
Toch denken we vandaag de dag nog volledig in de oude categorieën. We ontwikkelen weliswaar juridisch denken, maar nog geen economisch denken, omdat – hoe paradoxaal het ook klinkt – economisch denken betekent: denken in vrijheid. Juist in een tijd waarin een “tweede natuur” is ontstaan ​​in de productiemiddelen – een tijd waarin de geest volledig is geweken uit de arbeidsinstrumenten en de productiemiddelen – hebben we behoefte aan een spiritualiteit die niet langer aan de natuur wordt ontleend, en ook niet – zoals in de theocratie – aan datgene wat meer fysiek in de mens leefde, maar aan een spiritualiteit die in vrijheid wordt verworven – en die toch substantie bezit.

Ich weiß, daß das heute den Menschen gerade am Allerutopistischesten
klingt, es ist aber das Allerpraktischeste. Sie können noch so viele soziale
Gemeinschaften gründen, noch so viele Vereinigungen in die Welt
schaffen, noch so viele Gewerkschaften und Genossenschaften schaffen – mit den Begriffen, mit dem Denken, das sich aus dem Mittelalter heraus in die neuere Zeit eingeschlichen hat, mit dem Denken kommt die soziale Frage nicht einmal in Fluß, geschweige denn zu einer partiellen Lösung. Die soziale Frage ist heute die Weltfrage geworden.
Aber was hat sich angeschlossen an das Denken, das den sozialen Organismus ganz im Sinne des Juristisch-Dialektischen und gewohnheitsmäßig Moralischen beurteilt? Es hat sich angeschlossen die schöne, die erfreuliche, die wunderbare Charitas, die menschliche Barmherzigkeit, das menschliche Mitleid. Jetzt, wo die soziale Frage zu einer brennenden Weltfrage geworden ist, jetzt sehen wir in Westeuropa überall auftauchen die Sammelbüchsen für den Osten. Es wird gesammelt.
Sehr, sehr schön! Nichts soll dagegen eingewendet werden, und ich möchte sagen, je mehr man beitragen kann zu diesem Sammeln, desto mehr sollte man es tun.

Ik weet dat dit voor de mensen van nu klinkt als het meest utopische idee van allemaal; toch is het het meest praktische wat men zich kan voorstellen. Men kan talloze sociale gemeenschappen stichten, verenigingen in het leven roepen of ontelbare vakbonden en coöperaties oprichten – maar met de begrippen en de denkwijze die vanuit de middeleeuwen in de moderne tijd zijn binnengeslopen, zal er in de sociale kwestie geen enkele beweging komen, laat staan ​​dat men een gedeeltelijke oplossing nadert. Vandaag de dag is de sociale kwestie uitgegroeid tot een wereldwijd vraagstuk.
Maar wat heeft zich verbonden met die denkwijze – die het sociale organisme volledig beoordeelt in termen van juridisch-dialectische begrippen en conventionele moraal? Het is de mooie, weldadige en prachtige geest van liefdadigheid – menselijke barmhartigheid en mededogen – die zijn intrede heeft gedaan. Nu de sociale kwestie een brandend wereldvraagstuk is geworden, zien we overal in West-Europa collectebussen voor het Oosten verschijnen. Er worden donaties ingezameld.
Dat is heel, heel mooi! Hiertegen mag geen bezwaar worden gemaakt; sterker nog, ik zou zeggen: hoe meer men aan deze inzamelingen kan bijdragen, des te meer zou men dat moeten doen.

Blz. 219

Aber was dadurch geschieht, ist Vergangenheit, ist nicht Zukunft. Es ist das alles, auch dieses Mitleid, auch diese Charitas, noch heraus gedacht aus dem Denken des Mittelalters. Und ich sehe zwei Bilder: den mittelalterlichen gotischen Dom, worinnen die prunkvollen Meßgewänder der Prälaten lagerten, jener Prälaten, die, mittlerweile ihre Meßgewänder in den Domen lagerten, in ihren eigenen Behausungen zusammensaßen und etwas taten, was in einer merkwürdigen Weise zutage getreten ist, als eine schweizerische Zeitung vor einigen Monaten das Menü veröffentlicht hat, das Weihnachtsmenu für die Prälaten, welche in einem schweizerischen Dom einst versorgt worden sind während Weihnachten. Sie würden erstaunen, wenn ich Ihnen die Zahl der Schweine nennen würde, die dazumal in den heiligen Weihnachtstagen von den Prälaten verspeist worden sind. Um diese Dome herum lagerten Heere von Armen, denen Almosen gegeben wurden.
Es war ganz im Stil und Sinne des Mittelalters; anders konnte es nicht sein. So war es für die damalige Zeit das Selbstverständliche. Ob man das im heutigen Sinne schön oder häßlich findet, darauf kommt es nicht an, denn es war für die damalige Zeit das Selbstverständliche.

Maar wat daaruit voortkomt, behoort tot het verleden, niet tot de toekomst. Dit alles – inclusief dit mededogen, deze liefdadigheid – komt nog steeds voort uit de mentaliteit van de middeleeuwen. En ik zie twee beelden voor me: de middeleeuwse gotische kathedraal, die onderdak bood aan de schitterende gewaden van de prelaten – prelaten die, terwijl hun gewaden in de kathedralen lagen, samenkwamen in hun eigen residenties en zich bezighielden met iets
dat op merkwaardige wijze aan het licht kwam toen, enkele maanden geleden,
een Zwitserse krant het menu publiceerde – het kerstmenu – dat tijdens de feestdagen aan de prelaten in een Zwitserse kathedraal werd voorgeschoteld.
U zou versteld staan ​​als ik u zou vertellen hoeveel varkens er door de prelaten werden verorberd tijdens die heilige kerstdagen. Rondom deze kathedralen
bevonden zich drommen armen die aalmoezen ontvingen.
Het paste volledig bij de stijl en de geest van de middeleeuwen; het kon niet anders. Het was simpelweg de natuurlijke orde der dingen in dat tijdperk. Of men het naar huidige maatstaven mooi of lelijk vindt, doet er niet toe,
want destijds werd het als vanzelfsprekend beschouwd.

Aber ist es nicht dasselbe, wenn heute das Elend in Rußland auf der einen Seite steht – das sind die Armen, die vor den Domen lagern – und auf der anderen Seite gesammelt wird? Gut, sehr gut und brav.
Aber die heutige soziale Frage wird damit nicht einmal berührt, geschweige denn auch nur irgendwie partiell gelöst. Denn man sollte nicht überhören, daß durch die Impotenz unseres sozialen Denkens heute ja überall die Stimmen hörbar sind, die nicht sagen: Wir sind dankbar für dasjenige, was man uns als Almosen gibt -, sondern die da sagen: Das ist das Allerschlimmste, daß man uns Almosen gibt, denn daraus sehen wir ja, daß es noch Menschen gibt, die Almosen geben können. Die soll es gar nicht mehr geben!
Das ist dasjenige, was man mit seinem ganzen Herzen fühlen muß als den Grundimpuls des sozialen Organismus in unserer Zeit, der eigentlich schon der Weltorganismus ist, den man aber überall bloß eigentlich im nationalen Sinne sieht. Und das ist dasjenige, was doch heute der Menschheit klar werden sollte, daß man vor allen Dingen etwas braucht, was die Brücke schafft zwischen den Abgründen, die in der sozialen Ordnung da sind.

Maar is de situatie vandaag de dag niet precies zo, nu er enerzijds sprake is van de ellende in Rusland – zichtbaar in de armen die voor de kathedralen zitten – en er anderzijds collectes worden gehouden? Dat is natuurlijk allemaal heel mooi en goed. Toch wordt daarmee niet eens aan de sociale kwestie van onze tijd geraakt, laat staan ​​dat deze ook maar gedeeltelijk wordt opgelost. Want we mogen niet doof blijven voor de stemmen die zich vandaag overal laten horen – stemmen die niet zeggen: “Wij zijn dankbaar voor de aalmoezen die ons worden gegeven”, maar veeleer: “Het allerergste is dat ons überhaupt aalmoezen worden gegeven; want dat toont ons dat er nog steeds mensen zijn die in staat zijn aalmoezen te geven. Zulke mensen zouden niet meer mogen bestaan!”
Dit is wat men met heel zijn hart moet voelen als de fundamentele impuls van het sociale organisme van onze tijd – een organisme dat eigenlijk al een wereldorganisme is, ook al beschouwen mensen het overal slechts in nationale termen. En dit is wat de mensheid vandaag duidelijk moet worden: dat we bovenal iets nodig hebben om de kloven te overbruggen die binnen de sociale orde bestaan.

Blz. 220

Warum reden wir heute so viel von der sozialen Frage? Weil wir durch und durch antisozial geworden sind. Man redet gewöhnlich theoretisch am allermeisten von dem, was in der Empfindung und in dem Instinkt nicht da ist. Was in der Empfindung und im Instinkt da ist, darüber redet man theoretisch nicht. Wäre soziale Empfindung in der Menschheit, würde man furchtbar wenig von sozialen Theorien und sozialen Agitationen hören. Theoretiker auf irgendeinem Gebiete wird der Mensch, wenn er etwas nicht hat. Die Theorien sind eigentlich immer über dasjenige da, was nicht real ist. Aber wir müssen heute das reale Leben suchen, darauf kommt es vor allen Dingen an. Das erfordert mehr Mühe, als eine Theorie ausdenken. Aber der menschliche
Fortschritt kommt auch in nichts weiter, wenn er sich nicht in dasLeben wirklich hineinfindet, denn der theoretische Geist ist es, der unsere Welt heute zerklüftet hat, der unsere Zivilisation heute dem Chaos nahe bringt; der theoretische Geist ist es. Und der Lebensgeist, er wird uns einzig und allein weiterführen können.
Das ist es, ich muß es noch einmal sagen, was man tief im Herzen fühlen sollte als den Grundimpuls der sozialen Frage der Gegenwart.
Wenn wir verstehen, wie die Menschen wiederum die Menschen finden, dann werden wir die Möglichkeit haben, auch das Soziale in die richtige Richtung zu bringen.

Waarom spreken we tegenwoordig zoveel over de sociale kwestie? Omdat we
door en door asociaal zijn geworden. Mensen spreken doorgaans het meest
theoretisch over juist die zaken die in hun gevoel en instinct ontbreken.
Men spreekt niet theoretisch over wat reeds in gevoel en instinct aanwezig is.
Als er binnen de mensheid besef van het sociale zou bestaan, zouden we weinig horen over sociale theorieën en sociale onrust. Iemand wordt op een bepaald gebied pas theoreticus wanneer hem iets ontbreekt. Theorieën hebben in wezen altijd betrekking op dat wat niet werkelijk is. Toch moeten wij vandaag de dag het werkelijke leven zoeken; dat is wat bovenal van belang is. Dit vergt meer inspanning dan het bedenken van een theorie.
Maar de menselijke vooruitgang komt niet verder tenzij deze werkelijk
doordringt tot in het leven zelf; want het is de theoretische geest die onze wereld vandaag de dag heeft verscheurd en onze beschaving aan de rand van de chaos heeft gebracht – het is de theoretische geest. De geest van het leven daarentegen is het enige dat ons vooruit kan helpen.
Dit – ik moet het nogmaals zeggen – is wat men diep in het hart zou moeten voelen als de fundamentele impuls achter de sociale kwestie van onze tijd. Als we begrijpen hoe mensen elkaar weer kunnen vinden, dan zullen we de mogelijkheid hebben om de sociale verhoudingen in de juiste richting te sturen.

Was haben die höheren Stände auf einem Gebiete getan? Ja, sie haben ihre Nase hineingesteckt in das proletarische Elend und Kunstwerke daraus geformt. Vom theokratischen Gott, dem Christus, kann man eine deutliche Vorstellung haben – den Weltenrichter hat Michelangelo gemalt. Wie derjenige aussehen muß, der aus der industriellen Ordnung heraus gestaltet wird – in Dornach versuchen wir es zu machen. Man versteht es aber heute noch nicht, weil man die spirituelle Welt noch nicht mit der kaltgewordenen maschinellen Welt in eine Beziehung zu setzen vermag. Man hat noch kein Denken, das sich ebenso wie das juristische und theokratische Denken früher an die Wirklichkeit sich angelehnt hat, an die heute kalt gewordene Wirklichkeit anlehnen kann, diese kaltgewordene Wirklichkeit durchdringen kann.

Wat hebben de hogere klassen op dit gebied gedaan? Zij hebben hun blik inderdaad op de ellende van het proletariaat gericht en daar kunstwerken van gemaakt. Men kan zich een helder beeld vormen van de theocratische God – van Christus –, aangezien Michelangelo Hem als de Wereldrechter heeft geschilderd. Wat betreft de gestalte van het wezen dat uit de industriële orde moet voortkomen: daaraan werken wij in Dornach. Men begrijpt dit tegenwoordig echter niet, omdat men nog niet in staat is de geestelijke wereld in verband te brengen met de wereld van de machinerie, die koud is geworden. Wij beschikken nog niet over een denkwijze die in staat is zich te verankeren in de huidige – koud geworden – werkelijkheid en tot die werkelijkheid door te dringen, zoals het juridische en theocratische denken zich ooit verankerde in de werkelijkheid van zijn tijd.

Blz. 221

Deshalb haben die höheren Stände ihre Nase hineingesteckt in das Elend und so irgend etwas geformt, nun ja, wie die Dichter, Bildhauer und Maler der Gegenwart es geformt haben: Soziale Kunst.
Abscheuliche Sentimentalität ist daraus geworden, weil eben die Menschen noch nichts erfüllt von dem, was wirklich aus der freien Geistigkeit heraus sich hinzugesellen kann zu der menschlichen Ordnung.
«Komm, Herr Jesu, sei unser Gast», heute gemalt, ist wirklich ein Sentimentales, Ekelhaftes, wenn man nicht mit Vorurteilen darangeht, mit Vorempfindungen darangeht. Es handelt sich darum, daß man mit derselben Kraft aus dem Industrialismus heraus wirkt, zu dem man aber jetzt freie Geistigkeit hinzubringen muß, wie man einstmals durch die Theokratie mit der Landwirtschaft, wie man einstmals durch die Jurisprudenz mit dem Händlertum hat wirken können. So kommt es darauf an, daß der Mensch zu sozialer Denkweise, zu sozialen Kenntnissen und Begriffen kommt, die man nicht bekommt, wenn man nicht absieht von abstrakten Begriffen wie «Kapital», «Mehrwert» und so weiter.

Daarom bemoeiden de hogere klassen zich met deze ellende en vormden ze iets – tja, ongeveer zoals de dichters, beeldhouwers en schilders van deze tijd het hebben vormgegeven: sociale kunst. Het resultaat was een weerzinwekkende sentimentaliteit, juist omdat men nog niets heeft gerealiseerd van datgene wat vanuit een vrije spiritualiteit werkelijk verbinding kan brengen in de menselijke maatschappelijke orde.
“Kom, Heer Jezus, wees onze gast” – zoals dat tegenwoordig wordt uitgebeeld – is werkelijk iets sentimenteels en afstotelijks, althans wanneer men het benadert zonder vooroordelen of ingesleten gevoelens. De opgave is om vanuit de sfeer van het industrialisme te handelen – maar er nu vrije spiritualiteit in te brengen – met dezelfde doeltreffendheid als die ooit mogelijk was in de landbouw door middel van theocratie, of in de handel door middel van rechtsgeleerdheid. Het is dus essentieel dat de mens tot een sociale denkwijze en tot sociale inzichten en begrippen komt; zaken die men niet kan bereiken als je niet afziet van abstracte begrippen als “kapitaal”, “meerwaarde” en dergelijke.

Soziale Begriffe kann man einzig und allein bekommen, wenn man zu dem kalten Maschinellen das Warme, das offenbarende Geistige hinbringt. Und gerade diejenigen, die heute zwischen den Maschinen herumlaufen, die wollen, wenn sie es auch nicht wissen, eine wirkliche Geistigkeit, damit sie nicht allein den alten Materialismus haben, mit dem sie sonst ihr Herz einzig und allein anfüllen.
Zum Dorf und zur Kirche ist das Land und die Stadt hinzugekommen. Die wurden beherrscht mit einem sozialen Denken. Die Fabrik gehört nicht mehr zur Stadt. Die Fabrik ist ein neues soziales Gebilde.
Die Fabrik ist aber auch herausgestellt wie ein besonderer Dämon aus der ganzen Weltordnung. Die Fabrik hat nichts Geistiges mehr an sich. Da muß das Geistige von der anderen Seite hergebracht werden. Daher ist gerade die soziale Frage heutigen Tages im eminentesten Sinne eine spirituelle Frage. Wir müssen die Möglichkeit finden, nicht nur unsere Nase hineinzustecken in das proletarische Elend, sondern wir müssen eine Geistigkeit finden, die aus unserem Herzen herauskommt in ganz naturgemäßer Weise, die aber auch aus dem Herzen desjenigen herauskommt, und wenn es der Mensch des untersten Standes ist, zu dem man spricht.

Sociale begrippen kunnen slechts worden begrepen als men warmte – het onthullende geestelijke element – ​​inbrengt in de koude, mechanische aard der dingen. En juist de mensen die zich vandaag de dag tussen de machines bewegen – ook al beseffen ze dat niet – verlangen naar een waarachtige spiritualiteit; ze willen niet achterblijven met slechts het oude materialisme dat anders hun hart volledig vervult.
Aan het dorp en de kerk werden het platteland en de stad toegevoegd; deze werden beheerst door een bepaalde wijze van sociaal denken. De fabriek behoort echter niet meer tot de stad; zij is een nieuw soort sociale eenheid.
Toch is de fabriek ook losgemaakt van de algemene kosmische orde, als een vreemde demon. Zij behoudt geen enkel spoor van het geestelijke.
Daarom moet het geestelijke element van elders worden ingebracht. Dat is de reden waarom de sociale kwestie van onze tijd in de diepste zin een geestelijke kwestie is. We moeten een weg vinden om niet slechts onze neus in de ellende van het proletariaat te steken; we moeten veeleer een spiritualiteit ontdekken die op natuurlijke wijze voortvloeit uit ons eigen hart – en evenzeer uit het hart van de persoon tot wie we ons richten, ook al behoort die persoon tot de laagste sociale klasse.

Blz. 222

So wie die Sonne allen Menschen scheint, so scheint dasjenige, was wirkliche Geistigkeit ist, nicht diesem oder jenem Stand, nicht dieser oder jener Klasse, führt nicht diesen oder jenen Standes- oder Klassenkampf, sondern ist für alle Menschen. Und daß alle Menschen als Einzelne in die Geschichte eintreten können, das fordert der große welthistorische Augenblick der Gegenwart.
Man hatte es früher mit Ständen, mit Klassen zu tun. Man hat es heute und wird es in der Zukunft zu tun haben mit dem Menschen; mit dem Menschen, der aus sich selber heraus eine Welt gebiert. Dazu müssen wir helfen, nicht indem wir die alten Dinge fortpflanzen und fortwursteln, sondern indem wir tatsächlich in das Tiefste des Menschen hinuntersteigen, um das Weiteste der Welt in spiritueller Weise zu finden. Das dringt dann ganz gewiß ein in die soziale Frage.

Zoals de zon op alle mensen schijnt, zo doet ook datgene wat ware spiritualiteit uitmaakt: het behoort niet toe aan deze of gene stand of klasse, noch voert het de strijd van een bepaalde stand of klasse; het is er veeleer voor de gehele mensheid. En het grote, wereldhistorische moment van het heden vereist dat alle mensen als individu de geschiedenis kunnen binnentreden.
In het verleden lag de nadruk op standen en klassen. Vandaag – en in de toekomst – ligt en zal de nadruk liggen op de mens; op de mens die vanuit zijn eigen innerlijk een wereld voortbrengt. Wij moeten helpen dit te verwezenlijken – niet door de oude wegen te bestendigen en maar wat aan te modderen, maar door werkelijk af te dalen in de diepste diepten van de mens, om zo in spirituele zin de wijdste regionen van de wereld te ontdekken. Dit heeft onvermijdelijk een ingrijpende betekenis voor de sociale kwestie.

Sehen Sie, so etwas ist gewollt worden in den «Kernpunkten der sozialen Frage», weil gerade der gegenwärtige Zeitpunkt derjenige ist, wo man meinen muß, daß die Menschen nicht bloß aus ihrem theoretischen Verstände, sondern aus ihrem Herzen, aus ihrem Wollen heraus so etwas verstehen können. Derjenige, der die «Kernpunkte der sozialen Frage» als ein Buch des Verstandes nimmt, versteht es nicht.
Allein derjenige versteht es, der es als ein Willensbuch, als ein Herzensbuch nimmt, das gesprochen ist aus dem Leben heraus, aus demjenigen, was heute überall unter der Oberfläche des Daseins als die wichtigsten sozialen Impulse der Gegenwart genommen werden können.
Die Materie hat es notwendig gemacht, statt einer Dreigliederung eine Zweigliederung des Vortrages zu machen, ich werde daher abschließen und mir dasjenige, was ich zur Abrundung des sozialen Problemszu sagen habe, auf morgen aufsparen.

Dit was namelijk de intentie achter ‘De kernpunten’– juist omdat we in het huidige tijdsgewricht moeten geloven dat mensen dergelijke zaken niet louter met hun theoretisch verstand kunnen doorgronden, maar ook met hun hart en hun wil. Wie ‘De kernpunten’ slechts als een boek voor het verstand beschouwt, begrijpt het niet. Het wordt pas begrepen door hen die het benaderen als een boek van de wil en het hart – een werk dat is voortgekomen uit het leven zelf en uit de krachten die, onder de oppervlakte van het huidige bestaan, de belangrijkste sociale impulsen van onze tijd vormen.
De aard van de materie maakte het noodzakelijk deze voordracht in twee delen te splitsen in plaats van drie; daarom zal ik nu afronden en wat ik nog te zeggen heb om de bespreking van de sociale kwestie te voltooien, bewaren voor morgen.
GA 305/202-222
Voordracht 1 t/m 9 vertaald.   Voordracht 10          voordracht 12

 

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Rudolf Steiner over pedagogievindplaatsen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3583-3376

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’ (19)

.

Dit artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
.

Zie ‘voorwoord‘.

.
Ook dit artikel, hoewel lang geleden geschreven, bevat inhoud waar we vandaag de dag nog steeds mee te maken hebben. Het schetst in het kort ook enkele belangrijke kenmerken van het vrijeschoolonderwijs.
.

Dr. A. H. Bos, Zeist
.

Vrijeschoolonderwijs en het beroepsleven van volwassenen
.

Dit tijdschrift streeft er voortdurend naar een nieuw licht te werpen op het vrijeschoolonderwijs – zowel wat betreft de fundamenten die door Rudolf Steiner zijn gelegd als de praktische toepassing ervan in talloze zelfstandige vrijescholen.
In dit artikel willen we laten zien hoe deze ideeën op vruchtbare wijze zijn aangepast voor volwasseneneducatie en hoe de kwestie kan worden bekeken vanuit het totaal andere perspectief van het ‘sociale driegeleding’.

Als je het wezenlijke verschil tussen het vrijeschoolonderwijs en vrijwel alle andere schooltypen en onderwijshervormingsbewegingen zou moeten verwoorden, zou dat als volgt kunnen: het basisconcept van de vrijeschool is het mensbeeld van de zich ontwikkelende mens.
De jaren die een kind op school doorbrengt, maken deel uit van een machtige stroom; de oorsprong daarvan in het voorgeboortelijke sfeergebied onttrekt zich aan ons zicht, net zoals het leven na de dood buiten ons huidige begripsvermogen valt.
In zijn boeken en voordrachten schetste Rudolf Steiner een beeld van de enorme ontwikkelingsreis van het individu en van de mensheid als geheel.
Mensen komen ter wereld met een veelheid aan vermogens en mogelijkheden; de opgave is om deze tot ontplooiing te brengen. We brengen een diepe wijsheid mee uit het voorgeboortelijke sfeergebied, en het doel is om de herinnering daaraan te wekken. We hoeven niets ‘toe te voegen’; we hoeven slechts datgene te wekken en in zijn ontwikkeling te stimuleren wat de ziel reeds in zich draagt. Het is duidelijk hoe deze pedagogische benadering contrasteert met andere onderwijsmethoden die geworteld zijn in het negentiende-eeuwse positivistisch-mechanistische mensbeeld – een visie die de mens beschouwt als een ‘tabula rasa’ (een onbeschreven blad) waarin allerlei zaken moeten worden ingebracht en waarin de leerstof moet worden ingeprent. Net als bij een machine kan er dan – qua vermogens en potentieel – niets meer uitkomen dan wat er door de ontwerper in is gestopt.

Op de vrijeschool is iedere lesstof ontwikkelingsstof. We hoeven niets toe te voegen; we moeten veeleer voeding bieden aan de ontwikkelingsmogelijkheden die inherent zijn aan de ziel. Uiteraard moeten we ook bedenken dat de zich ontwikkelende mens zijn plaats in de moderne wereld moet innemen. Hij moet fundamentele vaardigheden als lezen, schrijven en rekenen beheersen; hij moet zijn weg vinden in de uiterlijke wereld en de spelregels begrijpen, de weg kennen enz.

Niets hiervan mag echter ooit een doel op zich zijn – zoals in de meeste scholen wel het geval is – want dan gaat het ten koste van de menselijke ziel. Het is geen kunst om een ​​kind te leren rekenen; de vraag is of we dat kunnen doen op een manier die de ontwikkeling van morele krachten bevordert.
Het is geen kunst om een ​​kind een aantal historische feiten bij te brengen; de vraag is of we die zo kunnen overbrengen dat het kind een innerlijke band opbouwt met de geschiedenis en de eigen tijd, en dat er wilskrachten worden gewekt om de toekomst actief vorm te geven.
Wanneer iemand de school verlaat, wordt het leven zelf de school. In bredere zin wordt de enorme maatschappelijke wereld daarbuiten een leeromgeving.

De beroepswereld draagt ​​het stempel van dezelfde filosofie – en hetzelfde mensbeeld – als de zojuist beschreven schoolvormen. Het beroepsleven richt zich op uiterlijke productiviteit – op wat tastbaar, meetbaar en zichtbaar is als positief economisch resultaat (examenresultaten!) – en niet op de innerlijke beleving van degene die het werk verricht. Het beroepsleven is pragmatisch en zakelijk. Wie spreekt over menselijke ontwikkeling, krijgt vaak een standaardreactie: “Wij zijn hier geen onderwijsinstelling; mensen moeten zichzelf ontwikkelen – maar dan wel in hun vrije tijd.”

Weliswaar heeft de beroepswereld inmiddels ontdekt dat mensen kunnen leren en dat dit economische voordelen oplevert. Daarom wordt ons tijdperk overspoeld met bijscholing, cursussen, workshops en dergelijke. Toch worden deze bijna allemaal gekenmerkt door de poging om er iets “in te stoppen” zodat het er snel weer “uitgehaald” kan worden. Bovendien zijn veel van deze opleidingsactiviteiten eenzijdig; ze zijn niet gericht op de mens, maar op de functie. Het doel is om het individu toe te snijden op een specifieke rol. Dergelijke activiteiten staan ​​ver af van het idee dat werk zelf zou kunnen dienen als een voortdurende bron van persoonlijke ontwikkeling. Doorgaans vinden deze activiteiten plaats als aanvulling op het eigenlijke werk – fysiek gescheiden daarvan en buiten de werkplek – en voorafgaand aan het aanvaarden van de betreffende functie. Zodra men echter met het werk is begonnen, verdwijnt elke gedachte aan opleiding en ontwikkeling meestal naar de achtergrond. Het doel wordt puur economisch: er moeten specifieke goederen worden geproduceerd of diensten worden verleend tegen zeer concurrerende prijzen. De toegepaste technische en organisatorische methoden zijn nauw afgestemd op dit economische doel. We zien hier dezelfde mentaliteit als bij het ontwerp van gereedschappen en machines ontstaan ​​door een proces van logische analyse, gebaseerd op een helder omschreven kwantitatief doel, gevolgd door een rationele constructie uit afzonderlijke onderdelen. Wie zich verdiept in de moderne organisatietheorie – die de basis vormt voor de structuur van vrijwel alle grote maatschappelijke instellingen (bedrijven, overheidsinstanties, verenigingen, onderwijsinstellingen, enzovoort) – komt overal de figuur van de ontwerper tegen. Alles is logisch bedacht en rationeel op elkaar afgestemd, maar nergens komt je de mens tegen. De machine fungeert hierbij als het onderliggende archetype.

De noodzaak om als mens binnen een dergelijk logisch systeem te functioneren, roept een gevoel van onbehagen op; men merkt dat het systeem als zodanig de mens niet werkelijk kent – ​​dat wil zeggen: het slaagt er niet in om creativiteit, initiatief of verantwoordelijkheidsbesef aan te spreken; kortom, het doet geen beroep op het specifiek menselijke ontwikkelingspotentieel.

Dit onbehagen bleef lange tijd sluimerend, omdat er aanvankelijk meer primaire behoeften vervuld moesten worden. Zolang er sprake is van werkelijke behoeften op puur fysiek niveau, komen hogere behoeften nog niet tot uiting. Naarmate de welvaart toeneemt en er een basis van fysieke verzadiging is gelegd, ontstaat er ruimte voor behoeften van de ziel – zoals erkenning, waardering, positieve menselijke relaties, een gevoel van vervulling in het werk, enzovoort. De afgelopen decennia is er veel aandacht besteed aan deze kwesties (denk aan ‘human relations’ en personeelsmanagement). Gaandeweg wordt echter duidelijk dat de problematiek rond de mens in het arbeidsproces niet louter op het niveau van de ziel kan worden opgelost – tenzij men erkent dat er zich een spirituele ‘Ik-kern’ in de menselijke ziel wil ontwikkelen en dat er aan de behoeften van de ziel nog fundamentelere spirituele behoeften ten grondslag liggen. Deze laatste behoeften zijn verbonden met de menselijke ontwikkeling in de loop van een heel leven. Wie gedurende langere tijd de gelegenheid heeft gehad om met mensen op alle niveaus te spreken – uit uiteenlopende maatschappelijke lagen en in de meest uiteenlopende beroepssituaties – en daarbij ook de ervaringen van anderen betrekt zoals die in recente literatuur naar voren komen, komt tot de conclusie dat er een groeiende weerstand tegen werken bestaat. Mensen willen zich nergens meer aan verbinden; ze missen de wil daartoe; ze ervaren werk als iets negatiefs, enzovoort. Deze verschijnselen wijzen op een opkomende kloof in onze cultuur die catastrofale gevolgen zou kunnen hebben. Ze leiden tot een kloof die het individu dwingt in twee werelden te leven: de ene is de wereld van het beroep – een domein waar steeds minder ruimte is voor de mens, waar men er als het ware ‘uit wordt georganiseerd’, en waar men zich moet neerleggen bij het feit dat hij vele uren per dag zielsdodend werk moet verrichten – werk waarbij hij geen persoonlijk belang heeft bij de doelstellingen en methoden ervan; de andere wereld is die van de vrije tijd, waarin iemand het verdiende geld kan gebruiken – mits hij “geluk” heeft in zijn beroepsleven – om een ​​zekere mate van “mens-zijn” te kopen, en waarin hij hoopt opnieuw menselijkheid te ervaren.

Dit dualisme kan niet eeuwig blijven bestaan: want als de ene sfeer van het menselijk bestaan ​​wordt opgeofferd, zullen de krachten die zich daarvan meester maken onvermijdelijk proberen zich ook de andere sfeer toe te eigenen. We zien de eerste tekenen hiervan al in de commercialisering van de vrije tijd en in het feit dat de menselijkheid die men in de vrije tijd koopt, een namaakmenselijkheid is – een menselijkheid die op den duur een groeiende leegte in de ziel achterlaat.

Het beroepsleven moet worden vermenselijkt – niet door intermenselijke relaties een rooskleurig vernisje te geven, maar door de filosofie en praktijk van leiderschap en organisatie te doordringen van een nieuwe inhoud, gebaseerd op het concept van de zich ontwikkelende mens. Op die manier treedt het individu werkelijk als een zelfbewust wezen het beroepsleven binnen. Bij elke functie moet men, naast de twee eerder genoemde vragen, een derde vraag stellen: niet slechts of de functie doelgericht is – dat wil zeggen, of ze uiteindelijk bijdraagt ​​aan het bevredigen van klantbehoeften (wat de economische taak van de onderneming is) – en evenmin enkel of ze logisch past in de totale functiestructuur (organisatie in strikte zin vertegenwoordigt het “juridische aspect” van het bedrijf, aangezien ze in wezen een complex van regels, normen en afspraken vormt met betrekking tot de gebieden waarop iedereen op gelijke voet staat); maar ook of de functie een zinvolle rol kan spelen in de geestelijke ontwikkeling van de medewerkers.

Dit betekent dat er, als het ware, een volledig nieuwe dimensie wordt toegevoegd aan het functioneren van de onderneming. We weten nog weinig over de ontwikkelingsdynamiek van de volwassene; we hebben weinig inzicht in welke soorten werk – in de verschillende fasen van de menselijke levensloop – de ontwikkeling remmen of juist bevorderen; en we hebben nog weinig geleerd over de vraag of alternatieve combinaties van functies, taakverdelingen, taakontwerpen, communicatiemethoden, besluitvormingsprocedures en dergelijke een positieve invloed op het individu zouden kunnen hebben. Toch is het dringend noodzakelijk dat we ons met deze vragen bezighouden. Hier ligt een grotendeels onontgonnen terrein, zowel voor wetenschappelijk onderzoek als voor organisatorische en pedagogische verbeeldingskracht en creativiteit. Net zoals er voor elke vrijeschoolleerkracht een pedagogische uitdaging erin bestaat om lesstof om te zetten in materiaal voor persoonlijke ontwikkeling, staan ​​we voor een vergelijkbare uitdaging: elke werksituatie omzetten in een kans voor ontwikkeling.

Met “ons” bedoelen we het Nederlands Pedagogisch Instituut in Zeist, Nederland, dat – onder leiding van professor Lievegoed – zich al tien jaar in de praktijk met deze vraagstukken bezighoudt. Dit sociaal-pedagogische werk heeft ook in Zwitserland wortel geschoten.

Dr.Bos was medewerker van het NPI.
Hij schreef boeken en artikelen.  
Op deze blog staan een aantal van zijn artikelen.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3577-3370

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 305 – voordracht 10

.

GA 305 bevat 12 voordrachten, 2 toespraken en een slotwoord.
De eerste negen voordrachten werden vertaald.
De vertaalde toespraken vind je op deze blog, het nawoord volgt nog.

De laatste drie gaan niet specifiek over vrijeschoolpedagogie(k), maar wel over sociale driegeleding. Vrijheid van onderwijs is een voorwaarde om het door Steiner bedoelde vrijeschoolonderwijs te kunnen realiseren.

Sociale driegeleding en vrijeschool hebben in Nederland niet zo’n hechte relatie, terwijl je zou kunnen zeggen dat de sociale driegeleding de moederschoot van de vrijeschoolpedagogie(k) is.

Er zullen redenen zijn om de voordrachten 10 t/m 12 niet op te nemen. Hopelijk is daar de ‘desinteresse’ niet bij……

.
Inhoud van de voordracht:

De evolutie van het sociale leven in de mensheid.
De ontoereikendheid van gangbare opvattingen over de complexiteit van het moderne sociale leven; de noodzaak om de werking van het verleden en de kiemen van de toekomst in het heden te onderkennen.
De sociale evolutie van de mensheid: de stroom van oosterse theocratieën – eenvormige ordening door goddelijke inspiratie.
De stroom van het door recht gevormde staatsleven (Rome); de opkomst van handel, industrie en arbeid; dialectisch-logisch denken; rechtsgeleerdheid en theologie.
De ontwikkeling van het moderne wetenschappelijke denken.
De opkomst en ontwikkeling van het marxisme; de ​​invloed daarvan op Rusland. De derde, westerse stroom van het economische leven, gevormd door industrie en machine.

GA 305

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst
Spirituelle Werte in Erziehung und sozialem Leben

Opvoeding en onderwijs
Spirituele grondslagen

Die soziale Frage

                                                      Het sociale vraagstuk

Blz. 183

Voordracht 10, Oxford, 26 augustus 1922 

Die Entwickelung des sozialen Lebens in der Menschheit

Meine Damen und Herren! Es ist in der Gegenwart eine allgemeine
Angelegenheit der ganzen Menschheit geworden, die soziale Frage zu
betrachten, und innerhalb der sozialen Frage diejenigen Antworten zu
finden, welche gerade in der Gegenwart geeignet sind, ein Handeln der
Menschen hervorzurufen, das unsere sozialen Verhältnisse derjenigen
Richtung zuführen kann, die als ein Unbestimmtes, ich möchte sagen,
nebelhaftes Zukunftsgebilde vielen Menschen vorschwebt, über die aber keineswegs heute schon irgendwelche klaren Begriffe vorhanden sein können, ich sage: können, und nicht: vorhanden sind.
Wenn ich mir erlaube, in drei kurzen Vorträgen über die soziale Frage zu sprechen, so ist es ja selbstverständlich, daß ich nur einige recht unbefriedigende Gesichtspunkte werde geben können, und daß manches von dem, was ich nur vage andeuten kann wegen der Kürze der Zeit, erst wird Gestalt gewinnen müssen, in dem, was die verehrten Zuhörer aus meinen Worten machen werden. Die Vorträge bitte ich daher nur als ganz vage Andeutungen zu betrachten, die einige Anregungen geben wollen.

De ontwikkeling van het sociale leven in de mensheid

Dames en heren! In onze tijd is de sociale kwestie een zaak geworden die de gehele mensheid aangaat. Het gaat erom binnen die kwestie antwoorden te vinden – antwoorden die passen bij het huidige moment – ​​die menselijk handelen kunnen inspireren; een handelen dat in staat is onze maatschappelijke verhoudingen te sturen naar een toekomstige toestand die velen slechts als iets onbepaalds, of misschien moet ik zeggen ‘neveligs’, voor zich zien; een toestand waarover – en ik benadruk dat deze ‘kan’ bestaan, niet dat hij ‘reeds’ bestaat – nog geen heldere begrippen kunnen bestaan.
Wanneer ik mij erop toeleg om in drie korte voordrachten over de sociale kwestie te spreken, spreekt het vanzelf dat ik slechts enkele, vrij onvolledige gezichtspunten kan bieden. Bovendien zal veel van datgene waar ik vanwege de beperkte tijd slechts vaag op kan zinspelen, vorm moeten krijgen door wat u, mijn geachte toehoorders, met mijn woorden doet. Ik verzoek u daarom deze voordrachten slechts te beschouwen als zeer vage aanduidingen, bedoeld om enkele aanknopingspunten te bieden voor verdere overdenking.

Die soziale Frage, wie liegt sie uns denn eigentlich heute vor? Sie liegt uns durchaus nicht, wenn wir unbefangen das Menschenleben der Gegenwart betrachten, so vor, daß wir eine klare Formulierung von ihr haben, daß wir wüßten, das ist die soziale Frage, und so kann man sie lösen. Das ist ja gar nicht der Fall. Was uns vorliegt, ist eine große Summe von differenzierten Lebensverhältnissen über die Erde hin, welche Klüfte und Abgründe zwischen den inneren menschlichen Erfahrungen und Erlebnissen und dem äußeren wirtschaftlichen Lebensstande innerhalb der Menschheit hervorgerufen haben. Diese mannigfaltig differenzierten Verhältnisse sind da. Wie mannigfaltig sie differenziert sind, das kann derjenige sich leicht vor die Seele rücken, der
hinschaut auf die ganz verschiedene Art, wie diese Lebensverhältnisse

Hoe doet de sociale kwestie zich vandaag de dag eigenlijk aan ons voor? Als we zonder vooroordelen naar het hedendaagse menselijke leven kijken, verschijnt deze zeker niet als iets dat helder geformuleerd is – iets waarvan we zouden kunnen zeggen: “Dit is de sociale kwestie en zo kan ze worden opgelost.” Dat is geenszins het geval. Waarmee we worden geconfronteerd, is een enorme verscheidenheid aan levensomstandigheden over de hele wereld – omstandigheden die kloven en diepe scheidslijnen hebben getrokken tussen de innerlijke menselijke beleving en de uiterlijke economische omstandigheden. Deze veelsoortige en uiteenlopende omstandigheden bestaan ​​nu eenmaal. Men kan zich de omvang van deze verscheidenheid gemakkelijk voor de geest halen door de totaal verschillende aard van de levensomstandigheden van vóór

Blz. 184

waren vor dem furchtbaren Weltkriege, und wie sie jetzt sind nach dem Weltkriege.
Wenn man nur ein wenig ein größeres Territorium der Erde in Betracht zieht, dann wird man bald finden, daß die Differenzierung in den sozialen Lebensverhältnissen vor und nach dem Kriege etwas Grundverschiedenes ist gegenüber auch den Verhältnissen, wie sie etwa noch vor fünfzig Jahren auf demselben Territorium waren.
Wir schauen vielleicht heute, und man muß sagen, Gott sei Dank, mehr mit unserem Herzen in diese Lebensverhältnisse hinein, empfinden das Tragische; aber der Verstand, der Intellekt, so sehr er auch ausgebildet worden ist in den letzten Jahrhunderten, er kam nicht nach.
Das ist das Eigentümliche in allen sozialen Verhältnissen der Gegenwart, daß die Frage der Wirklichkeit, des unmittelbaren Lebens ungeheuer drängen, und daß das Begreifen der Menschen nicht nachkommen will.
Wenn wir uns fragen: Wo sind die fruchtbaren sozialen Ideen? – dann werden wir wenig finden, was wir bei völliger Unbefangenheit so bezeichnen können. Gerade die Gedanken der Menschen pflegen, wenn es sich um das soziale Leben handelt, zu versagen.

de verschrikkelijke wereldoorlog te vergelijken met de situatie van nu, in de nasleep van die oorlog. Wie ook maar een enigszins groter gebied van de aarde in ogenschouw neemt, zal al snel ontdekken dat het verschil in sociale levensomstandigheden van voor en na de oorlog iets fundamenteel anders vertegenwoordigt dan de omstandigheden die in datzelfde gebied heersten – laten we zeggen – vijftig jaar geleden.

Vandaag de dag kijken we wellicht meer met het hart naar deze levensomstandigheden – en, zo kan je wel zeggen, godzijdank daarvoor – en voelen we de tragiek ervan aan; toch is het verstand, het intellect – hoe hoogontwikkeld dat in de afgelopen eeuwen ook is geraakt – er niet in geslaagd gelijke tred te houden.
Dit is het kenmerkende van alle hedendaagse sociale verhoudingen: vragen omtrent de werkelijkheid en het directe leven dringen zich met enorme urgentie aan ons op, terwijl het menselijk begripsvermogen moeite heeft om bij te blijven.
Als we ons afvragen: “Waar zijn de vruchtbare sociale ideeën?”, vinden we weinig dat – volkomen onbevooroordeeld bezien – werkelijk als zodanig kan worden bestempeld. Juist wanneer het om het sociale leven gaat, schiet het menselijk denken vaak tekort.

Nun, heute ist infolge der sozialen Entwickelung, die die Menschheit
genommen hat, die Frage des sozialen Zusammenlebens unmittelbar geknüpft an eine andere Frage, in der nur Sachkenntnisse den Ausschlag geben können, nur die wirkliche Einsicht in das Konkrete den Ausschlag geben kann.
Meine Damen und Herren, über ein Paradies auf Erden, in dem die Menschen gut leben können, in dem alle Menschen zufrieden sein können, zu denken, ist sehr leicht. Das ergibt sich, man möchte sagen, von selbst. Zu sagen, wie aus der Konfiguration unseres Wirtschaftslebens, aus den einzelnen konkreten Tatsachen, die sich aus der Natur, aus der menschlichen Arbeit, aus dem menschlichen Erfindungs-und Kombinationsgeist ergeben, zu sagen, wie da heraus für die Menschen allmählich ein menschenwürdiges Dasein sich entwickeln soll, das erfordert eine so eingehende tiefe Sachkenntnis, wie kein Zweig der Wissenschaft, wie kein Zweig innerhalb der Naturerkenntnis. Denn gegenüber der Komplikation der sozialen wirtschaftlichen Tatsache ist

Vandaag de dag is, als gevolg van de maatschappelijke evolutie die de mensheid heeft doorgemaakt, de kwestie van het maatschappelijk samenleven direct verbonden met een andere vraagstuk – een kwestie waarbij alleen deskundige kennis, alleen werkelijk inzicht in de concrete werkelijkheid, de doorslag kan geven.
Dames en heren, het is heel eenvoudig om zich een aards paradijs voor te stellen waar mensen een goed leven kunnen leiden en tevredenheid kunnen vinden. Dat idee dient zich, zo zou je kunnen zeggen, heel vanzelfsprekend aan. Maar om uiteen te zetten hoe zich voor mensen – vanuit de constellatie van ons economisch leven, vanuit de specifieke, concrete feiten die voortkomen uit de natuur, de menselijke arbeid en de menselijke geest van vindingrijkheid en synthese – geleidelijk een werkelijk menselijk bestaan ​​kan ontwikkelen, is een diepgaande deskundigheid vereist die die van elke wetenschappelijke discipline of elk natuuronderzoek overstijgt. Want vergeleken met de complexiteit van de maatschappelijke en economische werkelijkheid is

Blz. 185

dasjenige, was wir unter dem Mikroskop sehen und durch das Teleskop am
Himmel beobachten, außerordentlich einfach. So muß man sagen: Gerade auf dem Gebiete der sozialen Frage möchte heute jeder mitreden, und die wenigsten Menschen haben die Geduld und die Ausdauer und auch nur die Gelegenheit, sich die konkreten Sachkenntnisse zu erwerben. Daher haben wir hinter uns ein Zeitalter in bezug auf die soziale Frage, von dem wir sagen müssen: Wir danken Gott, daß es hinter uns ist. – Es ist das Zeitalter der Utopie,
das Zeitalter, wo man, ich möchte sagen, in romanhafter Weise ausgedacht hat, wie die Menschen in der Zukunft leben sollen, damit sie eine Art Paradies auf Erden finden. Ob man diese Utopie niedergeschrieben hat, oder ob man sie in der Wirklichkeit begründen will, wie das Owen in England oder Oppenheimer in Deutschland wollen, das ist es nicht, worauf es ankommt. Ob man Utopien in ein Buch schreibt, bei dem man einsehen kann, das läßt sich nicht verwirklichen, oder ob man irgendwo in einer kleinen Kolonie einen wirtschaftlichen Parasiten gründet, der nur bestehen kann, weil noch die andere Welt da ist, und der nur bestehen kann, solange als er sich als Parasit der Wirtschaftswelt erhält und dann zugrunde geht, das ist im Grunde genommen in bezug auf das gegenwärtige Leben der Menschheit, in bezug auf
das Soziale ganz das gleiche. 

datgene wat we onder de microscoop of door de telescoop aan de hemel waarnemen, buitengewoon eenvoudig. Er moet dus worden vastgesteld: vooral wat de sociale kwestie betreft, wil iedereen tegenwoordig meepraten, maar slechts weinigen beschikken over het geduld, het doorzettingsvermogen of zelfs maar de gelegenheid om concrete, feitelijke kennis op te doen. Daarmee hebben we een tijdperk rond de sociale kwestie achter ons gelaten waarvan we moeten zeggen: godzijdank is het voorbij. Het is het tijdperk van de utopie – een tijd waarin men, op een manier die aan fictie deed denken, bedacht hoe de mensheid in de toekomst zou moeten leven om een ​​soort aards paradijs te vinden. Het maakt daarbij niet uit of je die utopie slechts op papier zet of probeert die in de werkelijkheid te verwezenlijken – zoals Owen in Engeland of Oppenheimer in Duitsland probeerde te doen. Of je nu utopieën in een boek beschrijft – in het volle besef dat ze niet te realiseren zijn – dan wel een economische parasiet in de vorm van een kleine kolonie vestigt (die slechts kan voortbestaan ​​bij de gratie van de buitenwereld, en slechts zolang ze als parasiet op het economische systeem leeft alvorens uiteindelijk ineen te storten): het resultaat is, in wezen, precies hetzelfde voor het huidige leven van de mensheid en de sociale sfeer.

Nun handelt es sich darum, daß man vor allen Dingen, will man über die soziale Frage sprechen, sich ein Auge, einen Sinn aneignen muß für dasjenige, was in den Untergründen der Menschheit sozial pulsiert, was in der Vergangenheit war, was in der Gegenwart da ist, was in die Zukunft hineinwirken will, denn das, was in die Zukunft hineinwirken will, ist zum großen Teile im Unbewußten der Menschen überall vorhanden. Wir werden daher in diesen Vorträgen gerade auf dieses Unbewußte in den Menschen außerordentlich stark hinweisen müssen. Aber vor allen Dingen ist es notwendig, daß man sich einen Begriff davon macht, wie die Verhältnisse über die Erde hin in bezug auf das soziale Leben im großen sind, wie sie sich geschichtlich entwickelt haben.
Denn, meine Damen und Herren, dasjenige, was einstmals vor langen Zeiten war, das ist ja noch immer unter uns als Tradition, als Rest, und wir

Wie over de sociale kwestie wil spreken, moet allereerst oog krijgen – een gevoel ontwikkelen – voor de sociale krachten die in de diepten van de mensheid pulseren: voor wat er in het verleden bestond, wat er heden ten dage aanwezig is en wat in de toekomst wil doorwerken; want datgene wat de toekomst wil vormgeven, is grotendeels aanwezig in het onbewuste van mensen overal ter wereld. In deze voordrachten zullen we daarom grote nadruk moeten leggen op dit onbewuste element in de mens. Bovenal is het echter essentieel om inzicht te verwerven in de algemene omstandigheden van het maatschappelijk leven wereldwijd en de wijze waarop deze zich historisch hebben ontwikkeld.
Want, dames en heren, wat lang geleden bestond, is nog steeds onder ons – als traditie, als overblijfsel – en we

Blz. 186

können das, was unter uns dasteht, nur verstehen, wenn wir dasjenige verstehen, was einmal vor langen Zeiten da war. Und dasjenige, was Gegenwart ist, vermischt sich immer schon mit etwas, was hintendiert nach der Zukunft, und wir müssen verstehen, was da schon Zukünftiges, Keimhaftes in unserer Gegenwart herinnensteckt. Wir dürfen die Vergangenheit nicht bloß als etwas betrachten, was vor Jahrhunderten war, sondern was vielfach noch unter uns lebt, und was auch wirkt, und was wir nur verstehen als ein gegenwärtig Vergangenes oder vergangenes Gegenwärtiges, wenn wir es richtig zu taxieren verstehen. Da ergeben sich nur Einsichten, wenn wir die äußeren Symptome auf die tief erliegenden Gründe zurückführen können.
Mißverstehen Sie mich nicht, meine Damen und Herren, man muß, wenn man solche Dinge ausspricht, manchmal etwas stark auf die Dinge hinweisen, und es könnte scheinen, als ob man manches tadeln wollte, was man nur charakterisieren will. Also, ich will nicht tadeln, wenn das Vergangene heute in der Gegenwart noch drinnensteckt, ich kann sogar dieses Vergangene bewundern und außerordentlich sympathisch finden, indem es sich in die Gegenwart hineinstellt, aber ich muß wissen, wenn ich sozial denken will, daß es ein Vergangenes ist, und sich auch als Vergangenes eben richtig in die Gegenwart hineinstellen muß. So muß sich ein Gefühl für das unmittelbare soziale Leben mir aneignen
können.

kunnen datgene wat zich nu aan ons voordoet slechts begrijpen als we begrijpen wat er ooit in een ver verleden bestond. Datgene wat het heden uitmaakt, is altijd al verweven met iets dat naar de toekomst neigt; we moeten de elementen van de toekomst – de kiemen van wat komen gaat – begrijpen die reeds in ons heden besloten liggen. We mogen het verleden niet louter beschouwen als iets dat eeuwen geleden bestond, maar veeleer als iets dat vaak nog onder ons leeft en werkzaam blijft – iets dat we slechts als een “heden-verleden” of een “verleden-heden” kunnen doorgronden als we het op de juiste wijze weten te duiden. Inzichten ontstaan ​​pas wanneer we uiterlijke verschijnselen kunnen herleiden tot hun dieperliggende oorzaken. Begrijp me niet verkeerd, dames en heren: bij het verwoorden van dergelijke zaken moet je soms met nadruk spreken, en kan het lijken alsof er kritiek geleverd wordt op iets dat je in feite slechts wil typeren. Het is niet mijn bedoeling kritiek te leveren op het feit dat het verleden in het heden voortleeft; sterker nog, ik kan dat verleden bewonderen en het bijzonder aansprekend vinden in de manier waarop het zich in het heden manifesteert. Wil ik echter in sociale termen denken, dan moet ik het erkennen als iets dat tot het verleden behoort – iets dat zijn juiste plaats in het heden moet innemen, maar dan als verleden. Op die manier moet ik in staat zijn een waarachtig gevoel voor het directe sociale leven te ontwikkelen.

Zum Beispiel – Sie verzeihen, wenn ich aus der unmittelbarsten Gegenwart ein vielleicht etwas merkwürdiges, aber ganz gewiß nicht irgendwie verletzend gemeintes Symptom Ihnen anführe – gestern begegnete uns auf der Straße der verehrte Chairman im Talar und mit dem Barett. Er sah sehr schön aus. Ich mußte ihn bewundern. Aber, meine sehr verehrten Damen und Herren, ich hatte nicht nur das Mittelalter vor mir, sondern ich dachte, es käme mir jemand entgegen aus den alten orientalischen Theokratien in der unmittelbaren Gegenwart.
Nicht wahr, in dem Talar steckte ja in diesem Falle eine ganz gegenwärtige Seele, sogar eine Anthroposophenseele, die sich vielleicht sogar noch zuschreibt, Zukunft in sich zu haben; aber dasjenige, was unmittelbar symptomatisch physiognomisch, möchte ich sagen, sich ausdrückte, das ist Geschichte, das ist Geschichte in der Gegenwart.

Neem bijvoorbeeld – u zal het mij niet kwalijk nemen als ik een verschijnsel uit het directe heden aanhaal, iets wat misschien wat eigenaardig is, maar zeker niet beledigend bedoeld – gisteren kwamen we de geachte voorzitter op straat tegen, gekleed in zijn academische toga en baret. Hij zag er voortreffelijk uit; ik kon niet anders dan bewondering voor hem voelen. Toch, dames en heren, had ik niet alleen het gevoel dat de middeleeuwen voor mij stonden, maar dat ik iemand ontmoette uit de oude theocratieën van het Oosten – hier, in het directe heden. Weliswaar huisde in die toga een door en door hedendaagse ziel – zelfs een antroposofische ziel, die zichzelf wellicht beschouwt als belichaming van de toekomst – maar wat zich daar op een, ik zou bijna zeggen, direct symptomatische en fysionomische wijze manifesteerde, was de geschiedenis; het was geschiedenis in het heden.

Blz. 187

Und so müssen wir, wenn wir das soziale Leben verstehen wollen,
wenn wir selbst die wirtschaftlichen Verhältnisse verstehen wollen,
die tagtäglich auf unserem Kaffeetisch am Morgen wirksam sind, die
bewirken, wieviel wir aus unserem Portemonnaie nehmen müssen,
um diesen Frühstückstisch zu besorgen, wir müssen, um diese Verhältnisse zu verstehen, einen Überblick haben über die soziale Entwickelung
der Menschheit. Und diese soziale Entwickelung der Menschheit wird
heute, gerade wenn man die soziale Frage anschaut, fast nur im materialistischen Sinne behandelt.
Man muß zuerst hinschauen auf ganz andersartige Verhältnisse, die
einmal innerhalb der geschichtlichen und vorgeschichtlichen Entwickelung der Menschheit waren. Man muß schon hinschauen auf jene sozialen Gemeinschaften, die man gerade als die orientalischen, noch
stark nach Westen herüberwirkenden Theokratien auffassen kann.
Das waren ganz andere soziale Gemeinschaften. Das waren soziale
Gemeinschaften, in denen die Struktur der menschlichen Verhältnisse
bewirkt worden war durch die Inspiration einer den übrigen Verhältnissen der Welt fremden Priesterschaft.

Als we dus het maatschappelijk leven willen begrijpen – en daarmee de economische omstandigheden die ons dagelijks aan de ontbijttafel raken en bepalen hoeveel we uit onze portemonnee moeten halen om die maaltijd te bekostigen – dan moeten we zicht hebben op de sociale evolutie van de mensheid. Toch wordt deze evolutie tegenwoordig, vooral wanneer de ‘sociale kwestie’ wordt bestudeerd, bijna uitsluitend vanuit een materialistisch perspectief benaderd.
We moeten allereerst kijken naar de sterk uiteenlopende omstandigheden die heersten in de verschillende stadia van de menselijke geschiedenis en prehistorie. We moeten aandacht besteden aan die sociale gemeenschappen die kunnen worden gekenschetst als oosterse theocratieën – systemen die een krachtige invloed uitoefenden die tot in het westen reikte. Het ging hier om sociale gemeenschappen van een totaal andere aard; gemeenschappen waarin de structuur van de menselijke verhoudingen werd gevormd door de inspiratie van een priesterklasse die losstond van de overige wereldse omstandigheden.

Da hat man herausgeholt aus demjenigen, was sich einem an geistigen Impulsen ergab, die Impulse für die äußere Welt. Wenn Sie noch sehen, wie in Griechenland, in Rom, die soziale Struktur ist: ein ungeheures Sklavenheer, darüber eine in sich selbst zufriedene, wohlhabende – die Worte sind natürlich relativ gemeint – Oberschicht, dann können Sie diese soziale Struktur nicht
verstehen, ohne daß Sie hinschauen auf deren Ursprung, auf den theokratischen Ursprung, innerhalb dessen es möglich war, diese soziale Struktur als ein Gottgegebenes oder Göttergegebenes den Menschen glaubhaft zu machen, glaubhaft nicht nur für den Kopf, glaubhaft für das Herz, glaubhaft für den ganzen Menschen; so daß der Sklave tatsächlich sich in der richtigen Weise durch die göttliche Weltenordnung einmal an seinen Platz hingestellt fühlte. Nur aus dem Durchsetztsein der äußeren materiell-physischen sozialen Struktur mit inspirierten Geboten ist das soziale Leben in alten Zeiten der Menschheit zu erklären.
Und aus diesen Geboten, die eine der Welt entzogene Priesterschaft von außerhalb der Welt zu bekommen suchte, aus diesen Geboten ging 

Uit de spirituele impulsen die zich aandienden, putten mensen de impulsen voor de uiterlijke wereld. Wie de sociale structuur in Griekenland of Rome beschouwt – een enorm leger van slaven met daarboven een zelfvoldane, vermogende bovenlaag (begrippen die uiteraard relatief moeten worden opgevat) – kan die structuur niet begrijpen zonder naar de oorsprong ervan te kijken: de theocratische oorsprong die het mogelijk maakte deze maatschappelijke orde aan mensen te presenteren als iets dat door God of de goden was verordend – en wel op een wijze die niet slechts het verstand, maar ook het hart en de gehele mens overtuigde. Zo voelde de slaaf zich door de goddelijke kosmische orde werkelijk en terecht op zijn plaats gesteld. Het sociale leven in het verre verleden van de mensheid laat zich slechts verklaren door het feit dat de uiterlijke, materieel-fysieke sociale structuur doordrongen was van geïnspireerde geboden. En uit deze geboden – die een zich uit de wereld teruggetrokken priesterschap trachtte te ontvangen vanuit een sfeer buiten de wereld –

Blz. 188

nicht nur dasjenige hervor, was der Mensch für sein Seelenheil haben sollte, nicht nur, was er über Geburt und Tod dachte und empfand, sondern es ging dasjenige hervor, was das Verhältnis bilden sollte zwischen Mensch und Mensch.
Aus dem weiten Orient herüber tönt nicht nur das Wort: «Liebe Gott über Alles», sondern auch das andere: «und deinen Nächsten als dich selbst.» Wir nehmen heute ein solches Wort «deinen Nächsten als dich selbst» sehr abstrakt auf. Es war nicht so abstrakt in der Zeit, als von dem inspirierten Priester dieses Wort in die Menge klang. Da wurde es zu etwas zwischen den Menschen Wirkendem, wofür später alle diejenigen konkreten Verhältnisse traten, die wir unter dem Namen des Rechtes und der Moral zusammenfassen.

Denn diese Verhältnisse des Rechtes und der Moral, die sich erst später der Menschenentwickelung eingliedern, die waren in dem ursprünglichen göttlichen Gebote: «Liebe deinen Nächsten als dich selbst» enthalten durch die ganze Art und Weise, wie sie durch die inspirierte Priesterschaft in der Theokratie in die Welt hineingetragen wurden.

kwam niet alleen voort wat nodig was voor het heil van de menselijke ziel, of hoe men dacht en voelde over geboorte en dood, maar ook de aard van de onderlinge menselijke verhoudingen zelf.
Uit het weidse Oosten klinkt niet alleen het gebod “Heb God lief boven alles”, maar ook het andere: “en uw naaste als uzelf”. Tegenwoordig vatten wij de uitdrukking “uw naaste als uzelf” in zeer abstracte zin op. Zo abstract was dat niet in de tijd dat dit woord, uitgesproken door een geïnspireerde priester,
weerklonk voor de menigte. Het werd een kracht die tussen mensen werkte –
een kracht die later werd vervangen door de concrete verhoudingen die wij scharen onder de noemers van recht en moraal.
Want die verhoudingen van recht en moraal – die pas in een later stadium
in de menselijke evolutie werden opgenomen – lagen reeds besloten in het oorspronkelijke goddelijke gebod “Heb uw naaste lief als uzelf”, en wel door de wijze waarop dat gebod door het geïnspireerde priesterschap binnen de theocratie in de wereld was gebracht.

Ebenso waren die Verrichtungen des Wirtschaftslebens, dasjenige, was der Mensch tun sollte, was er tun sollte mit dem Vieh, was er tun sollte mit Grund und Boden – Sie finden den Nachklang dazu noch in der mosaischen Gesetzgebung -, das war aus den göttlich gedachten Eingebungen heraus festgestellt. Der Mensch fühlte sich als von den göttlichen Mächten in bezug auf sein geistiges Leben, in bezug auf sein Rechtsleben und moralisches Leben, in bezug auf sein Wirtschaftsleben in das Irdische hineingestellt. Eine einheitliche Struktur, wo die Glieder deshalb, weil ein Impuls in ihnen steckte, zusammenwirkten, war die Theokratie. Die drei Glieder: Geistesleben, Rechts-, dasjenige was wir heute auch Staatsleben nennen, dasjenige was wir Wirtschaftsleben nennen, war in einem einheitlichen Organismus, der durchpulst wurde von dem, was nicht auf der Erde zu finden war an Impulsen, zusammengefaßt.
In der weiteren Entwickelung der Menschheit ist das das Eigentümliche, daß diese drei Impulse, Geistesleben, staatlich-juristisch-moralisches Leben, und wirtschaftliches Leben, auseinanderdrängten, sich differenzierten. Aus dem einen Strom, der in den Theokratien als einheitliches Menschenleben dahinfloß, wurden allmählich zwei, wie ich 

Evenzo werden de activiteiten van het economische leven – wat de mens moest doen, hoe hij moest omgaan met vee en land (waarvan men de weerklank nog in de Mozaïsche wetgeving kan vinden) – bepaald door goddelijk geïnspireerde impulsen. De mens voelde zich door goddelijke machten in de aardse sfeer geplaatst – wat betreft zijn geestelijk leven, zijn juridisch en moreel leven en zijn economisch leven. De theocratie vormde een samenhangend geheel waarin deze onderdelen samenwerkten, omdat ze werden gedreven door een gemeenschappelijke impuls. De drie sferen – het geestelijk leven, het juridisch-politiek-morele leven (wat wij tegenwoordig het staatsleven noemen) en het economisch leven – waren verenigd in één enkel organisme, dat doordrongen was van impulsen die niet op aarde hun oorsprong vonden. Een kenmerkend aspect van de verdere evolutie van de mensheid is dat deze drie impulsen – het geestelijk leven, het staatsrechtelijk-morele leven en het economisch leven – uiteen zijn gedreven en zich hebben gedifferentieerd. De ene stroom, die in theocratieën als een verenigd menselijk bestaan ​​vloeide, splitste zich geleidelijk in tweeën – zoals ik 

Blz. 189

gleich nachher zeigen werde, und nachher drei; und diesen drei Strömen stehen wir heute gegenüber.
Dasjenige, was sich aus diesem einen Strom der Theokratie ergeben
hat, will ich nachher in dem zweiten Teile nach der Übersetzung besprechen.
Meine Damen und Herren, die Theokratie, so wie sie in alten Zeiten
bestanden hat mit der Inspiration der Mysterienpriester, die hineinfloß
in die soziale Struktur, in das juristisch-moralische und auch in das
wirtschaftliche Leben, diese Theokratie wird, um nur das eine anzuführen, im wirtschaftlichen Leben bloß fertig, kann nur zustande kommen mit demjenigen, was im wirtschaftlichen Leben bis zur Landwirtschaft geht, mit demjenigen, was zu tun hat mit dem Verhältnis des Menschen zu Grund und Boden. Es lassen sich gebotartige Verhaltungsmaßregeln für das wirtschaftliche Leben herausgestalten aus der Inspiration, wenn das wirtschaftliche Leben in seiner Hauptsache im Grund und Boden, in der Landwirtschaft, Viehzucht und so weiter begründet ist.

zo dadelijk zal aantonen – en later in drieën; en het zijn deze drie stromen waarmee wij vandaag de dag worden geconfronteerd.
Ik ben van plan om later, in het tweede deel na de vertaling, te bespreken wat er uit deze ene stroom van theocratie is voortgekomen.
Dames en heren, de theocratie – zoals die in de oudheid bestond, waarbij de inspiratie van de mysteriepriesters doorwerkte in de maatschappelijke structuur, in het juridisch-morele leven en in het economische leven – kon binnen de economische sfeer slechts functioneren of ontstaan ​​door zich te richten op zaken die de landbouw betroffen: namelijk de verhouding van de mens tot de grond. Uit een dergelijke inspiratie kunnen richtlijnen voor het economische leven worden afgeleid wanneer dat economische leven voornamelijk op de grond is gebaseerd – op landbouw, veeteelt en dergelijke.

Das beruht darauf, daß eben ein eigentümliches Verhältnis besteht zwischen dem Menschen, der an den Grund und Boden sich anschmiegt. Er hat in seinem Herzen dasjenige, was entgegenkommen kann dem, was aus der Theokratie herauskommt.
In dem Augenblicke, wo in der Entwickelung der Menschheit anfangen Handel und Gewerbe eine größere Rolle zu spielen, in dem Augenblicke wird es anders. Die alten, die ältesten Theokratien, sie können nur verstanden werden, wenn man weiß, daß im wesentlichen alles wirtschaftliche Leben auf der Zugehörigkeit des Menschen zu Grund und Boden beruht, daß Handel und Gewerbe gewissermaßen nur oben aufgesetzt waren. Sie waren ja da, aber sie entwickelten sich so, daß sie sich im Anschluß an die Verhältnisse in bezug auf Grund und
Boden, die Landwirtschaft entwickelten. Wir sehen in der Entwickelung der Menschheit, wie Handel und Gewerbe sich gewissermaßen emanzipieren von dem Landwirtschaftlichen, erst ganz in seinem Anfange im alten Griechenland, und dann deutlicher in dem alten römischen Reiche. Da sehen wir, wie gewissermaßen herauswächst wie etwas 

Dit berust op het feit dat er een bijzondere band bestaat tussen de mens en de grond waarmee hij nauw verbonden is. Hij draagt ​​in zijn hart iets dat kan reageren op wat uit de theocratie voortkomt. De situatie verandert zodra handel en nijverheid een grotere rol gaan spelen in de ontwikkeling van de mensheid. De oude – ja, de alleroudste – theocratieën zijn slechts te begrijpen als men beseft dat het gehele economische leven in wezen rustte op de verbondenheid van het individu met de grond, en dat handel en nijverheid er als het ware slechts bovenop lagen. Ze bestonden weliswaar, maar ontwikkelden zich in samenhang met de omstandigheden die de landbouw en het grondgebruik bepaalden. In de loop van de menselijke evolutie zien we hoe handel en nijverheid zich geleidelijk losmaken van de landbouw – eerst in een vroeg stadium in het oude Griekenland, en vervolgens duidelijker in het Romeinse Rijk. We zien hoe de menselijke activiteit op het gebied van handel en nijverheid zich losmaakt uit de sociale structuur en iets

Blz. 190

Selbständiges in der sozialen Struktur die Betätigung des Menschen im Handel und Gewerbe, und das gibt dem ganzen römischen Leben namentlich seine Konfiguration.
Als dasjenige, was sich für die Menschen aus dieser Emanzipation
ergab im römischen Reiche, tief zu Herzen ging den Gracchen, Tiberius
Sempronius Gracchus, Cajus Gracchus, als es in deren Herzen Wort
annahm, zur Tat wurde, da entstanden die großen sozialen Kämpfe des
alten Rom. Die erste Streikbewegung war im Grunde genommen im
alten Rom, als die Menschen hinauszogen auf den «Heiligen Berg» und
ihre Rechte verlangten, da entstand das Drängen nach einer Neugestaltung in die Zukunft hinein.
Und dasjenige, was man jetzt erst als etwas Selbständiges bemerkte, was früher hineingegliedert war in die ganze soziale Struktur, das ist die menschliche Arbeit, die ein besonderes Verhältnis von Mensch zu Mensch begründet. Wenn aus den Geboten heraus der Mensch weiß, er steht als ein Niedriggestellter einem Höhergestellten gegenüber, so fragt er nicht, wie er die Arbeit gestalten soll; dies ergibt sich aus dem menschlichen Verhältnis.

zelfstandigs wordt; precies dit geeft het Romeinse leven zijn kenmerkende vorm.
Toen de gevolgen van deze emancipatie voor de bevolking van het Romeinse Rijk de gebroeders Gracchus — Tiberius Sempronius Gracchus en Gaius Gracchus — diep beroerden, en toen dit besef in hun hart vorm kreeg en tot daden leidde, ontstonden de grote sociale strijdtonelen van het oude Rome. De eerste stakingsbeweging — in wezen die van het oude Rome, toen het volk naar de ‘Heilige Berg’ trok om zijn rechten op te eisen — markeerde het ontstaan ​​van het streven om de toekomst opnieuw vorm te geven. Wat nu als iets afzonderlijks werd gezien — iets dat voorheen deel uitmaakte van de algehele maatschappelijke structuur — was menselijke arbeid, die een specifieke verhouding tussen mensen tot stand brengt. Wanneer iemand op grond van vaststaande regels weet dat hij als ondergeschikte tegenover een meerdere staat, vraagt ​​hij zich niet af hoe het werk georganiseerd moet worden; dat wordt bepaald door de menselijke verhouding zelf.

In dem Augenblicke, wo die Arbeit als etwas Emanzipiertes, Selbständiges auftritt, ergibt sich die Frage: Wie stelle ich mich zu meinem Mitmenschen, damit meine Arbeit in der richtigen Weise sich hineingliedert in die soziale Struktur? – Handel, Gewerbe, Arbeit, das sind die drei wirtschaftlichen Faktoren, aus denen dann der Mensch angeregt wird, hervorzutreiben aus sich dasjenige, was das Recht ist, und auch, was die abgezogene Moral ist, die aus der Religion herausgezogene Moral. Und der Mensch fühlt sich dadurch veranlaßt, aus dem einen Strome der Theokratie zwei hervorgehen zu lassen: die alte Theokratie weiter gehen zu lassen und einen zweiten Strom, den
Strom, der im wesentlichen der Strom des Kriegerischen und namentlich des Juristischen ist, daneben fließen zu lassen.
Daher sehen wir, wie, indem die orientalische Kultur sich herüberentwickelt nach Europa unter dem Einflüsse von Handel, Gewerbe und Arbeit, das alte theokratische Denken übergeht in das juristische Denken, wie an die Stelle der alten Verhältnisse, die gar nicht Rechtsverhältnisse waren – versuchen Sie sich das klarzumachen noch aus der mosaischen Gesetzgebung -, sich entwickeln die Rechtsverhältnisse 

Zodra arbeid zich als iets geëmancipeerds en zelfstandigs manifesteert, rijst de vraag: hoe verhoud ik mij tot mijn medemensen, zodat mijn arbeid op passende wijze in de maatschappelijke structuur integreert? Handel, industrie en arbeid – dat zijn de drie economische factoren die de mens ertoe aanzetten om vanuit zijn innerlijk zowel de aard van het recht als de moraliteit – die uit de religie is gedestilleerd, oftewel eruit is afgeleid – voort te brengen. Hierdoor wordt de mens ertoe bewogen om vanuit de ene stroom van de theocratie twee stromen te laten ontstaan: enerzijds de oude theocratie te laten voortbestaan, en anderzijds een tweede stroom ernaast te laten vloeien – een stroom die in wezen wordt gekenmerkt door het krijgshaftige en, bovenal, het juridische. Zo zien we hoe – naarmate de oosterse cultuur zich onder invloed van handel, industrie en arbeid tot de Europese cultuur ontwikkelt – het oude theocratische denken plaatsmaakt voor juridisch denken; hoe in de plaats van de oude verhoudingen (die in feite geen rechtsverhoudingen waren – probeer dit te doorgronden door naar de Mozaïsche wet te kijken) de juridische

Blz. 191

des Eigentums, die Verhältnisse, die ausdrücken sollen die Beziehungen von Mensch zu Mensch.
Man sieht das entstehen im Keime zur Zeit der Gracchen, später
mehr aufgehen zur Zeit des Diokletian; man sieht da, wie der zweite
Strom neben den ersten sich hinstellt, und man sieht dieses im ganzen
menschlichen Leben sich ausdrücken.
Man kann sagen: Im Oriente drüben, in den alten Theokratien war
das, was die Menschen als Geistiges über die übersinnlichen Welten
wissen sollten, alles selbstverständliche Theosophie. Theo-Sophia ist die
konkrete Weisheit, die empfangen wurde durch Inspiration.
Als der Strom nach Europa herübergeht, stellt sich neben ihn die
Jurisprudenz. Die Jurisprudenz kann keine Sophia mehr sein, denn sie
handelt nicht von etwas, was einem eingegeben wird, sondern von etwas,
was der Mensch selbst immer mehr und mehr im Verkehr von Mensch
zu Mensch entwickelt. Da wird das Urteil maßgebend.

eigendomsverhoudingen ontstaan: verhoudingen die bedoeld zijn om de onderlinge verbindingen tussen mensen tot uitdrukking te brengen.
Men ziet dit in de tijd van de Gracchen in een beginstadium opkomen, om later
tot volle ontplooiing te komen in de tijd van Diocletianus; men ziet hoe een tweede stroom naast de eerste komt te staan, en men ziet dit tot uitdrukking komen in het menselijk leven.
Men zou kunnen zeggen: in het Oosten, in de oude theocratieën, werd alle kennis die de mens over de bovenzinnelijke werelden – over het geestelijke – bezat, simpelweg als theosofie beschouwd.
Theosofie is concrete wijsheid die door inspiratie wordt ontvangen.
Wanneer de stroom zich naar Europa verplaatst, komt de rechtsgeleerdheid
ernaast te staan. Rechtsgeleerdheid kan niet langer ‘Sophia’ zijn, want zij houdt zich niet bezig met iets dat door inspiratie wordt overgedragen, maar met iets dat mensen zelf in toenemende mate ontwikkelen door hun onderlinge omgang. Hier wordt het menselijk oordeel de beslissende factor.

Da tritt an der Stelle der Sophia die Logik auf, und die Jurisprudenz, in die jetzt alle soziale Struktur hineingegossen wird, wird vorzugsweise logisch. Die Logik, die Dialektik entwickeln ihre Triumphe, nicht etwa in der Naturwissenschaft, sondern gerade in dem juristischen Leben, und alles menschliche Leben wird in diesen zweiten Strom, in die Logik hineingezwängt. Begriff des Eigentums, Begriff des persönlichen Rechtes, all das sind ja realisierte logische Kategorien.
Und die Sache hat eine so starke Kraft in dieser zweiten Strömung, daß diese Kraft auf die erste Strömung abfärbt. Aus der Theosophia wird eine Theologia. Der erste Strom wird also durchaus beeinflußt von dem zweiten Strom. Und wir haben jetzt nebeneinander ein Altbewahrtes, eine alte Theosophia, die, indem sie weniger lebendig, etwas dürrer, etwas magerer auch geworden ist, als sie in ihrer Jugend war, nun Theologia wird, und daneben die Jurisprudentia, die eigentlich in dieser Art alles umfaßt bis ins 15., 16., 17. Jahrhundert hinein, was in den verschiedenen Masken auftritt, die auch noch wirkt in dem gesamten wirtschaftlichen Leben der Menschheit.
Jurisprudenz wirkte auch in Adam Smith, auch wenn er das wirtschaftliche Leben in Betracht ziehen will. Lesen Sie Adam Smith einmal mit dem Gefühl, da rumort juristisches Denken;

Hier treedt de logica in de plaats van Sophia, en de rechtsgeleerdheid – waarin de gehele maatschappelijke structuur nu wordt gegoten – wordt overwegend logisch van aard. Logica en dialectiek vieren hun triomfen niet in de natuurwetenschap, maar juist op het gebied van het recht; het gehele menselijke leven wordt in deze tweede stroom gedwongen: de stroom van de logica. Het eigendomsbegrip, het begrip van persoonlijke rechten – dit zijn allemaal gerealiseerde logische categorieën. En deze tweede stroom oefent zo’n krachtige invloed uit dat hij overvloeit in de eerste. ‘Theosophia’ verandert in ‘Theologia’. Zo wordt de eerste stroom diepgaand beïnvloed door de tweede. We zien nu, zij aan zij, een eeuwenoud erfgoed – een oude ‘Theosophia’ die zich ontwikkelt tot ‘Theologia’ (en daarbij minder vitaal, wat droger en schraler is geworden dan in haar jeugd) – en daarnaast de ‘Jurisprudentia’. Deze laatste kracht, die in uiteenlopende gedaanten verschijnt, omvat alles tot in de 15e, 16e en 17e eeuw en blijft het gehele economische leven van de mensheid vormgeven. Ook bij Adam Smith was de rechtsgeleerdheid werkzaam, zelfs wanneer hij het economische leven onderzocht. Probeer Adam Smith eens te lezen met besef van het juridische denken dat onder de oppervlakte broeit;

Blz. 192

aber das Wirtschaftliehe Leben kommt herauf. Nun will er in die alten Begriffe des Juristischen – damals waren sie ja schon wiederum alt geworden -, da will er hineinzwängen, was als wirtschaftliches Leben in Komplikationen heraufkommt, nachdem das naturwissenschaftliche Denken die Technik und so weiter ergriffen hat.
Und so sehen wir, wie eine Zeitlang innerhalb der eigentlichen zivilisierten Menschheit die zwei Ströme sich herausbilden, die Theologia, die dann auf der einen Seite in die Wissenschaft einmündet – denn es ist ja überall nachzuweisen, wie die späteren Wissenschaften, auch die Naturwissenschaft, sich aus der Theologia heraus entwickeln.
Aber die Menschen haben mittlerweile das dialektisch-logische Denken
gelernt, das tragen sie jetzt in alles hinein, auch in die Wissenschaft.
Und so entwickelt sich die neuere Zeit. Mit überwältigender Komplikation kommen die sozialen Verhältnisse, die wirtschaftlichen Verhältnisse herauf. Die Menschen sind gewohnt noch an das theologisch juristische Denken, und das tragen sie nun noch extra in die Naturwissenschaft hinein. In der Naturwissenschaft bemerkt man es nicht mehr.

maar het economische leven komt op. Nu probeert men de complexiteit van dit opkomende economische leven – dat ontstond nadat het wetenschappelijk denken vat had gekregen op technologie en dergelijke – te dwingen in oude, juridische begrippen (begrippen die destijds eigenlijk al verouderd waren).
Zo zien we gedurende enige tijd twee stromingen ontstaan ​​binnen de beschaafde mensheid: de ‘theologia’, die uiteindelijk uitmondt in de wetenschap – want overal valt aan te tonen dat de latere wetenschappen, waaronder de natuurwetenschap, uit de ‘theologia’ zijn voortgekomen.
Men had zich inmiddels echter het dialectisch-logische denken eigen gemaakt en paste dit nu op alles toe, ook op de wetenschap.
Op deze wijze ontwikkelde zich de moderne tijd. Er ontstonden maatschappelijke en economische verhoudingen van een overweldigende complexiteit. Men was nog steeds gewend aan theologisch-juridisch denken en droeg dit ook over op de natuurwetenschap – al wordt die invloed binnen de natuurwetenschap zelf niet meer bewust waargenomen.

Man glaubt nicht, wenn man das Auge über das Mikroskop hält, oder wenn man durch das Teleskop in den Sternenhimmel hineinschaut, oder wenn man gar ein niederes Tier zergliedert, um daran den Organismus zu studieren, man glaubt es nicht, daß man eine historische Phase des menschheitlichen Denkens da hineingetragen hat, und nicht etwas Absolutes. Und so nimmt in der neueren Zeit dieses naturwissenschaftliche Denken durchaus die Menschheit, die Zivilisation in Anspruch: es soll über alles so gedacht werden, wie naturwissenschaftlich gedacht wird. Das ist heute nicht etwa bloß in den Gebildeten sitzend, das sitzt in der ganzen Menschheit, bis in den primitivsten Menschen hinein.
Ich möchte nicht mißverstanden werden auch hier, aber ich möchte eine Bemerkung machen. Wenn heute so etwas auseinandergesetzt wird, wie ich es zum Beispiel in bezug auf die Erziehung in den verflossenen Tagen tat, da muß auch dasjenige hineingebracht werden, was vom Spirituellen aus die Naturwissenschaft beleuchtet. Wenn der heutige Mensch, der an der Naturwissenschaft herangebildet ist, an diese Dinge herankommt, dann findet er: Ja, was da gesagt wird, das steht nicht in 

Wanneer men het oog aan een microscoop zet, of door een telescoop naar de sterrenhemel tuurt, of zelfs een nederig schepsel ontleedt om het organisme ervan te bestuderen, beseft men niet – men beseft het simpelweg niet – dat men daarbij een specifieke historische fase van het menselijk denken hanteert, in plaats van iets absoluuts. Zo is deze wetenschappelijke denkwijze in de moderne tijd volledig gaan domineren over de mensheid en de beschaving: de verwachting is dat alles door de bril van het wetenschappelijk denken moet worden bekeken. Deze houding beperkt zich niet tot de ontwikkelde klassen; ze doordringt de gehele mensheid en reikt zelfs tot de meest primitieve individuen.
Ik wil hier niet verkeerd begrepen worden, maar ik wil graag een opmerking maken. Wanneer kwesties worden uiteengezet zoals die welke ik onlangs met betrekking tot het onderwijs heb besproken, is het essentieel om perspectieven te betrekken die de natuurwetenschap vanuit een spiritueel standpunt belichten. Wanneer de moderne mens – gevormd door een wetenschappelijke opvoeding – met deze ideeën in aanraking komt, is de reactie vaak: “Welnu, wat hier wordt gezegd, staat niet in

Blz. 193

einem Physiologiebuch; was da gesagt wird, das habe ich nicht gehört vom physiologischen Katheder herunter, also ist es falsch.
Man setzt nicht voraus, daß dasjenige, was dort nicht gesagt werden kann, daß
all das, was von mir in bezug auf Naturwissenschaftliches gesagt ist, durchaus nachgeprüft ist, daß es voll berücksichtigt dasjenige, was im Physiologiebuch steht, und was vom Katheder herunter als Physiologie gelehrt wird. Aber es ist die Menschheit heute so gestaltet, daß man gar nicht weiß, wie das eine aus dem anderen heraus sich ergibt. Und so ist heute die glänzende Naturwissenschaft, die ja voll anerkannt wird innerhalb des Anthroposophischen, diese Naturwissenschaft ist heute – nicht durch das, was sie selber sagt, sondern durch die Menschen, durch die Art, wie die Menschen sie auffassen – ein Hemmnis. Und ich möchte sagen, man kann es in der Entwickelung der neuesten Menschheit handgreiflich machen, wie sie ein Hemmnis ist.
Sehen Sie, da gab es einen Menschen, der Ihnen seinem Namen nach gut bekannt ist, Karl Marx, der in der neueren Zeit besonders eindringlich für Millionen und Millionen von Menschen über das soziale Leben
geredet hat.

de fysiologieboeken; ik heb dit nooit vanaf het katheder van de fysiologiedocent gehoord – dus moet het wel onjuist zijn.”
Er wordt niet van uitgegaan dat alles wat ik over natuurwetenschappen heb gezegd – of zelfs datgene wat daar niet in uitgedrukt kan worden – volledig is geverifieerd, of dat het volledig rekening houdt met de inhoud van fysiologieleerboeken en wat er vanuit de collegezaal als fysiologie wordt onderwezen. Toch is de huidige staat van de mensheid zodanig dat mensen geen idee hebben hoe het een uit het ander voortkomt. En zo is briljante natuurwetenschap – die binnen de antroposofische beweging volledig wordt erkend – tegenwoordig een belemmering geworden; niet vanwege wat de wetenschap zelf zegt, maar vanwege de mensen – vanwege de manier waarop ze het waarnemen. En ik zou zeggen dat men binnen de context van de moderne menselijke ontwikkeling heel tastbaar kan aantonen hoe het als een belemmering werkt.
Neem bijvoorbeeld een man wiens naam u welbekend is: Karl Marx – iemand die in recentere tijden met grote impact tot miljoenen mensen sprak over het sociale leven.

Wie hat er geredet? Nun, er hat geredet, wie der repräsentative Mensch des naturwissenschaftlichen Zeitalters über das soziale Leben reden muß.
Stellen wir uns einmal vor Augen, wie dieser repräsentative Mensch
reden muß. Der Naturwissenschafter, der hat die Gedanken im Kopfe.
Darauf gibt er nicht viel; er gibt erst etwas auf die Gedanken, wenn sie
sich ihm verifiziert haben unter dem Mikroskop oder durch einen anderen Versuch oder durch irgendeine Beobachtung. Aber dasjenige, was
er beobachtet, das muß ganz vom Menschen abgesondert sein, das darf
nicht irgendwie verknüpft sein, das muß herangetragen sein. Und so
muß derjenige, der naturwissenschaftlich denkt, einen Abgrund sehen
zwischen seinem Denken und dem, was ihm herangetragen wird.
Nun, Karl Marx hat dieses Denken, das man nicht heranlassen will
an die äußere Welt, zwar nicht ganz im Sinne der neuesten Naturwissenschaft gelernt, möchte ich sagen, aber er hat es in einer älteren Form gelernt als Hegelsche Dialektik. Es ist im Grunde genommen nur eine andere Färbung des naturwissenschaftlichen Denkens. Da, als er dieses Denken des modernen Menschen lernte, da stand er in seinem Milieu drinnen.

Hoe sprak hij? Wel, hij sprak precies zoals de representatieve figuur van het wetenschappelijke tijdperk noodzakelijkerwijs over het maatschappelijk leven spreekt.
Laten we ons voor de geest halen hoe zo’n representatieve figuur moet spreken. De natuurwetenschapper draagt ​​gedachten met zich mee.
Hij hecht daar niet veel waarde aan; hij waardeert gedachten pas zodra ze voor hem zijn geverifieerd onder de microscoop, of door middel van een ander experiment of een andere waarneming. Toch moet datgene wat hij waarneemt volledig losstaan ​​van de mens; het mag op geen enkele wijze daarmee verbonden zijn; het moet iets zijn dat hem van buitenaf wordt aangereikt. Wie op natuurwetenschappelijke wijze denkt, ziet zich dan ook genoodzaakt een kloof waar te nemen tussen zijn eigen denken en datgene wat hem wordt voorgelegd.
Nu heeft Karl Marx – hoewel hij deze denkwijze (die afstand wil bewaren tot de buitenwereld) strikt genomen niet in de geest van de meest recente natuurwetenschap heeft verworven – haar wel in een eerdere vorm leren kennen: als de Hegeliaanse dialectiek. In wezen is dit slechts een andere nuance van wetenschappelijk denken. En toen hij zich deze voor de moderne mens kenmerkende denkwijze eigen maakte, was hij diep geworteld in zijn eigen specifieke milieu.

Blz. 194

Aber er war Repräsentant des naturwissenschaftlichen Zeitalters, da konnte er ja gar nichts damit anfangen. Er war ein Deutscher, er stand drinnen in der deutschen logisch-dialektischen Denkweise. Aber aus der heraus konnte er nichts anfangen, geradeso wie der Naturwissenschafter nichts anfangen kann mit seinen Gedanken. Er wartet, was ihm das Mikroskop oder Teleskop zeigt. Das muß von außen kommen. Karl Marx konnte mit seinen Gedanken nichts
anfangen. Und da er schon einmal aus seiner Haut nicht herausfahren konnte, fuhr er aus Deutschland heraus und ging nach England. Da traten ihm die sozialen Verhältnisse von außen gegenüber, wie dem Naturwissenschafter das Mikroskop oder Teleskop. Da hatte er eine Außenwelt. Da konnte er so reden und eine soziale Theorie nach naturwissenschaftlichem Muster begründen, wie der Naturwissenschafter seine Theorie begründet. Und weil diese Denkweise den Leuten tief im Leibe sitzt, wurde das ungeheuer populär. Und weil nun schon einmal das, was sich bloß auf die äußere Natur bezieht, maßgebend ist, wenn man über den Menschen so redet wie über die äußere Natur, wie es Karl Marx getan hat, so schaut das alles, was man über den Menschen sagt, auch über seine sozialen Verhältnisse, so aus, wie wenn es Natur wäre.

Maar hij was een vertegenwoordiger van het natuurwetenschappelijke tijdperk; daar kon hij natuurlijk helemaal niets mee beginnen. Hij was een Duitser; hij bevond zich midden in de Duitse logisch-dialectische denkwijze. Maar daaruit kon hij niets halen, net zoals de natuurwetenschapper niets kan beginnen met zijn gedachten. Hij wacht af wat de microscoop of de telescoop hem laat zien. Dat moet van buitenaf komen. Karl Marx kon met zijn gedachten niets beginnen. En aangezien hij niet uit zijn eigen huid kon stappen, verliet hij Duitsland en ging naar Engeland. Daar werd hij van buitenaf geconfronteerd met de sociale verhoudingen, net zoals de natuurwetenschapper met de microscoop of telescoop. Daar had hij een buitenwereld. Toen kon hij zo spreken en een sociale theorie volgens een natuurwetenschappelijk model onderbouwen, zoals de natuurwetenschapper zijn theorie onderbouwt. En omdat deze manier van denken diep in het wezen van de mensen zit, werd het enorm populair. En omdat nu eenmaal datgene wat zich louter op de uiterlijke natuur betrekt, doorslaggevend is, wanneer men over de mens spreekt zoals over de uiterlijke natuur, zoals Karl Marx heeft gedaan, lijkt alles wat men over de mens zegt,
ook over zijn sociale verhoudingen, alsof het de natuur zelf is.

Was ich über den Jupiter sage, was ich über das Veilchen sage, was ich über den Regenwurm sage, das kann ich in Island ebenso sagen wie in Neuseeland, und in England ebenso wie in Rußland. Das gilt für die ganze Welt. Da brauche ich mich nicht zu konkretisieren, das muß allgemein gelten.
Wenn man also nach dem Muster des Naturwissenschaftlichen eine soziale Theorie begründet, so begründet man scheinbar etwas, was über die ganze Erde hin gilt, was überall daraufgesetzt werden kann. Das ist überhaupt die Eigentümlichkeit der juristisch-staatlichen Denkweise, die nur ihren Gipfelpunkt in dem Marxismus gefunden hat, daß sie das Allgemein-Abstrakte wie ein allgemeines Kleid überall draufsetzen will. Das finden Sie schon da, wo noch gar nicht sozialistisch, sondern nur juristisch-logisch gedacht wird, zum Beispiel bei Kant mit dem kategorischen Imperativ, der Ihnen ja vielleicht auch als etwas Ausländisches bekannt sein wird.
Meine Damen und Herren, dieser kategorische Imperativ, der sagt:

Wat ik over Jupiter zeg, wat ik over het viooltje zeg, wat ik over de regenworm zeg, dat kan ik net zo goed in IJsland zeggen als in Nieuw-Zeeland, en in Engeland net zo goed als in Rusland. Dat geldt voor de hele wereld. Ik hoef daar niet concreet op in te gaan, het moet algemeen gelden.
Als men dus naar het voorbeeld van de natuurwetenschappen een sociale theorie onderbouwt, dan onderbouwt men schijnbaar iets dat over de hele aarde geldt, dat overal op toegepast kan worden. Dat is juist het eigenaardige aan de juridisch-staatsrechtelijke denkwijze, die pas in het marxisme haar hoogtepunt heeft gevonden, dat men het algemene en abstracte als een soort universele mantel overal overheen wil leggen. Dat ziet u al daar waar nog helemaal niet socialistisch, maar alleen juridisch-logisch wordt gedacht, bijvoorbeeld bij Kant met de categorische imperatief, die u wellicht ook als iets vreemds bekend zal zijn.
Dames en heren, deze categorische imperatief, die zegt:

Blz. 195

Handle so, daß die Maxime deines Handelns für jeden Menschen gelten kann. – Im konkreten Leben läßt sich das nicht anwenden, denn man kann niemandem sagen: Laß dir vom Schneider deinen Rock so machen, daß er für jeden Menschen passen kann. Aber nach diesem Muster, das überhaupt das logische Muster ist, nach diesem Muster ist schon das alte juristisch-staatliche Denken geformt. Das erreicht seinen Gipfelpunkt im marxistisch-sozialen Denken.
Und so sieht man, wie zuerst realisiert, verwirklicht wird dasjenige, was durch Marx auf naturwissenschaftliche Art beobachtet ist, indem er deutsches Denken betätigte am englischen Wirtschaftsdasein.
Nun wird es wieder zurückgetragen nach Mitteleuropa. Da lebt es sich in den Willensimpulsen der Menschen aus. Und dann wird es noch weitergetragen ganz nach dem Osten. Im Osten nun ist sogar vorbereitet dieses Überstülpen des rein Abstrakten über die konkret menschlichen Verhältnisse. Denn im Osten sehen wir, wie dem Marx schon vorgearbeitet hat Peter der Große.

Handel zo, dat de maxime [de praktische regels]  van uw handeling op ieder mens van toepassing kan zijn. In de praktijk is dit niet toepasbaar; men kan immers niet tegen iemand zeggen: “Laat uw kleermaker uw jas zo maken dat hij iedereen past.” Toch is juist dit patroon – dat in feite het logische patroon is – hetgeen de oude juridische en staatkundige denkwijze heeft gevormd. Dit bereikte zijn hoogtepunt in het marxistisch-socialistische denken.
Zo zien we de verwezenlijking en actualisering van wat Marx waarnam via een natuurwetenschappelijke benadering – waarbij Duitse denkpatronen werden toegepast op de economische realiteit van Engeland. Nu wordt dit teruggevoerd naar Centraal-Europa, waar het zich manifesteert in de impulsen van de menselijke wil.
Van daaruit wordt het nog verder gedragen, helemaal tot in het Oosten. In het Oosten was het toneel al bereid voor deze oplegging van het louter abstracte aan de concrete menselijke omstandigheden; daar zien we immers hoe Peter de Grote de weg voor Marx al had geëffend.

Peter der Große hat schon den Westen in das russische Leben hineingeschoben, während Rußland in seiner Seele vielfach orientalischen Charakter trägt und die
Menschen die Theokratie noch stark im Leibe haben, wurde durch ihn das Juristisch-Staatliche hineingetragen und Petersburg mehr im Westen, neben Moskau gesetzt.
Man verstand nicht, daß das zwei Welten sind, Petersburg Europa ist und Moskau Rußland ist, wo noch tief hineinspielt die orientalische Theokratie in ihrer Reinheit. So daß, als dann Solowjow eine Philosophie bildete, sie natürlich nicht so wurde wie die dialektisch-naturwissenschaftliche Philosophie des Herbert Spencer, sondern sie wurde theosophisch. Aber Solowjow ist Moskau. Solowjow ist nicht Petersburg. Ich meine auch nicht, daß in Rußland nur so die Dinge geographisch getrennt werden können. Dostojewski, er mag noch so sehr an Moskau gekettet sein, Dostojewski, er mag noch so weit nach Osten
gehen, ist Petersburg. Und die Erlebnisse in Rußland verlaufen zwischen Petersburg und Moskau. Moskau ist Asien, theokratisch angeschaut, heute noch; Petersburg ist Europa.
Und in Petersburg wurde bereits vorbereitet auf staatlich-juristische Art dasjenige, was dann der Leninismus vollständig an Rußland verbrochen hat, wo etwas dem russischen Wesen so Fremdes, 

Peter de Grote introduceerde het Westen in het Russische leven; maar hoewel
de Russische ziel een grotendeels oosters karakter draagt ​​– en de bevolking diep doordrongen blijft van theocratie – introduceerde hij het juridisch-staatkundige element en stichtte hij Sint-Petersburg als een westerse tegenhanger van Moskou.
Men begreep niet dat dit twee werelden zijn: Sint-Petersburg is Europa, terwijl Moskou Rusland is – een plek waar de oosterse theocratie in haar zuivere vorm nog steeds een diepgaande invloed uitoefent.
Toen Solovjov vervolgens een filosofie ontwikkelde, nam deze niet de vorm aan van de dialectische, natuurwetenschappelijke filosofie van Herbert Spencer;
in plaats daarvan werd ze theosofisch. Toch vertegenwoordigt Solovjov Moskou; Solovjov is niet Sint-Petersburg. Evenmin wil ik suggereren dat de zaken in Rusland uitsluitend langs geografische lijnen kunnen worden gescheiden. Dostojevski – hoezeer hij ook verbonden was met Moskou, hoe ver naar het oosten hij zich ook mocht begeven – hoort bij Sint-Petersburg. En de loop der gebeurtenissen in Rusland speelt zich af tussen Sint-Petersburg en Moskou. Moskou is Azië – gezien door een theocratische bril, zelfs vandaag de dag nog; Sint-Petersburg is Europa.
En in Sint-Petersburg werd reeds de basis gelegd – op een staatkundig-juridische wijze – voor wat het leninisme later volledig aan Rusland zou opleggen: het opdringen van iets dat volkomen vreemd was aan de Russische geest

Blz. 196

aber als die letzte Konsequenz des westeuropäischen Wesens aufgeprägt wurde, als etwas Abstraktes, so Fremdes, daß man sagen kann: Ebensogut hätte man dasjenige, was Lenin da in Rußland gemacht hat, auf dem Monde
oder irgendwo anders machen können. Es kam gar nicht in Betracht, daß das Rußland ist, wo gerade Lenin regieren wollte.
So haben sich allmählich die Verhältnisse ergeben, daß man gar nicht sich konkretisiert, indem man auf das Soziale hinsieht. Aber das muß man, meine Damen und Herren. Man muß sich klar sein darüber, daß in der Entwicklung der Menschheit das geistige Leben früher entstanden ist als das juristisch-staatliche, daß das als ein zweiter Strom sich neben den ersten gestellt hat, und daß vielleicht jetzt auch etwas anderes eintreten muß, als dieses bloße Abfärben der Jurisprudenz auf die Theosophie, so daß sie sie in die Theologie verwandelt; daß vielleicht das geistige Leben neu erwachen muß in einer neuen Form.
Denn die Sache ist doch so, daß die Evolution der Menschheit so vor sich ging, daß mancherlei aus dem geistigen Leben der alten Zeit seine Form in sich noch behalten hat.

maar dat wel de uiterste consequentie vormde van de West-Europese geest – als iets abstracts en zo vreemds dat men zou kunnen zeggen: Wat Lenin in Rusland deed, had net zo goed op de maan of waar dan ook kunnen gebeuren. Het feit dat Lenin juist in Rusland wilde regeren, deed er niet toe.
De omstandigheden hebben geleid tot een situatie waarin men er niet in slaagt concreet te worden wanneer men naar het maatschappelijke aspect kijkt. Toch moet men dat wel doen, dames en heren. Men moet zich realiseren dat in de loop van de menselijke evolutie het geestelijk leven eerder ontstond dan de rechts- en staatsorde – dat het zich als een tweede stroom naast de eerste vestigde – en dat er nu wellicht iets anders moet gebeuren dan slechts het overdragen van de rechtswetenschap op de theosofie (waardoor deze in theologie verandert); dat het geestelijk leven wellicht in een nieuwe vorm opnieuw moet ontwaken.
Want het is een feit dat de menselijke evolutie zich zo heeft voltrokken, dat diverse elementen uit het geestelijk leven van de oudheid hun oorspronkelijke vorm hebben behouden.

Es hat nicht bloß den Talar und das Barett, es hat auch die Gedankenformen behalten. Diese Gedankenformen, die passen nicht mehr auf eine Welt, in die Handel, Gewerbe und Arbeit hineingetragen wurden als emanzipiert, so daß das
geistige Leben heute vielfach als ein abgesondertes Glied neben dem übrigen Leben steht, am meisten, je mehr man nach Westen kommt.
In Rußland, in Moskau-Rußland ist es noch am wenigsten der Fall.
In Mitteleuropa drehen sich alle Kämpfe, auch die sozialen, darum, daß man kein rechtes Verhältnis findet zwischen dem dialektisch-juristisch-staatlichen Element und dem theokratischen Element. Man weiß nicht, ob man nun den Talar und das Barett behalten kann, wenn man sich als Richter hinsetzt, oder ob man sie ausziehen soll. Die Rechtsanwälte schämen sich heute schon damit, die Richter finden noch etwas sehr Würdiges dabei, den Talar anzuhaben. Man weiß es nicht. In Mitteleuropa ist ein starker Kampf; in Westeuropa ist das Theokratische sehr stark konserviert in dem geistigen Leben, sehr stark in den Gedankenformen konserviert.
Aber der zweite Strom in der Menschheit hat sich ja herauf entwickelt.

Niet alleen de toga en de baret zijn behouden gebleven, maar ook de denkvormen. Deze denkvormen passen niet meer bij een wereld waarin handel, industrie en arbeid als geëmancipeerde krachten zijn binnengekomen; met als gevolg dat het geestelijk leven tegenwoordig vaak als een afzonderlijke entiteit naast de rest van het leven staat – een tendens die sterker wordt naarmate men zich meer naar het westen begeeft.
In Rusland – in het Rusland van Moskou – is dit het minst het geval.
In Centraal-Europa draaien alle conflicten – ook de sociale – om het onvermogen om een ​​juiste verhouding te vinden tussen het dialectisch-juridisch-staatkundige element en het theocratische element. Men weet niet of men de toga en baret moet aanhouden wanneer men als rechter zitting houdt, of dat men ze moet afleggen.
Juristen voelen zich er tegenwoordig al ongemakkelijk bij, terwijl rechters het dragen van de toga nog steeds iets zeer waardigs vinden. Er is geen consensus. In Centraal-Europa woedt een hevige strijd; in West-Europa blijft het theocratische element sterk bewaard binnen het geestelijk leven – sterk bewaard, wel te verstaan, binnen de denkvormen.
Toch heeft de tweede stroom in de mensheid zich wel degelijk ontwikkeld.

Blz. 197

Wir haben auf der einen Seite den Menschen, wenn wir das als Symptom
betrachten, wunderbar konservierend das Alte – Talar, Barett – und
nun möchte man sehen, daß er Talar und Barett ausziehe und darunter
etwas anderes hätte, ein zweites, ob es nun ein Königsmantel oder ein
Kriegermantel sei, aber es müßte etwas sein, was nun in das Rechtsverhältnis, in das Staatsverhältnis sich hineinstellt. Und so, ich möchte
sagen, wenn man ihm auf der Straße heute begegnet, möchte man ihm,
um ihn als einen vollständigen Menschen zu sehen, Talar und Barett
ausziehen und darunter etwas wie eine Art Kriegermantel finden, oder
etwas, was in die Juristenstube paßt; dann würde man die zwei Strömungen im Menschen nebeneinander lebend haben.
Ich muß Ihnen gestehen – nicht wahr, es ist scherzhaft ausgesprochen,
aber es ist doch sehr real gemeint -, wenn ich heute einem Menschen in
Talar und Barett auf der Straße begegne, so kommt mir der Gedanke:
Ja, wenn du jetzt einen Brief schreiben solltest, du wüßtest doch nicht,
sollst du 768 vor Christi Geburt schreiben, oder sollst du schreiben,
weil doch wiederum vielleicht in diesem Talar drinnen ein Rechtsgelehrter ist, 1265 nach Christi Geburt?

Enerzijds zien we het individu – en ik beschouw dit als een symptoom – dat op bewonderenswaardige wijze het oude in stand houdt: de toga en de baret. Toch zou men graag zien dat hij die toga uitdoet en de baret afzet en daaronder iets anders onthult – een tweede laag, zoals een koninklijke mantel of een krijgersmantel – iets dat een directe verbinding aangaat met de wereld van het recht en de staat. Sterker nog, als men vandaag de dag zo iemand op straat tegenkomt, zou men – om hem als een volledig mens te kunnen zien – het liefst de toga willen uitdoen en baret van zijn hoofd willen halen om daaronder iets als een krijgersmantel aan te treffen, of wellicht iets dat past bij het studeervertrek van een jurist; op die manier zou men zien hoe de twee stromingen in die persoon naast elkaar bestaan.
Ik moet u bekennen – en begrijp me goed, dit is half grappend bedoeld, al is de gedachte erachter zeer serieus – dat wanneer ik vandaag de dag iemand in toga en met baret op straat tegenkom, de gedachte bij me opkomt: “Als u nu een brief zou schrijven, zou u niet weten of u die moet dateren op 768 v.Chr. of – aangezien er in die toga wellicht een rechtsgeleerde schuilgaat – op 1265 n.Chr.”

Man kommt mit dem Datum nicht zurecht, weil Vergangenheit, ältere und mittlere Vergangenheit – Gegenwart braucht man dabei noch gar nicht zu berücksichtigen, auf das heutige Datum würde ich zuletzt kommen bei der Sache – weil sich weiter zurückliegende Vergangenheit und weniger weit zurückliegende Vergangenheit nebeneinanderstellen als zwei Strömungen. Und sie stellen sich so nebeneinander wie Moskau und Petersburg.
Und man hat die Frage vor sich: Wie kommt wirkliche Organisation, wirkliche Gliederung hinein in dasjenige, was heute nebeneinander steht? Diese Zweigliederung, die ich bis jetzt angeführt habe, werden wir dann auslaufen sehen in eine Dreigliederung in der modernen Zeit, wo die drei Glieder ebenso nebeneinander stehen.
Dreigliederung, meine Damen und Herren, ist ja nicht so gemeint, daß man jetzt eine schöne Einheit hat im sozialen Leben und nun drei Schnitte machen soll, daß die drei Glieder sich nebeneinander entwickeln, sondern die Dreigliederung ist so gemeint, daß sie da ist, wie im Menschen die drei Glieder sind: Kopf-Nervensystem, das rhythmische System und das Stoffwechselsystem. Nur müssen die ordentlich zusammenwirken, 

Het is lastig om greep te krijgen op de chronologie, omdat het verleden – zowel het verdere als het recentere verleden (het heden hoeven we nog niet eens in beschouwing te nemen; de huidige tijd zou ik pas als laatste behandelen) – zich voordoet als twee stromingen die naast elkaar bestaan. Ze staan ​​naast elkaar, net zoals Moskou en Sint-Petersburg dat doen.
En we staan ​​voor de vraag: hoe kan er werkelijke ordening – werkelijke geleding – worden gebracht in wat momenteel naast elkaar bestaat? We zullen zien hoe deze tweeledige structuur, die ik tot nu toe heb beschreven, zich in de moderne tijd ontwikkelt tot een drieledige structuur, waarin de drie elementen eveneens naast elkaar staan.
De drieledige structuur, dames en heren, moet niet zo worden begrepen dat men het ene, samenhangende maatschappelijke leven simpelweg in drieën deelt, zodat de drie delen naast elkaar ontstaan; ze is veeleer bedoeld om te bestaan ​​zoals de drie systemen in de mens bestaan: het zenuw-zintuigstelsel, het ritmische systeem en het stofwisselingssysteem. Het komt erop aan dat ze goed

Blz. 198

und es muß jedem das Seine zugeteilt werden.
Wenn der Verdauungsorganismus wenig arbeitet und zuviel von seiner
Arbeit an den Kopf abgibt, dann entstehen allerlei migräneartige
Krankheiten.
Wenn das geistige Glied des sozialen Organismus nicht ordentlich
arbeitet, zuviel, sagen wir, an das Wirtschaftliche abgibt, denn das ist
der Kopf heute des sozialen Organismus, dann entstehen allerlei soziale
Krankheiten.
So muß man diese Dinge mit der Entwickelung, mit der Evolution
der Menschheit in Zusammenhang bringen, wenn man hineinsehen will
in das soziale Leben. Dieses gestattet am allerwenigsten eine Oberflächenansicht. So müssen wir schon dahin kommen, in Talar und
Barett solche Formen hineinzubringen, die einem nun auch möglich
machen, die zwei geschichtlichen Daten ineinander zu denken. Das ist
dann Gegenwart. Sonst bleibt Vergangenheit Vergangenheit mit den
nebeneinanderlaufenden Strömungen, die heute eben gerade als der
Urgrund der sozialen Krankheit in der Welt dastehen, wenn es auch
die Menschen nicht glauben. Das Weitere will ich dann im dritten Teile
meines heutigen Vortrages sagen.

samenwerken en dat elk zijn eigen, passende functie vervult. Als het spijsverteringsstelsel weinig werk verricht en te veel van zijn activiteit afwentelt op het hoofd, ontstaan ​​er allerlei migraine-achtige klachten.
Wanneer het geestelijke deel van het sociale organisme niet naar behoren functioneert – wanneer het, laten we zeggen, te zeer toegeeft aan de economische sfeer (die immers tegenwoordig het hoofd van het sociale organisme vormt) – dan ontstaan ​​er allerlei maatschappelijke kwalen.

Men moet deze zaken dus in het licht van de ontwikkeling en evolutie van de mensheid beschouwen als men inzicht wil krijgen in het sociale leven; een gebied dat zich allerminst leent voor een oppervlakkige blik. We moeten daarom tot een punt komen waarop we vormen kunnen introduceren – als het ware gesymboliseerd door de academische toga en baret – die ons in staat stellen deze twee historische tijdperken als met elkaar verweven te zien. Dat is wat het heden vereist. Anders blijft het verleden slechts verleden, waarbij de parallelle stromingen ervan blijven voortbestaan ​​als de dieperliggende oorzaak van de maatschappelijke kwalen in de wereld – ook al geloven mensen dat niet. Op het vervolg zal ik ingaan in het derde deel van de lezing van vandaag.

Meine Damen und Herren, da die Zeit vorgeschritten ist, werde ich
dasjenige, was ich heute noch zu Ihnen zu sagen habe, sehr kurz halten.
Es führt uns ja auch bereits in die Gegenwart, in diese Tage herein, und daher werde ich mir das Wesentlichste aufzusparen haben auf den nächsten Vortrag. Was ich heute noch sagen möchte, ist dieses: Zu jenen zwei Strömungen, die ich charakterisiert habe, kommt immer mehr und mehr von dem Beginn des 15. bis 16. Jahrhunderts an, am deutlichsten aber im 19. Jahrhundert, ein dritter Strom. Er kommt um so deutlicher hinzu, je mehr sich die Kultur nach dem Westen bewegt. Es kommt zu demjenigen, was ursprünglich theokratisch angepaßt war dem Grund und Boden, der Landwirtschaft, zu dem kommt hinzu in den mittleren Gegenden das Juristische, das angepaßt ist Handel, Gewerbe, Arbeit.
Und im Westen kommt nun hinzu immer mehr und mehr das, was man später begreift unter dem Namen des Industriellen, des eigentlich Industriellen mit all dem, was technisch sich diesem Industriellen einfügt.

Dames en heren, aangezien het al laat is, zal ik het bij wat ik u vandaag nog te zeggen heb, zeer kort houden. De materie leidt ons immers al naar het heden – naar de tijd waarin wij nu leven – zodat ik de meest essentiële punten zal moeten bewaren voor de volgende voordracht. Wat ik vandaag wil zeggen, is dit: aan de twee stromingen die ik heb geschetst, wordt een derde stroom toegevoegd – in toenemende mate vanaf de overgang van de 15e naar de 16e eeuw, maar het duidelijkst in de 19e eeuw. Deze derde stroom treedt des te duidelijker naar voren naarmate de cultuur zich naar het Westen verplaatst. Naast datgene wat oorspronkelijk theocratisch van aard was – afgestemd op het land, de bodem en de landbouw – ontstaat in de centrale gebieden een juridisch element dat is afgestemd op handel, nijverheid en arbeid. En in het Westen komt daar in toenemende mate bij wat later onder de term ‘industrieel’ is gaan vallen: de werkelijk industriële sfeer, met alle technische aspecten die daarmee samenhangen.

Blz. 199

Bedenken Sie nur, was die Einfügung des eigentlichen industriellen
Elements in die Evolution der Menschheit bedeutet. Die heutigen Verhältnisse ließen sich leicht umrechnen auf dasjenige, was ich jetzt anführen will, aber ich will es für einen etwas früheren Zeitpunkt anführen, ungefähr für die achtziger Jahre des vorigen Jahrhunderts. Da konnte man schon sagen: Wenn man die physischen Menschen auf der Erde zählen würde, man würde etwa 1500 Millionen Menschen finden.
Aber das ist nicht die richtige Bevölkerung der Erde. Das wäre nur die
richtige Bevölkerung der Erde, wenn wir noch im tiefen Altertum drinnen lebten, wo die Menschen im wesentlichen alle Arbeit verrichteten
durch ihre Hände oder durch dasjenige, was etwa zusammenhing mit
dem Menschen, so wie die Hand beim Führen des Pfluges oder beim
Führen des Pferdes und so weiter. Es war bereits im 19. Jahrhundert
eingezogen in die Erdenwelt eine ganz neue Bevölkerung; die Maschinen, die dem Menschen einen Teil der Arbeit abgenommen haben.

Denk eens na over wat het betekent als het eigenlijke industriële element er in de evolutie van de mensheid bijkomt. Hoewel de huidige omstandigheden zich gemakkelijk zouden laten vertalen in de termen die ik ga gebruiken, geef ik er de voorkeur aan de situatie te schetsen zoals die in een iets eerder tijdperk bestond – grofweg in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Zelfs toen al kon men zeggen: als men de fysieke mensen op aarde zou tellen, zou men uitkomen op ongeveer 1500 miljoen mensen. Toch vertegenwoordigt dat niet de werkelijke bevolking van de aarde. Dat cijfer zou slechts kloppen als we nog in de verre oudheid leefden, een tijd waarin mensen vrijwel al hun werk met de eigen handen verrichtten – of met hulpmiddelen die direct met het menselijk lichaam verbonden waren, zoals de hand die een ploeg of een paard aanstuurt. In de negentiende eeuw was er echter een geheel nieuwe bevolkingsgroep in de aardse sfeer verschenen: de machines, die een deel overnamen van het werk dat voorheen door mensen werd gedaan.

Und wenn man rechnet, auch schon für die achtziger Jahre des vorigen
Jahrhunderts, wieviel an menschlicher Arbeit die Maschine dem Menschen abgenommen hat, dann kommt man dazu, daß man als Erdenbevölkerung dann anzusehen hat 2000 Millionen Menschen, 25 Prozent
mehr. Heute ist es, wenigstens vor dem Kriege war es noch viel mehr
so, daß wir, wenn wir bloß physisch die Menschen heute anschauen
auf der Erde, eine ganz falsche Erdenbevölkerungszahl bekommen. Wir
müssen 500 Millionen mehr Menschen auf der Erde annehmen nach der
verrichteten Arbeit.
Das hat in der Tat zu dem alten theokratischen und juristischen
Strome ein ganz neues Element gebracht, einen ganz neuen Strom in
den realen Verhältnissen, denn es hat den Menschen nicht etwa näher
hingebracht an die Außenwelt, sondern es hat den Menschen mehr auf
sich selbst zurückgewiesen. Der Mensch stand im Mittelalter so, daß ein
Teil von ihm war, was er, sagen wir, als einen Schlüssel machte zu einem
Schloß oder das Schloß selber. Da ging, was der Mensch betätigte, in
die Arbeit über. Wenn der Mensch an der Maschine steht, es ist ihm
ganz einerlei, etwas relativ gesprochen, wie sein Verhältnis zur Maschine ist. Dadurch wird er um so mehr auf sich zurückgewiesen.
Seine Menschlichkeit empfindet er. Der Mensch tritt als ein ganz

En als men berekent – ​​zelfs terugkijkend tot de jaren tachtig van de negentiende eeuw – hoeveel menselijke arbeid de machine van de mens heeft overgenomen, komt men tot de conclusie dat de wereldbevolking moet worden beschouwd als bestaande uit 2000 miljoen mensen: een toename van 25 procent. Vandaag de dag – of althans vóór de oorlog – krijgen we een volkomen onjuist beeld van de wereldbevolking als we enkel kijken naar de fysieke mensen op aarde; op basis van de verrichte arbeid moeten we aannemen dat er 500 miljoen mensen meer op aarde zijn.
Dit heeft inderdaad een volledig nieuw element geïntroduceerd – een geheel nieuwe stroming binnen de werkelijkheid – naast de oude theocratische en juridische stromingen; want het heeft de mens niet dichter bij de uiterlijke wereld gebracht, maar het individu juist op zichzelf teruggeworpen. In de middeleeuwen was het wezen van de mens verbonden met wat hij voortbracht – bijvoorbeeld een sleutel voor een slot, of het slot zelf; zijn activiteit vloeide rechtstreeks in het werk. Wanneer iemand echter aan een machine staat, is zijn verhouding tot die machine – relatief gezien – voor hem van ondergeschikt belang. Daardoor is hij des te meer op zichzelf teruggeworpen. Hij wordt zich bewust van zijn eigen mens-zijn. De mens treedt het evolutieproces binnen als een geheel

Blz. 200

neues Wesen in die Entwickelung ein. Er löst sich los von seiner
äußeren Betätigung. Das ist es, was im Westen als das demokratische Element in den letzten Jahrhunderten heraufkommt, aber erst als eine Forderung, als
ein Postulat, nicht wie irgend etwas Realisiertes. Denn die Verhältnisse
überwältigen den Menschen. Die Menschen können nur theokratisch
oder juristisch denken. Aber das Leben wird industriell-wirtschaftlich
mit überwältigenden Forderungen. Da hinein gehen noch nicht die
Gedanken. Selbst ein solcher Mensch wie Marx hat nur juristisch gedacht. Und das Verständnis, das er gefunden hat bei Millionen und
Millionen, ist nur juristisch.
Und so kann man sagen: Dadurch trat eine dritte Strömung, über die
wir namentlich im nächsten Vortrag werden zu sprechen haben, neben
die zwei anderen hin. Der proletarische Mensch wird geboren. Das, was
im proletarischen Menschen rumort, das lebt sich aus als eine bestimmte
Auffassung über Kapitalismus, über Arbeit. Die Menschen sind gezwungen, diese Probleme aus dem Leben heraus sich vorzuhalten. Jetzt
ist die Evolution der Menschheit eigentlich erst Gegenwart. 

nieuwe soort wezen, doordat hij zich losmaakt van zijn uiterlijke activiteit.
Dit is wat zich de afgelopen eeuwen in het Westen heeft ontwikkeld als het democratische element – ​​zij het aanvankelijk slechts als eis, als postulaat, en niet als iets dat daadwerkelijk was verwezenlijkt. De heersende omstandigheden overstelpen immers het individu. Mensen zijn slechts in staat in theocratische of juridische termen te denken, terwijl het leven zelf een industrieel en economisch karakter krijgt en overweldigende eisen stelt. Het menselijk denken is tot dit domein nog niet doorgedrongen. Zelfs een figuur als Marx dacht in louter juridische termen, en het begrip dat hij bij miljoenen mensen vond, was eveneens van louter juridische aard.
Zo ontstond er, naast de twee andere, een derde stroming – die we in de volgende voordracht nader zullen bespreken. Het proletarische individu wordt geboren. Wat er in de proletariër leeft, komt tot uitdrukking in een specifieke opvatting over kapitalisme en arbeid. Mensen worden gedwongen zich met deze vraagstukken bezig te houden, omdat ze voortkomen uit de realiteit van het leven. Pas nu is de evolutie van de mensheid werkelijk in het heden aangekomen.

Man könnte sagen: da steht der Mann mit dem Talar und Barett, wunderbar schön, herrlich; er ragt herein aus der Vergangenheit. Da steht der Mann mit dem Kriegermantel und mit dem Degen als Verkörperung des Juristischen – das Kriegerische ist nur eine andere Seite des Juristischen -, die spätere Vergangenheit, noch nicht Gegenwart.
Und wenn ich den Mann in Talar und Barett sehe, so kann er ja noch, weil sich die Menschheit schon jahrhundertelang da hinein gewöhnt hat, unter Umständen ein guter Rechtsanwalt, ein guter Advokat sein. Da werde ich die Disharmonie noch nicht so stark empfinden. Aber wenn er nun ins wirtschaftliche Leben hineingestellt sein soll – da habe ich fast die Vermutung, wenn er nicht trotz Barett und Talar gerade dazu befähigt ist, sich ins wirtschaftliche Leben aktiv hineinzustellen, daß er bloß sein Geld verlieren wird! Denn die Menschheit ist im allgemeinen noch nicht hineingewachsen in dasjenige, was diese dritte Strömung im Leben bedeutet. Und das ist sie auch im großen nicht. Daher steht die soziale Frage vor uns als eine Menschheitsfrage. Denn neben die Maschine ist der Mensch hingestellt. Wir müssen heute die soziale Frage

Men zou kunnen zeggen: daar staat de man in toga en baret –prachtig, indrukwekkend; hij reikt vanuit het verleden tot in het heden.
Daar staat de man in krijgersmantel en met zwaard, de belichaming van de rechtssfeer – want het krijgshaftige aspect is slechts een andere kant van het juridische – en hij vertegenwoordigt een recenter verleden, zij het nog niet het heden.
En wanneer ik de man in toga en baret zie, kan hij – juist omdat de mensheid door de eeuwen heen aan deze rol gewend is geraakt – heel goed een bekwaam jurist of advocaat zijn. In dat geval ervaar ik de dissonantie niet zo scherp. Maar als hij in het economische leven wordt geplaatst… tja, dan vermoed ik sterk dat hij – tenzij hij over de specifieke aanleg beschikt om actief aan het economische leven deel te nemen, ongeacht zijn toga en baret – simpelweg zijn geld zal verliezen! Want de mensheid als geheel is nog niet gegroeid in de werkelijkheid die door deze derde levensstroom wordt vertegenwoordigd; dat is op grote schaal nog niet gebeurd.
Zo stelt de sociale kwestie zich aan ons voor als een vraagstuk dat de mensheid zelf aangaat. Want de mens is naast de machine komen te staan. 

Blz. 201

nicht als eine Wirtschaftsfrage, wir müssen sie als eine Menschheitsfrage erfassen können, und wir müssen verstehen, daß wir sie innerhalb der Menschheit lösen müssen.
Dazu fehlen aber noch die Gedankenimpulse, wie sie vorhanden
waren für das Theokratische und für das Juristische. Für das Wirtschaftliche fehlen sie noch. Und die Kämpfe der Gegenwart gehen
darum, Gedankenimpulse zu finden für das Wirtschaftliche, wie man
sie gefunden hat für das Theokratische und für das Juristische. Das
ist im wesentlichen heute noch der Inhalt der sozialen Frage. Im
großen ist man dabei noch weniger auf einem heilsamen Wege als im
kleinen. Die Staaten, die plötzlich empfangen sollten dieses industrielle
Wirtschaftsleben, die haben es sich in ihre alten juristischen Formen
eingliedern wollen.

Vandaag de dag moeten we de sociale kwestie niet slechts als een economisch vraagstuk zien, we moeten het kunnen vatten als een kwestie die de gehele mensheid aangaat, en we moeten inzien dat we het binnen de context van de mensheid moeten oplossen.
Voor het economische gebied ontbreken echter nog de noodzakelijke denkimpulsen – zoals die er wel waren voor de theocratische en de juridische sfeer. De huidige strijd draait om het vinden van dergelijke impulsen voor het economische domein, net zoals die gevonden werden voor het theocratische en het juridische domein. Dat vormt in wezen de kern van het sociale vraagstuk van vandaag. Op macroniveau zijn we nog verder verwijderd van een constructieve weg dan op microniveau. Landen die dit industriële economische leven plotseling overnamen, probeerden het te integreren in hun bestaande rechtsstructuren.

Und da sie das nicht gekonnt haben, verfielen sie auf dasjenige, was eine Art Ventil war, um es nicht nötig zu haben zunächst, das Wirtschaftsleben wirklich neben das Staatsleben hinzuentwickeln. Und dieses Ventil ist das Kolonisieren. Weil man nicht die Möglichkeit fand zu starken sozialen Ideen im Inneren, machte man sich zunächst etwas wie einen Ausweg im Kolonisieren.
Das ging bei England. Bei Deutschland ging es nicht. Deutschland konnte sich seine Industrie nicht eingliedern, unzweifelbar deshalb, weil das Kolonisieren nicht ging. Und die große Frage steht heute vor der Menschheit: Wie macht es der Mensch mit dem wirtschaftlichen Leben, ebenso wie er es einstmals mit dem theokratischen, wie er es mit dem Juristischen gemacht hat.
Diese große Frage glaubt man heute, könne auf rein materialistische Weise gelöst werden. Jeder will sie aus dem Wirtschaftsleben heraus lösen. Hier soll gezeigt werden in bescheidenen Anfängen, daß sie nur auf spirituellem Wege gelöst werden kann. Das soll dann der Inhalt meiner zwei nächsten Vorträge sein.

En omdat ze daartoe niet in staat waren, grepen ze naar wat diende als een soort veiligheidsventiel; dit bespaarde hun de directe noodzaak om het economische leven werkelijk te ontwikkelen naast het staatsleven. Dat ventiel was de kolonisatie. Omdat men geen manier vond om intern sterke maatschappelijke ideeën te ontwikkelen, werd kolonisatie aanvankelijk aangegrepen als een soort uitlaatklep.
Voor Engeland werkte dit. Voor Duitsland niet. Duitsland kon zijn industrie niet integreren – ongetwijfeld omdat kolonisatie geen optie was. En vandaag de dag staat de mensheid voor een grote vraag: hoe moet de mens omgaan met het economische leven, net zoals hij ooit omging met het theocratische leven en met
het rechtsleven?
Tegenwoordig heerst de opvatting dat deze grote vraag op puur materialistische wijze kan worden opgelost. Iedereen probeert haar op te lossen vanuit het economische leven zelf. Hier wil ik aantonen – zij het in bescheiden aanzet – dat ze alleen kan worden opgelost via een geestelijke weg. Dat zal het onderwerp zijn
van mijn volgende twee voordrachten.
GA 305/184     Voordracht 11    voordracht 12

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Rudolf Steiner over pedagogie: vindplaatsen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3569-3353

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – arbeid (9-10)

.
Steiner heeft veel over ‘arbeid’ gesproken en ook geschreven, o.a. in zijn boek: ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk  (GA 23)
In de jaren 1950 publiceerde Mellie Uyldert in boeken en in haar blad ‘De kaarsvlam’ over diverse onderwerpen die ook in de antroposofie aan de orde komen. Er zijn overeenkomsten, maar ook verschillen. Ondanks dat is het toch nog steeds de moeite waard, met haar inzichten kennis te maken. Haar gedachten kunnen aanleiding zijn tot het scherpen van de eigen gezichtspunten, ter ondersteuning of juist tot een gefundeerd afwijzen.
.

Mellie Uyldert, De Kaarsvlam, 10e jrg., nr.6, 1956
.

HEILIGE EN ONHEILIGE ARBEID

De mens en zijn werk

Is arbeid een straf? Een noodzaak? Of een zegen?

Arbeid is zeker geen straf voor zonde, want dan zou arbeid niet zo heerlijk en gelukkig makend kunnen zijn, en dan zou niet-arbeiden niet zo verre van paradijselijk, niet zo’n gruwelijke leegheid en verveling kunnen blijken.
Elk levend wezen arbeidt, elke cel arbeidt levenslang!

Arbeid is een noodzaak om in onze levensbehoeften te kunnen voorzien en hangt dus af van wat wij als onze behoeften beschouwen.

Er leeft ergens een indianenstam die volmaakt gelukkig is en vrijwel niet arbeidt: men vangt enkele visjes en plukt enkele vruchten als voedsel, verder zingt en danst men van levensvreugde, er is daar geen wet en, geen godsdienst, geen ziekte, geen verdriet en geen ruzie, men loopt naakt en slaapt in ’n hangmat buiten.

Wij werken hoofdzakelijk voor onze gewaande behoeften: wij begeren datgene wat een ander heeft, wat de advertenties en uitstallingen aanprijzen. Wie zich daarvan vrij houdt, heeft al heel wat minder behoeften. Wij begeren in de stof wat wij in de eigen ziel en het eigen lichaam reeds bezitten, maar verwaarlozen: wij moeten geld verdienen om onze kolenrekening te betalen, maar wij bezitten allen in ons lichaam een ingebouwd elektrisch kacheltje, dat de stroom uit de kosmos door middel van de adem betrekt, om niet, dat is de milt. Door de speciale lange uitademing (toemo oefening) kan men die kachel activeren en geheel warm zijn in de ergste kou. — Wij menen veel geld te moeten verdienen voor voedsel, maar ’t is in de hongerwinter toch wel gebleken, dat wij met veel minder eten toe kunnen komen en dan juist veel gezonder zijn en psychisch veel beter functioneren: bij vasten wordt ons veel meer bewust, ontplooien zich onbekende gaven der ziel (dichten!) door de bloedreiniging die inzet en blijken zich onze krachten en ons uithoudingsvermogen en vooral onze fijngevoeligheid te vergroten! Drie maaltijden per dag is te veel, men kan met twee of één toe komen, en als men dan ook maar het ware voedsel eet, dat de natuur onbedorven oplevert, zoals de wilde planten (brandnetels, melde, beukennoten, paddenstoelen, bosbessen, bv.) heeft men aan weinig genoeg. — En als men dan ten derde zijn door God gegeven krachten niet verdoet in een overdreven geslachtsleven, maar ze laat opstijgen naar de ziel, waar ze ons alle nodige goede invallen geven, dan bevrijden wij onszelf hoe langer hoe meer van die noodzaak om te werken voor geld.
Ook kunnen wij zoveel werk, dat wij nu met bewuste krachten ten koste van veel energie doen, beter aan onze onbewuste krachten overlaten, die anders bij gebrek aan bevelen maar gaan woekeren: het studieboek onder het hoofdkussen met de geconcentreerde intentie vóór het inslapen om deze leerstof ’s nachts op te nemen, kan ons moeiteloos klaar maken voor het examen: op een vraag geven wij dan van het onbewuste uit het goede antwoord, al weten wij niet dat wij het weten. (Dit is dus weer het innerlijke proces, waarvan de grammofoon onder het hoofdkussen ( bij de Amerikaanse studenten c.s. uiterlijke projectie in de stof is, net als radio en televisie)
Ten slotte wordt ons een enorme hoeveelheid arbeid en energie bespaard als wij de etherische stromingen gebruiken, die er vanzelf zijn, bv. onze vliegtuigen laten vliegen op die stromingen zoals een schip dat de rivier afvaart en zoals de Kontiki-expeditie over de oceaan, de vliegende schotels doen dat en hun bemanning moet wel medelijdend glimlachen om ons moeizaam kolen en petroleum winnen! — Wie met de tijden van de dag en van het jaar meedeint, dus ’s morgens handenwerk, ’s avonds zielenwerk, ’s zomers buiten- en lichaamswerk, ’s winters binnen- en zielen- en geesteswerk doet, die verslijt niet. Wie datgene doet, waar hij zin in heeft, wordt er niet door vermoeid, maar opgefrist door zijn concentratie van krachten, zijn onbelemmerde doorstroming, zijn gelukkig-zijn, zo presteert men het meest en wordt er gezond en wijs en gelukkig door!

Zo verandert de arbeid van een noodzaak in een zegen, zo wordt ze gelijk aan spel, dat eenvoudig spontane arbeid is, die bij ons past. Een kind dat geconcentreerd speelt, doet het werk dat God wil, dat is heilige arbeid, een deel van het groeiproces van de menselijke ziel. Als wij doen wat onze bestemming is, wat vanzelf van binnen uit komt en wat wij dan ook met ons hele hart doen in volledige concentratie aller krachten op het ene doel, dan zijn wij de transformator, die de kosmische krachten gebruiken om zich door middel van ons, levende schepselen (al het zg. levenloze meegerekend) te manifesteren, tot aanzijn te geraken. De voortstuwende krachten (de elektrische) laten ons scheppend werk doen, de zuigende (magnetische) voeren door ons het verlossende werk uit. Dat is de heilige arbeid die het doel van ons menselijk bestaan op aarde is — geen straf en niet zozeer noodzaak, maar een opdracht en taak, die het spel der goden is en die ons mensen gezond en gelukkig maakt en houdt!

Daarom is deze passende arbeid het meest economisch, want efficiency zit niet zozeer in besparing van manuren, maar in het verkrijgen van de hoogste prestatie bij het minste energieverbruik! Als de maatschappij zó wordt ingericht, naar het voorbeeld van de echte Montessori-school, waarvoor wij de nieuwe generaties immers al steeds klaarmaken, besparen wij al de kosten van ziekte en ongelukkig zijn, dat is bv. al de hele snoepindustrie, de alcohol en de sigaretten, want daar taalt een gelukkig, tevreden en gezond mens niet naar, en al de ziekten, die enkel correcties door de natuur zijn op een foutieve leefwijze en verkeerde arbeid.
En wij besparen al de misdaad en de seksuele wantoestand, die het gevolg zijn van de ledigheid der ziel bij werk dat de krachten van het hart niet nodig heeft — zodat die krachten, niet tot samenbundeling opgeroepen, zich verspreiden en automatisch de bv. in film en detective-story (zielverpestende feuilletons der dagbladen!) gegeven voorbeelden gaan verwerkelijken!

Onheilige arbeid vraagt vakantie tot redding van ons organisme, dat zich dan even herstellen kan uit de verwringing. Zo vraagt nu de bóer zelfs om vakantie, daar hij niet meer als vroeger in het ritme der natuur meewerkt en daardoor gedragen wordt, maar een industrieel geworden is en daardoor zichzelf net zo opgebruikt als hij het zijn als machines behandelde koeien en kippen doet.
Als iemands gewenste vakantie bestaat in niets-doen, dan is die mens al erg ziek en moet blijkbaar uit de verwringing eerst terug in de nul, vóór hij aan zijn ware zijn toekomt (en dan is de vakantie net weer om) — op die manier komt hij nóóit tot het ware werk, de heilige arbeid die zijn opdracht is, en al wat hij zijn leven lang, na zijn kindertijd misschien, gedáán heeft, gaat als waardeloos op de kosmische vuilnishoop — dit hele leven zal hij weer over moeten doen.

De hedendaagse jeugd heeft groot gelijk, als zij zich niet door hoge lonen voor zieldodend werk laat omkopen en steeds van baan wisselt tot zij gevonden heeft wat haar past, wat met de persoonlijke opdracht en bestemming overeenkomt.

Heilige arbeid is die arbeid, die vanzelf gedaan wordt door de krachten die de mens dan onbelemmerd doorstromen en waarin de mens zich zonder voorbehoud in dienst stelt van die krachten, zoals een gaaf kind doet. In dat opzicht moeten wij weer als de kinderen worden.

De mens die naar onafhankelijkheid streeft, laat zich geen behoeften en begeerten suggereren, maar ontwikkelt zijn eigen ingeboren vermogens en gebruikt de kosmische krachten die zich om niet aanbieden. Met zijn maats (zijn medemensen in dezelfde fase) bouwt hij daardoor vanzelf een nieuwe maatschappij op, die een paradijs kan heten, omdat de mens daarin gelukkig is, vrij van problemen, ziekten, verdriet en zorg, angst en vrees, vrij van overbevolking en „schadelijke” dieren of andere „vijanden”, want allen vanzelfsprekend samenwerkend. Want de harmonie der sferen is het patroon waarnaar de menselijke samenleving vanzelf opgroeit als de mens het proces niet meer verstoort, maar er in medewerkt.

De duimendraaiende leeghoofdige rentenier is geen ideaal, maar het onnatuurlijkste wat bestaat, want zoals God zelf zonder ophouden arbeidt, zo arbeiden zijn dienaren: de planeetkrachten, en zo arbeidt de mens als onmisbare medewerker mee in het Grote Werk.
Wil men de arbeid plicht noemen, goed, maar dan de innerlijke plicht, niet de uiterlijke die bestaat voor het geld verdienen om onnodige dingen te kopen, die de mens innerlijk onontwikkeld, primitief en hulpeloos houden. De innerlijke plicht van de mens is om zijn vermogens te oefenen en te ontplooien, zodat hij zelf als een god kan leven, vrij door inschakeling in de grote orde: „goden willen wij zijn, naakt en zuiver en rein, en van een edele waarde — vrij door ons zelve te zijn, geleiders van Zonne’s schijn — ja góden, góden op aarde!”

Loon naar werken

Dat wij werken is vanzelfsprekend, onze krachten willen iets doen.
Dat wij het materiaal ontvangen, waarmee onze krachten werken willen, dus onze ware levensbehoeften, is even vanzelfsprekend. Als praktische neutrale tussenvorm tussen dit geven en nemen, om het een in het ander te kunnen omzetten, heeft de mens het geld uitgevonden. Werken en ontvangen is een natuurlijke kringloop. Wij werken niet om het geld, wij werken en alle werk heeft resultaat — dit resultaat kan eenvoudig uitgedrukt of omgezet worden in een andere vorm, met behulp van de tussenvorm geld, die geen waarde of betekenis in zichzélf bezit.
Geld is neutraal. Wil men geen geld aannemen dat door uitbuiting is verdiend, omdat er „bloed aan kleeft”, dan hecht men ten onrechte een voorstelling aan dat geld, en leeft dan in de geldwaan. Beter kan men het wél aannemen en het voor iets góeds besteden! Zo kan men het „kwade” in het „goede” omzetten.
Geld is niets — maar de mens die er zijn eigen krachten in de vorm van wens en begeerte, toewijding en idealisering, geloof en verering, aan meedeelt, op projecteert, in belegt, laadt dat geld, dat niets is, op tot een machtige afgod, die hem kan tiranniseren, doordat die mens dat zelf wil! De slaven maken de tiran.’t Is maar wat men in het geld ziet. De saturnale mens wil „zijn geld eerlijk verdienen door inspanning en plichtsbetrachting” en slooft zich af voor een vast en bescheiden loon. — De joviale (Jupiter-)mens ziet in geld iets om te besteden en geeft al trakterend en royaal levend het geld uit, dat door de zuinige Saturnus-mens verdiend en opgespaard is.
Terwijl de joviale mens zijn god ziet als de goede vader, die de leliën des velds en het kleinste musje voedt, al arbeiden zij niet, beschouwt de saturnale mens zijn god als de grote boekhouder die nagaat en bijhoudt of men z’n kleine vreugden wel naar eer en geweten met arbeid verdiend heeft, en of de mens het kapitaal, door zijn schepper in hem gestoken, wel opbrengt. Als de balans niet sluit, moet hij door boete en straf het tekort aanzuiveren.
Zo ziet dan ook de saturnale mens het loon naar prestatie als het enig billijke en de joviale mens het loon naar behoefte. De eerste zegt: men moet maar alles aanpakken, opdat men geen schulden hoeft te maken! De laatste zegt: men moet edel leven door anderen te helpen en zichzelf niet te verminken, en wat men daarvoor aan geld nodig heeft, desnoods lenen. — Zo gunt de joviale mens het grote gezin z’n kinderbijslag, terwijl de saturnale mens zegt: de ouders hebben toch hun verantwoordelijkheidsgevoel gekregen om hun kindertal zo nodig te bepérken! Waarom moet de wel-gewetensvolle mens werken voor het seksuele gemak van de ander, die niet-gewetensvol is?!
De saturnale mens verzekert zich. De joviale rekent er maar op dat anderen hem wel zullen bijspringen in nood, en dat gebeurt ook, doordat hij anderen veel geholpen heeft.
Rente trekken vindt de saturnale mens ontoelaatbaar, omdat dan tegenover dat credit geen debet staat. De joviale mens zegt: alles in de natuur vermenigvuldigt zich, waarom dan het geld niet, dat een andere gedaante is van natuurlijke rijkdom, zoals een olijfboom die veel vrucht draagt?
Zo heeft ieder type zijn eigen geldmoraal, die een uitdrukking is van zijn aard en gebruikt wordt om die aard te handhaven en te excuseren waar nodig.
Men vraagt wel eens: mag een genezer, die nu eenmaal uit zichzelf de gave van het genezen bezit, voor zijn genezingen geld vragen of aannemen?
Uit wat voor soort denken komt zo’n vraagstelling voort?
Uit het boekhouders-denken, het geld-denken van Saturnus. Men redeneert: een arts heeft een dure opleiding achter de rug, die moet hem nu weer iets opbrengen. Een genezer heeft er geen geld in gestoken, dan hoeft hij er ook niets uit terug te krijgen. (Dit zou dan echter alleen gelden voor een werkstudent, die zijn studie zelf betaald heeft; als men de vader inschakelt, die de studie gefinancierd heeft, komt men tot een en de genezer wel! Als het loon gegeven wordt voor het ware resultaat (groepziel-moraal.) Dat is weer debet en credit, en loon naar werken. Maar dat klopt toch ook weer niet, als de arts zijn patiënt niet geneest, van het werk, moet men arts en genezer beide alleen betalen als men genezen is. Een slecht arts, die wel gestudeerd heeft, maar niet de gave van het genezen heeft, kan dan maar beter een ander beroep gaan uitoefenen.
Als men de beloning „aan de beleefdheid overlaat”, als het een honorarium, dus een ere-loon is, omdat de prestatie ook eigenlijk niet in geld is uit te drukken, althans niet daarmee gelijk te stellen, dan geven de gierigen te weinig voor het door hen ontvangene terug. Dan krijgen we het verschijnsel van de „arme kunstenaars” en de goedige mensenhelpers, die zich laten uitbuiten, en die daardoor niet alleen honger lijden, wat een les voor hen zou kunnen zijn, maar die bovendien hun medemensen slecht maken, door de gelegenheid tot uitbuiting te geven. Met het oog op dit gevaar is het dus misschien maar beter dat de genezer rekeningen schrijft.
Vroeger werd het geld verdiend in ’t duister door de mannen, terwijl de vrouwen niet wisten hoe. Daardoor werd het begrip „vies” en „vuil” aan het geld gekoppeld, en werd „liefdewerk”, nl. onbetaalde arbeid, veel hoger gewaardeerd dan betaald werk, dat met evenveel liefde werd gedaan, door hen, die géén kapitaal achter zich hadden. En daarom werd het dan weer afgekeurd als iemand zijn gaven wegschonk „voor geld”, bv. zingen. Tegenwoordig nu vrijwel iedereen z’n brood door arbeid moet verdienen, is het heel gewoon dat men voor welk werk dan ook betaald wordt, eenvoudig omdat iedereen leven moet van datgene waaraan hij zijn tijd en zijn krachten besteedt. En het is te lastig om te leven van fruitmanden en dergelijke attenties.

Zodra men geen onheilig werk meer verricht „om het geld”, verdwijnt ook de gewaande onheiligheid van het geld!

Is er eigenlijk wel zo’n duidelijk en precies verschil tussen een groep die zijn kennis en een groep die zijn aangeboren gaven gebruikt? Is het leervermogen ook niet een gave, en gebruiken wij niet allemaal de een of andere gave voor ons werk? Alle gaven zijn toch om niet ontvangen, en alle mensen hebben toch wat geld nodig om te leven? Speelt in deze hele probleemstelling niet weer dat boekhoudersdenken een rol, die vindt dat arbeid beslist naar en zuur moet zijn, omdat men anders het loon ervoor niet verdient? Dat het geld die zure arbeid moet verzoeten? — En is dat niet helemaal in strijd met wat wij gevonden hebben, dat de ware arbeid de mens vreugde schenkt, geheel onafhankelijk van en niets te maken hebbende met het loon? Alleen de onheilige arbeid dwingt om loon om evenwicht te maken. Het loon is dan ook helemaal niet te beschouwen als een tegenwicht van de geleverde arbeid, maar als een vorm van de vanzelfsprekende voorziening in de werkelijke behoeften, die ieder mens ontvangt als hij in het Grote Werk mee arbeidt. Wij werken niet om het loon of om het geld, maar omdat het onze taak en bestemming is. En wat wij aan de gemeenschap geven, ontvangen wij van de gemeenschap terug volgens kosmische wet en dat kan dan in de vorm van geld omgezet worden waar nuttig.

Wij hebben dus bij de keuze van ons werk niet te denken aan het mogelijke loon, want dat heeft er niets mee te maken.

De gedachte aan het loon zou ons tot de keuze van het verkeerde werk kunnen verleiden en dan gaat alles verder scheef, ook bij uiterlijk „succes”. Ons werk vult ergens een tekort, en wordt dus tegelijk van binnenuit (door ons overschot aan productie) als van buitenaf (door een overconsumptie in de omgeving) bepaald. Dit gebeurt vanzelf, als wij ons met ons hele hart in dienst van God stellen, en zo wordt de keuze voor ons bepaald, door de Orde zelf, door God, door de Bestemming, niet door de statistiek (al kan die in ’n enkel geval ook wel eens een werktuig zijn.).

Het verkeerde denken, hier het gelddenken, trekt de zaak scheef. De Cyprioten bv. hebben als alle andere volken en volksgroepen een natuurlijk recht op zelfbeschikking en zelfregering of op een vrije keuze van een regering — het geld-denken brengt de staat Engeland er toe, om te zeggen: al hebben wij het zelfbeschikkingsrecht der volken mede-ondertekend, de olie van Koeweit is voor ons reden om het recht te verkrachten en om wie er voor opkomt te vermoorden — right or wrong, my country! ofwel: my money.

Niet het geld, maar het geld-denken bederft de onderlinge verhoudingen van volken en staten, van mensen onderling (werkgever en werknemer, ouders en kinderen, huwelijkspartners, collega’s die er door tot concurrenten worden, enz.) en van mensen en andere schepselen (uitbuiting van plant en dier en van Moeder Aarde’s lichaam!).
Het geld-denken verminkt het vrije geven tot iets-terug-doen, ofwel het doet een spontane gift ervoor aanzien.
Het schenkt de opvoeding een verkeerd doel: het schoolhuiswerk gaat door dik en dun voor de natuurlijke spelbehoefte, om een betere baan te verwerven, d.w.z. een die meer geld opbrengt. De ontplooiing der ingeboren talenten echter leidt tot het passende werk, dat gelukkig maakt en iets wezenlijks is, terwijl het dode werk, gedaan met een dood hart om niets dan geld, niets goeds opbrengt of nalaat.

Het geld-denken bederft de natuurlijke waardering der dingen.

Het laatste stukje ontbreekt. 

.

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3518-3304

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (1-4-3)

.

In de tijd dat het coronavirus actief was, schreef John Hogervorst het volgende:

.

John Hogervorst, Nieuwabrief Driegonaal, mei 2020
.

Dubbel werkend vaccin tegen een economisch virus
.

Al lang staat de economie bloot aan een virus dat zich in de 20e eeuw over de hele wereld heeft verspreid. Resistentie tegen het virus is nog niet voldoende ontwikkeld zodat er nog dagelijks nieuwe slachtoffers vallen. De kwalijke verschijnselen die het virus met zich meebrengt zijn van ongekende proportie en bedreigen mens en aarde. Het virus nestelt zich in de ene na de andere onderneming.
In de volksmond staat het bekend onder de naam ‘egoïsme’, anderen noemen het ‘winstmaximalisatie’. In ondernemingen dringt het met groot gemak binnen: het vindt zijn toegang via de eigendomsconstructie. Is de rechtsvorm van de onderneming zodanig dat deze privé-eigendom is, dan staan de deuren wagenwijd open voor het virus.
Eenmaal binnen, dringt het virus door in alle hoeken en gaten van de onderneming; het wil elk aspect van de bedrijfsvoering naar zijn hand zetten. Leveranciers en medewerkers ontvangen zo min mogelijk. Schadelijke effecten van de bedrijfsvoering – op de gezondheid van mensen of op het milieu – zijn toegestaan, zolang wetten en regels, en de controle daarop, dat niet onverstandig doen zijn. Aan de klant wordt geleverd tegen de hoogst mogelijke prijs.
Dat ondernemingen privé-eigendom zijn, stelt eigenaren (investeerders, aandeelhouders) in de gelegenheid hun rendementseisen alsmaar op te schroeven. Ondernemingen richten zich daarom op korte termijn doelen en maximalisering van de winst. Een reeks problemen, die ons allemaal bekend zijn, hangt hier direct mee samen:
– werknemers die tegen een hongerloon werken en in mensonwaardige omstandigheden leven;
– steeds grotere verschillen in de verdeling van welvaart, wereldwijd
– aantasting van de aarde;
– verstoring van regionale economieën door eenzijdige landbouwproductie ten behoeve van de westerse consument; ontvolking van het platteland;
– verspilling van grondstoffen en het opraken van hulpbronnen;
– toepassing van nieuwe technologie zonder dat mogelijke schadelijkheid voor de gezondheid (van mens en aarde) voldoende onderzocht is;
– het onderwerpen en naar zijn hand zetten van onderwijs, cultuur en wetenschap;
– het binnendringen van ‘vrijemarktprincipes’ in de zorg;
– grenzeloze manipulatie van de consument en het binnendringen in diens privésfeer.
En deze opsomming kan nog aangevuld worden…
Het is niet de bedoeling dat het bovenstaande moralistisch wordt opgevat. Het lijkt mij een beschrijving van de werkelijkheid. Bovendien zijn wij zelf deel van het probleem, bijvoorbeeld via spaargeld, pensioenvoorziening of levensverzekering, want ook ‘eigenaar’. Samen houden wij het virus in stand.
Kan dat niet anders? – Een aantal ondernemingen in Nederland heeft hun rechtsvorm zó gekozen dat zij, verenigd in Stichting Sleipnir, werken op basis van een gebruiksrecht in plaats van een eigendomsrecht. De onderliggende gedachte is eenvoudig: ondernemingen zijn geen privé-eigendom maar zijn steeds, tijdelijk, in het beheer van degene(n) die daartoe capabel zijn: de ondernemer(s). Het werken op basis van het gebruiksrecht zorgt ervoor dat een onderneming niet meer kan worden ingezet ten behoeve van eigenbelang. Ondernemingen kunnen niet meer verhandeld kunnen worden. Zij blijven voortbestaan zolang zij in een behoefte (van klanten) voorzien en worden tijdens hun levenscyclus eventueel door elkaar opvolgende ondernemers geleid. Die ondernemers kunnen zich volledig richten op het zo goed mogelijk vervullen van de wensen van de klant en worden niet (meer) op- en aangejaagd door rendementseisen die eigenaren dwingend inbrengen. Daarmee verdienen de ondernemer en zijn medewerkers hun brood. Daarbij zullen zij ontdekken, als zij het al niet wisten, dat het voor het floreren van een onderneming op de lange termijn vanzelfsprekend is om duurzame relaties op te bouwen, met leveranciers, medewerkers en klanten. In veel familiebedrijven, die van generatie op generatie overgaan, is dit besef springlevend. Die duurzame relaties ontstaan op basis van het besef van wederzijdse afhankelijkheid. Mogelijk is het nog nodig dit besef van afhankelijkheid, en de daarop te grondvesten duurzame relatie, uit te breiden met het inzicht dat wij ook ten opzichte van de aarde, en alles dat de aarde ons biedt, in wederzijdse afhankelijkheid verkeren.
Nu de overheid/belastingbetaler op het punt staat miljarden in de economie te pompen om de gevolgen van de coronacrisis af te dempen, doet zich een unieke gelegenheid voor. Want waarom zouden wij van al die miljarden, laten we zeggen, niet één miljard in een potje (een fonds) stoppen, bestemd voor ondernemers die een onderneming willen starten (of een bestaande onderneming willen omvormen) in een vorm zonder eigendomsrecht maar op basis van gebruiksrecht?
Aan het fonds worden twee voorwaarden meegegeven: elke besteding van middelen uit het fonds gebeurt in volledige openheid, en middelen worden alleen besteed aan ondernemingen waarvan gewaarborgd is dat zij niet in privébezit kunnen komen. Met een miljard en deze twee voorwaarden op pad gestuurd, zullen kring van ervaren ondernemers de weg wel vinden om dit fonds praktisch in te richten. Vast en zeker zijn er honderden, zo niet duizenden jonge ondernemende mensen die de geboden kans graag aanpakken.
Deze besteding van belastinggeld is verre te verkiezen boven het in stand houden van werkgelegenheid van mensen voor wie geen werk (meer) is (voor hen moet ‘andere werkgelegenheid geschapen’ worden – door nieuwe ondernemers bijvoorbeeld!); en verre te verkiezen boven het ondersteunen van bedrijven die in de afgelopen jaren (en langer) miljoenen of meer naar hun aandeelhouders gedragen hebben, en nu vooraan in de rij staan om hun handje op te houden voor staatssteun zonder iets aan hun (eigendoms)structuur te doen.
Met dat ene miljard wordt niet één, maar worden twee crises bestreden.

John Hogervorst

(Dit is een bewerkte versie van een fragment uit: Gedachten, kansen & perspectieven in tijden van corona, ISBN 9789492326461, verkrijgbaar in de boekhandel of via onze webwinkel)

.

Meer van John Hogervorst

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3501-3289

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-9)

.

Onderstaand artikel verscheen in  Driegonaal t.t.v. de coronacrisis.
Dat deze voorbij is, maakt niet dat het artikel nu ook niet meer van deze tijd zou zijn. In tegendeel: wat hier wordt opgesomd aan problemen is eerder actueler geworden.

John Hogervorst, nieuwsbrief Driegonaal april 2020
.

Verdere gedachten rond de coronacrisis

Een mens hoeft geen antroposoof te zijn om bewondering hebben voor Rudolf Steiners werkkracht. Als we bijvoorbeeld alleen kijken naar zijn geschreven werk en zijn voordrachten, en dan nog alleen naar de hoeveelheid en niet naar de inhoud, is een geschat aantal van 6.000 voordrachten die hij hield en geschreven teksten die in zo’n 45 boekbanden zijn gevat, toch best wel veel.
Als we het ruim nemen, en stellen dat hij zijn voordrachten hield in een periode van 25 jaar (van 1900 tot 1924) hield hij elke drie dagen twee voordrachten. Gedurende 25 jaar.
En daar ‘tussendoor’ schreef hij zijn boeken, had een eindeloze hoeveelheid besprekingen, privégesprekken, regisseerde, ontwierp, hield zich permanent op de hoogte van de ontwikkelingen in de wereld en in allerlei (wetenschappelijke) vakgebieden en reisde kriskras door heel Europa. En daarbij kwam dan nog: het geesteswetenschappelijk onderzoek.

In de periode na het einde van de eerste wereldoorlog was, een tijd lang, de sociale driegeleding zijn hoofdthema. Duitsland was uitgeput, gewond en deels verwoest – in alle opzichten. De mensen hadden hun buik vol van de ellende die de oorlog bracht. Er leefde een sterk maar onbepaald verlangen naar vrede en een rechtvaardige samenleving. De oorlog leek ook een breuk met het verleden, en nu dat verleden weg was, was er misschien iets nieuws, iets beters mogelijk.

De sociale driegeleding was dat nieuwe en dat betere en Rudolf Steiner sprak er over, met arbeiders, met de gegoede burgerij, met middenstanders, intellectuelen, politici, kunstenaars en ondernemers. Naar zijn wezenlijke aard heeft de driegeleding elk mens een nieuwe wereld te bieden.
Maar elke belangengroep vond in de driegeleding ook iets dat tegen hún belang inging – en daarmee een reden om de driegeleding  af te doen. En natuurlijk: iets dat écht nieuw is, en geen opnieuw opgewarmd oud kliekje, is ook iets dat de boer niet kent. En dan vraagt de driegeleding ook nog om enige denkinspanning en het vermogen om de stofnesten in ons denken op te ruimen.
En zo gebeurde het Rudolf Steiner’, in de tijd dat hij de sociale driegeleding bracht, keer op keer dat hem iets gezegd werd in de trant van: “Dat klinkt heel interessant Dr. Steiner, die sociale driegeleding lijkt ons een goed idee – maar zegt u ons eerst hoe we het probleem van de geldontwaarding aan kunnen pakken. Als dat probleem is opgelost, kunnen we daarna aan de sociale driegeleding gaan werken.”

Duitsland kampte in de jaren na de eerste wereldoorlog onder andere met hoge golven van inflatie, waardoor het geld zijn waarde verloor. De driegeleding moest nog even wachten.
En zo werden scheuren en gaten dicht gepleisterd, gammele steunbalken opgetrokken, lekken provisorisch gedicht – en bleef het oude sociale bouwwerk overeind. Terwijl het ontstaan van de oorlog had aangetoond dat het oude bouwwerk onbewoonbaar verklaard had moeten worden en de sociale driegeleding het enige toekomstbestendige fundament voor een nieuw sociaal bouwwerk was.

Misschien vergt het moed, maar wie het verdere verloop van de 20e eeuw bekijkt en ook meeneemt met welke ontwikkelingen we sinds het begin van de 21e eeuw te maken hebben (ik noem er een paar: ’11 september’ en de daaropvolgende oorlogen in Irak, Afghanistan,…; de financiële crisis van 2007/08; de aantasting van het milieu; de ongelijke verdeling van welvaart; het migratievraagstuk; het verdwijnen van de privésfeer en de vrijheid van ‘anders denken’ die schuilgaat achter het glanzende gemak van de moderne technologie), zal moeten inzien dat er een massieve tendens in onze samenleving heerst die deze ‘onbewoonbaar’ dreigt te maken. 
Terwijl de sociale driegeleding nog steeds de volle potentie in zich draagt om het fundament voor iets nieuws en iets beters te zijn.
Maar nu, nu moeten wij eerst de coronacrisis te lijf.

Van allerlei kanten zijn er (groepen) mensen die deze crisis willen opnemen als een roep tot bezinning, een dringende uitnodiging om te onderzoeken of wij de dingen niet anders moeten doen. Anderen zeggen dan direct (ik hoorde het ongeveer letterlijk zo op de radio): “Daar hebben de mensen die in de gezondheidszorg werken, en de anderen in hun vitale beroepen, nu geen tijd voor”.
Het is een teken aan de wand dat aperte domheid de norm lijkt te worden, althans, in de kringen die wij in de media steeds langs zien en horen schuiven.

De gatenplakkers, de reparateurs met de schilderskwast, de stopverfbouwers – dat zijn de mensen die Rudolf Steiner (zie GA 23   De kernpunten van het sociale vraagstuk) de ‘zogenaamde practici’ noemde. Het zijn de mensen die zichzelf heel praktisch vinden, gedachteloos zijn zij alsmaar druk bezig, het bouwwerk stort immers bijna in elkaar, dus aan de kitspuit hebben wij nu meer dan aan een levend, sociaal opbouwend denken dat ons de weg zou kunnen wijzen…

Waar het naar toe gaat met de coronacrisis, er is geen mens die er iets zinnigs over zeggen kan.
Eén ding staat wel vast: degenen die de richting van de ontwikkeling van onze samenleving bepalen (dat zijn degenen die vast willen houden aan hun comfortabele, bevoorrechte positie én al degenen die geen behoefte ervaren aan het bevragen van de wijze waarop de samenleving functioneert en dus gewillig mee dobberen) willen ‘straks’ gewoon weer op de oude voet verder. Met een behangetje links, en een likje verf rechts, is wat hen betreft alles weer gedaan.
Dan gaan we vervolgens weer heel praktisch op weg naar de volgende crisis.

De crisis als leermeester brengt echter ook van alles mee dat de moeite van het aanzien waard is.
In de economie zien wij nu wat schuilgaat achter het begrip ‘wereldeconomie’: een wereldwijde economische wederzijdse afhankelijkheid. We hebben het hier en elders al vaker opgemerkt: er is in onze tijd niets dat zo verbindend is als de moderne, door arbeidsdeling gekenmerkte economie. Wij zijn volledig afhankelijk van de mensen die, over de hele wereld verspreid, hun bijdrage leveren aan de productie van hetgeen wij dagelijks gebruiken. Zoals deze mensen op hun beurt, afhankelijk zijn van ons, van de vraag of wij morgen opnieuw tot gebruik (en aankoop) van hetgeen zij maken zullen overgaan.
Dat is een wederkerige economische afhankelijkheid.
Tegelijkertijd geldt ook dat al degenen die buiten de economie werken: in het onderwijs, in de gezondheidszorg, in de wereld van kunst en cultuur, dat slechts kunnen doen bij de gratie van het feit dat er in de economie gewerkt, geproduceerd (waarde geschapen) wordt.
Dat is een andere vorm van wederkerige afhankelijkheid: zij die buiten de economie werken, kunnen dat alleen doen zolang degenen die in de economie werken voldoende produceren – en die laatsten doen dat in principe graag: zij hebben immers ook behoefte aan onderwijs, cultuur, gezondheidszorg.

Op dit moment ‘pompen’ staten massale hoeveelheden geld in de economie, om deze op gang te houden. Daar zit een grens aan, al weet geen mens waar die zich bevindt. Wanneer de economie echt vastloopt, zal blijken dat dit geld zijn waarde verloren heeft – en kunnen wij er niks meer mee kopen.
De crisis leert ons dat we – of we het wisten of niet, en of we het willen of niet – volledig van elkaar afhankelijk zijn. Voor de moderne, individualistisch ingestelde mens een moeilijk te verteren inzicht. Die meent ‘vrij’ en ‘onafhankelijk’ te zijn wanneer hij maar over  voldoende geld beschikt. Dat is een ontkenning van de werkelijkheid.

Wij zijn één mensheid, en allemaal van elkaar afhankelijk. Er is niets dat nu ‘verstandiger’ is om te begrijpen dan het besef van deze wederkerige afhankelijkheid – en om daar vervolgens naar te handelen.

Dat wordt ook genoemd: sociale driegeleding.

.

Meer van John Hogervorst

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3488-3283

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-8)

.

Het is al weer enkele jaren dat we als mensheid te maken kregen met een pandemie door het zgn. coronavirus.
Er werd veel over gesproken, geschreven, gediscussieerd. 
Als je ergens middenin zit, is het moeilijk afstand te nemen.

In 2020 schreef John Hogervorst er in Driegonaal ook een artikel over aan de hand van gezichtspunten van Steiner. Als een overkoepelende gedacht!

John Hogervorst, Driegonaal, maart 2020
.

Een ongenode gast


Gedachten bij het coronavirus

In deze dagen, [2020]waarin de ontwikkelingen rondom het coronavirus alle aandacht vragen, is het moeilijk om níet stil te staan bij dit virus en zijn wereldwijde gevolgen.

Op 7 april 1920 hield Rudolf Steiner een voordracht met als titel ‘Hygiëne als sociaal vraagstuk’.1) Een mogelijk verbazing wekkende titel. Hoe zou hygiëne een sociaal vraagstuk kunnen zijn? Dat is daar waar het individuele raakt aan het algemene.

Rudolf Steiner: “Dit gebrek aan sociale zienswijze merkt men het duidelijkst wanneer men zijn aandacht op één bepaald gebied richt, bijvoorbeeld op het gebied van de hygiëne, dat misschien nog meer dan andere, zich leent om aan een sociale beschouwing onderworpen te worden, namelijk voor zover hygiëne een openbare aangelegenheid is, die niet de enkele mens, maar de gehele mensengemeenschap aangaat.”

Dat laatste is momenteel onmiskenbaar het geval, zodat naast een medische benadering van het coronavirus (die u op deze plaats niet zal aantreffen) een ‘sociale beschouwing’ relevant kan zijn.

Een beperkt zicht op de werkelijkheid

Het eerste deel van deze voordracht is gewijd aan het materialisme: aan de materialistische beschouwing van de wereld, en voor wie dit ver weg klinkt: ook aan het materialisme in ons eigen denken en bewustzijn. Hier ligt al direct een raakvlak met de huidige situatie.
Bijvoorbeeld: in de media zien we een reeks van deskundigen langs trekken: virologen, specialisten, epidemiologen, onderzoekers in allerlei specifieke vakgebieden die hun licht op het coronavirus laten schijnen. Zij praten ons bij over de verspreiding van het virus, de aard en werking ervan, over de oorsprong, preventie en bestrijding. – 

In zijn voordracht karakteriseert Rudolf Steiner het materialisme, en, heel verhelderend, zegt daar onder meer dat niet wat, maar hoe een mens denkt, aangeeft of hij (al dan niet bewust) een materialistische denkwijze heeft. Dat betekent bijvoorbeeld dat een mens oprecht overtuigd kan zijn van het bestaan van de menselijke ziel en de menselijke geest, maar desondanks, door hoe hij denkt, tóch materialistisch denkt.
Vervolgens geeft Rudolf Steiner een betekenisvolle illustratie van de beperktheid van elke materialistische benadering. Stel je voor, zegt hij, dat je een mens helemaal bedekt, zodanig dat je alleen nog de vingers van één hand van die mens ziet. En stel je voor dat je die vingers met alle mogelijke middelen en technieken onderzoekt. Dan is alles wat je zo te weten komt uiteindelijk van zeer beperkte betekenis: met alles dat je nu van de vingers weet, weet je niets over de gehele mens, niets over het organisme waarvan de vingers deel zijn, ben je niets wijzer over wat de mens is.
Om iets zinnigs te leren over en van het coronavirus, zouden we veel verder moeten kijken dan naar het virus zelf. Alle specifieke invalshoeken van waaruit de deskundigen ons over het virus informeren, zijn te vergelijken met een grootschalig maar minutieus onderzoek van ‘de hand’. Het coronavirus, deze ongenode gast, nodigt ons dus uit tot een verruiming van onze blik – feitelijk tot een verandering van ons denken, ons mens- en wereldbeeld, en daarmee ook van ons handelen in de ruimste zin. Dat begint met het inzicht dat we het virus niet geïsoleerd, als op zichzelf staand verschijnsel moeten onderzoeken, maar als deel van een groter geheel.

Vragen naar het grotere geheel

Dat grotere geheel kunnen we exploreren aan de hand van vragen, bijvoorbeeld:
– Ligt de oorsprong van het virus inderdaad, zoals ons gezegd wordt, op de markten in China waar een bonte stoet van dieren, al dan niet levend, verkocht wordt? Als dat zo is, wat betekent het dan dat er in de dierenwereld een dergelijk virus ontstaat, en hoe ontstaat het daar dan? Zegt dit iets, en zo ja wat, over de ‘gezondheid’ van het ecosysteem waarin deze dieren leven – en dat ook gewoon óns ecosysteem is? Ligt er een verband tussen menselijk handelen, dit ecosysteem en het ontstaan van dit virus? Als ja, wat zou daaruit moeten volgen?
– Waarom heeft dit virus potentieel zulke gevaarlijke gevolgen voor de mens?2) En wat zegt dit over de conditie van het menselijk immuunsysteem? Een gezond immuunsysteem ‘kan heel wat hebben’ – en overwint in de loop van een mensenleven menig virus. Staat ons immuunsysteem mogelijk onder druk, en wordt het verzwakt door andere factoren? Uit wetenschappelijk onderzoek is (al lang) bekend dat het immuunsysteem van mensen die veel aan stress bloot staan, of die last hebben van depressieve gevoelens, verzwakt. Ook is bekend dat het immuunsysteem zich ‘oefent en sterkt’ wanneer wij tijdens het opgroeien met van alles in aanraking komen: met van alles dat er in de natuur is, met vuil en allerlei ‘stofjes’, met kinderziekten, met infecties. Welk effect hebben allerlei vaccinaties op de gezondheid van ons afweersysteem? Wat is het effect van allerlei vormen van straling die ons tegenwoordig dag en nacht omgeeft? Is er een relatie tussen ons immuunsysteem en de kwaliteit van industrieel vervaardigde voedingsmiddelen?
Ja, we zouden er heel veel aan kunnen hebben wanneer wij het coronavirus als deel van een groot geheel zouden opvatten.
Daarmee is nog lang niet alles gezegd dat over de gevolgen van het virus opgemerkt kan worden. Ik ga nog even verder, maar vrees niet: niet alles kan en zal hier aan bod komen.

Een nóg groter geheel

In de afgelopen week maakte ik, op een vliegveld in Boston in de VS., een voorval mee dat mij een glimp toonde van een mogelijke wereld in wording, in het kielzog van de coronacrisis. Omdat mijn retourvlucht naar Schiphol door de luchtvaartmaatschappij was geannuleerd, zoals, naar bleek, alle vluchten van deze maatschappij van Boston naar Nederland, was ik blij dat ik toch nog, met een andere vliegmaatschappij, terug kon reizen door eerst naar Lissabon en vervolgens naar Amsterdam te vliegen. Bij de gate, met een paar dozijn andere passagiers, wachtte ik op het moment dat wij het vliegtuig zouden kunnen betreden. Bij de balie van de Portugese vliegmaatschappij meldde zich een Spaanse vrouw die, zo bleek in het vervolg, diezelfde dag dezelfde vlucht naar Lissabon had geboekt, omdat haar vlucht naar Spanje ook geannuleerd was. Omdat de Spaanse regering diezelfde middag de landsgrenzen gesloten had, mocht deze vrouw, die vanuit Lissabon zou doorvliegen naar Spanje, niet mee. Ondanks de elkaar opvolgende woede en wanhoop die zich van haar meester maakten, werd haar de toegang tot het vliegtuig geweigerd. De ene na de andere medewerker van de vliegtuigmaatschappij beriep zich op het besluit van de boven hen gestelde machten en maakte de vrouw duidelijk dat zij niets voor haar konden doen. Na verloop van tijd verschenen twee gewapende politiefunctionarissen die zich over de Spaanse ‘ontfermden’…
Op de gezichten van de andere wachtenden herkende ik: verbazing, ongeloof, onbegrip, stil protest, schaamte én het besef: “Het heeft geen zin dat ik mij hiermee bemoei (en ik wil ook niet het gevaar lopen dat ik straks zelfs ook niet mee vlieg).

Een glimp van een mogelijke wereld in wording, schreef ik hierboven. – De maatregelen die overal ter wereld genomen worden in het kader van de coronacrisis, vormen een ongekende inperking van grondrechten en menselijke vrijheid, en laten tegelijkertijd zien welke ‘kale structuren’ onder onze alledaagse werkelijkheid schuilgaan. Het zijn koude, onaanraakbare structuren waarop mensen nog maar beperkt invloed kunnen uitoefenen en die aan ‘menselijkheid’ ook geen ruimte geven.
Mogelijk komen deze maatregelen voort uit niets anders dan de wil om de gevolgen van het coronavirus zoveel mogelijk in te dammen.
Mogelijk wordt er ook nauwkeurig waargenomen hoe ‘men’ op deze maatregelen reageert, en ontstaat bij deze of gene de gedachte dat de ene of de andere maatregel ook voor andere doeleinden te gebruiken is.
Zéker is het zo, dat wij er goed aan doen nauwgezet te volgen wat er op dit vlak gebeurt en er op toe te zien dat tijdelijke maatregelen niet stilzwijgend een permanent karakter krijgen.

Ook op het vlak van de ‘publieke opinie’ past het om wakker te blijven, of te worden. Niet alleen om niet besmet te worden met allerlei gevoelens van angst of hysterie. Ook om waar te nemen hoe stemmen die een andere (een zogenoemde ‘afwijkende’) mening over aspecten van het coronavirus vertegenwoordigen, geen podium krijgen, en om op te merken dat allerlei wezenlijke vragen niet gesteld worden. De publieke opinie heeft in onze dagen absolutistische, dictatoriale en radicaal onverdraagzame trekken gekregen.

Te midden van dit alles is het goed om te beseffen dat het beter en vruchtbaarder is onze aandacht te richten op het gezonde dan op datgene wat ziek is. – Voor de duidelijkheid: ik spreek nu niet over gezonde of zieke mensen, maar over gezonde of ziekmakende ontwikkelingen in de samenleving. –
Wanneer wij het coronavirus opnemen als dringende aansporing om te doorzien wat het eigenlijk betekent dat onze samenleving (het heersende mens- en wereldbeeld, de hoofdstroom van de wetenschap, de invulling van de media) gevangen zijn in een materialistische mens- en wereldbeschouwing, zien wij van daaruit ook wat het gezonde is, wat onze aandacht verdient en ons denken kan verlevendigen: de vrijheid die in onze cultuur moet heersen – en die daar alleen voet aan de grond krijgt wanneer wij haar in onszelf veroveren.
Daar aangekomen, zouden in vrijheid gewonnen inzichten leiden tot een andere praktijk in alle gebieden: die van het cultuurleven, de politiek en van de economie.

Noten:
1) Rudolf Steiner uit GA 314.
Vertaald
2) De medische vragen met betrekking tot de werking, betekenis en ‘gezondheid’ van het immuunsysteem ontleen ik aan een tekst van Hans-Ulrich Albonico, antroposofisch arts in Zwitserland, in de vorm van een kleine brochure bij uitgeverij Nearchus verschenen onder de titel: Is ons afweersysteem nog gezond? – Vragen van een huisarts.
.

Meer van John Hogervorst

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3476-3273

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De actualiteit van de driegeleding (1-4-2)

.

In 1920 al sprak Rudolf Steiner deze woorden:

 

Driegonaal Nieuwsbrief jan. 2020

Rudolf Steiner:

Een nieuwjaarsgedachte

“(… ) Wat onze tijd nodig heeft, is dat we het geestesleven volledig ernstig nemen. Hierover heb ik u vandaag (…) op Nieuwjaarsdag nog eens willen vertellen en ik heb als diepe wens dat in onze kringen een Nieuwjaarswens wordt opgenomen die ieder slechts zelf ter hand kan nemen: dat in de zielen en harten van onze vrienden de ogen geopend worden voor datgene wat zo nodig is, voor datgene wat alleen en uitsluitend vanuit de geest afkomstig is en de mensheid verder helpen kan.
Uit de regelingen of organisaties die de samenleving kent, kan niets gevormd worden dat een gezonde bijdrage voor de toekomst biedt. In de ontwikkeling van de mensheid moet iets nieuws worden binnen gebracht. Dat moeten we beseffen. Dit besef is de meest waardige nieuwjaarsgedachte die vandaag, in het begin van het jaar 1920, in uw hart kan ontstaan. Dit nieuwe jaar zal belangrijke beslissingen brengen wanneer er mensen zullen zijn die datgene wat voor de mensheid het noodzakelijke is (…) doorzien. We moeten inzien dat het nieuwe jaar nood en ellende zal brengen wanneer niet opgepakt wordt wat werkelijk nodig is en wanneer slechts de mensen die met het oude en bestaande verder willen, de toon aangeven.”
[Rudolf Steiner in een voordracht van 1 januari 1920, GA 195, vertaling jh

John Hogervorst schreef er een commentaar bij. Nu, weer zoveel jaar later, is het met allerlei recente gebeurtenissen in ons bewustzijn, uiterst actueel.

Steiner doet ook, m.n. op de pedagogen, een beroep ‘om daadwerkelijk in de wereld te staan; voor alles in de wereld een levendige interesse tonen.
GA 310/165
Vertaald/171


Vasthouden aan het oude en bestaande…?

Wie houdt er níet vast aan het bestaande?
De politiek lijkt bevolkt door politici die zich vooral lijken te laten leiden door de belangen van lobbymachten, hun partij en hun persoonlijke carrière. Het bedrijfsleven is nog nagenoeg stelselmatig bezig de eigen positie eindeloos uit te bouwen en de winst te maximaliseren – en zet daartoe alles in om de consument in een steeds sterkere greep te nemen. En het geestesleven – de wereld van o.a. onderwijs, kunst, wetenschap en zorg – is gekneveld door de economie, of danst als een oude beer naar de pijpen van de subsidiegever.
Dit wordt hier niet gesignaleerd om eens lekker uit te halen naar ‘de anderen’ die alles verkeerd doen. Want de vraag laat zich stellen in hoeverre wij zelf niet ook aan het bestaande vastkleven. In onze hang naar gemak en comfort; onze behoefte aan zekerheid; onze weerzin om in beweging te komen; de angst om los te laten wat wij kennen; ons gebrek aan vertrouwen in ‘de anderen’, in hún goede wil en gezonde inzicht…
Het is anno 2020 niet wezenlijk anders dan Rudolf Steiner 100 jaar geleden in bovenstaande woorden uitsprak: de toon wordt aangegeven door “de mensen die met het oude en bestaande verder willen”.

Wellicht denkt u nu aan andere geluiden die ook klinken en die de boventoon ‘verstoren’ of zelfs nieuwe tonen laten horen. Het maatschappelijk protest tegen het bestaande maakt zich immers luidruchtig kenbaar? Tja. Maar de geluiden van de afgelopen maanden van boeren en bouwers zijn steunbetuiging aan het behoud van het bestaande. Mogelijk dat het verzet van leerkrachten, verpleegkundigen of jeugdzorgwerkers deels ook de behoefte aan vernieuwing in zich sluit. Mij bekruipt echter het bange vermoeden dat als de overheid maar voldoend financiële middelen ter beschikking stelt – voor loonsverhoging, verbetering van arbeidsvoorwaarden, verhoging van de capaciteit – elke echte vernieuwing weer kundig weggemoffeld wordt.

De radicale roep van (vooral) jongeren om het behoud van de aarde en drastische ingrepen ter wille van het klimaat – zal die uitmonden in een ‘afscheid van het bestaande’? Wanneer wij onder dat laatste niet het einde van de menselijke beschaving verstaan, maar een werkelijke systeemverandering, lijkt mij de kans groter dat de huidige problemen met het milieu niet zozeer worden opgelost maar wel beheersbaar gemaakt door technologie. En dat zou betekenen dat het bestaande zich gewoon voortzet: die inzet van technologie zal gewoon big business worden en naadloos aansluiten op het huidige economische bestel.

“Uit de regelingen of organisaties die de samenleving kent, kan niets gevormd worden dat een gezonde bijdrage voor de toekomst biedt.” Wat zou het fijn zijn wanneer Rudolf Steiner zich hierin had vergist, of wanneer het nu anders zou zijn.
Zodoende zit er niets anders op dan “dat we het geestesleven volledig ernstig nemen” en overgaan tot wat “ieder slechts zelf ter hand kan nemen”.  Het vrije geestesleven, de broedplaats voor alles dat écht nieuw is en werkelijke vooruitgang zou kunnen betekenen, zal pas een maatschappelijke realiteit zijn wanneer het eerst in óns denken geboren wordt en opgroeit. Nieuw denken!
De oerbeelden van vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn nog grotendeels
ongedacht. Zij wachten erop door ons in ons denken opgenomen en in beweging gebracht te worden, zozeer dat zij in ons bewustzijn tot levensvanzelfsprekendheid worden.

Dit waar te maken in ons denken, en gevolg geven aan de handelingen die daaruit volgen is het meest vruchtbare dat wij nu kunnen doen.
(John Hogervorst)

.

Meer van John Hogervorst

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3472-3269

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Voor de aarde, voor de toekomst, voor onze kinderen

.

 Nieuwsbrief Samen voor Grond

We kregen de grootste donatie in onze geschiedenis: grond voor ruim 4,2 miljoen euro van Jeroen van Steen. En dat is enorm bijzonder!

Jeroen, vroeger was hij gangbaar melkveehouder, die waarschijnlijk tegen zijn versie van vandaag zou zeggen: ‘Die is gek’. Toch voelt Jeroen zich vandaag de dag vrijer dan ooit, dat maakte dat hij 19 hectare grond aan BD Grondbeheer doneert. Want, stelt Jeroen; ‘Deze grond verkreeg ik omdat ik geluk heb gehad in het leven. Dat geluk wil ik delen.’ 

Jeroen maakt de grond vrij, hij verandert het systeem door het anders te doen. Dat doet hij voor ons allemaal! 
Elke 100 euro haalt 1.400 euro uit het systeem
Een donatie aan Thuishaven is er een met een enorm rendement. Niet alleen bescherm je de natuur, de grond en de natuurvriendelijke boer maar ook haal je enorm veel geld uit het systeem. 

Reken maar uit, voor €4,2 miljoen aan grond hebben we €3 ton nodig. Dat betekent dus dat elke €100 ruim 14x keer meer waard is!
Doneer 100 euro
 
De grootste donatie in onze geschiedenis!
Op zaterdag 21 juni, de eerste dag van de zomer, heeft Jeroen van Steen 19 hectare landbouwgrond in Zeewolde officieel aan BD Grondbeheer overgedragen. BD Grondbeheer garandeert dat de grond nooit meer verkocht wordt en eeuwigdurend in handen blijft van biodynamische boeren. De grond heeft een waarde van 4,2 miljoen euro. Het is daarmee de grootste donatie die BD Grondbeheer in haar bestaan (anno 1978) heeft ontvangen.

Gek genoeg zijn we er nog niet, we moeten nog wel een sommetje af rekenen bij de fiscus: namelijk € 300.000,-. Daarom zijn we in actie, in actie om dit bedrag op te halen!

Henry Mentink als inspiratiebron
Wat als grond geen eigendom meer is, maar van ons allemaal? Activist Henry Mentink zet zich in voor vrije grond als basis voor een rechtvaardige en betaalbare wereld. 

Zijn gedachtegoed inspireerde boer Jeroen van Steen om 19 hectare landbouwgrond te schenken aan BD Grondbeheer. Samen laten ze zien hoe je met een daad verschil maakt: voor de Aarde, voor toekomstige boeren, en voor wereldvrede.

www.aardpeer.nl
http://www.bdgrondbeheer.nl

.

Algemene menskundede wereld is waar

Sociale driegeledingalle artikelen

7e klas: voedingsleer

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3461-3258

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid en onderwijs (2-11)

.

Het kan een kwelling zijn de sociale driegeleding te kennen. Die laat immers keer op keer zien dat de vragen waarmee de samenleving worstelt alleen vruchtbaar behandeld kunnen worden wanneer wij de zaken fundamenteel aanpakken. Géén noodverbandjes, géén gelegenheidsoplossinkjes, géén lobbyvoorstelletjes, géén gemillimeter achter de komma, géén…
Maar in de actualiteit doet zich geen vraagstuk voor of men ontvlucht de kern van de zaak, maakt mist en misbaar – en zet de praktijk van pappen-en-nat-houden onverdroten voort.
Wie zich, zoals schrijver dezes, zó wel eens gekweld voelt kan maar één ding doen: de kiem van de driegeleding in zichzelf laten groeien en groeien, en groeien en…

Aldus John Hogervorst in ‘Driegonaal’ nieuwsbrief, dec. 2019.
.

30% Vrijheid
.

Sinterklaas heeft zich net weer uit de voeten gemaakt, de kerstman is onderweg. ‘Al het goede komt in drieën’, zal Arie Slob [toen minister van onderwijs] gedacht hebben, die hier een window-of-opportunity zag om het onderwijs met een cadeau te verblijden, namelijk: 30% vrijheid.

In het onderwijsveld toont men zich verbaasd en in verwarring.
“30% Vrijheid, wat is dat en hoe ziet het eruit?”

“Gaat het om les- of leerinhoud die wel of niet verplicht aan bod moet komen?”
Leuk zo’n cadeautje waarvan je niet weet wat het is. Is het om op te hangen en naar te kijken; is het om aan te trekken; is het om op te eten? Kan het nog geruild worden?

Eén ding is wel duidelijk. De minister, en het geldt ook voor de meeste mensen die bij het onderwijs betrokken zijn, hebben geen flauw benul van ‘vrijheid’.  Het moge voor hen een schrale troost zijn: de volle betekenis van het begrip vrijheid gaat de meesten van ons boven de pet.

30% Vrijheid, dat is net zoiets als ‘een beetje zwanger’ zijn. Ik heb het, in het gekrakeel van de afgelopen dagen nog niemand horen opmerken.
30% Vrijheid, dat is net zoiets als de kraaltjes en spiegeltjes waarmee naar verluid, in het verleden vreemde volken werden blij gemaakt. Maar er is niemand die dát opmerkt. Het gesprek gaat alleen maar over de spiegeltjes en de kraaltjes.

“Het rekenen en de wiskunde, die moeten er wel in gebeiteld worden.”
“Die 30% vrijheid, die moet wel strikt bewaakt worden opdat de vrijheid niet misbruikt wordt.”
“Als ik in die 70% met mijn klas niet voor elkaar heb wat daar zou moeten gebeuren, gaat dat dan ten koste van die 30%?”
“Die 30% kan mooi gebruikt worden om iets te doen aan de dramatisch dalende leesvaardigheid.”
Het zijn een paar uitspraken die ik in de media opving.

In 1919 schreef Rudolf Steiner (In De kernpunten van het sociale vraagstuk) dat in de samenleving algemeen het beeld leeft dat leerkrachten onpraktisch en wereldvreemd zijn. Wat er ook de afgelopen jaren in of met het onderwijs gebeurd is, dit beeld van de leerkracht is nog niet echt veranderd.
Door de overheid wordt hij behandeld als een onbekwaam mens die van a tot z moet worden voorgeschreven wat hij hoe en wanneer moet doen. Om er zeker van te zijn dat dat ook gebeurt, moet de leerkracht alles wat hij doet vastleggen, zodat anderen hem daarover ter verantwoording kunnen roepen. En wanneer er in het maatschappelijk debat, of in de waan van de dag, een probleem is (bijvoorbeeld: ontlezing, agressie, loverboys, verslaving, vandalisme, obesitas, homohaat, …), dan wordt het probleem ‘afgehandeld’ door te roepen: “Daar moet het onderwijs aandacht aan besteden!”

Leerkrachten en schoolleiders laten het allemaal gebeuren. Af en toe sputteren zij wat, maar morgen gaat het weer op de oude voet verder (en overmorgen is er de burnout). Verdienen zij medelijden? Niet per se. Want waarom laten zij toe dat zij als onpraktisch en wereldvreemd behandeld worden? – Zij willen de kinderen niet de dupe laten worden van hun protest? Leuk is dat, voor die kinderen. Hun leerkrachten blijven bij hen, al zitten zij samen op een glijbaan en bewegen zij zich in een snelle afdaling naar beneden – naar een toestand waarin elk besef van vrijheid, van een autonoom en zelfstandig denken, van verantwoording dragen en nemen voor wat je doet of nalaat, oplost in het grote collectieve niets. – Nee, als leerkracht kun je niet de barricade op, anders missen de kinderen hun dagelijks onderwijs…

Veel mensen vinden dit soort sombere en kritische bespiegelingen niet leuk. Ik ga daarom ook niet door op de rol en verantwoordelijkheid van de ouders in dit verhaal. En ook niet over uw en mijn verantwoordelijkheid. Maar ik kan wel aanduiden: daarvoor heb ik ook geen positieve of opbeurende woorden beschikbaar.
Voor wie toch een lichtpuntje zoekt: het enige dat ik nu even kan bedenken is dat wij serieus en met nieuwe ogen proberen te zien en begrijpen wat vrijheid is – en daar naar te leven. 

.

Meer van John Hogervorst

.

‘SOCIALE DRIEGELEDING’

website

Nummers van tijdschrift Driegonaal

Agenda van activiteiten

.

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Sociale driegeleding: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3434-3232

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-9)

.

De ‘sociale driegeleding’ van Rudolf Steiner is vanaf het begin onderwerp van discussie geweest. De mensen die zich sinds de jaren 1919, 1920 en 1921 voor de realisatie ervan hebben ingezet, schreven er boekenplanken over vol. In de praktijk van het maatschappelijk leven echter zijn de ideeën, en daarmee de door Steiner gegeven mogelijkheid tot sociale hervormingen, niet blijvend opgepakt. Guido Walraven ziet nu* opnieuw kansen om vanuit de sociale driegeleding mee te doen aan het maatschappelijke debat.
.

*Guido Walraven, Motief mei 1999
.

In de jaren 1919-1921 zette Rudolf Steiner zich zeer actief in voor het verspreiden van zijn ideeën over ‘driegeleding van het sociale organisme’. Dat had te maken met de kansen die er toen waren om gehoor te vinden voor die politiek-maatschappelijke ideeën: in brede kring werd er na de Eerste Wereldoorlog gediscussieerd over een betere maatschappelijke ordening. Steiner publiceerde er veel over, met name een oproep An das deutsche Volk und an die Kulturwelt (aan het Duitse volk en de cultuurwereld/blz. 129), zijn hoofdwerk over dit thema Die Kernpunkte der sozialen Frage (GA 23  De kernpunten van het sociale vraagstuk) en artikelen in het tijdschrift van de driegeledingsbeweging dat toen bestond. Daarnaast hield hij er talloze lezingen over voor zeer uiteenlopende groepen belangstellenden, zowel binnen als buiten antroposofische kring.

Steiner noemt driegeleding ‘ein soziales Ergebnis der Geisteswissenschaft’ (een sociaal resultaat van de geesteswetenschap). Over de ‘geesteswetenschappelijke’ achtergronden van zijn voorstel voor een maatschappijstructuur heeft hij vooral gesproken in antroposofische kring.

In dit artikel vat ik enkele van die achtergronden samen, vooral omdat er naar mijn idee meer discussie gewenst is over de actualiteit daarvan. Er lijken nu (opnieuw) kansen te bestaan voor een bredere discussie over driegeleding en andere ideeën over sociaal-maatschappelijke vernieuwing. Bijvoorbeeld het debat over een ‘derde weg’ getuigt daarvan. Deelname aan dat maatschappelijke debat kan pas goed worden gerealiseerd, wanneer geesteswetenschappers bereid en in staat zijn om na te denken over de wijze waarop driegeleding anno 1999 in Nederland vorm zou kunnen krijgen.

Ik zie zeker drie taken voor degenen die zich voor driegeleding willen inzetten, en die hebben te maken met denken, voelen en willen. De mogelijkheden van het idee in Nederland anno 1999 moeten worden doordacht, nagegaan moet worden welke maatschappelijke activiteiten er kunnen plaatsvinden en tegelijkertijd zal er veel gecommuniceerd en gedebatteerd moeten worden. Dit artikel is ook een oproep tot een dergelijke discussie.

Achtergronden en vragen

Steiner heeft zich op verschillende momenten beziggehouden met wat in die tijd de sociale kwestie heette. Daarbij probeerde hij inzicht te krijgen in de wetmatigheden van het menselijke samenleven en van de mensheidsont-wikkeling. Hij deed dat door middel van de geesteswetenschap en vanuit de overtuiging, dat kennis van die wetmatigheden deel zou moeten worden van wat hij noemde ‘het sociale willen’ van mensen om het sociale vraagstuk echt op te lossen.

Hij zag geen oplossing voor alle tijden en plaatsen, maar gaf aan dat het sociale vraagstuk steeds opnieuw door de betrokkenen in een bepaalde tijd of op een bepaalde plaats opgelost zou moeten worden. Daarom is het gepast en relevant om tachtig jaar na publicatie van Die Kempunkte na te gaan, hoe wij in onze tijd en in Nederland kunnen handelen vanuit de kennis over maatschappelijke wetmatigheden die Steiner heeft aangereikt. Bijvoorbeeld: Steiner schrijft rond 1920 dat ‘das Wollen der Zeit nach Dreigliederung drangt’ (het willen van de tijd naar driegeleding neigt) – hoe zit dat rond 1999? Is driegeleding nog steeds het beste antwoord op de sociaal-maatschappelijke problemen van nu? Wat is er nu anders dan toen? Wat is er vergelijkbaar gebleven? En wat is er vanuit geesteswetenschappelijke analyse over de actuele problemen te zeggen?

Driegeleding in mens en maatschappij

Voordat naar de huidige maatschappelijke problemen gekeken wordt vanuit driegeleding, is het goed eerst te bekijken hoe Steiner daar in 1919-1921 naar keek. Belangrijk uitgangspunt van zijn analyse is dat het sociale vraagstuk niet alleen een economisch en politiek vraagstuk is, maar bovenal een geestelijk. Het heeft te maken met de cultuur van een tijd en met de visie op de mens, als ook met een geestelijk wezen. Steiner wijst in dat verband op de ideologisering van het geestelijk-culturele leven en op het doorschieten van de emancipatie van het individu in het egoïstisch najagen van eigenbelang (in een strijd om het bestaan). Om dat geestelijke aspect samen met de andere aspecten van het sociale vraagstuk te kunnen onderzoeken, moeten de kenvermogens van de mens worden uitgebreid door het ontwikkelen van imaginatie, inspiratie en intuïtie. Antroposofie is immers ook een scholingsweg. Met behulp van deze drie voor Steiner cruciale kenvermogens kunnen de ontwikkelingstendensen en wetmatigheden worden begrepen. Voor een goed begrip van economische ordening is de kracht van imaginatie nodig, voor het geestelijke gebied inspiratie en voor het rechtsgebied intuïtie. Deze en andere verbanden tussen geestelijke vermogens en verschijnselen enerzijds en de sociale verschijnselen van mens en maatschappij anderzijds, zijn samengevat in schema 1 (door Steiner zelf overigens).

GA 199   Ged.vertaald, maar niet de betreffende voordracht

Om de ideeën over driegeleding te begrijpen, hoeft iemand niet zelf over de genoemde vermogens tot kennis en tot het vormen van voorstellingen te beschikken. De juistheid van driegeleding is volgens Rudolf Steiner door iedereen in eigen waarnemingen en studie te verifiëren. Dat klinkt open en sympathiek, maar voordat mensen aan de studie gaan willen ze graag overtuigd worden van het nut en de noodzaak ervan. Daarom moeten driegeleders ook aan niet-antroposofen kunnen uitleggen waar het bij driegeleding om gaat. Bijvoorbeeld waarom er drie maatschappelijke gebieden worden onderscheiden, en waarom specifiek die drie gebieden. Daarbij stuiten we op een interessant en paradoxaal probleem. Enerzijds is Steiners beantwoording van die vraag de verwijzing naar de driegelede mens, maar anderzijds benadrukt hij keer op keer dat het daarbij slechts om een analogie gaat, om een voorbeeld ter verduidelijking. Op zoek naar de argumentatie van Steiner ga ik iets nader in op die analogie.

Uitgangspunt is de driegelede mens. Deze is in trefwoorden samengevat in schema 2 (opnieuw door Steiner zelf).

GA 202/35    Niet vertaald

Vervolgens maakt Steiner de stap om datgene wat vanuit de geesteswetenschap over de driegelede mens is ontwikkeld, toe te passen op het gebied van het menselijke sociale leven. Met andere woorden, Steiner legt een relatie tussen schema 1 en 2.

Mag ik u als lezer uitnodigen nu even actief mee te denken en een gedachte-experiment te doen? Probeer dan de inhoud van schema 2 over de driegelede mens op een voor u begrijpelijke manier te verbinden met de inhoud van schema 1 over het driegelede sociale organisme. Er zijn geen ‘foute’ antwoorden, het gaat om uw leerervaring.

Als u dat hebt gedaan kunt u verder lezen over enkele verbindingen die Steiner legt.

Laat ik voorop stellen dat Steiner vanuit verschillende invalshoeken in de loop der tijd ook verschillende verbanden heeft gelegd. Dat wil zeggen dat er meerdere ‘goede’ antwoorden zijn. Volgens sommigen is het ook de vraag of de antwoorden niet naar tijd en plaats kunnen of moeten verschillen. Dat alles wijst erop dat we zelf speels en flexibel kunnen onderzoeken welke verbanden in onze situatie van toepassing zijn, gebruikmakend van wat de geesteswetenschap ons aanreikt.

Nu dat gezegd is, kan worden ingegaan op verbanden die Steiner heeft gelegd tussen mens en maatschappij. In een veel gebruikte toelichting begint Steiner bij de driegelede mens, en wel bij de menselijke geest (‘die het uiterlijke leven wil bekijken met voorstellingen, vanuit het hoofd en wakend’: kolom 2 uit schema 2), en verbindt dat alles met het geestesleven van het sociale organisme. Daarna verbindt hij het gevoelsleven van de ziel en het droomleven van de geest (kolom 3 in schema 2) met het rechtsleven van het sociale organisme. Ten slotte geeft hij aan dat het slaapleven (kolom 4 van schema 2) samenhangt met het onbewuste en met associaties van mensen, hetgeen hij verbindt met het economisch leven.

Op die manier ‘stroomt datgene wat in de mens is, verder in het sociale leven’. Wat vanuit de individuele mens in het sociale leven stroomt, dat maakt het sociale leven begrijpelijk, aldus Steiner: sociaal waken – > geestesleven, sociaal dromen – > rechtsleven, en sociaal slapen – > economisch leven (vgl. schema 1).

Heeft u als lezer tijdens het gedachte-experiment dezelfde verbindingen gelegd tussen mens en maatschappij? Zo ja, dan zal voor u de driegelede mens waarschijnlijk inderdaad een driegeleding van het sociale organisme ‘begrijpelijk’ maken. Maar als u (deels) andere verbindingen hebt bedacht, dan is de analogie tussen mens en maatschappij voor u onvoldoende behulpzaam geweest. Het probleem is nu dat deze analogie de belangrijkste handreiking is die Steiner eigenlijk biedt op dit punt. Weliswaar zegt hij in zijn Oproep aan het Duitse Volk en de Cultuurwereld dat zijn ideeën vanuit verschillende wetenschappen ondersteund zouden kunnen worden, maar helaas heeft hij die ondersteuning nergens uitgewerkt. Over het waarom kunnen we alleen speculeren. Omdat hij weinig tijd had en andere prioriteiten stelde? Misschien omdat hij wilde dat anderen dat zouden doen? En/of omdat hij vond dat mensen de aangedragen ideeën tot iets van zichzelf zouden moeten maken, ze moesten omzetten in hun eigen denken? Steiner wilde mensen in beweging brengen, en het lijkt erop dat hij dat soms ook deed door ze enigszins in verwarring te brengen, althans door uiteenlopende antwoorden op eenzelfde vraag te geven. Zo legt hij ook nog andere verbanden tussen driegelede mens en driegelede maatschappij. Een voorbeeld daarvan is de aanduiding van de mens als een ‘omgekeerde plant’: de wortels zetelen in het hoofd, waar rust en wetmatigheid heerst, terwijl de bloemen bloeien bij de ledematen, waar activiteiten plaatsvinden. Die bloei heeft te maken met het maatschappelijke geestelijk-culturele leven, de wortels met het economisch leven, en het rechtsleven bevindt zich zoals steeds tussen deze twee polen in.

De relatie tussen mens en maatschappij mag dan ‘slechts’ een analogie zijn, voor andere argumenten ter ondersteuning van het idee driegeleding en voor het doordenken ervan zijn wij in belangrijke mate op onszelf en elkaar aangewezen. Dat geldt nog sterker bij het bepalen van mogelijke toepassingen van het idee in onze tijd en in ons land. Steiner wilde mensen in beweging brengen, niet alleen met hun denken, maar ook met hun voelen en willen. Uiteindelijk moesten de ideeën over driegeleding tot handelingen van mensen leiden, zoals ook het citaat in het kadertje aangeeft.

1919-1999

Het werkelijk begrijpen en toepassen van de idee driegeleding vergt, zo blijkt ook uit het bovenstaande, actieve inzet. Steiner zei medio 1922 in Wenen bij een terugblik op zijn publicaties over driegeleding, dat hij in het debat uiteindelijk van alle kanten verkeerd was begrepen. De voorbeelden die hij had gegeven als mogelijke concrete uitwerkingen, had men voor de hoofdzaak aangezien, terwijl hij vooral wilde aangeven hoe de mensheid kon komen tot sociaal denken, voelen en willen. Voor hem was de hoofdzaak na te gaan onder welke maatschappelijke verhoudingen de mensen in staat zijn om hun sociale mening en wil tot uitdrukking te brengen. De kloof tussen standen en klassen vormt daarvoor een van de hindernissen, evenals het geloof in de almacht van de eenheidsstaat. Steiner zei op een historisch punt te staan, waarop het sociale leven op zijn fundamenten bekeken moest worden (en niet op zijn oppervlakkige verschijningen). Dat wilde voor hem zeggen: bekeken vanuit de drie takken van het sociale organisme. Die drie geledingen zouden samengehouden moeten worden door ‘een hogere band’ dan de staat zoals die tot dan toe bestond (want die staat zou moeten barsten).

Steiner was zich ervan bewust dat ook de term ‘organisme’ een analogie is, zag de gevaren van het spel van analogieën, maar gebruikte die toch ter verduidelijking. Bijvoorbeeld om aan te geven dat er opwaartse en neerwaartse ontwikkelingen plaatsvinden in het sociale leven, en dat de neerwaartse door het samenwerken van de drie gebieden weer ‘genezen’ kunnen worden. De eenheid van het sociale organisme ontstaat vanuit de mens die de drie geledingen met elkaar verbindt, omdat hij of zij immers aan alle drie deelneemt.

Gelet op de ontwikkelingen in ‘het sociale organisme’ moet het sociale leven steeds veranderen. Wat het juiste is in de jaren twintig van een eeuw, is in de jaren veertig al zo veranderd dat het ondergangskrachten in zich heeft, aldus Steiner. Die zienswijze maakt het des te noodzakelijker om in 1999 na te gaan wat de kern van het sociale vraagstuk nu is en wat er vanuit geesteswetenschappelijke achtergronden over meer concrete oplossingen kan worden gezegd.

Over de richting van die oplossingen was Steiner optimistisch. De drie idealen of impulsen die sinds de Franse Revolutie van 1789 werkzaam zijn, maakten hem duidelijk dat de Europese mensheidsontwikkeling een driegeleding ‘vereisen’ en dat die zal komen ‘auch wenn die Menschen sie bewusst nicht wollen werden’ (ook als mensen die bewust niet zullen willen). Het zou interessant zijn om na te gaan welke mogelijke aanwijzingen er in de laatste tachtig jaar zijn te onderscheiden voor ontwikkelingen in de richting van driegeleding. Daarbij kan ook betrokken worden wat Steiner heeft gezegd over spirituele achtergronden van het sociale vraagstuk (zoals het Michaëltijdperk, de verbinding met Christus en de ‘ernster Hüter der Schwelle’, of 1789 als advent en 1919 als de dertien dagen vanaf Kerstmis tot en met Driekoningen).

Behalve van ontwikkelingen in de tijd moeten we ons bij de idee driegeleding ook rekenschap geven van de geografische plaats. Driegeleding is ontwikkeld voor Midden-Europa. Door bij de idealen Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap uit de achttiende eeuw in West-Europa aan te sluiten, zou Midden-Europa volgens Steiner kunnen zeggen: vrijheid in het geestesleven, gelijkheid in het staatsrechtelijk leven, en broederschap in het economisch leven. De inhoudelijke en idealistische rol van Midden-Europa had Steiner vanaf het begin van zijn driegeledingswerk beziggehouden, want het was in antwoord op verzoeken van Duitstalige politici dat hij aan het einde van de Eerste Wereldoorlog zijn idee van driegeleding ontwikkelde. Midden-Europa zou de spirituele wijsheid van het Oosten kunnen verenigen met de wetenschap van het Westen.

De vraag wat toen onder Midden-Europa werd verstaan is zodoende van belang, want indien Nederland daar toen niet toe gerekend werd, moet worden nagegaan of dat consequenties heeft voor driegelede oplossingen die wij voor Nederland anno 1999 willen bedenken.

Drie taken

Wanneer mensen ervan overtuigd zijn of raken dat driegeleding in onze tijd een perspectiefrijke oplossingsrichting biedt, dan is de vraag hoe zij zich daarvoor kunnen inzetten. Steiner wilde met zijn geesteswetenschappelijke visie op mens en maatschappij immers ook een richting aangeven voor het handelen, voor het ingrijpen in de praktijk, zodat de ontwikkelingswetmatigheden zich zouden kunnen verwerkelijken. Dat kan op uiteenlopende manieren worden vormgegeven. Een van de mogelijkheden daartoe is verwant aan de denkwereld van eind jaren zestig: het vormen van gemeenschappen of groepen waarin de deelnemers hun sociale idealen en impulsen kunnen verwezenlijken, die zich richten op bepaalde sociale terreinen als oefengebied. In de jaren negentig zouden we misschien eerder een eigen bedrijf oprichten op zo’n sociaal terrein, of dienstverlenende arrangementen ontwikkelen. Op al dergelijke manieren kan een weg uit het egoïsme worden gevonden tot vreedzaam samenleven en broederlijk wederzijds hulpbetoon in werken voor elkaar. Dat zijn overigens ook manieren waarop de antroposofische beweging kan bijdragen aan haar doel een broederschap der mensheid te vormen, namelijk door ‘Neugestaltung des gesellschaftlichen Organismus’ (vernieuwing van het maatschappelijk organisme). Tegelijkertijd kan worden gewerkt aan de geesteswetenschappelijke ontwikkeling van de ziel, een scholingsweg om in onszelf die broederschap te ontwikkelen als sociaal gevoel voor de omgeving. Spitta (1985) spreekt in dat verband van een tweevoudige weg van de antroposofie om bij te dragen aan het oplossen van het sociale vraagstuk.

Zie ik het goed, dan heeft de antroposofische beweging in het algemeen (en ook bijvoorbeeld die in Nederland in haar 75-jarig bestaan) de nadruk tot nu toe sterk gelegd op de individuele kant van de tweevoudige weg. Om ook de maatschappelijke kant van die weg meer te ontwikkelen en zo tot meer evenwicht in de aanpak te komen, is activiteit geboden.

Er zijn zeker drie taken of verantwoordelijkheden in dit verband: het doordenken van driegeleding als idee, het bepalen van de toepassingen van de idee in onze tijd en in ons land, en ten slotte het open communiceren over driegeleding met buitenstaanders of niet-antroposofen op manieren die voor hen ook helder en van betekenis zijn. De eerste twee activiteiten vergen ‘geesteswetenschappelijke’ studie, de tweede ook de nodige historisch-politieke kennis en vaardigheden. Voor de derde activiteit zijn weer heel andere vaardigheden en houdingen noodzakelijk, gericht op communicatie in eigentijds en doelgroep-specifiek taalgebruik. Het is niet waarschijnlijk dat al die kwaliteiten voorkomen bij dezelfde (groep) mensen, het zal eerder zo zijn dat bij verschillende taken deels een beroep moet worden gedaan op steeds andere mensen.

Hoewel de drie taken een zekere volgorde hebben, hoeft bijvoorbeeld niet met interne en openbare discussies te worden gewacht tot de eerste taken zijn uitgevoerd. Ten eerste omdat je in interactie veel sneller en dieper leert, ook van je fouten. En ten tweede omdat je voor deelname aan publieke discussies voornamelijk afhankelijk bent van de kansen die zich daarvoor voordoen, en het zou onverstandig zijn om mogelijkheden voorbij te laten gaan omdat de interne gedachtevorming nog niet helemaal is afgerond. Momenteel doen zich in Nederland zeker op drie gebieden kansen voor om driegeleding in te brengen. Daarbij gaat het om een zoeken naar een menswaardiger samenleving, een begrip waar ook Steiner regelmatig naar verwijst als het gaat om driegeleding.

Een eerste kans bieden de politieke debatten over een mogelijke ‘derde weg’ naast het ongebreidelde kapitalisme van de vrije markt en het failliete communisme. Men is op zoek naar een werkbare en adequate combinatie van verschillende idealen en politieke stromingen, en misschien dat het geven van een functionele plaats aan vrijheid, gelijkheid en broederschap daarbij als optie in overweging gegeven kan worden.

Een tweede kans biedt de nog steeds groeiende belangstelling voor vrijescholen en andere werkgebieden van de antroposofie. Wanneer daar de ‘geesteswetenschap’ serieus wordt genomen, dan zal ook naar de sociaal-maatschappelijke consequenties ervan gekeken moeten worden en zal men ook voor de idee van driegeleding moeten opkomen.

En een derde kans is de doorgroeiende belangstelling voor de geestelijke/spiri-tuele wereld, bijvoorbeeld in wat samenvattend de New-Agebeweging wordt genoemd. Daarbij staat de persoonlijke innerlijke groei meestal voorop, maar vanuit de geesteswetenschap zou op de sociale en maatschappelijke consequenties gewezen kunnen worden.

Volgens Steiner is driegeleding ‘ein soziales Ergebnis der Geisteswissenschaft’ en kan je tegenover geesteswetenschap niet de houding aannemen dat het iets is wat naast andere dingen kan staan, je moet er besluiten over nemen. Geesteswetenschap is fundamenteel, vereist kracht en energiek aanpakken. Driegeleding gaat ook over de sociale consequenties van de geesteswetenschap en antroposofen zouden zich daarom met moed en kracht voor driegeleding moeten inzetten, aldus Steiner. In dit artikel is ingegaan op de geesteswetenschappelijke achtergronden van driegeleding en zijn vragen geformuleerd over het verkrijgen van zicht op de bruikbaarheid van dat idee voor de situatie in Nederland anno 1999.

Ik heb ook bepleit om de discussies over driegeleding niet alleen in de eigen groep te houden, maar om ook deel te nemen aan het publieke debat. Wat dat eerste betreft sta ik persoonlijk uiteraard open voor reacties, en kan er onder meer in Motief een debat plaatsvinden. Wanneer driegeleders deelnemen aan het publieke debat, dan speelt daarbij het probleem van het vinden van een ‘zeitgemässer Sprache’ (eigentijdse taal), een taal die ook door de groepen waarop de boodschap wordt gericht helder wordt begrepen. Als het echter lukt om over dit thema te communiceren met niet-antroposofen op een manier die enerzijds recht doet aan de antroposofie en anderzijds aan een open dialoog, dan kan die ervaring ook voor discussies over andere thema’s worden gebruikt en is er bijzonder veel gewonnen.

.

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

.

3428-3226

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding

.

In onderstaand artikel uit 1992 wordt al volop gesproken over ‘een landbouwcrisis’.
De afgelopen 30 jaar is die alleen maar groter geworden en zichtbaarder.

Inmiddels is overduidelijk dat er een samenhang bestaat tussen ‘landbouw’, ‘stikstof’, ‘verdwijnen van biodiversiteit’ enz.

Wat vertellen we onze leerlingen in de bovenbouw over de wereld waarin ze straks als volwassenen komen  te leven.
Kunnen we hun een visie meegeven om de problemen te kunnen overwinnen.

Dan moeten we zelf wel op de hoogte zijn van een andere visie.
Die staat in onderstaand artikel.

Als inleiding op het artikel:

wie thuis is in wat sociale driegeleding is, heeft een instrument in handen om actuele vraagstukken grondig te doorzien en inzichten te ontwikkelen die naar wezenlijke oplossingen kunnen leiden;
– wie actuele vraagstukken werkelijk wil aanpakken moet voorbij de waan van de dag op zoek naar het onderliggend fundament.
Het huidige ‘stikstofprobleem’ illustreert dat.
Wat is hier eigenlijk het probleem? Dat de overheid in strijd met haar eigen wetten en regels handelt? Dat boeren zich in een onmogelijke situatie geplaatst weten? Dat de landbouw in Nederland tot een ware industrie is uitgegroeid die een regelrechte aantasting van de aarde met zich meebrengt? Dat een groot deel van de boeren aan het krediet-infuus van de bank ligt? Dat de consument weigert om voor zijn voeding een billijke prijs te betalen?

Hieronder een (deel van een) artikel van oud-redacteur Mouringh Boeke. Het verscheen in het voorjaar van 1992 en bevat een aantal gedachten die meer dan krasjes in het stof aan de oppervlakte zijn.
Driegonaal, okt. 2019

“Hoe kunnen we de landbouw bevrijden uit de wurggreep van de economie?”

Het economisch leven nader beschouwd

Het huidige economische leven berust op concurrentie en op zogenaamde winstmaximalisatie en wordt door degenen die erin staan beschreven als een slagveld. Bij de industriële productie geldt dat de kapitaalgoederen – de productiemiddelen – een zeer begrensde levensduur hebben: in betrekkelijk korte tijd zijn investeringen technisch achterhaald en moeten de productiemiddelen door nieuwe vervangen worden. Een productiemiddel wordt dus kort intensief gebruikt en dan: weg ermee! Ze zijn tenslotte ook door mensen gemaakt en vervangbaar. Waar de landbouw van het economisch leven slechts een zeer klein deel uitmaakt en niet vanuit een andere denkwijze wordt beoefend, is het onvermijdelijk dat de landbouw steeds meer industrie wordt en de aarde, het productiemiddel dat reeds eeuwenoud is en nog eeuwen mee moet,  wordt uitgebuit. Roofbouw is thans systeem. Zo zeer zelfs dat steeds duidelijker wordt dat de aarde als zodanig gevaar loopt verwoest te worden en dat ingrijpen noodzakelijk is. Dat kan alleen vanuit zuivere begrippen. De begrippen landbouw en alternatieve landbouw zijn dat niet. Wat thans landbouw heet zou consequent “pseudo-landbouw” of “industriële roofbouw ter verkrijging van pseudo-voedsel” genoemd moeten worden; wat thans alternatieve landbouw genoemd wordt zal ik eenvoudig landbouw noemen. Daarmee begint namelijk pas (weer) wat werkelijke landbouw is. De eerste vraag is dan: hoe roepen wij een situatie in het leven die de boer in staat stelt landbouwer te worden; dat wil zeggen dat hij landbouw kan beoefenen zonder enige druk vanuit de economie. Met als uitsluitende maatstaf wat de aarde aan bewerking vraagt. De tweede vraag is dan hoe wij ons de handel in landbouwproducten kunnen voorstellen binnen de huidige economie? Het is per slot duidelijk dat alle landbouwproducten geconsumeerd moeten kunnen worden wanneer er ook maar ergens een vraag naar is.

Landbouwers

Bij boeren hoort een erf en grond waarvoor de boer verantwoordelijk is en waarover hij zeggenschap heeft. Die zeggenschap mag niet berusten op het klassieke particuliere eigendomsrecht. Integendeel: de (bloot)eigendom van grond – van alle landbouwgrond – zou geneutraliseerd moeten worden; dat wil zeggen dat grond niet verkocht of bezwaard kan worden en in “eigendom” is bij een instelling die er zelf niet mee kan/mag werken, die er uitsluitend op kan toezien en waarborgt dat de juiste procedures gevolgd worden bij het toekennen van grond aan boeren. Men kan zich een of meer stichtingen voorstellen die in de statuten opgenomen hebben dat de grond plus erf en boerderij aan boeren ter beschikking wordt gesteld (vrij van pacht) waarbij de grond ogenblikkelijk terug genomen wordt wanneer kunstmest of bestrijdingsmiddelen gebruikt worden, niet in de eigen mestbehoefte voorzien wordt of monoculturen ontstaan. Houdt iemand zich daar niet aan dan wordt het vertrouwen opgezegd. Hoe komt de boer aan zeggenschap op grond van vertrouwen? Het mogen beslist niet de beheerders van de grond zijn (de stichtingsbesturen of de ambtelijke instellingen), die bepalen wie als boer een stuk land toegewezen krijgt. Een onafhankelijk orgaan (of meerdere regionale onafhankelijke organen), bestaande uit boeren die allen om hun vakkennis geacht worden, dient daarover te beslissen. Een dergelijk orgaan van vrije boeren kan op persoonlijke titel met gezag oordelen over de capaciteiten van de gegadigden en kan beslissingen nemen. Bij gebleken onvermogen of gebrek aan inzet kan datzelfde orgaan ook besluiten iemand “zijn” grond en erf weer te ontzeggen. Is het dan niet terecht zowel ten opzichte van de aarde zelf als ten aanzien van de mensengemeenschap dat grond alleen aan diegenen toevertrouwd wordt die zich daartoe waardig tonen? Bij dit alles kan men zich goed voorstellen dat een boer die ermee wil ophouden zelf zijn opvolgers aanwijst; hij is immers zelf ook ter zake kundig en zal “zijn” bedrijf een goed hart toedragen en graag in goede handen zien. In een dergelijk geval zal hij ook een eigen zoon of dochter kunnen aanwijzen; bij de genoemde door de stichting of staat gestelde voorwaarden en bij de competentie van het genoemde beroepsorgaan en onder de nog te beschrijven andere voorwaarden zullen daardoor geen misbruik of wantoestanden ontstaan.
Tot zover hebben we wel de grond veilig gesteld maar nog geenszins de boer verlost uit de klauwen van de economie; in tegendeel: wanneer wij alleen deze maatregelen zouden nemen zouden de producten wellicht niet kunnen concurreren met die uit de pseudolandbouw elders.

De handel

De volgende radicale stap is nu te bepalen – in het gebruikerscontract met de grondbeheerstichting – dat de producten van het bedrijf geen eigendom van de individuele boer zijn maar van een speciaal daartoe op te richten handelsorganisatie die zich verplicht alle producten op afroep op te halen (het is overigens zaak vervoer en handel afzonderlijk te laten opereren) en die ze vervolgens onder vermelding van de herkomst in de handel brengt, dat wil zeggen zo duur mogelijk verkoopt. In het “zo duur mogelijk” zit de concurrentie met andere prijzen. Landbouwproducten zijn derhalve, omdat ze geen inkoopsprijs kennen, altijd concurrerend. (Zowel met pseudolandbouwproducten als met landbouwproducten van elders die “gedumpt” worden. Hier liggen nog vragen en wel omdat de handelaar geen inkoopsprijs heeft moeten betalen en daardoor alleen zijn eigen onkosten en inkomen – terug – te verdienen heeft.) En worden derhalve altijd geconsumeerd! Wanneer nu die handelsorganisatie zo opgezet wordt dat de handeldrijvenden en vervoerders een inkomensbegrenzing kennen (zij stellen van tevoren hun inkomen vast en strijken niet automatisch de winst op – in overleg met de boerenorganisaties) zal allicht een overschot ontstaan en dat overschot is nodig omdat de boeren nog geen inkomen hebben en nog geen (on)kostenvergoeding (voor investeringen, machines, preparaten, etc.) hebben genoten. Het zou bovendien niet terecht zijn de handel het volle voordeel te gunnen van een inkoopprijs van nihil.

Terug naar de landbouwers

De landbouwers zorgen voor een orgaan dat met de handel de inkomensbegrenzing en andere voorwaarden afspreekt. En dat de “overschotten” opvangt. Uit die overschotten moet in ieder geval een deel van het inkomen en de bedrijfskosten van de boer komen. Het is duidelijk dat de gemeenschap niet tolereert dat niet iedere boer een goed inkomen – een inkomen dat past bij dit uiterst verantwoordelijke en intensieve beroep – heeft.

De gemeenschap

Indien – en dat zal in de huidige toestand zeker het geval zijn – de overschotten te weinig opleveren, past de gemeenschap bij uit algemene middelen. Wat erop toegelegd zal moeten worden zal in ieder geval niet meer dan een fractie zijn van wat ons aan kosten te wachten staat als de huidige systematische vergiftiging en verwoesting van de aarde doorgaat. Sterker nog: onderwijs en volksgezondheid zullen al op korte termijn vergeleken met de huidige situatie dusdanige besparingen boeken dat de inkomensverschaffing aan de landbouwers uit algemene middelen zijn gewicht in goud waard zal blijken. (Op kleinere schaal kunnen het consumentengemeenschappen zijn die langs de weg van de fiscale aftrekbare giften ditzelfde kunnen bewerken.) Het is om dezelfde reden onjuist te stellen dat wie een landbouwproduct verkiest boven een pseudolandbouwproduct daarvoor dan maar meer betalen moet. Het pseudolandbouwproduct is namelijk “goedkoper” omdat kosten op de gemeenschap afgewenteld worden.

Wat zo bewerkt wordt

Door de voorgestelde opzet is een definitieve scheiding tussen landbouw en handel bewerkstelligd enerzijds en anderzijds gegarandeerd dat de grond als productiemiddel een totaal andere behandeling krijgt dan de door mensen gemaakte productiemiddelen. De boer kan zich bij zijn beroepsuitoefening volledig richten op de aarde en daarbij weten dat zijn producten hun afzet zullen vinden. Hij zal in zekere zin afstand moeten doen van het ondernemerschap – zou men hem dit ondernemerschap in concurrerende zin willen laten, dan zou daarmee de dwang vanuit de economie in stand blijven en daarmee het motief om oneigenlijk te handelen.

.

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Driegonaal
.

Help mee grond vrij te maken. Draag bij aan herstel van landschap en biodiversiteit                         Land van ons  

.

3417-3215

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-10)

.

In de jaren eind vorige eeuw was er binnen de vrijeschoolbeweging een streven om zoveel mogelijk (bestuurlijk) te werken vanuit de gedachte van de sociale driegeleding.
Dat lijkt in het eerste kwart van deze eeuw flink verwaterd.

Als archiefstuk, en wellicht weer als toekomstige kiem, hier een aantal gezichtspunten, zoals daar destijds naar werd gezocht.

.

organisatorische situatie
.

In een bestaande school liggen zaken veelal vast. Het principe van het zelfbestuur door de leraren is daar gemeengoed.

Daar zijn in het algemeen drie organisatorische niveaus te onderscheiden:

-leraren.

-mandatarissen.

-beleidsgroep of “intern deel” van het lerarencollege.

De leraren zijn verantwoordelijk voor de klassen.

De mandatarissen zijn bovendien nog verantwoordelijk voor onderdelen van de schoolorganisatie. Er zijn er slechts enkele in de school. Het vraagstuk van de mandaten is nog niet in voldoende mate verwerkt en speelt in dit stadium nog geen concrete=feitelijke rol.

De beleidsvergadering of het interne deel van het lerarencollege

De leraren die als een dragende groep in de school willen staan, zijn verantwoordelijk voor de totale school. Aan de deelname en taakstelling hiervan worden in zekere zin hogere eisen gesteld dan aan het functioneren in andere schoolorganen. Slecht diegenen die zich niet alleen kunnen, maar ook willen inzetten voor de totale existentie van de school, maken hiervan deel uit. Zo ergens, dan is hier het hart van de school aanwezig.

De beleidsgroep of intern deel kennen we nog in het geheel niet. Wel zijn de onderwerpen die aan de orde komen in de bestuursvergaderingen de onderwerpen die aan de orde zouden zijn, wanneer er een intern deel zou functioneren.

Duidelijk is dat alle organisatorische niveaus in de bestaande grotere scholen door leerkrachten worden gevuld.

Tot zover de beschouwing over de schoolorganisatie op zich.

Los hiervan speelt het vraagstuk van de sociale organisatie.
Dus welk orgaan is er dat de verschillende groepen de gelegenheid biedt zich in de omgang met elkaar te verstaan.

In dit kader moet ook de medezeggenschap worden beleefd.
De medezeggenschap is een probleem dat in alle scholen nieuw is, in die zin dat er niet bewust organen voor zijn gevormd met als uitgangspunt de medezeggenschap. Veeleer is de bevordering van het gemeenschaps(be)leven het uitgangspunt geweest voor de vorming van bepaalde organen.

Een visie vanuit het mensbeeld van de antroposofie is in deze zaak in ontwikkeling. Dat is het proces waar wij als school ook volop in zitten.

Voorstel zoveel mogelijk op basis van hetgeen tot nog toe bewust is geworden:

-In principe ligt de besluitvorming bij de leerkrachten.

Of deze nu in de leerkrachtenvergadering pedagogische zaken bespreken of persoonlijk een mandaat uitoefenen of dat dit gebeurt in de beleidsvergadering of intern deel.

Het pedagogische is niet in discussie.

-De leerkrachten vormen een intern deel/kerngroep waarin inhoudelijk zaken aan de orde komen. De voortgang wordt bewaakt.
Ook praktische zaken komen aan de orde.
Dit is vergelijkbaar met de huidige bestuursvergadering.
De samenstelling hiervan zal moeten veranderen.
Steeds zullen meer leerkrachten die de school in zijn totaliteit willen dragen hiervan deel gaan uitmaken.
Deze vergadering heeft in principe een oordeelsvormend karakter. Beeldvorming is voor oordeelsvorming onmisbaar.

De leerkrachten verstrekken voor bepaalde taken mandaten aan individuen of groepen.
Wanneer een mandaat wordt verstrekt zullen leraren geen besluitvorming meer kunnen plegen m.b.t. die taken.

Beeldvorming en oordeelsvorming hebben hier een grote waarde.
Daar waar beeldvorming aan de orde is zal in zoveel mogelijk gevallen de beeldvormende vergadering ingeschakeld worden. Nu dus nog ‘algemene vergadering’ genoemd. Hierin kan ook aan evaluatie van besluitvormingsprocessen worden gedaan.

.

Sociale driegeledingsamenwerking

Sociale driegeleding: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3408-3206

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-9)

.
In de jaren eind vorige eeuw was er binnen de vrijeschoolbeweging een streven om zoveel mogelijk (bestuurlijk) te werken vanuit de gedachte van de sociale driegeleding.
Dat lijkt in het eerste kwart van deze eeuw flink verwaterd.

Als archiefstuk, en wellicht weer als toekomstige kiem, hier een aantal gezichtspunten.
Die zijn ook vandaag nog actueel: wat stralen we uit naar on ze leerlingen, hoe gaan we met elkaar om? Enz.
.

Verslag van de tweede studiebijeenkomst “Vrije School en sociale driegeleding”, d.d. 29 maart 1983 op de Reehorst te Driebergen.
.

Vrij geestesleven als scholingsweg voor de sociale omgang in de school.

Inleider: Jack Moens

Aan het begin van de avond stelde JM de vraag wat er gedaan was met de ervaringen van de vorige bijeenkomst, in de concrete situatie op school. De meeste aanwezigen hadden de avond ervaren als stimulerend, krachtgevend en inspirerend; het toen gezegde was voor iedereen herkenbaar en toepasbaar in de eigen situatie. Over het algemeen werden de ervaringen, zowel schriftelijk (via mededelingenbladen) als mondeling doorgegeven aan ouders, colleges en besturen. Veel concrete initiatieven waren er echter nog niet uit voortgekomen.

Aanhakend aan de opmerkingen over de heersende onzekerheid bij de drie geledingen binnen de school, over eigen doel, status, verantwoordelijkheden en onderlinge werkwijze, merkte JM op, dat we in een ik-gerichte tijd leven. Men is daarbij zeer sterk op zichzelf betrokken, zoekende naar de werkelijkheid, de werkelijke waarde van dat “ik”. In die onzekerheid over het eigene ligt de oorzaak van veel storingen in het omgangsleven. Maar in diezelfde onzekerheid ligt ook de bron, de aanzet tot nieuwe ontwikkelingen. Want het is onze opdracht om onszelf te vinden, te zoeken naar onze wezenlijke kern, de geestelijke mens. Onder de druk der omstandigheden (economische recessie, staatsbemoeienis etc) worden we echter steeds meer gebonden aan aardse materialistische krachten en steeds weer afgehouden van een opstijging naar de geestelijke wereld. Willen we krachten ontwikkelen, die ons in staat stellen uit onszelf te komen, die ons in staat stellen de juiste sociale inrichtingen te scheppen, dan moeten we teruggaan naar de bron, waaruit ons die krachten toestromen, het geestesleven.
Ook Steiners beginpunt om te komen tot maatschappelijke hervormingen was.- (en is) het vrijmaken van het geestesleven uit de omklemming van economie en staat (zie  GA 23     De kernpunten van het sociale vraagstuk

Geestesleven

Wat is dat nu: geestesleven? We zijn vanavond bijeen in een gezamenlijke zorg voor de Vrije School. In die zorg ontmoeten we elkaar. Willen we echter verder komen, dan moeten we ons ervan bewust zijn dat we ons niet ten bate van onszelf, maar voor de ander moeten ontwikkelen. Wij moeten leren in onszelf ruimte te laten ontstaan opdat we de ander innerlijk kunnen ontvangen, die ander wezenlijk, als geestelijke realiteit, kunnen ontmoeten.

We moeten leren de ander te zien in zijn geestelijke kern, daarbij onze eigen gevoelens, begeertes, sympathieën en antipathieën terughoudend. Deze oefenweg brengt ons geleidelijk tot het erkennen van de geestelijke wereld als realiteit. Het gaat er daarbij niet om antroposofische literatuur van buiten te leren, want dan begrijp je nog niets van de geestelijke wereld. Verdiep je daarom eerst in de mens tegenover je, in diens karakteristieken, zijn biografie, en leer zijn wezenskern kennen. We zijn echter nog zo sterk met onszelf, onze groep, onze school bezig, dat we te weinig open staan voor de ander en geen wezenlijke interesse hebben. Volgen we echter de oefenweg, dan worden we wakker aan die ander, want we zien het geestelijke altijd eerst bij de ander, en dan pas bij onszelf.

Wij herkennen dan ook wat ons bindt, onze gemeenschappelijke idealen, onze oergedachten, de wezenlijke ideeën die ons drijven, die ons de vraag voorleggen: waarom zijn we hier, wat doen we hier, waarom ben jij leerkracht, ouder etc? Dan zien we de mens werkelijk als geestdrager, dan ervaren we de geestelijke wereld, (zie ook GA 257/104   De antroposofische beweging, voordracht VI).

Wij leven in het ik-tijdperk, dat is al vaker geconstateerd. Dat “ik” is kwetsbaar en uit onzekerheid overschreeuwt het zichzelf: ik heb niks te maken met een ander,.. dat is mijn goed recht, wie doet me wat, etc. etc.

Dat begrip van wat vrijheid is, was niet datgene wat Rudolf Steiner met Vrij Geestesleven bedoelde. Het was niet de vrijheid maar te doen wat je wilt; integendeel, het is de vrijheid dat te doen wat in je diepste wil ligt, niet voor jezelf, maar voor de ander. Die onbaatzuchtigheid moeten we in onszelf wekken. En met die onbaatzuchtigheid moeten we dan onze scholen zó inrichten dat we onze oergedachten kunnen verwezenlijken tussen de mensen, zodat de jonge mens tot werkelijk mens kan uitgroeien, uitgroeien tot een mens die zich zelf bewust is geworden, een wezenlijk “ik” heeft. Dat “ik” is dan geen illusie, geen product van de omgeving, het is een kracht, een directe ervaring van het Vrije Geestesleven.

Het zal duidelijk zijn dat in een vrij geestesleven zich allerlei verschillende “ik-ken” manifesteren. Leidt dat nu niet tot versplintering? Tot desintegratie?

Om deze vragen te beantwoorden moeten – we wederom – teruggaan tot de voorgeboortelijke, geestelijke wereld. Vanuit die spirituele wereld komen impulsen op aarde, incarneren de mensen. Op een ogenschijnlijk willekeurig moment komen een aantal mensen bijeen en willen iets: ze nemen het initiatief tot het stichten van een school.
In de eerste fase van zo’n geestelijke impuls komt tot uiting dat het initiatief gedragen wordt door een aantal individuen, “ik-ken”, die verbonden zijn in een groot enthousiasme, een grote werkkracht, een persoonlijke lotsverbondenheid.

In de daarop volgende fase merkt men dat die geestelijke impuls dan ook werkelijk op aarde gekomen is, en onderworpen raakt aan aardse beperkingen. Men moet onderkennnen dat de mens steeds meer gekluisterd is aan de aarde, aan de materie, en dat de opening naar boven, naar het geestelijke zich sluit. Op dat moment openbaren zich binnen de scholen de grootste problemen. Er ontstaan organen (colleges, ouderraden etc.) die als het ware los staan van het ‘lichaam’ van de school. Ieder orgaan meent dan dat het belangrijker is dan een ander. Die versplintering is alom te zien. Zoals ook in een menselijk lichaam het ene orgaan niet boven het andere staat (dan word je ziek), zo ook geldt dat voor de Vrije School: ook die kan ziek worden. Dit ziekteproces kan in twee richtingen uitgroeien:

1. Naar een creatieve chaos, waarin angst om zich vast te leggen, uit te spreken, afspraken te maken, hoogtij viert.

2. Naar een over-georganiseerd geheel, een super-structuur, die door een overmaat aan bureaucratie zichzelf verstikt.

Daartussenin ligt de derde weg: een levend organisme, dat de ontwikkelingen van het kind ten goede komt; een orgaan heeft daarbinnen alleen een functie in het geheel van het lichaam. 

In deze tweede fase moeten we dus trachten een levende schoolorganisatie op te bouwen, waarin het zgn. functie-organisme geen kans krijgt.

In de derde fase moet de school, eenmaal volgroeid, zich bewust worden van haar culturele opgave, en maatschappij-vernieuwend naar buiten treden. De school moet daartoe aan de wereld laten zien een levende impuls op spiritueel gebied te zijn.

Dit gebeurt nu nog te weinig; voor de toekomst echter is dit van groot belang. Concluderend kunnen we zeggen dat ook de school een levensweg doormaakt: een initiatief komt op aarde en zaait zich uit onder de mensen; nieuw leven ontstaat voor weer nieuw zaad in de toekomst. Juist in deze tijd is dat nieuwe leven zichtbaar in de Christus-figuur: Christus als ware mens, die zich voortdurend openbaart tussen mensen die elkaar wezenlijk ontmoeten.

Na de pauze
waarin in kleine groepen werd gediscussieerd over de consequenties van het hierboven gestelde in de eigen concrete schoolsituatie, kwamen direct een aantal vragen en opmerkingen naar voren die door JM en passant werden behandeld.

Over de werkelijkheid van het geestesleven

Het geestesleven moet absoluut merkbaar, voelbaar zijn. Alleen een zoeken, een streven ernaar kan niet voldoende zijn. De spirituele ‘substantie’ moet aanwezig zijn, anders kan het niet stimulerend werken, pakkend zijn voor jonge leerkrachten en jonge ouders, onervaren bestuursleden.

De enige overlevingskans voor de VS is het opbouwen en in standhouden van die innerlijke kracht. Dat geestesleven moet dus concreet zijn, sterker nog, je kan je afvragen wat dat wezen wil, welke richting het wil gaan. Dat proces kun je beschrijven in een beeld, bv. in een biografie van de school. Dat is dan ook helemaal niet abstract, dat beeld leeft vanuit de offerkracht van de mensen die de school dragen: daar wordt de geestelijke wereld tot realiteit.

Over de ‘ik-cultuur’ en de persoonlijke tegenstellingen

Wij moeten af van de illusie dat het op een VS altijd harmonieus zou moeten toegaan.
In onze tijd geldt dat harmonie-model niet meer. De individualiteit van de mens is nu eenmaal geboren, oude normen en waarden vallen daarmee weg. Tegelijkertijd ontstaan echter nieuwe gemeenschappen op grond van wat mensen gemeenschappelijk willen. We zijn natuurlijk wel verschillend, uniek, eigen persoonlijkheden, maar we zijn ook direct afhankelijk van elkaar. Niets kan er gebeuren zonder de ander, en je kunt alleen verder komen als je je spiegelt aan de wil van de ander, daarna ruimte maakt om de individualiteit van de ander zichtbaar te maken in jezelf. Op deze wijze kunnen individuen toch samen iets nieuws maken. Men moet dus a.h.w. die verschillen productief maken, vruchtbaar maken t.o.v. het geheel.

We moeten ervoor oppassen echter niet te zeer aardse krachten (scheidende krachten) te laten overwinnen: dat leidt tot verharding, eigenliefde, specialisatie en eenzijdigheid. Daarom ook moeten we de zin van het anders-zijn leren begrijpen, zodat we met al die verschillende krachten iets kunnen opbouwen. Dit nu kan alleen als er ondanks verschillen een werkelijk onderling vertrouwen heerst. Want dan pas kunnen we in een structuur werken die we uit eigen vrije wil scheppen, en die toch hiërarchisch is. Dit kan ook, nl. in een mandaat-organisatie, als tussenweg tussen de verlammende beperkingen van aristocratie en democratie. Ontbreekt dat vertrouwen dan is het dodelijk, dan is er geen basis voor een gemeenschap die een school draagt. Ook in dat vertrouwen moeten wij ons oefenen, leren onbaatzuchtig te zijn. We moeten leren verantwoordelijkheden te delegeren, verantwoordelijkheden op ons te nemen, en ieder de gelegenheden te geven fouten te maken.

Over besluitvorming en menselijke omgang

Het zal van steeds groter belang zijn tot een zuivere besluitvorming te komen. We zullen tot een goede wederzijdse informatie-verzorging moeten komen, vooral moeten leren goed te luisteren, en af te tasten of een besluit wel door alle geledingen van de school gedragen wordt. In een besluit moet datgene gezaaid worden, wat in alle geledingen kan ontkiemen tot heilzame impulsen voor de toekomst. Besluiten moeten zó genomen worden dat de gehele gemeenschap ze kan dragen, ook al zijn individuen het er niet mee eens.

Het omgangsleven, dat uitgaat van de realiteit van het vrije geestesleven, overbrugt de spanningen tussen het individuele ‘ik’ en het geheel (school of maatschappij).

In de gelijkwaardigheid van de ontmoeting van mens met mens manifesteert zich het geestesleven dat als bron van kracht en inspiratie onuitputtelijk is.

Verslag: Rob Zijlma

.

Sociale driegeledingsamenwerking

Sociale driegeleding: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3404-3202

.

.

.