Categorie archief: sociale driegeleding

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-7)

.

In dit artikel uit 1974 worden een aantal gezichtspunten uitgewerkt die uiterst actueeel zijn, m.n. bij wat er gebeurt en zou moeten gebeuren tussen producent en consumement. 
Maar ook de tegenstelling atbeid en vrijetijd wordt door velen nog zo beleefd als hier wordt beschreven.

M.i. biedt dit artikel voor het vak ‘maatschappijleer’ talloze aanknopingspunten met de jonge mens van nu over te discussiëren. 
Dat lijkt noodzakelijk ook zo met de meeste artikelen in de reeks ‘Sociale driegeleding’.

0-0-0

Lex Bos, Jonas 20-12-1974
.

Zinvolle ruimte tussen arbeidstijd en vrije tijd
.

Tegenwoordig* heeft alles de neiging te polariseren. In discussies worden we gedwongen stelling te nemen: vóór of tegen, ter linker- of ter rechterzijde, progressief of conservatief.

In de discussies die momenteel* op gang komen rondom het probleem van de toenemende werkloosheid is dit eveneens het geval.

In deze discussies is slechts sprake van twee soorten tijdsbesteding: arbeidstijd en vrije tijd. We hebben hier te maken met een onvruchtbare polarisering.
Tussen deze beide uitersten blijkt een groot middengebied te zijn dat door deze polarisering uit het blikveld dreigt te verdwijnen.

Om de eigen aard van dit gebied te beschrijven moeten we eerst de polen wat nader beschrijven.

DE ARBEIDSTIJD

Het bezig zijn in de arbeidstijd is daardoor gekenmerkt, dat men behoeften van anderen bevredigt en problemen van anderen oplost. Een arts, een leraar, een restaurant-bedrijf, een schoenenindustrie, een scheepvaartmaatschappij, zij alle zijn bezig resp. gezondheids-, opleidings-, eet-, loop- en transportproblemen van anderen (niet van zichzelf) op te lossen. Een wereldwijde arbeidsverdeling heeft ons in een onafzienbaar net van wederzijdse afhankelijkheden gevangen. Ieder die in een beroep werkzaam is speelt daarin een rol, hetzij als president-directeur, of als klerk, als minister of als hulpmonteur, als graanhandelaar of als barkeeper. En als men in deze ‘legpuzzel’ zijn steentje heeft bijgedragen ontleent men daaraan het recht om aanspraak te maken op een steentje van de ander. Dat recht wordt gehonoreerd door inkomen. Degenen die in een beroep werkzaam zijn, onderhouden met hun inkomsten degenen die dat (nog) niet (meer) zijn (kinderen, niet in een beroep werkzame vrouwen, zieken, gepensioneerden etc.).

We kunnen aan elke beroepsbezigheid een aantal kanten onderscheiden en wel de behoeftebepaling, de ‘éducation permanente’ en de werkgemeenschap.

Behoeftebepaling 
We zeiden zoëven dat een schoenenfabrikant niet schoenen produceert, maar loopproblemen voor andere mensen oplost. Zijn het wel loopproblemen? Of heeft de klant hele andere behoeften? Wil hij steun voor zijn voeten, of bescherming tegen beschadiging of beschutting tegen kou? Wil hij modieuze behoeften bevredigen of wil hij zich met ‘Iwanof’ laarzen (en een lange koetsiersjas) oosters voelen? Een deel van de bezigheid van schoenenfabrikanten is het beantwoorden van de vraag: welke behoeften van welke categorieën klanten willen wij op welke wijze met welke technische hulpmiddelen waar en wanneer bevredigen?

Er is weinig fantasie voor nodig om te zien hoe gecompliceerd dit aspect van het beroepsleven is, wanneer we het schoenenvoorbeeld vertalen naar een grote machinefabriek, een modern ziekenhuis, een ministerie, een universiteit of een luchtvaartonderneming.

Er is ook weinig fantasie voor nodig om te zien dat datgene wat hier beschreven is voor de verhouding van de ‘producent’ tot de markt net zo geldt voor de afdelingen binnen een organisatie ten opzichte van elkaar. De dieet-afdeling in een ziekenhuis, de boekhouding in een handelsonderneming, de onderhoudsdienst in een machinefabriek, de roostercommissie in een school, de secretarie op een gemeentehuis; geen van deze groeperingen is een doel in zichzelf. Zij allen hebben hun ‘afnemers’ ergens in de organisatie en moeten zich dus actief en met interesse bezighouden met de mensen en groepen aan wie zij (in dit geval binnen de organisatie waarvan zij zelf ook deel uitmaken) diensten leveren, wier problemen zij oplossen.

‘Education permanente’
De problemen van de klant worden ‘vertaald’ in producten en diensten en deze weer in taken van mensen. Voor het uitvoeren van deze werkzaamheden is vakbekwaamheid nodig, meer of minder en van verschillende soort. Of die vakbekwaamheid betrekking heeft op een havenarbeider, een machine- bankwerker, een griffier, een kok, een leraar of een chirurg doet hier niet ter zake. In alle gevallen gaat het om menselijke capaciteiten, die noodzakelijk zijn voor het leveren van een economische prestatie (waartoe in deze beschouwing dus ook een genezen patiënt en een opgeleide student behoren).

Deze capaciteiten nu moeten zich blijven ontwikkelen, omdat de inhoud van het vak verandert, de wetenschap zich ontwikkelt, de techniek voortschrijdt, de sociale omgeving waarbinnen het beroep zich afspeelt zich wijzigt en tenslotte de mens zelf ook ouder wordt en daarmee andere eisen gaat stellen aan de beroepsuitoefening. Het wordt steeds duidelijker dat de snel veranderende beroepssituaties in een dynamische maatschappij een ‘éducation permanente’ noodzakelijk maken. Wat vanuit het beeld van de mens als een wordend wezen een ethische eis is, wordt thans vanuit de beroepssituatie als praktische noodzaak gesteld. Hier ligt een niet te missen kans. Zullen de menselijke ontwikkelingsmogelijkheden dienstbaar worden gemaakt aan de beroepsnoodzakelijkheden of zal het beroepsleven de ontwikkelingsbodem leveren voor toenemende menselijke volwassenheid?

Werkgemeenschap
Wanneer de ‘output’ is vastgesteld d.m.v. de behoeftenbepaling en wanneer de ‘in-put’ aanwezig is in de vorm van alle noodzakelijke capaciteiten van mensen (en hulpmiddelen, machines en gebouwen) dan rest nog de vraag hoe al deze individuele capaciteiten tot een geïntegreerde prestatie worden omgevormd. Dat betekent samenspel! Dat samenspel vindt zijn meest formele neerslag in de wet (collectieve arbeidsovereenkomst, regeling van arbeidsvoorwaarden) in het ‘fabrieks-reglement’, daarnaast in de organisatie (formeel en informeel), in de stijl van samenwerking, in de sfeer, in het dagelijkse geven en nemen, in het omgaan met prestige- en machtsvragen, in de relaties tussen leiding en uitvoering, staf en lijn, gastarbeiders of koppelbazen en ‘eigen mensen’ tussen hoofdkantoor en bijkantoor.

Dat alles vormt samen het sociale leven van de organisatie. Het bepaalt in hoge mate of en hoe de individuele capaciteiten tot gemeenschappelijke prestaties worden omgevormd.
Het vorm en inhoud geven aan dit sociale leven van de organisatie wordt meer en meer gezien als een taak waarbij allen gelijkelijk betrokken dienen te zijn. Alle eisen naar medezeggenschap, overleg, inspraak, democratisering en participatie willen zeggen, dat men de vormgeving van dit middengebied niet wenst over te laten aan de leiding, of aan organisatiespecialisten. Men heeft ervaren, dat wanneer het sociale organisme gestalte krijgt vanuit eenzijdig economische en technische gezichtspunten, de mens er geleidelijk ‘uit-georganiseerd’ wordt.

DE VRIJE TIJD

De vrije tijd staat polair tegenover de arbeidstijd. Geen arbeidsverdeling, geen oriëntatie op wat anderen nodig hebben, daardoor ook geen aanspraak op inkomen. Integendeel, vrijetijdsbesteding kost veelal geld.

Wanneer men ziet hoe mensen hun vrije tijd besteden, kan men globaal onderscheiden tussen creativiteit, gezelligheid en recreatie. Deze kwaliteiten lopen sterk dooreen, veel meer dan de in de sfeer van de arbeidstijd onderscheiden drie aspecten.

Recreatie
Het accent ligt hier op het ontspannen. Dit kan passiviteit betekenen, maar ook activiteit op een ander gebied dan waarop men anders bezig is. De scala omvat luieren in de zon, in de natuur zijn, bijwonen van sportmanifestaties, zich laten vermaken door film bv. of andere media, actief sport bedrijven, toerisme etc.

Gezelligheid
Hier ligt het accent op het probleemloos ongedwongen samen-zijn met andere mensen. Veel recreatie vervult mede deze behoefte. Behalve in het gezinsleven speelt zich dit aspect van het vrijetijdsleven vooral af in café’s, restaurants, sociëteiten, marktpleinen, foyers van openbare instellingen, kerken e.d.

Creativiteit
Vrijetijdsbesteding krijgt een creativiteitselement, wanneer er doelen gesteld en prestaties verlangd worden. Dat kan in het kunstzinnige, in het wetenschappelijke, in het technische (hobby) of ook op het gebied van de innerlijke scholing, de godsdienstoefening e.d. Men probeert de wetmatigheden van iets hogers in zich of buiten zich te vinden en daaraan te gehoorzamen. Wanneer dat lukt is er in wezen iets nieuws ontstaan. Daarom is het creatief.

DE ‘SPEELTIJD’

tijd besteed aan de ordening van het maatschappelijk spel
Is er nu tussen arbeidstijd en vrije tijd nog een middengebied? Zoals we in het begin schreven zijn we gewend te denken in de tweeheid van arbeidstijd en vrije lijd. Alle tijd die we niet in ons beroep doorbrengen, is vrije tijd. Er vindt al een verschuiving plaats van het arbeidsprobleem naar het vrije-tijdsprobleem. Er zijn mensen die zich al geen zorgen meer maken over arbeidsconflicten, frustraties in het werk e.d. want — zo zeggen zij — binnenkort werken we nog maar twee of drie dagen in de week en dan verdwijnen die problemen vanzelf. Dan is het niet meer belangrijk of er in de werksituatie nog plaats is voor de mens als moreel-geestelijk wezen, want hij heeft in zijn vele vrije tijd volop gelegenheid voor zijn ik-ontplooiing. Deze gedachte is volstrekt irreëel. Ten eerste krijgt een zogenaamde ik-ontplooiing in de vrije-tijdssfeer, die geen tegenhanger heeft in een beroepssituatie, waarin men verantwoordelijkheid draagt en bewust dienstbaar is aan anderen, een sterk egoiïstische, wereldvreemde inslag. En ten tweede heeft de samenleving geen waterdicht schot tussen beroepsleven en vrije tijd. Een situatie waarbij men zich in het beroep onvolwassen-instrumenteel laat gebruiken om dan in zijn vrije tijd
volwassen-creatief aan zijn menswording te werken, is niet lang houdbaar. Wanneer men in één sector van de samenleving de mens in feite uitbant, zal weldra in de hele samenleving geen plaats voor de mens meer zijn, ook niet in de vrije tijd. Daar wordt hij dan immers object van een toeristenindustrie, een vermaakbusiness etc.

Deze polarisering vrije tijd-arbeidstijd is een onjuiste en gevaarlijke. Een derde gebied zou krachtig moeten worden ontwikkeld. Een gebied waarin men niet uit noodzaak, geld ontvangend, voor anderen werkt, waarin men ook niet vrijwillig, geld uitgevend, aan zichzelf werkt, maar waarin men — zonder aanspraak op inkomen, hoogstens met onkostenvergoeding — vrijwillig maatschappelijke taken op zich neemt om met anderen samen het maatschappelijk spel te spelen.

Wat voor de beroepssituatie in het klein werd besproken geldt voor de samenleving als geheel in versterkte mate: we kunnen de inrichting van onze samenleving niet overlaten aan ekono-misch belanghebbenden, aan beroepspolitici of aan wetenschappelijke specialisten. Steeds meer zullen alle burgers actief en verantwoordelijk aan dit sociale spel moeten meedoen. Wanneer zij dat niet doen zullen zij ook niet mogen klagen, dat zij door ‘big business, big politics and big Sciences’ worden gemanipuleerd.

Er zijn een drietal grote taakgebieden aan te wijzen in dit middengebied en wel rondom bestuurstaken in organisaties, rondom politieke oordeelsvorming en rondom associaties in het economisch leven.

Bestuurstaken 
Een groot deel van het wetenschappelijke, maatschappelijke, pedagogische, medische, culturele en charitatieve werk gebeurt in instellingen waarvan de bestuurstructuur eindigt in een curatorium, een verenigings- of stichtingsbestuur, een commissarissen-vergadering, een commissie van bijstand of toezicht, een adviescollege, een beroepsinstantie etc. etc. Al deze groeperingen hebben tot taak om degenen die in de betreffende organisatie werkzaam zijn te helpen bij de bestrijding van hun ‘bijziendheid’, bij de oriëntatie op zinvolle doelstellingen, bij de afstemming op gelijksoortige organisaties in hetzelfde veld, bij het scheppen van goede relaties tot lokale, provinciale en landelijke overheden, bij het vinden van geldmiddelen en in het algemeen bij het invoegen van de betreffende organisatie in het maatschappelijk bestel. En dat alles zonder degenen, die verantwoordelijk in het werk staan en er leiding aan geven, te bevoogden.

Dat vereist kundigheid, tijd en interesse. Of het nu gaat om natuurmonumenten, kruisverenigingen, veilig verkeer, arbeidsraden, voogdijraden, duivenmeikersverenigingen, sociëteiten, scholen, orkesten of kerken, overal is een groot tekort aan vrijwillige maar deskundige hulp!

Daar komt nog een categorie bij, die voor de toekomst niet onbelangrijk is. Een van de meest ziekmakende factoren van onze economie is het feit, dat in de goederenhuishouding van ons economisch leven (stroom van waren enerzijds en tegenstroom van geld anderzijds) zaken betrokken zijn, die daar naar hun aard niet in thuis horen zoals bv. grond en kapitaalgoederen.
Grond en productiemiddelen (fabrieken bv.) worden tegenwoordig gekocht en doorverkocht als tafels en stoelen.
Ze worden als onderpand voor leningen gebruikt en er wordt in gespeculeerd.
In feite zijn het maatschappelijke ‘capaciteiten’, die noch in privébezit noch in staatsbezit kunnen zijn, maar die door stichtingen beheerd (niet bezeten) worden en voor beperkte — te verlengen — periodes ter beschikking worden gesteld aan degene(n) die er ten algemene nutte mee kan (kunnen) en wil(len) werken.

Er zijn momenteel interessante pogingen gaande om landbouwbedrijven en fabrieken ‘uit te kopen’ en het eigendomsrecht te neutraliseren door dit over te dragen aan een stichting, waarvan de bestuursleden niet dezelfde zijn als degenen die het gebruiksrecht ontvangen. Dit biedt ook de mogelijkheid om een deel van de winst terug te laten vloeien naar de uiteindelijke bron van alle creativiteit: het geestelijk-culturele leven. Voor dergelijke stichtingsbesturen nu zal ook een dringend beroep worden gedaan op de vrije tijd van capabele mensen.

Politieke activiteiten
Onder politiek kunnen we verstaan het proces waarbij een groep samenlevende mensen de normen en vormen schept om haar samenleving in te richten. Politiek dreigt een zaak van beroepspolitici en specialisten te worden. Dat leidt tot centralisme en bevoogding.

De Nederlandse burger is nog weinig politiek betrokken hoewel daar de laatste tijd duidelijk verandering in komt. De eis naar inspraak, participatie en democratisering die binnen organisaties reeds werd vermeld, klinkt in steeds groter verband. Men wordt zich bewust van het feit hoezeer men als bevolking gemanipuleerd wordt vanuit een waardensysteem, dat door een kleine leidende groep wordt gesteld. Problemen als milieu-verontreiniging, stadsuitbreiding en sanering, industrievestiging, onderwijsvraagstukken, buitenlandse arbeiders, monopolisering van de communicatiemedia, ouden van dagen problemen etc., beginnen de burgers te interesseren. Er ontstaan buiten de politieke partijen om, actiegroepen, burgercomitës, buurtschappen, wijkraden, informatiebureaus, politieke-oordeelsvormingscentra e.d. Voorlopig is het effect nog gering. De sluiers over de besluitvormingsprocessen in hogere politieke kringen zijn nog dicht en het centralisme nog sterk. Maar naarmate meer burgers zich medeverantwoordelijk gaan voelen voor de inrichting van onze samenleving en daar ook tijd en energie in willen steken, zullen de sluiers verdwijnen en het centralisme wijken.

Associaties 
Er wordt vaak negatief gesproken over de overheersende rol die het economisch leven speelt in onze samenleving. We vergeten daarbij, dat wij als consumenten de grote opdrachtgever aan de industrie zijn. Elke koop veroorzaakt een vacuüm waarvan de zuigkracht via detaillist, groothandel en fabrikant tot in de primaire industrieën doorwerkt. En het economisch leven is momenteel zo ingericht, dat als we 10 ijskasten kopen er ca. 12 door worden aangezogen. Welke verantwoordelijkheid nemen we als consument op ons?

Ons consumentengedrag wordt gekenmerkt door een vrijwel slapend
consumentenbewustzijn. Wat weten we van de kwaliteit van hetgeen we kopen, wat weten we van de sociale omstandigheden waaronder het geproduceerd is, wat weten we van de consequenties die de productie heeft voor milieu, ontwikkelingslanden, grondstoffen etc. En hebben we hetgeen we kopen allemaal wel nodig? Er zijn kenteringen zichtbaar. De huisvrouwenverenigingen, de consumentenbond, de klantencoöperaties. Zij willen zich bewust worden van hun behoeften, zij willen die behoeften trapsgewijze zichtbaar maken aan de producent. Zij willen zich uitspreken over wat zij van de reclame, de verpakking, de service, de voorlichting etc. vinden. De producent zou productverbetering c.q.-ontwikkelingen aan de klanten (of vertegenwoordigers van klantengroeperingen) voor moeten leggen. Er moet een ‘volwassen’ oordeelsvorming plaatsvinden tussen consumenten-distribuenten en producenten over mogelijkheid en wenselijkheid van nieuwe producten, andere service, betere distributie etc. Het economisch leven is nog uitermate autocratisch opgebouwd en mechanistisch verlopend. Het ligt mede aan de consument om hierin verandering te brengen.
Voorlopig zal men ‘oefenterreinen’ moeten zoeken in kleine overzichtelijke gebieden zoals agrarische producten, speelgoed, cosmetica en medicijnen, enkele boeken en periodieken, vakantie-organisatie, verzekeringen, aspecten van woninginrichting, volkswoningbouweisen, keukeninrichting e.d.

Op andere gebieden ziet men hetzelfde consumentenprobleem. Hoeveel besturen klagen niet over gebrek aan interesse bij hun leden, hoeveel redacties tasten niet in de mist over het oordeel van hun lezers, hoeveel schoolleiders wensen niet een betere communicatie met de ouders (van hun ‘consumenten’), hoeveel initiatiefnemers in de ruimste zin van het woord vinden geen echte dialoog met degenen op wie het initiatief gericht is?

In een drieledige maatschappijstructuur zijn associaties van producent, handel en consument de organen van het economisch leven. Een economisch leven dat niet onwerkzaam wordt door abstracte centrale plannen, ook niet te gronde gaat aan een medogenloze strijd op anonieme markten. Ook het bemannen (én bevrouwen! ) van deze waarnemings- en overlegorganen behoort tot de tijdsbesteding in het middengebied.

Naar een drieledige tijdsbesteding
Uit het voorgaande verschijnt het beeld van een drieledige tijdsbesteding. Een vrije-tijd, geheel gewijd aan de eigen geestelijk-creatieve ontplooiing, een arbeidstijd besteed aan het werken voor anderen, een ‘speeltijd’ besteed aan het ordenen van de sociale ruimte die men met anderen deelt.

Men zou eens moeten kijken hoe mensen hun tijd gebruiken.Men krijgt vaak de indruk dat zij meestal een sterk acccent op twee van de drie gebieden leggen en een derde verwaarlozen. Het is een onbewezen stelling, een vermoeden, waarmee we dit artikel willen eindigen.
Is de mens niet het meest gezond als hij de uitdaging aanvaardt om steeds opnieuw te zoeken naar een harmonisch evenwicht tussen alle drie gebieden? En zou het omgekeerd ook niet zo zijn dat het sociale organisme pas gezond kan functioneren wanneer iedereen aan alle drie levenssferen verantwoordelijk deelneemt?

*geschreven: 20-12-1974

.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1801

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (7-1)

.

 

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

                        uit/in het archief

Niet alleen werd er in de jaren 1970 en daarna gezocht naar een nieuwe vormen van salariëring. Ook werd er gezocht naar nieuwe bestuursvormen. ‘Republikeins‘ en/of ‘democratisch‘.
Hoe is het werk – naast dat in de klassen – zo over de mensen te verdelen dat er goede besluiten kunnen worden genomen die door de hele schoolgemeenschap gedragen kunnen worden. Als die niet door ‘de directeur’ kunnen worden genomen – al dan niet eenzijdig – omdat deze ontbreekt, hoe moet het dan.

Veel werd verwacht van de zgn. mandaten.

Er werd mee geëxperimenteerd, m.n. in de Geert Grooteschool.
Zelf probeerden we in de nieuw opgerichte scholen met deze bestuursvorm te werken. Dat was niet makkelijk, vroeg een andere mentaliteit en wierp, naast teleurstellingen, toch zijn vruchten af.

Hoe staat het nu – met de aanwezigheid van directeuren, rectoren – met ‘het mandaat’?

Uit het archief nog wat gezichtspunten:

DE MANDAATSTRUCTUUR

De basis van deze vorm van samenwerking in de school, waarin leerkrachten, ouders en bestuursleden werkzaam zijn, is vertrouwen in eikaars inzet en capaciteiten.

Zoals gezegd, ouders kiezen bewust voor de vrijeschool, in het vertrouwen dat hun kinderen vrijeschoolonderwijs zuilen ontvangen.

Deze vertrouwensbasis is nodig, willen de leerkrachten hun taak kunnen vervullen.

Binnen hun onderwijstaak zijn zij autonoom, dat wil zeggen zij handelen – vrij -vanuit hun pedagogische inzichten, hetgeen hen mogelijk maakt om in de klas creatief en situatief te kunnen handelen. Dit is nodig, om een werkelijk levend onderwijs te laten ontstaan.

Maar anderszins is een sfeer van vertrouwen ook onontbeerlijk, dat wil zeggen dat leerkrachten en bestuur vertrouwen hebben in de inzet en capaciteiten van de ouders, die aan de ontwikkeling van de school willen bijdragen.

In deze zin moet aan een groep (in welke samenstelling dan ook), die een bepaalde taak op zich neemt binnen de vrijeschoolorganisatie het vertrouwen geschonken worden, dat zij deze taak zo optimaal mogelijk zal vervullen.

DE MANDAATHOUDER

Binnen de school zijn een groot aantal taakgebieden te onderscheiden, zoals de schoolkrant, de financiën, enz. enz.

Een bepaalde taak kan in de vorm van een mandaat aan een persoon gegeven worden.

Een mandaat is een afgebakende taak, die iemand (alleen of met meerdere mensen) op zich neemt. Deze persoon, de mandaathouder, kan binnen de ramen van het overeengekomen gebied vrij handelen, al naar gelang de situatie en de plannen eisen. Hij/zij is daarvoor verantwoordelijk en aanspreekbaar en verbindt zich voor een periode van minimaal een jaar.

Wel kan de vergadering van mandaathouders een mandaathouder vragen verantwoording van zljn/haar beleid af te leggen. Dit gebeurt in elk geval één keer per jaar in de jaarlijkse evaluatie van mandaten.
In het alleruiterste geval (b.v. bij wanbeleid) hccft het overleg het recht het mandaat terug te nemen.
Na een jaar kan een mandaat verlengd worden of aan een ander overgedragen worden.

OMSCHRIJVING VAN EEN MANDAAT

Van ieder mandaatgebied is (bij een reeds bestaand mandaat) of wordt, (bij een nieuw mandaat) omschreven wat dit gebied inhoudt, dat wil zeggen welke taak, welk doel, welke mogelijkheden plus grenzen zijn van de groep plus mandaathouder.
In de praktijk zal moeten blijken, of deze tevoren vastgelegde grenzen plus mogelijkheden voldoende omschreven zijn. Eventuele bijstelling kan plaatsvinden tijdens de jaarlijkse evaluatie van het mandaat. Daarnaast stelt elke mandaatgroep voor het komende werkjaar een begroting op, die door de mandaatgroep financiën goedgekeurd moet worden.

DE MANDAATGROEP

Meestal vervullen meerdere mensen tezamen een taak; in dat geval is er sprake van een mandaatgroep. Uit en door deze groep wordt een mandaathouder gekozen. Deze mandaathouder moet echter ook het vertrouwen genieten van het mandaathoudersoverleg. De basis van de mandaatstructuur is immers een wederzijds vertrouwen. Allccn in het uiterste geval zal het overleg een voorgedragen mandaathouder kunnen afwijzen, want het feit, dat de leden een persoon aanwijzen, weegt zwaar.

SAMENWERKING EN VERTROUWEN

In de praktijk zal de mandaathouder samen met de mandaatgroep het beleid over het betreffende gebied voeren. De mandaathouder heeft echter een zwaardere verantwoordelijkheid, gezien het feit dat de groep kan veranderen (hoewel dit niet wenselijk is), en de mandaathoudcr zich voor de periode van een jaar verbindt met het betreffende mandaatgebied. Hij vormt als het ware een verlengstuk van de groep; hij is spreekbuis van de groep en de aanspreekbare, verantwoordelijke persoon vóór de groep.
In het geval, dat de mening van de mandaathouder afwijkt van die van zijn groep, is bij niet verplicht de stem van de meerderheid op te volgen. Hij is immcrs in eerste instantie verantwoordelijk voor het te voeren beleid.
In dat geval wordt het geschonken vertrouwen op de proef gestold. Wanneer dit in de praktijk zou leiden tot een ernstig conflict tussen mandaathouder en mandaatledcn, dan bestaat er de mogelijkheid om advies in te roepen van het overleg.

HET MANDAATHOUDERSOVERLEG

Iedere tweede maandagavond van de maand vindt er het mandaathoudcrsoverleg plaats. Bij deze bijeenkomst zijn alle mandaathouders (of hun vertegenwoordigers) aanwezig. De vergadcring is openbaar: iedereen, die vragen of opmerkingen heeft op welk gebied dan ook dat de school betreft, of die gewoon vanuit interesse daarbij aanwezig wil zijn, is van harte welkom.
De bedoeling van deze bijeenkomsten is, dat alle betrokkenen een breed beeld krijgen van wat zich afspeelt op de verschillende werkgebieden van de school.
Het is van wezenlijk belang, dat ouders, die problemen hebben of vragen. naar het mandaathoudersoverleg komen. Alleen op die manier kan het mandaathoudersoverlcg in de school staan en geen eigen leven leiden, ver van de ouders af, omdat datgene wat leeft onder de ouders en leerkrachten dan zichtbaar wordt.

bron: onbekend

.

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
.
Sociale driegeledingalle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (10-3)

.

Er is de laatste jaren veel heisa om Europa. Brexit is een begrip geworden dat inmiddels iedereen kent. ‘Brussel’ wordt vanuit verschillende invalshoeken bekritiseerd. Ook in Nederland zijn er stromingen die terug willen naar ‘vroeger’, in ieder geval: men wil minder Europa.

In de jaren 1970 schreef Arnold Henny veel over politieke kwesties in het blad Jonas, vanuit een visie die duidelijk was geïnspireerd door Steiners idee van de sociale driegeleding.
Bepaalde gezichtspunten zijn nog altijd actueel!

Op deze blog verschijnen af en toe artikelen uit die tijd.

A.C.Henny, Jonas 19, 18-05-1979
.

Gelooft Europa in Europa?

Zes jaar geleden, tweede Paasdag 1973 (23 april) heeft Henri Kissinger het jaar 1973 ‘het jaar van Europa’ genoemd. Hij sprak in zijn rede onder meer over een vernieuwing van het ‘Atlantisch Handvest’ als basis van samenwerking tussen de Verenigde Staten en Europa.

Dit hield verband met de zogenaamde ‘détente’, de ontspanning tussen Oost en West.

In 1973 was ook de vrede tot stand gekomen tussen Noord- en Zuid-Vietnam. Een jaar daarvoor bezocht president Nixon Peking en had een, in het diepste geheim door Kissinger voorbereide ontmoeting plaats met voorzitter Mao. Voor Kissinger was er nu alles aan gelegen dat met de inzet van deze détente -ontspanning tussen Sovjetunie en Amerika en tussen China en Amerika – het integratieproces van Europa niet zou worden vertraagd.

Want hoe zou Europa reageren op deze détente tussen Amerika en Azië? Zouden deze nieuwe verwachtingen de eenheid van Europa bevorderen of zouden de Europese staten terugvallen in de oude ruzies, nu niet langer één gemeenschappelijke vijand ‘ante portas’ stond?

Ruzies tussen Fransen en Duitsers, tussen Fransen en Engelsen. Zouden regionale belangen de overhand krijgen op mondiale belangen?

Door het jaar 1973 tot het jaar van Europa te verklaren, heeft Kissinger een poging gedaan Europa te weerhouden weg te zakken in deze oude ruzies. Daarom stelde hij Europa voor de keus: wél of niet als continent deel te nemen in een mondiale structuur van een ‘five power world’.

In vijf machten werd hiermee de wereld ingedeeld: de Verenigde Staten, de Sovjetunie, Kommunistisch China, Japan en Europa. Europa als geheel en niet als optelsom van nationale staten. Wat zich in deze nieuwe wereld nog als macht wil handhaven – staatkundig en economisch – kan zich niet meer veroorloven regionale belangen te laten voorgaan. Daarvoor is de wereld te zeer vergroeid in een systeem van interdependente verhoudingen. Dat was de nieuwe conceptie van samenwerking tussen Amerika en Europa. In deze ‘Atlantische gemeenschap’ werden nu ook Japan en China ingeschakeld. De belangen van de Verenigde Staten lagen immers niet alleen meer in de Atlantische Oceaan maar ook in de Stille Zuidzee. Dat was de nieuwe oriëntatie van het Atlantisch Handvest.

Na zes jaar is dit nu allemaal geschiedenis.

De ‘Nixon-administration’ is intussen mét Kissinger weggespoeld door de ‘Waterpoort’. Van een hernieuwing van het Atlantisch Handvest’ wordt niet meer gerept. Europa laat zien, met de Europese verkiezingen voor de deur, dat het hiervoor geen vermaning uit Amerika meer nodig heeft.

Bovendien brak – oktober 1973 – de oorlog uit tussen Israël en Egypte. De Amerikanen hadden sindsdien andere zorgen aan het hoofd dan zich te bekommeren om de eenwording van Europa. Er was een energiecrisis. Men had de handen vol beide strijdende partijen tot de orde te roepen.

Thans – 1979 – is er een vredesverdrag gesloten, enkele maanden vóór de verkiezingen voor het Europese parlement.

Is daarom de betekenis van de hier vermelde visie van Kissinger op de internationale politiek niet achterhaald door de gebeurtenissen die ondertussen hebben plaatsgevonden? Niettemin is het opschrift van dit artikel en de vraag die daarin wordt gesteld, niet ongegrond.

Gelooft Europa in Europa?

Reeds in 1952 werd deze vraag gesteld in Le Monde door de Griekse oud-minister Alexander Metaxas. Hij constateerde toen: ‘Wat Europa ontbrak, was een ‘Europese mystiek’. Wat het Europese statenbestel hoofdzakelijk bijeen hield, was angst voor een gemeenschappelijke vijand. Angst voor de bedreiging van de Sovjetunie. Van een eigen opgave was Europa zich nauwelijks bewust.’

Wat is deze opgave? Deze vraag is in 1979 nog even actueel als in 1973 en in 1952, ondanks verkiezingen, die deze vraag eerder toedekken dan stimuleren.

Want leg eens de verschillende Europese verkiezingsprogramma’s naast elkaar op een rijtje: confessioneel, liberaal, socialistisch, met nog een paar randverschijnselen. Verschillen zij essentieel veel van de beginselprogramma’s van de nationale partijen in de negen staten van Europa? Is uit deze, voor het merendeel versleten beginselprogramma’s nog iets te verwachten van een nieuw Europees élan, een nieuwe taak van Europa in de wereld?

Een pedagogische taak voor het nieuwe Europa

Wat is de plaats van Europa in de wereld?

Reeds tijdens de zesdaagse oorlog in het Miden-Oosten is gebleken dat de beslissingen hierover niet vielen binnen, maar buiten het Europa van de Negen: in Washington, in Moskou, in Kairo en Jeruzalem. Een driehoek om Europa heen.

Dat is thans nauwelijks anders. De vrede van 1979 kwam tot stand dank zij Washington, Kairo en Jeruzalem. Moskou had het toekijken, maar bereidt zich voor op een volgende ronde, waarbij het de Arabische wereld aan zijn kant hoopt te krijgen.
Is Europa dan geheel uitgespeeld bij het spel tussen Amerikanen, Russen en Arabieren? Bij het spel tussen Amerikanen, Chinezen en Japanners? Bij de gebeurtenissen in het Midden-Oosten en die in het Verre Oosten, waar sinds kort -12 augustus 1979 – een ‘renversement des alliances’ heeft plaats gevonden met het verdrag tussen Japan en Communistisch China?

Politiek gezien schijnt het inderdaad zo te zijn: Europa is uitgespeeld.

Maar betrekkingen tussen volken betreffen niet alleen politieke machtsverhoudingen. Ook al lijkt dit zo te zijn in verkiezingstijd. Wanneer Europa in Europa gelooft, spelen nog andere verhoudingen een rol dan politieke machtsverhoudingen.

In een interessant artikel in Vrije Opvoedkunst ‘Een pedagogische taak voor het nieuwe Europa’ (nov. 1955, herdrukt in jan. ) wijst Max Stibbe op de plaats van Europa tussen Oost en West. Hij brengt deze middenpositie in verband met de ontwikkeling van een nieuw wereldburgerschap.

‘Wanneer men onze wereld ‘in het midden’ vergelijkt met het uiterste westen waarin de Verenigde Staten toonaangevend zijn, en met het oosten, het oude Azië, dan kan men wijzen op talloze tegenstellingen. Wij grijpen een enkele er uit voor onze beschouwing. Wij vinden in Amerika een benadering van de wereld, vooral uitgaande van economische en technische motieven…
Deze zijn primair in het Amerikaanse leven. De oosterling benadert de wereld van juist het tegengestelde standpunt: voor hem zijn geestelijke, religieuze dan wel ethische motieven beslissend…
Europa staat tussen deze beide uitersten in. Het kent beide. De wereld van de materie, van de techniek en de natuurwetenschap is van het grootste belang voor de Europese mens. Het materialisme als wereldbeschouwing is in Europa ontstaan. Als algemene levenshouding kan men niet zeggen dat het niet leeft op de zelfde radicale wijze als in het westen. Wel momenteel bij de Russische leiders. De geestelijke benadering van de wereldvraagstukken is bij ons zeker niet afwezig. Zij is nog altijd te vinden bij de religieuze richtingen. Niet echter beslissend voor de hele Europese samenleving, vooral niet in de wetenschap en sociologie. Europa is het gebied van het midden, waarin ook beslissend is dat deel van het menselijk wezen dat in het midden staat tussen lichaam en geest en dat is de ziel. Vandaar dat Europa het continent der volken is, omdat in die vele volken uitgespreid te vinden zijn alle functies van het innerlijk zieleleven, zodat heel Europa tezamen in het groot het hele menselijke zielebeeld vertoont. Volkenverschillen zijn namelijk gebaseerd op psychische verschillen, die zich uiten in de culturele verschijnselen der volken tot en met hun staatsvormen. De staatsvorm toch is het resultaat van het afwegen van de rechten en verplichtingen der burgers van een volk onderling. Dit is een aangelegenheid der rechtsgevoelens der mensen, die overal ook in de verschillende tijdperken verschillend zijn.
Zo ziet men in Europa voortdurend een zoeken naar de ideaalstaat als een uiting van de wrijvingen op het zielegebied der bevolkingen. Heel iets anders dan in Amerika, waar men gelukkig en tevreden met zijn constitutie van 1787 is. Of Azië, waar het probleem ternauwernood bestaat. ’

Tot zover Stibbe. Zijn beschouwing over Europa geeft u geen aanwijzing, op welke politieke partij u dadelijk moet stemmen. De informatie hierover wordt u echter in de komende weken ruimschoots gegeven.

Wij achten het daarom van belang op enkele aspecten te wijzen dan op de directe verkiezingsaspecten voor het Europese parlement. Stibbe zag een pedagogische taak voor het nieuwe Europa. Hij heeft daaraan zijn gehele leven lang gewerkt: hetzij in de internationale Vrije Schoolbeweging, hetzij werkzaam als volkerenpsycholoog.

Reeds daarom kan een herinnering aan zijn werk thans van belang zijn. Hetzelfde geldt voor het werk van Dr. Zeylmans van Emmichoven die zich intens heeft verdiept in het vraagstuk van Europa en de volkerenpsychologie. Beiden zijn thans overleden. Zeylmans in 1961. Stibbe in 1973.

Europa tussen oost en west

Europa tussen oost en west. Men zou ook kunnen zeggen: Europa tussen technocraten en religieuze verwachtingen.
Technocratische verwachtingen die steeds weer opnieuw vanuit Amerika worden verkondigd en de hoop wekken op de komst van een samenleving, waarin ‘geluk voor het grootste aantal’ en materiële welvaart zijn verwezenlijkt. Waarin het rechtsleven in dienst staat van deze technocratische belangen.

Religieuze verwachtingen. Als toekomstverwachtingen beheersen zij als ‘ideologie’ iedere communistische staat, hetzij de Sovjetunie, hetzij communistisch China. Verwachting van de komst van een samenleving waarin dankzij een dialectisch-materialistisch proces, het klasseverschil wordt opgeheven. Een verwachting, die kan ontaarden tot een intolerant geloof. Religieuze verwachtingen kunnen ook naar het verleden worden gericht. Daarvan is de islamitische republiek in Iran thans een voorbeeld: een samenleving die beheerst wordt door de Koran als wetboek. In beide gevallen – zowel in de communistische als in de islamitische republiek – staat het rechtsleven dan in dienst van een heilsverwachting.

Daartussen Europa. Een samenleving met staatsvormen die ‘het resultaat zijn van het afwegen van rechten en verplichtingen der burgers, als aangelegenheid van rechtsgevoelens der mensen.’ Aldus Stibbe.

Niet dat Europa daar op het ogenblik een goed voorbeeld van is. Europa met zijn verschillende variaties van ‘verzorgingsstaat’, waar staat en maatschappij elkaar steeds meer doordringen en in elkaar overgaan. Waarin bureaucratie en technocratie steeds minder ruimte overlaten voor het ‘afwegen van rechten en verplichtingen’ onder zelfstandige burgers.

Wordt dat de toekomst van de Europese integratie? Europa als super-nationale staat met een superbureaucratie en een supertechnocratie?

Daarin ligt niet de ‘pedagogische taak van Europa’ die Stibbe bedoelde. Hetgeen niet wil zeggen, dat deze niet ter hand zou kunnen worden genomen als een hoopvol perspectief voor de toekomst. Europa’s middenpositie wordt dan een ruimte waar plaats is voor het zoeken naar evenwicht. Evenwicht tussen materiële en ideologische en religieuze belangen, zodat deze niet behoeven te ontaarden in economische roofbouw, of geestelijk terrorisme.

Aanwijzingen hiertoe zijn reeds zichtbaar. De energiecrisis, die door toedoen van de Arabieren, buiten Europa op gang is gekomen (1973), brengt binnen Europa een mentaliteitscrisis op gang, gepaard aan een nieuw verantwoordelijkheidsbesef ten opzichte van de grondstoffen die de aarde voortbrengt. Daarnaast het vraagstuk van geestelijk terrorisme, als uitdaging bijvoorbeeld aan het onderwijs, en aan scholen met voldoende geestelijke ruimte om zich in vrijheid te kunnen ontwikkelen tot een eigen identiteit. Dat zijn essentiële vraagstukken, die op Europees niveau thans wel onder ogen worden gezien, maar die met verkiezingen van een Europees parlement niet worden opgelost, zolang niet de nationale parlementen meer ruimte bieden aan de burgers voor het dragen van eigen verantwoordelijkheid op economisch en op geestelijk gebied.

Meer ruimte, opdat Europa zal kunnen geloven; ieder volk vanuit zijn eigen aard, zijn eigen identiteit.

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1777

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-4)

.

In de jaren 70 van de vorige eeuw lieten ‘de consumenten’ van zich horen.

Aanleiding voor Lex Bos om hun streven te bekijken vanuit de ‘driegeleding van het sociale organisme. Het begrip associaitie wordt belicht.

A.H.Bos, Jonas 17 mei 1974
.

consumenten-inspraak

In de NRC van 14 maart 1974 stond het volgende berichtje: “Tram- en
buspassagiers in de hoofdstad krijgen inspraak in het openbaar vervoersbeleid. De wethouder zei dat het gemeentebestuur best bereid is te onderzoeken in hoeverre deze inspraak zin kan hebben. Men had er al eens over gedacht, zei hij, om een selectie te maken van abonnement- en lijnkaartbezitters die de stem van het publiek zouden moeten vormen”.

Zulke berichtjes maken iets zichtbaar van een vernieuwingsproces dat zich voltrekt, tegen alle reactionaire krachten in. Een proces waarbij de samenleving zelf haar gezonde organisatievormen toont. Althans in welke richting deze vormen zich willen ontwikkelen. Of het ook zal lukken
concrete levensvatbare vormen te scheppen, hangt af — in dit geval — van de vraag of de consumenten die deze bal krijgen toegeworpen, er met voldoende wakkerheid, sociale vaardigheid en verantwoordelijkheidsgevoel mee aan het spelen gaan en of de vroede vaderen, als zij de consequenties zien van hetgeen zij in in gang hebben gezet, niet bang zullen worden van hun eigen overmoed en het project in ambtelijk slob zullen laten verzanden…

Er is in dit blad al eerder geschreven over de sociale drieledigheid, een maatsehappijstructuur gekenmerkt door een autonoom geestelijk-cultureel leven dat vorm en inhoud vindt uit de vrije initiatieven van degenen die er zelf verantwoordelijk-creatief in staan- een autonoom economisch leven dat zijn organisatievorm vindt in een bewegelijk netwerk van associatieve verbanden tussen producenten-handelaren en consumenten-groepen; en een politiek leven waarin op democratische wijze wordt beslist uitsluitend over die zaken waarover de betrokkenen een oordeel kunnen hebben omdat zij er als mens mee te maken hebben.

De sociale drieledigheid is geen theorie die in de werkelijkheid moet worden gedrukt. Het is de verwoording van een maatschappijstructuur die als mogelijkheid in de werkelijkheid leeft. Men hoeft haar er niet “in te stoppen”, men kan haar “eruit halen”, Daarom hebben we het krantenberichtje geciteerd. Het zijn maar kleine symptoompjes, maar als we ze herkennen en de ruimte geven kunnen ze de zelfde werking hebben als de kiemende zaadjes in de spleet van een rots…

Wat betekent deze consumenten-in-spraak nu eigenlijk in het kader van een drieledige maatschappijstructuur?

Door de arbeidsverdeling die het hele economische leven doortrekt, ontstaat een netwerk van onderlinge afhankelijkheid. Een dergelijke
structuur is alleen levensvatbaar wanneer daarin het principe van de samenwerking, de wederzijdse dienstverlening het leidend beginsel is. Het Vecht principe, waarop de concurrentie-economie in het Westen is gebaseerd, hoort in het geestesleven thuis: Vechten om de waarheid, strijden voor een ideaal, worstelen met jezelf! Daarom is het goed dat in het geestesleven gelijkgezinden elkaar vinden en versterken. Bv. onderzoekers die in een zelfde probleem zijn geïnteresseerd, of pedagogen en ouders die van een zelfde mensbeeld uitgaande een school willen inrichten. Zulke groepen kunnen, door het samen bundelen van hun gelijke gerichtheid, hun creativiteit versterken.

In het economische leven is dat omgekeerd. Rudolf Steiner — degene die het eerst de gedachte van de sociale drieledigheid uitsprak — heeft er voortdurend op gewezen dat de organisatievorm voor het economische leven de associatie tussen producent, handelaar en consument is, waarbij dus tegengestelde belangen elkaar moeten vinden. Elke eenzijdige
belangen-groepering berekent hier een potentiëring van het egoïsme en dat werkt als gif in het economische leven en daarmee in het sociale organisme.

Wij zijn zo gewend aan het vechtprincipe als uitgangspunt voor sociale vormen, dat wij vrijwel niet anders meer kunnen denken dan in termen van “proletariërs aller landen verenigt u” tegen de boze kapitalisten.

Op het moment dat de consument zich bewust wordt van het feit dat hij gemanipuleerd wordt, ontstaan er consumenten-bonden, die, vooral door de militante houding van Ralph Nador (Consumerism), sterk het karakter krijgen van: consumenten aller landen verenigt u” tegen de boze producenten.

Het associatie-principe betekent een samenbundeling in één orgaan van de tegenstelde belangen van producent, handel en consument. Door  overleg moeten zij zichtbaar maken wat de behoeften zijn, welke de mogelijkheden zijn deze te bevredigen en hoe deze in reële afspraken bij elkaar gebracht kunnen worden.

DRIE SOORTEN ASSOCIATIES

In het boekje “Maatschappijstrukturen in beweging” is een hoofdstuk over driegeleding in het meso-sociale. Daarin wordt onderscheiden tussen professionele organisaties (waarin ideeën en mensen worden ontwikkeld), service-organisaties (die diensten leveren) en product-organisaties (die materiële goederen produceren die het bedrijf ruimtelijk verlaten).

Voorbeelden van de eerste zijn bv: een artsenpraktijk, een universiteit, een research instituut, een adviesbureau; voorbeelden van de tweede zijn bv: Horeca bedrijven, reisbureaux, bankinstellingen, transportondernemingen; voorbeelden van de derde zijn: schoenenfabrieken, agrarische bedrijven, scheepswerven. Natuurlijk zijn er allerlei overgangs-en mengvormen.

Wij wijzen hier op dit onderscheid omdat het verschil in “out-put” (idee, dienst, product) ook te maken heeft met de relatie tussen de consument en de producent en daarmee van belang is voor ons denken over associaties. In een professionele organisatie vindt de productie in zekere zin plaats als een unieke creatieve prestatie in directe wisselwerking met de consument. Wanneer een artsenspreekuur niet is gedegenereerd tot een verwijsbureau wordt in aanwezigheid van de patiënt een uniek consult ontwikkeld.

Wanneer een school niet is gedegenereerd tot een leer-fabriek, betekent het lesgeven een creatief pedagogisch gebeuren. De consumenten zijn in de werkplaats aanwezig. Zij zijn a.h.w. tegelijk grondstof en productiedoel. Er wordt aan en met hen gewerkt.

MANIFEST

In deze sfeer zijn consumenten-bewegingen het eerst manifest geworden. Het studentenverzet is in wezen een verzet tegen het “stenen i.p.v brood moeten eten”. Wanneer de greep van de staat op het volksgezondheidswezen doorzet, is te verwachten dat ook patiënten zullen gaan ontdekken dat wat overheid en commercie hen voorschrijven aan medicamenten en hen voorzetten aan ziekenhuis-acommodatie, met genezen en verzorgen evenveel te maken heeft als stenen met brood.

Wat zich in onderwijskringen als democratiseringsgolf afspeelt, is in wezen het zoeken naar de juiste verschijningsvorm van de associatiegedachte in organisaties binnen het geestesleven. Hoe komt het dat al dit “gedemocratiseer” door velen als onbevredigend wordt beleefd? Een gezond geestesleven is gekenmerkt door initiatief en diversiteit. Bureaucratisering betekent initiatief-verlamming, normalisering betekent negatie van de diversiteit waarin het individuele zich kan ontplooien.

VRIJ GEESTESLEVEN

Een vrij geestesleven wordt gekenmerkt door de mogelijkheid dat vele initiatieven — komend uit de meest verschillende geestelijke richtingen en aansluitend op de meest verschillende geestelijke behoeften – naast en in wisselwerking met elkaar hun levensvatbaarheid kunnen tonen (concurrentie!) Patiënten zoeken hun arts, studenten hun docent, kunstzoekenden hun artisten, gelovigen hun religieuze gemeenschap. Zo vormen zich in een vrij geestesleven reële associaties tussen mensen.

Wat gebeurt er nu wanneer dit streven naar diversiteit, naar initiatief-moge-lijkheid, naar associaties met een eigen gezicht zich af moet spelen binnen de muren van een staatsuniversiteit, waarin door de overheid aangestelde leerkrachten in door de overheid gefinancierde accomodaties, door de overheid goedgekeurde leerstof overdragen t.b.v. de voorbereiding van door de overheid gesanctioneerde examens?
Het resultaat is revolutionair geweld, destructieve kracht, politiek dynamiet. Wanneer het “vecht-element” van het geestesleven zich niet kan realiseren in een vrije ruimte die door de overheid wordt gegarandeerd (maar niet betreden), richt deze kracht zich op destructieve wijze naar binnen, tegen de bureaucratie en tegen andere groepen binnen deze onvrije ruimte.

ASSOCIATIES IN DE DIENSTVERLENENDE SECTOR

Organisaties in de dienstverlenende sector (ongeacht of ze in particuliere dan wel overheidshanden zijn), worden o.a. daardoor gekarakteriseerd dat de consumenten gedeeltelijk binnen, gedeeltelijk buiten de organisatie zijn. In een ziekenhuis, een restaurant, een vervoersbedrijf of een kapperszaak verschijnen zij voor langere of kortere tijd in “lijfelijke vorm” en laten iets “met zichzelf doen”; soms echter verschijnen zij alleen aan de balie (bv. in een bank of een reisbureau) en laten iets met hun rechten doen of met hun (gebrek aan) informatie; soms ziet de organisatie de klanten helemaal niet omdat zij bv. alleen diens goederen versleept of diens vuil ophaalt.

Zodra we dus met de associatie-gedachte in de dienstverlenende wereld binnentreden — en het uitgangscitaat van dit artikel had de bedoeling te wijzen op een positieve ontwikkeling in deze richting — moeten we rekening houden met het feit dat de afstand tussen producent en consument groter wordt, zowel ruimtelijk (de klant verschijnt niet altijd meer binnen de organisatie) als persoonlijk (het cliëntsysteem is niet altijd meer duidelijk aanwijsbaar, naast de trouwe eigen klanten maakt ook “het publiek” gebruik van de diensten) als organisatorisch (er begint zich iets van “handel” tussen producent en consument te schuiven, bv. reisbureaux tussen reizigers en vervoersmaatschappijen).

Er zal tijd en persoonlijke inzet nodig zijn om deze afstand te overbruggen. Consument en producent zullen veel moeite moeten doen om een voorstelling te krijgen van en begrip te tonen voor de behoeften van de een en de mogelijkheden van de ander. De consumenten zullen zich reël met hun achterban moeten stellen (die op zichzelf eerst zichtbaar moet worden gemaakt) om na te gaan waarin welke behoeften bestaan en of het reëel is deze behoeften aan — in ons voorbeeld — het vervoersbedrijf kenbaar te maken.
De producent zal een duidelijke voorstelling moeten kunnen overbrengen waar de grenzen van haar mogelijkheden liggen (“vrije trambaan”) en hoe deze afhankelijkheden op hun beurt in beweging kunnen worden gezet.

ASSOCIATIES IN DE PRODUCTEN-SECTOR

De moeilijkste stap op het nog nieuwe associatie-vlak is in de industriële sector d.w.z. daar waar producent en consument volledig gescheiden zijn. Vele schijven van vervoer, handel en tussenopslag bevinden zich dan tussen beide. Hier zal het de allergrootste inspanning kosten de anonieme markt doorzichtig te maken en de commercie te vermenselijken. Allereerste ervaringen worden opgedaan in het nog overzichtelijke gebied van de biologisch-dynamische land- en tuinbouw. Misschien moeten wij eerst meer ervaring opdoen met associaties in de educatieve sector en in de dienstensector, voordat deze nieuwe organisatievorm in het “harde” industrieel-economische leven een voet aan de grond krijgt.

Het is daarom dat de aandacht werd gericht op het verschijnen van de associatie-gedachte in de dienstensector. Wij dienen zulke aanzetten met aandacht te vervolgen, en, voor degenen op wier weg het ligt, kans van slagen te geven door persoonlijke inzet. Het slagen van zulke experimenten kan een poort zijn naar veel verderstrekkende maatschappelijke vernieuwingen in de zin van de sociale drieledigheid.

Sociale driegeledingalle artikelen
.

1764

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-4)

.

A.C. Henny, Jonas 10,*16-01-1976

 

Intreerede van prof. dr. D. Brüll

Recht en wet in het licht van de driegeleding

Het aanhoren van een rede, uitgesproken door een hoogleraar in het belastingrecht, kan voor academisch niet ingewijde toehoorders, een moeizame beproeving zijn. Men hoeft maar te denken aan de intellectuele foltering, waarmee gewoonlijk het invullen van een belastingbiljet gepaard gaat. Denkt u zich eens in: dit ambtelijke labyrint nog eens in duplo verwetenschappelijkt. Een uur lang!

Voor veel toehoorders in de Lutherse kerk te Amsterdam was het dan ook op 8 december* een een verrassing te horen hoe Prof. Brüll bij zijn intreerede sprak over ‘Recht en Wet’. Wat hier vanaf de kansel klonk riep geen enkele herinnering meer op aan het ministerie van financiën, maar deed direct een beroep op de sociale mens in ons. Voor veel hooggeleerde juristen, in de voorste banken, niettemin interessant trapezewerk op het hoogste academische niveau!

Of zij het gewicht van dit ogenblik ook allen hebben beseft? Krachtens het recht om belasting te heffen, heeft de Nederlandse staat een machtsmiddel in handen ter verdeling van 50-60. procent van het nationaal inkomen. Want dat is het bedrag dat jaarlijks aan belastingen en heffingen wordt opgebracht. De inning en verdeling daarvan vindt plaats krachtens de wetten die door de uitvoerende en de wetgevende macht worden ontworpen en goedgekeurd volgens de spelregels van onze democratische rechtsorde.

Maar volgens deze zelfde spelregels mag de rechter ‘de innerlijke waarde’ van zo’n wet niet beoordelen. Hij mag niet bij zichzelf te rade gaan of hij zo’n wet wél of niet rechtvaardig acht en daarop zijn vonnis baseren. Hij mag zelfs de wet niet toetsen aan de grondwet, wat in de Verenigde Staten en in West-Duitsland de rechter wél mag doen. Bij ons schrijft zijn beroepsplicht hem voor zich bij de wet neer te leggen.

Dat is — gelukkig — niet het geval bij een hoogleraar in de rechtsgeleerdheid. Deze heeft in ons land nog de vrijheid iedere wet te toetsen aan het criterium van de rechtvaardigheid. In veel landen is dat reeds niet meer mogelijk. Daar mist een hoogleraar deze academische vrijheid.

Een hoogleraar in het belastingrecht draagt dus wel een verantwoordelijkheid bij de beoordeling van de machtsmiddelen waarmee de Staat de helft van het nationaal inkomen naar zich toe trekt en herverdeelt.

Vanuit deze situatie betuigde Brüll allereerst eerbied voor zijn leermeester, Prof. De Langen. Hij stond nu op diens plaats. De leerling neemt de fakkel over van de leraar en hij bouwt verder aan een stuk onvoltooid verleden. Dat betekent voor Brüll dat hij de belastingwetenschap niet wenst te zien als een ‘hogere beroepsschool voor uitgeslapen adviseurs en inspecteurs, maar als een klein onderdeel, als een hulpmiddel — zo u wilt — van de maatschappijwetenschap en het algemeen en van de rechtswetenschap in het bijzonder.’

Daarmee kreeg het probleem van ‘recht en wet’ een nieuwe belichting. Een probleem dat in de vorige eeuw vrijwel was doodgepraat, althans bedolven onder de last van bibliotheken vol rechtsfilosofie. Met de Neurenberger rassenwetten van Nazi-Duitsland werd het vraagstuk in deze eeuw weer actueel. ‘Recht ist was dem Volke nützt’, verklaarde Hitler. Daarmee was voor hem het vraagstuk van de moord op 6 miljoen joden ‘entgültig gelöst’. Maar juist daardoor is voor ons het rechts-vraagstuk ten nauwste verbonden geworden met het mensbeeld waarop het recht berust.

Rechtsgeleerdheid en mensbeeld

Machiavelli heeft verkondigd: ‘niemand kan een grondwet of wetten voor een republiek maken wanneer hij er niet van uitgaat dat de mens slecht is. Want de mensen zijn van nature slecht en doen alleen hun plicht wanneer zij daartoe gedwongen zijn’. Op déze filosofie berust in onze ‘vrije westerse wereld’ over het algemeen nog steeds de ‘burgerlijke’ ethiek van de ‘kleine man’. Daartegenover staat de filosofie van de ‘onvrije wereld’ achter het IJzeren Gordijn: de mens is van nature goed maar wordt gecorrumpeerd door de eigendomsverhoudingen in de maatschappij. Deze, aan Rousseau ontleende opvatting, is door Marx en Lenin ‘verwetenschappelijkt’ en tot staatsfilosofie gemaakt. De mens is in wezen sociaal. ‘Mocht de werkelijkheid er anders uitzien’, aldus Brüll ‘des te erger voor de werkelijkheid, de theorie zal hem dan, met behulp van werkkampen, wel maken… ’ Deze anti-these tussen twee geloofsovertuigingen — de mens is van nature slecht en dus onsociaal, en de mens is van nature goed en dus sociaal — is in hoge mate onvruchtbaar omdat zij problemen stelt die krachtens hun natuur onoplosbaar zijn. Vandaar dat wij thans zitten opgescheept met een aantal polarisaties die de mensheid verdeeld houdt in twee vijandige kampen — van ‘rechts’ en ‘links’ — met daartussen een zich steeds verder uitbreidend niemandsland, waar iedere toenadering tussen mensen tot onvruchtbaarheid is gedoemd.

Met dit onvruchtbaar dualisme rekent Brüll af. Het probleem dat hij stelt is niet: is de mens van nature onsociaal of sociaal, maar: waar is de mens van nature onsociaal, en waar is hij van nature sociaal? Daarmee opent hij een ontwikkelingsweg naar sociale vaardigheid. Dat hiermee ook nieuwe per-spektieven worden geopend voor de huidige rechtsgeleerdheid, zou haast vanzelfsprekend kunnen zijn, wanneer niet het labyrint van kronkelwegen dezer rechtsgeleerdheid zó ondoorzichtig was geworden, dat daardoor ieder verband tussen de begrippen ‘rechtvaardig’ en ‘sociaal’ is zoek geraakt.

Anti-sociaal en a-sociaal

Brüll stelt nu het probleem als volgt: ‘Als biologisch wezen kan de mens niet anders dan anti-sociaal zijn… Reeds door de noodzaak te eten, te drinken, zich te kleden, behuizing te zoeken, zijn wij ertoe veroordeeld anti-sociaal te zijn: wat ik consumeer staat anderen niet meer ter beschikking.’
Dit levert op zichzelf geen probleem op ‘gezien de gulheid van de natuur’. Het probleem ontstaat wanneer de mens zijn consumptie uitbreidt naar ‘het oeverloze rijk van de psychologisch bepaalde behoeften en begeerten’.

‘Dit streven leidt er toe, dat men niet alleen van wat de natuur biedt een zo groot mogelijk stuk naar zich toe schraapt doch tevens de medemens als object gaat zien, die ik uit kan buiten door hem te dwingen voor mijn begeertebevrediging te werken. Als wij door de geldsluier heen kijken, dan betekent dit, dat wie vijfmaal het gemiddelde inkomen verdient, grosso modo vijf gemiddelde mensen voor zich laat werken. Wij kennen het verschijnsel maar wij weten eveneens, dat de mens boven het biologisch minimum – pathologische gevallen daargelaten — tot deze gedragswijze door zijn psyche geenszins gedwongen is.’

Tegenover de anti-sociale mens, stelt Brüll de a-sociale mens.

‘In ieder mens leeft de wil om zich te ontplooien te ontwikkelen, dat wil zeggen om hetgeen als aanleg, als gave, als kiem in hem leeft, tot bloei te brengen… Een veroveringstocht: om waarheid, om inzicht, om vaardigheid. Zij onderscheidt zich evenwel van de economische op maatschappelijk kritische wijze: anders dan deze neemt zij aan de medemens niets weg… Het terrein dat hier ontstaat is het geestesleven van de mensheid. Het proces, waarbij de mens zich van bepaalde reeds bestaande samenhangen bewust wordt… is a-sociaal, dat wil zeggen dat de hier bedoelde verovering slechts kan plaatsvinden door zich van de medemens af te sluiten. Als ik een optelsom maak, en iemand zoekt sociaal contact met mij, dan ondervind ik dat als ‘storing’ en ik sta voor de keuze om óf a-sociaal te zijn en de stoorvogel weg te wuiven, óf mijn poging om het onbekende resultaat te weten te komen op te geven respectievelijk op te schorten. Beide tegelijk gaat niet.’

Ook dit van nature a-sociale gedrag behoeft geen maatschappelijk probleem op te roepen, ware het niet dat de mens niet alleen zijn geestelijke horizon wil verruimen maar ook wil getuigen van de ontdekte waarheid. Hij wil zelfs overtuigen en maar al te vaak… opdringen.

‘Hij wil met zijn waarheid de hele mensheid gelukkig maken en andere heersende waarheden uitroeien… Met een vaak tot terreur leidende intolerantie wordt de eigen waarheid desnoods via hersenspoeling aan de medemens opgedrongen.’

Sociale driegeleding

Tussen deze natuurlijke polariteiten – in het economisch leven anti-sociaal, in het geestesleven a-sociaal – staat de sociale kracht in de mens.

‘Zij wordt door de kapitalistisch-darwinistische ideologie en haar wetenschappelijke aanhang absolutistisch zelfs als mogelijkheid ontkend (‘de mens is een uitsluitend uit eigenbelang handelend wezen’) – even ten onrechte als de marxistisch-communistische ideologie haar verabsoluteert: de mens is van nature sociaal, alleen door de eigendomsverhoudingen onsociaal geworden. Juist is, dat de mens een a-sociaal én een anti-sociaal wezen moet zijn door de noodzaak zich te ontwikkelen en zich te voeden. Juist is ook, dat hij zelf deze tendenzen kan inperken. En juist is tenslotte, dat de mens geen sociaal wezen moet, daarentegen wel degelijk kan zijn.’

Tussen de anti-sociale mens in het economisch leven en de a-sociale mens in het geestesleven, liggen de mogelijkheden in het rechtsleven, waarbinnen ‘als totaliteit de noden en de behoeften van de (mede)mens wel degelijk tot motief van handelen worden gemaakt, zeer in het bijzonder in de wetgeving.’ Want door de wet kunnen grenzen worden gesteld, tussen anti-sociaal en sociaal gedrag enerzijds, tussen a-sociaal en sociaal gedrag anderzijds.

Zo verschijnt een sociale driegeleding en wel vanuit de mens die met zijn sociale krachten tussen anti-sociale en a-sociale tendenzen staat.

‘Vanhieruit verschijnt de samenleving als een rechtsprobleem: hoe ver mogen en moeten wij de schrapende en de gelijkhebberige mens – in ons, in de maatschappij – zijn gang laten gaan? Vanhieruit stelt zich de rechtstaak, niet om alle gebieden onder de hoede van de staat te brengen, doch om aan het economisch leven die middelen te ontnemen, die uitbuiting van mens door mens eerst mogelijk maken: het door het economisch leven geüsurpeerde recht om arbeid, grond en productiemiddelen als waren te behandelen. De taak tevens, om aan het geestesleven die rechten te geven, die de staat noodzakelijkerwijs aan de kerk heeft ontnomen, maar in gebreke is gebleven aan de rechthebbenden terug te geven: de volstrekte vrijheid om eigen overtuiging binnen het geestesleven op therapeutisch, pedagogisch, wetenschappelijk, informatief etc. vlak — uit te dragen’.

De wet en het natuurrecht

Eeuwen lang hebben de juristen zich beziggehouden met de vraag in hoeverre de wet een uitvloeisel is van het natuurrecht.

Reeds Thomas van Aquino stelde tegenover de ‘lex humana’ de ‘lex naturalis’. Daarbij bouwde hij voort op de eeuwenoude erfenis van de Romeinse juristen. De wet, waarin men kan terugvinden alle menselijke tekorten. Het natuurrecht als afspiegeling van eeuwig geldende waarden en normen, voor alle tijden, voor alle volken. Eens werd deze afgelezen uit de wil der goden, uit de samenhang tussen mens en kosmos – een Grieks woord dat orde betekent -. Sinds dit verband verloren is gegaan, sinds de stem der goden en ook de Openbaring uit de Heilige Schrift niet meer doordringt in de chaos van de samenleving, zijn de discussies over het ‘natuurrecht’ steeds verder van de sociale werkelijkheid vervreemd geraakt.

Prof. Brüll heeft het aangedurfd het vraagstuk van natuurrecht en wet opnieuw aan de orde te stellen vanuit een drieledige maatschappijstructuur. Ditmaal als een vraagstuk, waarmee onze belastingwetgeving wordt geconfronteerd. Daarmee is ook ter discussie gesteld, de competentie van de Staat, die als machtsapparaat vervreemd is geraakt van zijn eigenlijke rechtsbasis.

Er is moed voor nodig om een dergelijk gigantisch probleem opnieuw te stellen, en wel vanuit een zo gespecialiseerde hoek als dat van het belastingrecht. Het lijkt mij belangrijk hier nog eens op te wijzen, na de bestudering van deze intreerede, een rede waarbij zowel aan de sociale driegeleding als aan het levenswerk van Rudolf Steincr vanuit een eigen overtuiging werd recht gedaan. Hoe ver zal de golfslag die deze steen in een vijver heeft teweeggebracht, zich buiten de universiteit uitbreiden?

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

1750

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (6-2)

.

100 JAAR VRIJESCHOOL

Of het nu de vroegere Bond van vrijescholen was of de huidige Vereniging van vrijescholen, een schoolbeweging die pal staat voor vrijheid van onderwijs, is nooit ontstaan.
In de jaren zeventig, tachtig en negentig van de vorige eeuw leek het erop dat de idee van een ”vrij geestesleven’ ingebed in een drieledige sociale maatschappijstructuur bij velen begon te leven – vooral ook bij groepjes leerlingen van de vrijeschoolbovenbouw, bij ouders die hun krachten bundelden in een Landelijke Oudervereniging, wat leidde tot initiatieven: het houden van een congres bijv. en manifestaties op het Binnenhof in Den Haag.
Uiteindelijk verwaterde het initiatief.
Naast vele positieve zaken die wél tot stand zijn gekomen, moet toch de conclusie getrokken worden dat er bij de mijlpaal van 100 jaar vrijeschool, voor de vrijheid van onderwijs, laat staan voor een vrijgeestesleven, niets is bereikt.

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

In verschillende vrijescholen werden in de bovengenoemde jaren pogingen ondernomen om ook het besturen van een vrijeschool vanuit de idee van de driegeleding, vorm te geven.
De Geert Grooteschool in Amsterdam maakte er serieus werk van:

MAATSCHAP

Wouter de Gans, Forum Internationaal nr. 4, dec./jan.1977-78
.

Geen loon naar werken

Over de inkomensverdeling op de Geert Groote School

In de jaren voorafgaand aan de oprichting van de eerste ‘Waldorfschule’ in Stuttgart 1919, werd er door Rudolf Steiner (1861-1925) in vele voordrachten en in zijn werk ‘Die Kern-punkte der socialen Frage’ met klem gewezen op de noodzaak te komen tot een bewust geleden en hanteren van drie wezenlijk van elkaar te onderscheiden gebieden van onze samenleving. Een in vrijheid zich ontwikkelend cultureel leven, een op het gelijkheidsprincipe berustend rechtsleven en een van broederlijkheid doortrokken economisch leven zijn, zo toonde Steiner aan, de voorwaarden voor een gezond functioneren van onze maatschappij. Zonder elkaar te verdringen, zouden deze drie gebieden op harmonieuze wijze – als in een organisme – een eenheid moeten kunnen vormen. Deze ‘Driegeleding van het sociale Organisme’ is van toepassing op de ‘grote ’ samenleving, maar ook op de middelgrote (scholen, bedrijven, enz.) en de kleinere leefgemeenschappen.

Om werkelijkheid te worden, vraagt zij niet alleen om inzicht maar moet zij vooral ook gedaan, geoefend worden.

In welke verhouding staan nu Steiners sociale impulsen, tot zijn pedagogische?! Om daar enig zicht op te krijgen, zullen wij vanuit meerdere richtingen opdoemende vragen met elk hun eigen aspect, moeten bezien.

lste: School-Maatschppijstructuur

Hoe zien de in diverse instituten over de gehele wereld met Rudolf Steiners pedagogische impulsen werkzame mensen, de plaats van die instituten binnen een niet driegelede maatschappijstructuur? Zijn de ‘vrije’vcholen werkelijk vrij? Zo niet, zijn er wegen om die vrijheid te veroveren. En zo die er al zijn, staat die verovering dan uitsluitend in het teken van het eigenbelang, of hebben wij hier te maken met waarden van algemeen menselijk belang ?

2de: Schoolorganisatiestructuur

Hoe wordt er binnen die instituten – met name de scholen – door de betrokkenen gestreefd naar het realiseren van een driegelede sociale structuur.

3de: Leerplan-Driegeleding van het sociale organisme

Op welke scholen, op welke manier en in welke mate wordt Rudolf Steiners concept van de sociale driegeleding in de geschiedenis en/of maatschappijleerlessen, naar voren gebracht?

In een serie artikelen – deels met berichtend/ practisch karakter, deels van meer algemeen beschouwende aard – willen wij een bijdrage leveren tot beeldvorming t.o.v. het gehele in dit inleidinkje aangeduide complex van vragen.

Met betrekking tot het onder ten eerste gestelde thema zal er in een volgend nummer [niet op deze blog] aandacht besteed worden aan de zgn. ‘Initiatiefwet’. Een wet die werkelijk vrije scholen mogelijk zal kunnen maken. Aansluitend op het thema: ‘Leerplan-Driegeleding van het sociale Organisme’ zal Mouringh Boeke in nummer 5 [niet op deze blog] berichten over zijn ervaringen mei driegeledingsonderwijs op de Haarlemse Rudolf Steiner School. Allereerst echter in het hiervolgende artikel van Wouter de Gans, een verslag van een stuk baanbrekend pionierswerk op de Amsterdamse Geert Groote School. Een oefening in ‘broederschap des gemenen levens’, die alle respect afdwingt!

Bijna alle leraren van Vrije Scholen zijn ambtenaar. Dat is naar maar waar. Al voelen zij zichzelf niet zo en al geven zij naar buiten toe niet zo’n indruk, toch hebben zij formeel gezien de ambtenarenstatus. Kleuterleidsters onderscheiden zich daarin niet van doctorandussen. Maar juist daardoor worden onderscheidingen wél zichtbaar. Deze groepen immer worden in ons maatschappelijk bestel verschillend gekwalificeerd. In de salariëring komt tot uitdrukking dat eerstegraadsleraren een meerwaarde hebben boven kleuterkeidsters. Tussen deze uitersten is de hiërarchische ladder te vinden, waarvan elke trede geplaveid is met een nieuwe onderwijsakte. Een volgende stap betekent een paar honderd gulden per maand méér salaris. Althans wanneer de betrokkene ook voor een hogere onderwijsvorm kiest. Want de eerstegraadsleraar die bij het mavo werkt, krijgt tweedegraads betaald… blijkbaar omdat mavo-leerlingen wat minder waard zijn. Door meer voorbeelden is aan te tonen hoe ons huidige onderwijsstelsel bij uitstek een plaats is waar een klassiek standensysteem wordt bestendigd.

Een vrijeschool is een maatschappelijk alternatief en het laat zich raden dat er binnen de bestaande structuur een geweldige strijd nodig is, om dat waar te maken. Een volledige vrijeschool met kleuteronderwijs en twaalf leerjaren heeft ambtenaren als leerkrachten, vanaf het moment dat de school erkend is en subsidie ontvangt. Zonder geld van de overheid een school stichten en in stand houden is wel wenselijk maar vrijwel onmogelijk.

Uitvoerders

Nu lijkt het voorlopig nog alsof de ambtenarenstatus alleen perikelen met zich meebrengt bij de salariëring. Er is veel meer. Op het gebied van de rechtspositie kunnen ook worden genoemd de vaste aanstelling, de pensioenregeling, de urengaranties, de akten van benoeming. Maar bovenal plaatst de leerkracht zich in de rol van uitvoerder, gehoorzamend aan de directie, het bevoegd gezag en de ministeriële regelingen. Al deze aspecten blijven hier buiten beschouwing, omdat het nu alleen gaat om het vraagstuk van de inkomensverdeling. In een vrijeschool kunnen de leerkrachten moeite hebben met de officiële salariëring vanuit het inzicht dat die principieel onjuist is. Het recht op een vast inkomen alleen al is op grond van de driegeleding een vloek.
Maar veel sterker nog kan het gevoel van strikte onrechtvaardigheid werken, wanneer de collega’s moeten merken dat zij een verschillend inkomen ontvangen op argumenten van buiten die zij niet zelf delen. Als je elkaar kent, ieders inzet kan schatten dan is het beschamend dat de één meer en de ander minder verdient op grond van een handgeschept papiertje. Hoe is de waarde van iemands werk ooit in een maandelijks bedrag uit te drukken?

Maatschap

Nu is er vanaf de eerste vrijeschool (Stuttgart, 1919) gezocht naar andere vormen van salaristoekenning. Enerzijds is dat gebeurd op ideële gronden: een systeem ontwikkelen in overeenstemming met Steiners driegeleding. Anderzijds dwongen de praktische omstandigheden daartoe. In veel vrijescholen was en is er geld te weinig, zeker in de fase van oprichting. Het is verbluffend om te horen welke offers mensen zich getroosten, die in zo’n situatie aan een school verbonden zijn. Het is gebruikelijk geworden om de groep leraren die los van de vaste salarisschalen, hun inkomen onderling regelen, de maatschap te noemen, hoewel die naam misschien niet exact is. Ook de Geert Groote School kent vanaf haar oprichting (1933) een vorm van maatschap. Daarbinnen waren de geldzorgen vroeger heel groot. Nu doen daarover vrolijke anecdotes de ronde: hoe die eerste juffies dagelijks op ouderbezoek gingen om tenminste aan een warme hap te komen en hoe een lerarenechtpaar door zijn bed zakte, terwijl de schoolkas een extra uitkering niet toestand. Deze voorgeschiedenis heeft trouwens -als op zo veel plaatsen – de onjuiste opvatting ingeslepen als zou een maatschapssalaris altijd minder zijn dan een subsidiesalaris. Bovendien heeft dit een aantal leerkrachten tot martelaren gemaakt en hen op zwakke momenten vertwijfeld laten uitroepen: ‘En ik verdien nog zo weinig ook aan deze school!’ Zo’n opmerking is een les, omdat daaruit geleerd kan worden hoe moeilijk het is om een eigen inkomensverdeling innerlijk waar te maken. Dan nog een belangrijk misverstand. Wanneer met name de zwaarbetaalde leraren een maatschapssalaris ontvangen dat lager ligt, dan waarop ze volgens de normen recht hebben, dan is het verschil geen schenking aan de school. Zeker geen persoonlijke schenking. Immers de betrokkene doet afstand van het recht op een vast salaris; vervolgens ontvangt hij via de maatschapsafspraken een bepaald inkomen. Net doen alsof dat een deel van het eigen subsidiesalaris is en vervolgens het gevoel hebben de rest aan de school te kunnen schenken, is in strijd met het uitgangspunt. Het geld waar je afstand van doet (omdat je vindt er geen recht op te hebben), kan je vervolgens moeilijk wegschenken.

Deze punten kwamen heftig boven toen in de de Geert Groote School het vraagstuk van de maatschap weer eens nieuw in bespreking werd genomen. Het was oktober 1975; de toestand gaf alle aanleiding om schoon schip te maken.

Wanorde

De administratie was een onoverzichtelijk geheel. Zowel in de uitvoering van alle administratieve handleidingen, als in het financiële beleid heerste wanorde. Een ondeugdelijk administratiekantoor zorgde daarvoor, alsook de te geringe mankracht en deskundigheid in deze sector binnen de school. Het is een weinig opwekkend verhaal, te complex en te vol met details om daar in deze kolommen verder aandacht aan te besteden. Gelukkig staan de zaken nu weer op een rijtje; in achterstanden en hiaten is weer grotendeels voorzien. Ook het salarisbeleid was in die tijd niet verschoond gebleven van onduidelijkheid. Een groep leraren ontving het subsidiesalaris*. Anderen behoorden tot de maatschap; deze kende gedurende enkele jaren een interne norm. Daarin was het aktenbezit uitgeschakeld; wel speelden mee criteria als burgerlijke staat, leeftijd en kindertal; het salaris werd afgelezen op grond van het opgedragen aantal lesuren en taakeenheden. Veel leraren wilden echter innerlijk tot de maatschap behoren, vonden de daar geldende norm te laag, behóefden evenmin hun subsidiesalaris te ontvangen en gingen er tussenin zitten. Je gooide het met je geweten op een accoordje, marchandeerde een beetje en regelde vervolgens de zaak met de interne penningmeester. Die kon – bij gebrek aan een helder beleid – niet veel anders doen dan ermee instemmen. Veel van die mensen werkten nu immers ónder hun subsidiesalaris en dat was voor de school toch altijd meegenomen. Een overzicht van hoe de salarissen lagen, was bij de leerkrachten niet bekend. Wat lekkages in de wandelgangen zorgden ervoor dat bij geruchten wat gegevens rondgingen. Alle niet even fris. Geld brengt trouwens gemoederen in beweging, dan nog zakelijk blijven is een geweldige opgave.

Op 2 oktober 1975 was toen in de Geert Groote School de eerste van een serie maatschapsbesprekingen. Die was uitgeschreven op persoonlijk initiatief van een van de leraren; om de tafel zaten 25 personen, bij wie de oproep was aangeslagen. Als studiemateriaal was van te voren uitgereikt een overdruk van een tekstgedeelte uit het boek van Stefan Leber**, waarin vanuit de driegeleding de uitgangspunten voor een maatschap worden beschreven en waarin voorbeelden worden gegeven op welke manier scholen uit verschillende landen met het inkomensvraagstuk omgaan.

Uitgangspunten

Centraal in de driegeleding staat de opvatting dat loon en prestatie moeten worden losgekoppeld. Dat is een bevrijdende gedachte. Wat mensen in de school brengen door hun visie en inzet is niet in geld uit te drukken. Het werk dat mensen doen, is het geschenk dat zij aan anderen geven. Het is oneerbaar om daarvoor te willen betalen. Waardenormen passen wel helemaal niet. Wie zal uitmaken dat het werk van de kleuterleidster anders betaald moet worden, dan dat van de tekenleraar in de bovenbouw?

En dat van de eurythmiste? Van de klasseleraar in de benedenbouw? Van de conciërge? Elk normenstelsel vormt een nieuwe standenmaatschappij. Bovendien, hoe zit dat met die urenbetaling? Moet een eurythmiste met 14 lesuren de helft verdienen van de vakleraar Nederlands met 28 uur? En de harde werkers in de scholen die naast al hun lessen nog in tien commissies zitten, moeten die opeens veel meer verdienen? Als je hiervoor al een systeem wil maken, dan verzand je in bureaucratie. Daarbij komt dat niet elk mens dezelfde is. De één draait zijn 26 lesuren met gemak én verricht daarnaast nog diverse taken; de ander heeft aan zijn 22 muzieklessen een meer dan volle baan. Op grond hiervan werd het begrip zwevende weektaak ingevoerd, d.w.z. de volledige betrekking kan van persoon tot persoon verschillen, afhankelijk van zijn vermogens. Degene die dat in eerste instantie te beoordelen heeft is de persoon zelf. Hij kan dat doen in het vertrouwelijke gesprek met anderen.

En nu het slaris. Gewoon maar nivelleren en iedereen met een volle baan hetzelfde geven? Omdat een onderling waardestelsel niet is te maken? Het zou een soort communistisch model worden. Maar zo verschillend als de mensen zijn in wat ze aan de school kunnen schenken, zo verschillend zijn zij ook in wat ze nodig hebben om te kunnen leven. Op dit vlak de individuele mens serieus nemen, betekent; een salaris naar behoefte. Daarbij past het begrip zwevend inkomen. Voor iedereen een ander salarisbedrag, bepaald door wat nodig is; ook dit te beoordelen door de persoon zelf. Vertrouwelijke gesprekken hoe moeilijk en persoonlijk ook kunnen helpen bij de bewustwording van de behoeften. Dat kan in slechte en in goede zin uitwerken. In slechte zin: het opwekken van begeerten en het vragen naar meer; in goede zin: het verwerven van inzicht en het komen tot redelijkheid en beperking.

Zo over mens, werk en salaris denken heeft tot gevolg dat je je kan onttrekken aan niet-mens-waardige structuren en aan onheuse normenstelsels. De betrokkenen komen weer bij elkaar aan; bij de levensrealiteit dat ieder mens anders is: anders naar zijn mogelijkheden en anders naar zijn noden. Iedereen komt ook weer bij zichzelf aan, bij zijn eigen verantwoordelijkheid en zijn vertrouwen in de ander.

Zwevend realisme

Zwevend werd nu niet meer als verwijt opgevat, maar als toepasselijke term voor de realiteit, en als beter Nederlands woord dan flexibel. De eerste maatschapsbespreking kreeg maandelijks een vervolg en ook al liep het aantal deelnemers terug, de rode draad werd vastgehouden. Tenslotte kon er een nieuw model worden uitgeschreven, dat in mei aan de beleidsvergadering van de school werd aangeboden. Daar werd het met ieders instemming principieel aanvaard en er werd besloten om het in de cursus 1976/77 in te voeren op vrijwillige basis. Alvorens in te gaan op de inhoud van het stuk, lijkt de gevolgde procedure van veel belang. Op persoonlijk initiatief wordt een groep mensen bijeengebracht die een onderwerp, hier: de maatschap, gaat uitspitten. Zij doen dat in vrijheid. Iedereen was er in hoge mate als belanghebbende bij betrokken; ook de formele functionarissen namen deel, zoals de voorzitter van de beleidsvergadering, de interne penningmeester, enz. Maar iedereen zat er vanuit zijn persoonlijke gevoel van verantwoordelijkheid. De dagelijkse gang van zaken interfereerde niet in de besprekingen. De spanning tussen wat ideëel werd uitgesproken en hoe het op dat moment nog toeging, werd uitgehouden. En tenslotte heerste er een krachtig vertrouwen in de onderneming; wanneer je de maatschappelijke uitganspunten van Rudolf Steiner principieel en consequent neemt, dan zullen zich vormen voordoen voor de realisatie. Het uiteindelijke model was dan ook werkelijk een gemeenschappelijk stuk geworden, dat via de beleidsvergadering kon binnenkomen in de bestaande schoolstructuur. Met deze werkwijze is – mede door de hulp van het NPI – in de Geert Groote School meer ervaring opgedaan. Het is een vorm, waarmee in een sociaal organisme in de zin van de driegeleding vernieuwingen tot stand kunnen worden gebracht. Een persoonlijk initiatief, een gemeenschappelijk ontwikkelde conceptie, een bekrachtiging door het rechtsorgaan. Dan volgt de uitvoering.

Ja of nee

Zo kreeg iedereen op 21 mei schriftelijk de vraag voorgelegd om wel of niet tot de maatschap toe te treden in het schooljaar 1976/77.

Ja betekende: ik kies voor de maatschap; ik wil in vrijheid en in gemeenschappelijkheid komen tot het bepalen van een redelijke weektaak en een redelijk inkomen; tezamen met andere collega’s die datzelfde proberen. Nee betekende: ik wil een subsidiesalaris, of een salaris volgens een lagere schaal, ik beschouw dan de rest als een schenking aan de school. Dat laatste kan natuurlijk nog steeds! Maar met een maatschap heeft het niets te maken.

Er kozen 33 leerkrachten om deel te nemen aan de maatschap; nu in de cursus 1977/78 zijn dat er 38 geworden. Er worden dan twee stappen genomen: het bepalen van de weektaak en het bepalen van het salaris. Beide stappen kennen twee kanten: de persoonlijke afweging van wat je opgeeft, en het aan elkaar bekend maken daarvan en het gemeenschappelijk maken. In het eerste jaar lagen die stappen nog uiteen; bovendien werd er nog geprobeerd om de weektaak in percentages uit te drukken, hetgeen dan weer bepalend was voor het percentage van een volledig inkomen. Nu is ingezien dat die weg onjuist is; toch zou dan het principe van salaris naar prestatie weer doorbreken. Hoe dan wel?

Nu, in mei 1977 werd aan alle maatschapsleden gevraagd het gewenste maandelijkse netto-inkomen op te geven. Iedereen kon zelf de consequenties van volle weektaak of deelbetrekking volgens persoonlijk inzicht in zijn opgave verwerken. De opgaven werden op de administratie doorberekend naar bruto-bedragen en vervolgens getotaliseerd. Dit totale salarisbedrag kwam – gelukkig genoeg – overeen met wat er op de begrotingspost beschikbaar was. De
maatschapsvergadering fiatteerde vervolgens de totaal gevraagde som en onmiddellijk daarna alle persoonlijk gevraagde bedragen. Die waren op dat moment voor elkaar nog onbekend. Ze werden nu gepubliceerd voor de maatschapsleden. Onderlinge verschillen? Zeker. Soms misschien onbegrijpelijk. Soms verrassend? Vragen komen op: hoe sta ik? anderen in een vergelijkbare situatie? hoe kan dat? Enzovoort. Maar iedereen kreeg, wat hij zelf gevraagd had. Terecht.

Het is interessant te weten – als een soort indicatie – dat de gehele maatschap (1977/78) een bedrag heeft opgevraagd, dat ongeveer 80pct bedraagt van de totale salarissen die in geval van subsidienormen zou moeten worden uitgekeerd. Mede hierdoor kon die begroting ook sluitend blijven. Maar wat te doen als er in volgende jaren tekorten zouden ontstaan? Het maatschapsmodel voorziet erin dat de oplossing gevonden moet worden in het redelijk overleg tussen de maatschap, de beleidsvergadering en de ouders. Een begroting sluitend krijgen kan op veel manieren. Door inkomsten te vergroten (subsidie opvoeren, ouderbijdragen verhogen, schenkingen verwerven) of door uitgaven te verkleinen (snoeien in exploitatie, maatschap vragen nieuwe beperktere opgaven te doen). De oplossing is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid geworden.

Nog te doen

Het nieuwe maatschapsmodel is nog duidelijk in ontwikkeling! In de loop van één jaar is het uitgewerkt. Daarna is het twee jaar in de praktijk gebracht. In ieder geval liggen er nog de volgende vragen:

– de maatschap moet in principe alle leerkrachten en stafleden (niet-onderwijzend personeel) omvatten; hoe maak je de stap van vrijwilligheid naar vanzelfsprekendheid?
de subsidieregeling voor ziektekosten en de vakantietoeslag worden ook aan maatschapsleden nog afzonderlijk uitgekeerd; wanneer worden die in de gevraagde netto-inkomens doorberekend?
– de pensioenbijdrage baseert zich wel op subsidiesalarissen; welke regelingen moeten worden getroffen voor de toekomst?
– hoe geef je verder vorm aan de onderlinge gesprekken tussen de maatschapsleden om het proces van behoefte-bepaling in het bewustzijn te heffen?
– hoe verzorg je bij voortduring het sociale draagvlak dat de onderlinge verschillen tussen mensen (naar mogelijkheden en noden) inziet, accepteert en creatief maakt?

Door deze vragen is het duidelijk, dat de ontwikkeling moet voortgaan. Overigens is het verheugend dat de belastingen slechts betaald behoeven te worden over het werkelijk ontvangen salaris. Nog verheugender is het, dat de rijksaccountant van het ministerie van onderwijs en wetenschappen bij controle van de boeken het systeem van de maatschap heeft geaccepteerd. Hij verlangt slechts een schriftelijke verklaring van de maatschapsleden, dat zij instemmen met dit alternatieve model.

Voor de Geert Groote School hebben de hier beschreven ontwikkelingen veel betekenis. Weliswaar zijn niet alle problemen uit de wereld. Sommige zijn verdwenen; er zijn ook nieuwe bijgekomen. Maar de ervaring is dat er een grote kracht vanuit gaat wanneer het lukt de juiste inzichten tot in de werkelijkheid te voeren. Menselijke ontplooiing en sociale vormen varen daar wel bij. De twee vermogens, die ten grondslag liggen aan het republikeinse model van de vrijeschool, worden krachtig aangesproken: verantwoordelijkheid nemen en vertrouwen geven. Wie dat alles serieus neemt, is geen ambtenaar meer; ook al noemt de wet hem zo.

* met subsidiesalaris wordt hier bedoeld het salaris dat iemand ontvangt wanneer hij wordt uitbetaald voor de opgedragen lessen en taak-eenheden op basis van zijn aktebezit en leeftijd; dat behoeft niet hetzelfde te zijn als het bedrag dat de school via de subsidie voor hem ont-vant, dat is afhankelijk van welke lessen op de officiële staten (kunnen) worden opgevoerd.

** bedoeld is hier blz 101-104 uit: Stefan Leber – ‘Die Sozialgestalt der Waldorfschule’. Stuttgart, 1974.

.

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

.

1733

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (10-2)

.

In het tijdschrift Jonas (eind jaren 1960 tot 2006) verschenen regelmatig artikelen over politiek tegen de achtergrond van de idee van de sociale driegeleding.
Met name Arnold Henny schreef deze artikelen.

Hoewel uiterlijke omstandigheden, data e.d. aan die tijd zijn gebonden, spreekt uit de artikelen vaak een visie die de nu ruim 40, 50 jaar verstreken tijd heeft doorstaan en eigenlijk nog steeds actueel zijn.

Wat er van deze politieke artikelen nog in mijn bezit is, zal ik op deze blog publiceren.

In onderstaand artikel worden veel (statistische) cijfers gebruikt. Die kunnen sterk verschillen met de cijfers die nu actueeel zijn. De wereld achter deze cijfers lijkt nauwelijks veranderd…..

.

EUROPA, blinde vlek op de wereldkaart

Europa ligt ingeklemd tussen Amerika en Rusland. Twee machtsblokken die ieder hun eigen voorstelling hebben van het behoud van democratie. De tweedeling dateert niet van na 1945, maar voert terug tot 1917 toen in Rusland de revolutie uitbrak en Amerika besloot tot deelname aan de Eerste Wereldoorlog.

Per minuut wordt er anderhalf miljoen dollar uitgegeven aan bewapening. Het grootste deel daarvan komt op rekening van NAVO en Warschaupact. Samen beschikken zij over ongeveer 40 procent van alle wapens en besteden ze ongeveer 75 procent van het totale militaire budget. De kosten ter beveiliging van eigen inwoners en die van buiten de grenzen van Amerika en de Sovjetunie zijn langzamerhand onvoorstelbaar geworden. Wat zou voor de 700 miljard dollar [in 2017: 1739] die de mensheid per jaar uitgeeft voor beveiliging niet allemaal kunnen worden besteed? De organisatie ‘Vrouwen voor vrede’ heeft onlangs een verlanglijstje samengesteld van noden: 2 miljard mensen moeten leven van minder dan 500 dollar per jaar; 450 miljoen mensen zijn hongerig of ondervoed [in 2017: 821 miljoen] ; 50 miljoen sterven jaarlijks als gevolg van armoede; 12 miljoen kinderen sterven vóór hun eerste verjaardag; 5 miljoen kinderen worden nooit vijf jaar; 870 miljoen volwassenen zijn nog analfabeet [ in 2011 werd dit geschat op 880 miljoen] ; 130 miljoen kinderen gaan nooit naar school [laatste cijfers: 250 miljoen leren niet lezen en schrijven]; 250 miljoen mensen leven in slums en krottenwijken; 2 miljard mensen zijn zonder drinkwater. Deze cijfers zijn even onvoorstelbaar.

Naast het psychologische aspect dat de afweermiddelen uitsluitend een afschrikwekkende werking zouden hebben, en geproduceerd worden om nooit tegen de tegenstander te worden gebruikt is het economische aspect net zo absurd. Meer dan 40 procent van de industriële productie in de vrije westerse wereld wordt besteed ten gunste van bewapeningsdoeleinden. Het doet denken aan de man die spaarde om een brandkast te kopen. Toen hij deze gekocht had, merkte hij dat hij niets meer bezat om er in te stoppen.
Nu is veiligheid door middel van gewapende vrede reeds lang niet meer een aangelegenheid van individuele beveiliging; zij is een verschijnsel van massapsychologie. Een verschijnsel waarmee elke staatsman moet leren leven. In 1908 schreef Tolstoi:

‘De mensen bouwen een verschrikkelijke machinerie van de macht op, om die vervolgens over te laten aan de eerste de beste die de macht weet te bemachtigen. Zij zijn bang voor dieven en anarchisten, maar vrezen het verschrikkelijke apparaat dat hen dagelijks bedreigt niet. Zolang regeringen elkaar wantrouwen, hun legers niet verkleinen maar juist, naar gelang het groeien van het militaire apparaat van hun buurman, steeds meer vergroten, zolang zal iedere vredesconferentie een schertsvertoning zijn of een bedrog of een onbeschaamdheid, of alles tegelijk. Het is heel wel mogelijk dat het christendom zijn tijd heeft overleefd en dat de moderne mens, indien hij voor de keuze zou worden gesteld, zich uit te spreken voor het christendom en de naastenliefde, of voor de staat en het doden, hij voor het laatste zou kiezen en het christendom vergeten.’

Regels, die bijna tachtig jaar geleden werden geschreven. Tussen toen en nu liggen Verdun, Stalingrad en Hiroshima. De lijn der afschrikking loopt van West naar Oost, en niemand weet waar zij zal eindigen. De bewapeningswedloop van de twintigste eeuw zet zich voort op iedere schaal van de weegschaal tussen Oost en West. Totdat – misschien eens – de weegschaal zelf onder zijn gewichten wordt verpletterd? Ik herinner mij een bezoek van Winston Churchill aan Leiden, kort na de oorlog. Na een eredoctoraat te hebben gekregen aan de universiteit – als ‘presidium libertatis’ – sprak hij in de studentensociëteit een menigte studenten toe. Hij sprak daar over het winnen van de laatste oorlog. ‘Veel moeilijker echter dan het winnen van een oorlog is het winnen van de vrede’. Hij vond dat het tijd was nu daaraan te gaan werken. Kort daarvoor – 1946 – had hij in Fulton in de Verenigde Staten een enigszins andere rede gehouden. Daar sprak hij voor het eerst over ‘the iron curtain’, het ijzeren gordijn, dat tussen Oost- en West-Europa was neergelaten en waarachter de Russen zich hadden teruggetrokken. Sindsdien werd de verhouding tussen West- en Oost-Europa beheerst door de ‘koude oorlog’, een begrip, afkomstig van de Amerikaanse journalist Walter Lippmann. De vrede, waarover Churchill in Leiden sprak, werd nu in de koelkast der beveiliging geconserveerd, door beide machten ingevroren.

Propageert men de vrede in de stijl van de Sovjet-vredesduif of in die van de korte afstandsraket, in beide gevallen is vrijwel zeker dat het Europa nooit zal lukken ‘de vrede te winnen’. Vrede met als inzet de eindfase van de klassenstrijd of vrede met als inzet het ‘zelfbeschikkingsrecht der volkeren’? Daarover praten de staatslieden van West en Oost nauwelijks meer met elkaar. Zij vertegenwoordigen nog slechts de collectieve angst van hun achterban en is deze niet even zeer onbespreekbaar? Toch zal achter deze onbespreekbaarheid naar iets anders moeten worden gezocht dan cijfers en getallen van versterking van krachtsverhoudingen die een ‘gestoord evenwicht’ moeten herstellen, wil men ooit in staat zijn de vrede te winnen.

Tegenstelling

Waardoor is Europa een soort blinde vlek op de wereldkaart geworden, ingeklemd tussen de strategische machtsverhoudingen van Amerika en de Sovjetunie? Een vraag die niet eens terugvoert naar de afloop van de Tweede Wereldoorlog in 1945, maar naar het keerpunt tijdens de Eerste Wereldoorlog toen in 1917 zowel de deelname van de Verenigde Staten aan deze oorlog als het uitbreken van de revolutie in Rusland een verandering bracht in de machtsverhoudingen. Vanaf dat ogenblik stond Europa voor de keuze van twee vormen van democratie: die van de Verenigde Staten en West-Europa en die van Oost-Europa. Voor het behoud van beide kunnen ‘kruistochten’ worden ingezet. De rede die president Wilson uitsprak voor het Amerikaanse congres, waarmee de deelname van de Verenigde Staten aan de Eerste Wereldoorlog werd ingeleid, verwoordde de grondslag van haar democratie in het roemruchte ‘zelfbeschikkingsrecht der volkeren’. Wilson: ‘Wij zullen vechten (…) voor democratie, voor de rechten van hen die een gezaghebbende stem moeten hebben in hun eigen regering, voor de rechten en de vrijheden van de kleine volkeren, voor een universele heerschappij van het recht onder een samenwerking van vrije volkeren ter verwezenlijking van vrede en veiligheid van alle volkeren, opdat de wereld zichzelf vrij kan maken.’
Na de bevrijding van Europa in 1945 heeft de overwinning op het Duitse en Italiaanse imperialisme – met een beroep op het zelfbeschikkingsrecht – geleid tot herhaaldelijk ingrijpen in de buitenlandse betrekkingen: met het Marshallplan, naar aanleiding van een communistische staatsgreep in Griekenland (Truman-doctrine), in 1948 met dreigen van intrekking van de Marshallhulp aan Nederland, in geval van voortzetting van de politionele actie tegen de republiek Indonesië. Daarbij diende ook de Declaration of Independency van 1776 ter rechtvaardiging van dekolonisatie. In 1949 werd de NAVO opgericht, naar aanleiding van een communistische staatsgreep in
Tsjecho-Slowakije. Ten slotte de interventie in 
Indo-China, ter ondersteuning van Zuid-Vietnam tegenover Noord-Vietnam. Een van de ‘historische vergissingen’ in de ‘Grote Mars der Dwaasheid’, (waaraan Barbara Tuchman onlangs een boek heeft gewijd). Dit alles met als motivering, de bescherming van door grondwet en wet gewaarborgde individuele vrijheden, als geldend ‘voor alle volken, voor alle tijden’: vrijheid van godsdienst en meningsuiting op geestelijk gebied, vrijheid in mededinging en individuele kapitaalvorming op economisch gebied, en algemeen kiesrecht op staatkundig gebied.

Tegenover deze, op bescherming van het individu gerichte grondslag van de westerse democratie, staan de grondslagen van de democratie in Oost-Europa. Weliswaar zijn ook daar de westerse vrijheden in een grondwet vastgelegd, maar zij worden daarbij getoetst aan de ‘belangen van de volksgemeenschap’. Belangen die voornamelijk worden geïnterpreteerd door het Centraal Comité van de Communistische Partij. Dit kan zelfs zóver gaan, dat de individuele burger  ‘beschermd’ dient te worden tegen zijn eigen anti-sociale neigingen, waardoor ‘dissidenten’, hetzij in Siberië, hetzij in een sanatorium, weer ‘tot zichzelf’ moeten worden gebracht.

Tweespalt

Zo blijkt duidelijk dat Amerikanen en Russen ieder hun eigen voorstelling hebben van het ‘behoud van de democratie’. Daardoor ook kreeg de ‘tweespalt der wereldrijken’ vaste vorm. Deze tweespalt kwam tot uiting in de verdragen van Jalta en Potsdam, waar de deling van Europa en de deling van Duitsland door de bondgenoten werden vastgelegd. Toen in 1955 de voormalige gemeenschappelijke vijand – West-Duitsland – als bondgenoot in de NAVO werd opgenomen, kwam als antwoord van het communistische Oostblok het Pact van Warschau met een militair verdrag ter beveiliging van de Sovjetunie en de satellietstaten tegen een aanval van een derde mogendheid. De ‘tweespalt’ werd hiermee bevestigd, waarbij dan de periode tussen 1941 en 1945 slechts als een intermezzo door middel van een monsterverbond kan worden gezien. In 1941 viel Hitler met zijn ‘Operatie Barbarossa’ de Sovjetunie binnen en in hetzelfde jaar vernietigden de Japanners de Amerikaanse vloot bij Pearl Harbour. Dat leidde tot de oorlogsverklaring aan Duitsland en het bondgenootschap met de Sovjetunie. Na de capitulatie van Duitsland herleefde ‘het grote wantrouwen’. Wat sindsdien als ‘Europese Eenheid’ tot stand kwam – de Kolen en Staalgemeenschap (1951) en het Verdrag van Rome, dat wil zeggen de stichting van de Europese Gemeenschap in 1957 – voltrok zich geheel buiten het Oostblok. ‘Een herleving van Europa’, had Churchill reeds in 1946 te Ztirich verkondigd, ‘is onmogelijk zonder een geestelijk groot Frankrijk en een geestelijk groot Duitsland’. West-Duitsland wel te verstaan, welks grenzen ongeveer samenvielen met die van het Karolingische Rijk dat eens werd gezien als een ‘bolwerk’ van Latijns-katholieke cultuur tegen de opdringende barbaren vanuit het Oosten…

Het sociale vraagstuk

De feiten uit het geschiedenisboekje camoufleren nog steeds een derde absurditeit van het veiligheidsvraagstuk. Naast het psychologische en het economische aspect is er het sociale aspect, dat een blokkade vormt voor werkelijke vrede. Nog steeds waart het conflict tussen arbeid en kapitaal als een ‘spook door Europa’. Zoals het eens door Marx en Engels op geniale wijze werd geformuleerd in het Communistisch Manifest. Maar Marx schreef dit uit heilige verontwaardiging óver de arbeidsverhoudingen die in Engeland door de industriële revolutie waren ontstaan: twaalfurige werkdagen van kinderen van 5 jaar, analfabetisme van 40 procent van de mannen en 65 procent van de vrouwen, een gemiddelde levensduur van de arbeiders en dagloners van 15 jaar vanwege de kindersterfte. Niet dat kindersterfte en analfabetisme tegenwoordig niet meer bestaan, zij hebben zich slechts verplaatst van Europa naar de ontwikkelingslanden. Zie het verlanglijstje samengesteld door de Organisatie ‘Vrouwen voor vrede’.

Ook heeft zich in Europa de ‘kern van het sociale vraagstuk’ inmiddels verplaatst. Dit dankzij de verhoging van het welvaartspeil enerzijds en de sociale voorzieningen in de verzorgingsstaat anderzijds. Het industrialisatieproces zelf verloopt thans geheel anders dan 130 jaar geleden. Met de ‘managerial revolution’ heeft de kapitalistische eigenaar van de productiemiddelen voor een groot deel plaats gemaakt voor de ‘manager’ die zelf niet meer over kapitaal beschikt maar er slechts een beheersfunctie over uitoefent. Anderzijds oefenen de arbeiders steeds meer zeggenschap uit in het bedrijf. Zij worden daarbij gesteund door een machtige vakbeweging die nu ook structuurveranderingen in de maatschappij eist en bovendien, als ‘institutionele belegger’ zelf optreedt op de kapitaalmarkt. In de huidige Westeuropese welvaartsstaat is het begrip ‘proletariër’ – uit het Communistisch Manifest – een anachronisme. Zelfs binnen de bestaande communistische partijen is de ‘dictatuur van het proletariaat’ een omstreden aangelegenheid.

Intussen is het ‘arbeidsvraagstuk’ in Europa een essentieel probleem in de sociale verhoudingen. Ook al is arbeid dan niet meer in alle opzichten ‘koopwaar’, onderhevig aan de wet van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt – laatste overblijfsel van slavernij – het vraagstuk van motivering en verantwoordelijkheid in het arbeidsproces staat als thema van mentaliteitsverandering centraal in vele discussies en conferenties van werkgevers en werknemers. Meer en meer wordt ook het vraagstuk van de vrije tijdsbesteding, als begeleidingsverschijnsel van structurele werkloosheid en arbeidstijdverkorting aan de orde gesteld. Deze drie vraagstukken blijven verontrustend voor alle sociale partners, ook als het dogma van de klassenstrijd in de ijskast wordt gestopt. Dat zou eveneens het geval zijn bij invoering van een minimum basisloon, waardoor een volledige ontkoppeling plaats vindt van arbeidsprestatie en inkomen, hetzij bij de wet, hetzij bij CAO.

Hier kan voor het onderwijs een sociaal-pedagogische taak liggen, waartegen zijn structuur van verzuiling – in openbaar en bijzonder onderwijs – nog in het geheel niet is opgewassen. Zolang in het schoollokaal nog hoofdzakelijk wordt gewerkt voor het cijfer en voor het examen, is niet te verwachten dat zich ooit in de fabriek een andere motivatie zal kunnen handhaven dan het uitzicht op beloning aan de hand van de geleverde prestatie. Een zelfde sociaal-pedagogische taak kan men zien in de verantwoordelijkheid van de school voor de belangen van de maatschappij. Zolang de ‘vermaatschappelijking van het onderwijs’ nog geheel in handen ligt van de overheid en aan staatszorg wordt toevertrouwd, lijkt er weinig aanleiding voor ‘directe communicatie’ tussen school en maatschappelijke organen, voor het dragen van eigen verantwoordelijkheid.  (cursief: phaw)

Niettemin wordt een meer ‘organische’ oplossing van het sociale vraagstuk door het verkrijgen en het dragen van eigen verantwoordelijkheid nog steeds geblokkerd door de dialectische spanning van kapitalisme en communisme, die als twee versteende credo’s vanuit West en Oost het eigen oordeelsvermogen beïnvloeden. Deze dialectische spanning maakt ook Europa’s identiteit steeds moeilijker bepaalbaar. Ligt deze ‘identiteit’ nog in het christendom? Ligt zij nog in het humanisme, zoals dit eeuwen lang het geval is geweest? Ongetwijfeld liggen daarin nog steeds de wortels van de Europese cultuur. Maar door een zich verkrampen in het verleden, kunnen ook christendom en humanisme een blokkade vormen voor de toekomst. Dat is het geval wanneer zij zich niet mee ontwikkelen met de sociale revoluties die zich sinds de achttiende en negentiende eeuw in Europa hebben voltrokken. Wat dat betreft, is een kortsluiting ontstaan tussen de wereld van de ideeën en die van de machtsverhoudingen en zoekt men naar oplossingen van het sociale vraagstuk, hetzij door idealisme afgewend van de macht, hetzij door macht, afgewend van idealisme.

Waar zal het in de toekomst van het sociale vraagstuk om gaan? Is het arbeidsvraagstuk tot zijn menselijke maat terug te brengen in de spanning tussen individueel belang en gemeenschapsbelangen? Arbeid, niet alleen als middel voor zelfverzorging en het zich verschaffen van ‘status’, maar tevens als dienstverlening bij de ontmoeting van ‘de ander’ in het arbeidsproces. Een drievoudig verantwoordelijkheidsproces: verantwoordelijkheid ten opzichte van de medewerker in het eigen bedrijf, verantwoordelijkheid ten opzichte van het milieu en de ‘infrastructuur’ buiten het eigen bedrijf – de aarde als levend organisme – en verantwoordelijkheid ten opzichte van de verhouding tussen mens en God of, wanneer men hierin niet meer gelooft – tussen de aardse mens en zijn eigen geestelijke identiteit. Een nieuw incarnatieproces van humanisme en christendom in de tijd van industrialisatie en wereldeconomie, waarin immers over de gehele aarde mensen steeds afhankelijker van elkaar worden. Een proces van bewustzijnsontwikkeling van fase tot fase in het ontwaken van de individuele mens aan de mensheid.

.
A.C. Henny, Jonas 15, 20-03-1986

.
Sociale driegeledingalle artikelen

.

1720

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.