Categorie archief: sociale driegeleding

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-1/3)

.

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch… slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaal‘ actief.

GELD

DE GELDSLUIER

Sociale zekerheid een illusie?

‘Ik wil onafhankelijk zijn, ik wil mijn eigen geld verdienen’. Het is een begrijpelijke wens —- maar in strikte zin een illusie. In onze tijd van arbeidsverdeling werkt niemand meer voor zichzelf. Men werkt voor anderen, anderen werken voor ons. In oude dorpsgemeenschappen was men zich van de onderlinge afhankelijkheid heel wel bewust en de ‘nabuurhulp’ is er een laatste overblijfsel van.

Maar het geld wekt de illusie dat wij met ons bezit onafhankelijk zijn geworden, niet meer aangewezen op anderen. Wij hebben ermee, deftig uitgedrukt, aanspraak op een abstract deel van het maatschappelijke product. Daar kunnen wij dan te allen tijde beslag op leggen, van ons recht gebruik maken. Behalve als de anderen weigeren voor ons te werken, dan staan wij met onze zak vol centen, zoals menigeen in de oorlogsjaren is overkomen. Captain Boycott is er het historische voorbeeld van: voor al zijn geld vond hij niemand bereid om hem iets te verkopen of iets voor hem te doen. Wij hebben er de term boycotten aan overgehouden. Zolang het om koopgeld gaat, behoeven wij echter niet angstig naar onze portemonnee te kijken. Heel buitenissige toestanden, die even de geldsluier optillen, daargelaten, mogen wij echt wel vertrouwen, dat wij het vandaag verdiende geld vandaag in dagelijks brood kunnen omzetten. Maar hoe staat het met het leengeld?

Met veel trots zegt het echtpaar op middelbare leeftijd: ‘Wij leggen geld opzij, want wij willen straks niet van de kinderen afhankelijk zijn.’ Zeker, wij willen verzorgd zijn van de wieg tot het graf, wij willen vooral zekerheid – hele verkiezingscampagnes zijn met die slogan gewonnen – en het geld geeft ons die illusie: wij hebben immers een spaarpotje, een polis, zitten in ’t pensioenfonds, hebben wat stukjes in de kluis, wij zijn veilig.

Taart

In tijden vóór de geldeconomie wist men wel beter. De oogst ging in drie delen: het zaad voor het volgende jaar, een deel voor eigen gebruik, een klein deel voor de ruil. Was de oogst niet ruim, dan werd er honger geleden, mislukte hij, dan stierven mensen. Was de oogst na een jaar nog niet op, dan rotte hij weg, werd veevoer. Een farao die voor de magere jaren kan laten oppotten, was en is uitzondering, meer nog in onze tijd, waarin de schaarste hier gecompenseerd kan worden met overvloed elders. Maar dat betekent dat de goederen, die wij niet gebruiken, consumeren, omdat wij aan het sparen zijn, niet voor ons bewaard worden. Anderen nuttigen ze – kinderen, ouden van dagen – of gebruiken onze onthouding om te investeren, voor een omwegproductie. De taart kan slechts éénmaal opgegeten worden en als wij straks aan het opsouperen van onze spaarcenten toe zijn, dan is de maatschappelijk koek die wij hebben helpen voortbrengen, al lang op. En al ons geld zal ons niet helpen, als er straks geen nieuwe generatie klaarstaat, die bereid is om voor onze oude dag te zorgen. Het geld versluiert het feit, dat wij een groot deel van hetgeen wij produceren afstaan aan anderen die niet in staat zijn te produceren, en dat wij straks als oudjes, aangewezen zullen zijn – zoals wij in onze kinderjaren aangewezen waren – op het werk van diegenen die dan tot produceren in staat zijn.

Inflatie-proof

Maar geeft ons geld, onze polis, de wet (AOW!) ons dan geen recht op een stuk van de maatschappelijke koek? Het lijkt zo, want ons, nog van Romeinse opvattingen afkomstig, eigendomsrecht kent als laatste rest van het instituut der slavernij het recht op andermans arbeid. De economische en politieke werkelijkheid is er al lang aan voorbij gegaan. Het kan gaan op revolutionaire wijze, door het vervallen verklaren van ‘titels’, zoals men dergelijke rechtsaanspraken pleegt te noemen: voorbeelden vinden wij waarachtig niet alleen in Oost-Europese staten; de z.g. geldzuiveringen en vermogensheffingen na de oorlog waren niets anders! Het kan ook gaan langs sluipende weg, via inflatie. Hoe meer wij onze voorzieningen ‘inflatieproof’ maken (zoals onze sociale verzekeringswetten) en daarmee de werkende generatie willen dwingen, des te explosiever en gevoeliger voor revolutionaire oplossingen wordt de situatie.

Zo gezien is alle streven naar zekerheid een illusie – en daarmee komt de oude betekenis van crediet weer naar voren: afstand doen van consumptie in het vertrouwen, dat men straks ook terwille van mij afstand van consumptie zal willen doen. Als wij door de geldsluier heenprikken, dan kan een nieuw soort zekerheid ontstaan: het vertrouwen, dat bij een volgende generatie zo veel rechtsgevoel aanwezig zal zijn, dat zij ons op onze oude dag, in onze invaliditeit een bestaan zal gunnen.

D.Brüll, Jonas 24-09-1970

.

Deel 1   Deel 2

.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1446

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-2/1)

.

SOCIALE DRIEGELEDING

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch… slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaal‘ actief.

GELD

DE GELDSLUIER

 

De paradox van ons geld

Met het geld is het een wonderlijke zaak: iedereen gebruikt het, alom wordt erover gepraat, er is niets, waarmee wij ons dag-in dag-uit, zowel handelend als denkend, zo geregeld bezighouden als met geld… en toch vinden wij, al naar ieders aard, er iets fascinerends, raadselachtigs, angstaanjagends, omlaaghalends aan zitten. Waar schuilt dat mysterieuze toch in?

Reeds de oude Romeinen verzekerden ons dat geld niet stinkt. Zij bleven evenwel in gebreke ons te vertellen waar de begeleidende geuren dan wel vandaan komen.

Bij de meeste economie-studenten is ‘geldtheorie’ een geliefd onderwerp; hoewel er nog steeds dikke boeken over verschijnen, heeft men toch met een afgeronde, overzichtelijke en met niet al te veel moeite kwantificeerbare materie te maken. Het is daar niet ongebruikelijk om over de geldsluier te spreken, waarmee men op het verschijnsel doelt, dat niet meer zo als vroeger het geld om zijn intrinsieke waarde begeerd wordt – een laatste rest ervan wordt door onze overheden uitgebuit door gouden of zilveren munten te slaan, die in onze tijd geen enkele geldbetekenis meer hebben – doch dat het als een in zichzelf waardeloze sluier over de werkelijkheid van het economische leven ligt.

Lichaam als sluier

Wat wordt er nu eigenlijk versluierd? De leerboeken wijzen er terecht op, dat het in wezen om het goederen- en dienstenverkeer gaat, om de invloed van het geld daarop en omgekeerd. De mens die het geld hanteert, komt daarbij hoogstens als een randverschijnsel van pas. Meer en meer ontwaakt echter het vage bewustzijn, dat de relatie met de goederenwereld niet het enige, zelfs niet het belangrijkste aspect van het geld is. Als geld, zoals een ander gezegde beweert, de wereld regeert, dan is met ‘de wereld’ toch niet alleen de goederen- en dienstenstroom bedoeld, maar ook en in de eerste plaats de bewoners van deze wereld. Wat gebeurt er dan nog meer met en onder deze sluier, en vooral: hoe gebeurt het?

Wij stuiten hier op een paradox. Eens was het geld zichtbaar en weegbaar. De gouden munten waren hun gewicht in goud ‘waard’. In die tijd was nog vrij doorzichtig wat met het geld gebeurde. Maar het trok zich uit de zintuiglijke wereld terug: eerst verdween de weegbaarheid; voor de onvolwaardig geworden munten en later het papiergeld lag de ‘dekking’ ergens onder de grond. Daarna verdween ook de zichtbaarheid; tot in de consumptieve sfeer neemt hand over hand het gebruik van giraal geld toe, dat van alle fysieke substantie ontdaan, alleen nog rekengrootheid is. Naarmate echter het geld zich in de onzichtbaarheid terugtrok, nam de zichtbaarheid van de eronder liggende werkelijkheid niet toe maar af. Meer en meer onttrekt zich aan ons bewustzijn dat zich onder deze onzichtbare en toch nauwelijks doordringbare sluier niet alleen een economische, doch in de eerste plaats een sociale werkelijkheid verbergt.

Wat zijn sluiers eigenlijk? Wij maken er op vele wijzen gebruik van. Men kan ermee de waarheid versluieren zonder bepaald een leugen te zeggen – een vaardigheid, waarin b.v. overheden, directies en andere bestuurderen die met lastige vragen geconfronteerd worden, uitblinken. Men kan ook, zoals b.v. in de kunst, de sluier gebruiken om het niet-essentiële te verbergen, zodat het wezenlijke beter tot uitdrukking komt.
Ten slotte kan men een deel van de werkelijkheid aan het oog onttrekken, omdat de beschouwer er nog niet tegen opgewassen is. Wij zullen een twaalfjarige die net de eerste beginselen van de meetkunde leert, niet in verwarring brengen door hem te vertellen dat twee evenwijdige lijnen elkaar in het oneindige snijden. Dan is de bedoeling niet om van de waarheid af te leiden, maar juist om de waarheid op den duur te doen begrijpen. Het mythologische beeld daarvoor is de versluierde Isis, welker sluier eerst gelicht zal mogen worden, als wij het bewustzijn van onze onsterfelijkheid hebben verworven. Het dagelijkse beeld van een dusdanige sluier is de mens zelf: onze lichamelijke gestalte versluiert onze persoonlijkheid. Eerst daardoor is sociaal verkeer mogelijk, want een directe herkenning van de ander, een openbaring van zijn werkelijk wezen, zouden wij nog niet aankunnen. Naarmate wij echter door de sluier heendringen, de ander ontdekken, ontwikkelen wij ook de kracht om hem te verdragen.

Verhongeren

Op een soortgelijke wijze maakt de geldsluier het economisch verkeer mogelijk: zouden wij bij elke transactie het door ons aangebodene willen vergelijken met de waarde van alle door ons gewenste goederen en diensten, teneinde tot een ruil te kunnen komen … wij zouden al calculerende verhongeren. Het geld ontheft ons van deze noodzaak, doordat het ons voorgevormde waardeoordelen aanbiedt. Maar gemak gaat altijd tenkoste van iets. In dit geval versluiert de prijs de waarde. Maar het geld versluiert nog veel meer en het is goed om zich er bij tijd en wijle rekenschap van te geven op welke wijze wij door het geld te hanteren de sociale werkelijkheid beïnvloeden.

Dieter Brüll, Jonas 12-09-1970

.

Deel 2     deel 3

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1439

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid (7-1/5)

.

In de jaren ’75-’76 van de vorige eeuw leefde de idee van de sociale driegeleding in de vrijescholen veel meer dan nu. Met name de vrijheid van inrichting van het vrijeschoolonderwijs kwam door de regeringsplannen steeds meer onder druk te staan. 
De Amsterdams Geert Grooteschool was actief op het gebied van de ‘onderwijsvernieuwing’. Er werden verschillende bijeenkomsten georganiseerd en in de schoolkrant verschenen allerlei artikelen.

Er werd o.a. stil gestaan bij wat ‘vrijheid’ kan betekenen.

VRIJHEID – maatschappelijk gezien

Het woordje “vrij” klinkt ons sympathiek in de oren. Wat we er ook onder verstaan – altijd heb je het gevoel dat vrijheid iets is waar een mens voortdurend naar verlangt, iets dat met zijn diepste wezen verbonden is en aan hem trekt, zo sterk soms dat het erop kan lijken dat het het allerhoogste en kostbaarste is wat voor een mens bereikbaar kan zijn.

Aan de andere kant kun je de indruk hebben dat echte vrijheid eigenlijk nergens bestaat, nergens kan bestaan. Van buitenaf ben je als mens gebonden aan regels en wetten, zowel door mensen uitgevaardigde als natuurwetten.

Innerlijk beleef je steeds een onvermogen om vrij te zijn ten opzichte van jezelf, word je belemmerd door neigingen en gewoontes, waardoor je je laat dwingen om dingen wel of niet te doen.

En de conclusie is dan ook vaak: een mens kan niet vrij zijn, blijft afhankelijk van zijn omgeving, zijn afstamming, zijn opvoeding.

Hoe komt het dat we toch naar vrijheid blijven verlangen? Het is toch absurd dat je van nature een verlangen hebt naar iets wat onbereikbaar is. Waarom berusten we niet in onze gebondenheid en proberen er het beste van te maken?

In sprookjes en sagen wordt het koninkrijk nooit zonder meer overgedragen aan de zoon, wanneer de oude koning voelt dat zijn tijd gekomen is. De zoon of de zonen – want vaak zijn het er drie – worden erop uit gestuurd. Zij moeten een opdracht volvoeren, iets kostbaars gaan halen, iets dat ver weg, verborgen en bewaakt, alleen door zware beproevingen en strijd verkregen kan worden. Zij moeten vaak hun leven op het spel zetten en de goede afloop is niet altijd gewaarborgd. Vaak schieten eigen krachten tekort en moeten andere wezens te hulp komen.

Wat kan het zijn – die verborgen schat, dat goud, dat een mens in staat stelt koning te zijn, soeverein besluiten te nemen? Besluiten die een verantwoordelijkheid op zijn schouders leggen, die het heil van het volk moeten dienen …. Noch zijn afstamming, noch zijn omgeving met de wijze raadslieden zijn blijkbaar voldoende om hem in die zin tot koning te maken. Hij moet een eigen, individuele weg gaan, de kracht van zijn eigen wezen vinden en waar maken.

Eerzucht of verlangen naar aardse vreugde blijken daarbij slechte drijfveren te zijn. De beide oudste broers in de sprookjes falen dan ook meestal jammerlijk doordat zij aan deze verleidingen geen weerstand bieden. Slechts de jongste, die zich van alles wat hem kan belemmeren, weet los te maken, die zelfs zijn vader moet overreden om hem te laten gaan, hij die “vrij”-willig gaat, is in staat het doel te bereiken. Het is een waagstuk – maar het is de prijs waard!

Niet de vrijheid zelf is het begeerlijke, maar datgene wat alleen in vrijheid veroverd kan worden: de gouden schat, die de mens in staat stelt werkelijk koning te zijn. Vrijheid is een voorwaarde om het doel te bereiken – de koningszoon gaat alleen.

Wanneer je om je heen kijkt, word je steeds getroffen door het feit dat het lot van de mensen zo verschillend is. De een gaat het voor de wind, de ander heeft het slecht. De een krijgt een erfenis, de ander wordt bestolen; de een is gezond, de ander gehandicapt; de een heeft geluk, de ander wordt door een ramp getroffen. Op zichzelf kunnen we dit meestal niet verhelpen, het ligt blijkbaar in het individuele lot van de mensen. Wanneer je echter iemand ontmoet die duidelijk tekort komt, kan de gedachte bij je opkomen om hier iets aan te doen. Je moet erkennen: hij heeft meer behoeften dan ik en je staat iets af van je eigendom, je schenkt iets weg wat je niet direct nodig hebt of je deelt gewoon dat wat je hebt met de ander. Je kunt dit ook doen vanuit de overtuiging dat de ander met deze “gaven” bepaalde dingen voor elkaar kan krijgen waartoe je zelf niet in staat bent.

In de legenden vind je een eenvoudig voorbeeld hiervan bij Sint-Maarten, die zijn halve mantel schenkt aan de naakte bedelaar. Het is een daad die gedaan wordt vanuit het besef dat die naakte man danig kou lijdt en dat bij de beperktheid van het materiaal er geen andere mogelijkheid is dan de zaak te delen.

In tegenstelling tot het goud in het sprookje dat het beeld is van een geestelijke lichtkracht, die onuitputtelijk kan uitstralen en inspireren, is de mantel van Sint- Maarten een persoonlijk eigendom, een kledingstuk dat een lijfelijke behoefte dekt. Om op aarde te kunnen leven, hebben wij “stof” nodig: de zuur:’stof” b.v. om in te ademen, maar ook de mantel”stof” om een mantel van te maken. En al is er ook een overvloed van stof in allerlei vormen, we weten tegenwoordig wel dat deze niet onuitputtelijk is en dat het met de verdeling daarvan niet zo best zit, zodat er plaatsen in de wereld zijn waar in de meest elementaire levensbehoeften van de mensen niet voorzien wordt.

In een gezin is het min of meer vanzelfsprekend dat de beschikbare middelen eerlijk worden verdeeld. Wat niet betekent: gelijk worden verdeeld. Immers: het kind met de zwakke ogen heeft een bril nodig, de dierenvriend heeft behoefte aan een huisdier en het muzikale kind wil graag naar een concert. Mogelijk komen ook al deze behoeften in één persoon bijeen en zijn de anderen tevreden als ze samen kunnen ganzeborden. In het ideale geval spreekt het vanzelf dat ieder naar behoefte ontvangt zonder dat dit precies wordt afgewogen – je kunt van broederlijkheid spreken.

Bij steeds meer mensen begint het gevoel te ontwaken dat de hele mensheid in dit opzicht eigenlijk een groot gezin vormt. Het gevoel dat het rechtvaardig zou zijn als iedereen op de aarde op z’n minst de mogelijkheid zou hebben om te leven en daarvoor zijn deel te verwerven van wat die aarde voortbrengt. Maar ook dat ieder mens de vrijheid zou hebben om zich te kunnen ontplooien, zichzelf te zijn en zijn levensopgaven te vervullen. Gelijke kansen op existentie en ontplooiing, ongeacht levensbeschouwing of afstamming, dat is het wat ons rechtsgevoel zou bevredigen.

Verlangen naar vrijheid, besef van broederlijkheid, gevoel voor gelijkheid – waar kwamen we dit al eens eerder tegen? Bijna twee eeuwen geleden klonk tijdens de Franse revolutie al deze leuze: Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap!

Toen niet en ook nu nog niet is er veel terecht gekomen van de idealen die in deze leuze doorklonken en die toch een ieder wel kunnen aanspreken. Waar zo’n leuze, ook al wordt hij serieus genomen, kan in zijn beknoptheid ook veel verwarring stichten en tot het tegendeel leiden van hetgeen beoogd wordt. Want neem je de vrijheid als motto voor het economisch leven b.v., gaat iedereen vrij produceren, dan ontstaan er ongezonde machtsverhoudingen omdat de consument nu eenmaal afhankelijk is van de producent en dus per definitie onvrij. Gelijkheid van geest na te streven b.v. snijdt de weg af naar nieuwe ideeën en ontwikkelingen in het culturele leven, betekent geestelijk gezien de dood in de pot.

In het concept dat Rudolf Steiner in 1917 op verzoek van enkele hooggeplaatste personen in Berlijn ontwierp voor een maatschappelijke hervorming, die een oplossing zou kunnen bieden met betrekking tot de moeilijke positie van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije aan het einde van de eerste wereldoorlog, komt het drievoudig ideaal: vrijheid, gelijkheid en broederschap weer naar voren. Waar nu in een organische samenhang gegroepeerd naar de verschillende gebieden in het maatschappelijk leven, die ieder hun eigen wetmatigheden hebben;

– VRIJHEID, als grondbeginsel voor het geestelijk leven

– GELIJKHEID, als grondbeginsel voor het rechtsleven

– BROEDERLIJKHEID, als grondbeginsel voor het economisch leven.

Deze maatschappelijke drieledigheidsgedachte, samengevat in “Die Kernpunkte der sozialen Frage” [1] is toentertijd ondanks grootscheepse acties te weinig opgenomen en te veel tegengewerkt om wortel te kunnen schieten. Het enige wat tenslotte hiervan verwerkelijkt werd was de vrije (Waldorf) school, die in 1919 werd opgericht.

De moeilijkheid bij de concretisering van de maatschappelijke drieledigheidsgedachte was en is nog steeds, dat de drie gebieden; geestes-, rechts- en economisch leven in de loop van de geschiedenis, steeds meer zijn gaan vallen onder de verantwoordelijkheid van de Staat. In feite zou de Staat alleen ervoor moeten zorgen, dat het maatschappelijk organisme goed functioneert, dat wil zeggen het rechtsgebied verzorgen, dat enerzijds de vrijheid van het culturele leven (wetenschap, religie, kunst), anderzijds de broederlijkheid in het economisch leven (samenwerking van consumenten en producenten) waarborgt. Niet met de inhoud, doch alleen met de apparatuur zou de Staat zich dienen bezig te houden opdat het leven in de verschillende gebieden optimaal kan functioneren.

Dat klinkt weliswaar eenvoudiger dan het in de praktijk is, want natuurlijk staan de drie gebieden ook niet los van elkaar, maar doordringen elkaar en zijn met elkaar verweven. Elk gebied heeft ook de drieledigheid in zich. Het culturele leven heeft zijn behoeften in de economische sfeer (in de vorm van de behoeften van de personen die hun diensten hieraan verlenen en voorts middelen, gebouwen, enz.), heeft ook wettelijke bescherming nodig (auteursrecht b.v.). Het economisch leven heeft de inventiviteit van het geestesleven nodig ….

Waar ook, al is het in de praktijk niet eenvoudig – het is een noodzaak om te trachten met het drieledigheidsmodel te gaan werken, omdat hiervan een oplossing verwacht mag worden voor de vele netelige maatschappelijke problemen, waarmee we dagelijks zowel in kleine als in grote sociale verbanden, zowel op nationaal als op mondiaal niveau te kampen hebben.

Als ouders hebben we in de eerste plaats te maken met het onderwijs. Het onderwijs behoort duidelijk tot het culturele leven en moet daarom in principe vrij zijn van staatsinmenging of economische dwang. Het moet wel in een behoefte voorzien, namelijk in de ontwikkelingsbehoefte van de leerlingen. Deze behoefte te peilen is de taak van de pedagogen. Het is daarom belangrijk dat ouders ook proberen zich bewust te worden van de eigenlijke behoefte van hun kinderen en zich omtrent pedagogische gezichtspunten oriënteren.

Vrij onderwijs hoeft niet per se vrijeschoolonderwijs te zijn. In een vrij geestesleven moeten alle soorten van onderwijs, waar behoefte aan blijkt te bestaan, ter keuze aanwezig zijn.

Dat vrij onderwijs inderdaad door ouders verlangd en opgeëist is, blijkt uit de schoolstrijd die hiervoor werd gevoerd aan het begin van onze eeuw en die heeft geleid tot opname van een artikel in de Grondwet die de “vrijheid van richting” waarborgt. De strijd die zich nu aan het afspelen is, gaat om de vraag hoe vrijheid van richting te interpreteren valt en of deze vrijheid ook de vrijheid is die past en als eis gesteld moet worden in een drieledige maatschappij structuur.
.

Annet Schukking, Geert Grooteschool, Amssterdam, mei 1976

.

[1] De kernpunten van het sociale vraagstuk

Annet Schukking over vrijheid

Sociale driegeledingalle artikelen      onder nr 7 over vrijheid

.

1435

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid (7-1/4)

.

In de jaren ’75-’76 van de vorige eeuw leefde de idee van de sociale driegeleding in de vrijescholen veel meer dan nu. Met name de vrijheid van inrichting van het vrijeschoolonderwijs kwam door de regeringsplannen steeds meer onder druk te staan. 
De Amsterdams Geert Grooteschool was actief op het gebied van de ‘onderwijsvernieuwing’. Er werden verschillende bijeenkomsten georganiseerd en in de schoolkrant verschenen allerlei artikelen.

Er werd o.a. stil gestaan bij wat ‘vrijheid’ kan betekenen.

Een aantal van deze artikelen over vrijheid – hoewel ik de reeks niet compleet heb – zal hier volgen.|
.

VRIJHEID EN RELIGIE

Gewoonlijk wordt aangenomen dat het woord religie afkomstig is van religere = herbinden. Men bedoelt dan dat godsdienst de ziel opnieuw verbindt met een hogere macht, waarvan hij afgevallen is. Of deze woordverklaring juist is of niet, ze is in elk geval algemeen gangbaar.

Religie dus als binding. Is dat verenigbaar met vrijheid?

Hoe is het in de praktijk van het religieuze leven? Men zoekt steun en kracht bij een hoger wezen. Deze verhouding kan direct zijn zonder tussenkomst van andere mensen of organisaties. Maar er is dan toch een gevoel van afhankelijkheid van het hogere wezen, dat men als zodanig erkent en vereert. Kan daar van vrijheid sprake zijn? Dit hogere wezen kan zich ook uiten door geschriften, heilige boeken. Deze heilige boeken geven levensregels, voorschriften. Het niet opvolgen daarvan betekent ongehoorzaamheid. Vrijheid?

Het religieuze leven speelt zich veelal af in gemeenschappen. Deze hebben een zekere orde, een gemeenschappelijke norm van leven, soms streng, soms wat liberaler, maar toch altijd de individuele vrijheid beperkend. Nog eens: vrijheid?

In een vorig artikel werd geschilderd hoe de binding, van de mens aan afstamming hem onvrij maakt, causaal gebonden aan het mechanisme dat hem heeft voortgebracht. Duidelijk kwam naar voren dat het hier ging om een hypothese, die zo suggestief dwingend optreedt dat onze voorstellingen over ons zelf en onze vrijheid daardoor bepaald worden. De onvrijheid wordt bewerkt door de wijze waarop de hypothese wordt gebracht. Bij het religieuze leven hebben we met de tegenpool te maken. De hypothese is hier niet de gebondenheid aan het materiële mechanisme van de voortplanting, maar gebondenheid aan goddelijke wezens, die meer weten en kunnen dan wij (de almachtige, alwetende God) en daardoor met ons kunnen handelen naar hun wil. Deze wil kan worden voorgesteld als goede wil, maar ook als willekeur, waardoor de mens speelbal lijkt te zijn van hogere machten (noodlot).

Evenals in de biologie de darwinistische hypothese of wat daarvoor doorgaat niet zo vaststaat als men vaak meent, evenzo is het gesteld met de religieuze hypothese.

Kunnen we een onderzoek instellen naar de mens als religieus wezen? Dat kan inderdaad en is ook honderden, zo niet duizenden keren gebeurd. Vroeger schreef men dikke folianten vol over God sinds de tweede helft van de vorige eeuw en vooral in het begin van deze eeuw kwamen de boeken over het religieuze leven. Daar zat een zekere bescheidenheid in: over God kunnen we niet spreken, want daar weten we niets van. En daarom spreken we over de religie als een verschijnsel van de menselijke ziel. Dat men daarbij ging spreken over iets waarvan men de ene pool: de mens, het subject van de religiositeit, wel meende te kennen, maar er tevens van uitging dat men de andere pool: de goddelijke wereld, het object van de religiositeit, niet kon kennen, ontging aan de meeste onderzoekers. Diegenen, die dat wel bemerkten, konden dan ook de religieuze ervaring alleen maar zien als een illusie, waarmee de mens al of niet gelukkig was, maar die geen enkele graad van zekerheid had. De minder radicale onderzoekers bleven uitgaan van de menselijke ziel en zijn belevenissen. Religiositeit werd zo voor de wetenschap een onderzoeksobject voor de psychologie of zelfs de sociologie. Over de realiteit van het object van de religiositeit liet men zich niet uit. De theologie had uitgediend.

Over de ervaring van schoonheid te schrijven zonder het object dat die ervaring opriep (schilderij, landschap, muziek, enz.) te kennen, lijkt onzin. Kan men over religieuze ervaring denken zonder het object dat die ervaring te voorschijn roept, te kennen? Natuurlijk kan men dat niet en dus zoekt men het object in de mens zelf: zijn voorstelling over hogere wezens en blijft zo in een vicieuze cirkel binnen de menselijke ziel ronddraaien. De onvrijheid ten top gevoerd. Gebondenheid aan eigen willekeurige voorstellingen, eventueel waanvoorstellingen.

Over vrijheid te spreken in verband met religie heeft alleen zin als we het object van de religie buiten ons kunnen kennen. Dit object kan een vaststaande geopenbaarde leer zijn over een goddelijk wezen. Het kan ook zijn een ritueel gebeuren, een cultus, waarin het werken of leven van een goddelijk wezen wordt uitgebeeld. Wat betekent in deze samenhang ‘kennen’? Het gaat hier immers om iets bovenzinnelijks. Dat wil zeggen: wij moeten organen ontwikkelen, die het bovenzinnelijke kunnen waarnemen. Dat lijkt voor velen veel verder weg te liggen dan het in werkelijkheid is. Wij hebben allen de mogelijkheid een liefhebbend hart waar te nemen of een goed denker te onderkennen. We kunnen het karakter van een mens leren kennen (niet als een complex van eigenschappen, maar als een geheel), we bemerken waarheid in een uitspraak, echtheid in een kunstwerk. Alles in wezen bovenzinnelijke waarnemingen.

Deze soort waarnemingen zijn echter gebonden aan de zintüigelijke waarneming: een mens, gehoorde of gelezen woorden, een zicht- of hoorbaar kunstwerk. Dat is voor de tegenwoordige mens het uitgangspunt: het bovenzinnelijke wordt waarneembaar door middel van het zintuigelijk waargenomene. Hoe kan men het goddelijke waarnemen in het zintuigelijke?

In zeer oude tijden nam men de goden zuiver geestelijk waar. Dat was in het oude India. Later veranderde dat: de waarneming van de natuur bestond in het waarnemen van boom-en riviergeesten, vuur- en stormreuzen, enz. Een laatste rest hiervan vindt men nog in de schilderijen van John Bauer b.v.  Het Oude Testament is er vol van, maar dan in kritische zin. De Joden moeten hun God anders leren waarnemen. Eerst in een wolkenzuil, die ’s nachts verlicht is. Daarna zonder enig uiterlijk aanknopingspunt. Zwakke resten blijven erin b.v. de zondebok, die de woestijn ingejaagd wordt op grote verzoendag. Als hij niet terugkomt heeft Jahveh de zonden vergeven. Als hij wel terugkeert worden de zonden aangerekend en komt er onheil over het volk.

Als bij Joden en heidenen de zichtbaarheid van het goddelijke in de natuur wordt afgelost door het zichtbaar worden van het uiterlijke als zodanig, ontstaat de angst voor het onbekende, voor het principieel onkenbare.

Van vrijheid kan geen sprake zijn, zolang natuurbeelden de mensen dwongen tot religieuze verering. Deze dwang werd niet als zodanig gevoeld omdat ze vanzelf sprak. Vanzelfsprekende onvrijheid. Ook als er angst ontstaat voor het onkenbare, kan er geen vrijheid zijn, hoewel het niet-waarnemen van het goddelijke de basis voor de vrijheid legt; het beeld dwingt niet meer.

Als dit proces een bepaald punt heeft bereikt, komt een goddelijk wezen op aarde. Dit is het midden van de geschiedenis van de mensheid, want het is een duidelijk keerpunt. Niet meer de natuur, maar een mens wordt voor de eerste keer beeld van God: de Mensenzoon wordt Godszoon. Vóór die tijd konden de mensen een God verkondigen maar ze waren zelf geen goddelijk beeld. In de Christus wordt het goddelijke zichtbaar, in zijn woord hoorbaar. Voor zijn volgelingen (tijdens zijn aardeleven) betekende dit een absolute vrijheid. Het zou belangrijk kunnen zijn de evangeliën eens vanuit dit gezichtspunt te lezen: Jezus wint nooit volgelingen door autoriteit. Integendeel, hij stoot haast meer terug dan hij aantrekt. Wie hem volgen wil, doet dat omdat hij in volle vrijheid in Christus Jezus het goddelijke waarneemt. Zeer typerend is hiervoor Paulus. Dan kan men in vrijheid volgeling worden. Nadat Christus zich met brood en wijn verbonden had en tot zijn discipelen zei, hem in het vervolg in brood en wijn waar te nemen, werkte deze vrijheid nog enige tijd door.

Maar het eigen waarnemen nam af; men leerde geloven op gezag. Augustinus zegt: “Ik zou het evangelie niet geloven als de kerk me niet daartoe bracht.” De tijd van de onvrijheid breekt aan. Vanaf Augustinus’ tijd tot nu toe wordt de vraag naar de vrijheid dan ook telkens weer aan de orde gesteld en niet tot een oplossing gebracht, omdat men het bovenzinnelijke niet meer zelf waarneemt. Daarom moet de religieuze mens sinds de 5e eeuw na Christus onvrij zijn. Hij is gebonden aan een macht, die hij zelf niet waarneemt.

In de hervormingstijd wordt hier een bepaald crisispunt bereikt. Enerzijds wanhopige pogingen om iets van vrijheid te redden, anderzijds wordt de mens beleefd als “een stok en een blok, tot generlei goeds in staat.”

Aan de mensen van onze tijd werd een nieuwe mogelijkheid van vrijheid geschonken. Rudolf Steiner schonk dit op verschillende manieren. Daaronder voor het religieuze leven als de mogelijkheid de Christus zelf waar te nemen in een vernieuwde christelijke cultus. Daar wordt het bovenzinnelijke zichtbaar in het zintuigelijke voor de mens die zijn religieuze krachten oefent in de godsdienstoefening. In de beelden van het altaar en kaarsen, in gewaden en handelingen wordt het proces van de overwinning van de dood zichtbaar en in het meemaken van de heilige handeling wordt het bovenzinnelijke Christuswezen als een realiteit buiten ons in het eigen zieleleven waarneembaar. Er is hierbij geen historische autoriteit nodig, geen autoriteit van enig geschrift, maar alleen de eigen onbevangen waarneming.

In een religie, waar geen geloofsplicht is, maar waar ieder zover kan gaan als hij zelf wil en kan in de waarneming van Christus, kan vrijheid ontstaan. Ze zal er niet meteen zijn, maar ze is bezig te ontstaan. Vrijheid in wording.

Ons onderwerp was vrijheid en religie en we zijn aangeland bij het christendom in zijn tegenwoordig mogelijke vorm. Hiermee wordt religie voor onze tijd christendom in de gedaante die Rudolf Steiner tot verschijning kon helpen brengen. Dit kan niet anders zijn omdat déze ontwikkelingsweg tot vrijheid alleen in het christendom aanwezig is. Andere religies dragen hoge waarden in zich. Maar niet de mogelijkheid tot vrijheid.
.

J. Knijpenga, maandblad Geert Grooteschool, april 1976
.

De sprookjeswereld van John Bauer,

Aanbevolen literatuur:

Rudolf Frieling – Het wezen van het Christendom
August Pauli – Der Mensch und seine Freiheit (Red.)

.

Annet Schukking over vrijheid

Sociale driegeledingalle artikelen      onder nr 7 over vrijheid

.

1423

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-3/7)

.

Sociale en individuele bewustwording 7

Zingeving van het leven door ervaring van het menselijk lot

We willen deze serie artikelen over individuele en sociale bewustwording afsluiten door het thema nog een stap verder te voeren, naar het menselijke lot.

We hebben in de vorige artikelen [1] op de meest verschillende wijzen laten zien hoe de maatschappelijke buitenwereld een beeld kan worden van de menselijke binnenwereld, ja de uitdrukking is van deze innerlijke wereld. Vroeger was dat anders.

In de oer-Indische cultuur was de grondstemming in de ziel, wanneer deze zich door de zintuigen tot de natuur wendde: ‘tat twam asi’ (dat zijt gij). Of men nu een boom waarnam of de zon, een regenbui of een vogel, steeds kon de ziel antwoorden ‘dat zijt gij’. De hele geschapen natuurlijke wereld gaf hem een antwoord op zijn nog dromend beleefde vraag naar zijn eigen wezen.

De mensheid heeft zich in een lang proces van bewustwording los gemaakt uit deze natuurlijke verbondenheid. De natuur kan hem nu geen antwoord meer geven op zijn vraag ‘wie ben ik?’. Hij kan onder de indruk zijn van alles wat zich in het rijk van stenen, planten en dieren aan hem voordoet. Vol eerbied kan hij ontdekken dat hij deze natuur ook in zich draagt, in de lichamelijke omhulling van zijn IK, maar een antwoord op zijn vraag naar het eigen wezen, krijgt hij uit die wereld niet meer.

Komt dit antwoord nu misschien uit de maatschappelijke buitenwereld die de mens zelf schept als een sociale omhulling voor zijn vrij geworden IK?
De samenleving is geen natuurgegeven, ze is mensenwerk, en wordt het meer en meer naarmate oude traditionele theocratische vormen hun draagkracht verliezen en in elkaar storten.

We kunnen dan inderdaad tegen een Bijlmermeerflat, een martelverschijnsel, een ‘Bild-Zeitung’, een maanlanding, een verzekeringspaleis, een atoomreactor zeggen ‘tat twam asi’, dat ben ik.

We kunnen dat ook zeggen tegen verschijnselen van mondiale afmeting. De mensheid wordt steeds meer gepolariseerd in een technisch-industriële rijke minderheid en een grote arme meerderheid die agrarische en industriële grondstoffen levert, terwijl een dialoog tussen beiden steeds moeilijker wordt. Rijst hier niet het beeld op van de mens zelf die zijn stofwisselings-ledematenstelsel alleen nog maar gebruikt om zijn hoofd rond te dragen en de begeertes te bevredigen die de zintuigmens zich uitgedacht heeft?

We zien allerwege het probleem van de urbanisatie. Het platteland loopt leeg en de steden groeien uit tot onleefbare ‘waterhoofden’. Toen ik de 12 miljoen-dimensie van groot Sao Paulo onderging met zijn opeenhoping van wolkenkrabbers werd uiterst reëel voor me: dit is de uitdrukking van een voortschrijdende verintellectualisering van de mens. De hoofdkrachten worden steeds dominanter. En toen ik hoorde hoe moeilijk het zelfs een autoritaire regering valt een decentralisatiepolitiek door te voeren, begreep ik: eerst moeten nieuwe bewustzijnsvormen worden ontwikkeld, moet het denken verlevendigd worden, voordat er in het sociale leven nieuwe zijns-vormen mogelijk worden.

Levenssituatie

Door zulke oefeningen als in deze artikelenreeks beschreven, ontstaat er langzamerhand een stemming in de ziel die te omschrijven is als ‘wat mij uit de menselijke buitenwereld tegemoet wordt gedragen hoort bij me, is een deel van mezelf, is uitdrukking van mijn wezen.’
Op deze ondergrond kunnen vragen naar het menselijk lot opnieuw gesteld worden. De situaties waarin ik leef, de dingen die me daar overkomen, horen die niet intiem bij me? De voorbeelden die tot nu genoemd werden hadden een meer algemeen karakter en zeiden als het ware iets over het mensheidslot: het afgesnoerd raken van geestelijke realiteiten, het uiteenvallen van de ziele-krachten, het leven met de techniek e.d.

Kan ook de individuele mens zijn specifieke levenssituatie en alles wat hem daarin ‘treft’ beleven als iets dat bij hem hoort?

De sociale psychologie beschrijft dit verschijnsel in het platte vlak. Ze spreekt bijvoorbeeld over ‘self-full-filling prophecy’. Als ik voorspel dat de mensen niet te vertrouwen zijn en mijn handelen daarnaar inricht, vind ik mijn voorspelling steeds bevestigd. De mensen gedragen zich dan wantrouwend. Ik heb dit gedrag echter zelf opgeroepen. Wat mij tegemoet wordt gedragen heb ik zelf gewekt. Het hoort bij me.

Het kan ook zijn dat ik in een groep agressie ondervind en me afvraag waarom de mensen zo onaardig tegen me zijn. Bij een evaluatie kan mij tot bewustzijn komen dat ik uit gebrek aan eerbied voor de ander met mijn plannetjes over hen heenwals en daarmee deze agressie oproep.
Soms kunnen deze boemerangeffecten zich over maanden of jaren uitstrekken. Het is dan niet altijd gemakkelijk om jezelf te herkennen in wat anderen je in hun gedrag tegemoet dragen.

Zulke sociaal-psychologische ‘circuits’ laten een wezenlijke vraag open: waarom is mijn relatie tot andere mensen vertroebeld door wantrouwen, waarom heb ik weinig eerbiedskrachten? Hoe ben ik zo geworden? Die vragen leiden terug naar het verleden, naar mijn erfelijkheid, naar mijn milieu, naar alle genetische en opvoedingsfactoren die mij ‘geprogrammeerd’ hebben. Men zou ook kunnen zeggen: die vragen leiden terug naar het stuk natuur dat mij tot omhulling is geworden, dat mijn IK tot instrument dient om zich te verwerkelijken. Is dat instrument mij vreemd of kan de moderne mens tegen deze ‘natuur in zichzelf zeggen ‘tat twam asi’?
Een deel van het eigen lot komt dan dichtbij, wordt herkenbaar. Wanneer we nagaan hoe we in allerlei situaties terecht zijn gekomen, kunnen we ontdekken hoe sterk de onbewuste — in de eigen ‘natuur’ verweven — gevoelens van behagen en onbehagen, van sympathie en antipathie sturend zijn geweest. Als we die ‘natuur’ als wezenlijk tot ons behorend beleven, moeten we in die situaties ook ons zelf herkennen. We hebben onszelf er immers heengestuurd?

Toeval

En hoe is het met lotgevallen die nu schijnbaar werkelijk alleen van buiten komen en toch zo bepalend kunnen zijn voor het levenslot?

Een ongeluk, een sterfgeval, een benoeming die gemist werd door een weggeraakte sollicitatiebrief, een ondanks wettelijke bepalingen toch verkregen vergunning, allerlei toevallige ontmoetingen of juist gemiste kansen … Is het mogelijk ook tegen dit schijnbaar buiten jou om verlopende toeval ‘tat twam asi’ te zeggen?
Niet alleen in de zin van een berusten in en aanvaarden van, maar veel dieper als een zelf gewild hebben!

Wie vanuit deze vraagstelling regelmatig terug kijkt op zijn leven kan een gevoel krijgen dat er een rode draad doorheen loopt, een levensthema. De ‘toevallen’ die van buiten komen blijken daar wezenlijk bij te horen. Het vermoeden daagt dat ik misschien zelf de — onbewuste — regisseur van deze situaties ben!

Soms kan een onverwachte gebeurtenis of een nieuwe ontmoeting ook onmiddellijk het gevoel oproepen ‘dat hoort bij mij, daar heb ik naar toe gestuurd, die mens of die situatie ken ik!’

Russisch sprookje

Er is een aangrijpend Russisch sprookje over een man die niet tevreden is met zijn lot. Bij uitzondering mag hij zijn kruis inleveren. Het kruis met zijn horizontale en verticale balk is een beeld voor de schering en inslag waaruit het lot wordt geweven: de natuurlijke omhulling die het IK als instrument op aarde gebruikt en de van buiten komende gebeurtenissen. De man levert zijn kruis af aan de hemelpoort en mag op zijn gemak een nieuw uitzoeken. In het grote ‘hemelmagazijn’ liggen ze hoog opgetast in eindeloze schakering, gereed om meegegeven te worden aan afdalende zielen. Na lang zoeken heeft de man een kruis gevonden waarmee hij zich volledig kan vereenzelvigen.

Petrus geeft het hem mee. Het is zijn oude kruis …

De weg naar binnen en die naar buiten, de blik in de eigen natuur en die in de sociale buitenwereld, het herkennen van je zelf in de maatschappij en het terugvinden van de sociale werkelijkheid in de eigen ziel, die pendelbeweging tussen individueel- en sociaal bewustzijn kan tenslotte uitmonden in lotsbewustzijn.

Een dergelijk bewustzijn is allerminst passief-contemplatief. De lotsbewuste mens neemt met grote wakkerheid zijn omgeving waar omdat hij zich daarin handelend wil verwerkelijken. Wat ik moet doen ontdek ik niet door ‘navelstaren’ maar door waar te nemen welke vraag de situatie aan mij stelt. Wetend dat mijn IK me als het ware steeds van buitenaf tegemoet wordt gedragen, verbergt elke situatie iets in zich wat bij mij hoort, een vraag aan mij, een opdracht, een uitdaging, een waarschuwing. Zodra ik die sleutel gevonden heb, ‘weet’ ik ook wat mij te doen staat.

Antroposofie

Rudolf Steiners antroposofie is eigenlijk één grote hulp in de ontwikkeling van lotsbewustzijn. Steiner geeft aan de ene kant de geesteswetenschappelijke inzichten om te begrijpen hoe de mens door een reeks van aardelevens heen steeds weer de ‘natuurlijke’ (lichamelijke) en ‘situationele’ (van buiten komende) voorwaarden schept voor een doorgaande ontwikkeingsweg.[2]
Aan de andere kant geeft hij concrete aanwijzingen voor een scholingsweg die uitmondt in lotsbewustzijn.

Antroposofie ontleent haar bestaansrecht aan de in onze tijd levende vraag naar ontwikkeling van lotsbewustzijn. Een dergelijk bewustzijn is namelijk de sleutel tot twee centrale tijdsproblemen.

Het eerste heeft te maken met levenszingeving. In Zweden is* de eerste doodsoorzaak in de leeftijdscategorie van 18-35 jaar de zelfmoord. Deze
epidemie duidt op een fundamenteel verlies van levenszingeving. Lotsbewustzijn geeft de mogelijkheid tot nieuwe positieve levensaanvaarding. Het tweede probleem heeft te maken met het onbestuurbaar worden van de samenleving (sociale entropie). Het behoeft weinig fantasie om te voorzien dat tegen de groeiende complexiteit elk technocratisch systeem het moet afleggen.

Wat is het toekomstig ordeningsprincipe voor het sociale handelen van de mensen? Sociale driegeleding geeft weliswaar een menselijk-organisch raamwerk maar kan het handelen zelf niet voorschrijven.

Een groeiend lotsbewustzijn is op den duur het enige betrouwbare kompas waarmee mensen hun handelen kunnen sturen en ordenen, het enige principe dat sociale chaos kan voorkomen.
.

Lex Bos, Jonas 20, *04-06-1976
.

[1]   deel 1   deel 2   deel 3   deel 4   deel 5   deel 6

.

[2] Rudolf Steiner GA 34/67
Niet vertaald
Rudolf Steiner GA 9/61
Vertaald/53

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1421

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-3/6)

.

SOCIALE EN INDIVIDUELE BEWUSTWORDING 6

De techniek als tegenbeeld van menselijke ontwikkeling

In de vorige artikelen [1] werd geprobeerd maatschappelijke verschijnselen te verdichten tot hun essentie en met deze kwaliteit in de ziel naar binnen te kijken op zoek naar eenzelfde kracht.

De verschijnselen die we namen, waren van min of meer institutionele aard. Het verzekeringswezen, de inflatie, het boulevardblad, de nieuwbouwwijk en dergelijke.

We willen in dit artikel dezelfde binnen-buiten problematiek nog van een andere kant aanlopen: de techniek. Wat aan techniek wordt ontwikkeld is de afspiegeling van een bewustzijnsverandering die daaraan is vooraf gegaan. Het mechanistisch-causale denken, zo fundamenteel voor de moderne natuurwetenschap en techniek, is historisch pas mogelijk geworden toen waarneming en denken niet langer door het innerlijk meebeleven van de levensprocessen in het waargenomene werden vertroebeld.

Technisch is het maken van een vacuüm (grondslag van de stoommachine die de industriële revolutie inluidde) pas mogelijk geworden toen de mens innerlijk de ‘horror vacui’ overwonnen had. Met ‘horror vacui’ bedoelde men in de middeleeuwen de angst voor een ruimte waarin geen lucht, geen adem, geen goddelijke geest aanwezig is. . .

Raketten schiet men pas naar de maan op ’t moment dat men dit hemellichaam als een dode slak beleeft en niet als de woonplaats en werkingscentrum van geestelijke wezens (bijvoorbeeld de godin Luna)

Is de techniek op deze wijze beschouwd gevolg van de bewustzijnsveranderingen, anderzijds krijgt men de indruk dat diezelfde techniek ons karikaturen toont van hetgeen wij als volgende stap in de bewustzijnsontwikkeling moeten voltrekken.

We willen de aandacht vestigen op technische prestaties als TV en maanlanding enerzijds en atoomreactor en graafmachine anderzijds. Beginnen we met TV en maanlanding.

In de TV zien we de culminatie van ‘een in de laatste decennia omhoog geschoten ‘beeldcultuur’: geïllustreerde tijdschriften, beeldromans, stripverhalen, bioscopen en diavertoningen. Visuele hulpmiddelen in het onderwijs vormen hiervan de onderbouw. Er is een onverzadigbare honger naar beeldinformatie. Het aantal plaatjes dat mensen per uur kunnen verslinden is verbijsterend.

Er is blijkbaar in de mensenziel een diep onbewust verlangen naar beelden. Als technische beeldmedia niet op deze onderliggende behoefte in konden spelen, zouden ze geen schijn van kans hebben.

Stemer beschrijft vanuit zijn geesteswetenschappelijke onderzoekingen wat de diepere zin van dit verlangen naar beelden is. Hij schildert de
mensheidsontwikkeling als een geleidelijk ontwaken aan de zintuigelijk materiele wereld. Aanvankelijk slapend één met een goddelijk-geestelijke wereld, vond een geleidelijke afsnoering plaats. Met de overgang van de Egyptische naar de Griekse cultuur vindt tevens de overgang plaats van een beeldend-imaginatief bewustzijn naar een abstract-intellectueel denken. Met de overgang van de middeleeuwen naar de nieuwere tijd wordt ook de waarneming van haar beeldkarakter ontdaan en begint het zintuigelijk-instrumenteel waarnemen (zie 1e artikel in deze serie). Alleen door deze vrijwel volledige afsnoering van de geestelijk-levende werkelijkheid kan de mens tot een wakker en helder ik-bewustzijn komen. Alleen door de kennende relatie tot de wereld te reduceren tot het uiterste kan hij tot zichzelf komen.

Door het oog van de naald kruipt de mens. Hij laat alles achter en verovert daarbij innerlijke vrijheid. Wat gaat hij daarmee doen ‘aan de andere kant van de naald’?

Steiner beschrijft in zijn boek ‘Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden?’ [2] dat de eerste stap op de innerlijke scholingsweg gaat in de richting van een imaginatief-beeldend bewustzijn. Niet door weg te dromen in vage fantasieën maar juist door de kracht van het zintuigelijke waarnemen en het verstandelijke denken te versterken. Het wakkere ik-bewustzijn – verworvenheid van het kruipen door de naald – wordt geen moment prijsgegeven. Integendeel, het wordt meegenomen bij het betreden van die wereld waartoe alleen het imaginatieve bewustzijn toegang heeft: de wereld van de tijd, van de levensprocessen, de scheppingskrachten.

De beeldenhonger duidt erop dat er een soort instinctieve drang moet zijn om het bewustzijn uit de abstractie van het begrippen-denken te verlossen en het verder te ontwikkelen in de richting van een beeldend, bewegelijk denken. Dat lukt echter slechts als we het denken zelf, als kracht, versterken. We kunnen dat denken alleen wakker binnenvoeren in de wereld van de levensprocessen, wanneer we wil in het denken binnen brengen.

En dat is nu juist wat systematisch verhinderd wordt door de beeldenwereld die de techniek ons voortovert.

We hoeven de beelden zelf niet op te bouwen. Onze creativiteit wordt lam gelegd en de beelden worden ingetrechterd. We kunnen ons passief overgeven aan een voor geprogrammeerde plaatjesstroom.

Steiner heeft over deze wereld van de levensprocessen (etherwereld) veel gesproken. Hij heeft er onder andere op gewezen dat de maan het hemellichaam is dat in zijn krachtwerking uitdrukking van deze wereld van levensprocessen is. De samenhang van de maan met eb en vloed, met neerslag, met de periode van de vrouw is bekend. Maria Thun heeft in haar onderzoek naar de samenhang tussen het ontkiemen van zaad en de maanstand deze werkingen praktisch hanteerbaar gemaakt.

Het ontwikkelen van het imaginatief-beeldend bewustzijn heeft Steiner ook wel beschreven als het ontwaken in de maansfeer.

Is de ruimtevaart met de maanlanding geen beklemmende uiterlijk-technische projectie van hetgeen wij innerlijk volbrengen moeten? Het beeld van de in het vruchtwater gewichtloos zwevende en met de navelstreng aan de moeder verbonden groothoofdige embryo kan voor ons een beeld zijn van de wereld der etherische levensprocessen.

Het beeld van de in de donkere kosmos gewichtloos rondzwevende gehelmde ruimtevaarders, met een slang verbonden aan het moederschip, is een griezelig-exacte karikatuur van onze volgende bewustzijnsontwikkelings stap. Wanneer we zulke beelden weten te lezen kunnen ze een krachtig appel zijn om deze scholingsweg ter hand te nemen.

Kernreactor

Na het beschrijven van TV en maanlanding als technische prestaties die ons willen manen een innerlijke beeldcultuur op te bouwen, willen we de aandacht vestigen op kernreactor en graafmachine.

Wat gebeurt er in die kernreactoren, waarover zo veel verhitte discussies gevoerd worden door energieleveranciers, milieubewakers, ondergangsprofeten en anti-centralisten?

Een kernreactor is er de technische uitdrukking van dat de mens het rijk van de dode ‘ondernatuur’ tot op de bodem is binnengedrongen. Beginnend bij de mechanica (val- en slingerwetten) via magnetisme en elektriciteit naar de radio-activiteit en de kernsplitsing. Bij deze laatste stap zijn we binnengedrongen in het gebied van de krachten die in de materie schuilen, van de energie die samengebald is in de substantie.

Dit blijkt een gevaarlijk gebied te zijn. Een duister gebied. Het is een gebied dat angsten oproept. Wie de discussies volgt over de bouw van kerncentrales kan op de ondergrond die angst beleven. De politieke, organisatorische en materiële veiligheidsmaatregelen die nodig zijn grenzen aan het onwaarschijnlijke. En nochtans nemen ze het angstgevoel niet weg. Hoe is het mogelijk dat de mens in deze wereld van substantie-vernietiging heeft kunnen doordringen? Is er een gebied in hemzelf dat er mee te maken heeft?

Zo’n gebied is er inderdaad. Het is dat van de stofwisseling. Alles wat zich afspeelt in de onbewuste diepten van onze stofwisselingsorganen heeft te maken met de geheimen van de materievernietiging. Steiner heeft er in zijn medisch-antroposofische voordrachten over gesproken dat er bij de spijsvertering krachten werkzaam zijn die de stof afbreken tot aan de grens van het immateriële. Er vindt in feite geen stofoverdracht plaats van buiten naar binnen, maar het lichaam verdicht de krachten die het aan de uiteenzetting met de vreemde materie (het voedsel) heeft ontwikkeld tot nieuwe substantie, tot bouwstenen voor de eigen lichamelijkheid.

Het is dit gebied van de lichamelijkheid dat het fysieke aangrijpingspunt is over de menselijke wil, in al haar verschijningsvormen van begeerte, drift, instinct tot en met de hoogste vorm van liefde.

Het is ditzelfde gebied dat begint binnen onze bewustzijnshorizon te komen. Het incarnatieproces van dc mens is zo ver voortgeschreden dat het ik geconfronteerd wordt met de klachten die uit de onbewuste diepten van zijn stofwisseling omhoog slaan. Freud, Adler en Jung zijn de eersten die dit gebied onderzoekend betreden.

Sindsdien komt het steeds meer in de aandacht. Door de zwart-magische exercities in het derde rijk, door het onderzoek naar de martelpraktijken, door de golf van seksualiteit en aggressiviteit die door de wereld gaat.

Het gebied is ook ontdekt door ‘therapeuten’ en ‘trancendentisten’, zij hebben praktijken ontwikkeld — en u kunt ze in cursussen die gewoon op de ‘markt’ worden aangeboden ondergaan — om de reserve aan levenskrachten die in de stofwisselingsorganen sluimeren, vrij te maken en de mens daarmee een gevoel van jeugdige frisheid te geven; ze hebben middelen gevonden om de orgaanwijsheid die onbewust in deze wereld werkzaam is, zo in het bewustzijn te tillen dat occulte ervaringen worden opgedaan.

De drempel is overschreden. Het gebied van de stofwisselingskrachten ligt open. Het is een gevaarlijk gebied. Wie niet weet waar hij mee omgaat, welke krachten hij ontketent, welke wezens hij oproept, is uiterst kwetsbaar.

De literatuur met beschrijvingen van zware psychische en geestelijke beschadigingen door het onvoorbereid betreden van dit gebied is groeiende. En toch is het nodig dat het duistere gebied van de wil met bewustzijnslicht doorschenen wordt. De rapide toenemende motivatie-vraagstukken (wat wil ik eigenlijk), wilsverlamming ( ik zie ’t niet meer zitten, van mij hoeft ’t niet meer), verlies aan biografische oriëntatie (wat is de zin van mijn leven) doelstellingsgesprekken (wat willen we met elkaar), maar ook het snel toenemende morele verval, los geslagen seksualiteit, aggressiviteit zijn evenzovele tekenen dat de problemen van de menselijke wil, levend in de stofwisselingsorganen zich met kracht aan de oppervlakte dringen.

Misschien is een atoomreactor — materievernietiger — pas mogelijk geworden nadat in de mens dit gebied zijn taboe verloor en aan de horizon van zijn bewustzijn opdook. Maar misschien zijn de reactoren ook evenzovele manende tekens dat we dit gebied innerlijk moeten veroveren.

Het reeds eerder geciteerde boek van Steiner ‘Hoe ontwikkelt men bewustzijn op hogere gebieden?’ geeft een voor de huidige mens verantwoorde weg om het gebied van de wil in de sfeer van het bewustzijnslicht te tillen.

We moeten er nog een tweede gebied bij belichten en dat brengt ons bij het beeld van de graafmachine.

Als Steiner in 1917 voor het eerst schrijft over de fysieke drieledige mens en de samenhang met de psychische functies van denken, voelen en willen, spreekt hij over het zenuw-zintuigstelsel (aangrijpingsgebied voor het denken), over het ritmische systeem van ademhaling en bloedsomloop (werkingsgebied voor het voelen) en over het stofwisselings-ledematen systeem (waar de wil werkzaam is).

Via het ik grijpt de wil van binnen uit aan in het stofwisselingsgebied en wordt dan via de ledematen tot handeling. Het menselijk willen kan zich alleen via de ledematen kenbaar maken aan de wereld. Deze ledematen zijn als het ware een voortzetting van de stofwisseling naar buiten.

Gebruiken we onze ledematen nog wel? Het beeld van de machinist die (eventueel elektronisch op afstand) een grote graafmachine bedient is representatief voor een stuk technische ontwikkeling dat tendeert naar het stil leggen van de ledematen mens. s Morgens drie stappen naar de auto. Stil zittend (automatische versnelling) laat ik de 70 paarden voor me draven, met roltrap of lift in ’t kantoor naar boven, of naar de werkplaats waar automatische draaibanken alleen nog maar’gecontroleerd hoeven te worden. In de keuken handige apparaatjes waardoor het moeizaam raspen, malen, hakken, roeren overbodig wordt. Op de hobbyzolder wordt niet meer met de hand gezaagd of gevijld. U kunt zelf de voorbeelden aanvullen. Wandelt u in gedachten alle levenssferen door: u zult vinden hoe de techniek systematisch de ledematen-mens op non-actief stelt. (Behalve op zaterdagmorgen om te trimmen!), hoe de techniek onze bewegingsmotoriek tot zwijgen brengt (waarbij het interessant is te bedenken dat de geplande atoomrecktoren de gigantische hoeveelheden energie moeten leveren om deze bewegingsmens volledig lam te krijgen!)

Waar is dat een beeld, een karikatuur van? Wordt ons daar uiterlijk iets getoond wat we eigenlijk innerlijk moeten volbrengen? Ik geloof het wel. Ieder van ons heeft een flink stuk innerlijke dynamiek, nerveuze onrust, emotionele labiliteit in zich. Bij veel mensen krijgt men de indruk van een innerlijk ledematenstelsel dat zij überhaupt niet onder controle hebben. Natuurlijk is het óók goed om door middel van gezonde lichaamsbeweging hier wat van af te reageren. Het probleem ligt mijns inziens echter dieper. Het door innerlijke activiteit tot rust brengen van deze ledematenmens in ons, betekent geenszins een psychische verstarring. In tegendeel. Het betekent een versterking van het bewustzijn in het gebied van de wil, het betekent de ontwikkeling van intuïtie, het geeft de mogelijkheid een subtiel gevoel te krijgen voor hetgeen een situatie van mij vraagt, hoe ik er in moet handelen. Je leert als het ware luisteren met je wil. Kortom, het opent een weg bewuster óm te gaan met het lot. Het beeld van de graafmachine en daarmee van alle techniek die de ledematenmens ontkracht, kan een oproep voor ons worden de innerlijk bewegingsmens onder controle te krijgen. Zoals het beeld van de atoomcentrale ons maant omzichtig maar doelbewust het gebied van de stofwisselings- en seksuele krachten in het bewustzijn te tillen.

Beide technische ontwikkelingen zijn een oproep om bewustzijnslicht naar beneden te zenden in het gebied van de wil, van het handelen, van de ervaring, van het lot.

Zoals de technische verworvenheden van TV en maanlanding een even krachtig appel betekenen wilskracht omhoog te stuwen in het gebied van het denken en waarnemen opdat deze zich verder ontwikkelen tot een imaginatief bewustzijn.

.

Lex Bos, Jonas 19, 21-05-1976

[1] deel 1   deel 2   deel 3   deel 4   deel 5   deel 7

[2] Rudolf Steiner GA 10
Vertaling: De weg tot inzicht in hogere werelden

.
Sociale driegeleding: alle artikelen

.

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-3/5)

.

Sociale en individuele bewustwording 5

Belasting en wapenindustrie: karikatuur van het schenken

In Nederland wordt 50 à 60 procent van het nationale inkomen via belastingen herverdeeld*. De fiscus zuigt langs talloze kanalen en in talloze vormen meer dan de helft van ons nationale inkomen weg om het langs even zo veel verschillende kanalen toe te spelen aan ambtelijke instanties, gesubsidieerde culturele instellingen en verlieslijdende (semi) overheidsbedrijven… Een immens ambtelijk apparaat is dagelijks bezig om de inkomensstroom nauwlettend gade te slaan, op allerlei punten deze af te tappen en elders heen te leiden. Hoewel Nederland wat dit betreft aardig voorop loop,t zien we in vrijwel alle geïndustrialiseerde landen dat de overheid als een onverzadigbaar zuigdier een toenemend gedeelte van de inkomensstroom aan zich trekt.

‘Minder belastingen’ is dan ook een geliefde slogan van oppositiepartijen om aan het roer te komen. Het toenemende niveau van gedwongen schenkingen is velen een doorn in het oog. Maar als de oppositie eenmaal aan het bewind is blijkt deze meestal weinig van haar beloftes te kunnen waarmaken. Zou de oorzaak dieper liggen?

Wapenindustrie
We nemen nog een tweede fenomeen erbij, voor we de blik naar binnen richten: de Lockheed-affaire heeft de aandacht nog eens gevestigd op de miljarden verslindende wapenindustrie. Waar blijft die productie? Ze wordt verkocht of gegeven aan de meest verschillende landen. Maar dan? Wat geproduceerd is, wil gebruikt worden. Hoog opgetast militair materieel heeft een soort eigen stuwkracht. Het wil ‘geconsumeerd’ worden. Wie opgeleid is, wil zijn bekwaamheden demonstreren, beproeven. Legerkorpsen kan men niet eindeloos werkeloos in kazernes laten rusten. Zij willen ‘aan het werk’.

En voor de grote (industriële) mogendheden is het niet zo moeilijk om haarden te vinden en aan te wakkeren waar zij hun militaire potentie kunnen beproeven. Wanneer het wapengeweld losbarst, wat gebeurt er dan in feite? Kunnen we de essentie van dat gebeuren proberen als kwaliteit te karakteriseren?

Nemen we het voorbeeld van Vietnam. Het hele oorlogsgebeuren culmineerde tenslotte in een poging de vijand en het land te vernietigen door een tapijt van kogels, projectielen, bommen, raketten, missiles en dergelijke. Ik weet de cijfers niet precies, ze zeggen me ook niet zoveel omdat het te veel nullen zijn, maar er is voor miljarden dollars over dit land uitgestrooid. Ongevraagd geschonken. Het land hoeft er niets voor terug te betalen! Een militaire macht lijkt een vuurspuwend beest, dat zijn ‘gaven’ met gulle hand of beter met gulle muil over het beloofde land uitspuugt.

Vatten we de twee verschijnselen samen: de fiscus die ons verplicht tot steeds grotere schenkingen, het militair apparaat dat met gulle hand anderen ongevraagd begiftigt. Een groot beest dat zich naar de ene kant openbaart als een onverzadigbare zuiger, naar de andere kant als een onuitputtelijke spuger. Verplichte schenkingen worden ongevraagd weggeschonken.

Schenken
Nu we de verschijnselen hebben verdicht tot deze volstrekte karikatuur van het schenkingswezen, kunnen we de blik naar binnen werpen en op zoek gaan naar de gelijksoortige kwaliteit in ons. Hoe gaan wij zelf met schenkingen om? Kennen wij het element eigenlijk wel? Zijn we in staat om van een stuk bezit, van een deel van ons inkomen afstand te doen ten behoeve van een ander? Zijn we in staat werkelijk vrijwillig (qua oorzaak) en onzelfzuchtig (qua bestemming) te schenken? Ieder moet voor zich zelf spreken, maar ik krijg de indruk dat het een sterk onderontwikkeld gebied is in de mens.

Mijn werk in het NPI (Instituut voor organisatieontwikkeling) brengt met zich mee dat ik (met collega’s samen) cursussen geef ter ontwikkeling van samenwerkingsvaardigheden. In het kader van zo’n cursus hanteren we een non-verbale oefening waarbij ieder een aantal stukjes van een aantal legpuzzels krijgt. Ieder moet aan het einde van de oefening eenzelfde regelmatige vijfhoek voor zich hebben liggen. Bij het begin heeft niemand natuurlijk de goede stukken in zijn envelop zodat er stukken van eigenaar moeten wisselen. Nu is daarbij de spelregel dat men geen stukken mag vragen (de oefening geschiedt zwijgend), ook niet mag wegnemen, noch te kennen mag geven dat men een stuk nodig heeft. Men mag bij deze oefening uitsluitend schenken! Voor het ontvangen van stukken is men volstrekt afhankelijk van de giften van de ander.

Schokkende ervaring
Dit spel is voor menigeen een schokkende ervaring. Hij merkt hoe moeilijk het voor hem is te verdragen dat hij voor het bereiken van het eigen doel (de eigen vijfhoek) absoluut afhankelijk is van anderen — en nog moeilijker – dat van hem verwacht wordt dat hij met een grote interesse steeds in zijn omgeving rondkijkt, om te zien wat anderen nodig hebben en of hij hen misschien kan helpen door iets af te staan van zijn ‘bezittingen’.

Bij de evaluatie blijkt hoeveel schenkmotieven er zijn die niet deze dubbele kwaliteit van vrijwilligheid en onzelfzuchtigheid hebben.

Om er een paar te noemen:
. schenken in de verwachting dat je iets terug krijgt
. schenken omdat je met de spullen zelf niets kunt beginnen
. schenken om de grote meneer uit te hangen
. schenken om de ander duidelijk te maken dat hij ook wel eens wat kan schenken (hem als gierigaard aan de kaak stellen)
. schenken uit de overtuiging dat als de stukken maar circuleren tenslotte iedereen wel een keer de stukken krijgt die hij nodig heeft
. schenken omdat ik zo weinig stukken heb dat ik er toch niets mee kan beginnen
. schenken uit een vertrouwen in de specialist. Hij heeft al een vijfhoek gelegd. Hij kan het. Dan zal hij met mijn stukken ook wel wat kunnen aanvangen
. schenken omdat ’t gewoon leuk is iets weg te geven
. schenken uit een soort schuldgevoel: ik heb meer stukken dan de anderen, dat moet vereffend worden

Ook de innerlijk weerstanden tegen schenken komen duidelijk aan het licht, bijvoorbeeld:
. niet zeker weten of de ander iets nuttigs zal doen met mijn geschenk, of hij er wat aan heeft
. moeilijk afstand kunnen doen van wat men opgespaard heeft
. bang zijn niets terug te krijgen Nogmaals: het blijkt niet eenvoudig te zijn om met grote interesse en onzelfzuchtig de omgeving waar te nemen vanuit de vraag: wat is daar nodig en kan ik door schenking helpen?

Waarom is dit zo belangrijk? Kort gezegd omdat een werkelijk vrij geestesleven alleen denkbaar is wanneer het materieel mogelijk wordt gemaakt door een stroom van vrij schenkingsgeld.

Wanneer we over schenken praten denken we niet speciaal aan het cadeautje in de privésfeer of aan de ondersteuning in de sociaal filantropische sfeer (hoewel beide hun bestaansrecht uiteraard hebben) maar aan een veel objectievere schenkingsdaad (of reeks van daden). Schenken uit inzicht in de noodzakelijkheid van bepaalde ontwikkelingen. Dat kan betrekking hebben op mensen en de mogelijkheden die hierdoor worden geschapen voor de ontwikkeling van hun wetenschappelijke of artistieke capaciteiten. Het kan ook betrekking hebben op de ontwikkeling van nieuwe pedagogische impulsen, agrarische vernieuwingen, nieuwe wegen in het medisch-therapeutische handelen en dergelijke.

Overal waar uit de geest nieuwe impulsen op aarde willen komen, moet het schenkingsgeld, zonder condities, dus werkelijk vrij ter beschikking gesteld, de incarnatie mogelijk maken.

Drieledigheid van het geld
In het kader van zijn voordrachten over de sociale drieledigheid heeft Steiner ook gesproken over de drieledigheid van het geld: koopgeld, leengeld, schenkgeld.**

Koopgeld gebruiken we voor de harde producten die reeds gemaakt zijn, en als waar te koop worden aangeboden. Het is een directe ruil van geld en goed.

Als we wat sparen kunnen we dat uitlenen aan mensen die ideeën hebben ontwikkeld en deze nu in productie en producten willen omzetten. Zij vragen om geld teneinde daarmee machines te kopen, ruimtes te huren kortom hun ideeën in concrete producten of diensten om te zetten. Het geld dat we zo lenen — en waarover een rechtsovereenkomst wordt gesloten — komt na enige tijd (met rente) terug. De ondernemer heeft zijn ideeën kunnen realiseren..

Met schenkgeld gaan we als het ware nog een stap verder terug. We kopen er geen producten of diensten voor, we maken er ook niet mee mogelijk dat reeds ontwikkelde ideeën of capaciteiten praktisch bruikbaar worden gemaakt. We maken er mee mogelijk dat nog niet aanwezige ideeën en capaciteiten ontwikkeld kunnen worden. Dat kan alleen in een sfeer van absolute vrijheid gebeuren. Elke commerciële, politieke of ideologische nevengedachte, elke beïnvloeding van de uitkomst, elke beperkende conditie vertroebelt de vrijheidsruimte en verschraalt daarmee de geestelijke oogst.

Voor een werkelijke doorbraak naar spirituele vormen van geneeskunst, onderwijs, landbouw, etcetera is een absoluut vrij geestelijk-cultureel leven nodig. Het complement daarvan is een even vrije stroom van schenkingsgelden.

Vanuit deze optiek wordt het haast choquerend hoe de moderne welvaartstaat inclusief haar fiscaal systeem het schenkingswezen vergiftigt en het haast onmogelijk maakt royaal, vrijwillig en onzelfzuchtig te schenken.

In het kader van deze artikelen rijst dan echter meteen de vraag: hoe is het mogelijk dat dit schenkingswezen buiten ons zó gecorrumpeerd is. Hebben wij daartoe zelf niet de voorwaarden geschapen in ons zelf dit schenkingswezen te laten verkommeren?

Wilsscholing
De drie beelden die we in de laatste opstellen opriepen naar aanleiding van inflatie en afbetaling, assurantie en belegging, fiscus en wapenindustrie verwijzen naar drie innerlijke kwaliteiten die verzorgd willen worden: het beheersen van de koopdrift, het leren bouwen op vertrouwen in mensen en de ontwikkeling van het schenkingsvermogen. Eigenlijk gaat het hier om de ontwikkeling van drie aspecten van de menselijk wil. Het leren omgaan met de begeerte in de wereld der dingen. Het leren vertrouwen op de intenties van een ander mens, de eigen wil terughouden opdat een ander de zijne kan verwerkelijken. En tenslotte het leren offerend schenken opdat objectieve geestelijke wil kan incarneren. En deze drievoudige scholingsweg van de wil leidt — het werd reeds aangeduid — tot een gezondmaking van het geldwezen. De ingehouden begeerte geneest het koopgeld, het op mensen gebouwde vertrouwen (krediet) geneest het leengeld en de offerwil geneest het schenkingsgeld.
.

Lex Bos, Jonas 18,* 07-05-1976

.
* Zie de intreerede van Prof. Brüll ‘Recht en wet’ Fed — Deventer 1975.
** Zie het gelijknamige artikel van Prof. Brüll in ‘Maatschappijstrukturen in beweging deel 1. Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist, 1973.

deel 1   deel 2   deel 3   deel 4   deel 6   deel 7

.
Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1418