Categorie archief: sociale driegeleding

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-5/1)

.
Conflicten zijn van alle tijden. Ook op vrijscholen kwamen ze en komen ze voor.
Inzicht in conflicten is voor een oplossing van grote betekenis. In onderstaand artikel worden daarvoor vruchtbare standpunten aangedragen. In dit verband zijn ook de artikelen van lex Bos belangrijk, m.n. over de12 draken‘.

Hans von Sassen, Jonas, 04-05-1979
.

conflict en samenleving

Conflicten in het sociale veld

Het aantal en de ernst van conflicten in de samenleving en in organisaties, schijnt voortdurend toe te nemen. We zien dan ook een toenemende bezinning en een wassende stroom van publicaties over het verschijnsel conflict. Hoe komt dat?

Overal waar individuen of groepen in hetzelfde veld iets verschillends nastreven is er kans op conflicten. Gezien de veranderingen in de samenleving is het eigenlijk geen wonder, dat deze kansen toenemen. Wat voor veranderingen zijn dat?

Er zijn steeds meer mensen en meer en grotere organisaties. Het ‘gedrang’ in hetzelfde veld neemt toe, zodat strevingen en belangen elkaar eerder in de weg staan. Waar het aantal medewerkers bijvoorbeeld van een bedrijf of afdeling, snel groeit, ziet men haast altijd conflicten optreden.

=Veel mensen en groepen komen tot initiatief en actie, hun gevoel van eigenwaarde neemt toe en zij stellen zich zelfstandiger op. Dit is het verschijnsel van de emancipatie. Men is dus ook minder afhankelijk van tradities en groepsnormen en aanvaardt niet meer voetstoots de mening van hogergeplaatsten.

=Mensen uit verschillende milieus, volkeren enz. komen elkaar veelvuldiger tegen en werken samen in dezelfde organisatie. Deze ontmoetingen kunnen bijdragen tot wederzijds begrip, maar ook tot botsingen leiden.

=We zijn steeds meer van elkaar afhankelijk geworden. Dat komt vooral door de technische ontwikkeling en de voortgaande economische vervlechting. Wat mensen en organisaties in één veld doen of laten, heeft meteen gevolgen voor vele anderen.

Twee ontwikkelingen vormen de kern van de genoemde veranderingen, namelijk de geestelijke emancipatie van individuen en de wederzijdse afhankelijkheid in het maatschappelijke veld. Tussen beide tendenties bestaat al een spanning: de emancipatie vraagt om toenemende zelfstandigheid, vrijheid, creativiteit en verantwoordelijkheid van de enkeling – de wederzijdse afhankelijkheid daarentegen om beheersing van de processen, reglementering en aanpassing van het individu aan de ‘systemen’. Dat is het dilemma in onze organisaties en de voornaamste bron van spanningen en conflicten.

Conflict en samenlevingsvorm

Om deze samenhangen beter te kunnen begrijpen, wil ik een poging doen, de historische ontwikkeling van de samenleving van een bepaald gezichtspunt uit te schetsen.

In vroegere gemeenschappen speelt de de enkeling geen rol, alleen het voortbestaan, de levensvorm en de cultuur van de groep. Men is nog deel van de groep dat wil zeggen men denkt en voelt als de anderen en het gedrag wordt bepaald door wat men van jongs af aan waarneemt in zijn omgeving en door de geboden en zeden die men aantreft. Het opperhoofd, de farao of de pater familias vertegenwoordigt als het ware de goddelijke wil. Zolang dit hoofd als ‘wijs’ wordt beleefd en de zeden in het godsdienstige leven zijn ingebed, wordt de autoriteit daarvan nog als vanzelfsprekend aanvaard.

Een geheel andere toestand is (na een lange overgangstijd) bereikt, als de leden van de groep door voortgaande individualisering ‘personen’ zijn geworden, met een eigen denk- en gevoelsleven, eigen strevingen en doelen. Wordt de eigen aard en de eigen wil van de enkeling door de groep in principe erkend, dan verschijnt het recht, dat onder andere de grenzen vastlegt tot waar iemand zijn eigen wil mag volgen. Dit is voor het eerst duidelijk het geval in de Griekse en Romeinse samenleving. Mensen en groepen staan nu (op bepaalde levensgebieden) min of meer zelfstandig – en dus tot op zekere hoogte ook als concurrenten – zelfstandig – en dus tot op zekere hoogte ook als concurrenten – ten opzichte van elkaar.

Daarmee is de mogelijkheid van conflict gegeven in de zin van botsing van meningen of verlangens. Het recht is er om deze conflicten op te lossen. Kenmerkend daarvoor is het streven naar een vergelijk (afspraak, contract, overeenkomst); dit wordt gevonden door onderhandelen, eventueel met hulp van een (scheids-) rechter. Voorwaarde voor het gezond functioneren hiervan is, dat men elkaar als ‘partij’ erkent, dat wil zeggen dat de ander als medemens hetzelfde recht heeft om net als ikzelf, te denken en ‘iets te willen’ – en bovendien in de wetenschap, dat men daarna met of naast elkaar verder zal moeten leven. Waar dat niet het geval is kan het conflict overgaan in vijandigheid en strijd, doordat een of beide partijen eigen meningen en belangen trachten door te drukken.

Tenslotte kan een derde vorm van samenleven – wederom na een overgangstijd – worden bereikt, wanneer ‘volwassen’ personen (zelfstandig, ervaren, verantwoordelijk) zich aaneensluiten en gaan samenwerken aan een gemeenschappelijk doel. Dan ontstaat opnieuw een (wederzijdse) afhankelijkheid, niet meer van een reeds aanwezige autoriteit, maar van het aanvaarde doel en de daartoe in het leven geroepen organisatie. Die situatie geeft aanleiding tot een ander soort conflicten, bijvoorbeeld over de interpretatie van dat doel, het te voeren beleid, de ‘wetgeving’, de vorm van de organisatie of de wijze van werken; dus over het beleid en de inrichting van een boven de individuen uitgaand geheel. Dat vraagt namelijk om het oplossen van problemen of het nemen van besluiten door middel van overleg, dat wil zeggen het samen op zoek gaan naar nieuwe antwoorden. Constructief overleg is creatief. Lukt dit, dan komt iets tot stand, dat geen van de medewerkers geheel alleen kon voorzien of oplossen. Voorwaarde voor het gezond functioneren hiervan is het vertrouwen in de capaciteit van anderen om iets tot dat doel te kunnen bijdragen. Kan een groep een dergelijke constructieve aanpak niet opbrengen, dan ontstaan de genoemde interne conflicten tussen personen of deelgroepen.

We hebben nu drie vormen of fasen van sociale ontwikkeling geschetst:

1. Oude gemeenschappen (zoals stammen) waarin de enkeling geheel opgenomen is in een natuurlijke groep (zoals het kleine kind in het gezin).

2. Naast elkaar levende personen of groepen met een lossere gemeenschappelijke band, die hun onderlinge verhoudingen door rechtsvorming regelen.

3. Samenwerkende groepen door zelfstandige individuen opgericht en in stand gehouden.

Elk van deze vormen heeft een zinvolle plaats in de gehele ontwikkeling en heeft zijn eigen wetmatigheden. De eigenlijke conflicten, die het samenleven verstoren, ontstaan pas, wanneer mensen het gedrag dat behoort bij de ene vorm in de andere binnenbrengen. Wat is daarmee bedoeld?

In de oude gemeenschap werd ‘afwijkend gedrag’ ‘gestraft’. De straf was – zolang die enkeling zich nog lid van de groep voelde – tegelijk verzoening (terugkeer van de verloren zoon). Verzoening is dus de ‘oplossing’ van de eerste vorm van ‘conflict’. Zodra echter mensen een ‘afwijkende mening’ gaan vertonen, dat wil zeggen zich losmaken van de waarden en geboden van de gemeenschap, wordt deze zelf aangetast en ontstaat pas een echt conflict, dat wil zeggen een strijdsituatie. De groep, die de geestelijke eenheid van alle leden wil handhaven, antwoordt op de bedreiging met straf; de enkeling is dan immers de zondaar (ketter), de trouweloze of de egoïst. De straf brengt echter geen verzoening meer, maar verbittering. De verwijdering van de groep wordt er alleen groter door. De afwijkenden trekken weg om een eigen gemeenschap te stichten, ze worden verbannen of vervolgd. Dit is een proces van emancipatie. De conflicten, die erdoor worden opgeroepen treden noodzakelijkerwijze op bij de overgang van de eerste naar de tweede fase van de sociale ontwikkeling. Je zou daarom ook van ‘emancipatieconflicten’ kunnen spreken. De hele geschiedenis is er vol van, eerst in de sfeer van de godsdiensten en de politieke macht, nu ook als ‘autoriteits-conflicten’ in de opvoeding en het arbeidsleven. Het individu is, in de ontwikkeling gezien, in dat geval de ‘voorloper’, terwijl de bovenstaande gemeenschappen achterhoedegevechten leveren – ook nu nog. Je kan ook zeggen: er zijn enkelingen die reeds een bewustzijnsvorm hebben die bij de volgende fase hoort (als persoonlijkheid), terwijl de meerderheid van de groep en (meestal) de gezagdragers aan een voor allen geldend systeem van waarden vast blijven houden.

Dat roept de vraag op hoe we met emancipatieconflicten constructief kunnen omgaan. Ik zou dat als volgt willen verwoorden:

– aanvaarden dat mensen verschillend (willen) zijn, anders gezegd:

– de innerlijke vrijheid om te verdragen dat zij anders denken, voelen of willen (tolerantie),

– hen een experimenteerruimte toestaan, die zij voor hun ontwikkeling nodig hebben.

Maar tegelijk:

– de daaruit volgende ‘geestelijke strijd ’ aanvaarden, de worsteling om wat waar, terecht, bruikbaar enz. is in een gegeven situatie, ‘

– de bereidheid de discussie aan te gaan, kritiek te geven en te ontvangen, dus zich of de ander te ‘confronteren’, anders gezegd:

– de ander niet veroordelen en verbannen – dat is de patriarchale houding van de oude gemeenschap, vaak herkenbaar aan verontwaardiging over het feit dat een ander kritiek durft te hebben,

– zich met de andere opvatting ‘uit-een zetten’, zonder de ander ‘eruit te zetten’.

Dit alles in de wetenschap, dat tegenstellingen voorwaarden zijn, dat mensen creatief worden en zich ontwikkelen – du choc des opinions…!

Dat zijn de kenmerken van een ‘vrij geestesleven’. De ‘oplossing’ van emancipatieconflicten is een vrij geestesleven; oplossen betekent hier dus niet: opheffen of verdoezelen, maar het conflict door confrontatie zichtbaar en door geestelijke strijd vruchtbaar maken.

Wat voor conflicten kunnen we bij de overgang van de tweede naar de derde vorm van de sociale ontwikkeling verwachten, zijn daarvoor ook kenmerken aan te geven?

De voortgang van het leven vraagt om een veelheid van organisaties om goederen te leveren, diensten te verzorgen of ontwikkelingen mogelijk te maken. Zelfstandig geworden individuen moeten daartoe initiatieven nemen, zich aaneensluiten en samen gaan werken. Het gevolg is een netwerk van feitelijke afhankelijkheden in en tussen werkgemeenschappen. Zoals we gezien hebben, brengt dit met zich mee de noodzaak tot overleg over beleid, vorm enz. van de organisatie. Van de mensen vraagt dit ‘sociale vaardigheid’ en een rijpe ‘volwassen’ instelling, berustend op innerlijke vrijheid en het aanvaarden van anderen als medewerker. Dat is meer en iets anders dan het zich als zelfstandig persoon kunnen handhaven in de samenleving.

Wanneer nu mensen de houding van op je ‘rechten staan’, besluiten via
onderhandeling tot stand brengen e.d. in de besluitvorming over de organisatie zelf onveranderd binnendragen, dan valt men als het ware terug tot het voorgaande stadium, waarin partijen persoonlijke meningen en (vermeende) belangen in concurrentie met elkaar tot geldig willen brengen. Omdat men echter voor de vervulling van deze wensen afhankelijk is van het voortbestaan van de organisatie – die men tegelijk ondermijnt – en daarom ook onderling afhankelijk blijft, raakt men bij deze conflicten op een merkwaardige wijze in de problemen en de onderlinge verhoudingen verstrikt.

Het is hier eigenlijk omgekeerd als bij de overgang van de eerste naar de tweede vorm: de nieuwe werkgemeenschappen hebben doelen en organisatievormen met een toekomstig karakter, terwijl de enkelingen ‘achterlopen’ in de ontwikkeling, dat wil zeggen nog niet in staat zijn waar te maken wat zij eigenlijk willen en wat de situatie vraagt.

De vraag is nu, hoe we voor deze ‘samenwerkingsconflicten’ vruchtbare oplossingen kunnen vinden.

Uit het voorgaande volgt het al: aanleiding tot dit soort conflicten is het onvermogen van mensen, dat wil zeggen gebrek aan inzicht, kunnen en houdingen ten aanzien van het veld waarin zij handelen, het vormgeven van organisaties, omgaan met mensen enz. Het gaat dus om leerprocessen van mensen! Men kan ook zeggen: het omgaan met conflicten is een agogisch vraagstuk, het is tegelijk ontwikkeling van de mensen en van de organisaties. Omgaan met emancipatieconflicten is dus meer: zich begeven in de sfeer van confrontatie en strijd, terwijl het bij samenwerkingsconflicten vooral gaat om het verzorgen van ontwikkelingsprocessen.

De oplettende lezer zal hier iets herkennen van het probleem van het zogenaamde conflict- en harmoniemodel. Dit blijft veelal in een onvruchtbare controverse steken. Het blijkt dat de voorstanders van het conflict zich sterk betrokken voelen in een emancipatieproces – met alle emoties van dien; de voorstanders van harmonie zijn meestal degenen, die zich verantwoordelijk voelen voor de goede gang van zaken in een samenwerkingsverband. Beide neigen tot de éénzijdige opvatting dat alle vormen van conflict of alleen confronterend of alleen harmoniserend benaderd moeten worden. Daarover zou nog veel meer te zeggen zijn. Ik beperk me tot de opmerking, dat het begrip ‘harmonie’ meestal onjuist gebruikt wordt. Harmonie wordt niet bereikt met door verschillen uit te wissen of alle opvattingen op één na uit te sluiten om eenheid te bereiken – dat zou alleen maar een schijneenheid zijn – maar door de verschillen vruchtbaar te maken, zodat ze (op hoger niveau) samenklinken en elkaar versterken. Dat ziet men pas gebeuren als het boven beschreven proces van ontwikkeling van mensen en organisaties op gang gekomen is en vruchten afwerpt. In Jonas 19 wil ik nader ingaan, op de vermenging van rationele en niet rationele conflicten.

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

2048

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool

.

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

                        uit/in het archief

 

Niet alleen in de jaren ’60, ’70 van de vorige eeuw, zelfs in de jaren ’80 nog, bestond er bij sommige (vrijeschool)mensen nog een strijdvaardig enthousiasme voor meer ‘vrijheid van onderwijs’. 

Wat door Steiner als een grote opdracht werd gezien: staan voor vrijheid in het geestesleven, d.w.z. geen overheidsbemoeienis met de inhoud – is door de vrijeschoolorganisatie in Nederland verwaarloosbaar opgepakt en losgelaten.

Geluiden in die richting komen nu van buiten de vrijeschool: van juf Naomi Smits bv.: ‘Leraren, het is tijd om de regie over te nemen‘. 
Zij vertoont iets van ‘rebellie’, die de vrijeschoolorganisatie op goede gronden ooit vertoonde en die m.i. een speerpunt kan zijn voor de komende jaren – zou moeten zijn – als je Steiner  en zijn vrijeschool serieus neemt.

Naomi Smits zegt: ‘Voortasan weigeren we om groepen van meer dan dertig kinderen les te geven’. 

Ik weet niet of en hoeveel bijval mevrouw Smits heeft gekregen vanuit de vrijeschoolbeweging…..

In 1987 vonden er nog bijeenkomsten plaats met mensen als Jack Moens, Mouringh Boeke e.a., die zich met grote energie inzetten voor de zo bij de vrijeschool horende vrijheid.

Opmerkelijk is het pleidooi van Boeke om ‘een beweging te worden vóór vrije scholen, i.p.v. ‘van vrije scholen’.
In mijn optiek is er nu eigenlijk geen sprake van ‘een beweging’: voor de vrijheid van onderwijs wordt door vereniging van vrijescholen nauwelijks ‘een beweging’ gemaakt: voor beweging is wilskracht nodig en die ontbreekt!

Een verslag van zo’n bijeenkomst:

VERSLAG van de landelijke bijeenkomst van de Vrije Schooibeweging op 27 september “87

Tijdens deze landelijke bijeenkomst werden er ’s ochtends twee inleidingen gegeven, door Jack Moens (voorzitter van de Bond van Vrije Scholen) en Mouringh Boeke (leraar en lid van de Werkgroep Vrijheid van Onderwijs). Vervolgens werd er in verschillende groepen uiteengegaan om het naar voren gebrachte te bespreken met elkaar, en om ons gezamenlijk te verdiepen in de ontwikkeling van de sociale impuls in de Vrije Schooibeweging. ’s Middags werd dit gesprek plenair voortgezet.

Inleiding van Jack Moens

Jack Moens begon zijn inleiding met het richten van de blik op de toekomst.

Het is een algemeen beleven om het naderen van het jaar 2000 onder ogen te willen zien en inhoud te willen geven aan de ontwikkeling daarnaar toe.

In het jaar 2000 zijn onze kinderen volwassen. Zij geven dan mede vorm aan de maatschappij. Deze toekomst hebben we allen gemeenschappelijk: ouders en leraren, ook buiten de Vrije Scholen. De vraag is, hoe moet onze generatie deze toekomst voorbereiden: de vormgeving van de maatschappij van de toekomst?

Rudolf Steiner heeft hiertoe in 1919 de beweging voor sociale driegeleding in het leven geroepen. Wat bewoog Rudolf Steiner toen; en waar staan wij nu voor ? Een van de beginpunten vanwaaruit deze beweging ontstond,was: er is een trend in het menselijke, sociale bewustzijn het effect van mijn opmerking of handeling voor de andere mens niet te zien. Rudolf Steiner wees erop dat het noodzakelijk is om te weten hoe je een brug moet bouwen.

In het sociale leven is het effect van het handelen, voor de andere mens, onzichtbaar, terwijl de medemens eronder kan lijden.

Een voorwaarde voor de nieuwe tijd is: het effect van ons handelen leren waarnemen; voelend en willend leren waarnemen. Deze vermogens moeten ontwikkeld worden, anders ontstaan er grote conflicten, en loopt de samenleving dood.

Rudolf Steiner moest het in zijn tijd opnemen tegen tendenzen van dogmatisch denken, het marxisme, het taylorisme. Het natuurwetenschappelijke bewustzijn dat aan deze ontwikkelingen ten grondslag ligt, zou als houding juist overgenomen moeten worden: innerlijke exactheid, zuiver waarnemen. Maar om de werkelijkheid te bevatten moet het bewustzijn verhoogd worden tot de geestelijke wereld.

Naast dit punt is het tweede gezichtspunt, dat de mens op weg is om mondig te worden, te emanciperen.De individuele mens verzelfstandigt van groep of klasse. Rudolf Steiner verwoordde deze ontwikkeling in de sociologische basiswet: de toenemende individualisering van de mens, die erkend moet worden. Anders ontstaan er spanningen in het sociale leven.

Het derde gezichtspunt heeft betrekking op de economie. De economie wordt wereldeconomie. Hier geldt de wet van de arbeidsdeling: wederzijdse afhankelijkheid op wereldschaal. Als het egocentrisme niet overwonnen wordt, leidt dit tot sociale problemen. Rudolf Steiner plaatst hier de impuls van de broederschap. Men moet hier zoeken hoe je omgaat met specialismen, met de arbeidsdeling. Er bestaat een netwerk van afhankelijkheden. Hiervan moet men zich bewust worden, om er anders mee om te kunnen gaan.

In onze tijd is de vraag: wat zijn de verwachtingen vanuit deze gedachten na zestig jaar? Hoe kijk je naar de toekomst? Er is veel gebeurd!

Tijdsfenomenen:

Het geestesleven is gekenmerkt door ontkerkelijking en het zoeken naar identiteit. De vraag naar persoonlijke zingeving is aan de orde. Ontwikkleingen in wetenschap en kunst zijn gekenmerkt door hun grensoverschrijdend karakter. Hiertegen komt een tegencultuur op: een drang terug te gaan naar de wortels, het fundamentalisme. Maar ook: vertrossing, mediacultuur, genenmanipulatie, aurafotografie.

In het onderwijs gebeuren de verschrikkelijkste dingen. Het fenomeen van de “Totgebildeten” treedt op: mensen die door het onderwijs dood-gevormd zijn.

Het hoofd is zó eenzijdig ontwikkeld, dat het gevoel en de wil bijna afwezig zijn. Het onderwijs is een exponent van een kijk op het geestesleven, die zó veruiterlijkt is, dat opvoeden alleen nog informatie-overdracht is. De ontwikkelingen zullen zo gaan lopen dat scholen alleen nog beoordeeld worden naar hun out-put. Het gaat erom wat er uit komt: out-put controle. Betaling zal dan geschieden naar het aantal kinderen dat geslaagd door het examen komt. Onderwijs wordt steeds meer contract-onderwijs: scholen doen van alles ernaast om geld binnen te krijgen. Veel beroepsscholen hebben dit contractonderwijs al.

In het geestesleven zijn veel machten aan het werk om de doorbraak naar de  geest te voorkomen.

In het rechtsleven zijn er met name in Nederland vanaf de zestiger jaren grote ontwikkelingen. De emancipatorische beweging drukt haar stempel op de tijd. De mens voelt zich mondig, wil zichzelf zijn. Tegelijk is er de trend van verzakelijking, nuchterheid, no-nonsense, automatisering. Er wordt strijd gevoerd tegen de bureaucratie; de ontplooiing wordt dwarsgezeten.

Het ideaal lijkt te zijn: de mens van buitenaf gestuurd, geordend, als ware hij een machine. De menselijke verhoudingen verdinglijken, worden een systeem, een apparaat.

Hiertegeover kan men stellen, dat mensen in groepen met elkaar gaan werken.

Dit moet een keuze zijn. De mens moet de andere mens willen ontmoeten. In het ontmoeten ontstaat dan het recht: dat wat als rechtvaardig beleefd wordt.

In de economie is kenmerkend de opkomst van de technologie. Er is een tendens terug te gaan naar kleinschaligheid. Er is een economische jungle. Ook de economie vraagt zich af wat kwaliteit is.

We leven in een tijdperk van keuzes. Door mensen heen voltrekt zich de toekomst. Trends zijn geen echte keuzes. Hoe het jaar 2000 eruit ziet,hangt af van onze keuzes. Wat is onze keuze? Alleen pedagogisch gericht werken, of ook maatschappelijk? Dit is een vraag aan ouders en leraren: zij moeten samen naar de toekomst kijken. Daarbij moet onderzocht worden wat voor consequenties dit heeft voor het samenwerken.

Inleiding van Mouringh Boeke 

Om te beginnen maakte Mouringh Boeke een grote beweging door de geschiedenis.

Een lange periode tot ongeveer 1917 wordt erdoor gekenmerkt dat in de beschaafde wereld een denkwijze binnenkomt, die we kennen als de natuurwetenschappelijke denkwijze. Deze gaat gepaard met een mentaliteit, welke de natuur wil gebruiken, wil beheersen. Die wetenschappelijke richting heeft een andere richting tegenover zich gevonden, welke gerepresenteerd werd door Goethe en talloze anderen.
Zij stonden met een houding van eerbied tegenover de natuur,en probeerden een andere wetenschap te ontwikkelen.
Deze stroming is langzaam weggevaagd van het toneel.
De westerse wetenschap stelde minder eisen, vroeg minder zelfdiscipline. Uit het westen stamt een ontwikkeling die gericht is op nutsdenken en economische groei. Duitsland neemt deze ontwikkeling over en wordt een economische macht tegenover Engeland, er ontstaat een permanente concurrentie tussen Engeland en Duitsland.
In 1914, als de Eerste Wereldoorlog losbarst, staan Engeland en Duitsland op gelijke hoogte wat betreft de exporthandel.
Na de oorlog, in 1918. komt Rudolf Steiner met de Memoranda en met het boek “Die Kernpunkte der sozialen Frage”, naar de leiders en naar het volk.

Het ging er toen om of er een geestelijke capitulatie geleden zou worden of niet. Uiteindelijk is dit wél gebeurd. De sociale impuls die Steiner gaf is niet opgepakt. Echter:aan het eind van de eeuw zou er een nieuwe kans kunnen komen voor de sociale driegeleding.

De tweede fase wordt erdoor gekenmerkt dat Amerika op het wereldtoneel verschijnt. ropa is politiek uitgeteld na 1945. Wat in het denken, in het bewustzijn is voorbereid, wordt ook politiek een werkelijkheid: de uitschakeling van Europa. De heerschappij uit het westen wordt tot in de economie uitgebreid.
Europa wordt een wingewest van Amerika. Vanuit het westen komt een economische manier van denken, waarin alles wordt beleeft in termen van de economie.
De wetenschap heeft zichzelf uitgeschakeld. Kennis is nog slechts experimentele kennis. Het onderwijs wordt op de economie gericht: de kinderen moeten geschikt gemaakt worden voor de arbeidsmarkt. Deze manier van denken wordt concreet uitgewerkt en komt tot uiting in de Wet op de basisvorming.

In 1917 geeft Rudolf Steiner twee memoranda aan de regeringen van Duitsland en Oostenrijk. Zijn voorstellen behelzen een radicaal breken met de oude staatsvorm, en het aanbrengen van een duidelijke scheiding tussen rechtsleven, economie en geestesleven. De staat zou een magere staat moeten worden, zonder bemoeienis met de twee andere gebieden.

In 1919 richt Rudolf Steiner zich op het brede publiek: ieder mens moet zich scholen in het denken over het sociale leven. Het is een zaak van de individuele mensen geworden; het heeft geen zin meer om met ministers of kamerleden te praten.  Achter de schermen zaken regelen, is nu voorbij. We moeten de stap zelf vervolgen van 1917 naar 1919. Het gaat nu om ieder van ons individueel.

Wat was de bedoeling van de “Kernpunkte”? Het sociale leven stelt grote opgaven. We moeten wegen zoeken waaraan nog niet gedacht is. Het niet-denken is het grondprobleem van deze tijd. Doelbewust sociaal willen is.niet opgebracht door de mensen. Door middel van de “Kernpunkte” kunnen we een denken leren, wat we eigenlijk willen – en tot stand kunnen brengen.

Het sociale organisme moet geleed worden in drie gebieden,  waardoor er geen machtsleven meer heerst.

Het economisch leven is geen doel op zichzelf. Dit berust op overleg, zonder machtsverhoudingen. De zin van het economisch leven bestaat eruit dat we kunnen leven van wat er geproduceerd wordt, en aan het geestesleven kunnen deelnemen .

Het rechtsleven zou een werkelijke democratie moeten zijn, waarin de gelijkheid verwerkelijkt zou worden. De andere mens moet hier als gelijke benaderd worden.

Het gaat niet om het gelijke van deze of gene stroming: alle mensen hebben gelijke rechten. Het samenleven is op het recht gebaseerd. De staat zelf is heel mager: zij zorgt voor bijv. de veiligheid, de politie e.d. Er zouden geen rechten op productiemiddelen behoren te bestaan, dan alleen datgene wat nodig is om het productiemiddel te brengen aan mensen die het terecht hanteren.

Het geestesleven leeft in onze voorstelling meestal allereerst in haar gestalte van pluriformiteit van stromingen, bijvoorbeeld als pluriformiteit in onderwijsstromingen. In het begin is dit er natuurlijk wel, maar dit is een doorgangsstadium. Er ontstaat een gesprek over wat er gebeurt bij de opvoeding: in de loop van de ontwikkleing die mogelijk is in een vrij geestesleven wordt dit een steeds zakelijker gesprek, gericht op de vraag waar het om gaat. Dit gesprek moet op de zaak zelf waarover het gaat gevoerd kunnen worden, zonder dat daarop iets van buitenaf op inspeelt.

Wat belangrijk is nu:

* de fraseologie.de mooie woorden waar niets achetr steekt moeten we loslaten: onze taak is om de frases te doorbreken. de dingen zó te noemen als ze zijn. Zo zouden wij onszelf een beweging vóór vrije scholen moeten noemen, en niet van vrije scholen.We zouden de moed moeten hebben om onze naam te veranderen

* tot innerlijke consistentie komen binnen de beweging. We zullen met kracht aan het sociale vraagstuk moeten gaan staan. Naar buiten toe zal er een consistent beeld moeten komen van datgene waar wij voor staan.

* In de samenleving zijn er veel mensen die weten wat er aan de hand is. Velen wachten op duidelijkheid om op te kunnen treden. De leidende tendenzen gaan in de richting, om de mensheid nu definitief te pakken te krijgen. Wij moeten ook op de kern van de zaak komen. Veel meer mensen zitten te wachten op duidelijkheid. Als wij vanuit een consistente visie zouden optreden, zouden we de zaak van het onderwijs, en de toekomst beter kunnen dienen.

.

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1997

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschool en vrijheid van onderwijs (2-10)

.

Roel den Dulk, in schoolkrant, nadere gegevens ontbreken
.

DE VRIJE SCHOOL ALS ONDERDEEL VAN DE SOCIALE DRIEGELEDINGSBEWEGING

Regelmatig wordt de vraag gesteld, wat dat “vrije” in de benaming van onze schoolbeweging betekent. Misverstanden hierover zijn er alom bij de buitenwacht.
Is het een laatste stuiptrekking van de ant-autoritaire beweging uit de jaren zestig, of zeventig? Of heeft het te maken met het vele vrije spel dat we in onze kleuterklassen zo belangrijk vinden?

Als vrijeschoolouder weet je wel beter. Anti-autoritair is onze school beslist niet.

En het vrije spel gaat ook echt niet door tot in de twaalfde klas, zodat dit een  rechtvaardiging voor de benaming van onze scholen is.

Wat betekent dat “vrije” dan wel?

Om een antwoord te geven op die vraag moeten we teruggaan naar het einde van de Eerste Wereldoorlog.

Dr. Rudolf Steiner gaf na de Eerste Wereldoorlog impulsen voor. de start van een nieuwe maatschappijstructuur. Alhoewel hij nooit officieel door de toemalige regeringsinstanties bij de politiek van die dagen werd betrokken, zijn er zowel vanuit de Oostenrijkse als vanuit de Duitse regering privé-verzoeken tot hem gericht, om zijn visie op de maatschappij en de toekomst van de maatschappij te geven.

Als antwoord gaf Rudolf Steiner zijn driegeledingsgedachte van het maatschappelijke organisme.

De idee van deze zogeheten sociale driegeleding is dat het staatsgezag (de overheid) zich in hoofdzaak dient bezig te houden met het in stand houden van de rechtsorde. Met andere woorden, de overheidstaak is het handhaven van het recht en de sociale orde, waarbij uitgegaan moet worden van een gelijkheid van ieder burger voor de wet.

De staatsbemoeienissen moeten zich echter niet uitstrekken over het culturele, geestelijke vlak enerzijds en over de economische ontwikkeling anderzijds.

De economische ontwikkeling dient voort te komen uit een rechtstreekse geïnteresseerdheid van producenten in consumenten en omgekeerd. Er zullen associaties en producenten/consumenorganisaties ontstaan, met als uitgangspunt en doel een ver doorgevoerde integratie van economische belangen en behoeften.
Hierbij kunnen in feite landsgrenzen “vervagen” ze” mogen in ieder geval niet belemmerend werken. Een niet door de staat geleide economie, die werkelijk is gebaseerd op zowel consumenten- als producentenbelangen, zal leiden tot broederschap op het economische vlak.

Op cultureel, geestelijk gebied (waartoe zowel kunstzinnige en godsdienstige als pedagogische en wetenschappelijke activiteiten behoren) dient een individuele vrijheid te ontstaan. De ontplooiingsmogelijkheden van elk individu moeten gerechtvaardigd en eerbiedigd en benut worden, zonder dat de staat haar wil oplegt. Er zal dan een ver doorgevoerde differentiatie op cultureel gebied plaatsvinden.

Deze splitsing in drie gebieden waar een andere wetmatigheid geldt, is geen splitsing die de mensen in vakjes indeelt. Integendeel: iedereen heeft met alle drie de terreinen te maken. Een leerkracht bijvoorbeeld dient weliswaar in vrijheid te kunnen werken; hij is echter voor zijn eigen behoeftenbevrediging afhankelijk van het sociale, economische leven dat berust op broederschap; en als staatsburger is hij onderworpen aan de democratische wetten van zijn land waarvoor hij gelijk is aan elke andere staatsburger.

Helaas vond deze driegeledingsgedachte van Rudolf Steiner weinig gehoor bij de regeringen van Oostenrijk en Duitsland. Vond men het een utopie of had men niet de moed om een werkelijk nieuwe koers te gaan volgen? In ieder geval heeft de geschiedenis geleerd dat de wel ingeslagen weg tenslotte heeft geleid tot een economische, malaise en een Tweede Wereldoorlog..

Wel ontstonden op kleine schaal initiatieven die de driegeledingsgedachte als uitgangspunt (of als doel) haddden. Vele van deze initiatieven zijn een vroege dood gestorven. Andere zijn nooit tot volle ontplooiing gekomen.

Maar tussen al deze iniatieven is er één geweest dat wel aansloeg en dat wel levenskracht bleek te hebben.

Dat is de oprichting van de eerste Freie Waldorfschule in 1919 in Stuttgart, op verzoek van de directeur Emil Molt van de Waldorf-Astoriasigarettenfabriek.

Emil Molt zag het belang in van onderwijs aan kinderen van fabrieksarbeiders, waarbij ze niet opgeleid werden tot onmondige “radertjes in het productieproces”, maar tot vrije, zelfstandig denkende mensen, die een volwaardige plaats in de maatschappij van de toekomst zouden kunnen innemen, ongeacht of ze later in de fabriek of op de universiteit terecht zouden komen.

Dit verzoek om een school waar kinderen zich werkelijk vrij cultureel en maatschappelijk kunnen ontplooien, is de start geweest van de gehele internationale vrijeschoolbeweging.

In de huidige situatie betekent dit dat de dreiging levensgroot aanwezig is, om compromissen te moeten sluiten.
En al is het vaak moeilijk in elk land weer om andere redenen om volledig te: kunnen werken vanuit het principe van een onafhankelijk, vrij cultureel, pedagogisch instituut, zonder staatsbemoeienis, toch moeten we er met zijn allen zeer sterk van bewust zijn, wat het belang is van ons vrije onderwijs, en wat dat vrije daadwerkelijk inhoudt. Voortdurend worden er aanslagen op die vrijheid gepleegd. We behoeven bijvoorbeeld maar te denken aan de wet integratie kleuter- en basisonderwijs, waarbij het vrijegeestesleven dreigt te worden belemmerd door het ingrijpen van de overheid, die bij de driegeledingsgedachte alleen het rechtsleven zou moeten besturen.

Het mag namelijk nooit de kant uitgaan, dat de vrijeschool haar eigen identiteit verliest. Want juist doordat bij ons de kinderen niet worden klaargestoomd volgens de normen die de huidige maatschappij (vertegenwoordigd door de overheid) stelt, maar daarentegen in hun eigen individualiteit worden aangesproken, zodat ze later als vrije, creatief denkende en handelende individuen in een maatschappij komen die van hén afhankelijk is, zullen zij misschien in de toekomst datgene mogelijk maken wat nu nog niet mogelijk blijkt te zijn.

Literatuur over de sociale driegeleding in het Nederlands

In het Nederlands is niet zo gek veel literatuur verschenen over de sociale driegeleding. Degenen, die echter meer hierover willen lezen raad ik aan de boekjes van dr. A.H. Bos, prof. D, Brüll en Mr.A.C. Henny te lezen. Deze vier deeltjes (“De drieledige maatschappijstructuur’, “Maatschappijstructuren in beweging“, “Terecht of onterecht” en “Leven met afhankelijkheden“) bevatten korte, uitermate practische artikelen. 

Rudolf Steiner: De kernpunten van het sociale vraagstuk (GA 23)

Vrijeschool en vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1911

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid (7-1/6)

.

In de jaren ’75-’76 van de vorige eeuw leefde de idee van de sociale driegeleding in de vrijescholen veel meer dan nu. Met name de vrijheid van inrichting van het vrijeschoolonderwijs kwam door de regeringsplannen steeds meer onder druk te staan. 
De Amsterdams Geert Grooteschool was actief op het gebied van de ‘onderwijsvernieuwing’. Er worden allerlei bijeenkomsten georganiseerd en in de schoolkrant verschenen allerlei artikelen.

Er werd o.a. stil gestaan bij wat ‘vrijheid’ kan betekenen.

Een aantal van deze artikelen over vrijheid – hoewerl ik de reeks niet compleet heb – zal hier volgen.
.

Annet Schukking, Geert Grooteschool Amsterdam, okt.1975
.

vrijheid

In onze schoolbeweging kom je nogal eens het woordje “vrij” tegen; vrije school, vrije opvoedkunst, vrije pedagogische academie, vrije hogeschool enz.
Wat wordt met dat begrip “vrij” nu eigenlijk bedoeld? Ouders vragen hier vaak naar.

Om wat voor soort vrijheid gaat het hier nu eigenlijk?

Het woord ‘vrij’ klinkt ons over het algemeen sympathiek in de oren, het wekt op, houdt een belofte in – de mogelijkheid tot veelvoudige keuze. De kinderen juichen als zij vrij krijgen, ook al vinden ze het helemaal niet naar op school. Maar ook wij, volwassenen, zijn – zij het ook beheerster – blij met vrijheid. Het verlangen naar vrijheid zit ons merkbaar in het bloed.

Toch is het bezit van vrijheid helemaal niet zo vanzelfsprekend, In vele gevallen wordt deze ontkend, geloochend, betwist of ontnomen. Dit kan op allerlei gronden gebeuren.

Misschien is het daarom wel interessant dit veelomvattende en veel omstreden ideaal eens van verschillende kanten te bekijken. Uit die overweging hebben wij het voor dit schooljaar als thema voor het Maandbericht gekozen, wel wetende dat het geen eenvoudig thema is – er zijn dikke en moeilijke boeken over volgeschreven! Maar mogelijk kunnen we – en dat kan dan niet anders dan aforistisch zijn, voor wie er meer van wil weten is er de desbetreffende literatuur- wat bijeen brengen waardoor we iets meer zicht krijgen op onze vrijheidsdrang -en op de waarde daarvan.

In het septembernummer [niet op deze blog] hebben we dit thema al aangelopen vanuit de Nederlandse volksaard en vanuit het beeld van de verloren gegane fysieke bewegingsvrijheid; door de steeds toenemende inperking van onze ruimtelijke vrijheid. Die echter samengaat met een tegenovergestelde tendens – de ontwikkeling en groei van een innerlijk beleefde vrijheid, , .

filosofische uitgangspunten

Er was een tijd dat de filosofie als wetenschap hoog aangeschreven stond. Zij doortrok als het ware alle andere wetenschappen. In onze tijd is aan de filosofie weliswaar nog een plaats ingeruimd op de universiteiten, maar waarschijnlijk is het de kleinst bezette faculteit – het studeren van filosofie wordt bijna als een hobby beschouwd.

Interesseert ons in het algemeen de filosofie als wetenschap niet meer – zij beheerst ons wel. Zonder het zich altijd bewust te zijn, leven velen van ons onder de invloed van een bepaalde filosofie en wel van die van Emanuel Kant.

Hoewel Kant al in de 18e eeuw (in Duitsland) leefde en werkte en er na hem andere belangrijke filosofen geweest zijn, staat het hedendaagse wetenschappelijke denken nog steeds voor de grens, die Kant getrokken heeft. En ook al bespeurt hij dat niet, voor vrijwel iedere al dan niet academisch opgeleide burger geldt, dat zijn individuele denkbeelden in hoge mate mee gevormd worden door datgene wat aan “de” wetenschap als filosofie ten grondslag ligt.

Als een sneeuwkap die van een berg geleidelijk omlaag zakt, langzaam smelt, zich omvormt in water en daarna een heel gebied doordrenkt, zo werkt na lange tijden nog door wat van de toppen der wetenschap is neergedaald.

Er is in 1894 een boek geschreven, getiteld “Filosofie der Freiheit“, waarvan de auteur gezegd heeft dat dit ene werk van zijn gehele oeuvre het langste zijn waarde zou blijven behouden. Je vraagt je dan natuurlijk dadelijk af; waarom? Waarom alleen en juist dit? Het antwoord lijkt te zijn, dat in dit boek geen occulte gegevens verwerkt zijn – het is een strikt wetenschappelijk werk in de zin die aan ‘wetenschap’ wordt toegekend. Het is een voortzetting van de lijn, die begint bij Plato en sluit aan bij hetgeen door de eeuwen door de belangrijkste filosofen is ontwikkeld en met name door Kant als de meest invloedrijke.

Wat is filosofie? In het Nederlandss wijsbegeerte. Een prachtige uitdrukking; begeerte naar wijsheid! Zelfs naar de allerhoogste wijsheid – de wijsheid die in alle verschijnselen verborgen ligt. Deze wijsheid te kunnen omvatten met het eigen denken kan werkelijk een begeerte zijn! .

In “Mijn levensweg” beschrijft Rudolf Steiner hoe hij als middelbaar scholier met de werken van Kant in aanraking kwam. Deze beschrijving geeft een karakteristiek beeld van de persoonlijkheid van (de jonge) Steiner en maakt al de kiem zichtbaar van zijn latere filosofische ontwikkeling. Nadat hij zich al een paar jaar (in de 3e en 4e klas!) had bezig gehouden met het vraagstuk hoe je denkend tot het wezen van de natuurverschijnselen kunt doordringen, zodanig dat er een overeenstemming ontstaat met wat je er innerlijk aan beleeft, kwam hij op een dag langs een boekhandel en zag in de etalage Kants “Kritik der reinen Vernunft” liggen.

Hij kocht het onmiddelijk omdat de titel hem intrigeerde – van Kant wist hij nog totaal niets- hij wilde alleen weten hoe je met je pure menselijke verstand de dingen kon doorgronden. Omdat hij weinig tijd had om te lezen -hij was dagelijks 3 uur onderweg van huis naar school en vice versa en moest ’s avonds nog huiswerk maken- bedacht hij een manier om toch aan zijn trekken te komen. Hij haalde de “Kritik” uit elkaar, legde de losse blaadjes in zijn geschiedenisboek en las ze op school tijdens de les. Kant – zo schijft hij ter verontschuldiging – de geschiedenisleraar deed in die les niets anders dan het boek citeren, dus kon hij dat ook thuis nalezen. De les stelde verder niets voor. Deze filosofische zelfstudie, die Steiner in de vakanties voortzette, had dan ook geen nadelige invloed op zijn rapportcijfer en, zoals hij er nog aan toevoegt: hij hinderde er niemand mee.

Vermakelijk is in dit verband nog een kleine anekdote, eveneens karakteristiek, maar voor een heel andere instelling.
Enkele tientallen jaren later werd Rudolf Steiner, toen reeds een vermaard spreker, uitgenodigd om voor een groep hoogleraren aan de universiteit van Amsterdam een voordracht te houden-. In de discussie die op deze voordracht volgde, werd hij door één van de toehoorders op de vingers getikt met de opmerking: hij moest Kant eerst maar eens bestuderen!

Rudolf Steiner vond bij Kant echter geen antwoord op zijn vraag. Hij heeft later in zijn ‘’Filosofie van de vrijheid” uiteengezet op welk punt de filosofie van Kant is vastgelopen en daaraan een nieuw perspectief voor de verdere ontwikkeling van deze wetenschap toegevoegd.

Wat is nu het kritieke punt in de filosofie van Kant? Heel kort gezegd komt het hierop neer: de mens neemt door zijn zintuigen de wereld om zich heen waar. Deze waarnemingen vormen zich, volgens Kant, in zijn innerlijk tot voorstellingen. Op deze voorstellingen is ons denken over de wereld gebaseerd. In ieder mens leeft een individuele voorstellingswereld. Volgens Kant is er echter niets wat ons garandeert, dat deze voorstellingswereld klopt met de werkelijke wereld, met het eigenlijke wezen van de dingen om ons heen. Onze voorstellingen hebben daarom geen of weinig waarheidsgehalte. Door het denken kunnen wij dan ook geen toegang krijgen tot het wezen van de dingen zelf – het: “Ding-an-sich” blijft verborgen. Wat zich door de waarneming in ons tot voorstelling vormt is een schijnwereld ten opzichte van de eigenlijke achtergronden. Ons eigenlijke kennen staat daardoor voor een grens, die niet overschreden kan worden. Wij moeten erin berusten dat er twee werelden bestaan; degene die wij waarnemen en waarvan wij ons een voorstelling maken en met behulp waarvan wij thesen bouwen, wetenschap ontwikkelen, techniek voortbrengen én degene die de werkelijke wereld is en die wij in wezen niet kunnen kennen. In vakterm: een dualistische wereldbeschouwing.

Wat zijn nu voor de ontwikkeling van de wetenschap en het maatschappelijk leven de consequenties geweest van deze dualistische wereldbeschouwing?

.

Meer artikelen van Annet Schukking over vrijheid in

Sociale driegeleding: alle artikelen onder nr. 7

.
Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

.

1890

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

4

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (10-3)

.

Vandaag is het 100 jaar geleden dat er officieel een einde kwam aan Wereldoorlog 1.

40 jaar geleden schreef Arnold Henny in het blad Jonas een serie artikelen over Europa. Hij besteedde ook aandacht aan de Vrede van Versailles – toen 60 jaar geleden. 
Het moge bekend zijn dat Rudolf Steiner zich in 1919 inzette voor de wereldvrede door zijn concept van een driegelede maatschappij. 
Toen hiervoor weinig tot geen belangstelling werd getoond, waarschuwde hij voor een nieuwe catastrofe.

De vraag waar Europa vandaag de dag staat in het geheel van staten en volkeren, is nog even actueel als Henny 40 jaar geleden constateert.

 

A.C.Henny, Jonas 22, 29 juni 1979

.

Zestig jaar na de vrede van Versailles   
28 juni 1919

 

Voor sommige historici ligt het begin van de 20e eeuw niet bij het jaar 1900 maar bij het jaar 1919, het einde van Weldoorlog I. Daarmee wordt dan een periode afgesloten, die bekend staat als het ‘tijdperk der zekerheden’. Zekerheden op godsdienstig gebied: dank zij de autoriteit van de Kerken als behoeders van een morele orde. Zekerheden op economisch gebied, dank zij de ‘autoriteit’ van de gouden standaard als behoeder van stabiliteit van lonen en prijzen. Zekerheden op staatkundig gebied, dank zij de autoriteit van gekroonde vorsten als behoeders van de stabiliteit in nagenoeg alle landen van Europa.

Na 1919 wordt dat anders. Typerend hiervoor zijn de woorden van Lord Grey, minister van buitenlandse zaken in Engeland, op de avond van de Engelse oorlogsverklaring aan Duitsland, 3 augustus 1914: ‘Op dit ogenblik gaan in geheel Europa de lichten uit en niemand die vandaag leeft zal ze ooit weer zien schijnen ’.

Wat hij precies hiermee heeft bedoeld, zal de generatie die na 1919 in Europa opgroeit pas beseffen: de betrekkelijkheid van alle zekerheden die de 19e eeuw bood. Deze generatie heeft in revoluties eeuwenoude vorstelijke dynastieën zien vallen, zij heeft een geldontwaarding beleefd die alle spaargelden waardeloos maakte, zij heeft leren twijfelen aan eeuwenoude gevestigde opvattingen. Toch leefde zij, vlak na 1919, in een tijd van grote verwachtingen. Men was vervuld van geloof, de maatschappij te kunnen veranderen, hetzij door opvoeding, hetzij door verwerkelijking van sociale heilsverwachtingen.

Zo’n heilsverwachting was bijvoorbeeld het door president Wilson verkondigde ‘zelfbeschikkingsrecht der volkeren’. Waren niet op grond van déze toekomstverwachting, de Verenigde Staten in 1917 de oorlog ingegaan? Dat blijkt wel uit de woorden van Wilson, gericht aan het Congres na de oorlogsverklaring:

‘Ons doel is, de grondslagen van de vrede en van de gerechtigheid in de wereld te verdedigen tegen een zelfzuchtige en autocratische macht. Wij voeren geen strijd tegen het Duitse volk. Wij hebben daarvoor slechts gevoelens van sympathie en vriendschap. Toen dit volk de oorlog begon, was dit niet zijn aangelegenheid maar die van zijn regering. Het is geschied buiten voorafgaande in kennisstelling of inwilliging… ’

In deze woorden lag reeds het zelfbeschikkingsrecht der volken, als basis voor een toekomstige wereldorde waarin oorlogen tot het verleden zouden behoren, besloten.
In een latere rede (11 februari 1918) heet het: ‘Er zullen geen annexaties zijn, geen oorlogsschattingen, geen als straf opgelegde schadevergoedingen. Zelfbeschikkingsrecht is niet slechts een frase. Het is een gebiedend beginsel van actie, hetwelk de staatslieden van nu af aan slechts op eigen verantwoordelijkheid kunnen verwaarlozen. Iedere ter
ritoriale regeling als gevolg van deze oorlog, moet gemaakt worden in het belang en ten voordele van de daarbij betrokken bevolkingen en niet maar zonder meer als een onderdeel van een regeling of onderlinge schikking van aanspraak tussen wedijverende staten’.

Zo werden dan ook in november 1918 deze beginselen, in 14 punten samengevat, als voorwaarde gesteld voor een wapenstilstand, en als leidraad voor een herstructurering van het Europese statensysteem bij komende vredesonderhandelingen.

Het is dus wel begrijpelijk dat bij het begin van deze onderhandelingen te Parijs de verwachtingen hooggespannen waren. Na de verschrikkingen van de oorlog – 23 miljoen doden (dat wil zeggen elke minuut 10 doden) 20 miljoen gewonden en 3 miljoen vermisten – de geboorte van ‘het nieuwe Europa’ met grenzen die de mogelijkheid zouden uitsluiten dat het éne volk het andere kan onderdrukken, zoals bijvoorbeeld dit het geval was geweest in de Oostenrijks-Hongaarse monarchie, waar een meerderheid van Slaven, Hongaren en Italianen, onder de dwang had geleefd van een minderheid van Oostenrijkers.

Men kan dit alleen nalezen in het dagboek van een jong Brits diplomaat, die als lid van zijn delegatie op een winterochtend tussen Calais en Parijs in de restauratiewagen voor zijn ontbijt zat en zich verdiepte in de fouten die in 1814 in Wenen waren gemaakt bij de liquidatie van de oorlogen tegen Napoleon. Fouten die Europa zodanig hadden gestructureerd dat dit vredesverdrag een grondslag werd voor nieuwe oorlogen en opstanden: van Italianen tegen Oostenrijkers, van Pruisen tegen Oostenrijkers, van Polen tegen Russen, van Tsjechen en Hongaren tegen Oostenrijkers.
‘In Wenen’, zo schreef deze diplomaat, Harold Nicholson, ‘had men uiterst cynisch gesproken over een koehandel van volkszielen. Wij wisten nu dat wij niet het slachtoffer konden zijn van zodanige menselijke verwarring. Wij geloofden in nationalisme, in het zelfbeschikkingsrecht der volken. Volken zijn geen stukken bezit of pionnen op een schaakbord… Bij de woorden ‘pionnen op een schaakbord’ kwamen onze lippen in de plooi van democratische hoffelijkheid… ’

De Grote Drie

Zó begon, 18 januari 1919, de vredesconferentie, in een euforie van verwachtingen. Daarvan was aan het einde, 28 juni, weinig meer over.

Naast de beschrijving van Harold Nicholson in zijn ‘Peacemakers’ is er de beschrijving van John Maynard Keynes ‘The economic consequenses of peace’. De beschrijving die hij hierin geeft van ‘De Grote Drie’ onderhandelaars – Clemenceau, Wilson en Lloyd George – is langzamerhand klassiek geworden:

‘Clemenceau was verreweg het meest eminente lid van de Raad van Vier, en hij wist wat zijn collega’s waard waren. Hij alleen had een vast omlijnd plan, dat hij in al zijn gevolgen had overdacht. ..
Frankrijk was voor hem, wat Athene was voor Pericles: het enige waardevolle, waarnaast niets anders nog enige betekenis heeft. Hij had één illusie, Frankrijk; en één desillusie – het mensdom, de Fransen inbegrepen, en zijn collega’s niet in de laatste plaats. Zijn principes voor de vrede kunnen in weinig woorden worden samengevat: allereerst was hij een overtuigd aanhanger van de bekende theorie omtrent het Duitse volkskarakter – dat men slechts door vreesaanjaging bij een Duitser iets kan bereiken. Daarom moet men met een Duitser nooit onderhandelen of trachten hem te verzoenen, men moet hem eenvoudig de wet voorschrijven…

Dit is de politiek van een oude man, wiens sterkste indrukken en levendigste voorstellingen aan het verleden toebehoren en niet aan de toekomst. Hij ziet de gebeurtenissen in het licht van een strijd tussen Frankrijk en Duitsland, niet als een omhoog streven van de mensheid en de Europese beschaving naar een nieuwe wereldorde. .. 
Welk een plaats vervulde president Wilson niet in de harten en toekomstverwachtingen van de wereld, toen de ‘George Washington’ hem tot ons voerde! Welk een groot man kwam er naar Europa in die eerste dagen onzer overwinning!
De Amerikaanse legers hadden juist het hoogtepunt bereikt in sterke geoefendheid en uitrusting. Europa was voor de voedselvoorziening volkomen afhankelijk van de Verenigde Staten; en op financieel gebied was het zelfs nog meer aan hun genade overgeleverd… Nooit tevoren beschikte een filosoof over zulke wapens om de heersers dezer wereld te binden. Met hoeveel nieuwsgierigheid, verlangen en hoop trachten wij een vluchtige indruk te krijgen van de trekken en het voorkomen van deze afgezant die, uit het westen komende, genezing zou brengen aan de wonden van de grijze Stamvader zijner eigen beschaving en die de grondslagen zou leggen van onze toekomst… De teleurstelling was zo volslagen, dat sommigen van hen die het grootste vertrouwen hadden gehad, er nauwelijks over durfden te spreken…

Men behoefde de president maar even te zien om te weten, dat hij – wat hij overigens ook mocht zijn – zeker niet in de eerste plaats het temperament van een geleerde bezat, en dat hij bovendien die zekere verfijning, dat eigenaardige vernis van beschaving miste, welke M. Clemenceau en Mr. Balfour stempelt tot bij uitstek fijn ontwikkelde mensen van hun stand en generatie. Maar, wat belangrijker was, hij was niet alleen ongevoelig voor de dingen in zijn nabijheid in de uiterlijke betekenis van het woord, hij was absoluut onontvankelijk voor al hetgeen er om hem heen geschiedde.
Wat kon zo’n man uitrichten tegen Lloyd Georges onfeilbare, bijna mediumachtige gevoeligheid tegenover ieder in zijn onmiddellijke omgeving?Men behoefde maar even te zien, hoe de ‘Prime Minister’ het gezelschap waarnam met zes of zeven zintuigcn waarover een gewoon mens niet beschikt, hoe hij bezig was karakter, beweegredenen en onbewuste impulsen te beoordelen, radend wat ieder dacht en zelfs wat ieder het volgend ogenblik zou gaan zeggen, en al van tevoren met telepatisch instinct, dat argument of verzoek formulerend, dat het beste geschikt was om de ijdelheid, de zwakheid of het eigenbelang van zijn directe toehoorder te treffen, om te beseffen dat de ongelukkige president voor blindeman ging spelen in dat gezelschap. Nooit had een man de vergaderzaal kunnen betreden, meer voorbestemd om het volstrekte slachtoffer te worden van de buitengewone talenten van de Britse eerste minister. De Oude Wereld was nu eenmaal gehard in de zonde, en het scherpste zwaard van de dappere dolende ridder moest wel afstompen op haar stenen hart.

Maar een blinde en dove Don Quichotte kwam een spelonk binnen, waar het snelle, flikkerende zwaard in de handen van de tegenstander was… ’

Zelfbeschikking en herstelbetalingen

Het is in de afgelopen 60 jaar wel duidelijk geworden, welke tragische gevolgen het Verdrag van Versailles heeft gehad voor de ontwikkeling van Europa. Tragiek die niet alleen heeft te maken met de persoon van Woodrow Wilson maar ook met zijn idealen, die niet levensvatbaar zijn gebleken. Speciaal het zelfbeschikkingsrecht der volkeren is geen reële basis gebleken voor een herstructurering van het nieuwe Europa. Weliswaar kwam na de regeling slechts 3 procent van de bevolking van Europa onder vreemd gezag, maar daar staat tegenover dat door heel deze ‘Balkanisering’ van Midden- en Oost-Europa de Europese grenzen in 1919 ruim 1000 km langer waren dan in 1914.

Economisch gezien, betekende dit een verminking. De nieuwe grenzen waren namelijk zodanig dat hierdoor de bestaande handelsbetrekkingen werden doorbroken. Onafhankelijkheid op staatkundig gebied betekent nog niet dat hierdoor de nieuw gevormde staten ook economisch zelfstandig zijn. Overal waar dit niet het geval was, kwamen deze staten onder de afhankelijkheid van westers kapitaal. Bovendien hield men zich niet aan het zelfbeschikkingsrecht ten opzichte van de landen die de oorlog hadden verloren. Zo bevatte Tsjecho-Slowakije in de noordelijke grensgebieden een minderheid van ongeveer 3 miljoen Sudeten-Duitsers. Zo moest de nieuwe republiek Polen worden voorzien van een ‘Corridor’, dwars door Duits gebied, naar de Oostzee. Wat van het oude Oostenrijk overbleef was een niet levensvatbaar agrarisch land met een hoofdstad van 3 miljoen inwoners. Door het verdrag werd een aaneensluiting met Duitsland onmogelijk gemaakt.

Wij zien dan ook dat later, met de opkomst van het nationaal-socialisme voor de meeste Duitsers het ‘Dictaat van Versailles’ moreel niet bindend was en dat Hitler, op grond van het zelfbeschikkingsrecht, vanaf 1936 bijna ieder jaar het Verdrag eigenmachtig corrigeerde: in 1936 met de bezetting van de linker Rijnoever, in 1938 met de ‘Anschluss’ aan Oostenrijk, en de inlijving van de Sudeten-Duitsers in het Rijk en ten slotte in 1939 met de annexatie van Polen.

Zo lag de kiem van een volgende oorlog reeds in deze vredesregeling, zodat reeds in 1919 de Franse maarschalk Foch het oordeel kon uitspreken: ‘Dit is geen vrede. Dit is een wapenstilstand’.

Daarbij kwam het vraagstuk van de herstelbetalingen op grond van Duitslands schuld aan de oorlog. Het bedrag waarvoor Duitsland werd aangesproken – 132 miljard goudmark – was destijds zó gigantisch dat, economisch gezien, hiermee een belangrijk stuk koopkracht van Midden-Europa wegviel, tot schade van de wereldhandel.

De Amerikanen leenden het geld aan de Duitsers die de overeengekomen bedragen aan de geallieerden betaalden die op hun beurt aan de Verenigde Staten het geld terugbetaalden dat zij hadden geleend.

Zo ontstond een verschuiving van schuldenlast in de wereldeconomie. Hoewel de Verenigde Staten er zich op beriepen dat zij geen enkele aanspraak – territoriaal, of economsich – in Versailles beoogden, zijn zij toch, min of meer vanzelf, financieel in een nieuwe situatie geraakt. Van debiteurstaat ten opzichte van Europa werden zij crediteurstaat. Vóór de oorlog (1914) waren de Verenigde Staten debet aan het buitenland 3.7 miljard dollar. Ten gevolge van de oorlog (1919) was het buitenland debet aan de Verenigde Staten 3 miljard dollar.

Zo werd door het Verdrag van Versailles niet alleen een kiem gelegd voor een volgend gewapend konflict maar ook voor een economische crisis die in de Verenigde Staten in 1929 begon doordat de boeren hun graan niet konden exporteren omdat de Europese debiteuren zich gedwongen zagen de invoer van Amerikaanse goederen te beperken ten einde hun schuldenlast aan de Verenigde Staten niet hoger te laten oplopen.

Nergens blijkt duidelijker dan uit de staatkundige en economische gevolgen van het Verdrag van Versailles, hoe fataal een verstrengeling van politieke machtsverhoudingen en economische betrekkingen kan zijn.

Wilsons idealisme van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren als grondslag voor wereldvrede, is daarom niet alleen stukgelopen op een gebrekkige toepassing door staatslieden, die gebonden bleken te zijn aan de wil hunner kiezers, die op hun beurt verblind waren door nationaal eigenbelang; het zelfbeschikkingsrecht bleek ook zelf een bron te zijn van nationale hartstocht. Het staatkundig klimaat van Europa is er niet vreedzamer door geworden in de periode van 1919 – 1939.

Rudolf Steiner en het Verdrag van Versailles

Twee jaar vóór de afsluiting van het Verdrag van Versailles werden door Rudolf Steiner twee memoranda opgesteld, die hij heeft voorgelegd aan een aantal leidende staatslieden in Duitsland en Oostenrijk (Zie  ‘De eerste jaren van de Driegeleding’.)

Hij verzette zich daarin bijzonder fel tegen de idealen en de beginselen van president Wilson, welke immers als rechtvaardiging waren voorgesteld voor het ingrijpen van de Verenigde Staten in de oorlog. Speciaal het zelfbeschikkingsrecht werd door Steiner ontmaskerd als een valse leuze die in geen enkel opzicht een grondslag kon leggen voor vreedzame betrekkingen tussen volken. Reeds in 1917 voorzag Steiner dat, op grond van dit recht, Midden-Europa in economische afhankelijkheid zou komen van een Engels-Amerikaanse wereldmacht. Verder stelde hij vast dat aan de vrijheid van volkeren de vrijheid van mensen vooraf moet gaan in plaats van omgekeerd: als zou de vrijheid van mensen het gevolg kunnen zijn van de vrijheid van volken. Zeer zeker gold dit destijds wat betreft de situatie in Midden-Europa. Onder vrijheid verstond Rudolf Steiner allereerst de vrijheid op religieus en cultureel gebied, zonder druk van economische of politieke machtsverhoudingen.

In dit zelfde jaar – 1917 – legde Steiner ook de grondslag voor zijn drieledige maatschappijstructuur, waarover hij in een aantal voordrachten in Zürich – op neutraal gebied – sprak. Deze voordrachten zijn later in 1919 in een boek verschenen als ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk’. Zoals men weet is daaruit een sociale beweging gegroeid ten behoeve van een ‘drieledigheid van het sociale organisme’. [GA 23, vertaald]

Dit alles is nu historie, evenals het Verdrag van Versailles. De situatie waarin wij thans verkeren is totaal anders dan in 1919. Allereerst moet het vraagstuk Midden-Europa tussen Oost- en West-Europa anders worden gesteld. In 1979 is ‘Midden-Europa’ niet veel meer dan een muur die Oost-Berlijn scheidt van West-Berlijn. Hetgeen niet wil zeggen dat, nu Midden-Europa in geografisch opzicht anders moet worden gezien, Europa als ‘middengebied’ niet een belangrijke rol kan spelen in de sociale spanningen tussen Oost en West. Niet zozeer in geografisch opzicht als wel in functioneel opzicht. Verder is er, naast het probleem van de verhouding tussen Oost en West, voor Europa het probleem gekomen van de verhouding tussen Noord en Zuid met zijn spanningen tussen de ontwikkelde en de onderontwikkelde wereld.

Dit laatste leidt tot een confrontatie van Europa met Afrika en de Arabische wereld in het Midden-Oosten. Sinds de dekolonisatie van Afrika – gebaseerd op het zelfbeschikkingsrecht – zijn de meeste jonge staten in dit werelddeel vervallen tot een militaire dictatuur.

Daarnaast is een aantal Arabische staten, dank zij de beschikking over meer dan 60 procent van de wereldvoorraad aan olie, in een economische machtspositie ten opzichte van Europa gekomen.

Zo ziet Europa als ‘de Oude Wereld, gehard in de zonde’ met verbijstering hoe haar eigen ideeën tot daden zijn uitgegroeid, die voor haar noodlottig dreigen te worden.

Want het zelfbeschikkingsrecht is, historisch gezien, gebaseerd op een 17e eeuwse filosofie die vanuit Engeland (John Locke) naar Amerika is overgebracht. Daar heeft zij geleid tot de ‘koloniale revolutie’ van de Verenigde Staten in 1776.

Na wereldoorlog II leidt zij dan tot de koloniale revolutie van de Afrikaanse staten.
Evenzo zouden de Arabieren hun huidige machtspositie als eigenaars van de oliebronnen, niet kunnen uitoefenen, wanneer er niet in Europa, sinds de 18e eeuw, een ‘industriële revolutie’ was geweest. Het zijn Europese ideeën geweest, die de basis hebben gelegd voor de huidige auto- en vliegtuigindustrie. Daaraan dankt de olie zijn tegenwoordige waarde!

Zo wordt Europa geconfronteerd met zijn eigen ideeën die als ‘daden’ – in het staatkundig vlak van Afrika uit, in het economische vlak van Noord-Afrika en het Midden-Oosten uit, op Europa terugslaan.

In de thans op gang gebrachte ‘Dialoog’ tussen Europa en de Arabisch-Afrikaanse staten, moet déze spanning tussen ideeën en daden, tussen verleden en toekomst worden vereffend.
Hoe kunnen daarbij nieuwe ideeën een tegenwicht vormen tegen de oude ideeën die voor Europa noodlottig dreigen te worden?

Dat is een vraag die 60 jaar na het Verdrag van Versailles wel mag worden gesteld; vóórdat Europa zichzelf buiten spel zet ten opzichte van de rest van de wereld.

.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1842

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-5)

.

Op zoek naar de menselijke maat

Hoe groot mag een organisatie worden, om toch nog mensvriendelijk te blijven? Kun je dat met getallen uitdrukken?

Lex Bos, organisatie-deskundige, meent van niet. ‘Ik ga steeds meer ontdekken dat het probleem van de schaal en het vinden van de grenzen, samenhangt met de sleutelwoorden zelfbestuur en associatieve vervlechting’.

Een interview.van Jelle Vermeulen met Lex Bos, Jonas 4, `8-10-1981

In plaats van kleinschaligheid zou je eigenlijk moeten spreken van mensmatigheid. Ik was onlangs met de Griekse mysteriën bezig en stuitte toen op iets heel fascinerends. Als je als leerling de mysterieplaats Delphi binnenkwam, dan stond daar op de poort: ‘Ken Uzelf’. Dat gebeurde dan ook in die mysteriën. Je kreeg steeds meer antwoord op de vraag wie je zelf bent. Als je er dan weer uit ging dan stond er op de andere kant van de poort: ‘Alles met mate’. Dan rijst direct de vraag: welke maat dan? ‘Alles wat ik nu in de buitenwereld ga doen’, dacht de leerling, ‘moet ik aan een maat relateren’. Welke maat? Op die vraag kreeg je antwoord in de mysteriën: ‘De menselijke maat’. De mens is de maat van alle dingen’.

Aan het woord is Lex Bos, medewerker van het NPI (instituut voor organisatie ontwikkeling te Zeist) en schrijver van een groot aantal artikelen over sociale vraagstukken. Als NPI-medewerker houdt hij zich bezig met vernieuwing van sociale structuren van bedrijven en instellingen die een beroep doen op het NPI. Hij draagt de ontwikkeling naar kleinschaligheid (of: mensmatigheid) een warm hart toe. ‘Natuurlijk, als we willen zoeken naar maatschappij-vemieuwende initiatieven, moeten we in de eerste plaats kijken naar kleinschalige initiatieven’.

‘Alles met mate’. Het begrip mensmatigheid is dus niet van gisteren. Van meer recente datum is het gebruik van het woord kleinschaligheid. Met name in de zeventiger jaren, in navolging van de ideeën van Schumacher (Small is beautifull), begon men het idee van kleinschaligheid toe te passen op bedrijfsvoering en sociale organisatievormen. Kleinschalige bedrijfjes schoten overal op als verse sprietjes gras. Nederland mag dan nog wel niet ‘het groene tapijt van Europa’ heten, wel is duidelijk dat een kleinschaligheid bevorderende beweging als Stichting MeMo (Mens en Milieuvriendelijk Ondernemen) de handen vol heeft met het begeleiden van nieuwe kleinschalige initiatieven.

Uit een bericht in de Memo-Krant (nr. 4) blijkt dat ook de werkgeversorganisatie VNO en de vakbeweging (Nijmegen) belangstelling heeft voor kleinschaligheid, vanuit de hoop dat langs deze weg een bijdrage kan worden geleverd aan de oplossing van de werkloosheid. Het woord ‘kleinschaligheid’ is een groene strijdkreet geworden. Otto Munters in genoemde MeMo-Krant: ‘Het ontstaan van de alternatieve beweging in de jaren zeventig kan gezien worden als een eerste manifestatie van de tegenpool van de tendensen naar grootschaligheid, centralisatie en de daarmee gepaard gaande sociale vervreemding, die in de afgelopen decennia sterk overheersend waren’.

Mensen kunnen op zeker moment genoeg krijgen van het werken in grootschalige samenhangen. Aan welke signalen lees je af dat een bedrijf te groot is geworden?

Lex Bos: ‘Ik denk dat dit te maken heeft met het veel gebruikte – en misbruikte -woord vervreemding. Het verschijnsel dat mensen geen relatie meer hebben met het gebeuren om zich heen. Een Amerikaanse socioloog, Robert Blauner, die zelf jarenlang aan de lopende band heeft gestaan, heeft zich hier mee bezig gehouden en komt tot vier soorten van vervreemding: alienation (vervreemding), isolation (afzondering) en powerlessness (machteloosheid). Deze drie vat hij met een accolade samen met het vierde begrip: meaninglessness (zinloosheid). Als je nagaat wat hij onder alienation verstaat, dan zie je dat hij bedoelt dat mensen met hun denken geen verhouding meer hebben met hun omgeving. Dat kan zijn de machine waar hij mee werkt, de organisatie, of het feit dat hij een onderdeeltje maakt voor iets dat hij niet doorziet.

Isolation ligt meer in de gevoelssfeer: geen gevoelsrelatie meer hebben met het product dat je maakt, of met de mensen om je heen. Het kan zijn dat je je een onderdeeltje voelt van een massaal geheel. Powerlessness betekent meer dat je met je wil afgesneden bent van de omgeving. Het reilen en zeilen in een bedrijf kan door een enkeling niet meer reëel worden beïnvloed. Andere mensen hebben de werkvormen gewild, de dag ingedeeld, de werkmethoden vastgesteld, enzovoort. Je voelt je dan ingeklemd tussen wat andere mensen hebben bedacht. Door deze drie verschijnselen voelt het IK zich betekenisloos in het grote geheel staan en kan er geen zin meer in beleven. Dat is meaninglessness. Dit zijn voor mij op het gebied van denken, voelen en willen de signalen dat er een bepaalde schaal overschreden is. Doordat het echter te maken heeft met wat mensen kunnen of niet kunnen, geloof ik dat je niet een bepaalde norm kunt stellen. Voor ieder mens is datgene waarmee het denken een verhouding kan hebben verschillend. Hoeveel kan iemand begrijpen, doorzien?’

Je kunt dan misschien geen normen stellen, toch zal het verschijnsel dat in een bedrijf vervreemding ontstaat samenhangen met de organisatie-vorm ervan. Het hangt niet alleen af van wat individuele mensen kunnen. De ene organisatievorm zal ‘mensmatiger’ zijn dan de andere.

‘Ja, natuurlijk. Al in het voorwoord van ‘Die Kernpunkte der sozialen Frage’ wijst Rudolf Steiner op twee grondprincipes van sociale ordening. Hij wijst op het principe van zelfbestuur en van de associatieve vervlechting. Bij zelfbestuur gaat het om sociale eenheden, zoals productiebedrijven, dienstencentra, scholen, ziekenhuizen, enzovoorts, die een zekere eigen identiteit hebben en zichzelf besturen. Bij de associatieve vervlechting gaat het om de samenhang die al de verschillende, zichzelf besturende eenheden met elkaar hebben. Wanneer je deze twee principes niet in acht neemt ontstaan sociale en economische ordeningen die niet mensmatig zijn.

Ik ben van mening dat wanneer je het principe van zelfbestuur serieus neemt, dat je dan vanzelf ontdekt waar de grens ligt van de schaal. Je ontdekt dan vanzelf wat een bepaalde groep mensen aankan in een bepaalde werkeenheid. Zodra je het principe van zelfbestuur loslaat, kun je hiërarchieën bouwen tot in de hemel en kun je macro-organisaties vormen die bureaucratisch worden bestuurd. Rudolf Steiner zegt niet dat een organisatie kleinschalig moet zijn, maar dat ze zo’n maat moeten hebben dat de mensen het zelfbesturend aankunnen. Als je dan aan een grens komt, moeten er andere organen ontstaan: een tweede school, een tweede therapeuticum in een andere wijk van de stad met een eigen zelfbestuur.

Interessant is hoe al die verschillende, zichzelf besturende eenheden met elkaar in een sociale samenhang komen te staan. Je moet tenslotte rekening met elkaar houden, bijvoorbeeld om te voorkomen dat twee therapeutica, twee scholen of twee tuinders proberen elkaar weg te concurreren. Zelfbestuur wil iedereen wel. Rekening houden met elkaar is veel moeilijker. Essentieel is dat er associatieve vervlechtingen ontstaan, óók om te garanderen dat er geen grootschaligheid ontstaat. Oneigenlijke concurrentie kan er immers toe leiden dat een bedrijf, een organisatie zich sterk maakt en daardoor gemakkelijk een grens overschrijdt’.

Het kleinschalige IK

Lex Bos: ‘Ik heb wel eens het gevoel dat het probleem van de schaal, een grote of een kleine schaal, een heel fundamenteel mensheidsprobleem is. Je zou kunnen zeggen dat de mensen vroeger in een enorme schaal leefden. De mensen leefden in grote dimensies. Men had nog een samenhang met de kosmos, met Wodan in de wolken. De gehele sfeer was nog vervuld van Goden. De menselijke ziel kon nog veel omvatten in de vorm van mythologische beelden. Langzamerhand wordt de mens wakker voor de zintuiglijke wereld en daarmee ontstaat een IK-besef. Het bewustzijn schrompelt samen en wordt puntvormig. Daarmee is de kleinste schaal bereikt. De mens kan net zichzelf omvatten. De vraag is nu: kunnen we vanuit dit punt de wereld weer vermenselijken. Kan ik van mijzelf uit weer een relatie krijgen met een geestelijke werkelijkheid, met een natuurlijke werkelijkheid. We kunnen hier nog maar hele kleine stapjes doen. Het is al een reuze probleem om een relatie met één ander mens aan te gaan, met je levenspartner, je vrienden, om zo’n stukje geestelijke werkelijkheid echt met bewustzijn te omvatten. Ik probeer zo het verschijnsel van de kleinschaligheid te begrijpen vanuit een grotere ontwikkelingssamenhang.’

Je zegt eigenlijk: vroeger was alles grootschalig. Nu zitten we in een kleinschalige fase. En we zijn op weg weer grootschalig te worden.

‘In zekere zin is dat, geloof ik, ook zo. Maar het is wel iets gecompliceerder. Vroeger was het geestesleven veelomvattend. In zijn geest kon de mens veel omvatten. Het economische leven daarentegen was versplinterd in eindeloze, kleine, zelfverzorgende eenheden. In de nieuwe tijd zie je een soort ompoling.
Het geestesleven raakte steeds meer versplinterd tot al die honderdduizenden ikjes die allemaal hun eigen gedachten, gevoelens en plannetjes hebben. Maar tegelijkertijd is een wereldeconomie en een wereldwijde arbeidsverdeling realiteit geworden, waar je alleen nog maar in de allergrootste schaal kunt denken om überhaupt realistisch economisch bezig te zijn. Ik denk dat je die ontwikkeling ook alleen maar als iets positiefs kunt zien. Aan de ene kant is het Ik-bewustzijn ontwikkeld, terwijl aan de andere kant in het economische leven de mensheidsdimensie opdoemt. Ik vind dit een merkwaardige overkruising van het allesomvattende en het begrensde. In het geestesleven zie je een ontwikkeling van het allesomvattende naar de versplintering. In het economische leven precies het omgekeerde.
Ik geloof dat het schaalprobleem nooit zal worden opgelost wanneer we niet vanuit het ‘kleinschalige’ Ik weer grote verbanden gaan zien. Ik denk dat we moeten durven erkennen dat het sociale vraagstuk alleen oplosbaar is wanneer we gaan denken vanuit geestelijke werkelijkheden.’

Iedereen moet dus antroposoof worden?

Aan tal van ontwikkelingen zie je dat mensen de waarheid van een spirituele gedachte kunnen inzien zonder zelf volkomen bewust op de hoogte te zijn van geestelijke samenhangen. Laat ik een voorbeeld noemen. We weten vanuit de driegeleding dat de wetmatigheid voor het economische leven samenwerking is. Je bent afhankelijk van elkaar en hebt met elkaar rekening te houden. Je kunt je dan afvragen: wat zijn voorwaarden voor het samenwerken van kleinere eenheden? Onder andere het vermijden van de noodzaak om te groeien. In onze economie, het westerse kapitalisme, is de heilige koe van de concurrentie een principe dat daar dwars tegenin gaat. Terwijl de werkelijkheid om samenwerking vraagt, moeten we concurreren met elkaar. De enige manier om dan toch samen te werken is fuseren. De fusie-golf in de zestiger jaren is eigenlijk een karikatuur van het besef dat we eigenlijk met elkaar moeten samen werken. Omdat dat niet mag, is de enige mogelijkheid het scheppen van grotere samenhangen waarbinnen samenwerking kan worden afgedwongen. Zo kwam men vanuit de behoefte tot samenwerking tot grootschalige eenheden, waarvan we de gevaren nu kunnen waarnemen. Van daaruit en aanknopend bij bijvoorbeeld de kleinschaligheidsgedachte, kun je wel degelijk komen tot een sociale orde op basis van spirituele gezichtspunten. Men zal er vanuit een al dan niet helder doordacht besef ja tegen kunnen zeggen, omdat het aanknoopt bij wat men zelf wil’.

Establishment en subcultuur

Je ziet in zelfbestuur en associatieve vervlechting twee principes op basis waarvan het sociale leven vernieuwd zou kunnen worden. Als je zoiets vindt kijk je natuurlijk om je heen met de vraag: waar kan ik bij aanknopen. Ik heb de indruk dat je dan terecht komt bij de kleinschalige beweging in Nederland, en niet bijvoorbeeld bij de grote vakorganisaties.

‘Ik denk niet dat het zin heeft om met de FNV als organisatie hierover van gedachten te wisselen. De vakbeweging is als organisatie dermate grootschalig geworden, dat ik daar weinig van verwacht. Maar aan de andere kant is het natuurlijk zo dat je in gesprek kunt komen met individuen die in de FNV werkzaam zijn. Als je daar mee praat kom je twee dingen tegen: het grote apparaat, waar zo iemand niet meer dan een onderdeeltje van is, maar ook de mens zelf. En die kan zeggen: ik geloof dat je helemaal gelijk hebt. Door zo’n ontmoeting kunnen dingen in beweging worden gebracht. Maar dat zijn wel langademige processen, die er misschien aanleiding toe kunnen geven dat er op de duur gedachten ontstaan over bijvoorbeeld loskoppeling van arbeid en inkomen, meer decentralisatie, meer inspraak enzovoorts.
Het is natuurlijk wel een hele spannende vraag waar in de huidige tijd de kansen liggen voor de driegeleding. In de loop van de decennia zijn de mogelijkheden en constellaties veranderd. Rudolf Steiner heeft zich in de jaren voor 1919 gericht op politici en mensen die op plekken stonden waar ze veel invloed hadden. Op zeker moment heeft hij gezegd dat zo’n werkwijze geen zin meer had en dat alle troeven gezet moesten worden op de Waldorfschool, in de hoop dat een nieuwe
generatie wel oren zou hebben naar de ideeën van de sociale driegeleding. In de zeventiger jaren is de beweging ontstaan dat de dingen in het klein moesten gebeuren, onafhankelijk van de grootschalige samenleving. Robert Jungk bijvoorbeeld meende dat het geen zin meer had om in gevecht te blijven met grote establishment groeperingen en pleitte voor ‘Werkstatte der Zukunft’, voor een subcultuur die zich ontwikkelde onafhankelijk van het establishment.
Ik denk dat het om een wakkerheid vraagt om waar te nemen waar de openingen zijn.
Ik zou de mogelijkheid om vanuit het establishment te werken niet willen afwijzen. Ik denk dat het erg belangrijk is om te blijven praten over de grote samenhangen, de grote concepties vanwaaruit je kunt komen tot sociale vernieuwing. In de subcultuur en in de kleinschalige beweging zie ik het gevaar dat de kleine, zelfverzorgende initiatieven in het slop raken, verburgerlijken ook, doordat er niet vanuit de grote samenhangen wordt gedacht. Daardoor ontbreekt vaak een stootkracht naar het vernieuwen van grotere sociale verbanden. Je kunt wel degelijk verzanden in een situatie waarin iedereen zich stort in zelfbestuur en zelfverzorging, zonder dat de grotere samenhangen worden gezien’.

Ook het NPI houdt zich bezig met het vernieuwen van sociale structuren. Waar knoopt het NPI bij aan? Bij grote, gevestigde instellingen, of bij de kleinschalige wereld?

Het NPI werkt op twee terreinen. Aan de ene kant zeggen we dat we moeten aanknopen bij het gewordene, om die wereld van binnen uit om te vormen. Dat is een therapeutische bezigheid. Daarnaast zien we het als onze opgave om – waar mogelijk – alternatieve initiatieven te helpen ondersteunen. Voor een groot deel gaat dat in je vrije tijd zitten. Maar voor een deel ook in de urenbesteding voor het NPI. Dat is een beetje een probleem aan het worden. Heel wat werkuren van NPI-ers gingen zitten in het werk aan alternatieve initiatieven. Maar dat brengt allemaal geen cent op. Hooguit worden de reiskosten vergoed. Maar daar kun je niet van leven. De basis van het NPI-werk wordt toch mogelijk gemaakt doordat we werken voor ondernemingen die wel financiële mogelijkheden hebben. Dit probleem is ook wel aanleiding geweest om te zoeken naar fondsen die aangeboord kunnen worden om toch het werk in de alternatieve sfeer te kunnen doen’.

Kansen voor de driegeleding en voor de ideeën van zelfbestuur en associatieve vervlechting, verwacht je in de eerste plaats natuurlijk binnen de antroposofische beweging. En inderdaad wordt op allerlei terreinen gezocht naar vernieuwende sociale-economische strukturen. De Triodos Bank (‘Bewust omgaan met geld’), de therapeutica, de verdeelcentra en winkels van biologisch-dynamisch voedsel, enzovoorts. Maar daarnaast zie je binnen de antroposofische beweging het verschijnsel dat wél gewerkt wordt aan bijvoorbeeld een nieuw product, maar dat de sociale vorm waarin dat gebeurt niets nieuws heeft.

‘Het omgekeerde kom je ook tegen. Een macrobiotisch winkeltje met oude oosterse gedachten over voeding, maar met een sociale vorm die heel interessant en vernieuwend is. Als je ziet hoe zulk soort winkeltjes vaak bezig zijn met het zoeken naar nieuwe verhoudingen tussen winkelier en consument, naar associatieve vervlechtingen…

Het is een probleem waar ik veel mee bezig ben, maar waar ik nog niet echt zicht op heb.
Je loopt er voortdurend tegen aan. Wat te zeggen van een Vrije School met een autoritaire sociale vorm? Wat het feit betekent dat vorm en inhoud, sociale structuur en product, niet vanuit dezelfde geestelijke achtergrond tot stand komen, vind ik een heel spannend probleem. Wat betekent dat in spiritueel opzicht, nieuwe wijn in oude zakken, en omgekeerd? Ik heb daar nog niet echt zicht op. Misschien dat er twee ingangen zijn tot de vernieuwing, een via de vorm en een via de inhoud. Mijn gevoel zegt me wel dat de mensen er zich op zeker moment bewust van worden. Mensen gaan merken dat een nieuwe pedagogie vraagt om een sociale structuur die daar bij hoort, die vanuit eenzelfde geest stamt. Je ziet wel eens dat mensen vanuit de kant van de pedagogie komen op de noodzaak van een nieuwe salarisstructuur. Het omgekeerde heb ik nog niet zo gemerkt, dat mensen vanuit een nieuwe sociale vorm zeggen: daar past toch geen macrobiotisch product in?

Maar hoe dat mechanisme precies werkt dat de wijn en de zakken niet met elkaar in overeenstemming zijn, weet ik niet precies. Misschien heeft het wel met de schaal te maken. Als je bijvoorbeeld als handelscentrum niet start met een echt associatieve samenwerkingsvorm in het economische, kan dat leiden tot een grootschaligheid, die op zijn beurt weer leidt tot massaficering, waardoor uiteindelijk de kwaliteit van het product weer wordt benadeeld. Klanten gaan dan aan de bel trekken enzovoort. En als je dan de oorzaak daarvan opspoort, kom je toch weer terecht op de sociale vorm. Ik ga steeds meer ontdekken dat het probleem van de schaal en het vinden van de grenzen, samenhangt met de sleutelwoorden zelfbestuur en associatieve vervlechting.’

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-7)

.

In dit artikel uit 1974 worden een aantal gezichtspunten uitgewerkt die uiterst actueeel zijn, m.n. bij wat er gebeurt en zou moeten gebeuren tussen producent en consumement. 
Maar ook de tegenstelling atbeid en vrijetijd wordt door velen nog zo beleefd als hier wordt beschreven.

M.i. biedt dit artikel voor het vak ‘maatschappijleer’ talloze aanknopingspunten met de jonge mens van nu over te discussiëren. 
Dat lijkt noodzakelijk ook zo met de meeste artikelen in de reeks ‘Sociale driegeleding’.

0-0-0

Lex Bos, Jonas 20-12-1974
.

Zinvolle ruimte tussen arbeidstijd en vrije tijd
.

Tegenwoordig* heeft alles de neiging te polariseren. In discussies worden we gedwongen stelling te nemen: vóór of tegen, ter linker- of ter rechterzijde, progressief of conservatief.

In de discussies die momenteel* op gang komen rondom het probleem van de toenemende werkloosheid is dit eveneens het geval.

In deze discussies is slechts sprake van twee soorten tijdsbesteding: arbeidstijd en vrije tijd. We hebben hier te maken met een onvruchtbare polarisering.
Tussen deze beide uitersten blijkt een groot middengebied te zijn dat door deze polarisering uit het blikveld dreigt te verdwijnen.

Om de eigen aard van dit gebied te beschrijven moeten we eerst de polen wat nader beschrijven.

DE ARBEIDSTIJD

Het bezig zijn in de arbeidstijd is daardoor gekenmerkt, dat men behoeften van anderen bevredigt en problemen van anderen oplost. Een arts, een leraar, een restaurant-bedrijf, een schoenenindustrie, een scheepvaartmaatschappij, zij alle zijn bezig resp. gezondheids-, opleidings-, eet-, loop- en transportproblemen van anderen (niet van zichzelf) op te lossen. Een wereldwijde arbeidsverdeling heeft ons in een onafzienbaar net van wederzijdse afhankelijkheden gevangen. Ieder die in een beroep werkzaam is speelt daarin een rol, hetzij als president-directeur, of als klerk, als minister of als hulpmonteur, als graanhandelaar of als barkeeper. En als men in deze ‘legpuzzel’ zijn steentje heeft bijgedragen ontleent men daaraan het recht om aanspraak te maken op een steentje van de ander. Dat recht wordt gehonoreerd door inkomen. Degenen die in een beroep werkzaam zijn, onderhouden met hun inkomsten degenen die dat (nog) niet (meer) zijn (kinderen, niet in een beroep werkzame vrouwen, zieken, gepensioneerden etc.).

We kunnen aan elke beroepsbezigheid een aantal kanten onderscheiden en wel de behoeftebepaling, de ‘éducation permanente’ en de werkgemeenschap.

Behoeftebepaling 
We zeiden zoëven dat een schoenenfabrikant niet schoenen produceert, maar loopproblemen voor andere mensen oplost. Zijn het wel loopproblemen? Of heeft de klant hele andere behoeften? Wil hij steun voor zijn voeten, of bescherming tegen beschadiging of beschutting tegen kou? Wil hij modieuze behoeften bevredigen of wil hij zich met ‘Iwanof’ laarzen (en een lange koetsiersjas) oosters voelen? Een deel van de bezigheid van schoenenfabrikanten is het beantwoorden van de vraag: welke behoeften van welke categorieën klanten willen wij op welke wijze met welke technische hulpmiddelen waar en wanneer bevredigen?

Er is weinig fantasie voor nodig om te zien hoe gecompliceerd dit aspect van het beroepsleven is, wanneer we het schoenenvoorbeeld vertalen naar een grote machinefabriek, een modern ziekenhuis, een ministerie, een universiteit of een luchtvaartonderneming.

Er is ook weinig fantasie voor nodig om te zien dat datgene wat hier beschreven is voor de verhouding van de ‘producent’ tot de markt net zo geldt voor de afdelingen binnen een organisatie ten opzichte van elkaar. De dieet-afdeling in een ziekenhuis, de boekhouding in een handelsonderneming, de onderhoudsdienst in een machinefabriek, de roostercommissie in een school, de secretarie op een gemeentehuis; geen van deze groeperingen is een doel in zichzelf. Zij allen hebben hun ‘afnemers’ ergens in de organisatie en moeten zich dus actief en met interesse bezighouden met de mensen en groepen aan wie zij (in dit geval binnen de organisatie waarvan zij zelf ook deel uitmaken) diensten leveren, wier problemen zij oplossen.

‘Education permanente’
De problemen van de klant worden ‘vertaald’ in producten en diensten en deze weer in taken van mensen. Voor het uitvoeren van deze werkzaamheden is vakbekwaamheid nodig, meer of minder en van verschillende soort. Of die vakbekwaamheid betrekking heeft op een havenarbeider, een machine- bankwerker, een griffier, een kok, een leraar of een chirurg doet hier niet ter zake. In alle gevallen gaat het om menselijke capaciteiten, die noodzakelijk zijn voor het leveren van een economische prestatie (waartoe in deze beschouwing dus ook een genezen patiënt en een opgeleide student behoren).

Deze capaciteiten nu moeten zich blijven ontwikkelen, omdat de inhoud van het vak verandert, de wetenschap zich ontwikkelt, de techniek voortschrijdt, de sociale omgeving waarbinnen het beroep zich afspeelt zich wijzigt en tenslotte de mens zelf ook ouder wordt en daarmee andere eisen gaat stellen aan de beroepsuitoefening. Het wordt steeds duidelijker dat de snel veranderende beroepssituaties in een dynamische maatschappij een ‘éducation permanente’ noodzakelijk maken. Wat vanuit het beeld van de mens als een wordend wezen een ethische eis is, wordt thans vanuit de beroepssituatie als praktische noodzaak gesteld. Hier ligt een niet te missen kans. Zullen de menselijke ontwikkelingsmogelijkheden dienstbaar worden gemaakt aan de beroepsnoodzakelijkheden of zal het beroepsleven de ontwikkelingsbodem leveren voor toenemende menselijke volwassenheid?

Werkgemeenschap
Wanneer de ‘output’ is vastgesteld d.m.v. de behoeftenbepaling en wanneer de ‘in-put’ aanwezig is in de vorm van alle noodzakelijke capaciteiten van mensen (en hulpmiddelen, machines en gebouwen) dan rest nog de vraag hoe al deze individuele capaciteiten tot een geïntegreerde prestatie worden omgevormd. Dat betekent samenspel! Dat samenspel vindt zijn meest formele neerslag in de wet (collectieve arbeidsovereenkomst, regeling van arbeidsvoorwaarden) in het ‘fabrieks-reglement’, daarnaast in de organisatie (formeel en informeel), in de stijl van samenwerking, in de sfeer, in het dagelijkse geven en nemen, in het omgaan met prestige- en machtsvragen, in de relaties tussen leiding en uitvoering, staf en lijn, gastarbeiders of koppelbazen en ‘eigen mensen’ tussen hoofdkantoor en bijkantoor.

Dat alles vormt samen het sociale leven van de organisatie. Het bepaalt in hoge mate of en hoe de individuele capaciteiten tot gemeenschappelijke prestaties worden omgevormd.
Het vorm en inhoud geven aan dit sociale leven van de organisatie wordt meer en meer gezien als een taak waarbij allen gelijkelijk betrokken dienen te zijn. Alle eisen naar medezeggenschap, overleg, inspraak, democratisering en participatie willen zeggen, dat men de vormgeving van dit middengebied niet wenst over te laten aan de leiding, of aan organisatiespecialisten. Men heeft ervaren, dat wanneer het sociale organisme gestalte krijgt vanuit eenzijdig economische en technische gezichtspunten, de mens er geleidelijk ‘uit-georganiseerd’ wordt.

DE VRIJE TIJD

De vrije tijd staat polair tegenover de arbeidstijd. Geen arbeidsverdeling, geen oriëntatie op wat anderen nodig hebben, daardoor ook geen aanspraak op inkomen. Integendeel, vrijetijdsbesteding kost veelal geld.

Wanneer men ziet hoe mensen hun vrije tijd besteden, kan men globaal onderscheiden tussen creativiteit, gezelligheid en recreatie. Deze kwaliteiten lopen sterk dooreen, veel meer dan de in de sfeer van de arbeidstijd onderscheiden drie aspecten.

Recreatie
Het accent ligt hier op het ontspannen. Dit kan passiviteit betekenen, maar ook activiteit op een ander gebied dan waarop men anders bezig is. De scala omvat luieren in de zon, in de natuur zijn, bijwonen van sportmanifestaties, zich laten vermaken door film bv. of andere media, actief sport bedrijven, toerisme etc.

Gezelligheid
Hier ligt het accent op het probleemloos ongedwongen samen-zijn met andere mensen. Veel recreatie vervult mede deze behoefte. Behalve in het gezinsleven speelt zich dit aspect van het vrijetijdsleven vooral af in café’s, restaurants, sociëteiten, marktpleinen, foyers van openbare instellingen, kerken e.d.

Creativiteit
Vrijetijdsbesteding krijgt een creativiteitselement, wanneer er doelen gesteld en prestaties verlangd worden. Dat kan in het kunstzinnige, in het wetenschappelijke, in het technische (hobby) of ook op het gebied van de innerlijke scholing, de godsdienstoefening e.d. Men probeert de wetmatigheden van iets hogers in zich of buiten zich te vinden en daaraan te gehoorzamen. Wanneer dat lukt is er in wezen iets nieuws ontstaan. Daarom is het creatief.

DE ‘SPEELTIJD’

tijd besteed aan de ordening van het maatschappelijk spel
Is er nu tussen arbeidstijd en vrije tijd nog een middengebied? Zoals we in het begin schreven zijn we gewend te denken in de tweeheid van arbeidstijd en vrije lijd. Alle tijd die we niet in ons beroep doorbrengen, is vrije tijd. Er vindt al een verschuiving plaats van het arbeidsprobleem naar het vrije-tijdsprobleem. Er zijn mensen die zich al geen zorgen meer maken over arbeidsconflicten, frustraties in het werk e.d. want — zo zeggen zij — binnenkort werken we nog maar twee of drie dagen in de week en dan verdwijnen die problemen vanzelf. Dan is het niet meer belangrijk of er in de werksituatie nog plaats is voor de mens als moreel-geestelijk wezen, want hij heeft in zijn vele vrije tijd volop gelegenheid voor zijn ik-ontplooiing. Deze gedachte is volstrekt irreëel. Ten eerste krijgt een zogenaamde ik-ontplooiing in de vrije-tijdssfeer, die geen tegenhanger heeft in een beroepssituatie, waarin men verantwoordelijkheid draagt en bewust dienstbaar is aan anderen, een sterk egoiïstische, wereldvreemde inslag. En ten tweede heeft de samenleving geen waterdicht schot tussen beroepsleven en vrije tijd. Een situatie waarbij men zich in het beroep onvolwassen-instrumenteel laat gebruiken om dan in zijn vrije tijd
volwassen-creatief aan zijn menswording te werken, is niet lang houdbaar. Wanneer men in één sector van de samenleving de mens in feite uitbant, zal weldra in de hele samenleving geen plaats voor de mens meer zijn, ook niet in de vrije tijd. Daar wordt hij dan immers object van een toeristenindustrie, een vermaakbusiness etc.

Deze polarisering vrije tijd-arbeidstijd is een onjuiste en gevaarlijke. Een derde gebied zou krachtig moeten worden ontwikkeld. Een gebied waarin men niet uit noodzaak, geld ontvangend, voor anderen werkt, waarin men ook niet vrijwillig, geld uitgevend, aan zichzelf werkt, maar waarin men — zonder aanspraak op inkomen, hoogstens met onkostenvergoeding — vrijwillig maatschappelijke taken op zich neemt om met anderen samen het maatschappelijk spel te spelen.

Wat voor de beroepssituatie in het klein werd besproken geldt voor de samenleving als geheel in versterkte mate: we kunnen de inrichting van onze samenleving niet overlaten aan ekono-misch belanghebbenden, aan beroepspolitici of aan wetenschappelijke specialisten. Steeds meer zullen alle burgers actief en verantwoordelijk aan dit sociale spel moeten meedoen. Wanneer zij dat niet doen zullen zij ook niet mogen klagen, dat zij door ‘big business, big politics and big Sciences’ worden gemanipuleerd.

Er zijn een drietal grote taakgebieden aan te wijzen in dit middengebied en wel rondom bestuurstaken in organisaties, rondom politieke oordeelsvorming en rondom associaties in het economisch leven.

Bestuurstaken 
Een groot deel van het wetenschappelijke, maatschappelijke, pedagogische, medische, culturele en charitatieve werk gebeurt in instellingen waarvan de bestuurstructuur eindigt in een curatorium, een verenigings- of stichtingsbestuur, een commissarissen-vergadering, een commissie van bijstand of toezicht, een adviescollege, een beroepsinstantie etc. etc. Al deze groeperingen hebben tot taak om degenen die in de betreffende organisatie werkzaam zijn te helpen bij de bestrijding van hun ‘bijziendheid’, bij de oriëntatie op zinvolle doelstellingen, bij de afstemming op gelijksoortige organisaties in hetzelfde veld, bij het scheppen van goede relaties tot lokale, provinciale en landelijke overheden, bij het vinden van geldmiddelen en in het algemeen bij het invoegen van de betreffende organisatie in het maatschappelijk bestel. En dat alles zonder degenen, die verantwoordelijk in het werk staan en er leiding aan geven, te bevoogden.

Dat vereist kundigheid, tijd en interesse. Of het nu gaat om natuurmonumenten, kruisverenigingen, veilig verkeer, arbeidsraden, voogdijraden, duivenmeikersverenigingen, sociëteiten, scholen, orkesten of kerken, overal is een groot tekort aan vrijwillige maar deskundige hulp!

Daar komt nog een categorie bij, die voor de toekomst niet onbelangrijk is. Een van de meest ziekmakende factoren van onze economie is het feit, dat in de goederenhuishouding van ons economisch leven (stroom van waren enerzijds en tegenstroom van geld anderzijds) zaken betrokken zijn, die daar naar hun aard niet in thuis horen zoals bv. grond en kapitaalgoederen.
Grond en productiemiddelen (fabrieken bv.) worden tegenwoordig gekocht en doorverkocht als tafels en stoelen.
Ze worden als onderpand voor leningen gebruikt en er wordt in gespeculeerd.
In feite zijn het maatschappelijke ‘capaciteiten’, die noch in privébezit noch in staatsbezit kunnen zijn, maar die door stichtingen beheerd (niet bezeten) worden en voor beperkte — te verlengen — periodes ter beschikking worden gesteld aan degene(n) die er ten algemene nutte mee kan (kunnen) en wil(len) werken.

Er zijn momenteel interessante pogingen gaande om landbouwbedrijven en fabrieken ‘uit te kopen’ en het eigendomsrecht te neutraliseren door dit over te dragen aan een stichting, waarvan de bestuursleden niet dezelfde zijn als degenen die het gebruiksrecht ontvangen. Dit biedt ook de mogelijkheid om een deel van de winst terug te laten vloeien naar de uiteindelijke bron van alle creativiteit: het geestelijk-culturele leven. Voor dergelijke stichtingsbesturen nu zal ook een dringend beroep worden gedaan op de vrije tijd van capabele mensen.

Politieke activiteiten
Onder politiek kunnen we verstaan het proces waarbij een groep samenlevende mensen de normen en vormen schept om haar samenleving in te richten. Politiek dreigt een zaak van beroepspolitici en specialisten te worden. Dat leidt tot centralisme en bevoogding.

De Nederlandse burger is nog weinig politiek betrokken hoewel daar de laatste tijd duidelijk verandering in komt. De eis naar inspraak, participatie en democratisering die binnen organisaties reeds werd vermeld, klinkt in steeds groter verband. Men wordt zich bewust van het feit hoezeer men als bevolking gemanipuleerd wordt vanuit een waardensysteem, dat door een kleine leidende groep wordt gesteld. Problemen als milieu-verontreiniging, stadsuitbreiding en sanering, industrievestiging, onderwijsvraagstukken, buitenlandse arbeiders, monopolisering van de communicatiemedia, ouden van dagen problemen etc., beginnen de burgers te interesseren. Er ontstaan buiten de politieke partijen om, actiegroepen, burgercomitës, buurtschappen, wijkraden, informatiebureaus, politieke-oordeelsvormingscentra e.d. Voorlopig is het effect nog gering. De sluiers over de besluitvormingsprocessen in hogere politieke kringen zijn nog dicht en het centralisme nog sterk. Maar naarmate meer burgers zich medeverantwoordelijk gaan voelen voor de inrichting van onze samenleving en daar ook tijd en energie in willen steken, zullen de sluiers verdwijnen en het centralisme wijken.

Associaties 
Er wordt vaak negatief gesproken over de overheersende rol die het economisch leven speelt in onze samenleving. We vergeten daarbij, dat wij als consumenten de grote opdrachtgever aan de industrie zijn. Elke koop veroorzaakt een vacuüm waarvan de zuigkracht via detaillist, groothandel en fabrikant tot in de primaire industrieën doorwerkt. En het economisch leven is momenteel zo ingericht, dat als we 10 ijskasten kopen er ca. 12 door worden aangezogen. Welke verantwoordelijkheid nemen we als consument op ons?

Ons consumentengedrag wordt gekenmerkt door een vrijwel slapend
consumentenbewustzijn. Wat weten we van de kwaliteit van hetgeen we kopen, wat weten we van de sociale omstandigheden waaronder het geproduceerd is, wat weten we van de consequenties die de productie heeft voor milieu, ontwikkelingslanden, grondstoffen etc. En hebben we hetgeen we kopen allemaal wel nodig? Er zijn kenteringen zichtbaar. De huisvrouwenverenigingen, de consumentenbond, de klantencoöperaties. Zij willen zich bewust worden van hun behoeften, zij willen die behoeften trapsgewijze zichtbaar maken aan de producent. Zij willen zich uitspreken over wat zij van de reclame, de verpakking, de service, de voorlichting etc. vinden. De producent zou productverbetering c.q.-ontwikkelingen aan de klanten (of vertegenwoordigers van klantengroeperingen) voor moeten leggen. Er moet een ‘volwassen’ oordeelsvorming plaatsvinden tussen consumenten-distribuenten en producenten over mogelijkheid en wenselijkheid van nieuwe producten, andere service, betere distributie etc. Het economisch leven is nog uitermate autocratisch opgebouwd en mechanistisch verlopend. Het ligt mede aan de consument om hierin verandering te brengen.
Voorlopig zal men ‘oefenterreinen’ moeten zoeken in kleine overzichtelijke gebieden zoals agrarische producten, speelgoed, cosmetica en medicijnen, enkele boeken en periodieken, vakantie-organisatie, verzekeringen, aspecten van woninginrichting, volkswoningbouweisen, keukeninrichting e.d.

Op andere gebieden ziet men hetzelfde consumentenprobleem. Hoeveel besturen klagen niet over gebrek aan interesse bij hun leden, hoeveel redacties tasten niet in de mist over het oordeel van hun lezers, hoeveel schoolleiders wensen niet een betere communicatie met de ouders (van hun ‘consumenten’), hoeveel initiatiefnemers in de ruimste zin van het woord vinden geen echte dialoog met degenen op wie het initiatief gericht is?

In een drieledige maatschappijstructuur zijn associaties van producent, handel en consument de organen van het economisch leven. Een economisch leven dat niet onwerkzaam wordt door abstracte centrale plannen, ook niet te gronde gaat aan een medogenloze strijd op anonieme markten. Ook het bemannen (én bevrouwen! ) van deze waarnemings- en overlegorganen behoort tot de tijdsbesteding in het middengebied.

Naar een drieledige tijdsbesteding
Uit het voorgaande verschijnt het beeld van een drieledige tijdsbesteding. Een vrije-tijd, geheel gewijd aan de eigen geestelijk-creatieve ontplooiing, een arbeidstijd besteed aan het werken voor anderen, een ‘speeltijd’ besteed aan het ordenen van de sociale ruimte die men met anderen deelt.

Men zou eens moeten kijken hoe mensen hun tijd gebruiken.Men krijgt vaak de indruk dat zij meestal een sterk acccent op twee van de drie gebieden leggen en een derde verwaarlozen. Het is een onbewezen stelling, een vermoeden, waarmee we dit artikel willen eindigen.
Is de mens niet het meest gezond als hij de uitdaging aanvaardt om steeds opnieuw te zoeken naar een harmonisch evenwicht tussen alle drie gebieden? En zou het omgekeerd ook niet zo zijn dat het sociale organisme pas gezond kan functioneren wanneer iedereen aan alle drie levenssferen verantwoordelijk deelneemt?

*geschreven: 20-12-1974

.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1801

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.