Categorie archief: sociale driegeleding

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-6)

.

We kijken er al lang niet meer van op: milieu- en klimaatproblemen, oorlogsgeweld, sociale ongelijkheid.
In de jaren 70 van de vorige eeuw – dus zo’n 50 jaar geleden – werd er ook al gewaarschuwd, voorspeld. Maar ‘men’ ging door op de oude voet. 
In het blad ‘Jonas’ werd er van tijd tot tijd over geschreven, meestal met een ‘oplossing’ die in de richting ging van ‘sociale driegeleding’. 
Nu, 50 jaar later en 100 jaar nadat Steiner de idee van de sociale driegeleding in ruime mate onder woorden bracht, kunnen we ons afvragen: wat is er vanuit de sociale driegeledingsgedachte gebeurd? Niet opvallend veel, hoewel initiatieven geleid hebben tot concrete instellingen – het gaat ook niet om de hoeveelheid, maar om de intensiteit – maar er is nog veel werk aan de winkel.
De vrijescholen zouden bv. een veel sterkere rol kunnen spelen bij het werkelijk vrij maken van overheidsinvloed op de inhoud van het onderwijs – juist nu er van tijd tot tijd – ook op kleine schaal – de roep om deze vrijheid is te horen, als voorwaarde voor ‘echt goed onderwijs’. 

Het artikel van Hans Erhard Lauer in Jonas, 3e jrg. nr. 12, 02-02-1973  had in zekere zin ook vandaag geschreven kunnen zijn.

Futurologie en werkelijkheid

Het toekomstonderzoek is als nieuwe tak van de wetenschap na de tweede wereldoorlog ontstaan. Als haar grondlegger geldt Ossip K. Flechtheim, sinds 1959 professor in de politieke wetenschappen in Berlijn; zijn standaardwerk, Futurologie – de strijd om de toekomst, heeft haar op zijn minst haar naam gegeven.

Deze leer van de toekomst dankt haar ontstaan aan meerdere bronnen, waarvan de geest der moderne natuurwetenschap wel als de voornaamste mag gelden. Ze komt de in het kwantitatieve element liggende wetmatigheden der natuurprocessen te weten door filosofische verwerking van zintuiglijke verschijnselen en maakt daardoor de natuurprocessen berekenbaar en dus hun verloop voorspelbaar. In zekere zin worden ze voor de mensen nu tegelijk ook beheersbaar. Als de loop der sterren en de baan van een projectiel berekenbaar, d.w.z. voorspelbaar en dus bepaalbaar zijn, waarom dan niet ook de loop der menselijke geschiedenis? In het natuuronderzoek berekent men, uitgaande van de wetmatigheid van de processen, door verlenging van bepaalde fasen hun verdere verloop. Dezelfde denkwijze leidde ertoe dat ook de futurologie de extrapolatie van processen uit onze tijd in de toekomst als onderzoekingsmethode gebruikte. Hierbij werd echter uitgegaan van de onuitgesproken veronderstelling dat ook de mensheidsgeschiedenis een natuurproces is en dat men zo op zijn minst achter haar kwantitatieve ontwikkelingswetten zou kunnen komen. Dit leek des te gemakkelijker, omdat het hierbij voornamelijk om dingen gaat, die de mens zelf – en wel vanuit de moderne natuurkennis — geschapen heeft: namelijk om de, in de ruimste zin van het woord genomen, technostructuur van de huidige maatschappij. Als een schepping van de menselijke geest ligt haar stelselmatige verdere ontwikkeling in haar wezen zelf besloten en wordt daarom de laatste tijd ook steeds systematischer tot ontplooiing gebracht. Omdat hierdoor tegelijk de economische ontwikkeling rechtstreeks mede bepaald wordt, neemt deze om technologische redenen ook in de westelijke wereld steeds meer het karakter van een geleide economie aan. Bij dit alles smelten daarom futurologisch onderzoek en economisch beleid steeds meer samen tot een geheel. Dat betekent echter tegelijk ook, dat het futurologische onderzoek in toenemende mate door de economie bepaald wordt d.w.z. dat ze in dienst staat van de expansie van de economische productie. En dat is dan ook de tweede bron, waaruit ze heden wordt gevoed.

HIROSHIMA EN AUSCHWITZ

Er werkte echter van de aanvang af nog een derde factor mee aan haar ontstaan, waarop de namen Auschwitz en Hiroshima wijzen. Auschwitz werd tot symbool voor de mate van onmenselijkheid, waartoe een ideologisch machtsregime nu en in de toekomst in staat is. Hiroshima wijst op het dodelijke gevaar, dat de toekomst van de mensheid bedreigt door de in de tweede wereldoorlog ontstane kernwapens. We leven op het ogenblik niet op het een of andere willekeurige tijdstip van de geschiedenis, van waaruit we begonnen zijn de toekomst te doorvorsen, te berekenen en te bepalen. We bevinden ons veeleer in een situatie, waarin het om de beslissing over zijn en niet-zijn der mensheid gaat en wel om een beslissing die we zelf te nemen hebben. Hierdoor wordt allereerst bewezen dat de mensheidsgeschiedenis niet zo maar een natuurproces is. Maar ook blijkt hieruit dat de menselijke samenleving nu in het stadium van haar „mondigheid” is aangekomen. Enerzijds heeft ze zich uit haar vroegere afhankelijkheid van goddelijk-geestelijke wezens bevrijd, van hun leiding geëmancipeerd. Anderzijds heeft ze zich door natuurwetenschap en techniek ten opzichte van de natuur zelfstandig gemaakt en een heerschappij over haar verkregen, zoals nooit eerder heeft bestaan. Wat haar toekomst betreft is ze nu alleen op zichzelf aangewezen en alleen zijzelf is er uitsluitend verantwoordelijk voor. Maar hoe gedraagt ze zich tegenover deze verantwoordelijkheid?

VERWOESTING VAN DE NATUUR

Van een bepaalde samenhang met de wereld van het goddelijke, die nu een andere is dan die van het verleden, wil het grootste deel van de heden toonaangevende mensen niets weten. Voor hen is God „dood”. Onderling ontwikkelen ze een wederzijdse agressiviteit als nooit tevoren en hebben ze oorlogstoerustingen tegen elkaar opgestapeld, die een veelvoud vormen van wat nodig is voor een collectieve zelfmoord van de hele mensheid. Door techniek en industrialisatie zijn we bezig de natuur dusdanig te verwoesten en uit te putten dat we binnen enkele tientallen jaren onze eigen materiële bestaansvoorwaarden vernietigd zullen hebben, als er niet snel een einde aan wordt gemaakt.

IS DE TOEKOMST NOG TE REDDEN?

We staan heden voor de alternatieve keuze of we zullen overleven of zullen ondergaan door zelfvernietiging. Daardoor is toekomstonderzoek tegelijk identiek geworden met haar nóg jongere zuster, het eerst enkele jaren geleden begonnen onderzoek naar wat ten grondslag ligt aan de vrede en wat aan conflictsituaties. Want onze overlevingskansen zullen mede afhangen van de mogelijkheid tot een geweldloze oplossing voor bestaande en toekomstige conflicten. In de wekelijkse politiek-culturele uitgave van het Bazelse Nationale Nieuwsblad van 19 augustus publiceerde de grondlegger van de futurologie, Ossip K. Flechtheim, onder de titel „Is de toekomst nog te redden? ” een hoofdartikel, waarin hij zijn standpunt bepaalt ten opzichte van deze situatie. Hij zegt daarin, dat het thans niet meer de taak van de futurologie kan zijn, zich alleen bezig te houden met het vraagstuk van de methode van het onderzoek, noch om in de geest der extrapolatie van hedendaagse verhoudingen voor de meest verschillende gebieden toekomstbeelden te schilderen. Want „het gaat in deze tijd en in deze wereld om de grote uitdaging aan de mensheid, zoals ze zich thans reeds aftekenen en zoals ze morgen nog dringender zullen zijn . . . Het gaat om de bedreiging en redding van de gehele mensheid vandaag en morgen.” Hij vat vervolgens deze uitdagingen samen in de trefwoorden: „Bewapeningswedloop en oorlog, honger en bevolkingsexplosie, vooral ook in de derde wereld, milieuverontreiniging en roofbouw, vooral ook in de zogenaamde eerste en tweede wereld, uitbuiting en onderdrukking, repressie en machtsconcentratie bij handelsmagnaten en politieke bureaucraten in noord en zuid, onzekerheid, vervreemding en agressiviteit van de traditioneel gevormde mens ten aanzien van de nieuwe problemen.”

En hij trekt daaruit de conclusie: „De huidige maatschappij kan gewoon niet onbegrensd verder existeren bij de versnelling van de bevolkingstoename, de productie, de verstoring van het milieu, de bewapeningswedloop, enz. Deze labiele toestand kan misschien nog enkele tientallen jaren voortduren. Als dat zo is, zullen zich beslissende veranderingen in een van de twee richtingen voordoen. Al in de jaren 70 en 80 mag men rekenen op een kwalitatieve wending, een ontwikkeling naar boven of naar beneden.”

NEO-CESARISME

De ontwikkeling naar „beneden” karakteriseert hij daarop als volgt: ,,Neo-Cesarisme, d.w.z. verscherping van de tegenstelling in het bijzonder tussen noord en zuid, toename der militarisering en gewelddadigheid, zoals we die nu al in schrikbarende omvang in de beschaafdste landen zien losbarsten . . . Het tweede hierbij aansluitende nog negatievere ontwikkelingsstadium zal alle kentekenen dragen van een totaal-totalitarisme, zoals Orwell in zijn juist nu weer zo actuele visie ,1984’ heeft geschilderd … Nog weer een ander negatief beeld is dat van een nieuw Duister Tijdperk, waarin we geconfronteerd zullen worden met een volledige ineenstorting van alle moderne cultuur en beschaving. Een dergelijke terugval in een dan waarschijnlijk eeuwen of zelfs duizenden jaren durende agrarische samenleving of zelfs in een stenen tijdperk zou het gevolg kunnen zijn van een de hele aarde omvattende totale oorlog of ook van een ingrijpende overbevolking en milieuverstoring . ..
Ten slotte blijft als laatste vooruitzicht het einde van de mens, zijn totale vernietiging als gevolg van buitengewoon verwoestende oorlogen, maar eventueel ook door totale overbevolking en een totale verwoesting van het leefbare milieu.’

KLASSENLOZE MAATSCHAPPIJ

Wat is nu echter het beeld dat hij geeft van de ontwikkeling naar „Boven”? Als eerstvolgend stadium zou de ontwikkeling denkbaar zijn van wat de Fransman Bloch-Lainé als democratische technocratie heeft aangeduid. Dat zou zijn een voortzetting van reeds voorhandene technocratie tendenties, maar dan onder gelijktijdige versterking en verdere ontwikkeling van democratische, liberale en socialistische, universalistische en humanistische elementen — een positieve convergentie dus van west en oost.. . Mocht dat rond het jaar 2000 gelukt zijn, dan zou van daaruit de verdere ontwikkeling in de richting van een — om het zo maar eens te noemen — liberaal-socialistische werelddemocratie gaan. Ook dat zou dan nog een samenleving met sterke sociale, economische en politieke tegenstellingen zijn, maar toch al op een materieel verzekerde, hoewel geenszins royale, eerder zelfs op een betrekkelijk sobere basis… Het zwaartepunt zou dan ook meer komen te liggen op de onstoffelijke cultuur. Pas hierna zou in een nog verdere toekomst de „klassenloze maatschappij” van Marx te realiseren zijn — en als dat al mocht lukken, dan natuurlijk niet in een enkel continent of zelfs land, maar over de hele wereld. Van hieruit wordt dan als grandioze laatste blik in de toekomst de weg mogelijk naar een „supermensdom ”, niet zo zeer in de geest van Nietzsche als wel in die van Teilhard de Chardin. Daarmee zou de mens niet alleen zijn industriële behoeften overwonnen hebben, hij zou dan ook een heel ander wezen geworden zijn, meer onstoffelijk dan nu, een wezen dat een verdere verlenging van de levensduur zou kunnen bereiken, en dat in staat zou zijn bepaalde seksuele en andere biologische functies, die tot nu toe als vanzelfsprekend golden, geleidelijk te doen verdwijnen.”

Verbazingwekkende woorden uit de mond van een hedendaags wetenschapsmens over een mogelijke „ontwikkeling naar boven”! Allereerst dus een overwinning van de west-oost-tegenstelling, en dan een verdere ontwikkeling tot een liberaal-democratisch-socialistische wereldmaatschappij, waarin dus, anders gezegd, de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap verwerkelijkt zouden zijn —, om van de verdere fasen der ontwikkeling, die daar aangeduid worden, helemaal niet te spreken!

DRIELEDIGE STRUCTUUR

Er wordt echter niet gezegd hoe deze toekomstige samenleving te bereiken zou zijn, noch van welke aard de structuur ervan zou moeten zijn. En daar komt het nu juist op aan als deze toekomstvorm eenmaal werkelijkheid moet worden. Want dat de door Flechtheim genoemde feiten het doel van een naar „boven” gaande ontwikkeling moeten vormen, spreekt uit de gegeven situaties zelf. Situaties die thans dwingend om een beslissing vragen, – en op zijn minst toch wel om een onbevooroordeelde beschouwing ervan. Het is in onze door ideologieën beheerste tijd al veel, als deze onbevooroordeeldheid, zoals hier door Flechtheim, wordt opgebracht. De weg die naar dit doel voert is echter een uitdaging aan ons scheppende denken. Gezien de tegenstellingen in de idealen van het liberalisme en het socialisme moet het toch niet al te moeilijk zijn op de gedachte te komen dat een gelijktijdige verwerkelijking van beide alleen dan mogelijk is, als ze gezien worden in betrekking tot de verschillende afzonderlijke gebieden, waarin de organisatie van de samenleving te verdelen is, en waartoe ze dan ook beperkt zouden moeten blijven. Dat het bij deze speciale gebieden alleen om die van het geestelijke en het economische leven kan gaan, bewijst reeds de geschiedenis der genoemde idealen, waarvan dat van het liberalisme uit het eerste en dat van het socialisme uit het laatste voortgekomen is. Het is nu ook wel duidelijk dat de politieke democratie in het westen door het erin gelegde liberalisme, in het oosten door het haar opgedrongen socialisme, van haar eigenlijke, op gelijkheid van rechten gerichte aard wordt vervreemd. Uit al deze feiten heeft Rudolf Steiner al meer dan 50 jaar [in 2021 dus zo’n 100 jaar] geleden de idee ontwikkeld en ook in de openbaarheid gebracht, dat een driegeleding van het sociale organisme noodzakelijk is, als men het doel van een liberale, democratische, socialistische samenleving voor de hele wereld wil bereiken. De vertegenwoordigers van de wetenschap noch die van de politiek hebben tot nu toe enige aandacht besteed aan dit idee en komen daarom tot heden steeds weer met nieuwe denkbeelden, zonder daarbij de wegen aan te geven hoe het doel te bereiken zou zijn, waardoor het niet meer dan abstracte programma’s blijven. Het wachten is nu op de dag waarop ze de bereidheid zullen tonen ook datgene in hun gedachtegang op te nemen, wat uit het Midden-Europese geestesleven is voortgekomen en hen de weg kan wijzen. Juist vanuit haar positie tussen het liberalistische westen en het socialistische oosten heeft dit Midden-Europa zeer dringend behoefte aan deze drieledige structuur voor een menswaardige maatschappelijke ontwikkeling.

.
Sociale driegeleding: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL Sociale driegeleding (10-5)

Op deze blog staan verschillende artikelen van Mr. A.C. Henny, die destijds in het blad Jonas verschenen. Henny had een ruime blik op ‘wat zich zo in de wereld afspeelde en wat er tijdens zijn leven gaande was’.
Aan het eind van dit blogartikel staat meer informatie.

Deze brochure – geschreven in 1948! – bevat nog zoveel actueels: je hoeft maar een enkele naam aan te passen en je bent in het heden – dat deze in de reeks artikelen over de sociale driegeleding op deze blog een waardevolle bijdrage levert.
Gepubliceerd met toestemming van Mevr. C. Mees, waarvoor dank.

Natuurwetenschap en sociale moraal

Men spreekt de laatste tijd veel over de “koude oorlog”. Het is een begrip, dat onlangs door een van de grote Amerikaanse journalisten, Walter Lippmann, in de wereld werd geplaatst, en waaronder wij hebben te verstaan een “zenuwenoorlog” met de meest moderne middelen. Twee wereldmachten — Rusland en Amerika — liggen als reusachtige boa constrictors aan weerszijden van de Atlantische Oceaan en trachten hun prooi — een armzalig hoopje mensen, die zich Europeanen noemen — door de verlammende kracht van hun blik in een toestand van geestelijke verdoving te brengen. Op het eerste gezicht een vrij onschuldig offensief met zwarte drukkersinkt. — Nu en dan verschijnen er op een niet opvallende plaats in de couranten kleine berichtjes:” in USA is een memorandum verschenen over de psittacosis of de muggenkoorts.” Een duizendste deel van een liter, een hoeveelheid minder dan 20 druppels van deze psittacosisvirus is in staat 20 miljoen mensen te besmetten en om te brengen.”…. Wij zullen niet in verdere details treden over de verschrikkingen die ons op dit gebied nog van de andere zijde — Rusland — te wachten staan. Waar het om gaat is, dat er langs allerlei wegen oorlog gevoerd wordt met geestelijke middelen, die alle energie, alle moed te bouwen aan een nieuwe wereld, die niet direct past in de ideologie van de twee grote tegenstanders, verlamt. Nog steeds ligt er over een groot deel van Europa, als een trage mist, een gevoel van verlamming, van geestelijke machteloosheid, van resignatie ten opzichte van een samenleving, die door zulke kolossale mechanische en technische machten beheerst wordt, dat de mens zich daarin niet anders voelt dan een nietig radertje van een machine.

Dit gevoel van geestelijke machteloosheid ten opzichte van het wereldgebeuren is een typisch naoorlogs verschijnsel. Toch is het niets nieuws. Het was reeds meer dan een eeuw lang latent, en is misschien het duidelijkst geformuleerd aan het begin van de vorige eeuw door Napoleon in zijn gesprek met Goethe. “De rol die het noodlot vervulde in de Griekse tragedie, vervult thans de politiek. Politiek is “Schicksal” geworden, d.w.z. de politiek in de vorm van de blinde Fortuna, heeft in de laatste honderdvijftig jaar het verschrikkelijk aanzien gekregen van een natuurmacht, waaraan de mens even willoos is onderworpen, als aan de overstroming van een rivier of de uitbarsting van een vulkaan.

En toch — merkwaardige paradox — wordt de politiek door mensen gemaakt, en is, sinds de ideologie van de Franse Revolutie, de burger in de Staat de schepper geworden van zijn eigen historische ontwikkeling.

Wij vieren dit jaar het eeuwfeest van de Grondwetsherziening van 1848. Niet alleen in ons land, ook haast in alle landen van Europa, is het jaar 1848 een jaar geweest van hoop, van optimisme. Door een beroep op de rede, op het gezond verstand van de burgers, zouden langs de weg van een parlementaire hervorming, door medezeggenschap van het volk aan de regering, voortaan de goede elementen in de Staat het overwicht hebben over de kwade. Was niet de mens “van nature goed” en kon niet, langs de weg van een redelijke ontwikkeling, ieder mens worden opgevoed tot sociale verantwoordelijkheid, tot medezeggenschap in het Staatsbestel?
3

Merkwaardigerwijze is dit zelfde jaar 1848 ook het geboorteuur van een pessimistische sociale levensbeschouwing, die sindsdien steeds meer onze samenleving is gaan beïnvloeden. Met het Communistisch manifest — januari 1848 — treedt voor het eerst Karl Marx op in de geschiedenis. Hij is niet alleen de grondlegger geworden van het communisme, zijn historisch materialisme oefent nog steeds een zeer grote invloed uit, niet alleen in Rusland, maar in het bijzonder, op de Amerikaanse universiteiten, juist daar, waar de grote kruistocht tegen Rusland, in naam van de beschaving en de democratie, gepredikt wordt.

Marx’ visie op de geschiedenis beïnvloedt tegenwoordig de grootste geleerden op het gebied van sociologisch en historisch denken. Wij zien dit in Engeland o.a. bij Arnold Toynbee in zijn “Study on history”, misschien wel het meest omvattende en universele werk dat ooit op historisch gebied is verschenen. Ook bij iemand als Carr — the Soviet impact on the Western world — en het meest consequent bij Burnham, die thans in Amerika met zijn „Revolution of managers”, zijn “Struggle for the world” merkwaardigerwijze juist de woordvoerder is geworden van het anti-Marxisme.

Wat speciaal deze laatste twee schrijvers als een soort geestelijke nalatenschap van Karl Marx op hun leerlingen overdragen, is een uiterst pessimistische beschouwing over de geschiedenis.

Men vindt bij hen nergens meer het idealisme van een Carlyle of Macauly, het geloof in de geschiedenis als een ontwikkelingsweg van de mensheid, dat nog aan het begin van de vorige eeuw, bij Herder, Lessing en von Humboldt aanwezig was. Goethes woorden over de opgave van de geschiedenis, “dat zij enthousiasme dient op te wekken” worden thans door deze moderne geleerden met een meewarige glimlach in het museum der Romantiek netjes opgeborgen. Zij zelf weten wel beter. De rol van de historicus, van de socioloog, verschilt langzamerhand niet veel meer met de rol van een chemicus of een ingenieur. Het gaat in de eerste plaats om de bestudering van de natuurwetten. Door welke wetten wordt de menselijke samenleving, wordt de ontwikkeling van de mensheid beheerst? De historicus van de 20e eeuw, heeft zijn romantisch maskeradepak voor goed opgeborgen. Mannen als Carlyle, als Macauly waren nog min of meer acteurs op het wereldtoneel. Wanneer zij de grote figuren uit het verleden opriepen, was het, of zij zelf in de huid kropen van Robespierre, van Napoleon, van Jacobus II. Hun geschiedschrijving had nog iets van een spel in het bonte pakje, waarmee eens hun helden zich in het leven bewogen. De moderne historicus verschijnt voor ons in een witte jas.
Zijn terrein van onderzoek is een reusachtig laboratorium, en hij staat tegenover het wereldgebeuren als een chemicus tegenover zijn retort. Zijn methode van onderzoek is, door een lange en moeizame ontwikkeling, zuiver natuurwetenschappelijk geschoold. In zover is voor elk van deze deze geleerden van toepassing wat Friedrich Engels heeft uitgesproken aan het graf van Karl Marx in 1883: “Wie Darwin das Gesetz der Entwicklung der organischen Natur, so entdeckte Marx das Entwicklungsgesetz der menschlichen Geschichte ”

Dit “historisch darwinisme” leidt tot een uiterst pessimistische en cynische visie op de geschiedenis.
Deze visie komt ongeveer op het volgende neer: Alle ontwikkeling wordt
4

beheerst door vaste onveranderlijke natuurwetten. Zij vormen een dynamisch proces, een reusachtig mechanisme, waarin de mens niet veel meer is dan een afvalproduct. In grote fabriekssteden vindt men hier en daar hoge bergen gesteenten, slakken enz. die aan een complex van fabrieksgebouwen het aspect geven van een onwezenlijk maanlandschap. Welnu, dit zelfde aspect hebben vanuit deze moderne historische visie, alle massabewegingen, waar ergens ter wereld een menigte mensen gegrepen is door een godsdienstige of sociale ideologie. Op het eerste gezicht wordt men meegesleept door het enthousiasme, door de offerkracht, die door dergelijke bewegingen tot uiting worden gebracht. Bij scherper, meer kritisch onderzoek blijkt al deze ideologie niets meer dan een “mythe”, waardoor een bepaalde klasse haar elitepositie in de strijd om het bestaan, de “struggle for life”, weet te handhaven. Deze strijd om het bestaan is de enige realiteit, die aan de historicus vaste grond onder zijn voeten geeft. Al het andere is leugen, is misleiding, waarmee in de strijd om het bestaan de overheersende klasse haar eigenlijke bedoelingen weet te camoufleren. Steeds heeft een minderheid, een sociale elite, een mythe nodig, om een meerderheid in bedwang te kunnen houden. Ziedaar het geheim van alle historische ontwikkeling. Deze “mythe” heeft nu eens een autocratisch, dan weer een democratisch karakter. Alle rechtsopvattingen zijn volgens deze voorstelling niets anders dan een bepaalde strategische tactiek, waarmee de heersende klassen de aan haar ondergeschikte klassen onderwerpen, zonder gebruik te hoeven maken van fysiek geweld. En aangezien deze strijd om het bestaan permanent is, en steeds een nieuwe elite in de plaats komt van een oude elite, zijn ook de rechtsopvattingen aan verandering onderhevig, richten zij zich steeds naar het belang van de sterkste. Wat voor het recht geldt, geldt voor alle moraal. Goed en kwaad zijn volkomen relatieve begrippen. Er bestaat geen enkele absolute norm van het “goede” of van het “boze”. Hij voor wie de fortuin gunstig is, heeft altijd het recht aan zijn zijde . . .

Deze nieuwe vormen van politiek darwinisme beginnen in de Verenigde Staten school te maken. Men vindt ze het zuiverst geformuleerd in het boek van Burnham “The Macchiavellians, defenders of freedom”. Zij zijn als symptoom misschien nog onrustbarender dan alle berichten in het Bulletin of Atomic Scientists over de productie van atoombommen met een vernietigingskracht 1000 maal sterker dan die van Bikini.

De laatste oorlog heeft iedere schooljongen tot bewustzijn gebracht welke vernietigingsmogelijkheden natuurwetenschap en techniek bezitten.
De invloed van de natuurwetenschap op de sociale moraal, is nog steeds een vraagstuk, dat geheel buiten het bewustzijn van de grote massa leeft. Hier en daar is een vermoeden van dit vraagstuk ontstaan, tijdens de verschillende verhoren van de nationaal-socialistische machthebbers in het proces van Neurenberg.

Ook daar vindt men staaltjes van “politiek darwinisme in de praktijk gebracht, waarvan men het bestaan tot dusver slechts mogelijk achtte in de wereld van Russische romans.

Deze zelfde sociale moraal hoort men thans openlijk verkondigen op de Amerikaanse universiteiten. Het historisch materialisme is als een sluipend vergif geworden, dat onmerkbaar onze samenleving infiltreert. Het is het wapen geworden, waarmee men in het Westen — Amerika —de strijd tegen
5

het communisme in het Oosten – Rusland — wil gaan voeren. Het einde van deze gigantische worsteling is thans reeds te voorzien. Ook al zal Amerika een derde wereldoorlog – welke volgens Burnham reeds begonnen is — winnen, deze overwinning zal op geestelijk gebied een pyrrusoverwinning zijn; de geest van het historisch materialisme, die in Rusland sinds 1917 het bolsjewisme in het leven riep en daarmee de dictatuur, zal onherroepelijk ook in het Westen voeren tot een of ander vorm van dictatuur. Amerika’s historische missie, — tot save the world for democracy — zal daarmee hebben afgedaan.

Zoals gezegd: het historisch materialisme van Marx is in zekere zin een voortzetting van de evolutieleer van Darwin. De “struggle for life”, de strijd om het bestaan, wordt hierin gezien als de motorische kracht van alle ontwikkeling. Marx leidde uit deze strijd om het bestaan zijn idee van de klassenstrijd af. Deze idee leidde na de vorige wereldoorlog in Rusland tot de revolutie: zij werd tot de ideologie van een proletarische beweging.
Pas thans, na een tweede wereldoorlog, zien wij hoe dit historisch materialisme vooral in academische kringen school begint te maken in Amerika en Engeland.
Maar nooit zijn in Engeland de consequenties van de 19e eeuwse natuurwetenschappelijke denkbeelden op het sociale leven, ten volle getrokken. Pas voor de Russische marxisten, Lenin, Plechanov, is de harde natuurwet van de “struggle for life”, een stuk sociale moraal geworden.

Met een niets ontziende consequentie is in het Oosten in praktijk gebracht, wat in het Westen slechts als een stuk natuurwetenschap bleef voortleven. Denkt U eens in: het politiek darwinisme van het bolsjewisme, opgelegd als een nieuwe sociale moraal aan het Engelse volk, met zijn tradities van self-government, van sociaal verantwoordelijkheidsbesef, met zijn religieuze banden aan de High Church als het morele fundament van de rechtsorde.
Het bolsjewistische experiment in het Oosten is nog geen dertig jaar oud. Als experiment doet het thans zijn terugslag op het Westen gelden. Niet zozeer op economisch gebied als wel op ideologisch gebied. Rusland lijkt op een spiegel, waarin de Westerse democratieën hun eigen ideeën gespiegeld zien. Weliswaar misvormd, tot onmogelijke proporties uitgegroeid. Maar niettemin fascinerend, door de gedaantewisseling, waarin zij door het Russische volk  in praktijk zijn gebracht. Als sociaal experiment werkt het als een enorme suggestie op de universiteiten in het Westen, oefent daar zijn invloed uit als een nieuwe sociale ideologie, weliswaar aangepast aan Westerse normen, maar niettemin verleidelijk en uiterst fascinerend op een jonge generatie. Het is een uiterst merkwaardige ontwikkeling die men vooral kan nagaan in het reeds genoemde boek van Carr “The Soviet impact on the Western world”. Wij in Europa, levend min of meer nog buiten de Angelsaksische invloedssfeer, zullen met deze nieuwe gedaante van het historisch materialisme rekening moeten houden als een nieuwe realiteit.

Wij zullen er iets tegenover moeten stellen, willen wij niet van twee kanten uit, van links en van rechts, er door worden vermorzeld.
Dit nieuwe zal in de eerste plaats moeten zijn een organische visie op de historie, tegenover de mechanische opvattingen van de permanente “struggle for life” als de motor van alle ontwikkeling.
6

Drieërlei vorm van sociaal organisme

Uit het bovenstaande zal duidelijk zijn, dat het van groot sociaal belang is, in welke richting zich de visie op de geschiedenis ontwikkelt.

In deze beschouwing vestigen wij allereerst de aandacht op de geheel nieuwe inzichten die ons hier door Rudolf Steiner zijn gegeven.

In tegenstelling tot de moderne sociologie, die, staande op empirisch standpunt, de beschavingsgeschiedenis van de Oudheid voornamelijk bestudeert naar analogie van de verschillende, nog thans bestaande natuurvolkeren, gaat Rudolf Steiners visie op de beschavingsgeschiedenis uit van een voortdurende metamorfose van het menselijk bewustzijn in de loop der verschillende
cultuurtijdperken.

Het maakt een groot verschil uit of men, enerzijds, het beeld heeft van een of andere Tarzan-geweldenaar als de schepper van de oudste vorm van het ‘recht van dn sterke’ of dat men anderzijds, uitgaat van de beschaving van de oude Indiërs, 6000 jaar voor Christus, wier samenleving nog geheel sacraal, d.w.z. door de priesters geleid is geworden.
Men kan daarbij wijzen op het ontstaan van de vier kasten uit het lichaam van de god Brahman: uit het hoofd van de god kwamen de wijsgeren, de Brahmanen voort, uit de schouders de krijgers of Ksatrya’s, uit de lendenen en voeten de Vaysa’s en Sudra’s, de handwerkslieden en landbouwers.

Wij hebben hier nog een voorbeeld — zij het in de meest primitieve vorm — van een zuiver organische samenleving, waarin het leven bepaald was volgens de stand, waarin men was geboren. Het sacrale karakter van deze oude standenstaat vindt men later terug bij de opvattingen van Plato in de Politeia en vandaar heeft zij via Augustinus haar invloed uitgeoefend op de middeleeuwse standenstaat. Immers, ook de drie middeleeuwse standen, geestelijkheid, adel en burgerij — Lehrstand, Wehrstand en Nahrstand — zijn uitvloeisel van een geheel organische opvatting van het sociale leven. In zijn drieledigheid was ook de structuur van deze samenleving nog bepaald volgens een hiërarchische opbouw van de kosmos — het Griekse woord, dat oorspronkelijk orde betekent!

In alle antieke, voorchristelijkc culturen, ging de leiding van de Staat uit van een bevoorrechte priesterkaste. Men kan zich op zuiver empirisch standpunt stellen en deze bevoorrechting verklaren als het natuurrecht van een elite van Tarzans, die, ten einde een meerderheid te beheersen, hun macht ontlenen aan een “mythe” waarin zij zelf niet meer geloven.
Deze voorstelling is zelfs geenszins in strijd met wat tegenwoordig in onze maatschappij als machtsverhouding optreedt. Maar mag men bepaalde machtsverhoudingen uit onze tijd projecteren op het verleden? Is dat niet in strijd met iedere ontwikkelingswetmatigheid?

Rudolf Steiner wijst er steeds op dat men als historicus in zich het vermogen moet ontwikkelen, de geschiedenis symptomatologisch te bezien. Hij stelt Goethe als voorbeeld. Men gaat uit van de verschijnselen als symptoom van een onzichtbare werkelijkheid, als letters van een schrift, dat wij moeten leren lezen in een organische samenhang.
7

Men zou de visie op de historie, die men langs deze oefeningsweg langzamerhand leert ontwikkelen, een organische geschiedbeschouwing kunnen noemen, tegenover de mechanische geschiedbeschouwing van het historisch materialisme. Wij hebben gezien welke consequenties de laatste visie op het gebied van de sociale moraal heeft gekregen.

Voor het historisch materialisme is de oude Indische kastenstaat, evenals de middeleeuwse standenstaat, niets anders dan één bepaald aspect van een steeds zich herhalende klassenstrijd, een struggle for life, waarbij één bepaalde elite de macht heeft een meerderheid te onderdrukken en te beheersen. De strijd om het bestaan vormt het uitgangspunt van deze opvatting.

Tegenover deze opvatting staat het meer organische beeld van de maatschappij, afgelezen aan de wetmatigheden van een goddelijk-geestelijke wereld of, meer mythologisch uitgedrukt, voortgekomen uit het lichaam van de godheid zelf. Mensenbeeld en maatschappij zijn hier nog in de nauwste samenhang met elkaar verbonden. Evenals de verschillende organen van het lichaam een dienende functie uitoefenen in het geheel, evenals ook de drie stelsels — zenuw-zintuigstelsel, ritmische stelsel, en stofwisselingsstelsel — nooit op zichzelf een eigen bestaan kunnen leiden, maar alleen functioneren in samenhang van het gehele organisme, zo vormen ook de verschillende kasten of standen in het antieke gemeenschapsbestel, een dienende functie waarbij het saamhorigheidsbesef tot een hogere goddelijk-geestelijke wereld, het verbindende element vormt van het sociale organisme.

Dit sacrale karakter is het kenmerk van alle antieke beschavingen. In de loop van de mensheidsontwikkeling is het langzaam afgestorven, in onze tijd leeft het nog slechts als mythe, als machtsmiddel, waarmee een bepaalde elite haar historische rechten tracht te rechtvaardigen. Zoals gezegd: De moderne sociologie projecteert deze machtsverhoudingen op het verleden, en kan daardoor nooit tot een organisch beeld van de maatschappij komen, als oerbron van alle maatschappelijke verhoudingen. Het gevaar hierbij is, dat bepaalde decadentieverschijnselen, die in onze tijd zich voordoen, voor permanent worden aangezien.

Wij behoeven ons dan niet te verbazen over de uitwerking, die deze opvattingen hebben op de sociale moraal: onverschilligheid, cynisme.

Met het oog op de vorming van sociaal verantwoordelijkheidsbesef is het van het grootste belang, welk beeld men op school meekrijgt van de oorsprong van de oude beschavingen. Menig leraar staat hier tegenwoordig voor een ernstig gewetensconflict. Waar ligt de oorsprong van de mens? Stamt hij af van de apen of van de goddelijke wereld? Wat is de geestelijke oorsprong van de antieke hiërarchische standenstaat? Aanpassingsvermogen in de “strijd om het bestaan ’, of verbondenheid met de goddelijke wereld, waarvan de mens deel uitmaakt als van een levend organisme?

In drieërlei vorm leeft in onze tijd het sacraal-organisch karakter van de antieke wereld na.

1e. In de katholieke maatschappijleer. Voor zover nog erfenis van middeleeuws organische opvattingen is haar hiërarchische structuur nog geheel gebaseerd op de eenheid van wereldbeschouwing — het katholon, voor allen geldig — met als hoogste autoriteit het morele gezag van de Kerk.
8

Organisch is deze maatschappijleer, waar zij rekening houdt met een organische ontwikkeling van de verschillende levensgebieden van de maatschappij in beroepsstanden, buiten invloed van de Staat om. 1)
De Staat heeft slechts een subsidiair karakter. Haar taak is ordening, maar slechts daar, waar de lagere organen in hun functie tekort schieten. De verbindende kracht van deze sociale structuur ligt voornamelijk op geestelijk gebied: de autoriteit van de Kerk als Corpus Christi, het Lichaam van Christus.

2e. De historisch gegroeide structuur van het British Empire. Ook dit is te bezien als een groot organisme, waar het als Commonwealth, Gemenebest, het belang van de delen primair stelt boven het belang van het centrum. Het is een levensgemeenschap, waar het door economische banden de meest verschillende territoria in de wereld als „welvaartssfeer’ met elkaar verbindt. Zijn structuur is zodanig, dat afscheiding van een van de delen van het geheel steeds het gevaar van economische uitputting met zich meebrengt. De verbindende kracht van de Commonwealth ligt dan ook niet zozeer op politiek als wel op economisch gebied. Sacraal, is het Engelse koningshuis de verbindingsschakel die het Rijk tezamen houdt. De Kroon is in het Engelse staatsbestel niet alleen maar “ornament” . Zij vertegenwoordigt een historische traditie, nauw verbonden met het geestelijk moreel gezag van de Anglicaanse Kerk.

3. De Fascistische Staat van Mussolini. Ook hier treft men een zeer speciale organische opbouw aan, in zijn totalitair karakter geheel ondergeschikt aan de Leider — Duce — als de personificatie van de Staatsmacht.
De organische opbouw is hier geheel “verwereldlijkt”, geseculariseerd. Zij staat organisatorisch, los van iedere band met de Kerk. Niettemin is zij hiërarchisch. Dit komt sterk tot uiting in het dienend karakter van alle organen van het maatschappelijk leven in dienst van de “mythe van de grootheid van Italië . Deze organen zijn belichaamd in de verschillende corporaties, wier invloedssfeer het totale maatschappelijke leven — cultuur, rechtsleven en economisch leven — bestrijkt. Vandaar de naam. Corporatieve Staat.
De Staat zelf als drager van het rechtsleven is hier het alverbindend element. Haar symbool, de fasces, is hiervan de uitdrukking. Het fascisme is door Mussolini een „religieuze conceptie’ genoemd. Zijn ideologie is de herleving van het Imperium — machtsgebied — van Augustus. Daardoor werkt het autoritair, als een moderne cultus, in dienst van een antieke aan het Romeinse Rijk ontleende rechtsorde.

Op het gevaar af in bepaalde schematische voorstellingen te vervallen, hebben wij een voorbeeld gegeven van drie verschillende vormen van sociaal organisme, die ieder als archetype nog min of meer samenhangen met de oude antieke maatschappijvorm. Weliswaar is het oude sacrale karakter verloren gegaan en is steeds meer, in de plaats van een door de priesters behoede mysteriewijsheid, een „mythe” als bindend element gekomen.
Het oude sacrale karakter is het duidelijkst in de structuur van de Kerk, die zelf als hiërarchie, nog geheel afspiegeling is van een „hemelse hiërarchie”, drieledig van indeling. Zodra dit verband verloren is gegaan, berust het gezag van de Kerk in de samenleving uitsluitend op het feit, dat

1) Zie de Encycliek van Paus Pins XI,  Quadragesimo Anno.
9

„haar door God de schat der waarheid is toevertrouwd ’, en op de daaruit voortvloeiende strenge plicht, de zedenwet in volle omvang te verkondigen. Krachtens dit feit vallen niet alleen kwesties van sociale, maar zelfs van economische aard onder haar bevoegdheid en heeft zij hierin in hoogste instantie uitspraak te doen.1)

In de structuur van het British Empire is deze sacrale band tussen Kerk en organische samenleving reeds bijna geheel verloren gegaan. Toch hangt de ontwikkeling van deze structuur ten nauwste samen met de ideologie van de Tories, de partij die altijd het nauwst verbonden is geweest met oude katholieke tradities.
De grondslag van het Empire is gelegd door de Stuarts in de 17e eeuw. In de vorige eeuw hebben mannen als Seeley, Kipling en Rhodes haar ideologie verder uitgewerkt en wij vinden haar thans het scherpst geformuleerd in het werk van Lionel Curtis, Civitas Dei, The Commonwealth of God.

Ten slotte de Fascistische Staat van Mussolini.

Hoewel het fascisme — zoals Mussolini het zelf heeft uitgedrukt — de godsdienst en speciaal het Katholicisme zeer hoog acht, toch erkent het niet langer de Kerk als gezagdragende en ordenende macht in het sociale leven.
De Staat zelf, de “ethische Staat’ is de “ware werkelijkheid van het individu” geworden. De mens leeft dus pas overeenkomstig zijn bestemming, als hij zich onderwerpt aan de wil van de staat, d.w.z. van de drager van de nationale gedachte”. 2)

Hiermee is niet gezegd dat met deze drie vormen van sociaal organisme alle andere vormen zijn uitgeput. Integendeel er doen zich nog alle mogelijke andere variaties en tussenvormen voor. De drie hier beschreven vormen vertegenwoordigen het scherpst ieder één bepaalde ideologie. In elk van deze structuren neemt één bepaalde elite een overheersende positie in, als drager van, hetzij de geestelijke belangen, hetzij de economische belangen, hetzij de rechtsbelangen.

In de katholieke staatsgedachte is dit de clerus, als drager van het geestelijk leven.
In de Britse Commonwealth zijn het de industriëlen en landadel — men denke aan de rol van de oude Gentry in het Engelse parlement — als dragers van het economisch leven.
In de fascistische totalitaire staat zijn het de kringen van ambtenaren en leger, die als bureaucratie de dragers zijn geworden van het rechtsleven en opkomen voor de verwezenlijking van sociale rechtvaardigheid.

Ieder van deze drie bevoorrechte klassen vertegenwoordigt een bepaalde ideologie, waaraan zij tegenwoordig haar macht ontleent. Men zou de oude Indische kastenstaat als wedergeboren kunnen zien in de Europese volkerengemeenschap.
Brahmanen, krijgers en handwerkslieden, als de dragers van het geestelijk

1) Zie de Encycliek van Paus Pius XI, „Quadragesima Anno” 41.
2) Art. 1 van het Charter van de Arbeid luidt: De Italiaanse Natie is een organisme, dat een hoger leven, hogere doeleinden en middelen van handelen bezit dan de afzonderlijke nog in groepen levende individuen, die haar samenstellen. Zij is een morele, politieke economische eenheid, die zich volledig in de Fascistischen Staat verwerkelijkt.
10

leven, het rechtsleven en het economisch leven, vindt men min of meer terug in de elites van de drie hier geschetste sociale organismen.

Het verschil tussen de moderne en de antieke structuur is echter zeer groot.

De oude kastenmaatschappij was een organisme. De verschillende kasten, door een sacrale band met de goddelijk-geestelijke wereld bijeengehouden, verhielden zich tot elkander, gelijk de drie functies — het zenuw-zintuigstelsel, het ritmische stelsel en het stofwisselingsstelsel — van het menselijk lichaam zich tot elkaar verhouden.
Vergelijkt men hiermee de levensbelangen van de drie hier geschetste sociale organismen, dan verrijst voor ons het beeld van drie kolossale machten, die niet de minste belangengemeenschap meer met elkander hebben, integendeel, die elkaar op leven en dood bestrijden.

Deze strijd is verklaarbaar.

Want weliswaar zijn zij, wat hun vorm betreft, organisch opgebouwd, maar de ideologie waarmee zij deze oude vorm moeten handhaven, past niet meer in de tijd, zij is tot “mythe” geworden.
De oude kastenmaatschappij was daarom organisch, omdat zij nog afspiegeling was van een kosmische orde. De priesters genoten een nog vanzelf sprekende autoriteit, omdat zij de bemiddelaars waren tussen mens en goddelijke wereld. Het was een autoriteit, die nog geheel berustte op de eerbied voor de goddelijk-geestelijke wereld.
Deze eerbied is langzamerhand verloren gegaan. Daarmee is ook de autoritaire macht van de priesters in het sociale leven verzwakt. Dit afstervingsproces is zeer geleidelijk gegaan. Nog lange tijd is de structuur van het sociale leven in haar organische opbouw overgenomen van de structuur van de oude voorchristelijke beschavingen.
Waanneer echter in deze structuur de uiterlijke vorm niet langer meer beantwoordt aan de geestelijke inhoud, treedt een verschijnsel op, dat men imperialisme kan noemen.
Hoe meer de sacrale banden met een goddelijk-geestelijke wereld afstierven, des te sterker werd ideologie “machtsmiddel” — imperium betekent macht— bestemd om een historisch gegroeide structuur van het sociale leven in stand te houden.
Daardoor zijn langzamerhand in Europa drie grote wereldmachten ontstaan als drieërlei vorm van imperialisme: de Kerk, het Britse Rijk, de Corporatieve Staat.
Zij behartigen elk afzonderlijk, totaal aan elkander tegenstrijdige belangen. Daardoor leidt hun bestaan tot allerlei onoplosbare conflicten, zowel in de buitenlandse als in de binnenlandse politiek van de verschillende volkeren van Europa.
De vraag naar een weg tot oplossing van deze conflicten kan nauwelijks meer gesteld worden, zolang niet eerst een andere vraag is gesteld: hoe kan voorkomen worden, dat in de structuur van het sociale leven, de drie gebieden van religie, welvaart en rechtvaardigheid, niet langer meer als
machtstegenstellingen werken, maar organisch in de volkerengemeenschap worden behartigd?

Dit vraagstuk van de drieledigheid van het sociale organisme is in wezen een vraagstuk van christelijke samenleving.
11

Christelijke rechtsorde

Sinds het ontstaan van het christendom laat de vraag of een “Christelijk
Rijk” op aarde bestaanbaar is, ons niet met rust. “Christelijk Rijk” is
dat geen paradox? Is niet iedere rijksgedachte verbonden met macht, met uiterlijk geweld in de wereld?
Wijst Christus niet het gebruikmaken van geweld af, zegt Hij niet zelf: “Mijn Rijk is niet van deze wereld?” Verkondigt Hij niet: “Het Koninkrijk Gods is binnen U?”
Maar wat betekent het christendom nog zonder aardse macht? Hoe kan ooit een
“christelijke” oplossing gevonden worden van het sociale vraagstuk, wanneer niet uiteindelijk wereldlijke macht autoritair ingrijpt, een “Christelijk Rijk” op aarde manifesteert met aardse middelen, met aards gezag?

Aan de andere kant: hoe kan ooit door middel van geweld, door dwang, aan de mens autoritair een christelijke samenleving worden opgelegd, wanneer niet de mens sterk genoeg is om door innerlijke vrijheid Christus in zijn eigen leven als voorbeeld te stellen?

Twee vragen, die de historie hebben gevormd, die steeds weer opnieuw aanleiding zijn geworden tot een afglijden in twee gevaarlijke eenzijdigheden van het leven.

De eerste vraag is de vraag die Augustinus stelde in zijn „Civitas Dei”, die ook Dante stelde in zijn „Monarchie en Divina Commedia.
De macht van het Imperium was eens gegrondvest door de Romeinen, zo zeiden zij. opdat in de heilsgeschiedenis, de Kerk, het “tweede Rome”, deze macht zou kunnen overnemen tot de verwezenlijking van de Staat Gods op aarde……
Deze oplossing voerde onherroepelijk in de praktijk tot een eenzijdigheid: verwereldlijking van de Kerk — ecclesia — als gemeenschap van “uitverkorenen”.
Tegenover deze eerste eenzijdigheid staat een tweede eenzijdigheid. Deze treedt op waar, gedreven door een heilsverwachting, men zich van de wereld afwendt, zich opsluit in kloosters, sekten vormt, om in afzondering zich voor te bereiden op de nadering van een heilstaat op aarde, die zich eens. los van ’s mensen toedoen, krachtens de vervulling van een profetie, zal verwerkelijken.

Zowel van katholieke als van protestantse zijde is deze verzoeking ontelbare malen opgetreden. Steeds weer streelt zij onze ijdelheid door de waan: te behoren tot een elite van uitverkorenen, gepredestineerd ver verheven boven de massa te staan.
In de middeleeuwen noemde men deze “reine” geesten, naar een Grieks woord, katharoi. In onze tijd heeft het woord ketter — de verbasterde vorm van dit Griekse woord — een ietwat andere klank gekregen.
Iedere sektevorming op protestants terrein — men denke aan de Wederdopers in de 16e eeuw — iedere ketterij op katholiek terrein, draagt het gevaar van deze tweede verzoeking in zich. Afkeer van alle geweld op aarde, lijdelijk verzet plegen tot in de meest absolute consequenties; men vindt dit als een modern Messianisme bij de Mennonieten, de Hernhutters, de Tolstoianen.
12

Het is van belang deze twee eenzijdigheden, die als verzoekingen kunnen optreden van te ver doorgevoerde macht enerzijds en te ver doorgevoerde vrijheid anderzijds, goed onder ogen te zien, alvorens ons bezig te houden met de vraag: is een “christelijke rechtsorde” op aarde bestaanbaar? Historisch bezien, kunnen wij nauwelijks nog van een dergelijke “probleemstelling” spreken, zolang één bepaalde Kerk, als drager van het religieuze leven, het staatsleven autoritair aan zich ondergeschikt maakt.
Dit is gedurende de gehele middeleeuwen nog min of meer het geval. De middeleeuwse standenstaat was “sacraal” geordend. Zij was een organisme, nog min of meer afgelezen van een bovenzinnelijke hiërarchische wereld. In de structuur van de Kerk zelf, voor zover betreft de organisatie van de clerus, vindt men eveneens een verticaal geordende indeling, welke ten nauwste verband houdt met de hiërarchische orde van de geestelijke wereld en die gebaseerd is op een traditie, die teruggaat op Dionysius de Areopagiet.1)
Kan men deze middeleeuwse standenstaat, met zijn sterke verticale hiërarchische structuur “christelijk” noemen?

Dat is de grote vraag, die opkomt omstreeks 1500 en waarover niet alleen met woorden is gediscussieerd, maar waarover vele eeuwen lang een strijd is gevoerd met bloed en wapenen.
Immers, sinds de Hervorming breekt met de godsdienstoorlogen een nieuwe orde der dingen door, een nieuwe staatsvorm wordt geboren, niet meer gebaseerd op een verticale indeling volgens standen, maar op een horizontale indeling, gegrondvest op de idee van geestelijke verdraagzaamheid.
De overheid verliest haar geestelijk absoluut karakter. In de strijd tussen wereldbeschouwingen neemt zij een meer neutraal standpunt in. Men zou het ook zo kunnen uitdrukken: voor de nieuwe rechtsorde, die met de Hervorming ontstaat, zijn alle burgers van de staat gelijkgerechtigd, opdat op religieus gebied het beginsel van vrijheid kan heersen.

Voor deze gedachte offerde Willem van Oranje zijn leven, werd in Frankrijk een Hendrik IV vermoord en in Duitsland…… Wallenstein.
Het offer, dat zij in de historie hebben gebracht, is een christelijk offer geweest. Zoals het bloed der martelaren eens het zaad der Kerk is geweest, zo is hun bloed het zaad, waaruit een nieuwe „christelijke rechtsorde” gegroeid is. Waarom “christelijke rechtsorde”?

Het antwoord op deze vraag staat o.a. in het Plakkaat van Verlatinge waarmee de Staten-Generaal van onze jonge Republiek in 1581 de gehoorzaamheid opzegden aan de koning.

“De onderdanen niet en zijn van Godt gheschapen tot behoef van den Prince, om hem in alles wat hy beveelt weder het goddelic oft ongoddelick recht oft onrecht is, onderdanich te wesen; maer den Prince om d’ondersaten wille”.

Dit beginsel schept een nieuw recht in een nieuwe staatsorde: het recht van

1) Over ‘de „kerkelijke hiërarchie” als afspiegeling van de „hemelse hiërarchie” zie: Dionysius Areopagita „Over de kerkelijke Hiërarchie”.
Men vindt hierover een uittreksel in „Anmerkungen” van Dr. Roman Boos op de in 1920 door Rudolf Steiner gehouden voordracht over „De geschichtliche Entwicklung des Imperialismus.” (Europa Verlag Ziivich/New York 1946.
13

de mens op gewetensvrijheid. De Overheid respectere deze vrijheid. Dat is haar nieuwe christelijke taak.

Op religieus gebied is voortaan het mensen-lk alleen aan God verantwoording schuldig. De vorst als drager van het rechtsleven, is niet langer meer opgenomen in de hiërarchische ordening van de middeleeuwse standenstaat. Er is een breuk ontstaan in het organisme van de samenleving. In de staat is het terrein vrijgemaakt voor een individuele ontwikkelingsweg.

Met het offer, in dienst van deze nieuwe rechtsorde, breekt als het ware een nieuw Pasen door in de rechtsgeschiedenis van Europa. Want de ontwikkeling van het christendom houdt ten nauwste verband met de ontwikkeling van de diepste krachten van het mensen-lk. Ieder, die het vertrouwen in de ontwikkelingsmogelijkheden van dit mensen-lk, als drager van de
Christuskracht niet verloren heeft, zal deze nieuwe rechtsorde als een winst kunnen zien. als een opstandingsproces. van waaruit de diepste krachten van de menselijke vrijheid ontstaan zijn. In dit opzicht kan onze Republiek worden gezien als een eerste schrede op een lange weg, voerend naar de verwezenlijking van een christelijke samenleving.

Dit emancipatieproces van het rechtsleven uit de organische samenhang van de middeleeuwse standenstaat is echter, behalve een winst tevens een verlies. Zoals reeds gezegd: er is een breuk ontstaan in het organisme van de samenleving.

Met de Hervorming sterft een oude organische samenhang van het rechtsleven met de goddelijke wereld af. Het duidelijkst blijkt dit uit de veranderde opvattingen van het z.g. natuurrecht. Vergelijken wij het natuurrecht, zoals dit in 1625 door Hugo de Groot geformuleerd wordt, met de oude Griekse voorstellingen van het natuurrecht — het phusei dikaion — dan blijkt duidelijk het verschil.

Bij de Grieken. — in het bijzonder bij Plato — nog een sterk organische gedachtewereld. Het rechtsleven is een harmoniserend, men kan wel zeggen. genezend element in de samenleving. Waar ergens een sociaal ziekteproces optreedt door een verbreking van het evenwicht tussen geestelijke en materiële belangen, werkt het rechtsleven bemiddelend en daardoor tevens therapeutisch. Zo ligt in de natuur der dingen besloten.
Wat Hugo de Groot onder natuurecht verstaat is reeds iets geheel anders. Zijn opvatting is veel rationeler, grijpt terug, niet zozeer op Griekse voorstellingen als wel op de Romeinse interpretatie daarvan. De Stoa, bron van zoveel Romeins-rechtelijke opvattingen, is zijn voornaamste leerschool geweest. Natuurrecht is bij hem identiek met volkenrecht, ius gentium.
Voor de Groot betekent natuurrecht datgene wat in iedere mensenziel verborgen ligt als bron van rechtsbewustzijn.
Door het natuurrecht is er ergens een gebied in de samenleving waar wij als mens gelijk zijn aan elkaar, onafhankelijk of wij Chinees zijn of Maleier, Spanjaard of Nederlander, onafhankelijk ook. of wij katholiek, protestant of zelfs heidens zijn opgevoed.
Het natuurrecht ligt in de natuur der dingen, d.w.z. het is ieder mens aangeboren. Daardoor is het natuurrecht voor de Groot ook de basis geworden
14

van het volkenrecht, van een nieuwe internationale rechtsorde, welke thans nog steeds de ideologie vormt van de Verenigde Naties. 1)

Het natuurrecht bij Plato was nog verticaal gericht. Het ging uit van een organische samenhang tussen mens en kosmos, en was daardoor nog geheel ontleend aan antieke theocratische vormen van menselijke samenleving.2)
Het natuurrecht van de Groot is horizontaal gericht. Het is de basis van een nieuw kosmopolitisme, een nieuw wereldburgerschap.

Het past in een samenleving, die afstand heeft gedaan van een hiërarchische ordening van het geestelijk leven.
Deze nieuwe formulering van het natuurrecht heeft gemaakt, dat het rechtsbewustzijn zijn laatste samenhang niet een hiërarchisch geordende geestelijke wereld verloren heeft.

Toch kan men deze opvatting een christelijke opvatting noemen. Zij past geheel in de structuur van een samenleving, voor de verwezenlijking ervan zojuist Oranje zijn leven had geofferd. Wij zien dan ook, dat later deze conceptie van het natuurrecht geheel in dienst wordt gesteld van het tolerantiebeginsel op godsdienstig gebied en dat juist dit beginsel aan iemand als Willem III de kracht heeft gegeven grote Europese politiek te voeren vanuit Engeland.
Het is interessant na te gaan, hoe daarna juist in Engeland, dit natuurrecht langzamerhand zijn christelijk karakter gaat verliezen onder invloed van natuurwetenschappelijke denkbeelden.
Het wordt dan steeds meer aangewend in dienst van tweeërlei vorm van macht: de Staat als drager van de collectieve wil van het volk enerzijds. Anderzijds, de Staat in dienst van de individuele vrijheden van de mens. Deze twee totaal verschillende ontwikkelingswegen van het natuurrecht gaan uit van twee Engelse denkers. Thomas Hobbes en John Locke. Men zou hen zelfs kunnen zien als de twee geestelijke vaders van de twee verschillende ideologieën van democratie, die thans vanuit Amerika en Rusland de geesten zozeer in verwarring brengen.

Het uitgangspunt bij Hobbes is de strijd van allen tegen allen, de bellum omnium contra omnes, als de natuurlijke vorm van de samenleving. De mens is een met rede begiftigd dier. De strijd om het bestaan, de ,”struggle for life” zal steeds als een schrikbeeld van massale verwildering de samenleving bedreigen. Om zich te beveiligen tegen de driften van zijn medemensen, beschikt de mens over de rede. Deze rede dwingt hem er toe zijn vrijheid prijs te geven. Dit offer is niets anders dan een natuurlijke zucht tot zelfbehoud Uit deze natuurlijke drift is het bestaan te verklaren van de lex naturalis. de natuurwet, die de band is, die alle mensen tot een Staat verbindt.

Deze Staat is drager van de collectieve wil, waardoor de enkeling zijn vrijheid prijsgeeft ten einde daarvoor in de plaats veiligheid te verwerven.
De Staat wordt hier door Hobbes voorgesteld als een monster, het beeld van

1) Onder de „doeleinden” van artikel 1 van het Handvest vinden wij: “internationale samenwerking bij het bevorderen en aanmoedigen van eerbied voor de rechten van de mens en voor de grondvrijheden voor allen, zonder onderscheid naar ras, geslacht, taal of godsdienst”.
2) Over de Politeia van Plato in samenhang met de oud-Indische kastenstaat leze men Urwick The Message of Plato. Aangehaald o.a. door Dr. H. Groot in zijn boek over Plato, Amsterdam 1947.
15

de Leviathan uit het boek Job. Op het titelblad van de eerste uitgave van het werk — 1645 — staat een Vorst afgebeeld met een staf en een zwaard — symbool van totalitair gezag over Kerk en Staat. Zijn maliënkolder bestaat, in plaats van uit talloze ringetjes, uit evenveel mensen.
Deze voorstelling van de Staat is geheel ontleend aan de dierenwereld. De mens is een met rede begiftigd dier. Het is een uiterst pessimistische voorstelling, in wezen echter dynamisch. Immers, zij leidt er toe, dat de rechtsopvattingen geheel in dienst komen te staan van de strijd om het bestaan. Zij verliezen hierdoor hun autonoom karakter, en zullen zich steeds moeten aanpassen aan een evolutieproces, dat zich als een “natuurlijke orde der dingen” onafhankelijk van de wil van de mens buiten hem zich voltrekt. Hier is dan ook de geestelijke basis gelegd van het historisch materialisme en wij zullen zien hoe twee eeuwen later Karl Marx in Engeland zal voortbouwen op deze geheel empirische materialistische gedachtegang.

De opvatting van John Locke over het natuurrecht is geheel tegengesteld aan die van Hobbes.
Hobbes gaat uit van de strijd van allen tegen allen als de natuurlijke vorm der samenleving. Locke gaat uit van de harmonie der individuele belangen. Hobbes zoekt zijn voorbeeld in de natuur bij de dierenwereld. Voor Locke ligt in de natuur der dingen geen strijd maar harmonie. Is ook de sterrenwereld niet doortrokken van harmonie? In de samenleving is ieder mens onderworpen aan natuurlijke verlangens; deze vormen de basis van natuurlijke rechten: recht om te leven, recht op vrijheid, recht op eigendom.
Wanneer ieder mens deze belangen als rechtmatig in zijn medemens respecteert, ontstaat hierdoor een natuurlijke harmonie van samenleving. Deze natuurtoestand betekent allerminst oorlog. Integendeel: oorlog ontstaat wanneer door geweld de natuur der dingen wordt doorbroken. Als waarborg hiertegen dient de Staat. Zij is slechts een noodzakelijke beperking van de vrijheid van het individu. Haar rechtsbasis berust op de erkenning van deze vrijheid. Speciaal op drieërlei gebied: leven, vrijheid en eigendom.
Uit deze optimistische voorstelling van de natuurlijke harmonie van de samenleving is bij Locke de beroemde contractsidee gegroeid, waardoor hij het gezag dat de overheid uitoefent, afleidt uit de overeenkomst van de burgers. Waarborg tegen gewelddadig ingrijpen in de harmonie van de belangen van de zijde der overheid, ligt in het recht, dat de onderdanen bezitten ten allen tijde dit contract te herroepen. Met andere woorden: de soeverein kan bij misbruik van macht de gehoorzaamheid worden opgezegd.

Wij zien hier dus tweeërlei rechtsopvatting, gebaseerd op het door Hugo de Groot gelegde fundament van het moderne natuurrecht.
Die van Hobbes is dynamisch en pessimistisch. Uitgangspunt is de “struggle for life” als de natuurlijke orde der dingen.

Die van Locke is statisch en optimistisch. Uitgangspunt is de harmonie der belangen, als de natuurlijke orde der dingen. Zij gaat uit van het bestaan van eeuwige onveranderlijke rechten, verankerd in de ziel van ieder mens, als de natuurlijke basis van de samenleving.
Beide opvattingen zijn beïnvloed door natuurwetenschappelijke denkbeelden, die juist in deze tijd in Engeland opgeld maken.
16

Merkwaardigerwijze beroepen zowel Hobbes als Locke er zich op dat zij de Indiaanse samenleving als voorbeeld hebben genomen voor het door hen ontworpen beeld van de samenleving!
Het is duidelijk, dat elk van deze opvattingen ontaarden kan in een gevaarlijke eenzijdigheid en dat met deze nieuwe conceptie van het natuurrecht krachten kunnen worden opgeroepen, die in strijd zijn met iedere organische structuur van de maatschappij.
Zowel Hobbes als Locke hebben niet alleen leerlingen gehad, die deze natuurrechtelijke opvattingen van de samenleving verder hebben uitgewerkt, maar ook “Zauberlehrlinge”…….

Sociale ideeën kunnen als natuurkrachten werken, die door de mens worden opgeroepen, maar die op een gegeven ogenblik niet meer door hem kunnen worden beheerst, omdat hij de “toverspreuk” van zijn leermeester vergeten is. Sociale ideeën worden natuurkrachten, wanneer hun organische samenhang met een goddelijk-geestelijke wereld verloren gaat. Zij werken dan niet meer verbindend van mens tot mens, maar destructief, daar zij zijn afgesneden van de bron van alle morele scheppende vermogens in de mens.
Wij kunnen dit emancipatieproces vervolgen vanaf het ogenblik, dat de twee zoëven geschetste natuurrechtelijke opvattingen van de samenleving hun geboortegrond — Engeland — verlaten.

In Engeland bestond omstreeks de tweede helft van de 17e eeuw nog een vorm van samenleving, die in vele opzichten organisch kon worden genoemd. De High Church, het Koningshuis, als min of meer sacrale banden met het verleden, oefenden in de samenleving nog een sterk moreel gezag uit. Via het familieleven, door de macht der bloedsbanden, bestond nog een zekere hiërarchische structuur, gedragen door een, vanuit de kringen van handel en nijverheid zich verjongende adel.
Daardoor was de samenleving nog immuun voor de destructieve uitwerking van de nieuwe, aan de op empirie gebaseerde natuurwetenschap ontleende sociale denkbeelden.
De destructieve uitwerking van deze denkbeelden wordt pas zichtbaar, wanneer zij geëxporteerd uit het moederland, binnendringen in de Nieuwe Wereld enerzijds, in Rusland anderzijds.
Daar, in het Westen en in het Oosten, oefenen zij een revolutionair geweld uit. Men kan, in dit opzicht, de jaren 1776 en 1917 in samenhang met elkander bezien!
In 1776 maken de Verenigde Staten zich los van het moederland. De geestelijke basis van deze Republiek is later door president Wilson zeer treffend gekarakteriseerd: “De grondwet van de Verenigde Staten is ontworpen onder de heerschappij van de theorie van Newton. De ontwerpers van de constitutie van onze Statenbond, construeerden een regering, zoals men een planetarium zou hebben gebouwd ” …….1)

1) Ook bij Jefferson, de grondlegger van de Amerikaanse Constitutie, vindt men de voorstelling van “a beautiful equilibrium, on which our Constitution is founded, and which I believe it will exhibit to the world in a degree of perfection, unexampled but in the planetary system itself.” (Letter to P. Firzbugh, 1798).
17

Hier ziet men de consequenties van de door Locke ontworpen voorstellingen van de harmonie van de individuele belangen. Ingeschakeld in het krachtenspel van de “balance of power” leiden zij langzamerhand tot een volkomen mechanisch beeld van de samenleving. Zij werken destructief, zodra zij in dienst worden gesteld van het met reuzenschreden zich ontwikkelend industrialisatieproces. Het rechtsleven verliest daarmee zijn autonoom karakter, d.w.z. de rechten,”van het individu op leven, vrijheid en eigendom”, komen meer en meer in dienst van eenzijdige economische belangen. Het is interessant deze ontwikkeling in zijn laatste consequenties te vervolgen. Iedere schooljongen is tegenwoordig op de hoogte van het massale roofbouwproces dat in de Verenigde Staten plaatsvindt op de natuur door de op grote schaal plaats vindende ontbossing en uitmergeling van de grond door chemische stoffen.
Tegenover dit in het economisch leven plaatsvindende roofbouwproces, dat de techniek uitoefent op de natuur, staat het Congres, als behartiger van de vrije rechten van de mens op leven, vrijheid en eigendom, machteloos.
Daar wreekt zich op de natuur zelf, een natuurrechtelijke voorstelling van het sociale leven in haar laatste consequentie.1)
De andere consequentie van het natuurrecht — via de door Hobbes beïnvloede ontwikkeling — voltrekt zich thans in het Oosten, in Rusland.
Wij zien hier de laatste consequenties van het historisch-materialisme, geëxperimenteerd op de menselijke samenleving.
De geestelijke basis van dit historisch materialisme is — zoals wij hebben gezien — door Hobbes in Engeland gelegd.
Het natuurrecht, aangepast aan de “struggle for life ”, schiep de Staat als drager van de “collectieve wil” van het volk.

Wij kunnen deze gedachte vervolgen, wanneer zij in Frankrijk, overgenomen door Rousseau, leidt tot de Franse revolutie, en daarna, via het positivisme van Auguste Comte en aangevuld door de evolutieleer van Darwin, Karl Marx beïnvloedt.
Door Lenin wordt zij naar Rusland gebracht en in 1917 verwezenlijkt tot het grootste sociale experiment dat ooit in de geschiedenis heeft plaats gevonden. Ook hier zien wij hoe. evenals in Amerika, de opvattingen van het natuurrecht beïnvloed worden door bepaalde natuurwetenschappelijke voorstellingen en de aanleiding worden tot een ander soort roofbouwproces. Het rechtsleven is hier geheel ondergeschikt geworden aan een ideologie, de opvatting van de klassenstrijd als een dynamisch proces. Recht en moraal zijn daardoor volledig relatieve begrippen geworden, ondergeschikt aan het evolutieproces van de klassenstrijd. Salus revolutiae suprema lex. De hoogste wet is het belang van de revolutie. Deze formule van de Russische Marxist Plechanov is de rechtvaardiging van alles, wat in een andere vorm van samenleving dan die van het Marxistisch socialisme als onrecht geldt. Tegenover de onverbiddelijkheid

1) Chancellor Robert M. Hutchins of the University of Chicago recently sunmit up the sombre facts: „About one-quarter of the arable land in this country is now ruined or severely impoverished and the damage is continuing; Soil losses in the United States total more than five billion tons annually. There has been a greater loss of productive soil in the world in the last two decades than the accumulated loss in all previous time. Another century like the last, and civilizatïon is through.” (John Fisher: „The lost Liberals” in Harpers. Mei 1947).
18

van deze “natuurwet” is het van absoluut ondergeschikt belang, of 20 miljoen mensen — het getal is ontleend aan Kravchenko — worden opgeofferd in dienst van de verwezenlijking van de klassenstrijd.

Zo zien wij, hoe buiten Europa, naar Amerika enerzijds, naar Azië anderzijds, de natuurrechtelijke voorstellingen, geëmancipeerd van de oude sacrale organische samenhang — zoals wij deze nog bij Plato aantreffen — steeds radicaler uitgroeien tot massale belangentegenstellingen, waarbij het rechtsleven zelf zijn autonome macht volledig verloren heeft.
De grote crisis van deze samenleving is niet alleen een geestelijke crisis, niet alleen een economische crisis, zij is ook een crisis van het rechtsleven.
Naarmate in Europa steeds meer de oude organische samenhangen met het verleden — via de Kerk. via de familiebanden, via de historie als lotsverbindend element — verloren gaan, is ook de rechtsorde van onze samenleving verbroken.

Wij staan thans voor de grote vraag: welke taak heeft het rechtsleven te vervullen in een organische samenleving, die niet meer berust op de krachten van het verleden, m a a r  d i e  r e k e n i n g  h o u d t  m e t  d e  t o e k o m s t? In een dergelijke samenleving zal het rechtsleven een verbindend element moeten vormen tussen de aan elkaar tegenstrijdige belangen van het uit de organische samenhangen zich ontwikkeld hebbende economisch leven en het geestelijk leven.

Daarvoor moet het rechtsleven volkomen autonoom zijn.

In Amerika en Rusland zien wij de fatale gevolgen, wanneer dit niet het geval is.
In een werkelijk organische samenleving kan het rechtsleven niet ondergeschikt zijn aan de belangen van ongeveer tweehonderd sleutelindustrieën, die op het ogenblik in de Verenigde Staten, in naam van de verhoging van de maatschappelijke welvaart, in naam van de „progress” een economische dictatuur uitoefenen. 1)
Anderzijds: het rechtsleven kan niet langer meer het afvalproduct zijn van een historisch dynamisch proces, het kan niet langer meer ondergeschikt zijn aan een politiek Messianisme, dat in naam van de verwezenlijking van de broederschap op aarde miljoenen mensen tot slavenarbeid veroordeelt.
Wij hebben niet langer te kiezen tussen twee werelden: óf Amerika óf Rusland.
Wij kunnen alleen nog maar tussen deze twee werelden een nieuwe wereld bouwen: een nieuwe organische samenleving, waarin het rechtsleven autonoom is.

Vooral voor ons land wordt dit vraagstuk urgent. Het grote vacuüm, dat na de oorlog in Midden-Europa ontstaan is, heeft de tegenstelling van ideologieën tussen Amerika enerzijds. Rusland anderzijds, een fataal karakter gegeven.
In de komende jaren zal het erom gaan tegenover deze „koude oorlog” van ideologieën, de weg vrij te maken voor een christelijke rechtsorde.

1) Zie: Beile en Means: The Modern Corporation and Private Property. De schrijvers tonen hierin aan dat het economisch leven van de Verenigde Staten beheerst wordt door de tweehonderd grootste niet-financiële maatschappijen, d.w.z. de verhouding waarin deze tot de banken stonden bespraken ze niet.
19

Bijna alle opvattingen over recht en moraal zijn tegenwoordig beïnvloed door de materialistische opvattingen van de natuurwetenschap. Dit te belichten was het doel van deze artikelen.
Voor de verwezenlijking van een christelijke rechtsorde is in de eerste plaats nodig, een nieuw organisch inzicht in de maatschappelijke problemen van deze tijd te ontwikkelen. Pas wanneer er bewustzijn ontstaan is, hoezeer het materialisme de denkbeelden beïnvloed heeft waarmee wij dagelijks onbewust omgaan in de huidige democratische samenleving, wordt de weg vrij voor een nieuwe structuur van onze maatschappij als -sociaal organisme.

In zijn “Kernpunkte der sozialen Frage” 1) heeft Rudolf Steiner zijn gezichtspunten ontwikkeld over een nieuwe drieledige structuur van de maatschappij. Dat betekent allerminst een herstel van oude voorchristelijke theocratische vormen van samenleving. Het betekent evenmin een beginselprogramma voor een nieuwe politieke partij.

Het komt er in de eerste plaats op aan “denkbeelden te ontwikkelen, die ontleend zijn aan de waarneming van het werkelijke leven”.

In ons land kunnen wij hierbij aanknopen aan zeer bepaalde tradities. Steeds hebben de grote figuren van ons volk gezocht naar een christelijke weg om het midden te vinden tussen twee eenzijdigheden. Voorbeelden hiervan zijn Geert Groote in de 14e eeuw, Willem van Oranje in de 16e eeuw en Thorbecke in de 19e eeuw.

In de toekomst zal het erom gaan. bij deze figuren aan te knopen, opdat
tegenover de grote eenzijdigheden van het Westen en het Oosten de middenweg wordt gevonden voor een werkelijk christelijke rechtsorde

Met het wegvallen van Midden-Europa ligt hier in West-Europa een grote taak.

1) (GA 23)
Vertaald: De kernpunten van het sociale vraagstuk
20

Pasen 1948

Publicaties mr. A.C. Henny

=Geld tussen zekerheid en risico, Uitgeverij Christofoor, Zeist 1986.
=Naar de bronnen van driestromenland; Politieke stromingen: van gemeenschap naar individuele verantwoordelijkheid, Uitgevrij Christofoor, Zeist 1989.
=Wereld in wording (drie delen voor middelbare schoolgebruik door 9 schrijvers
samengesteld) Novem, Uitgeverij van Goor Zonen, Den Haag.
=Honderden artikelen in het tijdschrift Vrije Opvoedkunst van 1933 tot 1990. Zie
uitgebreid digitaal archief van de Vereniging voor Vrije Opvoedkunst Driebergen
i.s.m. Antrovista: http://www.vrijeopvoedkunst.nl en vok.antrovista.com

Toneel:
=Non Nobis (over de Tempeliers)
=Voor God en Vrijheid (historisch spel prins Willem van Oranje)
=Turandot
=Vadertje Langbeen Proteus-uitgave

Gedichtenbundels:
Wilde zwanen boven zee
Licht en schaduw in Hollands tuin

Sprookje:
‘De Pioenen’. Een klein boekje met een liefdevol beschreven sprookje van een oude Chinese wijsgeer, zijn geliefde bloemen en een fee.

Brochures:
Metamorfosen van het rechtsleven
Natuurwetenschap en sociale moraal
Vrijheid, gelijkheid en broederschap
Onderwijs tussen toekomst en verleden
Constantijn de Grote en Julianus Apostata
Voor God en Vrijheid. Historisch spel in negen taferelen. (Proteus uitgave No.4, 1950)
Volken van Europa (Proteus uitgave No.6, 1950)

Rinke Visser over het leven van Arnold C. Henny:

Zwaarte van stofgoud en licht in diamant

Sociale driegeleding: alle artikelen

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-5)

.
In het tijdschrift Jonas  -zo tussen ca 1970 en 2000 – verschenen regelmatig artikelen over de politiek van die jaren. Meestal meer of minder uitgesproken tegen de achtergrond van de idee van de sociale driegeleding.
Voor een deel ius de inhoud dus bepaald door de tijd van toen, maar ze bevatten ook vrijwel altijd gezichtspunten voor de toekomst.
En, zien we niet in hoe het toen was, toch weer niet hetzelfde zoals het nu is, al zijn namen en situaties veranderd ?
Ook de vrijescholen worden genoemd. Opgemerkt wordt dat ze niet vrij zijn.
Ik merk op dat ze de laatste halve eeuw ook vrij weinig voor vrijheid van onderwijs hebben gedaan.
.

Frank Thomas Smtih, Jonas nr. 23, 6 juli 1973
.

moreel socialisme als alternatief

Als we het woord ‘socialisme’ gebruiken, bedoelen we daarmee gewoonlijk een systeem waarin de politieke staat de productiemiddelen bezit en de bevolking van een staatkundige eenheid voorziet van belangrijke sociale instellingen als pensioen- en ziekenfondsen, werklozenondersteuning, enz. Of het nu gaat om een democratische of een andere staatsvorm, waar ‘t op aankomt is, dat niemand economisch wordt uitgebuit. Per slot van rekening kan geen enkele staat die een volk vertegenwoordigt, hetzij door middel van gekozen vertegenwoordigers of door een dictatuur van het proletariaat, en die de bezitter is van de productiemiddelen, theoretisch het volk uitbuiten, want dat zou gelijk staan met uitbuiting van zichzelf.
Het begrip socialisme als staatssocialisme is duidelijk gevolg van de misbruiken van het kapitalistische systeem, versterkt door de ongecontroleerde egoïstische belangen. Bijgevolg is het een fenomeen van onze tijd dat verstandige en intelligente mensen, vooral onder de jongere generatie, zich terecht van de kapitalistische maatschappij afwenden en zich keren naar het marxistisch-leninistische communisme of variaties daarvan, vaak langs de weg van gewelddadige revolutie. Wat deze verschijnselen vooral zo belangwekkend maken, is het feit dat deze mensen concrete resultaten op het oog hebben bij de verwerkelijking van de theorieën van Marx en Lenin: de bureaucratische, economisch productieve, hedendaagse communistische staten — vestingen van de onderdrukking van de menselijke geest. We zijn allen getuigen van het fiasco van beide systemen, het kapitalistische zowel als het communistische, die bovendien bezig zijn een voor beide partijen dodelijke strijd te voeren. Niettemin beschouwt de idealist het marxisme als een zaak, waard om voor te strijden; met als ideaal de verdwijning van de staat en de terugkeer van het paradijs, al is het dan een materialistisch paradijs, terwijl het kapitalisme iedere morele ideologie mist. Wat hij echter niet schijnt te zien of in elk geval buiten beschouwing laat, is het onzinnige om te theoretiseren over het doen afnemen van de staatsmacht en tegelijkertijd de machtigste economische staten uit de hele geschiedenis op te bouwen.

De kapitalistische belangen (en de westelijke staten die daardoor worden beheerst) zien hun bestaan met recht dodelijk bedreigd door het communistische oosten: de marxistisch-leninistisch-maoïstische profetie verkondigt de ondergang van het kapitalisme door gewelddadige revolutie. Daarom verklaarde het kapitalistische westen de oorlog aan het communistische oosten, dat reeds lang bezig was een koude oorlog te voeren (in Europa, Korea, Vietnam, het Arabisch-Israëlische conflict, de guerrillastrijd in Zuid-Amerika, enz.). De resultaten van deze polariteit openbaren zich ook in de honger en de schandelijke sociale onrechtvaardigheid, die in vele gebieden op het zuidelijk halfrond heersen; in het ontbreken van vrijheid in die landen waarin de maatschappij wordt beheerst door extreme vormen van een militaire of klassendictatuur; in de vertwijfeling die zich uit in het gebruik van drugs en alcohol, in de jeugdcriminaliteit, de zelfmoorden, enz. of, om de woorden van Rudolf Steiner te gebruiken, in:

de mechanisering van de geest,
de vegetabilisering van de ziel,
de animalisering van het lichaam

Theoretici van beide kanten als ook uit de ‘derde wereld’ beseffen de gevaren van deze polarisering, maar blijkbaar zijn ze alleen in staat politieke of economische oplossingen te vinden. Een machtige president of kanselier, een juiste staatkundig-economische politiek, die door een wonderen bewerkende minister van financiën wordt uitgeoefend – daarin ziet men het middel tegen alle kwalen. Wat echter onder deze oppervlakkigheid verborgen blijft, is het feit dat juist deze politieke en economische overheersing van het gehele sociale weefsel en in het bijzonder van de opvoeding de maatschappij in de huidige explosieve gespannen toestand heeft gebracht. Politieke staten of economische politiek zijn niet in staat de oplossing te vinden voor deze problemen. Onder een dergelijke leiding kan de toestand alleen nog maar erger worden.

Veel belangrijker dan beide bovengenoemde gebieden is een heel ander arbeidsveld, een terrein van menselijk streven dat als autonomie bevoegd is zijn rechtmatige plaats naast de anderen in te nemen: het geestelijk leven. Hierdoor wordt alles wat met de geest te maken heeft uit de boeien van de staatscontrole bevrijd, beginnend, maar zich niet alleen daartoe beperkend, met de belangrijkste van alle geestelijk activiteiten: de opvoeding.

De gangbare reactie is, als dit ter sprake wordt gebracht, dat men zich verrast toont en er een beetje om lacht, en dat komt vooral omdat de politiek-economische eenheden de meesten van ons van hun onontbeerlijkheid op alle sociale gebieden hebben overtuigd. Particuliere scholen zijn hierop niet het antwoord, omdat ook zij direct of indirect onder staatscontrole staan.
Ze moeten gewoonlijk een officieel leerplan volgen en kunnen alleen door de staat gediplomeerde leraren aanstellen. De vrijescholen vormen hierop geen uitzondering, hoewel ze vaak in de gelegenheid zijn een opmerkelijke graad van betrekkelijke vrijheid te genieten – al naar het land waarin ze zich bevinden, waardoor de leraren kunnen werken in een atmosfeer die onder de gegeven omstandigheden zo vrij mogelijk is. Wie echter meent dat de vrijescholen in de huidige maatschappij ook werkelijk vrije scholen zijn, vergist zich.

Een opvoedingssysteem, vrij van staatscontrole en economische afhankelijkheid zou mensen voortbrengen, gevormd door leermethoden die zich uit het vrije initiatief van de leraren zelf ontwikkelen. Dit zou tot een nieuw bewustzijn leiden, waarvan de maatschappij waarin deze mensen zich uiteindelijk integreren op haar beurt weer rechtstreeks voordeel heeft, vanzelfsprekend met inbegrip van de politieke en economische gebieden van die maatschappij. Ze zouden dan werken aan de omvorming van de maatschappij in een organisme dat aan de huidige en toekomstige eisen van de civilisatie beantwoordt. Ze zouden dit doen als persoonlijkheden, waarvan gemoed en denkwijze niet door politieke propaganda en economische eisen werden verwrongen.

Het is de mythe dat eenheidsstaten een noodzakelijkheid zouden zijn, die de wereld in versneld tempo naar de zelfvernietiging voert. De steeds machtiger wordende eenheidsstaat, of het nu een pseudo-democratie of een openlijke dictatuur is, moet krachtens zijn hoedanigheid het hele sociale organisme met de dodelijke ziekte van het statisme infecteren. De staat is politiek, en als zodanig dwingt hij met zijn politieke motieven de geestelijke en economische werkgebieden binnen, waardoor hij ze te gronde richt. Is de tijd niet eindelijk aangebroken, waarin de wereld haar lethargie zou moeten afschudden en de dwingende noodzakelijkheid zou moeten erkennen de drieledige maatschappij te verwerkelijken, voor de eenheidsstaten zichzelf en alles wat aan menselijke beschaving overblijft door gewelddadige omwentelingen vernietigen?

De eerste duidelijke schrede is, overal bekendheid te geven aan deze noodzakelijkheid. Dit kan alleen uitgevoerd worden door hen die zelf de urgentie van deze opgave inzien en die bereid zijn zich door intensieve bestudering van de principes van de drieledige maatschappij voor te bereiden. Wanneer dan het nodige begrip en de overtuiging verworven zijn, moet deze kern van toegewijde personen erop uitgaan en zich tot het uiterste inspannen om deze principes aan de mensheid in haar totaliteit bekend en begrijpelijk te maken.

De weg van de menselijke ontwikkeling toont ons dat we ons aan de chaos moeten ontworstelen. Dit kan door een drieledig socialisme worden bereikt, niet door staatssocialisme, maar door een echt socialisme, dat het geestelijk leven vrij zijn oereigen wetten laat volgen, de politieke staat tot op zijn rechtmatige ordenende functie reduceert en waarin de economie dient te zorgen voor de materiële behoeften van de maatschappij. Dat is moreel socialisme.

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld:

.

2433

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-7)

.

In de artikelen over ‘sociale driegelding’ vinden we vaak de naam van Lex Bos. Hij hield zich intensief bezig met Steiners gedachten hierover en werkte vele gezichtspunten tot in het concreet maatschappelijke uit.

Onderstaand artikel stelde hij samen tegen de achtergrond van de vraag: hoe is het werken van Christus in het sociale leven.
Die vraag was onderdeel van een jaarthema van de Allgemein Anthroposophische Gesellschaft. Het antwoord op deze vraag wordt maar niet diepgaand uitgewerkt, maar Bos geeft wel zeer waardevolle opvattingen over hoe het in de maatschappij toegaat en zou kunnen gaan.

Lex Bos, Mededelingen Antr.Ver, in Nederland, 1994 nr 49, 5, blz 5

Hoe kunnen wij in onze samenleving, waarin nog maar weinig over is van de sacramenten die in vroeger tijden het sociale leven beheersten, tot een nieuw christelijk sociaal leven komen? Over deze vraag gaat onderstaand artikel van Lex Bos. Hij werkt hierin, op verzoek van de redactie, met name één aspect uit van de lezing die hij een jaar geleden hield ter afsluiting van de jaarvergadering. Deze stond in het teken van het jaarthema van de Vorstand: ‘Het werken van Christus in het sociale leven.

HET WERKEN VAN CHRISTUS IN HET SOCIALE LEVEN

Het bestuur van de Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft in Dornach had voor het jaar 1993-1994 het thema ‘Christuswirken im sozialen Leben’ voorgesteld. In de toelichtende woorden in het jaarboekje wordt onder andere gezegd: Alleen wanneer steeds meer mensen de weg naar het binnenste van de ziel tot de levende Christus vinden, zal hij ook op de juiste wijze in het uiterlijke sociale leven werkzaam kunnen worden.’ Tijdens de Pinksterviering 1993 is in de avondvoordracht over de ‘binnenkant’ van de ziel gesproken: over de deugden van de gewaarwordingsziel, de verstands- of gemoedsziel en de bewustzijnsziel, respectievelijk de verbazing of de interesse, het medelijden of de empathie, het geweten of de verantwoordelijkheid. Uit deze kiemkrachten die we als een Christusgeschenk in de drievoudige ziel kunnen beleven, kan een nieuw christelijk sociaal leven opbloeien. Daarmee richt de blik zich op de ‘buitenkant’ van het vraagstuk.

Hoe verschijnt deze christelijke kwaliteit in het uiterlijke sociale leven? Wat is de eigen aard, de karakteristiek van het sociale handelen?

In het jaarboekje citeert het bestuur twee uitspraken uit voordrachten waarin Rudolf Steiner antwoord geeft op deze vraag:

— Het sociale leven wordt een offerwijdingshandeling die de oude cultische handeling voortzet;

We moeten bij alle handelingen een ‘Gottesdienst erfüllen’, in alles sacramentalisme brengen.

In dit artikel wil ik proberen iets van deze uitspraken begrijpelijk te maken.

Wanneer we de blik naar oudere culturen via de Romeins-Griekse, de Egyptische en de Perzische culturen naar de Indiase, betreden we de wereld van de theocratieën: samenlevingsvormen waarbij de gehele cultuur vanuit een geestelijk-geïnspireerd centrum geleid werd, niet alleen het geestelijke culturele leven zelf, maar ook het sociale leven, zelfs het economische leven had een sociaal karakter, was doortrokken van geboden en regels die geen mensenwerk waren maar een godengeschenk. Het dagelijks leven bestond uit een aaneenschakeling van rituele handelingen: het opstaan, wassen, aankleden, elkaar begroeten, het eten koken, de maaltijden gebruiken, de beroepshandelingen verzorgen, het huis schoonmaken, het naar bed gaan. Die rituele handelingen hadden het karakter van een gebed en waren vervuld van gevoelens van dankbaarheid tegenover de godenwereld.
Het jaarritme werd gedragen door een veelheid van feesten, cultische handelingen, offerdiensten om de goden te danken, hen gunstig te stemmen, hun om hulp vragen. Met name in het beroepsleven bestond een sacramentele basishouding: het omgaan met de aarde en het transformeren daarvan was een heilige aangelegenheid. Elk beroep had zijn eigen ‘alchemie’ waarvan de wetmatigheden door de goden geopenbaard waren. Dat gold voor de landbouwer in het oude Azië, voor de papiermaker in Egypte, voor de tempelschrijver in Assyrië, voor de steenhouwer, voor de timmerman, voor de wever en voor alle andere beroepen.

WE KUNNEN DE HIER BESCHREVEN theocratische kwaliteit van de samenleving nog volgen tot ver in de middeleeuwen. Alle kunst was religieuze kunst; alle wetenschap was in feite theocratie; alle beroepen hadden hun schutspatroon; de kerk was het middelpunt van de stad; het dagelijks leven kreeg zijn ritme door het klokgelui, het jaar door de religieuze feesten. In zogenaamde primitieve culturen en ook in Oost-Azië kan men tot op heden deze karakteristiek nog tegenkomen: de begroetingsceremonie, de theedrinkcultuur, de huisaltaartjes met de vele dagelijkse offerhandelingen, het korte gebed van de jager voor hij zijn prooi schiet, de dankfeesten na de oogst en dergelijke meer.
In feite zijn dat de laatste resten van een bewustzijnstoestand die voorbij is, van sociale structuren die verouderd zijn, van leefwijzen die niet meer bij ons passen. Met het ontwaken van de bewustzijnsziel zien we de cultuur haar geestelijke oriëntatie, haar spirituele inspiratie verliezen. Daarmee slaat op alle levensgebieden de secularisatie en de profanering toe. De relatie tot het sacrament verdwijnt. Het centrale woord uit de mis (‘hoe est corpus’) dat gesproken wordt wanneer het brood verwandeld wordt, wordt geridiculiseerd tot een toverspreuk: hocuspocus! De sacramentele alchemie wordt tot chemische laboratoriumtechniek. Wat vroeger nog agricultuur was (de woorden cultuur en cultus hebben dezelfde stam, alle cultuur was vroeger cultisch!) wordt bio-industrie. Wat vroeger nog een reiscultuur was -te voet of in een koets door het landschap, de natuur belevend en mensen ontmoetend — wordt tot massatoerisme met jets en zonnige stranden of geprogrammeerde-sight-seeing. Had het eten en drinken vroeger nog iets heiligs binnen de beslotenheid van de familie, de volledige secularisatie op dit gebied eindigt bij McDonald en Coca Cola. Ook het seksuele leven onttrekt zich niet aan dit proces: van tempelslaap tot seksshop en porno. En de begroetingscultuur van het oude mantrische evoë wordt tot Hoi en Doei.

Te midden van deze culturele erosie houden zich nog sommige tradities, rituelen en ceremoniën overeind als laatste herinnering aan een theocratisch verleden: inauguratieceremoniën, promotierituelen, christelijke jaarfeesten (die eigenlijk alleen nog maar vrije dagen en consumptiehoogtepunten zijn), verjaardagen (met een bloemetje en een cadeautje), onderhandelingsrituelen (vooral nog levend bij oosterse volkeren) en religieuze gebruiken bij geboorte, maaltijden, huwelijk en sterven. Maar ook deze zijn onderhevig aan slijtage en ontberen meer en meer hun innerlijke vulling en hun spirituele oriëntatie.

Ik heb dit proces van secularisatie en profanering niet geschreven uit een stemming van nostalgie, hoewel de barbarij waarin veel van de vroegere cultuur ontaard is, daartoe aanleiding kan geven. We moeten dit proces kunnen zien in het teken van de vrijwording, de emancipatie, het ontwaken van de eigen innerlijke spiritualiteit. Het oude moet door een doodsproces heengaan om in vrijheid door de mens heen nieuw geboren te kunnen worden. We staan voor de taak uit een nieuwe innerlijke inspiratiebron de samenleving weer tot cultuur te maken, de samenleving opnieuw te sacramentaliseren.[1]

Ik denk dat het daarbij om kleine stapjes gaat, om het creëren van kleine cultuurgebieden in de ruimte, in de tijd, in de eigen ziel, wetend dat daarbuiten de erosie nog volop aanwezig is.

Het gaat daarbij mijns inziens voornamelijk om drie dingen:

Aanwezig zijn in de situatie. Tegenwoordigheid van geest in de meest letterlijke zin. Eigenlijk gaat het hier tegelijk om de kwaliteit van onzelfzuchtigheid. Voor zover je zelfzuchtig bent, ben je niet in de situatie maar in jezelf. Dan wordt een cultische handeling onwaar.

Voorbereiding. Iets sacramenteels ontstaat niet zo maar. Daar moet je naar toe leven, daar moeten condities en vormen voor worden geschapen, innerlijk en uiterlijk.

Spirituele oriëntatie. Voor het eigen bewustzijn moet in het handelen een relatie bestaan tot een geestelijke werkelijkheid, tot iets wezenlijks in de letterlijke zin van het woord.

VANUIT DEZE DRIE ELEMENTEN kunnen we proberen een ‘christelijke infrastructuur’ te scheppen, om het in de woorden van Bernard Lievegoed te zeggen. Waar zouden we die kunnen vinden? Ik noem een paar voorbeelden.

Een aantal grote cultuurplaatsen vinden we in de antroposofische werkgebieden. Ik denk daarbij aan de heilpedagogische instituutscultuur, aan de onderwijscultuur in “De Vrije Scholen, aan het nieuwe sacramentalisme in de biologisch-dynamische landbouw en de antroposofische geneesmiddelenbereiding, aan de cultische kwaliteit van de euritmie en andere geestelijk georiënteerde kunstuitingen.

Bij het zoeken naar kleinere, minder geïnstitutionaliseerde plaatsen waar een nieuwe cultuur ontstaat, kunnen we denken aan:

Gezinscultuur. Dit begrip wordt in antroposofische kringen veel gebezigd. Het omvat een groot aantal deellandschappen zoals de cultuur van het koken, eten, slaapvoorbereiding, speelgoed en verjaardagen. Er is daar genoeg over geschreven en in gepraktiseerd. Ik volsta met het gebied te noemen.

Grens- of drempelcultuur. Met grens of drempel is hier niet bedoeld ‘Die Schwelle’ in esoterische zin, maar de grenzen in ruimte, tijd en soorten activiteit, bijvoorbeeld het betreden en verlaten van een ruimte. Ook het aanbellen en voeten vegen hoort daarbij! Of het nu om het betreden van de ruimte van de groepsavond is of het betreden van andermans woon- of werkruimte; je gaat over een drempel en aan gene zijde is het anders met betrekking tot wat je zegt, hoe je je gedraagt, hoe je je kleedt, enz. En dat vraagt een moment van extra bewustzijn. Dat wordt ons soms moeilijk gemaakt. In Hoog Catharijne in Utrecht weet je op een bepaald moment niet meer of je nog in het station bent, op de ‘openbare weg’ of ongemerkt al in een winkel. En overal gaan deuren automatisch open en dicht. De drempels vervagen en daarmee het bewustzijn voor de geleding van het sociale leven met betrekking tot de ruimte waarin het zich afspeelt. Als we opbellen beseffen we vaak te weinig dat we daarmee zonder kloppen andermans ruimte binnendringen. Hoe vaak beginnen we niet met onze boodschap zonder te vragen of het stoort? En hetzelfde geldt voor het verlaten van een ruimte: men kan zich daarbij een klein, al is het maar innerlijk ‘ceremonieel’ voorstellen, in de zin van: wat voor ruimte laat ik hoe voor wie achter?

Het openen en sluiten van een groepsavond, een vergadering, een gesprek. Ook. daarbij ga je over een drempel en betreed je een nieuwe sociale ruimte. Met welk bewustzijn doe je dat, welk ritueel verbind je ermee, hoe is dat voorbereid? (Ook uiterlijk, koffiekopjes van tafel voor je met het eigenlijke werk begint!)

De cultuur van festivals, congressen, conferenties en vergaderingen. Mensen komen voor korte of langere tijd bijeen. Hoe gaan ze daar met elkaar om, hoe luisteren ze naar elkaar, met welk ‘commitmenf of welke vrijblijvendheid nemen zij aan werkgroepen deel, hoe kunstzinnig is het dagritme, hoe is de aankleding van de ruimte en de materiële verzorging? Ik denk hierbij aan de poging van Miha Pogacnik om met het Idriart-initiatief een nieuwe festivalcultuur te introduceren; ik denk aan de zorgvuldige wijze waarop Rudolf Steiner het Pinkstercongres in München inrichtte en aan de vele pogingen van leden om jaarfeesten en conferenties en ook kortere bijeenkomsten tot spirituele gebeurtenissen te maken. Zou zo’n spirituele gebeurtenis het karakter kunnen hebben van ‘een omgekeerde cultus’?

Tot zover mijn voorbeelden. Ieder kan ze naar believen aanvullen, van water geven aan kamerplanten en het opslaan van een boek tot en met momenten dat men ineens het gevoel heeft dat het leven zelf één groot mysteriedrama is waarin men zelf als priester celebreert.

Ik wil nog op twee schaduwzijden wijzen. Elk ritueel, elke cultische handeling kan tot routine worden en daarmee wordt ze onwaar en onwerkzaam: een spreuk zeggen, een kaars aansteken, een minuut stilte, een krans leggen, alles moet steeds opnieuw gewild en bewust gedaan worden!

Het andere gevaar is het misbruik van het ritueel ten behoeve van manipulatie. In het Derde Rijk is met het ritueel van de vlaggen, de groet, de liederen, de parades en dergelijke een ware magie bedreven. Maar ook in het bedrijfsleven wordt het ritueel gebruikt om mensen te binden en ontzag voor de leiding af te dwingen: het rituele uitreiken van lintjes en decoraties, het vieren van jubilea, het protocol in de hogere kringen, de glans van bepaalde statussymbolen, het zijn even zovele karikaturen van wat in dit artikel bedoeld wordt.

IK KOM TENSLOTTE NOG EEN KEER TERUG op het citaat uit het begin: het sociale leven moet het karakter krijgen van een ‘offerwijdingshandeling’. Laten we dat woord nog eens precies bekijken en het in verband brengen met de eerder genoemde drie deugden.

Onzelfzuchtige interesse heeft de kwaliteit van aandacht, eerbied, toewijding, religieuze overgave. Empathie, medelijden, erkenning vraagt om een volledig uitschakelen van de eigen sympathie- en antipathiekrachten, om een offeren van de eigenheid om ruimte te maken voor de ander. Bij het handelen in het sociale gaat het altijd om het dienend handelen. Is met mijn handelen de ander gediend, is mijn handelen een antwoord op een vraag? Wat zijn de consequenties voor de ander? Daarbij worden de hoogste gewetenskrachten aangesproken. Het mantrische woord ‘offerwijdingshandeling’ blijkt een drieluik te zijn waardoor de drie eerder genoemde sociale kiemkrachten in de ziel in het blikveld verschijnen.

In de toespraak die Rudolf Steiner op 26 september 1920 (nog niet in een GA opgenomen) houdt bij het begin van de eerste ‘Anthroposophische Hochschulkurs’ in het Goetheanum spreekt hij over kunst, wetenschap en religie. In de loop van die toespraak ontstaat een nieuw perspectief, namelijk dat van kunst, wetenschap en een religieus-sociaal willen. Daarmee duidt hij aan dat het sociale leven in de toekomst steeds meer een religieus karakter moet krijgen. Reeds in 1918 in de voordracht ‘Was tut der Engel in unserem Astralleib?’ (9 oktober 1918; De werking van de engelen, uit GA 182) duidt Rudolf Steiner in deze richting wanneer hij zegt dat in de toekomst ‘iedere ontmoeting van mens tot mens een religieuze handeling, een sacrament [zal] zijn. En om het religieuze leven in stand te houden zal niemand een aparte kerk met instituties op het fysieke plan nodig hebben.’

In dit artikel heb ik getracht het landschap te verkennen dat opdoemt wanneer het sociale leven een religieuze kwaliteit krijgt. Ik denk dat het ceremoniële, het rituele, het cultische en het sacramentele gradaties van dit religieuze zijn. Er ligt nog een lange weg voor ons om hierin helderheid te krijgen, maar vooral om dit tot levenspraktijk om te vormen. De voorbeelden in dit artikel mogen zichtbaar hebben gemaakt dat op allerlei plaatsen deze weg reeds oefenend gegaan wordt.

[1] Het is mij tot nu toe niet gelukt om helder te krijgen wat precies het verschil is tussen  sacramenteel, cultisch, ritueel en ceremonieel. Wie helpt daarbij? In dit artikel gebruik ik de begrippen door elkaar,

.
Sociale driegeleding: alle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

2410

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (84)

.

HET ABP EN HET AMBTENARENPENSIOEN
.

Ik herinner me nog vaag dat er in de jaren 1970 protest ontstond tegen het feit dat ambtenaren geen keus hadden bij het zelf regelen van hun pensioen.
Stevig in de wet verankerd ligt vast dat iedere ambtenaar = dus ook alle leerkrachten = VERPLICHT maandelijks hun bijdrage aan het fonds af moeten staan – dat hield de werkgever al meteen van je salaris in.
.

Tijdens mijn loopbaan bij het vrijeschoolonderwijs heb ik niet meegemaakt dat die regeling – bijv. belicht vanuit de driegeleding – ter discussie zou moeten staan. 
Zelf stond ik er ook niet zo bij stil. Het was toch geweldig dat je spaarde voor later!
Het heeft heel lang geduurd voor ik me eens afvroeg: waar gaat dat geld dan naartoe? Waar wordt het in belegd?
.

Af en toe was er wel protest, zoals dit in 2018, politiek geladen: ‘ABP. stop met investeren in Israëls kolonisering!’
En als je hier kijkt, is er meer.

Op dit ogenblik loopt er een actie dat het ABP oproept niet langer te investeren in fossiele brandstoffen, maar in te zetten op verduurzamen van ons klimaat.
Voor de zorg om onze aarde.

Zo’n actie komt voor de vrijeschoolleraar wél veel dichterbij. Proberen wij in ons onderwijs, bijv. bij vakken als dier- plantkunde en mineralogie niet juist EERBIED te wekken voor onze aarde? Haar als een levend organisme te beschouwen dat geen egoïstische uitbuiting verdient, maar juist een zorgvuldig en verantwoord omgaan?

Vandaar mijn oproep om deze petitie te tekenen en er veel zwaarder op aan te dringen mede te kunnen bepalen waar je pensioenpremie – die tenslotte toch van jou is – heen gaat.

Toelichting door FOSSIELVRIJ NL

Terwijl pensioenfonds ABP zégt een groen pensioenfonds te zijn, stemt ABP tégen klimaatresoluties bij fossiele bedrijven. Dat blijkt uit onderzoek dat wij afgelopen week naar buiten brachten [1].

ABP laat dus na om invloed aan te wenden bij fossiele bedrijven, terwijl ze beloven dit wel te doen. ABP misleidt hun eigen deelnemers met groene woorden.

Het is belangrijk dat we ABP om uitleg vragen. We kunnen ABP hier niet mee laten wegkomen. Als genoeg mensen kritische vragen stellen, zal ABP écht klimaatbeleid moeten opstellen en uitvoeren: groene daden in plaats van slechts groene woorden.

Kom nu in actie! Stuur in één minuut een email naar ABP bestuursvoorzitter Corien Wortmann om uitleg te vragen over hun beleid. Kies bijvoorbeeld één van de 25 vragen die wij hebben klaargezet.

Hoe werkt het? Wij hebben 25 vragen klaargezet over ABP’s ‘engagementbeleid’. Kies één van de vragen en plak die in de mail. Wij hebben een voorbeeldmail voor je klaar gezet, maar hoe persoonlijker je de mail maakt, hoe beter.

Al jaren beweert ABP dat ze in fossiele bedrijven blijven beleggen, omdat ze op die manier meer invloed zouden kunnen uitoefenen op bedrijven als Shell, BP en Chevron. Op aandeelhoudersvergaderingen kan ABP stemmen op resoluties die zijn ingediend. Wat blijkt? ABP stemt tegen 79% van de resoluties waarin een fossiel bedrijf wordt opgeroepen om doelstellingen te stellen die in lijn zijn met het Parijs-Akkoord. ABP steunt slechts 45% van alle klimaatresoluties bij fossiele bedrijven.

ABP werkt hard aan een groen imago, en dit imago is belangrijk voor ABP. 59% van de ABP-deelnemers wil namelijk een duurzaam pensioen [2]. Maar investeren in fossiele bedrijven die enkel van plan zijn om meer kolen, olie en gas op te stoken, hoort hier niet bij.

Laat jij ABP’s bestuursvoorzitter weten wat je vindt van de resultaten uit dit nieuwe onderzoek? Laat nu je ongenoegen horen en stel een kritische vraag.

Samen kunnen we zorgen voor een écht groen, fossielvrij ABP!

Een strijdbare groet,

Hiske, Fossielvrij NL en 350.org

[1] Discussiestuk ‘Aanjager of Obstakel? Een analyse van ABP’s rol in de energietransitie’

[2] Verslag Duurzaam en verantwoord beleggen 2019, ABP

350.org en Fossielvrij NL bouwen een wereldwijde klimaatbeweging. Je kunt je bij ons aansluiten op Facebook, ons volgen op Twitter en Instagram, en een vaste donor worden om deze beweging te helpen groeien en sterk te maken.

Sociale driegeleding: verzekeren en beleggen als schijnzekerheden

Sociale driegeleding: alle artikelen

Opspattend grind: alle artikelen

.

2380

/

./

./

./

Wat op deze blog staat

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-4)

 

Zo langzamerhand bestaat elk terrein waarvoor Rudolf Steiner vernieuw(en)de ideeën heeft gegeven, wel zo’n 100 jaar.

Dat geldt ook voor de sociale driegeleding.

De vrijeschoolbeweging heeft deze driegeleding tot op heden niet in de armen gesloten. Het lijkt of ze niet beseft dat alleen een echte vrijeschoolpedagogie tot zijn recht kan komen wanneer er vrijheid van onderwijs- d.w.z. van inrichting – is.

Ook op economisch gebied bevatten Steiners ideeën nog zoveel kiemen voor een veel socialer leven dan we nu op onze planeet aantreffen.

Rudolf Steiner hield er verschillende voordrachten over die o.a. zijn weergegeven in de GA (GesamtAusgabe =verzameld werk) onder de nr. 340 en 341
Deze zijn uitgegeven onder de titel ‘Economie – de wereld als één economie.
De vertaler – Frans Wuijts – schreef ook een nawoord, waarvan hier een gedeelte volgt:
.

Objectief leren waarnemen en denken

ANDERS KIJKEN NAAR ECONOMIE

Vindt een onderneming in het economische leven bestaansrecht in het verdienen van geld of in het voorzien in behoeften van mensen in de samenleving? 

Een voorbeeld uit de achtste voordracht. Hierin bespreekt Steiner de begrippen Vraag’ en ‘aanbod’. Hij neemt ons mee naar de markt met kramen en producten en wijst ons op wat wij waarnemen. Wij zien op deze markt het aanbod en dat wat men vraag noemt. Maar dat klopt volgens hem niet. Deze begrippen zijn krakkemikkig en ondeugdelijk. “Er is een aanbod wanneer iemand waren op de markt brengt en deze voor een bepaalde prijs te koop aanbiedt,” zegt hij. “Ik beweer echter: nee, dat is geen aanbod, dat is een vraag. Wanneer iemand waren op de markt brengt en deze wil verkopen, dan is dat bij hem een vraag naar geld. (…) En wanneer ik vraag wil ontwikkelen, dan heb ik aanbod in geld nodig.”

Zowel de theorie als de praktijk van de doelstellingen, motieven en gedragingen van ondernemingen én consumenten zijn hier in het geding. De meeste ondernemingen formuleren doelstellingen zoals ‘het maximaliseren van de aandeelhouderswaarde’.

Dit is echter een motief dat haaks staat op de objectieve functie die een onderneming in het economische leven vervult: namelijk het voorzien in behoeften van mensen.

“Er is maar één geldige drijfveer in de economie,” zei een directeur van een grote onderneming, “en dat is het egoïsme. Kijk maar om je heen!” Zijn waarneming klopt als een bus. Het gericht zijn op het eigen belang kan men in de praktijk waarnemen als de belangrijkste drijfveer bij zowel de onderneming als de consument. Voor ondernemers gaat het meestal om een streven er zelf beter van te worden met behulp van – in moderne termen – het ‘verdienmodel’. En voor de consument geldt dat hij, in dezelfde geest, een zo laag mogelijke prijs najaagt.

Dienende functie

In het verlengde van Rudolf Steiner wijzen Rudolf Mees*, Lex Bos* en anderen op veranderingen in de economische denkwijze. We groeien toe naar een economie waarin vrijwel niemand meer voor zichzelf, maar in wezen louter voor ‘de ander’ werkzaam is. Zo voorzien landbouw, veeteelt en visserij in onze dagelijkse voedsel behoeften, openbaar vervoer in de mogelijkheid ons te verplaatsen, de industrie in behoeften aan goederen en de bouw in huisvestingsbehoeften. Alle voorzien op één of andere manier daadwerkelijk in behoeften van mensen. Objectief beschouwd zijn deze productieve activiteiten altruïstisch van karakter, ofwel ‘sociaal’ in de betekenis van ‘de behoefte van anderen tot uitgangspunt nemen van je handelen’. Objectief gezien, dus zonder morele connotaties als ‘egoïsme is slecht’ en ‘altruïsme is goed’. Organisaties in het economische leven vervullen in objectieve zin een ‘sociale’ of dienende functie. Men werkt voor de behoeften van de anderen, de consumenten/afnemers, ook al zeggen we (bijvoorbeeld als we een eigen bedrijf starten) dat ‘we voor onszelf beginnen’. De drijfveer, de beweegreden of het motief van waaruit of waarmee dit gebeurt, is vrijwel steeds tegendraads aan de objectieve externe functie, en is ‘anti-sociaal’, ‘egoïstisch’, ‘gericht op het eigen belang’. Echter, aan het horloge om onze pols hebben mensen uit de gehele wereld op de één of andere manier een bijdrage geleverd: tijdens het delven of bewerken van de grondstoffen, het transporteren ervan, het fabriceren, het leveren van de benodigde energie hiertoe, het financieren, verkopen etc. Dit geldt voor alle gebieden waarin mensen in deze tijd economisch actief zijn.

De tegengestelde bewegingen respectievelijk krachten van het (bewuste) handelen uit eigen belang en het objectieve (minder bewuste) altruïsme zijn op een bijzondere wijze in elkaar verstrengeld. Ze zijn beide doorgaans niet tegelijk actief helder bewust en daardoor ontstaan er spanningen, treden er fricties op en vinden verspillingen plaats. Want de aandeelhouders van een onderneming verlangen een hoog dividend en de deelgenoten van een coöperatie een zo hoog mogelijke nabetaling; medewerkers willen een aantrekkelijke beloning en toeleveranciers een aanvaardbare prijs. De ‘doelstellingen’ van de verschillende ‘stakeholders’ conflicteren, omdat elke belanghebbende vanuit hetzelfde anti-sociale, op eigenbelang gerichte motief denkt en handelt en instinctief niet anders wil, het zelfs de gewoonste zaak van de wereld vindt. Het gevolg is wel een gesjor aan de uiteinden van hetzelfde touw in tegenovergestelde richting. Of aan verschillende touwen met een knoop in het midden. Als er echt te hard getrokken wordt, dan zal het touw uiteindelijk ergens breken. Of nog erger…

Sociale hoofdwet

Welk motief zit er achter het economisch handelen tot duurzame behoeftebevrediging? Ik denk dat het geheim schuilt in het volgende principe: als iedereen zich richt op het eigen welzijn of gewin, dan overleven slechts de sterksten; als iedereen zich daarentegen richt op het welzijn van het geheel komt iedereen aan zijn trekken. In de door Steiner geformuleerde ‘sociale hoofdwet’ komt dit beginsel op een bijzondere wijze tot uitdrukking. Deze luidt: “Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter, naarmate het individu minder aanspraak maakt op het resultaat van zijn prestaties, dat wil zeggen naarmate hij deze opbrengsten meer aan zijn collega’s laat, en naarmate zijn eigen behoeften niet vanuit zijn eigen prestaties maar vanuit de prestaties van de anderen bevredigd worden.”

Weliswaar is een gemeenschap van mensen erop aangewezen dat men voor elkaar zorgt, altruïstisch handelt, maar tegelijkertijd hebben de mensen de neiging zoveel mogelijk voor zichzelf in de wacht te slepen, egoïstisch te handelen. Deze egoïstische neiging doorkruist de werking van de sociale hoofdwet en moet in zijn effecten onschadelijk worden gemaakt, wil de sociale hoofdwet volledig tot gelding komen. Naar Steiners overtuiging moet egoïsme in het economisch leven zelfs ‘met wortel en tak’ worden uitgeroeid. Een beroep op de integriteit van de mensen is daartoe niet genoeg: de economie moet zó worden ingericht dat het onmogelijk wordt iets van de eigen inspanningen voor zichzelf op te eisen. Waar het dan op aankomt, is “dat het werken voor de medemens en het verwerven van een inkomen twee volledig van elkaar gescheiden zaken zijn”. Een dergelijke inrichting voorkomt dat mensen de sociale arbeid (arbeid die alleen door samenwerking met anderen mogelijk is) voor eigen gewin benutten, ten koste van de gemeenschap. De enige motivatie om voor de gemeenschap te werken is dan de wil om dat te doen.

De voordrachten van Steiner geven een aanzet tot een nieuw objectief waarnemen van en creatief denken over economie. Om zodoende met een nieuwe blik te kijken naar de economische processen, de aard van het geld (in de verschillende vormen van koopgeld, leengeld en schenkgeld), naar het vinden van de juiste prijs voor een product, naar de vraag of de waarde van de grond aan de economie zouden moeten worden onttrokken ter voorkoming van vergaande kapitaalstuwing in grond, naar de betekenis van arbeid voor de samenleving enzovoort. Deze nieuwe blik kan tot nieuwe oplossingsrichtingen voeren. ||

*er staan artikelen van deze auteurs op deze blog – zie ‘alle artikelen’

 

Uitgegeven bij Nearchus

,

Sociale driegeledingalle artikelen 

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

.

2344

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-8/5)

.

Helaas ontbreekt nr.4 

De artikelenreeks is van jaren geleden. Er is veel veranderd, maar waar het om gaat, toch ook weer niet zoveel. Het meer inhoudelijke staat nog altijd. Uiteraard zijn uiterlijke zaken, namen e.d. voorbeelden, wél uit die tijd, maar evenzo goed weer in te vullen met wat we nu hebben.

In een serie van vijf artikelen gaat onze medewerker Lex Bos in op de structuren van en de ontwikkelingen in ons (maatschappelijk) arbeidsbestel. Aan het begin van elk artikel wordt een korte samenvatting van het vorige toegevoegd.
.

Lex Bos, Jonas 13, 25-02-1977
.

DE HEILIGE DRIEPOOT VAN ONS ARBEIDSBESTEL 5

.

In de eerste twee artikelen van deze serie is het arbeidsbestel onderzocht naar zijn drie bestanddelen: de capaciteiten van de mensen, het werk dat ze doen en de beloning die zij daarvoor ontvangen. Het blijkt dat het huidige arbeidsbestel gekarakteriseerd kan worden door een catastrofale hiërarchisering en vervlechting van deze elementen. In het derde artikel zijn de consequenties daarvan onderzocht voor de individuele mens en voor de samenleving. Deze gaan in de richting van een biografische negatie en een wegbereiding voor een totalitaire staat.
In het vierde artikel is gesproken over elementen van een ‘ontvlechtings-strategie’. Wanneer we in deze richting processen in gang willen zetten, komen vraagstukken aan de orde als een nieuwe, meer persoonlijke en doorzichtige relatie tussen producent en consument en een gezond maken van het schenkingswezen. Dit laatste heeft als voorwaarde de ontwikkeling van het bewustzijn dat de bron van alle ‘meerwaarde’ (van alle creativiteit) bij de natuur en de menselijke capaciteiten liggen. Deze worden ons geschonken. De consequenties hiervan gaan in de richting van nieuwe eigendomsvormen, nieuwe kapitaal-overdracht-procedures en nieuwe bank-achtige organen.

 

In het laatste artikel zal aangeduid worden in welke richting een organisatie-interne ontvlechting kan gaan. We komen daarmee weer terecht in het centrale thema van de arbeid.

Om de componenten van het arbeidsbestel te ontvlechten is onder andere nodig een innerlijk overwinnen van elk gevoel van eigendoms-aanspraak op hetgeen de natuur mij schenkt aan stoffelijke gaven en op hetgeen het totale culturele leven (inclusief dat van vorige generaties) mij schenkt aan capaciteiten (c.q. aan mogelijkheden die te ontwikkelen). Naarmate dit grondgevoel groeit, ontstaat er ook een basis voor concrete acties. Die kunnen te maken hebben met het zoeken naar, via het experimenteren met, tot en met het juridisch vastleggen van nieuwe eigendomsvormen, een nieuwe vorm komt b.v. tot uitdrukking in de scheiding van beheer en gebruik. Een stichting kan dan bijvoorbeeld een onroerend goed of een productiemiddel ‘bezitten’ (het woord past dan niet meer) zonder zich op enigerlei wijze eraan te kunnen verrijken of het ten eigen nutte te kunnen aanwenden. Zij kan het alleen onder bepaalde voorwaarden aan bijvoorbeeld een werk-maatschappij ten gebruike uitgeven.

1. Nieuwe kapitaal-overdrachtprocedures

Als binnen een organisatie in feite niemand meer recht heeft op de winst, hoe vinden dan de besluitvormingsprocessen plaats die de overschotten hun bestemming geven? Welk deel vloeit terecht terug als substantie in de eigen onderneming, welk deel wordt terecht als nabetaling aan de medewerkers uitgekeerd en welk deel wordt terecht als schenking naar het geestelijk-culturele leven overgemaakt?

En wat is bij dit alles de inhoud van het woordje ‘te-recht’? (l).Dat hangt ervan af in hoeverre het oude (Romeinse) eigendomsgevoel in feite al overwonnen is. De procedures en rechtsvormen die men vindt zullen altijd een spiegel zijn van hetgeen er feitelijk in de zielen van de betrokken mensen leeft.

2. Nieuwe bank-achtige organen

Het schenken van overschotten aan het geestelijk-culturele leven kan natuurlijk niet ‘zo maar in de ruimte’ gebeuren. Het vraagt om nieuwe organen die een goede oriëntatie hebben over de behoefte aan schenkingsgeld in (bepaalde sectoren van) het geestesleven en van daaruit een soort bemiddelingsfunctie op zich kunnen nemen in de sfeer van het schenkgeld. Ondernemingen die een deel van hun overschotten wegschenken, komen direct voor de vraag te staan, hoe zij hun kapitaalbehoefte dekken wanneer geen (of minder) zelffinanciering mogelijk is. Deze vraag wijst naar nieuwe condities waaronder leengeld (2) kan worden verstrekt. Ook daarvoor moeten nieuwe organen worden geschapen (3).

3. Arbeid en organisatie

Een derde gebied van waaruit de ontvlechting kan worden aangepakt, betreft de arbeidsorganisatie zelf. We kunnen hierbij meer in concerto aansluiten bij de ‘driepoot-analyse’ van dit artikel. We moeten volstaan met de opsomming van mogelijke maatregelen. Elk zou aanleiding kunnen zijn voor gedetailleerde concretisering met praktische voorbeelden (hoofdstukken uit een nog te schrijven boek dat zou kunnen heten ‘aspecten van een arbeidsbestel-therapie’ of ‘inleiding tot een ontvlechtings-agogiek’). De beperkte ruimte van dit artikel laat alleen aanduidingen toe. De suggesties hieronder zullen aan realiteitswaarde toenemen naarmate de processen in de twee eerder genoemde gebieden voortgang vinden.

Discriminaties opheffen

Een bedrijf dat grondig af wil rekenen met de interne standenstaat staat versteld tot in welke uithoeken deze is doorgedrongen. Van het onderscheid ‘wc’ en ‘heren’, via het soort ingang waardoor men binnenkomt, tot en met rangen en titels. Van de kleding via het eenzijdig tutoyeren tot en met de aankleding van de werkplek. Een aantal onderscheidingen is functioneel (wie voor zijn werk een groot bureau nodig heeft moet dat hebben, maar niet omdat het de
functiebekleder status moet verlenen), maar de meeste zijn relikwieën van een oude standenhiërarchie. Een arbeidsorganisatie die tot het inzicht is gekomen dat deze gesaneerd moet worden vindt een rijk jachtgebied en voor jaren werk.

Mensen en functies in beweging brengen

De moderne management-literatuur spreekt — uit overwegingen van arbeidsmotivatie en efficiency — over de noodzaak van taakroulatie, taakverdieping en taakverruiming, over de noodzaak van ‘ont-hiërarchisering’ van de bedrijfsstructuur en over de noodzaak van horizontaal organiseren (daarmee is bedoeld het inrichten van projectgroepen dwars door de functionele zuilen heen, dus bestaande uit mensen van verschillende disciplines en verschillende afdelingen). Al zulke maatregelen kunnen ook bijdragen aan een dynamiseren en daarmee ontvlechten van de arbeidsbestelcomponenten.

Bewustzijn voor capaciteit, arbeid en beloning

Het openbaar maken van alle lonen en salarissen, van onkostenvergoedingen, van secundaire en andere arbeidsvoorwaarden inclusief de motieven waarmee de verschillen worden gerechtvaardigd en voorts het bespreken daarvan in (qua inkomensniveau) gemengde groepen kan veel emoties in beweging brengen, maar ook bewustzijn wekken. Men zou daarbij ook in kunnen gaan — historisch en taalkundig — op de verschillen tussen loon, salaris, honorarium, en op de vraag of deze verschillende benamingen nog reëel zijn. Misschien zou men ten behoeve van het saneren van discriminaties alleen nog maar over inkomen moeten spreken.

In het kader van deze gesprekken ontdekt men wellicht ook dat het onderscheid, dat in de boekhouding gemaakt wordt tussen direct productieve en indirect productieve arbeid discriminerend én nietszeggend is en dus moet worden afgeschaft. En tenslotte wordt het dan misschien ook duidelijk dat men in de bedrijfscalculatie arbeid niet onder de onkosten kan opvoeren in dezelfde categorie als materiaal en energie.

Het zou zeer bewustzijn-vormend werken wanneer men in plaats daarvan in de calculatie duidelijk onderscheid zou maken tussen
– onkosten (materiaal, energie, verplichtingen in verband met rente en aflossingen, uitbesteed werk e.d.)
– inkomens voorschotten . kapitaalvorming

Over deze verschillende calculatiebestanddelen is het volgende te zeggen:

De onkosten
zijn het meest harde gedeelte in de calculatie. Wat de zogenaamde ‘loonkosten’ betreft: arbeid kan niet betaald worden zodat deze ook niet in de calculatie tegen een bepaalde prijs kan worden opgevoerd. Bovendien kunnen inkomens in feite pas worden betaald als ze verdiend zijn.
Er kan dus in de calculatie alleen sprake zijn van inkomensvoorschotten. Tenslotte is er een post kapitaalvorming (marge, nagestreefd overschot). Aan het einde van het boekjaar — als de concrete resultaten zichtbaar zijn — kan bepaald worden wat daarvan wordt weggeschonken, wat wordt uitgekeerd (dan pas heeft het inkomen zijn definitieve hoogte van dat jaar) en wat wordt geïnvesteerd in de eigen onderneming.

Eerder in dit hoofdstuk werd gewezen op de noodzaak om daarbij procedures te vinden die het particuliere en het bedrijfs-egoïsme binnen de perken houden (4).

Een ander hulpmiddel — hier en daar ook reeds gepraktiseerd — om de componenten te ontvlechten, — althans de noodzaak daartoe in het bewustzijn te roepen — is het voeren van drie soorten beoordelingsgesprekken (tussen chef en medewerkers) op verschillende tijdstippen in het jaar. Het eerste is bijvoorbeeld een ontwikkelingsgesprek: ‘hoe verloopt je ontwikkeling, hoe zie je die zelf, hoe zien wij die, wat zou je er bij willen leren, zoek je nieuwe uitdagingen, welke perspectieven heb je hier nog?’ Dit gesprek kan streven naar een biografisch-consultatief niveau. Een tweede gesprek is een werkgesprek. Het heeft een heel ander karakter: zakelijk, evaluerend ‘wat waren de taken waar je voor stond, welke verantwoordelijkheden had je, wat heb je daarvan terechtgebracht, welke factoren hebben de kwaliteit beïnvloed, wat kun je daar volgend jaar aan doen?’ Dit gesprek kan gevoerd worden in het morele perspectief van: ‘voor wie werk ik eigenlijk, van welke gemeenschapsmiddelen maak ik daarbij gebruik en hoe ga ik daarmee om?’ Het derde gesprek is het sociale gesprek waarin ook het inkomen aan de orde komt: ‘hoe is je plaats in de werkgemeenschap, wat voor soort collega ben je, voel je je gediscrimineerd, waar zitten onrechtvaardigheden in je positie, in je arbeidsvoorwaarden?’ Dit gesprek kan worden gevoerd in het perspectief van het behoefte-inkomen.

Daarmee zijn we — na lange omtrekkende bewegingen — bij de kernproblematiek aangekomen. ‘Wat komt mij toe in verhouding tot anderen?’ En dat begrip ‘anderen’ kan zich verwijden tot de mensheid waarvan meer dan een derde hongert. Vragen kunnen gesteld worden of de inkomenshoogte iets te maken heeft met opleiding, functie, anciënniteit.

Naarmate in de gesprekken hierover het bewustzijn toeneemt, kunnen voorzichtige pogingen worden gedaan bepaalde, voor het inkomen niet relevante zaken, uit de arbeidsvoorwaarden te elimineren. Er kunnen binnen afdelingen en daarna in groter verband gesprekken op gang worden gebracht over de vraag wat eigenlijk behoeften zijn, of die bij iedereen gelijk zijn, wat het verschil tussen behoefte en begeerte is, welke emotionele weerstanden er zijn (en waar die vandaan komen) tegen ontkoppeling van inkomen en prestatie en zo meer.

Het heeft geen zin het proces verder te beschrijven. Wie —in samenhang met al het voorgaande — deze weg inslaat (samen met anderen) beleeft duidelijk grenzen, maar wordt zich daaraan ook bewust hoe wezenlijk, en hoe toekomstgericht hij bezig is. En daarom kan het proces slechts tot hier beschreven worden.

4. Macro-sociale aspecten

Nadat we een drietal ingangen hebben beschreven die op meso-sociaal niveau (organisaties) mogelijk zijn (consumentenoriëntatie, schenkbewustzijn, arbeidsvormen) willen we volledigheidshalve tot slot nog op enkele aanzetten wijzen die vermoedelijk alleen macrosociaal mogelijk zijn.

– gegarandeerd minimumloon als een soort algemene volksverzekering. Wij spraken hier reeds over in verband met de uitlating van prof. Kuiper. Vermoedelijk zou een dergelijke inrichting verrassende gevolgen hebben op de sociale verzekering (eenvoudiger) .

Het soort werk
dat wordt aangeboden. Als de primaire werknoodzaak wegvalt, wordt zichtbaar welk soort werk in welk soort organisaties door mensen geambieerd wordt. Daar zullen de ‘werkgevers’ zich dan veel bewuster op moeten instellen.

Het bewustzijn
ten aanzien van vervelend, vuil werk dat ten behoeve van de gemeenschap gedaan moet worden en waar we niemand meer mee kunnen ‘inzepen’ (tenzij we de gastarbeiders als vierde stand onder onze welvaartsstaat blijven schuiven). Misschien wordt uit de opeenhoping van stadsvuil zichtbaar dat niemand meer vuilnisman wil zijn. We zouden dan allemaal — van ‘hoog tot laag’ — een paar uurtjes per jaar dit werk moeten doen…

-sociale verzekeringen
Het begrip ‘passend werk’ zou geheel moeten verdwijnen in het kader van de AAW en AWW. Ervan uitgaande dat de werkloze of de arbeidsongeschikte een uitkering (een inkomen) krijgt waardoor hij in principe de levensstandaard die hij gewend is, kan voortzetten, zou de helpende instantie samen met de persoon moeten kijken naar de vraag ‘hoe kunnen we dit sociaal-biografisch gegeven van jouw arbeidsongeschiktheid c.q. werkeloosheid als een kans gebruiken waaruit zowel voor jou als voor de samenleving een zinvolle nieuwe ontwikkeling mogelijk wordt?’ Vanuit deze startvraag zouden in principe alle wegen in de richting van nieuwe opleidingen en ander werk mogelijk moeten zijn.

-belastingen 
Reeds eerder werd gesproken over de wijze waarop de fiscus onze
schenkingswil verlamt en met haar pompsysteem het geestelijk-culturele leven verarmt. Een omvorming van het fiscale systeem in een meer humane richting (5) zal vermoedelijk nog wel even duren.-

-examens
Een belangrijk deel van het cement waarmee de componenten van het arbeidsbestel aan elkaar zijn gekit, vormen de examens. Ze markeren de sporten van de opleidingshiërarchie, ze geven toegang tot bepaalde functies en ze geven recht op een bepaald inkomen. Hoewel het de allergrootste onzekerheden zou oproepen, zou het juist daarom zeer effectief zijn wanneer opleidingsinstituten de moed zouden hebben (en de praktische wegen daartoe vinden) om examens en cijferlijsten als selectiemiddel en ingangs- en uitgangscontrole af te schaffen en in plaats daarvan elke leerling/student een kwalitatieve beschrijving te geven (bij volwassenen mede door henzelf te schrijven) van het leerproces, van het soort ervaringen en van de biografische ontwikkeling die gedurende de opleidingstijd werden doorgemaakt. Een voorbeeld daarvan zijn de getuigschriften die in de vrijescholen aan het eind van ieder jaar en bij het verlaten van de school worden meegegeven.

Samenvatting en slot

We zijn deze artikelenserie begonnen met de stelling dat het arbeidsbestel ziek is. We hebben gewezen op problemen van gastarbeiderdom, werkeloosheid, vlucht in de ziekte en arbeidsongeschiktheid, afnemende werkmotivatie e.d. Werk wordt gezien als straf. Het neemt een groot deel van het leven in beslag en toch nemen de meeste mensen er innerlijk geen deel aan. Om iets te kunnen presteren moet je iets geleerd hebben. Een groot deel van het onderwijsbestel is gericht op het werkleven. De school wordt toeleverancier van capaciteiten. Daarmee wordt leren voor veel mensen tot iets dat net zo vervelend is als werken. Is er een uitweg?

Ja, zeggen de meesten: door het loon dat je krijgt kun je in je vrije tijd aan je eigenlijke leven beginnen. Hoe korter werken en hoe meer loon hoe meer in de vrije tijd het ware leven geleefd kan worden. Maar in hun vrije tijd en in hun wooncultuur worden diezelfde mensen object van vrijetijdindustrie, van geïndustrialiseerde tour-operators en van technocratische nieuwbouw-projectontwikkelaars. Wat zij aan de ene kant proberen te ontvluchten komt hen van de andere kant tegemoet.

Om de drie sferen van leren, leven en werken weer gezond te maken moeten we dieper graven naar de oorzaak. Daarvoor hebben we in deze artikelen onderzocht hoe de componenten van ons arbeidsbestel zich tot elkaar verhouden: capaciteit (leren), functie (werk) en loon (leven). We hebben gezien dat deze alle drie hiërarchisch geordend en heilloos verknoopt zijn. De vervlechting leidt tenslotte tot een ontkenning van de mens als geestelijk zich ontwikkelend wezen, en bereidt de weg voor een centralistische eenheidsstaat. Een gezond maken van ons arbeidsbestel vraagt om een radicale ontvlechting van capaciteit, loon en werk. Deze ontvlechting is een van de wegen waarlangs het geestesleven, het rechtsleven en het economische leven de relatieve autonomie kunnen verkrijgen die nodig is voor een gezond maken van het maatschappelijk bestel in zijn geheel.

In de laatste twee artikelen werd getracht om een veelheid van wegen te tonen waarlangs met deze ontvlechting kon worden begonnen. Het is een taaie materie omdat ze zowel wettelijk als psychologisch sterk verankerd is. Toch krijgt men de indruk dat het arbeidsbestel zodanig aan het vastlopen is, dat er openingen komen voor wezenlijke vernieuwingen. Het is van belang dat we dan weten in welke richting deze vernieuwing kan gaan.

*(phaw) het artikel is uit 1977. Toen was er nog volop wilskracht binnen de vrijescholen om als alternatief voor de examendictatuur het vrijeschooleindgetuigschrift als een waardevol of zelfs beter alternatief opgang en ingang te doen vinden. Die ontwikkeling heeft zich niet doorgezet en is uiteindelijk ondergesneeuwd door de overheidseisen en – maatregelen, waartegen de vrijescholen als beweging niet krachtig genoeg waren, m.i. door gebrek aan wilskracht de idee van de driegeleding op het gebied van de geestelijke vrijheid vorm te geven.

1) zie het artikel van prof. Brüll inTerecht of onterecht?’**, Vrij Geestesleven Zeist, 1976
2) zie voor de begrippen koop-leen-schenkgeld het artikel van prof. Brüll in ‘Maatschappijstructuren in beweging’. Vrij Geestesleven Zeist, 1973
3) De Stichting Triodos en de Coöperatieve waar-borgvereniging Ferment, beide Hoofdstraat 20 te Driebergen, zijn vanaf 1968 bezig op dit gebied praktische vormen te ontwikkelen.***
4) De medewerkersgroep van het NPI / Instituut voor organisatieontwikkeling te Zeist+ probeert sinds enige jaren met deze materie praktisch ervaring op te doen.
5) zie het artikel van prof. Brüll over het belastingstelsel inTerecht of on-terecht?’. Vrij Geestesleven Zeist, 1976.

**2e hands per 19/12/20
***Triodos nu
+bestaat niet meer


.

Deel 1 van deze serie
Deel 2 van deze serie
Deel 3 van deze serie
Deel 4 ontbreekt

Sociale driegeledingalle artikelen

.

2319

 

 

 

 

 

 

 

.


VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-8/3)

De artikelenreeks is van jaren geleden. Er is veel veranderd, maar waar het om gaat, toch ook weer niet zoveel. Het meer inhoudelijke staat nog altijd. Uiteraard zijn uiterlijke zaken, namen e.d. voorbeelden, wél uit die tijd, maar evenzo goed weer in te vullen met wat we nu hebben.

In een serie van vijf artikelen gaat onze medewerker Lex Bos in op de structuren van en de ontwikkelingen in ons (maatschappelijk) arbeidsbestel. Aan het begin van elk artikel wordt een korte samenvatting van het vorige toegevoegd.

Lex Bos, Jonas 11, 28-01-1977
.

DE HEILIGE DRIEPOOT VAN ONS ARBEIDSBESTEL 3
.

.In het eerste artikel van deze serie is gesteld hoe ons arbeidsbestel gekarakteriseerd wordt door een heilloze verknoping van de drie belangrijkste bestanddelen: de capaciteit die men inbrengt, het werk dat men doet en de beloning die men daarvoor krijgt. Alle drie gebieden worden gekenmerkt door een sterke hiërarchische ordening: zowel het onderwijsbestel waarin capaciteiten ontwikkeld worden, als de organisaties waarin gewerkt wordt als de salarisschalen die de beloningshoogte regelt.

In het eerste artikel werd de verknoping van opleidingsniveau en functieniveau besproken. De psychologische en de organisatorische consequenties werden onderzocht: resp. hoogmoed en verstarring.
In het tweede artikel werd gekeken naar de vervlechting van wijkniveau en beloningsniveau. Arbeidskracht wordt verkocht op de arbeidsmarkt. De prijs ervoor is het loon. Loonkosten verschijnen naast machinekosten en energiekosten in de boeken. Ze zijn uitwisselbaar. De illusie ontstaat dat de ‘bedrijfsbenen’ aan de touwtjes van het ‘bedrijfshoofd’ zitten en het lagere dus door het hogere wordt gedirigeerd. Dit harlekijn-model is onwaar, roept maatschappelijk steeds meer verzet op, maar wordt door de verknoping van loon en arbeid in stand gehouden.
In het tweede artikel werd ook gekeken naar de vervlechting van opleidingsniveau en wijkniveau. We zien hoe mensen (avond)studies volgen alleen maar om daarvoor een hoger inkomen te claimen, ongeacht het werk dat zij doen. Ook leeftijd leidt tot plaatsing in een hogere salarisschaal.

In het volgende artikel zullen we dieper ingaan op de fundamentele menselijke en maatschappelijke consequenties van deze verknoping van capaciteit, werk en loon. Ook op de samenhang met de sociale driegeleding zal worden ingegaan.

De ‘loon-capaciteit’ knoop

Wanneer we de derde zijde van de driehoek in ogenschouw nemen moeten we ons ook hierbij weer realiseren dat we een kunstgreep voltrekken. In de werkelijkheid zijn de drie componenten steeds tezamen aanwezig. Ten einde dieper in de driepoot van ons arbeidsbestel binnen te dringen, bekijken we steeds een relatie tussen twee factoren. Bij de hier aan de orde zijnde relatie is de mens zelf weer in het geding. We praten over zijn capaciteit die hij door opleiding en ervaring verworven heeft c.q. denkt te hebben. De verknoping met het loon betekent nu dat iemand op grond van zijn opleiding en verworven kennis aanspraak maakt op een bepaald inkomen, ongeacht de functie en de prestaties in die functie.

Een academicus verwacht, ook al komt hij meestal met twee linkerhanden zijn eerste baan binnen, op een bepaald niveau ,‘ingeschaald’ te worden. ‘Je verkoopt je opleidingsniveau.’ Wie met veel moeite zich van het mavoniveau tot havo heeft opgewerkt, komt met een hoogwaardiger product op de arbeidsmarkt en verwacht een hogere prijs. Dit is de achtergrond van het feit dat veel opleidingen vercommercialiseren, doordat het
studiemotief minder te maken heeft met een interesse voor het vak maar meer met de rendabiliteit van de investering: wat kost zo’n opleiding, welke offers moet ik brengen en welke inkomenseisen staan er later tegenover, welke opbrengsten kan ik straks verwachten?
Deze verknoping heeft vergaande consequenties: het effent de weg voor mechanisatie en werkloosheid; het maakt mensen loon-gericht i.p.v. werk-gericht, waardoor men het doel (behoeftebevrediging van de consument) uit het oog verliest; het leidt tot verstarring, omdat elke verandering in de werksituatie weerstand oproept. En tenslotte leidt het feit dat de bedrijfshiërarchie eigenlijk een salarishiërarchie is tot een steeds sterker benadrukken van de macht van de hoogst betaalden.

Een andere uitwas van deze knoop is in sommige gevallen de avondstudie. Met veel moeite wordt nog een studie boekhouden volbracht, een examen handelscorrespondentie afgelegd, een Schoeversdiploma gehaald omdat men daarmee aanspraak maakt op een hogere salarisklasse. In de arbeidsvoorwaarden staat b.v. opgenomen dat wie over een SPD (staatspraktijkdiploma) beschikt op een bepaald niveau wordt ingeschaald.

Op een wat andere wijze komt deze verknoping tot uitdrukking in de automatische inkomensverhoging met het toenemen van de anciënniteit. Daarachter ligt de filosofie dat iemands capaciteiten toenemen — dat hij meer waard wordt voor de organisatie — naarmate hij langer in dat bedrijf is. De schalen geven precies aan hoe veel die waarde-toename is voor elk jaar dat men ouder wordt. Pikante bijzonderheid is dat de hiërarchische standenstaat ook hier om de hoek kijkt. Hoe hoger het inkomen, hoe langer de schaal doorloopt. Een bankwerker is met 23 jaar al aan z’n plafond, een research-ingenieur kan tot z’n vijftigste nog ‘periodieken’ claimen. En zo worden jaarlijks honderdduizenden beloond, omdat zij ook dit jaar niet het initiatief hebben genomen van baan te wisselen, en ondanks het feit dat zij ook dit jaar nauwelijks van hun ervaringen geleerd hebben…

Wanneer we het loonbegrip naar z’n immateriële kant bekijken komen we weer in de eerste knoop terecht (capaciteit-werk). Men verwacht zich in zijn werk te kunnen uitleven. Wat men geleerd heeft, wat men kan, wil men kwijt in z’n werk. Eigenlijk verwacht men ook dat dat werk de mogelijkheid biedt tot capaciteitstoename. Men wil zich in en door zijn werk ontwikkelen. Boven bepaalde materiële inkomensgrenzen speelt deze immateriële beloning (bevrediging in de positie, uitleven in het werk) een grote rol. Daarmee zijn we — zoals gezegd — weer bij de eerste knoop terug. Dat wijst op de verknoping van de drie knopen. We moeten nu de totaliteit weer beschouwen.

Ontvlechting gewenst

We hebben in de voorgaand hoofdstukken de relaties tussen de drie hoekpunten van ons arbeidsbestel geanalyseerd en getracht de daarachter liggende paradigma’s bloot te leggen. In hun combinatie en wisselwerking ontstaat het beeld van een hecht doortimmerd bouwwerk. Elke verandering in een van de drie poten, elke poging tot ontvlechting van een van de drie knopen wordt bij voorbaat door de andere twee onmogelijk gemaakt.

Alvorens op de vraag in te gaan hoe concrete ontvlechting mogelijk is, moeten we ons met de veel fundamentelere vraag bezighouden waarom die ontvlechting überhaupt nodig en gewenst is. Wat zijn dan wel de schadelijke gevolgen van deze vervlechting? Aan het begin van dit artikel hebben wij een aantal actuele maatschappelijke verschijnselen genoemd (werkloosheid, afnemende werkmotivatie, gastarbeiders, e.d.) dat een fundamentele herbezinning op ons arbeidsbestel op z’n minst rechtvaardigt.

We hebben in de titel van dit opstel van een heilige driepoot gesproken. Daarmee is verwezen naar een beeld uit de Griekse mythologie. In de Delphische mysteriën speelde het orakel een grote rol. Dicht bij deze mysterieplaats was een spleet in de aarde. Daaruit stegen dampen op. Wanneer nu iemand levensraad kwam vragen bij het orakel, zette de tempelpriesteres — de Pythia — zich op haar gouden driepoot boven de spleet. Haar bewustzijn verhief zich tot de sfeer waarin zij het antwoord op de vraag kon vinden. Dat kleedde zij dan in raadselachtige taal zodat de vraagsteller alleen door grote wakkerheid en innerlijke activiteit de zin van het antwoord kon gaan doorgronden. De vragen en de antwoorden van het orakel hadden bijna steeds betrekking op het menselijk lot en op de juiste ordening van maatschappelijke verhoudingen (bijvoorbeeld: wie moet er regeren?).

De Pythia gezeten op een driepoot, spreekt een orakel. Zij houdt in de ene hand een laurier en in de andere een schaal, waarschijnlijk met water uit een aan Apollo gewijde bron. Schaal uit de 5e eeuw v. C.

We hebben het beeld van de driepoot gebruikt omdat men — in het beeld blijvende de vraag kan stellen welke Pythia er momenteel op deze driepoot celebreert. Uit welke sfeer haalt zij haar antwoorden op de vragen die door het arbeidsbeleid gesteld worden met betrekking tot de maatschappelijke ordening en het persoonlijk lot.

Wat de maatschappelijke kant betreft: de drievoudige verknoping van opleidingsniveau, functieniveau en inkomensniveau is de ideale voedingsbodem voor een totalitair centralistisch regiem.

Laten we een recent voorbeeld noemen. Het is bekend dat de overheid reeds thans een stevige greep heeft op de organisatie van het volksgezondheidsbestel. Wanneer men vervolgt hoe zij deze greep tracht te verstevigen kan men het spel langs de drie zijden van de driehoek exact waarnemen. Een van de ingrepen is in de inkomenssfeer: via de ziekenfondspremies, de behandelingsvergoeding, de verplichte pensioenen en dergelijke tracht zij het inkomen van artsen en specialisten in de greep te krijgen. Het ideaal in de verte is de overheidsarts met een door diezelfde overheid vastgesteld ambtenarensalaris.

Een tweede aanval voltrekt zich via de functie. De overheid stelt beroepsnormen vast, maakt categorieën van specialisaties en heeft via het uitreiken van vestigingsvergunningen de mogelijkheid deze normen ook praktisch te hanteren.

Een derde invalshoek loopt via de diploma’s. We lezen in de NRC van 13 juli ’76: ‘met ingang van 1.1.77 zal de richtlijn van kracht worden waarbij de diploma’s van artsen uit EG-lidstaten wederzijds worden erkend…De specialisaties zijn in drie groepen verdeeld… Er is een comité-consultative ingesteld dat maatregelen beraamt om op den duur alle opleidingen op gelijk niveau te brengen en daarmee het gehalte van alle artsen in de EG…

Aantasting vrijheid

Het behoeft weinig fantasie dat een overheid door dit spel over drie banden (wettelijk vastgestelde opleidingsniveaus gekoppeld aan wettelijk vastgestelde functie-inhouden, gekoppeld aan wettelijk vastgestelde inkomens) een steeds steviger greep op dit deel van het maatschappelijk leven krijgt. Dat hiermee een fundamenteel stuk menselijke vrijheid wordt aangetast behoeft geen betoog.

De beperkte omvang van dit artikel laat niet toe om ook voor andere maatschappelijke sectoren (landbouw, industrie, dienstverlening en dergelijke) vergelijkbare tendensen aan te tonen. De lezer zal weinig moeite hebben ze zelf te vinden. Ze wijzen in dezelfde richting: overal waar de hier beschreven verknoping voortschrijdt, wordt de weg geëffend voor een heilloos overheids-centralisme. De Pythia die hier boven de driepoot zichtbaar wordt lijkt op de ‘invisible hand’ van Adam Smith die op geheimzinnige wijze alle individuele egoïsmen omvormt tot een algemeen welzijn (waarbij dan iedereen wel de laatste rest van individuele vrijheid moet hebben ingeleverd).

De Pythia heeft nog een ander gezicht. Ze versluiert de blik voor de menselijke biografie, ja maakt deze in zekere zin onmogelijk. Wat gebeurt er in een menselijke relatie wanneer deze als het ware afgekocht wordt met geld. Er heeft een ‘eerlijke’ ruil plaats gevonden: de een heeft zijn arbeidskracht geleverd, de ander een som gelds: ‘wat heb ik verder met jou te maken?’

Wat gebeurt er in een relatie tussen mensen die in feite voor elkaar werken (de een produceert wat de ander consumeert en omgekeerd) maar dat niet willen weten omdat ieder in de voorstelling leeft dat hij voor zijn loon, voor zichzelf werkt?

Identificatie

Wat gebeurt er in de biografie en in het zelfgevoel van mensen wanneer zij geïdentificeerd worden met het beroep dat ze uitoefenen en de opleiding die ze gehad hebben? Het zegt toch niets over mijn individualiteit dat mijn vooropleiding halverwege de mavo geëindigd is? Toch roepen de diplomacraten me steeds toe: ‘jij bent een gesjeesd mavo-baasje ’. Het zegt toch niets over mijn individualiteit dat ik bankwerkers-capaciteiten heb, maar de vakbond, en de fiscus en de sociale verzekering roepen mij luide toe ‘je bent een bankwerker’. Ik ga daar langzamerhand zelf in geloven. Als ik werkloos word, vind ik alleen bankwerkers-werk ‘passend’. En ik vind ’t heel normaal, als ik arbeidsongeschikt word en onder de AAW val, dat ik dan eerst door een arts word bekeken op rest-capaciteit als bankwerker, dan door een arbeidsdeskundige vanuit de vraag onder welke voorwaarden en met welke voorzieningen ik in welk bedrijf nog als bankwerker tewerk kan worden gesteld en vervolgens door een wetstechnicus die zich afvraagt wat de loonwaarde is van deze restcapaciteit en op welke aanvullende uitkering ik als bankwerker recht heb.

De paradigma’s achter deze sociale verzekeringswetgeving maken het bijvoorbeeld voor een team van geneeskundigen, arbeidskundigen en wetskundigen bijzonder moeilijk om iemand die voor zijn huidig beroep ongeschikt is geworden te benaderen vanuit de vraag ‘welke betekenis kan deze arbeidsongeschiktheid hebben voor deze mens, welke biografische opening wordt hier geboden, welke kans ligt er om later nieuwe ervaringen op te doen?’

Hiermee is de kern van de problematiek geraakt. Door de beschreven verknopingen worden de mensen niet alleen van elkaar vervreemd maar ook van zichzelf. Zij gaan geloven dat zij hun functie zijn. Zij zwemmen specialistische fuiken binnen waar zij niet meer uit kunnen en waarbij hun zelfgevoel steeds meer samengroeit met het specialisme dat zij uitoefenen. Zij lopen vast in een functionele structuur en krijgen hun lot niet meer in beweging omdat ze bang zijn geworden van mobiliteit.

Het is een smartelijke ervaring wanneer men merkt dat de voorstelling als zou arbeid tegen een prijs (het loon) verkocht kunnen worden het bewustzijn afdempt voor het feit dat de mens op aarde als unieke individualiteit een biografie leeft en dat de bronnen en doelen daarvan ver uitreiken boven het beperkte bereik van het arbeidsbestel waarin wij in dit leven een rol vervullen.

En hier zien we hoe de twee Pythia-gezichten in feite bijeen horen. Want een mens die gaat twijfelen aan zijn biografische uniekheid zakt af naar het niveau van het arbeids-respectievelijk het consumptietje. En voor een termietenstaat geldt maar één ordeningsprincipe: een centralistisch dirigerende overheid…

Onttroning

We zullen in het vervolg van dit artikel spreken over de onttroning van deze Pythia. Het doel daarvan is de ruimte te scheppen voor biografisch bewustzijn in het kader van een maatschappelijke structuur met een menselijk gelaat. We moeten ons daarbij wel realiseren dat ons deze verknoopte driepoot ook al uit het innerlijk van de mens tegemoet treedt. De paradigma’s zijn reeds in het onderbewustzijn verankerd.

Eliot Jaques — een psycho-analytisch psychiater en teven organisatie-adviseur – heeft een boek geschreven over billijke beloning (1). Hoofdstuk XII wijdt hij aan de zogenaamde work-payment-capacity nexus. Hij beschrijft een groot aantal gevallen waarin het capaciteitsniveau, het functieniveau en de beloningshoogte op verschillende wijze gerelateerd waren (ik werk beneden m’n niveau maar de betaling voor dat werk is correct c/p ; ik word voor m’n capaciteiten rechtvaardig betaald maar het werk is beneden niveau pc/w ; werk en capaciteit passen bij elkaar, maar eigenlijk krijg ik te veel geld p/cw etc).

Als psychiater hoorde Jaques hoe de mensen zulke situaties beleefden, welke schuldgevoelens, angstgevoelens, minderwaardigheidsgevoelens en dergelijke ze opriepen. Zijn conclusie was dat er in de door hem onderzochte mensen een verrassend overeenkomstig oordeel (innerlijke stem) was met betrekking tot de in dit artikel genoemde paradigma’s: een bepaald niveau van capaciteit moet zich in een overeenkomstige functie kunnen uitleven en dat geeft het recht op een daarbij horend inkomensniveau.

Drieledigheid

Het arbeidsbeleid is een onlosmakelijk deel van de samenleving. Hoe hangen de
componenten van dat arbeidsbestel samen met de maatschappelijke structuur? Anders geformuleerd: is er in de maatschappij structuur als geheel sprake van een ongezonde vervlechting van bestanddelen waarvan de verknopingen in het arbeidsbestel een afschaduwing zijn?

Dat is inderdaad het geval. In 1919 heeft Rudolf Steiner in schrift (2) en door actie geijverd voor een nieuwe maatschappelijke orde. Hij beschreef de Europese crisis als veroorzaakt door een heilloze verstrengeling van het geestelijk-culturele leven (kunst, wetenschap, religie, opvoeding, onderwijs, gezondheidszorg) van het economische leven (productie, handel, consumptie) en het sociaal-politieke leven (spelregels voor het samenleven van mensen en groepen).
Hij toonde aan dat de principes van vrijheid, gelijkheid en broederschap (onderlinge hulpverlening) leidende beginselen zijn voor respectievelijk het geestesleven, het rechtsleven en het economische leven, maar dat diezelfde principes in de andere bereiken chaotiserend en vernietigend werken. Een verdere vervlechting van deze maatschappelijke sub-systemen zou — zo was Steiners visie — alleen maar de bodem kunnen bieden aan staatscentralisme. Een dergelijke maatschappijvorm zou lijnrecht ingaan tegen de ontwikkeling van de mens in de richting van vrijwording, emancipatie, sociale verantwoordelijkheid en dergelijke.

Zijn therapie ging in de richting van een sociale driegeleding: een gelijkwaardig naast elkaar plaatsen van een relatief autonoom geestesleven, politiek leven en economisch leven en een vervlechting daarvan, niet bureaucratisch-institutioneel, maar doordat concrete mensen (op den duur alle) bewust verantwoordelijkheden op zich nemen voor het vormgeven aan de subsystemen en aan hun samenspel (als student, als docent, als patiënt, als burger, als producent — ondernemer en arbeider —, als consument, enzovoort).

In het kader van dit artikel kunnen we deze gedachten niet verder uitwerken. Voor details zij naar actuele publicaties verwezen (3).
Goethe heeft in zijn sprookje van de groene slang en de schone lelie dichterlijk-beeldend op deze problematiek gewezen. Hij beschrijft een rijk dat beheerst wordt door een gemengde koning, bestaande uit een legering van goud, zilver en brons. De tijd van deze koning is voorbij en er breekt een tijd aan waarin drie koningen — een gouden, een zilveren en een bronzen — tezamen zullen heersen.

Is onze blik eenmaal gericht op de problematiek van de gemengde koning dan gaan we deze overal herkennen. Dit opstel tracht de gemengde koning in het arbeidsbestel ‘aan de kaak te stellen’ en te laten zien dat zijn tijd afgelopen is.

Het zal inmiddels duidelijk zijn dat de gemengde arbeidsbestelskoning van dezelfde familie is als degeen die wij hiervoor beschreven. Achter capaciteit en opleidingsniveau verrijst het geestelijk-culturele leven. Alles wat wij aan capaciteiten in de sociale ruimte binnen dragen ten behoeve van het arbeidsproces is resultaat van de wisselwerking tussen een individu en het hem corrigerende geestesleven (opvoeding, overdracht van waarden en normen etc.). Achter werk en functieniveau verschijnt het economische leven. In onderlinge arbeidsverdeling werkt de een voor de behoeftebevrediging van de ander. Door de arbeidsverdeling ontstaan gespecialiseerde organisaties en daarbinnen gespecialiseerde functies. Die zijn het kader waarbinnen de mens zijn capaciteiten ter beschikking stelt.

En achter het loon en het inkomensniveau verschijnt het rechtsleven. De centrale vraag wat een rechtvaardig loon is, vindt haar uitgangspunt in het rechtsgevoel van de betrokkenen. Wetenschappelijk (vanuit het geestesleven) vaststellen wat een rechtvaardig loon is, is even absurd als te denken dat — zoals Adam Smith dat deed — uit het marktmechanisme van vraag en aanbod een rechtvaardig loon resulteert.

Sociale hoofdwet

Wanneer we de gemengde koning in het arbeidsbestel aanpakken, zitten we tevens in het hart van zijn ‘grote broer’. In 1905 publiceert Steiner voor ’t eerst iets op het gebied van sociale vraagstukken (4). Hoewel in die opstellen nog geen sprake is van sociale driegeleding zijn alle kiemen ervan reeds aanwezig. Het is van belang te weten dat hij in deze eerste publicaties de zogenaamde sociale hoofdwet publiceert. Deze wet staat in duidelijke oppositie met Adam Smith die van mening is dat de som van alle egoismen vanzelf (via de ‘invisible hand’) tot een algemeen welzijn leidt.

De sociale hoofdwet luidt: het welzijn van een totaliteit van samenwerkende mensen is des te groter, hoe minder de enkeling de opbrengsten van zijn prestaties voor zichzelf opeist, dat wil zeggen, hoe meer hij van deze resultaten wegschenkt aan zijn collega-werkers en hoe meer zijn behoeften niet uit zijn eigen prestaties maar uit die van de anderen worden bevredigd.’

Deze hoofdwet wijst in feite reeds op de ontvlechting van de drie componenten van het arbeidsbestel. Er is sprake van capaciteit (grondslag voor prestaties) die ter beschikking worden gesteld (niet verkocht) omdat andere mensen daardoor bevrediging van hun behoeften kunnen ervaren. Het werk ontleent zijn zin en motivatie aan de behoeftige medemens, niet aan het feit dat men daardoor in eigen levensonderhoud voorziet of dat men er zijn capaciteiten in kan uitleven. Over loon wordt in deze wet schijnbaar niet gesproken. In feite is dit gebied als het ware uitgespaard. Als men zijn capaciteiten niet verkoopt, en de resultaten van zijn werk niet voor zichzelf opeist, blijft als enige mogelijkheid met betrekking tot het inkomen een overleg in de rechtssfeer over de relatieve inkomenshoogte.

Inrichtingen

Van belang is nog op te merken dat Steiner geen morele eisen stelt, maar dat hij in het vervolg van zijn artikel uiteenzet dat de mens uit inzicht in zijn eigen a-sociale gedragingen en inkomens-egoïsme en uit inzicht in het desastreuse effect van deze a-sociale gedragingen voor de gemeenschap, inrichtingen schept die het onmogelijk maken dat mensen hun arbeidskracht verkopen en de resultaten van hun werk voor zichzelf opeisen.

In het laatste gedeelte van dit opstel zullen we enkele van zulke inrichtingen beschrijven en hoe er in het klein mee geoefend kan worden. In feite is daarmee een aanzet gegeven voor een strategie ter ontvlechting van de componenten van ons arbeidsbestel.

(1) E.Jaques: Equitable Payment, Heineman London 1961
(2) R.Steiner: Die Kernpunkte der sozialen Frage, GA 23 Rudolf Steiner Verlag Dornach
Vertaald
(3) Bos, Brüll, Henny: Maatschappijstructuren in beweging, deel 1, 2, 3; Uitgeverij Vrij Geestesleven Zeist 1973, ’74, ’76.
(4) R.Steiner: Anthroposophie und soziale Frage, GA 34  3 Aufsatze 1905, Rudolf Steiner Verlag Dornach.
Niet vertaald

Deel 1 van deze serie
Deel 2 
van deze serie
Deel 4 ontbreekt
Deel 5
van deze serie

Sociale driegeledingalle artikelen

2313

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-8/2)

De artikelenreeks is van jaren geleden. Er is veel veranderd, maar waar het om gaat, toch ook weer niet zoveel. Het meer inhoudelijke staat nog altijd. Uiteraard zijn uiterlijke zaken, namen e.d. voorbeelden, wél uit die tijd, maar evenzo goed weer in te vullen met wat we nu hebben.

In een serie van vijf artikelen gaat onze medewerker Lex Bos in op de structuren van en de ontwikkelingen in ons (maatschappelijk) arbeidsbestel. Aan het begin van elk artikel wordt een korte samenvatting van het vorige toegevoegd.

Lex Bos, Jonas 10, 14-01-1977
.

DE HEILIGE DRIEPOOT VAN ONS ARBEIDSBESTEL 2

In het vorige artikel werd het arbeidsbestel gekarakteriseerd door een sterke verknoping van het
opleidingsniveau, het werkniveau en het betalingsniveau. Bepaalde in het onderwijs verworven capaciteiten behoren bij bepaalde functies en deze geven recht op een bepaald inkomen. In het eerste artikel van deze serie werd het zoeklicht gezet op de relatie tussen capaciteit en werk. Zowel het onderwijsbestel als het werk (in het kader van organisaties) is hiërarchisch geordend. Gewezen werd op de psychologische en de maatschappelijke consequenties van deze hiërarchische verknoping. Psychologisch leidt deze tot discriminatie en gevoelens van meer en minder waardigheid, maatschappelijk en organisatorisch leidt deze tot verstarring en fixaties.

In dit tweede artikel zullen we de vervlechting van werk en loon bekijken, alsmede die van loon en capaciteit.

In het voorgaande is geprobeerd de beloningscomponent buiten beschouwing te laten. Hier en daar verscheen hij reeds. En wie het eerste artikel in deze serie er nog eens op na leest, voelt in vrijwel iedere zin hoe de ‘Dritte im Bunde’ (de derde in het gezelschap) mee-aanwezig is. Door deze component wordt de verknoping nog veel hechter.

Prof. Kuiper van de V.U. heeft onlangs de suggestie los gelaten om iedereen, bijv. vanaf 18 jaar recht op een minimum inkomen te geven of hij werkt of niet. Zijn argument was dat nu reeds ca 1/5 van de beroepsbevolking om een of andere reden niet werkt en toch een inkomen (uitkering) heeft, terwijl ons rechtsgevoel zich daar niet tegen verzet. Wel nu, suggereerde Kuiper, waarom die zaak niet veralgemenen? De storm van verontwaardiging die hij hiermee heeft opgeroepen bewees hoe diep in ons gevoel arbeid en loon verknoopt zijn. ‘Alleen wie door de poort van de arbeid schrijdt heeft recht op de inkomens-wei daarachter te grazen’, zegt de een, en: ‘Wie in staat is tot werken en het niet doet is een parasiet, een klaploper’, vindt de ander. Een diep verworteld paradigma is de opvatting dat arbeid koopwaar is. Loon is de prijs van de koopwaar arbeid. Hoe schaarser het goed, hoe hoger de prijs. Op de arbeidsmarkt wordt de prijs van de arbeid volgens de wetten van vraag en aanbod bepaald. En ook als politieke factoren het economisch prijsmechanisme doorbreken is het paradigma niet minder van kracht. Dan staan vakbonden tegenover georganiseerde werkgevers. Proberen de laatsten het rendement van het geïnvesteerd kapitaal op een redelijk peil te houden, zo streven de eersten naar zo voordelig mogelijke condities waaronder arbeid wordt aangeboden. Door de koppeling met het loon wordt de hiërarchie van capaciteit en werk nog aanzienlijk versterkt. Een loonbedrag is exact en kwantitatief . Het werk wordt geclassificeerd en de punten van de schaal corresponderen met salarisbedragen. Zo ontstaat een heel systeem van op elkaar aansluitende salarisschalen. Dat geeft de hiërarchische standenstaat een veilige verankering in de emotioneel geladen inkomenssfeer.

Ook bedrijfseconomisch is het paradigma achterhaalbaar: loonkosten verschijnen als onkosten in de bedrijfscalculatie. Wanneer bepaalde producten gemaakt of bepaalde diensten geleverd moeten worden, wordt geschat c.q. berekend hoeveel materiaal daarvoor nodig is, hoeveel machine-uren, hoeveel energie etc. en tenslotte ook hoeveel boekhouders-uren, bankwerkers-uren, toezichthouders-uren.

De prijs van de uren is bekend, soms kan er nog over onderhandeld worden. Zo komt de onkostenpost loon tot stand. Daar worden de sociale ‘lasten’ (sic!) nog bijgeteld. De ondernemer kan nu gaan rekenen of het goedkoper is het werk uit te besteden of te mechaniseren i.p.v. er dure arbeidskrachten voor aan te nemen. Doordat arbeidsonkosten en machine-onkosten als vergelijkbaar in de boekhouding verschijnen, doordat machinekracht (c.q. machine-intelligentie) en arbeidskracht (c.q. mensen-intelligentie) als uitwisselbaar beschouwd worden, heeft de mechanisatie gemakkelijk spel. Bedrijfseconomisch is er geen speld tussen te krijgen, dat het voordelig, ja noodzakelijk is, bepaalde arbeid door machines te vervangen.

Macro-economisch leidt dit tot de merkwaardige paradox dat steeds meer mensen uit het arbeidsproces worden uitgeschakeld, omdat machines het goedkoper lijken te kunnen doen, terwijl steeds meer werk van b.v. verzorgende, verplegende, dienstverlenende, educatieve en helpende aard ongedaan blijft omdat het, bij het huidige loonniveau onbetaalbaar wordt. Aan de ene kant een groeiend leger werklozen, aan de andere kant een groeiend reservoir van onverrichte arbeid. En ondertussen kreunen de werkgevers onder de enorme sociale lasten die de loonkosten opdrijven. Ze moeten verder mechaniseren en mensen ontslaan. De lonen zijn te hoog. En die loonkosten zijn (o.a.) zo hoog omdat de toenemende bedragen voor werkloosheidsuitkeringen de sociale lasten zo opdrijven. Een van die benauwende duivelskringen waar onze tijd zo rijk aan is.

In het bovenstaande is gewezen op de maatschappelijke consequentie van de verknoping ‘werk – loon’. We willen nu nog wijzen op meer intern-organisatorische en psychologische consequenties. Wanneer mensen arbeid verrichten in het kader van functies die in geld worden uitgedrukt (‘This is a $ 20.000.-job’) is te verwachten dat zij zich steeds meer
loon-gericht in plaats van werk-gericht zullen opstellen. Dit is inderdaad een algemeen verbreid verschijnsel. Er is bij veel werknemers een opvallende onverschilligheid t.a.v. de consument waarvoor men werkt en het product dat men maakt.

Dit leidt tot voor een levende bewegelijke organisatie uiterst verstorende verschijnselen. O.a. is er het ‘opblazen’ (belangrijk maken) van functies door het inlijven (feitelijk of alleen maar op papier) van allerlei activiteiten die de functie in waarde (en dus in prijs) doen toenemen. In taakomschrijvingen verschijnen dan kreten als ‘coördinatie van werkzaamheden met afdeling x en y, overleg over prioriteiten met stafgroep z etc.’. Dat verhoogt de ‘communicatieve zwaarte’ van de functie en dat kan via de puntenclassificatie en de loonschalen net een paar tientjes in de week schelen.

Natuurlijk zijn er door het bedrijf aangestelde professionele functie-classificeerders die zulke zeepbellen weer doorprikken (en door de vakbond aangestelde
controle classificeerders die ze weer volblazen!). Maar het ‘spel’ is vaak onaangenaam en leidt tot harde uiteenzettingen in bedrijfscommissies en ondernemingsraden.

Het complement van dit verschijnsel is de chef die aan een medewerker vraagt of hij een leerling wil coachen, of hij bepaalde control werkzaamden zelf wil verrichten, of hij 1 dag in de week in de buitendienst wil meelopen etc. etc. en die van deze medewerker te horen krijgt dat hij daarvoor niet gehuurd is. In zijn arbeidscontract is van dergelijke werkzaamheden geen sprake. Of hij zegt dat deze functieverandering in feite een functieverzwaring betekent en dat derhalve eerst her-classificatie nodig is.

Een extreme vorm van dit verschijnsel, waarbij het geld tussen de baas en zijn mensen staat en een soepele samenwerking onmogelijk maakt, is het stukwerksysteem. De prestatie wordt gemeten en er wordt een norm gesteld. Zoveel stuks per uur levert het basisloon op. Elke tien stuks extra betekent zoveel gulden premie. In feite heeft de arbeider hiermee een vrijheidsruimte gekregen waarmee hij zich volledig kan afschermen tegen de leiding.

Ik heb regelmatig meegemaakt hoe extra werkzaamheden, methode-veranderingen, wijzigingen in productievolgorde e.d. op de grootste weerstanden stuitten, zodat ze voor de arbeider een inkomensderving betekenden. Ook maakte ik mee hoe een groep arbeiders om 3 uur het werk beëindigde. De baas sprak zijn verontwaardiging uit, want er was nog een grote achterstand in de productie. De arbeiders zeiden: ‘Wij hebben voor vandaag genoeg verdiend. Dat wij nu niet werken betekent voor ons een zelf gekozen inkomensderving. Dat is ons probleem en niet het jouwe’.

Zo wordt de werkmotivatie steeds meer loongericht en schuift de geldcomponent steeds meer tussen de mensen die het werk verrichten.

De ‘Equal-pay’-filosofie versterkt deze tendens nog. Deze filosofie betoogt dat het volstrekt onbelangrijk is, wie met welke opleiding onder welke omstandigheden het werk verricht. De functie wordt betaald. Of een man of een vrouw, een jeugdige of een oudere, een leerling of een geroutineerde er instapt is niet relevant…’

Tenslotte nog een laatste consequentie van de ‘werk-loon-knoop’ die we hier bespreken. Door de directe koppeling van een functie aan een loonbedrag is het vanzelfsprekend dat iemand die een functie van f 40.000.- bemant meer waard is, dus hoger staat in de hiërarchie dan iemand die f 20.000.- verdient. De bedrijfs-hiërarchie is in feite een salaris-hiërarchie. Hoe hoger, hoe machtiger, hoe meer inkomen. Deze hiërarchie wordt nog extra doortimmerd met rangen en titels (commies, referendaris, procuratiehouder, directeur, hoofd-directeur). Hoewel in alle bedrijven een dagelijkse strijd wordt gevoerd tegen titel-inflatie en rang-erosie, wordt het middel nog steeds gebruikt om het oeroude beeld van de piramide overeind te houden. Wat betekent dit voor de arbeidende mens? Het beeld van de piramide roept de voorstelling op dat het hoofd (de top, de machtigen, de ‘hoge salarissen’) dirigeert en dat de handen en voeten (de werkers, de uurloners) alleen uitvoeren. In veel organisaties gaan de mensen zich ook steeds meer gedragen naar deze voorstelling. Handen en voeten doen niets meer uit eigen initiatief. Zij wachten op directieven van het hoofd. Het hoofd groeit daardoor uit tot een waterhoofd. (Groeiende stafafdelingen op het hoofdkantoor, de ‘over-head’-kosten groeien de directie boven het hoofd etc.) en is steeds onmachtiger het geheel te leiden.

Steiner* heeft erover gesproken dat een dergelijk verziekt arbeidsbestel zo lang zal blijven bestaan als men het onderscheid maakt tussen sensibele en motorische zenuwen. In de klassieke neurologie wordt onderscheid gemaakt tussen zogenaamde sensibele zenuwen die de zintuigindrukken naar de hersenen leiden en de motorische zenuwen die de opdrachten van de hersenen naar de spieren zouden sturen. Een soort harlekijn-model waarbij de
ledematenspieren via zenuwtouwtjes door het hoofd gedirigeerd worden. Steiner heeft beschreven (en de ‘officiële’ neurologie begint na meer dan een halve eeuw schoorvoetend te volgen) dat de zogenaamde motorische zenuwen in feite ook sensibel zijn. Het enige verschil met de sensibele zenuwen is, dat zij niet de buitenwereld via oog, oor, neus, smaak etc. waarnemen, maar de eigen binnenwereld, met name de beweging van de ledematen, de spanning van de spieren, de stofwisselingsprocessen die daarmee samenhangen, het
lichaamsevenwicht e.d.

In feite komt het bewegingsorganisme van de mens tot activiteit als resultaat van een directe wisselwerking tussen het menselijke Ik en de omgeving. Via de motorische zenuwen wordt deze beweging waargenomen en tot bewustzijn gebracht. Het harlekijn model leeft nog zo sterk in de voorstellingswereld van de mensen (als gepopulariseerde medische natuurwetenschap) dat het onbewust ook aan onze organisaties ten grondslag wordt gelegd. En de verknoping van loon en werk kan deze onrealistische voorstelling m.b.t. het functioneren van sociale organismen alleen maar continueren, ja, tot een soort schijn-realiteit maken…Het gaat er dan inderdaad naar uitzien dat de hoger betaalden aan de ledematentouwtjes van de lager betaalden trekken. En wie hanteert de touwtjes van de hoogst betaalden?

*Dr. R. Steiner, Algemene menskunde

Deel 1 van deze serie
Deel 3 van deze serie
Deel 4 ontbreekt
Deel 5 van deze serie


Sociale driegeledingalle artikelen

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-8/1)

De artikelenreeks is van jaren geleden. Er is veel veranderd, maar waar het om gaat, toch ook weer niet zoveel. Het meer inhoudelijke staat nog altijd. Uiteraard zijn uiterlijke zaken, namen e.d. voorbeelden, wél uit die tijd, maar evenzo goed weer in te vullen met wat we nu hebben.

In een serie van vijf artikelen gaat onze medewerker Lex Bos in op de structuren van en de ontwikkelingen in ons (maatschappelijk) arbeidsbestel. Aan het begin van elk artikel wordt een korte samenvatting van het vorige toegevoegd.

Lex Bos, Jonas 8/9 17-12-1976
.

DE HEILIGE DRIEPOOT VAN ONS ARBEIDSBESTEL 1

 

Wie de ontwikkelingen in het maatschappelijk leven waarneemt en in de eigen levenssituatie deze ontwikkelingen meer of minder sterk meebeleeft, kan vrijwel dagelijks in zichzelf twee conflicterende gevoelens vaststellen. Aan de ene kant het gevoel van uitzichtloze vertwijfeling omdat de problemen steeds complexer, ondoorzichtiger en onoplosbaarder worden. Sociale entropie (uiteenvallen van de structuur in atomen zonder samenhang) roept een steeds krachtiger centralisme op. En daarmee wordt sociaal leven eerst recht gedood: een vicieuze spiraal van beklemmende omvang! Aan de andere kant een feestelijk gevoel dat oude structuren, oude opvattingen en oude tradities, die niet meer levensvatbaar en draagkrachtig zijn, zichzelf in snel tempo ad absurdum voeren en hun onbruikbaarheid soms pijnlijk duidelijk tonen. En daarmee ontstaat ruimte voor iets wezenlijks nieuws.

De klemmende vragen daarbij zijn ten eerste of het oude duidelijk genoeg herkend en benoemd wordt, zodat men zich er ook bewust tegen af kan zetten en ten tweede of er voldoende zicht is op iets wezenlijk nieuws.

Wie voortschrijdt moet zich oriënteren in de ruimte vóór zich. Hij richt zijn blik op een doel in de verte. Maar tegelijkertijd zet hij zich met zijn voeten af tegen de grond. Als die geen weerstand zou bieden zou hij geen stap kunnen doen. Oriënteren op het toekomstige en afzetten tegen het gewordene (met gevoelens van dankbaarheid dat het die weerstandkracht biedt) dat is de dubbele bezigheid, zowel bij het fysieke schrijden als bij het proces van sociale verandering. We willen in dit artikel het huidige arbeidsbestel zó trachten te beschrijven dat duidelijk wordt waar we ons ‘tegen af moeten zetten’ en in welke richting nieuwe ontwikkelingen wenselijk zijn.

Werkloosheid, gastarbeiders, uitzendbureaus, vlucht in de ziekte, verhardingen in de loononderhandelingen, afnemende werkmotivatie, het zijn enkele trefwoorden waarmee we het beeld willen oproepen van een arbeidsbestel dat fundamenteel in beweging is.

Wat betekent zo’n predicaat fundamenteel? Lichtvaardig vloeit het uit de pen om het betoog wat aan te scherpen. Maar welke zijn die fundamenten? Sinds het beroemde boek van Kuhn* is het woord paradigma in zwang. Kuhn was op zoek naar de onuitgesproken, onbewezen axioma’s die een wetenschapsgebied begrenzen. Hij laat zien hoe de wetenschap doorbreekt naar nieuwe gebieden, nieuwe probleemstellingen, nieuwe methoden telkens als een paradigma onderkend, niet-erkend, ontkend wordt.

Meestal geschiedt dit door vrijdenkers, piraten van de geest, ongebondenen. Zij worden met kracht genegeerd, bespot, geëxcommuniceerd door de ‘officiële wetenschap’. Tot de dijk doorbreekt en het nieuwe gebied erkenning! vindt. In de gezondheidszorg vindt een dergelijke strijd momenteel plaats. Hugo Verbrugh** stelde in zijn boek ‘De paradigma’s van de medische wetenschap’ duidelijk aan de kaak. Illich*** deed dat zelfde voor de praktijk van de gezondheidszorg.

Zo kan men ook op zoek gaan naar de paradigma’s van ons arbeidsbestel. Dit opstel komt tot de conclusie dat ons arbeidsbestel krachtig verankerd is in een drietal onderling verweven paradigma’s: de vanzelfsprekende verknoping van opleidingsniveau en wijkniveau, de even vanzelfsprekende vervlechting van functieniveau en betalingsniveau en de vanzelfsprekende samenhang tussen het inkomensniveau en de duur van de vooropleiding die men heeft gehad. We zullen beschrijven hoe deze paradigma’s er in de praktijk uitzien, welke negatieve werking ze hebben en wat de praktische mogelijkheden en consequenties zijn van hun overwinning.

‘Passend werk’

In de sociale verzekeringswereld wordt het begrip ‘passend werk’ gebruikt. De inhoud van dit begrip wordt steeds onduidelijker en in de toepassing wordt het steeds onhanteerbaarder. Welk paradigma schuilt er achter? Dat paradigma zegt: wie 10 jaar in de administratie heeft gezeten moet bij werkloosheid vooral niet in een baan komen waarin hij de kans krijgt hele nieuwe ervaringen op te doen, daardoor nieuwe vermogens te ontwikkelen en misschien voor de samenleving ook nog bruikbaar te worden. Nee, wie door zijn opleiding en zijn werk eenmaal groen is geworden heeft het recht al het werkaanbod te weigeren dat van een andere kleur is. [Wat Bos hier opmerkt is in de loop van de jaren langzaam opgeschoven naar het begrip ‘omscholing’.]

Het paradigma zegt ook: wie eenmaal het niveau havo heeft gehaald moet zorgvuldig vermijden om werk beneden zijn niveau te doen en daarmee in aanraking te komen met mensen en werksituaties die eigenlijk beneden zijn stand zijn. Wie academicus is, heeft recht op een bepaald soort werk, c.q. heeft het recht minderwaardig werk af te wijzen.

De hier beschreven verknoping van niveau van opleiding en soort opleiding enerzijds en niveau van werk en soort werk anderzijds is de achtergrond van de hiërarchische standenstaat waarin wij nog steeds overwegend leven.

De ene kant van deze hiërarchische standenstaat komt tot uitdrukking in de opleidingshiërarchie. Een uiterst doorwrocht stelsel van opleidingstrappen vormt het skelet van een soort capaciteiten-piramide. We spreken over lavo,- mavo,- woonniveau. Er zijn tussenniveaus, schakel- en brugklassen, sluizen en wissels, zodat ieder op het niveau van zijn capaciteit kan landen! Dat hele stelsel wordt, naar oeroude Chinese traditie met examens doortimmerd. Examens geven de mogelijkheid van ingangs- en uitgangscontrole en niveaubewaking.

We moeten daarbij wel bedenken dat reproduceerbare intellectuele kennis het gemakkelijkste examineerbaar is. Alles wat te maken heeft met praktische kunstzinnige, morele, sociale en andere vaardigheden valt door de gebruikelijke examenzeef. (Eerst recht wanneer de massificatie van het onderwijs naar de meerkeuzentestmethode doet grijpen). En wanneer iets niet achter blijft op de examenzeef valt het weldra ook buiten de opleiding: eerst recht wanneer de onderwijsduur onder economische druk komt te staan en er direct toetsbare resultaten geleverd moeten worden. De hele capaciteitenhiërarchie verschraalt daarmee tot een bouwwerk waarvan de structuur door één principe bepaald wordt: reproduceerbare intellectuele kennis, een zowel voor de ontwikkeling van de individuele mens als voor de samenleving uiterst onwezenlijke kwaliteit. Ambachtelijke en industriële handvaardigheden zijn natuurlijk op een bepaalde manier wel degelijk te examineren. En dat gebeurt ook allerweg in zogenaamde lagere beroepsopleidingen. Ze vormen de basis van de opleidingspiramide, het fundament van de standenstaat. Zodra er echter sprake is van zogenaamde hogere en voortgezette opleidingen, ten behoeve van het beklimmen van de piramide, gaat het vrijwel steeds om opleidingen waarin de examineerbare intellectuele leerstof alles overheersend is.

Werk-hiërarchie

De andere kant van de hiërarchische standenstaat komt tot uitdrukking in de werkhiërarchie. In grote organisaties is het werk volgens het cascadesysteem geordend, (getrapte zeef). De directeur doet uitsluitend werk dat bij zijn niveau past. Alleen als hij overspannen en overwerkt raakt zal de arts hem misschien voorschrijven een paar weken bladeren te harken omdat deze ritmische bezigheid in de buitenlucht zeer harmoniserend en gezondmakend is. Maar normaliter laat hij dit werk over aan gemeentearbeiders. Hij doet alleen wat des directeurs is en al het andere delegeert hij aan de bedrijfsleider. Ook deze zal het werk waarvoor hij te duur is en dat beneden zijn stand is, afschuiven naar beneden. En zo ontstaat de functie van afdelingschef. Ook deze zorgt dat alleen die zaken op zijn zeef blijven liggen, die bij zijn opleidingsniveau behoren. De rest valt er doorheen en vormt de taak van de baas.
En zo gaat het verder: de onderbaas, de 1e voorwerker, de 2e voorwerker, en dan steeds fijnere trapjes, hoe lager we in de standenhiërarchie komen: 1e hoofdmonteur, 2e hoofdmonteur, assistent-hoofdmonteur, monteur, hulmonteur, 1e operator, 2e operator, hulpoperator, aankomend-hulpoperator, etc. etc. En op de onderste zeef blijft tenslotte drab liggen dat niemand meer wil doen omdat het te min is en wij allen het daarbij behorende opleidingsniveau reeds gepasseerd zijn. Voor dat werk halen we dan een wagonlading Turken, Marokkanen of Spanjaarden en schuiven die als een vierde stand onder onze standenhiërarchie. Deze twee hiërarchische systemen nu, zijn zorgvuldig en hecht verknoopt. Functieniveaus verwijzen naar opleidingsniveaus (zie de advertenties: gevraagd chef administratie met havo). Bepaalde functies zijn alleen toegankelijk voor mensen met bepaalde beroepsopleidingen en deze opleidingen zijn alleen toegankelijk voor mensen van een bepaald vooropleidingsniveau (de opleiding tot kleuterleidster is bijv. alleen toegankelijk voor mavo- (straks vermoedelijk havo-abituriënten). Bepaalde opleidingen geven rechtstreeks toegang tot een bepaald niveau in de organisatie. Wie bijv. een tertiaire opleiding heeft gevolgd weet zich verzekerd van een rang op het niveau van het MHP, d.i. de verzamelnaam in sommige organisaties voor Middelbaar en Hoger Personeel! Dit heeft bijv. tot gevolg dat deze mensen leiding moeten geven aan een wereld die ze niet uit ervaring kennen. Dat leidt vaak tot beslissingen die verraden hoe ver de leiders van de realiteit verwijderd staan.

Verknoping

De verknoping van capaciteit en werk heeft een psychologische en een maatschappelijke consequentie. Psychologisch leidt deze verknoping tot hoogmoed, eerzucht en superioriteitsgevoelens. Het denken in termen van meer- en minderwaardig werk, van werk dat boven en beneden mijn stand ligt, van werk dat vervulling geeft en werk dat dat niet doet, het denken in zulke termen werkt als een splijtzwam tussen mensen (en als onechte verbroedering tussen ‘standgenoten’). Het is maar een kleine stap van het spreken over minderwaardig werk, via het spreken over mensen die minderwaardig werk doen naar het spreken over minderwaardige mensen. Natuurlijk probeert men zelf tot de meerwaardigen te behoren. Daarvoor moet men zich veel inspanning getroosten, want de trapjes van de piramide zijn niet gemakkelijk te nemen. De maatschappelijke consequentie van de hier beschreven verknoping is functionele verstarring. Functies worden zorgvuldig naar beneden en opzij afgeschermd. Naar beneden opdat niet mensen met geringer opleiding in de functie penetreren en daarmee de functie van een stuk status beroven (wat mag een medisch dentiste van een tandarts overnemen?). Afscherming opzij opdat niet uit andere vakgebieden grensoverschrijdingen plaats vinden, en de functie daarmee iets van zijn specialisme verliest (psychologen die het medisch-psychiatrische gebied betreden). Exclusiviteit betekent immers status (en een gunstige loononderhandelingspositie!). Het extreme voorbeeld hiervan zijn de Engelse vakbonden die via hun ‘shop-stewards’ er streng op toezien of een timmerman geen lamp inschroeft (dat is werk voor de elektricien), of een elektricien geen gaatje boort in een metalen plaat (dat is werk voor de plaatwerker), en of de bankwerker geen klampje vastzet (dat moet de timmerman doen).

Het spreekt van zelf dat de gevallen waarin een professie terecht tegen beunhazerij beschermd wordt hier niet bedoeld zijn, maar wordt dit argument niet al te vaak gebruikt om de eigenlijke motievenangst voor status en positieverlies toe te dekken?
Wat is het gevolg van deze functieverstarring?
De technologie en daarmee het economische, ja het hele beroepsleven is van een grote dynamiek. Functies moeten kunnen ontstaan en vergaan, moeten kunnen worden gesplitst en samengevoegd, moeten zich tijdelijk kunnen afkapselen teneinde in professionaliteit toe te nemen en zich kunnen ‘oplossen’ ten einde de kwaliteit er van te socialiseren, d.w.z. hun omgeving ermee te doordringen.

Wie ziet hoe een dergelijke dynamiek inherent zou moeten zijn aan een
economisch leven dat zich helemaal richt naar de behoeften van de
consumenten, kan ook inzien hoe verstarrend, ontwikkelingsremmend en daardoor sociale-schokken-veroorzakend de hier beschreven functieverstarring is. Hiermee is geduid op de maatschappelijke gevolgen van de verknoping van opleidingsniveau en functieniveau.

* Thomas S. Kuhn. The structure of scientific revolutions.
Univ of Chicago press 1962.
** H. Verbrugh. Geneeskunde op een dood spoor.
Rotterdam Lemniscaat 1972.
*** IIllich. Het medische bedrijf een bedreiging voor de gezondheid?
Het wereldvenster Baarn 1975.

 

Deel 2 van deze serie
Deel 3 van deze serie
Deel 4 ontbreekt
Deel 5 van deze serie

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

2302

 

 

 

.

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – vrede (5-6)

 

Lex Bos, Jonas 8/9 14-12-1979

.

Vrede en onvrede rust, eerbied en dankbaarheid

Wanneer we naar de overal losbarstende oorlogshaarden kijken, lijkt vrede op aarde verder weg dan ooit. Heeft het nog zin er over te schrijven? Als ik daar niet van overtuigd was, zou dit artikel niet zijn ontstaan. Interessant detail: het ontstond door een vraag van iemand uit Groningen, die over het thema ‘vrede’ moest spreken en benieuwd was, hoe de auteur van het boekje ‘Individuele en sociale bewustwording’ over dit thema dacht. Ik realiseerde me toen dat Groningen wel een polemologisch instituut heeft (po-emos is het Griekse woord voor oorlog) maar nog geen ‘eirenologisch’ instituut (eirènè is Grieks voor vrede). Misschien is er wel zo veel onvrede omdat we nog zo weinig weten wat vrede eigenlijk is…

Vrede en onvrede zijn merkwaardig in ons innerlijk leven vermengd. Eigenlijk zitten ze op de verkeerde plek, met een verkeerde gerichtheid. Het moderne economische leven prikkelt de begeertes en roept steeds opnieuw onvrede in de ziel op. Een tweede huis, betere stereo-apparatuur, een snellere auto, nog verder weg in de vakantie en zo voort. Dat vraagt om meer inkomen, een andere baan, betere arbeidsvoorwaarden. Er is een voortdurende onrust in de westerse ziel naar anders, meer, beter, sneller, gemakkelijker. En wat de commercie aanbiedt geeft slechts tijdelijk bevredeging. Na de consumptie ontstaat weer een nieuwe leegte, een nieuwe onvrede.

Deze naar buiten gerichte begeerte is agressief van aard. De mens wil zijn begeerten bevredigen, desnoods ten koste van de ander, van het milieu, van andermans grondgebied, van de levensstandaard in ontwikkelingslanden en zo voort. Hoewel oorlogen zeker nog wel hun ideologische kanten hebben (Israël, Arabische landen, communisme) geloof ik dat in onze tijd praktisch alle politiek, economische politiek is geworden, en praktisch alle agressie tussen groepen en volkeren van uit het onvrede-begeerte gebied in de mensen gevoed wordt.
De agressiviteit van deze onvrede is ook duidelijk herkenbaar in de wetenschap. Moderne natuurwetenschappelijke laboratoria zijn pijnbanken, waarop de natuur gefolterd wordt, tot ze haar geheimen prijs geeft. Dat doet ze natuurlijk niet, zodat we nog heel weinig van de natuur afweten. Door analytische methodes hakken we de natuur in stukjes. Om allerlei invloedsfactoren onder controle te krijgen isoleren we deze op kunstmatige wijze. We creëren experimenteer-situaties waarin bijvoorbeeld met elektronisch geweld substanties getransformeerd worden. In al dat gedrag herkennen we onvrede met de natuur zoals ze zich openbaart. We willen de schepping eigenlijk overdoen en de natuur in onze logisch-abstracte modellen persen.

Wanneer we nu op zoek gaan naar vredes-fenomenen, dan is veel daarvan samen te vatten als een vrede-karikatuur. In de Amerikaanse sociale psychologie verschijnt het beeld van een mens, die voortdurend streeft naar ‘tension reduction, no frustration, no pain, no stress, no suffering enzovoorts’. De medische wetenschap en de psycho-therapie raken niet uitgeput in het bedenken van tranquillizers (‘vredestichters’), anti-stress middelen, spanning-opruimers, uitlaatklep-openers en dergelijke. Deze vrede-karikaturen verschijnen in de mens drievoudig, in zijn denken, voelen en willen.

In het denkleven verschijnt het vrede-karikatuur als de afwezigheid van vragen naar het waarom, naar het waardoor en naar de samenhang van de talloze verschijnselen, die ons omgeven. Wat de materialistische natuurwetenschap aan verklaringen geeft over leven, dood, evolutie, lot enzovoorts is mechanistisch van aard en moeten de ziel onbevredigd laten. Wat de ‘openbare mening’ ons in de massamedia toeroept als achtergrond van sociaal-economische verschijnselen, is eigenlijk grotendeels onwaar. En toch zijn er veel zielen die daar tevreden mee zijn, geen vragen meer stellen!

In het gevoelsleven verschijnt het vrede-karikatuur als burgerlijke gezapigheid: 1 vrouw, 2 kinderen, 3-kamerwoning, auto met 4 wielen, om 5 uur de buis aan enzovoort. Het niveau van die gezapigheid moet wel steeds omhoog, maar ook dat proces is in wezen gezapig gedacht.

In het wilsleven verschijnt het vrede-karikatuur via de oosterse-scholings-wegen. Ik bedoel niet de onschuldige export-yoga die de mensen helpt zich te ontspannen. Ik bedoel de oosterse scholingswegen, die de mens er toe brengt niets meer te willen, op te gaan in dé al-vrede van het nirwana – en daarmee in wezen zijn persoonlijkheid prijs geeft.

Wanneer ik in het voorgaande heb gesproken over een vrede – en onvrede karikatuur in de mens, dan duidt dat op de aanwezigheid van een écht beeld, van een oerbeeld van de vrede. Waar kunnen we dat vinden? Elk jaar met Kerstmis wordt het in de ziel wakker geroepen.

Als Jezus van Nazareth in Bethlehem geboren wordt, zijn de herders op het veld. In de droom verschijnt hun de christusgeest en zij horen klinken:

geopenbaard zij God in den Hoge
en vrede op aarde
in de mensen die van goeden wille zijn.

Wat hebben deze woorden ons te vertellen?

Er is blijkbaar sprake van twee nieuwe perspectieven, die de mens onder bepaalde voorwaarden worden geboden.

De mens wordt opgeroepen op zoek te gaan naar de bron van het goede, hij wordt gewezen op de mogelijkheid zijn wil vanuit morele krachten te laten richten. Voor de mensen die in die zin op weg gaan, worden twee perspectieven geboden: enerzijds een verruiming van het bewustzijn, een doorbreken van het aan de zintuigen gebonden weten, een kennend binnentreden in de bovenzinnelijke wereld, waarbij hogere wezens dan de mens (‘God in den Hoge’) zich weer aan de mens willen openbaren; anderzijds een perspectief naar een sociaal handelen en een ordening van menselijke relaties die vrede op aarde mogelijk maken.

De vraag die natuurlijk nog levensgroot openstaat, is die naar de bron van moraliteit in onszelf. Dat er geen instanties, normen of wetten buiten ons zijn die ons kunnen vertellen wat goed en kwaad is, wordt steeds duidelijker. Maar kunnen we in onszelf zo’n instantie vinden?

Het was de lichtende Christusgeest die de woorden tot de herders sprak. Hij heeft zich bij de Doop in de Jordaan met Jezus verbonden en is door dood en opstanding heen gegaan. Vanaf dat moment kan ieder mens Hem als kracht in zichzelf opzoeken.

Het opzoeken van die bron heeft alles te maken met het thema vrede, en met het vinden van het vredes-oerbeeld, waarmee de beschreven karikaturen kunnen worden genezen.

De weg die ik wil beschrijven loopt door de gebieden van innerlijke rust, eerbied en dankbaarheid naar de kwaliteit vrede, dit is eigenlijk een hogere vorm innerlijke rust.

Die weg begint met het bij jezelf oproepen van innerlijke rust in de ziel. Op het moment dat je daarvoor gaat zitten, merk je wat een innerlijke onrust je in je hebt. Onrust in je lichaam, allerlei opkomende impulsen, rondflitsende associaties en dergelijke. Een hulp bij het streven naar innerlijke rust kan het oproepen van een beeld zijn. Het langzaam uitspreken van bijvoorbeeld het bekende gedicht van Goethe, kan dit beeld een zekere kracht en duur geven:

Über allen Gipfeln
Ist Ruh,
In allen Wipfeln
Spürest Du
Kaum einen Hauch;
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur, balde
Ruhest Du auch.

Boven elke bergtop
heerst rust,
in elke boomkruin
bespeur
je amper nog een zucht;
de vogels zwijgen in het loof.
Wacht maar, spoedig
rust jij ook.

Het is de grootheid van Goethe dat hij niet alleen in het beeld en in de klinkers (oe en au) een grote serene rust oproept, maar dat hij je ook een weg laat gaan door de natuurrijken heen: de ‘Gipfeln’ – toppen van bergen – zijn het minerale rijk, de ‘Wipfeln’ – kruinen van bomen – zijn het plantenrijk, de ‘Vögelein’ het dierenrijk en ‘du’ is de mens. Voorts voert het gedicht je van oneindige verten, tot dicht bij jezelf.

Voor het beeld van de bergtoppen met de eeuwige sneeuw, moet je werkelijk een hoog omvattend punt beklimmen. Om daarna over de kruinen van de bomen te kijken, moet je op z’n minst tot de boomgrens afdalen. Daarna begeef je je in de bossen, om te horen dat de vogels zwijgen en tenslotte eindig je bij jezelf, mét de drievoudige rust van de natuurrijken, die je innerlijk als beeld hebt opgeroepen.

Dat beeld roept na enige tijd, mét de rust een andere kwaliteit in de ziel op. Die van de eerbied voor de ons omringende natuur. Het is ook goed deze stemming, dit gevoel rustig een tijdje in de ziel te laten staan. Het biedt een brug naar een nog dieper gevoel: dat van dankbaarheid. Het besef kan ontstaan, dat al die natuurrijken leven op aarde mogelijk maken. Wanneer je beseft wat steen, plant en dier voor de mens betekenen, kan er een intens gevoel van dankbaarheid in de ziel groeien. Dat moet Christiaan Morgenstern beleefd hebben toen hij dichtte:

Die Fusswaschung

Ich danke dir, du stummer Stein,
und neige mich zu dir hernieder:
Ich schulde dir mein Pflanzensein.

Ich danke euch, ihr Grund und Flor
und bücke mich zu euch hernieder:
Ihr halft zum Tiere mir empor.

Ich danke euch, Stein, Kraut und Tier,
und beuge mich zu euch hernieder:
Ihr halft mir alle drei zu Mir.

Wir danken dir, du Menschenkind,
und lassen fromm uns vor dir nieder:
weil dadurch, dass du bist, wir sind.

Es dankt aus aller Gottheit Ein –
und aller Gottheit vielfalt wieder.
In Dank verschlingt sich alles Sein.

De voetwassing

Ik dank u, gij stille steen,
en buig mij tot u neder:
door u ben ik verbonden met het plantenzijn.

Ik dank u, gij aarde en plantenwereld,
en buig mij tot u neder:
gij hielp mij tot het creatuurlijk zijn.

Ik dank u, steen, plant en dier,
en buig mij tot u neder:
aan u gedrieën heb ik mijn bestaan te danken.

Wij danken u, oh mensenkind,
en knielen nederig voor u:
slechts door uw aanwezigheid kunnen
wij bestaan.

Dank stroomt uit goddelijke eenheid
en veelvoudigheid.
In dank is alle bestaan verenigd.

De gevoelens van dank voor de natuurrijken kunnen zich verwijden tot gevoelens van dank, voor alle medemensen die je het leven mogelijk hebben gemaakt. Een terugblik in de biografie kan zichtbaar maken, hoe veel mensen hun goede zorgen aan je besteed hebben: ouders, leraren, vrienden. Zonder hen zou je niets zijn geweest. In dat beeld kunnen ook geleidelijk al diegenen verschijnen, die niet weten dat ze je gediend hebben, maar dat wel gedaan hebben. Ze hebben het brood voor je gebakken, anderen zorgden voor vervoer naar vakantieplaatsen en weer anderen drukten boeken die je hebt kunnen lezen.

Mét het groeien van deze dankbaarheid kan het gebeuren, dat je met een zekere vanzelfsprekendheid ook dankbaar bent naar mensen, naar wie dat niet zo vanzelfsprekend is. Je kunt zelfs gaan ontdekken, dat je aan de mensen die je het leven moeilijk hebben gemaakt, – je leed hebben veroorzaakt, je dingen hebben onthouden, – positieve krachten kunt ontwikkelen. Door zulke inzichten kunnen de dankbaarheidsgevoelens zich verhogen tot dankbaarheid tegenover de geestelijke leiding, die blijkbaar in het kunstwerk van de eigen biografie werkzaam is. Die gevoelens monden tenslotte uit in de kwaliteit VREDE; vrede met het eigen lot, vrede met de ontwikkelingsstroom waarin je geplaatst bént. Zelfs kan je je er langzamerhand van bewust worden, dat je jezélf in een ontwikkelingsstroom geplaatst hebt.

Het is deze vrede waar christenen altijd om gebeden hebben, met hun ‘Dona nobis pacem’ – geef ons vrede -en die zij met de communie ontvingen als de priester de zegen uitsprak: ‘Pax vobiscum’ – de vrede zij met u -. Dat deze vrede een vrede in Christus is, kon een onmiddellijk beleven zijn. Je realiseert je, in de sfeer van de vrede met het lot aangeland zijnde, dat Christus de stuurder van het lot is en dat alleen Hij deze vredeskracht in de ziel kan oproepen. Het is inderdaad een vredeskracht, een actieve vrede, een bron van moraliteit, van goede wil.

Wanneer wij deze vredeskracht in onszelf gevonden hebben en de weg erheen blijven verzorgen, dan kunnen we de karikaturen van vrede en onvrede in de eigen ziel genezen. Ik heb deze karikaturen naar twee kanten beschreven:

– naar de kant van het sociale handelen: agressieve begeerte, onvrede, gezapige vrede.

– naar de kant van het onderzoekend kennen: tevredenheid die geen vragen meer stelt, agressief analytisch onderzoek.

We kunnen naar de kant van het sociale handelen alles samenvatten onder het woord kunst. Daarmee bedoel ik het vorm-veranderend, substantie-om-vormend ingrijpen van de mens in de wereld om hem heen. We kunnen naar de kant van het onderzoekend kennen alles samenvatten onder het woord wetenschap. Laten we ons eens voorstellen dat alles wat we zowel naar de ene kant (het onderzoekend kennen) als naar de andere kant (het sociale handelen) doen, gedragen wordt door de morele kwaliteiten, die we op onze weg naar de innerlijke vrede verworven hebben. Wanneer de Christus-vrede-geest werkzaam wordt in kunst en wetenschap, wat voor perspectief doemt dan op? Ik denk dat wetenschap dan leiden zal naar een ‘openbaring van god in den hoge’ en dat kunst voeren zal naar een ‘vrede op aarde’.

Bij de geboorte van het Christuskindf werd de mens opgeroepen, om de krachten die zich hier op aarde met een mens verbonden, in de eigen ziel op te zoeken. Ze zijn de bron van alles wat op aarde als goede wil werkzaam is. De mens kan van uit deze bron de weg naar binnen gaan en waarheid zoeken. De mens kan van uit deze bron ook de weg naar buiten gaan en het goede sociale handelen verwerkelijken.

De geboorte van zijn hoger wezen, zijn menswordingsweg gaat tussen twee zuilen door: op de ene staat wetenschap, met daarachter ‘Geopenbaard zij God in den Hoge’ en op de andere staat kunst, met daarachter ‘vrede op aarde’.

Als hij ze beide in zijn bewustzijn heeft, zal zijn weg de juiste zijn, in de richting van de mensheidsgeest, die zich in de oer-kerstnacht openbaarde.

 

Vertaling ‘Die Fusswaschung’ Erna Landweer.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

2272

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-4-2)

.

In de jaren 70-90 van de vorige eeuw verschenen er in het blad Jonas vele artikelen over maatschappelijke aangelegenheden. Die werden bekeken vanuit de sociale driegeleding en een antroposofisch mensbeeld.
Ondanks het feit dat ze qua datum sterk verouderd zijn, is de besproken problematiek en zijn de gezichtspunten allerminst ‘achterhaald’.

Maarten Ploeger, Jonas 3e jrg. nr.6,  10 november 1972
.

De consumptiemaatschappij:
een ongelukkig stuk geluk

Een poging om het begrip „geluk” in onze samenleving nader te bezien.

In de grondwet van de consumptiemaatschappij bij uitstek, de Verenigde Staten, staat de zinsnede: ‘iedere mens heeft het recht op streven naar geluk.’

Wat wil dit zeggen: geluk?

Het antwoord dat de westerse maatschappij ons wil dicteren, luidt: geluk is de maximale bevrediging van zoveel mogelijk behoeften. Dit beslaat een heel terrein: van fysieke, zoals (zeer lekker) eten, tot meer psychische, als aanzien en status. Geluk dus als bevrediging van de meest uiteenlopende behoeften.
Het doet er in dit verband minder toe of deze behoeften uit de individuele mens zelf voortkomen of dat deze bij hem worden gewekt door de meest geraffineerde vormen van reclame. Waar het hier om gaat is dat de moderne mens er sterk naar neigt zich pas dan gelukkig te voelen als zijn prikkels zoveel mogelijk zijn gestild.
Maar uit eigen ervaring weten velen wel dat dit een vorm van schijngeluk is. Als we de begeerde villa eenmaal hebben, is de tweede woning al weer aan de beurt enz. enz.
Wat voor drijfveer gaat hieronder schuil, dat we ons zo gewillig laten meevoeren in deze mallemolen?

Naar mijn mening is dit alles terug te voeren op het mensbeeld dat aan de moderne samenleving ten grondslag ligt. Het mensbeeld dat ons de mens wil afschilderen als een aap die toevallig wat slimmer is dan zijn verre neef in het oerwoud; dus als een dier.
Wat is een dier? Een dier is een wezen dat geheel leeft volgens zijn aandriften en instincten, die het rücksichtlos aanzetten tot vervulling van de gedicteerde behoeften. Een dier dat honger heeft is de honger in levende lijve. Denkt u maar eens aan de poes zoals zij haar nagels in uw kuiten slaat als u haar eten bereidt. En als haar honger dan is gestild, is zij ook de zaligheid zelve.

Een dier kan niet uit vrij inzicht „nee” zeggen tegen een prikkel. Het kent geen zelfbeheersing en het zal nooit vrijwillig kunnen afzien van een gevoelde behoefte. Alleen als het daartoe door dwang van buiten af zou worden geconditioneerd (de hond net zolang een tik geven als hij de koekjesschaal plundert totdat hij het niet meer doet).

En wat zegt ons nu het huidige mensbeeld?

Dat de mens precies zo is. Dit illustreert men dan door er bijvoorbeeld op te wijzen dat onze zuigelingen precies hetzelfde laten zien. Op zichzelf is dit geen onjuiste waarneming. Een baby is ook een en al begeerte en gelukzaligheid, vooral als het gaat om de vervulling van de fysieke behoeften. Gedurende de verdere ontwikkeling verandert dit echter. Het opgroeiende mensenkind leert „nee” zeggen en leert zijn ongebreidelde driften onder controle brengen.
Maar volgens de opvatting dat de mens een hogere aap zou zijn, blijft hij in wezen toch een dier dat — in dit geval — cultureel wordt geconditioneerd. D.w.z dat de mens in zijn oorspronkelijke aandriften ten dele wordt geblokkeerd ten gunste van de mogelijkheid tot harmonisch samenleven en dus ook ten gunste van hemzelf. Want een samenleving waarin iedereen zijn eigen driften zomaar uitleeft is een onmogelijkheid.

Door de samenleving worden aldus sommige behoeften tot een taboe verklaard en andere juist gelegitimeerd. Een „geluk” zouden we dan vinden door, al naar een ieders geaardheid, binnen dit raam van de culturele conditionering de eigen prikkels maximaal te bevredigen.

Maar is geluk nu echt niet meer dan het vervullen van een dierlijke behoefte? Voor mij komt er nog iets heel anders bij kijken. Een wezenlijk gevoel van geluk meen ik bij vlagen in mijn leven eerst dan te ervaren als ik mij enthousiast kan inzetten voor de verwerkelijking van een ideaal. En het gaat er in eerste instantie stellig niet om of ik zo’n ideaal ook direct kan bereiken. Het gaat mij niet om het lekkere snoepje dat mij geboden wordt als vervulling van de een of andere psychische prikkel. Ik heb veeleer het gevoel dat ik aan het echte menszijn kan raken in het streven naar de realisatie van idealen; in het worstelen met de vaak heftige tegenstanden die de realisatie van idealen onvermijdelijk oproepen. Aan deze uiteenzetting groeit volgens mij de mens, leert hij zichzelf op steeds weer andere wijzen kennen en ontdekt en ontwikkelt hij steeds weer nieuwe vermogens.

Geen materiële welvaart, geen aanzien, geen tastbaar eindresultaat is de essentie van wat ik soms als geluk ervaar.

Maar het onderwijl steeds groeiende besef dat ervan alles in mijzelf en ook in de ander aanwezig is dat de moeite waard is om aangesproken, om ontwikkeld te worden. En om deze onvermoede en onvoorspelbare mogelijkheden te onderzoeken, heb ik in het dagelijkse leven veel weerstanden nodig. Hoe moeilijker het ideaal te bereiken is, des te rijker kan de scholingsweg op weg ernaar toe zijn. Dit is het dier volgens mij ten ene male niet gegeven.

Maar, zo zullen de „apen” onder ons zeggen, is dit dan ook weer niet een verborgen prikkel die dringt naar behoeftebevrediging? Dus toch weer een (geraffineerde) dierlijke aandrift? Ook al is dit dan misschien een soort prikkel die doelt op onverwachte, nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden, is de mensheidsevolutie niet altijd al zijn ontwikkelingsweg gegaan door zich te laten bevruchten door plotseling opdoemende kansen en mogelijkheden? Is dit alles niet juist het resultaat van het uitleven van een grote verscheidenheid aan (dierlijke) aandriften?

Daar is volgens mij wel het een en ander tegen in te brengen! Deze problematiek vereist een nadere studie van de verschillen tussen mens en dier.

Een dier is vanaf het moment van zijn geboorte van meet af aan eigenlijk al af. Een pasgeboren kalf zet binnen een kwartier al zijn eerste schreden en kan in principe reeds lopen. Dieren hebben een pasklaar en feilloos instinkt dat hen altijd precies het goede laat doen. Ook al zou men hen vanaf hun geboorte van hun soortgenoten isoleren zodat zij de juiste handelingen die bij hun soort behoren, onmogelijk van hun omgeving zouden kunnen aanleren. Een wevervogel die zou opgroeien te midden van een andere soort bouwt, als de tijd daar is, toch weer een uitermate perfect wevernest. De mogelijkheden van een dier kunnen, zoals bijv. de slimheid van een vos, weliswaar nog wat worden geperfectioneerd (lees: geconditioneerd), maar het maximale mogelijkhedenpakket staat bij de geboorte reeds absoluut vast.

Hoe geheel anders komt mij dit voor bij de mens! De mens is ronduit instinctarm en moet oneindig veel aanleren van zijn omgeving. Aan de ene kant wordt hij gevormd door de erfelijkheid die hem zijn lichamelijke instrument levert. Aan de andere kant leert hij van zijn omgeving talloze mogelijkheden aan dit lichamelijke instrument ontwikkelen. De kernvraag is nu of we de mens ervaren als een wezen dat volledig door deze twee invloeden wordt bepaald en geconditioneerd of dat hij een zelfstandig, vrij geestelijk wezen is dat zélf bepaalt wat hij met behulp van deze twee geschetste invloeden uit zichzelf maakt.

In het eerste geval wórdt hij (passief) geleefd. In het tweede geval leeft hij actief vanuit zichzelf. In het eerste geval dus weer de mens als dier. In het tweede geval is de mens echter een wezen dat stamt uit een geestelijke wereld en dat zich door zijn lichamelijkheid met de materie verbindt. Natuurlijk bergt iedere mens ook het dier in zich; vandaar de vele overeenkomsten tussen mens en dier die er immers toe hebben geleid de mens ook als dier te gaan zien.

Maar het essentiële van de mens als geestelijk wezen is dat hij in staat is uit vrije wil het dier in zichzelf te leren overwinnen.

De moderne wetenschap geeft ons het eerste model: de mens zou een dier zijn dat ongewild wordt bepaald door erfelijkheid en omgeving. Dus de opvatting waarbij de mens wordt bestempeld tot een passief wezen dat wordt geleefd.

Maar als dit nu eens niet zo is, als de mens nu eens geen dier is. En als de opvatting dat hij het wél zou zijn toch verder in de praktijk zou worden toegepast, dan ontstaat er m.i. een bijzonder gevaarlijke situatie. Dan wórdt de mens ook passief en dan wórdt hij in zekere zin ook een dier! De laatste honderd jaar, waarin dit dierbeeld van de mens is ontwikkeld, hebben wel degelijk een periode ingeluid van uiterst waardevolle (materiële) vooruitgang. Maar het is een ontwikkeling die het risico in zich bergt om de samenleving steeds meer volgens zijn gefixeerde mensbeeld (dierbeeld) te gaan dirigeren en conditioneren.

Ook al zou men het beste met de mens voor hebben, de kans op een catastrofale ontsporing is niet te onderschatten. Want als we de mens als een dier zullen blijven zien, dan is het alleen maar logisch dat we de maatschappij ook metterdaad zodanig inrichten, als wij menen dat dit het beste bij een dier past. Vele tekenen wijzen erop dat deze desastreuze wending al stevig op gang begint te komen. Zo dreigen we mens ongewild gewoon tot dier te maken, of hij het in wezen nu is of niet!

En waar blijft over nog eens honderd jaar dan de werkelijke, met ontwikkelingsmogelijkheden begaafde mens? *

Maar laten we weer terugkeren naar onze consumptiemaatschappij. We kunnen dan meteen vaststellen dat niets zo schadelijk is voor een gevestigde industriemaatschappij als het opkomen van plotselinge, steeds weer veranderende, nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden. Dit werpt alle investeringen en winstberekeningen radicaal omver en dat kost de gevestigde orde veel te veel geld. Het geplaagde consumptie-establishment laat dan ook niets na om dergelijke, voor de mensheidsrevolutie toch zo belangrijke ontwikkelingen in de kiem te smoren. Dat is namelijk niet zo erg moeilijk. Want bij het nastreven van idealen in de praktijk, waarbij vaak zware strijd geleverd moet worden, is een sterke wilskracht onontbeerlijk. En het enige dat het establishment hoeft te doen is aan die wil de stootkracht te ontnemen en hem in gewenste banen te leiden. Dan wordt de wilskracht ontoereikend en bijten we onze tanden vanzelf wel stuk. Al gauw zullen we van ons streven afzien en, opgezadeld met enorme frustraties, ons heil gaan zoeken in het schijngeluk van de blikkerende zekerheden van de consumptiemaatschappij.

De methoden die hiervoor ten dienste staan, zijn talrijk. Geef de mensen geestdodend werk, laat ze de rest van de tijd passief naar de televisie staren, maak de natuur ontoegankelijk, agressieve reclame, totale gelijkschakeling — van lopende band tot mammoetschool — tot grauw en uniform massamens. Dit alles verlamt op eenvoudige wijze de wil. En het behoeft nauwelijks nog betoog dat deze manipulerende, ontmenselijkende tendens krachtig wordt ondersteund door het materialistische mensbeeld dat de mens beschouwt als dier. Want er is toch moreel niets op tegen om een dier zijn (directe) driften zoveel mogelijk te laten bevredigen? Het is erg belangrijk dat men zich realiseert welke consequenties het mensbeeld allemaal kan hebben.

Want de rekening zal worden gepresenteerd! De ontevredenheid van (vooral) de jeugd tegen de barbaarsheid van onze cultuur zal uitgroeien tot een heftige tegenstand. Hun gevoelsleven, dat nog steeds niet helemaal is onderdrukt, gebiedt het hun.

Het is daarom voor een werkelijk gelukkige en menswaardige toekomst van het allerhoogste belang dat we zeer snel door de zeepbel van het consumptie-geluk heen prikken. Om ruimte te scheppen voor de zelfontplooiing van de mens, voor de ontwikkeling van al zijn onvermoede mogelijkheden. Door de maatschappij en met name ook het onderwijs zó in te richten dat het de mens stimuleert eigen idealen te ontwerpen en met alle kracht na te streven.

En het is mijn diepste overtuiging dat het mensbeeld dat aan dit streven ten grondslag zal liggen, hierbij van doorslaggevend belang zal zijn. Wie is toch die mens?

*) zie ook: H.S. Verbrugh, Geneeskunde op dood spoor. Lemniscaat R’dam 1972.
.

Sociale driegeledingalle artikelen
.
Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2189

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297A – voordracht 2

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER

ERZIEHUNG ZUM LEBEN

OPVOEDING VOOR HET LEVEN 

6 voordrachten, 2 vragenbeantwoordingen en een krantenverslag tussen 24 febr. 1921 en 4 april 1924 in verschillende steden. [1]

Inhoudsopgave  voordracht [1]   [3]   [4]  [5]  [6]
vragenbeantwoording bij voordracht 1      vragenbeantwoording 2

2e voordracht Amsterdam, 28 februari 1921 [2]

Erziehungs- Unterrichts- und praktische Lebensvragen vom Gesichtspunkte antroposophischer Geisteswissenschaft

Inhoudsopgave:

Blz. 45

In meinem ersten Vortrag, den ich hier in Amsterdam am 19. des Monats gehalten habe, versuchte ich auseinanderzusetzen, wie sich in die gegenwärtige Zivilisation der Menschheit anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft hineinstellen will. Diese anthropo­sophisch orientierte Geisteswissenschaft, die heute ja schon auch eine künstlerisch ausgeführte äußere Pflegestätte in der Freien Hochschule für Geisteswissenschaft, dem Goetheanum in Dornach bei Basel in der Schweiz hat, will zu den gewaltigen, den großen Ergebnissen naturwissenschaftlicher Erkenntnisse, die sie voll aner­kennt, ihrerseits durch exakte geisteswissenschaftliche Methoden übersinnliche Erkenntnisse hinzufügen. Und ich erlaubte mir in meinem letzten Vortrag am 19. Februar hier darauf aufmerksam zu machen, daß ja in der Gegenwart zahlreiche Seelen sich sehnen nach einer Erkenntnis, die ebenso sicher begründet ist wie es die heute als wissenschaftlich geltenden Erkenntnisse sind, aber eben einer Er­kenntnis, welche sich über Gebiete der Welt erstreckt, mit denen das Ewige in der Menschenseele zusammenhängt.

Opvoedings- onderwijs- en praktische levensvragen vanuit het gezichtspunt van de antroposofische geesteswetenschap

In mijn voordracht die ik hier in Amsterdam op de 19e van deze maand heb gehouden, heb ik geprobeerd uiteen te zetten hoe de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap een plaats wil innemen in de beschaving van de mensheid. Deze geesteswetenschap die tegenwoordig ook al een kunstzinnig uitgevoerd uiterlijk zichtbaar centrum heeft in de Vrije Hogeschool voor geesteswetenschap, het Goetheanum in Dornach, Basel in Zwitserland, wil aan de geweldige, de grote resultaten van de natuurwetenschappelijke kennis die door haar volledig erkend worden, van haar kant door exacte geesteswetenschappelijke methoden bovenzintuiglijke kennis toevoegen.
En ik nam de vrijheid in mijn laatste voordracht van 19 februari hier erop te wijzen, dat in deze tijd talloze zielen hunkeren naar kennis die net zo zeker geworteld is als die van de als wetenschap geldende kennis, maar een kennis die zich over gebieden uitstrekt waarmee het eeuwige in de menselijke ziel samenhangt.

Ich machte darauf aufmerksam, daß diese übersinnlichen Er­kenntnisse nur dadurch erreicht werden können, daß der Mensch gewisse, in seiner Seele veranlagte Fähigkeiten zur Entwicklung bringt. Von diesen Fähigkeiten will man heute in weiten Kreisen unserer gebildeten Menschheit allerdings noch nichts wissen. Aber gerade darauf, daß man von diesen Fähigkeiten nichts wissen will, beruht ja das für jeden bemerkbare Katastrophale unserer Zeit.
Ausgehen muß man zunächst – will man überhaupt an das her­ankommen, was hier als Geisteswissenschaft gemeint ist – von dem, was ich in meinem Vortrag vom 19. Februar «intellektuelle Beschei­denheit» genannt habe. Diese intellektuelle Bescheidenheit wird gerade in demjenigen Zeitalter als eine Paradoxie aufgefaßt werden,

Ik wees erop dat deze bovenzintuiglijke kennis alleen verworven kan worden als de mens bepaalde, in zijn ziel verankerde vaardigheden tot ontwikkeling brengt. Van deze vaardigheden wil men in grote kringen van onze beschaafde mensheid zeker nog niets weten. Maar juist omdat men van deze vaardigheden niets wil weten, berust nu eenmaal dat de grote catastrofe van onze tijd die iedereen ervaart. Je moet aanvankelijk uitgaan – wil je uiteindelijk bereiken wat met deze geesteswetenschap bedoeld is – van wat ik in mijn voordracht van 19 februari ‘intellectuele bescheidenheid’ heb genoemd. Dat zal in deze tijd waarin men zich bijzonder sterk op zijn intellectualiteit laat voorstaan, als een paradox opgevat worden.

blz. 46

das sich auf seine Intellektualität ganz besonders viel einbildet. Aber wer in die übersinnlichen Welten – denen doch die mensch­liche Seele mit ihrer eigentlichen Wesenheit angehört – eindringen will, der braucht diesen Ausgangspunkt der intellektuellen Beschei­denheit. Und ich möchte das Gleichnis, wodurch ich schon neulich hingewiesen habe auf diese intellektuelle Bescheidenheit, noch ein­mal wiederholen, da ich ja voraussetzen muß, daß durch den Wech­sel des Vortragssaales eine große Reihe des heute hier versammelten Publikums bei meinem ersten Vortrag nicht anwesend war.
Wenn wir ein fünfjähriges Kind vor uns haben und wir geben ihm einen Band Shakespeare in die Hand, so wird es mit diesem Band spielen, es wird ihn vielleicht zerreißen, jedenfalls aber nicht das tun, was dem Band Shakespeare angemessen ist. Wenn das Kind aber weitere zehn oder fünfzehn Jahre absolviert hat, dann werden sich diejenigen Fähigkeiten, die vorher in der Seele des Kindes ver­anlagt waren, durch die Erziehung, durch den Unterricht herausge­arbeitet haben; es wird nun den Band Shakespeare lesen. Das Kind ist zu einer höheren Stufe des Menschendaseins aufgestiegen, ist seelisch nach fünfzehn bis zwanzig Jahren ein anderes Wesen geworden.

Maar wie in de geestelijke werelden – waar toch de menselijke ziel met haar ware wezen bijhoort – doordringen wil, die heeft het uitgangspunt van de intellectuele bescheidenheid nodig. En ik zou de vergelijking waarmee ik onlangs nog gewezen heb op deze intellectuele bescheidenheid, nog een keer willen herhalen, omdat ik vooraf moeten laten gaan, dat door het wisselen van de zaal waar de voordrachten plaatsvinden, een groot deel van het hier aanwezige publiek bij mijn eerste voordracht niet aanwezig was.
Wanneer we met een vijfjarig kind te maken hebben en wij geven hem een werk van Shakespeare, dan zal het met dit boek gaan spelen, hij zal het misschien kapot scheuren, in ieder geval er niet mee doen wat bij een werk van Shakespeare hoort. Wanneer het kind echter een jaar of tien of vijftien verder is, zullen de vermogens die eerder al in de ziel van het kind verankerd lagen, door de opvoeding, door het onderwijs zich manifesteren; nu zal het het werk van Shakespeare gaan lezen. Het kind is op een hoger niveau van het menselijk bestaan gekomen, is wat zijn ziel betreft na vijftien tot twintig jaar een ander wezen geworden.

Man muß, wenn man wirklich in die übersinnliche Welt eindrin­gen will, in der Lage sein, sich zu sagen: Vielleicht ist man als er­wachsener Mensch gegenüber der Natur mit ihren Geheimnissen, mit ihren tieferen Gesetzmäßigkeiten in derselben Lage wie das fünfjährige Kind gegenüber dem Band Shakespeare, und vielleicht ruhen im Innern der Seele Kräfte, die man erst herausholen muß.Wenn man ernsthaft mit dieser intellektuellen Bescheidenheit als erwachsener Mensch an die in der Seele schlummernden Kräfte und Fähigkeiten herangeht, dann gelangt man dazu, höhere Erkennt­nisse, als es die gewöhnlichen des Tages und der gewöhnlichen Wissenschaft sind, in sich auszubilden.
Zunächst muß das Vermögen in der Menschenseele ausgebildet werden, welches man im gewöhnlichen Leben als Erinnerungs­vermögen kennt. Durch dieses Erinnerungsvermögen bringen wir Zusammenhang in unser Leben hinein. Durch dieses Erinnerungsvermögen

Je moet, wil je daadwerkelijk doordringen in de boventuiglijke wereld, in staat zijn, tegen jezelf te zeggen: misschien sta je als volwassene t.o.v. de natuur met haar geheimen, met haar diepere wetmatigheden in dezelfde positie als het vijfjarige kind t.o.v. het werk van Shakespeare en misschien rusten er in het innerlijk van de ziel krachten die je eerst moet ontwikkelen. Wanneer je als volwassene ernstig te werk gaat met de krachten en vermogens die in de ziel sluimeren vanuit deze intellectuele bescheidenheid, dan kom je ertoe hogere kennis dan de gewone van alledag en van de gangbare wetenschap, in jezelf tot ontwikkeling te brengen. Eerst moet het vermogen in de menselijke ziel ontwikkeld worden dat we in het dagelijks leven kennen als het vermogen om ons iets te herinneren. Door dit vermogen brengen we samenhang in ons leven. Hiermee

Blz. 47

zaubert sich vor unsere Seele in Bildern herauf, was wir bis zu einem sehr frühen Jahre der Kindheit erlebt haben. Dieses Erinnerungsvermögen macht dasjenige dauernd, was sonst als Vor­stellung vorüberhuschen würde. Wenn wir uns nur der Außenwelt hingeben könnten, wenn wir uns nur Vorstellungen von den vorüberhuschenden Begebenheiten und Erlebnissen hingeben wür­den, wäre unser ganzes Seelenleben ja ein anderes. – Wenn man nun das, was in der Erinnerung allerdings als dauernde Vorstellungen vorhanden ist, weiter ausbildet, dann gelangt man zu einem ganz anderen Erkenntnisvermögen. Und man kann das durch Methoden ausbilden, die ich in meinem Buch «Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?*», in meiner «Geheimwissenschaft» **und in anderen meiner Schriften geschildert habe. Man kann das durch gewisse Vorgänge der Meditation und Konzentration ausbilden, durch ein hingebungsvolles Ruhen auf gewissen, leicht überschau­baren Vorstellungen, die nicht Reminiszenzen sein dürfen, die nicht auf irgendeiner Autosuggestion beruhen dürfen; deshalb müssen sie leicht überschaubar sein.

Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?» (1904/05), GA 10.
Die Geheimwissenschaft im Umriß» (1910), GA 13.

komen ons op een geheimzinnige manier beelden voor de geest van wat we in onze vroege kinderjaren beleefd hebben. Dit herinneringsvermogen geeft duur aan wat anders als voorstellingsbeeld voorbij zou flitsen. Wanneer we ons alleen maar zouden kunnen richten op de buitenwereld, wanneer we ons alleen maar zouden kunnen richten op de voorstellingen van de voorbijvliegende gebeurtenissen en ervaringen, dan zou heel ons zielenleven anders zijn. Wanneer je nu dat wat in de herinnering als blijvende voorstelling aanwezig is, verder ontwikkelt, dan komt je tot een heel ander kenvermogen. En je kan dat door methoden ontwikkelen die ik in mijn boek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’, in mijn ‘Wetenschap van de geheimen der ziel‘ en in ander schriftelijk werk uiteen gezet heb. Je kan dit door bepaalde processen van meditatie en concentratie vormen, door een met overgave bij bepaalde, licht te overziene voorstellingen stil te blijven staan die geen vage rest van iets mogen zijn, niet op een of ander iets wat je zelf suggereert, vandaar dat ze makkelijk te overzien moeten zijn.

Auf solchen Vorstellungen muß man mit dem ganzen Gefüge seiner Seele ruhen. Und diese Studien, die der wirkliche Geistesfor­scher bezüglich der Erkenntnisse der übersinnlichen Welten zu machen hat, sind nicht leichter als die Studien, die man in der Kli­nik, im physikalischen, im chemischen Laboratorium oder auf der Sternwarte macht, und sie dauern keineswegs eine kürzere Zeit. Dieses Meditieren, dieses Konzentrieren mit der ganzen Seelenkraft auf gewisse Vorstellungen, die man dauernd macht und auf denen man ruht, das muß jahrelang fortgesetzt werden. In der Seele tief unten ruhende Erkenntniskräfte, von denen der Mensch sonst keine Ahnung hat, sie müssen heraufgeholt werden. Werden sie heraufgeholt, dann gelangt man dazu, das, was uns ebenso umgibt, wie uns die physisch-sinnliche Welt umgibt, durch diese höheren Er­kenntniskräfte wahrzunehmen. Zuerst nimmt man sein eigenes Erleben wahr, aber nicht so als den unbestimmten Strom, der bis nahe zu unserer Geburt hingeht, wo die Erinnerungsfragmente herauf-tauchen, sondern man nimmt zunächst wie ein einheitliches, auf

Met heel je ziel moet je je concentreren op dergelijke voorstellingen. En deze studie die de echte onderzoeker van de geest met betrekking tot het kennen van de bovenzinnelijke wereld moet doen, is niet makkelijker dan de studie die je in de kliniek, in het natuurkundig, chemisch laboratorium of bij de sterrenwacht doet en duren geenszins korter. Dit mediteren, dit je concentreren op bepaalde voorstellingen met alle krachten van de ziel, dat je voortdurend doet en waarbij je stilstaat, moet jarenlang gedaan worden. In de ziel moeten de diep daar rustende kenniskrachten waarvan de mens anders geen flauw idee zou hebben, naar boven gehaald worden. Als dat gebeurt, kom je ertoe door deze hogere kenniskracht te gaan waarnemen wat ons omringt net zoals de fysieke zintuiglijke wereld dat doet. Eerst neem je je eigen beleven waar, maar niet zoals de vage stroom die tot dicht op onze geboorte teruggaat, waarvan herinneringsflarden opduiken, maar je neemt dan als een eenheid

Blz. 48

einmal vorhandenes Lebenspanorama den ganzen Überblick dessen wahr, was man in diesem Leben seit seiner Geburt durchlebt hat. -Und lernt man dieses kennen, dann erfährt man, was es heißt, in seiner Seele außerhalb des Leibes zu leben. Gewöhnlich behauptet der Materialismus – und man findet es ja zunächst berechtigt -, daß alles gewöhnliche Vorstellen, alles gewöhnliche Erinnern, alles  gewöhnliche Empfinden und Wollen an den physischen Leib ge­bunden sei. Aber im gewöhnlichen Leben wird ja dieses Empfin­den, wird dieses Wollen, wird dieses Vorstellen unterbrochen. Je­den Tag wird durch den Schlaf dasjenige unterbrochen, was das gewöhnliche, an den Leib gebundene Seelenleben ist. Man empfin­det nur nicht jene bedeutsame Rätselfrage tief genug, welche mit Einschlafen, dem Schlafen und dem Wiederaufwachen verbunden ist. Der Mensch muß ja vorhanden sein im Schlafe, sonst müßte er beim Aufwachen jedesmal wieder neu erstehen. Aber man lernt erst erkennen, in welcher Form der Mensch schlafend vorhanden ist, wenn man jene Übungen absolviert, von denen ich jetzt einige Andeutungen gemacht habe.

als een levenspanorama dat nu aanwezig is als een heel overzicht waar, wat je dit leven sinds je geboorte allemaal meegemaakt hebt. En wanneer je dit leert kennen, ervaar je wat het betekent, in je ziel buiten het lichaam te leven. Gewoonlijk beweert het materialisme – en dat vindt men nu terecht – dat al het gewone voorstellen, al het gewone herinneren, al het gewone beleven en willen aan het fysieke lichaam gebonden is. Maar in het alledaagse leven wordt dit beleven, dit willen, dit voorstellen onderbroken. Iedere dag wordt door de slaap onderbroken wat het alledaagse, aan het lichaam gebonden zielsleven is. Men ervaart alleen deze belangrijke raadselachtige vraag niet diep genoeg die met het inslapen, het slapen en weer wakker worden verbonden is. De mens moet er tijdens de slaap wel zijn, anders zou hij bij het wakker worden iedere keer opnieuw moeten ontstaan. Maar je leert pas de vorm waarin de mens slapend aanwezig is, kennen, wanneer je die oefeningen afmaakt waarover ik nu een paar dingen heb gezegd.

Wenn man tatsächlich in die Lage kommt, seelisch so vorzustel­len, daß man sich nicht der äußeren Augen bedient, nicht anderer Sinne bedient, auch nicht des gewöhnlichen, an das Gehirn gebun­denen Verstandes bedient, sondern nur des rein Geistig-Seelischen – und dazu gelangt man, wenn man das Erinnerungsvermögen aus­bildet in der Weise, wie ich das geschildert habe -, so kommt man dazu, zu wissen, daß der Mensch vom Einschlafen bis zum Aufwa­chen allerdings als geistig-seelische Wesenheit außerhalb seines Lei­bes vorhanden ist und daß nur die Begierde, wiederum zu seinem Leibe zurückzukehren, sich dann geltend macht. Und diese Be­gierde, die verdunkelt das Bewußtsein.Wer sein Erinnerungsvermögen so entwickelt, wie ich es geschil­dert habe, der wird imstande sein, sich ganz genau wie der Schlafen­de zu verhalten – also nicht mit den Sinnen wahrzunehmen, nicht mit dem Verstande die Sinneswahrnehmungen zu kombinieren -, nur ist er vollbewußt. Er kennt das Geistig-Seelische unabhängig vom Leibe. Dadurch gelangt er auch dazu, dieses Geistig-Seelische

Wanneer je daadwerkelijk zover komt dat je voorstelt met je ziel, dat je niet je ogen hoeft te gebruiken, geen andere zintuigen, ook geen gebruik maakt van het gewone verstand dat gebonden is aan je hersenen, maar alleen van puur geest en ziel – en dat bereik je wanneer je het herinneringsvermogen ontwikkelt op de manier zoals ik dat geschetst heb – dan kom je ertoe te weten dat de mens vanaf het inslapen tot het wakker worden buiten zijn lichaam als geest-zielenwezen aanwezig is en dat het verlangen weer naar zijn lichaam terug te gaan, zich dan doet gelden. En dit verlangen, dat omfloerst het bewustzijn. Wie zijn herinneringsvermogen zo ontwikkelt als ik het heb aangegeven, zal in staat zijn zich net zo te gedragen als iemand die slaapt – dus niet waarnemen met de zintuigen, niet met het verstand de zintuigwaarnemingen combineren – alleen hij is vol bij bewustzijn.  Hij kent wat geestelijk en van de ziel is onafhankelijk van het lichaam. Daardoor komt hij ook zover dit geest-zielsmatige

Blz. 49

vor der Geburt oder Empfängnis und nach dem Tode in seiner wahren Wesenheit und im Zusammenhang mit der übrigen über­sinnlichen Welt zu erkennen.
Und wenn er dann dazu noch eine zweite, auch im gewöhnlichen Leben vorhandene Seelenkraft weiter ausbildet, nämlich die Kraft der Liebe, wenn er die Kraft der Liebe zu einer Erkenntniskraft macht, dann lernt der Mensch die Bilder, die er sonst wie ein über-sinnliches Panorama erlebt, auch in ihrer unmittelbaren Realität kennen. Bildet man in der Art, wie ich es auch schon geschildert habe, die Liebefähigkeit aus, dann wird die übersinnliche Er­kenntnis eine bis zu einem gewissen Grade vollkommene. Und was wir dann dadurch erlangen, das ist nicht bloß eine seelische Befrie­digung, das ist nicht bloß etwas, was unser theoretisches Bedürfnis befriedigt, sondern das ist im wesentlichen auch praktisches Le­bensresultat. Daher war es so, daß alles, was von Dornach ausging, von Anfang an ins praktische Leben eingreifen wollte. Und man­ches ist uns gerade für die Lebenspraxis bereits gelungen.
Heute möchte ich auf etwas aufmerksam machen, was im emi­nentesten Sinne ein Glied einer Lebenspraxis ist, die alle Menschen interessieren muß.

van voor de geboorte of conceptie en van na de dood in het ware wezen en in samenhang met de andere bovenzintuiglijke wereld te gaan kennen.
En wanneer hij dan daarbij nog een tweede zielenkracht die ook in het dagelijks leven aanwezig is, verder ontwikkelt, namelijk de kracht van de liefde, wanneer hij deze tot een kracht maakt om te leren kennen, dan leert de mens de beelden die hij anders beleeft als een bovenzinnelijk panorama, ook in hun directe realiteit kennen. Ontwikkel je op de manier die ik ook al geschetst heb, het vermogen van de liefde, dan wordt de bovenzintuiglijke kennis er een die in zekere zin volmaakt is. En wat we daardoor bereiken, dat is niet alleen maar een tevredenstellen van de ziel, dat is niet enkel en alleen iets wat onze behoefte aan iets theoretisch bevredigt, maar het is in wezen ook iets praktisch voor het leven. Daarom was het zo, dat alles wat uitging van Dornach, van meet af aan wilde ingrijpen in het praktische leven. En juist voor de praktijk van het leven is er ons al veel gelukt.
Vandaag wil ik op iets wijzen wat op een buitengewoon belangrijke manier een deel is van de praktijk van het leven waarvoor alle mensen wel interesse moeten hebben.

Ich möchte auf die Art und Weise aufmerksam machen, wie die hier gemeinte anthroposophisch orientierte Gei­steswissenschaft die Erziehungs- und Unterrichtskunst befruchten kann.
Was erlangt man denn eigentlich durch eine solche Geistes­wissenschaft, wie ich sie nun ganz skizzenhaft in ihren Metho­den dargestellt habe? Man erlangt vor allen Dingen eine wirkli­che Menschenerkenntnis. Ohne daß man in das Übersinnliche hineinschauen kann, ist es ja unmöglich, Menschenerkenntnis zu haben. Der Mensch ist ja nicht nur die äußere physische Orga­nisation, über die uns so großartige, gewaltige, nicht genug zu würdigende Aufschlüsse die äußere naturwissenschaftliche Welt­anschauung gibt. Der Mensch ist auch Seele und Geist. Der Mensch birgt in sich den ewigen Wesenskern, der durch Gebur­ten und Tode geht, der ein Bewußtsein nach dem Tode hat, weil er dann nicht die Begierde nach dem Leibe hat, welcher beim

Ik zou erop willen wijzen hoe de hier genoemde antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap vruchtbaar kan uitwerken op de opvoed- en onderwijskunst.
Wat komt er door een dergelijke geesteswetenschap zoals ik die alleen maar heel schetsmatig wat haar methoden betreft, neergezet heb, tot stand? Allereerst levert ze een echte menskunde op. Zonder dat je in de bovenzintuiglijke werelden kan waarnemen, is het onmogelijk menskunde te bezitten. De mens is niet alleen maar het uiterlijk fysieke organisme waarover de natuurwetenschappelijke wereldschouwing ons de zo grootse, geweldige, niet genoeg te prijzen ontdekkingen verschaft. De mens is ook ziel en geest. De mens huisvest in zichzelf de eeuwige wezenskern die door de verschillende geboorten en dood heengaat, dat na de dood een bewustzijn heeft, omdat hij dan niet de begeerte naar het lichaam heeft dat tijdens het

Blz. 50

Schlafe im Bette liegt und wonach er während des Schlafes Begierde hat, die ihm eben sein Bewußtsein im gewöhnlichen Schlafe auslöscht.
Wenn dieser gewöhnliche physische Leib im Tod abgelegt ist, dann erhält der Mensch ein um so helleres Bewußtsein, weil er dann nicht durch irgendeine Begierde nach einem Leib das Bewußtsein ausgelöscht hat. Durch alles das und noch durch vieles, das ich jetzt nicht schildern möchte, das Sie aber in meinen Schriften nachlesen können, erlangt der Mensch dasjenige, was wirkliche Menschen-erkenntnis ist. Und nur aus wirklicher Menschenerkenntnis heraus kann wahre Unterrichtskunst und wahre Erziehungskunst ent­stehen.
Wir haben versucht, gerade dieses Gebiet des praktischen Lebens in der von Emil Molt in Stuttgart begründeten Waldorfschule zu behandeln, die von mir geleitet wird und deren Pädagogik und Di­daktik ganz und gar aus anthroposophisch orientierter Geisteswis­senschaft heraus fließt. Erstens ist schon die Gesinnung der Lehrer-schaft eine solche, daß mit jeder Unterrichtsstunde, mit jedem neu­en Morgen in die Klasse etwas hineingetragen wird, was das Erzie­hen und Unterrichten zu einer Art geistigem Dienst macht.

slapen in bed ligt en waarnaar hij gedurende de slaap verlangt, waarvoor hij dan in de gewone slaap geen bewustzijn heeft.
Wanneer dit gewone fysieke lichaam bij de dood achtergelaten wordt, krijgt de mens een veel helderder bewustzijn, omdat het bewustzijn dan zijn verlangen naar het lichaam gedoofd heeft. Door dat alles en door nog veel meer dat ik nu niet wil schetsen, maar dat u in mijn schriftelijk werk na kan lezen, komt de mens tot een echte menskunde. En alleen vanuit een echte menskunde kan echte onderwijskunst en echte opvoedkunst ontstaan.
Wij hebben geprobeerd, juist op het gebied van het praktische leven te handelen in de vrijeschool in Stuttgart die door Emil Molt is opgericht en waarover ik de leiding heb; de pedagogie en didactiek ervan vloeit geheel en al voort uit de antroposofisch georiëntieerde geesteswetenschap. Allereerst is de stemming van de leerkrachten zo dat er ieder lesuur, iedere morgen iets de klas in wordt gebracht wat het opvoeden en lesgeven tot een soort dienst aan de geest maakt.

Heißt es denn nicht etwas Besonderes, wenn man durch anthroposophi­sche Geisteswissenschaft weiß: Dieses Menschenwesen, das sich uns so rätselhaft wunderbar offenbart in dem heranwachsenden Kinde, es ist aus geistigen Welten durch die Empfängnis oder Geburt herabgestiegen? Wenn das eine wirkliche Erkenntnis ist, wenn sie durch anthroposophische Geisteswissenschaft vermittelt wird, dann steht man dem werdenden Menschen, dem Kind so gegen­über, daß hier eine einem von den geistigen Welten anvertraute Aufgabe ist. Dann sieht man, wie das Ewige, das aus geistigen Wel­ten heruntergestiegen ist, sich von Tag zu Tag, von Woche zu Woche, von Jahr zu Jahr aus den zuerst unbestimmten physio­gnomischen Zügen, den unbestimmten Bewegungen des Kindes herausarbeitet zu immer größerer Bestimmtheit. Das Geistig-Seelische sieht man arbeiten an der physischen Ausgestaltung des Menschen.

Is het dan niet bijzonder dat je door antroposofische geesteswetenschap weet: dit mensenwezen dat zich met het opgroeiende kind op een zo raadselachtige manier aan ons vertoont, is uit de geestelijke wereld door de conceptie of de geboorte afgedaald? Wanneer dat echte kennis is, wanneer dit door de antroposofische geesteswetenschap wordt doorgegeven, dan sta je t.o.v. de wordende mens, het kind, zo dat het hier om een opdracht van de geestelijke wereld gaat die je wordt toevertrouwd. Dan zie je hoe het eeuwige dat uit werelden van de geest afgedaald is, van dag tot dag, van week tot week, van jaar tot jaar uit de eerst nog vage fysionomische trekken, de onbestemde bewegingen van het kind zich ontwikkelt tot een steeds grotere vastberadenheid. Je ziet geest en ziel meebouwen aan de fysieke vorming van de mens.

Blz. 51

Es soll hier nicht irgendwie eine leichtfertige Kritik geübt wer­den an dem, was durch pädagogische Genies im Laufe des 18. und 19. Jahrhunderts hervorgebracht worden ist. Gewiß, es ist da man­cher schöne Grundsatz gerade mit Bezug auf Pädagogik geäußert worden. Es wird zum Beispiel mit Recht betont: Ja, die Pädagogik hat doch solche Grundsätze wie «man solle nichts von außen in die Kinder hineinpfropfen; man solle alles das, was man an die Kinder heranbringen will, aus ihren eigenen Anlagen und Fähigkeiten herausholen». Ganz richtig, ein ausgezeichneter Grundsatz – aber abstrakt und theoretisch. Und so tritt uns gerade das weitaus meiste unserer Lebenspraxis in Abstraktionen, in theoretischen Program­men entgegen. Denn das, was man braucht, um so etwas auszufüh­ren wie aus der Individualität dasjenige herauszuholen, was das Kind in sich ausbilden soll, dazu braucht man wirkliche Menschen­erkenntnis. Menschenerkenntnis, die in alle Tiefen des Menschen hineingeht. Solche Menschenerkenntnis kann aber die Wissen­schaft, die bisher in der modernen Zivilisation vorhanden ist, trotz ihrer großen Triumphe nicht haben.

Hier wordt niet een of andere oppervlakkige kritiek uitgeoefend op wat door pedagogische grote geesten in de loop van de 18e en 19e eeuw naar voren gebracht is. Zeker is dat er menig mooi principe wat de pedagogie betreft naar buiten is gekomen. Met recht wordt bv. benadrukt: Ja de pedagogie heeft toch zulke uitgangspunten als: je moet niets van buitenaf in de kinderen proppen; alles wat je aan de kinderen wil aanleren moet je uit hun eigen aanleg en vaardigheden halen. Helemaal terecht, een uitstekend uitgangspunt – maar abstract en theoretisch. En zo komt juist verreweg het meeste van onze levenspraktijk in abstracties, in theoretische programma’s op ons af. Want wat je nodig hebt om zoiets te realiseren als uit de individualiteit te halen wat in het kind tot ontwikkeling moet komen, wat het kind in zichzelf vorm moet geven, heb je echte menskunde nodig, Menskunde die in alle diepte ingaat op de mens. Een dergelijke menskunde kan de wetenschap die tot nog toe in de moderne beschaving voor handen is, ondanks de grote successen, echter niet bezitten.

Ich möchte Ihnen nun ganz konkret gewisse Dinge vorführen, an denen Sie sehen werden, wie diese Geisteswissenschaft, wie sie hier gemeint ist, zu wirklicher Menschenerkenntnis gelangt. Man hat ei­nen billigen Ausspruch, der immer wieder gedankenlos wiederholt wird in den Worten: Die Natur macht keine Sprünge! – Die Natur macht nämlich fortwährend Sprünge, und dieser Ausdruck beruht, wie gesagt, nur auf Gedankenlosigkeit. Denken Sie an die Pflanze: Sie entwickelt die grünen Laubblätter, dann macht sie den Sprung zum Kelch, dann den Sprung zu den farbigen Blumenblättern, den Staubgefäßen und so weiter. Und so ist es mit allem Leben. Es ist nur eine Phrase, zu sagen, die Natur mache keine Sprünge. Und so ist es namentlich im Menschenleben. Wir haben im Menschenleben, wenn wir es unbefangenerweise durch die Impulse beobachten kön­nen, die gerade anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft gibt, deutlich voneinander unterschiedene Lebensepochen. Die er­ste Lebensepoche geht von der Geburt bis zum Zahnwechsel so um das siebente Jahr herum. Sie endet also mit dem Jahr, in dem wir die

Nu zou ik u heel concreet een paar dingen willen laten zien waaraan je kan waarnemen hoe de geesteswetenschap zoals die hier bedoeld wordt, tot echte menskunde komt. Er bestaat een goedkope uitspraak, die steeds maar weer gedachteloos herhaald wordt met de woorden: de natuur maakt geen sprongen! De natuur maakt namelijk voortdurend sprongen en deze uitdrukking berust, zoals gezegd op gedachteloosheid. Denk eens aan een plant:
Die ontwikkelt het groene blad, dan maakt ze de sprong naar de kelk, dan de sprong naar de kleurige bloembladeren, de meeldraden enz. En zo gaat het met alles wat leeft. Het is slechts een frase om te zeggen, dat de natuur geen sprongen maakt. En zo is het ook in het leven van de mens. We hebben in het leven van de mens, wanneer we het op een onbevangen manier door de impulsen kunnen waarnemen die met name de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap geeft, duidelijk van elkaar te onderscheiden levensfasen.
De eerste levensfase loopt van de geboorte tot de tandenwisseling, zo rond het zevende jaar. Die eindigt dus met het jaar waarin wij

Blz. 52

Kinder in die Volksschule hereinbekommen. Man kann – wenn man nur die nötige Einsicht und Unbefangenheit des Beobachtens hat, wenn man sich gewöhnt, das Leben nur auf einer höheren Stufe so zu beobachten, wie man sonst gerade in der Naturwissenschaft auf der untersten Stufe beobachtet – die großen Unterschiede zwi­schen der ersten und der zweiten Lebensphase des Menschen scharf charakterisieren. Die erste Lebensphase endet mit dem Zahnwech­sei, die zweite mit der Geschlechtsreife. Beide Lebensepochen sind durchaus voneinander verschieden. Die erste Lebensepoche zeigt uns das Kind als ein nachahmendes Wesen. Bis in das Spiel hinein ist das Kind ein nachahmendes Wesen. Gewiß, mancher glaubt, im Spiel präge sich ein gewisses imaginatives Wesen aus. Das ist auch der Fall, aber wenn Sie das Spiel im tiefsten Wesen studieren, wer­den Sie überall die Nachahmungsmomente gerade im kindlichen Spiel wahrnehmen. Und in Anknüpfung an dieses Spiel möchte ich gleich bemerken, wie ungeheuer bedeutungsvoll für eine lebensvol­le, wirklich ins Dasein eingreifende Erziehung und pädagogische Kunst Menschenerkenntnis, Erkenntnis des Menschen in bezug auf seine Totalität ist.

kinderen op de basisschool krijgen. Je kan – wanneer je maar het nodige inzicht en de onbevangen waarneming hebt, wanneer je er een gewoonte van maakt het leven alleen maar op een hoger niveau zo te bekijken zoals je anders vooral in de natuurwetenschap op het laagste niveau waarneemt – het grote verschil scherp karakteriseren tussen de eerste en de tweede levensfase. De eerste levensfase eindigt met de tandenwisseling, de tweede met de geslachtsrijpheid. Beide levensfasen zijn absoluut verschillend van elkaar. De eerste levensfase laat ons zien dat het kind een nabootsend wezen is. Zeker, menigeen gelooft dat zich in het spel iets imaginatiefs uitdrukt. En dat is ook zo, maar wanneer je het spel in zijn diepste wezen bestudeert, zul je overal momenten van nabootsing vinden, met name in het spel van het kind. En aansluitend bij dit spel zou ik meteen willen opmerken hoe ongelooflijk belangrijk de menskunde, het weten omtrent de mens is, voor een vol levende opvoeding en pedagogische kunst die werkelijk van invloed is op het bestaan wat betreft zijn totale wezen.

Sehen Sie, jedes Kind spielt anders. Wer einen unbefangenen Beobachtungssinn hat, kann genau unterscheiden, wie das eine Kind, wie das andere Kind spielt. Wenn auch der Unterschied kein großer ist – man muß Psychologe sein, um so etwas beobachten zu können, wenn man überhaupt Pädagoge werden will. Kann man das aber, dann muß man die verschiedenen Arten des Spielens auf eine ganz andere Lebensepoche des Menschen beziehen. In bezug auf die Menschenbeobachtung ist ja die äußere Wissenschaft so, daß sie überhaupt nur das Nächste an das Nächste reiht. Aber damit kommt man nicht weit. Das, was man beobachten kann im kind­lichen Spiel, bleibt nicht in der nächsten Lebensepoche. Da ist das Kind anderen Dingen zugewendet, also in der Zeit vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife. Wenn es auch fortspielt, das eigentliche Spielalter prägt sich nicht mehr so charakteristisch aus wie früher. Das, was die Spielleidenschaften sind, tritt in die Tiefe der Seele zurück und erst in einem viel späteren Lebensalter tritt es

Ieder kind speelt anders. Wie onbevangen kan waarnemen, kan precies onderscheiden hoe het ene kind, hoe het andere kind speelt. Ook al is het verschil niet groot – je moet psycholoog zijn om zoiets te kunnen waarnemen, zeker als je pedagoog wil worden. En wanneer je dat kunt, moet je de verschillende manieren van spelen in relatie brengen met een heel andere leeftijdsfase van de mens. Wat het waarnemen van mensen betreft is het bij de gewone wetenschap zo dat deze eigenlijk alleen maar het ene aan wat erop volgt koppelt. Maar daarmee kom je niet ver. Wat je waarnemen kan in het kinderspel, blijft in de volgende levensfase niet. Dan richt het kind zich op andere dingen, dus zo in de tijd van de tandenwisseling tot de puberteit. Ook al speelt het nog, zo karakteristiek als het daarvoor was, komt het spel niet meer tot uitdrukking. De speeldrift trekt zich in de diepere lagen van de ziel terug

Blz. 53

wieder zutage: in der zweiten Hälfte der zwanziger Jahre, wenn der Mensch sich in das praktische Leben hineinstellen soll. Der eine stellt sich mit großer Geschicklichkeit in die Aufgaben des Schick­sals hinein, der andere wird ein weltenferner Träumer, und zwi­schen beiden sind die mannigfaltigsten Nuancen möglich. Die Art, wie sich der Mensch in diesen Jahren in das praktische Leben hin­einstellen kann, ist durchaus zu erklären, wenn man weiß, wie der Mensch mit vier, fünf, sechs, sieben Jahren gespielt hat.
Daher ist es von einer durchgreifenden Wichtigkeit, als Pädago­ge, als Erzieher das kindliche Spiel zu leiten; zu beobachten, was aus dem Kind herauswill, zu lenken dasjenige, was nicht heraus soll, weil das Kind dadurch ungeschickt würde im späteren Leben. Denn man gibt dem Kind, wenn man das Spiel im zartesten Alter in der richtigen Weise leitet, etwas mit für die Lebenspraxis, wie sie sich erst in den zwanziger Jahren ausbildet. Das ganze Leben des Men­schen hängt zusammen, und was wir in der Jugend in die kindliche Seele einpflanzen, das kommt erst viel später im Leben in den man­nigfaltigsten Metamorphosen zutage. Nur eine totale Menschen­kenntnis, wie sie anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft gibt, kann tatsächlich Zusammenhänge, die so weit auseinan­derliegen wie die zwanziger Jahre und das kindliche Alter, wie das Hineinfinden in die Lebenspraxis und die Spieltriebe, durchschau­en; nur solche Geisteswissenschaft kann so tief hineinschauen in das Leben.

en pas op een veel latere leeftijd komt deze weer tevoorschijn: in de tweede helft van de twintiger jaren, wanneer de mens zijn plaats moet vinden in het leven van alle dag. De een vindt met gemak zijn weg in de opgaven die het leven stelt, de ander wordt een levensvreemde dromer en hier tussenin zijn heel wat nuances mogelijk. De manier waarop de mens in deze jaren zijn draai in de praktijk van het leven vindt, is zeer zeker te verklaren, wanneer je weet, hoe de mens op vier-, vijf-, zes-, zevenjarige leeftijd heeft gespeeld.
Daarom is het van doorslaggevende betekenis om als pedagoog, opvoeder het spelen van een kind zo te leiden: te kijken wat er uit het kind komt, te sturen wat er niet uit moet komen, omdat het kind daardoor ongeschikt zou worden voor het latere leven.  Want je geeft het kind, wanneer je zijn spel in zijn meest prille leeftijd op de juiste manier leidt, iets mee voor de praktijk van het leven zoals zich dat pas in de twintiger jaren vormt. Het hele leven van de mens hangt samen en wat wij in de jeugd in de kinderziel planten, komt pas veel later in het leven tevoorschijn, op de meest verschillende manieren gemetamorfoseerd.
Alleen een totale kennis van de mens, zoals de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap die geeft, kan daadwerkelijk samenhang zien in wat zo ver uit elkaar ligt als de twintiger jaren en de kinderleeftijd, ook tussen het zich een plaats kunnen verwerven in de praktijk van het leven en de speeldrift; alleen zo’n geesteswetenschap kan zo diep in het leven waarnemen.

Das wird Ihnen eine Vorstellung davon geben, aus welchem Umfang einer Menschenerkenntnis diese anthroposophisch orien­tierte Geisteswissenschaft arbeiten will, um eine pädagogische Kunst auszubilden.
Ein nachahmendes Wesen ist das Kind, sagte ich, bis zum sieben­ten Jahre ungefähr. Und ich sage diese Zahl Sieben wahrhaftig nicht aus irgendeiner mystischen Neigung heraus, sondern weil tatsäch­lich der Zahnwechsel ein Wichtiges in der ganzen Lebensentwick­lung des Kindes ist. – Das Kind lernt durch Nachahmung die be­sondere Artung seiner Bewegungen, auch seine Sprache; es entwik­kelt sogar auf diese Weise die Form seiner Gedanken. Weil der Zu­sammenhang zwischen der Umgebung des Kindes und dem Kind

Dit kan u een voorstelling geven van uit welke volheid van een menskunde deze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap wil werken om een pedagogische kunst te scheppen.
Ik zei dat het kind een nabootsend wezen is, tot ongeveer het zevende jaar. En ik noem dit getal zeven echt niet vanuit een of andere mystieke neiging, maar omdat daadwerkelijk de tandenwisseling een heel belangrijk iets is in de hele levensontwikkeling van het kind. Het kind leert door nabootsing zijn bijzondere manier van bewegen, ook zijn taal; het ontwikkelt zo zelfs zijn manier van denken. Omdat de relatie tussen de omgeving van het kind en het kind

Blz. 54

selbst nicht nur von dem Äußerlichen abhängig ist, sondern Impon­derabilien in sich birgt, müssen Eltern oder Erzieher, die in der Umgebung des Kindes leben, sich klar darüber sein, wie das Kind sich anpaßt an das, was die Erwachsenen in seiner Umgebung nicht nur äußerlich tun – nicht nur, was sie sprechen -, sondern was sie empfinden, was sie fühlen, was sie denken. Man glaubt das gewöhn­lich nicht in unserem materialistischen Zeitalter, daß auch ein Unterschied besteht in bezug auf die Heranbildung des Kindes, ob wir uns edlen oder unedlen Gedanken in der Nähe des Kindes hin­geben, weil man die Lebenszusammenhänge nur nach äußerlichen materiellen Entitäten sieht, und nicht, wie die Dinge innerlich durch Imponderabilien zusammenhängen. Das sieht man, wenn man das Leben wirklich seinen innerlichen Strukturen nach beob­achtet.
Ich möchte an einem Beispiel erhärten, auf was es eigentlich bei solchen Dingen ankommt: Es kam einmal ein Vater zu mir, der klagte bitterlich – und ich könnte manches ähnliche Beispiel anfüh­ren -, sein fünfjähriges Knäblein habe gestohlen. Er war darüber sehr unglücklich. Ich sagte: 

zelf niet alleen maar van uiterlijkheden afhankelijk is, maar er ook onweegbare zaken in meespelen, moeten ouders en opvoeders die in de omgeving van het kind verkeren, duidelijk weten dat een kind zich aanpast aan wat de volwassenen in zijn buurt niet alleen maar voor het uiterlijke oog doen – niet alleen maar wat ze zeggen – maar ook wat ze beleven, wat ze voelen, wat ze denken. In onze materialistische tijd gelooft men gewoonlijk niet dat er ook verschil bestaat als het om de vorming van het kind gaat, of wij in de omgeving van het kind vervuld zijn van nobele of onedele gedachten, omdat men wat er in het leven met elkaar te maken heeft, alleen maar als uiterlijk stoffelijke grootheden ziet en niet hoe de dingen innerlijk door het imponderabele met elkaar samenhangen. Dat zie je als je het leven werkelijk waarneemt wat de innerlijke structuur betreft.
Ik zou met een voorbeeld willen staven waarop het eigenlijk aankomt bij dergelijke dingen. Er kwam eens een vader naar me toe, die er heftig over klaagde – en ik zou meer van dergelijke voorbeelden kunnen geven – dat zijn zoontje van vijf had gestolen. Hij zat er heel erg mee. Ik zei:

Wir wollen einmal nachsehen, ob der fünfjährige Knabe wirklich gestohlen hat. – Ich ließ mir den Fall beschreiben. Was war eigentlich geschehen? Der Junge hatte aus der Schublade, in der die Mutter ihre Pfennige verwahrte, die sie immer brauchte für die täglichen kleinen Bedürfnisse, etwas Geld heraus­genommen, Näschereien dafür gekauft; er hatte nicht einmal aus Egoismus das getan, sondern er hatte die Näschereien verteilt unter andere Kinder Ich sagte zu dem Vater: Das Kind hat nicht gestoh­len, sondern was die Mutter immer tut, das hält das Kind auch für richtig, daß es das tun dürfe, denn es ist ja in dem Alter von fünf Jahren noch durchaus ein nachahmendes Wesen. Dessen müssen wir uns bewußt sein: nicht durch Ermahnungen, durch Gebote wirken wir auf die Kinder. sondern lediglich durch das, was wir in ihrer Umgebung tun.
Und wir gelangen erst zu einem gesunden Urteil über die ganze Seelenkonfiguration des Kindes, wenn wir wissen: Mit dem Zahn-wechsel wird diese Seelenkonfiguration des Kindes eine wesentlich

‘Laten we eens kijken of het vijfjarige ventje nu echt gestolen heeft.’  Ik liet het voorval beschrijven. Wat was er nu gebeurd? Het jongetje had uit de tafella waar moeder het geld in bewaart dat ze nodig heeft voor de dagelijkse boodschappen, wat geld weggepakt en er snoep voor gekocht; dat had hij niet uit egoïsme gedaan, maar hij had dit snoep uitgedeeld aan andere kinderen.  Ik zei tegen z’n vader: ‘Het kind heeft niet gestolen, maar wat het kind zijn moeder ziet doen, houdt het voor juist en dat mag hij dus ook doen, want hij is op de leeftijd van vijf jaar door en door een nabootsend wezen.’ En we moeten goed weten dat we niet door vermaningen en geboden op de kinderen kunnen inwerken, maar enkel en alleen door wat we in hun omgeving doen.
En we krijgen pas een gezond oordeel over hoe de hele ziel van het kind is, wanneer we weten: met de tandenwisseling verandert deze kinderziel wezenlijk.

Blz. 55

andere. Da tritt an die Stelle des bloßen Nachahmens das seelische Verhalten zur Umgebung als einer selbstverständlichen Autorität. Und wir haben es während der ganzen Schulzeit zu tun mit diesem Verlangen des Kindes nach der selbstverständlichen Autorität des Lehrers, des Erziehers oder dessen, der sonst das Kind umgibt. Man muß nur wissen, was es für das ganze Leben bedeutet, wenn man in diesem kindlichen Alter vom siebenten bis zum fünfzehnten Jahr mit einer wirklichen, großen inneren Scheu zu denjenigen aufgese­hen hat, die als Erwachsene mit erzieherischer Autorität in der Umgebung waren, die so zu uns standen, daß uns das, was wir für wahr und falsch hielten, hervorging aus der Art und Weise, wie die­se Erzieher wahr und falsch sahen; auf dasjenige, was für die Erzie­her der Maßstab von wahr und falsch war. Ins Menschliche, nicht in irgend etwas Abstraktes gehen wir hinein, wenn wir Wahr und Falsch, Gut und Böse in diesem kindlichen Lebensalter unterschei­den wollen.

In plaats van alleen maar de nabootsing ziet de menselijke ziel nu in de omgeving een vanzelfsprekende autoriteit. En gedurende de hele basisschooltijd hebben we te maken met dit verlangen van het kind naar de vanzelfsprekende autoriteit van de leraar, de opvoeder of iemand die anders bij het kind is. Je moet wel weten wat het voor het hele leven betekent, wanneer je op deze kinderleeftijd van het zevende tot het vijftiende jaar met een echte innerlijke eerbied opgekeken hebt naar de volwassene die met pedagogische autoriteit in de omgeving was, die op een manier bij ons was dat het voor ons waar was of verkeerd wat deze opvoeder als waar of verkeerd zag; wat zijn maatstaf van goed of verkeerd was. We gaan naar het menselijke, niet naar iets abstracts als we waar en onwaar, goed en slechts in deze kinderleeftijd willen onderkennen.

Sie werden nicht glauben, daß ich aus irgendeiner Vorliebe für konservative oder reaktionäre Ideen diese Notwendigkeit – daß aller Unterricht, alle Erziehung zwischen dem siebenten und fünf­zehnten Jahr auch auf selbstverständliche Autorität gebaut werde -vertrete, wenn ich Ihnen sage, daß ich schon 1892 eine kleine Schrift geschrieben habe*, in der ich mit aller Entschiedenheit die individu­elle Freiheit des Menschen als eine soziale Grundforderung hinge-stellt habe. Aber keiner kann ein wirklich freier Mensch werden, keiner kann in Freiheit das rechte soziale Verhältnis zu seinen Mitmenschen finden, wenn er nicht zwischen dem siebenten und fünfzehnten Jahr eine selbstverständliche Autorität neben sich an­erkannt hat, und aus dieser heraus den Maßstab für Wahr und Falsch, Gut und Böse prägen lernte, um erst hinterher zu dem selbständigen Maßstab der verstandesmäßigen oder sonstigen rein innerlichen, autonomen Beurteilung zu kommen.
Und dann ist die Seele des Kindes in diesem Lebensalter noch so beschaffen, daß sie zuerst durchaus noch mit der Umgebung ver­wachsen ist. Erst wenn wir an das Ende dieser Lebensphase kom­men, die in das zwölfte, dreizehnte Jahr fällt, da sehen wir, daß das

*meine «Philosophie der Freiheit«: Das Buch (GA 4) erschien im Herbst 1893, trug aber als Erscheinungsjahr bereits die Zahl 1894. Seither ist es in vielen Auflagen erschienen. Siehe auch den Band «Dokumente zur >Philosophie der Freiheit», GA 4a.

U moet niet denken dat ik vanuit een of andere voorliefde voor conservatieve of reactionaire ideeën deze noodzaak – dat het hele onderwijs, heel de opvoeding tussen het zevende en het vijftiende jaar ook op vanzelfsprekende autoriteit gebouwd moet zijn – bepleit, als ik zeg dat ik al in 1892 een klein boekje heb geschreven* waarin ik met alle kracht de individuele vrijheid van de mens als een sociale basiseis neergelegd heb. Maar niemand kan een echt vrij mens worden, niemand kan in vrijheid de juiste sociale verhouding tot zijn medemens vinden, wanneer hij niet tussen het zevende en het vijftiende jaar een vanzelfsprekende autoriteit naast zich erkend heeft en door hem de maatstaf voor goed of verkeerd, goed of slecht sterk in zich leerde opnemen om pas naderhand tot de zelfstandige maatstaf van een verstandig of anderszins puur innerlijk zelfstandige beoordeling te komen.
En dan is de ziel van het kind op deze leeftijd nog zo dat deze dan juist nog met de omgeving vergroeid is. Pas wanneer we op het eind van deze leeftijdsfase komen die in het twaalfde dertiende jaar valt, zien wij dat

*mijn «Filosofie van de vrijheid«: Het boek (GA 4) verscheen in de herfst an 1893, jaar van verschijning al 1894. Sindsdien zijn er veeel oplagen verschenen. Zie ook band  «Dokumente zur >Philosophie der Freiheit», GA 4a.

Blz. 56

Kind sich deutlich von seiner Umgebung unterscheidet, daß es weiß: das Ich ist innerlich, die Natur äußerlich. Gewiß, das Ich­Bewußtsein ist natürlich in dem allerersten Kindesalter vorhanden, aber da ist es doch mehr ein Gefühl. Man muß wissen, wenn man richtig erziehen will, daß zwischen dem neunten und dem zehnten und einem halben Jahr ungefähr ein außerordentlich wichtiger Punkt in der kindlichen Entwicklung liegt. Es ist der Punkt, wo das Kind sich innerlich so vertieft, daß es sich überall von der Natur und der sonstigen Außenwelt unterscheiden lernt. Vor diesem Zeit­punkt, der ein starker Wendepunkt im menschlichen Leben ist, sieht das Kind im Grunde seine Umgebung in Bildern, weil sie noch verwachsen ist mit dem eigenen inneren Leben, in Bildern, die oft­mals symbolisch sind. Es denkt über seine Umgebung in symbo­lischer Weise. Nachher tritt eine andere Epoche ein. Das Kind unterscheidet sich von der Natur und der äußeren Umgebung.
Von einer ungeheuren Bedeutung ist es, daß der Erzieher diesen Lebenspunkt, der für das eine Kind etwas später, für das andere etwas früher liegt, in der richtigen Weise beurteilen kann.

het kind zich duidelijk van zijn omgeving onderscheidt, dat het weet: mijn Ik zit van binnen, de natuur is buiten. Zeer zeker, het ik-bewustzijn is al in de allereerste kinderleeftijd aanwezig, maar dan is het nog meer een gevoel. Wil je goed opvoeden, moet je weten dat tussen het negende en tien en een half jaar ongeveer een buitengewoon belangrijk punt in de ontwikkeling van het kind ligt. Dat is het punt waarop het kind innerlijk zich zo verdiept dat het zich overal van de natuur en de andere buitenwereld leert onderscheiden. Vóór dit tijdstip, dat een belangrijk keerpunt in het menselijke leven is, ziet het kind in hoofdzaak zijn omgeving in beelden, omdat die nog samengaan met het eigen innerlijke leven, in beelden die dikwijls symbolisch zijn. Het denkt over zijn omgeving op een symbolische manier. Naderhand begint een andere fase. Het kind maakt onderscheid tussen zichzelf en de natuur en de uiterlijke omgeving.
Het is buitengewoon belangrijk dit de opvoeder dit punt in het leven dat voor het ene kind wat later, voor het andere wat vroeger ligt, op de juiste manier kan beoordelen.

Denn wie der Lehrer und Erzieher sich zwischen dem neunten und zehnten Jahr in der richtigen Weise verhält – väterlich, freundlich, liebevoll das Kind über diesen Rubikon führend -, das bedeutet einen Ein­schlag in das menschliche Leben, der für das ganze folgende Dasein bis zum physischen Tode hin bleibend ist. Ob ein Mensch in den entscheidenden Augenblicken Lebensfrische haben kann, ob er in­nere Seelenöde durch das Leben trägt, das hängt in vieler Beziehung allerdings nicht in jeder – davon ab, wie sich der Lehrer und Er­zieher zwischen dem neunten und zehnten und einem halben Jahr zu dem Kinde verhalten hat. Da handelt es sich manchmal darum, daß man im rechten Augenblick einfach das rechte Wort findet, wenn einem vielleicht ein Junge oder ein Mädchen auf dem Korri­dor begegnet und etwas fragt, daß man die rechte Miene macht, in­dem man antwortet. Erziehungskunst ist nicht etwas, was sich ab­strakt lernen oder lehren läßt – so wenig wie Malen oder Bildhauern oder irgendeine andere Kunst, sondern sie ist etwas, was auf unend­lichen Einzelheiten beruht, die aus seelischem Takt hervorgehen.

Wantde manier waarop de leerkracht en opvoeder zich tussen het negende en tiende jaar opstelt, op de juiste manier – vaderlijk, vriendelijk, liefdevol het kind over deze rubicon leidend – betekent een inslag in het menselijk leven die voor het hele volgende bestaan tot de fysieke dood blijvend is. Of een mens op de beslissende ogenblikken over levenselan beschikken kan of dat hij een innerlijke gevoelsleegte door het leven meedraagt, hangt in vele opzichten – natuurlijk niet in allemaal – af van hoe de leraar en opvoeder tussen het negende en tien en een half jaar zich naar het kind opgesteld heeft. Vaak gaat het erom dat je op het juiste ogenblik simpelweg het juiste woord vindt, wanneer je wellicht een jongen of meisje op de gang tegenkomt, dat iets vraagt en dat je dan de juiste uitdrukking in je gezicht hebt, wanneer je antwoord geeft. Opvoedkunst is niet iets wat zich abstract laat leren of aanleren – net zo min als schilderen of beeldhouwen of een andere kunst, maar het is iets wat op oneindig veel kleinigheden berust die uit een tactisch gevoel komen.

Blz. 57

Dieser seelische Takt wird aber gerade aus der anthroposophischen Geisteswissenschaft heraus gewonnen.
Nun ergibt sich auch, wie man unterscheiden muß zwischen dem, was man an das Kind heranzubringen hat vor diesem wichti­gen Lebenspunkte zwischen dem neunten und zehnten und einem halben Jahr und nachher. Da muß man vor allen Dingen beachten, daß wir in unserer jetzigen, vorgerückten Zivilisation etwas haben, was äußerlich, abstrakt und zeichenhaft geworden st. Gehen Sie zurück in alte Zivilisationen, nehmen Sie irgendwelche Bilderschrif­ten, da wurde dasjenige fixiert, was der Sinn noch faßte. Das wurde zum Bilde gemacht, mit dem der Mensch zusammenhing, womit der Mensch durch Empfindung und Gefühl lebte. Heute iSt das alles zum Zeichen geworden. Wir dürfen nicht wie etwas Frem­des das Lesen und Schreiben an das Kind heranbringen, weil es mit seiner Umgebung vor dem neunten Jahr verwachsen will; wir dür­fen es nicht aus jenem Abstrakten heraus lehren, wie das heute geschieht. In der Waldorfschule beginnen wir den Unterricht durchaus künstlerisch, indem wir das Kind Formen zuerst zeich­nen, sogar farbig zeichnen, malen lassen, die sich aus dem vollen Menschentum heraus ergeben.

Deze gevoelsmatige tact krijg jr nu echter juist door de antroposofische geesteswetenschap.
Nu wordt ook duidelijk hoe je verschil moet maken tussen wat je het kind meegeven moet vóór het belangrijke punt in het leven tussen het negende en tien en een half jaar en daarna. Dan moet je vooral in de gaten hebben dat wij in onze beschaving zoals die nu geworden is iets hebben, wat uiterlijk, abstract geworden is en voor iets stáát. Ga eens terug naar oude beschavingen, neem eens een of ander beeldenschrift; daarin werd vastgelegd wat nog gezien werd. Daarvan werd een beeld gemaakt, dat met de mens samenhing, waar de mens door zijn ervaring en gevoel mee leefde. Dat is tegenwoordig allemaal tot een teken geworden. We mogen het lezen en het schrijven niet aan het kind aanleren als iets vreemds, omdat het vóór het negende jaar met zijn omgeving een wil zijn; we mogen het niet vanuit die abstractie aanleren zoals dat tegenwoordig gebeurt. Op de vrijeschool beginnen we het onderwijs vooral kunstzinnig, door de kinderen eerst vormen te laten tekenen, zelfs met kleur, die uit het rijke menszijn komen.

Wir lassen das Kind zunächst dies machen, und dann, wenn wir das Kind weiterführen in dieser zeich­nerisch-malerischen Weise, entwickeln wir aus diesem Zeichnen die Buchstabenformen, das Schreiben. Aus dem Künstlerischen gehen wir vor, aus dem Künstlerischen holen wir zuerst das Schreiben, dann das Lesen heraus. Dadurch entsprechen wir wirklich dem, was im Kind liegt.Nicht darum handelt es sich, daß man irgendwie abstrakt in der Pädagogik sagt, man solle nur dasjenige herausholen, was im Kind ist – man muß wissen, wie man das praktisch anfangen soll, daß man wirklich die Menschennatur trifft. Anthroposophische Geisteswis­senschaft ist nirgends Theorie, sondern überall wirkliche Praxis. Das ist es, was sie befähigt, eine solche Erziehungskunst aus­zubilden.
Was ich erwähnt habe über die Autorität, das kann uns noch mit etwas anderem bekanntmachen, was Ihnen vielleicht paradox

We laten de kinderen dit eerst doen en dan, wanneer we verdergaan met dit tekenend schilderen, ontwikkelen wij uit deze beelden de lettervormen, het schrijven. We gaan uit van het kunstzinnige, hieruit halen we eerst het schrijven, dan het lezen. Dan beantwoorden we werkelijk aan wat in het kind aanwezig ligt. Het gaat er niet om dat je op de een of andere manier abstract pedagogisch zegt dat je uit het kind moet halen wat erin zit – je moet weten hoe je daarmee in de praktijk mee moet beginnen; dat je werkelijk de natuur van de mens bereikt. Antroposofische geesteswetenschap is nergens theorie, maar overal werkelijke praktijk. Daardoor is ze in staat zo’n opvoedkunst te creëren.
Wat ik opgemerkt heb over autoriteit kan ons nog met wat anders kennis laten maken, wat voor u misschien paradoxaal overkomt.

Blz. 58

erscheinen wird. Man gibt im heutigen materialistischen Zeitalter außerordentlich viel auf den sogenannten Anschauungsunterricht. Demjenigen, der die wahre Natur des Kindes versteht, ist es etwas Schreckliches, wenn er die abstrakten Rechenmaschinen und alles das, womit das Kind heute oftmals traktiert wird, sieht. Man ver­langt heute von dem Kinde, daß es alles gleich verstehe. Man will den Unterricht so einrichten, daß nichts über das gewöhnliche acht- ­oder neunjährige Verständnis hinausgeht. Es scheint außerordent­lich wissenschaftlich zu sein. – Glauben Sie nur, meine sehr verehr­ten Anwesenden, auch ein anthroposophisch durchgebildeter Mensch kann das Begreifliche eines solchen Grundsatzes einsehen, geradeso gut wie diejenigen, die solche Grundsätze heute verteidi­gen als etwas, was selbstverständlich sein soll. Dasjenige, was aber selbstverständlich ist, das ist, daß das Kind vor allen Dingen zwi­schen dem siebenten und vierzehnten Lebensjahr in gesunder Weise das Gedächtnis und das Autoritätsgefühl in der Weise ausgebildet bekommen muß, wie ich es eben geschildert habe.
Wer nur immer Anschaulichkeit und Anschaulichkeit haben will, die angepaßt ist dem Verständnis des Kindes, der weiß folgen­des nicht:

In deze huidige materialistische tijd is men buitengewoon gecharmeerd van het aanschouwelijkheidsonderwijs. Voor iemand die de echte natuur van het kind begrijpt, is het iets verschrikkelijks wanneer hij de abstracte rekenhulpmiddelen en alles wat erbij komt, ziet, waarop het kind vandaag de dag dikwijls getrakteerd wordt. Men vraagt nu van het kind dat het alles meteen begrijpt. Men wil het onderwijs zo inrichten dat niets boven de pet gaat van acht of negen jarigen.
Het schijnt heel wetenschappelijk te zijn. Gelooft u van mij, geachte aanwezigen, ook een mens die aardig thuis is in de antroposofie kan de redelijkheid van zo’n basisprincipe inzien, net zo goed als degenen die dergelijke principes vandaag de dag verdedigen als iets wat vanzelfsprekend moet zijn.
Maar wat het meest begrijpelijke is, dat een kind met name tussen het zevende en het veertiende jaar op een gezonde manier het geheugen en het gevoel voor autoriteit moet ontwikkelen, zoals ik daarnet heb geschetst.
Wie echter steeds aanschouwelijkheid na aanschouwelijkheid wil hebben, die aan het verstandsvermogen van het kind aangepast is, weet het volgende niet:

Der weiß nicht, was es für das ganze Leben bedeutet, wenn man, sagen wir im achten oder neunten Jahr oder im zehnten bis fünfzehnten Jahr etwas auf die Autorität des Lehrers hin aufge­nommen hat; weil es die verehrte autoritative Persönlichkeit einem sagt, hält man es für wahr. Es liegt noch über dem Horizont, man nimmt es aber in die Seele auf. Vielleicht erst im fünfund­dreißigsten, vierzigsten Jahr holt man es wieder hervor. Was man gedächtnismäßig schon gehabt hat, durch die reifer gewordene Kraft versteht man es jetzt. Dieses Bewußtsein des Reifergeworden­seins, dieses Bewußtsein, etwas heraufholen zu können, das er­frischt und erquickt die seelische Kraft in einer Weise, wie man es im gewöhnlichen Leben nicht würdigt, während es die Seele ver­odet, wenn man alles zuschneiden will auf das Verständnis des Kin­des im achten, neunten, zwölften Jahr. – Das ist etwas, was man heute sagen muß, weil die Menschen aus ihrer materalistischen Gescheitheit heraus überhaupt gar nicht mehr in der Lage sind, das

Die weet niet wat het voor het hele leven betekent, wanneer je, laten we zeggen, op je achtste, negende of op je tiende tot je vijftiende jaar iets op gezag van je leraar aangenomen hebt; omdat de geëerde autoriteit dat tegen je heeft gezegd, neem je dat voor waar aan. Het staat nog ver van je af, maar je neemt het toch in je gevoel op. Misschien pas op je vijfendertigste, vierendertigste komt het weer in je boven. Wat je al als herinnering hebt, begrijp je nu door een rijper geworden vermogen. Het bewustzijn van het rijper geworden zijn, dit bewustzijn iets op te kunnen halen, verfrist en verkwikt de kracht van de ziel op een manier die in het dagelijks leven niet naar waarde wordt geschat en de ziel verdroogt wanneer je alles wil toespitsen op het verstand van het kind dat hij op zijn achtste, negende, twaalfde heeft. Dat is iets wat tegenwoordig gezegd moet worden, omdat de mensen vanuit materialistische geleerdheid vanzelfsprekend helemaal niet meer in staat zijn om

Blz. 59

Naturgemäße, das Richtige, Wesentliche auf solchem Gebiete zu sehen.
Und aus den Untergründen der menschlichen Natur, aus dem, was sich bilden, was sich von Woche zu Woche, von Jahr zu Jahr entwickeln will, wird der Lehrplan einer solchen Schule gewonnen, wie es die Waldorfschule ist. Dieser Lehrplan ergibt sich ganz aus der Erkenntnis der Wesenheit des Menschen. Er ist kein abstrakter Lehrplan, sondern er ist etwas, was der Pädagogik dieser Schule zugrunde liegt wie das Malenkönnen dem Maler, das Bildhauen demjenigen, der als Plastiker tätig sein will.
Sehen Sie, hier habe ich Ihnen aus dem Erziehungs- und Un­terrichtsgebiet geschildert, wie anthroposophisch orientierte Gei­steswissenschaft in die Lebenspraxis eingeht. Aber überlegen Sie sich einmal, wie das Geistesleben beschaffen sein muß, wenn solche Erziehungs- und Unterrichtspraxis wirklich Platz greifen soll! -Wir sind heute gewöhnt, dieses Geistesleben nur als einen Anhang des Staates, als einen Anhang vielleicht des Wirtschaftslebens zu sehen. Wir sind heute gewöhnt, den wichtigsten Teil des Geistesle­bens, eben gerade das Unterrichts- und Erziehungswesen, von Staats wegen uns vorschreiben zu lassen

het natuurlijke, het juiste, wezenlijke op dat gebied te zien.
En vanuit de diepere lagen van de menselijke natuur, uit wat zich wil vormen van week tot week, van jaar tot jaar, wordt het leerplan van zo’n school gehaald, zoals de vrijeschool. Dit leerplan is helemaal het gevolg van de kennis over het wezen van de mens. Het is geen abstract leerplan, maar het is iets wat de pedagogie van deze school als basis heeft, zoals het kunnen schilderen dat is voor de schilder en het beeldhouwen voor de beeldhouwer.
U ziet dat ik hier iets geschetst heb uit het gebied van onderwijs en opvoeding, hoe antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap levenspraktijk wordt. Maar denk je eens in hoe het geestesleven moet zijn, wil een dergelijke opvoedings- en onderwijspraktijk daadwerkelijk plaats vinden!
We zijn er nu aan gewend dat dit geestesleven alleen maar als aanhangsel van de staat, misschien wel van het economisch leven te beschouwen. Wij zijn er nu aan gewend om het belangrijkste deel van het geestesleven, juist dus onderwijs en opvoeding ons van staatswege te laten voorschrijven

Was anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft nun aus einer wirklich eindringenden Erkenntnis der Unterrichts- und Erziehungsmethoden, die von wahrer Menschenerkenntnis ausgehen, für die moderne Zivilisation geltend machen muß, das ist, daß das Geistesleben, das Unterrichts-und Erziehungswesen in seine eigene freie Verwaltung gestellt wer­den muß. Ich möchte mich ganz konkret aussprechen: Nicht nur Lehren und Erziehen sollen die Lehrer und Erzieher, sondern sie sollen auch die gesamte Verwaltung des Unterrichtens und Erzie­hens frei und unabhängig von Staat und Wirtschaftsleben in der Hand haben. Von der untersten Volksschule an bis hinauf zu den höchsten Lehranstalten soll jeder Lehrer und Erzieher so viel mit Unterrichten beschäftigt sein, daß ihm noch soviel Zeit übrig bleibt, um auch Verwalter des Unterrichts- und Erziehungswesens zu sein. Und nur diejenigen, die noch lebendig im Unterricht und in der Er­ziehung drinnenstehen, die wirklichen Lehrer und Erzieher auf irgendeinem

Wat antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap nu door een echt kennen van de onderwijs- en opvoedingsmethoden die uitgaan van een echte menskunde, voor de moderne maatschappij waar moet maken is, dat het geestesleven, het onderwijs en de opvoeding op zichzelf moeten staan om zich te verwezenlijken. Ik wil het heel concreet stellen: niet alleen moeten de leraren en de opvoeders onderwijzen en opvoeden, maar ze moeten ook de totale realisering van het onderwijs en de opvoeding vrij en onafhankelijk van de staat en de economie beheren. Vanaf de laagste basisschoolklas tot aan de hoogste vorm van onderwijs moet iedere leerkracht en opvoeder zoveel met lesgeven bezig zijn dat er nog genoeg tijd overblijft om ook bestuurder te zijn op het gebied van onderwijs en opvoeding. En alleen zij die nog actief zijn binnen onderwijs en opvoeding die op een of ander gebied daadwerkelijk leraar en opvoeder zijn,

Blz. 60

Gebiete, nicht die, die Staatsbeamte geworden sind und aus dem Erziehungswesen heraus sind, sollen auch die Verwalter des Erziehungswesens sein. Nichts soll hineinsprechen in das Un­terrichts- und Erziehungswesen als allein das, was auch in Erkennt­nis und Kunst und religiöse Weltauffassung hineinspricht. Die Menschen wollen nicht anerkennen, daß das, was für eine Epoche der geschichtlichen Entwicklung notwendig war, vielleicht auch außerordentlich gut war, nicht für jede Epoche der Geschichte gilt. Als die neuere Zeit heraufkam mit ihrem zentralistisch ein­gerichteten Staat, da war es eine gute, eine selbstverständliche Sache, daß den alten konfessionellen Verwaltungen die Schulen abgenom­men worden sind. Das war damals eine Wohltat für die Mensch­heitsentwicklung. Jetzt aber sind wir an einem Punkt in der Menschheitsentwicklung angekommen, wo das ferner nicht so bleiben kann; wo das, was der Staat Gutes für das Schulwesen lei­sten konnte, erschöpft ist und wo das freie Geistesleben, dasjenige Geistesleben, das aus wirklichen geistigen Quellen herausschöpft, die selbständige Verwaltung des Schulwesens will.

niet degene die ambtenaar van het rijk is geworden en niet in het onderwijs staat, moeten ook de bestuurders zijn op het terrein van de opvoeding. Niets moet op het gebied van onderwijs en opvoeding invloed uitoefenen dan alleen wat dat ook doet het op het gebied van wetenschap, kunst en religie. De mensen willen niet inzien dat hetgeen voor een bepaalde periode in de geschiedkundige ontwikkeling nodig was, misschien ook buitengewoon goed, niet voor iedere periode in de geschiedenis geldt. Toen de nieuwe tijd begon met de centraal ingerichte staat was het een goede, een vanzelfsprekende zaak dat de oude confessionele besturen bij de scholen weggehaald zijn. Dat was toen een weldaad voor de ontwikkeling van de mensheid. Maar nu staan we op een punt waarop de mensheidsontwikkeling is gekomen, waarbij dat verder niet zo kan blijven; waarop wat de staat voor goeds kan doen voor het schoolwezen, klaar is en waarop het vrije geestesleven, dat geestesleven dat uit echte geestelijke bron stamt een zelfstandig besturen van het schoolwezen wil.

Hier berührt sich die Schulfrage, die Erziehungsfrage, unmittel­bar mit der großen sozialen Frage, mit alledem, was gerade das Wesentliche der sozialen Frage ist. Sehen Sie, bezüglich der sozialen Frage meinen viele, daß das Wesentliche auf äußeren Einrichtungen beruht, daß man nur diese äußeren Einrichtungen anzusehen hat, um die soziale Frage zu erkennen, daß man an diesen äußeren Ein­richtungen zu arbeiten habe, um für die soziale Frage etwas zu tun.- Wer das Leben wirklich kennengelernt hat, kann so nicht denken. Ich habe das proletarische Denken kennengelernt. Ich hatte dazu nicht nur in meiner eigenen Jugendzeit Gelegenheit, sondern auch dadurch, daß ich durch viele Jahre hindurch an einer Ar­beiterbildungsschule* als Lehrer der verschiedensten Fächer tätig war und gesehen habe, was eigentlich in den breitesten Schichten des Proletariats lebt, das sich im Grunde genommen nur durch die moderne Technik als Klasse, als Stand herausgebildet hat.
Da sind es nicht die äußeren Einrichtungen, nicht einmal die Brotfragen, aus der die eigentliche soziale Frage quillt; da ist es die

*Von Januar 1899 bis Dezember 1904 lehrte Ru­dolf Steiner an der von Wilhelm Liebknecht begründeten Arbeiterbildungsschule in Berlin, ab 1902 auch in Spandaue Siehe Rudolf Steiner, »Mein Lebensganger, Kape XXVIII, GA 28, sowie die ausführliche Dokumentation «Rudolf Steiner als Lehrer an der Arbeiterbildungsechule in Berlin und Spandau 1899-1904» in der Schriftenreihe «Beiträge zur Rudolf Steiner Gesamtausgabe», Heft 111/1993

Hier raakt de schoolvraag, de opvoedingsvraag direct de grote sociale vraag, het wezenlijke van de sociale vraag. Wat de sociale vraag betreft denken velen dat het wezenlijke ligt in hoe het uiterlijk georganiseerd is; dat je alleen daarnaar moet kijken om de sociale vraag te onderkennen, en dat je aan die uiterlijke organisatie moet werken om ter wille van de sociale vraag iets te doen. Wie het leven echt heeft leren kennen, kan zo niet denken. Ik het het proletarische denken leren kennen. Daarvoor had ik niet alleen gelegenheid in mijn jonge jaren, maar ook omdat ik vele jaren aan een vormingsschool voor arbeiders* als leraar werkte in allerlei vakken en ik heb gezien wat er in feite leeft in de breedste lagen van het proletariaat, dat zich in de aard van de zaak alleen door de moderne techniek als klasse, als stand zich heeft gevormd.
Daar gaat het niet om de uiterlijke organisatie, niet eens om de broodvraag waar de eigenlijke sociale vraag vandaan komt; het gaat 

*Van januari 1899 tot december 1904 gaf Rudolf Steiner les aan de arbeidervormingsschool die door Wilhelm Liebknecht in Berlijn opgericht was; Von Januar 1899 bis Dezember 1904 lehrte Ru­dolf Steiner an der von Wilhelm Liebknecht begründeten Arbeiterbildungsschule in Berlin; vanaf 1902 ook in Spandaue. Zie Rudolf Steiner ‘Mijn levensweg” hoofdstuk 28, GA 28, alsook de uitvoerige documentatie 1902 «Rudolf Steiner als Lehrer an der Arbeiterbildungsechule in Berlin und Spandau 1899-1904» in de serie«Beiträge zur Rudolf Steiner Gesamtausgabe», Heft 111/1993

Blz. 61

Seelenverfassung, die damit zusammenhängt, daß jene Art des Gei­steslebens, die bei den führenden Schichten in den letzten drei bis vier Jahrhunderten sich ausgebildet hat, wie eine Art Religion auf die breiten Massen des Proletariats übergegangen ist. Ich habe diese Weltanschauung aus den materialistischen Grundlagen hervorgehen sehen bei ernst zu nehmenden Menschen, bei tief angelegten Seelen, die in der Bourgeoisie drinnen waren, die zu den führenden Klassen gehörten, und ich habe dabei folgendes erfahren: Solche tiefer angelegten Seelen, sie sagten sich: Man nehme die äußere natur­wissenschaftliche Weltanschauung ernst; man sehe hin, wie sie zeigt, wie die Erde aus irgendwelchen Nebelzuständen durch rein natürliche Notwendigkeiten bis zu ihrem jetzigen Stadium sich ent­wickelt hat und wie sich die verschiedenen Lebewesen stufenweise mitentwickelt haben bis hinauf zum Menschen. Und es wird wie­derum eine Zeit kommen, wo für die Erde entweder die Vereisung oder der Wärmetod eintritt – man mag es so oder so sich vorstellen-, dann aber wird der große Kirchhof da sein. Was wird dann ge­worden sein aus dem, was der Mensch doch als das Edelste der Menschennatur sehen muß, was in seinem Innern aufgeht als sitt­liche Ideale, als religiöse Impulse, als Kunst, als Wissenschaft?

om het gevoel en dat hangt samen met die vorm van het geestesleven die bij de leidende sociale lagen van laatste drie, vier eeuwen tot ontwikkeling is gekomen, en dat als een soort godsdienst overgegaan is naar de brede massa van het proletariaat. Ik heb deze wereldbeschouwing vanuit het materialisme tevoorschijn zien komen bij mensen die je serieus moet nemen, bij diep voelende zielen die onder de bourgeoisie leefden, die tot de leidinggevende klasse behoorden; en daarbij heb ik het volgende ervaren: dergelijke diep voelende zielen zeiden: je moet de uiterlijke natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing serieus nemen; kijk naar hoe die aantoont dat de aarde uit een of andere neveltoestand door puur natuurlijke noodzaak tot in het huidige stadium zich ontwikkeld heeft en hoe de verschillende leefvormen trapsgewijs mee
geëvolueerd zijn tot aan de mens toe. En er zal weer een tijd komen waarbij de aarde verijst of waarbij de warmtedood intreedt – dat kan je je wel enigszins zo voorstellen – dan hebben we het grote kerkhof. Maar wat is er dan geworden van wat de mens toch als het edelste van de menselijke natuur moet zien, wat in zijn innerlijk ontstaat als morele idealen, als religieuze impulsen, als kunst, als wetenschap?

Menschen habe ich kennengelernt, die diese Frage sich ernsthaft vorlegten, während der größte Teil der modernen Menschen gedan­kenlos diese zwei Welten nebeneinandersetzt, die Welt der äußeren Naturnotwendigkeit und die Welt des eigentlich Menschlich-Wert­vollen, der sittlichen Ideale, der religiösen Überzeugungen, der Er­kenntnis, der künstlerischen Hervorbringung. Da sagen  sich dann ernste Seelen: Ja, der Mensch wird dasjenige gewahr, was aus der Seele hervorquillt; das ist aber eine Illusion, das ist wie Rauch, der aus der materiellen Grundlage aufsteigt. Aber es wird einmal der große Kirchhof da sein, und verschwunden und verklungen wird sein, was wir die großen Ideale nennen. – Ich habe die Tragik und den Pessimismus kennengelernt, zu dem tief veranlagte Menschen gekommen sind. Aber ich habe es auch miterlebt, wie diese Weltan­schauung dann in die proletarische Seele eingedrungen ist und wie einem da mit ungeheurer Wirkungskraft ein Wort entgegentrat, das

Ik heb mensen leren kennen die serieus met deze vraag bezig waren, terwijl het grootste deel van de moderne mens deze twee werelden, de wereld van de uiterlijke natuurnoodzaak en de wereld van het eigenlijk menselijk-waardevolle, de morele idealen, de religieuze overtuigingen, de kennis, de kunstzinnige scheppingen. Ernstige zielen zeggen dan: ja, de mens wordt gewaar wat uit de ziel opborrelt; maar dat is een illusie, dat is rook dat uit de materiële bodem opstijgt. Maar ooit zal het grote kerkhof er zijn en dan zijn wat wij de grote idealen noemen verdwenen, verstomd.
Ik heb de tragiek en het pessimisme leren kennen,dat over de diep voelende mensen is gekomen. Maar ik heb ook meegemaakt, hoe deze wereldbeschouwing dan de proletarische ziel binnengedrongen is en hoe iemand met een ongekende werking met een woord te maken kreeg dat veel betekenissen heeft.

Blz. 62

aber vieles bezeichnet. Versteht man es, wie es in der proletarischen Seele lebt, dann weiß man viel über die Untergründe der gegenwärtigen Zivilisation und ihre sozialen Fragen. Da lebt in den Proletarierseelen das Wort «Ideologie». Was diese Proletarierseelen als Geistesleben kennen, als Sitte, Recht, Wissenschaft, Kunst und Religion, das nennen sie einen Überbau über den Produk­tionsprozessen, die ihnen das geschichtlich allein Reale sind. Das ist die Erbschaft derjenigen Weltanschauung, die ich eben als tragische geschildert habe und die die Proletarierseelen, die Millionen von Seelen verödet.
Man mag heute als ein Idealist erscheinen, wenn man die eigent­liche proletarische Frage in dem sucht, was das furchtbare Wort Ideologie ausdrückt. Aber diese Idealisten, sie werden recht haben. Und diejenigen, welche in großen Mengen Menschenweisheit und Lebensroutine gepachtet zu haben glauben, die werden sehen, daß über sie die Geschichte hinschreiten wird. – Diese «Ideologie» bedeutet, daß die Seelen dieser Menschenmassen verödet bleiben, keinen Zusammenhang haben mit dem lebendigen Geiste – wie ja die führenden Klassen auch nicht, die an die Proletarier diese Wissenschaft herankommen lassen.

Als je begrijpt hoe dat in de proletarische ziel leeft, dan weet je veel over de achtergronden van de tegenwoordige beschaving en de sociale vragen ervan. In de proletarische ziel leeft het woord ‘ideologie’. Wat deze proletariërzielen als geestesleven kennen, als moraal, recht, wetenschap, kunst en religie, dat noemen ze een bovenbouw boven op de productieprocessen die voor hen historisch gegroeid, alleen de realiteit zijn. Dat is de erfenis van de wereldbeschouwing die ik net als tragiek heb geschetst en die de proletariërzielen, die miljoenen zielen doet verkommeren. Vandaag de dag heb je wel iets van een idealist, wanneer je die eigenlijke proletarische vraag zoekt in wat dat vreselijke woord ‘ideologie’ uitdrukt. Maar deze idealisten zullen gelijk krijgen. En degene die denken een grote hoeveelheid wijsheid en levenservaring in pacht te hebben, zullen zien dat de geschiedenis over hen heen zal lopen. Deze ‘ideologie’ betekent dat de zielen van deze mensenmassa’s dor blijven, geen samengaan vertonen met de levende geest – wat de leidende klassen ook niet hebben die de proletariërs met deze wetenschap in aanraking brengen. 

Und da darf ich etwas sagen, was Ihnen im wesentlichen die Aufgabe und die Mission von Dornach, des Goetheanum in Dornach im heutigen Zivilisationszeitalter vor Augen stellen soll. Man­che sehen heute ein: In die breiten Massen muß Aufklärung, muß Wissenschaft hineingebracht werden. Man gründet Volksbibliothe­ken, Volkshochschulen und alles mögliche, um die Wissenschaft, die an unseren Hochschulen ist, an unseren Mittelschulen ist, ins Volk zu bringen. Dornach kann das nicht mitmachen. Dornach will das machen, was in der Veranstaltung jenes Herbstkurses* lag, den wir im Herbste 1920 veranstaltet haben und den wir in kleinerem Maßstabe, entsprechend unseren bescheidenen Verhältnissen, zu Ostern wiederholen werden. Da handelte es sich darum, daß von Geisteswissenschaft aus die einzelnen Wissenschaften befruchtet werden sollen. Dreißig Dozenten aus allen Zweigen der Wissen­schaft, auch Industrielle, Kommerzielle und Künstler, trugen in diesem

*wie unsere Herbstkurse waren, wie unsere Osterkurse sein werden: Siehe die im Herbst 1920 gehaltenen Vortragsreihen »Grenzen der Naturerkenntnis und ihre Überwindung», GA 322, und «Physiologisch-Therapeutisches auf Grundlage der Geisteswissenschaft», GA 314, und die im Frühjahr 1921 gehaltenen Kurse «Die befruchtende Wirkung der Anthroposophie auf die Fachwissenschaften«, GA 76, sowie «Geisteswissenschaftliche Gesichtspunkte zur Therapie«, GA 313.

En nu mag ik u iets zeggen waaraan u kan zien wat de kern is van de opgave en de missie van Dornach, van het Goetheanum in Dornach in de huidige tijd. Sommigen zien het nu in: onder de grote massa moet verlichting, moet wetenschap verspreid worden. Er worden volksbibliotheken geopend, volkshogescholen en al het mogelijke meer om de wetenschap van de universiteit, van het middelbaar onderwijs onder het volk te brengen. Daar kan Dornach niet aan meedoen. Dornach wil het zo doen als met de bijeenkomst die we in de herfst* van 1920 georganiseerd hebben en die we op kleinere schaal, passend bij onze bescheiden omstandigheden met Pasen zullen herhalen. Het ging er toen om dat vanuit de geesteswetenschap de aparte wetenschappen geïnspireerd moeten worden. Dertig docenten uit alle wetenschapsdisciplines, ook industriëlen, mensen uit de handel en kunstenaars kwamen op

*zie GA 322 Voorbij de grenzen van de natuurwetenschap; GA 314 Spirituele grondslagen voor de gezondheidszorg; GA 76 niet vertaald; GA 313 niet vertaald

Blz. 63

Herbstkurse vor, um zu zeigen, wie alle Zweige der Wissen­schaft, der Kunst und des Lebens von dieser Geisteswissenschaft befruchtet werden können. Da handelt es sich darum, daß die Wissenschaft erneuert werde. Da handelt es sich darum, daß in die Wissenschaften Geistiges hereingebracht werde, daß Geist her­eingebracht werde, der nicht einer Kopfkultur entspringt, sondern der aus dem vollen Menschentum herauskommt. Das also bezweckt das Goetheanum in Dornach, daß in die Hochschulen ein neuer Geist hereingetragen werde, dann erst wird er volkstümlich werden können. – Man will den Geist unserer Hochschule in das Volk hineintragen – kann man nicht an der modernen Zivilisation sehen, was dieser Geist genützt hat bei den­jenigen, die ihn haben? Dieser Geist muß erneuert werden. Nicht muß von diesen Schulen herausgetragen werden die Volksbildung, sondern erst muß in die Schulen hineingetragen werden eine geist-getragene Bildung. – Das ist es, wodurch sich Dornach unterschei­det von allem anderen, was heute in dieser Richtung geschehen soll.

de herfstbijeenkomst aan het woord om te laten zien hoe ze in alle takken van wetenschap, kunst en in het leven door deze geesteswetenschap geïnspireerd kunnen worden. Het gaat erom dat de wetenschap vernieuwd wordt. Het gaat erom dat de wetenschap vergeestelijkt wordt, niet vanuit de cultuur van het hoofd, maar vanuit de totale mens.
Het Goetheanum stelt zich tot doel dat in de universiteiten een nieuwe geest ingang vindt Men wil de geest van onze universiteiten onder het volk brengen – maar kan je aan de moderne beschaving zien wat het nut van deze geest is bij degenen die daaruit leven? Deze geest moet vernieuwd worden. Vanuit deze scholen moet geen ontwikkeling van het volk uitgaan, maar eerst moet er op die scholen vorming ontstaan die door de geest wordt gedragen. Daarin onderscheidt Dornach zich van al het andere wat tegenwoordig in die richting moet gebeuren.

Denn auf diesem Gebiet steht man durchaus auf dem Standpunkt, daß man sich zwar vormacht, man sei sehr frei gesinnt, daß man sich aber gerade gegenüber der landläufigen Wissenschaft einem furchtbaren Autoritätsglauben hingibt. Das sage ich wahrhaftig nicht aus Geringschätzung moderner wissenschaftlicher Denkwei­se, sondern aus einer jahrzehntelangen Beschäftigung mit allen Zweigen dieses Denkens. Wir haben es nötig, auf die Befreiung des Geisteslebens und damit die Befreiung des Schul- und Erziehungs­wesens hinzuwirken, wie einstmals der Staat in die Notwendigkeit versetzt war, Unterricht und Erziehung in sich aufzunehmen und sie den alten Konfessionen zu entreißen.
Ich weiß, was sich dagegen einwenden läßt, das freie Geistes­leben als erstes Glied des dreigegliederten sozialen Organismus aus­zubilden. Aber wenn die Leute kommen und ihre Angst äußern, die Menschen würden dann wohl ihre Kinder nicht in diese freien Schulen schicken, so heißt das doch, die Sache falsch ansehen. Nicht darum handelt es sich, ob die Leute freiwillig ihre Kinder zur Schu­le schicken oder nicht, sondern darum, daß ein freies Unterrichts- und Erziehungssystem

Op dit gebied huldigt men duidelijk het standpunt dat men zich weliswaar voorhoudt dat men zich zeer vrij opstelt, maar juist wat de alledaagse wetenschap betreft is men vreselijk autoriteitsgevoelig. Dat zeg ik echt niet uit een soort minachting voor de moderne manier van wetenschappelijk denken, maar vanuit het feit dat ik me al tientallen jaren bezig houd met alle takken van deze manier van denken. Het is nodig dat we ernaar toe werken dat het geestesleven vrij wordt en daarmee het onderwijs, zoals het eens voor de staat nodig was zich te ontfermen over onderwijs en opvoeding en die los te scheuren van de oude godsdiensten.
Ik weet wat daartegen in te brengen is als we het vrije geestesleven als eerste deel van het driegelede sociale organisme vorm gaan geven. Maar als de mensen komen en blijk geven van hun angst en hun kinderen niet naar school sturen als het onderwijs vrij is, dan betekent dit toch dat je hier verkeerd naar kijkt. Het gaat er niet om dat de mensen hun kinderen vrijwillig naar school sturen of niet, maar dat de mensen nu een vrij systeem van onderwijs en opvoeding

Blz. 64

der Menschheit heute eine Notwendigkeit ist und daß man dann dafür zu sorgen hat, daß trotzdem die Kinder in die Schulen hineingehen. Nicht ein Einwand gegen das freie Gei­stesleben kann dies sein, sondern es muß sich lediglich ein Nach­denken darüber ergeben, wie man trotz eines freien Geisteslebens die Kinder nachlässiger Eltern, gewissenloser Eltern in die Schule hineinbringt. Das ist das erste Glied des von der anthroposo­phischen Weltanschauung auch als richtige Bewegung hin zu Lösungsmöglichkeiten der sozialen Fragen aufgestellten Impulses der Dreigliederung des sozialen Organismus: das freie Geistesleben, das von den Geistig-Wirkenden allein verwaltet wird.
Man kann logisch leichtgeschürzte Begriffe finden, die allerlei beibringen, um diese notwendige Freiheit des Geisteslebens zu ver­teidigen, wie auch um sie anzugreifen, sie abzukanzeln. Darum han­delt es sich aber nicht. Denn Anthroposophie geht überall von der Lebenspraxis und der Lebensbeobachtung aus. Derjenige, der weiß, was der Menschheit eine wirkliche Geisteswissenschaft wieder be­deuten wird, der weiß auch, wie notwendig die Befreiung des Gei­steslebens ist. 

als een noodzaak zien en dat je ervoor moet zorgen en dat de kinderen toch naar school gaan. Dat kan geen bezwaar zijn tegen het vrije geestesleven, alleen, er moet wel nagedacht worden over hoe men ondanks een vrij geestesleven de kinderen van nalatige ouders, onverantwoordelijke ouders op school krijgt. Het vrije geestesleven dat alleen door de werkers vanuit de geest gerealiseerd wordt, is het eerste onderdeel van de driegeleding van het sociale organisme dat door de antroposofische wereldbeschouwing als juiste beweging met impulsen komt om oplossingen van sociale vraagstukken mogelijk te maken.
Je kan logisch weinig om het lijf hebbende begrippen vinden die van alles naar voren brengen om deze noodzakelijke vrijheid van het geestesleven te verdedigen, evenals ze aan te vallen en te verketteren. Maar daar gaat het niet om. Want antroposofie gaat overal uit van de praktijk van het leven en van het waarnemen van het leven. Degene die weet wat voor de mensheid een echte geesteswetenschap weer zal betekenen, weet ook, hoe nodig het is het geestesleven vrij te maken.

Man spricht von Ideologie, weil das Geistesleben in Abstraktionen besteht, weil man keinen Begriff davon hat, daß eine Vorstellung, dasjenige, was in der Seele lebt, etwas anderes ist als das Abbild von irgend etwas, weil man nicht mehr weiß, daß die alten Religionen dem Menschen gegeben haben, daß lebendiger Geist in jedem Menschen lebt, der Mensch mit seinem Ewigen dem lebendigen Geiste angehört und nicht nur in seiner Seele wesenlose abstrakte Bilder leben. Lebendige Geisteswelt, die uns innerlich er­füllt, uns mit dem Ewigen verbindet, ist keine Ideologie. In diesem Aufkommen der Ideologie liegt dasjenige, was zu den Katastrophen unseres Zeitalters geführt hat. Aber ein Schul- und Erziehungswe­sen, welches wiederum lebendigen Geist in die Menschheit hinein­bringen will, das muß ein so freies Schulwesen sein, wie ich es ge­schildert habe. Dieses freie Schulwesen erscheint mir als etwas, was im eminentesten Sinne als eine Notwendigkeit von der modernen Menschheit – sofern es diese ehrlich meint mit Menschenheil und Menschenfortschritt – aufgefaßt werden muß.

Men spreekt van ideologie, omdat het geestesleven uit abstracties bestaat, omdat men er geen notie van heeft dat een voorstelling, dat wat in de ziel leeft, iets anders is dan het beeld van iets, omdat men niet meer weet dat de oude godsdiensten de mensen hebben gegeven dat in ieder mens een levende geest woont, dat de mens met zijn eeuwigheidskern bij de levende geest hoort en dat er in zijn ziel niet alleen maar wezenloos abstracte beelden zitten.
Een levende geestelijke wereld die ons innerlijk vervult, ons met het eeuwige verbindt, is geen ideologie. In het opkomen van de ideologie ligt de oorzaak die tot de rampen van onze tijd hebben geleid. Maar een onderwijs- en opvoedingswezen dat weer de levende geest in de mensheid wil brengen dat moet een schoolwezen zijn dat zo vrij is, als ik heb geschetst. Dit vrijeschoolwezen is in mijn ogen voor de moderne mens buitengewoon noodzakelijk – voor zover deze het eerlijk met de mensheid en met de vooruitgang voor heeft.

Blz. 65

Daher betrachte ich es – ich sage das, ohne agitieren zu wollen -als unbedingt notwendig, um viele Niedergangskräfte, die in unse­rer modernen Zivilisation sind, durch Aufgangskräfte zu beseitigen, daß auf internationaler, breitester Grundlage etwas entstehe wie dasjenige, was ich nennen möchte einen Weltschulverein. Dieser Weltschulverein* müßte alle Nationen und die weitesten Kreise von Menschen umfassen. Diese Menschen müßten sich bewußt sein, daß ein freies Geistesleben zu schaffen ist. Es nützt gar nichts, wenn die Menschen finden, daß unsere Waldorfschule in Stuttgart etwas Praktisches ist, das man für ein paar Stunden oder für ein paar Wochen ansehen muß. So etwas, was aus einem ganzen geistigen Leben hervorgeht, ansehen zu wollen, heißt so viel, wie wenn man ein Stück aus der Sixtinischen Madonna **herausschneiden würde, um eine Vorstellung von dem ganzen Bilde zu bekommen. Nicht durch Hospitieren kann man von dem Geist der Waldorfschule et­was erfahren, sondern indem man die Anthroposophie kennen lernt, die anthroposophische Geisteswissenschaft, die in jedem Leh­rer lebt, in jeder Stunde lebt, in den Kindern lebt, die auch lebt in den Zeugnissen.

*Weltschulverein: Der Grundgedanke für einen von Rudolf Steiner immer wieder ab Sommer 1920 ins Auge gefaßten und bisweilen vehement geforderten Weltsehulvereins klingt bereits in seiner Ansprache am Begrüßungsahend für die Teilnehmer an den pädagogischen Kursen zur Vorbereitung der Gründung der Waldorfschule am 20. August 1919 an. Dort heißt es: «Die Waldorfschule muß eine wirkliche Kulturtat sein, um eine Erneuerung unseres Geisteslebens der Gegenwart zu erreichen. Die Möglichkeit der Waldorfschule muß dabei ausge­nützt werden, um reformierend, revolutionierend im Schulwesen zu wirken.« (GA 293, Dornach 1992, S. 13) Damals hoffte Rudolf Steiner noch, daß der Kul­turrat «sein Programm wirklich aufnehme und dahin arbeitete, das ganze Schul­wesen in die Hand zu nehmen … Der Kulturrat hätte die Aufgabe, «das ganze Unterrichtswesen umzugestalten.« («Konferenzen», GA 300/1, S. 95) Doch die Idee des Kulturrates war in der damaligen politischen Situation nicht durchsetz­bar. Eine neue Richtung deutet sich an in der Konferenz mit den Lehrern der Waldorfschule in Stuttgart am 24. Juli 1920, in der Rudolf Steiner die Hoffnungen auf einen zu gründenden Weltschulverein setzt, um die für die Stuttgarter Schule erforderlichen Gelder zu beschaffen, denn, «wir können nur weiterarbeiten, wenn von seiten der Allgemeinheit die nötigen Mittel der Sache zufließen« (Konferenz vom 29. Juli 1920, in GA 300/1, S. 182>. Während eines Frageabends über Drei­gliederung im Rahmen des ersten anthroposophischen Hochschulkurses am 12. Oktober 1920 in Dornach rief Rudolf Steiner die Zuhörer nachdrücklich zu ent­schlossenenem Handeln auf: «Was wir brauchen, ist ein Weltsehulverein in allen Ländern der Zivilisation, daß so schnell wie möglich die größte Summe von Mit­teln herbeigeschafft werde. Dann wird es möglich sein, auf Grundlage dieser Mittel dasjenige zu schaffen, was der Anfang ist eines freien Geisteslebens.« (GA 337b) Und am 16. Oktober 1920 (siehe GA 217a> wiederholte er vor den am Hochschulkurs teilnehmenden Studenten sein Anliegen mit eindringlichen Wor­ten: «Da muß ich doch darauf aufmerksam machen, daß das von mir ganz ernts­haft gemeint ist, was ich in diesen Tagen als die Begründung eines Weltschulver­eins Ihnen angeführt habe. Den denke ich international gebildet, so daß gewis­sermaßen aus dem Denken und Empfinden der heutigen Zeit heraus geschaffen werden soll.« – Der Weltsehulverein war also nicht als eine Art Interessengemein­schaft bereits bestehender bzw. geplanter Waldorfschulen gedacht, sondern als eine breite, internationale Organisation, deren Ziel die Propagierung eines von staatlichen Einflüssen freien Geisteslebens und die Finanzierung von Schulen, Hochschulen und anderer Bildungseinrichtungen sein sollte. In den folgenden Wochen und Monaten wird vor allem im Rahmen der «Konferenzen» immer wieder über den Weltschulverein gesprochen, jedoch wurden keine konkreten Schritte zu seiner Gründung unternommen (siehe die Einleitung zu den «Konfe­renzen« in GA 300/1, S. 24-26). An der Mitgliederversammlung der Anthroposo­phischen Gesellschaft am 4. September 1921 in Stuttgart (in der Gesamtausgabe noch nicht publiziert) bringt Rudolf Steiner sein Unbehagen hierüber so zum Ausdruck: «So aber … mußte ich das erleben, was ich die innere Opposition nen­ne, die gegen meine Absichten eigentlich in sehr starkem Maße vorhanden ist, als ich in der schärfsten Weise im vorigen Jahr im Herbst in Dornach darauf hinwies, welche Notwendigkeit die Begründung eines Weltsehulvereins wäre, und als ich während meiner holländischen Vortrsgsreisc im Winter dieses Jahres mehrfach auf die Notwendigkeit dieses Weltsehulvereins hinwies.«
**Sixtinische Madonna: Gemälde von Raffaelo Santi (1483-1520).

Daarom beschouw ik – ik zeg dit niet om te willen provoceren – als absoluut noodzakelijk de vele krachten van achteruitgang die er in onze moderne beschaving zitten, door opbouwende krachten te overwinnen; en dat er internationaal, op een brede basis iets ontstaat wat ik zou willen noemen een wereldschoolvereniging.* Die zou alle landen moeten omvatten en een brede kring van mensen. Deze mensen zouden zich er bewust van moeten zijn dat er een vrij geestesleven moet ontstaan. Het heeft helemaal geen zin wanneer de mensen vinden dat onze vrijeschool in Stuttgart iets praktisch is, wat je een paar uur of een paar weken eens moet aankijken. Naar iets te willen kijken wat uit een vol geestelijk leven stamt, betekent zoveel als een stukje uit de Sixtijnse madonna** snijden om daarmee een voorstelling te krijgen van het hele schilderij. Door stage te gaan lopen kun je niet zomaar iets van de geest van de vrijeschool ervaren.Wel door de antroposofie te leren kennen, de antroposofische geesteswetenschap die in iedere leraar leeft, elk uur, in de kinderen leeft, die ook in de getuigschriften leeft.

*Wereldschoolvereniging: de grondgedachte voor een wereldschoolvereniging waarop Rudolf Steiner vanaf de zomer van 1920 steeds weer attent maakte en er zich van tijd tot tijd sterk voor maakte, klinkt al door in zijn begroetingstoespraak voor de deelnemers aan de pedagogische cursussen als voorbereiding van de vrijeschool op 20 augustus 1919. Daar zegt hij: ‘De vrijeschool moet een daad zijn die werkelijk in de gehele cultuur merkbaar is om een vernieuwing tot stand te brengen in ons geestesleven van deze tijd. ( )  De mogelijkheid die we door de vrijeschool nu hebben, moet benut worden om hervormingen, omwentelingen te bewerkstelligen in het schoolwezen. GA 293 blz. 13. Toen had Rudolf Steiner nog de hoop dat de cultuurraad ‘zijn programma daadwerkelijk zou aannemen en ernaar toe zou werken het hele schoolwezen aan te pakken…De cultuurraad heeft de opdracht ‘het hele onderwijs om te vormen’. GA 300A/95. Maar de idee van de cultuurraad was in de politieke situaite van toen niet haalbaar. Een nieuwe richting wordt aangekondigd in de lerarenvergadering van 24 juli 1920 waarin Rudolf Steiner zijn hoop uitspreekt voor een op te richten wereldschoolvereniging om de voor de school in Stuttgart benodigde gelden te verkrijgen, want ‘we kunnen alleen verder werken wanneer van de kant van het openbare leven de benodigde middelen komen.’GA 300A/182. Gedurende een avond met vragen over de driegeleding in het kader van de eerste antroposofische hogeschoolcursus op 12 oktober 1920 in Dornach riep Rudolf Steiner de bezoekers nadrukkelijk op om vastbesloten te handelen: ‘Wat wij nodig hebben is een wereldschoolvereniging in alle beschaafde landen, dat er zo snel mogelijk de grootst mogelijke hoeveelheid middelen beschikbaar komt. Dan zal het mogelijk zijn om met deze middelen een begin van een vrij geestesleven in het leven te roepen. (GA 337B) En op 16 oktober 1920, zie GA 217A herhaalde hij voor de studenten die deelnamen aan de hogeschoolcursus zijn betrokkenheid met de indringende woorden: ‘Ik moet erop wijzen dat het mij zeer ernst is wat ik deze dagen naar voren heb gebracht als de oprichting van een wereldschoolvereniging. Die zie ik als internationaal gevormd, zodat deze op een bepaalde manier uit het denken en voelen van de huidige tijd zal ontstaan.’ De wereldschoolvereniging was dus niet gedacht als een interessengemeenschap van al bestaande, resp. nog op te richten scholen, maar als een brede, internationale organisatie met als doel op te komen voor een vrij geestesleven, vrij van staatsbemoeienis en de financiering van scholen, hogescholen en andere vormingsinstituten. In de weken en maanden daarna wordt er vooral binnen de lerarenvergaderingen steeds weer over de wereldschoolvereniging gesproken, maar er werden geen stappen gezet om tot een concrete oprichting te komen. (zie de inleiding bij de ‘lerarenvergaderingen’ in GA 300A, blz. 24-26). Bij de ledenvergadering van de Antroposofische vereniging op 4 september 1921 in Stuttgart (nog niet opgenomen in de GA) brengt Rudolf Steiner zijn ongenoegen hierover onder woorden: ‘Zo echter……moest ik dat ervaren wat ik een innerlijke weerstand noem, die er voor mijn plannen eigenlijk zeer sterk aanwezig is, toen ik vorig jaar in de herfst in Dornach met de scherpste woorden erop gewezen heb, hoe noodzakelijk de oprichting van een wereldschoolvereniging wel niet is en toen ik tijdens mijn voordrachtsreis in Nederland in de winter van dit jaar meerdere keren wees op de noodzakelijkheid van deze wereldschoolvereniging.’
**Sixtijnse Madonna: schilderij van Raffaelo Santi (1483-1520).

Ich möchte nur kurz charakterisieren, wie wir in der Waldorfschule nach und nach jedes Kind, trotzdem wir auch große Klassen haben, seiner Individualität nach genau kennenler­nen. Wir geben ihm nicht Zensuren mit, Zeugnisse, in denen steht «fast befriedigend», «kaum genügend» – das ist ja alles Unsinn. Man kann nicht so zensieren. Sondern wir geben den Kindern tatsächlich eine Beschreibung ihres Wesens, die ihnen einen Spiegel das ganze nächste Jahr vorhält, und einen Spruch, der aus tiefster Seele heraus gewählt war. Wir haben es auch erlebt, welchen Wert für die Waldorfschulkinder gerade diese Zeugnisse bekommen haben. Wir haben also das erlebt, was als anthroposophischer Geist in diese Waldorfschule eingezogen ist.
Aber wir wünschen nicht, daß man möglichst viele Winkel­schulen nach dem Muster der Waldorfschule errichtet, sondern was wir wollen, ist, daß in weitesten Kreisen auf internationalem Gebie­te die Einsicht entsteht: man muß den alten Zopf bekämpfen, der nur auf staatlicher Grundlage das Schulwesen aufbauen will. Man

Ik zou nu in het kort willen schetsen hoe wij op de vrijeschool geleidelijk aan van ieder kind, ook al hebben we grote klassen, zijn individualiteit leren kennen. We geven het geen rapporten mee, getuigschriften waarin staat ‘bijna naar tevredenheid’, ‘nauwelijks voldoende’- dat is allemaal onzin. Zo kun je geen rapport geven. Wij geven de kinderen daadwerkelijk een beschrijving van hun wezen, die het hele volgende jaar een soort spiegel is die voorgehouden wordt en een spreuk die vanuit het diepst van de ziel gekozen is. We hebben ervaren van wat voor waarde die getuigschriften voor de vrijeschoolkinderen gekregen hebben. We hebben ook ervaren wat voor antroposofische geest er in de vrijeschool gekomen is.
We willen niet dat er nu zoveel mogelijk scholen om de hoek opgericht worden naar het voorbeeld van de vrijeschool, maar wat we wél willen is dat er internationaal in de breedste kringen inzicht ontstaat dat de oude overgeleverde dingen bestreden worden die slechts het schoolwezen willen opbouwen op de fundamenten van de staat. 

Blz. 66

muß danach streben, es zu erzwingen, daß das freie Geistesleben seine vollberechtigte freie Schule schaffen könne. Wir wollen nicht von Staates Gnaden Winkelschulen errichten, wir werden nicht unsere Hand dazu bieten, sondern was notwendig ist, das ist ein Verständnis für einen solchen Völkerbund, wie er spirituell-geistig in einem Weltschulverein liegen würde. Das würde die Menschen uber das weite Erdenrund in einer großen, einer Riesenaufgabe für ein Stück zusammenführen. Das ist dasjenige, was ich zunächst über das erste Glied des dreigliedrigen sozialen Organismus sagen will. Die anderen Glieder kann ich, weil sie ja der Lebenspraxis auf anderen Gebieten angehö­ren, nur streifen. – Wir haben den Einheitsstaat im Laufe der letzten vier bis fünf Jahrhunderte gerade in der heutigen zivilisierten Welt herausgebildet. Er hat auf der einen Seite das Geistesleben mit dem Schul- und Erziehungswesen in sich aufgesogen; er hat auch das Wirtschaftsleben aufgesogen, wenigstens zu einem großen Teil. Und die Sozialdemokratie strebt ja danach, den ganzen Staat, den staatlichen Rahmen zu benützen, um im Grunde genommen eine Art kasernierte Wirtschaft einzurichten, wodurch jede wirtschaft­liche Freiheit und jede Individualität zerstört wird, wie wir das sehen am Trotzkismus, am Leninismus, gerade an dem, was da geworden ist, was da in so furchtbarer Weise im Osten Europas bis nach Asien hinein die Menschheit in Konvulsionen versetzt.

Men moet ernaar streven, het afdwingen dat het vrije geestesleven zijn volkomen rechtmatige scholen kan oprichten. We willen niet uit genade van de staat scholen om de hoek oprichten, daar houden we onze hand niet voor op, maar wat nodig is, is begrip voor zo’n volkerenbond die spiritueel-geestelijk in zo’n wereldschoolvereniging besloten ligt. Dat zou de mensen over grote delen van de wereld bij zo’n grote, reusachtige opdracht voor een groot deel samenbinden.  Dat wilde ik allereerst over het eerste onderdeel van het driegelede sociale organisme zeggen. De andere delen kan ik, omdat die in de praktijk van het leven bij andere gebieden horen, alleen maar even aanstippen. In de loop van de laatste  vier, vijf eeuwen hebben we de eenheidsstaat m.n. in onze huidige beschaafde wereld ontwikkeld. Enerzijds heeft die het geestesleven met het onderwijs en de opvoeding in zich opgeslokt; maar ook het economisch leven, in ieder geval voor een groot deel. En de sociaaldemocratie streeft ernaar de hele staat, het hele staatkundige kader te benutten om basaal gesproken een soort kazerne-economie in te richten, waardoor die economische vrijheid en die individualiteit verstoord wordt, zoals we dat zien bij Trotzki, bij Lening en vooral aan wat er van geworden is, wat op zo’n vreselijke manier in Oost-Europa tot aan Azië de mensheid in een kramp gebracht heeft.

Es handelt sich darum, daß die Menschen lernen, wie gewisse Dinge der Menschheit heute notwendig sind.
Das Wirtschaftsleben hat geradeso seine eigenen Bedingungen wie das Geistesleben. Wer wie ich dreißig Jahre, die Hälfte seines Lebens, in Österreich zugebracht hat, das ja gerade das Experimen­tierland war für das Wirken der sozialzerstörenden Kräfte* – deshalb ist dieses Österreich auch das erste Opfer dieser Weltkatastrophe geworden -, wer mit sehenden Augen in diesem Österreich gelebt hat, der konnte schon in den siebziger Jahren sehen, wie es dem Ende entgegeneilte. Da kann ich mich auf ein Beispiel beziehen, wie in diesem Österreich im Großen in den Niedergang hineingearbei­tet worden ist. Da wollte man in den siebziger Jahren auch demo­kratisch

Österreich … das Experimentierland war für das Wirken der soxialzerstörenden
Krafte:    Siehe dazu Rudolf Steiners Aufsätze in der Wiener Zeitung «Deutsche
Wochenschrift« in »Gesammelte Aufsätze zur Kultur- und Zeitgeschichte
1887-1901», GA 31.

Het gaat erom dat de mensen leren hoe noodzakelijk bepaalde mensheidsaangelegenheden nu zijn.
Het economische leven heeft net zo zijn eigen voorwaarden als het geestesleven. Wie zo als ik dertig jaar, de helft van zijn leven, in Oostenrijk geleefd heeft dat het proefland was voor de werking van de sociaal verstorende krachten* – daarom is Oostenrijk ook het eerste slachtoffer van deze wereldramp geworden – wie niet blind in dit Oostenrijk gewoond heeft, die kan al in de jaren zeventig (19e eeuw) zien, hoe het zijn einde tegemoet haastte. Ik kan nog een voorbeeld geven hoe in dit Oostenrijk in het groot naar deze aftakeling werd toegewerkt. Men wilde in de zeventiger jaren ook democratisch

*Zie Rudolf Steiners Aufsätze in der Wiener Zeitung «Deutsche
Wocheoschrift« in »Gesammelte Aufsätze zur Kultur- und Zeitgeschichte
1887-1901», GA 31.

Blz. 67

parlamentarisieren. Wie hat man das gemacht? Man hat vier Kurien festgesetzt, die Kurie der Großgrundbesitzer, die Kurie der Handelskammern, die Kurie der Städte, Märkte und Industria­lorte, die Kurie der Landgemeinden. Lauter Wirtschaftsinteressen wurden in das Parlament hineingezogen. Die Vertreter von bloßen Wirtschaftsinteressen in vier Kurien, die sollten für alles Staatliche die Entscheidung fällen. Sie fällten sie natürlich nach Wirtschafts-interessen. Dadurch kamen weder die berechtigten staatlichen Interessen noch die Wirtschaftsinteressen zu ihrer Geltung. Ich könnte Ihnen Hunderte und Hunderte von Gründen aufzäh­len, welche Ihnen zeigen würden, daß ebenso wie auf der einen Seite das Geistesleben abgesondert werden muß vom eigentlichen Staatsleben, auf der anderen Seite das Wirtschaftsleben ebenfalls ab­gesondert werden muß. Wie das Geistesleben auf den vollständig freien Menschen und die Verwaltung der freien Menschen ein­gerichtet werden muß, so muß das Wirtschaftsleben eingerichtet werden auf das assoziative Prinzip.

parlementair discussiëren. Hoe heeft men dat gedaan? Men heeft vier groepen, een afvaardiging, in het leven geroepen: een van de grootgrondbezitters, een van de handelskamer, een van de steden, markten en industriegebieden, een van de plattelandsgemeenten. De vertegenwoordigers van enkel de economische belangen moesten voor alles wat de staat betreft de beslissingen nemen. Die namen ze natuurlijk met het oog op de economische belangen. Daardoor kwamen noch de rechtmatige staatsbelangen, noch die van de economie tot hun recht.
Ik zou u honderden voorbeelden kunnen geven die u zouden laten zien, dat net zoals aan de ene kant het geestesleven los moet staan van het eigenlijke staatsleven, aan de andere kant het economisch leven ook los moet staan. Hoe het geestesleven georganiseerd moet worden voor de volledig vrije mens en bestuurlijk ingericht moet worden voor de vrije mens, zo moet ook het economisch leven georganiseerd worden op basis van het principe van de associatie.
Wat is een associatief principe? Wel, we hebben tegenwoordig al een streven in het oprichten van consumentenverenigingen. Mensen die consumeren sluiten zich aaneen. En wij hebben een beweging waarbij de producerende mensen uit de meest verschillende hoek zich verenigen.

Aber letztlich haben wir eigent­lich nur ein Surrogat, zusammengesetzt aus Konsumierenden und Produzierenden. Erst wenn man nicht nach dem Barometer des Gewinns, sondern wenn man nach dem Bedarf die Produktion einrichtet, wo man die Zusammenhänge von Konsumenten und Produzenten von denjenigen Menschen leiten läßt, die in verschie­denen Wirtschaftszweigen als Sach- und Fachkundige stehen, wo man Ernst macht damit, daß wir in bezug auf das Geistesleben nach Totalität streben, aber niemals im Wirtschaftsleben, wo man in Zu­sammenhang steht mit Menschen, die in anderen Branchen stehen -sobald man damit Ernst macht, wird das assoziative Prinzip im Wirtschaftsleben einziehen. Assoziation wird nicht Organisation sein. Trotzdem ich einen Teil meines Lebens in Deutschland ver­brachte, hat für mich das Wort «Organisation» etwas Fürchterliches,

Maar uiteindelijk hebben wij eigenlijk alleen maar een surrogaat, samengesteld uit consumenten en producenten. Pas wanneer men niet de winst als graadmeter neemt, maar de productie richt op de behoefte, waarbij de relatie tussen de consument en de producent door de mensen die in de verschillende economische gebieden staan als ter zake kundigen, waar men serieus werk maakt van het feit dat we in het geestesleven naar totaliteit streven, maar nooit in het economisch leven waarin men samen met de mensen staat die in andere takken werkzaam zijn – zodra men daarmee serieus omgaat, komt er in het economisch leven een associatief principe. Associatie moet geen organisatie zijn. Ondanks dat ik een deel van mijn leven in Duitsland heb doorgebracht, heeft voor mij het woord ‘organisatie’ iets vreselijks,

Blz. 68

und ich habe gerade in Deutschland kennengelernt, was es heißt, alles mögliche organisieren zu wollen. Furchtbares erreicht man, wenn man von einer zentralen Stelle aus immer organisieren will. Assoziieren ist nicht Organisieren. Da bleiben die Indivi­dualitäten in voller Wirkung, schließen sich zusammen, so daß durch den Zusammenschluß ein Kollektivurteil zustande kommt. Sie können Näheres darüber nachlesen in meinem Buch «Die Kern­ punkte der Sozialen Frage» und in dem Buche «In Ausführung der Dreigliederung»*, das eine Anzahl von Artikeln zusammenfaßt, die von mir erschienen sind in der Stuttgarter Zeitschrift** «Die Dreigliederung», die herausgegeben wird vom Bund für Dreigliederung des sozialen Organismus.
Ich habe darin gezeigt, wie aus dem wirklich praktischen Wirt­schaftsleben heraus diese Assoziationen gebildet werden können; wie diese Assoziationen zu einer gerechten Preisbildung***, zu einer erträglichen Preisbildung führen werden. Während wir heute nur eine Zufalls-Preisbildung haben, wird es sich da um eine Preisbil­dung handeln, die wirklich durch das assoziative Zusammenarbei­ten zwischen Konsumenten und Produzenten entsteht.

*In Ausführung der Dreigliederung des sozialen Organismus»: 21 Aufsätze, Stutt­gart 1920, heute in «Aufsätze über die Dreigliederung des sozialen Organismus und zur Zeitlage 1915-1921« GA 24.

**in der Stuttgarter Zeitschrift «Die Dreigliederung«, die herausgegeben wird vom Bund für Dreigliederung des sozialen Organismus: Die erste Ausgabe der Wochenzeitung «Dreigliederung des sozialen Organismus» erschien am 8. Juli 1920, als der Höhepunkt der Dreigliederungs-Massenbewegung bereits über­schritten war. Die Zeitschrift wurde vom Schriftsteller Ernst Uehli redigiert. Vor allem in den ersten beiden Erscheinungsjahren schrieb Rudolf Steiner eine ganze Reihe von Leitartikeln für diese Zeitschrift, die alle im Band »Aufsätze über die Dreigliederung des sozialen Organismus und zur Zeitlage 1915-1921» (GA 24) abgedruckt sind. Ab dem vierten Jahrgang, das heißt ab Juli 1922, als der end­gültige Niedergang der Dreigliederungs-Bewegung besiegelt war, änderte die Zeitung auch ihren Namen und erschien nun unter dem Titel »Anthro­posophie.Wochenschrift für freies Geistesleben; früher Dreigliederung des sozia­len Organismus«. In der folgenden Zeit – bis zu ihrer Vereinigung mit der Zeit­schrift »Die Drei» im Oktober 1931 – sollte sie noch mehrfach ihren Namen wie auch den Redakteur und den Herausgeber wechseln.

****die richtige Preislage: Rudolf Steiner hat zwischen 1919 und 1922 immer wieder die Frage des »richtigen Preises» angesprochen. Von ihm verfaßte, schriftille Ausführungen finden sich dazu vor allem im Aufsstz »Die Dreigliederung des sozialen Organismus, die Demokratie und der Sozialismus» (GA 24, S. 216f.), der im Juli 1919 in der ersten Nummer der schweizerischen Dreigliederungs-Zeit-schrift »Soziale Zukunft» erschien, und in seiner Schrift «Die Kernpunkte der Sozialen Frage» (1919), GA 23, 3. Kap., Anmerkung S. 31f., allerdings erst in der überarbeiteten 4. Auflage vom Dezember 1920. Siehe auch seine Ausführungen im «Nationalökonomischen Kurs», GA 340.

en ik heb met name in Duitsland ondervonden wat het betekent om maar van alles te willen organiseren. Er komt alleen iets verschrikkelijks uit, als men vanuit een centrale plaats alles wil organiseren. Associëren is geen organiseren. Daar blijven de individualiteiten volledig actief, sluiten zich bij elkaar aan, zodat hierdoor een collectief oordeel tot stand komt. U kan daarover nog meer nalezen in mijn boek ‘De kernpunten‘ en in mijn boek ‘Die Ausführung der Dreigliederung’* dat een aantal artikelen omvat die ik geschreven heb voor het Stuttgarter tijdschrift ‘De driegeleding’** dat wordt uitgegeven door de Bond voor driegeleding van het sociale organisme. Ik heb daarin gezegd hoe uit het werkelijk praktische economische leven deze associaties gevormd kunnen worden; hoe deze associaties tot een rechtvaardige prijsvorming, tot een prijsvorming***  die te dragen is, zullen leiden. Terwijl we nu een prijsvorming hebben die van het toeval afhangt, gaat het hier om een prijsvorming die werkelijk door het associatieve samenwerken tussen consument en producent ontstaat.

*’Ausführung der Dreigliederung des sozialen Organismus»: 21 Aufsätze, Stutt­gart 1920, nu in «Aufsätze über die Dreigliederung des sozialen Organismus und zur Zeitlage 1915-1921« GA 24.
Niet vertaald

**in het Stuttgarter tijdschrift «Driegeleding«, dat werd uitgegeven door de Bond voor Driegeleding van het sociale organisme: De eerste uitgave van het weekblad ‘Driegeleding van het sociale organisme’ verscheen op 8 juli 1920 toen het hoogtepunt van de grote driegeledingsbeweging al voorbij was. Het tijdschrift werd door de auteur Ernst Uehli geredigeerd. Met name in de eerste jaren van verschijning schreef Rudolf Steiner een hele serie hoofdartikelen voor dit tijdschrift, die alle in het boek  Aufsätze über die Dreigliederung des sozialen Organismus und zur Zeitlage 1915-1921« GA 24.  geplaatst zijn. Vanaf de vierde jaargang, d.w.z. vanaf juli 1922 toen de uiteindelijke neergang van de driegeledingsbeweging een feit was, veranderde het tijdschrift van naam en verscheen nu onder de tirtel ‘Antroposofisch weekblad voor vrij geestesleven’, voorheen ‘Driegeleding van het sociale organisme’. In de tijd daarna tot het samengaan met het tijdschrift ‘Die Drei’ in oktober 1931, zou het tijdschrift nog een aantal keren van naam veranderen, het veranderde ook van redacteur en uitgever.

***De juiste prijsverhouding: Rudolf Steiner heeft tussen 1919 en 1922 steeds weer gesproken over de vraag van ‘de juiste prijzen’. Wat hij daarover schriftelijk heeft gezegd, is vooral te vinden in het artikel ‘De driegeleding van het sociale organisme, de democratie en het socialisme’GA 24/216 (niet vertaald) dat in juli 1919 in het eerste nummer van het Zwitserse tijdschrift voor driegeleding ‘Sociale toekomst’ verscheen en in het boek ‘De kernpunten’, 3e hoofdstuk, zie opmerking bij blz. 31, en zeker in de bewerkte 4e oplage uit december 1920. Zie ook de uiteenzettingen in GA 340. (Niet vertaald)

Denn im wirtschaftlichen Leben ist die Preisfrage die Mittelpunktsfrage des ganzen wirtschaftlichen Daseins. Wer nicht einsieht, daß Preise vor allen Dingen durch Assoziationen geregelt werden müssen und nicht durch Statistiken oder dergleichen, sondern durch das lebendige Zusammenwirken in Assoziationen, der weiß nicht, worauf es ankommt. Man braucht sich nicht zu fürchten vor der Bürokratie; größer als heute wird sie sicher nicht sein. Aber da­durch, daß dieselben Leute, die im geschäftlichen praktischen Leben darinnenstehen, auch die Leiter sein werden, dadurch ver­einfacht sich die ganze Arbeit. Und man wird erreichen, daß ein jeder soviel bekommen wird, wenn er irgend etwas produziert, wie er verbraucht für sich und die Seinen, für die anderen Dinge, die er zu besorgen hat, bis er wiederum ein gleiches Produkt hervorgebracht hat. Grob gesprochen: fabriziere ich ein Paar Stie­fel, so muß ich dafür soviel bekommen, wie ich brauche, um wiederum ein Paar Stiefel zu produzieren. Das soll aber nicht in

Want in het economisch leven is het vraagstuk van de prijs de centrale vraag van de hele economie. Wie niet inziet dat prijzen boven alles geregeld moeten worden door associaties en niet door statistieken of iets van dien aard, maar door de levendige samenwerking in associaties, die weet niet, waar het op aankomt. Voor bureaucratie hoef je niet bang te zijn; groter dan nu zal die zeker niet zijn. Maar doordat dezelfde mensen die in het praktische zakenleven staan, ook de leiders moeten zijn, wordt al het werk makkelijker. En men zal bereiken dat ieder zoveel krijgt, wanneer hij iets produceert, als hij voor zichzelf en de zijnen nodig heeft, voor de andere zaken waarvoor hij moet zorgen tot hij weer eenzelfde product gemaakt heeft. Grofweg gezegd: fabriceer ik een paar laarzen, dan moet ik daarvoor zoveel krijgen als ik nodig heb om weer een paar laarzen te produceren. Dat moet echter niet op

Blz. 69

utopischer Weise irgendwie festgesetzt werden, sondern das wird sich als das letzte Resultat ergeben, wenn die Assoziationen in der Weise da sein werden, wie ich es in dem Buche «Die Kernpunkte der Sozialen Frage» dargestellt habe. Das ist das Wesentliche bei diesem Impuls der Dreigliederung des sozialen Organismus, daß er nichts Utopisches enthält, sondern ganz und gar aus der Le­benspraxis und aus den Zeitforderungen heraus geboren ist. Sach­-und Fachkenntnis müssen leiten das geistige Leben, Sach- und Fachtüchtigkeit müssen das wirtschaftliche Leben in Asso­ziationen leiten, die sich bis zu einer großen, von Landesgrenzen unabhängigen Weltwirtschaftsassoziation verbinden.
In bezug auf das geistige Leben und das wirtschaftliche Leben sind Majoritätsbeschlüsse ein Unding; da muß alles aus Sach- und Fachtüchtigkeit heraus sich entwickeln. Majoritätsbeschlüsse, eigentliche Demokratie ist nur möglich für diejenigen Angelegen­heiten, in denen jeder Mensch kompetent ist. Es ist ein weites Feld von politisch-rechtlichen Angelegenheiten, die dann übrig bleiben zwischen einem freien Geistesleben und dem auf das Assoziations­Prinzip gestellten Wirtschaftsleben. 

een utopische manier hier of daar vastgesteld worden, maar dat komt er als resultaat uit, wanneer de associaties er op die manier zijn als ik in mijn boek ‘De kernpunten‘ uiteengezet heb. Het wezenlijke bij deze impuls van de sociale driegeleding is dat er niets utopisch in zit, maar helemaal uit de praktijk van het leven en uit wat de tijd vraagt, ontstaan is. Zakelijke kennis en vakkennis moeten leiding geven aan het geestesleven, zakelijk en vaktechnisch kunnen aanpakken hoort bij de leiding van het economische leven in de associaties die tot een grote wereldeconomische associatie samen kunnen gaan, onafhankelijk van de landsgrenzen.
Wat betreft het geestesleven en het economische leven zijn meerderheidsbesluiten een onding; daar moet alles zakelijk en vakbekwaam zich ontwikkelen.
Meerderheidsbesluiten, de eigenlijke democratie is alleen mogelijk voor die zaken waarbij ieder mens competent is.
Er is een groot terrein van politiek-rechterlijke aangelegenheden die dan over blijven tussen een vrij geestesleven en het economisch leven dat op associatie berust.

Es sind alle diejenigen Angele­genheiten, in denen jeder mündig gewordene Mensch dem anderen als ein gleicher im parlamentarischen Leben gegenübersteht, wo alle die Fragen entschieden werden, die dann schon von selbst übrig bleiben aus dem Wirtschaftsleben, aus dem Geistesleben.
Die Fachleute haben merkwürdigerweise eingewendet, sie ver­stünden, daß im dreigliedrigen sozialen Organismus das freie Gei­stesleben und das assoziative Wirtschaftsleben sein müssen, aber für das Staatsleben bleibe ja dann nichts mehr übrig. – Das ist sehr charakteristisch. Das moderne Staatsleben hat so stark – sogar in den Ideen – Wirtschaftsleben und Geistesleben aufgesogen, daß es gerade die wichtigsten Dinge nicht entwickelt hat, so daß Fachleute gar kei­ne Ahnung haben, welche Aufgaben das Staatsleben haben kann.
Das, was ich Ihnen heute vorgetragen habe, ist nur skizzenhaft. Es wird in den genannten Büchern weiter ausgeführt. Es knüpft aber im Grunde doch an die intensivsten historischen Notwendigkeiten an.

Het zijn allemaal zaken waar ieder mondig geworden mens als een gelijke tegenover de ander staat in het parlementaire leven, waar over alle vragen beslist wordt die dan al vanzelf overgebleven zijn uit het economische en het geestesleven.
De vakmensen hebben er merkwaardigerwijs tegenin gebracht dat ze begrepen hebben dat in het driegelede sociale organisme het geestesleven en het economisch leven moeten zitten, maar dat er dan voor het staatsleven niets meer over blijft. Dat is wel heel opvallend. Het moderne staatsleven heeft – zelfs in de ideeën – het economische en het geestesleven zo sterk in zich opgezogen, dat het juist de belangrijkste dingen niet tot ontwikkeling heeft gebracht, zodat vakmensen helemaal geen idee hebben wat voor opgaven het staatsleven kan hebben.
Wat ik u vandaag verteld heb, is maar een schets. In de genoemde boeken wordt het verder uitgewerkt. Maar in de aard van de zaak sluit het toch aan bij de sterkste historische noodzaak.

Blz. 70

Wir sehen aus dem 18. Jahrhundert herüberstrahlen in unser Zeitalter die großen Menschheitsideale Freiheit, Gleichheit, Brüder­lichkeit. Wie könnten wir nicht fühlen, was in diesen drei großen Menschheitsimpulsen liegt! Und dennoch – es hat gescheite Leute gegeben im Laufe des 19. Jahrhunderts, die unwiderleglich gezeigt haben, daß im Einheitsstaat Freiheit, Gleichheit und Brüderlichkeit nicht nebeneinander bestehen können. So haben wir auf der einen Seite das Merkwürdige, daß unsere Herzen höher schlagen, wenn wir von diesen drei großen Menschheitsidealen hören, wenn wir sie innerlich empfinden, daß aber andererseits wiederum der gescheite Staatsmann – ich sage das ganz ohne Ironie – nachweisen kann, daß diese drei Ideale im Einheitsstaat sich nicht miteinander vertragen. Was liegt da vor? Da liegt das vor, daß die Menschen im 18. Jahr­hundert als unwiderlegliche Menschheitsideale und Menschheits­impulse Freiheit, Gleichheit und Brüderlichkeit gefühlt haben. Sie waren aber noch in der Suggestion, daß alles der Einheitsstaat ma­chen müsse.

Uit de 18e eeuw zien we nog tot in onze tijd de glans van het grote mensheidsideaal vrijheid, gelijkheid, broederschap. Hoe zouden we niet kunnen aanvoelen wat er in deze grote mensheidimpulsen leeft! En toch – in de loop van de 19e eeuw waren er knappe lieden die onweerlegbaar aangetoond hebben dat in een eenheidsstaat vrijheid, gelijkheid en broederschap niet naast elkaar kunnen bestaan. En nu hebben we enerzijds het merkwaardige feit dat onze harten sneller slaan wanneer wij over deze drie grote mensheidsidealen horen, wanneer we innerlijk meevoelen, dat echter anderzijds weer de knappe staatsman – dat zeg ik helemaal zonder ironie – kan aantonen dat deze drie idealen elkaar in een eenheidsstaat niet verdragen. Wat is er aan de hand? Dat de mensen in de 18e eeuw vrijheid, gelijkheid en broederschap gevoeld hebben als onweerlegbare mensheidsidealen en mensheidsimpulsen. Ze verkeerden echter nog in de illusie dat de eenheidsstaat dit allemaal moest realiseren.

Heute müssen wir reif werden für den dreigegliederten sozialen Organismus. In ihm erst werden sich wahrhaft Freiheit, Gleichheit, Brüderlichkeit verwirklichen können. In einem freien Geistesleben, von dem ich hoffe, daß es durch einen Weltschulverein wirklich an das Tageslicht gefördert werden könnte, wird wirk­liche Freiheit der Menschen herrschen. In dem Staatsleben,das zwischen dem freien Geistesleben und dem Wirtschaftsleben steht, wird alles auf Gleichheit gebaut werden können; es werden in seiner Verwaltung nur diejenigen Dinge vorkommen, in denen wirklich jeder mündig gewordene Mensch kompetent ist und als Gleicher dem anderen mündig gewordenen Menschen gegenüberstehen kann. Im Wirtschaftsleben werden sich in den Assoziationen Kon­sumenten- und Produzenten-Interessen zusammenschließen, den Ausgleich finden und zuletzt gipfeln in einer menschenwerten Preisbildung.
Wir werden eine Möglichkeit haben, die drei großen Mensch­heitsideale der Menschheitsentwicklung einzuverleiben, wenn wir uns befreien von der Suggestion des Einheitsstaates,indem wir er­streben: Im Geistesleben Freiheit, im Staatsleben oder politischen

Wij moeten nu rijp worden voor de sociale driegeleding. Daarin kunnen pas echt vrijheid, gelijkheid en broederschap verwezenlijkt worden. In een vrij geestesleven, waarvan ik hoop dat dit door een wereldschoolvereniging werkelijkheid kan worden, kan de echte vrijheid van de mens heersen. In het staatsleven dat tussen het vrije geestesleven en de economie staat, kan alles opgebouwd worden op gelijkheid; bij de uitvoering daarvan zullen er alleen zaken zijn waarbij werkelijk ieder mondig geworden mens competent is en als gelijke tegenover de andere mondig geworden mens kan staan. In het economisch leven zullen in de associaties consumenten en producenten hun interesses verenigen, overeenstemming vinden en uiteindelijk uitmonden in een menswaardige prijsvorming. We zullen gelegenheid hebben de drie grote mensheidsidealen van de mensheidsontwikkeling ons eigen te maken, wanneer wij onszelf vrijmaken van de suggestie van de eenheidsstaat wanneer we ernaar streven: in het geestesleven vrijheid, in het staatsleven of politiek leven:

Blz. 71

oder rechtlichen Leben – dem zweiten Gliede des sozialen Organis­mus – die Gleichheit; im assoziativ gestalteten Wirtschaftsleben die aus der Sachlichkeit der Produktion und Konsumtion heraus wirkende Brüderlichkeit.
Freiheit im Geistesleben, Gleichheit im Staatsleben, Brüderlich­keit im Wirtschaftsleben: das gibt erst den drei größten sozialen Idealen der Menschheit – Freiheit, Gleichheit, Brüderlichkeit -die richtige Bedeutung,

of rechtsleven – het tweede onderdeel van het sociale organisme – de gelijkheid; in het associatief gevormde economische leven de vanuit de zakelijkheid van productie en consumptie werkende broederlijkheid: geeft aan de drie grootste sociale idealen van de mensheid – vrijheid, gelijkheid, broederschap – de juiste betekenis.

.

[1] GA 297A [Duits]
[2] GA 297A [Duits]

GA 297Ainhoudsopgave

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Sociale driegeleding: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2168

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (6-5)

.
Door de coronacrisis is de goudprijs gestegen. De kerngedachten van onderstaand artikel – weliswaar ca 40jr geleden geschreven, zijn nog altijd actueel.

Rudolf Mees, Jonas. 6,16-11-1979
.

De goudprijs als graadmeter

Bij tijd en wijle kunnen we weer in de kranten lezen, dat de prijs van goud een volgende sprong omhoog heeft gemaakt.

Iedereen weet dat goud – een edel metaal – erg kostbaar is. Toch blijft het verloop van de goudprijs een geheimzinnig, erg ondoorzichtig gegeven. Allereerst: waar slaat die goudprijs op? Deze geeft een bedrag weer, dat een bepaald gewicht aan zuiver goud opbrengt in de internationale handel. De schommelingen in die prijs werken natuurlijk ook door in de waarde van gouden voorwerpen of dingen, waarin goud verwerkt wordt. Dat kun je niet zo nauwkeurig volgen, omdat je nu eenmaal niet dagelijks gouden voorwerpen koopt of verkoopt.

De internationale goudhandel speelt zich ver achter de schermen van ons dagelijks leven af in financiële centra zoals Londen en Zürich. Het aanbod van goud wordt onder anderen bepaald door de winning van goud, waarbij Zuid-Afrika een zeer belangrijke bron is.
Een andere bron van aanbod kan zijn wanneer een centrale bank om één of andere reden een stukje van zijn goudreserves verkoopt. Zo heeft de centrale bank van de Verenigde Staten van Amerika, die na de oorlog over de grootste goudvoorraad in onze wereld beschikte, gedurende de afgelopen jaren regelmatig uit deze voorraad verkocht. Ook landen als de Sovjet-Unie komen af en toe als verkopers in de markt. De Sovjet-Unie wint overigens zelf ook veel goud in Siberië. Wie koopt nu al dat goud? Allereerst het publiek in landen waar je goud mag kopen. Dat doe je dan in de hoop, dat dat goud in prijs zal stijgen. Gebeurt dat niet, dan is het een slechte belegging geweest, omdat goud nu eenmaal niet ‘werkt’ en geen rente oplevert.

Vroeger en vermoedelijk nu ook nog werd veel goud gekocht in landen van het Midden- en Verre Oosten. Daar was en is het nog gebruikelijk om spaarcenten om te zetten in goud of gouden munten.
Een andere groep kopers wordt gevormd door de centrale banken van landen, die grote overschotten op hun betalingsbalans hebben. Die overschotten wil men liever niet aanhouden in geldsoorten, die wel eens in waarde kunnen afnemen – denk maar bijvoorbeeld aan de waardeteruggang van de dollar en het pond! – maar liever in het ‘waardevaste’ goud. Grote kopers waren in de afgelopen jaren de (centrale) banken van Frankrijk, Zwitserland, Duitsland en… Nederland.

Een derde partij in de markt is de industrie. In vele technische – vaak hoogwaardige – technieken wordt veel goud verwerkt, soms meer dan wij denken. Tot zover een paar feiten, die natuurlijk alleen enkele puntjes uit een zeer ingewikkelde wereld aanduiden.

Goud wordt graag gekocht, omdat we ervan uitgaan, dat het een zekere, veilige belegging vormt. De waarde mag dan wel eens schommelen (meestal naar boven toe, hetgeen prettig is) maar ‘waardeloos’ zal het, denken wij, toch niet worden. En waar kun je nog in deze wereld uiterlijke zaken vinden, waarvan je ten aanzien van de waarde zo zeker kunt zijn? Om van innerlijke zaken maar te zwijgen.

Daarmee komen we eigenlijk midden in het vraagstuk van de goudprijs terecht. Zuiver uiterlijk gezien zal de prijs verband houden met vraag naar en aanbod van goud. Maar dat is alleen maar de uiterlijke kant.

Het grootste deel van het goud, dat wij uit de grond halen vindt zo snel mogelijk weer zijn weg naar de kluisen van (centrale) banken… onder de grond. Ook wanneer we zelf gouden voorwerpen kopen, is afgezien van enkele momenten dat we er gebruik van maken – sieraden! – de belangrijkste vraag hoe je dat goud veilig kunt opbergen, verstoppen, ’t Lijkt net alsof goud, dat in lang vervlogen tijden als blijk van een bloeiende cultuur alom zichtbaar was – men denke aan de Inca’s, de Farao’s – nu angstvallig verborgen moet worden voor het zonlicht.

Wanneer je zo de houding van de manier waarop we in onze cultuur met het goud omgaan op je in laat werken, moet je onwillekeurig denken aan kabouters, die hun schatten onder de grond bewaren. Bij de kabouters is dat een natuurlijke zaak – men leze de sprookjes erop na. Maar zijn wij kabouters? Als je de eigenschappen van kabouters, in negatieve zin interpreteert dan moet het antwoord bevestigend zijn. We weten heel veel af van natuur en natuurkrachten. Maar we missen nog de wijsheid om ermee om te gaan. We hebben erg veel welvaart verzameld, maar we kunnen die nog niet met anderen delen. We zijn onzeker omtrent onszelf en de toekomst ondanks de kastelen van sociale en wetenschappelijke zekerheden, die we om ons heen gebouwd hebben.

Diep in ons hart weten we best, dat ons weten naar wijsheid zoekt. Dat ‘onze’ welvaart niet ‘van ons’ is. Dat ‘sociale zekerheid’ een illusie is zonder echte naastenliefde. Dat hoofd en hart elkaar zullen vinden.

De wereld, waarin we leven, met zekerheden omgeven, zoals er waarschijnlijk nog nooit eerder geweest zijn, klinkt erg hol, wanneer je erop klopt.

Van binnen zijn we onzeker, meer dan ooit. En de mensheid vraagt dan om goud als zekerheid, zekere waarde, die je veilig ergens op kunt bergen.

Je zou wellicht kunnen zeggen, dat de uiterlijke prijs van goud een graadmeter is van de innerlijke onzekerheid, die onze cultuur kent. Een hoge goudprijs wijst dan op een hoge mate van onzekerheid.

Dat is een wat merkwaardige vertaling van de goudprijs, die we af en toe in de krant genoteerd zien. Evenals vroeger de goudschat in een beschaving de innerlijke kracht daarvan weergaf, zou je nu kunnen zeggen, dat het precies het tegenovergestelde is geworden. Daarom verstoppen we die goudschat diep in de grond.

De niet zo verre toekomst zal leren of we een weg weten te vinden, waarlangs het goud weer het zonlicht mag aanschouwen en wij het weer aandurven de glans daarvan te zien. Ik denk, dat de goudprijs dan een heel andere achtergrond zal krijgen.

*Een aantal genoemde dingen in het artikel zijn niet meer up-to-date. Dat doet aan de strekking ervan niets af.

Goud

.Sociale driegeleding: alle artikelen

.

2081

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-5/1)

.
Conflicten zijn van alle tijden. Ook op vrijscholen kwamen ze en komen ze voor.
Inzicht in conflicten is voor een oplossing van grote betekenis. In onderstaand artikel worden daarvoor vruchtbare standpunten aangedragen. In dit verband zijn ook de artikelen van lex Bos belangrijk, m.n. over de12 draken‘.

Hans von Sassen, Jonas, 04-05-1979
.

conflict en samenleving

Conflicten in het sociale veld

Het aantal en de ernst van conflicten in de samenleving en in organisaties, schijnt voortdurend toe te nemen. We zien dan ook een toenemende bezinning en een wassende stroom van publicaties over het verschijnsel conflict. Hoe komt dat?

Overal waar individuen of groepen in hetzelfde veld iets verschillends nastreven is er kans op conflicten. Gezien de veranderingen in de samenleving is het eigenlijk geen wonder, dat deze kansen toenemen. Wat voor veranderingen zijn dat?

Er zijn steeds meer mensen en meer en grotere organisaties. Het ‘gedrang’ in hetzelfde veld neemt toe, zodat strevingen en belangen elkaar eerder in de weg staan. Waar het aantal medewerkers bijvoorbeeld van een bedrijf of afdeling, snel groeit, ziet men haast altijd conflicten optreden.

=Veel mensen en groepen komen tot initiatief en actie, hun gevoel van eigenwaarde neemt toe en zij stellen zich zelfstandiger op. Dit is het verschijnsel van de emancipatie. Men is dus ook minder afhankelijk van tradities en groepsnormen en aanvaardt niet meer voetstoots de mening van hogergeplaatsten.

=Mensen uit verschillende milieus, volkeren enz. komen elkaar veelvuldiger tegen en werken samen in dezelfde organisatie. Deze ontmoetingen kunnen bijdragen tot wederzijds begrip, maar ook tot botsingen leiden.

=We zijn steeds meer van elkaar afhankelijk geworden. Dat komt vooral door de technische ontwikkeling en de voortgaande economische vervlechting. Wat mensen en organisaties in één veld doen of laten, heeft meteen gevolgen voor vele anderen.

Twee ontwikkelingen vormen de kern van de genoemde veranderingen, namelijk de geestelijke emancipatie van individuen en de wederzijdse afhankelijkheid in het maatschappelijke veld. Tussen beide tendenties bestaat al een spanning: de emancipatie vraagt om toenemende zelfstandigheid, vrijheid, creativiteit en verantwoordelijkheid van de enkeling – de wederzijdse afhankelijkheid daarentegen om beheersing van de processen, reglementering en aanpassing van het individu aan de ‘systemen’. Dat is het dilemma in onze organisaties en de voornaamste bron van spanningen en conflicten.

Conflict en samenlevingsvorm

Om deze samenhangen beter te kunnen begrijpen, wil ik een poging doen, de historische ontwikkeling van de samenleving van een bepaald gezichtspunt uit te schetsen.

In vroegere gemeenschappen speelt de de enkeling geen rol, alleen het voortbestaan, de levensvorm en de cultuur van de groep. Men is nog deel van de groep dat wil zeggen men denkt en voelt als de anderen en het gedrag wordt bepaald door wat men van jongs af aan waarneemt in zijn omgeving en door de geboden en zeden die men aantreft. Het opperhoofd, de farao of de pater familias vertegenwoordigt als het ware de goddelijke wil. Zolang dit hoofd als ‘wijs’ wordt beleefd en de zeden in het godsdienstige leven zijn ingebed, wordt de autoriteit daarvan nog als vanzelfsprekend aanvaard.

Een geheel andere toestand is (na een lange overgangstijd) bereikt, als de leden van de groep door voortgaande individualisering ‘personen’ zijn geworden, met een eigen denk- en gevoelsleven, eigen strevingen en doelen. Wordt de eigen aard en de eigen wil van de enkeling door de groep in principe erkend, dan verschijnt het recht, dat onder andere de grenzen vastlegt tot waar iemand zijn eigen wil mag volgen. Dit is voor het eerst duidelijk het geval in de Griekse en Romeinse samenleving. Mensen en groepen staan nu (op bepaalde levensgebieden) min of meer zelfstandig – en dus tot op zekere hoogte ook als concurrenten – zelfstandig – en dus tot op zekere hoogte ook als concurrenten – ten opzichte van elkaar.

Daarmee is de mogelijkheid van conflict gegeven in de zin van botsing van meningen of verlangens. Het recht is er om deze conflicten op te lossen. Kenmerkend daarvoor is het streven naar een vergelijk (afspraak, contract, overeenkomst); dit wordt gevonden door onderhandelen, eventueel met hulp van een (scheids-) rechter. Voorwaarde voor het gezond functioneren hiervan is, dat men elkaar als ‘partij’ erkent, dat wil zeggen dat de ander als medemens hetzelfde recht heeft om net als ikzelf, te denken en ‘iets te willen’ – en bovendien in de wetenschap, dat men daarna met of naast elkaar verder zal moeten leven. Waar dat niet het geval is kan het conflict overgaan in vijandigheid en strijd, doordat een of beide partijen eigen meningen en belangen trachten door te drukken.

Tenslotte kan een derde vorm van samenleven – wederom na een overgangstijd – worden bereikt, wanneer ‘volwassen’ personen (zelfstandig, ervaren, verantwoordelijk) zich aaneensluiten en gaan samenwerken aan een gemeenschappelijk doel. Dan ontstaat opnieuw een (wederzijdse) afhankelijkheid, niet meer van een reeds aanwezige autoriteit, maar van het aanvaarde doel en de daartoe in het leven geroepen organisatie. Die situatie geeft aanleiding tot een ander soort conflicten, bijvoorbeeld over de interpretatie van dat doel, het te voeren beleid, de ‘wetgeving’, de vorm van de organisatie of de wijze van werken; dus over het beleid en de inrichting van een boven de individuen uitgaand geheel. Dat vraagt namelijk om het oplossen van problemen of het nemen van besluiten door middel van overleg, dat wil zeggen het samen op zoek gaan naar nieuwe antwoorden. Constructief overleg is creatief. Lukt dit, dan komt iets tot stand, dat geen van de medewerkers geheel alleen kon voorzien of oplossen. Voorwaarde voor het gezond functioneren hiervan is het vertrouwen in de capaciteit van anderen om iets tot dat doel te kunnen bijdragen. Kan een groep een dergelijke constructieve aanpak niet opbrengen, dan ontstaan de genoemde interne conflicten tussen personen of deelgroepen.

We hebben nu drie vormen of fasen van sociale ontwikkeling geschetst:

1. Oude gemeenschappen (zoals stammen) waarin de enkeling geheel opgenomen is in een natuurlijke groep (zoals het kleine kind in het gezin).

2. Naast elkaar levende personen of groepen met een lossere gemeenschappelijke band, die hun onderlinge verhoudingen door rechtsvorming regelen.

3. Samenwerkende groepen door zelfstandige individuen opgericht en in stand gehouden.

Elk van deze vormen heeft een zinvolle plaats in de gehele ontwikkeling en heeft zijn eigen wetmatigheden. De eigenlijke conflicten, die het samenleven verstoren, ontstaan pas, wanneer mensen het gedrag dat behoort bij de ene vorm in de andere binnenbrengen. Wat is daarmee bedoeld?

In de oude gemeenschap werd ‘afwijkend gedrag’ ‘gestraft’. De straf was – zolang die enkeling zich nog lid van de groep voelde – tegelijk verzoening (terugkeer van de verloren zoon). Verzoening is dus de ‘oplossing’ van de eerste vorm van ‘conflict’. Zodra echter mensen een ‘afwijkende mening’ gaan vertonen, dat wil zeggen zich losmaken van de waarden en geboden van de gemeenschap, wordt deze zelf aangetast en ontstaat pas een echt conflict, dat wil zeggen een strijdsituatie. De groep, die de geestelijke eenheid van alle leden wil handhaven, antwoordt op de bedreiging met straf; de enkeling is dan immers de zondaar (ketter), de trouweloze of de egoïst. De straf brengt echter geen verzoening meer, maar verbittering. De verwijdering van de groep wordt er alleen groter door. De afwijkenden trekken weg om een eigen gemeenschap te stichten, ze worden verbannen of vervolgd. Dit is een proces van emancipatie. De conflicten, die erdoor worden opgeroepen treden noodzakelijkerwijze op bij de overgang van de eerste naar de tweede fase van de sociale ontwikkeling. Je zou daarom ook van ‘emancipatieconflicten’ kunnen spreken. De hele geschiedenis is er vol van, eerst in de sfeer van de godsdiensten en de politieke macht, nu ook als ‘autoriteits-conflicten’ in de opvoeding en het arbeidsleven. Het individu is, in de ontwikkeling gezien, in dat geval de ‘voorloper’, terwijl de bovenstaande gemeenschappen achterhoedegevechten leveren – ook nu nog. Je kan ook zeggen: er zijn enkelingen die reeds een bewustzijnsvorm hebben die bij de volgende fase hoort (als persoonlijkheid), terwijl de meerderheid van de groep en (meestal) de gezagdragers aan een voor allen geldend systeem van waarden vast blijven houden.

Dat roept de vraag op hoe we met emancipatieconflicten constructief kunnen omgaan. Ik zou dat als volgt willen verwoorden:

– aanvaarden dat mensen verschillend (willen) zijn, anders gezegd:

– de innerlijke vrijheid om te verdragen dat zij anders denken, voelen of willen (tolerantie),

– hen een experimenteerruimte toestaan, die zij voor hun ontwikkeling nodig hebben.

Maar tegelijk:

– de daaruit volgende ‘geestelijke strijd ’ aanvaarden, de worsteling om wat waar, terecht, bruikbaar enz. is in een gegeven situatie, ‘

– de bereidheid de discussie aan te gaan, kritiek te geven en te ontvangen, dus zich of de ander te ‘confronteren’, anders gezegd:

– de ander niet veroordelen en verbannen – dat is de patriarchale houding van de oude gemeenschap, vaak herkenbaar aan verontwaardiging over het feit dat een ander kritiek durft te hebben,

– zich met de andere opvatting ‘uit-een zetten’, zonder de ander ‘eruit te zetten’.

Dit alles in de wetenschap, dat tegenstellingen voorwaarden zijn, dat mensen creatief worden en zich ontwikkelen – du choc des opinions…!

Dat zijn de kenmerken van een ‘vrij geestesleven’. De ‘oplossing’ van emancipatieconflicten is een vrij geestesleven; oplossen betekent hier dus niet: opheffen of verdoezelen, maar het conflict door confrontatie zichtbaar en door geestelijke strijd vruchtbaar maken.

Wat voor conflicten kunnen we bij de overgang van de tweede naar de derde vorm van de sociale ontwikkeling verwachten, zijn daarvoor ook kenmerken aan te geven?

De voortgang van het leven vraagt om een veelheid van organisaties om goederen te leveren, diensten te verzorgen of ontwikkelingen mogelijk te maken. Zelfstandig geworden individuen moeten daartoe initiatieven nemen, zich aaneensluiten en samen gaan werken. Het gevolg is een netwerk van feitelijke afhankelijkheden in en tussen werkgemeenschappen. Zoals we gezien hebben, brengt dit met zich mee de noodzaak tot overleg over beleid, vorm enz. van de organisatie. Van de mensen vraagt dit ‘sociale vaardigheid’ en een rijpe ‘volwassen’ instelling, berustend op innerlijke vrijheid en het aanvaarden van anderen als medewerker. Dat is meer en iets anders dan het zich als zelfstandig persoon kunnen handhaven in de samenleving.

Wanneer nu mensen de houding van op je ‘rechten staan’, besluiten via
onderhandeling tot stand brengen e.d. in de besluitvorming over de organisatie zelf onveranderd binnendragen, dan valt men als het ware terug tot het voorgaande stadium, waarin partijen persoonlijke meningen en (vermeende) belangen in concurrentie met elkaar tot geldig willen brengen. Omdat men echter voor de vervulling van deze wensen afhankelijk is van het voortbestaan van de organisatie – die men tegelijk ondermijnt – en daarom ook onderling afhankelijk blijft, raakt men bij deze conflicten op een merkwaardige wijze in de problemen en de onderlinge verhoudingen verstrikt.

Het is hier eigenlijk omgekeerd als bij de overgang van de eerste naar de tweede vorm: de nieuwe werkgemeenschappen hebben doelen en organisatievormen met een toekomstig karakter, terwijl de enkelingen ‘achterlopen’ in de ontwikkeling, dat wil zeggen nog niet in staat zijn waar te maken wat zij eigenlijk willen en wat de situatie vraagt.

De vraag is nu, hoe we voor deze ‘samenwerkingsconflicten’ vruchtbare oplossingen kunnen vinden.

Uit het voorgaande volgt het al: aanleiding tot dit soort conflicten is het onvermogen van mensen, dat wil zeggen gebrek aan inzicht, kunnen en houdingen ten aanzien van het veld waarin zij handelen, het vormgeven van organisaties, omgaan met mensen enz. Het gaat dus om leerprocessen van mensen! Men kan ook zeggen: het omgaan met conflicten is een agogisch vraagstuk, het is tegelijk ontwikkeling van de mensen en van de organisaties. Omgaan met emancipatieconflicten is dus meer: zich begeven in de sfeer van confrontatie en strijd, terwijl het bij samenwerkingsconflicten vooral gaat om het verzorgen van ontwikkelingsprocessen.

De oplettende lezer zal hier iets herkennen van het probleem van het zogenaamde conflict- en harmoniemodel. Dit blijft veelal in een onvruchtbare controverse steken. Het blijkt dat de voorstanders van het conflict zich sterk betrokken voelen in een emancipatieproces – met alle emoties van dien; de voorstanders van harmonie zijn meestal degenen, die zich verantwoordelijk voelen voor de goede gang van zaken in een samenwerkingsverband. Beide neigen tot de éénzijdige opvatting dat alle vormen van conflict of alleen confronterend of alleen harmoniserend benaderd moeten worden. Daarover zou nog veel meer te zeggen zijn. Ik beperk me tot de opmerking, dat het begrip ‘harmonie’ meestal onjuist gebruikt wordt. Harmonie wordt niet bereikt met door verschillen uit te wissen of alle opvattingen op één na uit te sluiten om eenheid te bereiken – dat zou alleen maar een schijneenheid zijn – maar door de verschillen vruchtbaar te maken, zodat ze (op hoger niveau) samenklinken en elkaar versterken. Dat ziet men pas gebeuren als het boven beschreven proces van ontwikkeling van mensen en organisaties op gang gekomen is en vruchten afwerpt. In Jonas 19 wil ik nader ingaan, op de vermenging van rationele en niet rationele conflicten.

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

2048

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.