Categorie archief: sociale driegeleding

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’ (19)

.

Dit artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
.

Zie ‘voorwoord‘.

.
Ook dit artikel, hoewel lang geleden geschreven, bevat inhoud waar we vandaag de dag nog steeds mee te maken hebben. Het schetst in het kort ook enkele belangrijke kenmerken van het vrijeschoolonderwijs.
.

Dr. A. H. Bos, Zeist
.

Vrijeschoolonderwijs en het beroepsleven van volwassenen
.

Dit tijdschrift streeft er voortdurend naar een nieuw licht te werpen op het vrijeschoolonderwijs – zowel wat betreft de fundamenten die door Rudolf Steiner zijn gelegd als de praktische toepassing ervan in talloze zelfstandige vrijescholen.
In dit artikel willen we laten zien hoe deze ideeën op vruchtbare wijze zijn aangepast voor volwasseneneducatie en hoe de kwestie kan worden bekeken vanuit het totaal andere perspectief van het ‘sociale driegeleding’.

Als je het wezenlijke verschil tussen het vrijeschoolonderwijs en vrijwel alle andere schooltypen en onderwijshervormingsbewegingen zou moeten verwoorden, zou dat als volgt kunnen: het basisconcept van de vrijeschool is het mensbeeld van de zich ontwikkelende mens.
De jaren die een kind op school doorbrengt, maken deel uit van een machtige stroom; de oorsprong daarvan in het voorgeboortelijke sfeergebied onttrekt zich aan ons zicht, net zoals het leven na de dood buiten ons huidige begripsvermogen valt.
In zijn boeken en voordrachten schetste Rudolf Steiner een beeld van de enorme ontwikkelingsreis van het individu en van de mensheid als geheel.
Mensen komen ter wereld met een veelheid aan vermogens en mogelijkheden; de opgave is om deze tot ontplooiing te brengen. We brengen een diepe wijsheid mee uit het voorgeboortelijke sfeergebied, en het doel is om de herinnering daaraan te wekken. We hoeven niets ‘toe te voegen’; we hoeven slechts datgene te wekken en in zijn ontwikkeling te stimuleren wat de ziel reeds in zich draagt. Het is duidelijk hoe deze pedagogische benadering contrasteert met andere onderwijsmethoden die geworteld zijn in het negentiende-eeuwse positivistisch-mechanistische mensbeeld – een visie die de mens beschouwt als een ‘tabula rasa’ (een onbeschreven blad) waarin allerlei zaken moeten worden ingebracht en waarin de leerstof moet worden ingeprent. Net als bij een machine kan er dan – qua vermogens en potentieel – niets meer uitkomen dan wat er door de ontwerper in is gestopt.

Op de vrijeschool is iedere lesstof ontwikkelingsstof. We hoeven niets toe te voegen; we moeten veeleer voeding bieden aan de ontwikkelingsmogelijkheden die inherent zijn aan de ziel. Uiteraard moeten we ook bedenken dat de zich ontwikkelende mens zijn plaats in de moderne wereld moet innemen. Hij moet fundamentele vaardigheden als lezen, schrijven en rekenen beheersen; hij moet zijn weg vinden in de uiterlijke wereld en de spelregels begrijpen, de weg kennen enz.

Niets hiervan mag echter ooit een doel op zich zijn – zoals in de meeste scholen wel het geval is – want dan gaat het ten koste van de menselijke ziel. Het is geen kunst om een ​​kind te leren rekenen; de vraag is of we dat kunnen doen op een manier die de ontwikkeling van morele krachten bevordert.
Het is geen kunst om een ​​kind een aantal historische feiten bij te brengen; de vraag is of we die zo kunnen overbrengen dat het kind een innerlijke band opbouwt met de geschiedenis en de eigen tijd, en dat er wilskrachten worden gewekt om de toekomst actief vorm te geven.
Wanneer iemand de school verlaat, wordt het leven zelf de school. In bredere zin wordt de enorme maatschappelijke wereld daarbuiten een leeromgeving.

De beroepswereld draagt ​​het stempel van dezelfde filosofie – en hetzelfde mensbeeld – als de zojuist beschreven schoolvormen. Het beroepsleven richt zich op uiterlijke productiviteit – op wat tastbaar, meetbaar en zichtbaar is als positief economisch resultaat (examenresultaten!) – en niet op de innerlijke beleving van degene die het werk verricht. Het beroepsleven is pragmatisch en zakelijk. Wie spreekt over menselijke ontwikkeling, krijgt vaak een standaardreactie: “Wij zijn hier geen onderwijsinstelling; mensen moeten zichzelf ontwikkelen – maar dan wel in hun vrije tijd.”

Weliswaar heeft de beroepswereld inmiddels ontdekt dat mensen kunnen leren en dat dit economische voordelen oplevert. Daarom wordt ons tijdperk overspoeld met bijscholing, cursussen, workshops en dergelijke. Toch worden deze bijna allemaal gekenmerkt door de poging om er iets “in te stoppen” zodat het er snel weer “uitgehaald” kan worden. Bovendien zijn veel van deze opleidingsactiviteiten eenzijdig; ze zijn niet gericht op de mens, maar op de functie. Het doel is om het individu toe te snijden op een specifieke rol. Dergelijke activiteiten staan ​​ver af van het idee dat werk zelf zou kunnen dienen als een voortdurende bron van persoonlijke ontwikkeling. Doorgaans vinden deze activiteiten plaats als aanvulling op het eigenlijke werk – fysiek gescheiden daarvan en buiten de werkplek – en voorafgaand aan het aanvaarden van de betreffende functie. Zodra men echter met het werk is begonnen, verdwijnt elke gedachte aan opleiding en ontwikkeling meestal naar de achtergrond. Het doel wordt puur economisch: er moeten specifieke goederen worden geproduceerd of diensten worden verleend tegen zeer concurrerende prijzen. De toegepaste technische en organisatorische methoden zijn nauw afgestemd op dit economische doel. We zien hier dezelfde mentaliteit als bij het ontwerp van gereedschappen en machines ontstaan ​​door een proces van logische analyse, gebaseerd op een helder omschreven kwantitatief doel, gevolgd door een rationele constructie uit afzonderlijke onderdelen. Wie zich verdiept in de moderne organisatietheorie – die de basis vormt voor de structuur van vrijwel alle grote maatschappelijke instellingen (bedrijven, overheidsinstanties, verenigingen, onderwijsinstellingen, enzovoort) – komt overal de figuur van de ontwerper tegen. Alles is logisch bedacht en rationeel op elkaar afgestemd, maar nergens komt je de mens tegen. De machine fungeert hierbij als het onderliggende archetype.

De noodzaak om als mens binnen een dergelijk logisch systeem te functioneren, roept een gevoel van onbehagen op; men merkt dat het systeem als zodanig de mens niet werkelijk kent – ​​dat wil zeggen: het slaagt er niet in om creativiteit, initiatief of verantwoordelijkheidsbesef aan te spreken; kortom, het doet geen beroep op het specifiek menselijke ontwikkelingspotentieel.

Dit onbehagen bleef lange tijd sluimerend, omdat er aanvankelijk meer primaire behoeften vervuld moesten worden. Zolang er sprake is van werkelijke behoeften op puur fysiek niveau, komen hogere behoeften nog niet tot uiting. Naarmate de welvaart toeneemt en er een basis van fysieke verzadiging is gelegd, ontstaat er ruimte voor behoeften van de ziel – zoals erkenning, waardering, positieve menselijke relaties, een gevoel van vervulling in het werk, enzovoort. De afgelopen decennia is er veel aandacht besteed aan deze kwesties (denk aan ‘human relations’ en personeelsmanagement). Gaandeweg wordt echter duidelijk dat de problematiek rond de mens in het arbeidsproces niet louter op het niveau van de ziel kan worden opgelost – tenzij men erkent dat er zich een spirituele ‘Ik-kern’ in de menselijke ziel wil ontwikkelen en dat er aan de behoeften van de ziel nog fundamentelere spirituele behoeften ten grondslag liggen. Deze laatste behoeften zijn verbonden met de menselijke ontwikkeling in de loop van een heel leven. Wie gedurende langere tijd de gelegenheid heeft gehad om met mensen op alle niveaus te spreken – uit uiteenlopende maatschappelijke lagen en in de meest uiteenlopende beroepssituaties – en daarbij ook de ervaringen van anderen betrekt zoals die in recente literatuur naar voren komen, komt tot de conclusie dat er een groeiende weerstand tegen werken bestaat. Mensen willen zich nergens meer aan verbinden; ze missen de wil daartoe; ze ervaren werk als iets negatiefs, enzovoort. Deze verschijnselen wijzen op een opkomende kloof in onze cultuur die catastrofale gevolgen zou kunnen hebben. Ze leiden tot een kloof die het individu dwingt in twee werelden te leven: de ene is de wereld van het beroep – een domein waar steeds minder ruimte is voor de mens, waar men er als het ware ‘uit wordt georganiseerd’, en waar men zich moet neerleggen bij het feit dat hij vele uren per dag zielsdodend werk moet verrichten – werk waarbij hij geen persoonlijk belang heeft bij de doelstellingen en methoden ervan; de andere wereld is die van de vrije tijd, waarin iemand het verdiende geld kan gebruiken – mits hij “geluk” heeft in zijn beroepsleven – om een ​​zekere mate van “mens-zijn” te kopen, en waarin hij hoopt opnieuw menselijkheid te ervaren.

Dit dualisme kan niet eeuwig blijven bestaan: want als de ene sfeer van het menselijk bestaan ​​wordt opgeofferd, zullen de krachten die zich daarvan meester maken onvermijdelijk proberen zich ook de andere sfeer toe te eigenen. We zien de eerste tekenen hiervan al in de commercialisering van de vrije tijd en in het feit dat de menselijkheid die men in de vrije tijd koopt, een namaakmenselijkheid is – een menselijkheid die op den duur een groeiende leegte in de ziel achterlaat.

Het beroepsleven moet worden vermenselijkt – niet door intermenselijke relaties een rooskleurig vernisje te geven, maar door de filosofie en praktijk van leiderschap en organisatie te doordringen van een nieuwe inhoud, gebaseerd op het concept van de zich ontwikkelende mens. Op die manier treedt het individu werkelijk als een zelfbewust wezen het beroepsleven binnen. Bij elke functie moet men, naast de twee eerder genoemde vragen, een derde vraag stellen: niet slechts of de functie doelgericht is – dat wil zeggen, of ze uiteindelijk bijdraagt ​​aan het bevredigen van klantbehoeften (wat de economische taak van de onderneming is) – en evenmin enkel of ze logisch past in de totale functiestructuur (organisatie in strikte zin vertegenwoordigt het “juridische aspect” van het bedrijf, aangezien ze in wezen een complex van regels, normen en afspraken vormt met betrekking tot de gebieden waarop iedereen op gelijke voet staat); maar ook of de functie een zinvolle rol kan spelen in de geestelijke ontwikkeling van de medewerkers.

Dit betekent dat er, als het ware, een volledig nieuwe dimensie wordt toegevoegd aan het functioneren van de onderneming. We weten nog weinig over de ontwikkelingsdynamiek van de volwassene; we hebben weinig inzicht in welke soorten werk – in de verschillende fasen van de menselijke levensloop – de ontwikkeling remmen of juist bevorderen; en we hebben nog weinig geleerd over de vraag of alternatieve combinaties van functies, taakverdelingen, taakontwerpen, communicatiemethoden, besluitvormingsprocedures en dergelijke een positieve invloed op het individu zouden kunnen hebben. Toch is het dringend noodzakelijk dat we ons met deze vragen bezighouden. Hier ligt een grotendeels onontgonnen terrein, zowel voor wetenschappelijk onderzoek als voor organisatorische en pedagogische verbeeldingskracht en creativiteit. Net zoals er voor elke vrijeschoolleerkracht een pedagogische uitdaging erin bestaat om lesstof om te zetten in materiaal voor persoonlijke ontwikkeling, staan ​​we voor een vergelijkbare uitdaging: elke werksituatie omzetten in een kans voor ontwikkeling.

Met “ons” bedoelen we het Nederlands Pedagogisch Instituut in Zeist, Nederland, dat – onder leiding van professor Lievegoed – zich al tien jaar in de praktijk met deze vraagstukken bezighoudt. Dit sociaal-pedagogische werk heeft ook in Zwitserland wortel geschoten.

Dr.Bos was medewerker van het NPI.
Hij schreef boeken en artikelen.  
Op deze blog staan een aantal van zijn artikelen.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3577-3370

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 305 – voordracht 10

.

GA 305 bevat 12 voordrachten, 2 toespraken en een slotwoord.
De eerste negen voordrachten werden vertaald.
De vertaalde toespraken vind je op deze blog, het nawoord volgt nog.

De laatste drie gaan niet specifiek over vrijeschoolpedagogie(k), maar wel over sociale driegeleding. Vrijheid van onderwijs is een voorwaarde om het door Steiner bedoelde vrijeschoolonderwijs te kunnen realiseren.

Sociale driegeleding en vrijeschool hebben in Nederland niet zo’n hechte relatie, terwijl je zou kunnen zeggen dat de sociale driegeleding de moederschoot van de vrijeschoolpedagogie(k) is.

Er zullen redenen zijn om de voordrachten 10 t/m 12 niet op te nemen. Hopelijk is daar de ‘desinteresse’ niet bij……

.
Inhoud van de voordracht:

De evolutie van het sociale leven in de mensheid.
De ontoereikendheid van gangbare opvattingen over de complexiteit van het moderne sociale leven; de noodzaak om de werking van het verleden en de kiemen van de toekomst in het heden te onderkennen.
De sociale evolutie van de mensheid: de stroom van oosterse theocratieën – eenvormige ordening door goddelijke inspiratie.
De stroom van het door recht gevormde staatsleven (Rome); de opkomst van handel, industrie en arbeid; dialectisch-logisch denken; rechtsgeleerdheid en theologie.
De ontwikkeling van het moderne wetenschappelijke denken.
De opkomst en ontwikkeling van het marxisme; de ​​invloed daarvan op Rusland. De derde, westerse stroom van het economische leven, gevormd door industrie en machine.

GA 305

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst
Spirituelle Werte in Erziehung und sozialem Leben

Opvoeding en onderwijs
Spirituele grondslagen

Die soziale Frage

                                                      Het sociale vraagstuk

Blz. 183

Voordracht 10, Oxford, 26 augustus 1922 

Die Entwickelung des sozialen Lebens in der Menschheit

Meine Damen und Herren! Es ist in der Gegenwart eine allgemeine
Angelegenheit der ganzen Menschheit geworden, die soziale Frage zu
betrachten, und innerhalb der sozialen Frage diejenigen Antworten zu
finden, welche gerade in der Gegenwart geeignet sind, ein Handeln der
Menschen hervorzurufen, das unsere sozialen Verhältnisse derjenigen
Richtung zuführen kann, die als ein Unbestimmtes, ich möchte sagen,
nebelhaftes Zukunftsgebilde vielen Menschen vorschwebt, über die aber keineswegs heute schon irgendwelche klaren Begriffe vorhanden sein können, ich sage: können, und nicht: vorhanden sind.
Wenn ich mir erlaube, in drei kurzen Vorträgen über die soziale Frage zu sprechen, so ist es ja selbstverständlich, daß ich nur einige recht unbefriedigende Gesichtspunkte werde geben können, und daß manches von dem, was ich nur vage andeuten kann wegen der Kürze der Zeit, erst wird Gestalt gewinnen müssen, in dem, was die verehrten Zuhörer aus meinen Worten machen werden. Die Vorträge bitte ich daher nur als ganz vage Andeutungen zu betrachten, die einige Anregungen geben wollen.

De ontwikkeling van het sociale leven in de mensheid

Dames en heren! In onze tijd is de sociale kwestie een zaak geworden die de gehele mensheid aangaat. Het gaat erom binnen die kwestie antwoorden te vinden – antwoorden die passen bij het huidige moment – ​​die menselijk handelen kunnen inspireren; een handelen dat in staat is onze maatschappelijke verhoudingen te sturen naar een toekomstige toestand die velen slechts als iets onbepaalds, of misschien moet ik zeggen ‘neveligs’, voor zich zien; een toestand waarover – en ik benadruk dat deze ‘kan’ bestaan, niet dat hij ‘reeds’ bestaat – nog geen heldere begrippen kunnen bestaan.
Wanneer ik mij erop toeleg om in drie korte voordrachten over de sociale kwestie te spreken, spreekt het vanzelf dat ik slechts enkele, vrij onvolledige gezichtspunten kan bieden. Bovendien zal veel van datgene waar ik vanwege de beperkte tijd slechts vaag op kan zinspelen, vorm moeten krijgen door wat u, mijn geachte toehoorders, met mijn woorden doet. Ik verzoek u daarom deze voordrachten slechts te beschouwen als zeer vage aanduidingen, bedoeld om enkele aanknopingspunten te bieden voor verdere overdenking.

Die soziale Frage, wie liegt sie uns denn eigentlich heute vor? Sie liegt uns durchaus nicht, wenn wir unbefangen das Menschenleben der Gegenwart betrachten, so vor, daß wir eine klare Formulierung von ihr haben, daß wir wüßten, das ist die soziale Frage, und so kann man sie lösen. Das ist ja gar nicht der Fall. Was uns vorliegt, ist eine große Summe von differenzierten Lebensverhältnissen über die Erde hin, welche Klüfte und Abgründe zwischen den inneren menschlichen Erfahrungen und Erlebnissen und dem äußeren wirtschaftlichen Lebensstande innerhalb der Menschheit hervorgerufen haben. Diese mannigfaltig differenzierten Verhältnisse sind da. Wie mannigfaltig sie differenziert sind, das kann derjenige sich leicht vor die Seele rücken, der
hinschaut auf die ganz verschiedene Art, wie diese Lebensverhältnisse

Hoe doet de sociale kwestie zich vandaag de dag eigenlijk aan ons voor? Als we zonder vooroordelen naar het hedendaagse menselijke leven kijken, verschijnt deze zeker niet als iets dat helder geformuleerd is – iets waarvan we zouden kunnen zeggen: “Dit is de sociale kwestie en zo kan ze worden opgelost.” Dat is geenszins het geval. Waarmee we worden geconfronteerd, is een enorme verscheidenheid aan levensomstandigheden over de hele wereld – omstandigheden die kloven en diepe scheidslijnen hebben getrokken tussen de innerlijke menselijke beleving en de uiterlijke economische omstandigheden. Deze veelsoortige en uiteenlopende omstandigheden bestaan ​​nu eenmaal. Men kan zich de omvang van deze verscheidenheid gemakkelijk voor de geest halen door de totaal verschillende aard van de levensomstandigheden van vóór

Blz. 184

waren vor dem furchtbaren Weltkriege, und wie sie jetzt sind nach dem Weltkriege.
Wenn man nur ein wenig ein größeres Territorium der Erde in Betracht zieht, dann wird man bald finden, daß die Differenzierung in den sozialen Lebensverhältnissen vor und nach dem Kriege etwas Grundverschiedenes ist gegenüber auch den Verhältnissen, wie sie etwa noch vor fünfzig Jahren auf demselben Territorium waren.
Wir schauen vielleicht heute, und man muß sagen, Gott sei Dank, mehr mit unserem Herzen in diese Lebensverhältnisse hinein, empfinden das Tragische; aber der Verstand, der Intellekt, so sehr er auch ausgebildet worden ist in den letzten Jahrhunderten, er kam nicht nach.
Das ist das Eigentümliche in allen sozialen Verhältnissen der Gegenwart, daß die Frage der Wirklichkeit, des unmittelbaren Lebens ungeheuer drängen, und daß das Begreifen der Menschen nicht nachkommen will.
Wenn wir uns fragen: Wo sind die fruchtbaren sozialen Ideen? – dann werden wir wenig finden, was wir bei völliger Unbefangenheit so bezeichnen können. Gerade die Gedanken der Menschen pflegen, wenn es sich um das soziale Leben handelt, zu versagen.

de verschrikkelijke wereldoorlog te vergelijken met de situatie van nu, in de nasleep van die oorlog. Wie ook maar een enigszins groter gebied van de aarde in ogenschouw neemt, zal al snel ontdekken dat het verschil in sociale levensomstandigheden van voor en na de oorlog iets fundamenteel anders vertegenwoordigt dan de omstandigheden die in datzelfde gebied heersten – laten we zeggen – vijftig jaar geleden.

Vandaag de dag kijken we wellicht meer met het hart naar deze levensomstandigheden – en, zo kan je wel zeggen, godzijdank daarvoor – en voelen we de tragiek ervan aan; toch is het verstand, het intellect – hoe hoogontwikkeld dat in de afgelopen eeuwen ook is geraakt – er niet in geslaagd gelijke tred te houden.
Dit is het kenmerkende van alle hedendaagse sociale verhoudingen: vragen omtrent de werkelijkheid en het directe leven dringen zich met enorme urgentie aan ons op, terwijl het menselijk begripsvermogen moeite heeft om bij te blijven.
Als we ons afvragen: “Waar zijn de vruchtbare sociale ideeën?”, vinden we weinig dat – volkomen onbevooroordeeld bezien – werkelijk als zodanig kan worden bestempeld. Juist wanneer het om het sociale leven gaat, schiet het menselijk denken vaak tekort.

Nun, heute ist infolge der sozialen Entwickelung, die die Menschheit
genommen hat, die Frage des sozialen Zusammenlebens unmittelbar geknüpft an eine andere Frage, in der nur Sachkenntnisse den Ausschlag geben können, nur die wirkliche Einsicht in das Konkrete den Ausschlag geben kann.
Meine Damen und Herren, über ein Paradies auf Erden, in dem die Menschen gut leben können, in dem alle Menschen zufrieden sein können, zu denken, ist sehr leicht. Das ergibt sich, man möchte sagen, von selbst. Zu sagen, wie aus der Konfiguration unseres Wirtschaftslebens, aus den einzelnen konkreten Tatsachen, die sich aus der Natur, aus der menschlichen Arbeit, aus dem menschlichen Erfindungs-und Kombinationsgeist ergeben, zu sagen, wie da heraus für die Menschen allmählich ein menschenwürdiges Dasein sich entwickeln soll, das erfordert eine so eingehende tiefe Sachkenntnis, wie kein Zweig der Wissenschaft, wie kein Zweig innerhalb der Naturerkenntnis. Denn gegenüber der Komplikation der sozialen wirtschaftlichen Tatsache ist

Vandaag de dag is, als gevolg van de maatschappelijke evolutie die de mensheid heeft doorgemaakt, de kwestie van het maatschappelijk samenleven direct verbonden met een andere vraagstuk – een kwestie waarbij alleen deskundige kennis, alleen werkelijk inzicht in de concrete werkelijkheid, de doorslag kan geven.
Dames en heren, het is heel eenvoudig om zich een aards paradijs voor te stellen waar mensen een goed leven kunnen leiden en tevredenheid kunnen vinden. Dat idee dient zich, zo zou je kunnen zeggen, heel vanzelfsprekend aan. Maar om uiteen te zetten hoe zich voor mensen – vanuit de constellatie van ons economisch leven, vanuit de specifieke, concrete feiten die voortkomen uit de natuur, de menselijke arbeid en de menselijke geest van vindingrijkheid en synthese – geleidelijk een werkelijk menselijk bestaan ​​kan ontwikkelen, is een diepgaande deskundigheid vereist die die van elke wetenschappelijke discipline of elk natuuronderzoek overstijgt. Want vergeleken met de complexiteit van de maatschappelijke en economische werkelijkheid is

Blz. 185

dasjenige, was wir unter dem Mikroskop sehen und durch das Teleskop am
Himmel beobachten, außerordentlich einfach. So muß man sagen: Gerade auf dem Gebiete der sozialen Frage möchte heute jeder mitreden, und die wenigsten Menschen haben die Geduld und die Ausdauer und auch nur die Gelegenheit, sich die konkreten Sachkenntnisse zu erwerben. Daher haben wir hinter uns ein Zeitalter in bezug auf die soziale Frage, von dem wir sagen müssen: Wir danken Gott, daß es hinter uns ist. – Es ist das Zeitalter der Utopie,
das Zeitalter, wo man, ich möchte sagen, in romanhafter Weise ausgedacht hat, wie die Menschen in der Zukunft leben sollen, damit sie eine Art Paradies auf Erden finden. Ob man diese Utopie niedergeschrieben hat, oder ob man sie in der Wirklichkeit begründen will, wie das Owen in England oder Oppenheimer in Deutschland wollen, das ist es nicht, worauf es ankommt. Ob man Utopien in ein Buch schreibt, bei dem man einsehen kann, das läßt sich nicht verwirklichen, oder ob man irgendwo in einer kleinen Kolonie einen wirtschaftlichen Parasiten gründet, der nur bestehen kann, weil noch die andere Welt da ist, und der nur bestehen kann, solange als er sich als Parasit der Wirtschaftswelt erhält und dann zugrunde geht, das ist im Grunde genommen in bezug auf das gegenwärtige Leben der Menschheit, in bezug auf
das Soziale ganz das gleiche. 

datgene wat we onder de microscoop of door de telescoop aan de hemel waarnemen, buitengewoon eenvoudig. Er moet dus worden vastgesteld: vooral wat de sociale kwestie betreft, wil iedereen tegenwoordig meepraten, maar slechts weinigen beschikken over het geduld, het doorzettingsvermogen of zelfs maar de gelegenheid om concrete, feitelijke kennis op te doen. Daarmee hebben we een tijdperk rond de sociale kwestie achter ons gelaten waarvan we moeten zeggen: godzijdank is het voorbij. Het is het tijdperk van de utopie – een tijd waarin men, op een manier die aan fictie deed denken, bedacht hoe de mensheid in de toekomst zou moeten leven om een ​​soort aards paradijs te vinden. Het maakt daarbij niet uit of je die utopie slechts op papier zet of probeert die in de werkelijkheid te verwezenlijken – zoals Owen in Engeland of Oppenheimer in Duitsland probeerde te doen. Of je nu utopieën in een boek beschrijft – in het volle besef dat ze niet te realiseren zijn – dan wel een economische parasiet in de vorm van een kleine kolonie vestigt (die slechts kan voortbestaan ​​bij de gratie van de buitenwereld, en slechts zolang ze als parasiet op het economische systeem leeft alvorens uiteindelijk ineen te storten): het resultaat is, in wezen, precies hetzelfde voor het huidige leven van de mensheid en de sociale sfeer.

Nun handelt es sich darum, daß man vor allen Dingen, will man über die soziale Frage sprechen, sich ein Auge, einen Sinn aneignen muß für dasjenige, was in den Untergründen der Menschheit sozial pulsiert, was in der Vergangenheit war, was in der Gegenwart da ist, was in die Zukunft hineinwirken will, denn das, was in die Zukunft hineinwirken will, ist zum großen Teile im Unbewußten der Menschen überall vorhanden. Wir werden daher in diesen Vorträgen gerade auf dieses Unbewußte in den Menschen außerordentlich stark hinweisen müssen. Aber vor allen Dingen ist es notwendig, daß man sich einen Begriff davon macht, wie die Verhältnisse über die Erde hin in bezug auf das soziale Leben im großen sind, wie sie sich geschichtlich entwickelt haben.
Denn, meine Damen und Herren, dasjenige, was einstmals vor langen Zeiten war, das ist ja noch immer unter uns als Tradition, als Rest, und wir

Wie over de sociale kwestie wil spreken, moet allereerst oog krijgen – een gevoel ontwikkelen – voor de sociale krachten die in de diepten van de mensheid pulseren: voor wat er in het verleden bestond, wat er heden ten dage aanwezig is en wat in de toekomst wil doorwerken; want datgene wat de toekomst wil vormgeven, is grotendeels aanwezig in het onbewuste van mensen overal ter wereld. In deze voordrachten zullen we daarom grote nadruk moeten leggen op dit onbewuste element in de mens. Bovenal is het echter essentieel om inzicht te verwerven in de algemene omstandigheden van het maatschappelijk leven wereldwijd en de wijze waarop deze zich historisch hebben ontwikkeld.
Want, dames en heren, wat lang geleden bestond, is nog steeds onder ons – als traditie, als overblijfsel – en we

Blz. 186

können das, was unter uns dasteht, nur verstehen, wenn wir dasjenige verstehen, was einmal vor langen Zeiten da war. Und dasjenige, was Gegenwart ist, vermischt sich immer schon mit etwas, was hintendiert nach der Zukunft, und wir müssen verstehen, was da schon Zukünftiges, Keimhaftes in unserer Gegenwart herinnensteckt. Wir dürfen die Vergangenheit nicht bloß als etwas betrachten, was vor Jahrhunderten war, sondern was vielfach noch unter uns lebt, und was auch wirkt, und was wir nur verstehen als ein gegenwärtig Vergangenes oder vergangenes Gegenwärtiges, wenn wir es richtig zu taxieren verstehen. Da ergeben sich nur Einsichten, wenn wir die äußeren Symptome auf die tief erliegenden Gründe zurückführen können.
Mißverstehen Sie mich nicht, meine Damen und Herren, man muß, wenn man solche Dinge ausspricht, manchmal etwas stark auf die Dinge hinweisen, und es könnte scheinen, als ob man manches tadeln wollte, was man nur charakterisieren will. Also, ich will nicht tadeln, wenn das Vergangene heute in der Gegenwart noch drinnensteckt, ich kann sogar dieses Vergangene bewundern und außerordentlich sympathisch finden, indem es sich in die Gegenwart hineinstellt, aber ich muß wissen, wenn ich sozial denken will, daß es ein Vergangenes ist, und sich auch als Vergangenes eben richtig in die Gegenwart hineinstellen muß. So muß sich ein Gefühl für das unmittelbare soziale Leben mir aneignen
können.

kunnen datgene wat zich nu aan ons voordoet slechts begrijpen als we begrijpen wat er ooit in een ver verleden bestond. Datgene wat het heden uitmaakt, is altijd al verweven met iets dat naar de toekomst neigt; we moeten de elementen van de toekomst – de kiemen van wat komen gaat – begrijpen die reeds in ons heden besloten liggen. We mogen het verleden niet louter beschouwen als iets dat eeuwen geleden bestond, maar veeleer als iets dat vaak nog onder ons leeft en werkzaam blijft – iets dat we slechts als een “heden-verleden” of een “verleden-heden” kunnen doorgronden als we het op de juiste wijze weten te duiden. Inzichten ontstaan ​​pas wanneer we uiterlijke verschijnselen kunnen herleiden tot hun dieperliggende oorzaken. Begrijp me niet verkeerd, dames en heren: bij het verwoorden van dergelijke zaken moet je soms met nadruk spreken, en kan het lijken alsof er kritiek geleverd wordt op iets dat je in feite slechts wil typeren. Het is niet mijn bedoeling kritiek te leveren op het feit dat het verleden in het heden voortleeft; sterker nog, ik kan dat verleden bewonderen en het bijzonder aansprekend vinden in de manier waarop het zich in het heden manifesteert. Wil ik echter in sociale termen denken, dan moet ik het erkennen als iets dat tot het verleden behoort – iets dat zijn juiste plaats in het heden moet innemen, maar dan als verleden. Op die manier moet ik in staat zijn een waarachtig gevoel voor het directe sociale leven te ontwikkelen.

Zum Beispiel – Sie verzeihen, wenn ich aus der unmittelbarsten Gegenwart ein vielleicht etwas merkwürdiges, aber ganz gewiß nicht irgendwie verletzend gemeintes Symptom Ihnen anführe – gestern begegnete uns auf der Straße der verehrte Chairman im Talar und mit dem Barett. Er sah sehr schön aus. Ich mußte ihn bewundern. Aber, meine sehr verehrten Damen und Herren, ich hatte nicht nur das Mittelalter vor mir, sondern ich dachte, es käme mir jemand entgegen aus den alten orientalischen Theokratien in der unmittelbaren Gegenwart.
Nicht wahr, in dem Talar steckte ja in diesem Falle eine ganz gegenwärtige Seele, sogar eine Anthroposophenseele, die sich vielleicht sogar noch zuschreibt, Zukunft in sich zu haben; aber dasjenige, was unmittelbar symptomatisch physiognomisch, möchte ich sagen, sich ausdrückte, das ist Geschichte, das ist Geschichte in der Gegenwart.

Neem bijvoorbeeld – u zal het mij niet kwalijk nemen als ik een verschijnsel uit het directe heden aanhaal, iets wat misschien wat eigenaardig is, maar zeker niet beledigend bedoeld – gisteren kwamen we de geachte voorzitter op straat tegen, gekleed in zijn academische toga en baret. Hij zag er voortreffelijk uit; ik kon niet anders dan bewondering voor hem voelen. Toch, dames en heren, had ik niet alleen het gevoel dat de middeleeuwen voor mij stonden, maar dat ik iemand ontmoette uit de oude theocratieën van het Oosten – hier, in het directe heden. Weliswaar huisde in die toga een door en door hedendaagse ziel – zelfs een antroposofische ziel, die zichzelf wellicht beschouwt als belichaming van de toekomst – maar wat zich daar op een, ik zou bijna zeggen, direct symptomatische en fysionomische wijze manifesteerde, was de geschiedenis; het was geschiedenis in het heden.

Blz. 187

Und so müssen wir, wenn wir das soziale Leben verstehen wollen,
wenn wir selbst die wirtschaftlichen Verhältnisse verstehen wollen,
die tagtäglich auf unserem Kaffeetisch am Morgen wirksam sind, die
bewirken, wieviel wir aus unserem Portemonnaie nehmen müssen,
um diesen Frühstückstisch zu besorgen, wir müssen, um diese Verhältnisse zu verstehen, einen Überblick haben über die soziale Entwickelung
der Menschheit. Und diese soziale Entwickelung der Menschheit wird
heute, gerade wenn man die soziale Frage anschaut, fast nur im materialistischen Sinne behandelt.
Man muß zuerst hinschauen auf ganz andersartige Verhältnisse, die
einmal innerhalb der geschichtlichen und vorgeschichtlichen Entwickelung der Menschheit waren. Man muß schon hinschauen auf jene sozialen Gemeinschaften, die man gerade als die orientalischen, noch
stark nach Westen herüberwirkenden Theokratien auffassen kann.
Das waren ganz andere soziale Gemeinschaften. Das waren soziale
Gemeinschaften, in denen die Struktur der menschlichen Verhältnisse
bewirkt worden war durch die Inspiration einer den übrigen Verhältnissen der Welt fremden Priesterschaft.

Als we dus het maatschappelijk leven willen begrijpen – en daarmee de economische omstandigheden die ons dagelijks aan de ontbijttafel raken en bepalen hoeveel we uit onze portemonnee moeten halen om die maaltijd te bekostigen – dan moeten we zicht hebben op de sociale evolutie van de mensheid. Toch wordt deze evolutie tegenwoordig, vooral wanneer de ‘sociale kwestie’ wordt bestudeerd, bijna uitsluitend vanuit een materialistisch perspectief benaderd.
We moeten allereerst kijken naar de sterk uiteenlopende omstandigheden die heersten in de verschillende stadia van de menselijke geschiedenis en prehistorie. We moeten aandacht besteden aan die sociale gemeenschappen die kunnen worden gekenschetst als oosterse theocratieën – systemen die een krachtige invloed uitoefenden die tot in het westen reikte. Het ging hier om sociale gemeenschappen van een totaal andere aard; gemeenschappen waarin de structuur van de menselijke verhoudingen werd gevormd door de inspiratie van een priesterklasse die losstond van de overige wereldse omstandigheden.

Da hat man herausgeholt aus demjenigen, was sich einem an geistigen Impulsen ergab, die Impulse für die äußere Welt. Wenn Sie noch sehen, wie in Griechenland, in Rom, die soziale Struktur ist: ein ungeheures Sklavenheer, darüber eine in sich selbst zufriedene, wohlhabende – die Worte sind natürlich relativ gemeint – Oberschicht, dann können Sie diese soziale Struktur nicht
verstehen, ohne daß Sie hinschauen auf deren Ursprung, auf den theokratischen Ursprung, innerhalb dessen es möglich war, diese soziale Struktur als ein Gottgegebenes oder Göttergegebenes den Menschen glaubhaft zu machen, glaubhaft nicht nur für den Kopf, glaubhaft für das Herz, glaubhaft für den ganzen Menschen; so daß der Sklave tatsächlich sich in der richtigen Weise durch die göttliche Weltenordnung einmal an seinen Platz hingestellt fühlte. Nur aus dem Durchsetztsein der äußeren materiell-physischen sozialen Struktur mit inspirierten Geboten ist das soziale Leben in alten Zeiten der Menschheit zu erklären.
Und aus diesen Geboten, die eine der Welt entzogene Priesterschaft von außerhalb der Welt zu bekommen suchte, aus diesen Geboten ging 

Uit de spirituele impulsen die zich aandienden, putten mensen de impulsen voor de uiterlijke wereld. Wie de sociale structuur in Griekenland of Rome beschouwt – een enorm leger van slaven met daarboven een zelfvoldane, vermogende bovenlaag (begrippen die uiteraard relatief moeten worden opgevat) – kan die structuur niet begrijpen zonder naar de oorsprong ervan te kijken: de theocratische oorsprong die het mogelijk maakte deze maatschappelijke orde aan mensen te presenteren als iets dat door God of de goden was verordend – en wel op een wijze die niet slechts het verstand, maar ook het hart en de gehele mens overtuigde. Zo voelde de slaaf zich door de goddelijke kosmische orde werkelijk en terecht op zijn plaats gesteld. Het sociale leven in het verre verleden van de mensheid laat zich slechts verklaren door het feit dat de uiterlijke, materieel-fysieke sociale structuur doordrongen was van geïnspireerde geboden. En uit deze geboden – die een zich uit de wereld teruggetrokken priesterschap trachtte te ontvangen vanuit een sfeer buiten de wereld –

Blz. 188

nicht nur dasjenige hervor, was der Mensch für sein Seelenheil haben sollte, nicht nur, was er über Geburt und Tod dachte und empfand, sondern es ging dasjenige hervor, was das Verhältnis bilden sollte zwischen Mensch und Mensch.
Aus dem weiten Orient herüber tönt nicht nur das Wort: «Liebe Gott über Alles», sondern auch das andere: «und deinen Nächsten als dich selbst.» Wir nehmen heute ein solches Wort «deinen Nächsten als dich selbst» sehr abstrakt auf. Es war nicht so abstrakt in der Zeit, als von dem inspirierten Priester dieses Wort in die Menge klang. Da wurde es zu etwas zwischen den Menschen Wirkendem, wofür später alle diejenigen konkreten Verhältnisse traten, die wir unter dem Namen des Rechtes und der Moral zusammenfassen.

Denn diese Verhältnisse des Rechtes und der Moral, die sich erst später der Menschenentwickelung eingliedern, die waren in dem ursprünglichen göttlichen Gebote: «Liebe deinen Nächsten als dich selbst» enthalten durch die ganze Art und Weise, wie sie durch die inspirierte Priesterschaft in der Theokratie in die Welt hineingetragen wurden.

kwam niet alleen voort wat nodig was voor het heil van de menselijke ziel, of hoe men dacht en voelde over geboorte en dood, maar ook de aard van de onderlinge menselijke verhoudingen zelf.
Uit het weidse Oosten klinkt niet alleen het gebod “Heb God lief boven alles”, maar ook het andere: “en uw naaste als uzelf”. Tegenwoordig vatten wij de uitdrukking “uw naaste als uzelf” in zeer abstracte zin op. Zo abstract was dat niet in de tijd dat dit woord, uitgesproken door een geïnspireerde priester,
weerklonk voor de menigte. Het werd een kracht die tussen mensen werkte –
een kracht die later werd vervangen door de concrete verhoudingen die wij scharen onder de noemers van recht en moraal.
Want die verhoudingen van recht en moraal – die pas in een later stadium
in de menselijke evolutie werden opgenomen – lagen reeds besloten in het oorspronkelijke goddelijke gebod “Heb uw naaste lief als uzelf”, en wel door de wijze waarop dat gebod door het geïnspireerde priesterschap binnen de theocratie in de wereld was gebracht.

Ebenso waren die Verrichtungen des Wirtschaftslebens, dasjenige, was der Mensch tun sollte, was er tun sollte mit dem Vieh, was er tun sollte mit Grund und Boden – Sie finden den Nachklang dazu noch in der mosaischen Gesetzgebung -, das war aus den göttlich gedachten Eingebungen heraus festgestellt. Der Mensch fühlte sich als von den göttlichen Mächten in bezug auf sein geistiges Leben, in bezug auf sein Rechtsleben und moralisches Leben, in bezug auf sein Wirtschaftsleben in das Irdische hineingestellt. Eine einheitliche Struktur, wo die Glieder deshalb, weil ein Impuls in ihnen steckte, zusammenwirkten, war die Theokratie. Die drei Glieder: Geistesleben, Rechts-, dasjenige was wir heute auch Staatsleben nennen, dasjenige was wir Wirtschaftsleben nennen, war in einem einheitlichen Organismus, der durchpulst wurde von dem, was nicht auf der Erde zu finden war an Impulsen, zusammengefaßt.
In der weiteren Entwickelung der Menschheit ist das das Eigentümliche, daß diese drei Impulse, Geistesleben, staatlich-juristisch-moralisches Leben, und wirtschaftliches Leben, auseinanderdrängten, sich differenzierten. Aus dem einen Strom, der in den Theokratien als einheitliches Menschenleben dahinfloß, wurden allmählich zwei, wie ich 

Evenzo werden de activiteiten van het economische leven – wat de mens moest doen, hoe hij moest omgaan met vee en land (waarvan men de weerklank nog in de Mozaïsche wetgeving kan vinden) – bepaald door goddelijk geïnspireerde impulsen. De mens voelde zich door goddelijke machten in de aardse sfeer geplaatst – wat betreft zijn geestelijk leven, zijn juridisch en moreel leven en zijn economisch leven. De theocratie vormde een samenhangend geheel waarin deze onderdelen samenwerkten, omdat ze werden gedreven door een gemeenschappelijke impuls. De drie sferen – het geestelijk leven, het juridisch-politiek-morele leven (wat wij tegenwoordig het staatsleven noemen) en het economisch leven – waren verenigd in één enkel organisme, dat doordrongen was van impulsen die niet op aarde hun oorsprong vonden. Een kenmerkend aspect van de verdere evolutie van de mensheid is dat deze drie impulsen – het geestelijk leven, het staatsrechtelijk-morele leven en het economisch leven – uiteen zijn gedreven en zich hebben gedifferentieerd. De ene stroom, die in theocratieën als een verenigd menselijk bestaan ​​vloeide, splitste zich geleidelijk in tweeën – zoals ik 

Blz. 189

gleich nachher zeigen werde, und nachher drei; und diesen drei Strömen stehen wir heute gegenüber.
Dasjenige, was sich aus diesem einen Strom der Theokratie ergeben
hat, will ich nachher in dem zweiten Teile nach der Übersetzung besprechen.
Meine Damen und Herren, die Theokratie, so wie sie in alten Zeiten
bestanden hat mit der Inspiration der Mysterienpriester, die hineinfloß
in die soziale Struktur, in das juristisch-moralische und auch in das
wirtschaftliche Leben, diese Theokratie wird, um nur das eine anzuführen, im wirtschaftlichen Leben bloß fertig, kann nur zustande kommen mit demjenigen, was im wirtschaftlichen Leben bis zur Landwirtschaft geht, mit demjenigen, was zu tun hat mit dem Verhältnis des Menschen zu Grund und Boden. Es lassen sich gebotartige Verhaltungsmaßregeln für das wirtschaftliche Leben herausgestalten aus der Inspiration, wenn das wirtschaftliche Leben in seiner Hauptsache im Grund und Boden, in der Landwirtschaft, Viehzucht und so weiter begründet ist.

zo dadelijk zal aantonen – en later in drieën; en het zijn deze drie stromen waarmee wij vandaag de dag worden geconfronteerd.
Ik ben van plan om later, in het tweede deel na de vertaling, te bespreken wat er uit deze ene stroom van theocratie is voortgekomen.
Dames en heren, de theocratie – zoals die in de oudheid bestond, waarbij de inspiratie van de mysteriepriesters doorwerkte in de maatschappelijke structuur, in het juridisch-morele leven en in het economische leven – kon binnen de economische sfeer slechts functioneren of ontstaan ​​door zich te richten op zaken die de landbouw betroffen: namelijk de verhouding van de mens tot de grond. Uit een dergelijke inspiratie kunnen richtlijnen voor het economische leven worden afgeleid wanneer dat economische leven voornamelijk op de grond is gebaseerd – op landbouw, veeteelt en dergelijke.

Das beruht darauf, daß eben ein eigentümliches Verhältnis besteht zwischen dem Menschen, der an den Grund und Boden sich anschmiegt. Er hat in seinem Herzen dasjenige, was entgegenkommen kann dem, was aus der Theokratie herauskommt.
In dem Augenblicke, wo in der Entwickelung der Menschheit anfangen Handel und Gewerbe eine größere Rolle zu spielen, in dem Augenblicke wird es anders. Die alten, die ältesten Theokratien, sie können nur verstanden werden, wenn man weiß, daß im wesentlichen alles wirtschaftliche Leben auf der Zugehörigkeit des Menschen zu Grund und Boden beruht, daß Handel und Gewerbe gewissermaßen nur oben aufgesetzt waren. Sie waren ja da, aber sie entwickelten sich so, daß sie sich im Anschluß an die Verhältnisse in bezug auf Grund und
Boden, die Landwirtschaft entwickelten. Wir sehen in der Entwickelung der Menschheit, wie Handel und Gewerbe sich gewissermaßen emanzipieren von dem Landwirtschaftlichen, erst ganz in seinem Anfange im alten Griechenland, und dann deutlicher in dem alten römischen Reiche. Da sehen wir, wie gewissermaßen herauswächst wie etwas 

Dit berust op het feit dat er een bijzondere band bestaat tussen de mens en de grond waarmee hij nauw verbonden is. Hij draagt ​​in zijn hart iets dat kan reageren op wat uit de theocratie voortkomt. De situatie verandert zodra handel en nijverheid een grotere rol gaan spelen in de ontwikkeling van de mensheid. De oude – ja, de alleroudste – theocratieën zijn slechts te begrijpen als men beseft dat het gehele economische leven in wezen rustte op de verbondenheid van het individu met de grond, en dat handel en nijverheid er als het ware slechts bovenop lagen. Ze bestonden weliswaar, maar ontwikkelden zich in samenhang met de omstandigheden die de landbouw en het grondgebruik bepaalden. In de loop van de menselijke evolutie zien we hoe handel en nijverheid zich geleidelijk losmaken van de landbouw – eerst in een vroeg stadium in het oude Griekenland, en vervolgens duidelijker in het Romeinse Rijk. We zien hoe de menselijke activiteit op het gebied van handel en nijverheid zich losmaakt uit de sociale structuur en iets

Blz. 190

Selbständiges in der sozialen Struktur die Betätigung des Menschen im Handel und Gewerbe, und das gibt dem ganzen römischen Leben namentlich seine Konfiguration.
Als dasjenige, was sich für die Menschen aus dieser Emanzipation
ergab im römischen Reiche, tief zu Herzen ging den Gracchen, Tiberius
Sempronius Gracchus, Cajus Gracchus, als es in deren Herzen Wort
annahm, zur Tat wurde, da entstanden die großen sozialen Kämpfe des
alten Rom. Die erste Streikbewegung war im Grunde genommen im
alten Rom, als die Menschen hinauszogen auf den «Heiligen Berg» und
ihre Rechte verlangten, da entstand das Drängen nach einer Neugestaltung in die Zukunft hinein.
Und dasjenige, was man jetzt erst als etwas Selbständiges bemerkte, was früher hineingegliedert war in die ganze soziale Struktur, das ist die menschliche Arbeit, die ein besonderes Verhältnis von Mensch zu Mensch begründet. Wenn aus den Geboten heraus der Mensch weiß, er steht als ein Niedriggestellter einem Höhergestellten gegenüber, so fragt er nicht, wie er die Arbeit gestalten soll; dies ergibt sich aus dem menschlichen Verhältnis.

zelfstandigs wordt; precies dit geeft het Romeinse leven zijn kenmerkende vorm.
Toen de gevolgen van deze emancipatie voor de bevolking van het Romeinse Rijk de gebroeders Gracchus — Tiberius Sempronius Gracchus en Gaius Gracchus — diep beroerden, en toen dit besef in hun hart vorm kreeg en tot daden leidde, ontstonden de grote sociale strijdtonelen van het oude Rome. De eerste stakingsbeweging — in wezen die van het oude Rome, toen het volk naar de ‘Heilige Berg’ trok om zijn rechten op te eisen — markeerde het ontstaan ​​van het streven om de toekomst opnieuw vorm te geven. Wat nu als iets afzonderlijks werd gezien — iets dat voorheen deel uitmaakte van de algehele maatschappelijke structuur — was menselijke arbeid, die een specifieke verhouding tussen mensen tot stand brengt. Wanneer iemand op grond van vaststaande regels weet dat hij als ondergeschikte tegenover een meerdere staat, vraagt ​​hij zich niet af hoe het werk georganiseerd moet worden; dat wordt bepaald door de menselijke verhouding zelf.

In dem Augenblicke, wo die Arbeit als etwas Emanzipiertes, Selbständiges auftritt, ergibt sich die Frage: Wie stelle ich mich zu meinem Mitmenschen, damit meine Arbeit in der richtigen Weise sich hineingliedert in die soziale Struktur? – Handel, Gewerbe, Arbeit, das sind die drei wirtschaftlichen Faktoren, aus denen dann der Mensch angeregt wird, hervorzutreiben aus sich dasjenige, was das Recht ist, und auch, was die abgezogene Moral ist, die aus der Religion herausgezogene Moral. Und der Mensch fühlt sich dadurch veranlaßt, aus dem einen Strome der Theokratie zwei hervorgehen zu lassen: die alte Theokratie weiter gehen zu lassen und einen zweiten Strom, den
Strom, der im wesentlichen der Strom des Kriegerischen und namentlich des Juristischen ist, daneben fließen zu lassen.
Daher sehen wir, wie, indem die orientalische Kultur sich herüberentwickelt nach Europa unter dem Einflüsse von Handel, Gewerbe und Arbeit, das alte theokratische Denken übergeht in das juristische Denken, wie an die Stelle der alten Verhältnisse, die gar nicht Rechtsverhältnisse waren – versuchen Sie sich das klarzumachen noch aus der mosaischen Gesetzgebung -, sich entwickeln die Rechtsverhältnisse 

Zodra arbeid zich als iets geëmancipeerds en zelfstandigs manifesteert, rijst de vraag: hoe verhoud ik mij tot mijn medemensen, zodat mijn arbeid op passende wijze in de maatschappelijke structuur integreert? Handel, industrie en arbeid – dat zijn de drie economische factoren die de mens ertoe aanzetten om vanuit zijn innerlijk zowel de aard van het recht als de moraliteit – die uit de religie is gedestilleerd, oftewel eruit is afgeleid – voort te brengen. Hierdoor wordt de mens ertoe bewogen om vanuit de ene stroom van de theocratie twee stromen te laten ontstaan: enerzijds de oude theocratie te laten voortbestaan, en anderzijds een tweede stroom ernaast te laten vloeien – een stroom die in wezen wordt gekenmerkt door het krijgshaftige en, bovenal, het juridische. Zo zien we hoe – naarmate de oosterse cultuur zich onder invloed van handel, industrie en arbeid tot de Europese cultuur ontwikkelt – het oude theocratische denken plaatsmaakt voor juridisch denken; hoe in de plaats van de oude verhoudingen (die in feite geen rechtsverhoudingen waren – probeer dit te doorgronden door naar de Mozaïsche wet te kijken) de juridische

Blz. 191

des Eigentums, die Verhältnisse, die ausdrücken sollen die Beziehungen von Mensch zu Mensch.
Man sieht das entstehen im Keime zur Zeit der Gracchen, später
mehr aufgehen zur Zeit des Diokletian; man sieht da, wie der zweite
Strom neben den ersten sich hinstellt, und man sieht dieses im ganzen
menschlichen Leben sich ausdrücken.
Man kann sagen: Im Oriente drüben, in den alten Theokratien war
das, was die Menschen als Geistiges über die übersinnlichen Welten
wissen sollten, alles selbstverständliche Theosophie. Theo-Sophia ist die
konkrete Weisheit, die empfangen wurde durch Inspiration.
Als der Strom nach Europa herübergeht, stellt sich neben ihn die
Jurisprudenz. Die Jurisprudenz kann keine Sophia mehr sein, denn sie
handelt nicht von etwas, was einem eingegeben wird, sondern von etwas,
was der Mensch selbst immer mehr und mehr im Verkehr von Mensch
zu Mensch entwickelt. Da wird das Urteil maßgebend.

eigendomsverhoudingen ontstaan: verhoudingen die bedoeld zijn om de onderlinge verbindingen tussen mensen tot uitdrukking te brengen.
Men ziet dit in de tijd van de Gracchen in een beginstadium opkomen, om later
tot volle ontplooiing te komen in de tijd van Diocletianus; men ziet hoe een tweede stroom naast de eerste komt te staan, en men ziet dit tot uitdrukking komen in het menselijk leven.
Men zou kunnen zeggen: in het Oosten, in de oude theocratieën, werd alle kennis die de mens over de bovenzinnelijke werelden – over het geestelijke – bezat, simpelweg als theosofie beschouwd.
Theosofie is concrete wijsheid die door inspiratie wordt ontvangen.
Wanneer de stroom zich naar Europa verplaatst, komt de rechtsgeleerdheid
ernaast te staan. Rechtsgeleerdheid kan niet langer ‘Sophia’ zijn, want zij houdt zich niet bezig met iets dat door inspiratie wordt overgedragen, maar met iets dat mensen zelf in toenemende mate ontwikkelen door hun onderlinge omgang. Hier wordt het menselijk oordeel de beslissende factor.

Da tritt an der Stelle der Sophia die Logik auf, und die Jurisprudenz, in die jetzt alle soziale Struktur hineingegossen wird, wird vorzugsweise logisch. Die Logik, die Dialektik entwickeln ihre Triumphe, nicht etwa in der Naturwissenschaft, sondern gerade in dem juristischen Leben, und alles menschliche Leben wird in diesen zweiten Strom, in die Logik hineingezwängt. Begriff des Eigentums, Begriff des persönlichen Rechtes, all das sind ja realisierte logische Kategorien.
Und die Sache hat eine so starke Kraft in dieser zweiten Strömung, daß diese Kraft auf die erste Strömung abfärbt. Aus der Theosophia wird eine Theologia. Der erste Strom wird also durchaus beeinflußt von dem zweiten Strom. Und wir haben jetzt nebeneinander ein Altbewahrtes, eine alte Theosophia, die, indem sie weniger lebendig, etwas dürrer, etwas magerer auch geworden ist, als sie in ihrer Jugend war, nun Theologia wird, und daneben die Jurisprudentia, die eigentlich in dieser Art alles umfaßt bis ins 15., 16., 17. Jahrhundert hinein, was in den verschiedenen Masken auftritt, die auch noch wirkt in dem gesamten wirtschaftlichen Leben der Menschheit.
Jurisprudenz wirkte auch in Adam Smith, auch wenn er das wirtschaftliche Leben in Betracht ziehen will. Lesen Sie Adam Smith einmal mit dem Gefühl, da rumort juristisches Denken;

Hier treedt de logica in de plaats van Sophia, en de rechtsgeleerdheid – waarin de gehele maatschappelijke structuur nu wordt gegoten – wordt overwegend logisch van aard. Logica en dialectiek vieren hun triomfen niet in de natuurwetenschap, maar juist op het gebied van het recht; het gehele menselijke leven wordt in deze tweede stroom gedwongen: de stroom van de logica. Het eigendomsbegrip, het begrip van persoonlijke rechten – dit zijn allemaal gerealiseerde logische categorieën. En deze tweede stroom oefent zo’n krachtige invloed uit dat hij overvloeit in de eerste. ‘Theosophia’ verandert in ‘Theologia’. Zo wordt de eerste stroom diepgaand beïnvloed door de tweede. We zien nu, zij aan zij, een eeuwenoud erfgoed – een oude ‘Theosophia’ die zich ontwikkelt tot ‘Theologia’ (en daarbij minder vitaal, wat droger en schraler is geworden dan in haar jeugd) – en daarnaast de ‘Jurisprudentia’. Deze laatste kracht, die in uiteenlopende gedaanten verschijnt, omvat alles tot in de 15e, 16e en 17e eeuw en blijft het gehele economische leven van de mensheid vormgeven. Ook bij Adam Smith was de rechtsgeleerdheid werkzaam, zelfs wanneer hij het economische leven onderzocht. Probeer Adam Smith eens te lezen met besef van het juridische denken dat onder de oppervlakte broeit;

Blz. 192

aber das Wirtschaftliehe Leben kommt herauf. Nun will er in die alten Begriffe des Juristischen – damals waren sie ja schon wiederum alt geworden -, da will er hineinzwängen, was als wirtschaftliches Leben in Komplikationen heraufkommt, nachdem das naturwissenschaftliche Denken die Technik und so weiter ergriffen hat.
Und so sehen wir, wie eine Zeitlang innerhalb der eigentlichen zivilisierten Menschheit die zwei Ströme sich herausbilden, die Theologia, die dann auf der einen Seite in die Wissenschaft einmündet – denn es ist ja überall nachzuweisen, wie die späteren Wissenschaften, auch die Naturwissenschaft, sich aus der Theologia heraus entwickeln.
Aber die Menschen haben mittlerweile das dialektisch-logische Denken
gelernt, das tragen sie jetzt in alles hinein, auch in die Wissenschaft.
Und so entwickelt sich die neuere Zeit. Mit überwältigender Komplikation kommen die sozialen Verhältnisse, die wirtschaftlichen Verhältnisse herauf. Die Menschen sind gewohnt noch an das theologisch juristische Denken, und das tragen sie nun noch extra in die Naturwissenschaft hinein. In der Naturwissenschaft bemerkt man es nicht mehr.

maar het economische leven komt op. Nu probeert men de complexiteit van dit opkomende economische leven – dat ontstond nadat het wetenschappelijk denken vat had gekregen op technologie en dergelijke – te dwingen in oude, juridische begrippen (begrippen die destijds eigenlijk al verouderd waren).
Zo zien we gedurende enige tijd twee stromingen ontstaan ​​binnen de beschaafde mensheid: de ‘theologia’, die uiteindelijk uitmondt in de wetenschap – want overal valt aan te tonen dat de latere wetenschappen, waaronder de natuurwetenschap, uit de ‘theologia’ zijn voortgekomen.
Men had zich inmiddels echter het dialectisch-logische denken eigen gemaakt en paste dit nu op alles toe, ook op de wetenschap.
Op deze wijze ontwikkelde zich de moderne tijd. Er ontstonden maatschappelijke en economische verhoudingen van een overweldigende complexiteit. Men was nog steeds gewend aan theologisch-juridisch denken en droeg dit ook over op de natuurwetenschap – al wordt die invloed binnen de natuurwetenschap zelf niet meer bewust waargenomen.

Man glaubt nicht, wenn man das Auge über das Mikroskop hält, oder wenn man durch das Teleskop in den Sternenhimmel hineinschaut, oder wenn man gar ein niederes Tier zergliedert, um daran den Organismus zu studieren, man glaubt es nicht, daß man eine historische Phase des menschheitlichen Denkens da hineingetragen hat, und nicht etwas Absolutes. Und so nimmt in der neueren Zeit dieses naturwissenschaftliche Denken durchaus die Menschheit, die Zivilisation in Anspruch: es soll über alles so gedacht werden, wie naturwissenschaftlich gedacht wird. Das ist heute nicht etwa bloß in den Gebildeten sitzend, das sitzt in der ganzen Menschheit, bis in den primitivsten Menschen hinein.
Ich möchte nicht mißverstanden werden auch hier, aber ich möchte eine Bemerkung machen. Wenn heute so etwas auseinandergesetzt wird, wie ich es zum Beispiel in bezug auf die Erziehung in den verflossenen Tagen tat, da muß auch dasjenige hineingebracht werden, was vom Spirituellen aus die Naturwissenschaft beleuchtet. Wenn der heutige Mensch, der an der Naturwissenschaft herangebildet ist, an diese Dinge herankommt, dann findet er: Ja, was da gesagt wird, das steht nicht in 

Wanneer men het oog aan een microscoop zet, of door een telescoop naar de sterrenhemel tuurt, of zelfs een nederig schepsel ontleedt om het organisme ervan te bestuderen, beseft men niet – men beseft het simpelweg niet – dat men daarbij een specifieke historische fase van het menselijk denken hanteert, in plaats van iets absoluuts. Zo is deze wetenschappelijke denkwijze in de moderne tijd volledig gaan domineren over de mensheid en de beschaving: de verwachting is dat alles door de bril van het wetenschappelijk denken moet worden bekeken. Deze houding beperkt zich niet tot de ontwikkelde klassen; ze doordringt de gehele mensheid en reikt zelfs tot de meest primitieve individuen.
Ik wil hier niet verkeerd begrepen worden, maar ik wil graag een opmerking maken. Wanneer kwesties worden uiteengezet zoals die welke ik onlangs met betrekking tot het onderwijs heb besproken, is het essentieel om perspectieven te betrekken die de natuurwetenschap vanuit een spiritueel standpunt belichten. Wanneer de moderne mens – gevormd door een wetenschappelijke opvoeding – met deze ideeën in aanraking komt, is de reactie vaak: “Welnu, wat hier wordt gezegd, staat niet in

Blz. 193

einem Physiologiebuch; was da gesagt wird, das habe ich nicht gehört vom physiologischen Katheder herunter, also ist es falsch.
Man setzt nicht voraus, daß dasjenige, was dort nicht gesagt werden kann, daß
all das, was von mir in bezug auf Naturwissenschaftliches gesagt ist, durchaus nachgeprüft ist, daß es voll berücksichtigt dasjenige, was im Physiologiebuch steht, und was vom Katheder herunter als Physiologie gelehrt wird. Aber es ist die Menschheit heute so gestaltet, daß man gar nicht weiß, wie das eine aus dem anderen heraus sich ergibt. Und so ist heute die glänzende Naturwissenschaft, die ja voll anerkannt wird innerhalb des Anthroposophischen, diese Naturwissenschaft ist heute – nicht durch das, was sie selber sagt, sondern durch die Menschen, durch die Art, wie die Menschen sie auffassen – ein Hemmnis. Und ich möchte sagen, man kann es in der Entwickelung der neuesten Menschheit handgreiflich machen, wie sie ein Hemmnis ist.
Sehen Sie, da gab es einen Menschen, der Ihnen seinem Namen nach gut bekannt ist, Karl Marx, der in der neueren Zeit besonders eindringlich für Millionen und Millionen von Menschen über das soziale Leben
geredet hat.

de fysiologieboeken; ik heb dit nooit vanaf het katheder van de fysiologiedocent gehoord – dus moet het wel onjuist zijn.”
Er wordt niet van uitgegaan dat alles wat ik over natuurwetenschappen heb gezegd – of zelfs datgene wat daar niet in uitgedrukt kan worden – volledig is geverifieerd, of dat het volledig rekening houdt met de inhoud van fysiologieleerboeken en wat er vanuit de collegezaal als fysiologie wordt onderwezen. Toch is de huidige staat van de mensheid zodanig dat mensen geen idee hebben hoe het een uit het ander voortkomt. En zo is briljante natuurwetenschap – die binnen de antroposofische beweging volledig wordt erkend – tegenwoordig een belemmering geworden; niet vanwege wat de wetenschap zelf zegt, maar vanwege de mensen – vanwege de manier waarop ze het waarnemen. En ik zou zeggen dat men binnen de context van de moderne menselijke ontwikkeling heel tastbaar kan aantonen hoe het als een belemmering werkt.
Neem bijvoorbeeld een man wiens naam u welbekend is: Karl Marx – iemand die in recentere tijden met grote impact tot miljoenen mensen sprak over het sociale leven.

Wie hat er geredet? Nun, er hat geredet, wie der repräsentative Mensch des naturwissenschaftlichen Zeitalters über das soziale Leben reden muß.
Stellen wir uns einmal vor Augen, wie dieser repräsentative Mensch
reden muß. Der Naturwissenschafter, der hat die Gedanken im Kopfe.
Darauf gibt er nicht viel; er gibt erst etwas auf die Gedanken, wenn sie
sich ihm verifiziert haben unter dem Mikroskop oder durch einen anderen Versuch oder durch irgendeine Beobachtung. Aber dasjenige, was
er beobachtet, das muß ganz vom Menschen abgesondert sein, das darf
nicht irgendwie verknüpft sein, das muß herangetragen sein. Und so
muß derjenige, der naturwissenschaftlich denkt, einen Abgrund sehen
zwischen seinem Denken und dem, was ihm herangetragen wird.
Nun, Karl Marx hat dieses Denken, das man nicht heranlassen will
an die äußere Welt, zwar nicht ganz im Sinne der neuesten Naturwissenschaft gelernt, möchte ich sagen, aber er hat es in einer älteren Form gelernt als Hegelsche Dialektik. Es ist im Grunde genommen nur eine andere Färbung des naturwissenschaftlichen Denkens. Da, als er dieses Denken des modernen Menschen lernte, da stand er in seinem Milieu drinnen.

Hoe sprak hij? Wel, hij sprak precies zoals de representatieve figuur van het wetenschappelijke tijdperk noodzakelijkerwijs over het maatschappelijk leven spreekt.
Laten we ons voor de geest halen hoe zo’n representatieve figuur moet spreken. De natuurwetenschapper draagt ​​gedachten met zich mee.
Hij hecht daar niet veel waarde aan; hij waardeert gedachten pas zodra ze voor hem zijn geverifieerd onder de microscoop, of door middel van een ander experiment of een andere waarneming. Toch moet datgene wat hij waarneemt volledig losstaan ​​van de mens; het mag op geen enkele wijze daarmee verbonden zijn; het moet iets zijn dat hem van buitenaf wordt aangereikt. Wie op natuurwetenschappelijke wijze denkt, ziet zich dan ook genoodzaakt een kloof waar te nemen tussen zijn eigen denken en datgene wat hem wordt voorgelegd.
Nu heeft Karl Marx – hoewel hij deze denkwijze (die afstand wil bewaren tot de buitenwereld) strikt genomen niet in de geest van de meest recente natuurwetenschap heeft verworven – haar wel in een eerdere vorm leren kennen: als de Hegeliaanse dialectiek. In wezen is dit slechts een andere nuance van wetenschappelijk denken. En toen hij zich deze voor de moderne mens kenmerkende denkwijze eigen maakte, was hij diep geworteld in zijn eigen specifieke milieu.

Blz. 194

Aber er war Repräsentant des naturwissenschaftlichen Zeitalters, da konnte er ja gar nichts damit anfangen. Er war ein Deutscher, er stand drinnen in der deutschen logisch-dialektischen Denkweise. Aber aus der heraus konnte er nichts anfangen, geradeso wie der Naturwissenschafter nichts anfangen kann mit seinen Gedanken. Er wartet, was ihm das Mikroskop oder Teleskop zeigt. Das muß von außen kommen. Karl Marx konnte mit seinen Gedanken nichts
anfangen. Und da er schon einmal aus seiner Haut nicht herausfahren konnte, fuhr er aus Deutschland heraus und ging nach England. Da traten ihm die sozialen Verhältnisse von außen gegenüber, wie dem Naturwissenschafter das Mikroskop oder Teleskop. Da hatte er eine Außenwelt. Da konnte er so reden und eine soziale Theorie nach naturwissenschaftlichem Muster begründen, wie der Naturwissenschafter seine Theorie begründet. Und weil diese Denkweise den Leuten tief im Leibe sitzt, wurde das ungeheuer populär. Und weil nun schon einmal das, was sich bloß auf die äußere Natur bezieht, maßgebend ist, wenn man über den Menschen so redet wie über die äußere Natur, wie es Karl Marx getan hat, so schaut das alles, was man über den Menschen sagt, auch über seine sozialen Verhältnisse, so aus, wie wenn es Natur wäre.

Maar hij was een vertegenwoordiger van het natuurwetenschappelijke tijdperk; daar kon hij natuurlijk helemaal niets mee beginnen. Hij was een Duitser; hij bevond zich midden in de Duitse logisch-dialectische denkwijze. Maar daaruit kon hij niets halen, net zoals de natuurwetenschapper niets kan beginnen met zijn gedachten. Hij wacht af wat de microscoop of de telescoop hem laat zien. Dat moet van buitenaf komen. Karl Marx kon met zijn gedachten niets beginnen. En aangezien hij niet uit zijn eigen huid kon stappen, verliet hij Duitsland en ging naar Engeland. Daar werd hij van buitenaf geconfronteerd met de sociale verhoudingen, net zoals de natuurwetenschapper met de microscoop of telescoop. Daar had hij een buitenwereld. Toen kon hij zo spreken en een sociale theorie volgens een natuurwetenschappelijk model onderbouwen, zoals de natuurwetenschapper zijn theorie onderbouwt. En omdat deze manier van denken diep in het wezen van de mensen zit, werd het enorm populair. En omdat nu eenmaal datgene wat zich louter op de uiterlijke natuur betrekt, doorslaggevend is, wanneer men over de mens spreekt zoals over de uiterlijke natuur, zoals Karl Marx heeft gedaan, lijkt alles wat men over de mens zegt,
ook over zijn sociale verhoudingen, alsof het de natuur zelf is.

Was ich über den Jupiter sage, was ich über das Veilchen sage, was ich über den Regenwurm sage, das kann ich in Island ebenso sagen wie in Neuseeland, und in England ebenso wie in Rußland. Das gilt für die ganze Welt. Da brauche ich mich nicht zu konkretisieren, das muß allgemein gelten.
Wenn man also nach dem Muster des Naturwissenschaftlichen eine soziale Theorie begründet, so begründet man scheinbar etwas, was über die ganze Erde hin gilt, was überall daraufgesetzt werden kann. Das ist überhaupt die Eigentümlichkeit der juristisch-staatlichen Denkweise, die nur ihren Gipfelpunkt in dem Marxismus gefunden hat, daß sie das Allgemein-Abstrakte wie ein allgemeines Kleid überall draufsetzen will. Das finden Sie schon da, wo noch gar nicht sozialistisch, sondern nur juristisch-logisch gedacht wird, zum Beispiel bei Kant mit dem kategorischen Imperativ, der Ihnen ja vielleicht auch als etwas Ausländisches bekannt sein wird.
Meine Damen und Herren, dieser kategorische Imperativ, der sagt:

Wat ik over Jupiter zeg, wat ik over het viooltje zeg, wat ik over de regenworm zeg, dat kan ik net zo goed in IJsland zeggen als in Nieuw-Zeeland, en in Engeland net zo goed als in Rusland. Dat geldt voor de hele wereld. Ik hoef daar niet concreet op in te gaan, het moet algemeen gelden.
Als men dus naar het voorbeeld van de natuurwetenschappen een sociale theorie onderbouwt, dan onderbouwt men schijnbaar iets dat over de hele aarde geldt, dat overal op toegepast kan worden. Dat is juist het eigenaardige aan de juridisch-staatsrechtelijke denkwijze, die pas in het marxisme haar hoogtepunt heeft gevonden, dat men het algemene en abstracte als een soort universele mantel overal overheen wil leggen. Dat ziet u al daar waar nog helemaal niet socialistisch, maar alleen juridisch-logisch wordt gedacht, bijvoorbeeld bij Kant met de categorische imperatief, die u wellicht ook als iets vreemds bekend zal zijn.
Dames en heren, deze categorische imperatief, die zegt:

Blz. 195

Handle so, daß die Maxime deines Handelns für jeden Menschen gelten kann. – Im konkreten Leben läßt sich das nicht anwenden, denn man kann niemandem sagen: Laß dir vom Schneider deinen Rock so machen, daß er für jeden Menschen passen kann. Aber nach diesem Muster, das überhaupt das logische Muster ist, nach diesem Muster ist schon das alte juristisch-staatliche Denken geformt. Das erreicht seinen Gipfelpunkt im marxistisch-sozialen Denken.
Und so sieht man, wie zuerst realisiert, verwirklicht wird dasjenige, was durch Marx auf naturwissenschaftliche Art beobachtet ist, indem er deutsches Denken betätigte am englischen Wirtschaftsdasein.
Nun wird es wieder zurückgetragen nach Mitteleuropa. Da lebt es sich in den Willensimpulsen der Menschen aus. Und dann wird es noch weitergetragen ganz nach dem Osten. Im Osten nun ist sogar vorbereitet dieses Überstülpen des rein Abstrakten über die konkret menschlichen Verhältnisse. Denn im Osten sehen wir, wie dem Marx schon vorgearbeitet hat Peter der Große.

Handel zo, dat de maxime [de praktische regels]  van uw handeling op ieder mens van toepassing kan zijn. In de praktijk is dit niet toepasbaar; men kan immers niet tegen iemand zeggen: “Laat uw kleermaker uw jas zo maken dat hij iedereen past.” Toch is juist dit patroon – dat in feite het logische patroon is – hetgeen de oude juridische en staatkundige denkwijze heeft gevormd. Dit bereikte zijn hoogtepunt in het marxistisch-socialistische denken.
Zo zien we de verwezenlijking en actualisering van wat Marx waarnam via een natuurwetenschappelijke benadering – waarbij Duitse denkpatronen werden toegepast op de economische realiteit van Engeland. Nu wordt dit teruggevoerd naar Centraal-Europa, waar het zich manifesteert in de impulsen van de menselijke wil.
Van daaruit wordt het nog verder gedragen, helemaal tot in het Oosten. In het Oosten was het toneel al bereid voor deze oplegging van het louter abstracte aan de concrete menselijke omstandigheden; daar zien we immers hoe Peter de Grote de weg voor Marx al had geëffend.

Peter der Große hat schon den Westen in das russische Leben hineingeschoben, während Rußland in seiner Seele vielfach orientalischen Charakter trägt und die
Menschen die Theokratie noch stark im Leibe haben, wurde durch ihn das Juristisch-Staatliche hineingetragen und Petersburg mehr im Westen, neben Moskau gesetzt.
Man verstand nicht, daß das zwei Welten sind, Petersburg Europa ist und Moskau Rußland ist, wo noch tief hineinspielt die orientalische Theokratie in ihrer Reinheit. So daß, als dann Solowjow eine Philosophie bildete, sie natürlich nicht so wurde wie die dialektisch-naturwissenschaftliche Philosophie des Herbert Spencer, sondern sie wurde theosophisch. Aber Solowjow ist Moskau. Solowjow ist nicht Petersburg. Ich meine auch nicht, daß in Rußland nur so die Dinge geographisch getrennt werden können. Dostojewski, er mag noch so sehr an Moskau gekettet sein, Dostojewski, er mag noch so weit nach Osten
gehen, ist Petersburg. Und die Erlebnisse in Rußland verlaufen zwischen Petersburg und Moskau. Moskau ist Asien, theokratisch angeschaut, heute noch; Petersburg ist Europa.
Und in Petersburg wurde bereits vorbereitet auf staatlich-juristische Art dasjenige, was dann der Leninismus vollständig an Rußland verbrochen hat, wo etwas dem russischen Wesen so Fremdes, 

Peter de Grote introduceerde het Westen in het Russische leven; maar hoewel
de Russische ziel een grotendeels oosters karakter draagt ​​– en de bevolking diep doordrongen blijft van theocratie – introduceerde hij het juridisch-staatkundige element en stichtte hij Sint-Petersburg als een westerse tegenhanger van Moskou.
Men begreep niet dat dit twee werelden zijn: Sint-Petersburg is Europa, terwijl Moskou Rusland is – een plek waar de oosterse theocratie in haar zuivere vorm nog steeds een diepgaande invloed uitoefent.
Toen Solovjov vervolgens een filosofie ontwikkelde, nam deze niet de vorm aan van de dialectische, natuurwetenschappelijke filosofie van Herbert Spencer;
in plaats daarvan werd ze theosofisch. Toch vertegenwoordigt Solovjov Moskou; Solovjov is niet Sint-Petersburg. Evenmin wil ik suggereren dat de zaken in Rusland uitsluitend langs geografische lijnen kunnen worden gescheiden. Dostojevski – hoezeer hij ook verbonden was met Moskou, hoe ver naar het oosten hij zich ook mocht begeven – hoort bij Sint-Petersburg. En de loop der gebeurtenissen in Rusland speelt zich af tussen Sint-Petersburg en Moskou. Moskou is Azië – gezien door een theocratische bril, zelfs vandaag de dag nog; Sint-Petersburg is Europa.
En in Sint-Petersburg werd reeds de basis gelegd – op een staatkundig-juridische wijze – voor wat het leninisme later volledig aan Rusland zou opleggen: het opdringen van iets dat volkomen vreemd was aan de Russische geest

Blz. 196

aber als die letzte Konsequenz des westeuropäischen Wesens aufgeprägt wurde, als etwas Abstraktes, so Fremdes, daß man sagen kann: Ebensogut hätte man dasjenige, was Lenin da in Rußland gemacht hat, auf dem Monde
oder irgendwo anders machen können. Es kam gar nicht in Betracht, daß das Rußland ist, wo gerade Lenin regieren wollte.
So haben sich allmählich die Verhältnisse ergeben, daß man gar nicht sich konkretisiert, indem man auf das Soziale hinsieht. Aber das muß man, meine Damen und Herren. Man muß sich klar sein darüber, daß in der Entwicklung der Menschheit das geistige Leben früher entstanden ist als das juristisch-staatliche, daß das als ein zweiter Strom sich neben den ersten gestellt hat, und daß vielleicht jetzt auch etwas anderes eintreten muß, als dieses bloße Abfärben der Jurisprudenz auf die Theosophie, so daß sie sie in die Theologie verwandelt; daß vielleicht das geistige Leben neu erwachen muß in einer neuen Form.
Denn die Sache ist doch so, daß die Evolution der Menschheit so vor sich ging, daß mancherlei aus dem geistigen Leben der alten Zeit seine Form in sich noch behalten hat.

maar dat wel de uiterste consequentie vormde van de West-Europese geest – als iets abstracts en zo vreemds dat men zou kunnen zeggen: Wat Lenin in Rusland deed, had net zo goed op de maan of waar dan ook kunnen gebeuren. Het feit dat Lenin juist in Rusland wilde regeren, deed er niet toe.
De omstandigheden hebben geleid tot een situatie waarin men er niet in slaagt concreet te worden wanneer men naar het maatschappelijke aspect kijkt. Toch moet men dat wel doen, dames en heren. Men moet zich realiseren dat in de loop van de menselijke evolutie het geestelijk leven eerder ontstond dan de rechts- en staatsorde – dat het zich als een tweede stroom naast de eerste vestigde – en dat er nu wellicht iets anders moet gebeuren dan slechts het overdragen van de rechtswetenschap op de theosofie (waardoor deze in theologie verandert); dat het geestelijk leven wellicht in een nieuwe vorm opnieuw moet ontwaken.
Want het is een feit dat de menselijke evolutie zich zo heeft voltrokken, dat diverse elementen uit het geestelijk leven van de oudheid hun oorspronkelijke vorm hebben behouden.

Es hat nicht bloß den Talar und das Barett, es hat auch die Gedankenformen behalten. Diese Gedankenformen, die passen nicht mehr auf eine Welt, in die Handel, Gewerbe und Arbeit hineingetragen wurden als emanzipiert, so daß das
geistige Leben heute vielfach als ein abgesondertes Glied neben dem übrigen Leben steht, am meisten, je mehr man nach Westen kommt.
In Rußland, in Moskau-Rußland ist es noch am wenigsten der Fall.
In Mitteleuropa drehen sich alle Kämpfe, auch die sozialen, darum, daß man kein rechtes Verhältnis findet zwischen dem dialektisch-juristisch-staatlichen Element und dem theokratischen Element. Man weiß nicht, ob man nun den Talar und das Barett behalten kann, wenn man sich als Richter hinsetzt, oder ob man sie ausziehen soll. Die Rechtsanwälte schämen sich heute schon damit, die Richter finden noch etwas sehr Würdiges dabei, den Talar anzuhaben. Man weiß es nicht. In Mitteleuropa ist ein starker Kampf; in Westeuropa ist das Theokratische sehr stark konserviert in dem geistigen Leben, sehr stark in den Gedankenformen konserviert.
Aber der zweite Strom in der Menschheit hat sich ja herauf entwickelt.

Niet alleen de toga en de baret zijn behouden gebleven, maar ook de denkvormen. Deze denkvormen passen niet meer bij een wereld waarin handel, industrie en arbeid als geëmancipeerde krachten zijn binnengekomen; met als gevolg dat het geestelijk leven tegenwoordig vaak als een afzonderlijke entiteit naast de rest van het leven staat – een tendens die sterker wordt naarmate men zich meer naar het westen begeeft.
In Rusland – in het Rusland van Moskou – is dit het minst het geval.
In Centraal-Europa draaien alle conflicten – ook de sociale – om het onvermogen om een ​​juiste verhouding te vinden tussen het dialectisch-juridisch-staatkundige element en het theocratische element. Men weet niet of men de toga en baret moet aanhouden wanneer men als rechter zitting houdt, of dat men ze moet afleggen.
Juristen voelen zich er tegenwoordig al ongemakkelijk bij, terwijl rechters het dragen van de toga nog steeds iets zeer waardigs vinden. Er is geen consensus. In Centraal-Europa woedt een hevige strijd; in West-Europa blijft het theocratische element sterk bewaard binnen het geestelijk leven – sterk bewaard, wel te verstaan, binnen de denkvormen.
Toch heeft de tweede stroom in de mensheid zich wel degelijk ontwikkeld.

Blz. 197

Wir haben auf der einen Seite den Menschen, wenn wir das als Symptom
betrachten, wunderbar konservierend das Alte – Talar, Barett – und
nun möchte man sehen, daß er Talar und Barett ausziehe und darunter
etwas anderes hätte, ein zweites, ob es nun ein Königsmantel oder ein
Kriegermantel sei, aber es müßte etwas sein, was nun in das Rechtsverhältnis, in das Staatsverhältnis sich hineinstellt. Und so, ich möchte
sagen, wenn man ihm auf der Straße heute begegnet, möchte man ihm,
um ihn als einen vollständigen Menschen zu sehen, Talar und Barett
ausziehen und darunter etwas wie eine Art Kriegermantel finden, oder
etwas, was in die Juristenstube paßt; dann würde man die zwei Strömungen im Menschen nebeneinander lebend haben.
Ich muß Ihnen gestehen – nicht wahr, es ist scherzhaft ausgesprochen,
aber es ist doch sehr real gemeint -, wenn ich heute einem Menschen in
Talar und Barett auf der Straße begegne, so kommt mir der Gedanke:
Ja, wenn du jetzt einen Brief schreiben solltest, du wüßtest doch nicht,
sollst du 768 vor Christi Geburt schreiben, oder sollst du schreiben,
weil doch wiederum vielleicht in diesem Talar drinnen ein Rechtsgelehrter ist, 1265 nach Christi Geburt?

Enerzijds zien we het individu – en ik beschouw dit als een symptoom – dat op bewonderenswaardige wijze het oude in stand houdt: de toga en de baret. Toch zou men graag zien dat hij die toga uitdoet en de baret afzet en daaronder iets anders onthult – een tweede laag, zoals een koninklijke mantel of een krijgersmantel – iets dat een directe verbinding aangaat met de wereld van het recht en de staat. Sterker nog, als men vandaag de dag zo iemand op straat tegenkomt, zou men – om hem als een volledig mens te kunnen zien – het liefst de toga willen uitdoen en baret van zijn hoofd willen halen om daaronder iets als een krijgersmantel aan te treffen, of wellicht iets dat past bij het studeervertrek van een jurist; op die manier zou men zien hoe de twee stromingen in die persoon naast elkaar bestaan.
Ik moet u bekennen – en begrijp me goed, dit is half grappend bedoeld, al is de gedachte erachter zeer serieus – dat wanneer ik vandaag de dag iemand in toga en met baret op straat tegenkom, de gedachte bij me opkomt: “Als u nu een brief zou schrijven, zou u niet weten of u die moet dateren op 768 v.Chr. of – aangezien er in die toga wellicht een rechtsgeleerde schuilgaat – op 1265 n.Chr.”

Man kommt mit dem Datum nicht zurecht, weil Vergangenheit, ältere und mittlere Vergangenheit – Gegenwart braucht man dabei noch gar nicht zu berücksichtigen, auf das heutige Datum würde ich zuletzt kommen bei der Sache – weil sich weiter zurückliegende Vergangenheit und weniger weit zurückliegende Vergangenheit nebeneinanderstellen als zwei Strömungen. Und sie stellen sich so nebeneinander wie Moskau und Petersburg.
Und man hat die Frage vor sich: Wie kommt wirkliche Organisation, wirkliche Gliederung hinein in dasjenige, was heute nebeneinander steht? Diese Zweigliederung, die ich bis jetzt angeführt habe, werden wir dann auslaufen sehen in eine Dreigliederung in der modernen Zeit, wo die drei Glieder ebenso nebeneinander stehen.
Dreigliederung, meine Damen und Herren, ist ja nicht so gemeint, daß man jetzt eine schöne Einheit hat im sozialen Leben und nun drei Schnitte machen soll, daß die drei Glieder sich nebeneinander entwickeln, sondern die Dreigliederung ist so gemeint, daß sie da ist, wie im Menschen die drei Glieder sind: Kopf-Nervensystem, das rhythmische System und das Stoffwechselsystem. Nur müssen die ordentlich zusammenwirken, 

Het is lastig om greep te krijgen op de chronologie, omdat het verleden – zowel het verdere als het recentere verleden (het heden hoeven we nog niet eens in beschouwing te nemen; de huidige tijd zou ik pas als laatste behandelen) – zich voordoet als twee stromingen die naast elkaar bestaan. Ze staan ​​naast elkaar, net zoals Moskou en Sint-Petersburg dat doen.
En we staan ​​voor de vraag: hoe kan er werkelijke ordening – werkelijke geleding – worden gebracht in wat momenteel naast elkaar bestaat? We zullen zien hoe deze tweeledige structuur, die ik tot nu toe heb beschreven, zich in de moderne tijd ontwikkelt tot een drieledige structuur, waarin de drie elementen eveneens naast elkaar staan.
De drieledige structuur, dames en heren, moet niet zo worden begrepen dat men het ene, samenhangende maatschappelijke leven simpelweg in drieën deelt, zodat de drie delen naast elkaar ontstaan; ze is veeleer bedoeld om te bestaan ​​zoals de drie systemen in de mens bestaan: het zenuw-zintuigstelsel, het ritmische systeem en het stofwisselingssysteem. Het komt erop aan dat ze goed

Blz. 198

und es muß jedem das Seine zugeteilt werden.
Wenn der Verdauungsorganismus wenig arbeitet und zuviel von seiner
Arbeit an den Kopf abgibt, dann entstehen allerlei migräneartige
Krankheiten.
Wenn das geistige Glied des sozialen Organismus nicht ordentlich
arbeitet, zuviel, sagen wir, an das Wirtschaftliche abgibt, denn das ist
der Kopf heute des sozialen Organismus, dann entstehen allerlei soziale
Krankheiten.
So muß man diese Dinge mit der Entwickelung, mit der Evolution
der Menschheit in Zusammenhang bringen, wenn man hineinsehen will
in das soziale Leben. Dieses gestattet am allerwenigsten eine Oberflächenansicht. So müssen wir schon dahin kommen, in Talar und
Barett solche Formen hineinzubringen, die einem nun auch möglich
machen, die zwei geschichtlichen Daten ineinander zu denken. Das ist
dann Gegenwart. Sonst bleibt Vergangenheit Vergangenheit mit den
nebeneinanderlaufenden Strömungen, die heute eben gerade als der
Urgrund der sozialen Krankheit in der Welt dastehen, wenn es auch
die Menschen nicht glauben. Das Weitere will ich dann im dritten Teile
meines heutigen Vortrages sagen.

samenwerken en dat elk zijn eigen, passende functie vervult. Als het spijsverteringsstelsel weinig werk verricht en te veel van zijn activiteit afwentelt op het hoofd, ontstaan ​​er allerlei migraine-achtige klachten.
Wanneer het geestelijke deel van het sociale organisme niet naar behoren functioneert – wanneer het, laten we zeggen, te zeer toegeeft aan de economische sfeer (die immers tegenwoordig het hoofd van het sociale organisme vormt) – dan ontstaan ​​er allerlei maatschappelijke kwalen.

Men moet deze zaken dus in het licht van de ontwikkeling en evolutie van de mensheid beschouwen als men inzicht wil krijgen in het sociale leven; een gebied dat zich allerminst leent voor een oppervlakkige blik. We moeten daarom tot een punt komen waarop we vormen kunnen introduceren – als het ware gesymboliseerd door de academische toga en baret – die ons in staat stellen deze twee historische tijdperken als met elkaar verweven te zien. Dat is wat het heden vereist. Anders blijft het verleden slechts verleden, waarbij de parallelle stromingen ervan blijven voortbestaan ​​als de dieperliggende oorzaak van de maatschappelijke kwalen in de wereld – ook al geloven mensen dat niet. Op het vervolg zal ik ingaan in het derde deel van de lezing van vandaag.

Meine Damen und Herren, da die Zeit vorgeschritten ist, werde ich
dasjenige, was ich heute noch zu Ihnen zu sagen habe, sehr kurz halten.
Es führt uns ja auch bereits in die Gegenwart, in diese Tage herein, und daher werde ich mir das Wesentlichste aufzusparen haben auf den nächsten Vortrag. Was ich heute noch sagen möchte, ist dieses: Zu jenen zwei Strömungen, die ich charakterisiert habe, kommt immer mehr und mehr von dem Beginn des 15. bis 16. Jahrhunderts an, am deutlichsten aber im 19. Jahrhundert, ein dritter Strom. Er kommt um so deutlicher hinzu, je mehr sich die Kultur nach dem Westen bewegt. Es kommt zu demjenigen, was ursprünglich theokratisch angepaßt war dem Grund und Boden, der Landwirtschaft, zu dem kommt hinzu in den mittleren Gegenden das Juristische, das angepaßt ist Handel, Gewerbe, Arbeit.
Und im Westen kommt nun hinzu immer mehr und mehr das, was man später begreift unter dem Namen des Industriellen, des eigentlich Industriellen mit all dem, was technisch sich diesem Industriellen einfügt.

Dames en heren, aangezien het al laat is, zal ik het bij wat ik u vandaag nog te zeggen heb, zeer kort houden. De materie leidt ons immers al naar het heden – naar de tijd waarin wij nu leven – zodat ik de meest essentiële punten zal moeten bewaren voor de volgende voordracht. Wat ik vandaag wil zeggen, is dit: aan de twee stromingen die ik heb geschetst, wordt een derde stroom toegevoegd – in toenemende mate vanaf de overgang van de 15e naar de 16e eeuw, maar het duidelijkst in de 19e eeuw. Deze derde stroom treedt des te duidelijker naar voren naarmate de cultuur zich naar het Westen verplaatst. Naast datgene wat oorspronkelijk theocratisch van aard was – afgestemd op het land, de bodem en de landbouw – ontstaat in de centrale gebieden een juridisch element dat is afgestemd op handel, nijverheid en arbeid. En in het Westen komt daar in toenemende mate bij wat later onder de term ‘industrieel’ is gaan vallen: de werkelijk industriële sfeer, met alle technische aspecten die daarmee samenhangen.

Blz. 199

Bedenken Sie nur, was die Einfügung des eigentlichen industriellen
Elements in die Evolution der Menschheit bedeutet. Die heutigen Verhältnisse ließen sich leicht umrechnen auf dasjenige, was ich jetzt anführen will, aber ich will es für einen etwas früheren Zeitpunkt anführen, ungefähr für die achtziger Jahre des vorigen Jahrhunderts. Da konnte man schon sagen: Wenn man die physischen Menschen auf der Erde zählen würde, man würde etwa 1500 Millionen Menschen finden.
Aber das ist nicht die richtige Bevölkerung der Erde. Das wäre nur die
richtige Bevölkerung der Erde, wenn wir noch im tiefen Altertum drinnen lebten, wo die Menschen im wesentlichen alle Arbeit verrichteten
durch ihre Hände oder durch dasjenige, was etwa zusammenhing mit
dem Menschen, so wie die Hand beim Führen des Pfluges oder beim
Führen des Pferdes und so weiter. Es war bereits im 19. Jahrhundert
eingezogen in die Erdenwelt eine ganz neue Bevölkerung; die Maschinen, die dem Menschen einen Teil der Arbeit abgenommen haben.

Denk eens na over wat het betekent als het eigenlijke industriële element er in de evolutie van de mensheid bijkomt. Hoewel de huidige omstandigheden zich gemakkelijk zouden laten vertalen in de termen die ik ga gebruiken, geef ik er de voorkeur aan de situatie te schetsen zoals die in een iets eerder tijdperk bestond – grofweg in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Zelfs toen al kon men zeggen: als men de fysieke mensen op aarde zou tellen, zou men uitkomen op ongeveer 1500 miljoen mensen. Toch vertegenwoordigt dat niet de werkelijke bevolking van de aarde. Dat cijfer zou slechts kloppen als we nog in de verre oudheid leefden, een tijd waarin mensen vrijwel al hun werk met de eigen handen verrichtten – of met hulpmiddelen die direct met het menselijk lichaam verbonden waren, zoals de hand die een ploeg of een paard aanstuurt. In de negentiende eeuw was er echter een geheel nieuwe bevolkingsgroep in de aardse sfeer verschenen: de machines, die een deel overnamen van het werk dat voorheen door mensen werd gedaan.

Und wenn man rechnet, auch schon für die achtziger Jahre des vorigen
Jahrhunderts, wieviel an menschlicher Arbeit die Maschine dem Menschen abgenommen hat, dann kommt man dazu, daß man als Erdenbevölkerung dann anzusehen hat 2000 Millionen Menschen, 25 Prozent
mehr. Heute ist es, wenigstens vor dem Kriege war es noch viel mehr
so, daß wir, wenn wir bloß physisch die Menschen heute anschauen
auf der Erde, eine ganz falsche Erdenbevölkerungszahl bekommen. Wir
müssen 500 Millionen mehr Menschen auf der Erde annehmen nach der
verrichteten Arbeit.
Das hat in der Tat zu dem alten theokratischen und juristischen
Strome ein ganz neues Element gebracht, einen ganz neuen Strom in
den realen Verhältnissen, denn es hat den Menschen nicht etwa näher
hingebracht an die Außenwelt, sondern es hat den Menschen mehr auf
sich selbst zurückgewiesen. Der Mensch stand im Mittelalter so, daß ein
Teil von ihm war, was er, sagen wir, als einen Schlüssel machte zu einem
Schloß oder das Schloß selber. Da ging, was der Mensch betätigte, in
die Arbeit über. Wenn der Mensch an der Maschine steht, es ist ihm
ganz einerlei, etwas relativ gesprochen, wie sein Verhältnis zur Maschine ist. Dadurch wird er um so mehr auf sich zurückgewiesen.
Seine Menschlichkeit empfindet er. Der Mensch tritt als ein ganz

En als men berekent – ​​zelfs terugkijkend tot de jaren tachtig van de negentiende eeuw – hoeveel menselijke arbeid de machine van de mens heeft overgenomen, komt men tot de conclusie dat de wereldbevolking moet worden beschouwd als bestaande uit 2000 miljoen mensen: een toename van 25 procent. Vandaag de dag – of althans vóór de oorlog – krijgen we een volkomen onjuist beeld van de wereldbevolking als we enkel kijken naar de fysieke mensen op aarde; op basis van de verrichte arbeid moeten we aannemen dat er 500 miljoen mensen meer op aarde zijn.
Dit heeft inderdaad een volledig nieuw element geïntroduceerd – een geheel nieuwe stroming binnen de werkelijkheid – naast de oude theocratische en juridische stromingen; want het heeft de mens niet dichter bij de uiterlijke wereld gebracht, maar het individu juist op zichzelf teruggeworpen. In de middeleeuwen was het wezen van de mens verbonden met wat hij voortbracht – bijvoorbeeld een sleutel voor een slot, of het slot zelf; zijn activiteit vloeide rechtstreeks in het werk. Wanneer iemand echter aan een machine staat, is zijn verhouding tot die machine – relatief gezien – voor hem van ondergeschikt belang. Daardoor is hij des te meer op zichzelf teruggeworpen. Hij wordt zich bewust van zijn eigen mens-zijn. De mens treedt het evolutieproces binnen als een geheel

Blz. 200

neues Wesen in die Entwickelung ein. Er löst sich los von seiner
äußeren Betätigung. Das ist es, was im Westen als das demokratische Element in den letzten Jahrhunderten heraufkommt, aber erst als eine Forderung, als
ein Postulat, nicht wie irgend etwas Realisiertes. Denn die Verhältnisse
überwältigen den Menschen. Die Menschen können nur theokratisch
oder juristisch denken. Aber das Leben wird industriell-wirtschaftlich
mit überwältigenden Forderungen. Da hinein gehen noch nicht die
Gedanken. Selbst ein solcher Mensch wie Marx hat nur juristisch gedacht. Und das Verständnis, das er gefunden hat bei Millionen und
Millionen, ist nur juristisch.
Und so kann man sagen: Dadurch trat eine dritte Strömung, über die
wir namentlich im nächsten Vortrag werden zu sprechen haben, neben
die zwei anderen hin. Der proletarische Mensch wird geboren. Das, was
im proletarischen Menschen rumort, das lebt sich aus als eine bestimmte
Auffassung über Kapitalismus, über Arbeit. Die Menschen sind gezwungen, diese Probleme aus dem Leben heraus sich vorzuhalten. Jetzt
ist die Evolution der Menschheit eigentlich erst Gegenwart. 

nieuwe soort wezen, doordat hij zich losmaakt van zijn uiterlijke activiteit.
Dit is wat zich de afgelopen eeuwen in het Westen heeft ontwikkeld als het democratische element – ​​zij het aanvankelijk slechts als eis, als postulaat, en niet als iets dat daadwerkelijk was verwezenlijkt. De heersende omstandigheden overstelpen immers het individu. Mensen zijn slechts in staat in theocratische of juridische termen te denken, terwijl het leven zelf een industrieel en economisch karakter krijgt en overweldigende eisen stelt. Het menselijk denken is tot dit domein nog niet doorgedrongen. Zelfs een figuur als Marx dacht in louter juridische termen, en het begrip dat hij bij miljoenen mensen vond, was eveneens van louter juridische aard.
Zo ontstond er, naast de twee andere, een derde stroming – die we in de volgende voordracht nader zullen bespreken. Het proletarische individu wordt geboren. Wat er in de proletariër leeft, komt tot uitdrukking in een specifieke opvatting over kapitalisme en arbeid. Mensen worden gedwongen zich met deze vraagstukken bezig te houden, omdat ze voortkomen uit de realiteit van het leven. Pas nu is de evolutie van de mensheid werkelijk in het heden aangekomen.

Man könnte sagen: da steht der Mann mit dem Talar und Barett, wunderbar schön, herrlich; er ragt herein aus der Vergangenheit. Da steht der Mann mit dem Kriegermantel und mit dem Degen als Verkörperung des Juristischen – das Kriegerische ist nur eine andere Seite des Juristischen -, die spätere Vergangenheit, noch nicht Gegenwart.
Und wenn ich den Mann in Talar und Barett sehe, so kann er ja noch, weil sich die Menschheit schon jahrhundertelang da hinein gewöhnt hat, unter Umständen ein guter Rechtsanwalt, ein guter Advokat sein. Da werde ich die Disharmonie noch nicht so stark empfinden. Aber wenn er nun ins wirtschaftliche Leben hineingestellt sein soll – da habe ich fast die Vermutung, wenn er nicht trotz Barett und Talar gerade dazu befähigt ist, sich ins wirtschaftliche Leben aktiv hineinzustellen, daß er bloß sein Geld verlieren wird! Denn die Menschheit ist im allgemeinen noch nicht hineingewachsen in dasjenige, was diese dritte Strömung im Leben bedeutet. Und das ist sie auch im großen nicht. Daher steht die soziale Frage vor uns als eine Menschheitsfrage. Denn neben die Maschine ist der Mensch hingestellt. Wir müssen heute die soziale Frage

Men zou kunnen zeggen: daar staat de man in toga en baret –prachtig, indrukwekkend; hij reikt vanuit het verleden tot in het heden.
Daar staat de man in krijgersmantel en met zwaard, de belichaming van de rechtssfeer – want het krijgshaftige aspect is slechts een andere kant van het juridische – en hij vertegenwoordigt een recenter verleden, zij het nog niet het heden.
En wanneer ik de man in toga en baret zie, kan hij – juist omdat de mensheid door de eeuwen heen aan deze rol gewend is geraakt – heel goed een bekwaam jurist of advocaat zijn. In dat geval ervaar ik de dissonantie niet zo scherp. Maar als hij in het economische leven wordt geplaatst… tja, dan vermoed ik sterk dat hij – tenzij hij over de specifieke aanleg beschikt om actief aan het economische leven deel te nemen, ongeacht zijn toga en baret – simpelweg zijn geld zal verliezen! Want de mensheid als geheel is nog niet gegroeid in de werkelijkheid die door deze derde levensstroom wordt vertegenwoordigd; dat is op grote schaal nog niet gebeurd.
Zo stelt de sociale kwestie zich aan ons voor als een vraagstuk dat de mensheid zelf aangaat. Want de mens is naast de machine komen te staan. 

Blz. 201

nicht als eine Wirtschaftsfrage, wir müssen sie als eine Menschheitsfrage erfassen können, und wir müssen verstehen, daß wir sie innerhalb der Menschheit lösen müssen.
Dazu fehlen aber noch die Gedankenimpulse, wie sie vorhanden
waren für das Theokratische und für das Juristische. Für das Wirtschaftliche fehlen sie noch. Und die Kämpfe der Gegenwart gehen
darum, Gedankenimpulse zu finden für das Wirtschaftliche, wie man
sie gefunden hat für das Theokratische und für das Juristische. Das
ist im wesentlichen heute noch der Inhalt der sozialen Frage. Im
großen ist man dabei noch weniger auf einem heilsamen Wege als im
kleinen. Die Staaten, die plötzlich empfangen sollten dieses industrielle
Wirtschaftsleben, die haben es sich in ihre alten juristischen Formen
eingliedern wollen.

Vandaag de dag moeten we de sociale kwestie niet slechts als een economisch vraagstuk zien, we moeten het kunnen vatten als een kwestie die de gehele mensheid aangaat, en we moeten inzien dat we het binnen de context van de mensheid moeten oplossen.
Voor het economische gebied ontbreken echter nog de noodzakelijke denkimpulsen – zoals die er wel waren voor de theocratische en de juridische sfeer. De huidige strijd draait om het vinden van dergelijke impulsen voor het economische domein, net zoals die gevonden werden voor het theocratische en het juridische domein. Dat vormt in wezen de kern van het sociale vraagstuk van vandaag. Op macroniveau zijn we nog verder verwijderd van een constructieve weg dan op microniveau. Landen die dit industriële economische leven plotseling overnamen, probeerden het te integreren in hun bestaande rechtsstructuren.

Und da sie das nicht gekonnt haben, verfielen sie auf dasjenige, was eine Art Ventil war, um es nicht nötig zu haben zunächst, das Wirtschaftsleben wirklich neben das Staatsleben hinzuentwickeln. Und dieses Ventil ist das Kolonisieren. Weil man nicht die Möglichkeit fand zu starken sozialen Ideen im Inneren, machte man sich zunächst etwas wie einen Ausweg im Kolonisieren.
Das ging bei England. Bei Deutschland ging es nicht. Deutschland konnte sich seine Industrie nicht eingliedern, unzweifelbar deshalb, weil das Kolonisieren nicht ging. Und die große Frage steht heute vor der Menschheit: Wie macht es der Mensch mit dem wirtschaftlichen Leben, ebenso wie er es einstmals mit dem theokratischen, wie er es mit dem Juristischen gemacht hat.
Diese große Frage glaubt man heute, könne auf rein materialistische Weise gelöst werden. Jeder will sie aus dem Wirtschaftsleben heraus lösen. Hier soll gezeigt werden in bescheidenen Anfängen, daß sie nur auf spirituellem Wege gelöst werden kann. Das soll dann der Inhalt meiner zwei nächsten Vorträge sein.

En omdat ze daartoe niet in staat waren, grepen ze naar wat diende als een soort veiligheidsventiel; dit bespaarde hun de directe noodzaak om het economische leven werkelijk te ontwikkelen naast het staatsleven. Dat ventiel was de kolonisatie. Omdat men geen manier vond om intern sterke maatschappelijke ideeën te ontwikkelen, werd kolonisatie aanvankelijk aangegrepen als een soort uitlaatklep.
Voor Engeland werkte dit. Voor Duitsland niet. Duitsland kon zijn industrie niet integreren – ongetwijfeld omdat kolonisatie geen optie was. En vandaag de dag staat de mensheid voor een grote vraag: hoe moet de mens omgaan met het economische leven, net zoals hij ooit omging met het theocratische leven en met
het rechtsleven?
Tegenwoordig heerst de opvatting dat deze grote vraag op puur materialistische wijze kan worden opgelost. Iedereen probeert haar op te lossen vanuit het economische leven zelf. Hier wil ik aantonen – zij het in bescheiden aanzet – dat ze alleen kan worden opgelost via een geestelijke weg. Dat zal het onderwerp zijn
van mijn volgende twee voordrachten.
GA 305/184  

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Rudolf Steiner over pedagogie: vindplaatsen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3569-3353

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – arbeid (9-10)

.
Steiner heeft veel over ‘arbeid’ gesproken en ook geschreven, o.a. in zijn boek: ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk  (GA 23)
In de jaren 1950 publiceerde Mellie Uyldert in boeken en in haar blad ‘De kaarsvlam’ over diverse onderwerpen die ook in de antroposofie aan de orde komen. Er zijn overeenkomsten, maar ook verschillen. Ondanks dat is het toch nog steeds de moeite waard, met haar inzichten kennis te maken. Haar gedachten kunnen aanleiding zijn tot het scherpen van de eigen gezichtspunten, ter ondersteuning of juist tot een gefundeerd afwijzen.
.

Mellie Uyldert, De Kaarsvlam, 10e jrg., nr.6, 1956
.

HEILIGE EN ONHEILIGE ARBEID

De mens en zijn werk

Is arbeid een straf? Een noodzaak? Of een zegen?

Arbeid is zeker geen straf voor zonde, want dan zou arbeid niet zo heerlijk en gelukkig makend kunnen zijn, en dan zou niet-arbeiden niet zo verre van paradijselijk, niet zo’n gruwelijke leegheid en verveling kunnen blijken.
Elk levend wezen arbeidt, elke cel arbeidt levenslang!

Arbeid is een noodzaak om in onze levensbehoeften te kunnen voorzien en hangt dus af van wat wij als onze behoeften beschouwen.

Er leeft ergens een indianenstam die volmaakt gelukkig is en vrijwel niet arbeidt: men vangt enkele visjes en plukt enkele vruchten als voedsel, verder zingt en danst men van levensvreugde, er is daar geen wet en, geen godsdienst, geen ziekte, geen verdriet en geen ruzie, men loopt naakt en slaapt in ’n hangmat buiten.

Wij werken hoofdzakelijk voor onze gewaande behoeften: wij begeren datgene wat een ander heeft, wat de advertenties en uitstallingen aanprijzen. Wie zich daarvan vrij houdt, heeft al heel wat minder behoeften. Wij begeren in de stof wat wij in de eigen ziel en het eigen lichaam reeds bezitten, maar verwaarlozen: wij moeten geld verdienen om onze kolenrekening te betalen, maar wij bezitten allen in ons lichaam een ingebouwd elektrisch kacheltje, dat de stroom uit de kosmos door middel van de adem betrekt, om niet, dat is de milt. Door de speciale lange uitademing (toemo oefening) kan men die kachel activeren en geheel warm zijn in de ergste kou. — Wij menen veel geld te moeten verdienen voor voedsel, maar ’t is in de hongerwinter toch wel gebleken, dat wij met veel minder eten toe kunnen komen en dan juist veel gezonder zijn en psychisch veel beter functioneren: bij vasten wordt ons veel meer bewust, ontplooien zich onbekende gaven der ziel (dichten!) door de bloedreiniging die inzet en blijken zich onze krachten en ons uithoudingsvermogen en vooral onze fijngevoeligheid te vergroten! Drie maaltijden per dag is te veel, men kan met twee of één toe komen, en als men dan ook maar het ware voedsel eet, dat de natuur onbedorven oplevert, zoals de wilde planten (brandnetels, melde, beukennoten, paddenstoelen, bosbessen, bv.) heeft men aan weinig genoeg. — En als men dan ten derde zijn door God gegeven krachten niet verdoet in een overdreven geslachtsleven, maar ze laat opstijgen naar de ziel, waar ze ons alle nodige goede invallen geven, dan bevrijden wij onszelf hoe langer hoe meer van die noodzaak om te werken voor geld.
Ook kunnen wij zoveel werk, dat wij nu met bewuste krachten ten koste van veel energie doen, beter aan onze onbewuste krachten overlaten, die anders bij gebrek aan bevelen maar gaan woekeren: het studieboek onder het hoofdkussen met de geconcentreerde intentie vóór het inslapen om deze leerstof ’s nachts op te nemen, kan ons moeiteloos klaar maken voor het examen: op een vraag geven wij dan van het onbewuste uit het goede antwoord, al weten wij niet dat wij het weten. (Dit is dus weer het innerlijke proces, waarvan de grammofoon onder het hoofdkussen ( bij de Amerikaanse studenten c.s. uiterlijke projectie in de stof is, net als radio en televisie)
Ten slotte wordt ons een enorme hoeveelheid arbeid en energie bespaard als wij de etherische stromingen gebruiken, die er vanzelf zijn, bv. onze vliegtuigen laten vliegen op die stromingen zoals een schip dat de rivier afvaart en zoals de Kontiki-expeditie over de oceaan, de vliegende schotels doen dat en hun bemanning moet wel medelijdend glimlachen om ons moeizaam kolen en petroleum winnen! — Wie met de tijden van de dag en van het jaar meedeint, dus ’s morgens handenwerk, ’s avonds zielenwerk, ’s zomers buiten- en lichaamswerk, ’s winters binnen- en zielen- en geesteswerk doet, die verslijt niet. Wie datgene doet, waar hij zin in heeft, wordt er niet door vermoeid, maar opgefrist door zijn concentratie van krachten, zijn onbelemmerde doorstroming, zijn gelukkig-zijn, zo presteert men het meest en wordt er gezond en wijs en gelukkig door!

Zo verandert de arbeid van een noodzaak in een zegen, zo wordt ze gelijk aan spel, dat eenvoudig spontane arbeid is, die bij ons past. Een kind dat geconcentreerd speelt, doet het werk dat God wil, dat is heilige arbeid, een deel van het groeiproces van de menselijke ziel. Als wij doen wat onze bestemming is, wat vanzelf van binnen uit komt en wat wij dan ook met ons hele hart doen in volledige concentratie aller krachten op het ene doel, dan zijn wij de transformator, die de kosmische krachten gebruiken om zich door middel van ons, levende schepselen (al het zg. levenloze meegerekend) te manifesteren, tot aanzijn te geraken. De voortstuwende krachten (de elektrische) laten ons scheppend werk doen, de zuigende (magnetische) voeren door ons het verlossende werk uit. Dat is de heilige arbeid die het doel van ons menselijk bestaan op aarde is — geen straf en niet zozeer noodzaak, maar een opdracht en taak, die het spel der goden is en die ons mensen gezond en gelukkig maakt en houdt!

Daarom is deze passende arbeid het meest economisch, want efficiency zit niet zozeer in besparing van manuren, maar in het verkrijgen van de hoogste prestatie bij het minste energieverbruik! Als de maatschappij zó wordt ingericht, naar het voorbeeld van de echte Montessori-school, waarvoor wij de nieuwe generaties immers al steeds klaarmaken, besparen wij al de kosten van ziekte en ongelukkig zijn, dat is bv. al de hele snoepindustrie, de alcohol en de sigaretten, want daar taalt een gelukkig, tevreden en gezond mens niet naar, en al de ziekten, die enkel correcties door de natuur zijn op een foutieve leefwijze en verkeerde arbeid.
En wij besparen al de misdaad en de seksuele wantoestand, die het gevolg zijn van de ledigheid der ziel bij werk dat de krachten van het hart niet nodig heeft — zodat die krachten, niet tot samenbundeling opgeroepen, zich verspreiden en automatisch de bv. in film en detective-story (zielverpestende feuilletons der dagbladen!) gegeven voorbeelden gaan verwerkelijken!

Onheilige arbeid vraagt vakantie tot redding van ons organisme, dat zich dan even herstellen kan uit de verwringing. Zo vraagt nu de bóer zelfs om vakantie, daar hij niet meer als vroeger in het ritme der natuur meewerkt en daardoor gedragen wordt, maar een industrieel geworden is en daardoor zichzelf net zo opgebruikt als hij het zijn als machines behandelde koeien en kippen doet.
Als iemands gewenste vakantie bestaat in niets-doen, dan is die mens al erg ziek en moet blijkbaar uit de verwringing eerst terug in de nul, vóór hij aan zijn ware zijn toekomt (en dan is de vakantie net weer om) — op die manier komt hij nóóit tot het ware werk, de heilige arbeid die zijn opdracht is, en al wat hij zijn leven lang, na zijn kindertijd misschien, gedáán heeft, gaat als waardeloos op de kosmische vuilnishoop — dit hele leven zal hij weer over moeten doen.

De hedendaagse jeugd heeft groot gelijk, als zij zich niet door hoge lonen voor zieldodend werk laat omkopen en steeds van baan wisselt tot zij gevonden heeft wat haar past, wat met de persoonlijke opdracht en bestemming overeenkomt.

Heilige arbeid is die arbeid, die vanzelf gedaan wordt door de krachten die de mens dan onbelemmerd doorstromen en waarin de mens zich zonder voorbehoud in dienst stelt van die krachten, zoals een gaaf kind doet. In dat opzicht moeten wij weer als de kinderen worden.

De mens die naar onafhankelijkheid streeft, laat zich geen behoeften en begeerten suggereren, maar ontwikkelt zijn eigen ingeboren vermogens en gebruikt de kosmische krachten die zich om niet aanbieden. Met zijn maats (zijn medemensen in dezelfde fase) bouwt hij daardoor vanzelf een nieuwe maatschappij op, die een paradijs kan heten, omdat de mens daarin gelukkig is, vrij van problemen, ziekten, verdriet en zorg, angst en vrees, vrij van overbevolking en „schadelijke” dieren of andere „vijanden”, want allen vanzelfsprekend samenwerkend. Want de harmonie der sferen is het patroon waarnaar de menselijke samenleving vanzelf opgroeit als de mens het proces niet meer verstoort, maar er in medewerkt.

De duimendraaiende leeghoofdige rentenier is geen ideaal, maar het onnatuurlijkste wat bestaat, want zoals God zelf zonder ophouden arbeidt, zo arbeiden zijn dienaren: de planeetkrachten, en zo arbeidt de mens als onmisbare medewerker mee in het Grote Werk.
Wil men de arbeid plicht noemen, goed, maar dan de innerlijke plicht, niet de uiterlijke die bestaat voor het geld verdienen om onnodige dingen te kopen, die de mens innerlijk onontwikkeld, primitief en hulpeloos houden. De innerlijke plicht van de mens is om zijn vermogens te oefenen en te ontplooien, zodat hij zelf als een god kan leven, vrij door inschakeling in de grote orde: „goden willen wij zijn, naakt en zuiver en rein, en van een edele waarde — vrij door ons zelve te zijn, geleiders van Zonne’s schijn — ja góden, góden op aarde!”

Loon naar werken

Dat wij werken is vanzelfsprekend, onze krachten willen iets doen.
Dat wij het materiaal ontvangen, waarmee onze krachten werken willen, dus onze ware levensbehoeften, is even vanzelfsprekend. Als praktische neutrale tussenvorm tussen dit geven en nemen, om het een in het ander te kunnen omzetten, heeft de mens het geld uitgevonden. Werken en ontvangen is een natuurlijke kringloop. Wij werken niet om het geld, wij werken en alle werk heeft resultaat — dit resultaat kan eenvoudig uitgedrukt of omgezet worden in een andere vorm, met behulp van de tussenvorm geld, die geen waarde of betekenis in zichzélf bezit.
Geld is neutraal. Wil men geen geld aannemen dat door uitbuiting is verdiend, omdat er „bloed aan kleeft”, dan hecht men ten onrechte een voorstelling aan dat geld, en leeft dan in de geldwaan. Beter kan men het wél aannemen en het voor iets góeds besteden! Zo kan men het „kwade” in het „goede” omzetten.
Geld is niets — maar de mens die er zijn eigen krachten in de vorm van wens en begeerte, toewijding en idealisering, geloof en verering, aan meedeelt, op projecteert, in belegt, laadt dat geld, dat niets is, op tot een machtige afgod, die hem kan tiranniseren, doordat die mens dat zelf wil! De slaven maken de tiran.’t Is maar wat men in het geld ziet. De saturnale mens wil „zijn geld eerlijk verdienen door inspanning en plichtsbetrachting” en slooft zich af voor een vast en bescheiden loon. — De joviale (Jupiter-)mens ziet in geld iets om te besteden en geeft al trakterend en royaal levend het geld uit, dat door de zuinige Saturnus-mens verdiend en opgespaard is.
Terwijl de joviale mens zijn god ziet als de goede vader, die de leliën des velds en het kleinste musje voedt, al arbeiden zij niet, beschouwt de saturnale mens zijn god als de grote boekhouder die nagaat en bijhoudt of men z’n kleine vreugden wel naar eer en geweten met arbeid verdiend heeft, en of de mens het kapitaal, door zijn schepper in hem gestoken, wel opbrengt. Als de balans niet sluit, moet hij door boete en straf het tekort aanzuiveren.
Zo ziet dan ook de saturnale mens het loon naar prestatie als het enig billijke en de joviale mens het loon naar behoefte. De eerste zegt: men moet maar alles aanpakken, opdat men geen schulden hoeft te maken! De laatste zegt: men moet edel leven door anderen te helpen en zichzelf niet te verminken, en wat men daarvoor aan geld nodig heeft, desnoods lenen. — Zo gunt de joviale mens het grote gezin z’n kinderbijslag, terwijl de saturnale mens zegt: de ouders hebben toch hun verantwoordelijkheidsgevoel gekregen om hun kindertal zo nodig te bepérken! Waarom moet de wel-gewetensvolle mens werken voor het seksuele gemak van de ander, die niet-gewetensvol is?!
De saturnale mens verzekert zich. De joviale rekent er maar op dat anderen hem wel zullen bijspringen in nood, en dat gebeurt ook, doordat hij anderen veel geholpen heeft.
Rente trekken vindt de saturnale mens ontoelaatbaar, omdat dan tegenover dat credit geen debet staat. De joviale mens zegt: alles in de natuur vermenigvuldigt zich, waarom dan het geld niet, dat een andere gedaante is van natuurlijke rijkdom, zoals een olijfboom die veel vrucht draagt?
Zo heeft ieder type zijn eigen geldmoraal, die een uitdrukking is van zijn aard en gebruikt wordt om die aard te handhaven en te excuseren waar nodig.
Men vraagt wel eens: mag een genezer, die nu eenmaal uit zichzelf de gave van het genezen bezit, voor zijn genezingen geld vragen of aannemen?
Uit wat voor soort denken komt zo’n vraagstelling voort?
Uit het boekhouders-denken, het geld-denken van Saturnus. Men redeneert: een arts heeft een dure opleiding achter de rug, die moet hem nu weer iets opbrengen. Een genezer heeft er geen geld in gestoken, dan hoeft hij er ook niets uit terug te krijgen. (Dit zou dan echter alleen gelden voor een werkstudent, die zijn studie zelf betaald heeft; als men de vader inschakelt, die de studie gefinancierd heeft, komt men tot een en de genezer wel! Als het loon gegeven wordt voor het ware resultaat (groepziel-moraal.) Dat is weer debet en credit, en loon naar werken. Maar dat klopt toch ook weer niet, als de arts zijn patiënt niet geneest, van het werk, moet men arts en genezer beide alleen betalen als men genezen is. Een slecht arts, die wel gestudeerd heeft, maar niet de gave van het genezen heeft, kan dan maar beter een ander beroep gaan uitoefenen.
Als men de beloning „aan de beleefdheid overlaat”, als het een honorarium, dus een ere-loon is, omdat de prestatie ook eigenlijk niet in geld is uit te drukken, althans niet daarmee gelijk te stellen, dan geven de gierigen te weinig voor het door hen ontvangene terug. Dan krijgen we het verschijnsel van de „arme kunstenaars” en de goedige mensenhelpers, die zich laten uitbuiten, en die daardoor niet alleen honger lijden, wat een les voor hen zou kunnen zijn, maar die bovendien hun medemensen slecht maken, door de gelegenheid tot uitbuiting te geven. Met het oog op dit gevaar is het dus misschien maar beter dat de genezer rekeningen schrijft.
Vroeger werd het geld verdiend in ’t duister door de mannen, terwijl de vrouwen niet wisten hoe. Daardoor werd het begrip „vies” en „vuil” aan het geld gekoppeld, en werd „liefdewerk”, nl. onbetaalde arbeid, veel hoger gewaardeerd dan betaald werk, dat met evenveel liefde werd gedaan, door hen, die géén kapitaal achter zich hadden. En daarom werd het dan weer afgekeurd als iemand zijn gaven wegschonk „voor geld”, bv. zingen. Tegenwoordig nu vrijwel iedereen z’n brood door arbeid moet verdienen, is het heel gewoon dat men voor welk werk dan ook betaald wordt, eenvoudig omdat iedereen leven moet van datgene waaraan hij zijn tijd en zijn krachten besteedt. En het is te lastig om te leven van fruitmanden en dergelijke attenties.

Zodra men geen onheilig werk meer verricht „om het geld”, verdwijnt ook de gewaande onheiligheid van het geld!

Is er eigenlijk wel zo’n duidelijk en precies verschil tussen een groep die zijn kennis en een groep die zijn aangeboren gaven gebruikt? Is het leervermogen ook niet een gave, en gebruiken wij niet allemaal de een of andere gave voor ons werk? Alle gaven zijn toch om niet ontvangen, en alle mensen hebben toch wat geld nodig om te leven? Speelt in deze hele probleemstelling niet weer dat boekhoudersdenken een rol, die vindt dat arbeid beslist naar en zuur moet zijn, omdat men anders het loon ervoor niet verdient? Dat het geld die zure arbeid moet verzoeten? — En is dat niet helemaal in strijd met wat wij gevonden hebben, dat de ware arbeid de mens vreugde schenkt, geheel onafhankelijk van en niets te maken hebbende met het loon? Alleen de onheilige arbeid dwingt om loon om evenwicht te maken. Het loon is dan ook helemaal niet te beschouwen als een tegenwicht van de geleverde arbeid, maar als een vorm van de vanzelfsprekende voorziening in de werkelijke behoeften, die ieder mens ontvangt als hij in het Grote Werk mee arbeidt. Wij werken niet om het loon of om het geld, maar omdat het onze taak en bestemming is. En wat wij aan de gemeenschap geven, ontvangen wij van de gemeenschap terug volgens kosmische wet en dat kan dan in de vorm van geld omgezet worden waar nuttig.

Wij hebben dus bij de keuze van ons werk niet te denken aan het mogelijke loon, want dat heeft er niets mee te maken.

De gedachte aan het loon zou ons tot de keuze van het verkeerde werk kunnen verleiden en dan gaat alles verder scheef, ook bij uiterlijk „succes”. Ons werk vult ergens een tekort, en wordt dus tegelijk van binnenuit (door ons overschot aan productie) als van buitenaf (door een overconsumptie in de omgeving) bepaald. Dit gebeurt vanzelf, als wij ons met ons hele hart in dienst van God stellen, en zo wordt de keuze voor ons bepaald, door de Orde zelf, door God, door de Bestemming, niet door de statistiek (al kan die in ’n enkel geval ook wel eens een werktuig zijn.).

Het verkeerde denken, hier het gelddenken, trekt de zaak scheef. De Cyprioten bv. hebben als alle andere volken en volksgroepen een natuurlijk recht op zelfbeschikking en zelfregering of op een vrije keuze van een regering — het geld-denken brengt de staat Engeland er toe, om te zeggen: al hebben wij het zelfbeschikkingsrecht der volken mede-ondertekend, de olie van Koeweit is voor ons reden om het recht te verkrachten en om wie er voor opkomt te vermoorden — right or wrong, my country! ofwel: my money.

Niet het geld, maar het geld-denken bederft de onderlinge verhoudingen van volken en staten, van mensen onderling (werkgever en werknemer, ouders en kinderen, huwelijkspartners, collega’s die er door tot concurrenten worden, enz.) en van mensen en andere schepselen (uitbuiting van plant en dier en van Moeder Aarde’s lichaam!).
Het geld-denken verminkt het vrije geven tot iets-terug-doen, ofwel het doet een spontane gift ervoor aanzien.
Het schenkt de opvoeding een verkeerd doel: het schoolhuiswerk gaat door dik en dun voor de natuurlijke spelbehoefte, om een betere baan te verwerven, d.w.z. een die meer geld opbrengt. De ontplooiing der ingeboren talenten echter leidt tot het passende werk, dat gelukkig maakt en iets wezenlijks is, terwijl het dode werk, gedaan met een dood hart om niets dan geld, niets goeds opbrengt of nalaat.

Het geld-denken bederft de natuurlijke waardering der dingen.

Het laatste stukje ontbreekt. 

.

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3518-3304

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (1-4-3)

.

In de tijd dat het coronavirus actief was, schreef John Hogervorst het volgende:

.

John Hogervorst, Nieuwabrief Driegonaal, mei 2020
.

Dubbel werkend vaccin tegen een economisch virus
.

Al lang staat de economie bloot aan een virus dat zich in de 20e eeuw over de hele wereld heeft verspreid. Resistentie tegen het virus is nog niet voldoende ontwikkeld zodat er nog dagelijks nieuwe slachtoffers vallen. De kwalijke verschijnselen die het virus met zich meebrengt zijn van ongekende proportie en bedreigen mens en aarde. Het virus nestelt zich in de ene na de andere onderneming.
In de volksmond staat het bekend onder de naam ‘egoïsme’, anderen noemen het ‘winstmaximalisatie’. In ondernemingen dringt het met groot gemak binnen: het vindt zijn toegang via de eigendomsconstructie. Is de rechtsvorm van de onderneming zodanig dat deze privé-eigendom is, dan staan de deuren wagenwijd open voor het virus.
Eenmaal binnen, dringt het virus door in alle hoeken en gaten van de onderneming; het wil elk aspect van de bedrijfsvoering naar zijn hand zetten. Leveranciers en medewerkers ontvangen zo min mogelijk. Schadelijke effecten van de bedrijfsvoering – op de gezondheid van mensen of op het milieu – zijn toegestaan, zolang wetten en regels, en de controle daarop, dat niet onverstandig doen zijn. Aan de klant wordt geleverd tegen de hoogst mogelijke prijs.
Dat ondernemingen privé-eigendom zijn, stelt eigenaren (investeerders, aandeelhouders) in de gelegenheid hun rendementseisen alsmaar op te schroeven. Ondernemingen richten zich daarom op korte termijn doelen en maximalisering van de winst. Een reeks problemen, die ons allemaal bekend zijn, hangt hier direct mee samen:
– werknemers die tegen een hongerloon werken en in mensonwaardige omstandigheden leven;
– steeds grotere verschillen in de verdeling van welvaart, wereldwijd
– aantasting van de aarde;
– verstoring van regionale economieën door eenzijdige landbouwproductie ten behoeve van de westerse consument; ontvolking van het platteland;
– verspilling van grondstoffen en het opraken van hulpbronnen;
– toepassing van nieuwe technologie zonder dat mogelijke schadelijkheid voor de gezondheid (van mens en aarde) voldoende onderzocht is;
– het onderwerpen en naar zijn hand zetten van onderwijs, cultuur en wetenschap;
– het binnendringen van ‘vrijemarktprincipes’ in de zorg;
– grenzeloze manipulatie van de consument en het binnendringen in diens privésfeer.
En deze opsomming kan nog aangevuld worden…
Het is niet de bedoeling dat het bovenstaande moralistisch wordt opgevat. Het lijkt mij een beschrijving van de werkelijkheid. Bovendien zijn wij zelf deel van het probleem, bijvoorbeeld via spaargeld, pensioenvoorziening of levensverzekering, want ook ‘eigenaar’. Samen houden wij het virus in stand.
Kan dat niet anders? – Een aantal ondernemingen in Nederland heeft hun rechtsvorm zó gekozen dat zij, verenigd in Stichting Sleipnir, werken op basis van een gebruiksrecht in plaats van een eigendomsrecht. De onderliggende gedachte is eenvoudig: ondernemingen zijn geen privé-eigendom maar zijn steeds, tijdelijk, in het beheer van degene(n) die daartoe capabel zijn: de ondernemer(s). Het werken op basis van het gebruiksrecht zorgt ervoor dat een onderneming niet meer kan worden ingezet ten behoeve van eigenbelang. Ondernemingen kunnen niet meer verhandeld kunnen worden. Zij blijven voortbestaan zolang zij in een behoefte (van klanten) voorzien en worden tijdens hun levenscyclus eventueel door elkaar opvolgende ondernemers geleid. Die ondernemers kunnen zich volledig richten op het zo goed mogelijk vervullen van de wensen van de klant en worden niet (meer) op- en aangejaagd door rendementseisen die eigenaren dwingend inbrengen. Daarmee verdienen de ondernemer en zijn medewerkers hun brood. Daarbij zullen zij ontdekken, als zij het al niet wisten, dat het voor het floreren van een onderneming op de lange termijn vanzelfsprekend is om duurzame relaties op te bouwen, met leveranciers, medewerkers en klanten. In veel familiebedrijven, die van generatie op generatie overgaan, is dit besef springlevend. Die duurzame relaties ontstaan op basis van het besef van wederzijdse afhankelijkheid. Mogelijk is het nog nodig dit besef van afhankelijkheid, en de daarop te grondvesten duurzame relatie, uit te breiden met het inzicht dat wij ook ten opzichte van de aarde, en alles dat de aarde ons biedt, in wederzijdse afhankelijkheid verkeren.
Nu de overheid/belastingbetaler op het punt staat miljarden in de economie te pompen om de gevolgen van de coronacrisis af te dempen, doet zich een unieke gelegenheid voor. Want waarom zouden wij van al die miljarden, laten we zeggen, niet één miljard in een potje (een fonds) stoppen, bestemd voor ondernemers die een onderneming willen starten (of een bestaande onderneming willen omvormen) in een vorm zonder eigendomsrecht maar op basis van gebruiksrecht?
Aan het fonds worden twee voorwaarden meegegeven: elke besteding van middelen uit het fonds gebeurt in volledige openheid, en middelen worden alleen besteed aan ondernemingen waarvan gewaarborgd is dat zij niet in privébezit kunnen komen. Met een miljard en deze twee voorwaarden op pad gestuurd, zullen kring van ervaren ondernemers de weg wel vinden om dit fonds praktisch in te richten. Vast en zeker zijn er honderden, zo niet duizenden jonge ondernemende mensen die de geboden kans graag aanpakken.
Deze besteding van belastinggeld is verre te verkiezen boven het in stand houden van werkgelegenheid van mensen voor wie geen werk (meer) is (voor hen moet ‘andere werkgelegenheid geschapen’ worden – door nieuwe ondernemers bijvoorbeeld!); en verre te verkiezen boven het ondersteunen van bedrijven die in de afgelopen jaren (en langer) miljoenen of meer naar hun aandeelhouders gedragen hebben, en nu vooraan in de rij staan om hun handje op te houden voor staatssteun zonder iets aan hun (eigendoms)structuur te doen.
Met dat ene miljard wordt niet één, maar worden twee crises bestreden.

John Hogervorst

(Dit is een bewerkte versie van een fragment uit: Gedachten, kansen & perspectieven in tijden van corona, ISBN 9789492326461, verkrijgbaar in de boekhandel of via onze webwinkel)

.

Meer van John Hogervorst

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3501-3289

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-9)

.

Onderstaand artikel verscheen in  Driegonaal t.t.v. de coronacrisis.
Dat deze voorbij is, maakt niet dat het artikel nu ook niet meer van deze tijd zou zijn. In tegendeel: wat hier wordt opgesomd aan problemen is eerder actueler geworden.

John Hogervorst, nieuwsbrief Driegonaal april 2020
.

Verdere gedachten rond de coronacrisis

Een mens hoeft geen antroposoof te zijn om bewondering hebben voor Rudolf Steiners werkkracht. Als we bijvoorbeeld alleen kijken naar zijn geschreven werk en zijn voordrachten, en dan nog alleen naar de hoeveelheid en niet naar de inhoud, is een geschat aantal van 6.000 voordrachten die hij hield en geschreven teksten die in zo’n 45 boekbanden zijn gevat, toch best wel veel.
Als we het ruim nemen, en stellen dat hij zijn voordrachten hield in een periode van 25 jaar (van 1900 tot 1924) hield hij elke drie dagen twee voordrachten. Gedurende 25 jaar.
En daar ‘tussendoor’ schreef hij zijn boeken, had een eindeloze hoeveelheid besprekingen, privégesprekken, regisseerde, ontwierp, hield zich permanent op de hoogte van de ontwikkelingen in de wereld en in allerlei (wetenschappelijke) vakgebieden en reisde kriskras door heel Europa. En daarbij kwam dan nog: het geesteswetenschappelijk onderzoek.

In de periode na het einde van de eerste wereldoorlog was, een tijd lang, de sociale driegeleding zijn hoofdthema. Duitsland was uitgeput, gewond en deels verwoest – in alle opzichten. De mensen hadden hun buik vol van de ellende die de oorlog bracht. Er leefde een sterk maar onbepaald verlangen naar vrede en een rechtvaardige samenleving. De oorlog leek ook een breuk met het verleden, en nu dat verleden weg was, was er misschien iets nieuws, iets beters mogelijk.

De sociale driegeleding was dat nieuwe en dat betere en Rudolf Steiner sprak er over, met arbeiders, met de gegoede burgerij, met middenstanders, intellectuelen, politici, kunstenaars en ondernemers. Naar zijn wezenlijke aard heeft de driegeleding elk mens een nieuwe wereld te bieden.
Maar elke belangengroep vond in de driegeleding ook iets dat tegen hún belang inging – en daarmee een reden om de driegeleding  af te doen. En natuurlijk: iets dat écht nieuw is, en geen opnieuw opgewarmd oud kliekje, is ook iets dat de boer niet kent. En dan vraagt de driegeleding ook nog om enige denkinspanning en het vermogen om de stofnesten in ons denken op te ruimen.
En zo gebeurde het Rudolf Steiner’, in de tijd dat hij de sociale driegeleding bracht, keer op keer dat hem iets gezegd werd in de trant van: “Dat klinkt heel interessant Dr. Steiner, die sociale driegeleding lijkt ons een goed idee – maar zegt u ons eerst hoe we het probleem van de geldontwaarding aan kunnen pakken. Als dat probleem is opgelost, kunnen we daarna aan de sociale driegeleding gaan werken.”

Duitsland kampte in de jaren na de eerste wereldoorlog onder andere met hoge golven van inflatie, waardoor het geld zijn waarde verloor. De driegeleding moest nog even wachten.
En zo werden scheuren en gaten dicht gepleisterd, gammele steunbalken opgetrokken, lekken provisorisch gedicht – en bleef het oude sociale bouwwerk overeind. Terwijl het ontstaan van de oorlog had aangetoond dat het oude bouwwerk onbewoonbaar verklaard had moeten worden en de sociale driegeleding het enige toekomstbestendige fundament voor een nieuw sociaal bouwwerk was.

Misschien vergt het moed, maar wie het verdere verloop van de 20e eeuw bekijkt en ook meeneemt met welke ontwikkelingen we sinds het begin van de 21e eeuw te maken hebben (ik noem er een paar: ’11 september’ en de daaropvolgende oorlogen in Irak, Afghanistan,…; de financiële crisis van 2007/08; de aantasting van het milieu; de ongelijke verdeling van welvaart; het migratievraagstuk; het verdwijnen van de privésfeer en de vrijheid van ‘anders denken’ die schuilgaat achter het glanzende gemak van de moderne technologie), zal moeten inzien dat er een massieve tendens in onze samenleving heerst die deze ‘onbewoonbaar’ dreigt te maken. 
Terwijl de sociale driegeleding nog steeds de volle potentie in zich draagt om het fundament voor iets nieuws en iets beters te zijn.
Maar nu, nu moeten wij eerst de coronacrisis te lijf.

Van allerlei kanten zijn er (groepen) mensen die deze crisis willen opnemen als een roep tot bezinning, een dringende uitnodiging om te onderzoeken of wij de dingen niet anders moeten doen. Anderen zeggen dan direct (ik hoorde het ongeveer letterlijk zo op de radio): “Daar hebben de mensen die in de gezondheidszorg werken, en de anderen in hun vitale beroepen, nu geen tijd voor”.
Het is een teken aan de wand dat aperte domheid de norm lijkt te worden, althans, in de kringen die wij in de media steeds langs zien en horen schuiven.

De gatenplakkers, de reparateurs met de schilderskwast, de stopverfbouwers – dat zijn de mensen die Rudolf Steiner (zie GA 23   De kernpunten van het sociale vraagstuk) de ‘zogenaamde practici’ noemde. Het zijn de mensen die zichzelf heel praktisch vinden, gedachteloos zijn zij alsmaar druk bezig, het bouwwerk stort immers bijna in elkaar, dus aan de kitspuit hebben wij nu meer dan aan een levend, sociaal opbouwend denken dat ons de weg zou kunnen wijzen…

Waar het naar toe gaat met de coronacrisis, er is geen mens die er iets zinnigs over zeggen kan.
Eén ding staat wel vast: degenen die de richting van de ontwikkeling van onze samenleving bepalen (dat zijn degenen die vast willen houden aan hun comfortabele, bevoorrechte positie én al degenen die geen behoefte ervaren aan het bevragen van de wijze waarop de samenleving functioneert en dus gewillig mee dobberen) willen ‘straks’ gewoon weer op de oude voet verder. Met een behangetje links, en een likje verf rechts, is wat hen betreft alles weer gedaan.
Dan gaan we vervolgens weer heel praktisch op weg naar de volgende crisis.

De crisis als leermeester brengt echter ook van alles mee dat de moeite van het aanzien waard is.
In de economie zien wij nu wat schuilgaat achter het begrip ‘wereldeconomie’: een wereldwijde economische wederzijdse afhankelijkheid. We hebben het hier en elders al vaker opgemerkt: er is in onze tijd niets dat zo verbindend is als de moderne, door arbeidsdeling gekenmerkte economie. Wij zijn volledig afhankelijk van de mensen die, over de hele wereld verspreid, hun bijdrage leveren aan de productie van hetgeen wij dagelijks gebruiken. Zoals deze mensen op hun beurt, afhankelijk zijn van ons, van de vraag of wij morgen opnieuw tot gebruik (en aankoop) van hetgeen zij maken zullen overgaan.
Dat is een wederkerige economische afhankelijkheid.
Tegelijkertijd geldt ook dat al degenen die buiten de economie werken: in het onderwijs, in de gezondheidszorg, in de wereld van kunst en cultuur, dat slechts kunnen doen bij de gratie van het feit dat er in de economie gewerkt, geproduceerd (waarde geschapen) wordt.
Dat is een andere vorm van wederkerige afhankelijkheid: zij die buiten de economie werken, kunnen dat alleen doen zolang degenen die in de economie werken voldoende produceren – en die laatsten doen dat in principe graag: zij hebben immers ook behoefte aan onderwijs, cultuur, gezondheidszorg.

Op dit moment ‘pompen’ staten massale hoeveelheden geld in de economie, om deze op gang te houden. Daar zit een grens aan, al weet geen mens waar die zich bevindt. Wanneer de economie echt vastloopt, zal blijken dat dit geld zijn waarde verloren heeft – en kunnen wij er niks meer mee kopen.
De crisis leert ons dat we – of we het wisten of niet, en of we het willen of niet – volledig van elkaar afhankelijk zijn. Voor de moderne, individualistisch ingestelde mens een moeilijk te verteren inzicht. Die meent ‘vrij’ en ‘onafhankelijk’ te zijn wanneer hij maar over  voldoende geld beschikt. Dat is een ontkenning van de werkelijkheid.

Wij zijn één mensheid, en allemaal van elkaar afhankelijk. Er is niets dat nu ‘verstandiger’ is om te begrijpen dan het besef van deze wederkerige afhankelijkheid – en om daar vervolgens naar te handelen.

Dat wordt ook genoemd: sociale driegeleding.

.

Meer van John Hogervorst

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3488-3283

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-8)

.

Het is al weer enkele jaren dat we als mensheid te maken kregen met een pandemie door het zgn. coronavirus.
Er werd veel over gesproken, geschreven, gediscussieerd. 
Als je ergens middenin zit, is het moeilijk afstand te nemen.

In 2020 schreef John Hogervorst er in Driegonaal ook een artikel over aan de hand van gezichtspunten van Steiner. Als een overkoepelende gedacht!

John Hogervorst, Driegonaal, maart 2020
.

Een ongenode gast


Gedachten bij het coronavirus

In deze dagen, [2020]waarin de ontwikkelingen rondom het coronavirus alle aandacht vragen, is het moeilijk om níet stil te staan bij dit virus en zijn wereldwijde gevolgen.

Op 7 april 1920 hield Rudolf Steiner een voordracht met als titel ‘Hygiëne als sociaal vraagstuk’.1) Een mogelijk verbazing wekkende titel. Hoe zou hygiëne een sociaal vraagstuk kunnen zijn? Dat is daar waar het individuele raakt aan het algemene.

Rudolf Steiner: “Dit gebrek aan sociale zienswijze merkt men het duidelijkst wanneer men zijn aandacht op één bepaald gebied richt, bijvoorbeeld op het gebied van de hygiëne, dat misschien nog meer dan andere, zich leent om aan een sociale beschouwing onderworpen te worden, namelijk voor zover hygiëne een openbare aangelegenheid is, die niet de enkele mens, maar de gehele mensengemeenschap aangaat.”

Dat laatste is momenteel onmiskenbaar het geval, zodat naast een medische benadering van het coronavirus (die u op deze plaats niet zal aantreffen) een ‘sociale beschouwing’ relevant kan zijn.

Een beperkt zicht op de werkelijkheid

Het eerste deel van deze voordracht is gewijd aan het materialisme: aan de materialistische beschouwing van de wereld, en voor wie dit ver weg klinkt: ook aan het materialisme in ons eigen denken en bewustzijn. Hier ligt al direct een raakvlak met de huidige situatie.
Bijvoorbeeld: in de media zien we een reeks van deskundigen langs trekken: virologen, specialisten, epidemiologen, onderzoekers in allerlei specifieke vakgebieden die hun licht op het coronavirus laten schijnen. Zij praten ons bij over de verspreiding van het virus, de aard en werking ervan, over de oorsprong, preventie en bestrijding. – 

In zijn voordracht karakteriseert Rudolf Steiner het materialisme, en, heel verhelderend, zegt daar onder meer dat niet wat, maar hoe een mens denkt, aangeeft of hij (al dan niet bewust) een materialistische denkwijze heeft. Dat betekent bijvoorbeeld dat een mens oprecht overtuigd kan zijn van het bestaan van de menselijke ziel en de menselijke geest, maar desondanks, door hoe hij denkt, tóch materialistisch denkt.
Vervolgens geeft Rudolf Steiner een betekenisvolle illustratie van de beperktheid van elke materialistische benadering. Stel je voor, zegt hij, dat je een mens helemaal bedekt, zodanig dat je alleen nog de vingers van één hand van die mens ziet. En stel je voor dat je die vingers met alle mogelijke middelen en technieken onderzoekt. Dan is alles wat je zo te weten komt uiteindelijk van zeer beperkte betekenis: met alles dat je nu van de vingers weet, weet je niets over de gehele mens, niets over het organisme waarvan de vingers deel zijn, ben je niets wijzer over wat de mens is.
Om iets zinnigs te leren over en van het coronavirus, zouden we veel verder moeten kijken dan naar het virus zelf. Alle specifieke invalshoeken van waaruit de deskundigen ons over het virus informeren, zijn te vergelijken met een grootschalig maar minutieus onderzoek van ‘de hand’. Het coronavirus, deze ongenode gast, nodigt ons dus uit tot een verruiming van onze blik – feitelijk tot een verandering van ons denken, ons mens- en wereldbeeld, en daarmee ook van ons handelen in de ruimste zin. Dat begint met het inzicht dat we het virus niet geïsoleerd, als op zichzelf staand verschijnsel moeten onderzoeken, maar als deel van een groter geheel.

Vragen naar het grotere geheel

Dat grotere geheel kunnen we exploreren aan de hand van vragen, bijvoorbeeld:
– Ligt de oorsprong van het virus inderdaad, zoals ons gezegd wordt, op de markten in China waar een bonte stoet van dieren, al dan niet levend, verkocht wordt? Als dat zo is, wat betekent het dan dat er in de dierenwereld een dergelijk virus ontstaat, en hoe ontstaat het daar dan? Zegt dit iets, en zo ja wat, over de ‘gezondheid’ van het ecosysteem waarin deze dieren leven – en dat ook gewoon óns ecosysteem is? Ligt er een verband tussen menselijk handelen, dit ecosysteem en het ontstaan van dit virus? Als ja, wat zou daaruit moeten volgen?
– Waarom heeft dit virus potentieel zulke gevaarlijke gevolgen voor de mens?2) En wat zegt dit over de conditie van het menselijk immuunsysteem? Een gezond immuunsysteem ‘kan heel wat hebben’ – en overwint in de loop van een mensenleven menig virus. Staat ons immuunsysteem mogelijk onder druk, en wordt het verzwakt door andere factoren? Uit wetenschappelijk onderzoek is (al lang) bekend dat het immuunsysteem van mensen die veel aan stress bloot staan, of die last hebben van depressieve gevoelens, verzwakt. Ook is bekend dat het immuunsysteem zich ‘oefent en sterkt’ wanneer wij tijdens het opgroeien met van alles in aanraking komen: met van alles dat er in de natuur is, met vuil en allerlei ‘stofjes’, met kinderziekten, met infecties. Welk effect hebben allerlei vaccinaties op de gezondheid van ons afweersysteem? Wat is het effect van allerlei vormen van straling die ons tegenwoordig dag en nacht omgeeft? Is er een relatie tussen ons immuunsysteem en de kwaliteit van industrieel vervaardigde voedingsmiddelen?
Ja, we zouden er heel veel aan kunnen hebben wanneer wij het coronavirus als deel van een groot geheel zouden opvatten.
Daarmee is nog lang niet alles gezegd dat over de gevolgen van het virus opgemerkt kan worden. Ik ga nog even verder, maar vrees niet: niet alles kan en zal hier aan bod komen.

Een nóg groter geheel

In de afgelopen week maakte ik, op een vliegveld in Boston in de VS., een voorval mee dat mij een glimp toonde van een mogelijke wereld in wording, in het kielzog van de coronacrisis. Omdat mijn retourvlucht naar Schiphol door de luchtvaartmaatschappij was geannuleerd, zoals, naar bleek, alle vluchten van deze maatschappij van Boston naar Nederland, was ik blij dat ik toch nog, met een andere vliegmaatschappij, terug kon reizen door eerst naar Lissabon en vervolgens naar Amsterdam te vliegen. Bij de gate, met een paar dozijn andere passagiers, wachtte ik op het moment dat wij het vliegtuig zouden kunnen betreden. Bij de balie van de Portugese vliegmaatschappij meldde zich een Spaanse vrouw die, zo bleek in het vervolg, diezelfde dag dezelfde vlucht naar Lissabon had geboekt, omdat haar vlucht naar Spanje ook geannuleerd was. Omdat de Spaanse regering diezelfde middag de landsgrenzen gesloten had, mocht deze vrouw, die vanuit Lissabon zou doorvliegen naar Spanje, niet mee. Ondanks de elkaar opvolgende woede en wanhoop die zich van haar meester maakten, werd haar de toegang tot het vliegtuig geweigerd. De ene na de andere medewerker van de vliegtuigmaatschappij beriep zich op het besluit van de boven hen gestelde machten en maakte de vrouw duidelijk dat zij niets voor haar konden doen. Na verloop van tijd verschenen twee gewapende politiefunctionarissen die zich over de Spaanse ‘ontfermden’…
Op de gezichten van de andere wachtenden herkende ik: verbazing, ongeloof, onbegrip, stil protest, schaamte én het besef: “Het heeft geen zin dat ik mij hiermee bemoei (en ik wil ook niet het gevaar lopen dat ik straks zelfs ook niet mee vlieg).

Een glimp van een mogelijke wereld in wording, schreef ik hierboven. – De maatregelen die overal ter wereld genomen worden in het kader van de coronacrisis, vormen een ongekende inperking van grondrechten en menselijke vrijheid, en laten tegelijkertijd zien welke ‘kale structuren’ onder onze alledaagse werkelijkheid schuilgaan. Het zijn koude, onaanraakbare structuren waarop mensen nog maar beperkt invloed kunnen uitoefenen en die aan ‘menselijkheid’ ook geen ruimte geven.
Mogelijk komen deze maatregelen voort uit niets anders dan de wil om de gevolgen van het coronavirus zoveel mogelijk in te dammen.
Mogelijk wordt er ook nauwkeurig waargenomen hoe ‘men’ op deze maatregelen reageert, en ontstaat bij deze of gene de gedachte dat de ene of de andere maatregel ook voor andere doeleinden te gebruiken is.
Zéker is het zo, dat wij er goed aan doen nauwgezet te volgen wat er op dit vlak gebeurt en er op toe te zien dat tijdelijke maatregelen niet stilzwijgend een permanent karakter krijgen.

Ook op het vlak van de ‘publieke opinie’ past het om wakker te blijven, of te worden. Niet alleen om niet besmet te worden met allerlei gevoelens van angst of hysterie. Ook om waar te nemen hoe stemmen die een andere (een zogenoemde ‘afwijkende’) mening over aspecten van het coronavirus vertegenwoordigen, geen podium krijgen, en om op te merken dat allerlei wezenlijke vragen niet gesteld worden. De publieke opinie heeft in onze dagen absolutistische, dictatoriale en radicaal onverdraagzame trekken gekregen.

Te midden van dit alles is het goed om te beseffen dat het beter en vruchtbaarder is onze aandacht te richten op het gezonde dan op datgene wat ziek is. – Voor de duidelijkheid: ik spreek nu niet over gezonde of zieke mensen, maar over gezonde of ziekmakende ontwikkelingen in de samenleving. –
Wanneer wij het coronavirus opnemen als dringende aansporing om te doorzien wat het eigenlijk betekent dat onze samenleving (het heersende mens- en wereldbeeld, de hoofdstroom van de wetenschap, de invulling van de media) gevangen zijn in een materialistische mens- en wereldbeschouwing, zien wij van daaruit ook wat het gezonde is, wat onze aandacht verdient en ons denken kan verlevendigen: de vrijheid die in onze cultuur moet heersen – en die daar alleen voet aan de grond krijgt wanneer wij haar in onszelf veroveren.
Daar aangekomen, zouden in vrijheid gewonnen inzichten leiden tot een andere praktijk in alle gebieden: die van het cultuurleven, de politiek en van de economie.

Noten:
1) Rudolf Steiner uit GA 314.
Vertaald
2) De medische vragen met betrekking tot de werking, betekenis en ‘gezondheid’ van het immuunsysteem ontleen ik aan een tekst van Hans-Ulrich Albonico, antroposofisch arts in Zwitserland, in de vorm van een kleine brochure bij uitgeverij Nearchus verschenen onder de titel: Is ons afweersysteem nog gezond? – Vragen van een huisarts.
.

Meer van John Hogervorst

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3476-3273

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De actualiteit van de driegeleding (1-4-2)

.

In 1920 al sprak Rudolf Steiner deze woorden:

 

Driegonaal Nieuwsbrief jan. 2020

Rudolf Steiner:

Een nieuwjaarsgedachte

“(… ) Wat onze tijd nodig heeft, is dat we het geestesleven volledig ernstig nemen. Hierover heb ik u vandaag (…) op Nieuwjaarsdag nog eens willen vertellen en ik heb als diepe wens dat in onze kringen een Nieuwjaarswens wordt opgenomen die ieder slechts zelf ter hand kan nemen: dat in de zielen en harten van onze vrienden de ogen geopend worden voor datgene wat zo nodig is, voor datgene wat alleen en uitsluitend vanuit de geest afkomstig is en de mensheid verder helpen kan.
Uit de regelingen of organisaties die de samenleving kent, kan niets gevormd worden dat een gezonde bijdrage voor de toekomst biedt. In de ontwikkeling van de mensheid moet iets nieuws worden binnen gebracht. Dat moeten we beseffen. Dit besef is de meest waardige nieuwjaarsgedachte die vandaag, in het begin van het jaar 1920, in uw hart kan ontstaan. Dit nieuwe jaar zal belangrijke beslissingen brengen wanneer er mensen zullen zijn die datgene wat voor de mensheid het noodzakelijke is (…) doorzien. We moeten inzien dat het nieuwe jaar nood en ellende zal brengen wanneer niet opgepakt wordt wat werkelijk nodig is en wanneer slechts de mensen die met het oude en bestaande verder willen, de toon aangeven.”
[Rudolf Steiner in een voordracht van 1 januari 1920, GA 195, vertaling jh

John Hogervorst schreef er een commentaar bij. Nu, weer zoveel jaar later, is het met allerlei recente gebeurtenissen in ons bewustzijn, uiterst actueel.

Steiner doet ook, m.n. op de pedagogen, een beroep ‘om daadwerkelijk in de wereld te staan; voor alles in de wereld een levendige interesse tonen.
GA 310/165
Vertaald/171


Vasthouden aan het oude en bestaande…?

Wie houdt er níet vast aan het bestaande?
De politiek lijkt bevolkt door politici die zich vooral lijken te laten leiden door de belangen van lobbymachten, hun partij en hun persoonlijke carrière. Het bedrijfsleven is nog nagenoeg stelselmatig bezig de eigen positie eindeloos uit te bouwen en de winst te maximaliseren – en zet daartoe alles in om de consument in een steeds sterkere greep te nemen. En het geestesleven – de wereld van o.a. onderwijs, kunst, wetenschap en zorg – is gekneveld door de economie, of danst als een oude beer naar de pijpen van de subsidiegever.
Dit wordt hier niet gesignaleerd om eens lekker uit te halen naar ‘de anderen’ die alles verkeerd doen. Want de vraag laat zich stellen in hoeverre wij zelf niet ook aan het bestaande vastkleven. In onze hang naar gemak en comfort; onze behoefte aan zekerheid; onze weerzin om in beweging te komen; de angst om los te laten wat wij kennen; ons gebrek aan vertrouwen in ‘de anderen’, in hún goede wil en gezonde inzicht…
Het is anno 2020 niet wezenlijk anders dan Rudolf Steiner 100 jaar geleden in bovenstaande woorden uitsprak: de toon wordt aangegeven door “de mensen die met het oude en bestaande verder willen”.

Wellicht denkt u nu aan andere geluiden die ook klinken en die de boventoon ‘verstoren’ of zelfs nieuwe tonen laten horen. Het maatschappelijk protest tegen het bestaande maakt zich immers luidruchtig kenbaar? Tja. Maar de geluiden van de afgelopen maanden van boeren en bouwers zijn steunbetuiging aan het behoud van het bestaande. Mogelijk dat het verzet van leerkrachten, verpleegkundigen of jeugdzorgwerkers deels ook de behoefte aan vernieuwing in zich sluit. Mij bekruipt echter het bange vermoeden dat als de overheid maar voldoend financiële middelen ter beschikking stelt – voor loonsverhoging, verbetering van arbeidsvoorwaarden, verhoging van de capaciteit – elke echte vernieuwing weer kundig weggemoffeld wordt.

De radicale roep van (vooral) jongeren om het behoud van de aarde en drastische ingrepen ter wille van het klimaat – zal die uitmonden in een ‘afscheid van het bestaande’? Wanneer wij onder dat laatste niet het einde van de menselijke beschaving verstaan, maar een werkelijke systeemverandering, lijkt mij de kans groter dat de huidige problemen met het milieu niet zozeer worden opgelost maar wel beheersbaar gemaakt door technologie. En dat zou betekenen dat het bestaande zich gewoon voortzet: die inzet van technologie zal gewoon big business worden en naadloos aansluiten op het huidige economische bestel.

“Uit de regelingen of organisaties die de samenleving kent, kan niets gevormd worden dat een gezonde bijdrage voor de toekomst biedt.” Wat zou het fijn zijn wanneer Rudolf Steiner zich hierin had vergist, of wanneer het nu anders zou zijn.
Zodoende zit er niets anders op dan “dat we het geestesleven volledig ernstig nemen” en overgaan tot wat “ieder slechts zelf ter hand kan nemen”.  Het vrije geestesleven, de broedplaats voor alles dat écht nieuw is en werkelijke vooruitgang zou kunnen betekenen, zal pas een maatschappelijke realiteit zijn wanneer het eerst in óns denken geboren wordt en opgroeit. Nieuw denken!
De oerbeelden van vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn nog grotendeels
ongedacht. Zij wachten erop door ons in ons denken opgenomen en in beweging gebracht te worden, zozeer dat zij in ons bewustzijn tot levensvanzelfsprekendheid worden.

Dit waar te maken in ons denken, en gevolg geven aan de handelingen die daaruit volgen is het meest vruchtbare dat wij nu kunnen doen.
(John Hogervorst)

.

Meer van John Hogervorst

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3472-3269

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Voor de aarde, voor de toekomst, voor onze kinderen

.

 Nieuwsbrief Samen voor Grond

We kregen de grootste donatie in onze geschiedenis: grond voor ruim 4,2 miljoen euro van Jeroen van Steen. En dat is enorm bijzonder!

Jeroen, vroeger was hij gangbaar melkveehouder, die waarschijnlijk tegen zijn versie van vandaag zou zeggen: ‘Die is gek’. Toch voelt Jeroen zich vandaag de dag vrijer dan ooit, dat maakte dat hij 19 hectare grond aan BD Grondbeheer doneert. Want, stelt Jeroen; ‘Deze grond verkreeg ik omdat ik geluk heb gehad in het leven. Dat geluk wil ik delen.’ 

Jeroen maakt de grond vrij, hij verandert het systeem door het anders te doen. Dat doet hij voor ons allemaal! 
Elke 100 euro haalt 1.400 euro uit het systeem
Een donatie aan Thuishaven is er een met een enorm rendement. Niet alleen bescherm je de natuur, de grond en de natuurvriendelijke boer maar ook haal je enorm veel geld uit het systeem. 

Reken maar uit, voor €4,2 miljoen aan grond hebben we €3 ton nodig. Dat betekent dus dat elke €100 ruim 14x keer meer waard is!
Doneer 100 euro
 
De grootste donatie in onze geschiedenis!
Op zaterdag 21 juni, de eerste dag van de zomer, heeft Jeroen van Steen 19 hectare landbouwgrond in Zeewolde officieel aan BD Grondbeheer overgedragen. BD Grondbeheer garandeert dat de grond nooit meer verkocht wordt en eeuwigdurend in handen blijft van biodynamische boeren. De grond heeft een waarde van 4,2 miljoen euro. Het is daarmee de grootste donatie die BD Grondbeheer in haar bestaan (anno 1978) heeft ontvangen.

Gek genoeg zijn we er nog niet, we moeten nog wel een sommetje af rekenen bij de fiscus: namelijk € 300.000,-. Daarom zijn we in actie, in actie om dit bedrag op te halen!

Henry Mentink als inspiratiebron
Wat als grond geen eigendom meer is, maar van ons allemaal? Activist Henry Mentink zet zich in voor vrije grond als basis voor een rechtvaardige en betaalbare wereld. 

Zijn gedachtegoed inspireerde boer Jeroen van Steen om 19 hectare landbouwgrond te schenken aan BD Grondbeheer. Samen laten ze zien hoe je met een daad verschil maakt: voor de Aarde, voor toekomstige boeren, en voor wereldvrede.

www.aardpeer.nl
http://www.bdgrondbeheer.nl

.

Algemene menskundede wereld is waar

Sociale driegeledingalle artikelen

7e klas: voedingsleer

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3461-3258

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid en onderwijs (2-11)

.

Het kan een kwelling zijn de sociale driegeleding te kennen. Die laat immers keer op keer zien dat de vragen waarmee de samenleving worstelt alleen vruchtbaar behandeld kunnen worden wanneer wij de zaken fundamenteel aanpakken. Géén noodverbandjes, géén gelegenheidsoplossinkjes, géén lobbyvoorstelletjes, géén gemillimeter achter de komma, géén…
Maar in de actualiteit doet zich geen vraagstuk voor of men ontvlucht de kern van de zaak, maakt mist en misbaar – en zet de praktijk van pappen-en-nat-houden onverdroten voort.
Wie zich, zoals schrijver dezes, zó wel eens gekweld voelt kan maar één ding doen: de kiem van de driegeleding in zichzelf laten groeien en groeien, en groeien en…

Aldus John Hogervorst in ‘Driegonaal’ nieuwsbrief, dec. 2019.
.

30% Vrijheid
.

Sinterklaas heeft zich net weer uit de voeten gemaakt, de kerstman is onderweg. ‘Al het goede komt in drieën’, zal Arie Slob [toen minister van onderwijs] gedacht hebben, die hier een window-of-opportunity zag om het onderwijs met een cadeau te verblijden, namelijk: 30% vrijheid.

In het onderwijsveld toont men zich verbaasd en in verwarring.
“30% Vrijheid, wat is dat en hoe ziet het eruit?”

“Gaat het om les- of leerinhoud die wel of niet verplicht aan bod moet komen?”
Leuk zo’n cadeautje waarvan je niet weet wat het is. Is het om op te hangen en naar te kijken; is het om aan te trekken; is het om op te eten? Kan het nog geruild worden?

Eén ding is wel duidelijk. De minister, en het geldt ook voor de meeste mensen die bij het onderwijs betrokken zijn, hebben geen flauw benul van ‘vrijheid’.  Het moge voor hen een schrale troost zijn: de volle betekenis van het begrip vrijheid gaat de meesten van ons boven de pet.

30% Vrijheid, dat is net zoiets als ‘een beetje zwanger’ zijn. Ik heb het, in het gekrakeel van de afgelopen dagen nog niemand horen opmerken.
30% Vrijheid, dat is net zoiets als de kraaltjes en spiegeltjes waarmee naar verluid, in het verleden vreemde volken werden blij gemaakt. Maar er is niemand die dát opmerkt. Het gesprek gaat alleen maar over de spiegeltjes en de kraaltjes.

“Het rekenen en de wiskunde, die moeten er wel in gebeiteld worden.”
“Die 30% vrijheid, die moet wel strikt bewaakt worden opdat de vrijheid niet misbruikt wordt.”
“Als ik in die 70% met mijn klas niet voor elkaar heb wat daar zou moeten gebeuren, gaat dat dan ten koste van die 30%?”
“Die 30% kan mooi gebruikt worden om iets te doen aan de dramatisch dalende leesvaardigheid.”
Het zijn een paar uitspraken die ik in de media opving.

In 1919 schreef Rudolf Steiner (In De kernpunten van het sociale vraagstuk) dat in de samenleving algemeen het beeld leeft dat leerkrachten onpraktisch en wereldvreemd zijn. Wat er ook de afgelopen jaren in of met het onderwijs gebeurd is, dit beeld van de leerkracht is nog niet echt veranderd.
Door de overheid wordt hij behandeld als een onbekwaam mens die van a tot z moet worden voorgeschreven wat hij hoe en wanneer moet doen. Om er zeker van te zijn dat dat ook gebeurt, moet de leerkracht alles wat hij doet vastleggen, zodat anderen hem daarover ter verantwoording kunnen roepen. En wanneer er in het maatschappelijk debat, of in de waan van de dag, een probleem is (bijvoorbeeld: ontlezing, agressie, loverboys, verslaving, vandalisme, obesitas, homohaat, …), dan wordt het probleem ‘afgehandeld’ door te roepen: “Daar moet het onderwijs aandacht aan besteden!”

Leerkrachten en schoolleiders laten het allemaal gebeuren. Af en toe sputteren zij wat, maar morgen gaat het weer op de oude voet verder (en overmorgen is er de burnout). Verdienen zij medelijden? Niet per se. Want waarom laten zij toe dat zij als onpraktisch en wereldvreemd behandeld worden? – Zij willen de kinderen niet de dupe laten worden van hun protest? Leuk is dat, voor die kinderen. Hun leerkrachten blijven bij hen, al zitten zij samen op een glijbaan en bewegen zij zich in een snelle afdaling naar beneden – naar een toestand waarin elk besef van vrijheid, van een autonoom en zelfstandig denken, van verantwoording dragen en nemen voor wat je doet of nalaat, oplost in het grote collectieve niets. – Nee, als leerkracht kun je niet de barricade op, anders missen de kinderen hun dagelijks onderwijs…

Veel mensen vinden dit soort sombere en kritische bespiegelingen niet leuk. Ik ga daarom ook niet door op de rol en verantwoordelijkheid van de ouders in dit verhaal. En ook niet over uw en mijn verantwoordelijkheid. Maar ik kan wel aanduiden: daarvoor heb ik ook geen positieve of opbeurende woorden beschikbaar.
Voor wie toch een lichtpuntje zoekt: het enige dat ik nu even kan bedenken is dat wij serieus en met nieuwe ogen proberen te zien en begrijpen wat vrijheid is – en daar naar te leven. 

.

Meer van John Hogervorst

.

‘SOCIALE DRIEGELEDING’

website

Nummers van tijdschrift Driegonaal

Agenda van activiteiten

.

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Sociale driegeleding: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3434-3232

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-9)

.

De ‘sociale driegeleding’ van Rudolf Steiner is vanaf het begin onderwerp van discussie geweest. De mensen die zich sinds de jaren 1919, 1920 en 1921 voor de realisatie ervan hebben ingezet, schreven er boekenplanken over vol. In de praktijk van het maatschappelijk leven echter zijn de ideeën, en daarmee de door Steiner gegeven mogelijkheid tot sociale hervormingen, niet blijvend opgepakt. Guido Walraven ziet nu* opnieuw kansen om vanuit de sociale driegeleding mee te doen aan het maatschappelijke debat.
.

*Guido Walraven, Motief mei 1999
.

In de jaren 1919-1921 zette Rudolf Steiner zich zeer actief in voor het verspreiden van zijn ideeën over ‘driegeleding van het sociale organisme’. Dat had te maken met de kansen die er toen waren om gehoor te vinden voor die politiek-maatschappelijke ideeën: in brede kring werd er na de Eerste Wereldoorlog gediscussieerd over een betere maatschappelijke ordening. Steiner publiceerde er veel over, met name een oproep An das deutsche Volk und an die Kulturwelt (aan het Duitse volk en de cultuurwereld/blz. 129), zijn hoofdwerk over dit thema Die Kernpunkte der sozialen Frage (GA 23  De kernpunten van het sociale vraagstuk) en artikelen in het tijdschrift van de driegeledingsbeweging dat toen bestond. Daarnaast hield hij er talloze lezingen over voor zeer uiteenlopende groepen belangstellenden, zowel binnen als buiten antroposofische kring.

Steiner noemt driegeleding ‘ein soziales Ergebnis der Geisteswissenschaft’ (een sociaal resultaat van de geesteswetenschap). Over de ‘geesteswetenschappelijke’ achtergronden van zijn voorstel voor een maatschappijstructuur heeft hij vooral gesproken in antroposofische kring.

In dit artikel vat ik enkele van die achtergronden samen, vooral omdat er naar mijn idee meer discussie gewenst is over de actualiteit daarvan. Er lijken nu (opnieuw) kansen te bestaan voor een bredere discussie over driegeleding en andere ideeën over sociaal-maatschappelijke vernieuwing. Bijvoorbeeld het debat over een ‘derde weg’ getuigt daarvan. Deelname aan dat maatschappelijke debat kan pas goed worden gerealiseerd, wanneer geesteswetenschappers bereid en in staat zijn om na te denken over de wijze waarop driegeleding anno 1999 in Nederland vorm zou kunnen krijgen.

Ik zie zeker drie taken voor degenen die zich voor driegeleding willen inzetten, en die hebben te maken met denken, voelen en willen. De mogelijkheden van het idee in Nederland anno 1999 moeten worden doordacht, nagegaan moet worden welke maatschappelijke activiteiten er kunnen plaatsvinden en tegelijkertijd zal er veel gecommuniceerd en gedebatteerd moeten worden. Dit artikel is ook een oproep tot een dergelijke discussie.

Achtergronden en vragen

Steiner heeft zich op verschillende momenten beziggehouden met wat in die tijd de sociale kwestie heette. Daarbij probeerde hij inzicht te krijgen in de wetmatigheden van het menselijke samenleven en van de mensheidsont-wikkeling. Hij deed dat door middel van de geesteswetenschap en vanuit de overtuiging, dat kennis van die wetmatigheden deel zou moeten worden van wat hij noemde ‘het sociale willen’ van mensen om het sociale vraagstuk echt op te lossen.

Hij zag geen oplossing voor alle tijden en plaatsen, maar gaf aan dat het sociale vraagstuk steeds opnieuw door de betrokkenen in een bepaalde tijd of op een bepaalde plaats opgelost zou moeten worden. Daarom is het gepast en relevant om tachtig jaar na publicatie van Die Kempunkte na te gaan, hoe wij in onze tijd en in Nederland kunnen handelen vanuit de kennis over maatschappelijke wetmatigheden die Steiner heeft aangereikt. Bijvoorbeeld: Steiner schrijft rond 1920 dat ‘das Wollen der Zeit nach Dreigliederung drangt’ (het willen van de tijd naar driegeleding neigt) – hoe zit dat rond 1999? Is driegeleding nog steeds het beste antwoord op de sociaal-maatschappelijke problemen van nu? Wat is er nu anders dan toen? Wat is er vergelijkbaar gebleven? En wat is er vanuit geesteswetenschappelijke analyse over de actuele problemen te zeggen?

Driegeleding in mens en maatschappij

Voordat naar de huidige maatschappelijke problemen gekeken wordt vanuit driegeleding, is het goed eerst te bekijken hoe Steiner daar in 1919-1921 naar keek. Belangrijk uitgangspunt van zijn analyse is dat het sociale vraagstuk niet alleen een economisch en politiek vraagstuk is, maar bovenal een geestelijk. Het heeft te maken met de cultuur van een tijd en met de visie op de mens, als ook met een geestelijk wezen. Steiner wijst in dat verband op de ideologisering van het geestelijk-culturele leven en op het doorschieten van de emancipatie van het individu in het egoïstisch najagen van eigenbelang (in een strijd om het bestaan). Om dat geestelijke aspect samen met de andere aspecten van het sociale vraagstuk te kunnen onderzoeken, moeten de kenvermogens van de mens worden uitgebreid door het ontwikkelen van imaginatie, inspiratie en intuïtie. Antroposofie is immers ook een scholingsweg. Met behulp van deze drie voor Steiner cruciale kenvermogens kunnen de ontwikkelingstendensen en wetmatigheden worden begrepen. Voor een goed begrip van economische ordening is de kracht van imaginatie nodig, voor het geestelijke gebied inspiratie en voor het rechtsgebied intuïtie. Deze en andere verbanden tussen geestelijke vermogens en verschijnselen enerzijds en de sociale verschijnselen van mens en maatschappij anderzijds, zijn samengevat in schema 1 (door Steiner zelf overigens).

GA 199   Ged.vertaald, maar niet de betreffende voordracht

Om de ideeën over driegeleding te begrijpen, hoeft iemand niet zelf over de genoemde vermogens tot kennis en tot het vormen van voorstellingen te beschikken. De juistheid van driegeleding is volgens Rudolf Steiner door iedereen in eigen waarnemingen en studie te verifiëren. Dat klinkt open en sympathiek, maar voordat mensen aan de studie gaan willen ze graag overtuigd worden van het nut en de noodzaak ervan. Daarom moeten driegeleders ook aan niet-antroposofen kunnen uitleggen waar het bij driegeleding om gaat. Bijvoorbeeld waarom er drie maatschappelijke gebieden worden onderscheiden, en waarom specifiek die drie gebieden. Daarbij stuiten we op een interessant en paradoxaal probleem. Enerzijds is Steiners beantwoording van die vraag de verwijzing naar de driegelede mens, maar anderzijds benadrukt hij keer op keer dat het daarbij slechts om een analogie gaat, om een voorbeeld ter verduidelijking. Op zoek naar de argumentatie van Steiner ga ik iets nader in op die analogie.

Uitgangspunt is de driegelede mens. Deze is in trefwoorden samengevat in schema 2 (opnieuw door Steiner zelf).

GA 202/35    Niet vertaald

Vervolgens maakt Steiner de stap om datgene wat vanuit de geesteswetenschap over de driegelede mens is ontwikkeld, toe te passen op het gebied van het menselijke sociale leven. Met andere woorden, Steiner legt een relatie tussen schema 1 en 2.

Mag ik u als lezer uitnodigen nu even actief mee te denken en een gedachte-experiment te doen? Probeer dan de inhoud van schema 2 over de driegelede mens op een voor u begrijpelijke manier te verbinden met de inhoud van schema 1 over het driegelede sociale organisme. Er zijn geen ‘foute’ antwoorden, het gaat om uw leerervaring.

Als u dat hebt gedaan kunt u verder lezen over enkele verbindingen die Steiner legt.

Laat ik voorop stellen dat Steiner vanuit verschillende invalshoeken in de loop der tijd ook verschillende verbanden heeft gelegd. Dat wil zeggen dat er meerdere ‘goede’ antwoorden zijn. Volgens sommigen is het ook de vraag of de antwoorden niet naar tijd en plaats kunnen of moeten verschillen. Dat alles wijst erop dat we zelf speels en flexibel kunnen onderzoeken welke verbanden in onze situatie van toepassing zijn, gebruikmakend van wat de geesteswetenschap ons aanreikt.

Nu dat gezegd is, kan worden ingegaan op verbanden die Steiner heeft gelegd tussen mens en maatschappij. In een veel gebruikte toelichting begint Steiner bij de driegelede mens, en wel bij de menselijke geest (‘die het uiterlijke leven wil bekijken met voorstellingen, vanuit het hoofd en wakend’: kolom 2 uit schema 2), en verbindt dat alles met het geestesleven van het sociale organisme. Daarna verbindt hij het gevoelsleven van de ziel en het droomleven van de geest (kolom 3 in schema 2) met het rechtsleven van het sociale organisme. Ten slotte geeft hij aan dat het slaapleven (kolom 4 van schema 2) samenhangt met het onbewuste en met associaties van mensen, hetgeen hij verbindt met het economisch leven.

Op die manier ‘stroomt datgene wat in de mens is, verder in het sociale leven’. Wat vanuit de individuele mens in het sociale leven stroomt, dat maakt het sociale leven begrijpelijk, aldus Steiner: sociaal waken – > geestesleven, sociaal dromen – > rechtsleven, en sociaal slapen – > economisch leven (vgl. schema 1).

Heeft u als lezer tijdens het gedachte-experiment dezelfde verbindingen gelegd tussen mens en maatschappij? Zo ja, dan zal voor u de driegelede mens waarschijnlijk inderdaad een driegeleding van het sociale organisme ‘begrijpelijk’ maken. Maar als u (deels) andere verbindingen hebt bedacht, dan is de analogie tussen mens en maatschappij voor u onvoldoende behulpzaam geweest. Het probleem is nu dat deze analogie de belangrijkste handreiking is die Steiner eigenlijk biedt op dit punt. Weliswaar zegt hij in zijn Oproep aan het Duitse Volk en de Cultuurwereld dat zijn ideeën vanuit verschillende wetenschappen ondersteund zouden kunnen worden, maar helaas heeft hij die ondersteuning nergens uitgewerkt. Over het waarom kunnen we alleen speculeren. Omdat hij weinig tijd had en andere prioriteiten stelde? Misschien omdat hij wilde dat anderen dat zouden doen? En/of omdat hij vond dat mensen de aangedragen ideeën tot iets van zichzelf zouden moeten maken, ze moesten omzetten in hun eigen denken? Steiner wilde mensen in beweging brengen, en het lijkt erop dat hij dat soms ook deed door ze enigszins in verwarring te brengen, althans door uiteenlopende antwoorden op eenzelfde vraag te geven. Zo legt hij ook nog andere verbanden tussen driegelede mens en driegelede maatschappij. Een voorbeeld daarvan is de aanduiding van de mens als een ‘omgekeerde plant’: de wortels zetelen in het hoofd, waar rust en wetmatigheid heerst, terwijl de bloemen bloeien bij de ledematen, waar activiteiten plaatsvinden. Die bloei heeft te maken met het maatschappelijke geestelijk-culturele leven, de wortels met het economisch leven, en het rechtsleven bevindt zich zoals steeds tussen deze twee polen in.

De relatie tussen mens en maatschappij mag dan ‘slechts’ een analogie zijn, voor andere argumenten ter ondersteuning van het idee driegeleding en voor het doordenken ervan zijn wij in belangrijke mate op onszelf en elkaar aangewezen. Dat geldt nog sterker bij het bepalen van mogelijke toepassingen van het idee in onze tijd en in ons land. Steiner wilde mensen in beweging brengen, niet alleen met hun denken, maar ook met hun voelen en willen. Uiteindelijk moesten de ideeën over driegeleding tot handelingen van mensen leiden, zoals ook het citaat in het kadertje aangeeft.

1919-1999

Het werkelijk begrijpen en toepassen van de idee driegeleding vergt, zo blijkt ook uit het bovenstaande, actieve inzet. Steiner zei medio 1922 in Wenen bij een terugblik op zijn publicaties over driegeleding, dat hij in het debat uiteindelijk van alle kanten verkeerd was begrepen. De voorbeelden die hij had gegeven als mogelijke concrete uitwerkingen, had men voor de hoofdzaak aangezien, terwijl hij vooral wilde aangeven hoe de mensheid kon komen tot sociaal denken, voelen en willen. Voor hem was de hoofdzaak na te gaan onder welke maatschappelijke verhoudingen de mensen in staat zijn om hun sociale mening en wil tot uitdrukking te brengen. De kloof tussen standen en klassen vormt daarvoor een van de hindernissen, evenals het geloof in de almacht van de eenheidsstaat. Steiner zei op een historisch punt te staan, waarop het sociale leven op zijn fundamenten bekeken moest worden (en niet op zijn oppervlakkige verschijningen). Dat wilde voor hem zeggen: bekeken vanuit de drie takken van het sociale organisme. Die drie geledingen zouden samengehouden moeten worden door ‘een hogere band’ dan de staat zoals die tot dan toe bestond (want die staat zou moeten barsten).

Steiner was zich ervan bewust dat ook de term ‘organisme’ een analogie is, zag de gevaren van het spel van analogieën, maar gebruikte die toch ter verduidelijking. Bijvoorbeeld om aan te geven dat er opwaartse en neerwaartse ontwikkelingen plaatsvinden in het sociale leven, en dat de neerwaartse door het samenwerken van de drie gebieden weer ‘genezen’ kunnen worden. De eenheid van het sociale organisme ontstaat vanuit de mens die de drie geledingen met elkaar verbindt, omdat hij of zij immers aan alle drie deelneemt.

Gelet op de ontwikkelingen in ‘het sociale organisme’ moet het sociale leven steeds veranderen. Wat het juiste is in de jaren twintig van een eeuw, is in de jaren veertig al zo veranderd dat het ondergangskrachten in zich heeft, aldus Steiner. Die zienswijze maakt het des te noodzakelijker om in 1999 na te gaan wat de kern van het sociale vraagstuk nu is en wat er vanuit geesteswetenschappelijke achtergronden over meer concrete oplossingen kan worden gezegd.

Over de richting van die oplossingen was Steiner optimistisch. De drie idealen of impulsen die sinds de Franse Revolutie van 1789 werkzaam zijn, maakten hem duidelijk dat de Europese mensheidsontwikkeling een driegeleding ‘vereisen’ en dat die zal komen ‘auch wenn die Menschen sie bewusst nicht wollen werden’ (ook als mensen die bewust niet zullen willen). Het zou interessant zijn om na te gaan welke mogelijke aanwijzingen er in de laatste tachtig jaar zijn te onderscheiden voor ontwikkelingen in de richting van driegeleding. Daarbij kan ook betrokken worden wat Steiner heeft gezegd over spirituele achtergronden van het sociale vraagstuk (zoals het Michaëltijdperk, de verbinding met Christus en de ‘ernster Hüter der Schwelle’, of 1789 als advent en 1919 als de dertien dagen vanaf Kerstmis tot en met Driekoningen).

Behalve van ontwikkelingen in de tijd moeten we ons bij de idee driegeleding ook rekenschap geven van de geografische plaats. Driegeleding is ontwikkeld voor Midden-Europa. Door bij de idealen Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap uit de achttiende eeuw in West-Europa aan te sluiten, zou Midden-Europa volgens Steiner kunnen zeggen: vrijheid in het geestesleven, gelijkheid in het staatsrechtelijk leven, en broederschap in het economisch leven. De inhoudelijke en idealistische rol van Midden-Europa had Steiner vanaf het begin van zijn driegeledingswerk beziggehouden, want het was in antwoord op verzoeken van Duitstalige politici dat hij aan het einde van de Eerste Wereldoorlog zijn idee van driegeleding ontwikkelde. Midden-Europa zou de spirituele wijsheid van het Oosten kunnen verenigen met de wetenschap van het Westen.

De vraag wat toen onder Midden-Europa werd verstaan is zodoende van belang, want indien Nederland daar toen niet toe gerekend werd, moet worden nagegaan of dat consequenties heeft voor driegelede oplossingen die wij voor Nederland anno 1999 willen bedenken.

Drie taken

Wanneer mensen ervan overtuigd zijn of raken dat driegeleding in onze tijd een perspectiefrijke oplossingsrichting biedt, dan is de vraag hoe zij zich daarvoor kunnen inzetten. Steiner wilde met zijn geesteswetenschappelijke visie op mens en maatschappij immers ook een richting aangeven voor het handelen, voor het ingrijpen in de praktijk, zodat de ontwikkelingswetmatigheden zich zouden kunnen verwerkelijken. Dat kan op uiteenlopende manieren worden vormgegeven. Een van de mogelijkheden daartoe is verwant aan de denkwereld van eind jaren zestig: het vormen van gemeenschappen of groepen waarin de deelnemers hun sociale idealen en impulsen kunnen verwezenlijken, die zich richten op bepaalde sociale terreinen als oefengebied. In de jaren negentig zouden we misschien eerder een eigen bedrijf oprichten op zo’n sociaal terrein, of dienstverlenende arrangementen ontwikkelen. Op al dergelijke manieren kan een weg uit het egoïsme worden gevonden tot vreedzaam samenleven en broederlijk wederzijds hulpbetoon in werken voor elkaar. Dat zijn overigens ook manieren waarop de antroposofische beweging kan bijdragen aan haar doel een broederschap der mensheid te vormen, namelijk door ‘Neugestaltung des gesellschaftlichen Organismus’ (vernieuwing van het maatschappelijk organisme). Tegelijkertijd kan worden gewerkt aan de geesteswetenschappelijke ontwikkeling van de ziel, een scholingsweg om in onszelf die broederschap te ontwikkelen als sociaal gevoel voor de omgeving. Spitta (1985) spreekt in dat verband van een tweevoudige weg van de antroposofie om bij te dragen aan het oplossen van het sociale vraagstuk.

Zie ik het goed, dan heeft de antroposofische beweging in het algemeen (en ook bijvoorbeeld die in Nederland in haar 75-jarig bestaan) de nadruk tot nu toe sterk gelegd op de individuele kant van de tweevoudige weg. Om ook de maatschappelijke kant van die weg meer te ontwikkelen en zo tot meer evenwicht in de aanpak te komen, is activiteit geboden.

Er zijn zeker drie taken of verantwoordelijkheden in dit verband: het doordenken van driegeleding als idee, het bepalen van de toepassingen van de idee in onze tijd en in ons land, en ten slotte het open communiceren over driegeleding met buitenstaanders of niet-antroposofen op manieren die voor hen ook helder en van betekenis zijn. De eerste twee activiteiten vergen ‘geesteswetenschappelijke’ studie, de tweede ook de nodige historisch-politieke kennis en vaardigheden. Voor de derde activiteit zijn weer heel andere vaardigheden en houdingen noodzakelijk, gericht op communicatie in eigentijds en doelgroep-specifiek taalgebruik. Het is niet waarschijnlijk dat al die kwaliteiten voorkomen bij dezelfde (groep) mensen, het zal eerder zo zijn dat bij verschillende taken deels een beroep moet worden gedaan op steeds andere mensen.

Hoewel de drie taken een zekere volgorde hebben, hoeft bijvoorbeeld niet met interne en openbare discussies te worden gewacht tot de eerste taken zijn uitgevoerd. Ten eerste omdat je in interactie veel sneller en dieper leert, ook van je fouten. En ten tweede omdat je voor deelname aan publieke discussies voornamelijk afhankelijk bent van de kansen die zich daarvoor voordoen, en het zou onverstandig zijn om mogelijkheden voorbij te laten gaan omdat de interne gedachtevorming nog niet helemaal is afgerond. Momenteel doen zich in Nederland zeker op drie gebieden kansen voor om driegeleding in te brengen. Daarbij gaat het om een zoeken naar een menswaardiger samenleving, een begrip waar ook Steiner regelmatig naar verwijst als het gaat om driegeleding.

Een eerste kans bieden de politieke debatten over een mogelijke ‘derde weg’ naast het ongebreidelde kapitalisme van de vrije markt en het failliete communisme. Men is op zoek naar een werkbare en adequate combinatie van verschillende idealen en politieke stromingen, en misschien dat het geven van een functionele plaats aan vrijheid, gelijkheid en broederschap daarbij als optie in overweging gegeven kan worden.

Een tweede kans biedt de nog steeds groeiende belangstelling voor vrijescholen en andere werkgebieden van de antroposofie. Wanneer daar de ‘geesteswetenschap’ serieus wordt genomen, dan zal ook naar de sociaal-maatschappelijke consequenties ervan gekeken moeten worden en zal men ook voor de idee van driegeleding moeten opkomen.

En een derde kans is de doorgroeiende belangstelling voor de geestelijke/spiri-tuele wereld, bijvoorbeeld in wat samenvattend de New-Agebeweging wordt genoemd. Daarbij staat de persoonlijke innerlijke groei meestal voorop, maar vanuit de geesteswetenschap zou op de sociale en maatschappelijke consequenties gewezen kunnen worden.

Volgens Steiner is driegeleding ‘ein soziales Ergebnis der Geisteswissenschaft’ en kan je tegenover geesteswetenschap niet de houding aannemen dat het iets is wat naast andere dingen kan staan, je moet er besluiten over nemen. Geesteswetenschap is fundamenteel, vereist kracht en energiek aanpakken. Driegeleding gaat ook over de sociale consequenties van de geesteswetenschap en antroposofen zouden zich daarom met moed en kracht voor driegeleding moeten inzetten, aldus Steiner. In dit artikel is ingegaan op de geesteswetenschappelijke achtergronden van driegeleding en zijn vragen geformuleerd over het verkrijgen van zicht op de bruikbaarheid van dat idee voor de situatie in Nederland anno 1999.

Ik heb ook bepleit om de discussies over driegeleding niet alleen in de eigen groep te houden, maar om ook deel te nemen aan het publieke debat. Wat dat eerste betreft sta ik persoonlijk uiteraard open voor reacties, en kan er onder meer in Motief een debat plaatsvinden. Wanneer driegeleders deelnemen aan het publieke debat, dan speelt daarbij het probleem van het vinden van een ‘zeitgemässer Sprache’ (eigentijdse taal), een taal die ook door de groepen waarop de boodschap wordt gericht helder wordt begrepen. Als het echter lukt om over dit thema te communiceren met niet-antroposofen op een manier die enerzijds recht doet aan de antroposofie en anderzijds aan een open dialoog, dan kan die ervaring ook voor discussies over andere thema’s worden gebruikt en is er bijzonder veel gewonnen.

.

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

.

3428-3226

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding

.

In onderstaand artikel uit 1992 wordt al volop gesproken over ‘een landbouwcrisis’.
De afgelopen 30 jaar is die alleen maar groter geworden en zichtbaarder.

Inmiddels is overduidelijk dat er een samenhang bestaat tussen ‘landbouw’, ‘stikstof’, ‘verdwijnen van biodiversiteit’ enz.

Wat vertellen we onze leerlingen in de bovenbouw over de wereld waarin ze straks als volwassenen komen  te leven.
Kunnen we hun een visie meegeven om de problemen te kunnen overwinnen.

Dan moeten we zelf wel op de hoogte zijn van een andere visie.
Die staat in onderstaand artikel.

Als inleiding op het artikel:

wie thuis is in wat sociale driegeleding is, heeft een instrument in handen om actuele vraagstukken grondig te doorzien en inzichten te ontwikkelen die naar wezenlijke oplossingen kunnen leiden;
– wie actuele vraagstukken werkelijk wil aanpakken moet voorbij de waan van de dag op zoek naar het onderliggend fundament.
Het huidige ‘stikstofprobleem’ illustreert dat.
Wat is hier eigenlijk het probleem? Dat de overheid in strijd met haar eigen wetten en regels handelt? Dat boeren zich in een onmogelijke situatie geplaatst weten? Dat de landbouw in Nederland tot een ware industrie is uitgegroeid die een regelrechte aantasting van de aarde met zich meebrengt? Dat een groot deel van de boeren aan het krediet-infuus van de bank ligt? Dat de consument weigert om voor zijn voeding een billijke prijs te betalen?

Hieronder een (deel van een) artikel van oud-redacteur Mouringh Boeke. Het verscheen in het voorjaar van 1992 en bevat een aantal gedachten die meer dan krasjes in het stof aan de oppervlakte zijn.
Driegonaal, okt. 2019

“Hoe kunnen we de landbouw bevrijden uit de wurggreep van de economie?”

Het economisch leven nader beschouwd

Het huidige economische leven berust op concurrentie en op zogenaamde winstmaximalisatie en wordt door degenen die erin staan beschreven als een slagveld. Bij de industriële productie geldt dat de kapitaalgoederen – de productiemiddelen – een zeer begrensde levensduur hebben: in betrekkelijk korte tijd zijn investeringen technisch achterhaald en moeten de productiemiddelen door nieuwe vervangen worden. Een productiemiddel wordt dus kort intensief gebruikt en dan: weg ermee! Ze zijn tenslotte ook door mensen gemaakt en vervangbaar. Waar de landbouw van het economisch leven slechts een zeer klein deel uitmaakt en niet vanuit een andere denkwijze wordt beoefend, is het onvermijdelijk dat de landbouw steeds meer industrie wordt en de aarde, het productiemiddel dat reeds eeuwenoud is en nog eeuwen mee moet,  wordt uitgebuit. Roofbouw is thans systeem. Zo zeer zelfs dat steeds duidelijker wordt dat de aarde als zodanig gevaar loopt verwoest te worden en dat ingrijpen noodzakelijk is. Dat kan alleen vanuit zuivere begrippen. De begrippen landbouw en alternatieve landbouw zijn dat niet. Wat thans landbouw heet zou consequent “pseudo-landbouw” of “industriële roofbouw ter verkrijging van pseudo-voedsel” genoemd moeten worden; wat thans alternatieve landbouw genoemd wordt zal ik eenvoudig landbouw noemen. Daarmee begint namelijk pas (weer) wat werkelijke landbouw is. De eerste vraag is dan: hoe roepen wij een situatie in het leven die de boer in staat stelt landbouwer te worden; dat wil zeggen dat hij landbouw kan beoefenen zonder enige druk vanuit de economie. Met als uitsluitende maatstaf wat de aarde aan bewerking vraagt. De tweede vraag is dan hoe wij ons de handel in landbouwproducten kunnen voorstellen binnen de huidige economie? Het is per slot duidelijk dat alle landbouwproducten geconsumeerd moeten kunnen worden wanneer er ook maar ergens een vraag naar is.

Landbouwers

Bij boeren hoort een erf en grond waarvoor de boer verantwoordelijk is en waarover hij zeggenschap heeft. Die zeggenschap mag niet berusten op het klassieke particuliere eigendomsrecht. Integendeel: de (bloot)eigendom van grond – van alle landbouwgrond – zou geneutraliseerd moeten worden; dat wil zeggen dat grond niet verkocht of bezwaard kan worden en in “eigendom” is bij een instelling die er zelf niet mee kan/mag werken, die er uitsluitend op kan toezien en waarborgt dat de juiste procedures gevolgd worden bij het toekennen van grond aan boeren. Men kan zich een of meer stichtingen voorstellen die in de statuten opgenomen hebben dat de grond plus erf en boerderij aan boeren ter beschikking wordt gesteld (vrij van pacht) waarbij de grond ogenblikkelijk terug genomen wordt wanneer kunstmest of bestrijdingsmiddelen gebruikt worden, niet in de eigen mestbehoefte voorzien wordt of monoculturen ontstaan. Houdt iemand zich daar niet aan dan wordt het vertrouwen opgezegd. Hoe komt de boer aan zeggenschap op grond van vertrouwen? Het mogen beslist niet de beheerders van de grond zijn (de stichtingsbesturen of de ambtelijke instellingen), die bepalen wie als boer een stuk land toegewezen krijgt. Een onafhankelijk orgaan (of meerdere regionale onafhankelijke organen), bestaande uit boeren die allen om hun vakkennis geacht worden, dient daarover te beslissen. Een dergelijk orgaan van vrije boeren kan op persoonlijke titel met gezag oordelen over de capaciteiten van de gegadigden en kan beslissingen nemen. Bij gebleken onvermogen of gebrek aan inzet kan datzelfde orgaan ook besluiten iemand “zijn” grond en erf weer te ontzeggen. Is het dan niet terecht zowel ten opzichte van de aarde zelf als ten aanzien van de mensengemeenschap dat grond alleen aan diegenen toevertrouwd wordt die zich daartoe waardig tonen? Bij dit alles kan men zich goed voorstellen dat een boer die ermee wil ophouden zelf zijn opvolgers aanwijst; hij is immers zelf ook ter zake kundig en zal “zijn” bedrijf een goed hart toedragen en graag in goede handen zien. In een dergelijk geval zal hij ook een eigen zoon of dochter kunnen aanwijzen; bij de genoemde door de stichting of staat gestelde voorwaarden en bij de competentie van het genoemde beroepsorgaan en onder de nog te beschrijven andere voorwaarden zullen daardoor geen misbruik of wantoestanden ontstaan.
Tot zover hebben we wel de grond veilig gesteld maar nog geenszins de boer verlost uit de klauwen van de economie; in tegendeel: wanneer wij alleen deze maatregelen zouden nemen zouden de producten wellicht niet kunnen concurreren met die uit de pseudolandbouw elders.

De handel

De volgende radicale stap is nu te bepalen – in het gebruikerscontract met de grondbeheerstichting – dat de producten van het bedrijf geen eigendom van de individuele boer zijn maar van een speciaal daartoe op te richten handelsorganisatie die zich verplicht alle producten op afroep op te halen (het is overigens zaak vervoer en handel afzonderlijk te laten opereren) en die ze vervolgens onder vermelding van de herkomst in de handel brengt, dat wil zeggen zo duur mogelijk verkoopt. In het “zo duur mogelijk” zit de concurrentie met andere prijzen. Landbouwproducten zijn derhalve, omdat ze geen inkoopsprijs kennen, altijd concurrerend. (Zowel met pseudolandbouwproducten als met landbouwproducten van elders die “gedumpt” worden. Hier liggen nog vragen en wel omdat de handelaar geen inkoopsprijs heeft moeten betalen en daardoor alleen zijn eigen onkosten en inkomen – terug – te verdienen heeft.) En worden derhalve altijd geconsumeerd! Wanneer nu die handelsorganisatie zo opgezet wordt dat de handeldrijvenden en vervoerders een inkomensbegrenzing kennen (zij stellen van tevoren hun inkomen vast en strijken niet automatisch de winst op – in overleg met de boerenorganisaties) zal allicht een overschot ontstaan en dat overschot is nodig omdat de boeren nog geen inkomen hebben en nog geen (on)kostenvergoeding (voor investeringen, machines, preparaten, etc.) hebben genoten. Het zou bovendien niet terecht zijn de handel het volle voordeel te gunnen van een inkoopprijs van nihil.

Terug naar de landbouwers

De landbouwers zorgen voor een orgaan dat met de handel de inkomensbegrenzing en andere voorwaarden afspreekt. En dat de “overschotten” opvangt. Uit die overschotten moet in ieder geval een deel van het inkomen en de bedrijfskosten van de boer komen. Het is duidelijk dat de gemeenschap niet tolereert dat niet iedere boer een goed inkomen – een inkomen dat past bij dit uiterst verantwoordelijke en intensieve beroep – heeft.

De gemeenschap

Indien – en dat zal in de huidige toestand zeker het geval zijn – de overschotten te weinig opleveren, past de gemeenschap bij uit algemene middelen. Wat erop toegelegd zal moeten worden zal in ieder geval niet meer dan een fractie zijn van wat ons aan kosten te wachten staat als de huidige systematische vergiftiging en verwoesting van de aarde doorgaat. Sterker nog: onderwijs en volksgezondheid zullen al op korte termijn vergeleken met de huidige situatie dusdanige besparingen boeken dat de inkomensverschaffing aan de landbouwers uit algemene middelen zijn gewicht in goud waard zal blijken. (Op kleinere schaal kunnen het consumentengemeenschappen zijn die langs de weg van de fiscale aftrekbare giften ditzelfde kunnen bewerken.) Het is om dezelfde reden onjuist te stellen dat wie een landbouwproduct verkiest boven een pseudolandbouwproduct daarvoor dan maar meer betalen moet. Het pseudolandbouwproduct is namelijk “goedkoper” omdat kosten op de gemeenschap afgewenteld worden.

Wat zo bewerkt wordt

Door de voorgestelde opzet is een definitieve scheiding tussen landbouw en handel bewerkstelligd enerzijds en anderzijds gegarandeerd dat de grond als productiemiddel een totaal andere behandeling krijgt dan de door mensen gemaakte productiemiddelen. De boer kan zich bij zijn beroepsuitoefening volledig richten op de aarde en daarbij weten dat zijn producten hun afzet zullen vinden. Hij zal in zekere zin afstand moeten doen van het ondernemerschap – zou men hem dit ondernemerschap in concurrerende zin willen laten, dan zou daarmee de dwang vanuit de economie in stand blijven en daarmee het motief om oneigenlijk te handelen.

.

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Driegonaal
.

Help mee grond vrij te maken. Draag bij aan herstel van landschap en biodiversiteit                         Land van ons  

.

3417-3215

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-10)

.

In de jaren eind vorige eeuw was er binnen de vrijeschoolbeweging een streven om zoveel mogelijk (bestuurlijk) te werken vanuit de gedachte van de sociale driegeleding.
Dat lijkt in het eerste kwart van deze eeuw flink verwaterd.

Als archiefstuk, en wellicht weer als toekomstige kiem, hier een aantal gezichtspunten, zoals daar destijds naar werd gezocht.

.

organisatorische situatie
.

In een bestaande school liggen zaken veelal vast. Het principe van het zelfbestuur door de leraren is daar gemeengoed.

Daar zijn in het algemeen drie organisatorische niveaus te onderscheiden:

-leraren.

-mandatarissen.

-beleidsgroep of “intern deel” van het lerarencollege.

De leraren zijn verantwoordelijk voor de klassen.

De mandatarissen zijn bovendien nog verantwoordelijk voor onderdelen van de schoolorganisatie. Er zijn er slechts enkele in de school. Het vraagstuk van de mandaten is nog niet in voldoende mate verwerkt en speelt in dit stadium nog geen concrete=feitelijke rol.

De beleidsvergadering of het interne deel van het lerarencollege

De leraren die als een dragende groep in de school willen staan, zijn verantwoordelijk voor de totale school. Aan de deelname en taakstelling hiervan worden in zekere zin hogere eisen gesteld dan aan het functioneren in andere schoolorganen. Slecht diegenen die zich niet alleen kunnen, maar ook willen inzetten voor de totale existentie van de school, maken hiervan deel uit. Zo ergens, dan is hier het hart van de school aanwezig.

De beleidsgroep of intern deel kennen we nog in het geheel niet. Wel zijn de onderwerpen die aan de orde komen in de bestuursvergaderingen de onderwerpen die aan de orde zouden zijn, wanneer er een intern deel zou functioneren.

Duidelijk is dat alle organisatorische niveaus in de bestaande grotere scholen door leerkrachten worden gevuld.

Tot zover de beschouwing over de schoolorganisatie op zich.

Los hiervan speelt het vraagstuk van de sociale organisatie.
Dus welk orgaan is er dat de verschillende groepen de gelegenheid biedt zich in de omgang met elkaar te verstaan.

In dit kader moet ook de medezeggenschap worden beleefd.
De medezeggenschap is een probleem dat in alle scholen nieuw is, in die zin dat er niet bewust organen voor zijn gevormd met als uitgangspunt de medezeggenschap. Veeleer is de bevordering van het gemeenschaps(be)leven het uitgangspunt geweest voor de vorming van bepaalde organen.

Een visie vanuit het mensbeeld van de antroposofie is in deze zaak in ontwikkeling. Dat is het proces waar wij als school ook volop in zitten.

Voorstel zoveel mogelijk op basis van hetgeen tot nog toe bewust is geworden:

-In principe ligt de besluitvorming bij de leerkrachten.

Of deze nu in de leerkrachtenvergadering pedagogische zaken bespreken of persoonlijk een mandaat uitoefenen of dat dit gebeurt in de beleidsvergadering of intern deel.

Het pedagogische is niet in discussie.

-De leerkrachten vormen een intern deel/kerngroep waarin inhoudelijk zaken aan de orde komen. De voortgang wordt bewaakt.
Ook praktische zaken komen aan de orde.
Dit is vergelijkbaar met de huidige bestuursvergadering.
De samenstelling hiervan zal moeten veranderen.
Steeds zullen meer leerkrachten die de school in zijn totaliteit willen dragen hiervan deel gaan uitmaken.
Deze vergadering heeft in principe een oordeelsvormend karakter. Beeldvorming is voor oordeelsvorming onmisbaar.

De leerkrachten verstrekken voor bepaalde taken mandaten aan individuen of groepen.
Wanneer een mandaat wordt verstrekt zullen leraren geen besluitvorming meer kunnen plegen m.b.t. die taken.

Beeldvorming en oordeelsvorming hebben hier een grote waarde.
Daar waar beeldvorming aan de orde is zal in zoveel mogelijk gevallen de beeldvormende vergadering ingeschakeld worden. Nu dus nog ‘algemene vergadering’ genoemd. Hierin kan ook aan evaluatie van besluitvormingsprocessen worden gedaan.

.

Sociale driegeledingsamenwerking

Sociale driegeleding: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3408-3206

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-9)

.
In de jaren eind vorige eeuw was er binnen de vrijeschoolbeweging een streven om zoveel mogelijk (bestuurlijk) te werken vanuit de gedachte van de sociale driegeleding.
Dat lijkt in het eerste kwart van deze eeuw flink verwaterd.

Als archiefstuk, en wellicht weer als toekomstige kiem, hier een aantal gezichtspunten.
Die zijn ook vandaag nog actueel: wat stralen we uit naar on ze leerlingen, hoe gaan we met elkaar om? Enz.
.

Verslag van de tweede studiebijeenkomst “Vrije School en sociale driegeleding”, d.d. 29 maart 1983 op de Reehorst te Driebergen.
.

Vrij geestesleven als scholingsweg voor de sociale omgang in de school.

Inleider: Jack Moens

Aan het begin van de avond stelde JM de vraag wat er gedaan was met de ervaringen van de vorige bijeenkomst, in de concrete situatie op school. De meeste aanwezigen hadden de avond ervaren als stimulerend, krachtgevend en inspirerend; het toen gezegde was voor iedereen herkenbaar en toepasbaar in de eigen situatie. Over het algemeen werden de ervaringen, zowel schriftelijk (via mededelingenbladen) als mondeling doorgegeven aan ouders, colleges en besturen. Veel concrete initiatieven waren er echter nog niet uit voortgekomen.

Aanhakend aan de opmerkingen over de heersende onzekerheid bij de drie geledingen binnen de school, over eigen doel, status, verantwoordelijkheden en onderlinge werkwijze, merkte JM op, dat we in een ik-gerichte tijd leven. Men is daarbij zeer sterk op zichzelf betrokken, zoekende naar de werkelijkheid, de werkelijke waarde van dat “ik”. In die onzekerheid over het eigene ligt de oorzaak van veel storingen in het omgangsleven. Maar in diezelfde onzekerheid ligt ook de bron, de aanzet tot nieuwe ontwikkelingen. Want het is onze opdracht om onszelf te vinden, te zoeken naar onze wezenlijke kern, de geestelijke mens. Onder de druk der omstandigheden (economische recessie, staatsbemoeienis etc) worden we echter steeds meer gebonden aan aardse materialistische krachten en steeds weer afgehouden van een opstijging naar de geestelijke wereld. Willen we krachten ontwikkelen, die ons in staat stellen uit onszelf te komen, die ons in staat stellen de juiste sociale inrichtingen te scheppen, dan moeten we teruggaan naar de bron, waaruit ons die krachten toestromen, het geestesleven.
Ook Steiners beginpunt om te komen tot maatschappelijke hervormingen was.- (en is) het vrijmaken van het geestesleven uit de omklemming van economie en staat (zie  GA 23     De kernpunten van het sociale vraagstuk

Geestesleven

Wat is dat nu: geestesleven? We zijn vanavond bijeen in een gezamenlijke zorg voor de Vrije School. In die zorg ontmoeten we elkaar. Willen we echter verder komen, dan moeten we ons ervan bewust zijn dat we ons niet ten bate van onszelf, maar voor de ander moeten ontwikkelen. Wij moeten leren in onszelf ruimte te laten ontstaan opdat we de ander innerlijk kunnen ontvangen, die ander wezenlijk, als geestelijke realiteit, kunnen ontmoeten.

We moeten leren de ander te zien in zijn geestelijke kern, daarbij onze eigen gevoelens, begeertes, sympathieën en antipathieën terughoudend. Deze oefenweg brengt ons geleidelijk tot het erkennen van de geestelijke wereld als realiteit. Het gaat er daarbij niet om antroposofische literatuur van buiten te leren, want dan begrijp je nog niets van de geestelijke wereld. Verdiep je daarom eerst in de mens tegenover je, in diens karakteristieken, zijn biografie, en leer zijn wezenskern kennen. We zijn echter nog zo sterk met onszelf, onze groep, onze school bezig, dat we te weinig open staan voor de ander en geen wezenlijke interesse hebben. Volgen we echter de oefenweg, dan worden we wakker aan die ander, want we zien het geestelijke altijd eerst bij de ander, en dan pas bij onszelf.

Wij herkennen dan ook wat ons bindt, onze gemeenschappelijke idealen, onze oergedachten, de wezenlijke ideeën die ons drijven, die ons de vraag voorleggen: waarom zijn we hier, wat doen we hier, waarom ben jij leerkracht, ouder etc? Dan zien we de mens werkelijk als geestdrager, dan ervaren we de geestelijke wereld, (zie ook GA 257/104   De antroposofische beweging, voordracht VI).

Wij leven in het ik-tijdperk, dat is al vaker geconstateerd. Dat “ik” is kwetsbaar en uit onzekerheid overschreeuwt het zichzelf: ik heb niks te maken met een ander,.. dat is mijn goed recht, wie doet me wat, etc. etc.

Dat begrip van wat vrijheid is, was niet datgene wat Rudolf Steiner met Vrij Geestesleven bedoelde. Het was niet de vrijheid maar te doen wat je wilt; integendeel, het is de vrijheid dat te doen wat in je diepste wil ligt, niet voor jezelf, maar voor de ander. Die onbaatzuchtigheid moeten we in onszelf wekken. En met die onbaatzuchtigheid moeten we dan onze scholen zó inrichten dat we onze oergedachten kunnen verwezenlijken tussen de mensen, zodat de jonge mens tot werkelijk mens kan uitgroeien, uitgroeien tot een mens die zich zelf bewust is geworden, een wezenlijk “ik” heeft. Dat “ik” is dan geen illusie, geen product van de omgeving, het is een kracht, een directe ervaring van het Vrije Geestesleven.

Het zal duidelijk zijn dat in een vrij geestesleven zich allerlei verschillende “ik-ken” manifesteren. Leidt dat nu niet tot versplintering? Tot desintegratie?

Om deze vragen te beantwoorden moeten – we wederom – teruggaan tot de voorgeboortelijke, geestelijke wereld. Vanuit die spirituele wereld komen impulsen op aarde, incarneren de mensen. Op een ogenschijnlijk willekeurig moment komen een aantal mensen bijeen en willen iets: ze nemen het initiatief tot het stichten van een school.
In de eerste fase van zo’n geestelijke impuls komt tot uiting dat het initiatief gedragen wordt door een aantal individuen, “ik-ken”, die verbonden zijn in een groot enthousiasme, een grote werkkracht, een persoonlijke lotsverbondenheid.

In de daarop volgende fase merkt men dat die geestelijke impuls dan ook werkelijk op aarde gekomen is, en onderworpen raakt aan aardse beperkingen. Men moet onderkennnen dat de mens steeds meer gekluisterd is aan de aarde, aan de materie, en dat de opening naar boven, naar het geestelijke zich sluit. Op dat moment openbaren zich binnen de scholen de grootste problemen. Er ontstaan organen (colleges, ouderraden etc.) die als het ware los staan van het ‘lichaam’ van de school. Ieder orgaan meent dan dat het belangrijker is dan een ander. Die versplintering is alom te zien. Zoals ook in een menselijk lichaam het ene orgaan niet boven het andere staat (dan word je ziek), zo ook geldt dat voor de Vrije School: ook die kan ziek worden. Dit ziekteproces kan in twee richtingen uitgroeien:

1. Naar een creatieve chaos, waarin angst om zich vast te leggen, uit te spreken, afspraken te maken, hoogtij viert.

2. Naar een over-georganiseerd geheel, een super-structuur, die door een overmaat aan bureaucratie zichzelf verstikt.

Daartussenin ligt de derde weg: een levend organisme, dat de ontwikkelingen van het kind ten goede komt; een orgaan heeft daarbinnen alleen een functie in het geheel van het lichaam. 

In deze tweede fase moeten we dus trachten een levende schoolorganisatie op te bouwen, waarin het zgn. functie-organisme geen kans krijgt.

In de derde fase moet de school, eenmaal volgroeid, zich bewust worden van haar culturele opgave, en maatschappij-vernieuwend naar buiten treden. De school moet daartoe aan de wereld laten zien een levende impuls op spiritueel gebied te zijn.

Dit gebeurt nu nog te weinig; voor de toekomst echter is dit van groot belang. Concluderend kunnen we zeggen dat ook de school een levensweg doormaakt: een initiatief komt op aarde en zaait zich uit onder de mensen; nieuw leven ontstaat voor weer nieuw zaad in de toekomst. Juist in deze tijd is dat nieuwe leven zichtbaar in de Christus-figuur: Christus als ware mens, die zich voortdurend openbaart tussen mensen die elkaar wezenlijk ontmoeten.

Na de pauze
waarin in kleine groepen werd gediscussieerd over de consequenties van het hierboven gestelde in de eigen concrete schoolsituatie, kwamen direct een aantal vragen en opmerkingen naar voren die door JM en passant werden behandeld.

Over de werkelijkheid van het geestesleven

Het geestesleven moet absoluut merkbaar, voelbaar zijn. Alleen een zoeken, een streven ernaar kan niet voldoende zijn. De spirituele ‘substantie’ moet aanwezig zijn, anders kan het niet stimulerend werken, pakkend zijn voor jonge leerkrachten en jonge ouders, onervaren bestuursleden.

De enige overlevingskans voor de VS is het opbouwen en in standhouden van die innerlijke kracht. Dat geestesleven moet dus concreet zijn, sterker nog, je kan je afvragen wat dat wezen wil, welke richting het wil gaan. Dat proces kun je beschrijven in een beeld, bv. in een biografie van de school. Dat is dan ook helemaal niet abstract, dat beeld leeft vanuit de offerkracht van de mensen die de school dragen: daar wordt de geestelijke wereld tot realiteit.

Over de ‘ik-cultuur’ en de persoonlijke tegenstellingen

Wij moeten af van de illusie dat het op een VS altijd harmonieus zou moeten toegaan.
In onze tijd geldt dat harmonie-model niet meer. De individualiteit van de mens is nu eenmaal geboren, oude normen en waarden vallen daarmee weg. Tegelijkertijd ontstaan echter nieuwe gemeenschappen op grond van wat mensen gemeenschappelijk willen. We zijn natuurlijk wel verschillend, uniek, eigen persoonlijkheden, maar we zijn ook direct afhankelijk van elkaar. Niets kan er gebeuren zonder de ander, en je kunt alleen verder komen als je je spiegelt aan de wil van de ander, daarna ruimte maakt om de individualiteit van de ander zichtbaar te maken in jezelf. Op deze wijze kunnen individuen toch samen iets nieuws maken. Men moet dus a.h.w. die verschillen productief maken, vruchtbaar maken t.o.v. het geheel.

We moeten ervoor oppassen echter niet te zeer aardse krachten (scheidende krachten) te laten overwinnen: dat leidt tot verharding, eigenliefde, specialisatie en eenzijdigheid. Daarom ook moeten we de zin van het anders-zijn leren begrijpen, zodat we met al die verschillende krachten iets kunnen opbouwen. Dit nu kan alleen als er ondanks verschillen een werkelijk onderling vertrouwen heerst. Want dan pas kunnen we in een structuur werken die we uit eigen vrije wil scheppen, en die toch hiërarchisch is. Dit kan ook, nl. in een mandaat-organisatie, als tussenweg tussen de verlammende beperkingen van aristocratie en democratie. Ontbreekt dat vertrouwen dan is het dodelijk, dan is er geen basis voor een gemeenschap die een school draagt. Ook in dat vertrouwen moeten wij ons oefenen, leren onbaatzuchtig te zijn. We moeten leren verantwoordelijkheden te delegeren, verantwoordelijkheden op ons te nemen, en ieder de gelegenheden te geven fouten te maken.

Over besluitvorming en menselijke omgang

Het zal van steeds groter belang zijn tot een zuivere besluitvorming te komen. We zullen tot een goede wederzijdse informatie-verzorging moeten komen, vooral moeten leren goed te luisteren, en af te tasten of een besluit wel door alle geledingen van de school gedragen wordt. In een besluit moet datgene gezaaid worden, wat in alle geledingen kan ontkiemen tot heilzame impulsen voor de toekomst. Besluiten moeten zó genomen worden dat de gehele gemeenschap ze kan dragen, ook al zijn individuen het er niet mee eens.

Het omgangsleven, dat uitgaat van de realiteit van het vrije geestesleven, overbrugt de spanningen tussen het individuele ‘ik’ en het geheel (school of maatschappij).

In de gelijkwaardigheid van de ontmoeting van mens met mens manifesteert zich het geestesleven dat als bron van kracht en inspiratie onuitputtelijk is.

Verslag: Rob Zijlma

.

Sociale driegeledingsamenwerking

Sociale driegeleding: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3404-3202

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-8)

.

Omdat het om nieuwe vormen van samenwerking ging, ontwikkelde het NEDERLANDS PEDAGOGISCH INSTITUUT allerlei gezichtspunten.

Dat deed ze vooral voor het bedrijfsleven, maar ook (vrije)scholen kunnen er allerlei vruchtbare ideeën uithalen om de samenwerking zo ‘sociaal mogelijk’ te laten verlopen.

.
Kenmerk 1387.733
HS/LG
.

VAARDIGHEID IN SAMENWERKEN

.

Samen-werken

In elk bedrijf en in elke maatschappelijke instelling doet zich de noodzaak tot samenwerking voor. In een klein bedrijf, waar iedereen zich nog direct bij de onderneming betrokken voelt, spreekt dit voor de medewerkers nog vanzelf. Naarmate de organisatie groter wordt en de werkzaamheden van de medewerkers onderling meer verschillen gaan vertonen, wordt de behoefte duidelijker gevoeld om tot een meer bewuste samenwerking te komen.

Van samen-werken is sprake, waar een aantal mensen met verschillende inbreng (kennis, kunde) en verschillende taken aan eenzelfde doel werken. Deze taken moeten zo samengevoegd worden, dat een gemeenschappelijk resultaat het gevolg is.

Meer van buiten gezien geschiedt deze samenvoeging door “organisatie”, d.w.z. afgrenzing en onderlinge afstemming van taken, meer van binnen gezien door samenwerking, d.w.z. hetgeen de medewerkers van zich uit moeten doen om het vereiste samenspel in wisselende omstandigheden tot stand te brengen.

Organisatie en samenwerking zijn dus het noodzakelijke complement van de arbeids(ver)deling (splitsing van taken en specialisatie ).

Kunnen samen-werken

Het werken in een organisatie vraagt van elke medewerker:

– bereidheid tot samenwerken
– kunnen samenwerken

Wat houdt dit kunnen eigenlijk in en is het leerbaar?

Om de aard van dit kunnen beter te begrijpen willen wij drie soorten vaardigheden onderscheiden en met elkaar vergelijken. Er is een belangrijk verschil tussen:

– het werken met dingen
– het werken met mensen
– het werken met ideeën.

De daartoe benodigde vaardigheden duiden wij als volgt aan:

– technische vaardigheden
– sociale vaardigheden
– conceptuele vaardigheden.

Technische vaardigheden

Wanneer ik een werk in de wereld van de materie tot stand wil brengen hangt het resultaat af van mijn eigen kundigheid en inspanning.

Immers het materiaal, de middelen en de fysieke omgeving willen niets en doen niets uit zichzelf. Ze wachten om zo te zeggen af, hoe ik hen zal gaan gebruiken. Mijn verhouding tot de dingen is dan een “instrumentele”, ze worden als middelen gezien, om een door mensen gesteld doel te bereiken.
De doelmatigheid van het werk en de waarde van het resultaat hangen af van een reeks van “kundigheden”, die we als technische vaardigheden aanduiden. Het woord “technisch” is hier in de wijdere betekenis gebruikt, ook bv. de boekhouder, de huisvrouw of de kunstenaar heeft technische vaardigheden nodig om het werk te kunnen doen.
Dit houdt in, dat ik over enig “technisch inzicht” moet beschikken, d.w.z. de mogelijkheden en begrenzingen van materialen, gereedschappen, natuurwetten enz. ken, zodat ik weet waarom en hoe ze te gebruiken zijn. Een algemene (theoretische) kennis is echter niet voldoende, de genoemde eigenschappen en mogelijkheden moeten ook in de praktische situatie waargenomen en herkend worden om tot een juiste aanpak te komen. Voorts is nodig een ontwerp en een plan (volgorde van bewerkingen bv,.); dat vereist voorstellingsvermogen en fantasie. Tenslotte moet ik over bepaalde praktische vaardigheden (zoals handigheid) beschikken om het werk goed, eventueel in een zeker tempo, uit te voeren.

Sociale vaardigheden 

Zodra echter een werk tezamen met andere mensen tot stand moet worden gebracht – zodat verschillende, maar met elkaar samenhangende verrichtingen tot één resultaat leiden – wordt nog op een ander vermogen een beroep gedaan.
De andere mensen zijn geen passieve gegevens, maar denken, menen, waarderen, voelen en willen zelf. Om te kunnen samenwerken moeten gemeenschappelijke doelen worden vastgesteld, informatie uitgewisseld en meningen en wensen op elkaar afgestemd. Dit gebeurt door het “gesprek”. De “interactie” van mensen.

Of het nu een simpele mededeling is of een diepgaand overleg, of men om de tafel zit, schriftelijk communiceert of door middel van tekens – er is steeds sprake van een gesprek. De kraanmachinist en de man in het ruim van een schip zijn tijdens het werk ook in gesprek met elkaar.

Voor een vruchtbaar gesprek is nodig:

– bereidheid tot communicatie, d.w.z. uitwisseling van informatie, “openheid” en het elkaar willen verstaan;
– bereidheid tot ontmoeting. Dit veronderstelt aanvaarding van de anderen als medespelers, ook als zij verschillende meningen, geaardheid en behoeften hebben;
– bereidheid tot interactie, d.w.z. om “op elkaar in te gaan”, wederzijdse beïnvloeding mogelijk te maken, nieuwe inzichten op te doen, eigen meningen te wijzigen of niet passende eigen doelen op te geven. Dit berust op het vertrouwen, dat verschillen te overbruggen zijn*.

De resultaten van een samenwerkende groep hangen niet alleen af van de technische vaardigheden van de afzonderlijke leden, maar ook van de mate, waarin een vruchtbaar gesprek tussen hen plaatsvindt. Dat is zelfs bij een autoritair geleide groep het geval, al treedt het daarbij niet zo duidelijk in verschijning.
Een bevredigende en vruchtbare samenwerking berust dus op de bereidheid én het vermogen van de leden om met elkaar in gesprek te treden. Wij spreken i.v.m. dit vermogen van sociale vaardigheden.

Van de sociale vaardigheid willen we een aantal aspecten onderscheiden.

Wanneer ik mijn vaardigheid in het samenwerken op een hoger peil wil brengen zal ik, in de eerste plaats behoefte hebben aan algemene inzichten omtrent verschijnselen van interactie, groepsvorming enz. Een wetenschappelijke benadering daarvan vindt men in de sociale psychologie. Is deze niet alleen als uiterlijke kennis opgenomen, maar door ervaring verdiept, dan ontstaat sociaal inzicht, waardoor ik de mogelijkheden en begrenzingen van sociale situaties kan zien en kan begrijpen waarom bepaalde verschijnselen zich in de samenwerking voordoen.

In de tweede plaats moet men sociale verschijnselen kunnen waarnemen in de concrete situatie. Het opmerken van wat zich nu in de groep afspeelt, berust op een zekere gevoeligheid (sensitiviteit), die kan worden ontwikkeld. Het gaat daarbij bv. om waar te nemen:

– wat de ander eigenlijk bedoelt, uit welke “betekeniswereld”, achtergronden, ervaringen hij spreekt. Op grond daarvan kan men bv. misverstanden in een- gesprek signaleren;
– hoe datgene wat iemand zegt of’ doet (ook ik zelf!) door anderen wordt beleefd en gewaardeerd. Op grond daarvan kan een houding worden herzien of een mening worden gerelativeerd; 
– hoe datgene wat mensen doen  of laten op het groepsproces werkt. 
Een bepaalde opmerking bv. kan het gesprek een geheel ander verloop geven, dan wanneeer dat niet gebeurd was. Niet alleen de inhoud van de opmerking, ook de wijze waarop de persoon de opmerking maakte, kan daartoe aanleiding zijn.

Veel van deze dingen worden in het gewone leven niet of niet tijdig waargenomen.

Waarneming en inzicht tezamen geven de mogelijkheid om gebeurtenissen in de concrete situatie te doorzien, dus te begrijpen wat deze betekenen en hoe ze tot stand kwamen (“diagnostische vaardigheid”).

Het begrip sociale vaardigheid houdt echter ook in dat men – op grond van het bewust worden van het groepsproces – iets doet om de groep verder te helpen.

Wanneer ik als groepslid bepaalde verschijnselen waarneem en begrijp, dan komt de vraag op hoe ik (hetzij als discussieleider of als groepslid) in het proces moet ingrijpen. De op dit moment juiste bijdrage volgt niet alleen uit het inzicht in wat zich heeft voorgedaan, maar vraagt om het vinden van het passende antwoord, dat in deze situatie mogelijk is. Wanneer deze diagnostische vaardigheid niet ontwikkeld is, tracht men met “recepten” te volstaan (zoals men deze in diverse geschriften over discussieleiding ook kan vinden. Bv. “Val niet in de rede!”. Soms zal dat laatste echter de enig juiste handeling kunnen zijn).

Het vinden van het juiste antwoord veronderstelt ook een zekere gevoeligheid. Doe ik dat meer bewust, dan is er sprake van beoordeling van de situatie i.v.m. het doel van het gesprek.
Men moet zich daarbij voorstellen hoe een bepaalde bijdrage zal gaan werken. In ruimere zin gaat het erom hoe men het gesprek als geheel gestalte moet geven. Daarvoor is dus fantasie nodig, zoals elke opvoeder die ook moet kunnen opbrengen.

Ten slotte is het van belang, dat de actie die ik onderneem in de groep ook de gewenste uitwerking heeft (niet “verkeerd aankomt” e.d.). Het gaat daarbij om tact, kiezen van het juiste tijdstip, zich duidelijk kunnen uitdrukken e.d. In ruimere zin gaat het om methoden (technieken) om een gesprek tot een zo goed mogelijk resultaat te leiden. We kunnen hier spreken van “sociale techniek” of groepshantering.

Sociale vaardigheid is dus een geheel van:

1. sociaal inzicht
2. sociaal waarnemingsvermogen
3. sociale fantasie
4. sociale techniek

Een dergelijke onderscheiding is van belang om sociale vaardigheid leerbaar te maken en tevens om een aantal eenzijdigheden te begrijpen.

Houdt iemand zich bv. alleen bezig met sociaal inzicht, dan zal hij niet veel anders doen dan theoretiseren over samenwerking en gesprek. Inzicht in combinatie met sensitiviteit doet de “psycholoog-toeschouwer” ontstaan, de man die situaties doorziet en beoordeelt, maar er nooit “inspringt” noch verantwoordelijkheid op zich neemt.
Degeen die de sociale fantasie tot op zekere hoogte bezit, zal allerlei op zichzelf zinvolle dingen voorstellen en proberen, maar daarmee in de groep weinig effect hebben.
Tenslotte neigt diegene die vooral sociale technieken heeft geoefend ertoe te menen, dat het volgen van een bepaalde procedure en het toepassen van allerlei “techniekjes” een goed gesprek waarborgt (“zó moet je een discussie leiden; zó moet je met mensen omgaan!”).

Het geheel van de genoemde aspecten maakt pas de sociale vaardigheid uit.
Sociale vaardigheid is echter niet mogelijk zonder een sociale instelling (bereidheid tot samenwerken).

Samen willen werken

De sociale instelling hebben we boven al gekarakteriseerd als bereidheid tot communicatie (openheid), tot ontmoeting (aanvaarding van de ander) en interactie (op grond van vertrouwen) , die een vruchtbaar gesprek mogelijk maken.

Sociale vaardigheid zonder sociale instelling leidt tot het manipuleren van mensen of groepen, om daardoor iets voor zichzelf (of een eigen groepering) te bereiken (gelding, specifiek belang, macht).

Sociale instelling zonder sociale vaardigheid daarentegen leidt ertoe dat men niet verder komt, dan het verkondigen van morele waarden of een sentimentele benadering van sociale verhoudingen.

Veel sociaal werk is ondernomen op grond van een sociale instelling, maar dat in de praktijk is gestrand. Dit gebeurde dan vaak op een “bevaderende” wijze (welwillend autocratisch) of een “bemoederende” wijze (liefdadigheidsstijl). Zolang de mensen afhankelijk zijn, werkt dit schijnbaar, zodra zij zich echter meer onafhankelijk voelen, worden de negatieve reacties tot ontsteltenis der “sociaal voelende” leiders zichtbaar. De beweging tot bevordering der “human relations” is veelal misverstaan en in paternalistische of sentimentele stromingen terecht gekomen. De ontwikkeling van sociaal inzicht en sociale vaardigheid is er echter een wezenlijk aspect van.

Het belang van sociale vaardigheid is dat “het sociale” en “het werk” geïntegreerd worden tot samenwerken. Veelal is het nog zo, dat naast de werkorganisatie “iets voor de mensen gedaan wordt”.

Sociale vaardigheden kan men ook benutten om groepen te manipuleren. Daarmee is bedoeld, dat een groepslid zich gedraagt alsof hij als gelijkwaardige deelnemer aan de oplossing van een probleem meewerkt, maar ongemerkt de groep tracht te sturen in een richting die met zijn belangen overeenkomt.
Degene, die de groep manipuleert, zal in een ‘groep capabele mensen verzet oproepen. In een groep, die dit niet “door heeft” of die het “neemt” ontstaan gewoonlijk achteraf gevoelens van onbehagen, die een verdere positieve samenwerking belemmeren. Om misverstand te voorkomen: manipuleren is niet hetzelfde als directief leiding geven. Dit laatste zal noodzakelijk zijn bij een niet voldoende kundige of rijpe groep en zal, wanneer “sociaal-vaardig” gehanteerd, door de groep ook geaccepteerd worden.

De manipulator echter probeert de groep ongemerkt voor eigen doelen te gebruiken, hij treedt niet werkelijk in gesprek met de anderen.

Door het manipuleren worden de anderen tot object gemaakt, men gaat hen, naar analogie van de technische vaardigheden, instrumenteel behandelen.

Tenslotte nog iets over

Conceptuele vaardigheden

Elk werk is gericht op de bevrediging van bepaalde behoeften door producten of diensten (ook ten behoeve van andere organen in het bedrijf). De behoefte bepaalt hoe het resultaat van het werk eruit moet zien. Om dat resultaat te kunnen bereiken is dus altijd een vooruitzien nodig, een idee wat men zal gaan doen en hoe.

Het stellen van een doel, het vormen van een beleid, het ontwerpen van plannen en het vinden van ideeën om een concreet probleem tot oplossing te brengen – al deze geestelijke activiteiten veronderstellen de aanwezigheid van een conceptuele vaardigheid. Daarbij gaat het dus om het onderkennen van behoeften, mogelijkheden, gelegenheden, aan de gang zijnde ontwikkelingen en het concipiëren van ideeën, die daaraan tegemoet zouden kunnen komen.

Men moet een perspectief zien, een weg voor zich zien, gevolgen van handelingen anticiperen, kortom “omgaan met iets wat er nog niet is”. Dat ligt natuurlijk in de eerste plaats opgesloten in de taak van de leidinggevenden. Naarmate echter bij alle medewerkers iets van de conceptuele vaardigheid tot ontwikkeling is gekomen, wordt het meedenken en intelligent handelen in de zin van het geheel door een brede groep van medewerkers mogelijk.

Voor de uitvoerenden (technische, administratieve werkers, specialisten enz.) zal het accent blijven vallen op de aanwezigheid van technische vaardigheden. Bij de leidinggevenden op de conceptuele vaardigheid – des te meer naarmate zij voor een groter gebied verantwoordelijk zijn – terwijl de sociale vaardigheid eigenlijk bij allen ontwikkeld zou moeten zijn, maar misschien het meest uitgesproken voor het middenkader van belang is.

.
Sociale driegeleding: samenwerking

Sociale driegeleding: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3397-3195

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar….(2)

.

Om invulling te kunnen geven aan ‘de wereld is waar..’ moet je goed op de hoogte zijn van de ideeën die tot een veranderend denken kunnen leiden, dan het gangbare dat ons een wereld heeft opgeleverd waarin de waarheid ver weg lijkt.

Een studieartikel voor de leraar economie, maatschappijleer

Hier gaat het over de huidige landbouw(crisis)
.

Meino Smit in Driegonaal jrg.39 nr. 5/6 dec. 2024
.

De ontwikkeling van de landbouw
.

Hoe duurzaam is de landbouw in Nederland? De sector zelf geeft aan dat er steeds duurzamer wordt gewerkt. Is dat werkelijk het geval?
Op basis van welke criteria meent men dit te kunnen beweren?

Niet hernieuwbare energie en niet hernieuwbare grondstoffen zijn niet oneindig beschikbaar. Het gebruik ervan heeft negatieve effecten op de omgeving. Lange tijd is er gehandeld alsof energie en grondstoffen onbeperkt aanwezig zijn en werden de schadelijke gevolgen van hun toepassing veronachtzaamd. Lucht en water werden als ‘vrije goederen’ beschouwd. Zij hadden geen prijs en konden dus onbeperkt en gratis worden gebruikt.

In de periode 1950-2000 is de inzet van menselijke arbeid in de landbouw sterk afgenomen en vervangen door allerlei hulpmiddelen. Vroeger werkten er in Nederland veel meer mensen op het land dan tegenwoordig. Veel werkzaamheden werden uitsluitend met handkracht uitgevoerd, waarbij eenvoudige gereedschappen werden gebruikt. Voor zwaarder werk, bijvoorbeeld het bewerken van de grond, werden paarden ingezet, die ook wel voor transportdoeleinden werden gebruikt. De input voor het uitvoeren van werkzaamheden bestond dus voornamelijk uit menskracht, paardenkracht, eenvoudige machines en (hand)gereedschappen. Die input kwam deels van buiten het bedrijf. De werktuigen en gereedschappen werden door de dorpssmid gemaakt en onderhouden en/of in kleine fabriekjes geproduceerd. De smid en de veearts zorgden voor de instandhouding van de paardenkracht. De dorpstimmerman was behulpzaam bij het bouwen en onderhouden van de bedrijfsgebouwen. Daarbij werden natuurlijke materialen gebruikt: hout, riet, stenen, leem. Deze werden meestal lokaal/regionaal verkregen. De boerenbedrijven produceerden deels voor eigen gebruik en deels voor de markt. Zo leefden toen veel meer mensen dan nu op en van het landbouwbedrijf.

In het verleden waren de meeste bedrijven gemengde bedrijven, waar men zelf voor de mest op het land zorgde! Er was sprake van kringlopen op het bedrijf zelf. Er was ruimte gereserveerd voor het houden van de paarden en het verbouwen van paardenvoer en veevoer. Er was bouwland en grasland voor het melkvee en daarnaast werden kleine aantallen varkens, kippen en schapen gehouden. Daarmee was er sprake van een cascade-gebruik: voer dat niet geschikt was voor de koeien ging naar de varkens en de kippen. Een deel van de landbouwgrond werd van nature bemest met vruchtbaar slib door regelmatige overstromingen. Tot in de tweede helft van de negentiende eeuw werd geen kunstmest gebruikt. Naast de mest van het eigen vee en groenbemesting met vlinderbloemigen, werden meststoffen van buiten aangevoerd: compost gewonnen uit huisvuil, straatmest en diverse soorten slib. Nog een kringloop dus, zij het op een schaal boven die van het landbouwbedrijf. De producten gingen ook naar degenen die het huisvuil produceerden. Het verzorgen van de infrastructuur, het waterbeheer en de wegen, was op kleine schaal geregeld via de toen kleine gemeenten en waterschappen.

Kenmerken van de input in die situatie:

• deels op het eigen landbouwbedrijf geproduceerd;

• deels van buiten het bedrijf betrokken, vaak wel lokaal/regionaal;

• bijna geen gebruik van fossiele brandstoffen, kleine hoeveelheden kolen en turf, die voornamelijk in de huishouding werden gebruikt;

• geen/weinig negatieve effecten op de omgeving;

• instandhouding van de bodemstructuur en de bodemvruchtbaarheid;

• lokale/regionale kringloop;

• veel menskracht op het landbouwbedrijf;

• lokaal/regionaal menskracht betrokken bij het produceren/verzorgen van de input;

• korte transportafstanden;

landgebruik op het landbouwbedrijf zelf voor het leveren van input door het eigen bedrijf en voor het eigen bedrijf;

• weinig landgebruik buiten het landbouwbedrijf voor het leveren van de input.

Tegen het einde van de negentiende eeuw begon de input van buiten het landbouwbedrijf toe te nemen. Bijvoorbeeld de aanvoer van guano (organische meststof) uit Chili en Peru en de aanvoer van terpaarde. Hier begon ook het kunstmesttijdperk en kwam de mechanisatie op.

Bij de landbouw van nu is het beeld ten aanzien van output en input geheel anders:

• de bedrijven zijn ontmengd (plantaardige en dierlijke productie zijn gescheiden, steeds meer specialisatie), waardoor er nauwelijks nog sprake is van een kringloop binnen het bedrijf;

• een deel van de landbouw produceert los van de grond: bijvoorbeeld substraatteelt in de glastuinbouw en veel dieren bij elkaar, die niet meer buiten komen, in de intensieve veehouderij;

• meer specialisatie, waardoor meer leveringen van buiten het bedrijf nodig zijn en dus ook meer transport; de opbrengsten per ha zijn gestegen. Met minder mensen wordt meer geproduceerd. Door de inzet van ‘high tech’ zou de landbouw nog efficiënter kunnen worden.

Deze ontwikkeling heeft zich mede kunnen voltrekken omdat arbeid in Nederland steeds duurder is geworden, terwijl energie en grondstoffen relatief gezien goedkoper zijn geworden. Daardoor werd het economisch aantrekkelijk om dure arbeid te vervangen door machines en andere input. Werd vroeger de input op het eigen bedrijf geproduceerd en/of dicht bij het bedrijf, nu komt de input van over de hele wereld. Daarbij wordt ook gebruik gemaakt van arbeid, maar die is vaak goedkoper dan in ons land. Niet zelden gaat het hierbij om arbeid die wordt verricht onder beroerde arbeidsomstandigheden.

Arbeid, grondstoffen en energie – de input van onze landbouw- komen nu van over de hele wereld. Het toepassen van arbeidsbesparende technieken in de landbouw en het stijgende gebruik van energie en grondstoffen van elders gaan hand in hand. Gelet op de groeiende geopolitieke instabiliteit en het klimaatprobleem, lijkt het meer dan verstandig om stappen te zetten naar een landbouwsysteem dat minder afhankelijk is van de input in de vorm van energie, grondstoffen en arbeid van elders.

In de Nederlandse landbouw is in de periode 1950-2020 veel veranderd. De opbrengsten per hectare, de arbeidsproductiviteit en het gebruik van energie en grondstoffen zijn aanzienlijk gestegen. Een hoge opbrengst per hectare wordt gezien als efficiënt en nuttig; daardoor blijft meer ruimte over voor een ander gebruik van de grond, zoals natuur, recreatie en verstedelijking. Kijken we alleen naar het directe landgebruik van de Nederlandse landbouw dan is er zeker sprake van een hogere opbrengst per hectare. Echter, activiteiten ter ondersteuning van de landbouw vergen ook het nodige landgebruik, denk bijvoorbeeld aan:

het verbouwen van veevoer ten behoeve van de Nederlandse landbouw in andere landen;

• het afgraven van grote gebieden ten behoeve van het winnen van allerlei grondstoffen, met als gevolg diepe kraters en grote bergen afval. Hierbij gaan grote oppervlaktes bos en landbouwgrond verloren en worden boeren van hun grond verdreven;

• de infrastructuur die nodig is voor energiewinning en transport;

• de oppervlaktes benodigd voor fabrieksterreinen, gebouwen, kantoren, silo’s, pakhuizen en opslagterreinen;

• de transportinfrastructuur: wegen, vaarwegen, spoorverbindingen, havens en overslagterreinen.

Dit indirecte landgebruik van de Nederlandse landbouw zou ook in beschouwing moeten worden genomen bij het beoordelen van de productie per hectare in Nederland. Dat het indirecte landgebruik van de Nederlandse landbouw zelfs tot een verlies van landbouwgrond elders op de wereld leidt, moet daarin ook meegenomen worden.

Naast het (vanouds) gebruiken van zonne-energie in de landbouw (ten behoeve van de fotosynthese) is men steeds meer gebruik gaan maken van fossiele brandstoffen. Dit gebeurt zowel direct – in trekkers, machines, verwarmingsinstallaties en verlichting – als indirect, voor het maken van de input. De toepassing van hernieuwbare energie (biomassa, wind, water, zon) is niet gratis. Om deze vormen van energie te kunnen gebruiken zijn er allerlei organisaties, fabrieken en installaties nodig en dat vergt weer energie en grondstoffen.

Wereldwijd neemt het gebruik van energie en grondstoffen toe. Het winnen van energiegrondstoffen kost steeds meer energie. Van de nog resterende voorraden aardolie is een groot deel niet meer zo eenvoudig te winnen als lang het geval is geweest. Er is steeds meer inspanning nodig om de olie te winnen, bijvoorbeeld het injecteren van stoom en het afgraven van teerzanden. Oliemaatschappijen moeten op steeds moeilijker bereikbare plaatsen (bijvoorbeeld de Noordpool) steeds dieper boren (tot kilometers onder de oceaanbodem) en daarbij steeds kostbaarder technieken gebruiken om de olie omhoog te krijgen. Het kost steeds meer energie en grondstoffen om energie uit aardolie te winnen. Dezelfde tendens zien we bij de grondstofwinning. De ertsen met de hoogste gehaltes aan metalen en mineralen zijn al gewonnen. Er moet steeds dieper en steeds meer worden gegraven om nog iets te kunnen winnen. Daarna moeten dan ook nog grotere hoeveelheden materialen worden gesorteerd, gescheiden, behandeld en getransporteerd.

In fabrieken is steeds meer gemechaniseerd. Handkracht is vervangen door machines. Deze machines werden eerst door mensen bediend, nu worden zij vaak via computers aangestuurd. De meeste energie gaat dan niet meer zitten in het hoofdproces (bijvoorbeeld de bewerking van metalen doorsnijden, boren, etc.) maar in de hulpprocessen er omheen, die nodig zijn om het hoofdproces te kunnen aansturen. Verdere automatisering en robotisering zullen de tendens tot een toename van het energiegebruik alleen maar versterken. In gebouwen zijn grote hoeveelheden energie opgeslagen, namelijk de energie die is gebruikt in mijnbouw, bouwstoffenproductie, transport, energie en het bouwproces zelf. De levensduur van gebouwen lijkt steeds korter te worden. De ligboxenstallen uit de jaren 1970 – 1980 worden nu als verouderd beschouwd. Vaak vindt vervangende nieuwbouw plaats en worden deze stallen al weer gesloopt. Ook in de glastuinbouw vindt veel vervangende nieuwbouw plaats. De kassen zijn steeds hoger geworden en het plat glas wordt bijna niet meer bedrijfsmatig toegepast. Dit, gevoegd bij het verwarmen en verlichten van kassen, maakt dat het energiegebruik is gestegen.

In de besluitvorming van overheidswege lijken deze ontwikkelingen geen rol te spelen. Niet alleen in de landbouw is deze tendens naar meer energiegebruik aanwezig. Bij bedrijfsgebouwen, kantoorpanden, sportvoorzieningen, openbare gebouwen en woningen wordt relatief gemakkelijk toestemming verkregen voor het slopen van gebouwen. Dat daarmee grote hoeveelheden energie verloren gaan blijft buiten beschouwing.

De verdergaande toepassing van arbeidsbesparende technieken met behulp van automatiseringen robotisering verhoogt het gebruik van energie en grondstoffen. Bij het toepassen van elektronica lijkt tot nu toe weinig oog te zijn voor deze effecten. Als je de landbouwbladen mag geloven ben je pas een moderne boer als je op een trekker rijdt die vol hangt met beeldschermen, je grond is vol gestopt met sensoren en er de hele tijd een drone boven je land vliegt. Op basis van allerlei gegevens van sensoren in het veld, drones en satellieten worden gegevens over de gewasgroei verkregen. Een koppeling van deze gegevens met die over de bodem, de hoeveelheden regen, de gedane bespuitingen en de gegeven hoeveelheden kunstmest maken dat de boer niet meer in het veld hoeft te kijken, maar op basis van al deze gegevens in staat is het laatste restje biodiversiteit uit zijn akkers te laten verdwijnen. Dit vergt wel heel wat hardware (grondstoffen), software en energie. Gewoon goed naar de bodem en het gewas kijken kan ook. Het toepassen van elektronica begint groteske vormen aan te nemen. Er is nu ook al een robot (op wieltjes) om de koeien op te halen. En een virtuele weide-afrastering door middel van een halsband met zender en een elektronisch signaal. Elektronica wordt overal toegepast: in stallen, op trekkers en machines, in de administratie, iPhones, tablets, laptops, allerlei sensoren, processoren, microchips. Het produceren van al deze spullen kost veel energie. Ook veroudert het snel, zodat het weer vervangen moet worden. Bij een gedeelte van deze toepassingen speelt het in de mode zijn een grote rol, waardoor de levensduur nog korter wordt. Hier is sprake van een levensduurverkorting, niet vanwege slijtage of niet meer functioneren, maar vanwege het op de markt brengen van nieuwe mogelijkheden en van kortstondige modetrends. Hierdoor neemt het energiegebruik nog meer toe. Dit is een bedrieglijke ontwikkeling, omdat de inzet van al deze spullen mede wordt gepropageerd onder het mom dat het de duurzaamheid ten goede zou komen (precisielandbouw). Zou het niet beter zijn deze technieken te reserveren voor toepassingen die echt een meerwaarde opleveren?

In het energieverbruik en het landgebruik van de landbouw zien we een verschuiving van direct naar indirect: de graanoogst duurt maar kort, maar er zijn wel combines geproduceerd, silo’s en fabrieken gebouwd, havens aangelegd, enz.;

• het landgebruik van de trekkracht telde vroeger mee in het directe landgebruik: het paard liep in de eigen weide, het terrein van de machinefabriek is ver weg;

• de ruimte nodig voor het winnen van ijzererts, de hoogovens, de trekkerfabriek, distributie, wegen-, of energie-infrastructuur telt niet mee bij het directe landgebruik, maar het is er wel in de vorm van indirect landgebruik ten behoeve van de landbouw;

• de energie werd vroeger op het eigen bedrijf gewonnen: verbouw van paardenvoer voor de trekkracht; veevoer werd niet van elders aangevoerd en hoorde bij het directe landgebruik van de landbouw;

• de energie die nodig is voor het verbouwen van veevoer in andere landen vergt ruimte voor de verbouw van het veevoer zelf en voor allerlei infrastructuur;

• de landbouw gebruikt naast directe energie ook grote hoeveelheden indirecte energie:

Het huidige westerse landbouwsysteem heeft geleid tot grote negatieve gevolgen voor de omgeving die het gevolg zijn van het toegenomen directe en indirecte energie- en grondstoffengebruik. De maatschappelijke kosten die dit heeft veroorzaakt zijn tot nu toe niet aan de landbouw doorberekend. Na de energiecrises in de jaren zeventig van de twintigste eeuw was er veel belangstelling voor energie en energiebesparing. Het Instituut voor Mechanisatie Arbeid en Gebouwen (IMAG) besteedde er toen veel aandacht aan. In het buitenland werd veel onderzoek gedaan naar het energiegebruik in de landbouw. Het IMAG is inmiddels opgeheven en de aandacht voor het onderwerp energie is in de loop van de tijd weer minder geworden. Hoewel er nu veel aandacht is voor de uitstoot van broeikasgassen en de noodzaak deze te verminderen, lijkt het beeld van de landbouw meer te worden overheerst door andere problemen (mestproblematiek, ziekte-uitbraken, voedselschandalen, fraude met mest en vee, fosfaatproblemen, stikstofproblemen).

De verschuiving van lokaal naar mondiaal heeft ook gezorgd voor grote transportstromen, want alle energie- en overige grondstoffen en alle producten moeten worden vervoerd. De toename van het energie- en grondstoffengebruik heeft geleid tot negatieve effecten op bodem, water, lucht, biodiversiteit, landschap en ecosystemen in het algemeen. Dit is een kostenverhoging voor de samenleving, omdat deze negatieve effecten om compenserende maatregelen vragen. Deze maatregelen worden niet of maar gedeeltelijk door de producenten betaald en worden zo grotendeels op de samenleving of op de toekomst afgewenteld; deze maatschappelijke of externe kosten worden niet geïnternaliseerd.

Tot nu toe is het steeds gelukt om de keuze voor een economisch systeem met een veel lager energie- en grondstoffengebruik te ontlopen. Dit komt omdat er nog een verschuiving mogelijk was naar lagelonenlanden en door de mogelijkheid energie en grondstoffen op grote schaal van elders aan te voeren. Dit is een weg die niet begaanbaar blijft en uiteindelijk tot grote problemen zal leiden. Het zal van cruciaal belang zijn of de politiek in staat zal zijn deze ontwikkeling tijdig en op een vreedzame wijze bij te sturen. Een politieke partij die naar de noodzakelijke maatregelen op de wat langere termijn kijkt en in haar programma opneemt dat onze materiële welvaart drastisch moet afnemen, zal waarschijnlijk niet veel stemmen krijgen. En daarmee houdt dit systeem zichzelf gevangen en kan het niet tot het treffen van de benodigde maatregelen komen. Uitvluchten als “groene groei”, “de technologie zal ons redden”, “ze vinden wel wat uit”, zullen het probleem maskeren, maar niet oplossen. Het feit dat energie en grondstoffen opraken en dat we een klimaatprobleem hebben veroorzaakt, heeft tot nu toe bijna geen rol gespeeld in de besluitvorming over de landbouw. In het kader van het Akkoord van Parijs moet een opwarming van de aarde met meer dan twee graden worden voorkomen. Op basis van deze tweegradendoelstelling dient de emissie van broeikasgassen in 2050 met 90% te zijn verminderd ten opzichte van 1990 (voor Nederland betekent dit een reductie van 50% per 2030). Maar tussen 1990 en 2020 is het energiegebruik nog gestegen, zodat de reductie nog groter moet zijn. Om deze doelstelling te kunnen realiseren is een drastische reductie van het energie- en grondstoffengebruik nodig. Men denkt de gewenste reductie te kunnen bereiken door een energietransitie van fossiele energie naar hernieuwbare energie. Maar dat is op grote schaal niet mogelijk omdat de daarvoor benodigde hoeveelheden materialen immens groot zijn.

De techniek kan niet alles oplossen. Tot nu toe is gebleken dat elke nieuwe techniek ook weer nieuwe nadelig effecten veroorzaakt. In de afgelopen 70 jaar zijn talloze nieuwe zaken bedacht. Organisaties en processen zijn voortdurend verbeterd. Er is veel gedaan aan energiebesparing. Sla een technisch tijdschrift er maar op na: het staat vol met artikelen over zaken die leiden tot efficiencyverbetering en energiebesparing. Men vergeet echter dat elke maatregel die is bedoeld om een bepaald negatief effect op te heffen weer nieuwe voorzieningen vraagt, waarvoor ook weer energie en grondstoffen nodig zijn. Het resultaat van dit alles is dan ook dat het energie- en grondstoffengebruik voortdurend is gestegen.

De voortdurende stijging van het gebruik van energie en grondstoffen is een treffende illustratie van de wet van behoud van ellende. Tot aan het begin van de twintigste eeuw (en ook nog wel enigszins tot 1950) kenden wij een landbouwsysteem dat zich bijna zonder hulpbronnen van elders kon handhaven en dat geen grote nadelige effecten op de omgeving veroorzaakte.

Het landbouwsysteem dat wij nu kennen is niet toekomstbestendig. De trek naar goedkope energiebronnen en grondstoffen loopt dood omdat deze eindig zijn; de trek naar goedkope arbeid strookt niet met een rechtvaardiger verdeling van de welvaart, en de gedachte dat de technologie met de oplossing komt is illusionair.

Het is noodzakelijk om ons productiesysteem aan te passen aan de draagkracht van de aarde. Dat betekent dat processen van aanpassing van het huidige productiesysteem tijdig op gang gebracht moeten worden. Zijn we hier toe in staat of laten we het er op aan komen en zullen veranderingen worden afgedwongen door de omstandigheden? Voor de landbouw is dit des te dringender, omdat de landbouw een onmisbare bedrijfstak is. Er moet immers altijd voedsel worden geproduceerd. Het is dan temeer van belang om in ieder geval ons landbouwsysteem op tijd aan te passen aan de randvoorwaarden van de toekomst. Wachten we op de klap of gaan we tijdig anticiperen?

Deze tekst is afkomstig uit: Meino Smit Naar een duurzame landbouw in 2040.
Een nieuw perspectief
Nearchus / Kolisko, 2e druk 2024
ISBN 9789o83466644

.

Dit artikel verscheen in ‘Driegonaal
Publicatie op deze blog met toestemming

Voor een abonnement: Sociale driegeleding
.

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeledingalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3393-3191

.

.

.

.