Tagarchief: geld

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (62)

.

In 1905 formuleerde Rudolf Steiner de zgn. ‘sociale hoofdwet’:*

‘Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter, naarmate de enkeling minder aanspraak maakt op de opbrengsten van zijn prestatie, dat wil zeggen, naarmate hij meer van deze opbrengsten aan zijn medewerkers afstaat en naarmate meer van zijn eigen behoeften niet door zijn eigen prestaties, maar door de prestaties van anderen worden bevredigd’.

In 2019 vermeldt RTL-nieuws:

’26 rijken bezitten evenveel als de armste helft van de wereld’

De kloof tussen arm en rijk is het afgelopen jaar verder gegroeid, zegt Oxfam Novib. Het gezamenlijke vermogen van miljardairs steeg met 2,5 miljard per dag, terwijl de armsten op de wereld alleen maar armer werden.

Volgens Oxfam is het vermogen van rijke mensen (die meer dan 1 miljard dollar bezitten) in een jaar met 12 procent gegroeid. Het vermogen van de 3,8 miljard armste mensen op aarde nam juist met 11 procent af. 

.

*In De kernpunten van het sociale vraagstuk

Sociale driegeleding: ”Doe het zelf voor de ander’    [1]   [2]
en de serie over geld

Socialee driegeleding: alle artikelen

Opspattend grind: alle artikelen

.

1745

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-4)

 

.

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

 

UIT/IN ARCHIEF

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de vrijeschoolbeweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

In de jaren ’70 – ’90 van de vorige eeuw stond de vrijheid van onderwijs nog wel  meer in de belangstelling van het vrijeschoolonderwijsveld dan nu – de belangstelling lijkt helemaal verdwenen – , maar te weinig om een beweging te worden die zich daadwerkelijk inzette voor m.n. de vrijheid van inrichting.

In de jaren na ca 1970 werden veel meer vrijescholen gesticht dan in de jaren daarvoor.
Die konden niet beginnen zonder de financiële steun van de overheid.
Soms gebeurde dat wél, zoals bijv. met de bovenbouw in Groningen.
Bij het verkrijgen van de benodigde financiële middelen was natuurlijk niet alleen de vraag: waar halen we het geld vandaan, maar vooral hoe geven we het uit.

En daarmee werd de vraag ‘wat is geld eigenlijk’ weer actueel.

In Steiners concept van de driegelede maatschappijstructuur neemt ‘geld’ een andere plaats in, dan bijv. in een kapitalistisch stelsel.

In de genoemde jaren werd er, vooral in het tijdschrift Jonas, over ‘geld’ geschreven. Een aantal van die artikelen bevindt zich op deze blog:

de artikelen onder nr. 6

Vanuit die visie was ook de Triodosbank opgericht.

Directeur Peter Blom hield lezingen over ‘geldstromen binnen de vrijeschool.

Daarvan vond ik nog een verslag.

INLEIDING VAN DE HEER PETER BLOM – (TRIODOSBANK)

GELDSTROMEN BINNEN DE VRIJE SCHOOL

Het bestuur van de Vereniging voor Vrije Opvoedkunst had Peter Blom uitgenodigd om over bovenstaand onderwerp te spreken. Daarbij stond een tweeledig doel voor ogen: het schetsen van de verhouding tussen mensbeeld (pedagogie) en de zakelijke kant van de school, daarnaast leek het goed daarmee de Triodos-bank in de aandacht te brengen, vooral nu deze bank ook aan de scholen vraagt mee te dragen aan haar toekomstige financiële verplichtingen.

Peter Blom is zelf vrijeschoolleerling geweest. De geldstroom binnen een vrijeschoolinstelling kent hij door het penningmeesterschap van de Tobiasschool te Amsterdam. Hij is* werkzaam bij de Triodosbank, waar hij speciaal belast is met financieringen in de vrijescholen.

Een geldstroom is geen eenduidig begrip, je kunt daar vanuit allerhande invalshoeken naar kijken:
=de geldstroom als subsidiestroom
=vergelijkend met de geldstromen binnen het andere onderwijs
=de beweging van het geld in het geheel van de vrijeschool.

Hoe kijk je nu aan tegen dat geld in de vrijeschool?

In het gehele onderwijs heeft er een verschuiving plaats gevonden van particulier initiatief naar overheidszorg.

Ook voor de vrijeschool geldt die ontwikkeling.

Voorbeeld daarvan is bijvoorbeeld de afhankelijkheid van de vrijeschool m.b.t. het stichten van bovenbouwen.
Als voordeel zou je kunnen aanvoeren: de vrijeschool is doordat ze gesubsidieerd wordt een erkende maatschappelijke factor; nadeel is gelijkertijd dat er daarmee een grote afhankelijkheid ontstaat t.o.v. de subsidiegever.
Naar verhouding wordt in Nederland het onderwijs sterk gesubsidieerd. In België b.v. draagt* de overheid slechts 1/3 van de kosten.

Wat is het effect van dat subsidiegeld?

Allereerst moet de school aan allerlei voorwaarden voldoen, de school krijgt te maken met allerhande administratieve structuren, waardoor het inzicht in de geldstroom verloren dreigt te gaan.
Het geld krijgt greep op de school en de penningmeesters verliezen op hun beurt de greep op het gebeuren. De school wordt door het geld geleefd.
Dit proces overvalt de school niet plotseling, maar sluipt allengs in.
Het geld dat de overheid geeft is “koud geld”, de kilte daarvan is ook voelbaar in de school.

Aanvankelijk wordt er op een enorm betrokken manier met het geld omgegaan:

In de initiatiefsituatie van een school, voelen bestuur, ouders en leerkrachten zich tezamen staan tegenover de overheid:

bestuur
ouders                                               ↔                          overheid
leerkrachten

In een later stadium echter wordt die structuur veel gecompliceerder. Niet iedereen heeft nog greep op het grote geheel. Er ontstaan allerlei deelrelaties:

 

Er treedt een splitsing op, die heel anders beleefd wordt dan de situatie die in het beginstadium optrad.
De ouders gaan het bestuur van een school ervaren als betrokken bij de overheidssfeer. Ook de leerkrachten hebben rechtspositioneel een binding met de overheid, die hen zakelijk gezien in de overheidssfeer brengt.
Op die manier worden relaties binnen de school veel losser.

Als die eenheid verdwijnt is er natuurlijk een toverwoord: driegeleding.
Er worden dan modellen opgesteld die weer verband in het geheel moeten brengen. Zulke modellen zien er vaak als volgt uit:

GEESTESLEVEN        RECHTSLEVEN        ECONOMISCH LEVEN

leerkrachten                       bestuur                            ouders
overheid

<——————–<<———————<<———————geldstroom

Op deze manier echter ontstaat geen gelede structuur, maar een pure driedeling waar financieel gezien de relaties wel erg simplistisch liggen.

Hoe zou dat beeld er dan wel uit moeten zien?

Allereerst moet gesteld worden, dat het de taak van de hele schoolgemeenschap is om met het geld binnen de school om te gaan.
Geestesleven en rechtsleven hebben ook belangrijke financiële aspecten.

Die gebieden worden als volgt verzorgd:

BEGROTING

inkomsten uit

* giften                                                          ———->  ONTWIKKELING
* subsidie                 ——–> SCHOOL   ———->  SALARISSEN
* ouderbijdragen                                        ———-> EXPLOITATIE, KOSTEN e.d.

De valkuil in deze opstelling is, dat heel eenvoudig de lijnen doorgetrokken worden:

giften————————————->  ONTWIKKELING
subsidie———————————->  SALARISSEN
ouderbijdragen————————–> EXPLOITATIE, KOSTEN e.d.

Men zou de inkomsten eigenlijk moeten scheiden in harde en zachte inkomsten:

Ook in de uitgaven zou een onderscheid gemaakt moeten worden in harde en zachte uitgaven. Welke uitgaven zijn onontbeerlijk, wélke zijn gewenst, maar niet echt noodzakelijk.

Ook hierbij moet er geen koppeling gemaakt worden tussen zaken als:

subsidie —————————————–> gesubsidieerde leerkrachten

ouderbijdrage ———————————-> ongesubsidieerde leerkrachten

Er moet juist van het geheel worden uitgegaan.

Ook wat betreft de post ontwikkeling is er zeker wel te spreken van ‘harde’ uitgaven. Met name de steun aan landelijke initiatieven of de financiering van een vrij jaar kunnen daartoe gerekend worden.

Kiest men voor een dergelijke opstelling, dan worden de ouders ook weer geactiveerd, doordat ze zich bij het geheel betrokken weten.

De leerkrachten zouden zich betrokken moeten voelen bij drie gebieden:

1. Ondernemerschap; de leerkracht moet zich ondernemer voelen in de school. Hij moet ook kennis hebben van de financiële situatie

2. Maatschapsgedachte; leerkrachten realiseren samen de vrijeschool, niet iedere leerkracht voor zich in zijn klas.

3. De inhoud van het onderwijs; in dit gebied moet er overleg zijn met de ouders, discussie is daar op zijn plaats.

Er is sprake van een associatieve relatie:

de ouders zien waarvoor ze betalen, de ouders voelen zich mee in ondernemersschap van de leerkracht betrokken.

Vraag: Wat wordt bedoeld met het associatieve aspect van de relatie ouders – leerkracht?

P.B. Je zou met de ouders moeten praten over de economie van de school. Dat is wat anders dan praten over geld. Daarin mag betrokken worden: wat heeft de leerkracht op pedagogisch gebied te bieden.
Het heeft veel meer te maken met het toetsen van de waarneming op economisch gebied, dan met het sturen van geldstromen.

Zo wordt het een oefening in driegeleding.

W. Veltman: Het is goed dat de neiging tot driedeling (in plaats van driegeleding) aan de kaak wordt gesteld.
Tenslotte is alles in de school een instituut van het geestesleven; de geledingen binnen de school hebben daarboven een bepaald drie-geleed aspect.

De woorden ‘ondernemer, associatie’ zijn haast te beladen als economisch begrip, om de lading te dekken die er eigenlijk aan gegeven wordt. Je zou eigenlijk nieuwe woorden moeten zoeken.

Het gaat erom dat men in de school elkaars verantwoording gaat voelen, dat moet de basis zijn voor associatie. Als tweede aspect komt dan pas het geldelijke om de hoek.

De school is nu eenmaal geen bedrijf; er worden geen “broodjes gebakken”, het gaat niet om “productverbetering”.

Vraag: Hoe behoud je de warme- of koude kwaliteit van het geld in de geldstroom in de school?

W. Veltman: Je moet in elk geval nooit koud en warm op één hoop vegen: dan krijg je lauw geld.

Als de schoolgemeenschap zich verantwoordelijk voor de gehele geldstroom voelt, dan krijgt die geldstroom als geheel een warm karakter.

Als de scholen die ontwikkelingsweg willen aangaan, dan kan het geld daarmede van zijn bedenkelijke kanten ontdaan worden.

Samenvatting: Kees Verhage, *nadere gegevens ontbreken

.

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

Sociale driegeledingalle artikelen

.1643

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-1/3)

.

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch… slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaal‘ actief.

GELD

DE GELDSLUIER

Sociale zekerheid een illusie?

‘Ik wil onafhankelijk zijn, ik wil mijn eigen geld verdienen’. Het is een begrijpelijke wens —- maar in strikte zin een illusie. In onze tijd van arbeidsverdeling werkt niemand meer voor zichzelf. Men werkt voor anderen, anderen werken voor ons. In oude dorpsgemeenschappen was men zich van de onderlinge afhankelijkheid heel wel bewust en de ‘nabuurhulp’ is er een laatste overblijfsel van.

Maar het geld wekt de illusie dat wij met ons bezit onafhankelijk zijn geworden, niet meer aangewezen op anderen. Wij hebben ermee, deftig uitgedrukt, aanspraak op een abstract deel van het maatschappelijke product. Daar kunnen wij dan te allen tijde beslag op leggen, van ons recht gebruik maken. Behalve als de anderen weigeren voor ons te werken, dan staan wij met onze zak vol centen, zoals menigeen in de oorlogsjaren is overkomen. Captain Boycott is er het historische voorbeeld van: voor al zijn geld vond hij niemand bereid om hem iets te verkopen of iets voor hem te doen. Wij hebben er de term boycotten aan overgehouden. Zolang het om koopgeld gaat, behoeven wij echter niet angstig naar onze portemonnee te kijken. Heel buitenissige toestanden, die even de geldsluier optillen, daargelaten, mogen wij echt wel vertrouwen, dat wij het vandaag verdiende geld vandaag in dagelijks brood kunnen omzetten. Maar hoe staat het met het leengeld?

Met veel trots zegt het echtpaar op middelbare leeftijd: ‘Wij leggen geld opzij, want wij willen straks niet van de kinderen afhankelijk zijn.’ Zeker, wij willen verzorgd zijn van de wieg tot het graf, wij willen vooral zekerheid – hele verkiezingscampagnes zijn met die slogan gewonnen – en het geld geeft ons die illusie: wij hebben immers een spaarpotje, een polis, zitten in ’t pensioenfonds, hebben wat stukjes in de kluis, wij zijn veilig.

Taart

In tijden vóór de geldeconomie wist men wel beter. De oogst ging in drie delen: het zaad voor het volgende jaar, een deel voor eigen gebruik, een klein deel voor de ruil. Was de oogst niet ruim, dan werd er honger geleden, mislukte hij, dan stierven mensen. Was de oogst na een jaar nog niet op, dan rotte hij weg, werd veevoer. Een farao die voor de magere jaren kan laten oppotten, was en is uitzondering, meer nog in onze tijd, waarin de schaarste hier gecompenseerd kan worden met overvloed elders. Maar dat betekent dat de goederen, die wij niet gebruiken, consumeren, omdat wij aan het sparen zijn, niet voor ons bewaard worden. Anderen nuttigen ze – kinderen, ouden van dagen – of gebruiken onze onthouding om te investeren, voor een omwegproductie. De taart kan slechts éénmaal opgegeten worden en als wij straks aan het opsouperen van onze spaarcenten toe zijn, dan is de maatschappelijk koek die wij hebben helpen voortbrengen, al lang op. En al ons geld zal ons niet helpen, als er straks geen nieuwe generatie klaarstaat, die bereid is om voor onze oude dag te zorgen. Het geld versluiert het feit, dat wij een groot deel van hetgeen wij produceren afstaan aan anderen die niet in staat zijn te produceren, en dat wij straks als oudjes, aangewezen zullen zijn – zoals wij in onze kinderjaren aangewezen waren – op het werk van diegenen die dan tot produceren in staat zijn.

Inflatie-proof

Maar geeft ons geld, onze polis, de wet (AOW!) ons dan geen recht op een stuk van de maatschappelijke koek? Het lijkt zo, want ons, nog van Romeinse opvattingen afkomstig, eigendomsrecht kent als laatste rest van het instituut der slavernij het recht op andermans arbeid. De economische en politieke werkelijkheid is er al lang aan voorbij gegaan. Het kan gaan op revolutionaire wijze, door het vervallen verklaren van ‘titels’, zoals men dergelijke rechtsaanspraken pleegt te noemen: voorbeelden vinden wij waarachtig niet alleen in Oost-Europese staten; de z.g. geldzuiveringen en vermogensheffingen na de oorlog waren niets anders! Het kan ook gaan langs sluipende weg, via inflatie. Hoe meer wij onze voorzieningen ‘inflatieproof’ maken (zoals onze sociale verzekeringswetten) en daarmee de werkende generatie willen dwingen, des te explosiever en gevoeliger voor revolutionaire oplossingen wordt de situatie.

Zo gezien is alle streven naar zekerheid een illusie – en daarmee komt de oude betekenis van crediet weer naar voren: afstand doen van consumptie in het vertrouwen, dat men straks ook terwille van mij afstand van consumptie zal willen doen. Als wij door de geldsluier heenprikken, dan kan een nieuw soort zekerheid ontstaan: het vertrouwen, dat bij een volgende generatie zo veel rechtsgevoel aanwezig zal zijn, dat zij ons op onze oude dag, in onze invaliditeit een bestaan zal gunnen.

D.Brüll, Jonas 24-09-1970

.

Deel 1   Deel 2

.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1446

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-2/1)

.

SOCIALE DRIEGELEDING

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch… slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaal‘ actief.

GELD

DE GELDSLUIER

 

De paradox van ons geld

Met het geld is het een wonderlijke zaak: iedereen gebruikt het, alom wordt erover gepraat, er is niets, waarmee wij ons dag-in dag-uit, zowel handelend als denkend, zo geregeld bezighouden als met geld… en toch vinden wij, al naar ieders aard, er iets fascinerends, raadselachtigs, angstaanjagends, omlaaghalends aan zitten. Waar schuilt dat mysterieuze toch in?

Reeds de oude Romeinen verzekerden ons dat geld niet stinkt. Zij bleven evenwel in gebreke ons te vertellen waar de begeleidende geuren dan wel vandaan komen.

Bij de meeste economie-studenten is ‘geldtheorie’ een geliefd onderwerp; hoewel er nog steeds dikke boeken over verschijnen, heeft men toch met een afgeronde, overzichtelijke en met niet al te veel moeite kwantificeerbare materie te maken. Het is daar niet ongebruikelijk om over de geldsluier te spreken, waarmee men op het verschijnsel doelt, dat niet meer zo als vroeger het geld om zijn intrinsieke waarde begeerd wordt – een laatste rest ervan wordt door onze overheden uitgebuit door gouden of zilveren munten te slaan, die in onze tijd geen enkele geldbetekenis meer hebben – doch dat het als een in zichzelf waardeloze sluier over de werkelijkheid van het economische leven ligt.

Lichaam als sluier

Wat wordt er nu eigenlijk versluierd? De leerboeken wijzen er terecht op, dat het in wezen om het goederen- en dienstenverkeer gaat, om de invloed van het geld daarop en omgekeerd. De mens die het geld hanteert, komt daarbij hoogstens als een randverschijnsel van pas. Meer en meer ontwaakt echter het vage bewustzijn, dat de relatie met de goederenwereld niet het enige, zelfs niet het belangrijkste aspect van het geld is. Als geld, zoals een ander gezegde beweert, de wereld regeert, dan is met ‘de wereld’ toch niet alleen de goederen- en dienstenstroom bedoeld, maar ook en in de eerste plaats de bewoners van deze wereld. Wat gebeurt er dan nog meer met en onder deze sluier, en vooral: hoe gebeurt het?

Wij stuiten hier op een paradox. Eens was het geld zichtbaar en weegbaar. De gouden munten waren hun gewicht in goud ‘waard’. In die tijd was nog vrij doorzichtig wat met het geld gebeurde. Maar het trok zich uit de zintuiglijke wereld terug: eerst verdween de weegbaarheid; voor de onvolwaardig geworden munten en later het papiergeld lag de ‘dekking’ ergens onder de grond. Daarna verdween ook de zichtbaarheid; tot in de consumptieve sfeer neemt hand over hand het gebruik van giraal geld toe, dat van alle fysieke substantie ontdaan, alleen nog rekengrootheid is. Naarmate echter het geld zich in de onzichtbaarheid terugtrok, nam de zichtbaarheid van de eronder liggende werkelijkheid niet toe maar af. Meer en meer onttrekt zich aan ons bewustzijn dat zich onder deze onzichtbare en toch nauwelijks doordringbare sluier niet alleen een economische, doch in de eerste plaats een sociale werkelijkheid verbergt.

Wat zijn sluiers eigenlijk? Wij maken er op vele wijzen gebruik van. Men kan ermee de waarheid versluieren zonder bepaald een leugen te zeggen – een vaardigheid, waarin b.v. overheden, directies en andere bestuurderen die met lastige vragen geconfronteerd worden, uitblinken. Men kan ook, zoals b.v. in de kunst, de sluier gebruiken om het niet-essentiële te verbergen, zodat het wezenlijke beter tot uitdrukking komt.
Ten slotte kan men een deel van de werkelijkheid aan het oog onttrekken, omdat de beschouwer er nog niet tegen opgewassen is. Wij zullen een twaalfjarige die net de eerste beginselen van de meetkunde leert, niet in verwarring brengen door hem te vertellen dat twee evenwijdige lijnen elkaar in het oneindige snijden. Dan is de bedoeling niet om van de waarheid af te leiden, maar juist om de waarheid op den duur te doen begrijpen. Het mythologische beeld daarvoor is de versluierde Isis, welker sluier eerst gelicht zal mogen worden, als wij het bewustzijn van onze onsterfelijkheid hebben verworven. Het dagelijkse beeld van een dusdanige sluier is de mens zelf: onze lichamelijke gestalte versluiert onze persoonlijkheid. Eerst daardoor is sociaal verkeer mogelijk, want een directe herkenning van de ander, een openbaring van zijn werkelijk wezen, zouden wij nog niet aankunnen. Naarmate wij echter door de sluier heendringen, de ander ontdekken, ontwikkelen wij ook de kracht om hem te verdragen.

Verhongeren

Op een soortgelijke wijze maakt de geldsluier het economisch verkeer mogelijk: zouden wij bij elke transactie het door ons aangebodene willen vergelijken met de waarde van alle door ons gewenste goederen en diensten, teneinde tot een ruil te kunnen komen … wij zouden al calculerende verhongeren. Het geld ontheft ons van deze noodzaak, doordat het ons voorgevormde waardeoordelen aanbiedt. Maar gemak gaat altijd tenkoste van iets. In dit geval versluiert de prijs de waarde. Maar het geld versluiert nog veel meer en het is goed om zich er bij tijd en wijle rekenschap van te geven op welke wijze wij door het geld te hanteren de sociale werkelijkheid beïnvloeden.

Dieter Brüll, Jonas 12-09-1970

.

Deel   [2]   [3]

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1439

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (3)

.

SOCIALE DRIEGELEDING

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaal‘ actief.

GELD

SCHIJN EN WERKELIJKHEID

In de Consumentengids, het orgaan van de Consumentenbond, kon men een serie artikelen vinden: ‘Reclame doorzien’. Hierin wordt aangetoond dat reclame werkt met het verwekken van illusies. Bijvoorbeeld wordt naar voren gebracht dat een bepaald wasmiddel ‘uw was uit de sleur haalt’, terwijl de bijbehorende afbeelding suggereert, dat dit ook met uw leven zal geschieden. Uiteraard heeft reclame ook een reële functie, zoals het bekendmaken van gegevens betreffende producten en diensten.

In een nog belangrijker gebied van de economie, dat van het geld, heerst eveneens een mengeling van realiteiten en illusies. In dit gebied horen begrippen zoals inkomen, belasting, beleggen en rente thuis, waar wij dagelijks mee te maken hebben. Deze begrippen worden in controleerbare getallen uitgedrukt, waardoor een exactheid en hanteerbaarheid gesuggereerd wordt die geenszins met de economische realiteiten behoeft te stroken.

Een kritische serie: ‘Geld doorzien’ zou daarom eveneens aan een behoefte tegemoet komen. In het onderhavige stuk willen wij trachten enige gezichtspunten voor een dergelijke serie te schetsen. Wij laten in het midden of de bedoelde illusies te wijten zijn aan passieve invloeden als gemakzucht en gebrekkig inzicht, dan wel aan manipulaties van belanghebbende groeperingen.

Geldillusies
Wij geven eerst enkele schematische voorbeelden uit het rijk der geldillusies. Een loonsverhoging van een zeker percentage heeft een reële zin als de prijzen van de goederen die men wil kopen, constant blijven; deze verhoging is daarentegen een volledige illusie, als de prijzen met hetzelfde percentage stijgen. Het eerste, reële geval vraagt echter bepaalde maatregelen. Men moet voor een zekere productieverhoging zorgen om de prijzen constant te houden; bij constante productie echter moet men een overeenkomstige inkomensvermindering voor andere belangstellenden in dezelfde goederen bewerkstelligen. Zijn dergelijke maatregelen bijvoorbeeld om reden van milieubescherming resp. van fatsoen niet gewenst, dan is een loonsverhoging niet op zijn plaats.

Het geval van volledige illusie treedt min of meer versluierd op, omdat loon-, inkomens- en prijsveranderingen zich niet bij alle groepen tegelijk voordoen. Nu eens bereikt de ene groep een loonsverhoging dan weer de andere, terwijl de prijzen weleens te langzaam volgen en dan te ver doorschieten. Daardoor lopen voortdurend reële en illusionaire veranderingen dan eens hier dan eens daar door elkaar. Stel dat na verloop van bijv. 8 jaar uiteindelijk alle lonen, inkomens en prijzen ongeveer met dezelfde factor 2 opgelopen zouden zijn, dan zou in dit gedeelte van de economische sector realiter weer alles bij het oude zijn, terwijl in de tussentijd een drukte van belang zou hebben geheerst van loonstrijd, inhaalmanoeuvres van vergeten groepen, overheidsingrijpen op het prijzenfront e.d.

Men kan stellen dat de reële economische problemen van de vereiste productie en diensten, van de economische of menselijk gewenste inkomensverdeling en van de juiste prijsvorming al ingewikkeld genoeg zijn om deze niet nog bovendien door de geldillusies van een grillige inflatie te complicercn.

Bij het georganiseerde loonoverleg is het al sinds jaren gebruikelijk om ook in het openbaar het onderscheid tussen nominale en reële loonstijging te maken. Op een ander geldgebied, dat van het sparen, is het daarentegen nog geen usance om in het openbaar op het aanmerkelijke verschil tussen schijn en werkelijkheid te wijzen.

De leer en de praktijk
Volgens de leer is sparen, te onderscheiden van beleggen, investeren en speculeren, uitstellen van consumptie, waarbij men geen risico loopt, als men tenminste zijn geld op het spaarconto van een solide spaarbank zet. Eveneens volgens de leer kan de bank een kleine jaarlijkse rente van 3 à 4 procent vergoeden, omdat ze in de tussentijd met het haar toevertrouwde geld kan werken. De spaarder kan dan later de uitgestelde aanschaffingen doen. De rente wordt, in dit geval terecht, door de fiscus als inkomen beschouwd.

In een solide economie dient het geld de economische realiteit zo adequaat mogelijk te weerspiegelen. Dit vereist een grote mate van geestelijke bewegelijkheid bij de beheerders van de geldstroom, gezien de economische sector van de samenleving gekenmerkt is door voortdurende veranderingen van bijvoorbeeld behoeften, beschikbare oogsten en grondstoffen en van fabrikagemethoden. In de laatste jaren wordt op de reëel veroorzaakte prijsbewegingen een flinke voortdurende vermindering van de koopkracht van het geld gesuperponeerd. Deze inflatie beloopt tegenwoordig* in Nederland ca 10 procent per jaar.

Nu wordt, zoals gezegd, bij de spaarder de illusie gewekt alsof hij een jaarlijks inkomen van ca 4 procent van de hoofdsom zou genieten. In werkelijkheid geniet hij echter geen reëel inkomen, maar verdwijnt door de inflatie jaarlijks telkens ca 6 procent van de koopkracht van de resterende hoofdsom. Als men beperkende bepalingen voor zijn spaardeposito wil accepteren, zoals vastleggen voor een termijn van bijv. 5 jaar, wordt door de spaarbanken een nominale rentevoet van omstreeks 8 procent aangeboden (febr. 1976), waardoor het reële verliespercentage op ca 2 procent zakt.

De fiscus blijft echter het nominale bedrag van de rente als positief inkomen beschouwen zonder met de realiteit rekening te houden. Zodoende wordt van het illusionaire inkomen nog een reële inkomstenbelasting van tussen de 0 en 72 procent geheven, afhankelijk van het schijventarief waarin de spaarder valt.

Dit behoeft men niet zonder meer aan kwade wil te wijten, maar veeleer aan de principiële logheid van de wetgeving, die uiteraard de bewegelijkheid van de economie niet kan bijhouden.

Op grond van het naar voren gebrachte zou men kunnen bepleiten, dat de spaarbanken of de Consumentenbond naast de nominale rente ook lopend de reële rente aangeven, die dus op het ogenblik negatief is; ook zou men kunnen stellen, dat de fiscus de voor de staat benodigde belasting niet via een belasting van illusionaire inkomsten behoort te innen. Ten derde zou men kunnen onderzoeken of inflatie enigszins inherent is aan onze sterk geïndustrialiseerde samenleving. Voordat wij op dit derde punt nader ingaan, willen wij als intermezzo nog een sterk vereenvoudigd voorbeeld geven, hoe inflatie tot een onrechtvaardige verdeling van een gemeenschappelijk opgebouwd bezit kan leiden.

Verdelingsperikelen.
Wij onderstellen een pensioenfonds, dat uiteindelijk alles wat het heeft naar rato van de premiebetaling uitkeert. Eenvoudigheidshalve laten wij alle complicaties, zoals onkosten, beheerskosten, rente-inkomsten, spreiding van het risico door verschillende vormen van belegging, weg.

Spaarder A is het eerste lid van het fonds en betaalt op een zeker tijdstip een premie van 10.000 harde guldens. Het fonds koopt hiervoor een dubbele woning. A wordt voor f 10.000 in de boeken van het fonds gecrediteerd. Kort daarna devalueert de gulden op een tiende. De prijzen van huizen en de lonen worden het tienvoudige. Bij voornoemd huis behoort een schuur, die 1.000 harde guldens waard was en dus nu f 10.000 kost. Na de devaluatie, zeg een jaar later dan A, treedt spaarder B toe tot het pensioenfonds.
Hij betaalt een premie van 10.000 gedevalueerde guldens, waarvoor het fonds de schuur koopt; B wordt in de boeken van het fonds evenals A voor f 10.000 gecrediteerd. Stel dat A na twintig jaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en B na eenentwintig jaar. Beiden hebben volgens de boeken dezelfde rechten met een tijdverschil van een jaar; de bezittingen van het fonds zijn: een dubbele woning met een schuur.
A mag dan de ene woning en een halve schuur als eigendom beschouwen, B. een jaar later de andere woning annex een halve schuur. Door de gebruikelijke manier van het boeken in guldens krijgt A slechts het halve huis annex halve schuur, terwijl hij feitelijk het gehele huis betaald heeft.

Deze door inflatie bewerkte onrechtvaardige verdeling van het gemeenschappelijk gespaarde bezit kan door een realistische
crediteringsmethode ondervangen worden. Hiertoe dient de creditering van de deelnemers geboekt te worden als gedeelte van de op dat moment geschatte waarde van het geheel. In ons schematisch voorbeeld loopt dit als volgt. Tot aan het toetreden van B wordt A gecrediteerd voor 100 procent van het bezit, zijnde eerst 10.000 harde guldens. Na de devaluatie is A nog altijd gecrediteerd voor 100 procent zijnde nu f 100.000. Na het toetreden van B wordt de creditering van A veranderd in 90,91 procent terwijl B met 9.09 ingeschreven wordt. Door inkomsten en onkosten worden deze percentages niet veranderd, echter wel door het toetreden of het uitbetalen van andere deelnemers.

Aan de hand van deze voorbeelden zal duidelijk zijn, dat wegens de inflatie de leer voor de spaarder niet met de werkelijkheid overeenkomt.

Economische theorie
Volgens een gebruikelijke opvatting schiet hier echter niet de economische theorie tekort. De verschillende maatregelen die men alle tegelijk zou moeten toepassen om de inflatie uit te bannen zijn bij de economen wel degelijk bekend. Ze worden evenwel niet of niet in voldoende mate toegepast, omdat wegens de kortzichtigheid van de diverse belangengroepen de ene maatregel voor de ene groep, de andere maatregel voor de andere groep niet welgevallig zijn.

In aansluiting op deze opvatting zou dus de voorgestelde serie ‘Geld doorzien’, voorlichting kunnen geven, welke belangengroepen tegen welke nuttige maatregelen gekant zijn, en waarom.

Het lijkt ons echter wenselijk deze voorlichting aan te vullen met enkele beschouwingen betreffende de functies van het geld, die in het boek : ‘Das kranke Geld’ door Hans Georg Schweppenhauser, te vinden zijn. Deze beschouwingen stoelen op inzichten uit de ‘National Ökonomischer Kurs’ door Rudolf Steiner. [GA 340] [gedeeltelijke vertaling]

Het zieke geld
Binnen het historisch overzicht van de hoofdstukken I tot V vinden wij in III,2 de volgende voor ons onderwerp belangrijke aanhaling: ‘Wat was eigenlijk dit ‘geld’? Dat was ten eerste de munt, een gemunt zilverstuk dat de boer verkreeg, wanneer hij eieren of zijn paard op de markt verkocht. … Maar ‘geld’ kon ook iets anders zijn. Wanneer de handelaar voor de boerin de koopprijs in waren te goed hield, was er geen sprake van munten, maar van ‘geld’. Dit geld had de onbegrijpelijke eigenschap te vermeerderen.’
Verderop wordt erop gewezen dat het abstracte denken in geld de overgang van naturaal — via geld — tot moderne kredieteconomie mogelijk heeft gemaakt. Deze kredieteconomie geeft echter aan het geld de tendentie om voortdurend meer te worden, hetgeen anticultureel en sociaal destructief werkt. Een eenvoudig voorbeeld voor de vervorming van een juiste economische opvatting door het denken in geld is het volgende. Voor de producent is het ontvangen geld meer waard dan het product dat hij levert; hij kan dan verder produceren. Voor de consument is de betreffende koopwaar meer waard dan het geld dat hij ervoor geeft; hij heeft kunnen krijgen, wat hij zocht. De algemene opvatting suggereert echter dat alleen de verkoper een voordeel bij deze transactie zou hebben. Daardoor wordt de realistische opvatting: een juiste koophandeling berust op wederzijds voordeel, vervormd tot de eenzijdige voorstelling, alsof geldelijke winst en het streven naar de onbeperkte opeenhoping van geld de enige motor van de vrije economie zou zijn.

Schweppenhauser tracht nu de denkluiheid van het eenzijdige redeneren in geld te doorbreken. Hij onderzoekt hiertoe de functies van het geld in en aan de westerse voorkeur beantwoordende samenleving. Hij komt in VI,2 in navolging van Steiner, op drie functies: kopen, lenen, schenken. Hierbij wordt de betekenis van het schenken als belangrijke sociale en economische factor in de economische wetenschap tot nu toe niet helder beseft.

Het geld in de functie als koopgeld dient als bemiddelaar bij het kopen en verkopen dus als ruilmiddel. Het koopgeld kan de materiële vorm van munten hebben, maar ook de moderne vorm van bankbiljet, cheque, giro-overschrijving e.d. De koopgeldstroom dient een adquate afbeelding te zijn van de enorme goederenstroom die zich dagelijks in tegengestelde richting door het sociale organisme beweegt. Hierbij moet men op de hoeveelheid en daarnaast ook op de omloopsnelheid van het geld letten.

Koopgeld tijdelijk bewaren om het pas later, eventueel voor een grotere aanschaffing, uit te geven is de eenvoudigste vorm van sparen, waarbij het geld in eerste instantie niet van karakter verandert; een uit de mode geraakt voorbeeld is de kous met gouden tientjes.

Werken en denken
Zodra echter het geld aan een bank gegeven wordt om rente ervan te trekken, verandert zijn karakter en het wordt leengeld. De functie van het leengeld, waardoor onder gunstige omstandigheden rente kan ontstaan, berust daarop dat organisatorisch en technisch begaafde mensen de productiviteit van de werkende mensen kunnen verhogen door het uitvinden en toepassen van productiemiddelen, het gebruiken van energie, het nadenken over werkmethoden en werkverdeling, en het organiseren van de handel. Andersom gezegd, wordt hierdoor een grote hoeveelheid arbeid bespaard, die anders voor dezelfde economische prestaties zonder organisatie en techniek, nodig zou zijn. Deze arbeidsbesparing wordt dus bereikt, doordat menselijke intelligentie met behulp van het tot kapitaal geworden leengeld de gelegenheid krijgt in het arbeidsproces in te grijpen. Het zal duidelijk zijn dat hierbij de kwaliteit van de menselijke intelligentie de beslissende factor is.

In deze samenhang willen wij er op wijzen, dat Karl Marx in zijn bekende meerwaardetheorie de klemtoon op de functie van de arbeid gelegd heeft, terwijl hij van het kapitaal slechts het winstmotief noemt; Rudolf Steiner vult deze eenzijdigheid aan door op de functie van de menselijke intelligentie in het economisch proces te wijzen, die in het kapitaal tot uitdrukking komt.

Met het noemen van de menselijke intelligentie naast de werkkracht als economische factor zijn wij aangekomen bij de geestelijk-culturele sector in wijdere zin van onze samenleving, met als belangrijk onderdeel opvoeding, ontwikkeling, het scholen van bekwaamheden en het stimuleren van intitiatieven,-. Het levensonderhoud van de op dit gebied werkzame personen wordt tegenwoordig vooral door de overheid, maar ook door vrijwillige bijdragen van belangstellenden, bijvoorbeeld via stichtingen gefinancierd. Financieren betekent in dit geval in wezen schenken. De overheid splitst het betreffende schenkingsgeld af van het geheel van de belastingen. Dit deel van de belastingen kan men dus als gedwongen schenkingen ten behoeve van de geestelijk-culturele sector beschouwen.

Men kan zeggen dat de economische sector aan de mensen van de geestelijk-culturele sector de verbruiksgoederen levert om te kunnen leven, terwijl deze laatste o.a. die personen schoolt en ontwikkelt, die later in het bedrijfsleven als vaklieden en technici, of als organisatoren werkzaam zijn.

De onderscheiding van de genoemde drie functies van het geld nu kan ons helpen de plaats aan te wijzen, waar het geld al gauw een ongewenst eigen leven gaat leiden. Deze plaats ligt voornamelijk in de sfeer van het leengeld (zie VI, 4 en 5) en wel speciaal bij het industriekapitaal, dat met geproduceerde productiemiddelen werkt. Deze productiemiddelen kunnen haast onbeperkt uitgebreid worden; dit in tegenstelling tot landbouwgronden die men ook wel als productiemiddel kan beschouwen.

Het industriekapitaal
Het industriekapitaal wordt op drieërlei wijze gevormd: ten eerste op bescheiden schaal door sparen, d.w.z. door uitstel van consumptie; verder in de ontwikkelde industriemaatschappij door besparing van arbeid met behulp van productiemiddelen en fabrieken; hierdoor ontstaat eerst grote welvaart, maar daarna ook de tendentie om naast steeds meer consumptiegoederen voordurend meer productiemiddelen en fabrieken voort te brengen met behulp van zelffinanciering; en ten slotte in de abstracte geldsfeer door kredietvorming. Deze wordt door banken bewerkstelligd, waarbij het verleende krediet het meervoudige van de dekking door spaartegoeden kan zijn. Deze kredietvorming komt neer op een gedeeltelijke geldschepping uit het niets, die achteraf door economische prestaties van de debiteur gerechtvaardigd dient te worden.

Hierbij zij nog het volgende aangetekend. Het spaargeld, dat na verloop van tijd met een bescheiden rente terugbetaald wordt om als koopgeld verbruikt te worden, levert weinig moeilijkheden op. Men kan evenwel eisen dat koopgeld niet eindeloos opgepot, maar ooit besteed dient te worden. Immers, de maatschappij kan niet tot in het eindeloze min of meer vergankelijke consumptiegoederen paraat houden. De ‘bescheiden’ rente behoeft niet inflatoir te werken als de schuldeiser zoveel meer, en de schuldenaar zoveel minder consumeert, als met het bedrag van de rente overeenkomt.
Het kapitaal dat door geldschepping uit het niets ontstaat, heeft de uitgesproken tendentie inflatoir te werken, als de betreffende banken als winstfabricerende kredietfabrieken beschouwd worden. Dit kan vermeden worden, als zij slechts de economisch zinvolle taak op zich nemen de productie in overleg binnen de economische mogelijkheden en wenselijkheden te stimuleren dan wel af te remmen. Dit laatste kan wenselijk zijn met het oog op bijvoorbeeld oververhitting van de bedrijvigheid of overbelasting van het milieu.

Het buitengewoon grote kapitaal dat door het werken van vele industrie-arbeiders met zeer efficiënte machines door cumulatieve zelffinanciering opgestapeld wordt, werkt in hoge mate inflatoir. Het trekt namelijk veel werkkrachten en grondstoffen naar zich toe, zodat de prijzen in die eveneens noodzakelijke sectoren van de economie die zich niet voor industrialisatie lenen, onbetaalbaar worden. Het bestrijden van werkloosheid door steeds meer kapitaal in de industrie te investeren, zal daarom voor hooggeïndustrialiseerde landen waarschijnlijk af te raden zijn.

Schenkingsgeld
Schweppenhauser werkt nu voorbeelden uit, hoe men de overmaat aan kapitaalvorming op organische wijze door schenking kan laten afvloeien naar die sfeer, waar hij zinvol ge- en verbruikt wordt, met name de instituties van de geestelijk-culturele sector. Om een beeld van Steiner te gebruiken; het leengeld wordt oud in de productiesfeer, evenals de productiemiddelen; als schenkingsgeld geeft het in de geestelijk-culturele sector nieuwe impulsen aan de samenleving. Tot slot spreken wij de hoop uit, dat wij de lezer geanimeerd hebben om illusionaire van redelijke verwachtingen op het gebied van het geld te onderscheiden; en om verder in het bijzonder in de sfeer van het schenkingsgeld niet het gehele initiatief aan de overheid over te laten.
.

P.Cornelius, Jonas 4, 22-10-1976

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1376

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-2/2)

.

SOCIALE DRIEGELEDING

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaal‘ actief.

GELD

DE GELDSLUIER

Geld uitgeven is geen privézaak
De eerste geldsluier ligt over de economische werkelijkheid. Hier bevinden wij ons deels — nog op onbekend terrein: wij wéten, dat onze koopgewoonten en productie van goederen en diensten beïnvloeden. En toch raken wij hier een vraag die tegenwoordig — gelukkig — steeds vaker wordt gesteld, zij het meestal met een verkeerd accent:

is de wijze waarop wij ons geld besteden werkelijk een privé-aangelegenheid, zoals het verbond tussen Romeinse rechtsopvattingen en liberale economie ons vertelt? Of heeft zij sociale implicaties, waarvoor wij verantwoordelijk zijn?

Het komt mij voor dat wij hier een duidelijk onderscheid moeten aanbrengen. Wat ik met een consumptiemiddel wil doen, is mijn aangelegenheid, waar niemand anders iets mee te maken heeft. Of ik een porno lees omdat ik ervan geniet, omdat ik het verschijnen van deze literatuur wenselijk vind, omdat het een onderdeel is van mijn studie of omdat ik als leraar op de hoogte wil blijven van de geestelijke kost van mijn leerlingen – het is een individueel motief, waaruit een individuele beslissing volgt, en als volwassen mens ben ik terecht verontwaardigd als iemand zijn morele wijsvinger laat zien.
Als dr. Meinsma tegen de gevaren van het roken waarschuwt, is dat zijn volste recht en mag ik hem dankbaar zijn voor zijn informatie. Maar wie mij bestraffend toespreekt, omdat ik het roken toch niet gelaten heb, is niet alleen een ouderwetse zedenmeester, maar kwetst mij in de kern van mijn wezen, daar namelijk waar ik verantwoordelijk ben voor mijzelf en mijn eigen wilsbesluiten.

Koopgeld
Maar er is nog een andere kant aan de consumptie, die waarachtig geen individuele aangelegenheid is: het uitgeven van geld heeft een directe invloed op het economische leven. Dit immers reageert onmiddellijk door het ‘naschuiven’ van het verkochte goed, de verleende dienst – met productie dus en heel vaak worden, door bepaalde wetmatigheden van het economische leven, voor tien verkochte goederen elf of twaalf nageschoven. Soms nog veel meer, terwijl omgekeerd een kleine daling van de omzet de productie onrendabel kan maken en daardoor kan doen ophouden. Economisch gesproken verschaf ik dus aan een bepaald goed een markt, maak de productie mogelijk, c.q. verijdel deze. En daarmee schuift zich naast de allerindividueelste consumptiebeslissing een factor met een geheel andere dimensie. Niet alleen of ik mijn inspiratie uit rook moet putten, of ik bestand ben tegen het lezen van een sensatieblad, is bij de aankoop in het geding, doch al kopende ben ik mede verantwoordelijk voor de maatschappelijke productie van dit (soort) goed. Het gebruik, de consumptie van goederen is een individuele aangelegenheid; het gebruik van geld is dit niet. Het uitgeven van koopgeld heeft invloed op de economisch-maatschappelijke werkelijkheid, op de consumtiemogelijkheden van anderen, op de productiemogelijkheden. Zonder dat daarmee iemand het recht krijgt om de befaamde wijsvinger te heffen, mogen wij aantekenen dat ons hierdoor, of wij willen of niet, een verantwoordelijkheid opgelegd wordt, waarvan wij ons bewust behoren te zijn.

Leengeld
Wat in het voorgaande over het koopgeld is gezegd, is tot op zekere hoogte nog te overzien en met ons bewustzijn te volgen. Zodra wij op het gebied van het leengeld komen, onttrekt zich hetgeen wij speciaal met ons geld doen, vrijwel steeds aan ons inzicht. Meer dan door een theoretisch betoog wordt dit geïllustreerd door een voorbeeld.
Een Nederlander, in het bezit gekomen van eigen vermogen en door verblijf in het buitenland niet in staat dit zelf te beheren, wendt zich tot een in vermogensbeheer gespecialiseerde bank. De cliënt wil niet lastig zijn, vraagt de bank het geld naar eigen goeddunken te beheren, met één klein voorbehoud: het geld niet in de oorlogsindustrie te steken. Ontzet schuift de bankman achteruit: ‘dan moeten wij u óf bedotten, want wij weten zelf niet wat er met uw geld gaat gebeuren als wij het eenmaal belegd hebben; óf wij kunnen het niet verantwoord beleggen, omdat wij dan uit een té beperkt aantal objecten moeten kiezen, en zelfs die garanderen niet een vreedzaam gebruik.’
Hier wordt gedoeld op het financiële vlechtwerk, waardoor het zelfs voor een beroepsfinancier niet meer mogelijk is na te gaan, wat met de investeringsmiddelen geschiedt. De lening aan de kapitaaldeelname in een hoogst onschuldige NV wordt wellicht gebruikt voor de oprichting van een er al even onschuldig uïtziende dochter, een besloten NV, welker activiteit: toeleveringsbedrijf voor een fabrikant van wapentuig – schuil gaat achter de neutrale post ‘deelname’ op de balans van de moeder-NV. Deposito’s, rekeningen-courant bij banken zoeken het hoogste rendement; en dat vinden zij meestal niet bij de meest onschuldige producenten. Zelfs door het geld in de kous te stoppen beïnvloedt men het economische leven. Wie over vermogen beschikt kan zich daaraan nooit onttrekken.

Uitgaan van product
Ook achter deze constatering zoeke men geen reden tot moraliseren. Of men ‘respectabele’ redenen heeft om de hoogste opbrengst te zoeken (b.v. men moet ervan leven) of minder ‘respectabele’, of men pro- of anti kunstmest, NATO, farmaceutische industrie (en vul zelf maar verder in) is, gaat een ander niet aan. Men make zich alleen niet van zijn verantwoordelijkheid af met een ‘ich habe es nicht gewusst!’ Voor wie wil en het zich kan permitteren zijn er alternatieven. Men zal dan alleen niet uit mogen gaan van het ‘geldautomatisme’, d.w.z. het hoogste rendement van de beleggingen, doch men zal door de geldsluier heen moeten prikken en van het product moeten uitgaan, dat men wenselijk acht. Dat zal men vrijwel steeds pijnlijk voelen in het rendement en in de zekerheid. Dat is de prijs die men zal moeten betalen, wil men zich door de geldsluier niet medeplichtig laten maken aan hetgeen men ‘eigenlijk’ niet wil.

Schenkgeld
Veel zou ook te zeggen zijn over hetgeen wij met het schenkgeld doen, maar de actualiteit van dit probleem is helaas niet al te groot. De meeste ‘schenkingen’ vinden tegenwoordig gedwongen plaats. Wij spreken dan van belastingheffing en zelffinanciering. Daarom slechts een heel korte opmerking.

‘Schenkgeld is de basis voor alle geestelijke leven. Priester en uitvinder moeten er gelijkerwijs van leven. Of men, zeg een uitvinder, zijn werk mogelijk wil maken, hangt in onze maatschappijstructuur vrijwel uitsluitend af van de beoordeling van de kans op het rendabel maken van de uitvinding. Maar de maatschappelijke consequenties van een uitvinding kunnen enorm zijn. Daarvoor is de schenker in sterke mate verantwoordelijk. Gezichtspunten bij het schenken zouden dan ook kunnen zijn, niet alleen of de richting waarin gewerkt wordt de instemming van de schenker heeft, maar de persoonlijke integriteit van de begiftigde. Wij weten dat tal van dubieuze vondsten ‘bij toeval’ zijn gedaan, toen men op zoek naar heel iets anders was. Wat dan met de vondst gebeurt zal geheel afhangen van de moraliteit van de uitvinder. Dit betekent, dat wie bewust en verantwoordelijk over schenkgeld wil beschikken, in laatste instantie niet af mag gaan op het product, zoals bij het leengeld, doch op de persoon. Zouden wij zo’n uitvinder in de kost nemen, dan zou dit bijna vanzelf spreken. Door de schijnbaar neutrale geldsluier dreigen de sociaal-economische consequenties van onze schenkingen aan ons bewustzijn te ontsnappen.

Samenvattend kunnen wij zeggen dat de eerste geldsluier over de economische realiteit ligt. En dat dit een oproep inhoudt om denkende door te dringen in wat er wezenlijk door ons omgaan met het geld wordt bewerkstelligd, om vervolgens, individueel-verantwoordelijk te beslissen.

Dieter Brüll, Jonas 19-09-1970
.

Deel [1]   [3]
.

sociale driegeledingalle artikelen

.

1345

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-1)

.

DE KWALITEITEN VAN GELD

In Jonas* 23[ artikel niet op deze blog] werd het een en ander weergegeven omtrent het onderwerp ‘zakgeld’. Omdat ik met vier kinderen daaraan ook zo het een en ander meegemaakt heb voel ik mij gelukkig daarover in het kader van dit artikel niet te hoeven schrijven. Dat terrein is naar mijn ervaring vol voetangels en klemmen – voor de ouders wel te verstaan. Of zou het ook voor de kinderen het geval zijn? Wanneer we in die richting wat dieper willen graven lijkt het een goede zaak om enerzijds bij het kind, anderzijds bij het geld een aantal kenmerken naar voren te halen, die bij deze aangelegenheden niet zo vaak aan de orde komen. Wanneer we het opgroeiende kind waarnemen kunnen we daarbij de volgende fasen van ontwikkeling onderscheiden, die elkaar ten dele opvolgen, maar ook ten dele overlappen.

0-7 jr
De vroegste fase – tot ongeveer het zevende jaar – is die van het kennismaken met, het zich oriënteren op de ruimte om je heen.
Het is als het ware een voortdurend geven en nemen – vaak met de nadruk op het laatste – een bijzonder actieve wisselwerking. Alles is in beweging, nog open voor indrukken, aftastend, verkennend maar ook verwerkend, je eigen makend.

7 – 14 jr
Daarna komt een fase, waarbij de andere mens zich meer vanuit de omgeving gaat aftekenen. Het omgaan met je leeftijdsgenoten maar ook met ouderen en jongeren ga je als een nieuwe te verkennen wereld ervaren. Dat gaat dan gepaard met veel botsingen en ook de eerste genegenheid, liefde voor die andere mens.
Rond de puberteitsjaren komt dan de vraag bij je op naar jezelf, wie je bent of wilt zijn en welke idealen in jezelf leven, wat je je van het leven straks gaat voorstellen. Al veranderen die idealen vaak nog aanmerkelijk, ze zijn toch, als je jaren later op die periode terugkijkt de voedingsbodem geweest voor vele impulsen, die in je levensloop naderhand opduiken en je handel en wandel in het leven bepalen.

GELD
Wanneer we nu naar het geld kijken en ons afvragen wat dat voorstelt, welke rol het in ons leven speelt dan stoten we alras op een drietal kwaliteiten, die we in ons taalgebruik met betrekking tot geld min of meer bewust hanteren.

De eerste kwaliteit is die van het stromen. In onze taal spreken we van geld dat stroomt. Je hebt ook geld als water en als je geluk hebt, weet je een geldbron aan te boren.

Een tweede kwaliteit is die van het uitdrukken van een verhouding. We spreken dan van iets dat tot gelding komt, zich laten gelden. Het zelfstandig naamwoord geld wordt dan een werkwoord! Het heeft dan ook een sociaal, juridisch karakter: je kunt zeggen dat iets niet geldt, geldig is.

Een derde kwaliteit vinden we in een aantal zegswijzen, maar vooral ook sprookjes, waarin wordt geduid op het (a)morele aspect van geld, afhankelijk van degeen, die er mee omgaat. Het geld dat stom is, maakt recht wat krom is. Geld-goud-geweten. In vele sprookjes wordt dat thema uitvoerig behandeld. Het is de moeite waard aandacht te schenken aan het feit dat veelvuldig in sprookjes, mythen en legenden waar zeer diepe spirituele zaken aan de orde zijn als een welhaast onafscheidelijke dubbelganger het geld, het goud of de schat genoemd worden.

Grimm: de sterrendaalders (153)

Ook in het Nieuwe Testament in de Evangeliën speelt het geld – men denke aan de tollenaars, het geld van de keizer, de wisselaars in de tempel en de dertig zilverlingen van Judas – voortdurend mee.

Wanneer we deze drie kwaliteiten van geld naar het dagelijks leven toe vertalen kan het volgende beeld ontstaan.

KOOPGELD
Het stromende geld neemt in onze maatschappij het karakter aan van koopgeld, geld dat als ruilmiddel en waardemeter wordt gehanteerd bij koop en verkoop van goederen en diensten. In dat proces circuleert het geld, we spreken dan ook van een geldcirculatie.

LEENGELD
Het geld gaat een verhouding weergeven wanneer er sprake is van schulden en vorderingen, die in geld worden uitgedrukt. Deze ontstaan wanneer er enerzijds geld gespaard, anderzijds geleend wordt. Boekhoudkundig verzeilen we dan in de dubbele boekhouding met een belans als staat van schulen en vorderingen. Deze ‘gestalte’ van geld ontstaat, wanneer ik besluit niet te kopen of te verkopen maar dat uitstel, in de tijd vooruitschuif. Het is boeiend, dat juist dan in het weergeven van schulden en vorderingen steeds relaties, verhoudingen tussen mensen aan de orde zijn! Je kunt hier spreken van spaar/leengeld of nog beter: leengeld.

SCHENKGELD
Ten slotte is er de mogelijkheid om geld te schenken aan anderen. Het betekent, dat een ander de vrije beschikking krijgt over wat hij of zij met dat geld wil doen of laten. Er is bij schenken geen relatie met de ander: voorzover die er nog is kan nog niet van een vrije beschikkingsmogelijkheid gesproken worden. Dat betekent echter wèl, dat wanneer je geld tot je vrije beschikking krijgt het helemaal van jezelf afhangt wat er dan kan gaan gebeuren. Er is dan een moment waarbij je helemaal op jezelf bent aangewezen. Het morele aspect zal dan een rol gaan spelen.

Terug naar het kind in ontwikkeling.
De eerste ontdekking, die een kind met geld kan doen is dat je er iets voor kunt kopen. Voorzover ik mij kan herinneren had dat vooral betrekking op toverballen, zuurstokken en dergelijke. Drop komt ook veel voor, maar ik hield daar niet van. We zullen allemaal wel met een cent, stuiver of dubbeltje in ons knuistje de eerste gang naar de winkel gemaakt hebben om iets te kopen. Ook in de geschiedenis kan worden nagegaan dat de oudste gebruiksvorm van geld die van ruilmiddel en waardemeter is geweest.

Alras komt dan de spaarpot ons leven binnen wandelen, al dan niet met ruggesteun van banken, die daar brood in zien. Vaak ervaren we, dat die spaarpot wat te vroeg komt. Het kind is nog helemaal niet in de sfeer van sparen, telt voortdurend de inhoud van het spaarvarken en vraagt zich af, wat je daarvoor zou kunnen kopen.

Naar mijn ervaring komt het echte sparen – in de zin van het appeltje voor de dorst of sparen met een bepaald doel voor ogen – pas veel later, rond de puberteit aan de orde. De spaarpot wordt dan ook al gauw vervangen door een spaarrekening bij een of andere bank. Het lenen gaat dan ook een rol spelen, vaak in de vorm van voorschotten op nog te sparen centjes. Die voorschotten hebben zoals menig ouder heeft ervaren vaak een wat wankel karakter. Bij tijd en wijle moet er gesaneerd worden en wordt er kwijtgescholden, geschonken.

Het schenken komt, voorzover ik heb kunnen waarnemen, vóór de volwassen leeftijd nog niet erg bewust aan de orde. Wel in de vorm van de eerste zélf gefinancierde cadeautjes, maar zelden in direCte overdracht, schenken van geld.

Ook bij de vorige twee varianten – kopen en sparen – is er als het ware sprake van een oefenen in droogzwemmen. Immers de ouders besturen dit proces nog bijkans volledig. Bij kopen en sparen is daarvoor oefenstof te over. Met schenken is dat veel moeilijker. Misschien is het – zonder daarmee te moraliseren – een goede zaak om kinderen rond het volwassen worden een inzicht te geven in één van de nog steeds grootste stromen van schenkingsgeld in onze samenleving: die van de opvoeding van kinderen. Misschien kan dan ook zichtbaar worden hoe belangrijk het is, dat die schenking naar de toekomst gezien steeds meer bewust een vrije schenking moet blijven. Daarin ligt immers de mogelijkheid besloten om zich als vrij individu te ontplooien tot aan de volwassen leeftijd toe.

Zou deze mogelijkheid worden afgegrendeld en vervangen door enigerlei staatsverzorging dan gaat die vrijheid – we kunnen dat elders in de wereld waar zoiets wordt en werd geprobeerd vrij goed nagaan – per definitie verloren en wordt deze vervangen door de verzorgingsstaat die als anonieme bureaucratie op basis van al dan niet democratisch en politiek genomen meerderheidsbesluiten, vaststelt wat goed voor ons is.

Met opzet heb ik vermeden om de geschetste kwaliteiten van geld en de ontwikkelingsfasen van het kind systematisch te koppelen.

Ik geloof, dat omgaan met geld voor ieder kind samen met ouders een eigen, telkens weer nieuwe ontdekkingstocht zal zijn. Bepaalde voorschriften zijn dan ook mijns inziens niet realistisch. Slechts twee uitersten zou ik willen noemen.

In vroegere, maar ook huidige tijden kwam en komt het voor, dat bij de opvoeding geld als iets minderwaardigs, ‘vies’ wordt afgedaan. Ik meen, dat daarmee aan het kind in zijn ontwikkeling iets heel belangrijks wordt onthouden: de mogelijkheden om mede aan de hand van omgaan met geld zelf iets van zijn omgeving, van anderen en zichzelf te ontdekken.

Het spiegelbeeld komt ook voor: ‘het geld speelt geen rol’. Waar geld als het ware in de drie genoemde kwaliteiten een maatschappelijk stukje vrijheid (van keuze, van verhouding of van ideaal) betekent valt dan het fundament van die vrijheid, de verantwoordelijkheid weg. Zowel het een als het andere zijn hoekstenen van een zich evenwichtig ontwikkeld bewustzijn van een mensenkind. Juist het geld als ‘spiegelbeeld’ van je daden kan daarbij een heel belangrijke rol spelen. In onze welvaartssamenwerking is juist de verantwoordelijkheid gaandeweg naar de achtergrond geschoven. Vrijheid wordt dan willekeur en verspilling, heden ten dage vrij algemene verschijnselen.

Ten slotte: het heeft mij altijd verbaasd, dat in de school in de hoogste klassen geen of nauwelijks aandacht wordt geschonken aan het bewust omgaan met geld. Naast het aanleren van administratieve technieken en daarbij behorende inzichten zou het behandelen van kwaliteiten van geld in verband met ons handelen voor de komende levensloop van de leerling van bijzonder groot belang kunnen zijn. Hier ligt voor de leraren van vrijescholen een nog zeer belangrijk terrein open! Ik heb geprobeerd om in dit artikel geen afgeronde visies te geven. Daargelaten of dat zou kunnen en of ik daartoe in staat ben, meen ik, dat het wellicht beter is om een aantal gedachten en beelden aan te reiken waarmee iedere lezer kan doen wat in zijn of haar beleveniswereld van belang lijkt te zijn. Daarbij zou het wellicht vruchtbaar zijn om in plaats van elkander gedachten voor te schrijven of (ongevraagde) adviezen te geven, veeleer ideeën en ervaringen uit te wisselen. Dit artikel wil daarin een bijdrage zijn.

Rudolf Mees, Jonas 24, 01-08-1980

*Jonas – een tijdschrift voor sociale en individuele bewustwording – verscheen in de jaren ca 1970 – 1995.
.

sociale driegeleding: alle artikelen– waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

opvoedingsvragen: alle artikelen

.

1334

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.