Tagarchief: geldsluier

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-2/3)

.

geld

DE GELDSLUIER (slot)

Arm en rijk

In de voorgaande artikelen [1]  [2] hebben wij trachten te zien, enerzijds hoe de geldsluier dreigt te verhinderen, dat de mens zich inzicht verschaft in zijn invloed op het economische leven, anderzijds hoe het geld een sluier legt over de wederzijdse sociale afhankelijkheid en uit angst geboren schijnzekerheden substitueert voor wat aan rechtsgevoelens ontwikkeld zou moeten worden. Wij zullen thans nog een derde sluier moeten lichten, waarmee het geld een zorgvuldig gekoesterde onwetendheid bedekt: de sluier over onszelf, over onze eigen moraliteit.

Het totaal van de consumptiegoederen, dat de mensheid voortbrengt, wordt wel eens de maatschappelijke koek genoemd. Daar sloten wij bij aan met de opmerking, dat je de maatschappelijke taart slechts één keer op kunt eten; dan zal weer een nieuwe gebakken moeten worden. Even duidelijk is echter, dat de punt, die ik mij uit de koek snijd, niet meer door een ander gegeten kan worden. Concreet gezegd betekent dit, dat deze Aziaat, deze Afrikaan niet zou behoeven te hongeren, indien ik hier niet een koelkast, een auto, een televisietoestel zou kopen. Het is zo’n eenvoudige waarheid, dat legioenen economen en politici werkzaam moeten zijn om ons van het tegendeel te overtuigen, om ons aan te praten dat consumeren juist een sociale daad is, om onze bezwaren weg te wuiven door ons te vertellen dat nu eenmaal in de ontwikkelingslanden de koopkrachtige vraag ontbreekt (waarmee wij weer bij het geld terug zijn), dat wij weer zouden verpauperen, als wij geen markt voor onze ondernemers zouden vormen, waarop wat te verdienen valt – waarmee wij langs een omweg terug zijn bij het uitgangspunt, dat de verdeling niet bepaald wordt op basis van behoefte, maar op basis van geld. En naarmate een opgroeiende generatie doorziet dat deze argumenten niets met economie te maken hebben, treden de politici in het krijt, die de angst om iets van het verworvene te moeten missen handig exploiteren, waarbij dan de ‘luie nikker’ (alsof natuurvolken niet heel wat zwaarder werken dan wij) en het met zweet en inspanning verworden bezit (wiens zweet wijselijk in ’t midden latend) de rechtsmantel over de naakte begeerte moet vormen.

Samenhang

Laten wij nuchter blijven. Er is niets in het economische leven, dat het enorme productievermogen zou kunnen beletten die goederen en diensten te leveren, die de achtergebleven volkeren nodig hebben. Het beletsel is uitsluitend in het geestesleven te zoeken, in de begeerte, het egoïsme van de mens. De wet kan hem daarbij de middelen leveren om dit egoïsme te legaliseren: wij hebben eerst vrijwel alles tot (vererfbaar) voorwerp van eigendom gemaakt en het geld een dusdanige wettelijke status gegeven, dat wij vrijwel elk eigendom ermee kunnen verwerven. Op basis daarvan kunnen wij dan zeggen: is niet mijn geld net zo goed als dat van een ander (geld stinkt niet!)? En: heb ik het soms niet rechtmatig verworven? Beschikking over geld wordt gelijkgesteld met beschikken over goederen en daarmee in de individualistische, liberalistische sfeer getrokken: ‘ik verdien nu genoeg om mij een auto aan te schaffen’ of ‘ik heb net een koelkast gekocht, de afwasmachine moet dus nog even wachten’. De geldsluier onttrekt aan ons oog de samenhang tussen de rijkdom van ons en de armoede van de ander en bewaart ons voor het stellen van de pijnlijke vraag bij het samenstellen van ons consumptiepatroon: ‘wat betekent het voor anderen, dat ik beslag leg op dat deel van de koek?’

Hebben wij één keer door de geldsluier heengekeken, dan is ons voor goed duidelijk geworden dat wat men ons als een economische kwestie pleegt te presenteren – de noden van de onderontwikkelde gebieden en de achtergebleven groepen – in werkelijkheid helemaal geen economisch vraagstuk is. Het is niet eens in de eerste plaats een rechtsvraagstuk, al kan het als zodanig gesteld worden. Het is primair een wereldbeschouwelijke kwestie. Gaan wij ervan uit dat de mens de laatste loot aan de dierenstamboom is, dan is alles in orde. Want waarom zou de menselijke niet gelijk andere diersoorten de zwakkere exemplaren laten omkomen of afmaken, de wet van de jungle toepassen, teneinde een survival of the fittest te bereiken? Gaat men daarentegen ervanuit dat de mens zijns broeders hoeder is, dat hij medeverantwoordelijk is voor de gehele mensheid, dan leidt het wegtrekken van de geldsluier tot een schrikbarende confrontatie.

Ordenen van begeerte

In de verhalen over onze geldloze tijd, de hongerwinter 1944/’45, nemen de opofferingsgezinde moeders die voor hun kinderen doodgehongerd zijn, een voorname plaats in. Veel algemener echter was het verschijnsel, dat men elkaar met argusogen bewaakte teneinde zelf niet tekort te komen, en menigeen heeft zijn dierbaarste familieleden om een stukje brood bedrogen. Dat is wat achter de derde geldsluier ligt, wat toen een ogenblik zichtbaar werd en wat vandaag eo ipso (uiteraard ook) geldt in onze verhouding tot de medemens ergens overzee of naast de deur. Willen wij ook tegenover dit verschijnsel nuchter blijven, dan moeten wij de conclusie aanvaarden dat een humane filosofie, inclusief het mea culpa, als een stuk bewustzijnsvorming wellicht onontbeerlijk is, doch in de feitelijke situatie geen verandering brengt. Hier gaat het namelijk niet om de aalmoes, de afstand van een stukje overvloed als gewetensussertje, maar om de concrete vraag, in hoeverre onze morele wil in staat is in ons begeerteleven ordenend door te dringen. Dit is een kwestie van wilsscholing, d.w.z. van vallen en opstaan – en helaas is de organisatie van onze maatschappij nauwelijks erop gericht om ons gelegenheid tot een dergelijke scholing te verschaffen. Ook dit echter kan een uitdaging zijn, die meer en meer blijkt te worden aanvaard: om zelf welbewust de situaties te scheppen, waarin men deze wilskrachten kan ontwikkelen.

Welvarende gemeenschap

Wie om zich heen kijkt, kan tot zijn verbazing ontdekken dat inderdaad op allerlei plaatsen mensen bij elkaar komen, die hun samenzijn of hun samenleving zo organiseren, dat zij met het probleem van wat de mens toekomt, moeten experimenteren. Men vindt communes van velerlei slag – niet alle even fris, maar dat kan van onze instituten op basis van eigenbelang ook niet steeds gezegd worden. Ook pogingen op bijzondere gebieden, die gelegenheid geven om door de geldsluier heen te kijken en niet te oefenen: als leraren op vrijescholen geen salariëring maar een inkomen wensen, zijnde een restbedrag nadat alle kosten van de school zijn betaald, dan houdt dat in dat men zich voortdurend rekenschap moet geven én over hetgeen aan de kinderen in hun verhouding tot het lerarencollege als collectiviteit toekomt, én over hetgeen de ene leraar in verhouding tot de anderen toekomt. Iets soortgelijks kan men opmerken betreffende de priesters van de Christengemeenschap. Een zeer consequente oefening om door de geldsluier heen te zien vindt* men in de Camphillbeweging: intern is er een (vrijwel) geldloze samenleving, waardoor elke behoefte opnieuw de, slechts door het individu zelf te beantwoorden, vraag oproept: zal ik in mijn verhouding tot mijn medewerkers en tot de kinderen die ons zijn toevertrouwd, deze behoefte of begeerte bevredigen? Op deze wijze openbaart zich eenvoudig als fenomeen hetgeen Rudolf Steiner in 1905/06 als het Soziale Hauptgesetz (sociale hoofdwet) omschreef: ‘een gemeenschap zal des te welvarender zijn, hoe minder de enkeling het resultaat van zijn werk voor zich opeist en hoe meer zijn behoeften uit de prestaties van anderen worden bevredigd.’

Wat in deze beschouwingen over de geldsluier is gezegd, vraagt niet in de eerste plaats een nieuw geld. Primair gaat het erom te beseffen wat wij dagelijks doen en laten, doordat wij niet door de sluier heen de werkelijkheid zien. Als wij ons van daaruit geroepen voelen om op een meer bewuste wijze in de maatschappij te staan, wellicht zelfs naar veranderingen te streven, dan kan daarbij behoren dat men ook aan het geld een ander rechtskarakter wil geven. Maar dat is dan slechts één van de vele perspectieven die zich openen, zodra de werkelijke samenhangen duidelijk worden. Eerst dan kan waarheid worden hetgeen thans als een leugen op onze geldstukken staat.
.

Dieter Brüll, Jonas 1e jrg. nr 5,  *03-10-1970

.

Deel   [1]  [2]

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1482

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-2/1)

.

SOCIALE DRIEGELEDING

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch… slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaal‘ actief.

GELD

DE GELDSLUIER

 

De paradox van ons geld

Met het geld is het een wonderlijke zaak: iedereen gebruikt het, alom wordt erover gepraat, er is niets, waarmee wij ons dag-in dag-uit, zowel handelend als denkend, zo geregeld bezighouden als met geld… en toch vinden wij, al naar ieders aard, er iets fascinerends, raadselachtigs, angstaanjagends, omlaaghalends aan zitten. Waar schuilt dat mysterieuze toch in?

Reeds de oude Romeinen verzekerden ons dat geld niet stinkt. Zij bleven evenwel in gebreke ons te vertellen waar de begeleidende geuren dan wel vandaan komen.

Bij de meeste economie-studenten is ‘geldtheorie’ een geliefd onderwerp; hoewel er nog steeds dikke boeken over verschijnen, heeft men toch met een afgeronde, overzichtelijke en met niet al te veel moeite kwantificeerbare materie te maken. Het is daar niet ongebruikelijk om over de geldsluier te spreken, waarmee men op het verschijnsel doelt, dat niet meer zo als vroeger het geld om zijn intrinsieke waarde begeerd wordt – een laatste rest ervan wordt door onze overheden uitgebuit door gouden of zilveren munten te slaan, die in onze tijd geen enkele geldbetekenis meer hebben – doch dat het als een in zichzelf waardeloze sluier over de werkelijkheid van het economische leven ligt.

Lichaam als sluier

Wat wordt er nu eigenlijk versluierd? De leerboeken wijzen er terecht op, dat het in wezen om het goederen- en dienstenverkeer gaat, om de invloed van het geld daarop en omgekeerd. De mens die het geld hanteert, komt daarbij hoogstens als een randverschijnsel van pas. Meer en meer ontwaakt echter het vage bewustzijn, dat de relatie met de goederenwereld niet het enige, zelfs niet het belangrijkste aspect van het geld is. Als geld, zoals een ander gezegde beweert, de wereld regeert, dan is met ‘de wereld’ toch niet alleen de goederen- en dienstenstroom bedoeld, maar ook en in de eerste plaats de bewoners van deze wereld. Wat gebeurt er dan nog meer met en onder deze sluier, en vooral: hoe gebeurt het?

Wij stuiten hier op een paradox. Eens was het geld zichtbaar en weegbaar. De gouden munten waren hun gewicht in goud ‘waard’. In die tijd was nog vrij doorzichtig wat met het geld gebeurde. Maar het trok zich uit de zintuiglijke wereld terug: eerst verdween de weegbaarheid; voor de onvolwaardig geworden munten en later het papiergeld lag de ‘dekking’ ergens onder de grond. Daarna verdween ook de zichtbaarheid; tot in de consumptieve sfeer neemt hand over hand het gebruik van giraal geld toe, dat van alle fysieke substantie ontdaan, alleen nog rekengrootheid is. Naarmate echter het geld zich in de onzichtbaarheid terugtrok, nam de zichtbaarheid van de eronder liggende werkelijkheid niet toe maar af. Meer en meer onttrekt zich aan ons bewustzijn dat zich onder deze onzichtbare en toch nauwelijks doordringbare sluier niet alleen een economische, doch in de eerste plaats een sociale werkelijkheid verbergt.

Wat zijn sluiers eigenlijk? Wij maken er op vele wijzen gebruik van. Men kan ermee de waarheid versluieren zonder bepaald een leugen te zeggen – een vaardigheid, waarin b.v. overheden, directies en andere bestuurderen die met lastige vragen geconfronteerd worden, uitblinken. Men kan ook, zoals b.v. in de kunst, de sluier gebruiken om het niet-essentiële te verbergen, zodat het wezenlijke beter tot uitdrukking komt.
Ten slotte kan men een deel van de werkelijkheid aan het oog onttrekken, omdat de beschouwer er nog niet tegen opgewassen is. Wij zullen een twaalfjarige die net de eerste beginselen van de meetkunde leert, niet in verwarring brengen door hem te vertellen dat twee evenwijdige lijnen elkaar in het oneindige snijden. Dan is de bedoeling niet om van de waarheid af te leiden, maar juist om de waarheid op den duur te doen begrijpen. Het mythologische beeld daarvoor is de versluierde Isis, welker sluier eerst gelicht zal mogen worden, als wij het bewustzijn van onze onsterfelijkheid hebben verworven. Het dagelijkse beeld van een dusdanige sluier is de mens zelf: onze lichamelijke gestalte versluiert onze persoonlijkheid. Eerst daardoor is sociaal verkeer mogelijk, want een directe herkenning van de ander, een openbaring van zijn werkelijk wezen, zouden wij nog niet aankunnen. Naarmate wij echter door de sluier heendringen, de ander ontdekken, ontwikkelen wij ook de kracht om hem te verdragen.

Verhongeren

Op een soortgelijke wijze maakt de geldsluier het economisch verkeer mogelijk: zouden wij bij elke transactie het door ons aangebodene willen vergelijken met de waarde van alle door ons gewenste goederen en diensten, teneinde tot een ruil te kunnen komen … wij zouden al calculerende verhongeren. Het geld ontheft ons van deze noodzaak, doordat het ons voorgevormde waardeoordelen aanbiedt. Maar gemak gaat altijd tenkoste van iets. In dit geval versluiert de prijs de waarde. Maar het geld versluiert nog veel meer en het is goed om zich er bij tijd en wijle rekenschap van te geven op welke wijze wij door het geld te hanteren de sociale werkelijkheid beïnvloeden.

Dieter Brüll, Jonas 12-09-1970

.

Deel   [2]   [3]

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1439

 

 

 

 

 

 

 

.