Categorie archief: vrijeschool pedagogie

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-1/19)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Hier worden zijn uitspraken daarover uit andere voordrachten weergegeven.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar 

in de voordrachtenreeks:

Die Methodik des Lehrens und die Lebensbedingungen des Erziehens

GA 308 
vertaald                       

De wordende mens

Voordracht 1, Stuttgart 8 april 1924

Blz. 14   vertaling 28

Nehmen wir ein Kind, das noch im zarten Alter steht, in einem Alter, das vor der Volksschulpflicht liegt. Da ist das Kind eigentlich noch ganz und gar ein einheitliches Wesen. Die drei Glieder der Men­schennatur, Leib, Seele und Geist, sie gliedern sich erst im späteren Leben auseinander. Zwischen der Geburt und dem Zahnwechsel, der einen sehr wichtigen Lebenspunkt in der Entwicklung des Menschen bedeutet, liegt eine Lebensepoche des Kindes, in der sozusagen — wir beachten das nur gewöhnlich nicht genügend — das Kind fast ganz Sin­nesorgan ist.  Namentlich das, was von den Eindrücken der Menschen der Umgebung kommt, ob wir uns langsam bewegen in der Umgebung des Kindes, und dadurch die Lässigkeit unseres Geistig-Seelischen of­fenbaren, ob wir uns stürmisch bewegen in der Umgebung des Kin­des und dadurch die Wucht unseres eigenen Geistig-Seelischen offen­baren, das alles wird von dem Kinde fast mit derselben Intensität aufgenommen, mit der sonst die Eindrücke, die auf das Sinnesorgan wirken, von diesem Sinnesorgan aufgenommen werden.

Laten we een kind bekijken dat nog in de kwetsbare leeftijd is, een leeftijd die vóór de basisschoolleeftijd ligt. Dan is het kind eigenlijk nog helemaal een wezen dat een eenheid is. De drie wezensdelen van de mens, lichaam, ziel en geest, verdelen zich pas in het latere leven. Tussen geboorte en tandenwisseling, die een zeer belangrijk levenspunt in de ontwikkeling van de mens betekent, ligt de leeftijdsfase van het kind waarin zo gezegd – we letten daar gewoonlijk niet genoeg op – het kind bijna helemaal zintuig is. Laten we eens een zintuig bekijken, nemen we het oog zelf. Indrukken van buiten, kleurindrukken krijgt het oog. Het oog is er op fijnzinnige manier voor gebouwd kleurindrukken in zich op te nemen. Zonder dat de mens er invloed op kan uitoefenen wordt wat als een prikkel van buitenaf werkt meteen omgezet in iets wilsmatigs, dat dan door de ziel, zoals wij zeggen, kan worden beleefd. Maar zo is op basis van de zintuigwaarneming het hele leven van het kind voor de tandenwisseling: ziel. Alles wat het innerlijk beleeft lijkt op een waarnemen met de ziel. Met name wat door de indrukken van de mensen uit zijn omgeving komt, of we ons langzaam bewegen in de omgeving van het kind en daarmee de gelatenheid van ons geest-zieleleven laten zien, of we onstuimige bewegingen maken in de omgeving van het kind en daarmee de hevigheid van ons geest-zieleleven laten zien, dat wordt door het kind bijna met dezelfde intensiteit opgenomen als waarmee anders de indrukken die op een zintuigorgaan werken door dit zintuigorgaan worden opgenomen.

Das Kind ist im Ganzen Sinnesorgan. Man kann schon sagen: Wenn wir erwachsen sind, haben wir Geschmack im Munde, auf dem Gaumen, auf der Zunge. Das Kind fühlt den Geschmack viel tiefer hinunter in seinen Organismus, das Geschmacksorgan dehnt sich sozusagen durch einen großen Teil des Körpers aus. So die anderen Sinne. Die Lichtein­wirkungen verbinden sich beim Kinde innig mit den Atmungsrhyth­men, sie gehen hinunter in die Blutzirkulation. Dasjenige, was der Erwachsene abgesondert im Auge erlebt, erlebt das Kind durch den ganzen Leib hindurch, und ohne daß Überlegung dazwischentritt, kommen die Willensimpulse unmittelbar wie Reflexerscheinungen beim Kinde zutage. Ich erörtere das zunächst nur einleitungsweise, um das Thema anzuschlagen. So wirkt der ganze Leib des Kindes wie

Het kind is helemaal zintuig. Je kunt ook zeggen: wanneer we volwassen zijn hebben we smaak in onze mond, op ons verhemelte, op onze tong. Het kind echter ervaart de smaak veel verder naar binnen in zijn organisme, het smaakzintuig is zogezegd over een groot deel van zijn lichaam uitgebreid.
Zo ook de andere zintuigen. De lichtindrukken verbinden zich in het kind diep met het ademhalingsritme, ze duiken onder in de bloedsomloop. Wat de volwassene gelokaliseerd in het oog beleeft, beleeft het kind met zijn hele lichaam, en zonder dat daar gedachten tussen zitten komen de wilsimpulsen rechtstreeks als reflexbewegingen bij het kind tevoorschijn. Ik zeg dit nu bij wijze van inleiding, om het thema aan te snijden. Zo werkt het hele lichaam van het kind als 

Blz. 15   vertaling 29

ein Sinnesorgan reflexartig gegenüber dem, was in der Umgebung vorgeht.
Dadurch aber sind Geist, Seele, Leib im Kinde noch nicht geglie­dert, noch nicht differenziert, noch eine Einheit, ein Ineinanderweben. Das Geistige, das Seelische wirkt im Körper, indem es dessen Zirku­lations- und Nahrungsvorgänge unmittelbar beeinflußt. Oh, wie ist beim Kinde die Seele in ihrer Empfindung nahe dem ganzen Stoff­wechselsystem, wie wirken die zusammen! Erst später, beim Zahn­wechsel, sondert sich das Seelische von dem Stoffwechsel mehr ab. Jede seelische Erregung geht beim Kinde über in die Zirkulation, in die Atmung, in die Verdauung. Leib, Seele, Geist sind noch eine Ein­heit. Dadurch setzt sich aber auch jeder Reiz, der von der Umgebung ausgeübt wird, bis in das Leibliche des Kindes fort.

een zintuigorgaan reflexmatig ten opzichte van wat er in zijn omgeving gebeurt.
Daardoor echter zijn geest, ziel en lichaam in het kind nog niet geleed, nog niet gedifferentieerd, vormen nog een eenheid; ze werken nog door elkaar heen. Het geestelijke, het psychische werkt in het lichaam terwijl het de processen van bloedsomloop en voeding direct beïnvloedt. O, hoe staat bij het kind zijn ziel met zijn gewaarwordingen dichtbij het hele stofwisselingssysteem, hoe werken die samen! Pas later, met de tandenwisseling, komt de ziel losser van de stofwisseling. Iedere prikkeling in de ziel gaat bij het kind over op de bloedsomloop, op de ademhaling, op de stofwisseling. Lichaam, ziel en geest zijn nog een eenheid. Daarom zet zich iedere prikkel die uit de omgeving komt verder voort in het lichaam van het kind.
GA 308/1e vdr.

Voordracht 2, Stuttgart 9 augustus 1924

Blz. 23  vertaling  

Die erste Lebensepoche des Kindes schließt mit dem Zahnwechsel. Nun wird ja, das verkenne ich durchaus nicht, Rücksicht genommen in den Anschauungen, die heute üblich sind, auf die Verwandlung des kindlichen Körpers, der kindlichen Seele auch in diesem Lebensalter, aber nicht in so durchgreifender Weise, daß man dadurch hineinschauen würde in alles dasjenige, was mit dem Menschen in diesem zarten Alter vor sich geht und was durchaus erfaßt und ergriffen werden muß, wenn man den Menschen erziehen will. Das Hervorbrechen der Zähne, die nicht mehr die vererbten Zähne der ersten Jahre sind, ist ja nur das alleräußerste Symptom für eine gesamte Umwandlung der ganzen menschlichen Wesenheit. Vieles, vieles geht im Organismus, wenn auch nicht äußerlich so sichtbar, vor sich, was eben in diesem Hervorbrechen der zweiten Zähne nur seinen radikalsten Ausdruck findet.

De eerste levensfase van het kind eindigt met de tandenwisseling. Nu houden we, dat ontken ik beslist niet, bij de opvattingen die tegenwoordig gangbaar zijn, rekening met de verandering van het kinderlichaam en van de kinderziel ook op deze leeftijd; alleen niet zo diepgaand dat we daardoor inzicht zouden krijgen in wat er met de mens op deze gevoelige leeftijd gebeurt en wat beslist begrepen en aangegrepen moet worden, wil men tenminste de mens opvoeden. Het tevoorschijn komen van de tanden die niet meer de overgeërfde tanden zijn, is slechts het meest uiterlijke symptoom van een totale verandering van heel het mensenwezen. Veel, heel veel gebeurt er in het organisme – ook al is dat uiterlijk niet zo zichtbaar – wat in zijn meest extreme vorm tot uitdrukking komt in het tevoorschijn komen van het blijvend gebit.

Blz. 27   vertaling 46

Wenn der Mensch hereintritt in die physisch-sinnliche Welt, so wird ihm ja durch Eltern, Voreltern der physische Leib überantwortet. Darüber gibt es heute, wenn auch noch nicht vollständig – sie wer- den erst in sehr viel späterer Zeit vollendet werden -, doch schon in gewisser Beziehung überschaubare Naturerkenntnisse. Das ist für die Geisteswissenschaft ein Teil der menschlichen Wesenheit. Denn die andere menschliche Wesenheit, die sich vereinigt mit demjenigen, was von Vater und Mutter kommt, die steigt herab als geistig-seelisches Wesen aus der geistig-seelischen Welt. Sie hat zwischen dem früheren Erdenleben und dem gegenwärtigen eine längere Zeit zwischen dem Tod und einer neuen Geburt durchgemacht. Sie hat Erlebnisse gehabt im Geistigen in diesem Lebenslauf zwischen Tod und einer neuen Geburt, ebenso wie wir durch unsere Sinne, durch unseren Verstand, durch unsere Empfindungen, durch unseren Willen körperlich vermittelt zwischen Geburt und Tod unsere Erlebnisse auf Erden haben.

Wanneer de mens de fysiek-zintuiglijke wereld betreedt wordt hem door de ouders, de voorouders het fysieke lichaam geschonken. Daarover bestaan tegenwoordig, zij het nog niet compleet – dat worden ze pas in een veel verder liggende tijd -, toch in zeker opzicht inzichten in de natuur die te overzien zijn. Dat is voor de geesteswetenschap een deel van het mensenwezen. Want het andere menselijke wezen, dat zich met wat van vader en moeder komt verenigt, daalt af als geest-zielewezen uit de geest-zielewereld. Het heeft tussen het vorige en het huidige aardeleven een langere tijd tussen de dood en een nieuwe geboorte doorgemaakt. Dat deel heeft in de geestwereld in deze levensloop tussen dood en een nieuwe geboorte ervaringen opgedaan, net zoals wij tussen geboorte en dood lichamelijk onze ervaringen op aarde hebben door middel van onze zintuigen, door ons verstand, door onze gevoelens, door onze wil.

Diese Wesenheit mit den Erlebnissen, die geistig durchgemacht worden sind, die steigt herunter, verbindet sich zunächst in einer losen Weise mit dem Physischen des Menschen während der Embryonalzeit und ist im Grunde genommen noch in loser Weise, gewissermaßen äußerlich als Aura den Menschen umschwebend, in dem ersten kindlichen Zeitalter zwischen der Geburt und dem Zahnwechsel gegenwärtig. Und man darf sagen: Deshalb, weil dasjenige, was heruntersteigt aus der geistigen Welt als ein geistig-seelisches Wesen und ebenso real ist, als was wir mit Augen aus dem Mutterkörper hervorgehend schauen, weil das noch loser mit der physischen Körperlichkeit verbunden ist, als es später beim Menschen der Fall ist, deshalb lebt das Kind noch viel mehr als der spätere erwachsene Mensch außerhalb seines Leibes.

Dit wezen, met zijn ervaringen die in de geestelijke wereld zijn opgedaan, daalt af, verbindt zich allereerst losjes met het fysieke van de mens tijdens de embryonale toestand en is in wezen nog los, in zekere zin uiterlijk als aura om de mens zwevend aanwezig in de eerste periode van het kind tussen geboorte en tandenwisseling. En je mag zeggen: omdat wat uit de geestelijke wereld naar de aarde afdaalt als een geest-zielewezen is en net zo werkelijk als wat wij uit het moederlichaam voortkomend met onze ogen waarnemen, en omdat dit geest-zielewezen nog losser met de fysieke lichamelijkheid verbonden is dan later het geval is bij de mens, daarom leeft het kind nog veel meer dan de latere volwassen mens buiten zijn lichaam.

Blz. 28   vertaling 47

Das Kind ist im allerhöchsten Grade seinem ganzen Wesen nach in dieser ersten Zeit ein Sinneswesen. Es ist wie ein Sinnesorgan. Durch den ganzen Organismus rieselt dasjenige, was an Eindrücken aus der Umgebung kommt, klingt nach, tönt nach, weil das Kind noch nicht so innig wie später der Mensch mit seinem Körper verbunden ist, sondern in der Umgebung lebt mit dem loseren Geistigseelischen. Daher wird alles aufgenommen, was an Eindrücken aus dieser Umgebung kommt.
Wie verhält sich nun das, was der Mensch durch die reine Vererbung im Physischen durch Vater und Mutter erhält, zu seiner Gesamtwesenheit? Wenn man mit dem Blick, der da darstellen muß und nicht schlechthin in dem Sinne beweisen will, wie ich das eben charakterisiert habe, wenn man mit dem Blick, der das Geistige anschauen will, die Entwicklung des Menschen betrachtet, dann wird man finden, daß alles im Organismus ebenso auf Vererbungskräften beruht wie die ersten Zähne, die sogenannten Milchzähne.

Het kind is in de allerhoogste mate wat zijn hele wezen betreft in deze eerste tijd een zintuigwezen. Het is als het ware één zintuigorgaan. Wat aan indrukken uit de omgeving komt stroomt door zijn hele organisme heen, klinkt door, vibreert verder, want het kind is nog niet zo hecht met zijn lichaam verbonden als de mens later, maar in de omgeving het leeft met het lossere geest-zielewezen in zijn omgeving. Vandaar dat alles wordt opgenomen wat aan indrukken uit deze omgeving komt.
Hoe verhoudt zich nu wat de mens door de pure erfelijkheid in het fysieke door vader en moeder krijgt tot zijn totale wezen? Als je met de blik die het moet beschrijven en gewoonweg wil bewijzen in de zin zoals ik dit net heb gekarakteriseerd, als je met de blik die het geestelijke wil waarnemen naar de ontwikkeling van de mens kijkt, dan zul je vinden dat alles in het organisme net zo op erfelijkheidskrachten berust als de eerste tanden, het zogeheten melkgebit. 

Man schaue sich nur einmal an, aber mit wirklich exaktem Blick, wie anders sich die zweiten Zähne gestalten als die ersten, und wie es da, ich möchte sagen, mit Händen zu greifen ist, was eigentlich am Menschen geschieht von der Geburt bis zum Zahnwechsel. Der ganze Mensch ist nämlich von der Geburt bis zum Zahnwechsel, indem in seinem Physischen die Vererbungskräfte walten, wie eine Art Modell, an dem das Geistig-Seelische arbeitet nach den Eindrücken der Umgebung als rein nachahmendes Wesen. Und wenn man sich versetzt in das Gemüt des Kindes in bezug auf sein Verhältnis zur Umgebung, wie das Kind jede Regung des Seelischen auf sein Ganzes hin betrachtet, wie das Kind in jeder Handbewegung, in jeder Miene, in jeglichem Blick des Auges das dahinterstehende Geistige des Erwachsenen wittert und in sich fortrieseln läßt, wenn man das alles beobachtet, dann findet man eben, wie nach dem Modell, das durch die Vererbung dem Menschen übergeben wird, sich nun im Verlaufe der ersten sieben Lebensjahre ein anderes bildet. Wir bekommen wirklich als Menschen von der Erdenwelt durch die Vererbungskräfte ein Modell mit, nach welchem wir den zweiten Menschen, der eigentlich erst geboren wird mit dem Zahnwechsel,

Kijk maar eens, maar wel met een echt exacte blik, hoe anders het blijvende gebit gevormd wordt dan het melkgebit en hoe het daar, laat ik zeggen, met handen aan te raken is wat er eigenlijk bij de mens gebeurt van de geboorte tot de tandenwisseling. De hele mens is namelijk van de geboorte tot de tandenwisseling, wanneer in zijn fysieke lichaam de erfelijkheidskrachten actief zijn, als het ware een soort model waaraan het geest-zielewezen werkt naar de indrukken uit de omgeving als puur nabootsend wezen. En als je je in het gevoel verplaatst dat het kind heeft ten opzichte van zijn omgeving, hoe het kind iedere ziele-uiting op zijn totaliteit betrekt, hoe het kind in iedere handbeweging, in iedere gezichtsuitdrukking, in elke blik van de ogen het daarachter liggende geestelijke van de volwassene bespeurt en in zichzelf verder naar binnen laat stromen – als je dit alles bekijkt, dan vind je hoe zich volgens het model dat via de erfelijkheid aan de mens wordt doorgegeven, in de loop van de eerste zeven jaar iets anders vormt. We krijgen als mens van de aardewereld daadwerkelijk door de erfelijkheidskrachten een model mee waarnaar we de tweede mens vormen, die eigenlijk pas bij de tandenwisseling wordt geboren.

Blz. 29  vertaling 49

ausbilden. Geradeso wie das Zähnchen, das Milchzähnchen, das im Körper sitzt, herausgestoßen wird durch dasjenige, was an die Stelle sich setzen will, wie man sieht, wie da ein der Individualität des Menschen Angehöriges sich hervorschiebt und das Vererbte abstößt, so ist es mit dem ganzen menschlichen Organismus. Er war in den ersten sieben Lebensjahren das modellhafte Ergebnis der Erdenkräfte. Er wird abgestoßen, ebenso abgestoßen, wie wir die äusseren Ranken unseres Körpers abstoßen, die Fingernägel wegschneiden, die Haare schneiden und so weiter. So wie fortwährend das Äußere abgestoßen wird, wird der Mensch erneuert mit dem Zahnwechsel. Nur ist dieser zweite Mensch, der ganz den ersten ersetzt, den wir durch die physische Vererbung erhalten, nunmehr gebildet unter dem Einfluß derjenigen Kräfte, die sich der Mensch mitbringt aus seinem vorirdischen Leben. Und so kämpfen eigentlich in der Lebensepoche, die zwischen der Geburt und dem, Zahnwechsel liegt, die Vererbungskräfte, die der physischen Entwicklungsströmung der Menschheit angehören, mit den Kräften, die sich die Individualität eines jeden einzelnen Menschen herunterbringt aus dem vorirdischen Leben als die Ergebnisse seiner früheren individuellen Erdenleben.

Net zoals het tandje, het melktandje dat in het lichaam zit, eruit gestoten wordt door wat er op die plaats wil komen, zoals je ziet hoe er iets wat bij de individualiteit van de mens hoort naar voren wordt geduwd en het overgeërfde uitstoot, zo gaat het met het hele organisme van de mens. Dat was in de eerste zeven jaar het modelachtige resultaat van de aardekrachten. Het wordt afgestoten, net zo afgestoten als wij de verst naar buiten gelegen groeisels van ons lichaam afstoten, de vingernagels knippen, de haren knippen enzovoort. Net zoals het buitenste voortdurend wordt afgestoten, zo wordt de mens vernieuwd met de tandenwisseling. Alleen is deze tweede mens, die helemaal in de plaats komt van de eerste, die wij door de fysieke erfelijkheid hebben gekregen, veel meer gevormd onder invloed van de krachten die de mens meebrengt uit het vooraardse leven. En zo strijden eigenlijk in de leeftijdsfase die tussen de geboorte en de tandenwisseling ligt, de erfelijkheidskrachten die tot de fysieke ontwikkelingsstroom van de mensheid behoren, met de krachten die de individualiteit van ieder individueel mens naar beneden brengt uit het vooraardse leven als het resultaat van zijn individuele vorige aardelevens.

Nun handelt es sich darum, eine solche Tatsache nicht allein aufzufassen mit dem theoretischen Verstande, wie die meisten nach den heutigen Denkgewohnheiten das tun, sondern es handelt sich darum, eine solche Tatsache mit der ganzen inneren menschlichen Wesenheit auch zu erfassen, zu erfassen von Seite des Kindes, zu erfassen von Seite des Erziehenden aus. Wenn wir es von Seite des Kindes erfassen, was da vorliegt, dann finden wir, wie das Kind mit seinem innerlichen Seelenwesen, mit dem, was es sich heruntergebracht hat aus dem vorirdischen Leben, aus der geistig-seelischen Welt, ganz hingegeben ist an das Physische der Auswirkungen der anderen Menschen, die es umgeben. Und dieses Verhältnis ist, ins Naturhafte herunterversetzt, ins Äußere hineinversetzt, ein Verhältnis, das wir nicht anders bezeichnen können denn als ein religiöses. Wir müssen uns nur verständigen über die Art und Weise, wie solche Ausdrücke gemeint sind. Natürlich, wenn man heute von einem religiösen Verhältnisse spricht, so sieht man hin auf das bewußt entwickelte religiöse Empfinden des

Nu gaat het erom zo’n gegeven niet alleen met het theoretische verstand op te nemen, zoals de meeste mensen volgens de huidige denkgewoonten doen, maar het gaat erom zo n gegeven met heel je innerlijk menselijk wezen op te nemen, op te nemen van de kant van het kind, op te nemen van de kant van de opvoeder. Ais we dat van de kant van het kind doen, dan ontdekken we hoe het kind met zijn innerlijke zielewezen, met wat het uit het vooraardse leven, uit de wereld van geest en ziel heeft meegebracht, zich helemaal wil overgeven aan de fysieke invloed van de andere mensen die hem omringen. En deze verhouding is, in de natuurlijke wereld geplaatst, in de uiterlijke wereld geplaatst, een verhouding die wij niet anders kunnen aanduiden dan religieus. We moeten het alleen met elkaar eens worden over wat er met het hoe en waarom van zo’n uitdrukking wordt bedoeld. Natuurlijk, als men tegenwoordig van een religieuze verhouding spreekt, dan kijkt men naar de bewust ontwikkelde religieuze beleving van

Blz. 30  vertaling 50

Erwachsenen. Es ist das Wesentliche, daß das Geistig-Seelische des erwachsenen Menschen im religiösen Leben in dem Geistigen der Welt aufgeht, sich hingibt an dieses Geistige der Welt. Das religiöse Verhältnis ist ein Sichhingeben, ein gnadeerflehendes Sichhingeben an die Welt, aber es ist beim erwachsenen Menschen durchaus in ein Geistiges getaucht. Die Seele, der Geist sind hingegeben an die Umgebung. Daher scheint es, wie wenn man ein Ding in das Gegenteil verkehren würde, wenn man von der Art, wie der Körper des Kindes an die Umgebung hingegeben lebt, spricht als von einem religiösen Erleben.
Aber es ist ein naturhaft-religiöses Verhältnis. Das Kind ist hingegeben an die Umgebung, es lebt in der Außenwelt wie das Auge, das sich absondert von der übrigen Organisation und hingegeben ist an die Umgebung in Verehrung, in Gnadeerflehen; es ist ein religiöses Verhältnis ins Naturhafte herunterversetzt. Und wollen wir gewissermaßen ein sinnliches Bild desjenigen haben, was auf geistig-seelische Art im Erwachsenen vorgeht, wenn er religiös erlebt, dann brauchen wir nur den Leib des Kindes bis zum Zahnwechsel richtig ins Seelenauge zu fassen.
Das Kind lebt religiös, aber eben naturhaft religiös. Es ist nicht die Seele hingegeben, sondern die Zirkulation seines Blutes, sein Atmungsprozeß, die Art und Weise, wie es sich ernährt durch die aufgenommene Nahrung.

de volwassene. Het is wezenlijk dat het geest-zielewezen van de volwassen mens in het religieuze leven opgaat in wat in de wereld geestelijk is, zich aan deze geestelijke wereld overgeeft. De religieuze verbinding is een zich overgeven, een om-genade-vragend zich overgeven aan de wereld, maar het is bij de volwassen mens beslist in iets geestelijks ondergedompeld. Ziel en geest wijden zich aan de omgeving.
Daarom lijkt het erop alsof je van deze dingen het tegendeel beweert als je van de manier waarop het lichaam van het kind overgegeven is aan de omgeving, zegt dat het een religieus beleven is. Maar dat is een natuurlijk-religieuze verbinding. Het kind is overgegeven aan de omgeving, het leeft in de buitenwereld zoals het oog dat zich afzondert van de rest van het organisme en overgegeven is aan de omgeving in verering, in het bidden om genade; het is een religieuze verhouding naar het natuurlijke verplaatst. En willen we in zekere zin een zintuiglijk beeld hebben voor wat zich op het gebied van geest en ziel bij de volwassene afspeelt wanneer hij een religieuze ervaring heeft, dan hoeven we alleen maar het lichaam van het kind tot aan de tandenwisseling goed te bekijken. Het kind leeft religieus, maar religieus op een natuurlijke manier. Niet de ziel is overgegeven, maar de bloedcirculatie, de ademhaling, de wijze waarop het kind zich voedt door het tot zich genomen voedsel.

Alle diese Dinge sind hingegeben an die Umgebung. Die Blutzirkulation, die Atmungstätigkeit, die Ernährungstätigkeit beten an die Umgebung.
Natürlich klingt ein solcher Ausdruck paradox, aber in seiner Paradoxie stellt er gerade die Wahrheit dar. Wenn wir eben nicht mit dem theoretischen Verstande, sondern mit unserer ganzen Menschlichkeit ein solches erfassen, hinschauen auf den Kampf, den in dieser religiös naturhaften Grundstimmung das Kind vor uns entwickelt, den Kampf zwischen den Vererbungskräften und demjenigen, was für einen zweiten Menschen die individuellen Kräfte erbilden durch die Macht, die sie heruntergetragen hat aus dem vorirdischen Leben, dann verfällt man als der Erziehende auch in eine religiöse Stimmung. Aber ich möchte sagen: Während das Kind mit seinem physischen Körper in die religiöse Stimmung des Gläubigen verfällt, verfällt derjenige, der erziehen soll, indem er hinblickt auf dasjenige, was in so

Al deze dingen zijn overgegeven aan de omgeving. Bloedsomloop, ademhaling en voedselopname bidden tot de omgeving.
Natuurlijk klinkt dit paradoxaal, maar in de paradox vormt het juist de waarheid. Als we zoiets nu eens niet met het theoretische verstand, maar met heel ons mens-zijn pakken, als we kijken naar de strijd die het kind in deze natuurgrondstemming voor ons levert, de strijd tussen de erfelijkheidskrachten en wat voor zijn tweede mens de individuele krachten zijn door de macht die ze uit het voorgeboortelijke leven naar de aarde heeft gebracht, dan kom je als opvoeder ook in een religieuze stemming terecht. Maar dan wil ik zeggen: terwijl het kind met zijn fysieke lichaam in de religieuze stemming van het geloof komt, komt degene die opvoedt, als hij zijn blik richt op wat zich op zo’n 

Blz. 31  vertaling 51

wunderbarer Weise zwischen Geburt und Zahnwechsel sich abspielt, in die religiöse Gesinnung des Priesters. Und es wird der Erzieherdienst zu einem priesterlichen Dienst, wie zu einer Art von Kultus, der sich am Weihealtar des allgemeinen Menschenlebens nicht mit dem zum Tode zu führenden Opfer, sondern mit dem zum Leben zu erweckenden Opfer der Menschlichkeit selbst vollzieht. Denn dem irdischen Leben haben wir zu übergeben, was aus der göttlich-geistigen Welt uns zugekommen ist in dem Kinde, das sich durch seine Kräfte einen zweiten menschlichen Organismus bildet aus einer Wesenheit, die durch eine Gabe des göttlich-geistigen Lebens zu uns gekommen ist. Wenn wir diese Verhältnisse bedenken, dann erwacht in uns etwas wie das priesterliche Erziehergefühl. Und so lange dieses priesterliche Erziehergefühl für die ersten Lebensjahre nicht aufgenommen wird in alles dasjenige, was Erziehung heißt, so lange hat die Erziehung nicht ihre Lebensbedingungen gefunden.

wonderbaarlijke manier afspeelt tussen geboorte en tandenwisseling, in de religieuze gemoedsstemming van de priester. En de opvoedersdienst wordt tot een priesterlijke dienst, als het ware een soort cultische handeling die zich afspeelt rond het altaar van het algemene mensenleven, niet met het offer dat tot de dood leidt, maar met het tot leven wekkende offer van het menselijke. Want we moeten aan het aardse leven overdragen wat uit de goddelijk-geestelijke wereld tot ons is gekomen in het kind dat zich door zijn krachten een tweede menselijk organisme vormt uit een wezen dat door een gave van het goddelijk-geestelijke leven tot ons is gekomen. Wanneer we over deze toestand nadenken ontwaakt in ons zoiets als een priesterlijk opvoedersgevoel. En zolang dit priesterlijk opvoedersgevoel in de eerste levensjaren niet opgenomen is in alles wat opvoeding heet, zolang heeft de opvoeding niet haar levensvoorwaarden gevonden.

Blz. 32  vertaling 52

Es gibt wenig, was so wunderbar auf das menschliche Gemüt wirken kann> als wenn wir sehen, wie von Tag zu Tag, von Woche zu Woche, von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr in dem ersten kindlichen Lebensalter das innerliche Geistig-Seelische hervorbricht, wie aus den chaotischen Bewegungen der Gliedmaßen, aus dem am Äußeren hängenden Blick, aus dem Mienenspiel, von dem wir fühlen, es gehört eigentlich der Individualität des Kindes noch nicht ganz an, sich alles das herausentwickelt und an der Oberfläche der menschlichen Gestalt zur Ausprägung kommt, was aus dem Zentrum, aus dem Mittelpunkte des Menschen kommt, wo dasjenige in seiner Wirksamkeit sich entfaltet, was vom vorirdischen Leben als göttlich-geistige Wesenheit herabsteigt. Kann man das so auffassen, daß man verehrend, hingebungsvoll sich sagt: Da offenbart sich die Gottheit, die

Er is weinig wat zo wonderbaarlijk op het menselijke gemoed kan werken als wanneer we zien hoe van dag tot dag, van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar in de vroegste kindertijd het innerlijk geest-zielewezen tevoorschijn komt. En hoe uit de chaotische bewegingen van de ledematen, uit de aan het uiterlijke hechtende blik, uit de mimiek, waarvan we voelen dat die eigenlijk nog niet helemaal tot de individualiteit van het kind hoort, zich alles zichtbaar ontwikkelt, en aan de oppervlakte van de menselijke gestalte tot uitdrukking komt wat uit het centrum, uit het middelpunt van de mens komt, waar datgene zijn werkzaamheid ontplooit wat uit het voorgeboortelijke leven als goddelijk-geestelijk wezen afdaalt. Kun je dat zo opvatten dat je vererend, vol overgave zegt: hier openbaart zich de god

Blz. 32  vertaling  53

den Menschen geleitet hat bis zu seiner Geburt, weiter in der Ausprägung des menschlichen Organismus, da sehen wir die wirkende Gottheit, da empfinden wir, wie der Gott zu uns hereinschaut -, kann inan diesen Gottesdienst der Erziehung zu einer Angelegenheit seines Herzens machen, dann ist dies dasjenige, was aus unserer eigenen Lehrerindividualität heraus nicht in angelernter, sondern in innerlich hervorquellender, lebendiger Methodik alles Erziehen und Unterrichten leiten kann.
Diese Stimmung dem werdenden Menschen gegenüber, die brauchen wir als etwas, was zu aller erzieherischen Methodik dazugehört. Ohne diese Gemütsstimmung, ohne dieses – im Weltensinne sei es gesagt – Priesterliche im Erzieher läßt sich Erziehung überhaupt nicht durchführen. 

die de mens geleid heeft tot aan zijn geboorte, ook nog in het tot ontwikkeling komen van het menselijk organisme; daar zien we de werkzame godheid, daar ervaren we hoe de god in ons neerblikt -, kun je deze eredienst van de opvoeding tot een aangelegenheid van je hart maken, dan is dit iets wat alle opvoeding en onderwijs vanuit onze eigen lerarenindividualiteit kan begeleiden, niet op een aangeleerde manier, maar met een uit het innerlijk opwellende, levendige methodiek.
Deze stemming jegens de wordende mens, die hebben we nodig als iets wat bij alle opvoedkundige methodiek hoort. Zonder deze gevoelsstemming, zonder dit – in de zin van voor de wereld zeg ik dit – priesterlijke in de opvoeder laat opvoeding zich überhaupt niet realiseren. 

Blz. 34  vertaling 55

Daher handelt es sich darum, durchaus sich bewußt zu sein, wie alles, was als Regung in der Umgebung lebt, im Kinde fortvibriert. Man muß sich schon klar darüber sein, daß in dieser Beziehung tatsächlich Imponderabilien, wie ich gestern sagte, herrschen. Das Kind wittert aus demjenigen, was wir in seiner Umgebung tun, heraus, welche Gedanken einer Handbewegung, einer Gebärde zugrunde liegen. Es wittert sie heraus, nicht dadurch selbstverständlich, daß es die Gebärden deutet, sondern durch ein viel regsameres inneres Verbundensein des Kindes mit dem Erwachsenen, als

Daarom gaat het erom je er wel degelijk bewust van te zijn hoe alles wat aan beweging in de omgeving van het kind aanwezig is, in het kind verder vibreert. We moeten beseffen dat wat dit betreft daadwerkelijk de imponderabelen, zoals ik gisteren heb gezegd, heersen. Uit wat wij in de omgeving van het kind doen bespeurt het kind welke gedachten er ten grondslag liggen aan een bepaalde handbeweging, aan een bepaald gebaar. Het kind bespeurt dat, natuurlijk niet door die gebaren te duiden, maar door een veel levendiger innerlijk verbonden-zijn met de volwassene dan

Blz 35  vertaling 55/56

das später der Fall ist beim Erwachsenen gegenüber dem erwachsenen Menschen. Und so kommt es, daß wir uns nicht gestatten dürfen, in der Umgebung des Kindes anderes zu empfinden und zu denken als dasjenige, was in dem Kinde weitervibrieren kann. Im erzieherischen Verhalten gegenüber den ersten Jahren des Kindes muß durchaus der Grundsatz herrschen: Du mußt bis in deine Empfindung, Gefühl, Gedanke hinein in der Umgebung des Kindes so erleben, daß es in dem Kinde weitervibrieren kann. Und dann werden für das kindliche Alter der Psychologe, der Seelenbetrachter, der lebenserfahrene Mensch und der Arzt eine Einheit. Denn alles dasjenige, was auf das Kind einen Eindruck macht, so daß das Kind seelisch reagiert, setzt sich fort in seiner Blutzirkulation, in der Art und Weise wie es verdaut, bildet sich aus als Anlage desjenigen, was die Gesundheitsverfassung des späteren Lebens ist. Indem wir geistig-seelisch erziehen, rechnend auf die Nachahmefähigkeit des Kindes, erziehen wir zu gleicher Zeit körperlich-physisch. Denn das ist die wunderbare Metamorphose dessen, was an das Kind geistig und seelisch herantritt, um zur physischen Konstitution, zur organischen Verfassung, zur Gesundheits- oder Krankheitsanlage für das spätere Leben zu werden.

later het geval is bij de ene volwassenen tegenover de andere. En zo komt het dat wij ons niet mogen permitteren in de omgeving van het kind iets anders te voelen en te denken dan wat in het kind verder vibreren kan. In de pedagogische omgang in de eerste jaren van het kind moet absoluut het principe gelden: je moet tot in je gewaarwording, gevoel, gedachte in de omgeving van het kind zo leven dat het in het kind verder vibreren kan. En dan worden voor de kinderleeftijd de psycholoog, de zielekijker, de mens met levenservaring en de arts één eenheid. Want alles wat een indruk op het kind maakt zodat het kind psychisch reageert, zet zich voort in zijn bloedsomloop, in de manier waarop het zijn voedsel verteert; het ontwikkelt zich als de aanleg voor wat de gezondheidstoestand op latere leeftijd is. Als we vanuit geest en ziel opvoeden, rekenend op de nabootsingskracht van het kind, voeden we tegelijkertijd ook etherisch-fysiek op. Want het is de wonderbaarlijke metamorfose van wat vanuit geest en ziel op het kind toekomt dat het tot de fysieke constitutie wordt, dat het de organen vormt en tot aanleg voor gezondheid of ziekte in het latere leven wordt.

Blz. 36  vertaling 58

Das Kind ist zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife ein Artist, wenn eben auch in kindlicher Weise, wie es in der ersten Lebensepoche bis zum Zahnwechsel in naturhafter Weise ein Homo religiosus, ein religiöses Geschöpf ist.

Het kind is tussen de tandenwisseling en de puberteit een kunstenaar, ook al is dat op kinderlijke wijze, zoals het in de eerste levensfase tot aan de tandenwisseling een van nature homo religiosus, een religieus schepsel is.
GA 308/2e vdr.

Voordracht 3, Stuttgart 10 augustus 1924

Blz. 47   vertaling   74

Wenn wir das Kind in dem volksschulpflichtigen Alter hereinbekommen in die Schule, dann ist es für eine innere Schau im Grunde genommen eine andere Wesenheit, als es vorher bis zum Zahnwechselalter war. Schauen wir innerlich auf die Menschennatur hin, wie sie vor dem Zahnwechsel war. In den Zähnen kommt  etwas heraus, was sich bildet im ganzen menschlichen Organismus auf die Art, wie ich es gestern beschrieben habe. Es ist ein Schießen in die Form, die menschliche Seelenwesenheit arbeitet an dem zweiten Körperlichen des Menschen, wie der Bildhauer arbeitet an der Gestaltung des Stoffes. Es ist in der Tat ein innerlich unbewußtes plastisches Gestalten. Das kann man nicht auf eine andere Weise von außen beeinflussen als dadurch, daß man das Kind nachahmen läßt, was man selber tut. Was ich vormache, was als eine Bewegung mit meiner eigenen Hand da 

Wanneer we het kind op de leerplichtige leeftijd op school krijgen, dan is het voor een innerlijke blik eigenlijk een ander wezen dan voor de tandenwisseling. In de tanden komt iets naar buiten wat zich in het hele menselijke organisme vormt op een manier die ik gisteren beschreven heb. Het is een in de vorm schieten; de menselijke ziel werkt aan het tweede lichaam van de mens, zoals een beeldhouwer aan het vormgeven van de stof werkt. Het is inderdaad een innerlijk onbewust plastisch vormgeven. Van buitenaf kun je dat niet op een andere manier beïnvloeden dan door het kind te laten nabootsen wat je zelf doet. Wat ik voordoe, wat als een beweging van mijn eigen hand

Blz. 48   vertaling 74/75

wirkt und von dem Kinde angeschaut wird, das geht über in sein seelenbildendes Element, und meine Handbewegung wird der Anlaß zur unbewußten plastischen Tätigkeit, die in die Form schießt. Dieses In- die-Form-Schießen ist ganz und gar abhängig von dem Bewegungselemente im Kinde. Was das Kind vollbringt an Bewegungen, wie bei ihm diese Willensregungen übergehen aus dem Chaotischen, Unorientierten in innerlich geordnete, wie das Kind da nach außen plastizierend an sich arbeitet, so geht dieses Plastizieren in einem hohen Grade nach dem Innern vor sich. Wenn wir das Kind in die Volksschule hereinbekommen, so müssen wir uns darüber klar sein, daß mit seinem Fortschreiten in der physisch-seelisch-geistigen Entwicklung der Vorgang, der zuerst nur in den Bewegungen lebte, in eine ganz andere Region herübergeht. Das Kind ist bis zum Zahnwechsel in seiner Blutbildung abhängig von seiner Kopforganisation. Sehen Sie sich einen Menschen an während seiner Embryonalzeit, wie da die Kopfbildung überwiegt, wie sogar die andere organische Bildung von außen, von dem, was im mütterlichen Leibe vor sich geht, abhängig ist, wie alles dasjenige, was vom Kinde selbst ausgeht, von der kindlichen Kopfbildung ausgeht. Das bleibt, wenn auch abgeschwächt, noch vorhanden in der ersten Lebensepoche des Menschen bis zum Zahnwechsel hin.

werkt en door het kind wordt bekeken, dat gaat over op zijn zielevormend element, en mijn handbeweging wordt aanzet tot een onbewuste plastische activiteit, die in de vorm schiet. Dit in-de-vorm-schieten is volledig afhankelijk van het bewegingselement in het kind. Wat het kind aan bewegingen maakt, hoe bij hem deze wilsuitingen uit het chaotische, het ongerichte overgaan in bewegingen die innerlijk geordend zijn, hoe het kind naar buiten toe boetserend aan zichzelf werkt, zo werkt dit boetseren ook in hoge mate innerlijk.
Wanneer het kind op de basisschool komt, moeten we goed weten dat met zijn verdere ontwikkeling naar lichaam, ziel en geest het proces dat in eerste instantie alleen maar in de bewegingen leefde, een ander gebied binnentreedt. Het kind is tot aan de tandenwisseling in de vorming van het bloed afhankelijk van de organisatie van zijn hoofd. Kijkt u eens naar een mens tijdens zijn embryonale ontwikkeling hoe daar de ontwikkeling van het hoofd de boventoon voert, hoe zelfs de vorming van andere organen afhankelijk is van buiten, van wat in de moederschoot gebeurt; hoe alles wat van het kind zelf uitgaat, uitgaat van zijn hoofdontwikkeling.
Dat blijft, zij het afgezwakt, nog in de eerste levensfase van de mens aanwezig tot aan de tandenwisseling.

Da ist in alledem, was im menschlichen Organismus vorgeht, im wesentlichen die Kopfbildung beteiligt. Da wirken Kräfte, die von der Kopfbildung, vom Nerven-Sinnes-System ausgehen, hinein in das motorische System, in das plastische Gestalten. Wenn das Kind den Zahnwechsel durchgemacht hat, dann zieht sich die Kopfbildung zurück. Dasjenige, was in den Gliedmaßen wirkt, das ist nun weniger von der Kopfbildung abhängig; das ist mehr abhängig von dem, was durch die äußerlich aufgenommenen Nahrungsmittelnamentlich an Stoffen und Kräften in den menschlichen Organismus übergeht. Beachten Sie das nur ganz genau! Nehmen wir an, wir essen als Kind in dem Lebensalter vor dem Zahnwechsel irgend etwas, wir essen Kohl zum Beispiel. Essen kann man ihn ja, wenn man ihn nur nicht redet. Der Kohl hat in sich dadurch, daß er Kohl ist, gewisse Kräfte. Diese Kräfte, die der Kohl in sich hat, die eine große Rolle spielen in der Art und Weise, wie der Kohl da auf den Feldern als Pflanze wächst,

Dan is bij alles wat in het menselijk organisme gebeurt, in wezen de ontwikkeling vanuit het hoofd betrokken. Daar zijn krachten actief die van de ontwikkeling vanuit het hoofd, vanuit het zenuw-zintuigsysteem uitgaan naar het motorische systeem, naar het plastisch vormgeven. Wanneer het kind de tandenwisseling achter de rug heeft, trekt zich de hoofdontwikkeling terug. Wat in de ledematen werkzaam is, is nu minder afhankelijk van de hoofdontwikkeling; dat is meer afhankelijk van wat door de van buiten opgenomen voedingsmiddelen aan stoffen en krachten in het menselijk organisme overgaat.
Kijkt u daar heel precies naar! Laten we eens aannemen dat we als kind in deze leeftijdsfase vóór de tandenwisseling iets eten – we eten bijvoorbeeld kool. [Hier maakt Steiner een woordgrapje: Kohl=kool, betekent in het Duits ook: onzin] Eten kun je die wel, als je het maar niet praat. Kool bevat bepaalde koolkrachten. Deze krachten die in de kool zitten, spelen een belangrijke rol bij de wijze waarop kool op de akkers als plant groeit;

werden bei dem Kinde möglichst bald aus dem Kohl herausgetrieben, und dieVerarbeitung des Kohls wird unternommen von denjenigen Kräften, die von dem ]Kopfe des Kindes ausstrahlen. Gleich versenkt sich in die Kohlkräfte dasjenige hinein, was von der Kopfbildung des Kindes selber ausstrahlt. Geht das Kind durch den Zahnwechsel durch, dann behält, weil die menschliche Natur sich mehr verinnerlicht,der Kohl viel länger bei seinem Wege durch den menschlichen Organismus seine eigenen Kräfte, und er wird nicht etwa schon im Verdauungssystem umgewandelt, sondern erst beim Übergang von dem Verdauungssystem in das Blutzirkulationssystem. Er wird später umgewandelt. Dadurch wird ein ganz anderes inneres Leben im Organismus hervorgerufen. Während in den ersten Jahren bis zum Zahnwechsel alles eigentlich abhängt von der Kopfbildung und ihren Kräften, wird für das zweite Lebensalter, für das Lebensalter vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, besonders wichtig, wie der Atmungsprozeß mit seinem Rhythmus entgegenkommt der Blutzirkulation, und besonders wichtig wird diese Umwandlung der Kräfte, die da stattfindet an der Grenze zwischen dem Atmungsprozeß und dem Blutzirkulationssystem.

die worden bij het kind zo spoedig mogelijk uitgedreven, en het verteren van de kool wordt geregeld door de krachten die van het hoofd van het kind uitstralen. Wat van de hoofdontwikkeling van het kind zelf uitstraalt daalt meteen af naar de krachten die zich in de kool bevinden. Tijdens de tandenwisseling, dan behoudt de kool, omdat de menselijke natuur zich meer verinnerlijkt, tijdens zijn weg door het menselijk organisme veel langer zijn eigen krachten, en wordt niet al in het spijsverteringssysteem omgevormd, maar pas bij de overgang van het spijsverteringssysteem naar het bloed-circulatiesysteem. Hij wordt later omgevormd. Daardoor ontstaat er in het organisme een heel ander innerlijk leven. Terwijl in de eerste jaren tot de tandenwisseling alles eigenlijk afhankelijk is van de hoofdontwikkeling en zijn krachten, wordt voor de tweede levensfase, voor de fase van de tandenwisseling tot aan de puberteit bijzonder belangrijk hoe het ademhalingsproces met zijn ritme de bloedsomloop ontmoet; en bijzonder belangrijk wordt de omzetting van krachten die plaatsvindt op de grens tussen het ademhalingsproces en de bloedsomloop. 
GA 308/vdr. 3

Voordracht 5, Stuttgart 11 april 1924

Blz. 75  vertaling 114

Versetzen wir uns einmal in den Geist eines solchen Lesens im Menschen. Haben wir doch gesehen, wie das Kind in naturhafter Art wie religiös hingegeben ist an seine unmittelbare menschliche Umgebung, wie es ein nachahmendes Wesen ist, wie es in sich wahrnehmend willensgemäß ausbildet, was es unbewußt und unterbewußt aus der 308/76 Umgebung erlebt. Nicht dem Inhalte nach, denn die Seele ist nach außen naturhaft erst sich offenbarender Geist, wohl aber der ganzen Konfiguration nach liegt religiöser Charakter, ich möchte sagen, in der Körperlichkeit des Kindes von dem Augenblicke an, da es in die Welt eintritt, bis zum Zahnwechsel. Und da der Mensch nicht ohne Vorbedingungen in die Welt hereintritt, da er nicht bloß kommt mit den physischen Vererbungskräften der Abstammungslinie, sondern mit den Kräften, die er sich aus vorigen Erdenleben mitbringt, so kann diese Hingabe zunächst sein an das Schöne und Häßliche, Gute und Böse, Weise und Törichte, Geschickte und Ungeschickte. Da haben wir die Aufgabe, so zu wirken in der Umgebung des Kindes, daß bis in die Gedanken und Empfindungen hinein das Kind ein nachahmendes Wesen des Guten, des Wahren, des Schönen, des Weisen werden möge.

Laten we ons eens die sfeer voorstellen van dat lezen in de mens. We hebben toch gezien hoe het kind op een natuurlijke manier religieus overgegeven is aan zijn directe menselijke omgeving; hoe het een nabootsend wezen is, hoe het al waarnemend zichzelf wilsmatig ontwikkelt wat het onbewust en onderbewust aan de omgeving beleeft. Niet wat de inhoud betreft – want de ziel is naar buiten toe van nature eerst zich openbarende geest -, maar wel wat de hele configuratie betreft zit er religieus karakter, laat ik zeggen, in de lichamelijkheid van het kind vanaf het ogenblik dat het op aarde komt tot aan de tandenwisseling. En omdat de mens niet zonder voorwaarden vooraf op aarde komt, omdat hij niet zomaar met de fysieke erfelijkheidskrachten uit de afstammingslijn komt, maar met de krachten die hij uit vorige incarnaties meebrengt, kan deze overgave allereerst betreffen: het mooie en lelijke, het goede en het kwade, het wijze en het onverstandige, het bekwame en het onbekwame. Dan hebben wij de opgave in de omgeving van het kind zodanig actief te zijn dat het kind tot in zijn gedachten en gevoelens een nabootsend wezen van het goede, het ware, het mooie, het wijze kan worden.
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Over de werking van de omgeving op een kind: zie het ‘hersenvoorbeeld‘ in dit artikel.

Over de werking van tv op kleine kinderenopvoedingsvragen onder nr. 19  m.n. [19-10]

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2203

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-1/18)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Hier worden zijn uitspraken daarover uit andere voordrachten weergegeven.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar 

in de voordrachtenreeks:

Gegenwärtiges Geistesleben und Erziehung

GA 307                                    Vertaald

Opvoeding en moderne cultuur

Inhoudsopgave:
(Zoek je met een trefwoord in het zoekbalkje dat via ctrl + f verschijnt, dan zie je in het artikel het trefwoord gekleurd)

Voordracht 3, Ilkley 7 augustus 1923

Blz. 48  vert. 61

Das griechische Kind wurde bis zu seinem siebenten Lebensjahre im Hause aufgezogen. Die öffentliche Erziehung kümmerte sich erst vom siebenten Lebensjahre ab um das Kind. Im Hause wurde das Kind aufgezogen, in dem ja auch die Frauen lebten, zurückgezogen von dem allgemeinen sozialen Treiben der Männer. Damit aber ist von vornherein eine Erziehungswahrheit bekräftigt, ohne deren Erkenntnis man überhaupt nicht erziehen und unterrichten kann: daß eben das siebente Lebensjahr als ein besonders wichtiger Einschnitt in dem kindlichen Alter betrachtet wird.

Het Griekse kind werd tot zijn zevende levensjaar thuis opgevoed. De openbare opvoeding bekommerde zich pas vanaf het zevende levensjaar om het kind. Thuis werd het kind opgevoed, waar ook de vrouwen leefden, nietwaar, in afzondering van de algemene sociale bedrijvigheid van de mannen. Maar daarmee heeft van begin af aan een opvoedingswaarheid gegolden zonder kennis waarvan we überhaupt niet opvoeden en onderwijzen kunnen: dat juist het zevende levensjaar als een bijzonder belangrijke cesuur in de kinderleeftijd wordt beschouwd.

Blz. 48  vert. 63

Bis zu diesem siebenten Lebensjahre wächst und gedeiht der Mensch,man möchte sagen, naturhaft. In seiner ganzen Organisation sind noch nicht voneinander getrennt die natürlichen Wachstumskräfte, das seelische Wesen und das geistige Gebiet. Alles ist bis zum siebenten Jahre eine Einheit. Indem der Mensch seine organischen Gefäße, sein Nervensystem, seine Blutzirkulation ausbildet, bedeutet diese Ausbildung der Gefäße, diese Ausbildung des Nervensystems, der Blutzirkulation zugleich seine seelische und geistige Entwicklung. Weil alles in diesem Lebensabschnitt noch beisammen ist, ist der Mensch gewissermaßen mit jener starken inneren Stoßkraft versehen, welche die zweiten Zähne hervorbringt. Dann wird diese Stoßkraft schwächer. Sie bleibt etwas zurück. Sie wirkt nicht mehr so stark aus dem Inneren des Organismus heraus. Warum? Nehmen wir einmal an, wir bekämen alle sieben Jahre Zähne. Ich will die Sache von der Gegenseite aus beleuchten, damit sie uns klar vor der Seele stehen kann. Nehmen wir an, wir würden dieselben organischen Kräfte, die wir bis zum siebenten Lebensjahre haben, jene Einheit von Leib, Seele und Geist durch das ganze Lebensalter hindurch haben, dann würden wir ungefähr alle sieben Jahre neue Zähne bekommen; die alten würden ausfallen, wir würden neue Zähne bekommen, aber wir würden auch unser ganzes Leben hindurch solche Kinder bleiben, wie wir sind

Tot aan dit zevende levensjaar groeit en gedijt de mens, je zou willen zeggen, volgens de natuur. In zijn hele organisatie zijn de natuurlijke groeikrachten, het zielenwezen en het geestelijke gebied nog niet van elkaar gescheiden. Alles is tot aan het zevende jaar een eenheid. Omdat de mens zijn organische vaten, zijn zenuwstelsel, zijn bloedsomloop ontwikkelt, betekent deze ontwikkeling van de vaten, deze ontwikkeling van het zenuwstelsel, van de bloedcirculatie tegelijkertijd zijn zielsmatige en geestelijke ontwikkeling. Omdat alles in deze levensfase nog bijeen is, is de mens in zekere zin voorzien van die sterke innerlijke stootkracht die het tweede gebit te voorschijn brengt. Daarna wordt deze stootkracht zwakker. Ze blijft enigszins achter. Ze werkt niet meer zo sterk vanuit het innerlijk van het organisme naar buiten. Waarom?
Laten we eens aannemen dat we elke zeven jaar tanden zouden krijgen. Ik wil de zaak vanuit het tegenovergestelde belichten opdat ze ons helder voor de geest kan staan. Laten we aannemen dat we dezelfde organische krachten die we tot aan het zevende levensjaar hebben, die eenheid van lichaam, ziel en geest, ons hele leven lang zouden hebben, dan zouden we ongeveer elke zeven jaar nieuwe tanden krijgen. De oude zouden uitvallen, we zouden nieuwe tanden krijgen, maar we zouden ook ons hele leven lang net zulke kinderen blijven als we tot het zevende levensjaar zijn. We zouden niet een van het natuurlijke leven afgezonderd ziele- en geestesleven ontwikkelen. Dat de fysieke stootkracht geringer wordt in het zevende jaar, dat het lichaam in zekere zin niet meer zo sterk aandrijft, niet meer zo hard werkt dat het

Blz. 49 vert. 64

bis zum siebenten Lebensjahre.Wir würden nicht ein von dem natürlichen Leben abgesondertes Seelen- und Geistesleben entwickeln. Daß die physische Stoßkraft geringer wird im siebenten Jahre, daß der Körper gewissermaßen nicht mehr so stark treibt, wuchtet, daß er feinere, schwächere Kräfte aus sich hervortreibt, das macht, daß die feinere Kraft des Seelenlebens sich nun entwickeln kann. Man möchte sagen: Der Körper wird schwächer, die Seele wird stärker.
So daß im Laufe der drei ersten Lebensabschnitte, bis zum siebenten Jahre der Mensch vorzugsweise ein körperlich-geistig-seelisches Wesen ist; vom siebenten bis zum vierzehnten Jahre ein körperlich-seelisches, und abgesondert davon ein seelisch-geistiges Wesen, und von der Geschlechtsreife an ein Wesen in drei Teilen, ein physisches Wesen, ein seelisches Wesen, ein geistiges Wesen ist.
Das ist eine Wahrheit, die ganz tief hineinschauen läßt in die ganze menschliche Entwickelung. Ohne daß man diese Wahrheit würdigt, sollte man überhaupt nicht herangehen an die Kindererziehung. Denn ohne daß man von allen Konsequenzen dieser Wahrheit durchdrungen ist, muß eigentlich mehr oder weniger jede Kindererziehung dilettantisch werden.

het zevende levensjaar zijn. We zouden niet een van het natuurlijke leven afgezonderd ziele- en geestesleven ontwikkelen. Dat de fysieke stootkracht geringer wordt in het zevende jaar, dat het lichaam in zekere zin niet meer zo sterk aandrijft, niet meer zo hard werkt dat het fijnere, dat het zwakkere krachten uit zich te voorschijn haalt, dat maakt dat de fijnere kracht van het zielenleven zich nu kan ontwikkelen. Je zou kunnen zeggen: het lichaam wordt zwakker, de ziel wordt sterker.
In de loop van de drie eerste levensfasen is de mens dus tot aan zijn zevende jaar vooral een lichamelijk-geestelijk-zielenwezen; van zijn zevende tot veertiende jaar een lichamelijk-zielsmatig en daarvan afgezonderd een zielsmatig-geestelijk wezen, en vanaf de geslachtsrijpheid is hij een wezen in drie delen, een fysiek wezen, een zielenwezen en een geestelijk wezen.’
Dat is een waarheid die heel diep binnen laat kijken in de gehele menselijke ontwikkeling. Zonder deze waarheid te appreciëren zou je überhaupt niet aan het opvoeden van kinderen moeten beginnen. Want als je niet van alle consequenties van deze waarheid doordrongen bent, moet elke opvoeding van kinderen eigenlijk min of meer dilettantisch worden.

Blz. 50  vert 64

Und was sah der Grieche in dem kleinen Kinde von der Geburt bis zum Zahnwechsel? Er sah in ihm ein Wesen, das heruntergeschickt worden ist aus spirituellen Höhen auf die Erde. Er sah in dem Menschen ein Wesen, das ein Leben gehabt hat vor dem irdischen Leben in einer geistigen Welt. Und indem er das Kind ansah, suchte er in dem Körper zu erkennen, ob dieser Körper in einer richtigen Weise das göttliche Leben des vorirdischen Daseins zum Ausdruck bringt.
Es war dem Griechen wichtig, in dem Kinde bis zum siebenten Lebensjahr anzuerkennen: da umschließt ein physischer Körper ein heruntergestiegenes spirituelles Wesen. Es gab eine furchtbar barbarische Sitte in Griechenland in gewissen Gegenden: diejenigen Kinder, von denen man instinktiv glaubte, daß sie nur Hüllen seien, daß sie nicht eine richtige spirituelle Wesenheit in ihrem Physischen zum Ausdruck bringen, sogar auszusetzen und dadurch zu töten. Aber das hängt zusammen mit einem starren Hinschauen auf den Gedanken: Dieses physische Menschenwesen ist in seinen ersten sieben Lebensjahren eine Umhüllung eines göttlich-geistigen Wesens.

En wat zag de Griek in het kleine kind van de geboorte tot de tandenwisseling? Hij zag in hem een wezen dat uit spirituele hoogten naar beneden op aarde was gestuurd. Hij zag in de mens een wezen dat een leven had vóór het aardse leven, in een geestelijke wereld. En wanneer hij naar het kind keek probeerde hij in het lichaam te zien of dat lichaam op een juiste manier het goddelijke leven van het vooraardse bestaan tot uitdrukking brengt.
Het was voor de Griek belangrijk om in het kind tot aan het zevende levensjaar te erkennen: daar omsluit een fysiek lichaam een afgedaald spiritueel wezen. Er bestond een vreselijk barbaarse gewoonte in bepaalde gebieden van Griekenland: die kinderen waarvan men instinctief geloofde dat ze alleen maar omhulsels waren, dat ze niet een werkelijk spiritueel wezen in hun fysiek tot uitdrukking brachten, werden zelfs buiten de deur gezet en daardoor gedood. Maar dat hangt samen met een star de-blik-gevestigd-houden op de gedachte: dit fysieke mensenwezen is in zijn eerste zeven levensjaren een omhulling van een goddelijk-geestelijk wezen.
GA 307/vdr. 3
Vertaald

Voordracht 4, Ilkley 8 augustus 1923

Blz. 73  vert. blz. 92/93

Und wie lernt das Kind denken? Das Kind lernt denken, indem es ganz und gar als ein nachahmendes Wesen an die Umgebung hingewiesen ist. Es ahmt nach bis ins Innerste hinein dasjenige, was in seiner Umgebung vor sich geht und in seiner Umgebung sich unter dem Impulse von Gedanken abspielt. Aber in demselben Maße, in dem da in dem Kinde aufsprießt das Denken, in demselben Maße schießen die Zähne hervor. In diesen Zähnen liegt eben die Kraft, die seelisch als Denken erscheint.

En hoe leert het kind denken? Het kind leert denken doordat het geheel en al als een nabootsend wezen op de omgeving aangewezen is. Het bootst na tot in zijn innerlijkste wezen datgene wat in zijn omgeving gebeurt en in zijn omgeving zich onder gedachteimpulsen afspeelt. Maar in dezelfde mate waarin daar in het kind het denken opkomt, schieten de tanden te voorschijn. In deze tanden zit juist de kracht die zielsmatig als denken verschijnt.
GA 307/vdr. 4
Vertaald

Voordracht 5 Ilkley, 9 augustus 1921

Blz. 86  vert. 110

Dieses Strömen der Kräfte seines Wachstums vom Kopfe nach unten, das ist beim ganz kleinen Kinde bis zum siebenten Lebensjahre sogar am allerstärksten. Da geht von der Kopforganisation die ganze menschliche Körperorganisation aus. Der Kopf tut bis zum siebenten Jahre alles; erst wenn sich das Denken mit dem Zahnwechsel emanzipiert, löst sich der Kopf auch los von dieser starken Kraft, die von oben nach unten wirkt.

Dit stromen van zijn groeikrachten van het hoofd naar beneden, dat is bij het heel kleine kind tot aan het zevende levensjaar zelfs op zijn sterkst. Daar gaat van de hoofdorganisatie de hele menselijke lichaamsorganisatie uit. Het hoofd doet tot aan het zevende jaar alles: pas als zich het denken met de tandwisseling emancipeert, maakt het hoofd zich ook los van deze sterke kracht, die van boven naar beneden werkt.

Blz. 89  vert. 113

Wir müssen vom Geist ausgehen. Deshalb müssen wir verstehen, wie der Wille des Menschen durch die geschilderten inneren Vorgänge mit dem einundzwanzigsten Jahre in den Bewegungsorganen so emanzipiert wird, wie das Gefühl mit dem vierzehnten Jahre, das Denken mit dem siebenten Jahre in der menschlichen Organisation emanzipiert wird.

Wij moeten van de geest uitgaan. Daarom moeten we begrijpen hoe de wil van de mens door de beschreven innerlijke processen op het eenentwintigste jaar in de bewegingsorganen zo wordt geëmancipeerd als het gevoel op het veertiende jaar, het denken op het zevende jaar in de menselijke organisatie wordt geëmancipeerd.
GA 307/vdr. 5
Vertaald

Voordracht 6, Ilkley 10 augustus 1923

Blz. 104  vert. 135

Ein deutscher Schriftsteller, Jean Paul, Friedrich Richter, hat ein wunderbares Wort gesprochen, indem er sagte: In den ersten drei Lebensjahren lernt der Mensch für das Leben viel mehr als in allen – damals gab es nur drei -, als in allen drei akademischen Jahren.
In der Tat, vor allen Dingen die drei ersten Lebensjahre, dann aber auch die Lebensjahre bis zum siebenten hin, sind für die Gesamtentwicklung des Menschen die allerwichtigsten, denn da ist das Kind als Mensch etwas ganz anderes als später. Das Kind ist in den ersten Jahren eigentlich ganz Sinnesorgan. Nur stellt man sich den Umfang dieser Idee: das Kind ist in den ersten Jahren ganz Sinnesorgan – gewöhnlich gar nicht intensiv genug vor. Man muß schon zu recht drastischen Aussagen gehen, wenn man diese ganze Wahrheit eigentlich enthüllen will.

Een Duitse schrijver, Jean Paul’, Friedrich Richter, heeft prachtige woorden gesproken toen hij zei: ‘In de eerste drie levensjaren leert de mens voor het leven veel meer dan in alle,’ – destijds waren het er maar drie – ‘dan in alle drie academische jaren.’
Inderdaad vooral de drie eerste levensjaren, maar daarna ook de levensjaren tot aan het zevende, zijn voor de totale ontwikkeling van de mens de allerbelangrijkste, want dan is het kind als mens iets heel anders dan later. Het kind is in de eerste jaren eigenlijk helemaal zintuigorgaan. Alleen stelt men zich de omvang van dit idee: het kind is in de eerste jaren helemaal zintuigorgaan -, gewoon helemaal niet intensief genoeg voor. Je moet al naar heel drastische uitspraken gaan als je deze gehele waarheid eigenlijk wilt onthullen.

Im späteren Leben hat der Mensch einen Geschmack von den aufgenommenen Speisen im Munde, im Gaumen, auf der Zunge. Der Geschmack ist sozusagen im Kopfe lokalisiert. Beim Kinde, insbesondere in den ersten Lebensjahren, ist das nicht der Fall, sondern der Geschmack wirkt durch den ganzen Organismus hindurch. Das Kind schmeckt bis in seine Gliedmaßen hinein die Muttermilch und die erste Nahrung. Was im späteren Lebensalter auf der Zunge vor sich geht, das geht bei dem Kinde im ganzen Organismus vor sich. Das Kind lebt sozusagen, indem es alles, was es aufnimmt, schmeckt. In dieser Beziehung lebt da etwas stark Animalisches. Aber wir dürfen niemals das Animalische, das in dem Kinde ist, vorstellen gleich dem Animalschen, 307/105 das in dem Tiere ist. Es ist immer das Animalische bei dem Kinde sozusagen auf ein höheres Niveau heraufgehoben. Der Mensch ist nie Tier, niemals, auch nicht als Embryo, da am allerwenigsten. Aber man kann sozusagen die Ideen deutlich machen, wenn man sie so gestaltet, sie mit etwas vergleicht.

In het latere leven heeft de mens een smaak van de opgenomen gerechten in de mond, in het gehemelte, op de tong. De smaak is om zo te zeggen in het hoofd gelokaliseerd. Bij het kind, in het bijzonder in de eerste levensjaren, is dat niet het geval, maar de smaak werkt dan door het hele organisme heen. Het kind proeft tot in zijn ledematen de moedermelk en het eerste voedsel. Wat er op latere leeftijd op de tong gebeurt, dat gebeurt bij het kind door het hele organisme heen. Het kind leeft zogezegd door alles wat het tot zich neemt te proeven. In dit opzicht leeft daar iets zeer animaals. Maar we mogen nooit het animale dat in het kind zit, voorstellen alsof dat het animale is dat in het dier zit. Het dierlijke bij het kind is steeds om zo te zeggen op een hoger niveau getild. De mens is nooit dier, nooit, ook niet als embryo, daar nog het allerminst. Maar je kunt zogezegd de ideeën duidelijk maken als je ze zo vorm geeft, ze met iets vergelijkt.

Blz. 105  vert. 135/136

Wer jemals mit einem wirklichen Blick für die Naturvorgänge eine Herde gesehen hat, die eben auf einer Wiese, auf dem Felde ihre Nahrung abgegrast hat und dann daliegt, sagen wir eine Herde von Kühen im Grase, jede einzelne Kuh hingegeben in einer wunderbaren Weise der ganzen Welt, das Verdauungsgeschäft besorgend, der bekommt einen Eindruck von dem, was da eigentlich in dem Tiere vor sich geht. Eine ganze Welt, ein ganzer Extrakt des kosmischen Geschehens geht da in dem Tier vor sich, und das Tier erlebt, während es verdaut, die wunderbarsten Visionen. Das Verdauungsgeschäft ist das allerwichtigste Erkenntnisgeschäft beim Tiere. Und während das Tier verdaut, ist es in einer träumerisch-imaginativen Art an die ganze Welt hingegeben.

Wie ooit met een echte blik op de natuurprocessen een kudde gezien heeft die pas op een wei, op het veld haar voedsel heeft afgegraasd en vervolgens is gaan liggen, laten we zeggen een kudde koeien in het gras, met elke afzonderlijke koe overgegeven op wonderbaarlijke wijze aan de hele wereld, de spijsverteringstaak uitvoerend, die krijgt een indruk van wat daar eigenlijk in het dier plaatsvindt. Een hele wereld, een heel extract van het kosmische gebeuren vindt daar in het dier plaats, en het dier beleeft, terwijl het verteert, de wonderbaarlijkste visioenen. De spijsverteringstaak is de allerbelangrijkste kennistaak bij het dier. En terwijl het dier verteert, is het op een dromerig-imaginatieve wijze aan de hele wereld overgegeven.

Blz. 105/106  vert. 135/136

Das sieht übertrieben aus, allein das Merkwürdige dabei ist, daß es gar nicht übertrieben ist, daß es durchaus der Wahrheit entspricht. Und wenn wir das um eine Stufe heraufheben, dann bekommen wir das Erlebnis des Kindes bei seinen physischen Funktionen. Alle physischen Funktionen begleitet der Geschmack. Ebenso wie der Geschmack alle physischen Funktionen begleitet, so ist etwas, was sonst nur in Auge und Ohr lokalisiert ist, in dem ganzen Organismus des Kindes. Stellen Sie sich das Wunderbare eines Auges vor, wie das Auge das Farbige geformt von außen aufnimmt, innerlich ein Bild macht, wodurch wir sehen. Das ist lokalisiert, das ist abgesondert von unserem Gesamterleben. Und wir ergreifen dann dasjenige, was das Auge in wunderbarer Weise formt, mit dem Verstande, in einem Schattenbilde des Verstandes, das davon gemacht wird.

Dat lijkt overdreven, alleen het merkwaardige daarbij is dat het helemaal niet overdreven is, dat het volledig met de waarheid overeenstemt. En als we dat één niveau hoger brengen, dan krijgen we de beleving van het kind bij zijn fysieke functies. Alle fysieke functies worden door de smaak begeleid. Net zoals de smaak alle fysieke functies begeleidt, zo is iets wat anders alleen in oog en oor is gelokaliseerd, in het hele organisme van het kind.
Stelt u zich eens het wonderbaarlijke van een oog voor, hoe het oog de kleuren gevormd van buiten opneemt, innerlijk een beeld vormt, waardoor we zien. Dat is gelokaliseerd, dat is afgezonderd van ons totale beleven. En we pakken vervolgens wat het oog op wonderbaarlijke wijze vormt, met het verstand, in een schaduwbeeld van het verstand, dat daarvan gemaakt wordt.

Ebenso wunderbar sind die Vorgänge, die im Ohre lokalisiert sind beim erwachsenen Menschen. Aber das, was beim erwachsenen Menschen in den Sinnen lokalisiert ist, ist ausgebreitet über den ganzen Organismus beim Kinde. Daher gibt es beim Kinde keine Trennung zwischen Geist, Seele, Körper, sondern alles dasjenige, was von außen  wirkt, wird innerlich nachgebildet. Das Kind bildet nachahmend die ganze Umgebung nach. Hier handelt es sich darum, daß wir in richtiger Weise hinschauen darauf, wie das Kind ein nachahmendes Sinneswesen ist. Denn alles muß in den ersten Lebensjahren durch Nachahmung gelernt werden, aufgenommen werden durch Nachahmung aus der Umgebung.
Und nun müssen wir, indem wir diesen Gesichtspunkt gewonnen haben, hinschauen darauf, wie drei für das ganze Leben maßgebende Tätigkeiten von dem Kinde in den ersten Lebensjahren erworben werden: Gehen, Sprechen, Denken. Diese drei Fähigkeiten, die werden maßgeblich für das ganze Leben in den ersten Lebensjahren von dem Kinde erworben.
Gehen, ja, das ist, ich möchte sagen, eine Abbreviatur, ein verkürzter Ausdruck für etwas viel Umfassenderes. Weil es am meisten auffällt, daß wir gehen lernen, sagen wir: das Kind lernt gehen. Aber dieses Gehenlernen, das ist ja verbunden mit einem Sich-Hineinversetzen in eine Gleichgewichtslage gegenüber der ganzen Raumeswelt. Wir suchen als Kind die aufrechte Lage, wir suchen als Kind die Beine in ein solches Verhältnis zur Schwerkraft zu bringen, daß wir das Gleichgewicht haben. Wir versuchen dasselbe aber auch mit den Armen und Händen. Der ganze Organismus wird orientiert. Gehenlernen bedeutet> die Raumrichtungen der Welt finden, den eigenen Organismus in die Raumrichtungen der Welt hineinzustellen.

Net zo wonderbaarlijk zijn de processen die in het oor gelokaliseerd zijn bij de volwassen mens. Maar wat bij de volwassen mens in de zintuigen gelokaliseerd is, is uitgebreid over het hele organisme bij het kind. Daarom bestaat er bij het kind geen scheiding tussen geest, ziel, lichaam; maar alles wat van buitenaf 106 werkzaam is, wordt innerlijk nagemaakt. Het kind maakt nabootsend de hele omgeving na.

Blz. 114/115  vert. 147/148

All dasjenige, was aus der Umgebung des Kindes an das Kind herankommt, geht über in ein inneres Bilden, auch in das Organbilden.
Wenn das Kind, sagen wir, einen Vater neben sich hat, der sich alle Augenblicke in Jähzorn äußert, wo also alle Augenblicke im unmittelbar äußerlichen Erlebnisse etwas vorkommt, was Schock bewirkt, ein Unmotiviertes ist, dann erlebt das Kind dies mit; das Kind erlebt dies so mit, daß es sich ausdrückt in seinem Atem und seiner Blutzirkulation. Indem es sich aber ausdrückt in der Atmung und Blutzirkulation, gestaltet es Lunge, gestaltet es Herz, gestaltet es das ganze Gefäßsystem; und das Kind trägt dasjenige plastisch gestaltet innerlich sein ganzes Leben hindurch mit, was es durch den Anblick der Taten eines jähzornigen Vaters in sich plastisch ausgebildet hat.
Damit will ich nur andeuten, wie das Kind eine innerlich wunderbar wirkende plastische Kraft hat, wie das Kind fortwährend innerlich als Bildhauer an sich arbeitet. Und wenn Sie dem Kinde die Puppe aus dem Taschentuch geben, dann gehen die Kräfte, die aus dem menschlichen Organismus plastisch bildend in das Gehirn herauf- gehen, die namentlich aus dem rhythmischen System, aus Atmung und Blutzirkulation das Gehirn ausbilden, sanft in das Gehirn. Sie bilden das kindliche Gehirn so, wie ein Bildhauer arbeitet, der mit biegsamer, leicht beweglicher, durchgeistigter, beseelter Hand den bildhauerischen Stoff bearbeitet: da geht alles in Bildsamkeit und in organischer Entwickelung vor sich. Das Kind schaut sich dieses zur Puppe geformte Taschentuch an, und das wird im Menschen Bildekraft, richtige Bilde- kraft, die aus dem rhythmischen System heraus sich gestaltet in das Gehirnsystem.

Alles wat uit de omgeving op het kind afkomt, gaat over in een innerlijk vormen, ook in het orgaan-vormen. Als het kind, laten we zeggen, een vader naast zich heeft die op elk ogenblik in drift uitbarst, waar dus op elk moment in direct uiterlijke belevenissen iets gebeurt wat een zenuwschok veroorzaakt, wat ongemotiveerd is, dan beleeft het kind dit mee. Het kind beleeft dit zo mee dat dit wordt afgedrukt in zijn ademhaling en zijn bloedsomloop. Maar doordat het wordt afgedrukt in de ademhaling en bloedsomloop, vormt het long, vormt het hart, vormt het hele vaatstelsel; en het kind draagt datgene plastisch gevormd innerlijk gedurende zijn hele leven mee, wat het door het zien van het handelen van een opvliegende vader in zichzelf plastisch heeft gevormd.

Daarmee wil ik slechts aanduiden hoe het kind een innerlijk wonderbaarlijk werkende, plastische kracht heeft, hoe het kind voortdurend innerlijk als beeldhouwer aan zichzelf werkt. En als u het kind de pop gemaakt van de zakdoek geeft, dan gaan de krachten die vanuit het menselijk organisme plastisch vormend in de hersenen omhooggaan, die met name uit het ritmische systeem, uit ademhaling en bloedsomloop de hersenen ontwikkelen, zachtjes de hersenen in. Ze vormen de hersenen van het kind zoals een beeldhouwer werkt die met een buigzame, licht beweeglijke, doorgeestelijkte, bezielde hand de te beeldhouwen materie bewerkt: daar speelt alles zich af in kneedbaarheid en in organische ontwikkeling. Het kind bekijkt deze tot pop gevormde zakdoek, en dat wordt in de mens vormkracht, juiste vormkracht, die vanuit het ritmische systeem in het hersenstelsel wordt gevormd.

Blz. 116

Man muß sich klar sein darüber, wenn man nun liebevoll das Kind zum Spiel anleiten will, wieviel von innerlich bauenden Kräften beim Kind zum Vorschein kommt. In dieser Beziehung sieht ja unsere ganze Zivilisation falsch. Unsere Zivilisation hat zum Beispiel den sogenannten Animismus erfunden. Das Kind, das sich an dem Tisch stößt, schlägt die Tischecke. Da sagt unsere Zeit: das Kind belebt den Tisch, stellt den Tisch vor, wie wenn er leben würde, wie ein Lebewesen, träumt das Leben in den Tisch hinein, schlägt den Tisch.
Das ist ja gar nicht wahr. Das Kind träumt gar nichts in den Tisch hinein, sondern aus den Lebewesen, aus den Wesen, die wirklich leben, träumt es das Leben heraus. Nicht daß es in den Tisch das Leben hineinträumt, sondern aus den wirklichen Lebewesen träumt es das Leben heraus. Und wenn es sich verletzt hat, so schlägt es aus einer Art Reflexbewegung; und da alles noch unbelebt ist für das Kind – es träumt nicht das Leben in den Tisch hinein -, verhält es sich gegen das Belebte und Unbelebte gleich.
Aus solchen ganz verkehrten Ideen sieht man, wie unsere Zivilisation gar nicht in der Lage ist, an das Kind heranzukommen. Und so handelt es sich darum, daß wir uns wirklich liebevoll dem Kinde gegenüber verhalten können, daß wir dasjenige, was es selber will, nur liebevoll anleiten. Und so sollen wir es nicht innerlich verprügeln durch schöne Puppen, so sollen wir mit ihm leben können und die Puppe gestalten, die es innerlich selber erlebt.

Het moet voor ons duidelijk zijn, als we nu liefdevol het kind willen leren spelen, hoeveel van de innerlijk bouwende krachten bij het kind te voorschijn komt. In dit opzicht ziet onze hele beschaving het verkeerd. Onze beschaving heeft bijvoorbeeld het zogenoemde animisme uitgevonden. Het kind dat zich aan de tafel stoot, slaat tegen de hoek van de tafel. Dan zegt onze tijd: het kind brengt de tafel tot leven, stelt zich de tafel voor alsof die zou leven, als een levend wezen, droomt het leven in de tafel naar binnen, slaat de tafel. Maar dat is helemaal niet juist. Het kind droomt helemaal niets in de tafel naar binnen, maar uit de levende wezens, uit de wezens die werkelijk leven, droomt het het leven naar buiten. Niet dat het in de tafel het leven naar binnen droomt, nee, uit de werkelijke levende wezens droomt het het leven naar buiten. En als het zich verwond heeft, dan slaat het vanuit een soort reflexbeweging; en omdat alles nog levenloos is voor het kind – het droomt niet het leven in de tafel naar binnen -, gedraagt het zich tegenover het levende en het levenloze identiek.

Blz 118  vert.  152

Darin haben die ja sonst in vieler Beziehung außerordentlich anerkennenswerten Kindergärten große Fehler gemacht. Der Kindergarten, der von Fröbel und anderen mit einer wirklich innigen Kindesliebe eingerichtet worden ist, muß sich klar sein darüber, daß das Kind ein nachahmendes Wesen ist, aber nachahmen nur dasjenige kann, was noch nicht intellektualistisch ist. So dürfen wir nicht allerlei Kinderarbeiten in den Kindergarten hineinbringen, die ausgedacht sind. Alles Stäbchenlegen, alles Flechten und dergleichen, was im Kindergarten vielfach eine so große Rolle spielt, ist ausgedacht. Wir dürfen in dem Kindergarten nur dasjenige im Bilde haben, was die großen Leute auch machen, nicht was im besonderen ausgedacht ist. Den Menschenkenner beschleicht oftmals ein tragisches Gefühl, wenn er in diese gutgemeinten Kindergärten hineinkommt, wo so schön ausgedachte Arbeiten darin sind. Denn auf der einen Seite gehen diese Kindergärten aus einem so unendlich guten Willen hervor, aus so viel Kinderliebe,

Daarmee hebben de overigens toch in veel opzichten bui­tengewoon te waarderen kleuterscholen grote fouten ge­maakt. De kleuterschool die door Fröbel en anderen met een echt innige liefde voor het kind is ingericht, moet dui­delijk beseffen dat het kind een nabootsend wezen is, maar alleen dat kan nabootsen wat nog niet intellectualistisch is. Zo mogen we niet allerlei werkzaamheden voor de kinderen in de kleuterschool brengen die bedacht zijn. Al het staafjes leggen, al het vlechten en dergelijke dat in de kleuterschool vaak zo’n grote rol speelt, is bedacht. We mogen in de kleu­terschool alleen datgene in beeld hebben wat de grote men­sen ook doen, niet wat speciaal bedacht is. De mensenken­ner bekruipt vaak een tragisch gevoel als hij deze goedbe­doelde kleuterscholen betreedt waarin zulke mooi bedachte bezigheden plaatsvinden. Want enerzijds komen deze kleu­terscholen voort uit zo’n eindeloos goede wil, uit zoveel kin­derliefde,

Blz. 119   vert. 152/153

und auf der anderen Seite wird nicht beachtet, daß alles inhaltlich Intellektualistische, alles dasjenige, was ausgedacht ist an Kinder- arbeiten, vom Kindergarten ausgeschlossen sein muß, daß es nur die äußere Nachahmung des äußeren Bildes der Erwachsenentätigkeit sein darf, die im Kindergarten entfaltet werden kann.
Ein Kind, das vor dem vierten, fünften Jahre innerlich intellektualistisch trainiert wird, das nimmt etwas Furchtbares ins Leben mit, das wird geradezu zum Materialisten erzogen. Je intellektualistischgeistiger Sie ein Kind bis zum vierten, fünften Jahre erziehen, einen desto größeren Materialisten erzeugen Sie von ihm im Leben. Denn es wird das Gehirn auf der einen Seite so bearbeitet, daß der Geist schon in den Formen des Gehirns lebt und innerlich der Mensch die Intuition bekommt: alles ist nur materiell, weil sein Gehirn so früh vom Intellektualistisch-Geistigen ergriffen worden ist.

en anderzijds wordt er niet op gelet dat al het inhoudelijk intellectualistische, alles wat bedacht is aan kinderbezigheden, van de kleuterschool uitgesloten moet worden, dat alleen de uiterlijke nabootsing van het uiterlijke beeld van de volwassenen-bezigheid mag zijn die in de kleuterschool ontvouwd kan worden.
Een kind dat voor z’n vierde, vijfde jaar innerlijk intellectualistisch wordt getraind, dat neemt iets vreselijks in het leven mee, dat wordt regelrecht tot materialist opgevoed. Hoe meer intellectualistisch-geestelijk ti een kind tot aan zijn vierde, vijfde jaar opvoedt, des te groter materialist maakt u van hem voor zijn leven. Want dan worden de hersenen enerzijds zo bewerkt dat de geest al in de vormen van de hersenen leeft en innerlijk de mens de intuïtie krijgt: alles is slechts materieel, omdat zijn hersenen zo vroeg door het intellectualistisch-geestelijke gepakt is.

Wollen Sie den Menschen zum Verstehen des Spirituellen erziehen, dann müssen Sie das sogenannte äußere Geistige in seiner intellektualistischen Form so spät als möglich an ihn heranbringen, dann müssen Sie, obzwar es eine große Notwendigkeit ist, daß gerade in der heutigen Zivilisation der Mensch im späteren Leben zum vollen Erwachen kommt, das Kind in jenem sanften, bildträumerischen Erleben, in dem es hereinwächst in das Leben, möglichst lange lassen, möglichst lange bei der Imagination, bei der Bildhaftigkeit, bei der Unintellektualität lassen. Denn wenn Sie erstarken lassen seinen Organismus an dem Unintellektualistischen, dann wird es auf richtige Weise später in das der heutigen Zivilisation notwendige Intellektualistische hineinwachsen.
Peitschen Sie sein Gehirn in der Weise, wie angedeutet, dann verderben Sie die Seele des Menschen für das ganze Leben. So wie Sie durch Lallen die Verdauung verderben, wie Sie durch ein falsches lieb- loses Gehenlernen den Stoffwechsel für das spätere Leben verderben, so verderben Sie die Seele, wenn Sie in dieser Weise von innen das Kind peitschen. Und so muß es ein Ideal unserer Erziehung werden, vor allen Dingen die seelischen, aber doch dadurch, daß das Kind ganz physisch-seelisch-geistiges Wesen ist, auch physisch-inneren Prügelstrafen – das heißt die «schöne Puppe» – abzuschaffen, um vor allen Dingen das Spiel auf das richtige Niveau zu bringen.

Wilt u de mens tot begrip van het spirituele opvoeden, dan moet u hem het zogeheten uiterlijke geestelijke in zijn intellectualistische vorm zo laat mogelijk bijbrengen, dan moet u, hoewel het een grote noodzaak is dat juist in de huidige civilisatie de mens in het latere leven tot het volledige wakker worden komt, het kind zo lang mogelijk laten in dat zachte, beeld-dromerige beleven waarin het in het leven ingroeit, zolang mogelijk laten bij de imaginatie, bij het beeldende, bij het niet-intellectualistische. Want als u zijn organisme sterk laat worden aan het niet-intellectualistische, dan zal het op de juiste wijze later in het intellectualistische dat voor de huidige beschaving noodzakelijk is binnengroeien.
Slaat u met een zweep zijn hersenen op de aangegeven wijze, dan bederft u de ziel van de mens voor het hele leven. Net zoals u door lallen de spijsvertering bederft, zoals u door een foutief liefdeloos leren lopen de stofwisseling voor het latere leven bederft, zo bederft u de ziel als u op deze wijze van binnen het kind met een zweep slaat. En zo moet het een ideaal van onze opvoeding worden om voor alles de ziels-matige, maar toch door het feit dat het kind een geheel fysiek-zielsmatig-geestelijk wezen is, ook fysiek-innerlijke af-ransel-straffen – dat wil zeggen de ‘mooie pop’ – af te schaffen, om voor alles het spel op het juiste niveau te brengen.
GA 307/vdr. 6
Vertaald

Voordracht 7, Ilkley 11 augustus 1923

Blz. 121 vert. 155

Beim Übergange aus dem eigentlich kindlichen Alter, durch den Zahnwechsel hindurch um das siebente Jahr herum, in das schulmäßige Alter, ist insbesondere zu berücksichtigen, daß bis zum siebenten Lebensjahre der Mensch innerlich eigentlich Plastiker ist. Vom Haupte des Menschen gehen die Bildekräfte aus und organisieren den ganzen Menschen. Was der Mensch in seiner Umgebung beobachtet, auch der moralische Charakter des Beobachteten, teilt sich dem Aufbau des Gefäßsystems, der Blutzirkulation, der Atmung und so weiter mit, so daß der Mensch als physische Organisation durch sein ganzes Erdenleben in sich trägt, was er bis zum Zahnwechsel nachahmend geworden ist. Nicht als ob er ganz unbedingt abhängig wäre von dieser Organisation. Er kann gewiß später durch moralische Kraft, durch seelische Intensität von innen heraus manches im Körper zurechtrücken. Aber man muß doch bedenken, welches wunderbare Erbgut wir dem Menschen mit auf den Lebensweg geben, wenn wir seinen Organismus zu einem geeigneten Träger des Geistig-Moralischen dadurch machen, daß wir den inneren Plastiker im Menschen bis zum siebenten Lebensjahre in der Art unterstützen, daß wir nur Moralisches und solches, das zum Leben tüchtig macht, in seine Nähe bringen, damit er es nachahmen könne.

Bij de overgang van de eigenlijke kinderleeftijd door de tandenwisseling heen, rond het zevende jaar, naar de schoolgaande leeftijd moet in het bijzonder in aanmerking genomen worden dat tot het zevende levensjaar de mens innerlijk eigenlijk beeldhouwer is. Van het hoofd van de mens gaan de vormkrachten uit en organiseren de hele mens. Wat de mens in zijn omgeving waarneemt, ook het morele karakter van het waargenomene, slaat over op de opbouw van het vaatstelsel, de bloedsomloop, de ademhaling enzovoort, zodat de mens als fysieke organisatie gedurende zijn hele aardeleven in zich draagt wat hij tot aan de tandenwisseling nabootsend geworden is. Niet dat hij perse afhankelijk zou zijn van deze organisatie. Hij kan zeker later door morele kracht, door zielsmatige intensiteit van binnenuit veel in het lichaam rechtzetten. Maar je moet toch bedenken wat voor wonderbaarlijk erfgoed wij de mens op zijn levensweg meegeven als we zijn organisme tot een geschikte drager van het geestelijk-morele maken doordat we de innerlijke beeldhouwer in de mens tot het zevende levensjaar op díe wijze ondersteunen dat we alleen het morele en dat wat voor het leven capabel maakt, in zijn nabijheid brengen opdat hij dat zou kunnen nabootsen.
GA 307/vdr. 7
Vertaald

Voordracht 11, Ilkley 15 augustus 1923

Blz. 195  vert. 247

Wir sollten das Kind erst mit dem siebenten Lebensjahre, mit dem Zahnwechsel, in die Schule bekommen, vorher gehört das Kind eigentlich nicht in die Schule. Müssen wir es vorher hereinnehmen, so müssen wir natürlich allerlei Kompromisse schließen. Aber ich will hier das Prinzipielle erklären. Wenn wir das Kind in die Schule hereinbekommen, dann erteilen wir den Unterricht so, daß das Kind noch nicht die Unterscheidungen macht zwischen sich und der Welt. Wenn das Kind das charakterisierte Lebensalter zwischen dem neunten und zehnten Jahr erreicht, führen wir es zu demjenigen, was zum Verstand, aber zum beweglichen, zum lebendigen Verstand gehört: Pflanzen- kunde; was zur Stärkung des Willens führt: Tierkunde. Mit dem eigentlichen mineralischen Unterricht, mit dem Unterricht in Physik und Chemie können wir nur auf den Intellekt wirken.

We moeten het kind pas met het zevende levensjaar, bij de tandenwisseling, op school krijgen; voor die tijd hoort het kind eigenlijk niet op school. Moeten we het voor die tijd opnemen, dan moeten we natuurlijk allerlei compromissen sluiten. Maar ik wil hier het principiële verklaren. Wanneer we het kind op school krijgen, dan geven we het onderwijs zo dat het kind nog geen onderscheid maakt tussen zichzelf en de wereld. Wanneer het kind de gekarakteriseerde leeftijd tussen het negende en tiende jaar bereikt, voeren we hem tot datgene wat tot het verstand, maar tot het beweeglijke, tot het levendige verstand hoort: plantkunde; wat tot het versterken van de wil leidt: dierkunde. Met het eigenlijke onderwijs van het minerale, met het onderwijs in natuurkunde en scheikunde kunnen we alleen op het intellect inwerken.
GA 307/vdr. 11
Vertaald

Voordracht 12, Ikley 16 augustus 1923

Blz.  210           vert. 269/270

Es handelt sich darum, daß in dem kindlichen Lebensalter bis zum Zahnwechsel hin, also gerade bis in diejenige Zeit, in der das Kind in die Schule geschickt wird, das Gedächtnis ganz allein sich selbst überlassen bleiben muß.
In dieser Zeit wirken ja, wie wir gesehen haben, im Einklange miteinander physischer Leib, Äther- oder Bildekräfteleib, astralischer Leib und Ich- Organisation. Und die Art und Weise, wie das Kind nachahmend alles in sich ausbildet, was es unbewußt in seiner Umgebung beobachten kann, wirkt auch so, daß bis in den physischen Leib hinein diejenigen Kräfte sich entwickeln, welche die Gedächtnis-, die Erinnerungskraft am besten zur Entfaltung kommen lassen, so daß man in diesen Jahren eigentlich das Kind mit Bezug auf die Gedächtnisentwicklung ganz sich selbst überlassen muß.

Het gat erom dat in de kinderleeftijd tot aan de tandenwisselimg, dus met name tot in de tijd dat het kind naar school gat, het geheugen helemaal aan zichzelf moet blijven overgelaten. In deze tijd werken, zoals we hebben geien, het fyiseke lichaam, het ether- of vormkrachtenlichaam, het astraallijf en het Ik als eenheid met elkaar samen. En de manier waarop het kind alles nabootsend in zichzelf vormt, wat het onbewut in zijn omgeving kan waarnemen, werkt ook zo dat tot in het fysieke lichaam die krachten werken die de geheugen- en herinneringskracht het beste tot ontplooiing laat komen, zodat je in deze jaren eigenlijk het kind m.b.t. de ontwikkeling van het geheugen helemaal aan zichzelf moet overlaten.
GA 307/vdr. 12
Vertaald

.

Rudolf Steiner over spel uit GA 307

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Over de werking van de omgeving op een kind: zie het ‘hersenvoorbeeld‘ in dit artikel.

Over de werking van tv op kleine kinderenopvoedingsvragen onder nr. 19  m.n. [19-10]

Algemene menskundevoordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2201

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 10 (10-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 148-150 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

DE MENS LICHAMELIJK BEKEKEN

Nadat Steiner in de eerste voordrachten de mens voornamelijk vanuit het gezichtspunt van de ziel heeft gekarakteriseerd en vanaf voordracht 6 vanuit de geest, ligt het voor de hand dat hij dat ook zal doen vanuit het lichaam.
Daarbij zien we de vormen van hoofd, romp en ledematen.

In de 7e voordracht van GA 294 – Opvoedkunst – heeft hij dat in dit verband al gedaan.
Vóór hij verdere aanwijzingen geeft voor het dierkunde-onderwijs, spreekt hij eerst over de mens.
En dat gebeurt eigenlijk steeds bij vakken waarin de natuur ter sprake komt. De levende natuur en de stoffelijke. Overal waar het kan vindt hij het belangrijk dat de kinderen ermee in verbinding komen, in de zin van ‘er is verband, er bestaat een verbinding tussen mij en de wereld’, of het nu de levende of niet-levende wereld is.

Bestudeer je de vierledige mens, dan blijkt dat wij als mensen die andere drie rijken in ons meedragen: de stoffelijke wereld in ons fysieke lichaam; de plantenwereld in ons etherlijf en de dierenwereld in ons astraallijf. Met ons Ik nemen we een aparte positie – a.h.w. de 4e – in. Hebben de dieren hun ruggengraat evenwijdig aan de aarde – horizontaal – de mens heeft hem – in wakkere toestand! – verticaal en daarmee naar boven, naar de kosmos gericht. 

Da ist es nun von großer Bedeutung zu wissen, daß man das, was im naturgeschichtlichen Unterricht im Kinde bewirkt werden soll, gründ­lich verdirbt, wenn man nicht im naturgeschichtlichen Unterricht mit der Auseinandersetzung über den Menschen beginnt.

Nu is het van groot belang dat u weet: wat het vak biologie in kinderen teweeg zou moeten brengen, dat wordt grondig bedorven als de lessen in dat vak niet beginnen met de behandeling van de mens.

Het gaat er niet zozeer om dat de kinderen dit moeten ‘leren’, maar dat er een bepaald gevoel wordt opgeroepen dat alles in de wereld met elkaar samenhangt. Dat er een band is tussen de natuur en de mens. 

Sie werden wissen müssen, indem Sie das tun, daß im Menschen gewissermaßen eine Syn­thesis, eine Zusammenfassung aller drei Naturreiche vorliegt, daß die drei übrigen Naturreiche im Menschen auf einer höheren Stufe zusam­mengefaßt sind. Sie werden das dem Kinde nicht zu sagen brauchen, aber durch den Gang Ilires Unterrichts werden Sie in dem Kinde ein Gefühl dafür herbeiführen müssen, daß der Mensch eine solche Zu­sammenfassung aller übrigen Reiche der Natur ist. Sie werden es er­reichen, wenn Sie der Besprechung des Menschen den nötigen Nach­druck geben, wenn Sie in der Art, wie Sie den Menschen behandeln, beim Kinde hervorrufen den Eindruck von der Wichtigkeit des Men­schen innerhalb der ganzen Weltenordnung. 

We moeten weten, als we dat doen, dat de mens in zekere zin een synthese, een samenvatting is van alle drie natuurrijken, dat deze drie op een hoger niveau samengaan in de mens. Dat hoeft u de kinderen niet te vertellen, maar door de ontwikkeling van uw lessen moet u in hen een gevoel oproepen voor het feit dat de mens zo’n synthese van de drie andere natuurrijken is. Dat bereikt u als u de nodige nadruk legt op de bespreking van de mens, als u door de manier waarop u de mens behandelt bij het kind de indruk oproept hoe belangrijk de mens is in het geheel van de kosmos.

Deze ‘belangrijkheid van de mens’ betekent niet de opvatting dat de mens ‘boven’ de natuur staat en ‘dus’ deze mag uitbuiten, verwaarlozen, naar eigen goeddunken met haar om mag gaan. Juist met de verbinding tussen mens en natuur die Steiner met zijn methodiek nastreeft, gaat het om eerbied en moraliteit.

Steiner vervolgt zijn aanwijzingen aan de leerkrachten:

Sie werden vielleicht bei dem Kinde, wenn es 9 Jahre alt geworden ist, anfangen, die mensch­liche Gestalt äußerlich zu beschreiben. Sie werden es aufmerksam machen auf die Hauptgliederung des Menschen in Kopf, Rumpf und Gliedmaßen, aber Sie werden dabei mehr auf die äußere Erscheinung, auf die äußere Form Rücksicht zu nehmen haben. Sie werden gut tun, wenn Sie schon beim Kinde durch die Zuhilfenahme des vorher ge­pflegten Zeichnens für das Hauptsächlichste in der Menschenform eine Vorstellung hervorrufen: daß der Kopf kugelförmig ist, daß er an der Unterseite etwas abgeplattet ist und mit dieser Stelle auf dem Rumpf aufsitzt, also eine auf dem Rumpf aufsitzende Kugel ist. Dies beim Kinde als Vorstellung hervorzurufen, ist gut. Das ruft zu gleicher Zeit Gefühls- und Willenselemente wach, denn das Kind beginnt den Kopf künstlerisch, von seiner Kugelform aus, anzusehen. Das ist wichtig. Dadurch ergreifen Sie den ganzen Menschen, nicht bloß seinen Intel­lekt. Dann aber versuchen Sie, im Kinde die Vorstellung hervorzurufen, daß der Rumpf gewissermaßen ein Fragment des Kopfes ist. Versuchen Sie, das durch eine Zeichnung beim Kinde hervorzurufen, indem Sie ihm sagen: Der Kopf ist kugelförmig. Nimmst du ein Stück aus der Kugel heraus, indem du dies (das schraffierte Stück der Zeichnung) abschneidest und das andere zurückbehältst, so daß gewissermaßen der Mond zurückbleibt von der Sonne, dann bekommst du die hauptsächlichste Form des Rumpfes. – Es würde gut sein, wenn Sie aus Wachs oder geknetetem Teig eine Kugel formten, das schraffiert Angedeutete abschnitten und wirklich sphärisch den Mond zurückbehielten in seiner Gestaltung, damit Sie in dem Kinde wirklich eine solche Vorstellung von einem Kugelfragment für den menschlichen Rumpf hervorrufen. Und für die Gliedmaßen rufen Sie dann die Vorstellung hervor, daß sie eben an dem Rumpfe dranhängen und eingesetzt sind. Da wird das Kind manches nicht verstehen können, allein rufen Sie dennoch stark die Vorstellung hervor, daß die Gliedmaßen eingesetzt sind in den menschlichen Organismus. Sie dürfen an dieser Stelle nicht weiter­gehen, denn die Gliedmaßen setzen sich nach innen fort in den morpho­logischen Anlagen des Menschen und hängen da mit den Verdauungs­und Geschlechtsorganen zusammen, die nur eine Fortsetzung der Glied­maßen nach innen sind. Aber daß die Gliedmaßen in den Organismuseingesetzt sind, von außen, diese Vorstellung rufen Sie stark in den Kindern hervor. Damit bekommt das Kind zunächst eine Formvorstel­lung vom Menschen.

U kunt bijvoorbeeld bij deze negenjarigen beginnen met een uiterlijke beschrijving te geven van de menselijke gestalte. U kunt hen erop wijzen dat in de gestalte van de mens hoofd, romp en ledematen te onderscheiden zijn, maar u moet daarbij vooral uitgaan van de zichtbare verschijning, de uiterlijke vorm van de mens. U doet er goed aan als u het al geoefende tekenen te hulp roept om een voorstelling op te roepen van de belangrijkste kenmerken van de menselijke vorm. U kunt laten zien dat het hoofd de vorm heeft van een bol, die aan de onderkant een beetje afgeplat is en op die plaats op de romp zit. Het hoofd is dus een op de romp zittende bol. Het is goed om deze voorstelling op te roepen. Dat roept namelijk tegelijkertijd gevoels- en wilselementen wakker, want het kind gaat het hoofd kunstzinnig, als bolvorm, zien. Dat is belangrijk. Daardoor spreekt u de hele mens aan en niet alleen zijn intellect. En dan probeert u bij de kinderen de voorstelling op te roepen 98 dat de romp in zekere zin een fragment is van het hoofd. Probeert u dit met behulp van een tekening te doen en zegt u dan: ‘Het hoofd heeft de vorm van een bol. Neem je een stukje weg uit de bol door dit [het gearceerde deel van de tekening] eraf te snijden en de rest weg te laten, dan hou je als het ware de maan over van de zon en heb je in grote lijnen de vorm van de romp.’ Het zou goed zijn als u uit was of brooddeeg een bol zou vormen en dan het gearceerde deel van de tekening eraf zou halen, zodat u werkelijk een sferisch maantje overhoudt. Dan roept u in een kind werkelijk de voorstelling op dat de romp van de mens een deel van een bol is. En de ledematen beschrijft u dan zo dat ze aan de romp hangen en daar ingeplant zijn. Het kind zal veel niet kunnen begrijpen, maar u roept toch sterk de voorstelling op dat de ledematen ingeplant zijn in het menselijk organisme. Verder kunt u hier niet gaan, want in de morfologische structuur van de mens zetten de ledematen zich naar binnen toe voort en hangen daar samen met de spijsverterings- en geslachtsorganen, die enkel een voortzetting van de ledematen naar binnen toe zijn. Maar dat de ledematen 99 ingeplant zijn in het organisme, van buitenaf, deze voorstelling moet u krachtig oproepen. Daarmee krijgt het kind om te beginnen een voorstelling van de vorm van de mens.
GA 294/97 e.v.
Vertaald/102 e.v.

In die voordracht tekent Steiner:

in de ‘Algemene menskunde’:

Nu gaat het in de ‘Algemene menkunde’  verder over hoofd, romp en ledematen

Blz. 152/153 vert. 148:

Zuerst wollen wir uns noch einmal ins Gedächtnis rufen, was uns von verschiedenen Seiten her aufgefallen sein muß daß der Mensch in den drei Gliedern seines Wesens verschiedene Formen hat. Wir haben darauf aufmerksam gemacht, wie im wesentlichen die Kopfform die Form des Kugeligen ist, wie in dieser kugeligen Kopfform das eigentliche leibliche Wesen des menschlichen Hauptes liegt. Wir haben dann darauf aufmerksam gemacht, daß der Brustteil des Menschen ein Fragment einer Kugel ist, so daß also, wenn wir schematisch zeichnen, wir dem Kopfe eine Kugelform, dem Brustteil eine Mondenform geben und daß wir uns klar sind, daß in dieser Mondenform ein Kugelfragment, ein Teil einer Kugel enthalten ist. Daher werden wir uns sagen müssen: Wir können ergänzen die Mondform des menschlichen Brustgliedes. Und Sie werden nur dann dieses Mittelglied der menschlichen Wesenheit, die menschliche Brustform, richtig ins Auge fassen können, wenn Sie sie auch als eine Kugel betrachten, aber als eine Kugel, von der nur ein Teil, ein Mond sichtbar ist und der andere Teil unsichtbar ist. Sie sehen daraus vielleicht, daß in denjenigen älteren Zeiten, in denen man mehr die Fähigkeit gehabt hat als später, Formen zu sehen, man nicht unrecht hatte, von Sonne dem Kopf entsprechend, von Mond der Brustform entsprechend zu sprechen. Und wie man dann, wenn der Mond nicht voll ist, von dem Mond eben nur ein Kugelfragment sieht, so sieht man von dem menschlichen Mittelgliede in der Brustform eigentlich nur ein Fragment.

Eerst zullen we ons nogmaals te binnen brengen wat ons vanuit verschillende perspectieven moet zijn opgevallen: namelijk dat de mens in de drie gebieden van zijn wezen verschillende vormen heeft. We hebben erop gewezen* dat de vorm van het hoofd in essentie die van de bol is, en dat deze bolle vorm van het hoofd het eigenlijke, lichamelijke wezen van het menselijk hoofd uitdrukt. Vervolgens hebben we erop gewezen dat de borst van de mens een fragment van een bol is, zodat we dus — wanneer we het schematisch tekenen — het hoofd een bolle vorm en de borst de vorm van een maansikkel kunnen geven en het ons zodoende duidelijk is dat deze maansikkel een fragment, een deel van een bol is. Met andere woorden, we kunnen de sikkelvorm van de menselijke borst completeren. En u zult dit middengebied van het wezen van de mens, de vorm van de borst, slechts dan op de juiste wijze zien, wanneer u ook dit als een bol beschouwt — maar dan als een bol waarvan slechts een gedeelte, een sikkel, zichtbaar is en waarvan het andere gedeelte onzichtbaar is [zie tekening 1]. Daaraan kunt u wellicht zien, dat men in vroeger tijd, toen men meer dan later het vermogen had vormen te zien, geen ongelijk had, wanneer men zei dat de vorm van het hoofd overeenkomt met de zon en de vorm van de borst met de maan. En zoals men ook slechts een fragment ziet van de maan, wanneer ze niet vol is, zo ziet men in de vorm van de borst eigenlijk slechts een fragment van het middengebied van de mens.

*GA 294 zie boven

Daraus können Sie ersehen, daß die Kopfform des Menschen hier in der physischen Welt etwas verhältnismäßig Abgeschlossenes ist. Die Kopfform zeigt sich physisch als etwas Abgeschlossenes. Sie ist gewissermaßen ganz dasjenige, als was sie sich gibt. Sie verbirgt am allerwenigsten von sich.
Der Brustteil des Menschen verbirgt schon sehr viel von sich; er läßt ctwas von seiner Wesenheit unsichtbar. Es ist sehr wichtig für die Erkenntnis der Wesenheit des Menschen, das ins zu fassen, daß vom Brustteil ein gut Stück unsichtbar Ljnd so können wir sagen: Der Brustteil zeigt uns nach der Seite, nach rückwärts, seine Leiblichkeit; nach vorwärtst er in das Seelische über. Der Kopf ist ganz Leib; der Drustteil des Menschen ist Leib nach rückwärts, Seele nach vorwärts. Wir tragen also einen wirklichen Leib nur an uns, in- dem wir unser Haupt auf den Schultern ruhen haben. Wir haben an uns Leib und Seele, indem wir unsere Brust heraus- gliedern aus dem übrigen Brustteil und sie durcharbeiten, durchwirken lassen von dem Seelischen.

U ziet dus dat het hoofd van de mens hier in de fysieke wereld een tamelijk voltooide vorm heeft. De vorm van het hoofd manifesteert zich fysiek als iets voltooids. Ze is als het ware helemaal zoals zij zich voordoet. Ze verbergt het minst van zichzelf. Het borstgedeelte verbergt al heel veel van zichzelf; het laat een deel van zijn wezen onzichtbaar. Voor het inzicht in het wezen van de mens is het zeer belangrijk voor ogen te houden, dat een groot stuk van het borstgedeelte onzichtbaar is. En zo kunnen we zeggen: het borstgedeelte toont aan de achterkant zijn fysieke verschijningsvorm, naar de voorkant gaat het over in de ziel. Het hoofd is geheel en al lichaam; de borst van de mens is naar achteren toe lichaam en naar voren toe ziel. Het werkelijk lichamelijke aan ons is dus alleen het hoofd dat op de schouders rust. We hebben lichaam en ziel doordat we in onze borst, als afgezonderd deel van de gehele borst, de ziel opnemen en laten werken.

Nun sind eingesetzt in diese beiden Glieder des Menschen, namentlich zunächst für die äußere Betrachtung, in den Brustteil die Gliedmaßen. Das dritte ist ja der Gliedmaßenmensch. Nun, wie können wir den Gliedmaßenmenschen eigentlich verstehen? Den Gliedmaßenmenschen können wir nur verstehen, wenn wir ins Auge fassen, daß andere Stücke übriggeblieben sind von der Kugelform als beim Brustteil. Beim Brustteil ist ein Stück von der Peripherie übriggeblieben. Bei den Gliedmaßen ist mehr übriggeblieben etwas von dem Inneren, von den Radien der Kugel, so daß also die inneren Teile der Kugel angesetzt sind als Gliedmaßen.

Nu zijn er in deze beide delen van de mens ledematen ingeplant, uiterlijk gezien vooral in het borstgedeelte. Het derde deel is immers de ledematenmens. Hoe kunnen we de ledematenmens nu eigenlijk begrijpen? De ledematenmens kunnen we alleen begrijpen, wanneer we voor ogen houden dat bij de ledematenmens andere stukken van de bolvorm zijn overgebleven dan bij de borst. Bij het borstgedeelte is een stuk van de periferie overgebleven. Bij de ledematen is meer iets van het binnenste overgebleven, van de radiussen van de bol, zodat de binnenste delen van de bol dus de ledematen vormen.

Dit is in grote trekken de omschrijving van ‘hoofd, romp en ledematen’.

We zien dat Steiner voortdurend het ene met het andere vergelijkt om vanuit de tegenstelling tot meer inzicht te komen.
We weten inmiddels nu, dat dit zijn werkwijze is. 
Hij bevestigt dit in deze voordracht opnieuw:

Man kommt eben nicht zurecht, wie ich Ihnen schon oftmals gesagt habe, wenn man nur schematisch eins ins andere gliedert. Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige.

Het werkt echter niet — zoals ik u al zo vaak heb gezegd — wanneer men de verschillende delen slechts schematisch met elkaar in verband brengt. Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven.

Uiteraard spreekt hij over deze dingen in andere voordrachten ook. 
Een aantal van die opmerkingen zal samen met de verdere inhoud uit deze 10e voordracht in aparte artikelen bijeen worden gebracht.

Over ‘het hoofd’ : nog niet oproepbaar
Over ‘de romp’: nog niet oproepbaar
Over ‘de ledematen’ nog niet oproepbaar

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

 

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2184

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297A vragenbeantwoording (2)

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER

ERZIEHUNG ZUM LEBEN

OPVOEDING VOOR HET LEVEN 

6 voordrachten, 2 vragenbeantwoordingen en een krantenverslag tussen 24 febr. 1921 en 4 april 1924 in verschillende steden. [1]

Inhoudsopgave  voordracht [1]  [2]
vragenbeantwoording bij voordracht 1

Fragenbeantwortungen am pädagogisdche Abend, Darmstadt 28 Juli 1921

Blz. 72

Frage: Die neuere Zeit hat den Grundsatz der Anschauung im Unterricht wieder ausgegraben. Nun zeigt sich, wenn das Kind die Schule verläßt, daß es dem Leben gegenüber hilflos ist, wenn es denken soll. Es ist vor lauter Anschauung haften geblieben am Bilde.

Vragenbeantwoording bij de pedagogische avond Darmstadt, 28 juli 1921

Vraag: De huidige tijd heeft het uitgangspunt van de aanschouwelijkheid in het onderwijs weer opgerakeld. Nu blijkt, wanneer het kind de school verlaat, dat het t.o.v. het leven hulpeloos staat, wat denken betreft. Het zit helemaal vast aan het beeld.

Rudolf Steiner: Das ist eine außerordentlich wichtige pädagogische Frage der Gegenwart, die Frage [nach] der Anschaulichkeit bezie­hungsweise der ausschließlichen Anschaulichkeit des Unterrichts. Nun ist diese Frage vielleicht nicht so spezialistisch, sondern nur im ganzen pädagogischen Denken drinnenstehend überhaupt erschöp­fend zu behandeln. Da möchte ich zunächst einmal erwähnen, daß ja der Unterricht in der Waldorfschule auf unsere Erkenntnis von der Entwicklung des Menschen gebaut ist. Nicht wahr, die Wal­dorfschule ist ganz sicher keine Weltanschauungsschule, aber was an pädagogischer Geschicklichkeit, an pädagogischer Methodik, pädagogischer Handhabung der Dinge gerade aus anthroposophi­scher Seelenverfassung heraus erreicht werden kann, das soll eben in die Praxis umgesetzt der Waldorfschule zugute kommen.

Rudolf Steiner: Dat is in deze tijd een buitengewoon belangrijke pedagogische vraag, wat betreft de aanschouwelijkheid, resp. het uitsluitend aanschouwelijk zijn van het onderwijs. Nu moet deze vraag misschien niet zo specialistisch behandeld worden, maar wel omstandig want het zit in heel het pedagogische denken. Eerst zou ik willen opmerken dat het onderwijs op de vrijeschool opgebouwd is op de kennis van de ontwikkeling van de mens. De vrijeschool is volstrekt geen wereldbeschouwelijke school, maar wat aan pedagogische bekwaamheid, aan pedagogische methodiek, pedagogisch aanpakken van de dingen nu juist bereikt kan worden vanuit een antroposofisch afgestemd zijn, dát moet worden omgewerkt tot praktijk voor het vrijeschoolonderwijs

In die­ser praktischen Beziehung spielt eine große Rolle die Anschauung, daß man es bei dem Kinde bis etwa zum sechsten, siebenten Jahr mit einem nachahmenden Wesen zu tun hat. Das Kind ist Nachah­mer bis in dieses Lebensalter hinein. Das geht so weit, daß in diesem Lebensalter, im Kindergartenalter also, eigentlich nicht im gewöhn­lichen Sinne gelehrt werden sollte, sondern auf die Nachahmefähig­keit des Kindes gerechnet werden sollte. Sehen Sie, wenn man sich jahrzehntelang mit solchen Dingen beschäftigt hat, wie ich es muß­te, da hat man allerlei Erfahrungen gemacht. Die Leute kommen zu einem und fragen um allerlei Dinge. So kam einmal ein Vater zu mir, ganz unglücklich, und sagte: Was sollen wir machen, unser Junge, der immer ein braver Junge war, hat gestohlen. – Ich fragte den Vater: Wie alt ist der Junge? – Vier bis fünf Jahre. – Dann, sagte

In dit praktische opzicht speelt de waarneming dat je bij een kind tot het zesde, zevende jaar te maken hebt met een nabootsend wezen, een grote rol. Tot op deze leeftijd is het kind een nabootser. Dat gaat zover dat er op deze leeftijd, dus die van de kleuterschooltijd, eigenlijk in de gewone zin van het woord niet iets moet worden aangeleerd, maar dat je moet rekenen met het nabootsingsvermogen van het kind. Wanneer je tientallen jaren met deze dingen bezig geweest bent, wat ik moest, dan doe je allerlei ervaringen op. De mensen komen naar je toe en vragen van alles. Zo kwam er eens een vader naar me toe, helemaal ongelukkig, die zei: ‘Wat moeten we doen. ons zoontje dat altijd een lief jongetje was, heeft gestolen’. Ik vroeg aan de vader: ‘Hoe oud is het jochie?’ – ‘Vier, vijf jaar.’ ‘Dan’,

Blz. 73

ich, müssen wir doch erst untersuchen, ob er wirklich gestohlen hat.
– Die Untersuchung ergab, daß er gar nicht gestohlen hatte, der kleine Junge, trotzdem er Geld aus einer Schublade genommen hat­te. Er hatte nur jeden Tag gesehen, daß die Mutter den Lieferanten aus ihrer Schublade Geld gibt. Er dachte: Die Mutter hat es so ge­macht, dann ist es doch so richtig – und er hat einfach auch Geld aus der Schublade genommen. Er hat Naschereien gekauft, aber sie nicht selber verzehrt, sondern er hat sie verschenkt. Das Kind war eben seinem Alter entsprechend ein Nachahmer. Was es tat, war einfach eine Handlung der Nachahmung. Es handelt sich darum, daß man den Kindern in diesem Alter tatsächlich nichts vormacht, was sie nicht nachahmen dürfen. – Dann beginnt jenes Lebensalter, das mit dem Zahnwechsel beginnt und mit der Geschlechtsreife endigt, also das eigentliche volksschulmäßige Alter. Dieses volks­schulmäßige Alter fordert einfach – was heute aus manchen Par­teirichtungen heraus verlangt wird, das muß zurückgestellt werden, das Sachliche muß in den Vordergrund gestellt werden -, dieses Alter fordert, daß das Kind auf Autorität hin begreifen und auch handeln lernt.

zei ik, ‘moeten we toch eerst eens nagaan of hij daadwerkelijk gestolen heeft’. Uit onderzoek bleek dat de kleine jongen niet gestolen had, hoewel hij uit de tafella geld gepakt had. Hij had echter wel iedere dag gezien dat moeder geld uit de la aan leveranciers aan de deur had gegeven. Hij heeft gedacht: moeder doet dat zo, dus is het goed – en hij heeft toen simpelweg ook geld uit de la gepakt. Hij kocht er snoep voor, maar niet voor zichzelf, want hij gaf het weg. Het kind was helemaal in overeenstemming met zijn leeftijd, een nabootser. Wat hij deed was gewoon een nabootsingshandeling. En nu gaat het erom dat je de kinderen op deze leeftijd daadwerkelijk niets voordoet, wat ze niet mogen nabootsen.
Dan komt de leeftijdsfase die met de tandenwisseling begint en met de geslachtsrijpheid ophoudt, dus eigenlijk de tijd van de basisschool. Deze leeftijd vraagt simpelweg – wat tegenwoordig sommige partijrichtingen willen, moeten we op de achtergrond plaatsen, het zakelijke moet op de voorgrond staan – dat het kind vanuit een autoriteitsgevoel leert begrijpen en ook leert doen.

Es ist einmal für das ganze spätere Leben, gerade für die Heranerziehung für spätere schwere Zeiten und für alles Mög­liche im Leben, von ganz besonderer Bedeutung, daß das Kind in diesem Lebensalter, vom siebenten bis zum vierzehnten Jahr un­gefähr, auf Autorität hin etwas annimmt. Dieses Verhältnis einer selbstverständlichen Autorität des Lehrenden und Erziehenden zum Kinde, das ist etwas, was für den Menschen in seinem ganzen späteren Leben nicht durch etwas anderes ersetzt werden kann. Man könnte sehr leicht Beweise finden für das, was der Mensch später nicht haben kann, wenn er nicht das große Glück hatte, eine selbstverständliche Autorität neben sich zu haben.
Da hinein, in dieses Lebensalter, fällt nun die Frage des An­schauungsunterrichts. Dieser Anschauungsunterricht, wie er heute gefordert wird, ist in seinem Extrem aus dem Materialismus herausgewachsen. Man will einfach alles vor das Auge hinstellen. Man glaubt an nichts anderes, als was vor dem Auge ist; so soll auch alles vor das Kind hingestellt werden. Aber nicht nur diejenigen

Het is nu eenmaal zo dat het voor het hele latere leven, juist bij de opvoeding voor latere, moeilijke tijden en vooral bij het mogelijke in het leven, heel erg belangrijk is dat het kind op deze leeftijd, van het zevende tot het veertiende jaar ongeveer, op autoriteit iets aanneemt. Deze relatie tussen de vanzelfsprekende autoriteit van de leerkracht en opvoeder en het kind is iets wat voor de mens in heel zijn latere leven niet door iets anders vervangen kan worden. Je kan makkelijk bewijs vinden voor wat de mens later niet hebben kan, wanneer hij niet het grote geluk heeft gehad een vanzelfsprekende autoriteit naast zich te hebben gehad.
En bij die leeftijd past de vraag naar het aanschouwelijkheidsonderwijs. Dit onderwijs, zoals dat nu vereist is, komt wat het extreme betreft, uit het materialisme voort. Men wil eenvoudigweg alles voor zijn ogen hebben. Men gelooft aan niets anders dan aan wat je kan zien; alles moet ook zo aan het kind worden aangeboden. Maar de problemen die u

Blz. 74

Schwierigkeiten entstehen, die Sie hervorgehoben haben, sondern auch andere, die auf der Lehrerseite entstehen. Man neh­me einmal die Hilfsbücher zur Hand, die für Lehrer geschrieben sind, in denen Anleitung gegeben wird zum Anschauungsunter­richt. Die Banalitäten und Trivialitäten, die man da aufgetischt bekommt, sind geradezu Ungeheuerlichkeiten. Da wird instinktiv immerfort angestrebt, alles auf ein möglichst niedriges Niveau zu schieben. Das ist der Anschauungsunterricht, in dem man dem Kinde nichts mehr beibringt, als was es selber schon weiß. Das ist der denkbar schlechteste Unterricht, der in  dieser Weise Anschau­ung liefert. Der Unterricht ist der beste, der nicht nur für das kindliche Alter sorgt, sondern für das ganze Leben des Menschen. Wenn das Leben nicht so ist, daß man noch im vierzigsten, fünf­zigsten Jahr etwas von seinem In-der-Schule-Sitzen hat, dann wai der Unterricht schlecht. Man muß auf den Schulunterricht zu­rückblicken können in einer Weise, daß lebendige Kräfte in die­sem Rückerinnern liegen. Wir wachsen ja auch, indem unsere Gliedmaßen größer werden und sich auch sonst manches umge­staltet in uns; alles an uns wachst heran. Wenn wir dem Kinde Begriffe beibringen, Vorstellungen und Anschauungen beibringen, die nicht wachsen, die bleiben, bei denen wir den großen Wert darauf legen, daß sie so bleiben, wie sie sind, dann versündigen wir uns gegen das Prinzip des Wachstums. 

aangeroerd heeft, ontstaan, maar ook andere, aan de kant van de leerkracht. Pak eens een leerboek dat geschreven is voor de onderwijzer en waarin richtlijnen gegeven worden voor aanschouwelijkheidsonderwijs. Vreselijk wat je daarin voorgeschoteld krijgt aan banaals en triviaals. Instinctief wordt nagestreefd alles op een zo laag mogelijk niveau te brengen. Dat is het aanschouwelijkheidsonderwijs waarin men het kind niets meer leert dan dat het al weet. Dat is het denkbaar slechtste onderwijs dat door deze aanschouwelijkheid wordt geleverd. Het beste onderwijs is het onderwijs dat niet alleen zorg draagt voor de kinderleeftijd, maar voor heel het leven van de mens. Wanneer je leven niet zo is dat je nog, wanneer je ergens in de veertig bent iets hebt aan dat je op school hebt gezeten, dan is het onderwijs slecht. Je moet naar het onderwijs op school terug kunnen kijken op een manier dat er nog levende kracht in deze herinneringen zit.
Wij groeien ook, wanneer onze ledematen groter worden en nog veel meer verandert er in ons en groeit door. Wanneer we het kind begrippen bijbrengen, voorstellingen en dingen laten zien die niet groeien, wanneer we er de nadruk op leggen dat alles zo moet blijven als het is, zondigen we tegen het principe van de groei.

Wir müssen die Dinge so an das Kind heranbringen, daß sie ins lebendige Wachstum hineingestellt werden. Das können wir wiederum nicht mit dem platten, banalen Anschauungsunterricht, sondern dann, wenn wir als Erziehende dem Kinde gegenübertreten, da kommen dann Imponderabilien in Betracht.
Ich gebrauche sehr häufig ein solches Beispiel wie dieses: Neh­men wir an, wir wollen dem Kinde beibringen einen Begriff – man kann das rein aus der Erkenntnis der Psychologie des Kindes heraus in einem bestimmten Lebensalter -: den Begriff der Unsterblichkeit. Man kann das versinnlichen an Naturvorgängen, zum Beispiel an dem Schmetterling in der Puppe. Man kann sagen: So steckt die unsterbliche Seele im Menschen darinnen, wie der Schmetterling in

We moeten de dingen zo aan het kind aanbieden dat die bij de levende groei horen. Dat gaat niet met het platte, banale aanschouwelijkheidsonderwijs, maar wel wanneer we zo voor het kind staan als opvoeder dat er dan onweegbare zaken in een rol gaan spelen.
Ik gebruik heel vaak dit beeld: laten we eens aannemen dat we het kind  – dat kan je zuiver kinderpsychologisch gezien op een bepaalde leeftijd doen – een begrip bij willen brengen van de onsterfelijkheid. Dat kan je in een beeld uit de natuur kleden, bv. in dat van de vlinder en de cocon. Je kan zeggen: ‘De onsterfelijke ziel zit net zo in de mens als de vlinder in

Blz. 75

er Puppe, nur daß sie sich in eine geistige Welt hinein entwickelt, wie sich der Schmetterling aus der Puppe entwickelt. – Das ist ein Bild. Man wird dieses Bild dem Kinde beibringen können auf zwei verschiedene Weisen. Die erste ist diese, daß man sich denkt: Ich bin der Lehrer, ich bin ungeheuer gescheit; das Kind ist jung und furchtbar dumm. Ich werde dem Kinde also dieses Symbolum hin­stellen für diesen Begriff. Ich bin selbstverständlich über die Sache längst hinaus, aber das Kind soll auf diese Weise die Unsterblichkeit der Seele begreifen. Nun expliziere ich das in intellektualistischer Weise. – Das ist die Weise, durch die das Kind nichts lernt; nicht weil das Vorgebrachte falsch wäre, sondern weil man nicht in der richtigen Weise eingestellt ist auf das Kind. Wenn ich mich in an­throposophische Geisteswissenschaft einlebe, so ist das nicht ein Bild, durch das ich mich gescheiter fühle als das Kind, sondern eine Wahrheit. Die Natur selber hat auf einer niedrigeren Stufe den Schmetterling, der sich aus der Puppe entwickelt, hingestellt, auf einer höheren Stufe den Durchgang durch die Pforte des Todes.

cocon, zij het dat die zich in een geestelijke wereld ontwikkelt, zoals de vlinder zich vanuit de cocon ontwikkelt. Dat is een beeld. Je kan dit beeld op twee verschillende manieren aan een kind geven. De eerste is deze: je denkt dan: ‘Ik ben de leerkracht, ik ben heel knap, het kind is jong en vreselijk dom. Ik zal het kind dan dus maar dit symbool voorleggen voor dit begrip. Ik ben vanzelfsprekend al veel verder dan zoiets, maar het kind moet op deze manier de onsterfelijkheid van de ziel dan maar begrijpen.’ Ik l g het intellectualistisch uit.
Dat is een manier waardoor het kind niets leert, niet omdat het onderwerp verkeerd is, maar omdat de instelling naar het kind niet juist is. Wanneer ik mij inleef in de antroposofische geesteswetenschap, is dit geen beeld waarmee ik me slimmer voel dan het kind, maar een waarheid. De natuur zelf heeft de vlinder die zich uit de cocon ontwikkelt, op een lager niveau gezet; op een hoger niveau het door de poort van de dood gaan.

Bringe ich das, was in mir so lebendig lebt, zum Kinde, dann hat das Kind etwas davon.
Man kann nicht bloß sagen, man solle das so oder so machen, sondern auf Imponderabilien kommt es an, auf eine gewisse Seelen-verfassung, die man selber hat als Lehrer – die ist das Wichtige. Da kommen die Schwierigkeiten in Betracht, wenn man bei dem platten Anschauungsunterricht, der immer unpersönlicher und unpersönlicher wird, stehenbleibt; in dem Alter, wo der Lehrer die wichtige Rolle als selbstverständliche Autorität spielen sollte, schal­tet er sich aus. Es gibt zum Beispiel gewisse Dinge, die man einfach auf Autorität hin dem Kinde überliefern soll. Man kann nicht alles auf Grund von Anschauungsunterricht dem Kinde beibringen -zum Beispiel die Moralbegriffe: da kann man nicht vom An­schauungsunterricht, auch nicht von bloßen Geboten ausgehen, die kann man nur auf dem Wege der selbstverständlichen Autorität dem Kinde übermitteln. Und es gehört zu den bedeutsamsten Er­lebnissen, die man im späteren Leben haben kann, wenn man etwas aufgenommen hat im achten, neunten, zwölften Jahr, weil es eine

Wanneer ik iets wat in mij zo leeft, overbreng aan een kind, dan neemt een kind daarvan iets op.
Je kan niet simpelweg zeggen dit of dat moet je zus of zo doen, maar het gaat om het imponderabele, om een bepaalde zielenstemming die je als leraar hebt, die is het belangrijkste. De moeilijkheden doen zich voor wanneer je bij het banale aanschouwelijkheidsonderwijs, dat steeds maar onpersoonlijker wordt, blijft stilstaan; op de leeftijd waarin de leerkracht de belangrijke rol van vanzelfsprekende autoriteit moet vervullen, zet hij zichzelf buiten spel.
Er zijn nu eenmaal bepaalde dingen die je vanuit je autoriteit aan het kind door moet geven. Je kan een kind niet alles bijbrengen op basis van aanschouwelijkheid, bv. met morele begrippen gaat dat niet, ook niet met alleen maar geboden, je kan die alleen naar via de weg van de vanzelfsprekende autoriteit aan het kind doorgeven. En wanneer je iets in je hebt opgenomen toen je acht of negen, twaalf jaar was en je herinnert je dat in je latere leven, is dat een van de belangrijkste belevingen, omdat een

Blz. 76

verehrte Persönlichkeit als richtig ansieht – dieses Verhältnis zur verehrten Persönlichkeit gehört zu den Imponderabilien des Unter­richtes, der Erziehung -, man wird dreißig Jahre alt, und bei einem bestimmten Erlebnis kommt das aus den Untergründen des menschlichen Bewußtseins herauf; jetzt versteht man etwas davon, was man eigentlich vor zwanzig oder dreißig Jahren aufgenommen hat, damals auf Autorität hin. Das bedeutet etwas Ungeheures im Leben. Das ist in der Tat ein lebendiges Hinüberwachsen dessen, was man

in der Kindheit aufgenommen hat. Deshalb ist all dieses Diskutieren über mehr oder weniger Anschauung nicht so wichtig. Die Dinge mussen sich am Objekt selber ergeben. Auch das Disku­tieren über mehr oder weniger Denken und so weiter, das ist auch wenig wichtig. Das Wichtige ist, daß Lehrer an ihren richtigen Platz gestellt werden, daß in der richtigen Weise das Menschliche zu­sammengefügt wird in einer Schulorganisation. Das ist das, worin das Ziel hauptsächlich gesehen werden muß. Mit Lehrplänen oder mit irgend etwas, was in Paragraphen gefaßt werden kann, kann man im wirklichen Leben – und das Unterrichts- und Erziehungsleben ist ein wirkliches Leben – doch nichts anfangen. 

geëerde persoon dit voor juist houdt – deze verbinding met de vereerde persoon behoort tot de onweegbare dingen in het onderwijs, in de opvoeding – nu ben je dertig geworden en bij een bepaalde ervaring komt dat vanuit de diepte van het menselijk bewustzijn omhoog; nu begrijp je iets van wat je twintig, dertig jaar geleden in je hebt opgenomen, door de autoriteit. In het leven is dat iets ongelooflijks. Dit is inderdaad een levend doorgroeien van wat je in je kindertijd opgenomen hebt. Daarom is discussiëren over meer of minder aanschouwelijkheid niet zo belangrijk. De dingen moeten duidelijk worden aan het onderwerp zelf. Ook het discussiëren over meer of minder denken enz. is van weinig betekenis. Belangrijker is dat de leerkrachten hun juiste positie kunnen innemen, dat op een juiste manier het menselijke samen kan gaan in een schoolorganisatie. Dat doel moet voornamelijk voor ogen gehouden worden. Met leerplannen of met iets dergelijks dat in onderwijsparagrafen vervat kan worden, kan je in het echte leven – en onderwijs en opvoeding is het echte leven – toch niets beginnen.

Denn wenn sich drei oder sechs oder zwölf Menschen zusammensetzen, gleichgül­tig, wie ihre Antezedenzien sind, aus welchem Kreise, aus welcher Vorbildung sie kommen, sie werden einen ideal schönen Lehrplan ausarbeiten können. Wenn man irgendwie aus dem Nachdenken heraus paragraphenmäßig so etwas zusammenstellt, so kann das ideal schön werden, es kann das Wunderbarste drinnenstehen. Ich spotte nicht, es braucht nicht schlecht zu sein, es kann außerordent­lich schön und großartig sein, darauf kommt es aber nicht an. Es kommt darauf an, daß sich in der Schule drinnen, die eine Anzahl von Lehrern hat, das lebendige Leben abspielt; jeder von diesen Lehrern hat seine besonderen Fähigkeiten, das ist das Reale, mit dem muß gearbeitet werden. Was nützt es, wenn der Lehrer darauf hinschauen kann: das und das ist das Lehrziel. – Das ist doch nur eine Abstraktion. Das, was er den Kindern als Persönlichkeit sein kann dadurch, daß er in einer gewissen Weise in der Welt drinnen-steht, darauf kommt es an.

Want als er drie of zes of twaalf mensen samen gaan werken, om het even wat hun antecedenten zijn, uit welke kringen ze komen of wat ze aan vooropleiding hebben gedaan, zullen zij een ideaal, een mooi leerplan kunnen uitwerken. Wanneer je op een bepaalde manier vanuit nadenken paragrafen o.i.d. gaat opstellen, kan het ideaal mooi worden, er kunnen prachtige dingen in staan. Ik spot niet, het hoeft niet slecht te zijn, het kan buitengewoon mooi en groots zijn, daar komt het niet op aan. Het komt erop aan dat binnen in de school waar een aantal leerkrachten zijn, zich leven afspeelt; ieder van de leerkrachten heeft zijn aparte gaven, dat is de werkelijkheid, daarmee moet je werken. Wat heeft het voor zin, wanneer een leraar ernaar moet kijken dat dit en dat het leerdoel is. Dat is alleen toch enkel maar een abstractie. Wat hij voor de kinderen als persoonlijkheid kan zijn omdat hij op een bepaalde manier in de wereld staat, daar komt het op aan.

Blz. 77

Die Schulfrage ist in unserer gegenwärtigen Zeit im wesentlichen eine Lehrerfrage, und von diesem Gesichtspunkte aus sollten alle mehr ins Detail gehenden Fragen, wie die Frage nach dem An­schauungsunterricht und dergleichen, behandelt werden. Kann man also zum Beispiel Kinder in ganz extremer Weise durch Anschauungsunterricht unterrichten? – Ich muß sagen, ich emp­finde schon ein leises Grauen, wenn ich diese Torturen mit den Rechenmaschinen in einer Klasse sehe, wo man sogar Dinge, die auf ganz andere Weise gepflegt werden sollen, in Anschau­ungsunterricht umwandeln will. Wenn man bloß mit dem reinen Anschauungsunterricht weitergehen will, so erzielt man – natürlich sind das Dinge, die eine vorurteilslose Beobachtung ergibt -, man erzielt ungeschickte Kinder. – Mit Phänomenologie, mit Phäno­menalismus hat das nichts zu tun: um einen ordentlichen Phä­nomenalismus auszubilden, muß man erst recht denken können. In der Schule hat man es mit pädagogischer Methodik, nicht mit wissenschaftlicher Methodik zu tun. Aber man muß wissen, wie eng ein ordentliches Denken nicht bloß mit dem Gehirn und dem Kopf des Menschen zusammenhängt, sondern mit dem ganzen Menschen.

De schoolvraag is in onze huidige tijd in wezen een lerarenvraag en vanuit dit gezichtspunt zouden alle vragen die meer naar het detail gaan, zoals de vraag naar het aanschouwelijkheidsonderwijs e.d. behandeld moeten worden. Kan je dus bv. kinderen op een heel uitgesproken manier door aanschouwelijkheidsonderwijs iets leren? Ik moet zeggen dat ik wel de kriebels krijg wanneer ik in een klas die kwellingen met de rekenapparaten zie, waarbij men zelfs dingen die op een heel andere manier gedaan moeten worden, omvormen wil tot aanschouwelijkheidonderwijs. Wanneer men alleen verder wil gaan met alleen maar aanschouwelijkheid, maak je – natuurlijk zijn dit dingen die het gevolg zijn van waarnemen zonder vooroordelen – maakt men de kinderen onpraktisch. Met fenomenologie heeft dat niets te maken, om een goed werkzame fenomenologie te ontwikkelen, moet je goed kunnen denken. Op school heb je te maken met pedagogische methodiek, niet met wetenschappelijke. Maar je moet wel weten hoe nauw verbonden een juiste manier van denken niet alleen met de hersenen of met het hoofd van de mens te maken heeft, maar ook met de totale mens.

Es hängt von der Art und Weise, wie jemand denken gelernt hat, ab, welche Geschicklichkeit er in den Fingern hat. Denn der Mensch denkt ja in Wirklichkeit mit dem ganzen Leibe. Man glaubt nur heute, er denke mit dem Nervensystem, in Wahrheit denkt er mit dem ganzen Organismus. Und auch umgekehrt ist es: Wenn man in richtiger Weise dem Kinde Schlagfertigkeit im Denken, sogar bis zu einem gewissen Grade Geistesgegenwart auf natürliche Weise beibringen kann, arbeitet man für die körperliche Geschicklichkeit, und wenn man bis in die Körperlichkeit hinein diese Denkgeschicklichkeit treibt, dann kommt einem auch die Geschicklichkeit der Kinder zu Hilfe. Es ist viel wichtiger, was wir jetzt in der Waldorfschule eingerichtet haben, daß die Kinder statt des gewöhnlichen Anschauungsunterrichts im Handfertigkeitsun­terricht übergehen zum Selbstformen, wodurch sie in die Emp­findung hineinbekommen die künstlerische Gestaltung der Fläche. Das leitet dann wiederum hinüber zur mathematischen Auffassung

De manier waarop een mens heeft leren denken, hangt af van wat voor handigheid hij in zijn vingers heeft. Want de mens denk in werkelijkheid met zijn hele lijf. Alleen nu gelooft men dat hij met zijn zenuwsysteem denkt, in waarheid denkt hij met zijn hele organisme. En het is ook omgekeerd: wanneer je op de juiste manier slagvaardigheid in het denken, zelfs tot op zekere hoogte op een natuurlijke manier tegenwoordigheid van geest, kan bijbrengen, dan werk je aan de lichamelijke handigheid en wanneer je deze handigheid in het denken tot in je lichamelijkheid probeert te krijgen, dan kom je de handigheid van de kinderen te hulp. Het is veel belangrijker wat wij nu in de vrijeschool georganiseerd hebben, dat we met de kinderen i.p.v. het gewone aanschouwelijkheidsonderwijs in de handvaardigheidsvakken overgestapt zijn naar dat ze zelf vormgevend bezig zijn, waardoor ze een gevoel krijgen voor de kunstzinnige vormgeving van vlakken. Dat brengt ze dan weer bij het in latere jaren wiskundig kunnen begrijpen van vlakken.

Blz. 78

der Fläche in späteren Jahrgängen. Dieses Sich-Hineinleben in die Sachen nicht durch bloßen Anschauungsunterricht für die Sinne, sondern durch einen Zusammenlebe-Unterricht mit der ganzen Umwelt, der für den ganzen Menschen erzielt wird, das ist es, worauf hingearbeitet werden muß.
Ich wollte nur darauf aufmerksam machen, daß solche Fragen in das Ganze des pädagogischen Denkens hineingestellt werden sollen und daß man heute viel zu viel im Speziellen herumdiskutiert.

Dit je kunnen inleven in de dingen, niet door alleen maar aanschouwelijkheid voor de zintuigen, maar door onderwijs dat in levende relatie staat tot de hele omgeving, wat voor de hele mens nagestreefd wordt, daar moeten we naartoe werken.
Ik wilde er alleen op wijzen dat dergelijke vragen in het geheel van het pedagogische denken gesteld moeten worden en dat men vandaag de dag veel te veel over details discussieert.

Rudolf Steiner im Anschluß an andere Fragen: Was vorhin gesagt und oftmals betont worden ist, muß festgehalten werden: Die Wal­dorfschule will als solche keine Weltanschauungsschule sein. Daß ihr anthroposophische Seelenverfassung zugrunde liegt, das ist eben nur insofern [der Fall], als sie sich in die erzieherische Praxis um­setzt. So handelt es sich jetzt zunächst bei dem, was in der Waldorf­schule vorliegt, um eine Entwicklung dessen, was auf rein päd­agogischem Wege aus der anthroposophischen Bewegung heraus erreicht werden kann. Eine Weltanschauungsschule kann und will die Waldorfschule nach keiner Richtung hin sein. Daher hat die Waldorfschule auch niemals den Anspruch gemacht darauf – bis jetzt -, den religiösen Unterricht der anvertrauten Kinder selbst in die Hand zu nehmen.

Rudolf Steiner aansluitend bij andere vragen: Wat al eerder is gezegd en dikwijls benadrukt, moeten we vasthouden: de vrijeschool  wil geen wereldbeschouwelijke school zijn. Dat aan haar een antroposofische zielenstemming ten grondslag ligt, is alleen het geval in zoverre deze omgezet wordt in de praktijk van de pedagogie. Derhalve het gaat nu allereerst, bij wat in de vrijeschool plaatsvindt, om een ontwikkeling van datgene wat langs puur pedagogische weg uit de antroposofische beweging gewonnen kan worden. Een wereldbeschouwelijke school kan en wil de vrijeschool in geen enkel opzicht zijn.
Vandaar dat de vrijeschool er ook nooit aanspraak op heeft gemaakt – tot nu dan – de religieuze opvoeding van de aan haar toevertrouwde kinderen – zelf ter hand te nemen.

Was schließlich der eine oder andere An­throposoph für eine Ansicht hat in bezug auf Weltanschauungsfra­gen, das spielt dabei keine Rolle, sondern es handelt sich darum, daß Anthroposophie in der Schule und alledem, was dazu gehört, nur in pädagogischer Praxis wirken will. Aus diesem Grunde wurde, wie die Schule eingerichtet wurde, der Religionsunterricht der katho­lischen Kinder dem katholischen Pfarrer übergeben und der Reli­gionsunterricht der evangelischen Kinder dem evangelischen Pfar­rer. Nun ergab es sich – das kam einfach aus den gegenwärtigen Zeitverhältnissen heraus -, daß eine ganze Menge Dissidenten-Kin­der da waren, die eigentlich ohne Religion aufgewachsen wären. Für diese wird nun ein Religionsunterricht erteilt, der aber als solcher sich nicht zur Schule rechnet, sondern der sich neben den evangeli­schen und katholischen Religionsunterricht als freier Religionsunterricht

Wat uiteindelijk de een of andere antroposoof aan denkbeelden heeft over wereldbeschouwelijke vraagstukken, speelt daarbij geen rol; het gaat erom dat antroposofie in de school en in alles wat daarbij hoort, alleen in de praktijk van het opvoeden werkzaam wil zijn.
Om deze reden werd, toen de school georganiseerd werd, het godsdienstonderwijs voor de katholieke kinderen aan de katholieke pastoor overgelaten en dat voor de evangelische kinderen aan de dominee. Nu gebeurde het – dat kwam simpelweg door de tegenwoordige tijd – dat er een heel grote groep ‘afvallige’ kinderen was, die eigenlijk zonder godsdienst opgegroeid zou zou zijn. Voor deze werd nu een godsdienstonderwijs gegeven dat echter als zodanig niet bij de school hoorde, maar naast het evangelische en katholieke, als vrij godsdienstonderwijs.

Blz. 79

hinstellt. Wir haben immerhin den Erfolg, daß Kinder, die sonst einfach bei keinem Religionsunterricht zugelassen würden, dadurch nun doch mit einem religiösen Leben aufwachsen. Das ist ein freier Religionsunterricht, der von demjenigen erteilt wird, der etwas davon versteht und der dazu berufen ist wie die anderen, die den katholischen und evangelischen Unterricht erteilen. Das muß aber streng festgehalten werden, daß die Absichten der Waldorf­schule nach keiner Richtung hin Weltanschauungsabsichten sind. Es soll nicht zu einer Anthroposophie dressiert werden, sondern Anthroposophie will nur pädagogische Praxis darin werden. Daher erledigen sich die diesbezüglichen Fragen, sie haben keine Be­deutung. Anfangs handelte es sich darum, daß man einen entspre­chenden Weg finden mußte zu dem, was aus der Praxis heraus folgt. Man hat über die Art und Weise, wie ein sieben-, acht-, neunjähri­ges Kind unterrichtet werden muß, seine Anschauungen, die sach­gemäß sind. Diese Dinge glaubten wir eben aus rein sachlichen Grundsätzen entscheiden zu müssen. Nun ist ja die Waldorfschule natürlich keine Institution für Eremiten oder Sekten, sondern sie ist eine Institution, die sich voll ins Leben hineinstellen will, die für das gegenwärtige, ganz praktische Leben aus den Kindern tüchtige Menschen machen will.

In ieder geval is wel het gevolg dat kinderen die anders gewoonweg bij geen enkel godsdienstonderwijs zouden zijn toegelaten, nu toch met een religieus leven opgroeien. Het is een vrij godsdienstonderwijs dat gegeven wordt door iemand die daar wat mee kan en die daar ook toe beroepen is, zoals de anderen die katholiek en evangelisch godsdienstonderwijs geven. Er moet streng aan worden vastgehouden dat de opzet van de vrijeschool in geen enkel opzicht de bedoeling heeft wereldbeschouwelijk te zijn. Er moet geen dressuur tot antroposofie zijn, antroposofie moet er slechts voor de pedagogische praktijk zijn. Daarmee houden de vragen in kwestie op, ze hebben geen betekenis.
In het begin ging het erom dat je een geschikte weg zou moeten vinden naar wat uit de praktijk komt. Men heeft over de manier waarop een zeven- achtjarig kind onderwijs moet krijgen, zijn opvattingen, die ter zake doende zijn. Wij vonden dat we deze dingen puur om zakelijke redenen moesten besluiten. Natuurlijk is de vrijeschool geen instituut voor kluizenaars of sektarisme, maar een instituut dat zich in het volle leven plaatsen wil, die voor het praktische leven van nu, van kinderen capabele mensen wil maken.

Daher handelt es sich darum, den Unter­richt so einzurichten, daß man auf der einen Seite den streng päd­agogischen Anforderungen gerecht wurde, und auf der anderen Sei­te handelt es sich darum, daß die Waldorfschule eben nicht irgend­eine Institution von Sonderlingen ist.Ich habe dann die Sache so ausgearbeitet, daß man vom Schuleintritt bis zur vollendeten dritten Klasse in den einzelnen Jahrgängen absolut freie Hand hat, aber mit der vollendeten dritten Klasse sind die Kinder soweit, daß sie in jede Schule übertreten können. Vom neunten bis zum zwölften Jahr hat man wiederum freie Hand, dann muß das Kind wiederum so­weit sein, daß es in jede andere Schule übertreten kann, ebenso mit der Vollendung der Volksschule. Wir errichten bis jetzt jedes Jahr eine Klasse; was weiter wird, muß studiert werden.
Sie sehen, es handelt sich nicht darum, irgendwie aus partei­mäßigen Anschauungen, durch Weltanschauung oder so etwas, zu

Vandaar dat het erom gaat het onderwijs zo in te richten dat je aan de ene kant aan de strenge pedagogische eisen voldoet en adat het er aan de andere kant om gaat dat de vrijeschool niet een of andere instellingen voor zonderlingen is.
Toen heb ik een en ander zo uitgewerkt dat je vanaf dat de school begint tot de volledige derde klas absoluut in die jaren de vrije hand hebt, maar dat na de derde klas de kinderen net zover zijn dat ze naar iedere andere school toe kunnen. Van het negende tot het twaalfde jaar eveneens de vrije hand, daarna moet het kind weer zover zijn dat het naar iedere andere school toe kan, ook aan het eind van de basisschool.
We richten tot nog toe elk jaar een klas in, wat verder gaat moeten we bestuderen.
U ziet, het gaat er niet om bepaalde gezichtspunten vanuit een programma te hebben, vanuit een wereldbeschouwing o.i.d.

Blz. 80

wirken, sondern lediglich darum, Anthroposophie in pädagogische Praxis umzusetzen. Das Ideal wäre, daß die Kinder zunächst – weil ja Anthroposophie nur für Erwachsene ausgebildet ist, wir haben keine Kinderlehre, sind auch noch nicht in der Lage gewesen, eine solche haben zu wollen – nicht wüßten, daß es eine Anthro­posophie gibt, sondern daß sie objektiv gehalten würden, und durchaus so also in das Leben hineingestellt würden. Diese Dinge sind nicht im Ideal zu erreichen; auch wenn sich der Lehrer noch so viel bemüht, objektiv zu bleiben, so lebt doch das eine Kind im Kreise dieser Eltern, das andere im Kreise jener Eltern; es gibt auch anthroposophische Fanatiker, da bringen die Kinder, wie sie auch sonst allerlei hereinbringen, anthroposophische Ungezogenheiten, die es auch gibt, in die Schule hinein. Das muß durchaus fest­gehalten werden, daß es sich niemals darum handeln kann, daß die Waldorfschule in irgendeiner Weise eine Weltanschauungsschule oder so etwas ist. Das ist sie in gar keiner Richtung, sondern sie will die Kinder zu dem machen, wodurch sie tüchtige Menschen in der unmittelbaren Gegenwart sind, also in dem Leben, in das wir hin­eingestellt sind innerhalb von Staat und von allem, um was es sich handelt, daß sie da tüchtig drinnenstehen. Es ist ja wohl selbstver­ständlich, daß die Waldorfschule nicht etwa Dreigliederungsideen in die Schule hineinträgt. Durch die Bestrebungen der Waldorfpäd­agogik kann das nicht geschehen. Parteimäßiges wird in die Wal­dorfschule nicht hineingetragen von anthroposophischer Seite aus.

te werken of zoiets, maar alleen om antroposofie óm te werken tot pedagogie in de praktijk. Het ideale zou zijn wanneer de kinderen om te beginnen, omdat antroposofie gestalte gekregen heeft voor volwassenen, we hebben geen kinderleer, we zijn ook nog niet in staat geweest om zo iets te willen, geen weet zouden hebben van antroposofie, dat het voor hen zakelijk gehouden wordt en dat ze dus op deze wijze in het leven geplaatst worden.
Deze dingen zijn qua ideaal niet te bereiken, ook al doen de leerkrachten nog zo veel moeite objectief te blijven, want het ene kind woont bij deze ouders, het andere bij die ouders; er zijn ook antroposofische fanatici; dan brengen de kinderen, zoals die van alles mee naar school nemen, antroposofische ongepastheden, die er ook zijn, mee naar school.
Hieraan  moet beslist vastgehouden worden, dat het er nooit om kan gaan dat de vrijeschool op een of andere manier een wereldbeschouwelijke school of iets dergelijks is. Dat is deze in geen enkel opzicht, maar ze wil de kinderen zo vormen dat die in het leven van nu capabele mensen zijn, dus in het leven waarin wij staan, in staatsverband en in alles waar het om gaat, dat ze daar capabel voor zijn. En het is natuurlijk vanzelfsprekend dat de vrijeschool niet de ideeën over de driegeleding de school binnenbrengt. Door wat de vrijeschool beoogt kan dat niet gebeuren. Van de kant van de antroposofie kan er in de vrijeschool niet zoiets als iets van een partij binnengebracht worden.

Frage:  Ist die Methodik, die der Pfarrer vornimmt, nicht etwas dem übrigen Unterricht Entgegengesetztes? Gibt es da nicht einen Zwiespalt?

Vraag: Is de methodiek die de pastoor hanteert, niet in tegenspraak met de rest van het onderwijs? Geeft dat geen spanning?

Rudolf Steiner: Vollkommen kann man im Leben nichts erreichen. Es wäre sehr angenehm, wenn wir nicht nur einen evangelischen, sondern auch einen katholischen Pfarrer fänden, der nach unserer Methodik unterrichten würde. Unsere Schule will, wie gesagt, nur pädagogische Praxis ins Leben setzen, nicht Weltanschauung. Da­mit kann das andere Hand in Hand gehen. Nun ist es ja selbstver­ständlich. daß im freien Religionsunterricht – weil ja nach einem

Rudolf Steiner: In het leven kan je niets volmaakt bereiken. Het zou heel fijn zijn, als we niet alleen een evangelische, maar ook een katholieke pastoor zouden kunnen vinden die volgens onze methode les zou willen geven. Onze school wil, zoals gezegd, slechts pedagogische praktijk in het leven brengen, geen wereldbeschouwing. Daar kan het andere wel hand in hand mee gaan. Nu is het vanzelfsprekend dat er in het vrije godsdienstonderwijs –

Blz. 81

solchen, nur von Anthroposophen zu haltenden, gefragt worden ist -, auch nach unserer Methodik vorgegangen wird. Es wäre uns ja sehr lieb, wenn der evangelische und katholische Unterricht auch so erteilt würden, das haben wir aber noch nicht erreicht. 

omdat er gevraagd is of een antroposoof dat kan geven – ook volgens onze methode gewerkt zal worden. Wij zouden het heel fijn vinden, wanneer het evangelische en het katholieke onderwijs net zo gegeven zou worden, maar dat is ons nog niet gelukt.

Frage: Wie ist da der Stoff im Unterricht für Anthroposophenkinder in­haltlich?

Vraag: Hoe ziet de lesstof er inhoudelijk uit voor kinderen van antroposofen?

Rudolf Steiner: Der Stoff ist so bestimmt, daß der Versuch gemacht wird, auch da durchaus auf das kindliche Alter Rücksicht zu neh­men. Das ist das, was psychologisch immer zugrunde liegt. Darum handelt es sich ja bei allen Dingen, daß sie am wirksamsten an das Kind herangebracht werden, wenn man genau das Lebensalter trifft, in dem sie herangebracht werden sollen, in dem das Innere des Kin­des am meisten auf die Dinge resoniert. Es handelt sich darum, daß man in der Tat im siebten, achten Lebensjahr am wenigsten etwas mit objektiver Evangelien- oder Bibelkunde, mit der Katechismuskunde aber gar nichts erreicht. Das wird vom Kinde nicht aufge­nommen. Ein anthropologisches Gesetz ist das. Dagegen wird vom Kinde in diesem Lebensalter sehr gut alles Religiöse aufgenommen, das sich unmittelbar aus einer gewissen Gestaltung der Naturvor­gänge heraus bilden läßt alle ethischen und echt religiösen Begriffe, die sich aus den Naturvorgängen gestalten lassen.

Rudolf Steiner: De lesstof wordt zo bepaald dat er wordt geprobeerd ook per se rekening te houden met de leeftijd van de kinderen. Dat is iets wat er psychologisch steeds aan ten grondslag moet liggen. Daarom gaat het er bij alles  om dat die bij het kind het beste werkt, wanneer je precies de goede leeftijd kiest waaraan ze aangeboden moet worden, wanneer het innerlijk van het kind het meest bij die dingen meeklinkt. Het gaat erom dat je inderdaad op het zevende, achtste leerjaar het minst bereikt met zoiets als objectieve evangeliën of bijbelkennis, met kennis van de cathechismus. Dat neemt een kind niet op. Dat is een antropologische wet. Daarentegen wordt door het kind op deze leeftijd wel heel goed al het religieuze opgenomen dat direct vanuit een bepaalde vormgeving van natuurprocessen al die ethische en echte religieuze begrippen laat ontstaan

Man kann das Kind vor allen Dingen auf dem Umwege über Naturbilder zum religiösen Empfinden führen.
Heraufleiten zum eigentlich christlichen Empfinden kann man das Kind dann eigentlich erst vom achten Jahr an, ja sogar erst ge­gen das neunte Jahr. Da fängt es eigentlich erst zu begreifen an, was zum Beispiel hinter der Gestalt des Christus Jesus steht. In diese Begriffe, die man da dem Kinde beibringen muß, wenn es den Inhalt der Evangelien begreifen soll, in die wächst es erst hinein. Es ist gut, wenn es einen Unterbau hat und erst gegen das neunte Jahr entspre­chend eingeführt wird in den Inhalt der Evangelien und dann all­mählich weiter hinaufgeführt wird in die tieferen Geheimnisse des Christentums. Es muß betont werden, daß ja auch dieser freie Religionsunterricht im eminentesten Sinne ein durch und durch

Je kan het kind vooral langs de omweg van de natuurbeelden tot een religieus gevoel brengen.
Tot het eigenlijke christelijke gevoel kan je kind eigenlijk pas vanaf het achtste jaar brengen, ja zelfs pas tegen het negende. Dan begint het pas te begrijpen wat bijvoorbeeld achter de figuur van Christus Jezus staat. Een kind dat je die begrippen moet bijbrengen wil het de inhoud van de evangeliën begrijpen, moet er eerst naar toe groeien. Het is goed dat er een basis is en dat het pas tegen het negende jaar op passende wijze de inhoud van de evangeliën leert kennen en dan langzamerhand verder de diepere geheimen van het christendom leert kennen. Benadrukt moet worden dat ook dit vrije godsdienstonderwijs in hoge mate door en door

Blz. 82

christlicher ist, daß also die verschiedenen Konfessionen, die daran teilnehmen, in ein wirkliches Christentum eingeführt werden. Es ist da schon so, daß man ja selber, eben vom anthroposophischen Ge­sichtspunkt aus, zu der [christlichen] Überzeugung gekommen ist, wenn man Lehrer ist an der Waldorfschule. Man ist von dieser Seite in das Christentum hereingekommen. Man wird vielleicht die Wor­te anders stellen, aber die Kinder werden in ein wirkliches Christen­tum eingeführt. Ebenso, wie wir frei lassen den evangelischen und katholischen Religionsunterricht, so lassen wir auch vollständig frei den freien, nach anthroposophischer Seite hin gehaltenen Religions­unterricht. Es ist durchaus niemals mein Bestreben gewesen, dafür zu agieren, daß die Kinder in diesen freien Religionsunterricht hin­einkommen. Sie kamen zahlreich, aber es ist wirklich nicht das Bestreben, dem äußeren Ruf der Schule dadurch zu schaden, daß es etwa auf solchen Umwegen zustande käme, daß [man sagte, daß] diese Schule eine Weltanschauungsschule sei. Man will das zunächst nicht sein. Deshalb sind wir vorsichtig in bezug auf den freien Religionsunterricht und erteilen ihn nur, weil er eben verlangt wird.

christelijk is, dat dus de verschillende geloven die daar deel aan nemen, een werkelijk christendom leren kennen. Het is toch zo dat je zelf, zelfs vanuit een antroposofisch gezichtspunt, tot de [christelijke] overtuiging moet zijn gekomen, dat je leraar bent aan een vrijeschool. Zo ben je bij het christendom gekomen. Je zal misschien andere woorden gebruiken, maar de kinderen leren een echt christendom kennen. Net zo als wij het evangelische en katholieke godsdienstonderwijs vrij laten, zo laten we ook het vrije, van antroposofische zijde gehouden godsdienstonderwijs vrij. Ik heb er zeker nooit naar gestreefd er voor te pleiten dat de kinderen naar dit vrijeschoolgodsdienstonderwijs zouden komen. Ze kwamen in groten getale, maar het is werkelijk niet het streven de naam van de school te schaden dat het zo’n beetje langs zulke omwegen tot stand zou komen, dat (dat werd beweerd) deze school een wereldbeschouwelijke school zou zijn. Dat willen ze zeker niet zijn. Daarom zijn we voorzichtig wat betreft het vrije godsdienstonderwijs en geven dat alleen wanneer er om gevraagd wordt.
.

[1] GA 297A [Duits]
[2] GA 297A  [Duits]

GA 297Ainhoudsopgave

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2170

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297A – voordracht 2

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER

ERZIEHUNG ZUM LEBEN

OPVOEDING VOOR HET LEVEN 

6 voordrachten, 2 vragenbeantwoordingen en een krantenverslag tussen 24 febr. 1921 en 4 april 1924 in verschillende steden. [1]

Inhoudsopgave  voordracht [1vragenbeantwoording bij voordracht 1

2e voordracht Amsterdam, 28 februari 1921 [2]

Erziehungs- Unterrichts- und praktische Lebensvragen vom Gesichtspunkte antroposophischer Geisteswissenschaft

Inhoudsopgave:

Blz. 45

In meinem ersten Vortrag, den ich hier in Amsterdam am 19. des Monats gehalten habe, versuchte ich auseinanderzusetzen, wie sich in die gegenwärtige Zivilisation der Menschheit anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft hineinstellen will. Diese anthropo­sophisch orientierte Geisteswissenschaft, die heute ja schon auch eine künstlerisch ausgeführte äußere Pflegestätte in der Freien Hochschule für Geisteswissenschaft, dem Goetheanum in Dornach bei Basel in der Schweiz hat, will zu den gewaltigen, den großen Ergebnissen naturwissenschaftlicher Erkenntnisse, die sie voll aner­kennt, ihrerseits durch exakte geisteswissenschaftliche Methoden übersinnliche Erkenntnisse hinzufügen. Und ich erlaubte mir in meinem letzten Vortrag am 19. Februar hier darauf aufmerksam zu machen, daß ja in der Gegenwart zahlreiche Seelen sich sehnen nach einer Erkenntnis, die ebenso sicher begründet ist wie es die heute als wissenschaftlich geltenden Erkenntnisse sind, aber eben einer Er­kenntnis, welche sich über Gebiete der Welt erstreckt, mit denen das Ewige in der Menschenseele zusammenhängt.

Opvoedings- onderwijs- en praktische levensvragen vanuit het gezichtspunt van de antroposofische geesteswetenschap

In mijn voordracht die ik hier in Amsterdam op de 19e van deze maand heb gehouden, heb ik geprobeerd uiteen te zetten hoe de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap een plaats wil innemen in de beschaving van de mensheid. Deze geesteswetenschap die tegenwoordig ook al een kunstzinnig uitgevoerd uiterlijk zichtbaar centrum heeft in de Vrije Hogeschool voor geesteswetenschap, het Goetheanum in Dornach, Basel in Zwitserland, wil aan de geweldige, de grote resultaten van de natuurwetenschappelijke kennis die door haar volledig erkend worden, van haar kant door exacte geesteswetenschappelijke methoden bovenzintuiglijke kennis toevoegen.
En ik nam de vrijheid in mijn laatste voordracht van 19 februari hier erop te wijzen, dat in deze tijd talloze zielen hunkeren naar kennis die net zo zeker geworteld is als die van de als wetenschap geldende kennis, maar een kennis die zich over gebieden uitstrekt waarmee het eeuwige in de menselijke ziel samenhangt.

Ich machte darauf aufmerksam, daß diese übersinnlichen Er­kenntnisse nur dadurch erreicht werden können, daß der Mensch gewisse, in seiner Seele veranlagte Fähigkeiten zur Entwicklung bringt. Von diesen Fähigkeiten will man heute in weiten Kreisen unserer gebildeten Menschheit allerdings noch nichts wissen. Aber gerade darauf, daß man von diesen Fähigkeiten nichts wissen will, beruht ja das für jeden bemerkbare Katastrophale unserer Zeit.
Ausgehen muß man zunächst – will man überhaupt an das her­ankommen, was hier als Geisteswissenschaft gemeint ist – von dem, was ich in meinem Vortrag vom 19. Februar «intellektuelle Beschei­denheit» genannt habe. Diese intellektuelle Bescheidenheit wird gerade in demjenigen Zeitalter als eine Paradoxie aufgefaßt werden,

Ik wees erop dat deze bovenzintuiglijke kennis alleen verworven kan worden als de mens bepaalde, in zijn ziel verankerde vaardigheden tot ontwikkeling brengt. Van deze vaardigheden wil men in grote kringen van onze beschaafde mensheid zeker nog niets weten. Maar juist omdat men van deze vaardigheden niets wil weten, berust nu eenmaal dat de grote catastrofe van onze tijd die iedereen ervaart. Je moet aanvankelijk uitgaan – wil je uiteindelijk bereiken wat met deze geesteswetenschap bedoeld is – van wat ik in mijn voordracht van 19 februari ‘intellectuele bescheidenheid’ heb genoemd. Dat zal in deze tijd waarin men zich bijzonder sterk op zijn intellectualiteit laat voorstaan, als een paradox opgevat worden.

blz. 46

das sich auf seine Intellektualität ganz besonders viel einbildet. Aber wer in die übersinnlichen Welten – denen doch die mensch­liche Seele mit ihrer eigentlichen Wesenheit angehört – eindringen will, der braucht diesen Ausgangspunkt der intellektuellen Beschei­denheit. Und ich möchte das Gleichnis, wodurch ich schon neulich hingewiesen habe auf diese intellektuelle Bescheidenheit, noch ein­mal wiederholen, da ich ja voraussetzen muß, daß durch den Wech­sel des Vortragssaales eine große Reihe des heute hier versammelten Publikums bei meinem ersten Vortrag nicht anwesend war.
Wenn wir ein fünfjähriges Kind vor uns haben und wir geben ihm einen Band Shakespeare in die Hand, so wird es mit diesem Band spielen, es wird ihn vielleicht zerreißen, jedenfalls aber nicht das tun, was dem Band Shakespeare angemessen ist. Wenn das Kind aber weitere zehn oder fünfzehn Jahre absolviert hat, dann werden sich diejenigen Fähigkeiten, die vorher in der Seele des Kindes ver­anlagt waren, durch die Erziehung, durch den Unterricht herausge­arbeitet haben; es wird nun den Band Shakespeare lesen. Das Kind ist zu einer höheren Stufe des Menschendaseins aufgestiegen, ist seelisch nach fünfzehn bis zwanzig Jahren ein anderes Wesen geworden.

Maar wie in de geestelijke werelden – waar toch de menselijke ziel met haar ware wezen bijhoort – doordringen wil, die heeft het uitgangspunt van de intellectuele bescheidenheid nodig. En ik zou de vergelijking waarmee ik onlangs nog gewezen heb op deze intellectuele bescheidenheid, nog een keer willen herhalen, omdat ik vooraf moeten laten gaan, dat door het wisselen van de zaal waar de voordrachten plaatsvinden, een groot deel van het hier aanwezige publiek bij mijn eerste voordracht niet aanwezig was.
Wanneer we met een vijfjarig kind te maken hebben en wij geven hem een werk van Shakespeare, dan zal het met dit boek gaan spelen, hij zal het misschien kapot scheuren, in ieder geval er niet mee doen wat bij een werk van Shakespeare hoort. Wanneer het kind echter een jaar of tien of vijftien verder is, zullen de vermogens die eerder al in de ziel van het kind verankerd lagen, door de opvoeding, door het onderwijs zich manifesteren; nu zal het het werk van Shakespeare gaan lezen. Het kind is op een hoger niveau van het menselijk bestaan gekomen, is wat zijn ziel betreft na vijftien tot twintig jaar een ander wezen geworden.

Man muß, wenn man wirklich in die übersinnliche Welt eindrin­gen will, in der Lage sein, sich zu sagen: Vielleicht ist man als er­wachsener Mensch gegenüber der Natur mit ihren Geheimnissen, mit ihren tieferen Gesetzmäßigkeiten in derselben Lage wie das fünfjährige Kind gegenüber dem Band Shakespeare, und vielleicht ruhen im Innern der Seele Kräfte, die man erst herausholen muß.Wenn man ernsthaft mit dieser intellektuellen Bescheidenheit als erwachsener Mensch an die in der Seele schlummernden Kräfte und Fähigkeiten herangeht, dann gelangt man dazu, höhere Erkennt­nisse, als es die gewöhnlichen des Tages und der gewöhnlichen Wissenschaft sind, in sich auszubilden.
Zunächst muß das Vermögen in der Menschenseele ausgebildet werden, welches man im gewöhnlichen Leben als Erinnerungs­vermögen kennt. Durch dieses Erinnerungsvermögen bringen wir Zusammenhang in unser Leben hinein. Durch dieses Erinnerungsvermögen

Je moet, wil je daadwerkelijk doordringen in de boventuiglijke wereld, in staat zijn, tegen jezelf te zeggen: misschien sta je als volwassene t.o.v. de natuur met haar geheimen, met haar diepere wetmatigheden in dezelfde positie als het vijfjarige kind t.o.v. het werk van Shakespeare en misschien rusten er in het innerlijk van de ziel krachten die je eerst moet ontwikkelen. Wanneer je als volwassene ernstig te werk gaat met de krachten en vermogens die in de ziel sluimeren vanuit deze intellectuele bescheidenheid, dan kom je ertoe hogere kennis dan de gewone van alledag en van de gangbare wetenschap, in jezelf tot ontwikkeling te brengen. Eerst moet het vermogen in de menselijke ziel ontwikkeld worden dat we in het dagelijks leven kennen als het vermogen om ons iets te herinneren. Door dit vermogen brengen we samenhang in ons leven. Hiermee

Blz. 47

zaubert sich vor unsere Seele in Bildern herauf, was wir bis zu einem sehr frühen Jahre der Kindheit erlebt haben. Dieses Erinnerungsvermögen macht dasjenige dauernd, was sonst als Vor­stellung vorüberhuschen würde. Wenn wir uns nur der Außenwelt hingeben könnten, wenn wir uns nur Vorstellungen von den vorüberhuschenden Begebenheiten und Erlebnissen hingeben wür­den, wäre unser ganzes Seelenleben ja ein anderes. – Wenn man nun das, was in der Erinnerung allerdings als dauernde Vorstellungen vorhanden ist, weiter ausbildet, dann gelangt man zu einem ganz anderen Erkenntnisvermögen. Und man kann das durch Methoden ausbilden, die ich in meinem Buch «Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?*», in meiner «Geheimwissenschaft» **und in anderen meiner Schriften geschildert habe. Man kann das durch gewisse Vorgänge der Meditation und Konzentration ausbilden, durch ein hingebungsvolles Ruhen auf gewissen, leicht überschau­baren Vorstellungen, die nicht Reminiszenzen sein dürfen, die nicht auf irgendeiner Autosuggestion beruhen dürfen; deshalb müssen sie leicht überschaubar sein.

Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?» (1904/05), GA 10.
Die Geheimwissenschaft im Umriß» (1910), GA 13.

komen ons op een geheimzinnige manier beelden voor de geest van wat we in onze vroege kinderjaren beleefd hebben. Dit herinneringsvermogen geeft duur aan wat anders als voorstellingsbeeld voorbij zou flitsen. Wanneer we ons alleen maar zouden kunnen richten op de buitenwereld, wanneer we ons alleen maar zouden kunnen richten op de voorstellingen van de voorbijvliegende gebeurtenissen en ervaringen, dan zou heel ons zielenleven anders zijn. Wanneer je nu dat wat in de herinnering als blijvende voorstelling aanwezig is, verder ontwikkelt, dan komt je tot een heel ander kenvermogen. En je kan dat door methoden ontwikkelen die ik in mijn boek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’, in mijn ‘Wetenschap van de geheimen der ziel‘ en in ander schriftelijk werk uiteen gezet heb. Je kan dit door bepaalde processen van meditatie en concentratie vormen, door een met overgave bij bepaalde, licht te overziene voorstellingen stil te blijven staan die geen vage rest van iets mogen zijn, niet op een of ander iets wat je zelf suggereert, vandaar dat ze makkelijk te overzien moeten zijn.

Auf solchen Vorstellungen muß man mit dem ganzen Gefüge seiner Seele ruhen. Und diese Studien, die der wirkliche Geistesfor­scher bezüglich der Erkenntnisse der übersinnlichen Welten zu machen hat, sind nicht leichter als die Studien, die man in der Kli­nik, im physikalischen, im chemischen Laboratorium oder auf der Sternwarte macht, und sie dauern keineswegs eine kürzere Zeit. Dieses Meditieren, dieses Konzentrieren mit der ganzen Seelenkraft auf gewisse Vorstellungen, die man dauernd macht und auf denen man ruht, das muß jahrelang fortgesetzt werden. In der Seele tief unten ruhende Erkenntniskräfte, von denen der Mensch sonst keine Ahnung hat, sie müssen heraufgeholt werden. Werden sie heraufgeholt, dann gelangt man dazu, das, was uns ebenso umgibt, wie uns die physisch-sinnliche Welt umgibt, durch diese höheren Er­kenntniskräfte wahrzunehmen. Zuerst nimmt man sein eigenes Erleben wahr, aber nicht so als den unbestimmten Strom, der bis nahe zu unserer Geburt hingeht, wo die Erinnerungsfragmente herauf-tauchen, sondern man nimmt zunächst wie ein einheitliches, auf

Met heel je ziel moet je je concentreren op dergelijke voorstellingen. En deze studie die de echte onderzoeker van de geest met betrekking tot het kennen van de bovenzinnelijke wereld moet doen, is niet makkelijker dan de studie die je in de kliniek, in het natuurkundig, chemisch laboratorium of bij de sterrenwacht doet en duren geenszins korter. Dit mediteren, dit je concentreren op bepaalde voorstellingen met alle krachten van de ziel, dat je voortdurend doet en waarbij je stilstaat, moet jarenlang gedaan worden. In de ziel moeten de diep daar rustende kenniskrachten waarvan de mens anders geen flauw idee zou hebben, naar boven gehaald worden. Als dat gebeurt, kom je ertoe door deze hogere kenniskracht te gaan waarnemen wat ons omringt net zoals de fysieke zintuiglijke wereld dat doet. Eerst neem je je eigen beleven waar, maar niet zoals de vage stroom die tot dicht op onze geboorte teruggaat, waarvan herinneringsflarden opduiken, maar je neemt dan als een eenheid

Blz. 48

einmal vorhandenes Lebenspanorama den ganzen Überblick dessen wahr, was man in diesem Leben seit seiner Geburt durchlebt hat. -Und lernt man dieses kennen, dann erfährt man, was es heißt, in seiner Seele außerhalb des Leibes zu leben. Gewöhnlich behauptet der Materialismus – und man findet es ja zunächst berechtigt -, daß alles gewöhnliche Vorstellen, alles gewöhnliche Erinnern, alles  gewöhnliche Empfinden und Wollen an den physischen Leib ge­bunden sei. Aber im gewöhnlichen Leben wird ja dieses Empfin­den, wird dieses Wollen, wird dieses Vorstellen unterbrochen. Je­den Tag wird durch den Schlaf dasjenige unterbrochen, was das gewöhnliche, an den Leib gebundene Seelenleben ist. Man empfin­det nur nicht jene bedeutsame Rätselfrage tief genug, welche mit Einschlafen, dem Schlafen und dem Wiederaufwachen verbunden ist. Der Mensch muß ja vorhanden sein im Schlafe, sonst müßte er beim Aufwachen jedesmal wieder neu erstehen. Aber man lernt erst erkennen, in welcher Form der Mensch schlafend vorhanden ist, wenn man jene Übungen absolviert, von denen ich jetzt einige Andeutungen gemacht habe.

als een levenspanorama dat nu aanwezig is als een heel overzicht waar, wat je dit leven sinds je geboorte allemaal meegemaakt hebt. En wanneer je dit leert kennen, ervaar je wat het betekent, in je ziel buiten het lichaam te leven. Gewoonlijk beweert het materialisme – en dat vindt men nu terecht – dat al het gewone voorstellen, al het gewone herinneren, al het gewone beleven en willen aan het fysieke lichaam gebonden is. Maar in het alledaagse leven wordt dit beleven, dit willen, dit voorstellen onderbroken. Iedere dag wordt door de slaap onderbroken wat het alledaagse, aan het lichaam gebonden zielsleven is. Men ervaart alleen deze belangrijke raadselachtige vraag niet diep genoeg die met het inslapen, het slapen en weer wakker worden verbonden is. De mens moet er tijdens de slaap wel zijn, anders zou hij bij het wakker worden iedere keer opnieuw moeten ontstaan. Maar je leert pas de vorm waarin de mens slapend aanwezig is, kennen, wanneer je die oefeningen afmaakt waarover ik nu een paar dingen heb gezegd.

Wenn man tatsächlich in die Lage kommt, seelisch so vorzustel­len, daß man sich nicht der äußeren Augen bedient, nicht anderer Sinne bedient, auch nicht des gewöhnlichen, an das Gehirn gebun­denen Verstandes bedient, sondern nur des rein Geistig-Seelischen – und dazu gelangt man, wenn man das Erinnerungsvermögen aus­bildet in der Weise, wie ich das geschildert habe -, so kommt man dazu, zu wissen, daß der Mensch vom Einschlafen bis zum Aufwa­chen allerdings als geistig-seelische Wesenheit außerhalb seines Lei­bes vorhanden ist und daß nur die Begierde, wiederum zu seinem Leibe zurückzukehren, sich dann geltend macht. Und diese Be­gierde, die verdunkelt das Bewußtsein.Wer sein Erinnerungsvermögen so entwickelt, wie ich es geschil­dert habe, der wird imstande sein, sich ganz genau wie der Schlafen­de zu verhalten – also nicht mit den Sinnen wahrzunehmen, nicht mit dem Verstande die Sinneswahrnehmungen zu kombinieren -, nur ist er vollbewußt. Er kennt das Geistig-Seelische unabhängig vom Leibe. Dadurch gelangt er auch dazu, dieses Geistig-Seelische

Wanneer je daadwerkelijk zover komt dat je voorstelt met je ziel, dat je niet je ogen hoeft te gebruiken, geen andere zintuigen, ook geen gebruik maakt van het gewone verstand dat gebonden is aan je hersenen, maar alleen van puur geest en ziel – en dat bereik je wanneer je het herinneringsvermogen ontwikkelt op de manier zoals ik dat geschetst heb – dan kom je ertoe te weten dat de mens vanaf het inslapen tot het wakker worden buiten zijn lichaam als geest-zielenwezen aanwezig is en dat het verlangen weer naar zijn lichaam terug te gaan, zich dan doet gelden. En dit verlangen, dat omfloerst het bewustzijn. Wie zijn herinneringsvermogen zo ontwikkelt als ik het heb aangegeven, zal in staat zijn zich net zo te gedragen als iemand die slaapt – dus niet waarnemen met de zintuigen, niet met het verstand de zintuigwaarnemingen combineren – alleen hij is vol bij bewustzijn.  Hij kent wat geestelijk en van de ziel is onafhankelijk van het lichaam. Daardoor komt hij ook zover dit geest-zielsmatige

Blz. 49

vor der Geburt oder Empfängnis und nach dem Tode in seiner wahren Wesenheit und im Zusammenhang mit der übrigen über­sinnlichen Welt zu erkennen.
Und wenn er dann dazu noch eine zweite, auch im gewöhnlichen Leben vorhandene Seelenkraft weiter ausbildet, nämlich die Kraft der Liebe, wenn er die Kraft der Liebe zu einer Erkenntniskraft macht, dann lernt der Mensch die Bilder, die er sonst wie ein über-sinnliches Panorama erlebt, auch in ihrer unmittelbaren Realität kennen. Bildet man in der Art, wie ich es auch schon geschildert habe, die Liebefähigkeit aus, dann wird die übersinnliche Er­kenntnis eine bis zu einem gewissen Grade vollkommene. Und was wir dann dadurch erlangen, das ist nicht bloß eine seelische Befrie­digung, das ist nicht bloß etwas, was unser theoretisches Bedürfnis befriedigt, sondern das ist im wesentlichen auch praktisches Le­bensresultat. Daher war es so, daß alles, was von Dornach ausging, von Anfang an ins praktische Leben eingreifen wollte. Und man­ches ist uns gerade für die Lebenspraxis bereits gelungen.
Heute möchte ich auf etwas aufmerksam machen, was im emi­nentesten Sinne ein Glied einer Lebenspraxis ist, die alle Menschen interessieren muß.

van voor de geboorte of conceptie en van na de dood in het ware wezen en in samenhang met de andere bovenzintuiglijke wereld te gaan kennen.
En wanneer hij dan daarbij nog een tweede zielenkracht die ook in het dagelijks leven aanwezig is, verder ontwikkelt, namelijk de kracht van de liefde, wanneer hij deze tot een kracht maakt om te leren kennen, dan leert de mens de beelden die hij anders beleeft als een bovenzinnelijk panorama, ook in hun directe realiteit kennen. Ontwikkel je op de manier die ik ook al geschetst heb, het vermogen van de liefde, dan wordt de bovenzintuiglijke kennis er een die in zekere zin volmaakt is. En wat we daardoor bereiken, dat is niet alleen maar een tevredenstellen van de ziel, dat is niet enkel en alleen iets wat onze behoefte aan iets theoretisch bevredigt, maar het is in wezen ook iets praktisch voor het leven. Daarom was het zo, dat alles wat uitging van Dornach, van meet af aan wilde ingrijpen in het praktische leven. En juist voor de praktijk van het leven is er ons al veel gelukt.
Vandaag wil ik op iets wijzen wat op een buitengewoon belangrijke manier een deel is van de praktijk van het leven waarvoor alle mensen wel interesse moeten hebben.

Ich möchte auf die Art und Weise aufmerksam machen, wie die hier gemeinte anthroposophisch orientierte Gei­steswissenschaft die Erziehungs- und Unterrichtskunst befruchten kann.
Was erlangt man denn eigentlich durch eine solche Geistes­wissenschaft, wie ich sie nun ganz skizzenhaft in ihren Metho­den dargestellt habe? Man erlangt vor allen Dingen eine wirkli­che Menschenerkenntnis. Ohne daß man in das Übersinnliche hineinschauen kann, ist es ja unmöglich, Menschenerkenntnis zu haben. Der Mensch ist ja nicht nur die äußere physische Orga­nisation, über die uns so großartige, gewaltige, nicht genug zu würdigende Aufschlüsse die äußere naturwissenschaftliche Welt­anschauung gibt. Der Mensch ist auch Seele und Geist. Der Mensch birgt in sich den ewigen Wesenskern, der durch Gebur­ten und Tode geht, der ein Bewußtsein nach dem Tode hat, weil er dann nicht die Begierde nach dem Leibe hat, welcher beim

Ik zou erop willen wijzen hoe de hier genoemde antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap vruchtbaar kan uitwerken op de opvoed- en onderwijskunst.
Wat komt er door een dergelijke geesteswetenschap zoals ik die alleen maar heel schetsmatig wat haar methoden betreft, neergezet heb, tot stand? Allereerst levert ze een echte menskunde op. Zonder dat je in de bovenzintuiglijke werelden kan waarnemen, is het onmogelijk menskunde te bezitten. De mens is niet alleen maar het uiterlijk fysieke organisme waarover de natuurwetenschappelijke wereldschouwing ons de zo grootse, geweldige, niet genoeg te prijzen ontdekkingen verschaft. De mens is ook ziel en geest. De mens huisvest in zichzelf de eeuwige wezenskern die door de verschillende geboorten en dood heengaat, dat na de dood een bewustzijn heeft, omdat hij dan niet de begeerte naar het lichaam heeft dat tijdens het

Blz. 50

Schlafe im Bette liegt und wonach er während des Schlafes Begierde hat, die ihm eben sein Bewußtsein im gewöhnlichen Schlafe auslöscht.
Wenn dieser gewöhnliche physische Leib im Tod abgelegt ist, dann erhält der Mensch ein um so helleres Bewußtsein, weil er dann nicht durch irgendeine Begierde nach einem Leib das Bewußtsein ausgelöscht hat. Durch alles das und noch durch vieles, das ich jetzt nicht schildern möchte, das Sie aber in meinen Schriften nachlesen können, erlangt der Mensch dasjenige, was wirkliche Menschen-erkenntnis ist. Und nur aus wirklicher Menschenerkenntnis heraus kann wahre Unterrichtskunst und wahre Erziehungskunst ent­stehen.
Wir haben versucht, gerade dieses Gebiet des praktischen Lebens in der von Emil Molt in Stuttgart begründeten Waldorfschule zu behandeln, die von mir geleitet wird und deren Pädagogik und Di­daktik ganz und gar aus anthroposophisch orientierter Geisteswis­senschaft heraus fließt. Erstens ist schon die Gesinnung der Lehrer-schaft eine solche, daß mit jeder Unterrichtsstunde, mit jedem neu­en Morgen in die Klasse etwas hineingetragen wird, was das Erzie­hen und Unterrichten zu einer Art geistigem Dienst macht.

slapen in bed ligt en waarnaar hij gedurende de slaap verlangt, waarvoor hij dan in de gewone slaap geen bewustzijn heeft.
Wanneer dit gewone fysieke lichaam bij de dood achtergelaten wordt, krijgt de mens een veel helderder bewustzijn, omdat het bewustzijn dan zijn verlangen naar het lichaam gedoofd heeft. Door dat alles en door nog veel meer dat ik nu niet wil schetsen, maar dat u in mijn schriftelijk werk na kan lezen, komt de mens tot een echte menskunde. En alleen vanuit een echte menskunde kan echte onderwijskunst en echte opvoedkunst ontstaan.
Wij hebben geprobeerd, juist op het gebied van het praktische leven te handelen in de vrijeschool in Stuttgart die door Emil Molt is opgericht en waarover ik de leiding heb; de pedagogie en didactiek ervan vloeit geheel en al voort uit de antroposofisch georiëntieerde geesteswetenschap. Allereerst is de stemming van de leerkrachten zo dat er ieder lesuur, iedere morgen iets de klas in wordt gebracht wat het opvoeden en lesgeven tot een soort dienst aan de geest maakt.

Heißt es denn nicht etwas Besonderes, wenn man durch anthroposophi­sche Geisteswissenschaft weiß: Dieses Menschenwesen, das sich uns so rätselhaft wunderbar offenbart in dem heranwachsenden Kinde, es ist aus geistigen Welten durch die Empfängnis oder Geburt herabgestiegen? Wenn das eine wirkliche Erkenntnis ist, wenn sie durch anthroposophische Geisteswissenschaft vermittelt wird, dann steht man dem werdenden Menschen, dem Kind so gegen­über, daß hier eine einem von den geistigen Welten anvertraute Aufgabe ist. Dann sieht man, wie das Ewige, das aus geistigen Wel­ten heruntergestiegen ist, sich von Tag zu Tag, von Woche zu Woche, von Jahr zu Jahr aus den zuerst unbestimmten physio­gnomischen Zügen, den unbestimmten Bewegungen des Kindes herausarbeitet zu immer größerer Bestimmtheit. Das Geistig-Seelische sieht man arbeiten an der physischen Ausgestaltung des Menschen.

Is het dan niet bijzonder dat je door antroposofische geesteswetenschap weet: dit mensenwezen dat zich met het opgroeiende kind op een zo raadselachtige manier aan ons vertoont, is uit de geestelijke wereld door de conceptie of de geboorte afgedaald? Wanneer dat echte kennis is, wanneer dit door de antroposofische geesteswetenschap wordt doorgegeven, dan sta je t.o.v. de wordende mens, het kind, zo dat het hier om een opdracht van de geestelijke wereld gaat die je wordt toevertrouwd. Dan zie je hoe het eeuwige dat uit werelden van de geest afgedaald is, van dag tot dag, van week tot week, van jaar tot jaar uit de eerst nog vage fysionomische trekken, de onbestemde bewegingen van het kind zich ontwikkelt tot een steeds grotere vastberadenheid. Je ziet geest en ziel meebouwen aan de fysieke vorming van de mens.

Blz. 51

Es soll hier nicht irgendwie eine leichtfertige Kritik geübt wer­den an dem, was durch pädagogische Genies im Laufe des 18. und 19. Jahrhunderts hervorgebracht worden ist. Gewiß, es ist da man­cher schöne Grundsatz gerade mit Bezug auf Pädagogik geäußert worden. Es wird zum Beispiel mit Recht betont: Ja, die Pädagogik hat doch solche Grundsätze wie «man solle nichts von außen in die Kinder hineinpfropfen; man solle alles das, was man an die Kinder heranbringen will, aus ihren eigenen Anlagen und Fähigkeiten herausholen». Ganz richtig, ein ausgezeichneter Grundsatz – aber abstrakt und theoretisch. Und so tritt uns gerade das weitaus meiste unserer Lebenspraxis in Abstraktionen, in theoretischen Program­men entgegen. Denn das, was man braucht, um so etwas auszufüh­ren wie aus der Individualität dasjenige herauszuholen, was das Kind in sich ausbilden soll, dazu braucht man wirkliche Menschen­erkenntnis. Menschenerkenntnis, die in alle Tiefen des Menschen hineingeht. Solche Menschenerkenntnis kann aber die Wissen­schaft, die bisher in der modernen Zivilisation vorhanden ist, trotz ihrer großen Triumphe nicht haben.

Hier wordt niet een of andere oppervlakkige kritiek uitgeoefend op wat door pedagogische grote geesten in de loop van de 18e en 19e eeuw naar voren gebracht is. Zeker is dat er menig mooi principe wat de pedagogie betreft naar buiten is gekomen. Met recht wordt bv. benadrukt: Ja de pedagogie heeft toch zulke uitgangspunten als: je moet niets van buitenaf in de kinderen proppen; alles wat je aan de kinderen wil aanleren moet je uit hun eigen aanleg en vaardigheden halen. Helemaal terecht, een uitstekend uitgangspunt – maar abstract en theoretisch. En zo komt juist verreweg het meeste van onze levenspraktijk in abstracties, in theoretische programma’s op ons af. Want wat je nodig hebt om zoiets te realiseren als uit de individualiteit te halen wat in het kind tot ontwikkeling moet komen, wat het kind in zichzelf vorm moet geven, heb je echte menskunde nodig, Menskunde die in alle diepte ingaat op de mens. Een dergelijke menskunde kan de wetenschap die tot nog toe in de moderne beschaving voor handen is, ondanks de grote successen, echter niet bezitten.

Ich möchte Ihnen nun ganz konkret gewisse Dinge vorführen, an denen Sie sehen werden, wie diese Geisteswissenschaft, wie sie hier gemeint ist, zu wirklicher Menschenerkenntnis gelangt. Man hat ei­nen billigen Ausspruch, der immer wieder gedankenlos wiederholt wird in den Worten: Die Natur macht keine Sprünge! – Die Natur macht nämlich fortwährend Sprünge, und dieser Ausdruck beruht, wie gesagt, nur auf Gedankenlosigkeit. Denken Sie an die Pflanze: Sie entwickelt die grünen Laubblätter, dann macht sie den Sprung zum Kelch, dann den Sprung zu den farbigen Blumenblättern, den Staubgefäßen und so weiter. Und so ist es mit allem Leben. Es ist nur eine Phrase, zu sagen, die Natur mache keine Sprünge. Und so ist es namentlich im Menschenleben. Wir haben im Menschenleben, wenn wir es unbefangenerweise durch die Impulse beobachten kön­nen, die gerade anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft gibt, deutlich voneinander unterschiedene Lebensepochen. Die er­ste Lebensepoche geht von der Geburt bis zum Zahnwechsel so um das siebente Jahr herum. Sie endet also mit dem Jahr, in dem wir die

Nu zou ik u heel concreet een paar dingen willen laten zien waaraan je kan waarnemen hoe de geesteswetenschap zoals die hier bedoeld wordt, tot echte menskunde komt. Er bestaat een goedkope uitspraak, die steeds maar weer gedachteloos herhaald wordt met de woorden: de natuur maakt geen sprongen! De natuur maakt namelijk voortdurend sprongen en deze uitdrukking berust, zoals gezegd op gedachteloosheid. Denk eens aan een plant:
Die ontwikkelt het groene blad, dan maakt ze de sprong naar de kelk, dan de sprong naar de kleurige bloembladeren, de meeldraden enz. En zo gaat het met alles wat leeft. Het is slechts een frase om te zeggen, dat de natuur geen sprongen maakt. En zo is het ook in het leven van de mens. We hebben in het leven van de mens, wanneer we het op een onbevangen manier door de impulsen kunnen waarnemen die met name de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap geeft, duidelijk van elkaar te onderscheiden levensfasen.
De eerste levensfase loopt van de geboorte tot de tandenwisseling, zo rond het zevende jaar. Die eindigt dus met het jaar waarin wij

Blz. 52

Kinder in die Volksschule hereinbekommen. Man kann – wenn man nur die nötige Einsicht und Unbefangenheit des Beobachtens hat, wenn man sich gewöhnt, das Leben nur auf einer höheren Stufe so zu beobachten, wie man sonst gerade in der Naturwissenschaft auf der untersten Stufe beobachtet – die großen Unterschiede zwi­schen der ersten und der zweiten Lebensphase des Menschen scharf charakterisieren. Die erste Lebensphase endet mit dem Zahnwech­sei, die zweite mit der Geschlechtsreife. Beide Lebensepochen sind durchaus voneinander verschieden. Die erste Lebensepoche zeigt uns das Kind als ein nachahmendes Wesen. Bis in das Spiel hinein ist das Kind ein nachahmendes Wesen. Gewiß, mancher glaubt, im Spiel präge sich ein gewisses imaginatives Wesen aus. Das ist auch der Fall, aber wenn Sie das Spiel im tiefsten Wesen studieren, wer­den Sie überall die Nachahmungsmomente gerade im kindlichen Spiel wahrnehmen. Und in Anknüpfung an dieses Spiel möchte ich gleich bemerken, wie ungeheuer bedeutungsvoll für eine lebensvol­le, wirklich ins Dasein eingreifende Erziehung und pädagogische Kunst Menschenerkenntnis, Erkenntnis des Menschen in bezug auf seine Totalität ist.

kinderen op de basisschool krijgen. Je kan – wanneer je maar het nodige inzicht en de onbevangen waarneming hebt, wanneer je er een gewoonte van maakt het leven alleen maar op een hoger niveau zo te bekijken zoals je anders vooral in de natuurwetenschap op het laagste niveau waarneemt – het grote verschil scherp karakteriseren tussen de eerste en de tweede levensfase. De eerste levensfase eindigt met de tandenwisseling, de tweede met de geslachtsrijpheid. Beide levensfasen zijn absoluut verschillend van elkaar. De eerste levensfase laat ons zien dat het kind een nabootsend wezen is. Zeker, menigeen gelooft dat zich in het spel iets imaginatiefs uitdrukt. En dat is ook zo, maar wanneer je het spel in zijn diepste wezen bestudeert, zul je overal momenten van nabootsing vinden, met name in het spel van het kind. En aansluitend bij dit spel zou ik meteen willen opmerken hoe ongelooflijk belangrijk de menskunde, het weten omtrent de mens is, voor een vol levende opvoeding en pedagogische kunst die werkelijk van invloed is op het bestaan wat betreft zijn totale wezen.

Sehen Sie, jedes Kind spielt anders. Wer einen unbefangenen Beobachtungssinn hat, kann genau unterscheiden, wie das eine Kind, wie das andere Kind spielt. Wenn auch der Unterschied kein großer ist – man muß Psychologe sein, um so etwas beobachten zu können, wenn man überhaupt Pädagoge werden will. Kann man das aber, dann muß man die verschiedenen Arten des Spielens auf eine ganz andere Lebensepoche des Menschen beziehen. In bezug auf die Menschenbeobachtung ist ja die äußere Wissenschaft so, daß sie überhaupt nur das Nächste an das Nächste reiht. Aber damit kommt man nicht weit. Das, was man beobachten kann im kind­lichen Spiel, bleibt nicht in der nächsten Lebensepoche. Da ist das Kind anderen Dingen zugewendet, also in der Zeit vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife. Wenn es auch fortspielt, das eigentliche Spielalter prägt sich nicht mehr so charakteristisch aus wie früher. Das, was die Spielleidenschaften sind, tritt in die Tiefe der Seele zurück und erst in einem viel späteren Lebensalter tritt es

Ieder kind speelt anders. Wie onbevangen kan waarnemen, kan precies onderscheiden hoe het ene kind, hoe het andere kind speelt. Ook al is het verschil niet groot – je moet psycholoog zijn om zoiets te kunnen waarnemen, zeker als je pedagoog wil worden. En wanneer je dat kunt, moet je de verschillende manieren van spelen in relatie brengen met een heel andere leeftijdsfase van de mens. Wat het waarnemen van mensen betreft is het bij de gewone wetenschap zo dat deze eigenlijk alleen maar het ene aan wat erop volgt koppelt. Maar daarmee kom je niet ver. Wat je waarnemen kan in het kinderspel, blijft in de volgende levensfase niet. Dan richt het kind zich op andere dingen, dus zo in de tijd van de tandenwisseling tot de puberteit. Ook al speelt het nog, zo karakteristiek als het daarvoor was, komt het spel niet meer tot uitdrukking. De speeldrift trekt zich in de diepere lagen van de ziel terug

Blz. 53

wieder zutage: in der zweiten Hälfte der zwanziger Jahre, wenn der Mensch sich in das praktische Leben hineinstellen soll. Der eine stellt sich mit großer Geschicklichkeit in die Aufgaben des Schick­sals hinein, der andere wird ein weltenferner Träumer, und zwi­schen beiden sind die mannigfaltigsten Nuancen möglich. Die Art, wie sich der Mensch in diesen Jahren in das praktische Leben hin­einstellen kann, ist durchaus zu erklären, wenn man weiß, wie der Mensch mit vier, fünf, sechs, sieben Jahren gespielt hat.
Daher ist es von einer durchgreifenden Wichtigkeit, als Pädago­ge, als Erzieher das kindliche Spiel zu leiten; zu beobachten, was aus dem Kind herauswill, zu lenken dasjenige, was nicht heraus soll, weil das Kind dadurch ungeschickt würde im späteren Leben. Denn man gibt dem Kind, wenn man das Spiel im zartesten Alter in der richtigen Weise leitet, etwas mit für die Lebenspraxis, wie sie sich erst in den zwanziger Jahren ausbildet. Das ganze Leben des Men­schen hängt zusammen, und was wir in der Jugend in die kindliche Seele einpflanzen, das kommt erst viel später im Leben in den man­nigfaltigsten Metamorphosen zutage. Nur eine totale Menschen­kenntnis, wie sie anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft gibt, kann tatsächlich Zusammenhänge, die so weit auseinan­derliegen wie die zwanziger Jahre und das kindliche Alter, wie das Hineinfinden in die Lebenspraxis und die Spieltriebe, durchschau­en; nur solche Geisteswissenschaft kann so tief hineinschauen in das Leben.

en pas op een veel latere leeftijd komt deze weer tevoorschijn: in de tweede helft van de twintiger jaren, wanneer de mens zijn plaats moet vinden in het leven van alle dag. De een vindt met gemak zijn weg in de opgaven die het leven stelt, de ander wordt een levensvreemde dromer en hier tussenin zijn heel wat nuances mogelijk. De manier waarop de mens in deze jaren zijn draai in de praktijk van het leven vindt, is zeer zeker te verklaren, wanneer je weet, hoe de mens op vier-, vijf-, zes-, zevenjarige leeftijd heeft gespeeld.
Daarom is het van doorslaggevende betekenis om als pedagoog, opvoeder het spelen van een kind zo te leiden: te kijken wat er uit het kind komt, te sturen wat er niet uit moet komen, omdat het kind daardoor ongeschikt zou worden voor het latere leven.  Want je geeft het kind, wanneer je zijn spel in zijn meest prille leeftijd op de juiste manier leidt, iets mee voor de praktijk van het leven zoals zich dat pas in de twintiger jaren vormt. Het hele leven van de mens hangt samen en wat wij in de jeugd in de kinderziel planten, komt pas veel later in het leven tevoorschijn, op de meest verschillende manieren gemetamorfoseerd.
Alleen een totale kennis van de mens, zoals de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap die geeft, kan daadwerkelijk samenhang zien in wat zo ver uit elkaar ligt als de twintiger jaren en de kinderleeftijd, ook tussen het zich een plaats kunnen verwerven in de praktijk van het leven en de speeldrift; alleen zo’n geesteswetenschap kan zo diep in het leven waarnemen.

Das wird Ihnen eine Vorstellung davon geben, aus welchem Umfang einer Menschenerkenntnis diese anthroposophisch orien­tierte Geisteswissenschaft arbeiten will, um eine pädagogische Kunst auszubilden.
Ein nachahmendes Wesen ist das Kind, sagte ich, bis zum sieben­ten Jahre ungefähr. Und ich sage diese Zahl Sieben wahrhaftig nicht aus irgendeiner mystischen Neigung heraus, sondern weil tatsäch­lich der Zahnwechsel ein Wichtiges in der ganzen Lebensentwick­lung des Kindes ist. – Das Kind lernt durch Nachahmung die be­sondere Artung seiner Bewegungen, auch seine Sprache; es entwik­kelt sogar auf diese Weise die Form seiner Gedanken. Weil der Zu­sammenhang zwischen der Umgebung des Kindes und dem Kind

Dit kan u een voorstelling geven van uit welke volheid van een menskunde deze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap wil werken om een pedagogische kunst te scheppen.
Ik zei dat het kind een nabootsend wezen is, tot ongeveer het zevende jaar. En ik noem dit getal zeven echt niet vanuit een of andere mystieke neiging, maar omdat daadwerkelijk de tandenwisseling een heel belangrijk iets is in de hele levensontwikkeling van het kind. Het kind leert door nabootsing zijn bijzondere manier van bewegen, ook zijn taal; het ontwikkelt zo zelfs zijn manier van denken. Omdat de relatie tussen de omgeving van het kind en het kind

Blz. 54

selbst nicht nur von dem Äußerlichen abhängig ist, sondern Impon­derabilien in sich birgt, müssen Eltern oder Erzieher, die in der Umgebung des Kindes leben, sich klar darüber sein, wie das Kind sich anpaßt an das, was die Erwachsenen in seiner Umgebung nicht nur äußerlich tun – nicht nur, was sie sprechen -, sondern was sie empfinden, was sie fühlen, was sie denken. Man glaubt das gewöhn­lich nicht in unserem materialistischen Zeitalter, daß auch ein Unterschied besteht in bezug auf die Heranbildung des Kindes, ob wir uns edlen oder unedlen Gedanken in der Nähe des Kindes hin­geben, weil man die Lebenszusammenhänge nur nach äußerlichen materiellen Entitäten sieht, und nicht, wie die Dinge innerlich durch Imponderabilien zusammenhängen. Das sieht man, wenn man das Leben wirklich seinen innerlichen Strukturen nach beob­achtet.
Ich möchte an einem Beispiel erhärten, auf was es eigentlich bei solchen Dingen ankommt: Es kam einmal ein Vater zu mir, der klagte bitterlich – und ich könnte manches ähnliche Beispiel anfüh­ren -, sein fünfjähriges Knäblein habe gestohlen. Er war darüber sehr unglücklich. Ich sagte: 

zelf niet alleen maar van uiterlijkheden afhankelijk is, maar er ook onweegbare zaken in meespelen, moeten ouders en opvoeders die in de omgeving van het kind verkeren, duidelijk weten dat een kind zich aanpast aan wat de volwassenen in zijn buurt niet alleen maar voor het uiterlijke oog doen – niet alleen maar wat ze zeggen – maar ook wat ze beleven, wat ze voelen, wat ze denken. In onze materialistische tijd gelooft men gewoonlijk niet dat er ook verschil bestaat als het om de vorming van het kind gaat, of wij in de omgeving van het kind vervuld zijn van nobele of onedele gedachten, omdat men wat er in het leven met elkaar te maken heeft, alleen maar als uiterlijk stoffelijke grootheden ziet en niet hoe de dingen innerlijk door het imponderabele met elkaar samenhangen. Dat zie je als je het leven werkelijk waarneemt wat de innerlijke structuur betreft.
Ik zou met een voorbeeld willen staven waarop het eigenlijk aankomt bij dergelijke dingen. Er kwam eens een vader naar me toe, die er heftig over klaagde – en ik zou meer van dergelijke voorbeelden kunnen geven – dat zijn zoontje van vijf had gestolen. Hij zat er heel erg mee. Ik zei:

Wir wollen einmal nachsehen, ob der fünfjährige Knabe wirklich gestohlen hat. – Ich ließ mir den Fall beschreiben. Was war eigentlich geschehen? Der Junge hatte aus der Schublade, in der die Mutter ihre Pfennige verwahrte, die sie immer brauchte für die täglichen kleinen Bedürfnisse, etwas Geld heraus­genommen, Näschereien dafür gekauft; er hatte nicht einmal aus Egoismus das getan, sondern er hatte die Näschereien verteilt unter andere Kinder Ich sagte zu dem Vater: Das Kind hat nicht gestoh­len, sondern was die Mutter immer tut, das hält das Kind auch für richtig, daß es das tun dürfe, denn es ist ja in dem Alter von fünf Jahren noch durchaus ein nachahmendes Wesen. Dessen müssen wir uns bewußt sein: nicht durch Ermahnungen, durch Gebote wirken wir auf die Kinder. sondern lediglich durch das, was wir in ihrer Umgebung tun.
Und wir gelangen erst zu einem gesunden Urteil über die ganze Seelenkonfiguration des Kindes, wenn wir wissen: Mit dem Zahn-wechsel wird diese Seelenkonfiguration des Kindes eine wesentlich

‘Laten we eens kijken of het vijfjarige ventje nu echt gestolen heeft.’  Ik liet het voorval beschrijven. Wat was er nu gebeurd? Het jongetje had uit de tafella waar moeder het geld in bewaart dat ze nodig heeft voor de dagelijkse boodschappen, wat geld weggepakt en er snoep voor gekocht; dat had hij niet uit egoïsme gedaan, maar hij had dit snoep uitgedeeld aan andere kinderen.  Ik zei tegen z’n vader: ‘Het kind heeft niet gestolen, maar wat het kind zijn moeder ziet doen, houdt het voor juist en dat mag hij dus ook doen, want hij is op de leeftijd van vijf jaar door en door een nabootsend wezen.’ En we moeten goed weten dat we niet door vermaningen en geboden op de kinderen kunnen inwerken, maar enkel en alleen door wat we in hun omgeving doen.
En we krijgen pas een gezond oordeel over hoe de hele ziel van het kind is, wanneer we weten: met de tandenwisseling verandert deze kinderziel wezenlijk.

Blz. 55

andere. Da tritt an die Stelle des bloßen Nachahmens das seelische Verhalten zur Umgebung als einer selbstverständlichen Autorität. Und wir haben es während der ganzen Schulzeit zu tun mit diesem Verlangen des Kindes nach der selbstverständlichen Autorität des Lehrers, des Erziehers oder dessen, der sonst das Kind umgibt. Man muß nur wissen, was es für das ganze Leben bedeutet, wenn man in diesem kindlichen Alter vom siebenten bis zum fünfzehnten Jahr mit einer wirklichen, großen inneren Scheu zu denjenigen aufgese­hen hat, die als Erwachsene mit erzieherischer Autorität in der Umgebung waren, die so zu uns standen, daß uns das, was wir für wahr und falsch hielten, hervorging aus der Art und Weise, wie die­se Erzieher wahr und falsch sahen; auf dasjenige, was für die Erzie­her der Maßstab von wahr und falsch war. Ins Menschliche, nicht in irgend etwas Abstraktes gehen wir hinein, wenn wir Wahr und Falsch, Gut und Böse in diesem kindlichen Lebensalter unterschei­den wollen.

In plaats van alleen maar de nabootsing ziet de menselijke ziel nu in de omgeving een vanzelfsprekende autoriteit. En gedurende de hele basisschooltijd hebben we te maken met dit verlangen van het kind naar de vanzelfsprekende autoriteit van de leraar, de opvoeder of iemand die anders bij het kind is. Je moet wel weten wat het voor het hele leven betekent, wanneer je op deze kinderleeftijd van het zevende tot het vijftiende jaar met een echte innerlijke eerbied opgekeken hebt naar de volwassene die met pedagogische autoriteit in de omgeving was, die op een manier bij ons was dat het voor ons waar was of verkeerd wat deze opvoeder als waar of verkeerd zag; wat zijn maatstaf van goed of verkeerd was. We gaan naar het menselijke, niet naar iets abstracts als we waar en onwaar, goed en slechts in deze kinderleeftijd willen onderkennen.

Sie werden nicht glauben, daß ich aus irgendeiner Vorliebe für konservative oder reaktionäre Ideen diese Notwendigkeit – daß aller Unterricht, alle Erziehung zwischen dem siebenten und fünf­zehnten Jahr auch auf selbstverständliche Autorität gebaut werde -vertrete, wenn ich Ihnen sage, daß ich schon 1892 eine kleine Schrift geschrieben habe*, in der ich mit aller Entschiedenheit die individu­elle Freiheit des Menschen als eine soziale Grundforderung hinge-stellt habe. Aber keiner kann ein wirklich freier Mensch werden, keiner kann in Freiheit das rechte soziale Verhältnis zu seinen Mitmenschen finden, wenn er nicht zwischen dem siebenten und fünfzehnten Jahr eine selbstverständliche Autorität neben sich an­erkannt hat, und aus dieser heraus den Maßstab für Wahr und Falsch, Gut und Böse prägen lernte, um erst hinterher zu dem selbständigen Maßstab der verstandesmäßigen oder sonstigen rein innerlichen, autonomen Beurteilung zu kommen.
Und dann ist die Seele des Kindes in diesem Lebensalter noch so beschaffen, daß sie zuerst durchaus noch mit der Umgebung ver­wachsen ist. Erst wenn wir an das Ende dieser Lebensphase kom­men, die in das zwölfte, dreizehnte Jahr fällt, da sehen wir, daß das

*meine «Philosophie der Freiheit«: Das Buch (GA 4) erschien im Herbst 1893, trug aber als Erscheinungsjahr bereits die Zahl 1894. Seither ist es in vielen Auflagen erschienen. Siehe auch den Band «Dokumente zur >Philosophie der Freiheit», GA 4a.

U moet niet denken dat ik vanuit een of andere voorliefde voor conservatieve of reactionaire ideeën deze noodzaak – dat het hele onderwijs, heel de opvoeding tussen het zevende en het vijftiende jaar ook op vanzelfsprekende autoriteit gebouwd moet zijn – bepleit, als ik zeg dat ik al in 1892 een klein boekje heb geschreven* waarin ik met alle kracht de individuele vrijheid van de mens als een sociale basiseis neergelegd heb. Maar niemand kan een echt vrij mens worden, niemand kan in vrijheid de juiste sociale verhouding tot zijn medemens vinden, wanneer hij niet tussen het zevende en het vijftiende jaar een vanzelfsprekende autoriteit naast zich erkend heeft en door hem de maatstaf voor goed of verkeerd, goed of slecht sterk in zich leerde opnemen om pas naderhand tot de zelfstandige maatstaf van een verstandig of anderszins puur innerlijk zelfstandige beoordeling te komen.
En dan is de ziel van het kind op deze leeftijd nog zo dat deze dan juist nog met de omgeving vergroeid is. Pas wanneer we op het eind van deze leeftijdsfase komen die in het twaalfde dertiende jaar valt, zien wij dat

*mijn «Filosofie van de vrijheid«: Het boek (GA 4) verscheen in de herfst an 1893, jaar van verschijning al 1894. Sindsdien zijn er veeel oplagen verschenen. Zie ook band  «Dokumente zur >Philosophie der Freiheit», GA 4a.

Blz. 56

Kind sich deutlich von seiner Umgebung unterscheidet, daß es weiß: das Ich ist innerlich, die Natur äußerlich. Gewiß, das Ich­Bewußtsein ist natürlich in dem allerersten Kindesalter vorhanden, aber da ist es doch mehr ein Gefühl. Man muß wissen, wenn man richtig erziehen will, daß zwischen dem neunten und dem zehnten und einem halben Jahr ungefähr ein außerordentlich wichtiger Punkt in der kindlichen Entwicklung liegt. Es ist der Punkt, wo das Kind sich innerlich so vertieft, daß es sich überall von der Natur und der sonstigen Außenwelt unterscheiden lernt. Vor diesem Zeit­punkt, der ein starker Wendepunkt im menschlichen Leben ist, sieht das Kind im Grunde seine Umgebung in Bildern, weil sie noch verwachsen ist mit dem eigenen inneren Leben, in Bildern, die oft­mals symbolisch sind. Es denkt über seine Umgebung in symbo­lischer Weise. Nachher tritt eine andere Epoche ein. Das Kind unterscheidet sich von der Natur und der äußeren Umgebung.
Von einer ungeheuren Bedeutung ist es, daß der Erzieher diesen Lebenspunkt, der für das eine Kind etwas später, für das andere etwas früher liegt, in der richtigen Weise beurteilen kann.

het kind zich duidelijk van zijn omgeving onderscheidt, dat het weet: mijn Ik zit van binnen, de natuur is buiten. Zeer zeker, het ik-bewustzijn is al in de allereerste kinderleeftijd aanwezig, maar dan is het nog meer een gevoel. Wil je goed opvoeden, moet je weten dat tussen het negende en tien en een half jaar ongeveer een buitengewoon belangrijk punt in de ontwikkeling van het kind ligt. Dat is het punt waarop het kind innerlijk zich zo verdiept dat het zich overal van de natuur en de andere buitenwereld leert onderscheiden. Vóór dit tijdstip, dat een belangrijk keerpunt in het menselijke leven is, ziet het kind in hoofdzaak zijn omgeving in beelden, omdat die nog samengaan met het eigen innerlijke leven, in beelden die dikwijls symbolisch zijn. Het denkt over zijn omgeving op een symbolische manier. Naderhand begint een andere fase. Het kind maakt onderscheid tussen zichzelf en de natuur en de uiterlijke omgeving.
Het is buitengewoon belangrijk dit de opvoeder dit punt in het leven dat voor het ene kind wat later, voor het andere wat vroeger ligt, op de juiste manier kan beoordelen.

Denn wie der Lehrer und Erzieher sich zwischen dem neunten und zehnten Jahr in der richtigen Weise verhält – väterlich, freundlich, liebevoll das Kind über diesen Rubikon führend -, das bedeutet einen Ein­schlag in das menschliche Leben, der für das ganze folgende Dasein bis zum physischen Tode hin bleibend ist. Ob ein Mensch in den entscheidenden Augenblicken Lebensfrische haben kann, ob er in­nere Seelenöde durch das Leben trägt, das hängt in vieler Beziehung allerdings nicht in jeder – davon ab, wie sich der Lehrer und Er­zieher zwischen dem neunten und zehnten und einem halben Jahr zu dem Kinde verhalten hat. Da handelt es sich manchmal darum, daß man im rechten Augenblick einfach das rechte Wort findet, wenn einem vielleicht ein Junge oder ein Mädchen auf dem Korri­dor begegnet und etwas fragt, daß man die rechte Miene macht, in­dem man antwortet. Erziehungskunst ist nicht etwas, was sich ab­strakt lernen oder lehren läßt – so wenig wie Malen oder Bildhauern oder irgendeine andere Kunst, sondern sie ist etwas, was auf unend­lichen Einzelheiten beruht, die aus seelischem Takt hervorgehen.

Wantde manier waarop de leerkracht en opvoeder zich tussen het negende en tiende jaar opstelt, op de juiste manier – vaderlijk, vriendelijk, liefdevol het kind over deze rubicon leidend – betekent een inslag in het menselijk leven die voor het hele volgende bestaan tot de fysieke dood blijvend is. Of een mens op de beslissende ogenblikken over levenselan beschikken kan of dat hij een innerlijke gevoelsleegte door het leven meedraagt, hangt in vele opzichten – natuurlijk niet in allemaal – af van hoe de leraar en opvoeder tussen het negende en tien en een half jaar zich naar het kind opgesteld heeft. Vaak gaat het erom dat je op het juiste ogenblik simpelweg het juiste woord vindt, wanneer je wellicht een jongen of meisje op de gang tegenkomt, dat iets vraagt en dat je dan de juiste uitdrukking in je gezicht hebt, wanneer je antwoord geeft. Opvoedkunst is niet iets wat zich abstract laat leren of aanleren – net zo min als schilderen of beeldhouwen of een andere kunst, maar het is iets wat op oneindig veel kleinigheden berust die uit een tactisch gevoel komen.

Blz. 57

Dieser seelische Takt wird aber gerade aus der anthroposophischen Geisteswissenschaft heraus gewonnen.
Nun ergibt sich auch, wie man unterscheiden muß zwischen dem, was man an das Kind heranzubringen hat vor diesem wichti­gen Lebenspunkte zwischen dem neunten und zehnten und einem halben Jahr und nachher. Da muß man vor allen Dingen beachten, daß wir in unserer jetzigen, vorgerückten Zivilisation etwas haben, was äußerlich, abstrakt und zeichenhaft geworden st. Gehen Sie zurück in alte Zivilisationen, nehmen Sie irgendwelche Bilderschrif­ten, da wurde dasjenige fixiert, was der Sinn noch faßte. Das wurde zum Bilde gemacht, mit dem der Mensch zusammenhing, womit der Mensch durch Empfindung und Gefühl lebte. Heute iSt das alles zum Zeichen geworden. Wir dürfen nicht wie etwas Frem­des das Lesen und Schreiben an das Kind heranbringen, weil es mit seiner Umgebung vor dem neunten Jahr verwachsen will; wir dür­fen es nicht aus jenem Abstrakten heraus lehren, wie das heute geschieht. In der Waldorfschule beginnen wir den Unterricht durchaus künstlerisch, indem wir das Kind Formen zuerst zeich­nen, sogar farbig zeichnen, malen lassen, die sich aus dem vollen Menschentum heraus ergeben.

Deze gevoelsmatige tact krijg jr nu echter juist door de antroposofische geesteswetenschap.
Nu wordt ook duidelijk hoe je verschil moet maken tussen wat je het kind meegeven moet vóór het belangrijke punt in het leven tussen het negende en tien en een half jaar en daarna. Dan moet je vooral in de gaten hebben dat wij in onze beschaving zoals die nu geworden is iets hebben, wat uiterlijk, abstract geworden is en voor iets stáát. Ga eens terug naar oude beschavingen, neem eens een of ander beeldenschrift; daarin werd vastgelegd wat nog gezien werd. Daarvan werd een beeld gemaakt, dat met de mens samenhing, waar de mens door zijn ervaring en gevoel mee leefde. Dat is tegenwoordig allemaal tot een teken geworden. We mogen het lezen en het schrijven niet aan het kind aanleren als iets vreemds, omdat het vóór het negende jaar met zijn omgeving een wil zijn; we mogen het niet vanuit die abstractie aanleren zoals dat tegenwoordig gebeurt. Op de vrijeschool beginnen we het onderwijs vooral kunstzinnig, door de kinderen eerst vormen te laten tekenen, zelfs met kleur, die uit het rijke menszijn komen.

Wir lassen das Kind zunächst dies machen, und dann, wenn wir das Kind weiterführen in dieser zeich­nerisch-malerischen Weise, entwickeln wir aus diesem Zeichnen die Buchstabenformen, das Schreiben. Aus dem Künstlerischen gehen wir vor, aus dem Künstlerischen holen wir zuerst das Schreiben, dann das Lesen heraus. Dadurch entsprechen wir wirklich dem, was im Kind liegt.Nicht darum handelt es sich, daß man irgendwie abstrakt in der Pädagogik sagt, man solle nur dasjenige herausholen, was im Kind ist – man muß wissen, wie man das praktisch anfangen soll, daß man wirklich die Menschennatur trifft. Anthroposophische Geisteswis­senschaft ist nirgends Theorie, sondern überall wirkliche Praxis. Das ist es, was sie befähigt, eine solche Erziehungskunst aus­zubilden.
Was ich erwähnt habe über die Autorität, das kann uns noch mit etwas anderem bekanntmachen, was Ihnen vielleicht paradox

We laten de kinderen dit eerst doen en dan, wanneer we verdergaan met dit tekenend schilderen, ontwikkelen wij uit deze beelden de lettervormen, het schrijven. We gaan uit van het kunstzinnige, hieruit halen we eerst het schrijven, dan het lezen. Dan beantwoorden we werkelijk aan wat in het kind aanwezig ligt. Het gaat er niet om dat je op de een of andere manier abstract pedagogisch zegt dat je uit het kind moet halen wat erin zit – je moet weten hoe je daarmee in de praktijk mee moet beginnen; dat je werkelijk de natuur van de mens bereikt. Antroposofische geesteswetenschap is nergens theorie, maar overal werkelijke praktijk. Daardoor is ze in staat zo’n opvoedkunst te creëren.
Wat ik opgemerkt heb over autoriteit kan ons nog met wat anders kennis laten maken, wat voor u misschien paradoxaal overkomt.

Blz. 58

erscheinen wird. Man gibt im heutigen materialistischen Zeitalter außerordentlich viel auf den sogenannten Anschauungsunterricht. Demjenigen, der die wahre Natur des Kindes versteht, ist es etwas Schreckliches, wenn er die abstrakten Rechenmaschinen und alles das, womit das Kind heute oftmals traktiert wird, sieht. Man ver­langt heute von dem Kinde, daß es alles gleich verstehe. Man will den Unterricht so einrichten, daß nichts über das gewöhnliche acht- ­oder neunjährige Verständnis hinausgeht. Es scheint außerordent­lich wissenschaftlich zu sein. – Glauben Sie nur, meine sehr verehr­ten Anwesenden, auch ein anthroposophisch durchgebildeter Mensch kann das Begreifliche eines solchen Grundsatzes einsehen, geradeso gut wie diejenigen, die solche Grundsätze heute verteidi­gen als etwas, was selbstverständlich sein soll. Dasjenige, was aber selbstverständlich ist, das ist, daß das Kind vor allen Dingen zwi­schen dem siebenten und vierzehnten Lebensjahr in gesunder Weise das Gedächtnis und das Autoritätsgefühl in der Weise ausgebildet bekommen muß, wie ich es eben geschildert habe.
Wer nur immer Anschaulichkeit und Anschaulichkeit haben will, die angepaßt ist dem Verständnis des Kindes, der weiß folgen­des nicht:

In deze huidige materialistische tijd is men buitengewoon gecharmeerd van het aanschouwelijkheidsonderwijs. Voor iemand die de echte natuur van het kind begrijpt, is het iets verschrikkelijks wanneer hij de abstracte rekenhulpmiddelen en alles wat erbij komt, ziet, waarop het kind vandaag de dag dikwijls getrakteerd wordt. Men vraagt nu van het kind dat het alles meteen begrijpt. Men wil het onderwijs zo inrichten dat niets boven de pet gaat van acht of negen jarigen.
Het schijnt heel wetenschappelijk te zijn. Gelooft u van mij, geachte aanwezigen, ook een mens die aardig thuis is in de antroposofie kan de redelijkheid van zo’n basisprincipe inzien, net zo goed als degenen die dergelijke principes vandaag de dag verdedigen als iets wat vanzelfsprekend moet zijn.
Maar wat het meest begrijpelijke is, dat een kind met name tussen het zevende en het veertiende jaar op een gezonde manier het geheugen en het gevoel voor autoriteit moet ontwikkelen, zoals ik daarnet heb geschetst.
Wie echter steeds aanschouwelijkheid na aanschouwelijkheid wil hebben, die aan het verstandsvermogen van het kind aangepast is, weet het volgende niet:

Der weiß nicht, was es für das ganze Leben bedeutet, wenn man, sagen wir im achten oder neunten Jahr oder im zehnten bis fünfzehnten Jahr etwas auf die Autorität des Lehrers hin aufge­nommen hat; weil es die verehrte autoritative Persönlichkeit einem sagt, hält man es für wahr. Es liegt noch über dem Horizont, man nimmt es aber in die Seele auf. Vielleicht erst im fünfund­dreißigsten, vierzigsten Jahr holt man es wieder hervor. Was man gedächtnismäßig schon gehabt hat, durch die reifer gewordene Kraft versteht man es jetzt. Dieses Bewußtsein des Reifergeworden­seins, dieses Bewußtsein, etwas heraufholen zu können, das er­frischt und erquickt die seelische Kraft in einer Weise, wie man es im gewöhnlichen Leben nicht würdigt, während es die Seele ver­odet, wenn man alles zuschneiden will auf das Verständnis des Kin­des im achten, neunten, zwölften Jahr. – Das ist etwas, was man heute sagen muß, weil die Menschen aus ihrer materalistischen Gescheitheit heraus überhaupt gar nicht mehr in der Lage sind, das

Die weet niet wat het voor het hele leven betekent, wanneer je, laten we zeggen, op je achtste, negende of op je tiende tot je vijftiende jaar iets op gezag van je leraar aangenomen hebt; omdat de geëerde autoriteit dat tegen je heeft gezegd, neem je dat voor waar aan. Het staat nog ver van je af, maar je neemt het toch in je gevoel op. Misschien pas op je vijfendertigste, vierendertigste komt het weer in je boven. Wat je al als herinnering hebt, begrijp je nu door een rijper geworden vermogen. Het bewustzijn van het rijper geworden zijn, dit bewustzijn iets op te kunnen halen, verfrist en verkwikt de kracht van de ziel op een manier die in het dagelijks leven niet naar waarde wordt geschat en de ziel verdroogt wanneer je alles wil toespitsen op het verstand van het kind dat hij op zijn achtste, negende, twaalfde heeft. Dat is iets wat tegenwoordig gezegd moet worden, omdat de mensen vanuit materialistische geleerdheid vanzelfsprekend helemaal niet meer in staat zijn om

Blz. 59

Naturgemäße, das Richtige, Wesentliche auf solchem Gebiete zu sehen.
Und aus den Untergründen der menschlichen Natur, aus dem, was sich bilden, was sich von Woche zu Woche, von Jahr zu Jahr entwickeln will, wird der Lehrplan einer solchen Schule gewonnen, wie es die Waldorfschule ist. Dieser Lehrplan ergibt sich ganz aus der Erkenntnis der Wesenheit des Menschen. Er ist kein abstrakter Lehrplan, sondern er ist etwas, was der Pädagogik dieser Schule zugrunde liegt wie das Malenkönnen dem Maler, das Bildhauen demjenigen, der als Plastiker tätig sein will.
Sehen Sie, hier habe ich Ihnen aus dem Erziehungs- und Un­terrichtsgebiet geschildert, wie anthroposophisch orientierte Gei­steswissenschaft in die Lebenspraxis eingeht. Aber überlegen Sie sich einmal, wie das Geistesleben beschaffen sein muß, wenn solche Erziehungs- und Unterrichtspraxis wirklich Platz greifen soll! -Wir sind heute gewöhnt, dieses Geistesleben nur als einen Anhang des Staates, als einen Anhang vielleicht des Wirtschaftslebens zu sehen. Wir sind heute gewöhnt, den wichtigsten Teil des Geistesle­bens, eben gerade das Unterrichts- und Erziehungswesen, von Staats wegen uns vorschreiben zu lassen

het natuurlijke, het juiste, wezenlijke op dat gebied te zien.
En vanuit de diepere lagen van de menselijke natuur, uit wat zich wil vormen van week tot week, van jaar tot jaar, wordt het leerplan van zo’n school gehaald, zoals de vrijeschool. Dit leerplan is helemaal het gevolg van de kennis over het wezen van de mens. Het is geen abstract leerplan, maar het is iets wat de pedagogie van deze school als basis heeft, zoals het kunnen schilderen dat is voor de schilder en het beeldhouwen voor de beeldhouwer.
U ziet dat ik hier iets geschetst heb uit het gebied van onderwijs en opvoeding, hoe antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap levenspraktijk wordt. Maar denk je eens in hoe het geestesleven moet zijn, wil een dergelijke opvoedings- en onderwijspraktijk daadwerkelijk plaats vinden!
We zijn er nu aan gewend dat dit geestesleven alleen maar als aanhangsel van de staat, misschien wel van het economisch leven te beschouwen. Wij zijn er nu aan gewend om het belangrijkste deel van het geestesleven, juist dus onderwijs en opvoeding ons van staatswege te laten voorschrijven

Was anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft nun aus einer wirklich eindringenden Erkenntnis der Unterrichts- und Erziehungsmethoden, die von wahrer Menschenerkenntnis ausgehen, für die moderne Zivilisation geltend machen muß, das ist, daß das Geistesleben, das Unterrichts-und Erziehungswesen in seine eigene freie Verwaltung gestellt wer­den muß. Ich möchte mich ganz konkret aussprechen: Nicht nur Lehren und Erziehen sollen die Lehrer und Erzieher, sondern sie sollen auch die gesamte Verwaltung des Unterrichtens und Erzie­hens frei und unabhängig von Staat und Wirtschaftsleben in der Hand haben. Von der untersten Volksschule an bis hinauf zu den höchsten Lehranstalten soll jeder Lehrer und Erzieher so viel mit Unterrichten beschäftigt sein, daß ihm noch soviel Zeit übrig bleibt, um auch Verwalter des Unterrichts- und Erziehungswesens zu sein. Und nur diejenigen, die noch lebendig im Unterricht und in der Er­ziehung drinnenstehen, die wirklichen Lehrer und Erzieher auf irgendeinem

Wat antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap nu door een echt kennen van de onderwijs- en opvoedingsmethoden die uitgaan van een echte menskunde, voor de moderne maatschappij waar moet maken is, dat het geestesleven, het onderwijs en de opvoeding op zichzelf moeten staan om zich te verwezenlijken. Ik wil het heel concreet stellen: niet alleen moeten de leraren en de opvoeders onderwijzen en opvoeden, maar ze moeten ook de totale realisering van het onderwijs en de opvoeding vrij en onafhankelijk van de staat en de economie beheren. Vanaf de laagste basisschoolklas tot aan de hoogste vorm van onderwijs moet iedere leerkracht en opvoeder zoveel met lesgeven bezig zijn dat er nog genoeg tijd overblijft om ook bestuurder te zijn op het gebied van onderwijs en opvoeding. En alleen zij die nog actief zijn binnen onderwijs en opvoeding die op een of ander gebied daadwerkelijk leraar en opvoeder zijn,

Blz. 60

Gebiete, nicht die, die Staatsbeamte geworden sind und aus dem Erziehungswesen heraus sind, sollen auch die Verwalter des Erziehungswesens sein. Nichts soll hineinsprechen in das Un­terrichts- und Erziehungswesen als allein das, was auch in Erkennt­nis und Kunst und religiöse Weltauffassung hineinspricht. Die Menschen wollen nicht anerkennen, daß das, was für eine Epoche der geschichtlichen Entwicklung notwendig war, vielleicht auch außerordentlich gut war, nicht für jede Epoche der Geschichte gilt. Als die neuere Zeit heraufkam mit ihrem zentralistisch ein­gerichteten Staat, da war es eine gute, eine selbstverständliche Sache, daß den alten konfessionellen Verwaltungen die Schulen abgenom­men worden sind. Das war damals eine Wohltat für die Mensch­heitsentwicklung. Jetzt aber sind wir an einem Punkt in der Menschheitsentwicklung angekommen, wo das ferner nicht so bleiben kann; wo das, was der Staat Gutes für das Schulwesen lei­sten konnte, erschöpft ist und wo das freie Geistesleben, dasjenige Geistesleben, das aus wirklichen geistigen Quellen herausschöpft, die selbständige Verwaltung des Schulwesens will.

niet degene die ambtenaar van het rijk is geworden en niet in het onderwijs staat, moeten ook de bestuurders zijn op het terrein van de opvoeding. Niets moet op het gebied van onderwijs en opvoeding invloed uitoefenen dan alleen wat dat ook doet het op het gebied van wetenschap, kunst en religie. De mensen willen niet inzien dat hetgeen voor een bepaalde periode in de geschiedkundige ontwikkeling nodig was, misschien ook buitengewoon goed, niet voor iedere periode in de geschiedenis geldt. Toen de nieuwe tijd begon met de centraal ingerichte staat was het een goede, een vanzelfsprekende zaak dat de oude confessionele besturen bij de scholen weggehaald zijn. Dat was toen een weldaad voor de ontwikkeling van de mensheid. Maar nu staan we op een punt waarop de mensheidsontwikkeling is gekomen, waarbij dat verder niet zo kan blijven; waarop wat de staat voor goeds kan doen voor het schoolwezen, klaar is en waarop het vrije geestesleven, dat geestesleven dat uit echte geestelijke bron stamt een zelfstandig besturen van het schoolwezen wil.

Hier berührt sich die Schulfrage, die Erziehungsfrage, unmittel­bar mit der großen sozialen Frage, mit alledem, was gerade das Wesentliche der sozialen Frage ist. Sehen Sie, bezüglich der sozialen Frage meinen viele, daß das Wesentliche auf äußeren Einrichtungen beruht, daß man nur diese äußeren Einrichtungen anzusehen hat, um die soziale Frage zu erkennen, daß man an diesen äußeren Ein­richtungen zu arbeiten habe, um für die soziale Frage etwas zu tun.- Wer das Leben wirklich kennengelernt hat, kann so nicht denken. Ich habe das proletarische Denken kennengelernt. Ich hatte dazu nicht nur in meiner eigenen Jugendzeit Gelegenheit, sondern auch dadurch, daß ich durch viele Jahre hindurch an einer Ar­beiterbildungsschule* als Lehrer der verschiedensten Fächer tätig war und gesehen habe, was eigentlich in den breitesten Schichten des Proletariats lebt, das sich im Grunde genommen nur durch die moderne Technik als Klasse, als Stand herausgebildet hat.
Da sind es nicht die äußeren Einrichtungen, nicht einmal die Brotfragen, aus der die eigentliche soziale Frage quillt; da ist es die

*Von Januar 1899 bis Dezember 1904 lehrte Ru­dolf Steiner an der von Wilhelm Liebknecht begründeten Arbeiterbildungsschule in Berlin, ab 1902 auch in Spandaue Siehe Rudolf Steiner, »Mein Lebensganger, Kape XXVIII, GA 28, sowie die ausführliche Dokumentation «Rudolf Steiner als Lehrer an der Arbeiterbildungsechule in Berlin und Spandau 1899-1904» in der Schriftenreihe «Beiträge zur Rudolf Steiner Gesamtausgabe», Heft 111/1993

Hier raakt de schoolvraag, de opvoedingsvraag direct de grote sociale vraag, het wezenlijke van de sociale vraag. Wat de sociale vraag betreft denken velen dat het wezenlijke ligt in hoe het uiterlijk georganiseerd is; dat je alleen daarnaar moet kijken om de sociale vraag te onderkennen, en dat je aan die uiterlijke organisatie moet werken om ter wille van de sociale vraag iets te doen. Wie het leven echt heeft leren kennen, kan zo niet denken. Ik het het proletarische denken leren kennen. Daarvoor had ik niet alleen gelegenheid in mijn jonge jaren, maar ook omdat ik vele jaren aan een vormingsschool voor arbeiders* als leraar werkte in allerlei vakken en ik heb gezien wat er in feite leeft in de breedste lagen van het proletariaat, dat zich in de aard van de zaak alleen door de moderne techniek als klasse, als stand zich heeft gevormd.
Daar gaat het niet om de uiterlijke organisatie, niet eens om de broodvraag waar de eigenlijke sociale vraag vandaan komt; het gaat 

*Van januari 1899 tot december 1904 gaf Rudolf Steiner les aan de arbeidervormingsschool die door Wilhelm Liebknecht in Berlijn opgericht was; Von Januar 1899 bis Dezember 1904 lehrte Ru­dolf Steiner an der von Wilhelm Liebknecht begründeten Arbeiterbildungsschule in Berlin; vanaf 1902 ook in Spandaue. Zie Rudolf Steiner ‘Mijn levensweg” hoofdstuk 28, GA 28, alsook de uitvoerige documentatie 1902 «Rudolf Steiner als Lehrer an der Arbeiterbildungsechule in Berlin und Spandau 1899-1904» in de serie«Beiträge zur Rudolf Steiner Gesamtausgabe», Heft 111/1993

Blz. 61

Seelenverfassung, die damit zusammenhängt, daß jene Art des Gei­steslebens, die bei den führenden Schichten in den letzten drei bis vier Jahrhunderten sich ausgebildet hat, wie eine Art Religion auf die breiten Massen des Proletariats übergegangen ist. Ich habe diese Weltanschauung aus den materialistischen Grundlagen hervorgehen sehen bei ernst zu nehmenden Menschen, bei tief angelegten Seelen, die in der Bourgeoisie drinnen waren, die zu den führenden Klassen gehörten, und ich habe dabei folgendes erfahren: Solche tiefer angelegten Seelen, sie sagten sich: Man nehme die äußere natur­wissenschaftliche Weltanschauung ernst; man sehe hin, wie sie zeigt, wie die Erde aus irgendwelchen Nebelzuständen durch rein natürliche Notwendigkeiten bis zu ihrem jetzigen Stadium sich ent­wickelt hat und wie sich die verschiedenen Lebewesen stufenweise mitentwickelt haben bis hinauf zum Menschen. Und es wird wie­derum eine Zeit kommen, wo für die Erde entweder die Vereisung oder der Wärmetod eintritt – man mag es so oder so sich vorstellen-, dann aber wird der große Kirchhof da sein. Was wird dann ge­worden sein aus dem, was der Mensch doch als das Edelste der Menschennatur sehen muß, was in seinem Innern aufgeht als sitt­liche Ideale, als religiöse Impulse, als Kunst, als Wissenschaft?

om het gevoel en dat hangt samen met die vorm van het geestesleven die bij de leidende sociale lagen van laatste drie, vier eeuwen tot ontwikkeling is gekomen, en dat als een soort godsdienst overgegaan is naar de brede massa van het proletariaat. Ik heb deze wereldbeschouwing vanuit het materialisme tevoorschijn zien komen bij mensen die je serieus moet nemen, bij diep voelende zielen die onder de bourgeoisie leefden, die tot de leidinggevende klasse behoorden; en daarbij heb ik het volgende ervaren: dergelijke diep voelende zielen zeiden: je moet de uiterlijke natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing serieus nemen; kijk naar hoe die aantoont dat de aarde uit een of andere neveltoestand door puur natuurlijke noodzaak tot in het huidige stadium zich ontwikkeld heeft en hoe de verschillende leefvormen trapsgewijs mee
geëvolueerd zijn tot aan de mens toe. En er zal weer een tijd komen waarbij de aarde verijst of waarbij de warmtedood intreedt – dat kan je je wel enigszins zo voorstellen – dan hebben we het grote kerkhof. Maar wat is er dan geworden van wat de mens toch als het edelste van de menselijke natuur moet zien, wat in zijn innerlijk ontstaat als morele idealen, als religieuze impulsen, als kunst, als wetenschap?

Menschen habe ich kennengelernt, die diese Frage sich ernsthaft vorlegten, während der größte Teil der modernen Menschen gedan­kenlos diese zwei Welten nebeneinandersetzt, die Welt der äußeren Naturnotwendigkeit und die Welt des eigentlich Menschlich-Wert­vollen, der sittlichen Ideale, der religiösen Überzeugungen, der Er­kenntnis, der künstlerischen Hervorbringung. Da sagen  sich dann ernste Seelen: Ja, der Mensch wird dasjenige gewahr, was aus der Seele hervorquillt; das ist aber eine Illusion, das ist wie Rauch, der aus der materiellen Grundlage aufsteigt. Aber es wird einmal der große Kirchhof da sein, und verschwunden und verklungen wird sein, was wir die großen Ideale nennen. – Ich habe die Tragik und den Pessimismus kennengelernt, zu dem tief veranlagte Menschen gekommen sind. Aber ich habe es auch miterlebt, wie diese Weltan­schauung dann in die proletarische Seele eingedrungen ist und wie einem da mit ungeheurer Wirkungskraft ein Wort entgegentrat, das

Ik heb mensen leren kennen die serieus met deze vraag bezig waren, terwijl het grootste deel van de moderne mens deze twee werelden, de wereld van de uiterlijke natuurnoodzaak en de wereld van het eigenlijk menselijk-waardevolle, de morele idealen, de religieuze overtuigingen, de kennis, de kunstzinnige scheppingen. Ernstige zielen zeggen dan: ja, de mens wordt gewaar wat uit de ziel opborrelt; maar dat is een illusie, dat is rook dat uit de materiële bodem opstijgt. Maar ooit zal het grote kerkhof er zijn en dan zijn wat wij de grote idealen noemen verdwenen, verstomd.
Ik heb de tragiek en het pessimisme leren kennen,dat over de diep voelende mensen is gekomen. Maar ik heb ook meegemaakt, hoe deze wereldbeschouwing dan de proletarische ziel binnengedrongen is en hoe iemand met een ongekende werking met een woord te maken kreeg dat veel betekenissen heeft.

Blz. 62

aber vieles bezeichnet. Versteht man es, wie es in der proletarischen Seele lebt, dann weiß man viel über die Untergründe der gegenwärtigen Zivilisation und ihre sozialen Fragen. Da lebt in den Proletarierseelen das Wort «Ideologie». Was diese Proletarierseelen als Geistesleben kennen, als Sitte, Recht, Wissenschaft, Kunst und Religion, das nennen sie einen Überbau über den Produk­tionsprozessen, die ihnen das geschichtlich allein Reale sind. Das ist die Erbschaft derjenigen Weltanschauung, die ich eben als tragische geschildert habe und die die Proletarierseelen, die Millionen von Seelen verödet.
Man mag heute als ein Idealist erscheinen, wenn man die eigent­liche proletarische Frage in dem sucht, was das furchtbare Wort Ideologie ausdrückt. Aber diese Idealisten, sie werden recht haben. Und diejenigen, welche in großen Mengen Menschenweisheit und Lebensroutine gepachtet zu haben glauben, die werden sehen, daß über sie die Geschichte hinschreiten wird. – Diese «Ideologie» bedeutet, daß die Seelen dieser Menschenmassen verödet bleiben, keinen Zusammenhang haben mit dem lebendigen Geiste – wie ja die führenden Klassen auch nicht, die an die Proletarier diese Wissenschaft herankommen lassen.

Als je begrijpt hoe dat in de proletarische ziel leeft, dan weet je veel over de achtergronden van de tegenwoordige beschaving en de sociale vragen ervan. In de proletarische ziel leeft het woord ‘ideologie’. Wat deze proletariërzielen als geestesleven kennen, als moraal, recht, wetenschap, kunst en religie, dat noemen ze een bovenbouw boven op de productieprocessen die voor hen historisch gegroeid, alleen de realiteit zijn. Dat is de erfenis van de wereldbeschouwing die ik net als tragiek heb geschetst en die de proletariërzielen, die miljoenen zielen doet verkommeren. Vandaag de dag heb je wel iets van een idealist, wanneer je die eigenlijke proletarische vraag zoekt in wat dat vreselijke woord ‘ideologie’ uitdrukt. Maar deze idealisten zullen gelijk krijgen. En degene die denken een grote hoeveelheid wijsheid en levenservaring in pacht te hebben, zullen zien dat de geschiedenis over hen heen zal lopen. Deze ‘ideologie’ betekent dat de zielen van deze mensenmassa’s dor blijven, geen samengaan vertonen met de levende geest – wat de leidende klassen ook niet hebben die de proletariërs met deze wetenschap in aanraking brengen. 

Und da darf ich etwas sagen, was Ihnen im wesentlichen die Aufgabe und die Mission von Dornach, des Goetheanum in Dornach im heutigen Zivilisationszeitalter vor Augen stellen soll. Man­che sehen heute ein: In die breiten Massen muß Aufklärung, muß Wissenschaft hineingebracht werden. Man gründet Volksbibliothe­ken, Volkshochschulen und alles mögliche, um die Wissenschaft, die an unseren Hochschulen ist, an unseren Mittelschulen ist, ins Volk zu bringen. Dornach kann das nicht mitmachen. Dornach will das machen, was in der Veranstaltung jenes Herbstkurses* lag, den wir im Herbste 1920 veranstaltet haben und den wir in kleinerem Maßstabe, entsprechend unseren bescheidenen Verhältnissen, zu Ostern wiederholen werden. Da handelte es sich darum, daß von Geisteswissenschaft aus die einzelnen Wissenschaften befruchtet werden sollen. Dreißig Dozenten aus allen Zweigen der Wissen­schaft, auch Industrielle, Kommerzielle und Künstler, trugen in diesem

*wie unsere Herbstkurse waren, wie unsere Osterkurse sein werden: Siehe die im Herbst 1920 gehaltenen Vortragsreihen »Grenzen der Naturerkenntnis und ihre Überwindung», GA 322, und «Physiologisch-Therapeutisches auf Grundlage der Geisteswissenschaft», GA 314, und die im Frühjahr 1921 gehaltenen Kurse «Die befruchtende Wirkung der Anthroposophie auf die Fachwissenschaften«, GA 76, sowie «Geisteswissenschaftliche Gesichtspunkte zur Therapie«, GA 313.

En nu mag ik u iets zeggen waaraan u kan zien wat de kern is van de opgave en de missie van Dornach, van het Goetheanum in Dornach in de huidige tijd. Sommigen zien het nu in: onder de grote massa moet verlichting, moet wetenschap verspreid worden. Er worden volksbibliotheken geopend, volkshogescholen en al het mogelijke meer om de wetenschap van de universiteit, van het middelbaar onderwijs onder het volk te brengen. Daar kan Dornach niet aan meedoen. Dornach wil het zo doen als met de bijeenkomst die we in de herfst* van 1920 georganiseerd hebben en die we op kleinere schaal, passend bij onze bescheiden omstandigheden met Pasen zullen herhalen. Het ging er toen om dat vanuit de geesteswetenschap de aparte wetenschappen geïnspireerd moeten worden. Dertig docenten uit alle wetenschapsdisciplines, ook industriëlen, mensen uit de handel en kunstenaars kwamen op

*zie GA 322 Voorbij de grenzen van de natuurwetenschap; GA 314 Spirituele grondslagen voor de gezondheidszorg; GA 76 niet vertaald; GA 313 niet vertaald

Blz. 63

Herbstkurse vor, um zu zeigen, wie alle Zweige der Wissen­schaft, der Kunst und des Lebens von dieser Geisteswissenschaft befruchtet werden können. Da handelt es sich darum, daß die Wissenschaft erneuert werde. Da handelt es sich darum, daß in die Wissenschaften Geistiges hereingebracht werde, daß Geist her­eingebracht werde, der nicht einer Kopfkultur entspringt, sondern der aus dem vollen Menschentum herauskommt. Das also bezweckt das Goetheanum in Dornach, daß in die Hochschulen ein neuer Geist hereingetragen werde, dann erst wird er volkstümlich werden können. – Man will den Geist unserer Hochschule in das Volk hineintragen – kann man nicht an der modernen Zivilisation sehen, was dieser Geist genützt hat bei den­jenigen, die ihn haben? Dieser Geist muß erneuert werden. Nicht muß von diesen Schulen herausgetragen werden die Volksbildung, sondern erst muß in die Schulen hineingetragen werden eine geist-getragene Bildung. – Das ist es, wodurch sich Dornach unterschei­det von allem anderen, was heute in dieser Richtung geschehen soll.

de herfstbijeenkomst aan het woord om te laten zien hoe ze in alle takken van wetenschap, kunst en in het leven door deze geesteswetenschap geïnspireerd kunnen worden. Het gaat erom dat de wetenschap vernieuwd wordt. Het gaat erom dat de wetenschap vergeestelijkt wordt, niet vanuit de cultuur van het hoofd, maar vanuit de totale mens.
Het Goetheanum stelt zich tot doel dat in de universiteiten een nieuwe geest ingang vindt Men wil de geest van onze universiteiten onder het volk brengen – maar kan je aan de moderne beschaving zien wat het nut van deze geest is bij degenen die daaruit leven? Deze geest moet vernieuwd worden. Vanuit deze scholen moet geen ontwikkeling van het volk uitgaan, maar eerst moet er op die scholen vorming ontstaan die door de geest wordt gedragen. Daarin onderscheidt Dornach zich van al het andere wat tegenwoordig in die richting moet gebeuren.

Denn auf diesem Gebiet steht man durchaus auf dem Standpunkt, daß man sich zwar vormacht, man sei sehr frei gesinnt, daß man sich aber gerade gegenüber der landläufigen Wissenschaft einem furchtbaren Autoritätsglauben hingibt. Das sage ich wahrhaftig nicht aus Geringschätzung moderner wissenschaftlicher Denkwei­se, sondern aus einer jahrzehntelangen Beschäftigung mit allen Zweigen dieses Denkens. Wir haben es nötig, auf die Befreiung des Geisteslebens und damit die Befreiung des Schul- und Erziehungs­wesens hinzuwirken, wie einstmals der Staat in die Notwendigkeit versetzt war, Unterricht und Erziehung in sich aufzunehmen und sie den alten Konfessionen zu entreißen.
Ich weiß, was sich dagegen einwenden läßt, das freie Geistes­leben als erstes Glied des dreigegliederten sozialen Organismus aus­zubilden. Aber wenn die Leute kommen und ihre Angst äußern, die Menschen würden dann wohl ihre Kinder nicht in diese freien Schulen schicken, so heißt das doch, die Sache falsch ansehen. Nicht darum handelt es sich, ob die Leute freiwillig ihre Kinder zur Schu­le schicken oder nicht, sondern darum, daß ein freies Unterrichts- und Erziehungssystem

Op dit gebied huldigt men duidelijk het standpunt dat men zich weliswaar voorhoudt dat men zich zeer vrij opstelt, maar juist wat de alledaagse wetenschap betreft is men vreselijk autoriteitsgevoelig. Dat zeg ik echt niet uit een soort minachting voor de moderne manier van wetenschappelijk denken, maar vanuit het feit dat ik me al tientallen jaren bezig houd met alle takken van deze manier van denken. Het is nodig dat we ernaar toe werken dat het geestesleven vrij wordt en daarmee het onderwijs, zoals het eens voor de staat nodig was zich te ontfermen over onderwijs en opvoeding en die los te scheuren van de oude godsdiensten.
Ik weet wat daartegen in te brengen is als we het vrije geestesleven als eerste deel van het driegelede sociale organisme vorm gaan geven. Maar als de mensen komen en blijk geven van hun angst en hun kinderen niet naar school sturen als het onderwijs vrij is, dan betekent dit toch dat je hier verkeerd naar kijkt. Het gaat er niet om dat de mensen hun kinderen vrijwillig naar school sturen of niet, maar dat de mensen nu een vrij systeem van onderwijs en opvoeding

Blz. 64

der Menschheit heute eine Notwendigkeit ist und daß man dann dafür zu sorgen hat, daß trotzdem die Kinder in die Schulen hineingehen. Nicht ein Einwand gegen das freie Gei­stesleben kann dies sein, sondern es muß sich lediglich ein Nach­denken darüber ergeben, wie man trotz eines freien Geisteslebens die Kinder nachlässiger Eltern, gewissenloser Eltern in die Schule hineinbringt. Das ist das erste Glied des von der anthroposo­phischen Weltanschauung auch als richtige Bewegung hin zu Lösungsmöglichkeiten der sozialen Fragen aufgestellten Impulses der Dreigliederung des sozialen Organismus: das freie Geistesleben, das von den Geistig-Wirkenden allein verwaltet wird.
Man kann logisch leichtgeschürzte Begriffe finden, die allerlei beibringen, um diese notwendige Freiheit des Geisteslebens zu ver­teidigen, wie auch um sie anzugreifen, sie abzukanzeln. Darum han­delt es sich aber nicht. Denn Anthroposophie geht überall von der Lebenspraxis und der Lebensbeobachtung aus. Derjenige, der weiß, was der Menschheit eine wirkliche Geisteswissenschaft wieder be­deuten wird, der weiß auch, wie notwendig die Befreiung des Gei­steslebens ist. 

als een noodzaak zien en dat je ervoor moet zorgen en dat de kinderen toch naar school gaan. Dat kan geen bezwaar zijn tegen het vrije geestesleven, alleen, er moet wel nagedacht worden over hoe men ondanks een vrij geestesleven de kinderen van nalatige ouders, onverantwoordelijke ouders op school krijgt. Het vrije geestesleven dat alleen door de werkers vanuit de geest gerealiseerd wordt, is het eerste onderdeel van de driegeleding van het sociale organisme dat door de antroposofische wereldbeschouwing als juiste beweging met impulsen komt om oplossingen van sociale vraagstukken mogelijk te maken.
Je kan logisch weinig om het lijf hebbende begrippen vinden die van alles naar voren brengen om deze noodzakelijke vrijheid van het geestesleven te verdedigen, evenals ze aan te vallen en te verketteren. Maar daar gaat het niet om. Want antroposofie gaat overal uit van de praktijk van het leven en van het waarnemen van het leven. Degene die weet wat voor de mensheid een echte geesteswetenschap weer zal betekenen, weet ook, hoe nodig het is het geestesleven vrij te maken.

Man spricht von Ideologie, weil das Geistesleben in Abstraktionen besteht, weil man keinen Begriff davon hat, daß eine Vorstellung, dasjenige, was in der Seele lebt, etwas anderes ist als das Abbild von irgend etwas, weil man nicht mehr weiß, daß die alten Religionen dem Menschen gegeben haben, daß lebendiger Geist in jedem Menschen lebt, der Mensch mit seinem Ewigen dem lebendigen Geiste angehört und nicht nur in seiner Seele wesenlose abstrakte Bilder leben. Lebendige Geisteswelt, die uns innerlich er­füllt, uns mit dem Ewigen verbindet, ist keine Ideologie. In diesem Aufkommen der Ideologie liegt dasjenige, was zu den Katastrophen unseres Zeitalters geführt hat. Aber ein Schul- und Erziehungswe­sen, welches wiederum lebendigen Geist in die Menschheit hinein­bringen will, das muß ein so freies Schulwesen sein, wie ich es ge­schildert habe. Dieses freie Schulwesen erscheint mir als etwas, was im eminentesten Sinne als eine Notwendigkeit von der modernen Menschheit – sofern es diese ehrlich meint mit Menschenheil und Menschenfortschritt – aufgefaßt werden muß.

Men spreekt van ideologie, omdat het geestesleven uit abstracties bestaat, omdat men er geen notie van heeft dat een voorstelling, dat wat in de ziel leeft, iets anders is dan het beeld van iets, omdat men niet meer weet dat de oude godsdiensten de mensen hebben gegeven dat in ieder mens een levende geest woont, dat de mens met zijn eeuwigheidskern bij de levende geest hoort en dat er in zijn ziel niet alleen maar wezenloos abstracte beelden zitten.
Een levende geestelijke wereld die ons innerlijk vervult, ons met het eeuwige verbindt, is geen ideologie. In het opkomen van de ideologie ligt de oorzaak die tot de rampen van onze tijd hebben geleid. Maar een onderwijs- en opvoedingswezen dat weer de levende geest in de mensheid wil brengen dat moet een schoolwezen zijn dat zo vrij is, als ik heb geschetst. Dit vrijeschoolwezen is in mijn ogen voor de moderne mens buitengewoon noodzakelijk – voor zover deze het eerlijk met de mensheid en met de vooruitgang voor heeft.

Blz. 65

Daher betrachte ich es – ich sage das, ohne agitieren zu wollen -als unbedingt notwendig, um viele Niedergangskräfte, die in unse­rer modernen Zivilisation sind, durch Aufgangskräfte zu beseitigen, daß auf internationaler, breitester Grundlage etwas entstehe wie dasjenige, was ich nennen möchte einen Weltschulverein. Dieser Weltschulverein* müßte alle Nationen und die weitesten Kreise von Menschen umfassen. Diese Menschen müßten sich bewußt sein, daß ein freies Geistesleben zu schaffen ist. Es nützt gar nichts, wenn die Menschen finden, daß unsere Waldorfschule in Stuttgart etwas Praktisches ist, das man für ein paar Stunden oder für ein paar Wochen ansehen muß. So etwas, was aus einem ganzen geistigen Leben hervorgeht, ansehen zu wollen, heißt so viel, wie wenn man ein Stück aus der Sixtinischen Madonna **herausschneiden würde, um eine Vorstellung von dem ganzen Bilde zu bekommen. Nicht durch Hospitieren kann man von dem Geist der Waldorfschule et­was erfahren, sondern indem man die Anthroposophie kennen lernt, die anthroposophische Geisteswissenschaft, die in jedem Leh­rer lebt, in jeder Stunde lebt, in den Kindern lebt, die auch lebt in den Zeugnissen.

*Weltschulverein: Der Grundgedanke für einen von Rudolf Steiner immer wieder ab Sommer 1920 ins Auge gefaßten und bisweilen vehement geforderten Weltsehulvereins klingt bereits in seiner Ansprache am Begrüßungsahend für die Teilnehmer an den pädagogischen Kursen zur Vorbereitung der Gründung der Waldorfschule am 20. August 1919 an. Dort heißt es: «Die Waldorfschule muß eine wirkliche Kulturtat sein, um eine Erneuerung unseres Geisteslebens der Gegenwart zu erreichen. Die Möglichkeit der Waldorfschule muß dabei ausge­nützt werden, um reformierend, revolutionierend im Schulwesen zu wirken.« (GA 293, Dornach 1992, S. 13) Damals hoffte Rudolf Steiner noch, daß der Kul­turrat «sein Programm wirklich aufnehme und dahin arbeitete, das ganze Schul­wesen in die Hand zu nehmen … Der Kulturrat hätte die Aufgabe, «das ganze Unterrichtswesen umzugestalten.« («Konferenzen», GA 300/1, S. 95) Doch die Idee des Kulturrates war in der damaligen politischen Situation nicht durchsetz­bar. Eine neue Richtung deutet sich an in der Konferenz mit den Lehrern der Waldorfschule in Stuttgart am 24. Juli 1920, in der Rudolf Steiner die Hoffnungen auf einen zu gründenden Weltschulverein setzt, um die für die Stuttgarter Schule erforderlichen Gelder zu beschaffen, denn, «wir können nur weiterarbeiten, wenn von seiten der Allgemeinheit die nötigen Mittel der Sache zufließen« (Konferenz vom 29. Juli 1920, in GA 300/1, S. 182>. Während eines Frageabends über Drei­gliederung im Rahmen des ersten anthroposophischen Hochschulkurses am 12. Oktober 1920 in Dornach rief Rudolf Steiner die Zuhörer nachdrücklich zu ent­schlossenenem Handeln auf: «Was wir brauchen, ist ein Weltsehulverein in allen Ländern der Zivilisation, daß so schnell wie möglich die größte Summe von Mit­teln herbeigeschafft werde. Dann wird es möglich sein, auf Grundlage dieser Mittel dasjenige zu schaffen, was der Anfang ist eines freien Geisteslebens.« (GA 337b) Und am 16. Oktober 1920 (siehe GA 217a> wiederholte er vor den am Hochschulkurs teilnehmenden Studenten sein Anliegen mit eindringlichen Wor­ten: «Da muß ich doch darauf aufmerksam machen, daß das von mir ganz ernts­haft gemeint ist, was ich in diesen Tagen als die Begründung eines Weltschulver­eins Ihnen angeführt habe. Den denke ich international gebildet, so daß gewis­sermaßen aus dem Denken und Empfinden der heutigen Zeit heraus geschaffen werden soll.« – Der Weltsehulverein war also nicht als eine Art Interessengemein­schaft bereits bestehender bzw. geplanter Waldorfschulen gedacht, sondern als eine breite, internationale Organisation, deren Ziel die Propagierung eines von staatlichen Einflüssen freien Geisteslebens und die Finanzierung von Schulen, Hochschulen und anderer Bildungseinrichtungen sein sollte. In den folgenden Wochen und Monaten wird vor allem im Rahmen der «Konferenzen» immer wieder über den Weltschulverein gesprochen, jedoch wurden keine konkreten Schritte zu seiner Gründung unternommen (siehe die Einleitung zu den «Konfe­renzen« in GA 300/1, S. 24-26). An der Mitgliederversammlung der Anthroposo­phischen Gesellschaft am 4. September 1921 in Stuttgart (in der Gesamtausgabe noch nicht publiziert) bringt Rudolf Steiner sein Unbehagen hierüber so zum Ausdruck: «So aber … mußte ich das erleben, was ich die innere Opposition nen­ne, die gegen meine Absichten eigentlich in sehr starkem Maße vorhanden ist, als ich in der schärfsten Weise im vorigen Jahr im Herbst in Dornach darauf hinwies, welche Notwendigkeit die Begründung eines Weltsehulvereins wäre, und als ich während meiner holländischen Vortrsgsreisc im Winter dieses Jahres mehrfach auf die Notwendigkeit dieses Weltsehulvereins hinwies.«
**Sixtinische Madonna: Gemälde von Raffaelo Santi (1483-1520).

Daarom beschouw ik – ik zeg dit niet om te willen provoceren – als absoluut noodzakelijk de vele krachten van achteruitgang die er in onze moderne beschaving zitten, door opbouwende krachten te overwinnen; en dat er internationaal, op een brede basis iets ontstaat wat ik zou willen noemen een wereldschoolvereniging.* Die zou alle landen moeten omvatten en een brede kring van mensen. Deze mensen zouden zich er bewust van moeten zijn dat er een vrij geestesleven moet ontstaan. Het heeft helemaal geen zin wanneer de mensen vinden dat onze vrijeschool in Stuttgart iets praktisch is, wat je een paar uur of een paar weken eens moet aankijken. Naar iets te willen kijken wat uit een vol geestelijk leven stamt, betekent zoveel als een stukje uit de Sixtijnse madonna** snijden om daarmee een voorstelling te krijgen van het hele schilderij. Door stage te gaan lopen kun je niet zomaar iets van de geest van de vrijeschool ervaren.Wel door de antroposofie te leren kennen, de antroposofische geesteswetenschap die in iedere leraar leeft, elk uur, in de kinderen leeft, die ook in de getuigschriften leeft.

*Wereldschoolvereniging: de grondgedachte voor een wereldschoolvereniging waarop Rudolf Steiner vanaf de zomer van 1920 steeds weer attent maakte en er zich van tijd tot tijd sterk voor maakte, klinkt al door in zijn begroetingstoespraak voor de deelnemers aan de pedagogische cursussen als voorbereiding van de vrijeschool op 20 augustus 1919. Daar zegt hij: ‘De vrijeschool moet een daad zijn die werkelijk in de gehele cultuur merkbaar is om een vernieuwing tot stand te brengen in ons geestesleven van deze tijd. ( )  De mogelijkheid die we door de vrijeschool nu hebben, moet benut worden om hervormingen, omwentelingen te bewerkstelligen in het schoolwezen. GA 293 blz. 13. Toen had Rudolf Steiner nog de hoop dat de cultuurraad ‘zijn programma daadwerkelijk zou aannemen en ernaar toe zou werken het hele schoolwezen aan te pakken…De cultuurraad heeft de opdracht ‘het hele onderwijs om te vormen’. GA 300A/95. Maar de idee van de cultuurraad was in de politieke situaite van toen niet haalbaar. Een nieuwe richting wordt aangekondigd in de lerarenvergadering van 24 juli 1920 waarin Rudolf Steiner zijn hoop uitspreekt voor een op te richten wereldschoolvereniging om de voor de school in Stuttgart benodigde gelden te verkrijgen, want ‘we kunnen alleen verder werken wanneer van de kant van het openbare leven de benodigde middelen komen.’GA 300A/182. Gedurende een avond met vragen over de driegeleding in het kader van de eerste antroposofische hogeschoolcursus op 12 oktober 1920 in Dornach riep Rudolf Steiner de bezoekers nadrukkelijk op om vastbesloten te handelen: ‘Wat wij nodig hebben is een wereldschoolvereniging in alle beschaafde landen, dat er zo snel mogelijk de grootst mogelijke hoeveelheid middelen beschikbaar komt. Dan zal het mogelijk zijn om met deze middelen een begin van een vrij geestesleven in het leven te roepen. (GA 337B) En op 16 oktober 1920, zie GA 217A herhaalde hij voor de studenten die deelnamen aan de hogeschoolcursus zijn betrokkenheid met de indringende woorden: ‘Ik moet erop wijzen dat het mij zeer ernst is wat ik deze dagen naar voren heb gebracht als de oprichting van een wereldschoolvereniging. Die zie ik als internationaal gevormd, zodat deze op een bepaalde manier uit het denken en voelen van de huidige tijd zal ontstaan.’ De wereldschoolvereniging was dus niet gedacht als een interessengemeenschap van al bestaande, resp. nog op te richten scholen, maar als een brede, internationale organisatie met als doel op te komen voor een vrij geestesleven, vrij van staatsbemoeienis en de financiering van scholen, hogescholen en andere vormingsinstituten. In de weken en maanden daarna wordt er vooral binnen de lerarenvergaderingen steeds weer over de wereldschoolvereniging gesproken, maar er werden geen stappen gezet om tot een concrete oprichting te komen. (zie de inleiding bij de ‘lerarenvergaderingen’ in GA 300A, blz. 24-26). Bij de ledenvergadering van de Antroposofische vereniging op 4 september 1921 in Stuttgart (nog niet opgenomen in de GA) brengt Rudolf Steiner zijn ongenoegen hierover onder woorden: ‘Zo echter……moest ik dat ervaren wat ik een innerlijke weerstand noem, die er voor mijn plannen eigenlijk zeer sterk aanwezig is, toen ik vorig jaar in de herfst in Dornach met de scherpste woorden erop gewezen heb, hoe noodzakelijk de oprichting van een wereldschoolvereniging wel niet is en toen ik tijdens mijn voordrachtsreis in Nederland in de winter van dit jaar meerdere keren wees op de noodzakelijkheid van deze wereldschoolvereniging.’
**Sixtijnse Madonna: schilderij van Raffaelo Santi (1483-1520).

Ich möchte nur kurz charakterisieren, wie wir in der Waldorfschule nach und nach jedes Kind, trotzdem wir auch große Klassen haben, seiner Individualität nach genau kennenler­nen. Wir geben ihm nicht Zensuren mit, Zeugnisse, in denen steht «fast befriedigend», «kaum genügend» – das ist ja alles Unsinn. Man kann nicht so zensieren. Sondern wir geben den Kindern tatsächlich eine Beschreibung ihres Wesens, die ihnen einen Spiegel das ganze nächste Jahr vorhält, und einen Spruch, der aus tiefster Seele heraus gewählt war. Wir haben es auch erlebt, welchen Wert für die Waldorfschulkinder gerade diese Zeugnisse bekommen haben. Wir haben also das erlebt, was als anthroposophischer Geist in diese Waldorfschule eingezogen ist.
Aber wir wünschen nicht, daß man möglichst viele Winkel­schulen nach dem Muster der Waldorfschule errichtet, sondern was wir wollen, ist, daß in weitesten Kreisen auf internationalem Gebie­te die Einsicht entsteht: man muß den alten Zopf bekämpfen, der nur auf staatlicher Grundlage das Schulwesen aufbauen will. Man

Ik zou nu in het kort willen schetsen hoe wij op de vrijeschool geleidelijk aan van ieder kind, ook al hebben we grote klassen, zijn individualiteit leren kennen. We geven het geen rapporten mee, getuigschriften waarin staat ‘bijna naar tevredenheid’, ‘nauwelijks voldoende’- dat is allemaal onzin. Zo kun je geen rapport geven. Wij geven de kinderen daadwerkelijk een beschrijving van hun wezen, die het hele volgende jaar een soort spiegel is die voorgehouden wordt en een spreuk die vanuit het diepst van de ziel gekozen is. We hebben ervaren van wat voor waarde die getuigschriften voor de vrijeschoolkinderen gekregen hebben. We hebben ook ervaren wat voor antroposofische geest er in de vrijeschool gekomen is.
We willen niet dat er nu zoveel mogelijk scholen om de hoek opgericht worden naar het voorbeeld van de vrijeschool, maar wat we wél willen is dat er internationaal in de breedste kringen inzicht ontstaat dat de oude overgeleverde dingen bestreden worden die slechts het schoolwezen willen opbouwen op de fundamenten van de staat. 

Blz. 66

muß danach streben, es zu erzwingen, daß das freie Geistesleben seine vollberechtigte freie Schule schaffen könne. Wir wollen nicht von Staates Gnaden Winkelschulen errichten, wir werden nicht unsere Hand dazu bieten, sondern was notwendig ist, das ist ein Verständnis für einen solchen Völkerbund, wie er spirituell-geistig in einem Weltschulverein liegen würde. Das würde die Menschen uber das weite Erdenrund in einer großen, einer Riesenaufgabe für ein Stück zusammenführen. Das ist dasjenige, was ich zunächst über das erste Glied des dreigliedrigen sozialen Organismus sagen will. Die anderen Glieder kann ich, weil sie ja der Lebenspraxis auf anderen Gebieten angehö­ren, nur streifen. – Wir haben den Einheitsstaat im Laufe der letzten vier bis fünf Jahrhunderte gerade in der heutigen zivilisierten Welt herausgebildet. Er hat auf der einen Seite das Geistesleben mit dem Schul- und Erziehungswesen in sich aufgesogen; er hat auch das Wirtschaftsleben aufgesogen, wenigstens zu einem großen Teil. Und die Sozialdemokratie strebt ja danach, den ganzen Staat, den staatlichen Rahmen zu benützen, um im Grunde genommen eine Art kasernierte Wirtschaft einzurichten, wodurch jede wirtschaft­liche Freiheit und jede Individualität zerstört wird, wie wir das sehen am Trotzkismus, am Leninismus, gerade an dem, was da geworden ist, was da in so furchtbarer Weise im Osten Europas bis nach Asien hinein die Menschheit in Konvulsionen versetzt.

Men moet ernaar streven, het afdwingen dat het vrije geestesleven zijn volkomen rechtmatige scholen kan oprichten. We willen niet uit genade van de staat scholen om de hoek oprichten, daar houden we onze hand niet voor op, maar wat nodig is, is begrip voor zo’n volkerenbond die spiritueel-geestelijk in zo’n wereldschoolvereniging besloten ligt. Dat zou de mensen over grote delen van de wereld bij zo’n grote, reusachtige opdracht voor een groot deel samenbinden.  Dat wilde ik allereerst over het eerste onderdeel van het driegelede sociale organisme zeggen. De andere delen kan ik, omdat die in de praktijk van het leven bij andere gebieden horen, alleen maar even aanstippen. In de loop van de laatste  vier, vijf eeuwen hebben we de eenheidsstaat m.n. in onze huidige beschaafde wereld ontwikkeld. Enerzijds heeft die het geestesleven met het onderwijs en de opvoeding in zich opgeslokt; maar ook het economisch leven, in ieder geval voor een groot deel. En de sociaaldemocratie streeft ernaar de hele staat, het hele staatkundige kader te benutten om basaal gesproken een soort kazerne-economie in te richten, waardoor die economische vrijheid en die individualiteit verstoord wordt, zoals we dat zien bij Trotzki, bij Lening en vooral aan wat er van geworden is, wat op zo’n vreselijke manier in Oost-Europa tot aan Azië de mensheid in een kramp gebracht heeft.

Es handelt sich darum, daß die Menschen lernen, wie gewisse Dinge der Menschheit heute notwendig sind.
Das Wirtschaftsleben hat geradeso seine eigenen Bedingungen wie das Geistesleben. Wer wie ich dreißig Jahre, die Hälfte seines Lebens, in Österreich zugebracht hat, das ja gerade das Experimen­tierland war für das Wirken der sozialzerstörenden Kräfte* – deshalb ist dieses Österreich auch das erste Opfer dieser Weltkatastrophe geworden -, wer mit sehenden Augen in diesem Österreich gelebt hat, der konnte schon in den siebziger Jahren sehen, wie es dem Ende entgegeneilte. Da kann ich mich auf ein Beispiel beziehen, wie in diesem Österreich im Großen in den Niedergang hineingearbei­tet worden ist. Da wollte man in den siebziger Jahren auch demo­kratisch

Österreich … das Experimentierland war für das Wirken der soxialzerstörenden
Krafte:    Siehe dazu Rudolf Steiners Aufsätze in der Wiener Zeitung «Deutsche
Wochenschrift« in »Gesammelte Aufsätze zur Kultur- und Zeitgeschichte
1887-1901», GA 31.

Het gaat erom dat de mensen leren hoe noodzakelijk bepaalde mensheidsaangelegenheden nu zijn.
Het economische leven heeft net zo zijn eigen voorwaarden als het geestesleven. Wie zo als ik dertig jaar, de helft van zijn leven, in Oostenrijk geleefd heeft dat het proefland was voor de werking van de sociaal verstorende krachten* – daarom is Oostenrijk ook het eerste slachtoffer van deze wereldramp geworden – wie niet blind in dit Oostenrijk gewoond heeft, die kan al in de jaren zeventig (19e eeuw) zien, hoe het zijn einde tegemoet haastte. Ik kan nog een voorbeeld geven hoe in dit Oostenrijk in het groot naar deze aftakeling werd toegewerkt. Men wilde in de zeventiger jaren ook democratisch

*Zie Rudolf Steiners Aufsätze in der Wiener Zeitung «Deutsche
Wocheoschrift« in »Gesammelte Aufsätze zur Kultur- und Zeitgeschichte
1887-1901», GA 31.

Blz. 67

parlamentarisieren. Wie hat man das gemacht? Man hat vier Kurien festgesetzt, die Kurie der Großgrundbesitzer, die Kurie der Handelskammern, die Kurie der Städte, Märkte und Industria­lorte, die Kurie der Landgemeinden. Lauter Wirtschaftsinteressen wurden in das Parlament hineingezogen. Die Vertreter von bloßen Wirtschaftsinteressen in vier Kurien, die sollten für alles Staatliche die Entscheidung fällen. Sie fällten sie natürlich nach Wirtschafts-interessen. Dadurch kamen weder die berechtigten staatlichen Interessen noch die Wirtschaftsinteressen zu ihrer Geltung. Ich könnte Ihnen Hunderte und Hunderte von Gründen aufzäh­len, welche Ihnen zeigen würden, daß ebenso wie auf der einen Seite das Geistesleben abgesondert werden muß vom eigentlichen Staatsleben, auf der anderen Seite das Wirtschaftsleben ebenfalls ab­gesondert werden muß. Wie das Geistesleben auf den vollständig freien Menschen und die Verwaltung der freien Menschen ein­gerichtet werden muß, so muß das Wirtschaftsleben eingerichtet werden auf das assoziative Prinzip.

parlementair discussiëren. Hoe heeft men dat gedaan? Men heeft vier groepen, een afvaardiging, in het leven geroepen: een van de grootgrondbezitters, een van de handelskamer, een van de steden, markten en industriegebieden, een van de plattelandsgemeenten. De vertegenwoordigers van enkel de economische belangen moesten voor alles wat de staat betreft de beslissingen nemen. Die namen ze natuurlijk met het oog op de economische belangen. Daardoor kwamen noch de rechtmatige staatsbelangen, noch die van de economie tot hun recht.
Ik zou u honderden voorbeelden kunnen geven die u zouden laten zien, dat net zoals aan de ene kant het geestesleven los moet staan van het eigenlijke staatsleven, aan de andere kant het economisch leven ook los moet staan. Hoe het geestesleven georganiseerd moet worden voor de volledig vrije mens en bestuurlijk ingericht moet worden voor de vrije mens, zo moet ook het economisch leven georganiseerd worden op basis van het principe van de associatie.
Wat is een associatief principe? Wel, we hebben tegenwoordig al een streven in het oprichten van consumentenverenigingen. Mensen die consumeren sluiten zich aaneen. En wij hebben een beweging waarbij de producerende mensen uit de meest verschillende hoek zich verenigen.

Aber letztlich haben wir eigent­lich nur ein Surrogat, zusammengesetzt aus Konsumierenden und Produzierenden. Erst wenn man nicht nach dem Barometer des Gewinns, sondern wenn man nach dem Bedarf die Produktion einrichtet, wo man die Zusammenhänge von Konsumenten und Produzenten von denjenigen Menschen leiten läßt, die in verschie­denen Wirtschaftszweigen als Sach- und Fachkundige stehen, wo man Ernst macht damit, daß wir in bezug auf das Geistesleben nach Totalität streben, aber niemals im Wirtschaftsleben, wo man in Zu­sammenhang steht mit Menschen, die in anderen Branchen stehen -sobald man damit Ernst macht, wird das assoziative Prinzip im Wirtschaftsleben einziehen. Assoziation wird nicht Organisation sein. Trotzdem ich einen Teil meines Lebens in Deutschland ver­brachte, hat für mich das Wort «Organisation» etwas Fürchterliches,

Maar uiteindelijk hebben wij eigenlijk alleen maar een surrogaat, samengesteld uit consumenten en producenten. Pas wanneer men niet de winst als graadmeter neemt, maar de productie richt op de behoefte, waarbij de relatie tussen de consument en de producent door de mensen die in de verschillende economische gebieden staan als ter zake kundigen, waar men serieus werk maakt van het feit dat we in het geestesleven naar totaliteit streven, maar nooit in het economisch leven waarin men samen met de mensen staat die in andere takken werkzaam zijn – zodra men daarmee serieus omgaat, komt er in het economisch leven een associatief principe. Associatie moet geen organisatie zijn. Ondanks dat ik een deel van mijn leven in Duitsland heb doorgebracht, heeft voor mij het woord ‘organisatie’ iets vreselijks,

Blz. 68

und ich habe gerade in Deutschland kennengelernt, was es heißt, alles mögliche organisieren zu wollen. Furchtbares erreicht man, wenn man von einer zentralen Stelle aus immer organisieren will. Assoziieren ist nicht Organisieren. Da bleiben die Indivi­dualitäten in voller Wirkung, schließen sich zusammen, so daß durch den Zusammenschluß ein Kollektivurteil zustande kommt. Sie können Näheres darüber nachlesen in meinem Buch «Die Kern­ punkte der Sozialen Frage» und in dem Buche «In Ausführung der Dreigliederung»*, das eine Anzahl von Artikeln zusammenfaßt, die von mir erschienen sind in der Stuttgarter Zeitschrift** «Die Dreigliederung», die herausgegeben wird vom Bund für Dreigliederung des sozialen Organismus.
Ich habe darin gezeigt, wie aus dem wirklich praktischen Wirt­schaftsleben heraus diese Assoziationen gebildet werden können; wie diese Assoziationen zu einer gerechten Preisbildung***, zu einer erträglichen Preisbildung führen werden. Während wir heute nur eine Zufalls-Preisbildung haben, wird es sich da um eine Preisbil­dung handeln, die wirklich durch das assoziative Zusammenarbei­ten zwischen Konsumenten und Produzenten entsteht.

*In Ausführung der Dreigliederung des sozialen Organismus»: 21 Aufsätze, Stutt­gart 1920, heute in «Aufsätze über die Dreigliederung des sozialen Organismus und zur Zeitlage 1915-1921« GA 24.

**in der Stuttgarter Zeitschrift «Die Dreigliederung«, die herausgegeben wird vom Bund für Dreigliederung des sozialen Organismus: Die erste Ausgabe der Wochenzeitung «Dreigliederung des sozialen Organismus» erschien am 8. Juli 1920, als der Höhepunkt der Dreigliederungs-Massenbewegung bereits über­schritten war. Die Zeitschrift wurde vom Schriftsteller Ernst Uehli redigiert. Vor allem in den ersten beiden Erscheinungsjahren schrieb Rudolf Steiner eine ganze Reihe von Leitartikeln für diese Zeitschrift, die alle im Band »Aufsätze über die Dreigliederung des sozialen Organismus und zur Zeitlage 1915-1921» (GA 24) abgedruckt sind. Ab dem vierten Jahrgang, das heißt ab Juli 1922, als der end­gültige Niedergang der Dreigliederungs-Bewegung besiegelt war, änderte die Zeitung auch ihren Namen und erschien nun unter dem Titel »Anthro­posophie.Wochenschrift für freies Geistesleben; früher Dreigliederung des sozia­len Organismus«. In der folgenden Zeit – bis zu ihrer Vereinigung mit der Zeit­schrift »Die Drei» im Oktober 1931 – sollte sie noch mehrfach ihren Namen wie auch den Redakteur und den Herausgeber wechseln.

****die richtige Preislage: Rudolf Steiner hat zwischen 1919 und 1922 immer wieder die Frage des »richtigen Preises» angesprochen. Von ihm verfaßte, schriftille Ausführungen finden sich dazu vor allem im Aufsstz »Die Dreigliederung des sozialen Organismus, die Demokratie und der Sozialismus» (GA 24, S. 216f.), der im Juli 1919 in der ersten Nummer der schweizerischen Dreigliederungs-Zeit-schrift »Soziale Zukunft» erschien, und in seiner Schrift «Die Kernpunkte der Sozialen Frage» (1919), GA 23, 3. Kap., Anmerkung S. 31f., allerdings erst in der überarbeiteten 4. Auflage vom Dezember 1920. Siehe auch seine Ausführungen im «Nationalökonomischen Kurs», GA 340.

en ik heb met name in Duitsland ondervonden wat het betekent om maar van alles te willen organiseren. Er komt alleen iets verschrikkelijks uit, als men vanuit een centrale plaats alles wil organiseren. Associëren is geen organiseren. Daar blijven de individualiteiten volledig actief, sluiten zich bij elkaar aan, zodat hierdoor een collectief oordeel tot stand komt. U kan daarover nog meer nalezen in mijn boek ‘De kernpunten‘ en in mijn boek ‘Die Ausführung der Dreigliederung’* dat een aantal artikelen omvat die ik geschreven heb voor het Stuttgarter tijdschrift ‘De driegeleding’** dat wordt uitgegeven door de Bond voor driegeleding van het sociale organisme. Ik heb daarin gezegd hoe uit het werkelijk praktische economische leven deze associaties gevormd kunnen worden; hoe deze associaties tot een rechtvaardige prijsvorming, tot een prijsvorming***  die te dragen is, zullen leiden. Terwijl we nu een prijsvorming hebben die van het toeval afhangt, gaat het hier om een prijsvorming die werkelijk door het associatieve samenwerken tussen consument en producent ontstaat.

*’Ausführung der Dreigliederung des sozialen Organismus»: 21 Aufsätze, Stutt­gart 1920, nu in «Aufsätze über die Dreigliederung des sozialen Organismus und zur Zeitlage 1915-1921« GA 24.
Niet vertaald

**in het Stuttgarter tijdschrift «Driegeleding«, dat werd uitgegeven door de Bond voor Driegeleding van het sociale organisme: De eerste uitgave van het weekblad ‘Driegeleding van het sociale organisme’ verscheen op 8 juli 1920 toen het hoogtepunt van de grote driegeledingsbeweging al voorbij was. Het tijdschrift werd door de auteur Ernst Uehli geredigeerd. Met name in de eerste jaren van verschijning schreef Rudolf Steiner een hele serie hoofdartikelen voor dit tijdschrift, die alle in het boek  Aufsätze über die Dreigliederung des sozialen Organismus und zur Zeitlage 1915-1921« GA 24.  geplaatst zijn. Vanaf de vierde jaargang, d.w.z. vanaf juli 1922 toen de uiteindelijke neergang van de driegeledingsbeweging een feit was, veranderde het tijdschrift van naam en verscheen nu onder de tirtel ‘Antroposofisch weekblad voor vrij geestesleven’, voorheen ‘Driegeleding van het sociale organisme’. In de tijd daarna tot het samengaan met het tijdschrift ‘Die Drei’ in oktober 1931, zou het tijdschrift nog een aantal keren van naam veranderen, het veranderde ook van redacteur en uitgever.

***De juiste prijsverhouding: Rudolf Steiner heeft tussen 1919 en 1922 steeds weer gesproken over de vraag van ‘de juiste prijzen’. Wat hij daarover schriftelijk heeft gezegd, is vooral te vinden in het artikel ‘De driegeleding van het sociale organisme, de democratie en het socialisme’GA 24/216 (niet vertaald) dat in juli 1919 in het eerste nummer van het Zwitserse tijdschrift voor driegeleding ‘Sociale toekomst’ verscheen en in het boek ‘De kernpunten’, 3e hoofdstuk, zie opmerking bij blz. 31, en zeker in de bewerkte 4e oplage uit december 1920. Zie ook de uiteenzettingen in GA 340. (Niet vertaald)

Denn im wirtschaftlichen Leben ist die Preisfrage die Mittelpunktsfrage des ganzen wirtschaftlichen Daseins. Wer nicht einsieht, daß Preise vor allen Dingen durch Assoziationen geregelt werden müssen und nicht durch Statistiken oder dergleichen, sondern durch das lebendige Zusammenwirken in Assoziationen, der weiß nicht, worauf es ankommt. Man braucht sich nicht zu fürchten vor der Bürokratie; größer als heute wird sie sicher nicht sein. Aber da­durch, daß dieselben Leute, die im geschäftlichen praktischen Leben darinnenstehen, auch die Leiter sein werden, dadurch ver­einfacht sich die ganze Arbeit. Und man wird erreichen, daß ein jeder soviel bekommen wird, wenn er irgend etwas produziert, wie er verbraucht für sich und die Seinen, für die anderen Dinge, die er zu besorgen hat, bis er wiederum ein gleiches Produkt hervorgebracht hat. Grob gesprochen: fabriziere ich ein Paar Stie­fel, so muß ich dafür soviel bekommen, wie ich brauche, um wiederum ein Paar Stiefel zu produzieren. Das soll aber nicht in

Want in het economisch leven is het vraagstuk van de prijs de centrale vraag van de hele economie. Wie niet inziet dat prijzen boven alles geregeld moeten worden door associaties en niet door statistieken of iets van dien aard, maar door de levendige samenwerking in associaties, die weet niet, waar het op aankomt. Voor bureaucratie hoef je niet bang te zijn; groter dan nu zal die zeker niet zijn. Maar doordat dezelfde mensen die in het praktische zakenleven staan, ook de leiders moeten zijn, wordt al het werk makkelijker. En men zal bereiken dat ieder zoveel krijgt, wanneer hij iets produceert, als hij voor zichzelf en de zijnen nodig heeft, voor de andere zaken waarvoor hij moet zorgen tot hij weer eenzelfde product gemaakt heeft. Grofweg gezegd: fabriceer ik een paar laarzen, dan moet ik daarvoor zoveel krijgen als ik nodig heb om weer een paar laarzen te produceren. Dat moet echter niet op

Blz. 69

utopischer Weise irgendwie festgesetzt werden, sondern das wird sich als das letzte Resultat ergeben, wenn die Assoziationen in der Weise da sein werden, wie ich es in dem Buche «Die Kernpunkte der Sozialen Frage» dargestellt habe. Das ist das Wesentliche bei diesem Impuls der Dreigliederung des sozialen Organismus, daß er nichts Utopisches enthält, sondern ganz und gar aus der Le­benspraxis und aus den Zeitforderungen heraus geboren ist. Sach­-und Fachkenntnis müssen leiten das geistige Leben, Sach- und Fachtüchtigkeit müssen das wirtschaftliche Leben in Asso­ziationen leiten, die sich bis zu einer großen, von Landesgrenzen unabhängigen Weltwirtschaftsassoziation verbinden.
In bezug auf das geistige Leben und das wirtschaftliche Leben sind Majoritätsbeschlüsse ein Unding; da muß alles aus Sach- und Fachtüchtigkeit heraus sich entwickeln. Majoritätsbeschlüsse, eigentliche Demokratie ist nur möglich für diejenigen Angelegen­heiten, in denen jeder Mensch kompetent ist. Es ist ein weites Feld von politisch-rechtlichen Angelegenheiten, die dann übrig bleiben zwischen einem freien Geistesleben und dem auf das Assoziations­Prinzip gestellten Wirtschaftsleben. 

een utopische manier hier of daar vastgesteld worden, maar dat komt er als resultaat uit, wanneer de associaties er op die manier zijn als ik in mijn boek ‘De kernpunten‘ uiteengezet heb. Het wezenlijke bij deze impuls van de sociale driegeleding is dat er niets utopisch in zit, maar helemaal uit de praktijk van het leven en uit wat de tijd vraagt, ontstaan is. Zakelijke kennis en vakkennis moeten leiding geven aan het geestesleven, zakelijk en vaktechnisch kunnen aanpakken hoort bij de leiding van het economische leven in de associaties die tot een grote wereldeconomische associatie samen kunnen gaan, onafhankelijk van de landsgrenzen.
Wat betreft het geestesleven en het economische leven zijn meerderheidsbesluiten een onding; daar moet alles zakelijk en vakbekwaam zich ontwikkelen.
Meerderheidsbesluiten, de eigenlijke democratie is alleen mogelijk voor die zaken waarbij ieder mens competent is.
Er is een groot terrein van politiek-rechterlijke aangelegenheden die dan over blijven tussen een vrij geestesleven en het economisch leven dat op associatie berust.

Es sind alle diejenigen Angele­genheiten, in denen jeder mündig gewordene Mensch dem anderen als ein gleicher im parlamentarischen Leben gegenübersteht, wo alle die Fragen entschieden werden, die dann schon von selbst übrig bleiben aus dem Wirtschaftsleben, aus dem Geistesleben.
Die Fachleute haben merkwürdigerweise eingewendet, sie ver­stünden, daß im dreigliedrigen sozialen Organismus das freie Gei­stesleben und das assoziative Wirtschaftsleben sein müssen, aber für das Staatsleben bleibe ja dann nichts mehr übrig. – Das ist sehr charakteristisch. Das moderne Staatsleben hat so stark – sogar in den Ideen – Wirtschaftsleben und Geistesleben aufgesogen, daß es gerade die wichtigsten Dinge nicht entwickelt hat, so daß Fachleute gar kei­ne Ahnung haben, welche Aufgaben das Staatsleben haben kann.
Das, was ich Ihnen heute vorgetragen habe, ist nur skizzenhaft. Es wird in den genannten Büchern weiter ausgeführt. Es knüpft aber im Grunde doch an die intensivsten historischen Notwendigkeiten an.

Het zijn allemaal zaken waar ieder mondig geworden mens als een gelijke tegenover de ander staat in het parlementaire leven, waar over alle vragen beslist wordt die dan al vanzelf overgebleven zijn uit het economische en het geestesleven.
De vakmensen hebben er merkwaardigerwijs tegenin gebracht dat ze begrepen hebben dat in het driegelede sociale organisme het geestesleven en het economisch leven moeten zitten, maar dat er dan voor het staatsleven niets meer over blijft. Dat is wel heel opvallend. Het moderne staatsleven heeft – zelfs in de ideeën – het economische en het geestesleven zo sterk in zich opgezogen, dat het juist de belangrijkste dingen niet tot ontwikkeling heeft gebracht, zodat vakmensen helemaal geen idee hebben wat voor opgaven het staatsleven kan hebben.
Wat ik u vandaag verteld heb, is maar een schets. In de genoemde boeken wordt het verder uitgewerkt. Maar in de aard van de zaak sluit het toch aan bij de sterkste historische noodzaak.

Blz. 70

Wir sehen aus dem 18. Jahrhundert herüberstrahlen in unser Zeitalter die großen Menschheitsideale Freiheit, Gleichheit, Brüder­lichkeit. Wie könnten wir nicht fühlen, was in diesen drei großen Menschheitsimpulsen liegt! Und dennoch – es hat gescheite Leute gegeben im Laufe des 19. Jahrhunderts, die unwiderleglich gezeigt haben, daß im Einheitsstaat Freiheit, Gleichheit und Brüderlichkeit nicht nebeneinander bestehen können. So haben wir auf der einen Seite das Merkwürdige, daß unsere Herzen höher schlagen, wenn wir von diesen drei großen Menschheitsidealen hören, wenn wir sie innerlich empfinden, daß aber andererseits wiederum der gescheite Staatsmann – ich sage das ganz ohne Ironie – nachweisen kann, daß diese drei Ideale im Einheitsstaat sich nicht miteinander vertragen. Was liegt da vor? Da liegt das vor, daß die Menschen im 18. Jahr­hundert als unwiderlegliche Menschheitsideale und Menschheits­impulse Freiheit, Gleichheit und Brüderlichkeit gefühlt haben. Sie waren aber noch in der Suggestion, daß alles der Einheitsstaat ma­chen müsse.

Uit de 18e eeuw zien we nog tot in onze tijd de glans van het grote mensheidsideaal vrijheid, gelijkheid, broederschap. Hoe zouden we niet kunnen aanvoelen wat er in deze grote mensheidimpulsen leeft! En toch – in de loop van de 19e eeuw waren er knappe lieden die onweerlegbaar aangetoond hebben dat in een eenheidsstaat vrijheid, gelijkheid en broederschap niet naast elkaar kunnen bestaan. En nu hebben we enerzijds het merkwaardige feit dat onze harten sneller slaan wanneer wij over deze drie grote mensheidsidealen horen, wanneer we innerlijk meevoelen, dat echter anderzijds weer de knappe staatsman – dat zeg ik helemaal zonder ironie – kan aantonen dat deze drie idealen elkaar in een eenheidsstaat niet verdragen. Wat is er aan de hand? Dat de mensen in de 18e eeuw vrijheid, gelijkheid en broederschap gevoeld hebben als onweerlegbare mensheidsidealen en mensheidsimpulsen. Ze verkeerden echter nog in de illusie dat de eenheidsstaat dit allemaal moest realiseren.

Heute müssen wir reif werden für den dreigegliederten sozialen Organismus. In ihm erst werden sich wahrhaft Freiheit, Gleichheit, Brüderlichkeit verwirklichen können. In einem freien Geistesleben, von dem ich hoffe, daß es durch einen Weltschulverein wirklich an das Tageslicht gefördert werden könnte, wird wirk­liche Freiheit der Menschen herrschen. In dem Staatsleben,das zwischen dem freien Geistesleben und dem Wirtschaftsleben steht, wird alles auf Gleichheit gebaut werden können; es werden in seiner Verwaltung nur diejenigen Dinge vorkommen, in denen wirklich jeder mündig gewordene Mensch kompetent ist und als Gleicher dem anderen mündig gewordenen Menschen gegenüberstehen kann. Im Wirtschaftsleben werden sich in den Assoziationen Kon­sumenten- und Produzenten-Interessen zusammenschließen, den Ausgleich finden und zuletzt gipfeln in einer menschenwerten Preisbildung.
Wir werden eine Möglichkeit haben, die drei großen Mensch­heitsideale der Menschheitsentwicklung einzuverleiben, wenn wir uns befreien von der Suggestion des Einheitsstaates,indem wir er­streben: Im Geistesleben Freiheit, im Staatsleben oder politischen

Wij moeten nu rijp worden voor de sociale driegeleding. Daarin kunnen pas echt vrijheid, gelijkheid en broederschap verwezenlijkt worden. In een vrij geestesleven, waarvan ik hoop dat dit door een wereldschoolvereniging werkelijkheid kan worden, kan de echte vrijheid van de mens heersen. In het staatsleven dat tussen het vrije geestesleven en de economie staat, kan alles opgebouwd worden op gelijkheid; bij de uitvoering daarvan zullen er alleen zaken zijn waarbij werkelijk ieder mondig geworden mens competent is en als gelijke tegenover de andere mondig geworden mens kan staan. In het economisch leven zullen in de associaties consumenten en producenten hun interesses verenigen, overeenstemming vinden en uiteindelijk uitmonden in een menswaardige prijsvorming. We zullen gelegenheid hebben de drie grote mensheidsidealen van de mensheidsontwikkeling ons eigen te maken, wanneer wij onszelf vrijmaken van de suggestie van de eenheidsstaat wanneer we ernaar streven: in het geestesleven vrijheid, in het staatsleven of politiek leven:

Blz. 71

oder rechtlichen Leben – dem zweiten Gliede des sozialen Organis­mus – die Gleichheit; im assoziativ gestalteten Wirtschaftsleben die aus der Sachlichkeit der Produktion und Konsumtion heraus wirkende Brüderlichkeit.
Freiheit im Geistesleben, Gleichheit im Staatsleben, Brüderlich­keit im Wirtschaftsleben: das gibt erst den drei größten sozialen Idealen der Menschheit – Freiheit, Gleichheit, Brüderlichkeit -die richtige Bedeutung,

of rechtsleven – het tweede onderdeel van het sociale organisme – de gelijkheid; in het associatief gevormde economische leven de vanuit de zakelijkheid van productie en consumptie werkende broederlijkheid: geeft aan de drie grootste sociale idealen van de mensheid – vrijheid, gelijkheid, broederschap – de juiste betekenis.

.

[1] GA 297A [Duits]
[2] GA 297A [Duits]

GA 297Ainhoudsopgave

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Sociale driegeleding: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2168

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde -voordracht 9 (9-1-1/16)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Hier worden zijn uitspraken daarover uit andere voordrachten weergegeven.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar 

in de voordrachtenreeks:

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehung

GA 305

Die spirituelle Grundlage der Erziehung (1)

Voordracht 1, Oxford 16 augustus 1922

Kind een en al zintuig

Blz. 17  vert. blz. 14

Wie arbeitet das Geistig-Seelische an dem Kinde bis zum Zahnwechsel hin? Wie arbeitet das Geistig-Seelische an dem Kinde, wenn wir es gerade in der Volksschule, in der Elementarschule zu erziehen, zu unterrichten haben? Wie haben wir da selbst mit dem Geistig-Seelischen mitzu­arbeiten?
Wir sehen zum Beispiel, wie in dem ersten Lebensalter des Kindes bis zum Zahnwechsel hin instinktiv – instinktiv für das Kind, instinktiv auch für die Umgebung des Kindes – die Sprache ausgebildet wird. Wir denken heute vielfach darüber nach, ich will heute nicht sprechen von dem Historischen in der Entstehung der Sprache, sondern nur von dem Sprechenlernen des Kindes, wie eigentlich das Kind sprechen lernt, ob es gewissermaßen einen Instinkt hat, sich in den Klang, den es von der Umgebung hört, hineinzufinden, oder ob aus irgendwelchem an­deren Zusammenhang mit der Umgebung der Trieb, Sprache zu ent­wickeln, besteht. Sieht man aber genauer in das Leben des Kindes hin­ein, so merkt man, daß alle Sprache, alles Sprechenlernen auf der Nach­ahmung beruht desjenigen, was das Kind durch seine Sinne in der Um­gebung beobachtet, unbewußt beobachtet.

Hoe werkt het geest-zielenwezen in op het kind tot aan de tandenwisseling? Hoe werkt het geest-zielenwezen in op het kind juist als wij het op de lagere school, op de basisschool te onderwijzen hebben? Hoe moeten wij dan zelf met het geest-zielenelement meewerken?
Wij zien bijvoorbeeld hoe in de eerste levensfase van het kind tot aan de tandenwisseling instinctief – instinctief voor het kind, instinctief ook voor de omgeving van het kind – de taal gevormd wordt. Wij denken daar tegenwoordig veel over na – ik wil vandaag niet spreken over het historische in het ontstaan van de taal maar alleen over het leren spreken van het kind – hoe het kind eigenlijk leert spreken, of het in zekere zin een instinct heeft om z’n weg in de klank, die het van zijn omgeving hoort te vinden; dan wel of uit een of andere samenhang met de omgeving de aandrift ontstaat taal te ontwikkelen. Als men echter nauwkeuriger waarneemt in het leven van het kind, dan merkt men dat alle taal, al het leren spreken, berust op het nadoen van hetgeen het kind door zijn zintuigen in de omgeving waarneemt, onbewust waarneemt.

Das ganze Leben des Kindes bis zum 7. Jahre ist ein fortwährendes Imitieren desjenigen, was in der Umgebung vor sich geht. Und in dem Augenblick, wo das Kind irgend etwas wahrnimmt, sei es eine Bewegung, sei es einen Klang, entsteht in ihm der Drang nach innerlicher Gebärde, nach Nacherleben des­jenigen, was wahrgenommen wird aus seiner ganzen Innerlichkeit heraus. Das Kind ist ganz Sinnesorgan. Sein Blut wird noch in einer viel lebendigeren Weise durch seinen ganzen Körper getrieben, als es später der Fall ist. Und wir merken gerade durch eine feine Physiologie, worauf die Ausbildung unserer Sinnesorgane, zum Beispiel des Auges beruht.

Het hele leven van het kind tot aan het zevende jaar is een voortdurend imiteren van hetgeen er in de omgeving plaats vindt. En op het ogenblik waarop het kind wat dan ook bemerkt, of het nu een beweging is of een klank, ontstaat in hem de drang naar een innerlijk gebaar, naar het óók beleven van hetgeen er vanuit de volheid van zijn innerlijk wordt waargenomen.
Wij begrijpen het kind alleen als wij het zo bezien, zoals wij in een later stadium van zijn leven zijn oog of oor bezien. Het kind is helemaal zintuig. Zijn bloed wordt nog op een veel levendiger wijze door zijn hele lichaam gestuwd dan het later het geval is. En juist door een nauwkeurige fysiologische waarneming merken wij waarop de vorming van onze zintuigen – bijvoorbeeld het oog -berust.

Blz. 18    vert. 15/16

Das Auge entwickelt sich dadurch, daß in ihm zuerst das Blut prä­ponderiert, die Blutzirkulation, in den allerersten Lebensjahren des Menschen. Dann überwiegt später immer mehr und mehr das Nervenleben in den Sinnen, und eine Entwicklung von Blutzirkulation zum Nervenleben hin ist die Entwicklung des Sinneslebens im Menschen. Man kann sich eine feine Beobachtungsgabe aneignen dafür, wie all­mählich im Menschen übergeht das Blutleben ins Nervenleben.
So aber, wie es beim einzelnen Sinn ist, so beim ganzen Menschen. Das Kind muß so viel schlafen, weil es ganz Sinnesorgan ist, weil es die Außenwelt noch nicht mit ihrem Blenden, mit ihren Lauten vertragen würde. Wie das Auge sich schließen muß, wenn das blendende Sonnen­licht herandringt, so muß sich dieses Sinnesorgan Kind – denn das Kind ist ganz Sinnesorgan – abschließen gegenüber der Welt, muß viel schla­fen; denn dann, wenn es der Welt gegenübergestellt ist, muß es beob­achten, innerlich reden. Jeder Laut der Sprache entsteht aus der inner­lichen Gebärde. Das, was ich hier sage aus einer spirituellen Erkenntnis heraus, das ist, ich möchte sagen, naturwissenschaftlich heute schon voll zu belegen.

Het oog ontwikkelt zich doordat het bloed, de bloedcirculatie, er in de allereerste levensjaren van de mens een overwegende rol in speelt. Dan overweegt later steeds meer het zenuwstelsel in de zintuigen en de ontwikkeling van het zintuiglijke leven in de mens is de ontwikkeling van bloedcirculatie naar het leven van de zenuwen. Men kan zich het vermogen eigen maken om precies waar te nemen hoe in de mens het leven in het bloed langzamerhand overgaat in het leven in het zenuwgebied.
Zoals het is bij een enkel zintuig, zo is het ook bij de mens als geheel.
Het kind moet zoveel slapen omdat het geheel en al zintuig is, omdat het de verblindende en verdovende buitenwereld nog niet zou verdragen. Zoals het oog zich moet sluiten voor het verblindende zonlicht, zo moet het zintuig kind – want het kind is helemaal zintuig – zich afsluiten voor de wereld, moet het veel slapen; want als het tegenover de wereld staat moet het waarnemen, innerlijk spreken. Iedere klank van de taal ontstaat uit het innerlijke gebaar. Hetgeen ik hier zeg vanuit een geestelijk kennen, is – zou ik willen zeggen – tegenwoordig vanuit de natuurwetenschap volledig te bewijzen.

Es gibt eine naturwissenschaftliche Entdeckung – gestatten Sie mir, weil diese Entdeckung mich ja während meines ganzen Lebens verfolgt hat, die persönliche Bemerkung, daß diese naturwissenschaftliche Ent­deckung so alt ist wie ich selber; sie ist in dem Jahre gemacht worden, wo ich geboren bin -, diese naturwissenschaftliche Entdeckung besteht darin, daß des Menschen Sprache beruht auf der Ausbildung der linken Schläfenwindung im Gehirn. Die wird plastisch im Gehirn ausgebildet. Aber diese Ausbildung geschieht durchaus während des kindlichen Alters selber aus jener Plastik heraus, von der ich Ihnen gesprochen habe. Und wenn wir den ganzen Zusammenhang betrachten, der besteht zwischen der Gebärde des rechten Armes und der rechten Hand, die präponderieren bei denjenigen Kindern, die das normal bilden – über Linkshänder werde ich noch zu sprechen haben, inwiefern sie sich zu den Allgemeinen verhalten; sie machen eine Ausnahme; aber gerade sie sind Beweise, wie das, was Sprechenlernen bedeutet, zusammenhängt mit jeder Gebärde, bis ins einzelnste hinein mit dem rechten Arm und der rechten Hand -, so werden wir sehen, wie durch einen inneren geheimnisvollen 

Er bestaat een natuurwetenschappelijke ontdekking – neemt U mij deze persoonlijke opmerking niet kwalijk maar deze ontdekking heeft mij mijn hele leven achtervolgd omdat hij zo oud is als ikzelf; hij is gedaan in het jaar waarin ik geboren ben -, die ontdekking nu bestaat daaruit dat de menselijke taal berust op de vorming van de linker slaapbeenkwab in de hersenen. De taal wordt ruimtelijk in de hersenen tot vorm. Maar deze vorming geschiedt volledig gedurende de kindertijd zelf vanuit de vormende werking waarover ik tot U heb gesproken. En als wij de totale samenhang bezien die er is tussen het gebaar van de rechter arm en de rechter hand, die dominant zijn bij de kinderen die dit normaal ontwikkelen – (over de linkshandigen zal ik nog spreken en over de manier waarop zij staan ten opzichte van het algemene; zij vormen een uitzondering; maar juist zij vormen het bewijs hoe het leren spreken, met elk gebaar van de rechter arm en de rechter hand tot in detail samenhangt) – dan zullen wij zien hoe door een geheimzinnige

Blz. 19

Zusammenhang von Blut, Nerven und der Windung des Gehirns aus der Gebärde heraus durch Imitation der Umgebung, die Sprache sich bildet.
Wenn wir schon eine feinere Physiologie hätten, als wir sie heute haben, so würden wir für jedes Alter nicht nur das Passive, sondern auch das Aktive entdecken. Aber dieses Aktive ist besonders regsam in diesem großen Sinnesorgan, das das Kind ist. Daher lebt das Kind so in seiner Umgebung, wie im späteren Leben unser Auge in der Um­gebung lebt. Unser Auge ist besonders herausgestaltet aus der allge­meinen Kopforganisation, liegt, ich möchte sagen, in einer besonderen Höhlung, damit es das Leben der Außenwelt mitmachen kann. Das Kind macht so das Leben der Außenwelt mit, lebt ganz in der Außen­welt drinnen, ist noch nicht in sich, fühlt noch nicht sich, lebt ganz mit der Außenwelt.
Wir entwickeln heute mit Recht innerhalb unserer Zivilisation eine Erkenntnis, die eine sogenannte intellektualistische Erkenntnis ist, die ganz in uns lebt. Wir glauben die Außenwelt zu erfassen. Aber alle Gedanken, vor denen wir, und vor deren Logik wir allein gelten lassen die Erkenntnis, sie leben ja ganz in uns.

innerlijke samenhang van bloed, zenuwen en de winding van de hersenen vanuit het gebaar, door imitatie van de omgeving, de taal zich vormt.
Als wij over een fijnere fysiologie zouden beschikken dan wij nu hebben, dan zouden wij voor elke leeftijd niet alleen het passieve maar ook het actieve ontdekken. Maar dit actieve is bijzonder levendig in het grote zintuig dat het kind is. Vandaar dat het kind zó in zijn omgeving leeft, als in het latere leven ons oog in de omgeving leeft. Vanuit de algemene aanleg van het hoofd is het oog op een nadrukkelijke manier naar buiten toe gevormd en het ligt – zou ik willen zeggen – in een speciale holte, opdat het het leven van de buitenwereld kan meemaken. Het kind maakt zo ook het leven van de buitenwereld mee, leeft helemaal in de buitenwereld, is nog niet in zichzelf, voelt zichzelf nog niet, leeft helemaal met de buitenwereld.
Wij ontwikkelen heden ten dage binnen onze beschaving terecht een wijze van kennen, die de intellectualistische wordt genoemd en die helemaal in ons leeft. Wij menen de buitenwereld te vatten. Alle gedachten leven in onszelf. Maar van deze gedachten laten wij alleen gelden wat er aan logica in wordt gevonden en wat er van past binnen onze wijze van kennen.

Und das Kind lebt ganz außer­halb seiner selbst. Dürfen wir glauben, daß wir mit unserer intellek­tualistischen Erkenntnis jemals herankommen an dasjenige, was das Kind, das ganz Sinnesorgan ist, mit der Außenwelt erlebt? Das dürfen wir niemals. Das dürfen wir nur hoffen von der Erkenntnis, die selber ganz aus sich herausgehen kann, ganz untertaucht in das Wesen des­jenigen, was lebt und west. Eine solche Erkenntnis ist nur die intuitive Erkenntnis, nicht die intellektuelle, mit der wir in uns bleiben, wo wir uns bei jeder Idee fragen: Ist sie auch logisch? – es ist eine Erkenntnis, mit der der Geist hinunterdringt in die Tiefen des Lebens selber, eine intuitive Erkenntnis. Wir müssen uns bewußt aneignen eine intuitive Erkenntnis, dann werden wir erst selbst so praktisch, damit wir mit dem Geiste tun können dasjenige, was mit dem Kinde zu geschehen hat zunächst in den ersten Lebensjahren.

Het kind leeft echter geheel buiten zichzelf. Zouden wij dan mogen denken dat wij met onze intellectualistische kennis ooit zouden kunnen benaderen wat het kind, dat geheel en al zintuig is, aan de buitenwereld beleeft? Dat mogen wij nooit. Dat mogen wij slechts hopen van de kennis, die zelf geheel en al buiten zichzelf kan treden en helemaal onderduikt in het wezenlijke dat leeft en wordt. Een dergelijke kennis is alleen de intuïtieve kennis, niet de intellectuele, waarbij wij in onszelf blijven, waarbij wij ons bij ieder idee afvragen: is dat wel logisch? het is een wijze van kennen waarbij de geest afdwaalt in de diepte van het leven zelf: een intuïtieve wijze van kennen. Wij moeten ons bewust een intuïtieve wijze van kennen eigen maken opdat wij zelf zó praktisch worden, dat wij door middel van de geest kunnen doen wat er vóór alles met het kind moet gebeuren in de eerste levensjaren.
GA 305/17-19
Vertaald /14-17  oudere vertaling gebruikt waardoor de bladzijnr. kunnen verschillen

 

Die spirituelle Grundlage der Erziehung (2)

Voordracht 2, Oxford 17 augustus 1922

Blz. 27     vert. blz. 25

Wenn wir uns eine   wirkliche Einsicht, eine unmittelbare, tatsäch­liche Erkenntnis von demjenigen verschaffen können, was in dem ganz kleinen Kinde bis zum Zahnwechsel hin innerlich wirkt so, daß es aber nicht direkt wahrgenommen werden kann, sondern nur angeschaut werden kann in den Wesensäußerungen des Kindes, mögen uns diese noch so primitiv vorkommen, das ist «Geist», und das ist «Seele». Wir haben sonst, wenn wir die Natur und das Menschenleben an­schauen, niemals in dem Sinne Geist und Seele vor uns, als nur, wenn wir dasjenige, was Lebensäußerungen des ganz kleinen Kindes sind, beschauen. Da arbeiten, wie ich gestern sagte, in der Plastik des Ge­hirnes, in der Ausbildung des ganzen Organismus, die geistigen Kräfte darinnen, da arbeiten die seelischen Essenzen darinnen. Dasjenige, was wir sehen, sind die Lebensäußerungen des Kindes; sie nehmen wir durch die Sinne wahr. Aber dasjenige, was durch den Schleier des sinnlich Wahrnehmbaren hindurch wirkt, ist Geist, ist Seele; so, wie wir sie nie­mals sonst im Leben ohne eine innere seelische Entwicklung wahr­nehmen können.

De geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst (2)

Als wij ons een werkelijk inzicht, een directe, feitelijke kennis eigen kunnen maken van hetgeen er in het zeer kleine kind werkzaam is tot aan de tandenwisseling, werkzaam zó, dat het niet direct waarneembaar is maar alleen kan worden gadegeslagen in de uitingen van het wezen van het kind, hoe primitief die ook mogen lijken, dan vinden we daar ‘geest’ en ‘ziel’. Voor het overige hebben wij als wij het leven van de mens en de natuur bezien, nooit in die zin geest en ziel voor ons dan alleen wanneer wij het gedrag van het zeer kleine kind gadeslaan. Daar, in het vormen van de hersenen en in het tot gestalte komen van het hele organisme werken zoals ik gisteren al zei de krachten van de geest en het wezenlijkste deel van de ziel. Wat wij hier zien is het gedrag van het kind; dat nemen wij met onze zintuigen waar. Maar hetgeen zich via de versluieringen van het zintuiglijk waarneembare doet kennen is de geest, is ziel. Zo kunnen wij die verder nooit in het leven waarnemen zonder dat er een ontwikkeling van de ziel aan voorafgegaan is.

Blz. 35   vert. 34

Indem wir uns unsere Begriffe, Ideen, das­jenige, was bloße Intellektualität darstellt, mit Realität durchdrungen haben, spüren wir wiederum, wie der Geist in uns schöpferisch ist.
Dann können wir nachfühlen, was in dem Kinde real wirkt. Nicht das wirkt, was wir als «mind» in uns ausfuhrten . Das wurde nicht schöpferisch sein in dem ganz kleinen Kinde. Das würde nur dazu führen, uns zu verlieren. Aber dasjenige, wozu wir kommen auf die eben beschriebene schöpferische Art, ist das, was in dem Kinde wirkt, was die zweiten Zähne nachbildet den ersten Zähnen, und was mit dem 7. Jahre aufhört plastisch zu wirken.

Wanneer wij onze begrippen, ideeën, al hetgeen het zuivere intellect oplevert, met de realiteit hebben doordrongen, dan bespeuren wij opnieuw hoe de geest scheppend in ons werkt. Dan kunnen wij meevoelen wat in het kind reëel werkzaam is. Niet hetgeen wij als onze ‘mind’ hebben aangeduid is werkzaam. Dat zou geen scheppende kracht hebben in het zeer kleine kind. Dat zou er alleen maar toe leiden onszelf te verliezen. Maar hetgeen wij bereiken met de zojuist beschreven scheppende werkwijze is hetzelfde als wat bij het kind het vaste gebit vormt naar het beeld van het melkgebit, en dat met het zevende jaar langzaam ophoudt met zijn vormende werkzaamheid.
GA 305/35
Vertaald /25  oudere vertaling gebruikt waardoor de bladzijnr. kunnen verschillen

Die spirituelle Grundlage der Erziehung (3)

Voordracht 3, Oxford 18 augustus 1922

Blz. 54    vert. blz. 53/54

Hat man diese Begriffe, die ich jetzt nur in einigen Richtlinien an­deuten konnte – sie werden durch ihre Anwendung, die sich uns in den nächsten Tagen ergeben wird, in allen Einzelheiten klar werden -, hat man diese elementaren Richtlinien, dann öffnet sich einem das Auge für alles dasjenige, was einem auch in der kindlichen Natur entgegen­tritt. Denn in der kindlichen Natur ist es noch nicht so. Zum Beispiel, das Kind ist ganz Sinnesorgan, eigentlich ganz Kopf, wie ich schon auseinandergesetzt habe.
Insbesondere ist es für eine Anschauung der spirituellen Erkenntnis interessant zu sehen, wie das Kind anders schmeckt als der Erwachsene. Der Erwachsene, indem er das Schmecken schon in die Vorstellung einbezogen hat, er schmeckt auf der Zunge und gibt sich dann Auf­schluß darüber, wie der Geschmack ist. Das Kind – in den allerersten Lebenswochen namentlich – schmeckt mit dem ganzen Körper. Das Geschmacksorgan geht durch den ganzen Organismus. Es schmeckt mit dem Magen, es schmeckt noch, wenn der Nahrungssaft von den Lymph­gefäßen aufgenommen wird und in den ganzen Organismus übergeht. Das Kind ist ganz durchdrungen von Schmecken, wenn es an der Mut­terbrust liegt.

De geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst (2)

Deze begrippen [die van denken, voelen en willen] kan ik op dit moment slechts in de vorm van een aantal richtlijnen aanstippen. Het is door de toepassing ervan, waaromtrent ons in de komende dagen het een en ander zal blijken, dat zij ons geheel en al duidelijk zullen worden. Bezit men echter deze elementaire richtlijnen dan worden ons ook de ogen geopend voor al hetgeen ons vanuit de kinderlijke natuur tegemoetkomt. Want bij het kind is het immers nog anders. Zo is het kind bijvoorbeeld een en al zintuig, eigenlijk een en al hoofd, zoals ik eerder reeds heb uiteengezet. Het is met name interessant om, waarnemend vanuit de geestelijke kennis, te zien hoe het kind heel anders proeft dan de volwassene. De volwassene proeft omdat hij de smaak al bij de voorstelling betrokken heeft, met de tong en bepaalt zo hoe iets smaakt. Het kind proeft – met name in de allereerste levensweken – met het hele lichaam. Het smaakorgaan is overal in het lichaam. Het kind proeft met de maag, het proeft nog als de voeding door de lymfevaten wordt opgenomen en het gehele organisme vervult. Het kind is helemaal van smaak doordrongen als het aan de moederborst ligt.

Das ist dasjenige, was uns darauf hinweist, wie, ich möchte sagen, das Kind durchleuchtet und durchglänzt wird von dem Schmecken, von einem Seelischen, das wir später nicht mehr im ganzen Leibe noch haben, das wir später nur im Kopfe noch haben. Und so lernen wir das kleine Kind, so lernen wir auch das größere Kind anschauen, wenn wir wissen, das eine Kind errötet leichter bei dem oder jenem, das andere wird blaß bei dem oder jenem, das eine Kind gerät leicht in eine gewisse Emotion hinein, bewegt seine Glieder leicht; das eine tritt stark auf, das andre trippelt fast nur und so weiter. Wenn wir diese Grundlinien haben, daß wir wissen können, wo irgend etwas sitzt, ob im Stoffwechselsystem, indem es seelisch im Wollen zum Ausdrucke kommt, ob im rhythmischen System, indem es seelisch im Fühlen zum Ausdrucke kommt, oder im Nervensystem, indem es see­lisch im Denken zum Ausdrucke kommt, dann lernen wir das Kind beobachten, dann wissen wir erst, wohin wir die Augen zu richten haben.

Dat is hetgeen er ons op wijst hoe het kind, ik zou willen zeggen, wordt doorstraald en doorglansd met smaak, met iets zielsmatigs, dat wij later niet meer in ons gehele lichaam hebben, maar alleen in ons hoofd.
En zo leren wij het kleine kind, zo leren wij ook het grotere kind te bezien, wanneer we weten dat het ene kind snel bloost bij het een of ander, het andere juist snel bleek wordt, dat het ene kind snel op een bepaalde manier geëmotioneerd raakt, makkelijk beweegt, stevig stapt, of juist haast alleen maar wat trippelt, enzovoort. Wanneer wij deze richtlijnen bezitten, zodat wij weten waar iets tot uitdrukking komt, in het ritmische stelsel doordat het wat de ziel betreft in het voelen tot uitdrukking komt, of in het zenuwstelsel doordat het wat de ziel betreft in het denken tot uitdrukking komt, dan leren wij hoe we het kind moeten gadeslaan, dan weten wij pas waar we naar moeten kijken.
GA 305/54
Vertaald /53/54  oudere vertaling gebruikt waardoor de bladzijnr. kunnen verschillen

58

Die Erziehung des kleinen Kindes und die Grundstimmung des Erziehers

Voordracht 4, Oxford 19 augustus 1922

Blz. 58      vert. blz. 59

In dem ersten Lebensalter, bis zum Zahnwechsel hin – ich habe es schon ausgesprochen -, ist das Kind in einem mehr als sinnbildlichen Sinne ganz Sinnesorgan. Es ist gewissermaßen ganz Kopf; und alle seine Entwicklung geht vom Ner­ven-Sinnessystem aus. Da liegen die Ursprungsstellen für die formenden Kräfte des ganzen Organismus. Das Nerven-Sinnessystem durchdringt als Hauptakteur den ganzen Organismus; und alle Eindrücke der Außenwelt wirken durch den ganzen Organismus hindurch, während sie im späteren Leben nur an der Peripherie des Sinnessystems physisch, aber weiter in den Körper hinein bloß seelisch wirken

In de eerste levensfase, tot aan de tandenwisseling is het kind – ik heb het al eerder gezegd – in meer dan overdrachtelijke zin helemaal zintuig. Het is tot op zekere hoogte helemaal hoofd, en heel zijn ontwikkeling gaat uit van het zenuw-zintuigstelsel. Daar ligt de herkomst van de vormende krachten van het gehele organisme. Het zenuw-zintuigstelsel vervult als hoofdrolspeler het gehele organisme, en alle indrukken van de buitenwereld gaan tot in het gehele organisme, terwijl zij in het latere leven fysiek slechts in de periferie van het zintuigstelsel, en verder in het lichaam alleen maar zielsmatig aanwezig zullen zijn.

Blz. 59      vert. blz. 59

Man möchte sagen: Der reife Mensch ist so organisiert, daß das Licht mit seinen physischen Wirkungen im Auge halt macht und daß es weiter hinein in den Organismus nur die vom Gefühl durchdrungene Vor­stellung vom Lichte schickt. Beim Kinde ist es so, daß gewissermaßen jedes Blutkörperchen innerlich vom Lichte physisch erregt wird. Man darf diese Wirkungen allerdings nicht so verstehen, als ob sie mit gro­ben physischen Methoden nachweisbar seien. Das Kind ist noch ganz den Wirkungen derjenigen ätherischen Essenzen hingegeben, die im späteren Leben nur an der Oberfläche des Leibes, in den Sinnesorganen wirken, damit der Mensch innerlich etwas ganz anderes entwickeln könne; Das Kind bis zum Zahnwechsel ist durch den ganzen Organis­mus hindurch Sinn; der mehr erwachsene Mensch ist an seiner Ober­fläche Sinn, im Inneren Seele. Man beachte das in konkreten Einzel­heiten. Derjenige, der als erwachsener Mensch einem ganz jungen Kinde, einem Säugling zugesellt ist, der wird als Mensch mit seinem ganzen inneren Erleben zum Erzieher des Kindes. Angenommen, es befinde sich an der Seite des Kindes ein sorgenvoller Mensch, ein sol­cher, der auch Grund hat, Sorgen zu entwickeln.

Men zou kunnen zeggen: De lichamelijke structuur van de volwassene is zo, dat de fysieke werking van het licht niet verder gaat dan het oog en dat het licht dieper in het organisme slechts de van het gevoel doordrongen voorstelling van licht zendt. Bij het kind is het zo, dat tot op zekere hoogte elk bloedlichaampje innerlijk fysiek door het licht geprikkeld wordt. Men mag zich echter deze processen niet zo voorstellen alsof zij met grove fysieke methoden aantoonbaar zouden zijn. Het kind is nog volstrekt die essentiële etherische processen toegedaan die in het latere leven slechts aan de buitenkant van het lichaam, in de zintuigen plaatsvinden, opdat de mens innerlijk iets geheel anders kan ontwikkelen.
Het kind is tot aan de tandenwisseling in zijn gehele organisme zintuig, de meer volwassen mens is aan de buitenkant zintuig, en innerlijk ziel. Bekijk dat eens tot dat tot in de concrete details. Degene die als volwassene de zorg voor een klein kind, voor een zuigeling krijgt, wordt als mens met geheel zijn innerlijke beleving tot opvoeder van het kind. Laten we aannemen dat het kind begeleid wordt door een bezorgd mens, iemand die ook reden heeft zich zorgen te maken.

Beim reifen Menschen kommt nur schwach dasjenige zur Offenbarung, was als physische Wirkung dieser seelischen Sorgen in Konstitution, Mimik und Bewe­gung in seinem Körper ist. Wenn wir Sorge haben, so ist immer unser Mund etwas trocken. Und wenn bei gewissen Menschen die Sorge habi­tuell wird, wenn sie dauert, dann gehen diese mit immer trockenem Munde, mit klebender Zunge, mit einem bitteren Geschmack im Mun­de herum; sogar mit leichter Atembeklemmung. Beim erwachsenen Menschen sind diese physischen Zustände nur leise Untertöne des Lebens.
Das Kind, das neben den Erwachsenen heranwächst, ist aber ein Imitator auch der schwächsten physischen Zustände des Erziehers. Es richtet sich ganz nach dem physiognomischen Ausdruck, nach dem, was es wahrnimmt, nach der Art und Weise, wie der Erwachsene sor­genvoll spricht, sorgenvoll empfindet, ein, weil es ja ganz Sinnesorgan ist. Imponderable Wechselwirkungen spielen sich ab zwischen dem Erwachsenen und dem Kinde. Hat der Erwachsene Sorge, die seelisch ist, aber sich in den physischen Folgezuständen offenbart, so nimmt das

Nabootsing

Bij de volwassene openbaart zich slechts zwak hetgeen aan fysieke uitdrukking van die zorgen – (die in de ziel liggen) – in zijn constitutie, mimiek en bewegingen, lichamelijk aanwezig is.
Als wij zorgen hebben, dan is onze mond altijd wat droog. En als bij bepaalde mensen die zorgen chronisch worden, als die blijven duren, dan lopen deze mensen voortaan rond met een altijd wat droge mond, een tong die aan het verhemelte blijft plakken, een bittere smaak in de mond, en misschien zelfs met een wat moeilijke ademhaling. Bij volwassenen vormt een dergelijke fysieke toestand slechts een lichte ondertoon in het leven.
Het kind, dat in de omgeving van de volwassene opgroeit is echter een imitator van ook maar de lichtste fysieke toestand van de opvoeder. Het vormt zich helemaal naar de gelaatsuitdrukking, naar dat wat het waarneemt, naar de manier waarop de volwassene bezorgd, bekommerd spreekt, naar de bezorgde wijze waarop hij waarneemt, omdat het kind immers helemaal zintuig is. Tussen de volwassene en het kind spelen zich wisselwerkingen af waarvan het gewicht niet te peilen is. Wanneer de volwassene zorgen heeft, die in het zielengebied liggen maar zich in hun fysieke uitingen vertonen, dan neemt het

Blz. 60   vert. blz. 60

Kind als Imitator die physischen Folgen wahr und gestaltet das eigene Innere darnach, wie sich das Auge mit der Lichtwirkung durchdringt. Das Kind nimmt eine innerliche Geste, eine innerliche Mimik auf, was sich durch die klebrige Zunge, den bitteren Geschmack offenbart. Es entwickelt sich bei ihm durch den ganzen Organismus hindurch ein konstitutioneller Abdruck des physischen Erlebens beim Erwachsenen. Es nimmt das in die Länge gezogene Blaßwerden des Gesichtes an, das der sorgenvolle Erwachsene hat, aber es kann den seelischen Inhalt der Sorge nicht in sich aufnehmen; es imitiert nur die physische Folge der Sorge. Und das Ergebnis ist, daß beim Kinde sogleich seine physische Konstitution von den geistigen Formkräften, die im Sinnes-Nerven­system ihren Sitz haben, ergriffen wird. Die inneren physischen und feineren Organe bauen sich im Sinne dessen auf, was das Kind an physischem Abbild der Sorge in sich aufgenommen hat. Es bekommt einen zur Sorge disponierten Organismus, der später auch leicht Lebenseindrücke in Sorge aufnimmt, die eine andere Konstitution nicht dazu treiben.
Das Kind wird auf diese Art zu einem sorgenvollen Menschen durch seinen physischen Organismus erzogen. Solche Erkenntnisse von fei­neren Lebenswirkungen muß man haben, wenn man im richtigen Sinne Erzieher sein will. Es sind dies für Lehrer und Erzieher Vorbedingungen wie für den Maler die Beobachtungsgabe für Farbenwirkungen.

kind als imitator die fysieke gevolgen waar en vormt het eigen innerlijk naar de manier waarop het oog met de werkzaamheid van het licht doordrongen wordt. Het kind neemt een innerlijk gebaar, een innerlijke mimiek op, die zich openbaart in de plakkerige tong, in de bittere smaak. Er ontwikkelt zich bij hem door zijn gehele organisme heen een afdruk in zijn gestel van wat bij de volwassene fysiek beleefd wordt. Het kind neemt van de bezorgde volwassene het bleke, lange gezicht over, maar het kan de psychische inhoud van die zorgen niet in zich opnemen, het imiteert slechts de fysieke gevolgen van die zorgen. En het resultaat is dat het fysieke gestel van het kind direct wordt aangegrepen door de geestelijke vormkrachten die in het zenuw-zintuigstelsel hun zetel hebben. De innerlijke fysieke én de fijnere organen bouwen zichzelf op naar wat het kind als fysiek evenbeeld der zorg in zich heeft opgenomen. Zo krijgt het een organisme dat voor het zorgelijke gedisponeerd is, en dat later ook gemakkelijk allerlei indrukken in het leven als zorgelijk ervaart, die bij een andere lichamelijke constitutie daartoe geen aanleiding zouden geven.
Het kind wordt zo door zijn fysieke organen opgevoed tot een bezorgd, een bekommerd mens. Dit soort kennis van subtielere levensprocessen moet men bezitten wanneer men opvoeder wil zijn in de juiste betekenis van het woord. Dit zijn voor leraren en opvoeders absolute voorwaarden zoals voor de schilder de kennis van de werking der kleuren.

Blz. 61   vert. blz. 61

Die Vererbung ist in der allerersten Lebenszeit des Kindes das Wich­tigste; aber immer mehr und mehr tritt die Anpassung des Menschen an die Welt auf. Es werden die vererbten Eigenschaften allmählich so um­gestaltet, daß der Mensch nicht nur das in sich trägt, was er von seinen Eltern und Voreltern vererbt hat, sondern daß er offen ist durch alle seine Sinne, durch seine Seele, durch seinen ganzen Geist, der Welt seiner Umgebung. Sonst wird er ein Mensch, der in einem weltfremden Wesen erstarrt, ein Mensch, der nur das will, was im Sinne seiner ver­erbten Eigenschaften liegt und einen Gegensatz zu der Welt seiner Um­gebung bildet. Der Grad von Befriedung am Leben, der ihm sonst zukäme, wird herabgemindert. ( )
Man muß in allen Einzelhei­ten beobachten können, wie in den ersten Lebensjahren des Kindes die Vererbung in einem inneren Kampf liegt mit der Anpassung an die Welt.

De erfelijkheid is in de allereerste periode van het leven van het kind het belangrijkste, maar steeds meer treedt er een aanpassing van de mens aan de wereld, aan het milieu, op. De geërfde eigenschappen worden langzamerhand zo omgevormd, dat de mens niet slechts in zich draagt wat hij van zijn ouders en voorouders geërfd heeft, maar dat hij ook open staat via al zijn zintuigen, door middel van zijn ziel en met zijn hele geest, voor de wereld van zijn omgeving. Anders wordt hij een mens die verstart tot een wereldvreemd wezen, een mens die slechts datgene wil wat in het verlengde ligt van zijn geërfde eigenschappen en die een tegenstelling vormt tot de wereld die hem omgeeft. De mate waarin hij anders vrede zou hebben met de wereld, wordt verminderd.
Men moet tot in de kleinste bijzonderheden kunnen waarnemen hoe in de eerste levensjaren van het kind de erfelijkheid in een innerlijke strijd gewikkeld is met de aanpassing aan de wereld.

Blz. 63   vert. blz. 64

Wenn man als erwachsener Mensch im Leben steht, weiß man oft­mals außerordentlich gut, was als Richtiges zu tun ist; man kann es aber nicht ausführen. Man fühlt nicht die Kraft dazu. Es ist manchmal dasjenige recht verborgen in dem Menschen, was ihn kraftlos macht gegenüber dem, was er tun soll. Eine wahre Menschenkenntnis ergibt dann, daß es der physische Organismus ist, der irgendwo so etwas sitzen hat, wie die Imitation der Sorge, die ich charakterisiert habe. Diese Imitation hat sich dem Organismus einverleibt; es ist eine gewohn­heitsmäßige Orientierung im Leben durch den physischen Organismus entstanden. Es kann aber der Fall eintreten, daß die Welt etwas von dem Menschen verlangt, das gar nicht seiner Organisation im Sinne der Sorge entspricht. Aber die ist durch den Verkehr mit dem Erzieher ent­standen. Man hat die Folge der in der Kindheit durch Nachahmung erworbenen Haltung des Sorgen-Organismus zu tragen. Man muß, wenn man Erziehungskunst ausüben will, in solch feine Zusammen­hänge des Lebens hineinschauen können.

Wanneer men als volwassen mens in het leven staat weet men vaak bijzonder goed wat juist is om te doen, maar men kan het niet uitvoeren. Men gevoelt niet de kracht daartoe. Soms is diep in de mens verborgen wat hem krachteloos maakt ten opzichte van hetgeen hij zou horen te doen. Ware kennis omtrent de mens leert ons dan dat er ergens in het fysieke organisme iets aanwezig is als die nagebootste zorg die ik gekenschetst heb. Deze nabootsing is een deel gaan uitmaken van het organisme; dankzij het fysieke organisme is een bepaalde levenshouding tot gewoonte geworden.
Er kan zich echter het geval voordoen, dat de wereld iets van de mens verlangt dat helemaal niet aansluit bij zijn innerlijke structuur, die zo in het zorgelijke ligt. Maar die is door de omgang met de opvoeder ontstaan. Men moet de gevolgen dragen van die in de kindertijd door nabootsing verworven houding van het zorgen-organisme. Men moet, wanneer men de opvoedkunst wil beoefenen dergelijke subtiele samenhangen in het leven kunnen doorzien. 

Blz. 65       vert. 66/67

Man muß ganz durchschauen, wie im ganz kleinen Kinde, ungefähr bis zu seinem 7. Jahre die Nerven-Sinnestätigkeit, rhythmische, At­mungs- und Zirkulationstätigkeit, Bewegungstätigkeit und Stoffwech­seltätigkeit überall ineinander wirken, aber so, daß die Nerven-Sinnestätigkeit das Beherrschende ist. Beim Kinde sind Atmungs-, Blutbewegungsrhythmus, Stoffwechseltätigkeit Vorgänge, die in ihrem Wesen nur durchschaut werden, wenn man in ihnen die Nerven-Sinnestätig­keit fortschwingend schaut.
Schaut das Kind ein Antlitz an, das sorgenvoll durchfurcht ist, so wirkt das zunächst auf das Kind als Sinneseindruck. Aber dieser springt über auf die Art seines Atmens, von da auf seinen ganzen Bewegungs- ­und Stoffwechselapparat.
Wenn man das Kind in dem Lebensalter nach dem Zahnwechsel zu erziehen hat, also ungefähr nach dem 7. Jahre, dann überwiegt in ihm nicht mehr das Nerven-Sinnessystem herrschend wie zuvor. Dieses sondert sich nunmehr von der anderen Körpertätigkeit relativ ab; es wendet sich mehr der Außenwelt zu. Es tritt mehr an die Oberfläche der physischen Organisation.

Men moet een goed inzicht hebben in hoe bij het zeer kleine kind, ongeveer tot het zevende jaar, de zenuw-zintuigprocessen, de ritmische processen, ademhaling en bloedsomloop, alles wat met de beweging te maken heeft en met de stofwisseling, wat hun werkzaamheid betreft steeds in elkaar overvloeien, maar dan zo, dat het zenuw-zintuigstelsel al het andere beheerst. Bij het kind zijn het ritme van ademhaling en bloedsomloop alsmede de stofwisseling, processen waarvan het wezen pas begrepen kan worden, als men ziet hoe het zenuw-zintuigstelsel daarin voortdurend beweging schept.
Wanneer het kind een van zorgen doorgroefd gelaat ziet, dan is dat voor het kind in de eerste plaats een zintuiglijke indruk. Maar deze slaat over op zijn manier van ademen, en van daar op zijn hele bewegingsapparaat en stofwisselingsstelsel.
Wanneer men een kind heeft op te voeden in de leeftijd van na de tandenwisseling, dus na ongeveer het zevende jaar, dan is in hem het zenuw-zintuigstelsel niet meer zo allesoverheersend als daarvoor. Dit scheidt zich nu verhoudingsgewijze af van de overige lichamelijke activiteiten en wendt zich meer tot de buitenwereld. Het is voortaan meer werkzaam aan de oppervlakte, aan de buitenkant van onze lichamelijke structuur.
GA 305/58-65
Vertaald /59-67  oudere vertaling gebruikt waardoor de bladzijnr. kunnen verschillen.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Over de werking van de omgeving op een kind: zie het ‘hersenvoorbeeld‘ in dit artikel.

Rudolf Steiner over spel in deze voordrachten: zie hier

Over de werking van tv op kleine kinderenopvoedingsvragen onder nr. 19  m.n. [19-10]

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2166

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-5)

.

Enkele gedachten bij blz. 144-147 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In het afsluitende deel van de deze 9e voordracht komt Steiner met a.h.w. drie motto’s voor de drie leeftijdsfasen waarover hij in deze voordracht sprak:

die van 0 – 7 jaar; van 7 – 14 jaar en van 14 – 21 jaar.

Kernachtig vat hij de belangrijkste kenmerken van deze fasen samen:

Blz. 148   vert. 144

Betrachten wir einmal noch von einem etwas anderen Gesicht:punkte aus diese Dreigliederung des jugendlichen LebensaltcrL Bis zum Zahnwechsel will der Mensch nachahmen, bis zur Geechlechtsreife will er unter Autorität stehen; dann will er sein Urteil auf die Welt anwenden.

Laten we de driedeling van de jeugd nog eens van een ander gezichtspunt uit bekijken. Tot aan de tandenwisseling wil de mens nabootsen, tot aan de geslachtsrijpheid wil hij onder een autoriteit staan, daarna wil hij zijn eigen oordeel op de wereld toepassen

Tot aan de tandenwisseling wil de mens nabootsen: alles wat Steiner in zijn pedagogische voordrachten over deze fase opmerkte, staat onder [9-1-1/….] op deze blog.

tot aan de geslachtsrijpheid wil hij onder een autoriteit staan: alles wat Steiner in zijn pedagogische voordrachten over deze fase opmerkte, komt onder [9-1-2/…] op deze blog [nog niet oproepbaar]

daarna wil hij zijn eigen oordeel op de wereld toepassen: alles wat Steiner in zijn pedagogische voordrachten over deze fase opmerkte, komt onder [9-1-3/…] op deze blog [nog niet oproepbaar]

Man kann das auch noch anders ausdrücken.

Men kan dit nog anders formuleren.

Opnieuw – het gebeurde ook aan het begin van de voordracht – krijgen we een ‘karakterisering’: de drie motto’s voor de levensfasen.

0 7 jaar: de wereld is goed

7 – 14 jaar: de wereld is mooi

14-21 jaar: de wereld is waar

En vanuit een bepaalde invalshoek is er ook nog een ‘indeling’ in

verleden – heden – toekomst.

0 – 7 jaar: de wereld is goed

Wenn der Mensch aus der geistig.seelischen Welt heraustritt, sich mit einem Leibe umkleidet, was will er da eigentlich? Er will das Vergangene, das er im Geistigen durchlebt hat, in der physischen Welt verwirklichen. Der Mensch ist gewissermaßen vor dem zahnwechsel ganz auf das Vergangene noch eingestellt. Von jener Hingabe, die man in der geistigen Welt entwickelt, ist der Mensch noch erfüllt. Daher gibt er sich auch in seine Umgebung hin, indem er die Menschen nachahmt. Was ist denn nun der Grundimpuls, die noch ganz unbewußte Grundstimmung des Kindes bis zum Zahnwechsel? Diese Grundstimmung ist eigentlich eine sehr schöne, die auch gepflegt werden muß. Es ist die, welche von der Annahme, von der unbewußten Annahme ausgeht: Die ganze Weft ist moralisch. Es ist bei den heutigen Seelen nicht umfassend so; aber es ist im Memlsen veranlagt, wenn er die Welt betritt, dadurch daß er ein pbysisches Wesen wird, von der unbewußten Annahme auszqehen: Die Welt ist moralisch. Daher ist es gut für die ganze Erziehung bis zum zahnwechsel und noch darüber hinaus, daß man etwas Rechnung trage dieser unbewußten Annahme: Die Welt ist moralisch. 

Wanneer de mens uit de geestelijke wereld afdaalt en zich met een lichaam omhult, wat wil hij dan eigenlijk? Hij wil dat wat hij voorheen in de geestelijke wereld ervaren heeft, realiseren in de fysieke wereld. In zekere zin is de mens voor de tandenwisseling nog volledig gericht op het verleden. Men is nog vervuld van de overgave die men in de geestelijke wereld ontwikkelt. Daarom geeft de mens zich over aan zijn omgeving door de anderen na te bootsen. En wat is nu de grondimpuls, de onbewuste grondstemming van het kind tot aan de tandenwisseling? Deze grondstemming is eigenlijk heel mooi en moet ook gekoesterd worden. Het is de stemming die er — onbewust — van uitgaat dat de hele wereld goed is. Tegenwoordig is dat niet bij alle zielen zo, maar in aanleg gaat de mens, door op aarde fysiek gestalte aan te nemen, er onbewust van uit dat de wereld moreel goed is. Daarom is het voor de hele opvoeding tot aan de tandenwisseling, en later nog, goed om rekening te houden met deze onbewuste grondstemming dat de wereld goed is.

Dit ‘tegenwoordig is dat niet bij alle zielen zo’ roept vragen op. Bij welke zielen dan. En wat is daarvan het gevolg. En hoe herkennen we dat dan. En is er iets aan te doen. moeten we en/of kunnen we er iets aan doen? Is dit ‘tegenwoordig’ van 100 jaar geleden nog zo, of is het toegenomen. Op al die vragen kan ik (hier )geen antwoorden geven.

In voorbeelden die Steiner geeft in GA 295 houdt hij er rekening mee dat deze grondstemming natuurlijk niet precies ophoudt te bestaan als het kind 7 jaar is: die data zijn, zoals hij zelf vaak aangeeft: bij benadering.
In die voorbeelden – van de herdershond, het viooltje van Hoffmann von Fallersleben zie je hoe Steiner dat met kinderen bespreekt.
Zie verder:
Rudolf Steiner: het viooltje     de ruiker

Das ist ja das Erhebende und Große im Anblick der Kinder, daß die Kinder eine Menschenrasse sind, die an die Moral der Welt glaubt und daher glaubt, daß man die Welt nachahmen dürfe. – 

Dat is ook het inspirerende en grootse van kinderen, dat ze mensen zijn die geloven in het goede van de wereld en die geloven dat men daarom de wereld mag nabootsen.

Verleden

Das Kind lebt so in der Vergangenheit und ist auch vielfach ein 0ffenbarer der vorgeburtlichen Vergangenheit, nicht der physischen, sondern der geistig-seelischen.

Het kind leeft ook in het verleden en openbaart ons zo ook in veel opzichten het voorgeboortelijke verleden – niet het fysieke, maar het geestelijke verleden.

Op blz. 151 vert. 144 nog een keer:

Das erste Kindesleben bis zum Zahnwechsel geht mit der unbewußten Annahme vor sich: Die Welt ist moralisch. 

7 – 14 jaar: de wereld is mooi

Heden

Indem der Mensch als Kind durch den Zahnwechsel durchgeht, lebt er bis zur Gesehlechtsreife fortwährend eigentlich in der Gegenwart und interessiert sich für das Gegenwärtige.

Het kind tussen tandenwisseling en geslachtsrijpheid leeft eigenlijk voortdurend in het heden en interesseert zich voor het nu.

Ook dat heeft pedagogische consequenties:

Blz. 150    vert. 144

Und darauf muß beim Unterrichten und Erziehen fortwährend Rücksicht genommen werden, daß eigentlich der Volksschüler fortwährend in der Gegenwart leben will. Wie lebt man denn in der Gegenwart? In der Gegenwart lebt man, wenn man in einer nicht animalischen, sondern menschlichen Weise die Welt um sich her genießt.

Men moet er bij het onderwijs en de opvoeding voortdurend rekening mee houden, dat het lagere-schoolkind eigenlijk steeds in het nu wil leven. Hoe leef je in het nu, in het heden? Je leeft in het heden wanneer je van de wereld om je heen geniet – op menselijke, niet op dierlijke wijze.

Een niet-dierlijke manier: ik vraag me af waarom Steiner dit erbij zegt en dat verschillende keren. 
Als we bv. een hond zijn eten zien opslobberen, lijkt het alsof hij daar heel erg van geniet. Maar met de haast waarmee het gaat, kan daar – menselijk! – gesproken, geen sprake van zijn; het is hap-slik-weg. Steiner gebruikt hier het woord ‘genieten’: dat veronderstelt toch meer aandacht, bewustzijn, vreugde.
Zou hij dat bedoelen?

Tatsächlich, das Kind als Volksschüler will auch im Unterricht die Welt genießen. Wir sollen daher nicht versäumen, so zu unterrichten, daß nicht im animalischen, aber im höheren menschlichen Sinne der Unterricht wirklich für das Kind eine Art Genießen ist, und nicht etwa, was ihm Antipathie und Ekel hervorruft.

Het kind op de lagere-schoolleeftijd wil inderdaad van de wereld genieten – ook in de lessen. We moeten niet nalaten om zo les te geven dat — niet op een dierlijke manier, maar in hogere, menselijke zin – het onderwijs werkelijk ‘te genieten’ is, en niet iets wat antipathie en afkeer oproept.

Maar als je dan ‘leuk’ onderwijs wil geven, kan dat ontaarden in wat Steiner hier ‘hausbacken’ noemt – wat Duden omschrijft als o.a. fantasieloos.

Aber es ist etwas Gefährliches auf diesem Gebiete. Das Gefährliche besteht darin, daß man dieses Prinzip, den Unterricht zu einem Quell der Freude und des Genießens zu machen, sehr leicht ins Hausbackene verzerren kann. Das sollte nicht geschehen.

Maar er ligt een gevaar op de loer, het gevaar dat men dit principe om het onderwijs tot een bron van vreugde en genot te maken heel gemakkelijk tot een huisbakken karikatuur, tot iets alledaags maakt. Dat moet niet gebeuren.

Hij geeft ook de remedie om dat niet te laten gebeuren:

Es kann aber nur Abhilfe geschaffen werden, wenn der Lehrer, der Unterrichtende, sich selbst fortwährend herausheben will aus dem Hausbackenen, Pedantischen, Philiströsen. Das kann er eigentlich nur dadurch, daß er nie versäumt, seine Beziehung zur Kunst recht lebendig sein zu lassen.

Dat gevaar ontloopt men, wanneer men als leraar zichzelf voortdurend wil verheffen boven het bekrompene, pedante en kleinburgerlijke. Dat is eigenlijk alleen mogelijk doordat men steeds een werkelijk levendige relatie tot de kunst onderhoudt.

Kunst – de wereld is mooi – kunstzinnig onderwijs

Denn man geht von einer bestimmten Voraussetzung aus, wenn man menschlich – nicht animalisch – die Welt genießen will, von der Voraussetzung, daß die Welt schön ist. Und von dieser unbewußten Voraussetzung geht eigentlich das Kind von seinem Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife aus, daß es die Welt schön finden dürfe. Dieser unbewußten Annahme des Kindes, daß die Welt schön ist, daß also auch der Unterricht schön sein müsse, dem kommt man wahrhaftig nicht entgegen, wenn man die oftmals so banalen, rein vom Nützlichkeitsstandpunkte aus zugerichteten Regeln für den Anschauungsunterricht beobachtet, sondern wenn man selbst versucht, einzutauchen in künstlerisches Erleben, damit der Unterricht gerade in dieser Zeit durchkunstet werde.

Wanneer men namelijk menselijk — en niet dierlijk — wil genieten van de wereld, dan gaat men van een bepaalde veronderstelling uit: de veronderstelling dat de wereld mooi is. En van deze onbewuste veronderstelling gaat een kind tussen tandenwisseling en geslachtsrijpheid eigenlijk uit: dat het de wereld mooi mag vinden. Men dient tegemoet te komen aan deze onbewuste veronderstelling, dat de wereld mooi is en dat dus het onderwijs mooi moet zijn. Dat doe je niet wanneer je de dikwijls zo banale, puur op nut toegesneden regels voor aanschouwelijk onderwijs in acht neemt. Dat doe je wel wanneer je zelf probeert je over te geven aan een kunstzinnige beleving, opdat het onderwijs juist in die leeftijdsfase in alle facetten kunstzinnig wordt.

Opnieuw krijgt nu het ‘aanschouwelijkheidsonderwijs’ van die tijd een veeg uit de pan. Hij vindt het te banaal – niet kunstzinnig genoeg. Of dat ook voor de aanschouwelijke middelen en methodes van nu geldt, mag m.i. niet zomaar worden bevestigd op grond van Steiners uitspraken van toen. 

De leerkracht wordt in ieder geval opgeroepen ‘met kunst’ te leven, de dingen ‘met smaak’ aan de kinderen te geven.

Das zweite Lebensalter, vom zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, verläuft in der unbewußten Voraussetzung: Die Welt ist schön.

In de tweede fase, van de tandenwisseling tot aan de geslachtsrijpheid, is de onbewuste veronderstelling: de wereld is mooi.

14 – 21 jaar – de wereld is waar 

Blz. 151   vert. 144

Und erst mit der Geschlechtsreife beginnt dann so recht die Anlage dafür, auch das in der Welt zu finden: Die Welt ist wahr.

En met de geslachtsrijpheid ontwikkelt zich pas echt de aanleg om ook het volgende in de wereld te vinden: de wereld is waar.

Ook dat heeft zijn pedagogisch-didactische gevolgen:

Erst dann kann daher der Unterricht damit einsetzen, ‘wissenschaftlichen’ ‘charakter zu bekommen. Vor der Geschlechtsreife ist es nicht gut, dem Unterricht einen bloß systematisierenden oder wissenschaftlichen Charakter zu geben; denn einen richtigen inneren Begriff von der Wahrheit bekommt der Mensch erst,  wenn er geschlechtsreif geworden ist.

Pas dan kan het onderwijs een ‘wetenschappelijk’ karakter krijgen. Het is niet goed als het onderwijs voor die tijd louter schematiserend of wetenschappelijk van aard is; want een juist innerlijk begrip van de waarheid krijgt de mens pas wanneer hij geslachtsrijp is geworden.

Of zoals hij dit zegt in GA 302A:

Das ist dasjenige, was nicht genug bedacht werden kann: daß pädagogische Kunst aus­gehen muß vom Leben, und nicht ausgehen kann vom abgezogenen wissenschaftlichen Denken.

Dit kunnen we ons niet genoeg realiseren:
dat pedagogische kunst uit moet gaan van het leven en niet uit kan gaan van een aftreksel van wetenschappelijk denken.
GA 302A/15-16
Gedeeltelijk vertaald/16

‘De wereld is waar’ laat hij in GA 302 ook van toepassing zijn op de eerste levensfase. Zie de tekst. Uit de context kan je overigens makkelijk opmaken dat het hier om ‘morele’ waarheid gaat – in die zin is ook dan de wereld ‘goed’.

In een laatste samenvatting blijkt voor de fase 14 – 21 de toekomstimpuls te gelden:

Auf diese Art werden Sie zu einer Einsicht kommen, daß  sieh mit dem werdenden Kinde aus höheren Welten heruntert lebt in diese physische Welt hinein das Vergangene, daß, in dem das Kind seinen zahnwechsel vollzogen hat, sich in dem eigentlichen Volksschüler die Gegenwart auslebt, und daß dann der Mensch in jenes Lebensalter eintritt, wo sich in seiner Seele die Zukunftsimpulse festsetzen. Vergangenheit, Gegenwart und Zukunft und das Leben darinnen: das steckt auch in dem werdenden Menschen.

Zo zult u inzien dat vanuit hogere werelden het verleden doorwerkt in het kind en daarmee in deze fysieke wereld, dat in het lagere-schoolkind na de tandenwisseling zich het heden manifesteert en dat de mens tenslotte de fase binnentreedt waarin toekomstimpulsen zich in zijn ziel vasthechten. Verleden, heden en toekomst en het leven daarin: dat alles zit in de wordende mens.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2154

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde -voordracht 9 (9-1-1/14)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar 

in de voordrachtenreeks:

Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposofischer Grundlage

GA 304

Inhoudsopgave:

voordracht 2: nabootsing; nabootsing en geestelijke wereld; invloed van de omgeving;
voordracht 4: nabootsing; animisme;
voordracht 5: werking van ledematen op hersenen; klinkers en medeklinkers – werking in organisme; tandenwisseling; kleine kind en hoofd; stroom van beneden naar boven; ongeborenheid; nabootsing; invloed omgeving;
voordracht 6: nabootsing; invloed omgeving, ook moreel;
voordracht 9: nabootsing

Unterrichts- und praktische Lebensfragen vom Gesichtspunkte anthroposofischer Geisteswissenschaft

Voordracht 2 Den Haag, 27 febr. 1921

Blz. 42

Diese Menschenerkenntnis-Kunst aber zeigt, daß der Mensch in der ersten Epoche seines Lebens das ist, was ich nennen möchte: ein nachahmendes Wesen.

Onderwijskundige- en praktische levensvragen vanuit het gezichtspunt van antroposofische geesteswetenschap

Blz. 42 

Deze menskunde-kunst echter laat zien dat de mens in de eerste fase van zijn leven een nabootsingswezen is.

geestelijke wereld en nabootsing

Blz. 43  

Indem der Mensch aus der geistigen Welt in die physische Welt tritt, gelangt er ja dazu dasjenige, was er zuletzt in der geistigen Welt erlebt hat, wie in einem Nachklang in der physischen Welt zum Aus­druck zu bringen. Wenn wir als Anthroposoph das Kind erziehen, so sagen wir uns allerdings es ist kindlich primitiv, wie das Kind seinem Triebe nach dasjenige nachahmt, was in seiner Umgebung vorgeht; es bildet in seinen Bewegungen dasjenige nach, was ihm vorgemacht wird. Die Sprache lernt es ja nur durch Nachahmung, nicht durch etwas anderes. Aber auch dasjenige, was in seiner Umgebung in moralischer, in sonstiger Beziehung durch die Eltern oder durch andere, in seiner Nähe befindliche Menschen vorgeht, das ahmt das Kind in der Zeit bis zum Zahnwechsel nach. Da liegt etwas vor, was sich nur durch Geisteswis­senschaft begreifen läßt. Das Kind war ja, bevor es empfangen oder geboren wurde, in der geistigen Welt; in der geistigen Welt, die man, wie ich das das letzte Mal dargelegt habe, durch die Ausbildung der besonde­ren Kraft der Erinnerungsfähigkeit und durch die Entwickelung der Liebekraft erkennt. In dieser geistigen Welt ist jedes Wesen so drinnen, daß es nicht außen von anderen Wesen steht, sondern daß es sich in jedes andere Wesen objektiv liebevoll hinüberleben kann. Dieses Stehen in der Welt, das bringt das Kind mit wie in einem Nachkiang, und wir beobachten dann, wie das Kind ein nachahmendes Wesen wird wie es, alles, was es lernt, was es sich aneignet in den ersten sieben Lebensjahren, als nachahmendes Wesen sich aneignet. Und wir müssen bei

Wanneer de mens vanuit de geestelijke wereld in de aardse komt, begint hij, wat hij het laatst in de geestelijke wereld beleefd heeft, als een soort naklank in de fysieke wereld tot uitdrukking te brengen. Wanneer we als antroposoof het kind opvoeden, zeggen we eigenlijk [*] dat het kinderlijk primitief is hoe het kind dwangmatig nabootst wat er in zijn omgeving gebeurt; het doet in zijn bewegingen na wat hij ziet en hoort. Spreken leert het alleen maar door nabootsing, niet door iets anders. Maar ook wat er in zijn omgeving in moreel opzicht of in andere opzichten in zijn ouders of in andere mensen in zijn omgeving leeft, het kind bootst het na in de tijd tot aan de tandenwisseling. Daar gebeurt iets wat alleen maar door de geesteswetenschap te begrijpen is. Het kind was voor zijn geboorte in de geestelijke wereld; in de geestelijke wereld die je, zoals ik de vorige keer uiteengezet heb, door de ontwikkeling van bijzondere geheugenkrachten en door de kracht van de liefde leert kennen. 
In deze geestelijke wereld is ieder wezen zo aanwezig dat het niet buiten andere wezens staat, maar dat het in ieder ander wezen objectief liefdevol mee kan leven. Zo in die wereld te staan, brengt het kind mee als een naklank en wij nemen dan waar hoe het kind een nabootsend wezen wordt, hoe het alles wat het leert, wat het zich eigen maakt in de eerste zeven jaar, doet als nabootsend wezen. En wij moeten bij een goede pedagogische kunst met dit principe van de nabootsing bijzonder rekening houden.

[*} gezien Steiners uitleg waar het nabootsen vandaan komt, kan dat door antroposofen nooit primitief genoemd worden. Is daar het woordje ‘niet’ weggelaten?

nabootsing

Blz. 44

Sehen Sie, diese Dinge muß der wirkliche Erzieher wissen. In den ersten sieben Lebensjahren kann man nicht durch Ermahnungen, nicht durch irgendwelche Gebote das Kind lenken und leiten; sondern man lenkt und leitet das Kind durch dasjenige, was man selber tut. Aber es gibt im Menschenwesen geradeso wie in der Natur Imponderabilien. Nicht nur durch dasjenige lenkt und leitet man das Kind, was man selber tut, sondern auch durch dasjenige, was man selber empfindet, was man selber denkt. Ist man ein Mensch, der sich nicht gestattet, gemeine und kleinliche Vorstellungen und Empfindungen in sich zu haben in der Nähe seiner Kinder, dann wird aus den Kindern auch etwas Edles, etwas Gutes. Gestattet man sich neben den Kindern – weil man denkt, es ist doch die menschliche Organisation da, und es wirkt nicht hinüber -, gestattet man sich unedle Gedanken, unedle Empfindungen, sie wirken hinüber. Es gibt Imponderabilien auf diesem Gebiet.

Dit moet een goede opvoeder weten. In de eerste zeven levensjaren kan je niet door vermaningen, niet door wat voor geboden ook, het kind sturen; maar je geeft richting aan het gedrag van het kind door wat je zelf doet. Maar net zoals in de natuur heeft ook de mens te maken met het ‘onweegbare’. Niet alleen stuur je en leid je een kind door wat je zelf doet, maar ook door wat je zelf voelt, wat je zelf denkt. Ben je iemand die zichzelf niet toestaat alledaagse en kleinzielige voorstellingen en gevoelens te hebben in de buurt van zijn kinderen, dan komt er uit de kinderen ook iets nobels, iets goeds. Laat je bij jezelf – omdat je denkt dat dit toch niet vanuit een mens verder doorwerkt – in de buurt van kinderen onedele gedachten, onedele gevoelens toe, dan werken die door. Op dit vlak werkt het imponderabele.

Es kam einmal der Vater eines etwa fünfjährigen Knaben zu mir und sagte, er habe rechtes Unglück mit seinem Kinde, sein Kind habe gestohlen. Ich sagte: Nun, das wollen wir doch erst untersuchen, ob das Kind wirklich gestohlen hat. Der Vater sagte: Ja, der Junge hat Geld genommen aus der Schub­lade, wo das Geld der Mutter ist; er hat für das Geld Näschereien gekauft und sie unter andere Kinder auf der Straße verteilt. – Ich frug: Was geschieht denn sonst mit dem Geld, das in der Schublade ist? – Der Vater sagte: Da nimmt die Mutter für den Hausgebrauch jeden Morgen das Nötige heraus. – Da sagte ich dem Vater: Dann hat das Kind auch nicht gestohlen. Das Kind ist fünf Jahre alt, also im vollsten Sinne noch ein nachahmendes Wesen. Etwas ist für das Kind richtig und gut zu tun, was es in seiner Umgebung tun sieht; die Muuer tut das täglich, also tut es das auch einmal. Das ist nicht gestohlen, sondern das entspricht demjenigen, was das Grundprinzip der Entwicklung in den ersten sieben Lebensjahren des Menschen ist.

Er kwam eens een vader van een vijfjarig jongetje naar me toe en hij zei dat hij echt iets ongelukkigs had met zijn kind: zijn kind zou geld hebben gestolen. Ik zei: ‘Maar dan moeten we toch eerst een onderzoeken of het kind echt gestolen heeft.’ De vader zei: ‘Ja, de jongen heeft geld gepakt uit de la waar het geld van zijn moeder in ligt’; hij had voor het geld snoep gekocht en dat aan andere kinderen op straat uitgedeeld. Ik vroeg:  ‘Wat gebeurt er anders met dat geld in de la?” De vader zei: ‘Daar pakt moeder iedere dag uit wat ze nodig heeft om boodschappen te doen. ‘Toen zei ik tegen de vader: ‘Dan heeft het kind ook niet gestolen.’ Het kind is vijf jaar, dus in de volste betekenis van het woord een nabootsend wezen. Voor een kind is iets juist en goed om ook te doen, als hij dat in zijn omgeving ziet gebeuren; moeder doet dat dagelijks, dus doet hij dat ook een keer. Dat is niet gestolen, maar het past bij wat als basisstemming in de ontwikkeling van de eerste zeven jaren van de mens aanwezig is.

Es handelt sich gar nicht darum, über diese Dinge in sozialer oder sonstiger Beziehung zu diskutieren, sondern es handelt sich darum, die menschli­che Natur kennenzulernen und sich zu sagen: So wie die besondere Artung des Spieltriebes in den Zwanzigerjahren in dem geschickten oder ungeschickten Sich-ins-Leben-Hineinstellen zum Vorschein kommt, so kommt gerade in der Zeit, in der Freiheitsempfindung, Freiheitsgefühl die Grundnuance des sozialen Zusammenlebens sein muß, das richtige Freiheitsgefühl, die richtige Freiheitsempfindung dadurch zustande, daß der richtige Autoritätsglaube ungefähr vom siebenten bis zum fünfzehn­ten Jahr im Kinde voll zur Entfaltung gekommen ist. Niemand kann im wirklichen Sinne des Wortes später frei werden, der nicht in dieser Weise an Autoritäten sich herangebildet hat; geradesowenig wie jemand zu sozialer Menschenliebe später getrieben werden kann, der nicht durch den Nachahmungstrieb das Anschmiegen an seine Umgebung einmal durchgemacht hat. Wir haben später nicht dieses Anschmiegen, aber wir brauchen soziale Gefühle. Die hängen davon ab, wie der wirkliche Erzieher und Unterrichter in den ersten sieben Lebensjahren vom Kinde sein eigenes Wesen nachahmen läßt. Wir brauchen Menschen, die sich mit einer echten Freiheitsempfindung heute ins Leben hineinstellen sollen. Das sind aber diejenigen, denen man gegenübergestanden hat als Erzieher und Unterrichter vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife so, daß man eine selbstverständliche Autorität war.

Het gaat er helemaal niet om dat je over deze dingen discussieert vanuit een sociaal of een ander gezichtspunt, maar het gaat erom dat je de menselijke natuur leert kennen en tegen jezelf zegt: zoals de bijzondere aard van de speeldrift bij de mens als hij in de twintig is tevoorschijn komt als een geschikte of een ongeschikte manier om in het leven te staan, net zo komt m.n. in de tijd waarin het beleven van vrijheid, het vrijheidsgevoel, het basisgevoel van een sociale samenleving moet zijn, het echte gevoel voor vrijheid, het vrijheidsbeleven tot stand doordat het gevoel voor autoriteit van ongeveer het zevende tot het vijftiende jaar in het kind vol tot ontwikkeling is gekomen. [**]
Niemand kan in de ware zin van het woord later vrij worden, die niet op deze manier zich aan autoriteiten ontwikkeld heeft; net zomin als iemand later aangezet kan worden tot sociale mensenliefde die niet door de nabootsingsdrang doorgemaakt heeft mee te gaan met zijn omgeving.
Later hebben we dat meegaan niet meer, dan hebben we sociale gevoelens nodig. Die zijn afhankelijk van hoe de echte opvoeder en onderwijzer in de eerste zeven levensjaren van een kind zijn eigen wezen na laat bootsen. We hebben mensen nodig die met een echte beleving van vrijheid in het huidige leven moeten staan. Dat zijn echter degenen waar je als leraar en opvoeder van de tandenwisseling tot de puberteit voor hebt gestaan op een manier waarbij jij de vanzelfsprekende autoriteit was.
GA 304/42-46
Niet vertaald

[**] Zie Rudolf Steiner over spel GA 304

Blz. 49

Allein wenn man noch so oft den abstrakten Satz und alles dasjenige Abstrakte, was sonst schon gesagt worden ist, vor sich hinstellt, das Kind solle als Individualität entwickelt werden – man hat ja erst etwas davon, wenn man nun konkret von Tag zu Tag beobachten kann, wie diese kindliche Individualität sich entfaltet; wenn man weiß, wie das Nachahmungsprin­zip in den ersten sieben Lebensjahren herrscht, wie in der nächsten Lebensepoche vom siebenten bis vierzehnten Lebensjahr das Autoritäts­prinzip vorherrscht in Verbindung mit demjenigen Prinzip des Übergan­ges vom bildlich-symbolischen, gedächtnismäßigen Vorstellen zu dem Vorstellen aus dem Intellekt heraus, aus dem Begriff heraus, das dann im elften, zwölften Jahr eintritt.

Maar ook al houd je je nog zo vaak die abstracte zin dat je de individualiteit van het kind moet ontwikkelen voor ogen en al het abstracte dat al gezegd is, daar heb je alleen wat aan als je concreet van dag tot dag kan waarnemen hoe deze kinderlijke individualiteit zich ontplooit; wanneer je weet dat het principe van de nabootsing in de eerste zeven levensjaren de boventoon voert, zoals in de volgende levensfase vanaf het zevende tot de puberteit het principe van de autoriteit de boventoon voert, samengaand met het overgaan van een beeldend, symbolisch onthoudend voorstellen tot een voorstellen vanuit het intellect, vanuit het begrip wat dan in het elfde, twaalfde jaar gebeurt.
GA 304/49
Niet vertaald

Die pädagogische Grundlage der Waldorfschule

Voordracht 4, Aarau, 11 nov. 1921

Blz. 99   

Bei dem Kinde, das zum Beispiel die Sprache lernt, nützt einem diese Voraussetzung: du mußt nicht nur dasjenige beobachten, was in der Vererbungsströmung liegt, du mußt dasjenige beobachten, was aus geistigen Untergründen heraus in dem Kinde sich entwickelt, und dazu gehört die Sprache. Und nun, indem man den Menschen durch anthro­posophische Geisteswissenschaft wirklich kennt, indem man unterschei­den lernt zwischen dem mehr innerlichen astralischen Leibe und dem mehr äußerlichen ätherischen Leibe, lernt man in ganz anderer Weise noch das Wesen des Willens kennen, der mehr an den astralischen Leib gebunden ist, und das Wesen des Denkens zum Beispiel, das mehr an den ätherischen Leib gebunden ist, in ihrem Zusammenwirken im Sprechen. Denn beim Beobachten, beim Erfahren handelt es sich nicht darum, daß man bloß die äußeren Tatsachen beobachtet, sondern darum, daß man diese äußeren Tatsachen in das richtige Licht stellen kann.

De pedagogische basis van de vrijeschool

Bij een kind dat bv. de taal leert, heeft het zin ervan uit te gaan dat je niet alleen maar moet kijken naar wat in de stroom van de erfelijkheid ligt, maar dat je kijkt naar wat vanuit een geestelijke bron in het kind tot ontwikkeling komt en daar hoort de taal bij. En als je dan de mens door antroposofische geesteswetenschap echt kent, als je leert onderscheiden tussen het meer innerlijke astraallijf en het meer op de buitenwereld gerichte etherlijf, leer je op een nog heel andere manier de aard van de wil kennen, die meer aan het astraallijf is gebonden en het wezen van het denken bv. dat meer aan het etherlijf gebonden is, die leer je kennen in hun samenwerken bij het spreken. Want bij waarnemen, bij ervaren, gaat het niet alleen erom dat je alleen maar naar de uiterlijke feiten kijkt, maar ook dat je deze uiterlijke feiten in het juiste licht kan zetten.
GA 304/99
Niet vertaald

nabootsing

Blz. 101

Das Kind ist bis zu seinem Zahnwechsel um das siebente Jahr herum ganz auf die Nachahmung angewiesen. Alle Erziehung beruht im Grunde genommen auf der Nachahmung. Nur wenn wir die Nachahmungsfähigkeit des Menschen in den ersten Lebensjahren richtig verstehen, sie von Jahr zu Jahr konkret verfolgen können, können wir wirklich tiefer hinein­schauen in das Wesen des Menschen und aus diesem Wesen heraus dann auch in einer Weise erziehen, die den Menschen dann als Vollmenschen später in das Leben hineinstellen kann. Das Kind ist bis zum Zalinwechsel im wesent­lichen auf die Nachahmung angewiesen. Und dieses Studieren der Nachahmung, die Sprache selbst bildet sich ja durchaus durch Nachah­mung, dieses Studieren der Nachahmung auf allen Lebensgebieten, das macht anthroposophische Geisteswissenschaft möglich. Aber man sieht auch sonst tiefer in das Wesen des Menschen hinein.

Het kind is tot aan zijn tandenwisseling rond zijn zevende helemaal op nabootsing aangewezen. De hele opvoeding berust in wezen op de nabootsing. Alleen wanneer we het nabootsingsvermogen van de mens in de eerste zeven jaar goed begrijpen, die jaar na jaar concreet volgen, kunnen we werkelijk een diepere blik werpen in het wezen van de mens en hem vanuit zijn wezen dan op zo’n manier opvoeden dat hij later als een waardig mens zijn plaats in het leven kan innemen.
Het kind is tot aan de tandenwisseling aangewezen op nabootsing. En het bestuderen van de nabootsing – vooral het spreken zelf wordt door nabootsing ontwikkeld – op elk terrein van het leven, wordt door de antroposofische geesteswetenschap mogelijk gemaakt. En je blik in het wezen van de mens verdiept zich.
GA 304/101
Niet vertaald

Blz 103/104  

Da kommen zum Beispiel Eltern, die sagen: Mein Kind hat gestohlen. Sie suchen Rat. Man frägt dann: Ja, wie alt ist denn das Kind? Vier, fünf Jahre alt. Ein vier-, fünfjähriges Kind, so paradox das klingen mag, stiehlt in Wirklichkeit nicht. Ein vier-, fünfjähriges Kind ist ein Nachah­mer. Und wenn man weiter frägt, so wird einem zum Beispiel gesagt: Dieses Kind hat täglich gesehen, wie die Mutter aus einem Schrank heraus Geld nimmt. Es ahmt nach, es nimmt auch Geld. Ich habe sogar den Fall erlebt, wo ein solches Kind Geld herausgenommen hat aus dem Schrank und es nicht selber vernascht hat, sondern Sachen gekauft hat, die es an andere Kinder verteilt hat. Es war durchaus nichts Unmorali­sches dabei, sondern etwas Amoralisches, Nachahmerisches. Das aber bringt einen dazu, richtig zu erkennen, wie man bei dem Erziehen mit Imponderabilien zu tun hat. Bis in die Gedankenverfassung hinein muß man wissen, daß, indem man dem Kinde als Nachah­mer gegenübersteht, man in seiner Umgebung nur dasjenige tun und sprechen, ja sogar denken darf, was das Kind nachahmen kann. Auf die Nachahmung muß vor dem schulpflichtigen Alter die Erziehung gebaut sein. Das mag zunächst paradox klingen, das ist aber dasjenige, was einer wirklich gesunden Erziehung zugrunde liegen muß.
Diejenigen Kräfte, die hier vorzugsweise den ganzen Menschen zum Nachahmer machen, die ihn bis zu dem Grade zum Nachahmer machen, daß er die leiseste Handbewegung seiner Umgebung nachahmt, die treten mit dem siebenten Lebensjahre, indem sie gleichsam frei werden, als diejenigen Kräfte hervor, die wir eben als Erzieher und Lehrer zu gestalten haben.

Dan komen er bv. ouders die zeggen: ‘Mijn kind heeft gestolen.’ Ze zoeken raad. Dan vraag je: ‘Maar hoe oud is het kind dan?’ ‘Vier, vijf jaar.’ Een vier- vijfjarig kind, hoe tegenstrijdig dat ook mag klinken steelt in werkelijkheid niet. Een vier- vijfjarig kind is een nabootser. En als je verder door vraagt, dan hoor je bv. dat dit kind dagelijks heeft gezien hoe zijn moeder uit een kast geld gepakt heeft. Het kind doet het na, het pakt ook geld. Ik heb zelf het geval meegemaakt waarbij zo’n kind geld uit de kast had gepakt en het niet zelf versnoepte, maar er dingen voor kocht die het aan andere kinderen uitdeelde. Daar was niets immoreels bij, alleen iets buiten de moraal om, nabootsend. Dat kan iemand ertoe brengen op een juiste manier te weten hoe je bij opvoeding met het imponderabele te maken hebt. Tot in de gedachten die je ontwikkelt moet je weten dat als je te maken hebt met een nabootsend kind, je in zijn omgeving alleen maar moet doen en zeggen, ja zelfs denken, wat het kind kan nabootsen. Vóór de basisschool moet de opvoeding gebaseerd zijn op nabootsing. Dat mag dan tegenstrijdig klinken, maar het is wel wat ten grondslag moet liggen aan een gezonde opvoeding.
De krachten die hier vooral de hele mens tot nabootser maken, tot dat niveau van nabootser maken dat hij de kleinste handbeweging van zijn omgeving nabootst; die komen met het zevende jaar wanneer ze a.h.w. vrijkomen als die krachten tevoorschijn die wij als opvoeder en leraar vorm moeten gaan geven.
GA 304/103-104
Niet vertaald

De krachten die hier vooral de hele mens tot nabootser maken, tot dat niveau van nabootser maken dat hij de kleinste handbeweging van zijn omgeving nabootst; (kind speelt gitaar op blaasbalg; imiteert de ouder die aan het spelen is.) 

animisme

Da möchte ich nun darauf aufmerksam machen, daß man zum Beispiel genau beobachten kann wie man das Kind verdirbt, man bringt ihm nicht wachsende Begriffe und wachsende Empfindungen und wachsende Willensimpulse bei, wenn man zu früh damit anfängt, das Kind aufmerk­sam zu machen auf den Unterschied der äußeren Welt mit dem eigenen Seelenleben. Bis ungefähr zum neunten Jahre unterscheidet sich das Kind überhaupt nicht von der Welt. Nur muß man nicht solche abstrak­ten Begriffe anwenden, wie es manche heute tun, die da sagen: Nun ja, ein Kind, wenn es sich anstößt an einer Tischecke, schlägt den Tisch, weil es den Tisch auch für etwas Lebendiges hält. Das ist natürlich ein Unsinn. Das Kind hält den Tisch gar nicht für etwas Lebendiges; es behandelt den Tisch so wie ein anderes Kind, weil es nicht unterscheidet zwischen sich und dem Tisch; das Lebendige spielt dabei noch gar keine Rolle. Der Begriff dafür ist noch nicht da.

Nu zou ik er nog op willen wijzen dat je bv. heel goed kan waarnemen hoe je een kind beschadigt wanneer je het geen begrippen of gevoelens of wilsimpulsen geeft die met hem kunnen meegroeien, wanneer je er te vroeg mee begint het kind te wijzen op het verschil van zijn eigen zielenleven met dat van de uiterlijke wereld. Tot ongeveer het negende jaar maakt het kind helemaal geen onderscheid tussen zichzelf en de wereld. Je moet alleen niet van die abstracte begrippen gebruiken zoals zoveel mensen tegenwoordig doen die dan zeggen: Nou ja, een kind dat zich stoot aan de hoek van een tafel, geeft die tafel een klap omdat het de tafel ook voor een levend wezen aanziet. Dat is natuurlijk onzin; het kind beschouwt de tafel helemaal niet als iets dat leeft; het gaat net zo met de tafel om als met een ander kind omdat het geen onderscheid maakt tussen zichzelf en de tafel; dat iets leeft speelt nog helemaal niet mee. Daar is nog geen begrip voor.
GA 304/111
Niet vertaald

Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposofischer Grundlage

Voordracht 5, 1e voordracht (K)Cristiania) Oslo 23 nov. 1921

werking van beneden naar boven

Blz. 142-143    niet vertaald

Wir sehen das Kind heranwachsen bis zum Zahnwechsel, können dann allerdings, wenn wir unbefangenen Sinn genug haben, sehen, wie gewisse Gaben und Denkfähigkeiten gerade mit dem Zahnwechsel erst sich entwickeln, wie da auch das Gedächtnis die Form annimmt, daß es erst wirkt durch deutlich konfigurierte Begriffe und so weiter. Wir können wissen, daß in diesen Jahren ganz besonders die Kopforganisation ihre Ausbildung erfährt. Derjenige, der nun, nicht befangen durch manches, was eine landläufige Wissenschaft sagt, diese Entwicklung beachtet, der wird geradezu eine Strömung von unten nach oben in dem Menschen beobachten können. Indem das Kind aus der Unbeholfenheit des völligen Nicht-gehen-Könnens, Liegen-Müs­sens, Getragen-werden-Müssens sich zum Gehen entwickelt, ist dasje­nige, was sich in diesem Teil des Menschen, in dem Gliedmaßenmen­schen regt, was da herauskommt als eine Offenbarung der Willensim­pulse, etwas, das nicht bloß in dem äußeren Zappeln und in dem späteren Auftretenkönnen und im Gehen zum Ausdrucke kommt, sondern das ist etwas, was zurückwirkt auf die gesamte menschliche Organisation. Und wenn man einmal diejenigen Dinge, die heute durchaus in der Wissen­schaft schon angedeutet sind, in der physiologischen Wissenschaft eigentlich mit Händen zu greifen sind – man verfolgt nur nicht die richtigen Wege auf diesem Gebiete -, wenn man das einmal studieren wird, wie das Haupt sich ummetamorphosiert, aus dem hilflosen Getra­gen-werden-Müssen, Liegen-Müssen bis zum Stehen auf seinen Beinen, bis zum Gebrauche seiner Beine zum Gehen, dann wird man finden, wie dasjenige, was da in dem Gliedmaßenmenschen zutage tritt, wie gewis­sermaßen diese Abbildung der Konfiguration des Gehens sich findet in denjenigen Teilen des Gehirnes, welche die Gehirn-Willensorganisation sind. Man muß durchaus sagen: Indem der Mensch gehen lernt, bildet er von unten nach oben, von seinen Gliedmaßen, gewissermaßen von seiner Peripherie her in sein Zentrum einlaufend seine Willensorganisation im Gehirn aus.

Opvoedings- en onderwijsmethoden op basis van antroposofie

We zien het kind opgroeien tot aan de tandenwisseling en kunnen dan zeker zien, wanneer we onbevangen genoeg zijn, hoe zich pas bij de tandenwisseling bepaalde gaven en denkvaardigheden gaan ontwikkelen, hoe daar ook het geheugen vorm krijgt, dat het werkt door duidelijk afgebakende begrippen, enz. We kunnen weten dat in deze jaren vooral het hoofd tot ontwikkeling komt, m.n. degene die – niet geremd door wat de gewone wetenschap vaak zegt – deze ontwikkeling bekijkt, zal een stroming zien die in de mens van beneden naar boven loopt. Wanneer het kind vanuit een onbeholpen-zijn, vanuit helemaal nog niet kunnen lopen, moet liggen, gedragen moeten worden, zich zo ontwikkelt dat het kan gaan lopen, is wat zich in dit deel van de mens, in de ledematenmens actief wordt, wat tevoorschijn komt als een uiting van de wilsimpulsen, niet iets dat alleen maar in het trappelen van de beentjes tot uitdrukking komt en later in het zich kunnen oprichten en in het kunnen lopen, maar dat is iets wat terugwerkt op de hele menselijke organisatie. En wanneer men eenmaal deze dingen die nu al door de wetenschap aangegeven zijn, die eigenlijk in de fysiologische wetenschap voor het oprapen liggen – men bewandelt alleen niet de juiste weg op dit gebied –  gaat bestuderen, bv. hoe het hoofd zich omvormt, vanuit het hulpeloos gedragen moeten worden, moeten liggen tot het gaan staan op eigen benen, tot die gebruiken om te lopen, dan zal men vinden dat wat daar in de ledematen actief wordt, op een bepaalde manier als een afdruk van een loopproces in delen van hersenen te vinden is, in de hersen-wilsorganisatie. En het is duidelijk: als de mens leert lopen, vormt hij van beneden naar boven, vanuit zijn ledematen, in zekere zin vanuit zijn periferie uit, een centrum uitmondend in de wilsorganisatie in de hersenen.

Blz. 144/145  

Es sind dies interessante Zusammenhänge, die immer mehr und mehr studiert werden müssen. Es ist die Art und Weise, wie auf den physi­schen Leib zurückwirkt dasjenige, was ich früher den Ätherleib genannt habe; es ist tatsächlich so, daß der Mensch seine übrige Organisation dem Haupte, der Nervenorganisation einbildet in diesem Lebensalter. Dasjenige, was ich Ihnen eben geschildert habe, das führt dazu, daß man nicht bloß mit dem Verstande den Menschen anschaut, sondern daß man tatsächlich den Menschen so betrachtet, daß man, ich möchte sagen, wie mit künstlerischem Blicke sieht, wie jede Regung des Bewegungsorganismus der Glieder sich einfügt dem Ner­ven-Willensorganismus, wie wiederum das Sprechen sich einfügt dem Gefühlsorganismus. Es ist ja wunderbar zu sehen, wie zum Beispiel, wenn die Mutter oder die Amme mit dem Kinde ist, indem das Kind sprechen lernt, indem das Kind vokalisieren lernt, wie da in den Vokalen sich gerade dasjenige dem Gefühl einprägt, was mehr von dem Gemüte des Erziehers zu dem Gemüte des Kindes innerlich spricht; während dem alles dasjenige, was das Kind anleiten soll, selber Bewegungen auszufüh­ren, mit der Außenwelt, sagen wir, mit Wärme und Kälte in Verbindung zu treten, wie das zum Konsonantieren führt. Es ist wunderbar zu sehen, wie der eine Teil der menschlichen Organisation, also sagen wir einmal die Gliedmaßenregung oder die Sprache, zurückwirkt auf den anderen Teil der menschlichen Organisation. 

Dit zijn interessante samenhangen die steeds meer bestudeerd zouden moeten worden. Op deze manier werkt wat ik eerder het etherlijf heb genoemd, op het fysieke lichaam terug; het is in feite zo dat de mens op deze leeftijd zijn overige organisatie afdrukt in zijn hoofd, in zijn zenuworganisatie. Wat ik u net geschetst heb, leidt ertoe dat je niet alleen maar met je verstand naar de mens kijkt, maar dat je werkelijk zo naar de mens kijkt, dat je met een kunstzinnige blik ziet hoe iedere beweging van het bewegingsorganisme van de ledematen zich invoegt in het zenuw-wilsorganisme; hoe het spreken zich voegt in het organisme van de ziel. Het is wonderbaarlijk om te zien als de moeder of de verzorger bij het kind is, als het kind leert spreken, als het kind klinkers gaat zeggen, hoe met wat in de klinkers leeft, zich iets in het gevoel afzet wat meer vanuit het gevoel van de opvoeder innerlijk tot het kind spreekt; terwijl alles wat voor het kind aanleiding geeft zelf mee te bewegen met de buitenwereld, laten we zeggen in aanraking te komen met warmte en kou, leidt tot het gebruik van medeklinkers. Het is wonderbaarlijk om te zien hoe een deel van het menselijk organisme zoals de activiteit in de ledematen of bij het spreken, terugwerkt op het andere deel van de menselijke organisatie.

Und besonders solche Dinge sind reizvoll zu sehen, wenn wir als Erzieher dem Kinde im volksschulpflich­tigen Alter entgegentreten, wie das allmähliche Erscheinen der zweiten Zähne gewissermaßen eine Kraft herausreißt aus dem Wachstum des Organismus, sie frei macht, wie die Wärme frei wird, nachdem sie vorher latent oder gebunden war, so daß, wenn die zweiten Zähne da sind, dasjenige, was zunächst im Organismus gewirkt hat, nun als Seelisches wirkt, dieses Seelische ergreift. Aber diese Dinge müssen wirklich nicht mit dem Verstande erfaßt werden; sie müssen erfaßt werden mit dem ganzen Menschen. Dann gliedert sich etwas in unser Erfassen ein von künstlerischem Sinn, von konkretem Anschauen des werdenden Menschen.

Deze dingen zijn bijzonder fascinerend om te zien als wij als opvoeder met de kinderen van de basisschoolleeftijd samen zijn, hoe het langzaamaan verschijnen van de vaste tanden in zekere zin een kracht naar buiten brengt uit de groei van het organisme, deze vrij maakt, zoals warmte vrijkomt als die eerder latent aanwezig was of gebonden was, zodat wanneer het blijvende gebit verschijnt, dat wat voordien aan het organisme werkte, nu als ziel werkt, bezit neemt van de ziel. Maar deze dingen moeten echt niet met het verstand opgevat worden; ze moeten begrepen worden met je hele mens-zijn. Dan komt er bij ons begrijpen een kunstzinnige opvatting bij het concreet waarnemen van de wordende mens.

hoofd, het psychisch-geestelijke

Blz. 147   niet vertaald

Und da zeigt uns dann Anthroposophie – so paradox es klingen mag-, daß zunächst mit der Kopforganisation am allerwenigsten das verbunden ist, was das Geistig-Seelische des Menschen ist. Dieses Geistig-Seelische des Menschen ist zunächst – indem das Kind sein irdisches Dasein antritt – gerade mit der übrigen Organisation außerhalb des Kopfes verbunden. Der Kopf ist eine Art Abbild des Kosmos, aber er ist am meisten materiell. Er ist sozusagen im Beginne des menschlichen Lebens am wenigsten der Träger des vorgeburtlichen geistig-seelischen Lebens, das heruntergestiegen ist, um das irdische Leben zu beginnen.
Und indem man nun sieht, wie in jeder Miene, in der ganzen Physio­gnomie des Kindes, im Augenausdruck dasjenige hervortritt an die äußere Oberfläche des Menschen, was geistig-seelisch in ihm verborgen ist, sieht derjenige, der die Sache anthroposophisch sieht, wie das Geistig-Seelische, das zunächst sich in der Entwicklung der Gliedma­ßenbewegungen vom Kriechen bis zum Gehen zeigt, und dann in den Anregungen zum Sprachorganismus, zum Atmungsorganismus sich zeigt, das arbeitet im Organismus an dem Hervorbringen der zweiten Zähne, wie also dieses Geistig-Seelische von unten herauf arbeitet, um der Entwicklung der Gliedma­ßenbewegungen vom Kriechen bis zum Gehen zeigt, und dann in den Anregungen zum Sprachorganismus, zum Atmungsorganismus sich zeigt, das arbeitet im Organismus an dem Hervorbringen der zweiten Zähne, wie also dieses Geistig-Seelische von unten herauf arbeitet, um der Entwicklung der Gliedma­ßenbewegungen vom Kriechen bis zum Gehen zeigt, und dann in den Anregungen zum Sprachorganismus, zum Atmungsorganismus sich zeigt, das arbeitet im Organismus an dem Hervorbringen der zweiten Zähne, wie also dieses Geistig-Seelische von unten herauf arbeitet, um

En dan laat de antroposofie ons zien – hoe paradoxaal dat ook mag klinken – dat het psychisch geestelijke het allerminst verbonden is met de organisatie van het hoofd. Dit psychisch-geestelijke van de mens is in eerste instantie – wanneer het kind zijn aardse leven begint – juist verbonden met de rest van het organisme, behalve met het hoofd. Het hoofd is een soort beeld van de kosmos, maar het is wel het meest materiële. Aan het begin van het leven is het hoofd juist zogezegd uiterst weinig de drager van het voorgeboortelijk psychisch-geestelijke leven dat geïncarneerd is om het aardse leven te beginnen.
En als je nu ziet hoe in iedere gezichtsbeweging, in de hele fysionomie van het kind, in de uitdrukking van de ogen, aan de oppervlakte komt wat er psychisch-geestelijk in hem verborgen ligt, ziet iemand die dat antroposofisch bekijkt, hoe het psychisch-geestelijke zich allereerst in de ontwikkeling van de ledematenbewegingen, van kruipen tot lopen, vertoont, dat het zich  in het organisme laat zien in het stimuleren van het spraakorganisme, in de ademhaling, dat het in het organisme werkt om de blijvende tanden te laten verschijnen, hoe dus dit psychisch-geestelijke van onderop werkt,

ongeborenheid

Blz. 148/149/150  

aus der Außenwelt dasjenige aufzunehmen, was zunächst unbewußt aufgenommen werden muß, um es einzubilden dem am meisten Mate­riellen: der Hauptesorganisation des Menschen im Denken, Fühlen und Wollen.
Wir haben in unseren zivilisierten Sprachen heute ein Wort, das ein wichtiges Wort ist, das mit den Hoffnungen und Sehnsuchten vieler Menschen zusammenhängt, das Wort «Unsterblichkeit». Allein wir werden das menschliche Leben erst im richtigen Lichte sehen, wenn wir ein ebenso gebräuchliches Wort haben für den Anfang des Lebens wie für das Ende des Lebens, wenn wir ein Wort haben, das uns ebenso geläufig ist wie das Wort Unsterblichkeit, etwa «Ungeborenheit», «Ungeborensein» : dann erst ergreifen wir die volle, ewige Wesenheit des Menschen.
Dann stehen wir aber erst mit der richtigen heiligen Scheu, mit der richtigen Ehrfurcht vor dem aus dem Inneren des Kindes durch Strö­mung von unten nach oben gestaltenden, bildenden Geist. Die Seele bildet mit dem Geiste, den sie empfängt aus dem vorgeburtlichen Leben, den Organismus aus in den ersten sieben Lebensjahren, also von der Geburt bis zum Zahnwechsel. Da ist der Mensch in einer ganz elementa­ren, unmittelbaren Verbindung mit seiner Umgebung.
Wenn man ein Wort dafür haben will, wie der Mensch, indem sich erst Denken, Fühlen und Wollen in die Organe hineingliedern, in diesem zarten Kindesalter mit seiner Umgebung in Wechselwirkung steht, man kann nur das Wort Nachahmen gebrauchen. Der Mensch ist durch und durch ein nachahmendes Wesen in der ersten Lebensepoche. Da gibt es vor allen Dingen für die Erziehung die große Maxime: Tue in des Kindes Umgebung dasjenige, was es nachahmen kann.

om vanuit de omgeving op te nemen wat eerst onbewust opgenomen moet worden om het in te voegen in het meest materiële: in het hoofd van de mens, in het denken, voelen en willen.
In onze beschaafde talen hebben wij nu een woord dat een belangrijk woord is, dat met de hoop en het verlangen van veel mensen samenhangt, het woord ‘onsterfelijkheid’. Maar we zullen het menselijke leven pas op een juiste manier begrijpen, wanneer we een woord hebben dat net zo gebruikelijk is voor het begin van het leven, zoiets als ‘ongeborenheid’. ‘Ongeboren-zijn’: dan pas kunnen we het volledige, eeuwige wezen van de mens begrijpen.

Dan pas staan we met de juiste, heilige eerbied voor de geest die vorm en gestalte geeft die vanuit het innerlijk van het kind van onder naar boven stroomt. De ziel bouwt samen met de geest die ze vanuit het voorgeboortelijke leven ontvangt, in de eerste zeven jaar het organisme op, dus van geboorte tot tandenwisseling. Dan staat de mens in een heel elementaire directe verbinding met zijn omgeving.

nabootsing

Wanneer je een woord wil hebben hoe de mens, wanneer eerst het denken, voelen en willen zich in de organen nestelen, op deze prille kinderleeftijd met zijn omgeving in wisselwerking staat, kan je het woord nabootsing gebruiken. In de eerste levensfase is de mens door en door een nabootsend wezen. Voor de opvoeding geldt daar de grote hoofdregel: doe in de omgeving van het kind dingen die het nabootsen kan.

Das Kind kann in den ersten sieben Lebensjahren nicht eigentlich ermahnt werden; es kann nicht auf irgendeine Autorität hin etwas tun, sondern es lernt alles durch Nachahmung. Wir müssen nur das Kind in dieser Richtung verstehen. Da erlebt man manchmal ganz sonderbare Dinge. Ich will ein konkretes Beispiel sagen. Wenn man in diesen Dingen oftmals zu Rate gezogen wird, bieten sich ja viele solche Beispiele. Ein Vater kommt und erklärt: Ach, ich bin so unglücklich, mein Junge, der immer so brav war, der hat gestohlen. – Was soll man darüber denken? Man frägt den besorgten Vater: Wie alt ist denn das Kind? Was hat er gestohlen? – Und so weiter. Ach, er ist fünf Jahre alt. Bis jetzt war er so brav, und gestern hat er nun seiner Mutter Geld genommen aus dem Schrank und hat dafür Naschereien gekauft. Er hat sie gar nicht einmal selber verzehrt, er hat sie sogar anderen Jungen und Mädchen auf der Straße gegeben.
Nun, was man in einem solchen Fall zu einem solch besorgten Vater zu sagen hat, das ist: Der Junge hat gar nicht gestohlen, sondern es ist wahrscheinlich so, daß er gesehen hat, wie die Mutter jeden Morgen das Geld aus dem Schrank nahm und dafür Sachen kaufte. Das Kind ist auf Nachahmung hin veranlagt, sieht selbstverständlich als das Richtige dasjenige an, was die Mutter tut, und macht es nach. Es kommt überhaupt der Begriff des Stehlens hier gar nicht in Betracht; es kommt aber das in Betracht, daß man im strengsten Sinne des Wortes, und zwar bis auf die Gedankenfärbung hin, nur dasjenige in der Umgebung des Kindes handelnd, sprechend, denkend entwickeln soll, was das Kind nachmachen kann.
Derjenige, der in dieser Weise beobachten kann, der weiß eben, wie in der feinsten, in der intimsten Weise das Kind nachahmt. Bis in den Blick hinein sieht derjenige, der in der Weise, wie ich es hier meine, sich pädagogisch verhält, wie alles auf Nachahmung beruht. Nun, das ist so bis zum Zahnwechsel hin, weil da das Kind in einer außerordentlich wirklichen Beziehung zu der Umgebung steht, mit seinem ganzen Menschen in Beziehung zu der Umgebung steht. Das Kind ist da noch nicht so, daß es durch die Sinne etwas wahrnehmen kann, beurteilen kann, darüber fühlt. Nein, das ist alles eins; das Kind nimmt wahr, die Wahrnehmung ist zugleich Urteil, das Urteil ist Gefühl, Willensimpuls. Alles das ist eins. Das Kind ist ganz in den Strom des Lebens eingeschaltet. Es hat sich noch nicht herausgerissen.

Het kind kan in de eerst zeven jaar eigenlijk niet berispt worden; het kan niet op gezag dit of dat doen, het leert alles door nabootsing. We moeten het kind alleen wat dat betreft, begrijpen. Dan maak je af en toe wonderlijke dingen mee. Ik wil een concreet voorbeeld geven. Wanneer je op dit terrein vaak om raad wordt gevraagd, levert dat veel van die voorbeelden op. Er komt een vader die zegt: ‘Ach, ik ben zo ongelukkig, mijn jongen die altijd heel braaf is, heeft gestolen.’ Wat moet je daarvan denken. Je vraagt aan de bezorgde vader: ‘Hoe oud is het kind? En wat heeft hij gestolen?’ En zo verder. Ach, hij is vijf jaar. Tot nu toe was hij braaf en gisteren heeft hij uit de kast, van zijn moeder geld weggepakt en daarvan is hij snoep gaan kopen. Dat heeft hij helemaal niet zelf opgegeten, hij heeft de jongens en meisjes op straat er ook van gegeven. Wel, wat je dan in zo’n geval tegen de bezorgde vader moet zeggen is: ‘De jongen heeft helemaal niet gestolen, maar het zit waarschijnlijk zo, dat hij heeft gezien hoe zijn moeder iedere morgen geld uit de kast heeft gehaald om daar dingen voor te kopen.’
Het kind is aangewezen op nabootsing en heeft vanzelfsprekend als góed beschouwd wat moeder doet en hij doet het na. Het begrip stelen komt hier helemaal niet in aanmerking, wat wél in aanmerking komt is dat je in de volle betekenis van het woord en ook tot in je gedachteleven alleen maar datgene in de omgeving van een kind handelend, sprekend of denkend moet ontwikkelen dat het kind kan nabootsen.

Degene die op deze manier kan waarnemen, weet ook hoe op de fijnste, intiemste manier een kind nabootst. Tot in de blik toe ziet degene die op deze manier zoals ik die hier bedoel, zich pedagogisch gedraagt, hoe alles op nabootsing berust. 
Dat is zo tot aan de tandenwisseling omdat het kind op een buitengewoon realistische manier in zijn omgeving staat, met zijn hele mens-zijn in relatie staat met zijn omgeving. Het kind is nog niet zo dat het door zijn zintuigen iets kan waarnemen en beoordelen met een gevoel. Nee het vormt met alles een eenheid; het kind neemt waar, de waarneming is tegelijkertijd een oordeel, het oordeel is gevoel. wilsimpuls. Alles is een. Het kind is helemaal ingebed in de stroom van het leven. Daar staat het nog niet los van.
GA 304/142-150
Niet vertaald

Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposofischer Grundlage

Voordracht 6, 2e voordracht (K)Cristiania) Oslo 24 nov. 1921

Blz. 160

Wir haben zunächst ins Auge gefaßt dasjenige Lebensalter des Men­schen von der Geburt bis zum Zahnwechsel, in dem der Mensch ganz und gar ein nachahmendes Wesen ist. Man muß sich vorstellen, daß der Mensch in diesem ersten Lebensalter in einer außerordentlich intimen Weise zusammenhängt mit seiner Umgebung. So daß gewissermaßen dasjenige, was sich in den äußeren Vorgängen, namentlich aber in alledem, was durch Menschen geschieht, ja sogar was durch Menschen gefühlt und gedacht wird, daß sich das alles in einer gewissen Weise so für das Kind ausnimmt, daß dieses Kind nachahmend hineinwächst in diese Vorgänge seiner Umgebung. 

Opvoedings- en onderwijsmethoden op basis van antroposofie

We hebben allereerst gekeken naar de leeftijdsfase van de mens vanaf de geboorte tot aan de tandenwisseling waarin de mens helemaal een nabootsend wezen is. Je moet je voorstellen dat de mens in deze eerste levensfase op een bijzonder intieme manier samenhangt met zijn omgeving. Zodat in zekere zin wat zich in uiterlijke processen, vooral echter in alles wat door mensen gebeurt, ja zelfs wat mensen voelen en denken, zich voor het kind zo voordoet dat het nabootsend binnengroeit in wat er in zijn omgeving gebeurt. 

Blz. 162

Wenn man bedenkt, daß das Kind bis ungefähr zum siebenten Jahre hin, wo es eigentlich erst in die Volksschule kommen sollte, ein nachah­mendes Wesen war, das durch seinen Willen sich vollständig hineinglie­dern wollte in seine Umgebung, daß zurücktreten mußte selbstverständ­lich alle Intellektualität, die auf der Selbstbetätigung des Seelischen beruht, daß zurücktreten mußte selbst mehr oder weniger das Fühlen, das ja nur als ein Mitfühlen mit der Umgebung zur Geltung kommt, daß alles einen willensartigen Charakter annimmt in einem nachahmenden Wesen, so werden wir begreifen, wieviel von diesem willensarti­gen Charakter als der Grundwesenheit des Kindes uns mitkommt, wenn wir das Kind um die Zeit des Zahnwechsels in die Volksschule be­kommen. Wir müssen daher vor allen Dingen darauf bedacht sein, den Aus­gangspunkt zu nehmen von Willenserziehung und Willensunterricht. Das gibt dann die Grundlage dafür ab, daß ausgegangen wird vom Künstlerischen

Wanneer je bedenkt dat het kind tot zo ongeveer zeven jaar – waarop het eigenlijk pas naar de basisschool zou moeten gaan – een nabootsend wezen was, dat door zijn wil volledig deel wil zijn van zijn omgeving, dan is het vanzelfsprekend dat al het intellectuele achterwege moet blijven, want dat berust alleen op een  eigen werkzaamheid van de ziel; zelfs het voelen moet min of meer teruggehouden worden, dat mag zich alleen maar laten gelden als een meevoelen met de omgeving; in een nabootsend wezen krijgt alles een wilsmatig karakter; wanneer we het kind rond de tandenwisseling in de basisschool krijgen, moeten we begrijpen hoeveel van dit wilsachtige karakter als basis van het wezen van het kind tot ons komt, Wij moeten er daarom vooral op bedacht zijn bij opvoeding en onderwijs de wil als uitgangspunt te nemen. Dat schept dan de basis voor het kunstzinnige als uitgangspunt.
GA 304/161-165
Niet vertaald

Ein Vortrag über Pädagogik

Voordract 9, Dornach 16 sept. 1922

nabootsing

Blz 220  vertaald

Die Anthroposophie zeigt, wie dem physischen Organismus des Menschen ein ätherischer eingegliedert ist. Dieser ätherische Organis­mus ist bis zum siebenten Lebensjahre in seiner ganzen Ausdehnung im physischen Organismus tätig. In diesem Lebensabschnitte wird ein Teil des ätherischen Organismus frei von der unmittelbaren Betätigung am physischen Organismus. Er erlangt eine gewisse Selbständigkeit. Mit dieser wird er auch ein selbständiger, von dem physischen Organismus relativ unabhängiger Träger des seelischen Lebens.
Da sich aber das seelische Erleben nur mit Hilfe dieses ätherischen Organismus im Erdendasein entfalten kann, so steckt das Seelische vor dem siebenten Lebensjahre ganz in dem Körperlichen darinnen. Soll in diesem Lebensalter Seelisches wirksam werden, so muß die Wirksamkeit körperlich sich offenbaren. Das Kind kann nur mit der Außenwelt in ein Verhältnis kommen, wenn dieses Verhältnis einen Reiz darstellt, der körperlich sich ausleben kann. Das ist nur dann der Fall, wenn das Kind nachahmt. Vor dem Zahnwechsel ist das Kind ein rein nachahmendes Wesen im umfassendsten Sinne. Seine Erziehung kann nur darinnen bestehen, daß die Menschen seiner Umgebung ihm das vormachen, was es nachahmen soll.

Een voordracht over pedagogie 

De antroposofie toont aan hoe het fysieke organisme van de mens in zich een etherische component heeft. Dit etherorganisme is tot rond het 7e jaar als totaliteit in het fysieke actief. In deze leeftijdsfase wordt een deel van het etherische leven vrij van het directe werken aan het fysieke organisme. Het krijgt een zekere zelfstandigheid. Hiermee wordt het een meer op zichzelf staande, van het fysieke lichaam in een bepaald opzicht onafhankelijke drager van het gevoelsleven.
Echter, omdat het zielenleven alleen maar met behulp van het etherwezen zich in het leven kan ontplooien, bevindt zich het gevoelsleven vóór het 7e jaar helemaal in het lichamelijke.
Als het gevoelsleven zich op deze leeftijd wil manifesteren komt dit in het lichamelijke tot uitdrukking.
Het kind kan alleen met de buitenwereld in relatie treden, wanneer deze relatie uit een prikkel bestaat die lichamelijk tot uitdrukking kan komen. Dat is alleen dan het geval, wanneer het kan nabootsen. Vóór de tandenwisseling is het kind louter een nabootsend wezen, in de meest omvattende zin. Zijn opvoeding kan er alleen maar uit bestaan dat zijn omgeving hem voordoet, wat hij moet nadoen.
GA 304/220
Op deze blog vertaald/220

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Over de werking van de omgeving op een kind: zie het ‘hersenvoorbeeld‘ in dit artikel.

Rudolf Steiner over spel

Over de werking van tv op kleine kinderenopvoedingsvragen onder nr. 19  m.n. [19-10]

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2153

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-1) inhoudsopgave

.
Inhoudsopgave van alle door Steiner in de pedagogische voordrachten en enkele andere gemaakte opmerkingen over de ontwikkeling van het kind tussen geboorte en tandenwisseling.

[9-1-1/1]
Steiner over de ontwikkelingsfase 0 – 7 in
GA 96
voordracht 4, die van
0 – 7; nabootsing, spel, fantasie; de geboorte van ether- en astraallijf – beschouwd als de geboorte van het fysieke lichaam vanuit de beschermende omhulling door de moeder

[9-1-1/2]
Steiner over de ontwikkelingsfasen 0 – 7 in
GA 94
voordracht 19,  die van 0 – 7; spel, fantasie; invloed van omgeving

[9-1-1/3]
Steiner over de ontwikkelingsfasen  0 – 7 in
GA 34 artikel 33, vertaald als ‘De opvoeding van het kind (in het licht van de geesteswetenschap/antroposofie) die van 0 – 7; nabootsing, niet alleen uiterlijk, 
invloed van omgeving, van  kleur op verschillende typen kinderen; ook moraliteit; orgaanvorming, m.n. ‘morele’ hersenen; spel en speelgoed, fantasie;

[9-1-1/4]
Steiner over de ontwikkelingsfase 0 – 7 in
GA 55
voordracht 6,  die van 0 – 7; nabootsing, niet alleen uiterlijk, invloed van omgeving, van kleur op verschillende typen kinderen; orgaanvorming; ook moraliteit; spel en speelgoed, fantasie

[9-1-1/5]
Steiner over ontwikkelingsfase 0 – 7 in
GA 296
voordracht 1, en voordracht 2, , die van 0 – 7; de betekenis van de nabootsing voor de latere vrijheid; nabootsing is voortzetting van wat hogere wezens deden vóór de geboorte

[9-1-1/6]
Steiner over ontwikkelingsfase 0 – 7 in
GA 297
voordracht 2: over de nabootsing;
voordracht 4, voordracht 5: nabootsing tot in de beweging, het gebaar, de tongval;
voordracht 6: aan de nabootsingsdrang ligt de wil ten grondslag; vermaningen, terechtwijzingen helpen niet; imponderabele; voordracht 7: nabootsing;
voordracht 8: kind vanuit geestelijke wereld; eerbied voor de wordende mens; nabootsing, ons voorbeeld, voorleven; geen vermaningen; imponderabele;
voordracht 9: nabootsing vanaf 2½; 2½ – 5 nabootsing en imponderabele; voorbeeld;

[9-1-1/7]
Steiner over ontwikkelingsfase 0 – 7 in
GA 297A
voordracht 2: kind als nabootsend wezen; het imponderabele;
vragenbeantwoording: nabootsing, voorbeeld;
voordracht 5: nabootsing, kind een en al zintuig;
voordracht 6: kind en en al zintuig; het imponderabele; invloed van jouw houding op gezondheid kind;

[9-1-1/8]
Steiner over ontwikkelingsfase 0 – 7 in
GA 298
kind is nabootser; nabootsing, moedertaal;

[9-1-1/9]
Steiner over ontwikkelingsfase 0 – 7 in
GA 300C
drang tot nabootsen; de omgeving als ‘nabeeld’.

[9-1-1/10]
Steiner over ontwikkelingsfase 0 – 7 in
GA 301
voordracht 1: het kind is anders vóór de tandenwisseling, dan erna; vormkrachten voor opbouw, worden psychische krachten, om te kunnen leren op school; spreken door nabootsing;
voordracht 3: nabootsing; het imponderabele;
voordracht 5: de toestand van het Ik vóór het negende jaar en daarna; voordracht 8: animisme;

[9-1-1/11]
Steiner over ontwikkelingsfase 0 – 7 in
GA 302
voordracht 6: het kind wordt steeds bewuster;
voordracht 8: nabootsing; kind brengt nabootsingskracht mee uit de geestelijke wereld; de wereld is waar.

[9-1-1/12]
Steiner over ontwikkelingsfase 0 – 7 in
GA 302A,
voordracht 2: overhand plastische krachten;
voordracht 4: Ik-ontwikkeling; kosmisch-plastisch en kosmisch-muzikaal;

[9-1-1/13]
Steiner over ontwikkelingsfase 0 – 7 in
GA 303
voordracht 4: uiterlijke indrukken gaan tot in de stofwisseling; (maag) gevoeligheid in vegetatief-organisch proces;
voordracht 7: onderverdeling leeftijdsfase; 0 – 7: 0 –2½; -5; – 7; vrijkomen van etherlijf; eerste 2½ jaar heel belangrijk; balansverstoring: roodvonk (o.a); staat niet open voor wil v.d. opvoeder; sterk op omgeving gericht; nabootsing; 2½ -5: verder vrijkomen van etherkrachten; ontstaan fantasie; overvoeren geheugen en reuma; 5- 7 verdere ontwikkeling naar tandenwisseling;
voordracht 10: animisme; geheugen;
voordracht 11: krachten vanuit het hoofd;
voordracht 13: aard van de slaap; vrijkomen van plastische krachten bij tandenwisseling;
voordracht 15: een en al zintuig;
vragenbeantw
.: inwerken op fantasie; 

[9-1-1/14]
Steiner over ontwikkelingsfase 0 – 7 in
GA 304
voordracht 2: nabootsing; nabootsing en geestelijke wereld; invloed van de omgeving;
voordracht 4: nabootsing; animisme;
voordracht 5: werking van ledematen op hersenen; klinkers en medeklinkers – werking in organisme; tandenwisseling; kleine kind en hoofd; stroom van beneden naar boven; ongeborenheid; nabootsing; invloed omgeving;
voordracht 6: nabootsing; invloed omgeving, ook moreel;
voordracht 9
: nabootsing

[9-1-1/15]
Steiner over ontwikkelingsfase 0 – 7 in
GA 304A
voordracht 2: nabootsing; niet alleen van gebaren e.d., ook van moraliteit; zenuw-zintuigsysteem; invloed nabootsing, invloed omgeving op het fysieke; ledematenbewegingen en voorstellen.
voordracht 5: kind een en al zintuig; kind van nature religieus; nabootsing; fysieke werking van omgeving op kind;
voordracht 6: nabootsing; kind is wilswezen; kind en kleur; kind religieus van nature; fysieke werking van omgeving op kind; opvoeding een soort religieuze handeling.
voordracht 7: kind is wilswezen; nabootsing; fysieke werking van omgeving op kind.
voordracht 8: kind eenheid geest, ziel, lichaam; incarneren; kind een en al zintuig; nabootsing;
voordracht 9: kind eenheid geest, ziel, lichaam; incarneren; kind een en al zintuig; kind religieus van nature; fysieke werking van omgeving op kind; nabootsing

[9-1-1/16]
Steiner over ontwikkelingsfase 0 – 7 in
GA 305
voordracht 1: leren spreken; een en al zintuig; taalcentrum Broca.
voordracht 2: scheppende van de geest in het kind.
voordracht 3: een en al zintuig.
voordracht 4: werking vanuit het hoofd; nabootsing; invloed van omgeving op de gezondheid;

[9-1-1/17]
Steiner over ontwikkelingsfase 0 – 7 in
GA 306
voordracht 1: de drie dimensies; het kind gaat staan.
voordracht 2: over lopen, spreken, denken; kind geheel zintuig; nabootsing; de mens naar lichaam, ziel en geest;
voordracht 3: het kind een en al zintuig; invloed omgeving; nabootsing; religieuze overgave van het kind; lichamelijk religie; nabootsing.
voordracht 4: kind: bezield zintuigorgaan; nabootsing.
voordracht 5: kind een en al zintuig; wil actief; ziel actief in het lichaam; fysiek en ether nog één geheel;
voordracht 6: kind neemt zinvolle gebaren waar, daaruit ontwikkelt zich dankbaarheid; lichamelijke religie; overheersing zenuw-zintuigsysteem-werking vanuit het hoofd.

 

 

wordt vervolgd

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2152

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-4)

.

Enkele gedachten bij blz. 140 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

BEGRIP

Na ‘gevolgtrekking’ [9-2]  en ‘oordeel’ [9-3] volgt het ‘begrip’.

Over de gevolgtrekking merkte Steiner op dat deze zich afspeelt in het wakkere bewustzijn. 
Over het oordeel zei hij dat deze terecht komt in de dromende ziel. In [9-3] leek dat enerzijds niet ‘zo logisch’, maar als we dat bij ons zelf nagaan (en bij anderen) – hebben wij vele oordelen die tot ‘gewoonte’ zijn geworden. Uiteraard hebben we zelf uit onze vele gevolgtrekkingen onze oordelen zelf gevormd, maar ‘ooit’ zijn we geconfronteerd met deze oordelen – die in wezen eerst gevolgtrekkingen van anderen waren. Vooral in het gezin waar we opgroeiden en op de school waar we onderwijs kregen. En tijdens onze studies waarin we boeken lezen met daarin ook weer oordelen – zoals bv. ‘de oerknal’. Of bij de afstamming van de mens – ‘van de aap of op z’n minst van de dieren.’ (Al een tijd wordt er gesproken over de mens als ‘hoger dier’, maar dit ‘hoger’ verdwijnt langzamerhand weer uit de gevolgtrekking en daarvoor komt in de plaats ‘de mens en andere dieren’.) 

Allerlei oordelen die wij min of meer geaccepteerd hebben; waarvan we denken ‘dat het wel zo zal zijn’. Bij dit laatste is het overduidelijk dat hier niet het wakkere bewustzijn op de voorgrond treedt, maar het dromende gevoel.

Tegen deze achtergrond hoeft het niet te verbazen dat ‘het begrip’ nog ‘dieper’ zit: in de slapende ziel, d.w.z. in het gebied van de wil, die fysiek zich uitdrukt in de stofwisseling en daardoor verbonden is aan de opbouwende fysieke krachten, als levenskracht.

Blz. 144  vert. 140

Und kommen wir vom Urteil zum Begriff, so müssen wir uns gestehen: was wir als Begriff ausbilden, das steigt hinunter bis in die tiefste Tiefe des Menschenwesens, geistig betrachtet, steigt hinunter bis in die schlafende Seele. Der Begriff steigt hinunter bis in die schlafende Seele, und dies ist die Seele, die fortwährend am Leibe arbeitet. Die wachende Seele arbeitet nicht am Leibe. Ein wenig arbeitet die träumende Seele am Leibe; sie erzeugt das, was in seinen gewohnten Gebärden liegt. Aber die schlafende Seele wirkt bis in die Formen des Leibes hinein. Indem Sie Begriffe bilden, das heißt, indem Sie Ergebnisse der Urteile bei den Menschen feststellen, wirken Sie bis in die schlafende Seele oder, mit anderen Worten, bis in den Leib des Menschen hinein. 

En komen we nu van het oordeel tot het begrip, dan moeten we ons realiseren dat iets wat we tot een begrip uitbouwen doordringt tot in de diepste diepten van het wezen van de mens — geestelijk beschouwd tot in de slapende ziel. Het begrip daalt af tot in de slapende ziel en dat is de ziel die voortdurend aan het lichaam werkt. De wakkere ziel doet dat niet. De dromende ziel doet dat een beetje door de gewoontegebaren te vormen. Maar de slapende ziel werkt door tot in de vormen van het lichaam. Door begrippen te vormen, dat wil zeggen door de resultaten van oordelen bij mensen vast te zetten, werkt u tot in de slapende ziel of, met andere woorden, tot in het lichaam van de mens.

Het kwam bij ‘oordeel’ al ter sprake: welke oordelen spreken we naar de kinderen uit, en vaak ook: welke oordelen spreken we – niet eens op de kinderen gericht – in de omgeving van de kinderen uit. 
Dat is in wezen een pedagogisch onderwerp. We staan daar in het dagelijks leven niet zo bij stil. In ons ‘vrijeschoolleven’ (veel?) meer. 
We proberen toch m.n. bij vakken als natuur- en scheikunde eerst de fenomenen te laten spreken – niet meteen de oordelen, laat staan ‘begrippen’.

Hier zou kunnen gelden:

( ) daß wir einsehen, wie es vor allen Dingen notwendig ist, zu klaren, nicht verschwommenen, sondern zu klaren Begriffen zu kommen. Man muß schon durchaus einsehen, daß das Ausgehen von Begriffen, das Ausgehen von Definitionen gar nichts bedeutet, sondern das vorurteilsfreie Anschauen der Tatsachengebiete.

We moeten tot heldere begrippen komen, geen waterige. We moeten inzien dat uitgaan van begrippen, van definities, helemaal niets betekent, wél het waarnemen van de feiten zonder vooroordelen.
GA 206/23
Niet vertaald

Bij deze vakken is dat vrij duidelijk, maar hoe is dat bij andere?

Zouden we hier mogen denken aan ‘rekenen’ en dan juist aan het allereerste begin daarvan in de 1e klas, waar Steiner zo de nadruk legt op de ‘verdeling’ – van het geheel naar de delen. Dus niet beginnen met 5 + 4 = 9, maar 9 =   waarop allerlei mogelijkheden volgen. Dit dan gezien als ‘gebaar’. Het eerste is een gebaar van ‘naar je toe halen’, het tweede maakt het gebaar van ‘wegschenken’. Maakt het wat uit voor het latere leven of je eerste oordeel ‘iets is’  (9 =) het ene gebaar, dan wel het andere gebaar met zich meebrengt. Wordt dat voor de ziel ‘gewoonte’? 
Voor Steiners blik wel: 

REKENEN

Denn von all den Dingen, welche dem Menschen so furchtbar schaden, ist dasjenige, was aus dem Rechenunterricht kommt, bei vielen Menschen das Allerschädlichste. Die Art, nach der wir rechnen lernen, ist in der Regel gegen die menschliche Natur. Denn alles dasjenige, was heute bei vielen Menschen als eine Neigung zum Materialismus auftritt, das ist im Grunde genommen nichts anderes als ein Ergebnis eines verfehlten Rechenunterrichts so gerade um das 9. Lebensjahr herum.

Want van alle zaken die voor de mens zo buitengewoon schadelijk zijn, is wat uit het rekenonderwijs komt, het meest schadelijk. De manier waarop we leren rekenen gaat als regel in tegen de menselijke natuur. Want alles wat tegenwoordig bij veel mensen als een hang naar het materialisme optreedt, is in de aard der zaak niets anders dan het gevolg van verkeerd rekenonderwijs rondom het 9e jaar.
GA 301/151
Op deze blog vertaald/151

In de 10e voordracht van deze GA 301 werkt Steiner dit nader uit.

Zwei Dinge liegen logisch scheinbar einander recht fern: Rechenunterricht und moralische Prinzipien. Man rückt gewöhnlich gar nicht den Rechenunterricht an die moralischen Prinzipien heran, weil man keinen logischen Zusammenhang zunächst findet.

Er zijn twee dingen die logisch gezien niets met elkaar te maken lijken te hebben: rekenonderwijs en morele beginselen. Men verbindt het rekenonderwijs gewoonlijk in het geheel niet met morele beginselen, omdat men niet direct daartussen een logische samenhang ontdekt. 
GA 305/109
Vertaald//in 5e vdr.

So ist man in der Lage, das Kind heranzubringen an das Leben in der Art, daß es sich hineinfügt, Ganzheiten zu erfassen, nicht immer von dem Wenigen zu dem Mehr überzugehen. Und das übt einen außer­ordentlich starken Einfluß auf das ganze Seelenleben des Kindes. Wenn das Kind daran gewöhnt wird, hinzuzufügen, dann entsteht eben jene moralische Anlage, die vorzugsweise ausbildet das nach dem Begehr­lichen Hingehen. Wenn von dem Ganzen zu den Teilen übergegangen wird, und wenn entsprechend so auch die Multiplikation ausgebildet wird, so bekommt das Kind die Neigung, nicht das Begehrliche so stark zu entwickeln, sondern es entwickelt dasjenige, was im Sinne der pla­tonischen Weltanschauung genannt werden kann die Besonnenheit, die Mäßigkeit im edelsten Sinne des Wortes. Und es hängt innig zusammen dasjenige, was einem im Moralischen gefällt und mißfällt, mit der Art und Weise, wie man mit den Zahlen umzugehen gelernt hat. Zwischen dem Umgehen mit den Zahlen und den moralischen Ideen, Impulsen, scheint ja zunächst kein logischer Zusammenhang, so wenig, daß der­jenige, der nur intellektualistisch denken will, darüber höhnen kann, wenn man davon spricht. Es kann ihm lächerlich vorkommen. Man begreift es auch ganz gut, wenn jemand lachen kann darüber, daß man beim Addieren von der Summe ausgehen soll, und nicht von dem Addenden. Aber wenn man die wirklichen Zusammenhänge im Leben ins Auge faßt, dann weiß man, daß die logisch entferntesten Dinge im wirklichen Dasein einander oftmals sehr nahe stehen.
So ist dasjenige, was sich herausarbeitet in der kindlichen Seele durch die Behandlung mit den Zahlen, von ungeheurer Wichtigkeit für die Art und Weise, wie das Kind uns dann entgegenkommt, wenn wir ihm moralische Beispiele vor die Seele führen wollen, an denen es Gefallen oder Mißfallen, Antipathie oder Sympathie mit dem Guten oder Bösen entwickeln soll. Wir werden ein Kind vorfinden, das empfänglichen Sinn hat für das Gute, wenn wir das Kind in der entsprechenden Weise behandelt haben, mit den Zahlen umzugehen.

Op die manier is men in de gelegenheid het kind op een zodanige wijze tot het leven te voeren dat het zich eraan went, door gehelen te omvatten, niet altijd van het weinige naar het meer te gaan. En dat oefent een buitengewoon sterke invloed uit op het gehele zielenleven van het kind. Als het kind eraan gewend wordt te tellen door toe te voegen, dan ontstaat nu net die morele aanleg die een hang zal doen ontstaan naar de begeerte. Als van het geheel naar de delen wordt overgegaan, en als ook in een overeenkomstige vorm het vermenigvuldigen wordt aangeleerd, wordt het kind geneigd de begeerte niet zo sterk te ontwikkelen, maar ontwikkelt het datgene wat in de zin van de Platonische wereldbeschouwing genoemd kan worden de bezonnenheid, de matigheid in de meest edele zin van het woord. Hetgeen iemand moreel gezien bevalt en mishaagt hangt op de nauwste wijze samen met de manier waarop hij met de getallen heeft leren omgaan. Tussen de omgang met de getallen en de morele ideeën, morele impulsen, lijkt op het eerste gezicht geen logische samenhang te bestaan. Zo weinig is dat zelfs het geval dat wie slechts intellectualistisch denken wil, honend kan reageren, wanneer men daarover spreekt. Het kan hem belachelijk voorkomen. Het is ook heel goed te begrijpen dat iemand er om lachen kan dat men bij het optellen van de som uitgaat en niet van de delen. Maar wanneer men de werkelijke samenhangen in het leven in ogenschouw neemt, dan weet men dat dingen die logisch gezien niets met elkaar te maken hebben in het werkelijke bestaan vaak zeer dicht bijeen liggen. Zo is wat er gaat werken in de kinderlijke ziel door het omgaan met de getallen van zeer groot belang voor de manier waarop het kind ons tegemoet treedt als wij het morele beelden voor de ziel willen brengen. Morele beelden, waaraan het behagen of misnoegen, antipathie of sympathie ten opzichte van het goede of het kwade moet ontwikkelen. Wij zullen een kind aantreffen dat ontvankelijk is voor het goede wanneer wij het kind op adequate wijze geleerd hebben met de getallen om te gaan.
GA 305/112
vertaald /5e vdr.

Dit is dan iets wat met ‘gewoonte’ heeft te maken.
Maar met ‘begrip’ ligt het m.i. net weer moeilijker.

Indem Sie Begriffe bilden, das heißt, indem Sie Ergebnisse der Urteile bei den Menschen feststellen, wirken Sie bis in die schlafende Seele oder, mit anderen Worten, bis in den Leib des Menschen hinein. 

Door begrippen te vormen, dat wil zeggen door de resultaten van oordelen bij mensen vast te zetten, werkt u tot in de slapende ziel of, met andere woorden, tot in het lichaam van de mens.

In de 1e voordracht komt bij de bespreking van de drieledige mens o.a. het etherlijf ter sprake in samenhang met de gewaarwordingsziel en deze weer in relatie tot de andere zielsdelen en de geest.
We weten uit eigen ervaring hoe bepaalde gedachten ons blij kunnen maken, maar ook op ons kunnen drukken. We kunnen er ‘gebukt’ onder gaan. Niet dat we meteen zwaar krom lopen. Een fysiotherapeut vertelde me dat mensen die behandeld worden voor rug- en/of schouderklachten heel vaak problemen hebben alsof ze een ‘te zware last dragen’. We bevinden ons op het vlak van de psychosomatiek. De invloed van wat we beleven gaat onmiskenbaar over op het fysieke: bij schaamte worden we rood; bij schrik trekken we wit weg; bij angst voelen we scheuten in onze maag; we liggen ergens wakker van. De burn-out mag wel het bekendste voorbeeld zijn.
Zonder dat we het ons werkelijk bewust zijn, werkt er heel veel van ons denken en voelen door tot in de fysieke levenskrachten., het vormkrachtenlijf, het etherlijf.

Daarover zegt Steiner in ‘De opvoeding van het kind’:

Diesen Äther- oder Lebensleib hat der Mensch mit Pflanzen und Tieren gemeinsam. Er bewirkt, daß die Stoffe und Kräfte des physischen Leibes sich zu den Erscheinungen des Wachs­tums, der Fortpflanzung, der inneren Bewegung der Säfte usw. gestalten. Er ist also der Erbauer und Bildner des physischen Leibes, dessen Bewohner und Architekt. Man kann daher auch den physischen Leib ein Abbild oder einen Ausdruck dieses Lebensleibes nennen. 

Dit ether- of levenslichaam heeft de mens met planten en dieren gemeen. Het bewerkstelligt, dat de stoffen en krachten van het fysieke lichaam zo tot een organisch geheel gevormd worden, dat de verschijnselen van groei, voortplanting, inwendige vloeistofbeweging enzovoort optreden. Het etherlichaam bouwt dus het fysieke lichaam op en geeft het zijn plastische vorm, het is zijn bewoner en tevens zijn architect. Daarom kan men ook zeggen, dat het levenslichaam zichzelf in het fysieke lichaam uitdrukt als in een beeltenis.
GA 34/315
Vertaald/16 (oudere druk)

Op veel meer plaatsen komt de invloed van de ziel op het lichaam ter sprake:

Alles, was seelisch im Menschen ist, drückt sich auch in der Körper­lichkeit aus, prägt sich der Körperlichkeit ein.

Alles wat in de mens ziel is, komt ook tot uitdrukking in de lichamelijkheid, wordt het lichaam ingeprent.
GA 205/160
Niet vertaald  Zie Rudolf Steiner wegwijzers: 14; 88; 170 202; 203; 254; 268

Bij ‘wat er in het lichaam doorwerkt’, horen volgens Steiner ook de ‘begrippen’ die als resultaten van oordelen zich in de mens vastzetten.

Maar:

Nun ist ja der Mensch in hohem Grade dem Leibe nach fertig gebildet, indem er geboren wird, und die Seele hat nur die Möglichkeit, das, was durch die Vererbungsströmung den Menschen überliefert wird, feiner auszubilden. Aber sie bildet es feiner aus.

Nu is de vorming van het lichaam vrijwel voltooid wanneer men geboren wordt; de mogelijkheid van de ziel is beperkt, ze is alleen maar in staat te verfijnen wat door de erfelijkheidsstroom aan de mensen wordt overgeleverd. En dat doet de ziel ook.

Zelf vind ik weinig aanknopingspunten in het leven en in de eigen ervaringen voor wat Steiner hier beweert.
Wat me wel is opgevallen is dat ‘vroeger’ veel meer mensen een ‘eigen’ gebit hadden. Een karakteristiek gebit waarin de tanden zeker niet die regelmaat vertonen waarin ze nu – door allerlei orthodontische kunstgrepen – staan. We hebben allemaal mooie gebitten, maar geen karakteristieke meer. Daar is zeker te spreken van een zekere uniformiteit. 
Maar dat is niet het gevolg van ‘begripsvorming’.

Dus blijft het lastig:

Wir gehen durch die Welt und schauen uns Menschen an. Diese Menschen treten uns entgegen mit ganz bestimmten Gesichtsphysiognomien. Was ist in diesen Gesichtsphysiognomien enthalten? Es ist in ihnen unter anderem enthalten das Ergebnis aller Begriffe, welche die Lehrer und Erzieher während der Kindheit in den Menschen hineingebracht haben. Aus dem Gesicht des reifen Menschen strahlt uns wieder das entgegen, was an Begriffen in die Kinderseele hineingegossen ist, denn die schlafende Seele hat die Physiognomie des Menschen unter anderem auch nach den feststehenden Begriffen gebildet. Hier sehen wir die Macht des Erzieherischen und Unterrichtlichen von uns auf den Menschen. Seinen Siegelabdruck bekommt der Mensch bis in den Leib hinein durch das Begriffebilden.
Heute ist die auffälligste Erscheinung in der Welt die, daß wir Menschen mit so wenig ausgeprägten Physiognomien finden. 

Wanneer we naar mensen kijken, zien we dat ze een bepaalde fysionomie hebben. Wat behelzen die gelaatstrekken? Ze behelzen onder andere de som van alle begrippen die leraren en opvoeders in een kind hebben ingebracht. Uit het gezicht van de volwassen mens straalt ons tegemoet welke begrippen in de kinderziel zijn geprent; want de slapende ziel heeft de fysionomie van de mens onder andere gevormd naar de in de ziel verankerde begrippen. Hieraan ziet u de invloed van opvoeding en onderwijs op de mens. Door de begripsvorming krijgt de mens zelfs tot in het lichaam een stempel.
Het is een uiterst opvallend tijdsverschijnsel dat de mensen tegenwoordig zo weinig markante fysionomieën hebben.

Blz. 145  vert. 141 

Kurz, eine gewisse Uniformität ist in die Menschheit eingezogen. Das ist aber ein Beweis dafür, daß in den Menschen nichts heranerzogen worden ist in der vorhergehenden Zeit. An solchen Dingen muß man lernen, was notwendig ist in bezug auf die Umwandlung unseres Erziehungswesens, denn die Erziehung greift tief ein in das ganze Kulturleben.

Kortom, de mensheid heeft een zekere uniformiteit gekregen. En dat bewijst dat men in zijn jeugd door de opvoeding niets heeft meegekregen. Van zulke dingen moet men leren wat noodzakelijk is voor veranderingen in onze pedagogie. Want de opvoeding laat diepe sporen na in de gehele cultuur.

Daher können wir sagen: Wenn der Mensch durch das Leben geht und nicht gerade einer einzelnen Tatsache gegenübersteht, so leben im Unbewußten seine Begriffe.

We kunnen dus zeggen: de begrippen van de mens leven in het onbewuste, althans wanneer men door het leven gaat en niet net met een feit geconfronteerd wordt.

Korte samenvatting

Begriffe können also im Unbewußten leben. Urteile können nur leben als Urteilsgewohnheiten im halbbewußten, im träumerischen Leben, und Schlüsse sollen eigentlich nur im vollbewußten, wachen Leben herrschen. Das heißt, man soll recht viel Rücksicht darauf nehmen, daß man alles, was sich auf die Schlüsse bezieht, mit den Kindern bespricht und sie nicht fertige Schlüsse immer gerade bewahren läßt, sondern nur das bewahren läßt, was zum Begriff ausreift.

Begrippen kunnen dus leven in het onbewuste. Oordelen kunnen slechts leven in het halfbewuste droombewustzijn en gevolgtrekkingen moeten eigenlijk alleen in het volle waakbewustzijn plaatsvinden. Dit betekent dat men er beslist goed op moet letten dat men alles wat met gevolgtrekkingen te maken heeft met de kinderen bespreekt, en ze niet de kant en klare gevolgtrekkingen als zodanig laat onthouden maar alleen dat wat kan rijpen tot een begrip.

BGRIPSVORMING in de klas

Blz. 146  vert. 141/142

Denken Sie sich, Sie bilden Begriffe, und diese Begriffe sind tot. Dann impfen Sie den Menschen Begriffsleichname ein. Bis in seinen Leib hinein impfen Sie dem Menschen Begriffsleichname ein, wenn Sie ihm tote Begriffe einimpfen. Wie muß der Begriff sein, den wir dem Menschen beibringen? 

Stelt u zich voor: u vormt begrippen, en deze begrippen zijn dood. Dan prent u de mens begripslijken in. Wanneer u iemand dode begrippen inprent, dan dient u de mens tot in zijn lichaam begripslijken toe. Hoe moet het begrip dan zijn dat de mens wordt bijgebracht?

Levendige begrippen

Dit komen we in de pedagogische voordrachten veelvuldig tegen: het gaat om ‘leven’, om ‘levendigheid’: het onderwijs moet sprankelen. 

Wir müssen ja durchaus so unterrichten, daß unser Unterrichten ein Lebendiges ist, das heißt, daß wir nicht bloß dafür sorgen, daß das Kind gewisse Vorstellungen, gewisse Empfindungen, gewisse Geschicklichkeiten aufnimmt, sondern daß es je nach seiner Anlage und nach der Ausbildung dieser Anlage etwas Lebendiges in dieses Leben mitnimmt.

We moeten echt zo lesgeven dat ons onderwijs levend is, dat wil zeggen: we moeten er niet alleen voor zorgen dat de kinderen bepaalde voorstellingen, gevoelens en vaardigheden krijgen, maar ook dat ze iets levends meenemen in dit leven, al naar gelang hun aanleg en hoe die aanleg ontwikkeld is.
GA 302/10
Menskunde en opvoeding/11

Blz. 146  vert. 141/142

Wie muß der Begriff sein, den wir dem Menschen beibringen? Er muß lebendig sein, wenn der Mensch mit ihm soll leben können. Der Mensch muß leben, also muß der Begriff mitleben können.

Het begrip moet leven, opdat de mens ermee kan leven. De mens moet leven, dus het begrip moet mee kunnen leven.

Geen kant-en-klare begrippen, maar begrippen die nog mee kunnen ontwikkelen met het kind. Dat is: omdat het kind leeft, moeten de begrippen ook leven

Impfen Sie dem Kinde im neunten, zehnten Jahre Begriffe ein, die dazu bestimmt sind, daß sie der Mensch im dreißigsten, vierzigsten Jahre noch ebenso hat, dann impfen Sie ihm Begriffsleichname ein, denn der Begriff lebt dann nicht mit dem Menschen mit, wenn dieser sich entwickelt. Sie müssen dem Kinde solche Begriffe beibringen, die sich im Laufe des weiteren Lebens des Kindes umwandeln können. Der Erzieher muß darauf bedacht sein, solche Begriffe dem Kinde zu übermitteln, welche der Mensch dann im späteren Leben nicht mehr so hat, wie er sie einmal bekommen hat, sondern die sich selbst umwandeln im späteren Leben. Wenn Sie das machen, dann impfen Sie dem Kinde lebendige Begriffe ein. 

Brengt u een kind van negen, tien jaar begrippen bij die bedoeld zijn om na twintig, dertig jaar nog precies hetzelfde te zijn, dan brengt u het kind dode begrippen bij, want dan kan het begrip zich niet met de mens mee ontwikkelen. U moet het kind begrippen bijbrengen die in de loop van het leven veranderingen kunnen ondergaan. De opvoeder moet ervoor zorgen een kind alleen zulke begrippen mee te geven die in het latere leven zichzelf omvormen en niet begrippen die een leven lang hetzelfde blijven. Doet u dat, dan prent u een kind levende begrippen in.

Geen definities

‘Geen definities’ is te zwart-wit. Uiteraard worden er definities geleerd en vast omlijnde begrippen gehanteerd. Of oordelen in de sfeer van ‘dit of dat is…’. Dat gebeurt al vanaf de 1e klas: zie hierboven over rekenen. Na 10 = …+ ….+ …+, komt niet eens zo lang daarna bv. 5 + 5 = 10. Of – wat langer durend: dit is de R (niet uitgesproken als -er-maar als rrrrrrr)

De weg om tot de abstracte lettervorm te komen wordt hier uitvoerig beschreven: schrijven en lezen: alle artikelen

Daaruit valt te leren dat het beeld tot een begrip leidt:

Dat was op blz. 94 ook al ter sprake gekomen:

( ) Das Bildliche wird uns zu Begriffen verhelfen.
Het beeld zal ons aan begrippen helpen.
GA 293/96
vertaald/94     Meer in Rudolf Steiner wegwijzers zie: 17; 20;  24; 87; 121; 124; 130; 163; 243; 245

En we hoeven maar naar de ontwikkeling te kijken van beeld naar letter en we vinden al die gezichtspunten terug in de praktijk:

Wir sollen dem Kinde aus der Phantasie herausgeholte Bilder geben, die wachsen mit dem Kinde. Definitionen sind Gift für das Kind

We moeten het kind beelden geven die we uit de fantasie halen, die met het kind meegroeien. ( ) Definities zijn vergif voor het kind.
GA 304a/175-176
Niet vertaald   

Blz. 146  vert. 142 

Und wann impfen Sie ihm tote Begriffe ein? Wenn Sie dem Kinde fortwährend Definitionen geben, wenn Sie sagen: Ein Löwe ist…und so weiter und das auswendig lernen lassen, dann impfen Sie ihm tote Begriffe ein; dann rechnen Sie damit, daß das Kind, wenn es dreißig Jahre ist, noch ganz genau so diese Begriffe hat, wie Sie sie ihm einmal beigebracht haben. Das heißt: das viele Definieren ist der Tod des lebendigen Unterrichtes.

En wanneer prent u het dode begrippen in? Wanneer u een kind voortdurend definities geeft, zoals: een leeuw is… enzovoort en het deze definities dan uit het hoofd laat leren; dan prent u het dode begrippen in. U rekent er dan op dat het kind op zijn dertigste nog precies dezelfde begrippen heeft als die welke het eens van u geleerd heeft. Het vele definiëren is dus de dood van het levend onderwijs.

KARAKTERISEREN 

Dan komt Steiner met een gezichtspunt dat hij zelf voortdurend in praktijk brengt. Ik heb er in de vorige beschouwingen zo vaak op kunnen wijzen dat hij zijn onderwerpen van vele kanten belicht. ‘Karakteriseren’ is het sleutelwoord.

Wir sollten im Unterricht nicht definieren, wir sollten versuchen zu charakterisieren. Wir charakterisieren, wenn wir die Dinge unter möglichst viele Gesichtspunkte stellen. 

We zouden moeten proberen in het onderwijs niet te definiëren, maar te karakteriseren. En we karakteriseren, wanneer we dingen van zoveel mogelijk gezichtspunten uit belichten.

Steiner geeft dan meer concrete voorbeelden:

Wenn wir einfach in der Naturgeschichte dem Kinde das beibringen, was zum Beispiel in den heutigen Naturgeschichten von den Tieren steht, so definieren wir ihm eigentIich nur das Tier.

Wanneer we bijvoorbeeld bij de natuurlijke historie* aan een kind leren wat in de desbetreffende leerboeken staat over de dieren, dan geven we eigenlijk alleen definities van het dier.
*biologie

Daar wijst Steiner met deze woorden elders op:

Das ist dasjenige, was nicht genug bedacht werden kann: daß pädagogische Kunst aus­gehen muß vom Leben, und nicht ausgehen kann vom abgezogenen wissenschaftlichen Denken.

Dit kunnen we ons niet genoeg realiseren:
dat pedagogische kunst uit moet gaan van het leven en niet uit kan gaan van een aftreksel van wetenschappelijk denken.
GA 302A/15-16
Gedeeltelijk vertaald/16

Hieronder is bv. sprake van de inktvis. Bij de artikelen over dierkunde vind je er, die voorbeelden zijn van hoe je in dit kader dierkunde geeft.

Dat is niet het geven van bv. zo’n soort schema:

Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Mollusca (Weekdieren)
Klasse: Cephalopoda (Inktvissen)
Orde: Octopoda
Familie: Octopodidae Geslacht: Octopus
Soort
Octopus vulgaris

Wir müssen versuchen, in allen Gliedern des Unterrichtes das Tier von anderen Seiten aus zu charakterisieren, zum Beispiel von der Seite, wie die Menschen allmählich dazu gekommen sind, dieses Tier kennenzulernen, sich seiner Arbeit zu bedienen und so weiter. Aber schon ein rationell eingerichteter Unterricht selber wirkt charakterisierend, wenn Sie nicht einfach nur – wenn die betreffende Etappe des Unterrichtes gerade an der Reihe ist – naturgeschichtlich den Tintenfisch beschreiben, dann wieder, wenn es drankommt, die Maus, und dann wieder den Menschen, wenn es drankommt, sondern wenn Sie nebeneinanderstellen Tintenfisch, Maul und Mcnschen und diese aufeinander beziehen. Dann sind diese Beziehungen so vielgliedrig, daß nicht eine Definition heraustkommt, sondern eine Charakteristik. 

We moeten proberen in alle onderdelen van het onderwijs het dier van diverse kanten te karakteriseren, bijvoorbeeld hoe de mens langzamerhand de dieren heeft leren kennen, hoe de mens gebruik heeft leren maken van de arbeidskracht van het dier enzovoort. Ook rationeel ingericht onderwijs werkt al karakteriserend wanneer u de afzonderlijke onderwerpen niet gewoonweg na elkaar behandelt – bijvoorbeeld in de biologie eerst de inktvis en dan, als dat onderwerp aan de orde is, de muis en dan op zijn beurt de mens — maar wanneer u inktvis, muis en mens naast elkaar behandelt en met elkaar vergelijkt.* De verbanden tussen die drie zijn zo veelzijdig, dat er niet een definitie uitrolt, maar een karakterisering.

*Vgl. Erziehungskunst. Methodisch-Didaktisches, GA 294, zevende voordracht
Vertaald
Erziehungskunst. Seminarbesprechungen und Lehrplanvorträge, GA 295, achtste werkbespreking. Vertaald
.

Ein richtiger Unterricht arbeitet daher von vornherein nicht auf die Definition hin, sondern auf die Charakteristik.

Goed onderwijs werkt van meet af aan niet toe naar een definitie, maar naar een karakterisering.

Wie de afzonderlijke uitspraken bekijkt die over plant- en dierkunde gaan, over mineralogie zal steeds weer zien hoe Steiner in die tijd al probeert in de kinderen een gevoel te wekken voor hoe ze als mens met deze rijken samenhangen. Hoe hij karakteriserend begrip! probeert te wekken voor wat we nu milieu noemen en hoe in dit begrip niet het intellect de boventoon voert, maar de gevoelsmatige verbinding van mens en wereld.   

Ik moet hierbij altijd sterk denken aan de 4e weekspreuk waarin de beleving aan het denken warmte schenkt om mens en wereld hecht te verbinden.

Ich fühle Wesen meines Wesens:
So spricht Empfindung,
Die in der sonnerhellten Welt
Mit Lichtesfluten sich vereint;
Sie will dem Denken
Zur Klarheit Wärme schenken
Und Mensch und Welt
In Einheit fest verbinden.

Ik doorvoel het wezen van mijn wezen:
zo spreekt de beleving
die zich in de zon-doorlichte wereld
met stromend licht verenigt;
Omwille van de helderheid
wil zij het denken warmte schenken
en mens en wereld
in eenheid hecht verbinden.

Blz. 147/148   vert. 142/143

Das ist von ganz besonderer Wichtigkeit, daß man sich stets bewußt ist: man ertöte nichts in dem werdenden Menschen, sondern man erziehe und unterrichte ihn so, daß er lebendig bleibt, daß er nicht vertrocknet, nicht erstarrt. Sie werden daher sorgfältig unterscheiden müssen bewegliche Begriffe, die Sie dem Kinde beibringen, und solche – es gibt auch solche – die eigentlich einer Veränderung nicht zu unterliegen brauchen. Diese Begriffe werden beim Kinde eine Art Skelett seiner Seele geben können. Darauf werden Sie allerdings auch bedacht sein müssen, daß Sie dem Kinde etwas mitgeben müssen, was doch wieder für das ganze Leben bleibt. – Sie werden ihm nicht über die Einzelheiten des Lebens tote Begriffe geben dürfen, die nicht bleiben dürfen; Sie werden ihm lebendige Begriffe über die Einzelheiten des Lebens und der Welt geben müssen, die sich mit ihm selber organisch entwickeln. Aber Sie werden alles auf den Menschen beziehen müssen. Zuletzt wird alles in der Auffassung des Kindes zusammenströmen müssen in der Idee vom Menschen. Diese Idee vom Menschen darf bleiben. Alles, was Sie dem Kinde mitgeben, wenn Sie ihm eine Fabel erzählen und sie anwenden auf den Menschen, wenn Sie in der Naturgeschichte Tintenfisch und Maus auf den Menschen beziehen, wenn sie beim Morsetelegraph ein Gefühl erregen von dem Wunder, das sich durch die Erdleitung vollzieht – alles das sind Dinge, welche die ganze Welt in ihren Einzelheiten verbinden mit dem Menschen. Das ist etwas, was bleiben kann. Aber man baut den Begriff vom Menschen ja erst allmählich auf, man kann dem Kinde nicht einen fertigen Begriff vom Menschen beibringen. Hat man ihn aber aufgebaut, dann darf er bleiben. Es ist sogar das Schönste, was man dem Kinde von der Schule ins spätere Leben mitgeben kann, die Idee, die möglichst vielseitige, möglichst viel enthaltene Idee vom Menschen.

Het is van het allergrootste belang dat men voortdurend voor ogen heeft niets in de wordende mens te doden, maar hem zo op te voeden en les te geven dat hij levend blijft, dat hij niet uitdroogt en verstart. Daarom moet u zorgvuldig onderscheiden tussen beweeglijke begrippen die u het kind bijbrengt en begrippen die eigenlijk geen verandering behoeven. Die zijn er ook. Deze laatste zullen bij het kind een soort skelet in de ziel vormen. Ook daarop zult u moeten letten, dat u het kind iets meegeeft wat gedurende het verdere leven behouden blijft. — Over de afzonderlijke levensverschijnselen zult u het kind geen dode begrippen mogen meegeven, die niet mogen blijven, maar levende, die zich mét het kind organisch ontwikkelen. Maar u zult alles aan de mens moeten relateren. Tenslotte zal alles wat het kind in zich opneemt, moeten uitmonden in de idee van de mens. Deze idee mag blijven. Alles wat u het kind meegeeft wanneer u een fabel vertelt en deze in verband brengt met de mens, of wanneer u in de natuurlijke historie inktvis en muis met de mens vergelijkt, of wanneer u bij de behandeling van de telegraaf een gevoel van verbazing wekt over het wonder wat daar door de aardleiding gebeurt – dat zijn allemaal dingen die de gehele wereld in al haar details verbinden met de mens. Dat kan bewaard blijven. Men bouwt het begrip van de mens echter geleidelijk op; men kan een kind niet een kant en klaar begrip van de mens bijbrengen. Heeft men dit begrip opgebouwd, dan mag het bewaard blijven. Ja, het mooiste wat men een kind van school uit voor het latere leven kan meegeven, is de idee, de zo veelzijdig en zo rijk mogelijke idee van de mens.

Eerbied en kunnen zegenen

Steiner neemt vaker dit voorbeeld als hij duidelijk wil maken dat wat in de mens leeft, tijdens het leven veranderingen, metamorfoses doormaakt. 

Blz. 148   vert. 143

Das, was im Menschen lebt, hat die Tendenz, sich im Leben wirklich auch lebendig umzuwandeln. Bringen Sie es dahin bei dcm Kind, daß es Begriffe hat von Ehrfurcht, von Verehrung, Begriffe von alledem, was wir in einem umfassenderen Sinn nennen können die Gebetsstimmung, dann ist eine solche Vor- stellung in dem Kinde, das mit der Gebetsstimmung durchdrungen ist, eine lebendige, reicht bis ins höchste Alter und wandelt sich um im höchsten Alter in die Fähigkeit zu segnen, bei anderen wieder die Ergebnisse der Gebetsstimmung auszuteilen. Ich habe es einmal so ausgedrückt, daß ich sagte: Kein Greis, noch eine Greisin, werden im Alter wirklich gut segnen können, die nicht als Kind richtig gebetet haben. Hat man als Kind richtig gebetet, so kann man als Greis oder Greisin richtig segnen, das heißt mit stärkster Kraft.

Wat in de mens leeft heeft de tendens in het leven ook werkelijk op levende wijze veranderingen te ondergaan. Lukt het u om in een kind begrip te wekken voor eerbied, voor verering, begrip voor alles wat we in ruimere zin gebedsstemming kunnen noemen, dan is zo’n voorstelling in een kind dat doordrongen is van deze gebedsstemming, een levend iets: het blijft bewaard tot op hoge leeftijd en metamorfoseert zich op hoge leeftijd tot het vermogen om te zegenen, om anderen de resultaten van deze gebedsstemming weer te schenken. Ik heb dit eens als volgt uitgedrukt:0 niemand, man noch vrouw, zal in de ouderdom werkelijk goed kunnen zegenen, die niet als kind werkelijk heeft gebeden. Heeft men als kind werkelijk gebeden, dan kan men in de ouderdom werkelijk zegenen, dat wil zeggen, met de grootste kracht.

Also solche Begriffe beibringen, die mit dem Intimsten des Menschen zusammenhängen, heißt den Menschen ausstatten mit lebendigen Begriffen; und das Lebendige geht Metamorphosen ein, wandelt sich um; mit dem Leben des Menschen sctb:t wandelt es sich um.

Brengt men de mens begrippen bij die verband houden met de intiemste aspecten van de mens, dan betekent dat dat men de mens uitrust met levende begrippen; en het levende verandert, ondergaat metamorfoses – met het leven van de mens zelf.

Nog een benadering van ‘karakteriseren

Een praktijkvoorbeeld uit een Engelse les

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2151

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde -voordracht 9 (9-1-1/13)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar 

in de voordrachtenreeks:

Die gesunde Entwickelung des Menschwesens

GA 303

Voordracht 4 Dornach, 26 december 1921

Kind leeft mee met wat het in de buitenwereld ervaart

Blz. 68   vert. 75/76

Das Kindhafte besteht darinnen, daß nicht nur in instinktiver Weise durch die Kopforganisation die Verhältnisse der Umwelt erlebt werden, son­dern die Kopforganisation lebt im Stoffwechsel intensiv dasjenige mit, was sein Verhältnis zur Außenwelt ist. Wenn das Kind Farben sieht, so geschehen in ihm lebhafte Stoffwechselvorgänge. Das Kind konsu­miert gewissermaßen die äußeren Eindrücke auch bis in seinen Stoff-wechsel hinein. Man kann durchaus sagen, ohne bildlich, sondern ganz real zu sprechen: die Magenfunktion des Kindes richtet sich nicht nur nach den Speisen wegen des Geschmackes und ihrer Verdaulichkeit, sondern auch nach den Farbeneindrücken der Umgebung. Sie richtet sich nach dem, was das Kind aus der Umgebung herein erlebt. So daß man sagen kann: Bei dem Greise haben wir eine Animalisierung des Lebens in physischer Beziehung; bei dem Kinde haben wir das ganze Leben erfüllt von einer Sensitivität des vegetativ-organischen Pro­zesses.

Het kinderlijke bestaat in het feit dat de omstandigheden van de omringende wereld niet alleen op een instinctieve manier door de hoofdorganisatie beleefd worden, maar dat in de hoofdorganisatie in de stofwisseling intensief meebeleeft wat zijn verhouding tot de buitenwereld is. Wanneer het kind kleuren ziet, dan vinden in hem levendige stofwisselingsprocessen plaats. Het kind consumeert in zekere zin de uiterlijke indrukken ook tot in zijn stofwisseling. Je kunt gerust zeggen, en dat is niet beeldend, maar volstrekt reëel gesproken: de maagfunctie van het kind richt zich niet alleen naar de gerechten vanwege hun smaak en verteerbaarheid, maar ook naar de kleurindrukken van de omgeving. Ze richt zich op de dingen die het kind vanuit de omgeving in zichzelf beleeft. Zodat we kunnen zeggen: bij de bejaarde hebben we een verdierlijking van het leven in fysiek opzicht; bij het kind zien we het hele leven vervuld van een gevoeligheid van het vegetatief-organische proces.

Der vegetativ-organische Prozeß, nicht der animalisch-organische, sondern der vegetativ-organische Prozeß erlebt bei dem Kinde mit alles, was es in der Außenwelt erfährt. Das geht eben durchaus bis in die seelischen Eigenschaften hinein. So daß wir bei dem Kinde niemals zu einer vollständigen Erkenntnis kommen, wenn wir uns nicht auch fragen: Wie konsumiert das Kind bis in seinen Stoffwechsel hinein seine Eindrücke? – Darin besteht ja das sogenannte normale Menschenleben, daß der Mensch dann im späteren, reifen Alter seinen Stoffwechsel mehr sich selbst überläßt, daß er das Leben mit der Außenwelt wie­derum in einer selbständigeren Weise erlebt, daß der Mensch dasjenige, was er seelisch-geistig mit der Außenwelt erlebt, nicht so wie das Kind hinunterläßt in den Stoffwechsel, daß nicht immer von einer so leben­digen, innerlichen Drüsenabsonderung, wie es beim Kinde der Fall ist, alle äußeren Beziehungen zur Außenwelt begleitet werden.
Das Kind konsumiert dasjenige, was es in der Außenwelt erlebt, ich möchte sagen, wie eine Nahrung. Und der spätere, reife Mensch über­läßt seinen Stoffwechsel sich selber. Er ist nur dadurch eben ein reifer Mensch im normalen Leben, daß die Dinge nicht so tief in seine vege­tativ-organischen Prozesse hineingehen.

Het vegetatief-organische proces, niet het animaal-organische, maar het vegetatief-organische proces beleeft bij het kind alles mee wat het in de buitenwereld ervaart. Dat gaat zelfs helemaal tot in de eigenschappen van de ziel. Zodat we bij het kind nooit tot een volledig inzicht komen als we ons ook niet de vraag stellen: hoe consumeert het kind tot in zijn stofwisseling zijn indrukken? – Het zogenaamde normale mensenleven bestaat erin dat de mens dan op latere, rijpe leeftijd zijn stofwisseling meer aan zichzelf overlaat, dat hij het leven met de wereld om zich heen weer op een meer zelfstandige manier beleeft, dat de mens datgene wat hij psychisch-geestelijk aan de buitenwereld beleeft niet, zoals het kind dat doet, tot beneden in de stofwisseling laat doordringen, dat niet altijd elke uiterlijke relatie tot de buitenwereld, zoals dat bij het kind het geval is, door innerlijke klierafscheiding begeleid wordt.
Het kind consumeert wat het in de buitenwereld beleeft zogezegd als voedsel. En de oudere, rijpe mens laat zijn stofwisseling aan zichzelf over. Hij is gewoon een rijpe mens in het normale leven doordat de dingen niet zo diep in zijn vegetatief-organische processen binnendringen.
GA 303/68
Vertaald/75-76

Voordracht 7 Dornach 29 december 1921

Leeftijdsfasen kunnen worden onderverdeeld

Blz. 126/128   vert. 138/139

Man kann den gesamten menschlichen Lebenslauf in solche Abschnitte gliedern, und der erste, approximativ, ist eben bis zum siebenten Jahre hin. Aber jeder solche Lebensabschnitt gliedert sich wiederum in drei deutlich voneinander unterscheidbare Teile. Und wir können, wenn wir dieses allmähliche Freiwerden gewisser Kräfte des Atherleibes von der Geburt bis ungefähr zum siebenten Jahr be­trachten, sehen, wie durch zweieinhalb Jahre ungefähr von der Geburt an dieser Atherleib für den Kopf frei wird, wie er dann vom zweiein­halbten Jahre bis gegen das fünfte Jahr zu für die Brust frei wird, und dann für den Stoffwechsel-Gliedmaßenmenschen bis zum Zahnwechsel. So daß wir drei Etappen in diesem Freiwerden gewisser Kräfte des Bilde­kräfteleibes zu unterscheiden haben. Es ist deshalb schon so, daß man deutlich bemerken kann: der auch für den Kopfteil des Menschen noch ganz innerhalb erscheinende Bildekräfteleib weist den äußeren Willen der Erziehenden zurück.

Je kunt de hele menselijke levensloop in (zulke) fasen onderverdelen, en de eerste duurt bij benadering tot het zevende jaar. Maar elk van deze levensfasen is weer in drie duidelijk van elkaar te onderscheiden delen verdeeld. En we kunnen, wanneer we dit geleidelijke vrijkomen van bepaalde krachten van het etherlichaam vanaf de geboorte tot ongeveer het zevende jaar beschouwen, zien hoe gedurende ongeveer tweeëneenhalf jaar vanaf de geboorte dit etherlichaam voor het hoofd vrij wordt, hoe het dan vanaf tweeëneenhalf tot tegen het vijfde jaar voor de borst vrij wordt en dan tot aan de tandenwisseling voor de stofwisselingsledematenmens. Zodat we drie etappes in dit vrij worden van bepaalde krachten van het vormkrachtenlichaam moeten onderscheiden. Daarom kun je al duidelijk merken: het ook voor het hoofdgedeelte van de mens nog helemaal innerlijk verschijnende vormkrachtenlichaam wijst de uiterlijke wil van de opvoeder af.

Open staan voor de wereld

Nun ist das gerade der Lebensabschnitt, wo wir Allerwichtigstes lernen, was wir also ganz durch innere Arbeit lernen aus dem heraus, was wir uns aus dem präexistenten Leben mitgebracht haben. Beden­ken Sie, daß man in den ersten zweieinhalb Jahren sprechen lernt, ge­hen lernt, dasjenige also, was am intimsten mit der Selbstbehauptung des Menschen für sich und im sozialen Leben zusammenhängt. Dieses Wichtigste eignet man sich an, während die Kräfte des ätherischen Leibes noch am Gehirn arbeiten, hineinstrahlen in den ganzen übrigen Organismus. Wenn sie zu stark in den übrigen Organismus hinein-strahlen, so daß sie dort die noch zarten Stoffwechselverrichtungen oder die noch zarten Atmungsv errichtungen, Blutumlaufsverrichtungen zu stark stören, wenn sie also zu stark hinunterrumoren in den kind­lichen Organismus, dann gibt es schon im kindlichen Alter gern Schar­lach und ähnliche Kinderkrankheiten. Das, was da arbeitet, ist im Grunde genommen für ein von außen kommendes, bewußtes, willkür­liches Einwirken unzugänglich, schließt die Tore. Das Kind will im Inneren an sich arbeiten.

Nu is dat juist de levensperiode waarin we het allerbelangrijkste leren, wat we dus helemaal door innerlijke arbeid leren vanuit wat we uit het pre-existente leven hebben meegebracht. Bedenkt u eens dat we in de eerste tweeëneenhalf jaar leren spreken, leren lopen, dus dat wat het meest intiem samenhangt met de handhaving van de eigen persoonlijkheid van de mens voor zichzelf en in het sociale leven. Dit allerbelangrijkste maak je je eigen terwijl de krachten van het etherische lichaam nog aan de hersenen werken, nog binnenstralen in het hele overige organisme. Als ze te sterk in het overige organisme binnenstralen, zodat ze daar de nog zwakke stofwisselingsactiviteiten of de activiteiten van de nog zwakke ademhaling en bloedsomloop te sterk storen, als ze dus te sterk daar beneden rommelen in het organisme van het kind, dan treedt er gemakkelijk al op heel jeugdige leeftijd roodvonk op, of soortgelijke kinderziektes. Wat daar werkt is in wezen voor een van buiten komende, bewuste, willekeurige inwerking ontoegankelijk, sluit daar de poorten voor. Het kind wil innerlijk aan zichzelf werken.

Und das ist gerade beim Kinde in diesen zweieinhalb ersten Lebens­jahren von ganz besonderer Bedeutung, daß es nicht für den fremden Willen zugänglich ist, aber daß es ein feines, instinktives Wahrneh­mungsvermögen hat für alles das, was in seiner Umgebung vorgeht, insbesondere für das, was in den Personen vorgeht – wozu ja die Er­zieher im ganz besonderen Maße gehören -, mit denen es in einem ge­wissen seelischen Rapport steht. Nicht etwa, daß der äußere Blick schon ganz besonders geschärft wäre, das ist nicht der Fall; nicht das ausgesprochene Sehen macht es aus, sondern ein Gesamtwahrnehmen intimster Art richtet sich nach dem, was in der Außenwelt um das Kind herum vorgeht, und was nicht mit der Absicht vorgeht, daß auf das Kind besonders eingewirkt werden soll. Das Kind wehrt sich ganz unwillkürlich gegen dasjenige, was bewußt auf es einwirken will, be­sonders in den ersten zweieinhalb Lebensjahren. Daraus folgt aber, daß wir diese Empfänglichkeit, die noch die Wahrnehmung ganz in das Gefühl untergetaucht hat, berücksichtigen müssen.
Man macht sich vielleicht anschaulich, was diese Empfänglich­keit bedeutet, wenn man zu dem nächstniedrigen Wesen heruntergeht, zum Tiere.
Das Tier hat nämlich diese Empfänglichkeit ganz beson­ders.

En juist bij het kind in deze eerste tweeëneenhalf jaar is het van bijzonder groot belang dat het niet voor de vreemde wil toegankelijk is, maar dat het wel een fijn, instinctief waarnemingsvermogen heeft voor alles wat er in zijn omgeving gebeurt, vooral voor wat zich afspeelt in de personen – vooral dus de opvoeders – met wie het op een bepaalde manier zielsmatig in verbinding staat. Niet dat de uiterlijke blik hiervoor al heel bijzonder gescherpt zou zijn, dat is niet het geval. Het gaat niet om het uitgesproken zien, maar een waarnemen-van-het-geheel van zeer intieme aard richt zich op wat er in de buitenwereld rondom het kind gebeurt, en wat niet gebeurt met de intentie om vooral op het kind in te werken. Het kind verzet zich geheel onwillekeurig tegen dat wat bewust op hem wil inwerken, vooral in de eerste tweeëneenhalf jaar van het leven. Daaruit volgt echter dat we met deze ontvankelijkheid, die de waarneming nog helemaal in het gevoel heeft ondergedompeld, rekening moeten houden.
Het wordt misschien duidelijk wat deze ontvankelijkheid betekent als je afdaalt naar het eerste onder ons staande wezen, naar het dier. Het dier heeft namelijk deze ontvankelijkheid in heel bijzondere mate.

Nabootsing

Blz. 129/130/131  vert. 140/141/142

Und so steht in ähnlicher Weise in den ersten zweieinhalb Lebens­jahren auch das Kind, wenn sich der erziehende Führer richtig be­nimmt, in einer Art von seelischem Wahrnehmungsrapport zu diesem Führer, und es wird das Kind in allerausgesprochenstem Maße ein Nachahmer, ein Imitator. Uns erwächst dann die Aufgabe, nicht durch unseren Willen allerlei dem Kinde beibringen zu wollen, sondern in einer etwas unbequemeren Weise so zu sein in seiner Nähe, daß das Kind die betreffende Sache nachmachen kann; denn das Kind ist emp­fänglich für alles, was wir tun, wie wir uns bewegen. Das alles ahmt es entweder wirklich nach, das vielleicht erst später, aber es entwickelt in sich die Nachahmungstendenzen und preßt diese durch die orga­nisch-seelischen Kräfte in seine Körperlichkeit hinein. Und es ist auch empfänglich für unsere Gefühle, für unsere Gedanken. So daß die Er­ziehung in diesen ersten zweieinhalb Lebensjahren sich lediglich dar­auf beziehen kann, daß wir uns selbst so weit erziehen, daß wir in der Nähe des Kindes das denken, fühlen und wollen, was das Kind an­schauen kann. Es erhält sich das manchmal noch, weil die Nachah­mung im wesentlichen bis zum Zahnwechsel hingeht, für die späteren Lebensjahre. Man erfährt da, wenn man wirklich praktisch im Leben drinnensteht, gar manches von dieser Art.

En op een vergelijkbare manier heeft in de eerste tweeëneenhalf jaar ook het kind, als de opvoedende leider zich juist gedraagt, een soort van psychische waarnemingsverbinding tot deze leider en wordt het kind in de meest uitgesproken zin een nabootser, een imitator. Voor ons ontstaat dan de opgave het kind niet via onze wil allerlei dingen bij te willen brengen, maar, en dat is een stuk moeilijker, zó in de omgeving van het kind te zijn dat het de betreffende zaak kan nabootsen. Want het kind is ontvankelijk voor alles wat wij doen, hoe we ons bewegen. Dat alles bootst het ofwel werkelijk na — dat misschien pas later —, maar het ontwikkelt in zich de nabootsingtendens en perst die door de organisch-psychische krachten in zijn lichaam naar binnen. En het is ook ontvankelijk voor onze gevoelens, voor onze gedachten. Zodat de opvoeding in de eerste tweeëneenhalf jaar van het leven er alleen betrekking op kan hebben dat wij onszelf zo goed opvoeden dat we in de nabijheid van het kind datgene denken, voelen en willen wat het kind mag zien. Dat blijft dan soms zo in de volgende levensjaren bestaan, omdat de nabootsing in wezen tot de tandenwisseling voortduurt.

Zu mir kam zum Beispiel einmal ein Elternpaar ganz trostlos und sagte: Unser Kind war immer ein braves Kind, jetzt hat es gestohlen! -Nun, hat es wirklich gestohlen? Na ja, es hat ja gestohlen, denn es hat einfach aus dem Schrank, wo seine Mutter das Geld immer liegen hat, Geld herausgenommen, hat Süßigkeiten gekauft, nicht einmal für sich selber immer verwendet, sondern sogar mit anderen Kindern geteilt. Ich sagte, das Kind hat gar nicht gestohlen. Es ist gar keine Rede da­von, daß das Kind gestohlen hat! Das Kind hat jeden Tag gesehen, wie die Mutter zu diesem Schrank geht, dort Geld herausnimmt; von der Vorstellung des Stehlens ist nichts in dem Kinde vorhanden. Aber ein Nachahmer ist das Kind, und es macht dasselbe, was die Mutter macht. Es geht also auch an den Schrank und kauft etwas. Das hat gar noch nichts zu tun mit dem Begriff des Stehlens oder Nichtstehlens. Und will man vermeiden, daß das Kind das tut, so muß man sich eben in einer anderen Weise in seiner Umgebung verhalten.

Een voorbeeld: een ouderpaar kwam eens wanhopig bij mij en vertelde: ‘Ons kind is altijd erg braaf geweest en nu heeft het gestolen!’ Welnu, heeft het nu echt gestolen? Nou ja, het heeft wel gestolen, want het heeft gewoon uit de kast waar zijn moeder het geld altijd bewaart geld genomen, heeft daar snoepgoed voor gekocht, niet eens alles zelf opgegeten, maar het met andere kinderen gedeeld. Ik zei dat het kind helemaal niet gestolen heeft. Er is helemaal geen sprake van dat het kind gestolen heeft! Het kind zag iedere dag hoe moeder naar die kast gaat en daar geld uit pakt; van het idee ‘stelen’ is bij het kind niets aanwezig. Maar het kind is een nabootser en het doet hetzelfde als wat moeder altijd doet. Het loopt dus ook naar de kast en gaat iets kopen. Dat heeft nog helemaal niets te maken met het begrip stelen of niet-stelen. En wil je vermijden dat het kind zoiets doet, dan moet je je op een andere manier in zijn omgeving gedragen.

‘Maar het kind is een nabootser en het doet hetzelfde als wat moeder altijd doet.’

Alles läuft darauf heraus, daß namentlich für die ersten zweiein­halb Lebensjahre das Kind so wird, wie wir selbst in seiner Umgebung sind. Und das bedingt, daß wir, indem das Kind zum Beispiel sprechen lernt, ihm nicht irgend etwas in der Sprache aufdrängen, vor allen Dingen nicht durch unseren Willen herankommen wollen, um zu be­wirken, daß es so oder so sagt; sondern wir müssen in seiner Umgebung so sprechen, wie uns der Schnabel gewachsen ist, damit es Gelegenheit hat zu hören, und müssen nur dafür sorgen, daß er uns moralisch ge­wachsen ist. Das Kind nimmt das auf und führt sich selbst in diese Bahn hinein.
Und wenn man genauer zusieht, das Kind lernt auch niemals gehen dadurch, daß wir alle möglichen Stehversuche und so weiter machen.

Het komt er helemaal op neer dat het kind met name de eerste tweeëneenhalf jaar van het leven zo wordt als wij zelf in zijn omgeving zijn. Daarom moeten we bijvoorbeeld wanneer het kind leert spreken, hem niet in de taal iets opdringen, vooral niet door onze wil het kind willen bereiken en ervoor zorgen dat hij dit of dat zegt. Maar we moeten in zijn omgeving spreken zonder een blad voor de mond te nemen, zodat het kind de gelegenheid heeft dat te horen. We hoeven er alleen voor te zorgen dat het moreel juiste dingen hoort. Het kind neemt dat in zich op en leidt zichzelf in deze richting.
Bij nauwkeurigere waarneming zien we ook dat het kind nooit leert lopen doordat wij allerlei pogingen doen het te laten staan en dergelijke. Later, in de gymnastiekles is dat wel op zijn plaats. Bij het leren lopen kunnen we, als we doordrammen en het kind veel te vroeg proberen te laten staan of lopen, het kind in zijn zenuwproces voor de rest van zijn leven ruïneren. We laten het kind waarnemen dat de volwassene rechtop staat. Als nabootser neemt hij op het juiste moment ook zo’n positie in. We moeten echt de mens bij zijn binnenkomst in het leven helemaal als een imiterend, een nabootsend wezen opvatten en onze opvoeding daarnaar inrichten.

Gewiß erwächst daraus manche Unbequemlichkeit, und Sie wer­den einwenden: es gibt ja doch Kinder, mit denen sich gar nichts an­fangen läßt, die einem den ganzen Tag die Ohren so vollbrüllen, daß einem das Trommelfell zerspringt, oder die nach anderer Richtung hin manche sogenannte Ungezogenheiten haben. Nun gewiß, die Außer­lichkeiten des Lebens bringen es mit sich, daß man auch wiederum äußerliche Maßnahmen treffen muß, damit das Kind nicht gerade durch seine Ungezogenheiten Schaden anrichtet. Aber zum Erziehen gehört das eigentlich im Grunde genommen nicht. Es ist ja unbequem, wenn das Kind uns den ganzen Tag die Ohren vollbrüllt, aber wenn wir daneben nur dennoch in seiner Umgebung uns so verhalten, wie ich es eben charakterisiert habe, dann wird unser Verhalten in seinen tieferen geistig-seelischen Kräften, die noch verwandt sind mit den organischen Kräften, aufgenommen, und später kommt das zum Aus­drucke. Dasjenige, was da in seinem Brüllen oder in etwas anderem enthalten ist, entpuppt sich für den unbefangenen Beobachter als Folge der Organisation. Das kommt aus etwas, was mit dem kindlichen Alter vorübergeht, allerdings nicht die intensiven Kräfte des Brüllens, aber die Neigung, gerade diese Kräfte durch das Brüllen zu äußern. Denn es ist wahr, das, was zum Beispiel im kindlichen Alter sich als Brüllkräfte äußert, hat eine gewisse Intensität. Erziehen wir das Kind durch das, was wir selber sind, zu moralischen Wesen, so äußern sich diese Brüll­kräfte seines ersten kindlichen Alters später als intensiv moralische Kräfte. Der spätere Mensch hat eine starke moralische Intensität, die im kindlichen Alter als intensives Brüllen sich auslebte. Wenn wir allerdings unmoralisch sind in seiner Umgebung, auch nur in Gedanken, dann äußern sich eben diese Brüllkräfte später in unmoralischer Intensität.

Daaruit ontstaat beslist veel ongemak en u zult tegenwerpen: er zijn toch ook kinderen waar helemaal niets mee te beginnen is, die de hele dag zo lopen te brullen dat je trommelvliezen ervan springen, of die allerlei andere zogenaamde ondeugendheden hebben. Welnu, het leven zoals het is brengt met zich mee dat we ook hier uiterlijke maatregelen moeten treffen, zodat het kind door zijn ondeugendheden geen schade aanricht. Maar in feite hoort dat niet bij de opvoeding. Het is zeker vervelend als het kind voortdurend aan het brullen is, maar als wij ons daarnaast in zijn omgeving toch zo gedragen als ik zojuist heb beschreven, dan wordt ons gedrag opgenomen in de diepere krachten van zijn geest en ziel die nog verwant zijn met de organische krachten, en dat komt later dan wel tot uitdrukking. Wat er achter het brullen of een andere gedraging schuilgaat, ontpopt zich voor de onbevangen waarnemer als een gevolg van het organisme. Dat komt voort uit iets wat met de kindertijd voorbijgaat. Weliswaar verdwijnen niet de intensieve krachten die het brullen veroorzaken, maar de neiging deze krachten nou juist door het brullen te manifesteren, verdwijnt wel. Want het is waar dat wat zich bijvoorbeeld in de kindertijd als brulkrachten manifesteert, een bepaalde intensiteit heeft. Voeden wij het kind op tot morele wezens door wat wij zelf zijn, dan manifesteren deze brulkrachten van zijn vroege kindertijd zich later als intensief morele krachten. De latere mens heeft een sterke morele intensiteit, die zich op de kinderleeftijd als intensief brullen uitleefde. Wel is het zo dat wanneer wij immoreel zijn in zijn omgeving, ook al is het maar in gedachten, dan openbaren deze brulkrachten zich later in immorele intensiteit.

Blz. 132  vert. 142/143

Aber dasjenige, worauf es ankommt, wird man schon nach dieser Auseinandersetzung in der richtigen Weise würdigen können. Und das ist das Wesentliche, daß wir uns zum Beispiel nicht verleiten lassen von einem falschen Instinkt – es ist eigentlich nicht einmal ein Instinkt, son­dern es ist etwas durch gewisse Vorurteile Anerzogenes -, wie es un­erzogene, wenn ich mich so ausdrücken darf, Ammen und Kindermäd­chen tun, das dem Kinde vorzumachen, was es eigentlich gar nicht nachmachen soll, daß wir versuchen, selbst recht kindisch zu sein und in seiner Nähe auch so zu sprechen, möglichst ins Kindische gekleidet. Diese Übersetzung macht das Kind nach seinem Vermögen schon selbst. Wir tun ein Unrecht an dem Kinde, wenn wir unsere Sprache zum Beispiel besonders herrichten; denn das Kind will nachahmen den, der in seiner Nähe ist und mit dem es in einem bestimmten Rapport steht in demjenigen, was er seiner Natur nach tut. Das Kind lehnt aber im Grunde genommen alles innerlich ab, was durch den Willen des Er­ziehenden eingerichtet ist, wie zum Beispiel die kindliche, naive Spra­che, die wir in seiner Nähe annehmen. Es ist gezwungen, sich diese Sprache gefallen zu lassen, hat aber eine tiefe innerliche Antipathie dagegen, die im Grunde genommen eine für das ganze spätere Leben wirkende schwache Verdauung zum Beispiel bewirkt. So daß manches, was man im späteren Leben als schwache Verdauung diagnostizieren kann, seinen Ursachen nach richtig herausgefunden wird dadurch, daß man erfährt: dieser Mensch hat als ganz kleines Kind ein sich zu kind­lich machendes Kindermädchen gehabt.
Das sind so Maximen, die für das erste Drittel des ersten großen Lebensabschnittes, für die ersten zweieinhalb Jahre des kindlichen Al­ters notwendig sind.

Maar datgene waar het op aankomt, zullen we na deze uiteenzetting wel op de juiste wijze kunnen waarderen. En het wezenlijke is dat we ons bijvoorbeeld niet laten verleiden door een verkeerd instinct — het is eigenlijk niet eens een instinct, maar iets wat door bepaalde vooroordelen is aangeleerd — hetzelfde te doen als, wanneer ik me zo mag uitdrukken, onopgevoede kinderjuffrouwen en kindermeisjes doen, namelijk het kind iets voordoen wat het eigenlijk helemaal niet hoort na te bootsen, door te proberen zelf echt kinderlijk te zijn en in zijn nabijheid ook zo kinderlijk mogelijk te praten, zo mogelijk kinderlijk gekleed. Deze vertaalslag maakt het kind naar vermogen zelf al. We doen het kind onrecht als we bijvoorbeeld onze taal speciaal aanpassen. Want het kind wil het natuurlijke gedrag nabootsen van degene die in zijn omgeving is en waarmee het op een bepaalde manier nauw verbonden is. Het kind wijst eigenlijk innerlijk alles af wat door de wil van de opvoeder is ontstaan, zoals bijvoorbeeld de kinderlijke naïeve taal die wij in zijn omgeving aannemen. Het kind is gedwongen zich deze taal te laten welgevallen, maar heeft een diepe innerlijk antipathie daartegen. Die zorgt er bijvoorbeeld voor dat hij zijn hele latere leven last heeft van een slecht werkende spijsvertering. Zodat van veel wat we later in het leven kunnen diagnosticeren als een slechte spijsvertering, de echte oorzaak gevonden wordt als we te horen krijgen: deze mens heeft als heel klein kind een te kinderlijk optredend kindermeisje gehad.
Dat zijn zo de grondregels die voor het eerste derde deel van de eerste grote levensfase, voor de eerste tweeëneenhalf jaar van de kinderleeftijd nodig zijn.

Tussen 2½  en 5 jaar

Wenn das Kind dann etwa zweieinhalb Jahre alt geworden ist, dann ist seine Kopfesorganisation so weit, daß der Teil des Bildekräfte­leibes, des Atherleibes, der in den ersten Kinderjahren diese Kopfplastik besorgt, frei wird. Und diese Befreiung trifft dann auf ein weiteres Freiwerden, das nach und nach in bezug auf den Atherleib der Brust sich vollzieht bis gegen das fünfte Jahr hinein. Das Atmen, der Blut­kreislauf werden dann von den in ihnen noch liegenden Atherkräften bis zu einem gewissen Grade befreit. Und es wirkt also in dem Kinde, das dann sprechen gelernt hat, das gehen gelernt hat, dasjenige zusam­men, was als seelisch-geistige Kräfte aus dem Kopforganismus heraus frei geworden ist, und das dann zusammenschwingt mit demjenigen, was sich nach und nach befreit im Brustorganismus. Und das erscheint als die besondere Heranbildung dieses lebendigen kindlichen Gedächtnis­ses, das man ja gerade sich heranentwickeln sieht zwischen dem zwei­einhalbten und gegen das fünfte Jahr hin, und namentlich in dem wirkt, was ich Ihnen eben geschildert habe als die Heranbildung, die Heran-entwickelung der eigentümlichen kindlichen Phantasie.

Wanneer het kind dan ongeveer tweeëneenhalf jaar is, is het in zijn hoofdorganisatie zo ver dat het deel van het vormkrachtenlichaam, het etherlichaam, dat in de eerste kinderjaren voor de vormende kracht van het hoofd zorgt, vrij komt. En deze bevrijding ontmoet dan een verder vrijkomen, dat geleidelijk met betrekking tot het etherlichaam van de borst plaatsvindt tot ongeveer het vijfde jaar. Dan worden het ademen en de bloedsomloop van de nog in hen aanwezige etherkrachten tot op zekere hoogte bevrijd. En in het kind dat dan heeft leren spreken, heeft leren lopen, werken dan nog samen datgene wat als psychisch-geestelijke krachten uit het hoofdorganisme vrij geworden is en wat dan samen vibreert met datgene wat zich geleidelijk in het borstorganisme bevrijd heeft. En dat verschijnt dan als de bijzondere ontwikkeling van dit levendige kinderlijke geheugen, dat we met name tussen de leeftijd van tweeëneenhalf en vijf zich zien ontwikkelen en dat vooral werkt in dat wat ik u geschetst heb als de opbouw, de ontwikkeling van de typische kinderlijke fantasie.

Dieses beiderseitige Wirken auf der einen Seite des sich seelisch ge­staltenden Gedächtnisses, der sich seelisch gestaltenden Phantasie, das muß in diesem Lebensabschnitte von dem erziehenden Führer ganz be­sonders berücksichtigt werden. Immer bleibt ja das Kind ein nach­ahmendes Wesen. Und insbesondere in bezug auf das sich heranbil­dende Gedächtnis, die Erinnerungsfähigkeit, muß man sich klar sein, daß man das Kind wiederum möglichst sich selbst überlassen muß, daß man nicht gut tut, in diesem Lebensabschnitte dem Kinde etwas bei­zubringen, wobei man darauf rechnet, daß es sich erinnert. Es soll dasjenige aufnehmen in vollständig freiem Sich-Heranbegeben an das, was es behalten will, woran es sich erinnern will. Ja nicht irgendwie etwas nach Gedächtnisübungen Ausschauendes mit dem Kinde in die­sem Lebensalter machen! Wer einem Kinde für die Merk-, für die Er­innerungsfähigkeit zwischen dem zweiten und fünften Jahre etwas auf­drängt, der beachtet dasjenige nicht, was sich eben beobachten läßt, wenn man den ganzen menschlichen Lebenslauf wiederum ins Auge faßt.

Met dit werken aan twee kanten – enerzijds het in de ziel zich vormende geheugen, anderzijds de psychisch zich vormende fantasie — moet in deze levensfase heel speciaal rekening worden gehouden door de leidende opvoeder. Altijd blijft het kind immers een nabootsend wezen. En vooral met betrekking tot het zich ontwikkelende geheugen, het herinneringsvermogen moet het duidelijk zijn dat je het kind weer zo veel mogelijk aan zichzelf moet overlaten, dat je er geen goed aan doet in deze levensfase het kind iets bij te brengen waarbij je erop rekent dat het kind het zich herinnert. Het kind moet, door zich volledig vrij aan iets over te geven, in zich opnemen wat het onthouden wil, wat het zich herinneren wil. Dus nooit iets met het kind op deze leeftijd doen wat ook maar op een geheugenoefening lijkt! Wie het kind voor het opmerkingsvermogen, voor het geheugen tussen het tweede en het vijfde levensjaar iets opdringt, die houdt geen rekening met wat je toch kunt waarnemen als je de hele levensloop van de mens bekijkt.

Blz. 133/134    vert. 144/145

Man kann ja manche Menschen kennenlernen, die erklären einem, wenn sie vierzig Jahre alt geworden sind oder noch später: sie haben Gliederreißen, Rheumatismus. Nun gewiß, das kann ja von allem mög­lichen herrühren; aber es gibt durchaus diejenigen Fälle, in denen man, wenn man die Untersuchung nur weit genug treibt, durchaus darauf kommt, daß der Rheumatismus, das Gliederreißen von einem Überfüttern mit Gedächtnismaterial in diesem früheren Lebensalter der Kinder herrührt. Ja, die Lebenszusammenhänge sind eben durchaus kompliziert, und nur derjenige, der sich darauf einläßt, diese Lebens-zusammenhänge kennenzulernen, kann für das Erziehen und überhaupt für die ganze Führung des werdenden Menschen auch die rechte Liebe in sich entwickeln, die doch allein nur das beste Erziehungsmittel ist.

Je kunt soms mensen leren kennen die, wanneer ze veertig jaar of ouder geworden zijn, ons vertellen dat ze last hebben van hun gewrichten, van reumatiek. Zeker, dat kan door allerlei dingen veroorzaakt worden. Maar er zijn beslist ook gevallen waarbij we, als we maar ver genoeg onderzoek doen, ertoe komen dat de reumatiek, de gewrichtsreumatiek terug te voeren is op het overvoeren met geheugenstof op deze jonge leeftijd van het kind. Ja, de samenhangen in het leven zijn nu eenmaal erg gecompliceerd. En alleen degene die zich erop toelegt deze levenssamenhangen te leren kennen, kan voor het opvoeden en überhaupt voor de hele begeleiding van de wordende mens ook de juiste liefde in zich ontwikkelen. En alleen liefde is toch het beste middel om op te opvoeden.

Steiner spreekt in deze voordracht ook over spel

Blz. 136  vert. 148

Wenn es dann gegen das fünfte Jahr zugeht, dann ist von dem Atherleib das frei geworden, was die Atmungsorganisation, die Blut­zirkulation versorgt. Und es ringt sich allmählich bis zum Zahnwechsel hin dasjenige los, was von dem Bildekräfteleib aus dem Stoffwechsel­Gliedmaßenorganismus heraus frei werden kann. Da werden dann gei­stig-seelisch allmählich schon diejenigen Kräfte rege, die eigentlich erst voll herauskommen nach dem siebenten Jahre, die wir daher erst später besonders besprechen werden. Aber sie leuchten schon in diesen letzten, den dritten Lebensabschnitt der ersten großen Lebensepoche herein. Das Kind wird ja durch dasjenige, was gerade an seelisch-geistigen Kräften aus seiner Brust heraus frei wird, empfänglich für Ermahnungen, für dasjenige, was aus der Autorität heraus kommt, was man glauben muß. Vorher glaubt das Kind nicht, hat für das Sollen nicht einen Sinn, son­dern nur für das Nachahmen.
Man kann nun erst gegen das fünfte Jahr hin anfangen, das Sollen an das Kind heranzubringen. Wenn wir also ins Auge fassen, daß das Kind in diesem ganzen großen Lebensabschnitt bis zum Zahnwechsel ein nachahmendes Wesen ist und sich nach und nach herausarbeitet zu einem leisen Gebrauch von Phantasie und Gedächtnis, von einem mo­ralischen Glauben, von einem Autoritätsgefühl gegenüber dem Erwach­senen, namentlich dem Erzieher, mit dem es in Rapport steht, dann werden wir aus dieser Gesinnung heraus, die wir durch solche Einsicht gewinnen können, in der richtigen Weise erziehen, und in diesem Le­bensalter jedenfalls noch nicht unterrichten.

Wanneer het dan richting het vijfde jaar gaat, dan is van het etherlichaam dat deel vrij geworden dat de ademhalingsorganisatie en de bloedsomloop verzorgt. En dan worstelt zich geleidelijk tot aan de tandenwisseling datgene los wat zich van het vormkrachtenlichaam uit het stofwisselings-ledematenorganisme kan bevrijden. Daar worden dan geleidelijk al die krachten geestelijk-psychisch levendig die eigenlijk pas na het zevende jaar volledig te voorschijn komen. Die zullen we daarom later speciaal bespreken. Maar zij werpen hun licht al vooruit in dit laatste, derde deel van de eerste grote levensfase. Het kind wordt door wat er aan psychisch-geestelijke krachten uit zijn borst vrij komt, ontvankelijk voor wat van de autoriteit afkomstig is en waard is om in te geloven. Van te voren gelooft het kind niet, het heeft er geen gevoel voor, het bootst alleen na.
Je kunt nu pas tegen het vijfde jaar beginnen het kind het ‘moeten’ aan te leren. Als we dus inzien dat het kind gedurende deze hele levensfase tot aan de tandenwisseling een nabootsend wezen is en geleidelijk een fijn gebruik van fantasie en geheugen ontwikkelt, van een moreel geloof, van een autoriteitsgevoel tegenover de volwassene, met name tegenover de opvoeder met wie het sterk verweven is, dan zullen wij vanuit deze gezindheid die we door zo’n inzicht kunnen verkrijgen, op de juiste manier opvoeden en op deze leeftijd in ieder geval nog geen les gaan geven.
GA 303/voordracht 7
Vertaald

Voordracht 10 Dornach 1 januari 1922

Animisme

Blz. 178   vert. 202

Mit dem vollendeten neunten Jahre hört zum Beispiel in einer deut­lichen Weise das auf, was von einer kindlichen Wissenschaft immer in ganz falschem Lichte dargestellt wird. Man sieht darauf hin, daß das Kind, wenn es sich an einer Tischecke stößt, die Tischecke schlägt. Aber dann sagt die Wissenschaft: das Kind personifiziert den Tisch, es macht ihn zum lebendigen Wesen, das es strafen muß. Es zeigt wenig ein tieferes Eingehen auf die Gemütsverfassung des Kindes, wenn man so etwas ausspricht, denn es ist das durchaus nicht der Fall, daß das Kind den Tisch personifiziert. Es hat nur noch nicht das tote Wesen von dem lebendigen Wesen unterscheiden gelernt. Der Vorgang des Personifi­zierens spielt sich gar nicht ab im kindlichen Leben, sondern es behan­delt eben die Außenwelt noch ganz im allgemeinen, und sich selber stellt es in diese Außenwelt so hinein, daß es sich von dieser Außenwelt recht wenig unterscheidet.

Aan het einde van het negende jaar houdt bijvoorbeeld heel duidelijk op wat door een kinderlijke wetenschap altijd in een volkomen verkeerd licht wordt voorgesteld. We zien dat het kind, wanneer het zich aan de hoek van de tafel stoot, de hoek van de tafel slaat; maar vervolgens zegt de wetenschap: het kind personifieert de tafel, het maakt de tafel tot een levend wezen dat het moet straffen. Het duidt op een oppervlakkige benadering van de gemoedstoestand van het kind als je zoiets uitspreekt. Want het is helemaal niet zo dat het kind de tafel personifieert. Het heeft alleen nog niet het dode wezen van het levende wezen leren onderscheiden. Het verschijnsel van het personifiëren speelt zich helemaal niet af in het kinderleven, maar het kind behandelt gewoon de buitenwereld nog helemaal in het algemeen, en het plaatst zichzelf zo in de buitenwereld dat het zich eigenlijk weinig onderscheidt van deze buitenwereld.

Geheugen

Blz. 192   vert. 216/217

Von besonderer Bedeutung ist es, daß man für das kindliche Alter die richtige Stellung gewinne zur Entwicklung des Gedächtnisses. Wir müssen nicht vergessen, daß bis zum Zahnwechsel hin das Gedächtnis, das Erinnerungsvermögen im engsten mit der organischen Entwick­lung gebunden, verbunden ist. Was das Kind in dieser Zeit dann in leichter Weise erinnert, das wirkt durch Kräfte, die zu gleicher Zeit im Wachstum, in der Ernährung wirken. Es ist einmal das Kind in bezug 303/193 auf die geistig-seelischen Kräfte und die physisch-leiblichen Kräfte bis zum Zahnwechsel eine Einheit. Wir können daher auch die größten Fehler machen, wenn wir für das Kind vor dem Zahnwechsel ver­suchen, allerlei zu veranstalten, um das Gedächtnis künstlich stärker zu machen.
In solcher Beziehung müssen wir uns darüber klar sein, daß eben auch für die Entwicklung des Gedächtnisses vor dem Zahnwechsel das Kind ein nachahmendes Wesen ist, daß wir das Richtige in seiner Um­gebung tun müssen, allerdings eben das Richtige, dann wird das Kind, je nach seinen Wachstumsanlagen, nach seinen Ernährungsanlagen, auch im vollsten Sinne des Wortes sein Gedächtnis heranentwickeln. Leibliche Pflege, von der wir noch zu sprechen haben werden, Pflege der körperlichen Gesundheit sind in dieser Zeit auch die beste Pflege für das Gedächtnis, für das Erinnerungsvermögen.

Speciaal van belang is dat we ons de voor de leeftijd van het kind juiste houding ten opzichte van de ontwikkeling van het geheugen verwerven. We moeten niet vergeten dat tot aan de tandenwisseling het geheugen, het herinneringsvermogen heel nauw aan de organische ontwikkeling gebonden is, ermee verbonden is. Wat het kind zich in deze tijd dan op een gemakkelijke manier herinnert, dat werkt door middel van krachten die tegelijkertijd in de groei, in de voeding werken. Het kind is nu eenmaal tot aan de tandenwisseling met betrekking tot de geestelijk-psychische krachten en de fysiek-lichamelijke krachten een eenheid. Vandaar dat we ook de grootste fouten kunnen maken als we door allerlei kunstgrepen proberen bij het kind de tandenwisseling het geheugen sterker te maken.
In verband hiermee moet het voor ons duidelijk zijn dat ook wat betreft de ontwikkeling van het geheugen het kind voor de tandenwisseling een nabootsend wezen is, dat wij het juiste in zijn omgeving moeten doen, absoluut het juiste; dan zal het kind al naargelang zijn groeiaanleg, al naar gelang zijn voedingsvermogens ook in de beste zin van het woord zijn geheugen verder ontwikkelen. Lichamelijke verzorging, waarover we later nog zullen spreken, verzorging van de lichamelijke gezondheid zijn in deze periode ook de beste verzorging voor het geheugen, het herinneringsvermogen.

Blz. 193   vert.

Das Charakteristische unseres materialistischen Zeitalters ist, daß die Menschen womöglich früh schon anfangen möchten, in künstlicher Form allerlei Erziehungsmäßiges an den Menschen heranzubringen. So möchten sie auch auf eine seelisch-geistige Weise schon vor dem sieben­ten Jahre das Gedächtnis pflegen. Sie möchten sogar noch weitergehen, und das zeigt, auf welchem falschen Wege gerade ein materialistisches Zeitalter in dieser Beziehung ist. Es gibt Mütter, ich kann Ihnen das aus Erfahrung sagen, die fragen einen nicht nur, wie soll man in einer Weise, die erst für ein späteres Lebensalter in Betracht kommt, das Kind vor dem Zahnwechsel erziehen, sondern die fragen einen, wie soll man das Kind vor der Geburt erziehen im embryonalen Zustande? Da möchten die Menschen allerlei Anweisungen haben. Man kann ihnen nur sagen: Schau auf dich selbst als Mutter, behandle dich ordentlich, dann wird das Kind, dessen Bildekräfte du doch noch dem Schöpfer überlassen mußt, schon in der richtigen Weise gedeihen.

Het kenmerkende van ons materialistische tijdperk is dat de mensen zo mogelijk al vroeg zouden willen beginnen in een kunstmatige vorm allerlei opvoedingsacties aan de mens op te dringen. Zo zouden ze ook op een geestelijk-psychische wijze al voor het zevende jaar het geheugen willen oefenen. Ze zouden zelfs graag nog verder willen gaan, en dat laat zien op wat voor verkeerde weg juist een materialistisch tijdperk in dit verband is. Er zijn moeders — ik kan u dat uit ervaring meedelen — die vragen je niet alleen hoe je op een manier die pas op latere leeftijd in aanmerking komt, het kind voor de tandenwisseling moet opvoeden, maar die vragen je: hoe moet ik het kind vóór de geboorte, in embryonale toestand opvoeden? Daar zouden deze mensen allerlei aanwijzingen voor willen krijgen. Je kunt tegen hen alleen maar zeggen: kijk goed naar jezelf, hoe je als moeder bent, ga goed met jezelf om, dan zal je kind, wiens vormkrachten je toch aan de schepper moet overlaten, wel op de juiste wijze gedijen.
GA 303/voordracht 10
Vertaald

Voordracht 11 Dornach 2 januari 1921

Blz. 205/206  vert. 232

Beim ganz kleinen Kind sitzen die plastizierenden, gestaltenden Kräfte im Gehirn; die strahlen von da aus. Dann geht die Sache an die Mus­keln über. Und wenn der Mensch im zwölften Jahr angekommen ist, setzt er seinen ganzen Menschen ins Skelett hinein, und dann geht es heraus in die Welt, dann erst geht es heraus. Der Mensch geht durch sich durch und kommt dann in eine Beziehung zu der ganzen Welt. Zuerst Kräfte des Kopfes; diese Kräfte des Kopfes werden dann später in die Muskeln hineinergossen, dann in die Knochen hinein; der Mensch setzt sich in die Knochen hinein, und wenn er geschlechtsreif geworden ist, setzt er sich in die ganze Welt hinein. Da steht er erst in der Welt in Wirklichkeit drinnen.

Bij het heel kleine kind zitten de boetserende, vormende krachten in de hersenen. Die stralen van daar uit. Vervolgens gaat de zaak op de spieren over. En wanneer de mens zijn twaalfde levensjaar heeft bereikt, plaatst hij zijn totale mens in het skelet, en treedt dan naar buiten, de wereld in; pas dan treedt hij naar buiten. De mens gaat door zichzelf heen en komt dan in een relatie tot de hele wereld. Eerst de krachten van het hoofd; deze krachten van het hoofd worden dan later in de spieren uitgegoten, en vervolgens in de botten. De mens verplaatst zich in zijn botten en wanneer hij geslachtsrijp is geworden, plaatst hij zich in de hele wereld. Dan staat hij echt midden in de wereld.
GA 303/205
Vertaald/232

Voordracht 13 Dornach 4 januari 1922

Blz. 235/236   vert. 265/266 

Wir haben ja im Laufe der Betrachtungen gesehen, wie der Mensch bis zum Zahnwechsel ein nachahmendes Wesen ist, wie er in dieser Zeit einer noch nicht getrennten organisch-seelischen Tätigkeit in sei­nem Inneren hingegeben ist, wie von der Kopforganisation eine geistig-seelische Tätigkeit ausgeht, die noch organische Tätigkeit ist und die den ganzen Organismus erfüllt.
Der Mensch lebt also für dieses Le­bensalter ganz in seinem Inneren nach seinem geistig-seelischen Inhalte und auch nach seinem physisch-leiblichen Inhalte. Besonders charakteristisch ist für dieses Lebensalter, wie der Mensch lebt. (  )

Wenn der Mensch in diesem Lebensalter schläft, ist es äußerlich natürlich auch so, daß beim Einschlafen sein Geistig-Seelisches aus dem Physisch-Leiblichen herausgeht, beim Aufwachen wiederum hineingeht. Aber es ist noch kein großer Unterschied zwischen dem bewuß­ten Erfahren im Leibe und dem unbewußten Erfahren im Schlafe. Das unbewußte Erfahren im Schlafe, wenn es normal verläuft, wenn nicht Reminiszenzen aus dem Tagesleben hineingehen – und das ist beim Kinde noch kaum der Fall -, dieses Schlafesleben bewegt sich durch­aus in einer Überwelt gegenüber dem Irdischen, und aus dieser Überwelt heraus wird ja zunächst auch diejenige Aktivität geholt, welche vom Gehirn aus im wachenden Zustande beim Kinde in den ganzen Organismus hineinarbeitet.

We hebben in de loop van deze beschouwingen gezien hoe de mens tot aan de tandenwisseling een nabootsend wezen is, hoe hij in deze tijd in zijn innerlijk nog overgegeven is aan een niet opgesplitste organisch-psychische activiteit, hoe er van de hoofdorganisatie een geestelijk-psychische activiteit uitgaat, die nog een organische activiteit is en die het hele organisme vervult. De mens leeft dus op deze leeftijd helemaal in zijn innerlijk zowel wat zijn geestelijk-psychische inhoud als zijn fysiek-lichamelijke inhoud betreft. Je kunt zeggen: vooral kenmerkend voor deze leeftijd is hoe de mens leeft.
Wanneer de mens op deze leeftijd slaapt, is het uiterlijk natuurlijk ook zo dat zijn geest en ziel bij het inslapen het fysiek-lichamelijke verlaten en bij het ontwaken weer binnentreden. Maar er is nog geen groot verschil tussen het bewuste ervaren in het lichaam en het onbewuste ervaren tijdens de slaap. Het onbewuste ervaren tijdens de slaap, als het normaal verloopt, als er geen herinneringen uit het dagleven binnenkomen — en dat is bij het kind nog nauwelijks het geval —, dit slaapleven beweegt zich volledig in een bovenwereld vergeleken bij het aardse, en vanuit deze bovenwereld wordt allereerst ook die activiteit gehaald die vanuit de hersenen in wakende toestand bij het kind op het hele organisme inwerkt.

Wenn das Kind nun durch den Zahnwechsel hindurchgeht, so wer­den gewisse geistig-seelische Kräfte so frei, daß sie nicht mehr bloß ihre organische Gestalt annehmen. Sie nehmen schon einen geistig-seelischen Charakter an. Das Kind entwickelt ein freieres Denken, Fühlen und Wollen zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechts-reife als vorher. Es ist nicht bloß ein nachahmendes Wesen, es ent­wickelt den Grad des Bewußtseins, durch den es aus dem Autoritäts­gefühl heraus sich an Äußeres anschließen kann. 

Wanneer het kind nu de tanden wisselt, komen bepaald geestelijk-psychische krachten zo vrij dat ze niet meer uitsluitend hun organische gedaante aannemen. Ze nemen al een geestelijk-psychisch karakter aan. Het kind ontwikkelt een vrijer denken, voelen en willen tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid dan tevoren. Het is niet meer uitsluitend een nabootsend wezen, het ontwikkelt de graad van bewustzijn waardoor het zich vanuit het autoriteitsgevoel bij het uiterlijke kan aansluiten.
GA 303/235
Vertaald/265

Voordracht 15 Dornach 6 januari 1922

Blz.275  vert. 309

Wir haben zum Beispiel gesehen, wie das Kind vorzugsweise vor dem Zahnwechsel ganz in seinem physischen Organismus drinnen lebt. Dieses Leben im physischen Organismus ist nun im höchsten Grade der Fall beim Säugling, und zwar wiederum am hervorstechendsten in be­zug auf seine Ernährung. Er genießt ja, wie Sie wissen, zunächst eine außerordentlich einförmige Ernährung, wenn er die Welt betritt. Und wenn der Erwachsene dauernd so einförmig leben müßte, fast ganz von einem einzigen Nahrungsmittel, zum Frühstück, Mittag, sonst, er würde das ja ganz gewiß für seine seelische und auch leibliche Verfas­sung nicht gerade zuträglich finden. Der Erwachsene will alles durch­einandermischen, er will Abwechslung haben. Der Säugling bekommt diese Abwechslung nicht. Und dennoch machen sich die wenigsten Menschen eine Vorstellung davon, wie groß gerade das Glück des Säuglings durch seine Ernährung ist, weil die wenigsten Menschen wis­sen, mit welcher intensiven Süße der ganze physische Organismus des Säuglings durch die Muttermilch durchzogen wird.

We hebben bijvoorbeeld gezien hoe het kind vooral voor de tandenwisseling helemaal in zijn fysieke organisme leeft. Dit leven in het fysieke organisme is het sterkst bij de zuigeling het geval en dat is dan weer het meest opvallend met betrekking tot zijn voeding. Zoals u weet gebruikt hij, wanneer hij ter wereld komt, in eerste instantie een buitengewoon eentonige voeding. Als de volwassene voortdurend zo eentonig zou moeten leven, bijna helemaal van één enkel voedingsmiddel, bij het ontbijt, ’s middags en op andere tijden, dan zou hij dat zeer zeker voor zijn psychische en ook lichamelijke gesteldheid niet bepaald bevorderlijk vinden. De volwassene wil alles door elkaar mengen, hij wil afwisseling hebben. De zuigeling krijgt deze afwisseling niet. En toch maken maar heel weinig mensen zich er een voorstelling van hoe groot juist de gelukzaligheid van de zuigeling door zijn voeding is, omdat maar heel weinig mensen weten met wat voor intensieve zoetheid het hele fysieke organisme van de zuigeling door de moedermelk doortrokken wordt.

Blz. 276/277   vert.

Der Erwachsene hat ja nur noch die Möglichkeit, Geschmacksemp­Findungen auf seinem Gaumen und dessen Nachbarorganen zu haben. Er hat schon einmal das Malheur, daß alle Geschmacksempfindungen sich nach dem unglückseligen Kopfe hingezogen haben, und dadurch unterscheidet er sich von dem Kinde, das im Säuglingsalter durch und durch Geschmacksorganismus ist, das durch und durch schmeckt. Und mit dem Ende des Säuglingsalters hört dieses durch und durch Schmek­ken auf. Es wird ja auch später, von den Menschen, die sich nun ein­mal nur des gewöhnlichen Lebensbewußtseins bedienen, vergessen. Die wissen gar nicht, wie verschieden von ihrer späteren Lebensverfassung das Schmecken während des Säuglingsalters war. 

De volwassene heeft alleen nog de mogelijkheid smaakgewaarwordingen op zijn gehemelte en de naastgelegen organen te hebben. Het is voor hem jammer genoeg nu eenmaal zo dat alle smaakgewaarwordingen zich naar het rampzalige hoofd teruggetrokken hebben, en daardoor onderscheidt hij zich van het kind, dat op de zuigelingenleeftijd helemaal smaakorganisme is, dat door en door proeft. En met het einde van de zuigelingenleeftijd houdt dit door en door proeven op. Het wordt later ook door de mensen, die zich nu eenmaal uitsluitend van het gewone levensbewustzijn bedienen, vergeten. Die weten helemaal niet hoe het proeven tijdens de zuigelingenleeftijd van hun latere levenstoestand verschilde. 

Das Kind steckt also in seinem physischen Organismus so drinnen, solange es Säugling ist, daß es eigentlich nur ißt mit seinem physischen Organismus, aber auch davon wirklich sehr viel hat. Und darin besteht ja das Entwachsen aus dem Säuglingsalter, daß zunächst dasjenige be­ginnt, was sich allmählich so stark nach dem Kopfe heraufzieht, daß der Zahnwechsel möglich wird, daß im Kopfe diese starke Kraft ent­wickelt werden kann, welche die ersten Zähne abstößt, die zweiten herausbringt. Das geschieht natürlich in dieser Weise im ganzen Lebensalter von der Geburt bis zum Zahnwechsel hin; und das lebt sich darinnen auf den verschiedensten Gebieten aus. So daß also nach dem Säuglingsalter zunächst der Geschmack nach dem Kopfe heraufzieht, und daß dann das Kind damit beginnt, nicht bloß mit dem Leibe zu essen, sondern mit der Seele zu essen, daß es wenigstens mit der Seele unterscheiden lernt, dann auch die einzelnen Nahrungsmittel differen­ziert.
Und da müssen wir in der Lage sein, dem Kinde nachgehen zu können. Da mussen wir Verständnis entwickeln können für das Kind. Wir müssen Verständnis entwickeln für das, was dem Kinde schmeckt und nicht schmeckt, denn darinnen liegt noch ein sehr guter Regulator für dasjenige, was beim Kinde auch gesundend und kränkend ist. Aller­dings muß man sich zu diesem Zwecke eben eine richtige Anschauung über das Ernähren des Menschen überhaupt erwerben.

Het kind zit dus, zolang het een zuigeling is, zo in zijn fysieke organisme dat het eigenlijk alleen eet met zijn fysieke organisme, maar daar ook echt heel veel aan beleeft. En het ontgroeien aan de zuigelingenleeftijd begint met wat geleidelijk zó sterk omhoog naar het hoofd trekt dat de tandenwisseling mogelijk wordt, dat in het hoofd die sterke kracht ontwikkeld kan worden welke de melktanden afstoot en de tweede tanden doet verschijnen. Dat gebeurt natuurlijk op deze manier in de hele leeftijdsfase die vanaf de geboorte tot aan de tandenwisseling duurt. En dat krijgt daarbinnen op de meest verschillende gebieden gestalte. Zodoende wordt na de zuigelingenleeftijd eerst de smaak omhooggetrokken naar het hoofd. En vervolgens begint het kind ermee niet alleen met het lichaam te eten, maar ook met de ziel. Het leert ten minste met zijn ziel te onderscheiden, en dan differentieert het ook de verschillende voedingsmiddelen.
En daar moeten wij in staat zijn het kind te kunnen volgen. Daar moeten we begrip kunnen ontwikkelen voor het kind. We moeten begrip ontwikkelen voor wat het kind goed smaakt en wat het niet lekker vindt, want daarin ligt nog een zeer goede regulator van wat bij het kind ook gezond- of ziekmakend is. Natuurlijk moet je je, om dit soort dingen te kunnen zien, überhaupt een juiste opvatting omtrent de voeding van de mens verwerven.

Vragenbeantwoording Dornach 5 januari 1922 (’s Avonds)

Blz. 346  vert. 386

Frage:    Wie kann der Erzieher am besten der Betätigung der Kinder von fünfeinhalb bis sieben Jahren entgegenkommen, wenn sie bitten, etwas zu tun?

Nun, es ist bei Kindern, die etwa dieses Lebensalter (5 ½) erreicht haben, ja das vorhanden, was ich versuchte in den Vorträgen anzudeu­ten. Es scheint gewissermaßen schon dasjenige herein, was Autoritätsgefühl ist es ist aber im wesentlichen noch die Sehnsucht nach der Nachahmung in der Hauptsache vorherrschend. Darnach muß denn auch das eingerichtet werden, was man mit solchen Kindern tut. Es ist gerade bei solchen Kindern auch außerordentlich gut anzuwenden, was ich etwa als die beweglichen Bilderbücher angeführt habe. Dadurch ist ihre erwachende Phantasie schon durchaus gut zu beschäftigen. Wenn sie verlangen, etwas zu tun, dann würde ich – wir werden ja, sobald wir Gelegenheit haben, selber einen Kindergarten in Stutt­gart anlegen und werden dann versuchen, das auszuprobieren -, wenn die Kinder irgend etwas zu tun bekommen wollen, dann werden wir versuchen, die einfachsten Arten gerade zu malen, zu modellieren, so durchzuführen, daß man ihnen die Sache vormacht, sie zuschauen läßt.
Nur wenn man also dann das Schreiben herausholen will aus dem Zeichnen oder Malen, so muß man auch da natürlich wiederum die Nachahmung zu Hilfe nehmen. Aber im wesentlichen würde man im Kindergarten für fünfeinhalb- bis siebenjährige Kinder versuchen, diese Dinge vorzumachen, die sie dann ihrerseits nachmachen, und man kann ja auf diese Weise eben das Nachahmungsprinzip hinüber­leiten zu dem Prinzip des Autoritativen.

Vraag: Hoe kan de opvoeder het best de activiteit van kinderen van vijfenhalf tot zeven jaar tegemoetkomen als zij vragen of zij iets mogen doen?

Dr. Steiner: Welnu, bij kinderen van ongeveer deze leeftijd is datgene aanwezig wat ik geprobeerd heb in de voordrachten aan te duiden. Er straalt in zekere zin al iets van een autoriteitsgevoel naar binnen, maar in wezen overheerst nog het verlangen naar de nabootsing. De dingen die we met zulke kinderen doen, moeten daar ook op afgestemd zijn. Bij zulke kinderen zijn ook de beweeglijke plaatjesboeken buitengewoon goed te gebruiken. Daarmee kun je absoluut goed op hun ontwakende fantasie inwerken.

Als ze vragen of zij iets mogen doen, dan zou ik – we zullen immers zodra we gelegenheid hebben, zelf een kleuterklas in Stuttgart inrichten en dan proberen die uit te testen —, als de kinderen iets te doen willen krijgen, dan zullen we proberen de eenvoudige vormen van schilderen, van boetseren zo uitvoeren dat als we hun iets voordoen, we hun daar naar laten kijken. Nietwaar, bij kinderen die de tandenwisseling achter zich hebben, doe je de dingen niet meer voor, maar daar probeer je, zonder het voor te doen, hen ertoe te brengen vanuit zichzelf iets te maken. Alleen als je dan het schrijven vanuit het tekenen of schilderen wilt ontwikkelen, dan moet je natuurlijk weer de nabootsing te hulp roepen. Maar in wezen zou je in de kleuterklas bij vijfenhalf tot zevenjarige kinderen proberen deze dingen voor te doen, die zij dan op hun beurt nadoen, en je kunt vervolgens op deze manier het nabootsingsprincipe over laten gaan naar het principe van autoriteit.
GA 303/346
Vertaald/386

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Over de werking van de omgeving op een kind: zie het ‘hersenvoorbeeld‘ in dit artikel.

Rudolf Steiner over spel

Over de werking van tv op kleine kinderenopvoedingsvragen onder nr. 19  m.n. [19-10]
.
Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2147

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde -voordracht 9 (9-1-1/12)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar 

in de voordrachtenreeks:

Erziehung und Unterricht aus Menschenerkenntnis

GA 302A

Voordracht 2, Stuttgart 16 sept. 1920

Blz. 29   vert. 29

Im wesentlichen wird der Mensch bis zum 7. Jahre mehr von plastischen und weniger von musikalischen Kräften, das heißt, weniger den Organismus durchglühenden musika­lischen und sprachlichen Kräften durchsetzt.

In wezen is de mens tot aan zijn 7e jaar meer doortrokken van plastische dan van muzikale krachten, dat wil zeggen minder van de het-organisme-doorgloeiende krachten van muziek en taal.
GA 302A/29    
Vertaald/29

Voordracht 4, Stuttgart 22 sept. 1920

Aus den geistigen Welten herein kommt, ich möchte sagen, auf einer Art astralischen Flügeln, die Ich­heit des Menschen. Wenn wir das Kind zunächst in den ersten Lebens­jahren betrachten, wie es sich entwickelt, wie es Grad für Grad aus seinem tiefen Inneren die Physiognomie an die Oberfläche des Leibes bringt, wie es immer mehr und mehr die Gewalt über seinen Organismus bekommt, so ist das, was wir da sehen, im wesentlichen die Ein­verleibung des Ich.

Als we de mens vanuit zijn constitutie bestuderen en het zo verkregen inzicht vervolgens aanwenden op de mens in wording, op het kind, dan blijkt het volgende: vanuit de geestelijke werelden komt het lk-wezen van de mens, laat ik zeggen, op ‘astrale vleugels’ binnen. Als we in eerste instantie de eerste levensjaren van het kind bestuderen, hoe het zich ontwikkelt, hoe het de fysionomie stap voor stap uit de diepten van zijn innerlijk naar de oppervlakte van het lichaam brengt, hoe het steeds meer de macht over zijn organisme verkrijgt, dan is wat we daar zien in wezen de inlijving van het Ik.
GA 302A/54
Vertaald/54

Denken Sie nur, nach dem, was wir betrachtet haben, ist die Entwicklung des Kindes von der Geburt bis zur Geschlechtsreife ein Ineinander­spielen der kosmisch-plastischen Kraft mit der kosmisch-musikalischen Kraft. Dieses Ineinanderspielen geschieht natürlich in den allermannig­faltigsten Variationen.

Bedenkt u alleen maar het volgende: volgens de dingen die we hebben bekeken is de ontwikkeling van het kind vanaf de geboorte tot aan de puberteit een in elkaar spelen van de kosmisch-plastische kracht en de kosmisch-muzikale kracht. Dit in elkaar spelen gebeurt natuurlijk in de meest uiteenlopende variaties
GA 302A/61
Vertaald/61

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Over de werking van de omgeving op een kind: zie het ‘hersenvoorbeeld‘ in dit artikel.

Rudolf Steiner over spel

Over de werking van tv op kleine kinderenopvoedingsvragen onder nr. 19  m.n. [19-10]
.
Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2145

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-3)

.

Enkele gedachten bij blz. 138-140 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

We hebben in [9-1] gezien dat we in het dagelijks leven – overdag – we zijn dan ‘wakker’ – veel gevolgtrekkingen maken, meer dan we ons realiseren.

DENKEN in wakkerheid: gevolgtrekking

Dat ‘overdag’ is een open deur: ’s nachts denken we niet.
Maar tegen de achtergrond van ‘waken – dromen – slapen’ moet het toch gezegd worden, immers:

Blz.142   vert. 138

Der Schluß kann nur leben im lebendigen Geiste des Menschen, nur dort hat er ein gesundes Leben; das heißt, der Schluß ist nur ganz gesund, wenn er verläuft im vollwachenden Leben

De gevolgtrekking kan enkel en alleen leven in de levende geest van de mens; alleen daar heeft ze een gezond bestaan, dat wil zeggen dat de gevolgtrekking alleen dan helemaal gezond is wanneer ze in het volle bewustzijn gemaakt wordt.

OORDEEL – dromend

Het is nog niet eenvoudig om een heel duidelijk verschil aan te geven tussen gevolgtrekking en oordeel. 
Je zou zeggen, vanuit een eerste ervaring, dat we ook vanuit een wakker bewustzijn een oordeel geven. En daar is kans op. De taal drukt dat ook uit: ‘een weloverwogen oordeel’. En voor Steiner is het in eerste instantie ook een ‘uiteraard’:

Blz. 143  vert. 139

Das Urteil entwickelt sich ja zunächst auch, selbstverständlich, im vollwachenden Leben.

Uiteraard ontwikkelt het oordeel zich ook in eerste instantie in het volledig waakbewustzijn.

Dit ‘in eerste instantie’ veronderstelt ook een ‘in tweede instantie’ en die is er. Dat weten we ook uit eigen ervaring: in ons oordelen kan toch iets sluipen of geslopen zijn van een bepaald gevoel, een bepaald ‘vinden dat’. 
Als we dit even onder het vergrootglas leggen van GA 9, de Theosofie, op de allereerste bladzijden al, raken we hier aan: niet wat IS, maar wat BEHAAGT, zoals Steiner Goethe citeert. M.a.w. onze subjectiviteit doet ook een duit in het zakje: ons gevoel speelt een rol.

Aber das Urteil kann schon hinuntersteigen in die Untergründe der menschlichen Seele, da, wo die Seele träumt. 

Maar het oordeel kan ook onderduiken in de diepten van de menselijke ziel, tot daar waar de ziel droomt.

En nog even een bewustzijnsmomentje:

Der Schluß sollte nicht einmal in die träumende Seele hinunterziehen, 

De gevolgtrekking moet eigenlijk helemaal niet in de dromende ziel onderduiken;

En je krijgt de indruk dat het oordeel dat ook niet zou moeten doen, maar dat gebeurt wel (veel makkelijker):

sondern nur das Urteil kann in die träumende Seele hinunterziehen.

alleen het oordeel kan dat wel. 

Also alles, was wir uns als Urteil über die Welt bilden, zieht in die träumende Seele hinuntel

Elk oordeel dat wij over de wereld vormen, duikt onder in de dromende ziel.

‘De dromende ziel’ wordt nu slechts ‘het gevoelsmatige’ genoemd, maar met in ons achterhoofd een andere benadering: ‘het vermogen om de wereld tot onze eigen aangelegenheid te maken en het vermogen om onze binnenwereld weer tot buitenwereld te maken’ kunnen we dit ‘in de buitenwereld zetten’ nu concreter benoemen door er het oordelen aan te verbinden.

En ook al hebben we ons oordeel gegeven, het is daarmee niet uit ons verdwenen. ‘De ziel bewaart de dingen van vandaag voor morgen’, zegt Steiner ongeveer zo in ‘Theosofie’.
(Een grote tegenstelling met wat we lichamelijk naar buiten brengen: als we onze neus hebben gesnoten, is de inhoud uit ons verdwenen – dat is bij de ziel dus volkomen anders.)

En onze oordelen gaan dan bij ons horen – ‘hij vindt nu eenmaal dat….’ Voor Steiner is dat ‘tot gewoonte worden’.

Wenn wir also im Leben Urteile gefällt haben und dann über die Urteilsfällung hinweggehen und das Leben weiterführen, so tragen wir unsere Urteile durch die Welt; aber wir tragen sie im Gefühl durch die Welt. Das heißt aber weiter: das Urteilen wird in uns eine Art Gewohnheit. 

Wanneer we dus in het leven oordelen geveld hebben en ons vervolgens met iets anders bezighouden, dan dragen we onze oordelen met ons mee en wel in het gevoel. Dit betekent echter ook dat het oordelen een soort gewoonte in ons wordt.

Wat Steiner dan a.h.w. en passant opmerkt, heeft toch wel verstrekkende gevolgen, waar hij nu in ieder geval niet verder over spreekt:

het oordelen wordt een soort gewoonte in ons en een oordeel wordt uitgedrukt d.m.v. een zin die we spreken. En dan:

Sie bilden die 5eelengewohnheiten des Kindes aus durch die Art, wie Sie die Kinder urteilen lehren. Dessen müssen Sie sich durchaus bewußt sein. Denn der
Ausdruck des Urteils im Leben ist der Satz, und mit jedem Satze, den Sie zu dem Kinde sprechen, tragen Sie ein Atom hinzu zu den Seelengewohnheiten des Kindes.

U vormt de gewoonten van de ziel van een kind door de wijze waarop u het leert oordelen. Daarvan moet u zich terdege bewust zijn. Want in het leven drukt het oordeel zich uit door middel van een zin. Met iedere zin die u tot een kind spreekt, voegt u iets toe aan diens ziele-gewoonten.

Dat is nog al wat, als je er bij stil staat: met iedere zin! En hoeveel praten wij leerkrachten eigenlijk niet in de klas. Hoeveel gevolgtrekkingen zijn dat, maar in dit licht: hoeveel oordelen? Ik heb het me nooit afgevraagd aan het eind van de dag, maar het had gekund: hoeveel oordelen heb ik losgelaten en hoeveel heb ik daarmee toegevoegd aan de ziel van het kind?

Dus:

Blz. 144 vert. 139/140

Daher sollte der ja Autorität besitzende Lehrer sich immer bewußt sein, daß das, was er spricht, haften werde an den Seelengewohnheiten des Kindes.

Daarom moet de autoriteit uitstralende leraar zich er altijd van bewust zijn dat wat hij zegt, zal beklijven in de zielsgewoonten van het kind.

Dat is bijna een onmogelijke opdracht: ALTIJD van bewust zijn. 
Maar: er (regelmatig) bij stilstaan kan een kiem zijn je ook in deze richting te ontwikkelen.

Wellicht had een oudere leerkracht die ik in mijn eerste ronde als piepjonge leraar ontmoette, dat voor ogen, toen hij zei (over de leerkrachten): ‘Praten wij niet te veel!’

Nu belicht Steiner ‘het begrip’. [9-4].

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2141

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde -voordracht 9 (9-1-1/10)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar 

in de voordrachtenreeks

Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

De vernieuwing van de pedagogisch-didactische kunst door geesteswetenschap

GA 301

Voordracht 1: Geisteswissenschaft und moderne Pädagogik, Basel 20 april 1920

Blz. 17   vert. blz. 17

Gerade wenn wir das heranwachsende Kind ins Auge fassen, dann kommen wir dazu, einzusehen an der Entwicklung dieses heranwach­senden Kindes, wie Seelisches sich herausarbeitet in dem Leiblichen. Wer nur einen Sinn hat für äußere Gestaltung, wie sie sich so wunder­bar, so rätselhaft auf der einen Seite, und so zum Menschensinn spre­chend auf der anderen Seite, in dem Kinde ergibt, wenn wir es von Tag zu Tag in den ersten Lebenswochen, wenn wir es von Woche zu Woche, von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr in dem folgenden Leben be­trachten – wer diese Umgestaltung betrachtet und einen Sinn dafür hat, wie das Seelische sich herausarbeitet, der muß die Frage stellen: Wie hängt denn eigentlich zusammen dasjenige, was wir an Seelischem ent­wickeln, mit dem Körperlichen in seiner äußeren Offenbarung? Denn offenbar ist es ja, daß im Körperlichen das Seelische drinnen arbeitet; gerade im Kinde sieht man es.

Voordracht 1; Geesteswetenschap en moderne pedagogie, Bazel, 20 april 1921

Met name als we naar het opgroeiende kind kijken, komen wij tot het inzicht hoe alles van de ziel in het lichamelijke zichtbaar wordt. Wie dan een zintuig heeft voor wat zich uiterlijk vormt, wat je aan de ene kant zo wonderbaarlijk, zo raadselachtig zich in het kind ziet voltrekken, wat anderzijds zo tot het menselijk bewustzijn spreekt, wanneer je het in de eerste weken van zijn leven van dag tot dag volgt, wanneer we het waarnemen van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar in het leven dat volgt – wie die omvorming waarneemt en er een zintuig voor heeft hoe de ziel tevoorschijn komt, moet zich de vraag stellen: hoe hangt dan eigenlijk wat we aan zielenkrachten ontwikkelen samen met het lichamelijke dat we uiterlijk zien. Want duidelijk is dat in het lichaam de ziel van binnen werkzaam is; juist bij het kind zie je dat. 

Blz. 19    vert. blz. 19

Man muß zugleich sehen, wie während dieser Zeit mit jeder Woche vom Bekommen der Milchzähne bis zum Bekommen der bleibenden Zähne das ganze Wesen des Menschen auch im Seelischen ein anderes wird. Wie in dieser Zeit aus der menschlichen Wesenheit heraus andere Kräfte auch seelisch wirken als etwas später zwischen dem Zahnwech­sel und der Geschlechtsreife. Man muß den Menschen ganz in seiner Totalität betrachten, und dann findet man, daß das ganze seelische Leben in einer anderen Weise sich vollzieht vor dem Zahnwechsel als nach dem Zahnwechsel.
Und wenn man einen Sinn dafür hat, was eigentlich da herauskommt nach dem Zahnwechsel, so wird man sich sagen: Vernehmen wir das denkerische, das intellektuelle Wesen im Menschen, und versuchen wir dasjenige zu ergründen, was da bis zum Zahnwechsel hin und während des Zahnwechsels herauskommt an menschlichem, intellektuellem Wesen, an Vorstellungswesen! Wenn man unbefangen betrachtet, muß man eigentlich sagen: Da kommt viel heraus. Jean Paul, der auch viel über Pädagogik nachgedacht hat, hat nicht mit Unredit darauf aufmerksam gemacht, daß die ersten Lebens-jahre mehr Einfluß auf den Menschen haben als die drei akademischen

Je moet tegelijkertijd zien, hoe gedurende deze tijd met iedere week vanaf het krijgen van de melktanden tot het krijgen van de blijvende het hele wezen van de mens ook psychisch, anders wordt. Hoe in deze tijd vanuit het wezen mens andere krachten ook psychisch werken dan iets later tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid. Je moet naar de mens als totaliteit bekijken en dan vind je dat het met het hele zielenleven vóór de tandenwisseling anders gaat dan erna. En wanneer je open staat voor wat er eigenlijk na de tandenwisseling gebeurt, zeg je:wanneer we naar het denken kijken, naar het intellectuele aspect in de mens en proberen te doorgronden wat er tot de tandenwisseling en tijdens de tandenwisseling zich manifesteert: wat we daar tevoorschijn zien komen aan wezenlijks op het gebied van de menselijke intellectualiteit, aan voorstellingen! Wanneer je onbevangen kijkt, moet je eigenlijk zeggen: er verschijnt heel veel. Jean Paul, die ook veel over pedagogiek nagedacht heeft, heeft er niet ten onrechte op gewezen, dat de eerste levensjaren van grotere invloed op de mens zijn dan de drie academische jaren.

 

Jean Paul Jean Paul Friedrich Richter), 1763-1825, Dichter, pedagoog en publicist, schrijver van verschillende psychologische romans: «Die unsichtbare Loge» (1796), «Hesperus, oder 45 Hundsposttage» (1795), «Titan» (1800-03), «Flegeljahre» (1804), «Levana» (1807). Steiner verwijst naar Levana.
.

Jahre. Dazumal gab es nur drei. Es ist sch
.on so, daß, wenn wir auf die Konfiguration des Intellektuellen hinschauen, die wichtigsten Jahre für die Gestaltung der Intellektualität des Menschen, für die Gestal­tung der Urteilskraft, die ersten Lebensjahre bis zum Zahnwechsel sind. Man versuche nur einmal, sich einen wirklichen Beobachtungssinn anzuerziehen für dasjenige, was da seelisch anders wird. Man versuche auch zurückzudenken, bis wie weit das deutliche Gedächtnis reicht und versuche zu denken, wie wenig weit es hinter die Zahnwechselepoche zurückreicht, wie wenig also vor der Zahnwechselepoche der Mensch fähig ist, in sich anzusammeln festgestaltete Begriffe, die dann der Er­innerung einverleibt werden. Dann kann man geradezu sagen: je weniger der Organismus jene starken Kräfte, die er später nicht mehr braucht, um die harten Zähne zum zweiten Male aus sich herauszu­gestalten, anzuwenden braucht, desto mehr kommt er gerade in die Lage, dasjenige, was er intellektuell aufnimmt, zu festen Vorstellun­gen zu gestalten, die ihm in der Erinnerung bleiben.

In die tijd waren er maar drie. Het is inderdaad zo, wanneer we naar het complex van het intellectuele kijken, dat de belangrijkste jaren voor de vorming van de menselijke intellectualiteit, voor de vorming van het oordeelsvermogen, de eerste levensjaren tot aan de tandenwisseling zijn. Probeer echt een daadwerkelijk zintuig te ontwikkelen om waar te kunnen nemen wat er psychisch anders wordt. Probeer er ook eens aan te denken tot hoe ver terug jouw duidelijke herinneringen gaan en probeer er eens aan te denken hoe ver dat vóór je tandenwisseling is, hoe slecht de mens dus in staat is vóór de periode van tandenwisseling vastomlijnde begrippen te bewaren die dan deel worden van de herinneringen. Dan kun je wel zeggen: hoe minder het organisme die sterke krachten die het later niet meer nodig heeft om de harde tanden voor een tweede keer naar buiten te brengen, hoeft te gebruiken, des te meer komt het in de toestand om wat het intellectueel opneemt, tot vaste voorstellingen te vormen, die dan als herinnering blijven.

 

Bij -tandenwisselen- zullen Steiners gezichtspunten uitgebreid worden weergegeven [nog niet oproepbaar]

Voor de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar ligt in deze voordracht de nadruk op de fysiek-etherisch opbouwende krachten. De vorming van het kinderlijf is in zekere zin met de tandenwisseling tot een (eerste) afronding gekomen. De tot nog toe daarvoor gebruikte krachten worden nu ingezet om te ‘leren’. Ze gaan nu a.h.w. mentaal opbouwwerk doen: de vaste voorstellingen. 

Sie sehen aus dem eben Gesagten, daß zunächst dieses Kraften im Körper, das ge­wissermaßen wie in einer Kulmination in dem Hervorgehen der zwei­ten Zähne gipfelt, parallel geht mit dem Festsetzen derjenigen Kräfte in der Seele, welche die Vorstellungen, die sonst vergessen werden, um­formen in festgestaltete Begriffe, die dann bleiben, die ein Schatz in der menschlichen Seele werden.

Uit wat net werd gezegd ziet u dat aanvankelijk dit krachtenspel in het lichaam in zekere zin uitmondt als een culminatie in het tevoorschijn komen van de blijvende tanden en dat dit parallel loopt met het zelfstandig worden van die zielenkrachten die de voorstellingen die anders vergeten worden, omvormen tot vastomlijnde begrippen die daarna blijvend zijn, die een schat worden in de menselijke ziel.

Over het leren spreken:

Blz. 22

Das Geheimnis der menschlichen Sprachentwicklung ver­birgt sich eigentlich in ihrem wesentlichsten vor der heutigen naturwissenschaftlichen Denkweise, vor der gesamten heutigen Wissenschaft. Man weiß nicht, daß in der Tat gerade so, wie man die ersten Zähne erhält durch eine Art Vererbung von den Eltern, man die Sprache er­hält durch eine Art äußeren Einflusses der Umgebung, durch das Nach­ahmungsprinzip, das aber zum organischen Prinzip wird.
Man lernt die Sprache in den ersten Lebensjahren von seiner Um­gebung.

Het geheim van de menselijke spraakontwikkeling is voor de huidige natuurwetenschappelijke manier van denken, voor alle hedendaagse wetenschappen, wat het wezenlijke betreft, verborgen.
Men weet niet dat het net zoals je de eerste tanden krijgt door een soort overerving van de ouders, je het spreken verkrijgt door invloed van buiten, van de omgeving, door het principe van de nabootsing, dat echter een organisch principe is.
In de eerste levensjaren leer je spreken door je omgeving.

Blz. 23

  ( ) das Vorstellen arbeitet in den ersten sieben Lebensjahren im Leibe.

Het voorstellen bouwt in de eerste zeven jaar aan het levende lichaam.

Blz. 25     vert. blz. 25

Wenn man so versteht, was Wille, was Intellekt ist, und auch beobachten kann, wie bei man­chem Kinde von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr der Wille, der sich lokalisiert im Sprechen, der Intellekt, der sich zurückgezogen hat in das Geistig-Seelische, zusammenwirken, erst dann versteht man, was man da zur leiblichen und seelischen Erziehung und zum Unterricht des Kin­des tun muß; erst dann betrachtet man die Pädagogik als Kunst und erkennt, wie man erst das Material, die Menschennatur, verstehen muß. Wie der Bildhauer Ton oder Erz hat und dieses bearbeiten muß, wie man die Farben und so weiter bearbeiten muß, so muß der päd­agogische Künstler verstehen, wie man den Willen hineinarbeitet in den Intellekt, wie man wirkt, um die richtige Ineinanderfügung, die rich­tige künstlerische plastische Gestaltung des Intellektes, der sich bis zum 7. Jahre geboren hat, durch den Willen vorzunehmen, der sich unter den Händen des Volksschullehrers entwickelt bis zur Geschlechtsreife hin.

Wanneer je op deze manier begrijpt wat wil is, wat intellect is en je kan waarnemen hoe bij veel kinderen van maand tot maand, van jaar tot jaar de wil die zich in het spreken lokaliseert, en het intellect dat zich teruggetrokken heeft in geest en ziel, samenwerken; dan begrijp je pas wat je voor een lichamelijke en psychische opvoeding en voor het onderwijs van het kind moet doen; pas dan beschouw je de pedagogiek als kunst en dan weet je hoe je eerst het materiaal, de natuur van de mens, moet begrijpen. Zoals de beeldhouwer klei en ijzer heeft en deze moet bewerken, hoe je met kleur enz. moet werken, zo moet de pedagogische kunstenaar begrijpen hoe hij de wil werkzaam laat zijn in het intellect, hoe hij bezig moet zijn om het juiste samengaan, de juiste kunstzinnige plastische vorming van het intellect dat zo tegen het 7e jaar geboren wordt, met de wil te bewerkstelligen, die zich in de handen van de basisschoolleerkracht ontwikkelt tot aan de geslachtsrijpheid.
GA 301/17-25
Op deze blog vertaald/17-25

Voordracht 3 : Menschcnerkenntnis als Grundlage der Pädagogik, Basel 22 April 1920

Blz. 57    vert. blz. 57

Einfach dadurch, daß das Vorstellungsmäßige auf jene innere Verhär­tung des menschlichen Leibes geht in der ersten Lebensepoche, die ihre Kulmination erlebt im Zahnwechsel um das siebente Jahr, ist für den Menschen in dieser Zeit das wichtigste Kommunikationsmittel in seiner menschlichen Umgebung das Prinzip der Nachahmung. Alles, was der Mensch in diesen Jahren vollzieht bis zum Zahnwechsel, vollzieht er aus dem Prinzip der Nachahmung. Es ist so unendlich wichtig, was die Umgebung eines Kindes tut in diesem Lebensalter; denn das Kind macht einfach nach. Es gehört zu den Kräften dieses Lebensalters, daß das Kind nachmacht. Und dieses Nachmachen hängt zusammen mit den­selben Kräften, die die zweiten Zähne aus dem Kiefer herausholen. Es sind dieselben Kräfte und wir haben gesehen, es sind die vorstellenden Kräfte. Die vorstellenden Kräfte sind zugleich die gestaltenden Kräfte. Es sind die Kräfte, die im Prinzip des Nachahmens im Kinde wirken.Denken Sie sich, was das heißt, wenn man das einsieht nicht nur mit dem Verstande, nicht bloß intellektuell, wenn man das einsieht mit dem ganzen Menschen, mit der ganzen Seele, wenn man dafür volles universell menschliches Verständnis hat! Das heißt, ich weiß, wenn ich vor einem noch nicht siebenjährigen Kinde etwas tue, so tue ich das nicht nur für mich, sondern es setzt sich mein Tun in das Tun des Kin­des hinein fort. Ich bin nicht allein mit meinem Tun. Wir werden sehen: ich bin nicht allein mit meinem Tun, mit meinem Wollen, mit meinem Fühlen, ich bin nicht allein mit meinem Denken oder Vorstel­len, denn die wirken als Imponderabilien. Und etwas anderes ist es, wie wir sehen werden, ob ich mit einer guten Gesinnung neben dem Kinde lebe und das Kind neben mir aufwachsen lasse, oder mit einer schlechten Gesinnung. Da wirken Imponderabilien, die heute noch nicht gewürdigt sind.

Voordracht 3: Menskunde als basis voor de pedagogie, Bazel, 22 april 1920

Simpelweg door het feit dat wat met het voorstellen heeft te maken, berust op die inwendige verharding van het menselijk lichaam in de eerste fase, is voor de mens in die tijd het belangrijkste communicatiemiddel in zijn menselijke omgeving het principe van de nabootsing. Alles wat de mens in deze jaren tot de tandenwisseling doet, doet hij vanuit het principe van de nabootsing. En oneindig belangrijk is, wat de omgeving van een kind doet in deze levensfase; want het kind doet eenvoudigweg na. Het hoort bij de krachten in deze levensfase dat het kind nabootst. En dit nabootsen hangt samen met dezelfde krachten die de blijvende tanden uit de kaak werken. Het zijn dezelfde krachten en we hebben gezien, dat het de krachten zijn waarmee je je voorstellingen maakt. Deze voorstellende krachten zijn tegelijkertijd plastische krachten.
Het zijn de krachten die in het principe van de nabootsing in het kind werken. Denk u eens in wat dat betekent, wanneer je dat niet alleen met je verstand inziet, niet alleen maar intellectueel, wanneer je dat inziet als volledige mens, met heel je ziel, wanneer je daarvoor een volledig universeel begrip hebt. Dat betekent, dat ik weet, wanneer ik voor een nog niet zevenjarig kind iets doe, ik dat niet voor mezelf doe, maar dat wat ik dóe, verder gaat in wat het kind doet. Ik ben met mijn manier van doen niet alleen. We zullen zien: ik ben niet alleen met mijn manier van doen, met wat ik wil, met wat ik voel, ik ben niet alleen met wat ik denk of met wat ik me voorstel, want dit werkt als het imponderabele. En het is wat anders, zoals we zullen zien, of ik met een goede stemming naast het kind leef en het kind naast me laat opgroeien of met een slechte stemming. Het imponderabele, dat men tegenwoordig nog niet naar waarde schat, werkt. Zoals men de samenhang van het geest-zielswezen met het enkele fysieke orgaan niet naar waarde schat, zo schat men niet naar waarde wat tussen de mensen aanwezig is, als een reële kracht: geest en ziel zelf.
GA 301/57
Op deze blog vertaald/57

Voordracht 5: Einiges über den Lehrplan, Basel, 26 april 1920

Blz. 81

Wenn wir von dem Äußeren mehr in das Innere gehen, ist es wich­tig, zu sehen, wie das Kind zunächst im 6., 7., 8. Jahr gar nicht dazu veranlagt ist, sich schon als eine Ich-Wesenheit von seiner Umgebung zu unterscheiden, und man nimmt gewissermaßen der gesunden Natur des Menschen etwas weg, wenn man diesen Unterschied der Ich-Wesen­heit von der Umgebung zu früh entwickelt.

Voordracht 5: Iets over het leerplan, Bazel, 26 april 1920

Wanneer we van het uiterlijke meer op het innerlijke overgaan, is het belangrijk om te zien hoe het kind op 6-, 7-, 8-jarige leeftijd vanuit zijn wezen helemaal niet in staat is, zich al te kunnen onderscheiden als een Ik-wezen tegenover de omgeving en je haalt iets van de gezonde mensennatuur af, wanneer je dit onderscheid Ik-wezen en natuur te vroeg ontwikkelt.

Bis zum Zahnwechsel hin entwickelt sich der Mensch eigent­lich als eine Art Nachahmer. Es liegt im Prinzip, daß der Mensch seine Umgebung nachahmt. Wir würden nicht sprechen lernen, wenn wir nicht Nachahmer wären in dieser Zeit. Dieses Prinzip der Nachahmung geht dann noch in die folgenden Jahre hinein, bis ins 9. Lebensjahr etwa. 

Tot aan de tandenwisseling ontwikkelt de mens zich eigenlijk als een soort nabootser. Dat komt door het principe dat de mens zijn omgeving nabootst. We zouden niet leren spreken, wanneer wij geen nabootsers zouden zijn in deze tijd. Dit principe van nabootsen zet zich nog voort in de volgende jaren, tot in het 9e levensjaar ongeveer.
GA 301/81
Op deze blog vertaald/81

Over animisme

Blz. 125  vert. blz. 125

Voordracht 8: Zoologie und Botanikunterricht vom 9. bis 12. Jahr, Basel, 3 mei 1920

Bedenken Sie, was man heute oft­mals sagt, wenn sich ein Kind an einer Tischecke einen Schmerz zufügt und in der Wut den Tisch schlägt. Man sagt dann, das Kind habe in seiner Seele etwas, das man Animismus nennt. Das Kind belebe den Tisch, schiebe gewissermaßen seine Seele in den Tisch hinein. Dies ist indessen eine unmögliche Theorie. Warum? Weil sich das Kind nicht als ein unmittelbar Lebendiges betrachtet, das sich in den Tisch hineinversetzt, den Tisch von sich aus personifiziert, sondern weil das Kind sich selber nicht lebendiger denkt als den Tisch. Das Kind schaut den Tisch an, und es hat noch nicht mehr an sich erlebt, als es äußerlich am Tisch erlebt. Nicht, daß das Kind den Tisch personifiziert, sondern, wenn ich mich so ausdrücken darf, es vertischt seine Persönlichkeit, es macht seine Persönlichkeit nicht reicher als der Tisch ist. Wenn Sie daher dem Kinde Märchen erzählen, Fabeln erzählen, dann reden Sie ihm von so vielem, als das Kind von der äußeren Welt auffassen kann. Das muß bis zum 9. Lebensjahre geschehen.

Voordracht 8: Dier- en plantkunde voor het 9e – 12e jaar, Basel, 3 mei 1920 

Denk er eens over wat men tegenwoordig vaak zegt, wanneer een kind zich aan de hoek van een tafel pijn doet en in zijn boosheid de tafel slaat. Dan wordt er gezegd dat het kind in zijn gevoel iets heeft wat men animisme noemt. Het kind ervaart de tafel, legt in zekere zin zijn ziel in die tafel. Dit is ondertussen wel een onmogelijke theorie. Waarom? Omdat het kind zichzelf niet zo zondemeer als een levend wezen ziet dat zich verplaatst in de tafel, de tafel van hem uit personifieert, maar omdat het kind zichzelf niet meer vindt leven dan de tafel. Het kind kijkt naar de tafel en heeft van zichzelf nog niet meer beleefd dan het uiterlijk aan de tafel beleeft. Niet dat het kind de tafel personifieert, maar – wanneer ik het zo zeggen mag – het ‘vertafelt’ zijn persoonlijkheid, het maakt zijn persoonlijkheid niet rijker dan de tafel is.
Wanneer je het kind sprookjes, fabels vertelt, praat je over zoveel als het kind van de wereld kan opnemen. Dat moet tot het 9e jaar gebeuren.
GA 301/125
Op deze blog vertaald/125

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Over de werking van de omgeving op een kind: zie het ‘hersenvoorbeeld‘ in dit artikel.

Rudolf Steiner over spel

Over de werking van tv op kleine kinderenopvoedingsvragen onder nr. 19  m.n. [19-10]
.
Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2138

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-1/8)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar

ga 298

.                                  RUDOLF STEINER IN DER WALDORFSCHULE

Vertaald als:                             BESTE OUDERS, LIEVE KINDEREN

In een artikel:                  Die pädagogische Grundlage der Waldorfschule

De pedagogische basis van de vrijeschool

Stuttgart 1919

In der Zeit von der Geburt bis zum sechsten oder siebenten Lebensjahre ist der Mensch dazu veranlagt, sich für alles, was an ihm zu erziehen ist, ganz an die ihm nächststehende menschliche Umgebung hinzugeben und aus dem nachahmenden Instinkt heraus die eigenen werdenden Kräfte zu gestalten.

In de tijd vanaf de geboorte tot aan het zesde of zevende jaar heeft de mens de aanleg zich helemaal, voor wat er opvoedend met hem gedaan kan worden, over te geven aan de menselijke omgeving die het dichtst bij hem staat en vanuit een instinct om na te bootsen de eigen zich ontwikkelende krachten vorm te geven.
GA 298/11

Die Schuhlgewohnheiten der niedergehenden Zeit un die Schulpraxis des kommenden Tages

De schoolgewoontes in een tijd die afloopt en de praktijk van de school voor de toekomst

Stuttgart, ouderavond van 11 juni 1920

Das Kind übernimmt alle Nuancen, die in seiner Umgebung angeschlagen werden, in feiner Weise.

Op een fijnzinnige manier neemt het kind alle nuances die vanuit zijn omgeving een werking hebben, in zich op. Hier (ook) gezegd voor basisschoolkind.
GA 298/54

.

Op een fijnzinnige manier neemt het kind alle nuances die vanuit zijn omgeving een werking hebben, in zich op.

 

Der Verkehr des Lehrers mit dem Elternhause im Geiste der Waoldorfschul-Pädagogik

De omgang van leraar met het ouderlijk huis in de zin van de vrijeschoolpedagogie

Voordracht van 1 juni 1924 te Stuttgart

Das Kind bis zum Zahnwechsel ist durchaus darauf angewiesen, alles, was es sich erzieherisch aneignet, sich anzueignen durch Nachahmung. Was man dem Kinde vormacht, das wirkt auf das Kind wie ein äußerer Reiz, der unmittelbar die ganze körperliche Organisation – an der einen Stelle mehr sichtbar, an der anderen Stelle weniger sichtbar – zum Nachahmen des Eindrucks aufruft. Wir brauchen ja, um das zu erhärten, nur die schwerwiegende Tatsache ins Auge zu fassen, daß die Mutter­sprache vom Kinde ganz und gar durch Nachahmung errungen wird. Da geht die Nachahmung tief in die menschliche physische und seelische Organisation hinein. Da muß berücksichtigt werden, daß irgendein Laut, der gesprochen wird, in seiner Vibration, in seiner Wellenbewe­gung von dem Kinde noch viel intensiver empfunden wird als das später im Leben der Fall ist. Und alle Einstellung des Kehlkopfes, alle innere Durchseelung der Organe beruht selbst in der Sprache, wenn die Muttersprache 

Het kind is tot de tandenwisseling er volkomen op aangewezen, alles wat het zich vanuit de opvoeding eigen maakt, dat door nabootsing te doen. Wat het kind wordt voorgedaan, werkt op het kind als een uiterlijke prikkel die meteen het hele lichamelijke organisme – op de ene plaats zichtbaarder dan op de andere – aanzet de indruk na te bootsen.We hoeven om het te onderbouwen slechts naar het belangrijke feit te kijken dat de moedertaal door het kind uitsluitend door nabootsing wordt aangeleerd. Daarbij gaat de nabootsing diep in het menselijk fysieke en de psyche naar binnen.  Daarbij moet wel in ogenschouw genomen worden, dat een bepaalde klank die wordt uitgesproken, met de bijbehorende vibraties, golfbewegingen door het kind nog veel intenser ervaren wordt, dan dat dit later in het leven het geval is. Het instellen van het strottenhoofd, alles wat bezieling is van de organen, berust zelfs op de spraak; 

Blz. 209

in Betracht kommt, auf Nachahmung; und so alles im Leben des Kindes bis zum Zahnwechsel. Dem Kinde gegenüber beruht dieses Sprechen von Vererbung nur darauf, daß diejenigen, die davon sprechen, keinen richtigen Beob­achtungssinn haben. Sonst würden sie herausfinden, daß im Grunde genommen vieles von dem, was heute der dunklen mystischen Verer­bung zugeschrieben wird, eigentlich gesucht werden muß in der klar überschaubaren Nachahmung, zu der das Kind hinorientiert ist. Gerade wenn man recht einsieht, wie stark die Neigung zum Nachahmen beim Kinde ist, so bekommt man im eminentesten Sinn die heiligste Scheu und die tiefste Schätzung für dasjenige, was der Zusammenhang des Kindes mit den Eltern ist. Aber bedenken wir, wie eng gerade das seelische Leben, das sich heraushebt aus diesem ganzen Nachahmungsleben, wie eng dieses seeli­sche Leben dadurch, daß das Kind ein nachahmendes Wesen ist, mit dem elterlichen Leben zusammenwächst.

wanneer het de moedertaal betreft, op nabootsing en eigenlijk alles in het leven van het kind tot de tandenwisseling. Spreken over erfelijkheid berust, wat het kind aangaat alleen op het feit dat degenen die het over erfelijkheid hebben, niet over een goed waarnemingsvermogen beschikken. Want anders zouden ze wel ontdekken dat in de grond van de zaak veel van wat tegenwoordig aan de vage, mystieke erfelijkheid wordt toegeschreven, eigenlijk gezocht moet worden in de duidelijk te overziene nabootsing, waarop het kind gericht is. Juist wanneer je goed ziet hoe sterk bij het kind de hang naar nabootsen is, krijg je op een buitengewone manier de grootste eerbied en hoogste achting voor wat een innerlijke verbinding van het kind met zijn ouders is.
Maar laten we wel bedenken hoe nauw verbonden juist het gevoelsleven dat uit dit hele nabootsingsleven naar buiten komt, hoe dit gevoelsleven omdat het kind een nabootsend wezen is, zo nauw met het leven van de ouders samengroeit.

Und sieht man gar im Sinne einer anthroposophischen Geisteswissen­schaft auf das, was alldem in den geistigen Weltenzusammenhängen zugrunde liegt, dann sagt man sich erst recht: der Mensch kommt ja, da er, bevor er sein physisches Dasein antritt, ein geistiges Wesen ist, der Mensch kommt ja, trotzdem er ein freies Wesen ist, für die verschieden­sten Gestaltungen des Lebens – ich sage nicht Verrichtungen, aber Gestaltungen – mit einem ganz bestimmten Schicksal in das Erdendasein hinein. Schaut man auf der einen Seite darauf, wie sich dieses Schicksal mit einer inneren Gesetzmäßigkeit aus den oft kleinsten Erlebnissen des Kindes herauszieht bis in das reife Alter, ja bis in das höchste Alter hinein, sieht man auf der anderen Seite, wie das Kind zusammenwächst mit den Eltern dadurch, daß es ein nachahmendes Wesen ist, sieht man dieses wirklich mit allen zugrunde liegenden geistigen Zusammenhängen an, dann bekommt man Empfindungen, die einen, man darf schon sagen, religiösen Charakter haben gegenüber dem, was man in dem Kinde gegeben hat, wenn man es als Lehrer oder Erzieher zur Erziehung, zum Unterrichte empfängt.

En kijk je naar alles wat er ten grondslag ligt aan de geestelijke samenhang in de wereld vanuit de antroposofische geesteswetenschap, dan kun je pas met recht zeggen; de mens komt omdat hij vóór zijn aardeleven een geestelijk wezen is, hoewel hij een vrij wezen is, voor alle mogelijke levensvormen – ik zich niet daden – maar vormen – met een heel bepaald lot op aarde. Kijk je aan de ene kant hoe dit lot zich met een innerlijke wetmatigheid uit de vaak kleinste belevingen van het kind tot aan een hoge leeftijd zichtbaar wordt, ja tot op zeer hoge leeftijd, dan zie je aan de andere kant hoe het kind een eenheid vormt met zijn ouders doordat hij een wezen is dat nabootst, je ziet dit werkelijk met alle daaraan ten grondslag liggende geestelijke samenhang, en dan krijg je daardoor gevoelens die, je mag wel zeggen een religieus karakter hebben, als je kijkt naar wat je met het kind gekregen hebt, wanneer je het als leerkracht of opvoeder als leerling of opvoedeling toevertrouwd wordt.
GA 298/208-209
Vertaald

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Over de werking van de omgeving op een kind: zie het ‘hersenvoorbeeld‘ in dit artikel.

Rudolf Steiner over spel

Over de werking van tv op kleine kinderenopvoedingsvragen onder nr. 19  m.n. [19-10]
.
Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2136

.

 

.