Categorie archief: vrijeschool pedagogie

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (10-7)

.

*GA 293         Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

MENS EN DIER

Nadat Steiner het motief van hoofd – borst – ledematen met de cirkels, het ronde en het stralende, nog een keer herhaalt, sluit hij dat a.h.w. af met het wijzen op lichaam, ziel en geest.  [10-2]  [10-3]  [10-4]

En via ‘geest’ komt hij nu ook nog eens terug op het concilie van Constantinopel in 869, wat hij al deed in voordracht 3 [3-2]

Hij noemt daar een aantal gevolgen.

Blz. 156    vert. 151

Geist gibt es seit dem Jahre 869 für die vom Katholizismus ausgehende Kultur des Abendlandes nicht mehr. – Aber mit der Beziehung zum Geiste ist abgeschafft worden die Beziehung des Menschen
zur Welt. Der Mensch ist mehr und mehr in seine Egoität hineingetrieben worden. Daher wurde die Religion selbst immer egoistischer und
egoistischer, und heute leben wir in einer Zeit, wo man, ich möchte
sagen, wiederum aus der geistigen Beobachtung heraus die Beziehung
des Menschen zum Geiste und damit zur Welt kennenlernen muß.
Wer hat denn eigentlich die Schuld, daß wir einen naturwissenschaftlichen Materialismus bekommen haben? Daß wir einen naturwissenschaftlichen Materialismus bekommen haben, daran hat die Hauptschuld die katholische Kirche, denn sie hat im Jahre 869 auf dem Konzil von Konstantinopel den Geist abgeschafft. Was ist damals eigentlich geschehen?

Geest bestaat niet meer – sinds 869 – voor de van het katholicisme uitgaande cultuur van het Avondland. –
Maar met de afschaffing van de verbinding met de geestelijke wereld is ook de verbinding van de mens met de wereld afgeschaft. De mens is meer en meer op zijn ego teruggeworpen. Daardoor werd de religie zelf steeds egoïstischer, en tegenwoordig leven we in een tijd waarin we – laten we het zo uitdrukken – weer vanuit de geestelijke waarneming de verbinding van de mens met de geestelijke
wereld en daardoor met de wereld moeten leren kennen.
Wie is er eigenlijk schuldig aan, dat we een natuurwetenschappelijk materialisme hebben gekregen? Dat we een natuurwetenschappelijk materialisme hebben gekregen, is voornamelijk te wijten aan de katholieke kerk, want die heeft in 869 op het Concilie van Constantinopel de geest afgeschaft.

Omdat – zoals we zagen – de ledematen het meest ‘geest’ zijn – viel een begrip daarvoor weg en dat opende de weg naar ‘de mens als (hoger)* dier’.

Blz. 157   vert. blz. 152

Gerade indem die katholische Kirche dem Menschen verborgen hat die Natur
seiner Gliedmaßen, seinen Zusammenhang mit der Welt, hat sie verursacht, daß die spätere materialistische Zeit verfallen ist in die Idee, die nur für den Kopf eine Bedeutung hat, die sie aber für den ganzen Menschen anwendet.

Juist doordat de katholieke kerk voor de mens de ware aard van zijn ledematen, zijn verbinding met de wereld, heeft verborgen, is ze er de oorzaak van dat de latere materialistische tijd een gedachte koestert die alleen voor het hoofd geldt, maar door het materialisme voor de hele mens gehanteerd wordt. In wezen heeft de katholieke kerk het materialisme op het gebied van de evolutieleer gecreëerd

En dan: 

Die katholische Kirche ist in Wahrheit die Schöpferin des Materialismus auf dem Gebiet der Evolutionslehre. 

In wezen heeft de katholieke kerk het materialisme op het gebied van de evolutieleer gecreëerd.
GA 293/156
Vertaald/152

*In mijn jeugd was het zo: of je geloofde de Bijbel – de mens is door God geschapen, of je nam aan wat wetenschappelijk gemeengoed was: de mens stamt af van de dieren.
Toen ik naar de middelbare school ging, gebruikten we bij biologie een methode: ‘Leerboek der dierkunde – deel 1: de mens’.
Dat ‘afstammen van de dieren’ werd op zeker ogenblik meer specifiek ‘van de apen’.
Met het boek van Desmond Morris ‘De naakte aap – een zoölogische studie van het menselijke dier’ – werd in 1967 concreet wat al lang werd gedacht en uitgesproken.
(In 1931 duidde de Belgische dichter Raymond Herreman in het gedicht Euridice (1931) de mens al aan als ‘naakte aap’).

Ik was laatst in een restaurant waar ik op een kast dit beeldje aantrof:

 

 

 

 

 

 

 


En er zijn allerlei afbeeldingen te vinden in deze trant:

Maar in verschillende wetenschapsdisciplines is deze idee los gelaten en wordt nu aangenomen dat de afstamming van de mens veel eerder dan ‘na de chimpansee’ zich als een aparte tak afsplitste van een gemeenschappelijke voorouder.

Veel mensen denken dat de mens afstamt van de mensapen, zoals de chimpansee. Dat is echter niet waar. We delen weliswaar een voorouder, maar beide soorten hebben miljoenen jaren evolutie doorgemaakt. “Onze gemeenschappelijke voorouder was noch mens, noch chimpansee.”
Kennislink, maart 2023


Voor veel mensen is dit nog ‘de wetenschap’ over de afstamming van de mens, een soort gemeengoed dus.

Tegelijkertijd heeft de mening dat de mens een dier is, zich sterker en met meer overtuigingskracht verspreid.
Telkens kom je wel ergens tegen ‘de mens en de andere dieren’.
Soms twijfelend uitgesproken, soms met een een onwetenschappelijke zekerheid, zoals bij Trouw-columnist Jelle Reumer: ‘De mens is een dier. PUNT UIT!
Dan is het niet vreemd dat de grote verschillen die er tussen mens en dier bestaan, niet meer worden gezien. Deze zelfde Reumer zegt vervolgens: ‘‘Niets menselijks is de dieren vreemd. (…)’.

Wie zich verdiept in het mensbeeld dat in de Algemene menskunde verschijnt, of ruimer, in de antroposofie, ziet meteen dat mensen die de kreet ‘de mens en de andere dieren’ bezigen, alleen naar al datgene kijken wat hier ‘astraallijf wordt genoemd.
Het Ik – de geestelijke kern van de mens die bij de dieren ontbreekt – wordt niet gezien: de geest is immers al in 869 afgeschaft!

Nu kan ik me goed voorstellen dat als je – nog weinig wetend van de vrijeschoolpedagogie – laat staan de menskundige achtergronden – als nieuwe vrijeschoolleerkracht biologie, net afgestudeerd aan de universiteit, wel even moet slikken als je met die andere visie geconfronteerd wordt.
Stel je je ervoor open of kijk je meewarig naar een stelsel van gedachten dat door jouw studie al lang achterhaald lijkt te zijn…..

Voordracht 10 laat geen ruimte om je aan de de inhoud ervan te onttrekken:

Blz. 158  vert. blz. 152

Es geziemt insbesondere dem heutigen Lehrer der Jugend, solche Dinge zu
wissen. Denn er soll sein Interesse verknüpfen mit dem, was in der
Welt geschehen ist. Und er soll die Dinge, die in der Welt geschehen,
aus den Fundamenten heraus wissen.

Vooral de leraren in deze tijd zouden zulke dingen moeten weten, want zij dienen interesse te hebben voor wat er in de wereld gebeurd is. En zij dienen de ware
achtergronden van de gebeurtenissen in de wereld te doorzien.

Das ist aber notwendig, daß insbesondere der Lehrer, der sonst mit dem werdenden Menschen gar nichts machen kann, die Kulturtatsachen aus den Fundamenten heraus zu erfassen in der Lage ist. Dann wird er etwas in sich aufnehmen, was notwendig ist, wenn er aus seinem Inneren heraus durch die
un- und unterbewußten Beziehungen zum Kinde in der richtigen Weise
erziehen will.

Maar het is noodzakelijk dat vooral de leraren in staat zijn de ware achtergronden van culturele gebeurtenissen te doorgronden, anders kunnen ze met opgroeiende mensen niets beginnen. Wanneer de leraar zich in de achtergronden verdiept, dan zal hij iets in zich opnemen wat noodzakelijk is, wil
hij vanuit zijn innerlijk, via on- en onderbewuste verbindingen met het kind, op de juiste wijze opvoedend werken.

Over dit ‘vanuit zijn innerlijk, via on- en onderbewuste verbindingen’ heeft Steiner vaker gesproken. 
Hij gebruikt dan dikwijls ook het woord ‘imponderabel’.

Zie Steiner over het imponderabele.

Hier vind je de meeste van die opmerkingen die er allemaal op neerkomen dat het van wezenlijk belang is voor de verhouding met je leerlingen hoe je over de opgroeiende mens denkt.
Dat is de mens als geestelijk wezen.
Dus niet een mens bij wie de geest ontbreekt.
Zoals het zo kernachtig in de morgenspreuk wordt verwoord:

‘(de wereld) waarin de mens, bezield, de geest een woning geeft.

De drieledige mens dus!

Denn dann wird er vor dem Menschengebilde die richtige Achtung haben.

Want dan zal hij werkelijk eerbied hebben voor de mens als schepping.

Er wird anders an dieses menschliche Gebilde herantreten, als wenn er nur so etwas wie ein besser ausgebildetes Viehchelchen, einen besser ausgebildeten Tierleib im Menschen sieht. Heute tritt der Lehrer im Grunde genommen, wenn er sich auch manchmal in seinem Oberstübchen Illusionen darüber hingibt,
er tritt mit dem deutlichen Bewußtsein vor den anderen Menschen hin, daß der aufwachsende Mensch ein kleines Viehchelchen, ein Tierlein ist und daß er dieses Tierlein zu entwickeln hat – etwas weiter, als es die Natur schon entwickelt hat.

Hij zal zich anders opstellen tegenover het bouwwerk van de mens dan wanneer hij in de mens alleen maar een soort beter ontwikkeld beestje ziet, een beter ontwikkelde diergestalte. De leraar van tegenwoordig stelt zich – hoewel hij wel eens in zijn bovenkamer de illusie heeft dat dat anders is – toch zo op, dat volgens hem de opgroeiende mens een klein beestje, een klein diertje is, en dat hij dit diertje moet ontwikkelen – iets verder dan de natuur al gedaan heeft.

Door Steiners mededelingen kunnen vrijeschoolleerkrachten tot die stemming geraken die hier wordt bedoeld.
Dat wil voor mij niet per definitie zeggen dat leerkrachten die deze gezichtspunten niet kennen, geen goede opvoeders en lesgevers zouden kunnen zijn. [Opspattend grind]
Evenals dat mensen die het standpunt huldigen dat ‘de mens ook een dier is’. per definitie hun medemens anders behandelen dan iemand die over ‘de kroon van de schepping’ spreekt. 

Toch – en dat is een eigen ervaring – kunnen deze gezichtspunten je dieper doordringen van het gegeven hoe uniek ieder mens, dus ook iedere leerling is. Je kan nog meer recht doen aan het feit dat deze een individuele geest is/heeft, een volkomen uniek Ik waarvoor je als opvoeder moet zorgen.

Anders wird er fühlen, wenn er sagt:
Da ist ein Mensch, von dem gehen Beziehungen aus zur ganzen Welt, und in jedem einzelnen aufwachsenden Kind habe ich etwas, wenn ich daran etwas arbeite, tue ich etwas, was in der ganzen Welt eine Bedeutung hat. Wir sind da im Schulzimmer: in jedem Kinde liegt ein Zentrum von der Welt aus, vom Makrokosmos aus. Dieses Schulzimmer ist der Mittelpunkt, ja viele Mittelpunkte für den Makrokosmos. –

Hij (de opvoeder) zal heel andere gevoelens hebben, wanneer hij zegt: daar is een mens; van hem uit bestaan er verbindingen met de hele wereld; in ieder afzonderlijk kind dat opgroeit leeft iets – wanneer ik daaraan werk, dan doe ik iets wat betekenis heeft voor de hele wereld. We zijn in de klas. In ieder kind ligt een centrum van de wereld, van de macrokosmos uit gezien. Deze klas is het middelpunt, ja, er zijn hier vele middelpunten voor de macrokosmos

Er wird in dem Menschengebilde überall die Beziehungen zur großen Welt sehen.

Hij zal in de vorm van de mens overal verbindingen met de grote wereld
zien.

Denken Sie sich, lebendig das gefühlt, was das bedeutet! Wie da die Idee vom Weltenall und seinem Zusammenhang mit dem Menschen übergeht in ein Gefühl, welches durchheiligt alle einzelnen Vornahmen des Unterrichtes. Ohne daß wir solche Gefühle vom Menschen und vom Weltenall haben, kommen wir nicht dazu, ernsthaftig und richtig zu unterrichten. In dem Augenblick, wo wir solche Gefühle haben, übertragen sich diese durch unterirdische Verbindungen auf die Kinder.

Denkt u zich eens in, voelt u dat eens mee, wat dat betekent! Dat betekent dat daar de idee van het heelal en zijn verbinding met de mens overgaat in een gevoel dat alle afzonderlijke handelingen in het onderwijs tot heilige daden maakt. Zonder zulke gevoelens over de mens en de kosmos zullen we niet in volle ernst en op de juiste wijze kunnen onderwijzen. Zodra we zulke gevoelens hebben, worden ze via onderaardse verbindingen op de kinderen overgedragen.

Blz. 159  vert. 153

Gehen Sie in die Schule hinein nur mit egoistischen Menschengefühlen, dann brauchen Sie alle möglichen Drähte – die Worte -, um sich mit den Kindern zu verständigen. Haben Sie die großen kosmischen Gefühle, wie sie entwickeln solche Ideen, wie wir sie eben entwickelt haben, dann geht eine unterirdische Leitung zu dem Kinde. Dann sind Sie mit den Kindern eins. Darin liegt etwas von geheimnisvollen Beziehungen von Ihnen zum Schulkinderganzen. Aus solchen Gefühlen heraus muß auch das aufgebaut sein, was wir Pädagogik nennen. Die Pädagogik darf nicht eine Wissenschaft sein, sie muß eine Kunst sein.

Stapt u de school in met enkel egoïstische mensengevoelens, dan heeft u allerlei draden – woorden namelijk – nodig, om met de kinderen te communiceren.
Heeft u grote kosmische gevoelens, die opgeroepen worden door ideeën als die welke wij net ontwikkeld hebben, dan gaat er een onderaardse leiding naar het kind. Dan bent u één met de kinderen. Dat is een facet van de geheimzinnige verbindingen die er bestaan tussen u en de schoolklas. Wat wij pedagogie noemen, moet uit zulke gevoelens opgebouwd zijn. De pedagogie mag geenszins
een wetenschap zijn, ze moet een kunst zijn.

Andere plaatsen waar Steiner iets soortgelijks opmerkt:

Als Frage der übersinnlichen Welt an die sinnliche, so sollte eigentlich vor dem Gemüte des Lehrenden  oder Erziehenden jedes Kind stehen.

In het gemoed van de leraar of de opvoeder zou eigenlijk ieder kind gezien moeten worden als een vraag van de boven­zinnelijke wereld aan de zintuiglijke wereld.
GA 296/70
Vertaald/81

( ) für ihn ist der einzelne Zögling ein Rätsel. Für ihn ist dasjenige, was im einzelnen Zögling sich auslebt, etwas, das mit jedem Tag, mit jeder Stunde lebendig gelöst werden muß.

Voor de vrijeschoolpedagoog is iedere leerling een raadsel; iets wat in iedere individuele leerling tot uiting komt en wat op een levendige manier elke dag, elk uur opgelost moet worden.
GA 297/136  
Op deze blog vertaald/136

Denn durch die Geburt bringen wir aus der geistigen Welt unsere Anlagen mit. Jedesmal, wenn ein Mensch geboren wird, kommt eine Botschaft aus der geistigen Welt in die physisch-sinnliche Welt herunter.

Met de geboorte brengen wij uit de geestelijke wereld onze aanleg mee. Iedere keer, wanneer er een mens wordt geboren, komt er een boodschap uit de geestelijke wereld in de fysiek-zintuigelijke.
GA 297a/34
Op deze blog vertaald/34

Man soll sich nicht sagen: du sollst dies oder jenes in die Kinderseele hineingießen, sondern du sollst Ehrfurcht vor seinem Geiste haben. Diesen Geist kannst du nicht entwickeln, er entwickelt sich selber. Dir obliegt es, ihm die Hindernisse seiner Entwicklung hinwegzuräumen, und das an ihn heranzubringen, das ihn veranlaßt, sich zu entwickeln.

Je moet niet tegen jezelf zeggen: dit of dat moet je in de kinderziel naar binnen gieten, maar je moet eerbied hebben voor zijn geest. De geest kun je niet ontwikkelen, die ontwikkelt zichzelf. Het is je taak alles wat hem kan hinderen bij zijn ontwikkeling uit de weg te ruimen en hem bij te brengen wat hem in staat stelt zich te ontwikkelen.
GA 305/74
Vertaald/80

Wenn uns der Mensch in diesem Erdendasein das wertvollste Geschöpf der Götter ist, dann müssen wir vor allen Dingen fragen: Was haben die Götter in dem Menschen vor uns hingestellt? Wie haben wir dasjenige, was sie uns überlassen haben, hier auf Erden an dem Menschen zu entwickeln?

Als de mens in dit aardebestaan voor ons het waardevolste schepsel van de goden is, dan moeten we voor­al vragen: wat hebben de goden in de mens voor ons neerge­zet? Hoe moeten we dat wat zij aan ons hebben toevertrouwd, hier op aarde aan de mens ontwikkelen?
GA 307/132    
Vertaald/169

Er (der Lehrer) soll mit einer ungeheuren Ehrfurcht vor dem Kinde stehen und wissen: da ist ein Göttlich-Gei­stiges auf die Erde heruntergestiegen. Daß wir dieses wissen, mit diesem unser Herz durchdringen und von da aus Erzieher werden, darauf kommt es an.

De leerkracht moet een ongekende eerbied voor het kind hebben en weten: iets uit de goddelijk-geestelijke wereld is naar de aarde gekomen. Dat wij dit weten, tot ons hart laten doordringen en van daaruit opvoeder worden, daar komt het op aan.
GA 311/19
Op deze blog vertaald/19

Voordracht 10 sluit af met:

Die Pädagogik darf nicht eine Wissenschaft sein, sie muß eine Kunst sein. Und wo gibt es eine Kunst, die man lernen kann, ohne daß man fortwährend in Gefühlen lebt? Die Gefühle aber, in denen man leben muß, um jene große Lebenskunst auszuüben, die Pädagogik ist, diese Gefühle, die man haben muß zur Pädagogik, die feuern sich nur an an der Betrachtung des großen Weltalls und seines Zusammenhanges mit dem Menschen.

En waar bestaat er een kunst die men kan leren zonder voortdurend in gevoelens te leven? Maar de gevoelens waarin men moet leven, om die grote levenskunst die pedagogie heet uit te kunnen oefenen, deze gevoelens die men moet hebben ten behoeve van de pedagogie, die ontvlammen alleen wanneer men het grote heelal beschouwt en zijn verbinding met de mens
GA 293/156-158
Vertaald/151-153

Zie ook
H.Poppelbaum: Mens en dier
Leen Mees: Dieren zijn wat mensen hebben
Leen Mees: De aangeklede engel

 

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
(Slechts een klein deel is daar nu oproepbaar. Voor het verkrijgen van een gratis scan: mail vspedagogie (voeg toe eraan vast) apenstaartje gmail.com)

Algemene menskunde: voordracht 10 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3551-3336

.

.

.

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het geheugen (3)

.
Een functie van het astraallijf

We kwamen er in de vorige artikelen achter dat Steiner herinneren ziet als een ‘lezen van het etherlijf door het astraallijf’.
Gebeurtenissen, waarnemingen die bij ons ‘binnen’komen – of we daar een bewust aandeel in hebben of niet – maken een indruk op ons – we gebruiken heel vaak het woord ‘indrukwekkend(e)’.
Als Steiner het woord ‘lezen’ gebruikt, denken we misschien te snel aan een boek, dus aan een concreet, vast ding.
Maar dat is het etherlijf allerminst: er wordt over gezegd dat het beweegt, stroomt, fluctueert. Ook dat het krachten zijn, vormende, (groei)-krachten.
En dát zou het astraallijf dan lezen.

Uit andere mededelingen weten we dat het astraallijf de drager is van het bewustzijn.
Als we dus door ons iets te herinneren ‘er weet van hebben’, heeft het astraallijf dus iets kunnen lezen.
Om even in dit beeld te blijven: hoe duidelijk is dan dát wat ingeschreven werd, is het een duidelijke tekst, eventueel in hoofdletters of is het een vaag, a.h.w. verbleekt schrift. M.a.w. hoe staat/zit het in het etherlijf (gegrift).

Het etherlijf

Op verschillende plaatsen noemt Steiner het etherlijf  ‘de drager van het geheugen, de herinneringen’.
Stel dat we in dit geval eens zouden zeggen: als ‘iets’ ‘iets’ moet dragen, moet het sterk genoeg zijn om dat te kunnen doen.

En voor vrijeschoolleerkrachten zou dus de vraag kunnen zijn: ‘Als ik mijn leerlingen iets wil leren dat ze zich moeten blijven herinneren, moet ik dan niet eerst het instrument zo sterk maken dat het de kracht, het vermogen krijgt om te dragen. 

De ontwikkeling van het geheugen is voor Steiner iets zeer belangrijks, wat uit deze woorden blijkt:

Eine Seelenkraft, auf welche in dieser Zeit der menschlichen Entwicklung besonderer Wert gelegt werden muß, ist das Gedächtnis.

Een innerlijk vermogen, dat in deze ontwikkelingsfase van het kind een bijzondere aandacht verdient, is het geheugen.

In deze ontwikkelingsfaseis de 2e fase, die tussen tandenwisseling en puberteit.

Die Entwicklung des Gedächtnisses ist eben an die Umbildung des Ätherleibes gebunden.

De ontwikkeling van het geheugen is immers ten nauwste verbonden met de verandering van het etherlijf.

Da dessen Ausbildung so erfolgt, daß er gerade zwischen Zahnwechsel und ­Geschlechtsreife frei wird, so ist diese Zeit auch diejenige, in der von außen bewußt auf die Fortentwicklung des Gedächtnisses gesehen werden muß. Das Gedächtnis wird bleibend einen geringeren Wert haben, als es hätte für den betreffenden Menschen haben können, wenn in dieser Zeit das Entsprechende versäumt wird. Das Vernachlässigte kann später nicht mehr nachgeholt werden.

Daar deze ontplooiing zo verloopt, dat juist tussen tandenwisseling en geslachtsrijpheid het etherlichaam vrij wordt, moet ook in deze tijd van buitenaf, bewust gewerkt worden aan een verdere vorming van het geheugen. Als tijdens deze fase het noodzakelijke op dit gebied verzuimd wordt, dan zal het geheugen van degeen, die dat verzuim betreft, zwakker blijven dan wel nodig was geweest. Het verzuimde kan later niet meer worden ingehaald.
GA 34/333-334
Vertaald

Dat betekent dat we pas rond of na de tandenwisseling gericht aan het geheugen moeten gaan werken. 

En vóór de tandenwisseling dan?

In de 1e zeven jaar werkt het etherlijf nog aan het fysieke lichaam: het is er a.h.w. nog zo mee verbonden dat het nog niet zelfstandig is. 
Steiner maakt wat dit ‘nog niet zelfstandig’ betreft, een vergelijking met het fysieke lichaam van het ongeboren kind: ook dit is nog niet zelfstandig en wordt indirect – van binnenuit – ontwikkeld. 
Na de geboorte van het fysieke lichaam is het etherlijf daarin nog niet zelfstandig; het werkt er ‘van nature’; we moeten het z’n gang laten gaan, zoals we een bloem die wil gaan bloeien haar gang laten gaan. Alvast wat blaadjes eruit peuteren o.i.d. levert alleen schade op en zeker niet de bloem die op weg was ‘zichzelf’ te worden.  

Als het etherlijf dan ‘klaar’ is met het opbouwwerk, komt dit tot een zichtbare afsluiting in de tandenwisseling. Dit gezichtspunt verwoordt Steiner in vele voordrachten: over de tandenwisseling.

Als je al die passages bestudeert, krijg je een indruk van de werkzaamheid van het etherlijf in de eerste zevenjaar. 
Voor een gezonde ontwikkeling kunnen we niets anders doen dan voorwaarden scheppen waaronder het etherlijf zijn opbouwende werk kan verrichten.
Zie bv. in GA 34.

En zoals we na de fysieke geboorte het fysieke lichaam verzorgen, zo moeten we na de geboorte van het etherlijf dit prille zelfstandig wordende etherlijf ook verzorgen.

Vom siebenten bis zum vierzehnten Jahre darf die Erziehung des Ätherleibes in die Hand genommen werden.

Van het zevende tot het veertiende jaar mag de opvoeding van het etherlijf ter hand worden genomen.

Steiner spreekt hier over ‘opvoeding’ van het etherlijf. Een andere vorm van wat we voor het lichaam ‘voeding’ noemen.

Steiners ‘pedagogische wet’

Vóór een aantal aanwijzingen op te sommen, lijkt het me hier zinvol Steiners zgn. ‘pedagogische wet’ te noemen, die inhoudt dat de volwassene met zijn Ik inwerkt op het astraallijf van het kind, met zijn astraallijf op diens etherlijf en met zijn etherlijf op diens fysieke lichaam.
Als wij dus op het etherlijf van het kind een positieve invloed willen uitoefenen – in het kader van dit artikel nog steeds met de achterliggende gedachte het sterk te maken als geheugen/herinneringskracht – zullen we – opvoeding is zelfopvoeding – aan ons astraallijf moeten werken. Dat gaat niet zonder de ‘inschakeling’ van ons Ik.
Het een is niet los te zien van het ander, ook in groter verband niet:

Die ganze Kulturentwickelung drückt sich für den Menschen in solcher Arbeit des Ich an seinen untergeordneten Gliedern aus. Diese Arbeit geht bis in den physischen Leib hinunter. Unter dem Einflüsse des Ich ändert sich die Physiognomie, ändern sich die Gesten und Bewegungen, das ganze Aussehen
des physischen Leibes. Man kann auch unterscheiden, wie die verschiedenen Kultur- und Bildungsmittel auf die einzelnen Glieder der menschlichen Wesenheit verschieden wirken. Die gewöhnlichen Kulturfaktoren wirken auf den Empjßndungsleib; sie bringen diesem andere Arten von Lust und Unlust, von Trieben usw. bei, als er vom Ursprünge aus hatte. Die Versenkung in die Werke der Kunst wirkt auf den Ätherleib. Indem der Mensch durch das Kunstwerk die Ahnung eines Höheren, Edleren erhält als das ist, was die Sinnesumgebung darbietet, gestaltet er seinen Lebensleib um. Ein mächtiges Mittel zur Läuterung und Veredelung des Ätherleibes ist die Religion. Die religiösen Impulse haben dadurch ihre großartige Mission in der Menschheitsentwicklung.
Das, was man Gewissen nennt, ist nichts anderes als das Ergebnis der Arbeit des Ich an dem Lebensleib durch eine Reihe von Verkörperungen hindurch. Wenn der Mensch einsieht, daß er dies oder jenes nicht tun soll, und wenn durch diese Einsicht ein so starker Eindruck auf ihn gemacht wird, daß sich dieser bis in seinen Ätherleib fortpflanzt, so entsteht eben das Gewissen.

De gehele ontwikkeling van de cultuur is een uitdrukking van het feit, dat in de mens deze omwerking der lagere lichamen door het ‘ik’ plaats vindt, een omwerking, die zich tot in het fysieke lichaam voortzet. Onder invloed van het ‘ik’ veranderen het gelaat, de gebaren en bewegingen, het gehele aanzien van het fysieke lichaam. Men kan ook onderscheiden, hoe de verschillende gebieden van de cultuur en middelen van beschaving op de afzonderlijke delen van het mensenwezen verschillend inwerken. De gewone cultuurelementen beïnvloeden het gewaarwordingslichaam; zij brengen hierin een verandering teweeg, zodat andersoortige gevoelens van sympathie en antipathie, andere neigingen enzovoort optreden dan tevoren. Het zich aandachtig verdiepen in kunstwerken oefent een werking op het etherlichaam uit. Doordat het kunstwerk de mens in aanraking brengt met iets wat hoger en edeler is dan de gegeven zintuigelijke wereld, wordt het etherlichaam tot hogere ontwikkeling gebracht. Een machtig middel tot loutering en veredeling van het etherlichaam is de religie. De religieuze impulsen hebben daardoor hun grootse en verstrekkende taak in de mensheidsontwikkeling.
Dat wat men ‘geweten’ noemt, is niets anders dan het resultaat van de arbeid van het ‘ik’ aan het levenslichaam gedurende een reeks van incarnaties. Wanneer de mens inziet, dat hij de een of andere daad niet moet verrichten en wanneer dit inzicht een zo sterke indruk op hem maakt, dat deze zich tot in zijn etherlichaam voortplant, dan ontstaat geweten.

Es kann aber das Ich noch zu einer höheren ureigensten Arbeit an der eigenen Wesenheit des Menschen kommen. Dies geschieht, wenn nicht bloß der Astralleib bereichert, sondern der Äther- oder Lebensleib ­umgestaltet wird. Der Mensch lernt so manches im Leben; und wenn er von irgendeinem Punkte aus auf dieses Leben zurückblickt, so kann er sich sagen: ich habe vieles gelernt; aber er wird in einem viel geringeren Maße von einer Umwandlung von Temperament, Charakter, von einem Besser- oder ­Schlechterwerden des Gedächtnisses während des Lebens sprechen können. Das Lernen betrifft den Astralleib; die letzteren Umwandlungen dagegen betreffen den Äther- oder Lebensleib. Es ist daher kein unzutreffendes Bild, wenn man die Veränderung des Astralleibes im Leben mit dem Gang des ­Minutenzeigers der Uhr, die Umwandlung des Lebensleibes mit demjenigen des Stundenzeigers vergleicht­.

Het is echter mogelijk, dat het ‘ik’ komt tot een nog hogere individuele activiteit ter ontwikkeling van ’s mensen eigen wezen. Dit geschiedt, wanneer niet alleen het astrale lichaam wordt omgewerkt. De mens leert in zijn leven velerlei dingen; en wanneer hij op het een of andere moment terugblikt op de afgelegde levensweg, dan kan hij dit bij zichzelf constateren. Maar hij zal in veel geringere mate een verandering kunnen bespeuren in zijn temperament, zijn karakter, of zijn geheugen, hetzij dat beter of slechter is geworden tijdens zijn leven. Het leren houdt verband met het astrale lichaam, de verandering van temperament, karakter enzovoort echter met het ether- of levenslichaam. Het is daarom geen onjuist beeld, wanneer men de verandering van het astrale lichaam tijdens het leven met de gang van de grote wijzer, de omwerking van het levenslichaam daarentegen met het tempo van de kleine wijzer van een klok vergelijkt.
GA 34/318-319
Vertaald

Aber es gibt andere Kulturmittel, wodurch das Ich an sich arbeitet, und das sind die religiösen Impulse der Menschheit. Was aus der Religion stammt, ist ein arbeitender Motor des Geisteslebens, ist mehr als äußere Rechtsgrundsätze und Moralgrundlagen. Wenn das Ich auf Grund religiöser Impulse arbeitet, dann arbeitet es in den Ätherleib hinein. Ebenso wenn das Ich aufgeht in Betrachtung eines Kunstwerkes und eine Ahnung erhält, daß hinter dem sinnlichen Dasein ein Ewiges, Verborgenes verkörpert sein kann, dann wirkt die künstlerische Vorstellung nicht nur in den Astralleib, sondern der Mensch veredelt und läutert den Ätherleib. Könnten Sie einmal als praktischer Okkultist beobachten, wie eine Wagnersche Oper auf die verschiedenen Glieder der menschlichen Natur wirkt, es würde Sie überzeugen, daß besonders die Musik es ist, die ihre Vibrationen tief hineinsenken läßt in den Ätherleib. Nun ist auch der Ätherleib der Träger von alledem, was mehr oder weniger bleibend ist in der menschlichen Natur.

Maar er zijn andere culturele middelen waarmee het Ik aan zichzelf werkt, en dat zijn de religieuze impulsen van de mensheid. Wat voortkomt uit religie is een werkende motor van het spirituele leven, meer dan externe wetmatige principes en morele grondslagen. Wanneer het Ik werkt op basis van religieuze impulsen, werkt het in op het etherisch lichaam. Evenzo, wanneer het Ik verzonken is in de beschouwing van een kunstwerk en een vermoeden krijgt dat er iets eeuwigs en verborgens belichaamd kan zijn achter het zintuiglijke bestaan, dan werkt de artistieke conceptie niet alleen in op het astrale lichaam, maar veredelt en zuivert de mens ook het etherisch lichaam. Als u, als praktisch occultist*, zou kunnen observeren hoe een Wagneriaanse opera de verschillende delen van de menselijke natuur beïnvloedt, zou u ervan overtuigd zijn dat het vooral de muziek is die haar trillingen diep in het etherisch lichaam laat doordringen. Nu is het etherisch lichaam ook de drager van alles wat min of meer permanent is in de menselijke natuur.

*te begrijpen als iemand die zijn helderziende vermogens ontwikkeld heeft of aan het ontwikkelen is.

Man hat sich klarzumachen, was für ein Unterschied ist zwischen Entwicklung des Ätherleibes und des Astralleibes. Erinnern wir uns an den eigenen Lebensgang. Denken Sie nach, was Sie alle gelernt haben seit Ihrem achten Lebensjahr; das ist ungeheuer viel. Bedenken Sie den Inhalt Ihrer Seele: Prinzipien, Vorstellungen und so weiter. Das sind Veränderungen, Umwandlungen Ihres Astralleibes. Aber nun denken Sie nach, wie wenig sich bei den meisten Menschen das ändert, was man Gewohnheiten, Temperament nennt, was man allgemein Fähigkeiten nennt. Wenn jemand jähzornig ist, so hat sich das schon früh angezeigt und hat sich wenig geändert. Wenn einer ein vergeßliches Kind war, so wird er heute noch ein vergeßlicher Mensch sein. Man kann für diese ungleiche Entwicklung ein kleines Beispiel gebrauchen. Diese Entwicklung verhält sich so, wie wenn die Veränderungen des Astralleibes durch den Minutenzeiger und die Veränderungen des Ätherleibes durch den Stundenzeiger der Uhr angezeigt würden. Dasjenige, was der Mensch an seinem Ätherleib ändert, was das Ich gemacht hat aus dem Ätherleib, nennt man Buddhi oder, wenn man ein deutsches Wort gebrauchen will, Lebensgeist.

Je moet je het verschil realiseren tussen de ontwikkeling van het etherlijf en het astrale lijf. Laten we eens terugdenken aan onze eigen levensloop. Denk eens aan wat je allemaal hebt geleerd sinds je achtste; het is enorm veel. Denk eens aan de inhoud van je ziel: principes, ideeën, enzovoort. Dit zijn veranderingen, transformaties van je astrale lijf. Maar bedenk nu eens hoe weinig veranderingen er bij de meeste mensen plaatsvinden in wat we gewoonten, temperament en in het algemeen wat we vaardigheden noemen. Als iemand opvliegend is, was dat al vroeg zichtbaar en is er weinig veranderd. Als iemand een vergeetachtig kind was, zal hij dat vandaag de dag nog steeds zijn. We kunnen een klein voorbeeld gebruiken om deze ongelijke ontwikkeling te illustreren. Deze ontwikkeling gedraagt zich alsof de veranderingen in het astraallijf worden aangegeven door de grote wijzer en de veranderingen in het etherlijf door de kleine wijzer van een klok. Dat wat een mens verandert in zijn etherlijf, dat wat het Ik van het etherlijf heeft gemaakt, wordt buddhi genoemd of, als je een Duits woord wil gebruiken, Lebensgeist, levensgeest.
GA 54/125 -126
Niet vertaald

Middelen die ons ten dienste staan om onze eigen wezensdelen te cultiveren, zijn dus volgens bovenstaande tekst: kunst: kunstwerken, muziek, religie.
Er is natuurlijk meer, denk o.a. aan deze oefeningen die Steiner gaf.
Dit alles kan maken dat je ‘meer mens’ wordt. En daarmee werk je – zie de opmerkingen over het
imponderabeleop het kind.
Daarmee word je steeds meer de natuurlijke
autoriteit die Steiner bedoelt.

Dat lijkt een omweg: jezelf ontwikkelen om op de drager van het geheugen zo positief te werken, dat dit sterker wordt.
Concreter nog: ook al gaat het hierboven over de taak van het Ik, ons astraalwezen is van directe invloed op het etherlijf van de kinderen, als we van de ‘pedagogische wet’ uitgaan. En ons Ik is in staat aan ons astraallijf te werken.

Dat heeft Steiner uitvoerig beschreven in boeken en voordrachten.
Niet zo uitgebreid in de Algemene menskunde.
Naar aanleiding daarvan vatte ik e.e.a. samen in dit artikel over het geestzelf.

Voor verdere studie: vanaf hier volgen verschillende bronnen.

.

Rudolf Steiner over: geheugen

Geheugen, herinneren: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3550-3335

.

.

.

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Schoolrijpheid (8)

.
Barbara Zaar*, Erziehungskunst frühe Kindheit, zomer 2023

.

Over een goed of het best mogelijke moment om naar school te gaan

.

Voor vrijwel alle kinderen en hun ouders is de overgang van de kleuterschool naar de basisschool een cruciaal moment. Het is een langverwachte, of minder vaak gevreesde, gebeurtenis die maanden van tevoren al hun gedachten bezighoudt. Ook de leerkrachten in de kleuterschool merken dit – zowel in de emotionele verwachting van de kinderen als ook – non-verbaal – aan de signalen van veranderingsprocessen die zich niet zichtbaar afspelen. Maar wanneer is het dan eindelijk zover?

Allereerst is het belangrijk om rekening te houden met de leerplicht. Deze wordt uitsluitend bepaald door de chronologische leeftijd van het kind. Tot een paar jaar geleden was de uiterste datum in Baden-Württemberg (de dag waarop een kind zes jaar oud moest zijn) 30 september. Deze is inmiddels (net als vele jaren geleden!) vervroegd naar 30 juni.

Het blijft echter altijd de vraag of een kind in de leerplichtige leeftijd ook daadwerkelijk klaar is voor school, of dat uitstel overwogen moet worden. Deze beslissing ligt doorgaans bij de (begeleidende) leerkrachten van de betreffende school en de ouders. Bij twijfel wordt ook de afdeling volksgezondheid geraadpleegd.

Op vrijescholen wordt de vraag naar schoolrijpheid vanuit zowel pedagogisch als medisch oogpunt bekeken, mits er een schoolarts beschikbaar is. In elk geval worden verschillende aspecten in de beslissing meegenomen, voortkomend uit het begrip van het kind als een geleidelijk ontwikkelend, emotioneel en spiritueel wezen. Dit vergt meestal meer inspanning, maar maakt meer individuele beoordelingen mogelijk en biedt de gelegenheid om eventuele verborgen ontwikkelingsbehoeften in kaart te brengen. Ouders kunnen vervolgens, indien nodig, op aanbeveling van de schoolarts een aanvraag tot uitstel indienen bij hun lokale basisschool. Dit geeft de beslissing over de schoolstartdatum de aandacht die het verdient, gezien de vaak verstrekkende gevolgen voor het hele leven van het kind: te vroeg of te laat – beide kunnen desastreuze gevolgen hebben! We vinden niet altijd het absoluut ideale moment voor een kind, omdat we maar één schoolstartdatum per jaar hebben. Studies en praktijkervaring tonen echter aan dat, op de lange termijn, bij twijfel, iets meer ontwikkelingstijd voordeliger is dan minder.

De “lichamelijke religiositeit” van het kind

Maar hoe bepalen we of een kind schoolrijp is?
Om deze vraag echt te begrijpen, moeten we teruggaan naar de wortels van het bestaan ​​van een kind, naar zijn oorsprong, zijn aard. Vanuit een prenatale, embryonale wereld van ‘eenheid’, vanuit de waterwereld van volledige bescherming en zorg betreedt de pasgeborene een vreemde ‘duale’ wereld waar luchtige en vaste elementen niet langer in water zijn opgelost, maar afzonderlijk bestaan.
Tussen deze twee polen moet de ziel van het kind zich geleidelijk vestigen en vertrouwd raken met de elementen op aarde.
De eerste ademhaling van de pasgeborene, als zijn eerste onafhankelijke ‘handeling’ op aarde, markeert het begin van de bezieling (inspiratie), de intrede van de ziel in het lichaam en, door de opname van zuurstof, het begin van het onafhankelijke leven van de nieuwe mens, los van de moederlijke placenta.
De ziel van het kind begeeft zich in zekere zin actief naar zijn ‘lichamelijke thuis’, dat aanvankelijk het geërfde lichaam is dat door de ouders is verstrekt.

Net zoals het embryo en de foetus volledig afhankelijk zijn van de vliezen van het chorion en het amnion, van de omgeving van het moederlijke organisme – waar het door wordt beademd, gevoed, ontgift en op vele manieren beschermd – zo heeft ook de pasgeborene nu behoefte aan een omhulling van begrip, liefde en koesterende zorg van zijn ouders. De openheid van het zich ontwikkelende kind naar zijn omgeving, de nauwe band ermee en de eenheid ermee, blijft lang na de geboorte bestaan, zij het op een ander niveau.

Het is verbazingwekkend en veelzeggend dat dit kleine wezentje, ondanks al zijn onvolmaaktheid en afhankelijkheid, ons toch diep kan raken en met respect kan vervullen. Het lijkt, alleen al door zijn aanwezigheid, de hele ruimte waarin zijn wieg staat te vullen, de mensen eromheen te raken en te vragen om zachtheid en eerbiedige stilte.
Maar wie, wat roept ons? De stem van het kind, die eens tot ons gaat spreken, is het niet; ook geen roepende blik, een gebaar of zijn ‘lichaamstaal’. Het lijkt eerder iets verborgens, iets wat we in eerste instantie meer aanvoelen dan ‘zien’, iets dat gekenmerkt wordt door een toekomst, maar waarvan we erop vertrouwen dat het zich zal ontwikkelen en manifesteren. Het is als de zachte eerste ontmoeting met de onsterfelijke geest-ziel van het kind, zijn ware individualiteit, die lijkt op te rijzen boven het kleine, nog hulpeloze lichaam van de baby en ons roept.
Alle opvoeding – vooral in de eerste mysterieuze drie jaar – zal proberen aan te voelen welke steun de ziel van het kind nodig heeft om in het hulpeloze lichaam thuis te raken, te vormen en zelf geleidelijk in staat te raken om in de wereld te leven.

Groei, orgaanontwikkeling en het algemene leervermogen bereiken hun hoogtepunt in de eerste levensjaren. De specifiek menselijke vaardigheden – het overwinnen van de zwaartekracht om rechtop te lopen, het verwerven van taal en het koppelen van diverse zintuiglijke waarnemingen aan gedachten – worden door het kind in de eerste tweeënhalf tot drie jaar verworven, een periode waar het zich later doorgaans niets van herinnert.

Wat stelt het kind in staat zulke opmerkelijke prestaties te leveren? Een belangrijke factor ligt juist in deze kinderlijke amnesie – het gebrek aan geheugen – en daarmee samenhangend in de bewustzijnstoestand van het jonge kind, dat zich thuis voelt in beelden en geen abstracte gedachten kent. Het kind valt ook vaker in een diepe slaap, waaruit het de kracht put voor ontwikkeling in de breedste zin van het woord.

In zijn wakkere toestand leeft het kind echter volledig in overgave aan de wereld via zijn zintuigen. Het oog, het oor, de smaakzin of de huid als tastorgaan staan niet op zichzelf: eerder dompelt het kind zich in plaats daarvan onder in zijn omgeving door middel van zijn algemene zintuiglijkheid en in volledige zintuiglijke openheid met al zijn zintuigen. De indrukken dringen diep door in het lichaam van het kind.

Het lijkt bijna alsof het hele kleine lichaam wordt gegrepen, bijvoorbeeld door de ervaring van smaak wanneer de baby aan de borst van zijn moeder drinkt en tevreden tegen haar aan ligt en met haar meebeweegt; of wanneer zijn adem stokt bij het zien van een misschien onbekende of vreemde persoon, om seconden later verlichting te vinden in een diepe uitademing of zelfs in huilen. Het hele kind openbaart zich in deze levensfase, zoals Rudolf Steiner het noemt, “als een soort onderzoekend oog”.

Met fundamentele sympathiekrachten en een diepe interesse verbindt het zich met de wereld, wil het alles ervaren, zich erover verwonderen en het actief begrijpen door middel van het nabootsen.
Het gaat zonder vooroordelen in de wereld op en is juist daardoor zo onvergelijkbaar in staat om te leren, maar ook kwetsbaar.

Alles dringt in het kind door – een woord, een geluid, een aanraking – evenals de daarin uitgedrukte moraal of immoraliteit. Bij het jonge kind worden deze indrukken nog niet, zoals Rudolf Steiner verder beschrijft in zijn pedagogische
uitleg, weerspiegeld en kritisch geëvalueerd in de spiegel van het bewustzijn, maar blijven ze de levensprocessen van het nog dromerige, onbewuste kind doordringen. Ze vormen zijn organen en hun functies via de bloedsomloop en de ademhaling. Ze beïnvloeden de groei, ontwikkeling en de ontwikkeling van de motoriek van het kind.

Door na te bootsen en steeds weer te herhalen wat het kind in zijn omgeving waarneemt, gebaseerd op levende voorbeelden, belichaamt het de wereld als het ware, waardoor het er fysiek mee vertrouwd raakt. Later zal het ze zich ook fysiek ‘herinneren”, omdat het ze heeft ervaren en heeft geleerd ermee om te gaan. Of het nu gaat om voedingsstoffen, warmte en kou, water, zwaartekracht en ruimtelijke verhoudingen, of om het in contact komen met ziekteverwekkers – dit alles kan bijdragen aan de rijping, individualisering, groeiende competentie en het ontwikkelen van vertrouwen van het kind, die allemaal diep geworteld zijn in het lichaam. Het geërfde lichaam van de ouders dient het kind ‘als een soort model waarop zijn spirituele en mentale wezen werkt, waarbij het de indrukken van zijn omgeving verwerkt als een puur imiterend wezen’ (Rudolf Steiner).

Dit proces vindt plaats in de eerste zeven jaar tot de schoolrijpheid, terwijl het kind, met zijn groei- of vormingskrachten, zich ontwikkelt van het hoofd, via de borstkas, naar de buik en de ledematen.
De dominantie van de hoofdomvang komt in het eerste derde deel van de eerste zeven jaar overeen met de groei en actieve ontwikkeling van de zintuigen en de hersenen. Rechtop lopen, taal en denken worden verankerd.

Tijdens het tweede derde deel van de eerste zeven jaar ontwikkelt het middengedeelte van het lichaam, inclusief de ribbenkast, zich relatief snel. In deze periode ontwikkelt het kind zijn motorische en taalvaardigheden verder, waardoor de longfunctie, ademhaling en hartfunctie verbeteren. Reflexen uit de vroege kindertijd worden intensief aangevuld en vervangen door doelbewuste bewegingspatronen; een gevoel van veiligheid in het eigen lichaam ontstaat en wordt verder ontwikkeld. Ook de sociale interactie tussen kinderen neemt toe; fantasierijk spel wordt mogelijk.

Ten slotte, in het laatste derde deel van de eerste zeven jaar, worden de groei en de ontwikkeling van de ledematen duidelijker. De fysieke veerkracht en behendigheid nemen toe, evenals de grove en fijne motoriek, de coördinatie en de vloeiendheid van bewegingen, bijvoorbeeld bij het touwtjespringen.

Maar ook alle andere eerder verworven taalkundige, artistieke of sociale vaardigheden worden verder ontwikkeld en het kind wordt een steeds betere kenner van zijn kleine wereld.

Het instrument wordt bemachtigd

In de eerste zeven jaar leeft het kind nog in een nauwe verbinding tussen lichaam en ziel. Alles is nog één. Deze tijd lijkt een herinnering aan de wereld waaruit het kind is voortgekomen en die wordt gekenmerkt door de eerdergenoemde ‘eenheid’: de fysieke vorm van de moeder.
Wat betreft de ziel van het kind en haar spirituele aard, lijkt het een nagloed van haar thuisland, dat is vrijgesteld van de wetten van het aardse rijk: de wereld van ons leven vóór en na de dood.

Tegen het einde van de eerste zeven jaar begint er echter een verandering. De intensieve integratie in het lichaam door middel van sensomotorische waarneming, de betekenisvolle verbinding van zintuiglijke ervaringen met de eigen beweging in de nabootsing ervan, loopt ten einde.

Zodra het lichaam van het kind, van hoofd tot teen, op deze manier is veroverd en gevormd, en tegelijkertijd op een unieke manier is gegroeid, vindt er een geleidelijke bevrijding plaats van deze etherische vormende krachten van het fysieke. Het instrument van het lichaam wordt gebouwd; nu bereidt de ziel van het kind zich voor om ermee te leren spelen en geleidelijk zijn verborgen essentie tot leven te brengen.
Waar aanvankelijk alles draaide om voeding, vormgeving en verzorging van het lichaam, vindt er nu een bevrijding van de groeikrachten van deze taken plaats. Het is aan Rudolf Steiner te danken dat hij dit principe ontdekte aan het einde van de eerste zevenjarige periode, die hij beschrijft als de “metamorfose van vormende krachten in denk- en zielskrachten”. Naarmate de curve van de fysieke groei afvlakt, komt een groot deel van de vormende krachten vrij voor nieuwe taken. Een deel blijft beschikbaar voor de fysieke processen van groei, regeneratie en voortplanting. Kinderen ervaren deze overgang vaak als een crisis, en het is van groot belang om zich hiervan bewust te zijn. Er is namelijk een fysieke en mentale inspanning gemoeid met deze “reconstructie”, die begrepen moet worden om misinterpretaties te voorkomen.

Men zou kunnen spreken van een nieuwe geboorte, de geboorte van het etherlijf, dat – net als het fysieke lichaam na het verlaten van de moederlijke omhulsels – nu onafhankelijk wordt in verbinding met de geest-ziel van het kind. Hieruit vloeit een schat aan fysieke, psychologische en spirituele verschijnselen voort, die nu allemaal als geheel worden beschouwd in het schoolrijpheidsonderzoek.

Net als een weerspiegeling van de genetische samenstelling van de ouders van het kind, die geleidelijk individuele inprenting ondergaat en uiteindelijk “afgeworpen” wordt, zijn de nog ongedifferentieerde melktanden, die nu uitvallen – te beginnen bij de voortanden – en vervangen worden door veel karakteristiekere blijvende tanden. Soms verschijnen de eerste kiezen zelfs nog eerder. Op enkele uitzonderingen na wordt de hele kwestie van de kaakstand pas nu relevant.

Bovendien laat het kind ons zien dat het tot aan de uiteinden van zijn ledematen is gegroeid. De verhouding tussen hoofd en lichaam is veranderd. De armen zijn lang genoeg om het hoofd te grijpen en de grootte van het kind is nu in evenwicht tussen horizontaal en verticaal: armspan en lichaamslengte komen overeen.

Net zoals het etherische lichaam zich steeds meer naar het psychische rijk richt, is er nu in de vorm van het kind een verandering naar een grotere lichaamslichtheid waar te nemen.
De voeten bereiden hun voetbogen voor op een soepele gang; de wervelkolom ontwikkelt zijn typische krommingen, ook in de zin van een vrije, veerkrachtige, rechtopstaande houding. De voorheen mollige armen onthullen de kleine gewrichten en de spieren die ze bewegen. De nek wint aan hoogte en dient als basis voor de doelgerichte bewegingen van het hoofd om zintuiglijke indrukken of emotionele expressie te versterken. Er kan meer lucht door de neusholtes, ademhalen door de mond is niet langer nodig. Een verandering in de verhouding tussen de twee harttonen is hoorbaar in de hartslag van het kind.
De motorische vaardigheden zijn nu zo ver ontwikkeld dat springen op één en twee benen mogelijk is; evenals staan ​​op één been, voorwaarts en achterwaarts balanceren. Het kind ervaart ruimte, zelfs waar het die niet kan zien. Het laat in de omgang met de bal zien of het zich bij het gooien naar de ‘wereld’ kan draaien en de bal ook bij het vangen kan ontvangen; of het kind zijn bewegingen zo kan aanpassen dat de bal altijd op de juiste plek terechtkomt. Ook het uitdagende touwtjespringen wekt nu de interesse van het kind. De fijne motoriek, de potloodgreep en de oog-handcoördinatie worden zichtbaar. Dit alles is gebaseerd op een succesvolle vermindering van de spierreflexen uit de vroege kindertijd en is daarvan afhankelijk.

De blik van het kind wordt alerter, meer gefocust en niet langer uitsluitend geleid door indrukken van buitenaf. Het toont een groeiende interesse in het begrijpen van de wereld om zich heen, waarin en waarmee het tot dan toe “alleen maar heeft geleefd” en waarin het zich fysiek heeft ontwikkeld.

Het schoolgaande kind heeft een zeker innerlijk leven: eigen ideeën, plannen, reflectie op wat er gisteren, in het verleden, heden en de toekomst is gebeurd, worden denkbaar; een eerste conceptvorming ontstaat. Getallen, hoeveelheden en vormen kunnen worden gegrepen, nagetekend en ook onthouden. Waar het geheugen van het kleine kind werd gevormd door fysieke actie en ervaring, kan het nu steeds vrijer leven in mentale beelden.

De ontwikkeling van de intellectuele vermogens van een kind, in samenhang met de fysieke ontwikkeling, is een van de essentiële criteria voor schoolrijpheid en duidt op een reeds afgerond fysiek ontwikkelingsproces. Kinderen hebben nu nieuwe stimulatie nodig op het gebied van denken en verbeelding, rekenen, tekenen en schrijven. Taalbegrip en -gebruik zijn nu gezond, evenals de correcte uitspraak van klanken. Soms ontbreekt het hen nog aan de moed om te spreken, vooral in een nieuwe situatie. Anderen spreken juist heel veel. In dat geval moet men zich afvragen of er sprake is van een algemene emotionele onrijpheid en of het kind zich misschien nog niet los kan maken van zijn of haar ouders.

Luisteren naar en vertalen van wat er gehoord wordt in de eigen
taal of beweging, bijvoorbeeld klappen, duidt op het vermogen om aandachtig te luisteren en te volgen wat er gehoord wordt.

Ook de schilderingen van de toekomstige schoolkinderen geven inzicht in hun ontwikkelingsfase of andere relevante aspecten (schildert het kind überhaupt? Hoe en wat schildert het kind? Kleurgebruik? Lijnvoering? enz.).

Ten slotte moet ook de houding van het kind ten opzichte van school in overweging worden genomen, vooral in de hierboven genoemde onduidelijke gevallen. Is het kind echt geneigd tot het schoolleven, of wil het gewoon zijn of haar vrienden volgen? Kan je erop vertrouwen dat het kind de dagelijkse schoolroutine echt aankan (zelfs op een vrijeschool!), of zou het kind misschien uitgeput raken en zijn of haar kinderlijke vreugde verliezen?

Met de uitgangspunten van het medisch onderzoek hebben we een handig hulpmiddel om een ​​diagnose van schoolrijpheid te bevestigen of uit te sluiten. Niettemin zijn er lastige individuele gevallen die een individuele aanpak vereisen. Dit omvat de vraag naar alternatieven. Waar kan het kind zijn of haar laatste jaar op de kleuterschool nog productief doorbrengen? Het is de moeite waard om dit met de leerkrachten te bespreken. Het verschuiven van de einddatum is een voorbeeld van de mogelijkheid om de zaken opnieuw te bekijken. De schoolrijpheid van een kind, diepgaand bekeken, beschrijft veel meer dan een bepaalde leeftijd of lichaamslengte (zelfs lange kinderen kunnen onvolgroeid zijn!) of interesse in letters en cijfers. Het geeft informatie over de vraag of het kind zijn of haar lichaam al daadwerkelijk heeft kunnen ontwikkelen als fysieke basis, zodat het vervolgens het voertuig kan worden voor de intellectuele individualiteit van de opgroeiende persoon, diens gedachten, emotionele drijfveren en handelingen. En dit heeft aanzienlijke gevolgen voor
tevredenheid en gezondheid – mogelijk voor een leven lang.

*Barbara Zaar, schoolarts voor kleuter- en basisonderwijs met eigen praktijk

.

Schoolrijpheid: alle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3549-3334

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 15 november 1920

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

M.n. de 9e klas
Geschiedenis, Hermann Grimm  <1>
Wiskunde, natuurkunde <2>
Buitenlandse taal <3>
Vrij godsdienstonderwijs <4>
Muziek, euritmie <5>
(Geen specifiek 9e klas) Handwerken, handvaardigheid, kunstzinnig! <6>
Idem. Schilderen, kleurbeleving <7>
Het maken van euritmieschoen met negatieve gevolgen <8>
Kind wil niet meedoen met euritmie <9>
Iets over een specifieke leerling <10>

 

RUDOLF STEINER

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924

Erster Band Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1 Het eerste en tweede schooljaar

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A

Blz. 235

Vergadering van maandag 15 november 1920, 20u

Dr. Steiner: Wir werden heute zuerst wohl die Wünsche und Mitteilungen der verehrten Mitglieder des Lehrerkollegiums entgegennehmen, nicht wahr?

Ich möchte bitten, da wir den ersten Teil der Konferenz haben, ob Wünsche von den einzelnen Mitgliedern vorliegen oder Fragen, die aus dem Kollegium hervorgehen, und die innerhalb der Lehrerschaft ohne das erweiterte Kollegium, also ohne die später erscheinenden jüngeren Lehrer zu besprechen wären?

Ich würde zunächst fragen wollen, wie sich der Unterricht in der 9. Klasse nach den Erfahrungen der daran beteiligten Lehrer gestaltet hat. 

We beginnen vandaag eerst met het in ontvangst nemen van de wensen en opmerkingen van de gewaardeerde leden van het docententeam, nietwaar?Aangezien dit het eerste deel van de vergadering is, wil ik graag vragen of er wensen zijn van individuele leden of vragen die vanuit het team zijn ontstaan ​​en die besproken moeten worden met de docenten, zonder de uitgebreide staf, dus zonder de jongere docenten die later zullen aansluiten?

Ik wil allereerst vragen hoe de lessen in de negende klas zijn gestructureerd, gebaseerd op de ervaringen van de betrokken docenten.

Im Deutschen wird Herman Grimm gelesen, in der 8. und 9. Klasse.



Hermann Grimm wordt in het Duits gelezen in de achtste en negende klas.

Dr. Steiner: Hat sich Ihnen die Möglichkeit ergeben, verschiedenes

hineinzubeziehen in die Lektüre von Grimm? Wie weit sind Sie gekommen mit den Schülern in der Geschichte? Was haben Sie gemacht bei der Stelle, wo er im ersten Vortrag des zweiten Teiles die Charakteristik der letzten Jahrhunderte gibt, wo er über Rom spricht?

<1> Heeft u de mogelijkheid gehad om verschillende aspecten in het lezen van Grimm te verwerken? Hoe ver bent u gevorderd met de leerlingen in geschiedenis? Wat heeft u gedaan op het punt waar hij, in de eerste lezing van het tweede deel, de karakterisering van de laatste eeuwen geeft, waar hij het over Rome heeft?

X.: Da haben die Kinder die Geschichte nicht gekannt.

X.: De kinderen kenden de geschiedenis niet.

Dr. Steiner: Es würde sich darum handeln, daß Sie die Geschichte des 16., 17., 18., 19. Jahrhunderts behandelten, mindestens in der 9.

Vielleicht daß Sie es doch so machten. In der 9. fehlt es. Nicht wahr, bei diesen Jahrhunderten würde es sich darum handeln, daß man auf das Ziel losgeht, daß die Schüler ein Verständnis für die Gegenwart bekommen. Sie sind schon fünfzehn Jahre alt. Die Themen könnten Sie so nehmen, wie sie in dem Kapitel bei Herman Grimm für jedes Jahrhundert angegeben sind, das 19. Jahrhundert als Zusammenfluß der Völkergeschichte. Ich meine, die Themen für die letzten vier Jahrhunderte, als Leitmotive. Eigentlich würde es sich darum handeln, das in beiden Klassen zu machen. Nur wird es sich darum handeln, daß Sie die Dinge in verschiedener Weise vornehmen können: in der 8. mehr erzählend, in der 9. mehr auf die leitenden Ideen der letzten Jahrhunderte eingehend.

Sie müßten schon dahin arbeiten, daß Sie die leitenden Ideen den Kindern vortragen könnten. Es ist viel Material in den Zyklen da, was einfach erweitert werden kann dadurch, daß man die Literatur da und dort überall hernimmt.

Het gaat erom dat je de geschiedenis van de 16e, 17e, 18e en 19e eeuw behandelt, in ieder geval in de negende klas.

Misschien zou je het zo kunnen aanpakken. Het ontbreekt in de negende klas. Is het niet zo dat het doel met deze eeuwen is om de leerlingen te helpen een begrip van het heden te ontwikkelen? Ze zijn al vijftien jaar oud. Je zou de onderwerpen kunnen gebruiken zoals ze in het hoofdstuk van Herman Grimm voor elke eeuw worden genoemd, de 19e eeuw als het keerpunt van de nationale geschiedenis. Ik bedoel, de thema’s van de afgelopen vier eeuwen, als leidraad. Eigenlijk zou dat betekenen dat je dit in beide klassen doet. Je zou het echter op verschillende manieren moeten aanpakken: meer verhalend in de achtste klas en meer diepgaand ingaand op de leidende ideeën van de afgelopen eeuwen in de negende klas. Je zou zo moeten werken je de leidende ideeën aan de kinderen kan meegeven. De cycli [het tot dan verschenen werk van Steiner] bevatten veel materiaal dat gemakkelijk kan worden uitgebreid door literatuur van diverse bronnen te gebruiken. <1>

Blz. 236

(Zu einem anderen Lehrer): Dann hatten Sie die mathematischen Fächer. Haben Sie mit den Kindern schon geometrisches Zeichnen durchgenommen ?

Finden Sie notwendig — ich habe durch die viele Inanspruchnahme von anderer Seite zu wenig gesehen —, finden Sie, daß es notwendig ist, soviel Verstandesmäßig-Theoretisches in der Physik durchzunehmen? Hält das nicht auf, so viel rein Begriffliches?

<2> (Tegen een andere docent): Dus u had de wiskundevakken. Heeft u al geometrisch tekenen met de kinderen behandeld?

Vindt u het nodig – ik heb er door mijn vele andere verplichtingen niet genoeg van gezien – vindt u het nodig om zoveel intellectueel en theoretisch materiaal in de natuurkunde te behandelen? Vertraagt ​​al die puur conceptuele stof hen niet?

X.: Ich möchte nur so viel bringen, als unbedingt notwendig ist.

X: Ik wil alleen datgene behandelen wat absoluut noodzakelijk is.

Dr. Steiner: Wieviel beherrschen denn die Schüler vom reinen Tatsachenmaterial? Es wäre natürlich bei der Elektrizität darauf zu

sehen, daß man möglichst in rationeller Weise die Erscheinungen

selbst in den Vordergrund stellt. Möglichst wenig theoretische Spekulationen. Das ist etwas, was vielleicht eben doch nicht sehr intensiv haftet; vom rein didaktischen Gesichtspunkt aus dürfte es nicht sehr haften. Ich würde meinen, daß man bei diesem Gegenstand als Ideal betrachten soll, möglichst nur am Experiment als solchem die nötigen Begriffe zu entwickeln, und zunächst möglichst wenig an der Tafel zu zeichnen, sondern die ganze Sache an dem Experiment entwickeln. Dann kann man auch die Sokratische Methode, die Sie

anwenden, versuchen.

Hoeveel van de puur feitelijke stof begrijpen de leerlingen eigenlijk? Bij elektriciteit is het natuurlijk belangrijk om de verschijnselen zelf op een rationele manier te benadrukken. Zo min mogelijk theoretische speculatie. Dat is iets wat misschien niet zo goed blijft hangen; vanuit een puur didactisch oogpunt zal het waarschijnlijk niet goed blijven hangen. Ik zou willen voorstellen dat men bij dit vak idealiter de noodzakelijke concepten uitsluitend via het experiment zelf ontwikkelt, en in eerste instantie zo min mogelijk op het bord tekent, maar het geheel via het experiment uitwerkt. Dan kan men ook de socratische methode proberen die u gebruikt.

Wenn man so theoretisch die Sache entwickelt, dann hilft einem die Sokratische Methode nichts. Woher sollen die Kinder etwas wissen? Man kann sie kaum so fragen. Da Sie schon die Möglichkeit zum Experimentieren haben, das habe ich

gesehen, da würde ich die Experimentier-Möglichkeit ausnützen.

Dann erspart man sehr viel Zeit. Wenn Sie so die Elektrizität durchnehmen wollen, dann werden Sie durchkommen. Die Kinder lernen dabei viel mehr, als wenn man ihnen die Begriffe der Spannung auseinandersetzt. Das wäre didaktisch nicht schlau. Sie müssen dann zwei Wochen geometrisches Zeichnen betreiben. Nur zwei Wochen die Deskriptive.

Als je het zo theoretisch aanpakt, heeft de socratische methode geen zin. Hoe moeten de kinderen er dan iets van afweten? Je kunt ze dat toch moeilijk vragen? Aangezien je al de mogelijkheid hebt om te experimenteren, zoals ik heb gezien, zou ik daar gebruik van maken. Dat scheelt een hoop tijd. Als je elektriciteit op deze manier wilt behandelen, kom je er wel mee weg. De kinderen leren veel meer dan wanneer je ze alleen de concepten van spanning uitlegt. Dat zou pedagogisch gezien niet goed zijn.

Dan zou je twee weken moeten besteden aan geometrisch tekenen. Slechts twee weken aan beschrijvend tekenen. <2>

X.: Im Fremdsprachenunterricht ist die Forumszene aus dem „Julius Cäsar”

gelesen worden.

<3> X.: In de les vreemde talen werd de forumscène uit “Julius Caesar” gelezen.

Dr. Steiner: Können Sie es nicht auch schriftlich machen lassen, als

eine Art Aufsatz? Es wäre notwendig, daß so etwas eingefügt würde.

Auch im Deutschen, daß man doch zu einer Darstellung käme. Daß

sie wirklich das auch formulieren.

Zou je ze het niet kunnen laten opschrijven, als een soort essay? Zoiets zou nodig ingevoerd moeten worden. Zelfs in het Duits, zodat ze het kunnen presenteren. Zodat ze het daadwerkelijk kunnen formuleren.

(Zum Deutschlehrer): Irgendwelche Themen stellen Sie gar nicht?

Es würde nicht schaden, wenn vorher der Stoff im Vortrag wiederholt ist. Wenn sie nur eigene Formulierungen bringen.

(Tegen de docent Duits): Zijn er nog onderwerpen die u helemaal niet aan de orde stelt?

Het zou geen kwaad kunnen als het materiaal voorafgaand aan de presentatie nog eens doorgenomen werd. Als je maar je eigen formulering gebruikt.

Blz. 237

Es wird über das Französische berichtet.

Er wordt verslag gedaan over het Frans.

Dr. Steiner: Jedenfalls können wir das, was wir für die 9. Klasse

projektiert haben, durchführen.

In elk geval kunnen we uitvoeren wat we voor de negende klas gepland hadden.

Der Deutschlehrer: Ich muß jetzt Jean Paul nehmen.

De docent Duits: Ik moet nu Jean Paul behandelen.



Dr. Steiner: Ich habe das nicht so gemeint, daß es der Reihe nach

gehen muß. Wir haben ja doch Mitte November; etwas Geschichte

müssen wir bewältigen. Zunächst eigentlich die vier Jahrhunderte im

Zusammenhang. Sie können damit wirklich brauchen bis Mitte

Januar in beiden Klassen. — Für alle anderen Klassen ist der Lehrplan

gegeben.

Ik bedoelde niet dat het in chronologische volgorde moest gebeuren. Het is immers half november; we moeten nog wat geschiedenis behandelen. Om te beginnen de vier eeuwen in context. Je kunt dit echt tot half januari in beide klassen gebruiken — Het leerplan is voor alle andere klassen vastgesteld.

X.: Wird dieser Lehrplan nicht allgemein als Norm gültig sein?

X: Wordt ​​dit curriculum niet in zijn algemeenheid de norm?

Dr. Steiner: Zunächst ist es notwendig, daß wir in diesem Jahre

wissen, was wir zu tun haben.

Ten eerste is het nodig dat we weten wat we dit jaar moeten doen.

X..- Ist im Sprachunterricht schon so etwas wie Literaturgeschichte zu treiben?

X: Is het mogelijk om zoiets als literatuurgeschiedenis in de taallessen te behandelen?

Dr. Steiner: Mehr Literaturgeschichte als an dem Objekt einiges nebenher zu sagen über Shakespeare, und wenn Sie gerade das eine oder andere behandeln, die Kinder damit bekanntmachen, mehr Literaturgeschichte ist doch bei solchen Kindern nicht nötig.

Die Methoden in der Staatsschule für Latein und Griechisch, die sind die gräßlichsten, die äußerste Dekadenz. Wir müssen unsere Kinder so weit bringen, daß sie den Anschluß finden. Wenn wir einigermaßen unsere Methoden ausgebildet haben, müssen wir die Kinder ganz genau so weit bringen. Unsere Methode wird noch nicht so gehandhabt. Ich glaube, wenn einmal dieses Problem gelöst ist, daß Sie durch die Disziplin nicht mehr gestört werden, dann erreichen Sie das schon. Das ist die Crux, weil die Kinder Ihnen doch alle vier bis fünf Minuten einmal über den Kopf wachsen.

Die österreichischen Gymnasien waren Musteranstalten. Dieser Lehrplan war schon das allerbeste, was man denkt, wenn man die Sache als solche zugibt. Leo Thun, 1854; Gautsch hat es verdorben.

Es war die Geschichte gut verteilt. In Weimar fand ich gleich die Auffassung der Weltgeschichte: Von der Erschaffung der Welt bis zu den Hohenzollern fünfzig Seiten, und drei Bände Hohenzollern-Geschichte.

Meer literatuurgeschiedenis dan alleen een paar dingen over Shakespeare terloops zeggen, en als je momenteel één of twee onderwerpen behandelt en de kinderen daarmee laat kennismaken, is meer literatuurgeschiedenis voor die kinderen niet nodig.

De methoden op de staatsschool voor Latijn en Grieks zijn verschrikkelijk, het toppunt van decadentie. We moeten onze kinderen zover krijgen dat ze kunnen aansluiten. Zodra we onze methoden enigszins hebben ontwikkeld, moeten we de kinderen precies op hetzelfde niveau krijgen. Onze methode wordt nog niet op die manier toegepast. Ik geloof dat zodra dit probleem is opgelost, zodra je je niet meer druk hoeft te maken om discipline, lukt het wel. Dat is de kern van de zaak, want met de kinderen loopt het om de vier à vijf minuten uit de hand.

De Oostenrijkse gymnasia waren modelinstellingen. Dit leerplan was al het allerbeste wat je je kon voorstellen, als je de zaak maar accepteert zoals die is. Leo Thun, 1854; Gautsch heeft het verpest.

De geschiedenis was goed verdeeld. In Weimar vond ik meteen het

concept wereldgeschiedenis: van de schepping van de wereld tot de Hohenzollerns, vijftig pagina’s, en drie delen Hohenzollern-geschiedenis. <3>

Nicht wahr, dann haben wir ja für diese Klasse auch diesen freien

Religionsunterricht. Wie ist der eingeteilt?

<4> Oké, dan hebben we voor deze klas ook nog dit vrije godsdienstonderwijs . Hoe is dat ingedeeld?

X.: Wir haben neun Klassen in drei Gruppen.

X: We hebben negen klassen in drie groepen.

Blz. 238

Dr. Steiner: Wodurch sind die Klassen so riesig geworden? Wenn die Verteilung ordentlich ist, so schaden große Klassen nichts, aber bei Ihnen sitzt schon wirklich der eine auf dem Kopf des anderen. Die Klasse des Herrn U. ist zu groß. Die Klasse müßte geteilt werden. 73 Kinder! Sie gehen in die Bänke nicht hinein, und dann puffen sie sich wieder hinaus. Das ist eine Kalamität. Heute waren die schlimmsten Schüler nicht da. Also nicht wahr, bei dieser Klasse ist wohl eine Trennung notwendig. Ich würde doch meinen, es müßte die Klassegeteilt werden. Und da gerade bei diesem Unterricht doch wirklich sehr viel davon abhängt, daß man Kontakt hält mit den einzelnen — man müßte die Möglichkeit haben, den einen und den anderen möglichst oft zu fragen —, müßte die Möglichkeit bestehen, noch zwei Stunden einzurichten und die Hälfte der Schüler abzugliedern.

Es kann höchstens eine Raumfrage sein. Gelöst wird es werden müssen, sonst werden wir gerade mit diesem Unterricht scheitern. Wer könnte diesen Unterricht noch erteilen?

Wat heeft ertoe geleid dat de klassen zo enorm groot zijn geworden? Als de zitopstelling ordelijk is, richten grote klassen geen schade aan; maar in uw geval zitten de leerlingen werkelijk bovenop elkaar. De klas van de heer U. is te groot. De klas moet worden gesplitst. 73 kinderen! Ze passen niet eens in de banken, en dus dringen ze elkaar er uiteindelijk weer uit. Het is een ramp. Vandaag waren de meest onrustige leerlingen niet eens aanwezig. Dus — bent u het niet met mij eens? — is een splitsing voor juist deze klas toch zeker noodzakelijk? Ik zou er beslist op willen staan ​​dat de klas gesplitst wordt. En aangezien er bij dit specifieke vak zoveel afhangt van het onderhouden van contact met de individuele leerlingen — men moet immers de gelegenheid hebben om deze of gene leerling zo vaak mogelijk vragen te stellen — moet er een mogelijkheid worden gevonden om twee extra lessen in te roosteren en de helft van de leerlingen af ​​te splitsen.

Hoogstens zou het een kwestie van beschikbare ruimte kunnen zijn. Maar dat zal moeten worden opgelost; anders zijn we gedoemd te mislukken — specifiek bij dit vak.

Wie zou deze klas anders kunnen geven?

X.: Ich würde es gerne tun.

X.: Ik zou het heel graag willen doen.



Dr. Steiner: Es müßte jemand sein, der früher nicht in der Religion darinnen gestanden hat. Es kann ja sein, daß Sie nach vielen Jahren heraus sind. In den Gedankenformen sicher nicht. Es ist im Lehrerkollegium niemand da. Es ist natürlich eine schwer zu lösende Sache. Man muß auch, nicht wahr, die Klippe überwinden, Wärme hineinzukriegen in den Unterricht, Wärme, Wärme! Ich würde zum Beispiel ja schon A. vorschlagen, weiß aber nicht, ob er sich den nötigen pädagogischen Duktus aneignen würde. Wenn man es mit A. probiert? Denn wer ist sonst in der hiesigen Krisenzeit aus der anthroposophischen Bewegung heraus vorzuschlagen? Es gibt niemand.

Hier friert man furchtbar viel!

Het zou iemand moeten zijn die zich niet eerder in de religieuze sfeer heeft ondergedompeld. Het is natuurlijk mogelijk dat u daar na vele jaren inmiddels bovenuit bent gegroeid. Maar zeker niet wat uw denkwijze betreft. Binnen het lerarencorps is er niemand anders beschikbaar. Het is, vanzelfsprekend, een lastige kwestie om op te lossen.

Men moet toch ook – nietwaar? – de hindernis nemen om het onderwijs met warmte te doordringen – warmte, louter warmte! Ik zou bijvoorbeeld inderdaad A. willen voorstellen, al weet ik niet of hij de noodzakelijke pedagogische houding zou kunnen verwerven. Wat als we het eens met A. zouden proberen? Want wie anders zou er, in deze tijden van crisis hier, vanuit de antroposofische beweging kunnen worden voorgedragen? Er is niemand.

Het is hier verschrikkelijk koud! (= om koude rillingen van te krijgen?) <4>

Ich wüßte niemand anders zu finden. Den Lehrern von hier kann man nicht noch etwas aufhalsen. — Die 9. Klasse ist so klein, daß man sehr viel an die einzelnen Schüler herankommen kann.

(Zu einer Lehrerin): Ich habe die Meinung, daß Sie eigentlich eine Hilfe in Ihrer Klasse brauchen, Fräulein H. Auf die Weise würde es zu machen sein, daß Fräulein S. Ihnen hilft. Darüber müßte man reden.

Das namentlich dann, wenn es sich darum handelt, die Kinder zu beschäftigen. Die Klasse ist für Chorunterricht so, daß sie sich weitet.

Sie hat eine Peripherie, Sie dringen nicht ganz durch bis zu den letzten. Am liebsten wäre es mir auch, wenn es zwei Klassen werden könnten. Daß es schon möglich wäre, daß Fräulein S. am Unterrichtteilnimmt und Ihnen mithilft, wenn Sie die Kinder beschäftigen, wenn sie malen oder zeichnen. 

Ik zou niemand anders kunnen vinden. De leraren hier kun je niet nog meer werk opdringen. — De 9e klas is zo klein dat je heel goed contact kunt maken met de individuele leerlingen.

(Tegen een lerares): Ik ben van mening dat u eigenlijk een hulp in uw klas nodig hebt, juffrouw H. Het zou zo kunnen dat juffrouw S. u helpt. Daar zou men over moeten praten. Dat geldt met name als het erom gaat de kinderen bezig te houden. De lesruimte voor koorlessen is zo ingericht dat deze zich kan uitbreiden.

De klas heeft een periferie, u dringt niet helemaal door tot de laatste. Het zou mij ook het liefst zijn als het twee klassen zouden kunnen worden. Dat het voor juffrouw S. mogelijk zou zijn om deel te nemen aan de lessen en u te helpen bij het bezighouden van de kinderen, wanneer ze schilderen of tekenen.

Blz. 239

Die Klasse fällt auseinander. Die einzelnen Kinder sind zu wenig aktiv dabei beim Unterricht. Die bleiben untätig eine Zeit. Ich habe mir auch schon gedacht, ob es nicht möglich wäre, daß Sie eine Stunde geben und darin bleiben, und die andere Stunde Fräulein S. den Unterricht gibt. Dadurch wäre auch für die Disziplin gesorgt. Man könnte noch nachdenken über den Modus. An sich kann man auch 150 Schüler haben. Wir werden solche großen Klassen nicht haben. Sie haben 50 Schüler, und Ihre Klasse, Fräulein H., ist im konkreten Fall zu groß.

De klas valt uit elkaar. De individuele kinderen doen niet actief genoeg mee aan de les. Ze blijven een tijdje passief. Ik vroeg me ook af of het niet mogelijk zou zijn dat u één uur lesgeeft en bij de klas blijft, en dat juffrouw S. het andere uur lesgeeft. Dat zou ook de discipline bevorderen. We zouden ook de opzet kunnen overwegen. In principe kan een klas 150 leerlingen hebben. Zulke grote klassen zullen we niet hebben. U heeft 50 leerlingen en uw klas, juffrouw H., is in dit specifieke geval te groot.

X.: Darf ich fragen, soll die C-Dur-Tonleiter festgehalten werden, und soll in der Toneurythmie Wert gelegt werden auf den absoluten Ton? Ich hätte mir gedacht, ob man nicht die Toneurythmie als relative Toneurythmie hinnähme.

<5>X: Mag ik vragen of de C-majeurtoonladder behouden moet blijven en of de nadruk moet liggen op de absolute toonhoogte bij toon-euritmie? Ik vroeg me af of toon-euritmie ook als relatieve toon-euritmie kan worden beschouwd.

Dr. Steiner: Das kann man gut machen.

Dat is een goede benadering.

Eine Eurythmielehrerin: Ich ging immer auf den absoluten Ton.

Een euritmiedocent: Ik heb me altijd gericht op de absolute toonhoogte.

Dr. Steiner: Man kann das Befestigen der eurythmischen Bewegung

schon machen dadurch, daß man im Absoluten bleibt. Man braucht

das nicht pedantisch festzuhalten.

Je kan de euritmische beweging ontwikkelen door in de absolute toonhoogte te blijven. Je hoeft er niet pedant aan vast te houden. <5>

Was machen die Kinder bei Ihnen im Werkstattunterricht?

<6> Wat doen de kinderen bij u in de handvaardigheidslessen?

Ein Werklehrer: Wir haben an den Arbeiten weitergemacht vom vorigen Jahr.

Een docent handvaardigheid: We zijn verdergegaan met het werk van vorig jaar.

Dr. Steiner: Geht es dieses Jahr mit der Disziplin im Handarbeitsunterricht? Im vorigen Jahr die letzte Stunde war in der Sache und Disziplin ganz schön.

Haben Sie viel zu tun? Ich frage deshalb, weil ich meine, daß zu einer

gewissen Anregung gut wäre, wenn gerade dieser Stoff der Pädagogik und Didaktik im vorjährigen Kurse verarbeitet würde. Ob es nicht möglich wäre, alle vierzehn Tage eine sachliche Konferenz zu machen? Abgesehen von der Schule als solcher. Bringen Sie es dazu, daß Sie Fragen formulieren, die ein positives Erträgnis haben. Es wäre doch gut, wenn man bei diesen Dingen in einem gewissen Kontakt bleiben könnte, indem Sie Zweifelsfragen ausarbeiten, und ich Themen stellen könnte, die dann zur Besprechung kämen, wenn ich hierherkomme. Aber ich hoffe, daß es in der Zukunft Zeit gibt, wo ich mich der Waldorfschule widmen kann. Notwendig wäre es doch, daß Sie Zweifelsfragen ausarbeiteten und diese Fragen mir schickten, und daß diese Fragen beantwortet würden, wenn ich komme.

Gaat het goed met de discipline in de handvaardigheidsles dit jaar? Vorig jaar was de laatste les, zowel inhoudelijk als qua discipline, erg goed. Heeft u het erg druk? Ik vraag dit omdat ik denk dat het goed zou zijn voor wat inspiratie als dit onderwerp van pedagogie en didactiek, in de cursus van vorig jaar verwerkt zou worden. Zou het niet mogelijk zijn om elke twee weken een inhoudelijk overleg te houden? Los van de school zelf. Probeer vragen te formuleren die een positief resultaat opleveren. Het zou goed zijn als we hierover enig contact zouden kunnen houden als u vragen formuleert waarover u twijfelt, en ik dan onderwerpen zou kunnen aandragen die we kunnen bespreken als ik hier ben. Maar ik hoop dat er in de toekomst tijd zal zijn om me aan de Waldorfschool te wijden. Het is nodig dat u vragen van twijfel uitwerkt en die naar mij stuurt, en dat deze vragen worden beantwoord wanneer ik kom. <6>

Über den Malunterricht.

Dr. Steiner (zu einer Klassenlehrerin): Sie haben den Unterricht veranlagt ?

<7> Over de schilderlessen.

Dr. Steiner (tegen een klassenleerkracht): Heeft u de lessen ontworpen?

Blz.  240

X.: Herr Doktor haben heute einige Versuche gesehen.



X.: Dokter, u heeft vandaag een paar experimenten gezien.



Dr. Steiner: Die sind als solche ganz gut. Es müßte noch mehr dazu kommen, daß das Herausarbeiten des Konventionellen, daß die Schrift aus dem Malen und Zeichnen herausgearbeitet wird; dazu müßte es überhaupt mehr kommen. Für die 1. Klasse sind Richtlinien gegeben. Allmählich weiter ausbilden, daß die Farbe weiter entwickelt wird.

Ze zijn best goed zoals ze zijn. Er moet meer gebeuren, met name de conventionele aanpak verder ontwikkelen, het schrijven vanuit schilderen en tekenen ontwikkelen; er moet in het algemeen meer gebeuren. Er zijn richtlijnen voor de eerste klas. Geleidelijk aan het kleurgebruik verder ontwikkelen.

X.: Ich finde es im Augenblick nicht, ich tappe herum.

X.: Ik heb het nu even niet; ik ben aan het zoeken.

Dr. Steiner: Einige von diesen Kindern haben ganz Gutes gemacht.

Es müßte etwas herauskommen aus der Farbe. Bei der T. F. ist etwas

darinnen.

Sommige van deze kinderen hebben het heel goed gedaan.

Er moet iets uit de kleur komen. Bij T.F. is er wel iets in.

X.: Ich habe gefunden, daß die Kinder bei den Wasserfarben sehr schwer zu

Formen kommen.

X.: Ik heb gemerkt dat de kinderen erg moeilijk vormen kunnen maken met waterverf.

Dr. Steiner: Die Kreidestifte sollte man nicht kultivieren. Worauf es

ankäme, das wäre — nur sind wir nicht so weit —, daß wir abgrenzen

könnten. Es würde erst ein ordentlicher, reinlicher Lehrplan sein in

den unteren Klassen. Die anderen müssen natürlich fast dasselbe

durchführen. Nur daß man auf das Alter des Schülers Rücksicht

nimmt. Die Hauptsache liegt jetzt schon darin, daß ein innerliches

Gefühl vom Farbaufbau in den Kindern erweckt wird, ein Erleben

der Farbenwelt, daß die Kinder ein Gefühl bekommen vom Leben

der Farbenwelt im Erleben der Märchen.

Krijtstiften moeten niet gestimuleerd worden. Wat belangrijk zou zijn – maar zover zijn we nog niet – is dat we grenzen kunnen stellen. Het zou beginnen met een degelijk, goed gestructureerd leerplan in de lagere klassen. De andere klassen moeten natuurlijk vrijwel hetzelfde leerplan volgen. Wel belangrijk om rekening te houden met de leeftijd van de leerling. Het gaat erom dat er bij de kinderen een innerlijk begrip van de kleurenopbouw wordt gewekt, dat ze de wereld van kleur ervaren en dat ze door middel van sprookjes een gevoel krijgen voor de levendigheid van die kleurenwereld.

X.: Man muß doch den Kindern Formen geben, bestimmte Motive.

X.: Je moet de kinderen toch vormen geven, specifieke motieven.

Dr. Steiner: Die Kinder kriegen schon Formen, wenn Sie die Phantasie wirken lassen. Sie müssen die Formen aus der Farbe herauswachsen lassen. Sie können in der Farbenwelt mit den Kindern reden. Denken Sie nur, wie anregend es ist, wenn Sie mit den Kindern bis zum Verständnis dessen es brächten: Da ist dieses kokette Lila, und im Nacken sitzt ihm ein freches Rötchen. Das ganze steht auf einem demütigen Blau.

Sie müssen es gegenständlich kriegen — das wirkt seelenbildend —, so daß die Farben auch etwas tun. Das, was aus der Farbe heraus gedacht ist, das kann man auf fünfzigerlei Weise machen. Man muß das Kind zum Darinnenleben in der Farbe bringen, indem man sagt: „Wenn das Rot durch das Blau hindurchguckt”, und das wirklich schaffen läßt vom Kinde. Ich würde versuchen, viel Leben gerade in dies hineinzubringen. Sie müssen sie etwas aus dem Klotzigen (Klätzigen?), aus dem Lässigen herausbringen.

Kinderen ontwikkelen vormen als je hun verbeelding de vrije loop laat. Je moet de vormen laten ontstaan ​​vanuit de kleur. Je kunt met kinderen praten over de wereld van kleuren. Stel je eens voor hoe stimulerend het is als je kinderen begeleidt naar het punt van begrip: Daar is een koket lila, en op zijn nek zit een brutaal rood. Het geheel rust op een bescheiden blauw.

Je moet het concreet maken – dat heeft een zielvormend effect – zodat de kleuren daadwerkelijk iets doen. Wat vanuit de kleur wordt bedacht, kan op vijftig verschillende manieren worden gedaan. Je moet het kind tot innerlijk leven brengen binnen de kleur door te zeggen: “Wanneer het rood door het blauw heen kijkt,” en het kind dat echt laten creëren. Ik zou juist hier veel leven in proberen te krijgen. Je moet ze weghalen uit het onbeholpene en het nonchalante.

Blz. 241

Es muß Feuer hinein! Es ist im allgemeinen notwendig, daß in der jetzigen Zeit dieses Farbengefühl, das nicht so korrumpiert ist wie das Musikalische, entwickelt wird. Es wird auf das Musikalische günstig zurückwirken, wenn das Farbenleben entwickelt wird.

Er moet enthousiasme bij! Het is over het algemeen noodzakelijk dat in deze tijd dit kleurgevoel, dat niet zo aangetast is als het muzikale gevoel, wordt ontwikkeld. Het zal een gunstig effect hebben op het muzikale gevoel wanneer de levendigheid van kleur wordt ontwikkeld.



X.: Wären Sie dafür, daß man außer dem Malen das Zeichnen übt?

X.: Zou u voorstander zijn van het oefenen met tekenen naast schilderen?

Dr. Steiner: Das lineare Zeichnen nicht. Das lineare Zeichnen nur, wenn es sich darum handelt, Geometrisches zu verstehen. Jedenfalls wichtig ist das andere: aus dem Hell-Dunkel heraus arbeiten! In dieser Beziehung hat sich die 9. Klasse noch nicht lebendig erwiesen. Man muß alles zu Hilfe nehmen.

Geen lijntekenen. Lijntekenen alleen als het gaat om het begrijpen van geometrie. In elk geval is het andere belangrijk: werken met licht en donker! Wat dat betreft heeft de negende klas zich nog niet erg levendig getoond. Je moet alles gebruiken wat beschikbaar is.

X.; Könnte die 9. und 8. Klasse Malstunden nehmen?

X.: Zouden de negende en achtste klas schilderlessen kunnen volgen?



Dr. Steiner: Man müßte das in den Stunden, die jetzt schon da sind,

hereinbringen. Daß mehr Künstlerisches getrieben werden sollte, das

ist ganz evident. Deshalb war mir zu tun, daß Fräulein Hauck hereinkommt in den Handfertigkeitsunterricht, daß die Handarbeit künstlerisch gestaltet wird. Zumeist ist das Handarbeitliche philiströs. Ich möchte, daß es wirklich künstlerisch gestaltet wird. Da in der Handarbeit kann man das Lineare anwenden. Auf dem Papier ist das Lineare etwas unwesenhaft.

Dat zou je moeten integreren in de lessen die er al zijn. Dat er meer artistieke activiteiten moeten worden ondernomen, is overduidelijk. Daarom wilde ik graag dat juffrouw Hauck naar de handvaardigheidsles kwam, zodat het handwerk kunstzinnig vormgegeven zou worden. Meestal is handwerk onbeholpen. Ik wil dat het echt kunstzinnig is. Want bij handwerk kun je lineaire principes toepassen. Op papier zijn lineaire principes minder belangrijk.

Es kann die Brücke geschlagen werden vom Handarbeitsunterricht zum Handfertigkeitsunterricht. Es gibt doch eine ganze Menge Gegenstände, die man bemalen kann. Es gibt im Haushalt Dinge, die von den Menschen selbst bemalt werden sollten. Wenn die Kinder Puppensachen machen, da könnte viel

Kunst entwickelt werden. Da könnte Stil, Farbensinn entwickelt werden; alles könnte entwickelt werden. Wenn man da durchdringt damit, daß der Naturalismus der Puppenbereitung überwunden wird, daß etwas Lebendiges da wäre, lachende Puppen, künstlerisch gestaltet, da könnte man segensreich wirken.

Geradeso wie man die Kinder daran gewöhnt, daß sie Wechsel schreiben lernen, weiß ich nicht, warum man die Kinder nicht daran gewöhnen soll, wie man ein Plakat macht, wie man ein Plakat schön findet und bei einem schönen Plakat auch dessen Schönheit wirklich erkennt. Das häßliche, unmögliche Plakat sollte ebenfalls erkannt werden. Aber die Menschen schauen sich die Sachen an, ohne rasend zu werden. Der Geschmack müßte gebildet werden; Stilgefühl müßte entwickelt werden. Was Stilgefühl betrifft, ist der Unterricht, selbst in künstlerischen Anstalten, etwas Scheußliches.

Die scheußlichsten Proben haben wir hier vor kurzem erlebt. Sie kennen das graphische Zeichen der Dreigliederung von den Kernpunkten.

Er kan een brug geslagen worden tussen handwerken en lessen in handvaardigheid. Er zijn talloze voorwerpen die beschilderd kunnen worden. Er zijn dingen in huis die mensen zelf zouden moeten beschilderen. Wanneer kinderen poppenkleertjes maken, kan er veel artistiek talent ontwikkeld worden. Stijl, gevoel voor kleur, alles kan ontwikkeld worden. Als je erin slaagt het naturalisme van het poppenmaken te doorbreken, en er levende, lachende poppen ontstaan, artistiek vormgegeven, dan kan dat een positief effect hebben. Net zoals je kinderen leert cheques uit te schrijven, zie ik geen reden waarom je ze niet zou leren hoe ze een poster moeten maken, hoe ze een poster mooi kunnen vinden en hoe ze de schoonheid van een mooie poster echt kunnen herkennen. Ook de lelijke, onmogelijke poster moet herkend worden. Maar mensen kijken naar dingen zonder er gek van te worden. Smaak moet gecultiveerd worden; een gevoel voor stijl moet ontwikkeld worden. Wat stijl betreft, is instructie, zelfs in kunstinstituten, verschrikkelijk.

We hebben hier onlangs de meest verschrikkelijke probeersels gezien. Je kent het grafische symbool van het drieledig sociale organisme.

Blz. 242

Es ist abgeändert worden. Es hat sich darum gehandelt, etwas Aktuelles zu machen. Was tut der Künstler? Er setzt das Motiv, das er macht, so zusammen, daß er das, was links ist, wieder rechts macht. Er macht ein gotisches Fenster daraus. Diese Dinge kommen vor.

Es wäre wirklich möglich, daß etwas Schönes erreicht wird in der 10., 11. Klasse. Jetzt will einer unserer Fabrikanten eine Vignette haben für Kindermehl. Daß von innen heraus etwas geschaffen werden kann. Es gibt innere Notwendigkeiten. Heute kennt ja der Mensch bloß ein Kunstobjekt. Das muß so sein, wenn es etwas nachahmt. In Basel gibt es einen Lehrer des Kunstgewerbes, der sagt, er sehe gar nicht ein, wozu es notwendig ist, wenn ich das eine Auge

hier male, warum ich das andere nicht hier malen kann. Das hat etwas für sich, solange man nicht mit den Sachen mitgeht. Was ich meine, ist das innerliche Erlebenkönnen. Das meine ich mit dem Stilgefühl. Man muß ein Dreieck erleben können, ein Viereck erleben können. Nicht sich halten an die Imitation, an die Nachahmung. Es macht doch heute jeder nur eine Puppe, indem er nachahmt und nicht innerlich erlebt. Man muß es von innen heraus erleben können, wie eine Puppe weint oder lacht. Dies müßte alles sinnvoll bis auf die Kleidung hin gemacht werden. — Die Mädchen können eine Puppe, die Knaben einen Kasperl machen. Das innerliche Erlebenkönnen, das müßte berücksichtigt werden beim Farbenmalen.

Dat is veranderd. Het ging erom, iets actueels te maken. Wat doet de kunstenaar? Hij heeft een motief en dat zet hij zo neer dat wat links staat, rechts ook weer komt. Hij maakt er een Gotisch raam van. Dit soort dingen gebeurt. Het is echt wel mogelijk dat er in de 10e of 11e klas iets moois wordt bereikt. Nu wil een van onze fabrikanten een vignet voor kindermeel. Nu moet er iets van binnenuit gecreëerd worden. Vanuit het innerlijk moet dat op een bepaalde noodzakelijke manier.  Tegenwoordig kennen mensen alleen een kunstobject. Dat moet wel het geval zijn als het iets imiteert. Er is een kunst- en ambachtsleraar in Bazel die zegt dat hij niet begrijpt waarom het nodig is dat als ik het ene oog hier schilder, waarom ik het andere dan niet hier kan schilderen. Op zich heeft het iets, zolang je maar niet in die dingen meegaat. Wat ik bedoel is het innerlijke vermogen om te ervaren. Dit bedoel ik met gevoel voor stijl. Je moet een driehoek kunnen ervaren, een vierkant kunnen ervaren. Je niet aan het uiterlijke nadoen houden. Tegenwoordig maakt iedereen gewoon een pop door deze te imiteren en niet door innerlijk te ervaren. Je moet het van binnenuit kunnen ervaren, zoals een pop huilt of lacht. Dit zou allemaal zinvol gemaakt moeten worden, tot aan de kleding toe. — De meisjes kunnen een pop maken, de jongens een Jan Klaassen. Bij het schilderen met kleuren gaat het om het om het innerlijke beleven. <7>

X.: Läßt sich auch bei den Tönen etwas anwenden?

X.: Kan er ook zoiets met de tonen gebeuren?

Dr. Steiner: Ich glaube doch, daß es sich auch innerlich erleben läßt.

Ik geloof dat het ook innerlijk ervaren kan worden.

Musiklehrer: Soll man mit Worten den Kindern etwas näherzubringen

suchen? Die Melodie als solche oder die einzelnen Töne?

Muziekdocent: Moet je de kinderen iets met woorden proberen over te brengen? De melodie als zodanig of de afzonderlijke noten?

Dr. Steiner: Es wird sich nur im Thema oder in der Melodie ergeben. Wenn man so die Töne behandelt, kommt ein Künstlerisches heraus.

Ich glaube, daß Goethe so etwas meint, wie er Klavier gelernt hat.

Het komt alleen tot uiting in het thema of in de melodie. Als je de tonen op deze manier behandelt, ontstaat er iets artistieks.

Ik denk dat Goethe zoiets bedoelde als hoe hij piano leerde spelen.

Es wird gefragt, ob die Kinder Eurythmieschuhe herstellen sollen.

<8> De vraag wordt gesteld of de kinderen euritmieschoenen moeten maken.

Dr. Steiner: Dadurch würden die Kinder schwächlich und kränklich.

Ich glaube, daß es zu Unzukömmlichkeiten kommen könnte. Auf der anderen Seite, ist so furchtbar viel an Eurythmieschuhen zu erzeugen?

Dat zou de kinderen zwak en ziek maken.

Ik geloof dat het zou kunnen leiden tot ongemak. Aan de andere kant, is er nou zo vreselijk veel te ontwikkelen aan euritmieschoenen?

X.: Jetzt ist es so, daß viele Kinder es für die anderen machen.

X.: Op dit moment maken veel kinderen ze voor elkaar.

Dr. Steiner: Wie lange braucht ein Kind, um ein Paar Eurythmieschuhe zu machen?

Hoe lang doet een kind erover om een ​​paar eurythmieschoenen te maken?

Blz. 243

Ich denke, daß unter den Mitgliedern sehr viele wären; ich kann mir denken, daß unter den Mitgliedern manche Frau ist, die kann mindestens im Tag ein Dutzend solche Schuhe machen, oder neun oder zehn.

Ik denk dat er veel van zulke mensen onder de leden zijn; ik kan me voorstellen dat er onder de leden vrouwen zijn die minstens een dozijn van zulke schoenen per dag kunnen maken, of negen of tien. <8>

X.: In der 5. Klasse ist ein Schüler, der nicht Eurythmie machen will. Er hat

für Künstlerisches kein Interesse, sondern nur für Physik, Elektrizität.

<9> X.: In de vijfde klas zit een leerling die geen zin heeft in euritmie. Hij heeft geen interesse in kunst, alleen in natuurkunde en elektriciteit.

Dr. Steiner: Wie es unmusikalische Menschen gibt, kann es auch uneurythmische Menschen geben. Ich würde ihn nicht dispensieren.

Man sollte nur dispensieren, wenn partielle Idiotie vorhanden ist.

Net zoals er mensen zijn die niet muzikaal zijn, zijn er ook mensen die niet euritmisch zijn. Ik zou hem geen vrijstelling geven. Dat kan alleen als er sprake is van een zekere mate van geestelijk onvermogen. <9

Wegen eines Schülers S.

<10> Over leerling S.



Dr. Steiner: Der unter den Bänken hervorgekrochen ist?

Man muß immer denken, zum Beispiel: werde ich die Zeichnung in

die Ecke machen, werde ich es klein oder groß machen. Der muß

veranlaßt werden, innere Aktivität zu entwickeln. Der muß angehalten werden, nicht so hinzuschlafen. Innerlich tätig sein. Es ist besser, wenn der Junge etwas machen muß, wozu er sich erst entschließen muß. Das meiste erreicht man mit dem Jungen, wenn man ihn berücksichtigt und freundlich ist. Er kann auch artig sein. Ich habe es merkwürdig gefunden, ich habe immer nur bemerkt, wenn er bestraft worden ist. Was er getan hat, habe ich nicht bemerkt.

Die onder de bank vandaan kroop?

Je moet altijd nadenken, bijvoorbeeld: ga ik de tekening in de hoek maken, maak ik hem klein of groot? Hij moet worden aangemoedigd om zijn innerlijke activiteit te ontwikkelen. Hij moet worden tegengehouden om alleen maar in slaap te vallen. Hij moet innerlijk actief zijn. Het is beter als de jongen iets moet doen waar hij eerst zelf voor moet kiezen. Je bereikt het meeste met de jongen als je attent en aardig voor hem bent. Hij kan zich ook goed gedragen. Ik vond het vreemd; ik merkte alleen dat hij straf kreeg, niet wat hij gedaan had. <10>

 .

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3547-3332

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Gezondmakend onderwijs (4-3-2)

.

In dit artikel beschrijft Prof.dr. Hueck een onderzoek naar de gezondheid van vrijeschoolleerlingen t.o.v. niet-vrijeschoolleerlingen.

Joes Gerritsen, nadere gegevens ontbreken,

schreef over een ander onderzoek:

Heeft de s o o r t onderwijs invloed op lichamelijke rijping?

Wees een te Stuttgart gehouden enquête onder meisjes van openbare en vrijescholen al een belangrijk verschil aan in het tijdstip van optreden van de eerste menstruatie, de zgn. menarche, een onderzoek hier te lande bevestigde deze resultaten.

Wat is nl. het geval?

In 1977 werd een vragenlijst gestuurd aan 4 vrijescholen en 4 verschillende christelijke mavo’s. Behalve de vraag naar de menarchedatum van de meisjes, werd o.a., ook geïnformeerd naar het dragen van een bril.

Bedoeling van het onderzoek was na te gaan of ander onderwijs, een meer kunstzinnige benadering die dóórwerkt in alle vakken, zoals in de vrijescholen wordt nagestreefd, het tempo van de lichamelijke ontwikkeling beïnvloedt. De versnelling nl. van de groei – de lange slungelige gestalte die al vroeg optreedt (geconstateerd is dat soldaten in de laatste halve eeuw gemiddeld 10 cm. langer zijn geworden) – deed de vraag opkomen of er een oorzaak is aan te wijzen verantwoordelijk voor deze opvallende verschijnselen in deze tijd.

Als maatstaf voor het tempo van de lichamelijke ontwikkeling koos men dus het tijdstip van de eerste menstruatie.

Een der oorzaken zou kunnen zijn het feit dat op steeds jeugdiger leeftijd een sterk beroep wordt gedaan op het zenuw-zintuigstelsel via het zgn. aanschouwelijke onderwijs: gezichts- en gehoorzintuigen worden extra belast door teksten te lezen, platen te beluisteren, dia’s en tv-beelden te gebruiken in de lessen. Vooral door het waarnemen van de voltooide vormen in boeken etc. is het kleine kind (dit begint al in de peuterleeftijd!) niet meer in staat daar van binnenuit iets aan toe te voegen; de vorm is af!

Gevolg is dat het gevoels- en wilsleven wordt lamgelegd en dat er een disharmonie optreedt tussen de psychische en de lichamelijke ontwikkeling en gevolg daarvan is dat de lichamelijke ontwikkeling niet voldoende wordt afgeremd, zich sneller afwikkelt dan gezond is. Bepaalde belangrijke ontwikkelingen worden geheel overgeslagen.

Typisch geestelijke vermogens, zoals de religieuze en morele gevoelens worden hierdoor “in de kiem gesmoord” en de gevolgen daarvan zien we overal om ons heen: agressiviteit, grofheid etc.

In wezen kan het 2/3 deel van de mens (het ziels/geestelijke deel) het ene derde deel (de lichamelijke groei) niet meer bijhouden.

Bij een harmonische ontwikkeling wordt gedacht aan uitgroeien tot aan de volwassenheid (20e jaar); een afsluiting van de groei in het 15e,16e jaar wordt dan als vroegtijdig en  niet-harmonisch beschouwd.

Uit het onderzoek bleek dat de mavomeisjes gemiddeld 3 maanden eerder dan de vrijeschoolmeisjes menstrueerden. Misschien niet zo’n groot verschil, maar in Stuttgart kwam men op 8 maanden verschil uit! Bovendien bleek 22% van de mavomeisjee vóór het 12e jaar te menstrueren, 9% van de vrijeschoolmeisjes. Deze verschillen kunnen we niet zo maar aan het toeval wijten.

Dan het dragen van een bril: van de mavomeisjes kreeg 35% een bril toegewezen, van de vsmeisjes maar 17% (minder te lezen in de lessen) Wanneer eenzijdig intellectueel ingericht onderwijs (minder doen en minder emotionele betrokkenheid) van invloed zou zijn op de lichamelijke rijping en op toename van bijziendheid, dan verdient dit aandacht van alle pedagogen en psychologen. Bovendien mag dan verwacht worden dat de interessen voor wat de vrijescholen in de lessen doen, en dat al meer dan 50 jaar lang! – zal toenemen.

Dit onderzoek kan een aanzet zijn die leidt tot verdere onderzoekingen naar de invloed van vrijeschoolonderwijs op de ontwikkeling van het kleine kind.

Dit zijn lastige onderzoeken: er zijn veel factoren waarmee je rekening moet houden. En kun je daar rekening mee houden?
In 1977 was de wereld ‘rustiger’ dan nu. Voor kinderen die bewust met antroposofische inzichten werden opgevoed, c.q. onderwijs kregen, kan de kunstzinnige opvoeding t.o. een (veel) intellectualistischer benadering van invloed zijn geweest op de groeikrachten.
Steiner heeft er – in zijn tijd was dat nog weer anders – gezichtspunten voor gegeven, zie bv. [3]   en    [4]
Het lijkt mij dat er veel minder ‘beschermd opgevoede’ vrijeschoolleerlingen zijn dan ‘vroeger’. Ook zij hebben te maken met de wereld van de communicatiemiddelen van nu die een grote invloed hebben op het zenuw-zintuigstelsel. En het mobiele telefoongebruik zal ook van grote invloed zijn op hun gezichtsvermogen. 

Zo zijn er nog wel meer factoren te noemen.

Al met al blijft het wel een interessante vraag en wellicht wordt er weer eens een onderzoek ingesteld.
.

Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs

Meer over gezondmakend onderwijs – onder nr. 4

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3542-3328

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Opvoeding door menskunde

.

In ‘Die Drei’ van september 2019 schrijft auteur Christoph Hueck* een artikel met bijna dezelfde titel als de pedagogische voordrachtenreeks GA 302A
Een deel van de voordrachten hierin gaan over de ‘meditatieve doorwerking’ van hetgeen Steiner over de wordende mens opmerkt.

De ondertitel van Huecks artikel luidt:

Stappen in de richting van een zintuigelijke – bovenzintuigelijke waarneming van jongere en oudere kinderen.

Rudolf Steiner wilde een onderwijs stimuleren dat “gebaseerd is op echte kennis van de menselijke natuur”. Zijn fundamentele idee voor het Waldorfonderwijs is: alleen wanneer men weet hoe kinderen en jongeren zich ontwikkelen, kan men op een gezonde manier onderwijs geven. Elke levensfase vereist volgens Steiner een “volledig andere” opvoeding, die gebaseerd moet zijn op een diepgaand begrip van de ontwikkeling van het kind:

“Wij moeten het wezen van het kind voor ieder afzonderlijk jaar, ja, zelfs voor iedere afzonderlijke week in onze eigen ziel tot leven laten komen. Daar moet de spirituele grondslag liggen voor de pedagogie..”
GA 305/21
Vertaald/ 24

Kleuterschool en basisschool moeten niet gericht zijn op extern meetbare verwerving van vaardigheden of op leerresultaten op korte termijn, zoals tegenwoordig overal in het staatsonderwijs wordt geëist en toegepast, maar moeten ontwikkelingsgericht zijn, zodat ze een heilzaam effect kunnen hebben gedurende het hele leven.

Wanneer men in de verbeeldingswereld en gevoelens van een kind datgene introduceert wat aansluit bij de ontwikkelingsrichting in een bepaalde levensfase, versterkt men de hele persoon in ontwikkeling, zodat deze versterking een bron van energie blijft gedurende zijn of haar hele leven. Als men daarentegen tegen de ontwikkelingsrichting in een bepaalde levensfase ingaat, verzwakt men de persoon.
GA 24/88
Op deze blog vertaald/5e alinea

Uit deze intuïtief begrijpelijke onderwijsregel vloeit wellicht de belangrijkste vraag van het Waldorfonderwijs voort: hoe kunnen we de ‘ontwikkelingskrachten’ herkennen die in verschillende levensfasen werkzaam zijn?
De gangbare opvatting van de mens als een genetisch geprogrammeerd biologisch lichaam waarin een min of meer intelligent bewustzijn zich ontwikkelt door externe socialisatie, gaat niet diep genoeg om de werkelijke ontwikkelingsprocessen te begrijpen.
In het bijzonder moet, volgens Steiner, het verband tussen fysiologische en psychologische ontwikkeling worden gezien. De psychologie onderzoekt de oorsprong van ideeën, de fysiologie de menselijke groei, “maar dat deze twee dingen, groei en ideeën, iets met elkaar te maken hebben, nauw met elkaar verbonden zijn, daar weten we helemaal niets van.”
GA 304A/75
Op deze blog vertaald: Blz. 75

De wetenschap heeft niet de macht om door te dringen tot dat domein van de mens dat het fysieke met het spirituele verbindt. “Het leidt er simpelweg toe dat we ons bekwamen tot een nauwkeurigere, een intensievere waarnemingskunst van het wezen mens. Neem gewoonweg intensiever waar. “
GA  301/18
Op deze blog vertaald/18

Dit vereist de gebruikelijke studie van de antroposofische antropologie, zoals die traditioneel wordt beoefend in Waldorflerarenopleidingen. Het is echter lang niet voldoende om alleen maar theoretische kennis van verschillende ‘onderdelen’ van de mens en hun ontwikkelingswetten op te doen. Wie Waldorf-onderwijs studeert, moet ook begeleid worden naar een ervaring van de verschillende krachten in de mens, waartoe Rudolf Steiner aanmoedigde, door middel van kunstzinnig werk: door boetseren voor de levenskrachten (‘etherlijf’), door muziek voor de ziel (‘astraallijf’) en door taal voor het spirituele (‘Ik’).
GA 310/voordracht 8
Vertaald

Vgl. Armin Husemann: ›Menschenwissenschaft durch Kunst: Die plastisch­musikalisch-­sprachliche Menschenkunde. Einführung – Quellentexte – Dokumentation,Stuttgart 2007

Er moet naar gestreefd worden, geleerd en geoefend om tot een waar begrip te komen van de diepere ontwikkelingskrachten, niet door speculatie, maar door ervaring, zodat opvoeders en leerkrachten [in de] kinderen en jongeren “echt leren lezen”.
GA 307/voordracht 6
Vertaald

Zoals Steiner op een gegeven moment ook zegt:

Wanneer we zeggen: De mens bestaat uit het fysieke lichaam, bestaat hij ook uit het etherlijf – dan betekent dit: Je moet leren observeren […] hoe de fysieke ontwikkeling […] zich ontvouwt tot het zevende jaar, […] hoe het een spiritueel-psychologische aangelegenheid is, en hoe dit spiritueel-psychische aspect, of men het nu het etherisch lichaam noemt of hoe men het ook wil noemen, werkt binnen het fysieke lichaam.
GA 301/24
Op deze blog vertaald/24

Waldorfpedagogie vereist daarom, wil ze serieus genomen worden, de ontwikkeling van nieuwe cognitieve vermogens. Het is niet voldoende om bij conventionele cognitie te blijven, dat wil zeggen, om externe waarnemingen te verklaren door middel van min of meer abstracte gedachten. Men moet tot een ‘zintuiglijk-bovenzintuiglijk’ inzicht* komen in de krachten die werkzaam zijn in het kind en de adolescent: ‘Als we deze kennis niet in het dagelijks leven hebben opgedaan via ons wetenschappelijk onderwijs, dan moeten we die ontwikkelen.’
GA 305/16
Vertaald/ 19

*Deze uitdrukking, die Goethe gebruikte voor het kennen van het
planttype, beschrijft een bijzondere vorm van interpretatieve intuïtie waarin externe waarnemingen en interne bewegingen zich verstrengelen tot een levende eenheid die subject en object verbindt.

Als opvoeders en leerkrachten niet daadwerkelijk leren ‘zien’ welke krachten werkzaam zijn in het kind en de adolescent, dreigt de Waldorfpedagogie haar levensader en innerlijke vuur te verliezen en – voor zover ze nog enigszins georiënteerd is op Steiners antroposofie – star te worden in dogma en traditie.

Richting gevende begrippen

Je ziet niets in een persoon als je niet hebt geleerd je mentale en emotionele blik op de juiste manier af te stemmen op wat overeenkomt met denken, voelen en willen. Deze oriëntatie van de blik is wat Waldorf-leerkrachten zouden moeten cultiveren. Want allereerst moeten leerkrachten begrijpen hoe kinderen in elkaar zitten, dan kunnen ze de juiste houding ontwikkelen, en alleen vanuit de juiste houding kan echt onderwijs ontstaan.
GA 305/55
Vertaald/ 59-60

Opvoeders en leerkrachten dienen daarom getraind te worden in en voortdurend te oefenen met het op passende wijze toepassen van antroposofisch-menskundige begrippen bij het observeren van de ontwikkeling van kinderen en adolescenten.*

*Dergelijke observaties zijn mogelijk via stages of als privéopdrachten. Het is belangrijk dat de praktische observaties gekoppeld worden aan specifieke onderzoeksvragen binnen de humane wetenschappen en dat daarop gereflecteerd wordt.

Helder, maar flexibel denken

Om de ontwikkeling van een kind te begrijpen, is flexibel denken nodig. In werkelijkheid zijn dingen immers niet scherp van elkaar afgebakend en kunnen ze daarom niet met definities worden gevat. Definities zijn voor het intellect, niet voor intuïtie, en nog minder voor de praktijk. Aan de hand van het voorbeeld van de drievoudige aard van het lichaam legde Steiner uit wat hij bedoelde met flexibel denken.
Het menselijk organisme kan worden verdeeld in het zenuwstelsel (“hoofd”), het ritmische systeem (“borst”) en het metabole systeem (“ledematen”). Het hoofd is weliswaar “primair” het hoofd, maar de sensorische en nerveuze activiteit ervan strekt zich uit tot de rest van het lichaam. In dit opzicht is het ook een “hoofd”, maar niet primair. Hetzelfde geldt voor de ritmische processen (ademhaling en polsslag) en de metabole processen die de bewegingen van de ledematen mogelijk maken. Ook de hersenen hebben ritmische en metabole processen. Deze drie systemen zijn van elkaar te onderscheiden, maar in werkelijkheid vloeien ze in elkaar over.
De leraren van de toekomst moeten vooral dit innerlijk dynamische, dit niet-schematische denken in zich opnemen. Want alleen op deze manier […] kunnen ze de werkelijkheid met hun ziel benaderen. […] Men moet de voorkeur overwinnen, die men in het heden steeds meer heeft ontwikkeld, om zich bij de beschouwing van wetenschappelijke zaken vast te klampen aan de details van het leven, […] en men moet tot een verbinding komen tussen de details van het leven en de grote levensvragen.
GA 296/73
Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave //

Dit betekent echter niet dat dit ‘onschematische’ denken onduidelijk hoeft te zijn. Duidelijk onderscheid is absoluut essentieel: “Dingen zijn zeker niet strikt van elkaar gescheiden, maar als men iets ordelijks wil herkennen, vooral voor het dagelijks leven, dan moet men de dingen correct scheiden.”
GA 301/207
Op deze blog vertaald/207

Flexibel denken betekent beide: in staat zijn duidelijk te scheiden en vervolgens weer te verbinden.

Dit soort denken maakt een menskunde mogelijk die zulke vloeiende, levendige ideeën bevat dat de opvoeder ze kan vertalen naar een praktisch begrip van de individualiteit van elk kind. En pas voor degenen die hiertoe in staat zijn, krijgt de eis om op te voeden en te onderwijzen in overeenstemming met de individualiteit van het kind, praktische betekenis.
GA 24/269
Niet vertaald

Zulk ‘levend’ denken wordt het best beoefend door de studie van Rudolf Steiners geschriften, omdat zijn teksten en lezingen zo geschreven zijn dat ze juist dit soort denken vereisen en bevorderen. Opleidingen voor Waldorfleraren zouden daarom absoluut met Steiners originele teksten moeten werken.

Creatieve cognitie

Antroposofische concepten wijzen op een realiteit die pas werkelijkheid wordt voor degene die haar door middel van deze concepten begrijpt. Het is dus niet helemaal juist om van een vrolijk kind met roze wangen te zeggen: “er is een sterk en gezond etherlijf in werkzaam”, als men dit versterkende en helende effect niet tegelijkertijd ook in zichzelf ervaart. Men moet in staat zijn om met de eigen vrije etherische krachten datgene te herbeleven wat fysiek in het kind is gebonden. Door het te ervaren, weet men waar men het over heeft. Men hoeft zich alleen maar te realiseren dat de “bovenzintuiglijke” realiteit waarover de antroposofie spreekt, niet buiten het eigen wezen bestaat, maar dat men zelf doordrongen is van die realiteit. In deze realiteit heersen andere relaties tussen subject en object dan in de externe realiteit. Ten opzichte van de fysieke realiteit kan men zich min of meer passief gedragen; voor het begrijpen van de “bovenzintuiglijke” realiteit moet men actief deelnemen.

‘Wat men weet over de mens moet, althans tot op zekere hoogte, ervaren worden als het creatieve aspect van het eigen wezen; men moet het aanvoelen als een kennende activiteit binnen de eigen wil. […] Kennis van de mens als fundament van de pedagogie moet tot leven komen wanneer je het in je opneemt.
GA 36/288
Vertaald in: Pedagogie, kunst en moraliteit

Rudolf Steiner zei op soortgelijke wijze tegen de leraren van de eerste Waldorfschool:

Wanneer u een goed ontwikkeld, door uw wil en gemoed gedragen inzicht hebt in het wezen van de wordende mens, dan zult u ook een goed leraar en opvoeder zijn. U zult een zeker pedagogisch instinct krijgen waaruit u deze door de wil gedragen kennis van het wordende kind kunt toepassen op de verschillende gebieden.
Maar deze kennis moet dan ook reëel zijn, dat wil zeggen gestoeld
op werkelijke feitenkennis.
GA 293/133
Vertaald/129
Zie Algemene menskunde [9-1]

Met voldoende aandacht en innerlijke gevoeligheid kan men de inhoud van het antroposofische begrip van de menselijke natuur direct en betrouwbaar ervaren. Als men weet waar men op moet letten, is men zijn eigen beste expert op het gebied van de menselijke natuur. Het diverse artistieke werk dat deel uitmaakt van de traditionele opleiding van Waldorfleerkrachten en -pedagogen bevordert de noodzakelijke innerlijke flexibiliteit en gevoeligheid, maar de innerlijke ervaringen die men door kunstzinnige activiteit kan opdoen, moeten ook bewust worden waargenomen en systematisch en praktisch worden verbonden met de concepten van de menselijke natuur. Dit soort creatief en ervaringsgericht begrip van de menselijke natuur moet aan het werk zijn bij de observatie van kinderen en jongeren. De observatie is dan niet afstandelijk en registreert niet alleen wat intellectueel wordt waargenomen, maar omvat ook de gevoelens en de wil van de opvoeders. Aan de hand van het voorbeeld van de “etherische krachten” die het lichaam (hier: de tanden) en de ideeën vormen, legde Steiner uit:

Nu is het niet zo, dat je aan die abstracte basisregel wel zo ongeveer genoeg hebt: dezelfde krachten die bij het voorstellen een rol spelen, werken aan het ontstaan van de tanden. Echter, wanneer je dat weet, dan kijk je toch heel anders naar het kind en vooral, je neemt het niet alleen anders waar met je intellect, maar met je gevoel, gevoelsmatig, met al je wilsimpulsen sta je op een andere manier t.o.v. het kind.
GA 301/21
Op deze blog vertaald/21

Steiner noemde deze manier van kijken naar dingen vaak ‘kunstzinnig’:

Wie de essentie van de ziel wil begrijpen, moet de wetmatige orde doordringen met kunstzinnige, creatieve kracht in de kennis. De kenner moet een artistiek waarnemend persoon worden als hij het psychische wil vatten. […] Zonder de deelname van innerlijk, persoonlijk, creatief begrip kan het psychische niet gekend worden. Men deinst terug voor deze deelname omdat men gelooft dat men daardoor […] vervalt in de persoonlijke willekeur van het oordeel. En inderdaad, men vervalt in deze willekeur als men geen innerlijke objectiviteit verwerft door zorgvuldige zelfstudie.
GA 24/269
Niet vertaald

Zorgvuldige observatie en vergelijking

Om een ​​dergelijke innerlijke objectiviteit te verwerven, moet men door oefening een nauwkeurig en vergelijkend observatievermogen ontwikkelen – een realiteitsgerichte waarneming die reële indrukken met elkaar vergelijkt

U zult het geestelijke in de wereld pas begrijpen wanneer u realiteiten met elkaar vergelijkt. [ ] Dit zal voor de toekomst van de mensheid onvoorstelbaar
noodzakelijk zijn, dat de mensen zich ertoe zetten de realiteit, de
werkelijkheid op te zoeken. Men denkt tegenwoordig bijna alleen
nog maar in woorden, niet in werkelijkheid.
GA 293/118
Vertaald/116
Zie Algemene menskunde [7-1]

Als we bijvoorbeeld een vijfjarig kind beschouwen, zijn de ontwikkelingskrachten waar Steiner naar verwijst – de wisselwerking tussen lichaam, ziel en geest – slechts in zeer vage termen waarneembaar.

Maar als we de fysieke vorm, bewegingen, gelaatsuitdrukkingen en gebaren, taal- en emotionele expressies, sociaal gedrag en cognitieve vaardigheden van dit kind vergelijken met die van een tweejarige, een negenjarige en een vijftienjarige, en antroposofische concepten van menselijke ontwikkeling gebruiken om deze observaties te verhelderen, dan worden de innerlijke ontwikkeling en de regelmaat ervan plotseling tastbaar.

Voor het jonge kind vóór de tandwisseling, zei Steiner, moet men het “wonderbaarlijke fenomeen” observeren van “hoe de fysionomie zich maand na maand, jaar na jaar openbaart”, en hoe het vooral in de ontwikkeling van de gebaren van het kind duidelijk wordt dat een innerlijk, spiritueel-psychologisch aspect zich fysiek steeds duidelijker uitdrukt. Door dergelijke observatie, die herhaaldelijk moet worden geoefend, verwerft men een ‘fijner psychisch zintuiglijk organisme’, waardoor men vervolgens bij een kind tussen de zeven en veertien jaar oud ‘via een innerlijke structuur die werkt als een psychisch oog’ kan zien ‘hoe het zijn lichaam nu op een meer geheime manier verder ontwikkelt’.
GA  237/207
Vertaald

Als men dit fijne inzicht in de werking van een spiritueel-psychologisch aspect in de fysieke ontwikkeling van het kind ontwikkelt, kan men ook herkennen hoe na de puberteit een spiritueel-psychologisch aspect zich weer van het lichaam bevrijdt:

‘Als we een nauwkeuriger inzicht krijgen in de eerste twee levensfasen, zal wat iemand na de puberteit werkelijk blijkt te zijn als een tweede persoon verschijnen. Het zal dan zelfs zichtbaar zijn door de fysieke persoon zoals die voor ons staat; en wat naar buitenkomt als vlegelgedrag, maar ook in veel schoonheid, verschijnt als een tweede, wolkachtige persoon in de mens. […] Hij is degene die in het vorige aardse leven leefde en die zich nu, in de schaduw, in het huidige aardse leven een plaats inneemt.
GA 237/210
Vertaald 

Door middel van zo’n verfijnde observatie wordt het mogelijk om de mens dieper te begrijpen in zijn spirituele en mentale aard en in zijn ontwikkeling. Steiner daarentegen hekelde de abstractheid en passiviteit van extern gestuurd denken, waardoor “mensen elkaar voorbijgaan”:

Onze beschaving is volledig abstract geworden!
In ons gewone bewustzijn kunnen we alleen maar denken aan, en eigenlijk alleen maar denken aan, wat ons is opgedrongen. We komen niet eens meer tot zulke subtiele waarnemingen als ik zojuist heb beschreven. Daarom lopen mensen elkaar tegenwoordig voorbij. Mensen leren veel over dieren, planten en mineralen, maar ze leren absoluut niets over de subtiliteiten van de menselijke ontwikkeling. Dit hele innerlijke leven moet intiemer worden, innerlijk verfijnder, delicater, dan zullen we weer iets van dit leven zien. En dan, dan zullen we vanuit de menselijke ontwikkeling zelf naar het vooraardse leven kijken.
GA  237/207
Vertaald

Het is een duurzaam effectieve training voor Waldorfpedagogen om jongeren van dichtbij en op een diepgaand antroposofische manier vanuit een breed scala aan perspectieven te observeren. De betrokkenheid bij de antroposofische antropologie door middel van studie en de fantasierijke, ‘artistieke’ observatie van kinderen en jongeren kan – en moet – worden verdiept door meditatie. Men kan individuele antroposofische concepten visualiseren of overeenkomstige beelden kiezen die Steiner in zijn lezingen gebruikte, deze symbolen een tijdlang innerlijk in het centrum van de aandacht houden en ernaar streven ze zo intens mogelijk te ervaren. Bovenal hangt het af van de bewuste activiteit van meditatie, waardoor innerlijke krachten worden geactiveerd die sluimerend blijven bij puur intellectueel begrip, evenals van de concentratie.

Dit opent de deur naar de mogelijkheid om je Ik op een compleet andere manier te activeren dan je normaal gesproken in het leven doet. Wat voor een zwakke activiteit verrichten we eigenlijk bij gewoon intellectueel denken!
Dat is de grootste zwakte van de mensheid: intellectueel actief zijn. Daarbij sleept men slechts het ene concept na het andere met zich mee.

Maar als je het kind observeert zoals ik zojuist heb beschreven, mediteer je op een manier waarbij je Ik-organisatie volledig betrokken is. Dit is iets waar we in onze toekomstige pedagogiek ook rekening mee moeten houden.
GA 316/152 
Niet vertaald

Meditatie leidt tot een diepgaande, ervaringsgerichte verdieping van de kennis over de menselijke natuur. Het wordt met name effectief door herhaling. Men zal dan steeds duidelijker ervaren dat het kind of de adolescent zichtbaar wordt, alsof door de geest, dat men in hen – op ieders individuele manier – de ideeën over de menselijke natuur kan zien, zoals Goethe zei, “als met ogen”. En dit soort zien is pedagogisch zeer vruchtbaar. Hieruit kunnen steeds helderdere pedagogische inzichten voortvloeien.

De overwegingen die een humanistische pedagogie maakt […] zijn er allemaal op gericht om de mens intiemer te leren kennen. Maar wanneer je vervolgens door middel van meditatie over deze dingen reflecteert, kun je niet anders dan ze in je laten doorwerken. […] Wanneer je antroposofie bestudeert […], ervaar je dit aanvankelijk bewust; wanneer je er daarna over mediteert, vindt er een innerlijk spiritueel-psychologisch verwerkingsproces in je plaats, en dit maakt je tot een opvoeder en leraar. […] Zulke overwegingen, […] wanneer we ze steeds weer in onszelf wakker maken, wanneer we er zelfs maar vijf minuten per dag naar terugkeren, zetten al het innerlijke zielsleven in beweging. We worden innerlijk zo vruchtbaar in gedachten en gevoelens dat alles er gewoon uit borrelt. ’s Avonds mediteer je over de menselijke natuur, en ’s ochtends stroomt het er allemaal uit: “Ja, met Hans Müller moet je nu dit of dat doen – of: Dit meisje mist dit en dat, enzovoort. Kortom, je weet wat je in het specifieke geval moet toepassen.”
GA 302A/51
Vertaald

Studenten in Waldorflerarenopleidingen zouden daarom ook kennis moeten maken met meditatiemethoden om hun begrip van de menselijke natuur te verdiepen. Meditatie wordt nog steeds vaak beschouwd als een persoonlijke aangelegenheid voor de ‘stille kamer’. Dat hoeft echter niet zo te blijven, zoals vele artikelen in dit tijdschrift de afgelopen jaren hebben aangetoond.

Zie www.anthroposophische­ meditation.org

Waldorfonderwijs is dus niet gebaseerd op een programma, maar op directe, dagelijkse praktijk, op directe interactie met het kind en zijn natuur.
GA 304A/95
Op deze blog vertaald/95

Volgens Steiner moet wat leraren en opvoeders doen, “in elk moment van hun werk opnieuw geboren worden vanuit een levend begrip van de zich ontwikkelende mens.”
GA 24/86
Op deze blog vertaald/3e alinea

Waldorfonderwijs gaat niet over het implementeren van een pedagogisch systeem, maar over het ontwaken tot een diepere, menselijkere, waarderende werkelijkheid en het vormgeven ervan vanuit een voortdurend vernieuwende creatieve kracht.

Vrijeschoolpedagogie is helemaal geen pedagogisch systeem, maar een kunst om dat wat in de mens leeft te wekken. In feite wil de vrijeschoolpedagogie helemaal niet opvoeden, maar wekken. Want in deze tijd gaat het om wekken. Eerst moeten de leraren worden gewekt, daarna moeten de leraren de kinderen en
de jonge mensen wekken
GA 217/36
Vertaald/38

*Dr. Christoph Hueck, geboren in 1961, bioloog, voormalig Waldorfleraar, docent antroposofie, Waldorfpedagogie en antroposofische meditatie. Medeoprichter van de Akanthos Academie voor antroposofisch onderzoek en ontwikkeling in Stuttgart. 

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3538-3324

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 22 september 1920

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

Positie van Steiner als esotericus binnen het lerarencollege  <1> <1A>
Hoe om te gaan met de overheid <2>
Over het leerplan van klas 9 <3>
Over reciteren; beweegbaar speelgoed <4>
Aanstellen nieuwe collega’s; criteria <5>
Vrij godsdienstonderwijs klas 7 – 9  <6>
Over verschillende kinderen met problemen  <7>
Wereldschoolvereniging; hoe en door wie op te richten; allerlei problemen <8>

.

RUDOLF STEINER

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924

Erster Band Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1 Het eerste en tweede schooljaar

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A

Blz. 214

Vergadering van woensdag 22 september 1920, 20-0.15u

Dr. Steiner: Meine lieben Freunde! Ich muß einige Worte voranschicken, bevor wir in die Einzelheiten der Verhandlung eintreten, da wir am Beginne eines Schuljahres stehen und einige Dinge kurz geklärt sein müssen.
Es ist gesprochen worden auch von meiner
eigenen Stellung im Lehrerkollegium. Ich will heute zunächst nicht vom Äußeren dieser Stellung sprechen, nur vom Inneren. Das scheint mir doch angemessen zu sein am heutigen Abend, weil auch diese innerliche Stellung wenigstens zwischen den Zeilen berührt worden ist.
Ich möchte in den Dingen, die sich auf unsere geistige Bewegung

beziehen — und die Ordnung der Waldorfschule, insofern sie geistige
Angelegenheiten sind, insofern sie pädagogisch-didaktisch von der
Lehrerkonferenz zu behandelnde Fragen sind, gehören in unsere
anthroposophische Bewegung hinein —, in allen solchen Fragen
fühle ich mich, meine lieben Freunde, und werde mich nie anders
fühlen können denn als Esoteriker den Freunden gegenüber. Und da
ist es heute nötig, einiges zu sagen, das Sie nur zu spezialisieren
brauchen auf die besondere Lage der Waldorfschule, über die Auffassung der Stellung des Esoterikers, die dieser selbst von sich hat.

<1> Beste vrienden! Ik moet eerst een paar woorden vooraf zeggen, voordat we naar de details van de bespreking gaan, omdat we aan het begin van een nieuw schooljaar staan ​​en bepaalde zaken kort verduidelijkt moeten worden.
Mijn eigen positie binnen het docententeam is ook ter sprake gekomen. Vandaag wil ik het niet hebben over de externe aspecten van deze positie, maar alleen over de interne. Dit lijkt me vanavond op zijn plaats, omdat ook deze interne positie, ondersteund tussen de regels door, is aangestipt. In zaken die betrekking hebben op onze spirituele beweging – en de organisatie van de Waldorfschool, voor zover het een spirituele kwestie is, voor zover het pedagogische en didactische kwesties betreft die door de lerarenconferentie moeten worden besproken, behoren tot onze antroposofische beweging – in al deze zaken, beste vrienden, voel ik me, en zal ik me nooit anders kunnen voelen dan als een esotericus ten opzichte van mijn vrienden. En daarom is het vandaag nodig om een ​​paar dingen te zeggen, die alleen relevant zijn voor de specifieke situatie van de Waldorfschool, over de eigen perceptie van de esotericus van zijn positie.

Natürlich rechnet man als jemand, der aus den geistigen Welten heraus Dinge an seine Mitmenschen bringen will, darauf, daß diese Dinge in einer gewissen Weise, vielleicht zwar nicht auf Autorität hin, aber auf das Gefühl hin angenommen werden: daß Forschungsresultate vorliegen, die nach bestimmten Richtungen hin vielleicht nur von demjenigen, der sie in einer solchen Weise vertritt, zunächst bekanntgegeben werden können; die selbstverständlich verstanden werden können, wenn sie einmal ausgesprochen sind, die aber eben von einem oder einigen erst als ihre Forschungsresultate ausgesprochen werden müssen. Das ganze Verhältnis, in dem man solche Wahrheiten aufnimmt, ist nicht dasjenige auf Autorität hin, aber es ist ein
solches, das in einer gewissen Weise anerkennt, daß aus einer solchen
Quelle solche Dinge geschöpft werden können.
Meine lieben Freunde, es sieht manches einfach aus, was man in einer
solchen Weise zu seinen Mitmenschen spricht, wie es zu Ihnen in
diesen Tagen geschehen ist, aber es erforscht sich nicht in einfacher
Weise. Es erforscht sich gerade dasjenige, was sich auf so spezielle
Zweige der Pädagogik bezieht, eigentlich doch nur dadurch, daß man
vieles erst durchmacht, vieles durchlebt, daß man erst langjährige
Forschungswege einschlägt. Das Verstehen ist einfach und kann in

Natuurlijk verwacht iemand die spirituele inzichten wil overbrengen aan zijn medemens dat deze inzichten op een bepaalde manier worden ontvangen, misschien niet gebaseerd op autoriteit, maar op gevoel: dat er onderzoeksresultaten bestaan ​​die, in bepaalde richtingen, wellicht alleen in eerste instantie openbaar gemaakt kunnen worden door degene die ze op die manier presenteert; die natuurlijk begrepen kunnen worden zodra ze geformuleerd zijn, maar die eerst door een of meer mensen als hun onderzoeksresultaten moeten worden verwoord. De hele relatie waarin men dergelijke waarheden ontvangt, is niet gebaseerd op autoriteit, maar erkent op een bepaalde manier dat dergelijke inzichten uit een dergelijke bron kunnen voortkomen. Beste vrienden, sommige dingen lijken eenvoudig wanneer je met je medemens spreekt zoals jullie de afgelopen dagen hebben ervaren, maar ze zijn niet gemakkelijk te onderzoeken. Datgene wat betrekking heeft op dergelijke specifieke takken van de pedagogiek kan alleen echt worden onderzocht door veel dingen te doorlopen, veel dingen te ervaren en langdurige onderzoekstrajecten te volgen. Begrip is eenvoudig en kan worden bereikt in

Blz. 215

kurzer Zeit geschehen, das Erforschen ist keineswegs so einfach und
erfordert durchaus Initiationswege. Aber wenn derjenige, der solche
Forschungen mitteilt, sich an seine Mitmenschen wendet, so tut er
das auch von sich aus niemals in der Form, daß er als Autorität
sprechen möchte in dem gewöhnlichen Sinn des Wortes, wie man in
der äußeren exoterischen Welt die Autorität auffaßt.
Ich bitte, dasjenige, was ich in diesem Zusammenhang sage, durchaus
sehr ernst und exakt zu nehmen: es spricht also derjenige, der so
spricht, nicht in dem Sinne, daß das, was er sagt, auf Autorität in
dem gewöhnlichen Sinne angenommen wird. Denn, meine lieben
Freunde, dann würde es nicht wirken, nicht durch jene imponderablen Kräfte an die Mitmenschen übergehen, durch die es übergehen soll. Es muß das ganze Verhältnis ein anderes sein. Das Verhältnis muß ein solches sein, daß alles dasjenige, was gesagt wird, angenommen wird von den Hörenden auf völlig freien Willen hin, daß beim Aufnehmen gar nichts ankommen darf auf den Willen desjenigen, der spricht, sondern alles einzig und allein ankommen muß auf den Willen derjenigen, die zuhören. Das ist, so genau man es kann in der
menschlichen Sprache, ausgedrückt das Verhältnis, das bestehen muß. Man spricht sich nicht aus dem Grunde aus, weil man irgend etwas ins rechte Licht stellen will, sondern aus dem Grunde, weil darauf die ganze Wirksamkeit der Arbeit, die auf Esoterik aufgebautist, in unserer Zeit beruhen kann.

korte tijd, maar het onderzoek is geenszins zo eenvoudig en vereist zeker een inwijdingstraject. Maar wanneer iemand die dergelijk onderzoek deelt zich tot zijn medemens richt, doet hij dat nooit op een manier die suggereert dat hij spreekt als een autoriteit in de gebruikelijke zin van het woord, zoals autoriteit wordt begrepen in de externe, exoterische wereld.
Ik vraag u om wat ik in deze context zeg zeer serieus en nauwkeurig te nemen: de persoon die op deze manier spreekt, spreekt niet in de zin dat wat hij zegt wordt aanvaard als autoriteit in de gebruikelijke zin. Want, beste vrienden, dan zou het niet effectief zijn, het zou niet worden overgedragen aan medemensen via die onmeetbare krachten waardoor het bedoeld is om te worden overgedragen. De hele relatie moet anders zijn. De relatie moet zodanig zijn dat alles wat gezegd wordt, door de luisteraars volledig vrijwillig wordt ontvangen, dat bij het ontvangen ervan niets afhangt van de wil van de spreker, maar alles uitsluitend van de wil van de luisteraars. Dit, zo nauwkeurig als men het in menselijke taal kan uitdrukken, is de relatie die moet bestaan. Men spreekt zich niet uit omdat men iets in een positief daglicht wil stellen, maar omdat de volledige effectiviteit van werk dat op esoterie is gebaseerd, in onze tijd hierop kan berusten.

Wollte man in unserer Zeit etwas auf autoritativen Wegen, sei es auf
autoritativen Wegen des suggestiven Wirkens oder zahlreicher anderer seelischer Machtwege, in die Welt bringen, so würde das das größte
Unheil nach und nach bedeuten. Wir sind eben in jenem Entwickelungsstadium der Menschheit, in dem es notwendig ist, daß immer mehr und mehr Freiheitsimpulse aus den dazu reifen Menschen in die Welt gesetzt werden. Wir dürfen gerade dasjenige, was die Welt aus dem Geiste heraus vorwärtsbringen will, wenn wir so arbeiten, wie Lehrer arbeiten müssen, wir dürfen das unter keinen Umständen auf ein seelisch aufgezwungenes Autoritatives aufnehmen. Alles muß aufgenommen werden ideal auf den guten Willen, auf die Einsicht des Zuhörers, daß derjenige, der spricht über die Dinge, nach dem Gefühl des Zuhörers etwas zu sagen hat. Ein anderes Verhältnis darf nicht bestehen. Jedes andere Verhältnis beeinträchtigt die Wirkung, wenn es sich darum handelt, daß auf Grundlage solcher Mitteilungen und solcher Zuhörer äußere Arbeit geleistet wird, äußere Arbeit, die dann im Zusammenwirken der Menschen geleistet werden kann. Wenn da der Geistesforscher mitwirkt, dann muß das

Als men in onze tijd zou proberen iets in de wereld te brengen door middel van autoritaire middelen, of het nu gaat om suggestie of talloze andere vormen van psychologische macht, zou dat geleidelijk aan tot de grootste ramp leiden. We bevinden ons precies in een stadium van menselijke ontwikkeling waarin het noodzakelijk is dat steeds meer impulsen van vrijheid in de wereld worden gebracht door mensen die daar rijp genoeg voor zijn. We mogen in geen geval accepteren datgene wat de wereld vanuit de geest verder wil brengen, als we zo werken als leraren moeten werken, we mogen dat niet als een psychologisch opgelegde autoritaire kracht in ons opnemen. Alles moet idealiter worden ontvangen met de goede wil, met het inzicht van de luisteraar, dat degene die over dingen spreekt iets te zeggen heeft dat aansluit bij de gevoelens van de luisteraar. Geen andere relatie is toegestaan. Elke andere relatie ondermijnt het effect wanneer het gaat om extern werk dat wordt uitgevoerd op basis van dergelijke communicatie en dergelijke luisteraars – extern werk dat vervolgens kan worden uitgevoerd door de samenwerking van mensen. Als de spirituele onderzoeker erbij betrokken is, dan moet de

Blz. 216

ganze Verhältnis auf dieses autoritativ-freie Aussprechen und freiheitliche Zuhören aufgebaut sein.
Anders dürfen auch die äußeren Verhältnisse nicht aufgebaut sein.
Daher muß es bis zum letzten i-Tüpfel so sein, daß meine Stellung zum Lehrerkollegium diejenige ist, die nicht von mir oder von irgend jemand gewollt wird gegen den Willen irgendeines Mitglieds des Lehrerkollegiums, sondern die akzeptiert wird im innersten Herzen und gewollt wird vom Lehrerkollegium in seiner Gänze. Ob so etwas durch eine äußere Wahl dokumentiert wird oder nicht, darauf kommt es nicht an. Das innere Verhältnis muß ein solches sein. Im Augenblick, wenn es nicht ein solches wäre, in diesem Augenblick würde die rechte Stellung nicht vorhanden sein. Wir müssen geradezu ein wenig wachen über dieses Verhältnis.
Es geschehen ja Gruppierungen auf diesem Felde so, daß man nicht Vereine bildet, sondern daß die Gruppierungen eben um diejenige Persönlichkeit geschehen, welche in dem angedeuteten Sinne etwas zu sagen hat, und daß gewissermaßen diejenigen, die das aufnehmen wollen, sich dann aus ihrem freien Willen heraus gruppieren. Mag nun die Außenwelt dieses oder jenes verlangen für eine solche Gruppierung, innerlich ist allein das berechtigt, was ich gesagt habe.

hele relatie gebaseerd zijn op dit vrij van autoriteit gesprokene en het luisteren in vrijheid.
De externe omstandigheden moeten op dezelfde manier gestructureerd zijn. Daarom moet het tot in de kleinste details zo zijn dat mijn standpunt ten opzichte van het docentenkorps er een is die niet door mij of door wie dan ook tegen de wil van een lid van het docentenkorps wordt gewenst, maar een die in het hart wordt aanvaard en door het docentenkorps als geheel wordt gewenst. Of dit al dan niet door een externe verkiezing wordt bevestigd, is irrelevant. De interne relatie moet zo zijn. Op het moment dat dit niet zo is, op dat moment bestaat de juiste positie niet. We moeten waakzaam zijn over deze relatie.
Op dit gebied komen er groeperingen voor, zodanig dat die geen hechte samenhang vertonen ​​rond het individu dat iets te zeggen heeft in de aangegeven zin, en dat degenen die dit willen oppakken zich vervolgens uit vrije wil groeperen. Hoewel de buitenwereld dit of dat van zo’n groep kan eisen, is intern alleen wat ik heb gezegd gerechtvaardigd.

Sie werden fühlen und empfinden, meine lieben Freunde, daß ich dadurch meine innerliche Stellung zum Lehrerkollegium charakterisieren will, daß ich Sie bitte, sie als solche aufzufassen. Darauf wird die heilwirkende Kraft in aller Zukunft beruhen müssen. In dieser Richtung müssen auch die einzelnen Dinge liegen. Sie müssen spüren, wie ich durchaus immer bestrebt bin und bestrebt sein werde, im Einklänge mit jedem einzelnen dasjenige zur Entscheidung zu bringen, was durch mich zur Entscheidung zu bringen ist, aus dem Grunde, weil der Betreffende mich um die Sache fragt, weil er aus seiner Einsicht heraus mich um die Sache fragt. Wenn Sie dies ganz durchdenken, dann werden Sie zu einer reinlichen Scheidung desjenigen kommen, was das esoterische Verhältnis zwischen uns sein muß, und was allein aus diesem esoterischen Verhältnis heraus segensreich sein kann.
Das, meine lieben Freunde, wollen wir heute zum Ausgangspunkt machen, und Sie werden vielleicht aus mancher Lebensbeobachtung heraus schon gefunden haben, daß die Dinge, die aus dem Geiste heraus geschaffen werden, doch nur dann richtig gehen, wenn ihnen eine solche Auffassung des geistigen Verhältnisses zugrunde liegt.
Trennen Sie also manches, was nun schon einmal bei einer exoterischen Einrichtung, die gegenüber der Außenwelt notwendig ist, da

Jullie zullen voelen en aanvoelen, mijn beste vrienden, dat ik mijn innerlijke houding ten opzichte van de leraren wil karakteriseren door jullie te vragen deze als zodanig te begrijpen. De helende kracht moet hier in de toekomst op gebaseerd zijn. Individuele zaken moeten ook in lijn zijn met deze richting. Jullie moeten aanvoelen hoe ik ernaar streef en altijd zal streven om, in harmonie met ieder individu, tot een besluit te komen dat via mij besloten kan worden, omdat de betreffende persoon mij ernaar vraagt, omdat hij of zij mij ernaar vraagt ​​op basis van eigen inzicht. Als jullie dit volledig overwegen, zullen jullie een duidelijk onderscheid zien tussen wat de esoterische relatie tussen ons moet zijn en wat er puur uit deze esoterische relatie nuttig kan zijn.
Dit, mijn beste vrienden, is wat we vandaag als uitgangspunt willen nemen, en jullie hebben wellicht al uit diverse levenservaringen ontdekt dat dingen die vanuit de geest ontstaan, alleen goed werken als ze gebaseerd zijn op een dergelijke opvatting van de spirituele relatie.
Scheid daarom bepaalde zaken die noodzakelijk zijn in een exoterische ordening, die inherent is aan de relatie met de buitenwereld, 

Blz. 217

sein muß, trennen Sie mancherlei, was einfach die Welt notwendig
macht, von dem, was innerlich zwischen uns sein muß: dann werden
wir am günstigsten nicht nur rationalistisch vorwärtsarbeiten, sondern spirituell arbeiten; wir werden vorwärtskommen.
Und dieses, was ich zu Ihnen sagen wollte, ist auch eine Art Inaugurierung unserer diesjährigen Arbeit; eine Inaugurierung, durch die ich ganz besonders möchte, daß auch dieses Jahr wiederum spirituelle Kräfte durch unsere Arbeit gegossen werden. Sie können davon überzeugt sein, daß ich über die ganze Arbeit und die Einzelheiten der Arbeit, die auch dieses Jahr geleistet wird, den Segen derjenigen geistigen Mächte stets herflehen werde, die unsere ganze
Bewegung tragen. Und wenn Sie auch sich bewußt sind, daß das der Fall ist, wenn Sie gewissermaßen nicht nur zusammen handeln, wenn Sie zusammen denken und empfinden und dadurch die guten geistigen Kräfte in dieses Zusammen-Denken, Zusammen-Empfinden, Zusammen-Klingen des ganzen Seelenlebens aufnehmen, dann wird unsere Arbeit auch in diesem Jahre gelingen.

en scheid bepaalde zaken die de wereld simpelweg noodzakelijk maakt van wat innerlijk tussen ons moet bestaan: dan zullen we in het gunstigste geval niet alleen rationeel, maar ook spiritueel het meest effectief vooruitgang boeken; we zullen verder komen.
En wat ik u wilde zeggen is tevens een soort inauguratie van ons werk dit jaar; een inauguratie waarbij ik in het bijzonder hoop dat dit jaar opnieuw spirituele krachten in ons werk zullen stromen. U kan er zeker van zijn dat ik altijd de zegen zal afsmeken van die spirituele krachten die onze hele beweging ondersteunen, over al het werk en de details van het werk dat dit jaar wordt gedaan. En als u zich daar ook van bewust bent, als u niet alleen samen handelt, maar ook samen denkt en voelt, en zo de goede spirituele krachten opneemt in dit krachtige denken, voelen en resoneren van ons hele zielenleven, dan zal ons werk ook dit jaar slagen. <1>

Nun können wir zu den einzelnen konkreten Punkten übergehen.

Nu kunnen we overgaan tot de concrete punten.

Wünscht jemand zur Tagesordnung etwas zu sprechen?

Wil iemand iets zeggen over de agenda?

Es wird gefragt wegen der Angelegenheit der Anerkennung der Waldorfschule
als Grundschule seitens der Behörden.

<2> Er wordt een vraag gesteld over de erkenning van de Waldorfschool als basisschool door de overheid.

Dr. Steiner: Diese Frage ist eine solche, die je nach dem Wohlwollen
dieser oder jener Schulbehörde nach der einen oder anderen Richtung gedreht werden kann. Zurecht kommen wird man nur — so daß man darin eine gewisse Sicherheit hat für den wirklichen Bestand der Schule —, wenn man irgendwie durch persönlich-gewichtige Rücksprachen verhandelt, wobei ich ausdrücklich bemerken möchte — wir müssen ganz dezidiert reden —, daß das nicht durchs
Telephon geschehen sollte; wenn man durch persönliches Auseinandersetzen mit allen jenen Betonungsmöglichkeiten der Sätze und Wörter und der Unterredung überhaupt, die vorhanden sind in einer persönlichen Aussprache, eine solche Stimmung schafft, daß dann eine gewisse Sicherheit vorhanden ist. Wir können gar nicht vermeiden, wenn wir die Sache bloß so anstreben, daß sie bürokratisch behandelt wird, daß wir nicht in der Zukunft mit derselben Sache
angerempelt werden.
Deshalb meine ich, daß es das beste wäre, wenn Herr Molt in der Sache persönlich etwas tun könnte, wenn Sie persönlich vorsprechen würden. Die Frage ist eine solche, daß man nur ruhig sein kann über

Dit is een van die vragen die op verschillende manieren geïnterpreteerd kunnen worden, afhankelijk van de welwillendheid van de betreffende overheid. Een oplossing – zodat er een zekere mate van zekerheid is voor het voortbestaan ​​van de school – kan alleen gevonden worden als er onderhandeld wordt door middel van persoonlijke en zinvolle gesprekken. Ik wil benadrukken – laten we hier heel duidelijk over zijn – dat dit niet telefonisch moet gebeuren. Een persoonlijk gesprek, met alle nuances van nadruk in zinnen en woorden, en in het gesprek zelf, schept een sfeer die een zekere mate van zekerheid bevordert. Als we de zaak simpelweg op een bureaucratische manier benaderen, kunnen we niet voorkomen dat we in de toekomst opnieuw met hetzelfde probleem worden geconfronteerd. Daarom denk ik dat het het beste zou zijn als de heer Molt persoonlijk actie zou ondernemen in deze zaak, als u persoonlijk iets zou kunnen doen, als u persoonlijk langs zou kunnen gaan.

Blz. 218

die Waldorfschule, wenn Sie selbst vorstellig würden bei irgendeiner der Persönlichkeiten, die Einfluß haben auf die Sache.
Ich bin überzeugt davon, wenn in dieser Weise irgendwelche Worte gewechselt
worden sind und man nun eine solche Spitze der Behörde dazu getrieben hat, irgend etwas, wozu sie sich bekennen muß, zu sagen, dann ist man am besten geschützt; nicht durch Akte hin und herschreiben, sondern durch so etwas. Insbesondere hier in Württemberg, wo es wirklich vielleicht möglich ist, daß man in einer solchen Sache mehr erreicht als in Preußen. In Preußen würde, nachdem der Erlaß geschickt worden ist, diese Schule in kurzer Zeit abgebaut
werden müssen.
Die Sache müßte zunächst so getrieben werden. Denn das darf nicht verkannt werden — ich hatte leider in Berlin viel zuwenig Zeit, um, wenn solche Fragen aufgerührt worden sind, die nötige Antwort zu geben —, es kommt immer wiederum vor, daß irgendwelche Schulvorsteher oder Lehrer der gewöhnlichen Schulen kommen und die Pädagogik der Waldorfschule haben wollen und fragen, wie können sie etwas tun, um ihrer Schule aufzuhelfen. Das ist der reinste Unsinn. Das erste würde darin bestehen, daß sie sich vom Staate lossagen würden, und es bezeugt solch eine Zumutung nur, wie wenig
konsequent die Leute zu denken in der Lage sind.

De kwestie is zodanig dat men alleen rustig kan blijven over de Waldorfschool, als u zelf een van de personen benadert die invloed hebben op de zaak.
Ik ben ervan overtuigd dat als er op deze manier woorden zijn gewisseld en als zo’n hooggeplaatste ambtenaar gedwongen is iets te zeggen waar hij zich aan moet binden, men zich het beste kan beschermen; niet door heen en weer te schrijven, maar door zoiets. Vooral hier in Württemberg, waar men in zo’n zaak werkelijk meer kan bereiken dan in Pruisen. In Pruisen zou deze school, na het uitvaardigen van het decreet, binnen korte tijd gesloten moeten worden. De zaak moet in eerste instantie op deze manier worden verminderd. Want dit mag niet over het hoofd worden gezien – ik had helaas veel te weinig tijd in Berlijn om het noodzakelijke antwoord te geven toen soortgelijke vragen werden gesteld – het komt steeds weer voor dat schooldirecteuren of leraren van gewone scholen komen en de pedagogiek van de Waldorfschool willen en vragen hoe ze hun school kunnen helpen. Dat is volkomen onzin. De eerste stap zou zijn dat ze de staat afzweren, en zo’n dwang toont alleen maar aan hoe weinig

rationeel de mensen in staat zijn te denken.

Es handelt sich darum, daß dasjenige, was man unsere Schulbewegung nennen könnte: die Bewegung nach einer freien Schule hin in immer mehr Köpfe hineinkommt, so daß eine wirkliche große Bewegung nach der Freiheit der Schule entsteht, als ein Teil der Dreigliederungsbewegung. Die Ausrede mit der Einheitsschule, die mögen wir als Opportunität gebrauchen; allein ich muß meinerseits gestehen, mir war immer die ausdrücklich dezidierte Definition der Einheitsschule etwas Unangenehmes — obwohl man sie aus Opportunität wählen mußte —, weil sie nicht genau betont, daß man nicht das will, was vom Staate als Einheitsschule definiert wird, daß es uns nicht so sehr ankommt auf die Einheitsschule als auf die freie Schule.
Dann wird sich das von selbst ergeben. Dasjenige, was als Einheitsschule von der jetzigen deutschen Regierung erstrebt wird, das ist das Gegenteil. Wir machen erst einen Kratzfuß vor dem, was uns ein Greuel ist, wenn wir solchen Dingen nachgeben. Man muß sich durchschlängeln; man muß sich bewußt sein, daß dies doch im Leben — nicht von innen veranlaßt, dann wäre es jesuitisch —, aber daß es von außen mit einer gewissen Reservatio mentalis gemacht wird. Man muß sich bewußt sein, nicht von innen her, von außen her, daß man nötig hat, um wenigstens das zu machen, was wir

Het punt is dat wat je onze schoolbeweging zou kunnen noemen – de beweging naar een vrije school – steeds meer terrein wint, waardoor er een werkelijk grote beweging voor schoolvrijheid ontstaat, als onderdeel van de driegeledingsbeweging. We kunnen het argument van de uniforme school als een handige maatregel gebruiken; ik moet echter bekennen dat de expliciet geformuleerde definitie van de uniforme school mij altijd enigszins tegenstond – ook al moest die om praktische redenen gekozen worden – omdat er niet duidelijk in staat dat we niet willen wat de staat definieert als een uniforme school, dat we ons niet zozeer bezighouden met de uniforme school als wel met de vrije school.
Dan valt alles op zijn plaats. Wat de huidige Duitse regering nastreeft met een uniforme school is het tegenovergestelde. We beginnen ons pas net af te keren van wat ons verwerpelijk is als we aan dergelijke zaken toegeven. Je moet je een weg erdoorheen banen; je moet je ervan bewust zijn dat dit in het leven – niet van binnenuit, want dan zou het jezuïtisch zijn – maar van buitenaf met een zekere mentale terughoudendheid gebeurt. Je moet je ervan bewust zijn, niet van binnenuit, maar van buitenaf, dat om tenminste te bereiken wat we

Blz. 219

durchbringen wollen, mit den Leuten zu reden, und ihnen innerlich eine Nase zu drehen.

willen bereiken, we met mensen moeten praten en innerlijk onze neus voor hen moeten ophalen.

Molt: Ich werde versuchen, die Sache in Ordnung zu bringen.

Molt: Ik zal proberen dit op te lossen. <2>

X. fragt nach dem Lehrplan für die 9. Klasse.

<3> X. vraagt ​​naar het leerplan voor de negende klas.

Dr. Steiner: Wir werden am besten zunächst mit diesem Lehrplan
zustande kommen — ich will ihn dann noch für morgen niederschreiben —, wenn wir ihn so feststellen, daß wir ihn aus der Kontinuität heraus definieren. Ich würde Sie also bitten, daß Sie mir angeben, was Sie mit Bezug auf all das, was man deutsche Sprache und Literatur nennen könnte, getrieben und vollendet haben.

We kunnen het beste eerst met dit leerplan aan de slag gaan – ik zal het dan voor morgen opschrijven – als we het vaststellen door het vanuit de continuïteit te definiëren. Dus ik zou u willen vragen wat u hebt bereikt en afgerond met betrekking tot alles wat onder Duitse taal en literatuur valt.

X.: Ich habe Goethe, Schiller, Herder durchgenommen, sonst weiter nichts.
Nur daß ich in die Geschichte einzelne Besprechungen wie Dantes „Göttliche
Komödie” hineingefügt habe; das Wesentliche waren Goethe, Schiller, Herder.
Im Sprachlichen Aufsätze und Versuch, orthographische Fehler von der Ausspracheseite zu behandeln. Auf das Grammatische bin ich gar nicht eingegangen.

X.: Ik heb Goethe, Schiller en Herder behandeld, verder niets. Alleen heb ik individuele besprekingen zoals Dante’s “Goddelijke Komedie” in de geschiedenis opgenomen; in essentie waren het Goethe, Schiller en Herder. Wat betreft taal, essays en een poging om spelfouten vanuit de uitspraakhoek aan te pakken. Ik ben helemaal niet op grammatica ingegaan.

Dr. Steiner: Nun würde es sich darum handeln, daß Sie in bezug auf die Literatur versuchen würden, Jean Paul zu behandeln, und zwar so, daß Sie mit den Schülern der 9. Klasse einzelne Partien der „Ästhetik oder Vorschule des Schönen” von Jean Paul durchnehmen, namentlich auch solche Partien, die dort über Humor handeln, und ohne dabei viel auf die Historie zu sehen.

De opdracht is nu om Jean Paul te behandelen in relatie tot de literatuur, met name door afzonderlijke delen van Jean Pauls “Esthetiek of voorbereidende school voor schoonheid” door te nemen met de leerlingen van de negende klas, vooral de delen die over humor gaan, en zonder daarbij veel aandacht te besteden aan de historische context.

Dann — das kann schon ein halbjähriges Pensum sein —, ohne viel auf die anderen Zusammenhänge zu sehen, dazu übergehen, mit den Schülern, es sind
immerhin schon Vierzehn-, Fünfzehnjährige, einzelne Kapitel zu lesen und zu besprechen, die in Herman Grimms Goethe-Vorlesungen stehen. Das würde in bezug auf Literatur sein.
In bezug auf das Sprachliche würde ich Ihnen empfehlen, für das erste Halbjahr weniger auf die pedantische Sprachlehre zu sehen, sondern das Gesetz der Lautverschiebung in der verschiedensten Weise mit den Schülern zu besprechen, das Grimmsche Gesetz der Lautverschiebung. Und im Aufsatz — wobei Sie alles Grammatikalische, alles Syntaktische an die Korrektur anschließend gelegentlich besprechen —, im Aufsatz würde ich empfehlen, namentlich solche Aufsätze zu versuchen, welche Themen behandeln, die geschichtlich sind, wobei die Schüler im wesentlichen das Material verarbeiten, welches Sie selbst im vorigen Jahre in der Geschichte vorgetragen haben. Da müssen Sie, bevor Sie den Aufsatz machen lassen, für die Neuen durch die Alten ein Thema mündlich behandeln lassen.

Vervolgens – dit kan een periode van zes maanden in beslag nemen – kunt u, zonder al te veel aandacht te besteden aan de andere verbanden, met de leerlingen, die immers veertien of vijftien jaar oud zijn, afzonderlijke hoofdstukken uit Hermann Grimms Goethe-colleges te lezen en te bespreken. Dat betreft dan de literatuur.
Wat betreft taal, zou ik aanraden om in de eerste helft van het jaar minder de nadruk te leggen op pedante grammatica en in plaats daarvan de wet van Grimm voor de klankverschuiving op verschillende manieren met de leerlingen te bespreken. En bij het schrijven van essays – waarbij u na de correcties alle grammaticale en syntactische aspecten bespreekt – zou ik met name aanraden om essays te schrijven over historische onderwerpen, waarbij de leerlingen in feite de stof verwerken die u vorig jaar bij geschiedenis hebt behandeld. Voordat u het essay schrijft, moet u de oudere leerlingen een onderwerp mondeling laten bespreken met de nieuwe leerlingen.

Blz. 220

Nun, die Geschichte. Was hatten Sie da durchgenommen?

Welnu, geschiedenis. Wat hebt u daar behandeld?

X.: Bis zur Reformation, die Luther-Biographie sehr genau. Dann habe ich
angeschlossen Buckles „Geschichte der Zivilisation in England” und habe versucht, Lichtblicke auf die Gegenwart zu werfen.

X.: Tot aan de Reformatie, de biografie van Luther in detail. Daarna heb ik het gecombineerd aan Buckles “Geschiedenis van de beschaving in Engeland” en schijnbaar licht te werpen op het heden.

Dr. Steiner: Jetzt würde ich empfehlen, zunächst nicht weiterzugehen, sondern die ganze Sache noch einmal durchzuarbeiten in geisteswissenschaftlicher Umarbeit, anschließend an Lecky „Geschichte der neueren Zivilisation”.

Dr. Steiner: Ik zou nu aanraden om voorlopig niet verder te gaan, maar het geheel opnieuw te nemen in een geesteswetenschappelijke benadering, aan de hand van Lecky’s “Geschiedenis van de moderne beschaving”.

X.: Ich habe jetzt im Deutschen 8. und 9. Klasse vereinigt.

X.: Ik heb nu de 8e en 9e klas Duits gecombineerd.

Dr. Steiner: Es wird dann vielleicht gut sein, wenn Sie den Herman
Grimm mit Goethe vorausschicken. Da können Sie manches von dem nachholen, was Sie mit Bezug auf Goethe, Schiller und Herder gesagt haben, so daß Sie den beiden Klassen gerecht werden, und Jean Paul für später lassen. Geschichtliches können Sie mit beiden Klassen zusammen machen. Dann würde es sich um die Geographie handeln.

Het zou dan goed zijn als je begint met Hermann Grimm en Goethe. waarin je een deel van wat u zei over Goethe, Schiller en Herder ophalen, zodat je beide klassen recht doet, en Jean Paul voor later bewaren. Je kunt de historische stof met beide klassen samen behandelen.
Dan is het tijd voor aardrijkskunde.

X.: Vorzugsweise durchgenommen ist die Eiszeit; Umlagerung von Land und
Wasser. Überhaupt viel Geologisches von dieser Zeit.

X.: De ijstijd werd voornamelijk behandeld; De herverdeling van land en water. Er is meer dan algemeen veel geologische informatie over deze periode.

Ich würde empfehlen, mit Anschluß an alles dasjenige, was man in eine solche Sache hineinbringen kann, eine vollständige Gliederung der Alpen durchzunehmen. Nördliche Kalkalpen, südliche Kalkalpen, mit allen Flußtälern, die die Grenzen bilden, die Gebirgszüge, die Gliederung, dann Landschaftliches, einiges über die geologische Beschaffenheit, angefangen von den Seealpen bis hinüber zu den österreichischen Alpen durch die ganze Schweiz hindurch. Dabei können Sie in dieser Besprechung der Alpen immer einfließen lassen, daß ja eigentlich in der Erdstruktur eine Art Kreuz vorhanden ist, auf das die äußeren Gebirgsformationen deuten. Setzen Sie die Alpen fort durch die Pyrenäen, dann durch die Karpaten, gehen Sie über durch die waldigen Gebirge, gehen Sie bis
zum Altai, so haben Sie einen ausgedehnten Ost-West-Gebirgszug, der, sich unterirdisch fortsetzend, wie ein Ring sich um die Erde schließt, der senkrecht durchkreuzt wird von der Anden-Cordilleren Richtung, die einen anderen Kreuzring bildet. Sie können zwei kreuzförmig aufeinander stehende Ringe als Struktur der Erde sehr schön den Kindern klarmachen. Sie bekommen dadurch eine Vorstellung, daß die Erde ein innerlich organisierter Körper ist. Das können Sie alles so tun, daß Sie nicht allzu kurze Zeit verwenden. Sie brauchen nicht alles, das ganze geographische Thema auf einmal zu machen.

Ik zou, in combinatie met alles wat in zo’n onderwerp aan bod kan komen, een complete classificatie van de Alpen aanbevelen. Noordelijke Kalkalpen, Zuidelijke Kalkalpen, met alle rivierdalen die de grenzen vormen, de bergketens, hun structuur, vervolgens landschapskenmerken, wat informatie over de geologische samenstelling, beginnend bij de Maritieme Alpen en doorlopend via de Oostenrijkse Alpen naar heel Zwitserland. In deze bespreking van de Alpen kun je altijd vermelden dat er eigenlijk een soort kruis in de structuur van de aarde zit, waarnaar de buitenste bergformaties wijzen. Ga verder langs de Alpen via de Pyreneeën, dan door de Karpaten, steek over door de beboste bergen en ga verder naar het Altaigebergte. Dit vormt een uitgestrekte oost-westelijke bergketen die, ondergronds doorlopend, een ring rond de aarde vormt, verticaal doorsneden door het Andesgebergte, dat een andere ring vormt. Je kunt de structuur van de aarde heel effectief aan kinderen illustreren door ze twee ringen in een kruisvorm te laten zien. Dit geeft ze het idee dat de aarde een intern georganiseerd lichaam is. Je kunt dit allemaal doen zonder al te veel tijd kwijt te zijn. Je hoeft het hele geografische onderwerp niet in één keer te behandelen.

Blz. 221

Dann Mathematik. Nicht wahr, Sie haben Gleichungen durchgenommen. Wie weit sind Sie im Potenzieren gekommen, Quadrieren, Kubieren, allgemeines Potenzieren? Haben Sie Binome und Trinome kubiert?

Dan wiskunde. U hebt vergelijkingen behandeld, toch? Hoe ver bent u al met machtsverheffing, kwadrateren, derdemachten en algemene machtsverheffing? Hebt u binomen en trinomen tot de derde macht verheven?

X.: Es wäre keine Schwierigkeit. Es lag kein Grund vor, den Binomischen
Lehrsatz durchzunehmen,  (a + b)2  , (a + b)3 ,  (a + b)4

X: Dat zou niet moeilijk zijn. Er was geen reden om de binomiaalstelling te behandelen, (a+b)² , (a+b)³, (a+b)⁴.

Dr. Steiner: In welcher Form können das die Schüler?

In welke vorm kunnen de leerlingen dit doen?

X..- Ich habe das nacheinander ausmultiplizieren lassen.

X: Ik heb ze het één voor één laten uitrekenen.

Dr. Steiner: Ich meine, wissen Ihre Schüler, daß (a+b)³
gleich ist a3 und so weiter als Formel? Können sie das? Wenn Sie es nicht als
Formel verlangt haben, dann sind Sie noch nicht übergegangen zum
Potenzieren von Zahlen, dann haben Sie nicht ausführen lassen nach
der Formel 355³ of 355². So würde ich diesen Zweig fortsetzen, indem ich das Potenzieren und Kubieren treibe für Zahlen, von der
Formel ausgehend; das Radizieren, auch das Ziehen der dritten Wurzel.

Ik bedoel, weten uw leerlingen dat (a+b)³ gelijk is aan a³ enzovoort als een formule? Kunnen ze dat? Als u ze niet hebt gevraagd het als een formule uit te schrijven, dan bent u nog niet verdergegaan met machtsverheffing, en dan hebt u ze nog niet 355³ of 355² volgens de formule laten uitrekenen. Dus ik zou deze tak voortzetten, door machtsverheffing en derdemachtsverheffing te oefenen met getallen, beginnend bij de formule; wortels trekken, inclusief derdemachtswortels.

X..: Ich habe es nicht für wichtig gehalten.

X..: Ik vond het niet belangrijk.

Dr. Steiner: Bei diesen Dingen kommt es nicht darauf an, daß man die Dinge so macht, wie man es später braucht, sondern daß man gewisse Formen des Denkens übt. Die Formen des Denkens, die man beim Kubieren, Quadrieren, beim Ziehen der Wurzeln übt, dieses eigentümliche, daß man gewissermaßen abstrahiert von der Konkretheit der Zahlen und die Zahlen zusammenfügt, in anderer Weise gruppiert, das führt so tief hinein in das ganze Gefüge der Zahlen, ist denkerisch so bildend, daß man es tun müßte.
Dann würden praktische Rechnungen notwendig sein. Ich würde es doch sehr richtig finden, wenn man mit den Schülern solche Dinge rechnen würde wie zum Beispiel praktische Inhaltsberechnungen, was ja durchaus auf Ihre Voraussetzungen ginge. Ich will sagen: wenn eine Wasserkanne zylindrisch-kegelförmig* ist, enthält sie ein gewisses Quantum Wasser. Wie groß ist das Quantum Wasser, wenn der Boden einen Durchmesser hat, der die Hälfte ist des Durchmessers der anderen? **
* *
zylindrisch oder kegelförmig.
Ergänzungsvorschlag der Herausgeber: . . . wenn in einer anderen Kanne
von gleicher Höhe oder gleicher Gestalt der Boden einen Durchmesser hat,
der die Hälfte ist des Durchmessers der ersten Kanne?

Bij dit soort dingen is het niet zo belangrijk dat je dingen doet zoals je ze later nodig hebt, maar veeleer dat je bepaalde denkpatronen oefent. De denkpatronen die je oefent bij het kuberen, kwadrateren en trekken van wortels – deze bijzondere manier om, als het ware, te abstraheren van de concreetheid van getallen en ze te combineren, ze op een andere manier te groeperen – leiden zo diep in de hele structuur van getallen, zijn zo intellectueel vormend dat je het gewoon móét doen.
Dan zouden praktische berekeningen nodig zijn. Ik zou het heel geschikt vinden om met studenten te werken aan zaken als praktische volumeberekeningen, wat zeker zou aansluiten bij uw uitgangspunten. Ik bedoel, als een waterkan cilindrisch-conisch* is, bevat deze een bepaalde hoeveelheid water. Hoe groot is de hoeveelheid water als de bodem een ​​diameter heeft die de helft is van de diameter van de rest?**

* * Cilindrisch of conisch.
Suggestie van de redactie: …als een andere kan van dezelfde hoogte of vorm een ​​basisdiameter heeft die de helft is van de diameter van de eerste kan?

Blz. 222

Dann würde ich daranschließen Näherungsrechnungen, daß die Kinder diese Begriffe bekommen. Ich würde ausgehen — das kann durchaus hier geschehen — von der Behandlung des Nivellierdiopters und dem Herausfinden des mittleren Wertes bei irgendwelchen solchen praktischen Behandlungen, zum Beispiel beim Wiegen mit einer Apothekerwaage. — Dann auch dasjenige, was sich noch an weiteren Rechnungen in der Wechselkunde anschließt. Dann, nicht wahr, kommt die Geometrie in Betracht. Körper-Inhaltsberechnungen müssen Sie vorangehen lassen, und dann würde ich raten, die ersten Elemente der Deskriptive zu nehmen.

Vervolgens zou ik bij benadering berekeningen uitvoeren, zodat de kinderen deze concepten begrijpen. Ik zou beginnen – dit kan hier zeker – met het gebruik van de nivelleerdiopter en het bepalen van de gemiddelde waarde bij dergelijke
praktische procedures, bijvoorbeeld bij het wegen met een
apothekersweegschaal. — En wat volgt er verder nog aan berekeningen bij de studie van wissels? Dan, zult u het ermee eens zijn, komt meetkunde in beeld. Je moet beginnen met volumeberekeningen, en dan zou ik adviseren om de eerste
elementen van de beschrijvende wiskunde te behandelen.

X. sagt, was er in der Physik gemacht hat.

X. vertelt wat hij in de natuurkunde heeft gedaan.

Dr. Steiner: In der Physik müßten Sie versuchen, zweierlei zu treiben: Erstens Akustik und Elektrizitätslehre, dazu gehörig Magnetismus, daß die Schüler ganz genau das Telephon verstehen können.
Zweitens Thermik und Mechanisches, alles, was dazu notwendig ist, daß die Schüler ganz genau die Lokomotive verstehen können. Das wäre das Pensum der 9. Klasse.

In de natuurkunde moet je proberen twee dingen te doen: Ten eerste, akoestiek en elektriciteit, inclusief magnetisme, zodat de leerlingen de telefoon perfect begrijpen.
Ten tweede, thermiek en mechanica, alles wat nodig is zodat de leerlingen de locomotief perfect begrijpen. Dat zou het curriculum voor de negende klas zijn.

X.: Im letzten Jahr war eine Teilung der Geographie, indem ich den astronomischen Teil durchgenommen hatte.

X: Vorig jaar was aardrijkskunde opgesplitst in twee vakken, en ik gaf les in astronomie.

Dr. Steiner: Da käme natürlich im Anschluß daran das Dopplersche
Prinzip, die Bewegung der Sterne in der Sehrichtung. Sie haben die
Bewegung der Sterne an der Sehrichtung vorbei behandelt. Nehmen
Sie alles dasjenige, was dazu führt, die Bewegung der Sterne in der
Sehrichtung zu erfahren. Sie müssen dahin arbeiten.

Daarop volgt natuurlijk het Doppler-principe, de beweging van de sterren in de kijkrichting. U hebt de beweging van de sterren los van de kijkrichting behandeld. Neem alles wat ertoe leidt dat men de beweging van de sterren in de
kijkrichting waarneemt. Daar moet u naartoe werken.

X. : In der Physik also keine Optik, nur Thermik, Mechanik, Elektrizität?

X.: Dus in de natuurkunde geen optica, alleen thermica, mechanica, elektriciteit?

Dr. Steiner: Da können Sie das Optische einfügen, was Sie brauchen, um das Dopplersche Prinzip zu erklären. Exkurse aus der Akustik auch mitbesprechen.

Daar kunt u de optica invoegen die u nodig hebt om het Doppler-principe uit te leggen. Ook de akoestiek daarin meenemen.

X.: Ist es berechtigt, aus der Verschiebung der Spektrallinien die Bewegung
nach vorne zu schließen?

X.: Is het gerechtvaardigd om uit de verschuiving van de spectraallijnen de beweging naar voren af te leiden?

Dr. Steiner: Warum nicht? Nicht wahr, wenn Sie zwei Spektren
haben, und Sie haben einmal die Linie an einer Stelle, das andere Mal
an anderer Stelle, so ist mit vollkommener Richtigkeit der Schluß der, daß man es mit verschiedenen Entfernungen zu tun hat. Das ist ein richtiger Schluß.

Waarom niet? Als u twee spectra hebt en de lijn de ene keer op de ene plaats zit en de andere keer op een andere plaats, dan is de conclusie volkomen juist
dat er sprake is van verschillende afstanden. Dat is een juiste conclusie.

X.: Man würde ihn an der Sonne ziehen können.

X.: Men zou die conclusie kunnen trekken bij de zon.

Dr. Steiner: Ich würde das Dopplersche Prinzip nur bei

Blz. 223

Doppelsternen anwenden. Ich würde es nicht weiter verallgemeinern. Nicht
wahr, es ist ja eigentlich nur anzuwenden, zu unterscheiden, daß sich Sterne um sich herumdrehen, denn man konstatiert, daß die Sterne in der Sehrichtung sich zyklisch bewegen. Nur auf das hinarbeiten.
Chemie: Das, was wir für die 8. Klasse bestimmt haben, die ersten Elemente der organischen Chemie, was ein Alkohol ist, was ein Äther ist, das wäre jetzt in der 9. Klasse fortzusetzen.
Anthropologie: Menschenkunde fortsetzen, daß eine richtige Anthropologie den Kindern übermittelt wird. Das müßte in konzentrischen Kreisen von Klasse zu Klasse aufsteigen und das übrige Naturwissenschaftliche angereiht werden.
Herr Baumann, was denken Sie im Musikalisch-Gesanglichen mit den
Schülern der 9. Klasse zu machen?

Ik zou het Dopplerprincipe alleen toepassen op dubbelsterren. Ik zou het niet verder generaliseren. Niet waar, het is eigenlijk alleen maar van toepassing om te onderscheiden dat sterren om hun eigen as draaien, want men constateert dat de sterren in de kijkrichting cyclisch bewegen. Alleen daarop toewerken.
Scheikunde: Wat we voor de 8e klas hebben vastgesteld, de eerste elementen van de organische scheikunde, wat een alcohol is, wat een ether is, dat zou nu in de 9e klas moeten worden voortgezet.
Antropologie: doorgaan met menskunde, zodat een echte antropologie aan de kinderen wordt overgebracht. Dat zou in concentrische cirkels van klas tot klas moeten stijgen en de overige natuurwetenschappen moeten worden toegevoegd.
Meneer Baumann, wat denkt u op muzikaal-vocaal gebied met de leerlingen van de 9e klas te doen?

X.: Ich habe das nicht machen können, was ich wollte, weil die Schüler ganz
unvorgebildet waren für Musik.

X.: Ik heb niet kunnen doen wat ik wilde, omdat de leerlingen helemaal
onvoorbereid waren op muziek.

Dr. Steiner: Ist es nicht durchführbar, daß der Musikunterricht
erteilt würde im Eurythmiesaal, wenn es nicht kollidiert mit der
Eurythmie ?

 Is het niet haalbaar dat de muzieklessen in de euritmiezaal worden gegeven, als dat niet botst met de euritmie?

X.: Er reicht kaum für die Eurythmie aus.

X.: Die is nauwelijks groot genoeg voor de euritmie. 

Dr. Steiner: Dann werden wir, bis der große Saal gebaut wird, mit dem Musikunterricht gar nicht in Ordnung kommen können. Es geht der Musikunterricht nicht, wie er gehen sollte, bis wir den großen Raum haben.
Zwei Dinge gelten. Man muß den Musikunterricht so vollkommen als es geht gestalten. Man kann gerade, wenn man Kinder Vorschulen will, nicht genug tun mit der Güte des Instrumentes. Es wird ihr ganzes Tongehör verdorben, wenn sie schlechte Instrumente hören.
Das sind große Gesichtspunkte.
Mit dem alten Kirchengesang könnte man sehr gut weitergehen.

Dan zullen we, totdat de grote zaal gebouwd is, de muzieklessen helemaal niet goed kunnen organiseren. De muzieklessen lopen niet zoals ze zouden moeten lopen, totdat we de grote ruimte hebben.
Er zijn twee dingen van belang. Men moet de muzieklessen zo perfect mogelijk
inrichten. Juist als men kinderen wil voorbereiden op de school, kan men niet genoeg aandacht besteden aan de kwaliteit van het instrument. Hun hele gehoor wordt aangetast als ze slechte instrumenten horen.
Dat zijn belangrijke aspecten.
Met de oude kerkmuziek zou men heel goed verder kunnen gaan.

X.: Ich wollte hinweisen auf Dur und Moll, auf die Klangfarbe im rein Tonlichen.

X.: Ik wilde wijzen op majeur en mineur, op de klankkleur in de zuivere toon.

Dr. Steiner: Das sollte gerade der Lehrstoff der 9. Klasse sein. Das müßte man doch unter allen Umständen anstreben. Gerade dieses etwas theoretisch pflegen und auch etwas in der Empfindung pflegen, Dur und Moll als Empfindungsinhalt.

Dat zou juist de lesstof van de 9e klas moeten zijn. Dat zou men toch onder alle omstandigheden moeten nastreven. Juist dit iets theoretisch beoefenen en ook iets in het gevoel beoefenen, majeur en mineur als inhoud van het gevoel.

X.: Ich habe im Anstandsunterricht diesen Gegensatz in bezug auf Männliches
und Weibliches behandelt. Da schienen die Kinder darauf einzugehen.

X.: Ik heb in de lessen over omgangsvormen dit contrast met betrekking tot mannelijk en vrouwelijk behandeld. Daar leken de kinderen op in te gaan.

Dr. Steiner: Da würde ich finden, daß es nett wäre, das gerade mit

Daar zou ik het fijn vinden om juist dat met

Blz. 224

dem Gesanglichen zu verbinden, auf männliche und weibliche Stimmen diese Sache zu behandeln. Es ist wenig nach dieser Richtung ausprobiert worden, und es ist ganz sicher feststehend, daß ein solcher Unterricht, der in diesem Alter gerade einsetzen würde mit Bezug auf die Beobachtung der männlichen und weiblichen Gesangsstimmlage, außerordentlich entgegenwirken würde dem heute stark auftretenden, falschen Sexualempfinden. Das würde wohltätig wirken.
Das ist mir ein Schmerz, daß man nicht vorschreiten kann zur Behandlung des Instrumentes. Die Instrumente behandeln, ist etwas, was unersetzlich ist. Nicht wahr, was Privatstunden sind, Privatstunden sind Privatstunden. Hier würde daraufgesehen werden, daß, so wie wir es auffassen, es in die ganze Erziehung eingreift. Dazu trägt eine Privatstunde nichts bei. Schade ist es schon, daß wir es nicht können. Ich fürchte, wir werden sehr lange überhaupt zu diesem nicht kommen.

dit te combineren met zang, en dit onderwerp te behandelen voor zowel mannen- als vrouwenstemmen. Er is nog maar weinig in deze richting
uitgeprobeerd, en het staat vast dat dergelijke lessen, die juist op deze leeftijd zouden beginnen met aandacht voor de mannelijke en vrouwelijke zangstem, een buitengewoon gunstige invloed zou hebben op het tegenwoordig sterk
voorkomende, verkeerde seksuele bewustzijn. Dat zou een heilzaam effect hebben.
Het doet me pijn dat we niet verder kunnen gaan met de behandeling van het instrument. Het behandelen van de instrumenten is iets wat onvervangbaar is. Nietwaar, wat privélessen betreft, privélessen zijn privélessen. Hier zou erop worden gelet dat, zoals wij het toepassen, het in de gehele opvoeding van invloed is. Daar draagt een privéles niets toe bij. Het is wel jammer dat we het
niet kunnen. Ik vrees dat we hier nog heel lang niet aan toe zullen komen.

X.: Wir haben einige Instrumente, aber wir brauchen Räume, und man müßte
einen Lehrer haben.

X.: We hebben enkele instrumenten, maar we hebben ruimtes nodig, en er zou
een leraar moeten zijn.

Dr. Steiner: Das war in Aussicht genommen. Handelt es sich nur um
Räume?

Dr. Steiner: Dat was in het vooruitzicht gesteld. Gaat het alleen om
ruimtes?

X.: Es sind gegen fünfzehn Instrumente da. Wenn wir den Gesangsraum hätten, dann könnte man solche Sachen schon machen wie die Kindersinfonie
von Haydn.

X.: Er zijn zo’n vijftien instrumenten. Als we de zangzaal zouden hebben, dan zouden we al dingen kunnen doen zoals de Kindersymfonie van Haydn.

Dr. Steiner: Das wäre richtig.

Dat klopt. <3>

Es wird eine Frage gestellt wegen des Sprachunterrichts.

<4> Er wordt een vraag gesteld over taalonderwijs.

Dr. Steiner: Ich würde versuchen, viel Wert zu legen in diesem Alter
auf das rezitatorische Element. Im Rezitieren noch einiges lernen in der Beherrschung der Sprache. Sinn von Wendungen, die sie im Rezitieren aufnehmen, und das anwenden auf anderes.
In der Eurythmie setzt man fort. Grammatikalisches.
Im Handfertigkeitsunterricht hätte ich gemeint, daß man ganz so unter der Hand, im Nebenbei, überall Künstlerisches, Kunstempfinden und so etwas kultivieren sollte. Bei ihm kommt es darauf hinaus, daß man die Kinder abwechselnd das und jenes machen läßt, immer Dinge, die bis zum Fertigwerden kommen. Ich würde nicht bloß nützliche Gegenstände machen lassen, sondern auch Spielsachen, vernünftige Spielsachen. Ganz nett würde ich finden, wenn man im Handfertigkeitsunterricht die Kinder solche Schmiede, die sich gegeneinander bewegen, machen ließe. Die Kinder werden geschickt.

Ik zou op deze leeftijd veel nadruk leggen op het reciteren. Meer leren over taalbeheersing door te reciteren. De betekenis van zinsdelen begrijpen die ze tijdens het reciteren oppikken en dat toepassen op andere dingen. Dit wordt voortgezet in de euritmie. Grammaticale aspecten.
Bij het ontwikkelen van de fijne motoriek zou ik aanbevelen om artistieke expressie, waardering voor kunst en soortgelijke te stimuleren, heel subtiel, bijna terloops. Hierbij komt het erop neer dat de kinderen om de beurt iets maken, altijd dingen die afgemaakt worden. Ik zou ze niet alleen nuttige voorwerpen laten maken, maar ook speelgoed, zinvol speelgoed. Ik denk dat het heel leuk zou zijn als de kinderen bij het ontwikkelen van de fijne motoriek smeden zouden maken die tegen elkaar bewegen. De kinderen worden er vaardiger van.

Blz. 225

Man kann auch die Kinder Geschenke machen lassen. Ich würde auf das auch hinausarbeiten.
Und wenn man es dahin bringt — das ist etwas, was Feierliches ins Leben des Kindes bringt —, wenn man es dahin bringt, daß man Moos sammeln läßt und sie zu Weihnachten sich Krippchen machen läßt, so daß sie sie selbst formen, daß sie die Schäfchen und so weiter bemalen, da kommt sehr viel dabei heraus. Nützlichkeitsgegenstände natürlich nicht versäumen. Besonders Freude haben sie, wenn so etwas gemacht wird wie Ratschen, die sind auch so wie ein Schabernack:
Wir ratschen, wir ratschen die zwölfe z’samm,
Die Glocken kommen von Rom.

Je kunt de kinderen ook cadeautjes laten maken. Daar zou ik ook naartoe werken.
En als je ze zover krijgt dat ze iets doen wat een gevoel van feestelijkheid in hun leven brengt, als je ze zover krijgt dat ze mos verzamelen en kerststallen maken, die ze zelf vormgeven, de schapen schilderen, enzovoort, dan levert dat veel op. Vergeet natuurlijk ook de praktische dingen niet. Ze vinden het vooral leuk om dingen te maken zoals rammelaars; ze vinden het ook leuk om te doen:

“We ratelen, we ratelen de twaalf samen, de klokken komen uit Rome.”

Zie hier    hier <4>

X.: Dann ist da noch die Frage nach dem Handarbeitsunterricht. Ich habe mit
Fräulein S. gesprochen. Sie ist Zeichenlehrerin, hat aber auch die Lehrbefähigung für Handarbeit.

<5> X.: Dan is er nog de kwestie van de handwerklessen. Ik heb met juffrouw S. gesproken. Ze is kunstlerares, maar ze is ook gekwalificeerd om handwerkles te geven.

Dr. Steiner: Das wäre das Richtige, wenn also eine zugleich künstlerisch gebildete Kraft den Handarbeitsunterricht besorgen würde.
Man müßte sich klar werden, daß die Befähigung dadurch erwiesen
ist. Sie wird sich gut einfügen.
Aber nun kommt unter Umständen noch etwas anderes in Betracht.
Eine Eigenschaft hat sie nicht, die eine andere Dame hätte, das ist
Fräulein Hauck. Die hat die Eigenschaft, daß sie von hier ist und die
Tochter vom ehemaligen Professor Guido Hauck, der einen Aufsatz
über ,,Arnold Böcklins Gefilde der Seeligen und Goethes Faust”
geschrieben hat. Und über ,,Technikers Faust-Erklärung”.

Dat zou ideaal zijn, als iemand met een artistieke opleiding handwerkles zou geven.
Je moet je er wel van bewust zijn dat haar vaardigheid daarmee bewezen is. Ze zal er goed bij passen.
Maar nu komt er misschien nog iets anders in beeld.
Er is één eigenschap die zij mist en die een andere dame wel heeft, namelijk
mejuffrouw Hauck. Zij heeft de eigenschap dat ze hier vandaan komt en de
dochter is van de voormalige professor Guido Hauck, die een essay schreef
over “Arnold Böcklins Velden der Gezegenden en Goethes Faust.” En over “De technische uitleg van Faust.”

Hauck war einer der letzten. Wenn die sich entschließen könnte, Handarbeitslehrerin zu werden, so hätte man den Vorzug, daß sie eine
Schwäbin wäre, was ganz gut wäre. Sie hat bis jetzt gelehrt an einer
Arbeiterschule; das würde ich aber als einen Grund betrachten, sie
nicht hierher zu rufen, weil es sehr gut wäre, wenn solche Leute da
unterrichten würden. Die Arbeiterschulen sagen, es sei nicht notwendig, daß die Leute solchen Firlefanz lernen wie darstellende Geometrie. Es muß der ganze Unterricht ausgefüllt werden mit Klassenkampf und Vorbereitung in der Revolution. Das ist das eine, und das andere ist aus der Zeitgeschichte erklärlich. Das andere ist, daß man in der Technischen Hochschule ihr den Stuhl vor die Tür gesetzt hat. Ich bitte Herrn Strakosch, darüber ein Urteil zu fällen: Die Leute sollen beim Maschinenbau in der Fabrik die darstellende Geometrie lernen, solches Zeug sei nicht mehr nötig. Ich glaube — ich bitte Sie, dann auch Ihre Meinung zu sagen —, daß Architektur und

Hauck was een van de laatsten. Als ze zou besluiten om handwerklerares te worden, zou het een voordeel zijn dat ze een Zwabische is, wat heel goed is. Ze heeft tot nu toe lesgegeven op een arbeidersschool; ik zou dat echter als reden beschouwen om haar hier niet uit te nodigen, omdat het heel goed zou zijn als zulke mensen daar lesgaven. De arbeidersscholen zeggen dat het niet nodig is dat mensen zulke onzin als beschrijvende meetkunde leren. Het hele leerplan moet gevuld zijn met klassenstrijd en voorbereiding op de revolutie. Dat is één ding, en het andere is te verklaren door de hedendaagse geschiedenis. Het andere is dat ze de deur werd gewezen bij de Technische Universiteit. Ik vraag meneer Strakosch om zijn mening hierover te geven: Mensen horen beschrijvende meetkunde te leren in de fabriek tijdens de machinebouw; dat soort dingen is niet meer nodig. Ik geloof – ik vraag u ook om uw mening te geven – dat architectuur en

Blz. 226

Maschinenbau aufhören muß, wenn man nicht darstellende Geometrie auf der Hochschule lernt; das wäre das Versinken zur Barbarei.
Man kann im Maschinenbau nicht einen Zapfen durch ein Loch dirigieren, die Leute können keine Durchdringung konstruieren. Es ist der reine Wahnsinn.
Die Dame wäre mir auch geeignet. Aber ich fürchte, daß da unter Umständen die Ansprüche unsere gegenwärtigen Verhältnisse übersteigen könnten. Sie war langjähriger Assistent an der Technischen Hochschule. Diese zwei Damen würden in Betracht kommen. Fräulein S. ist es aus persönlichen Gründen lieber, wenn sie nicht gerufen wird. Vielleicht kann man morgen an Fräulein Hauck telegraphieren, ob sie kann.
Im Freien Religionsunterricht könnten wir für diese Gruppe der 7., 8., 9. Klasse dazu übergehen, nun in einer freien Form mit ihnen solche Dinge wie Präexistenz und Post-Mortem-Leben, die ganze Konsequenz des Präexistenzlebens, theoretisch zu erklären. Beispiele dafür geben. Die großen Kulturzusammenhänge den Kindern beibringen, wie man das sieht. Die Mission des Menschen auf der Erde. Man braucht nur Goethe auf das anzuschauen oder Jean Paul; man sieht schon, man kann nachweisen überall, daß ihre Fähigkeiten vom vorgeburtlichen Leben kommen.

werktuigbouwkunde moet stoppen als je op de universiteit geen beschrijvende meetkunde leert; dat zou een terugval in barbarij zijn.
In de machinebouw kun je niet zomaar een pen door een gat steken; je kunt geen doorgaand gat ontwerpen. Het is pure waanzin.

De dame zou ook geschikt voor me zijn. Maar ik vrees dat de eisen onder bepaalde omstandigheden onze huidige middelen te boven gaan. Ze was lange tijd assistente aan de Technische Universiteit. Deze twee dames zouden in aanmerking komen. Juffrouw S. geeft er om persoonlijke redenen de voorkeur aan om niet gebeld te worden. Misschien kan ik juffrouw Hauck morgen een telegram sturen om te vragen of ze beschikbaar is. <5>

<6> In het kader van vrij godsdienstonderwijs zouden we met deze groep leerlingen uit de 7e, 8e en 9e klas op een vrije manier dingen kunnen uitleggen als voortbestaan ​​en leven na de dood, de volledige theoretische consequentie van voorbestaan. We zouden voorbeelden kunnen geven. Kinderen leren over de bredere culturele context, hoe ze dingen moeten zien. De missie van de mensheid op aarde. Je hoeft alleen maar naar Goethe of Jean Paul te kijken; Je kunt zien, het is overal aantoonbaar, dat hun vaardigheden voortkomen uit de voorgeboortelijke periode.

Dann, nicht wahr, ist es ein sehr gutes Bild, das wirklich bis ins Religiöse hinaufgetrieben werden kann, wenn man den Leib des Laokoon erklärt. In Wirklichkeit ist es so beim Laokoon, daß der Ätherleib sich trennt und dadurch der physische Leib diese Verrenkungen macht. Dieses Zerbrechen des physischen Leibes beim Laokoon, das ist etwas, wo man viel daran demonstrieren kann. Man müßte eine Gruppe haben. Aber es ins Religiöse heraufheben, diese Scheu vor dem sich auflösenden Menschenkörper.
Die Sonntagsfeier ist festgelegt. Anstelle von Frau Koegel wäre jemand zu designieren, der die Kinder einführt. Da würde ich um Vorschläge bitten. Es ist das etwas, wozu man sich besonders bestimmt fühlen muß. Schlägt sich jemand selbst vor? Möchten Sie es mit Fräulein Rohrle zusammen machen?

Is dat dan niet een heel goed beeld, een beeld dat echt tot een religieus niveau kan worden verheven bij de uitleg van het lichaam van Laocoön? In werkelijkheid scheidt het etherische lichaam zich bij Laocoön af, waardoor het fysieke lichaam deze kronkelingen aanneemt. Deze afbraak van het fysieke lichaam bij Laocoön is iets waarmee veel getoond kan worden. Daar zou je een groep voor nodig hebben. Maar om het naar een religieus niveau te tillen, is er die ontzagwekkende ervaring voor het uiteenvallende menselijke lichaam.

De zondagsdienst staat gepland. In plaats van mevrouw Koegel moet er iemand aangewezen worden om de kinderen voor te stellen. Ik zou graag suggesties ontvangen. Het is iets waar je je bijzonder toe geroepen moet voelen. Is er iemand die zich hiervoor aanmeldt? Zou u het samen met juffrouw Rohrle willen
doen? <6>

X.: Es ist ein Mädchen angemeldet, das taubstumm ist.

<7> X.: Er heeft zich een doofstom meisje aangemeld.

Dr. Steiner: Sie kann doch nicht zu uns in die Waldorfschule kommen.

Zij kan niet naar onze Waldorfschool komen.

Ein Klassenlehrer fragt wegen eines anderen Kindes, das angemeldet wurde.

Een leerkracht vraagt ​​naar een ander kind dat zich heeft aangemeld.

Dr. Steiner: Wie ist es mit dem? Der Junge erbarmt einen.

Hoe zit het met hem? Het is hartverscheurend met die jongen.

Blz. 227

X.: Er ist im Klassenunterricht unmöglich.

X.: Hij is onhandelbaar in de klas.

Dr. Steiner: Das wird vielleicht nur vorübergehend sein. Wie er bei mir war, hat er durchaus so ausgesehen, als ob er gebessert werden könnte. Ich bin auch überzeugt, wenn man das mit ihm macht, was ich vorgeschrieben habe, daß es in einem halben Jahre besser ist. Auf der anderen Seite kann man nicht hoffen, daß es, wenn er ganz isoliert ist, besser wird. Das kann man nicht machen.

Dat is misschien maar tijdelijk. Toen hij bij mij was, leek het er zeker op dat hij vooruitgang kon boeken. Ik ben er ook van overtuigd dat als we met hem doen wat ik heb voorgeschreven, het over zes maanden beter zal zijn. Aan de andere kant kunnen we er niet op hopen dat het beter wordt als hij volledig geïsoleerd is. Dat kunnen we niet doen.

X.; Dann kommen meine Kinder zu kurz.

X.: Dan zullen mijn kinderen eronder lijden.

Dr. Steiner: Ich glaube, daß es vorübergehend sein wird. Es wird
wahrscheinlich doch mit dem zusammenhängen, daß er gerade in die
Schule gekommen ist, was durchaus vorauswirken kann.

Ik denk dat het tijdelijk zal zijn. Het zal waarschijnlijk te maken hebben met het feit dat hij net naar school is gegaan, wat zeker een voorbode kan zijn.

X.: Er war furchtbar aufgeregt.

X.: Hij was vreselijk onrustig.

Dr. Steiner: In diesem Kinde ist eine ziemliche Unregelmäßigkeit in der ganzen Konstitution. Das ist ein Junge, der hat so etwas wie — man kann sich mit dem physischen Leib einen Arm brechen oder ein Bein brechen, man kann sich nicht den Kopf brechen —, dieser hat einen gebrochenen Ätherkopf, und so ist er natürlich alle Augenblicke aufgeregt. Bei ihm äußert es sich mehr als bei einem anderen Kinde. Aber ich glaube, es wird vorübergehend sein. Jedenfalls muß
man den Eltern sagen, sie müssen sich gedulden, bis wir diese Hilfsklasse haben. Kennen Sie ihn schon lange? War er immer so? Durch jede Erschütterung wird die ganze Geschichte in Unordnung gebracht. Wird ihm die Arznei beigebracht? Hat er Krankheiten gehabt? Wir haben etwas konstatiert. Sie sagten Gehirnrachitis. Das stimmt auch. Man bekämpft Gehirnrachitis durch Beibringen von Hypophysis Cerebri. Hat er Geschwister? Es ist eine Wachstumsstörung da, die durch irgend etwas bewirkt worden ist, was der Mutter passierte vor der Geburt.

Dit kind heeft een aanzienlijke afwijking in zijn hele constitutie. Dit is een jongen die zoiets heeft als – je kunt met je fysieke lichaam een ​​arm of een been breken, maar je kunt je hoofd niet breken – deze heeft een gebroken etherisch hoofd, en daarom is hij van nature de hele tijd onrustig. Het komt bij hem meer tot uiting dan bij andere kinderen. Maar ik denk dat het tijdelijk zal zijn. We moeten de ouders in ieder geval vertellen dat ze geduld moeten hebben totdat we deze speciale klas voor kinderen met speciale behoeften hebben. Kent u hem al lang?
Is hij altijd al zo geweest? Elke schok brengt wanorde mee. Was er een dokter?Heeft hij ooit ziektes gehad? We hebben iets vastgesteld. U zei cerebrale rachitis. Dat klopt. Cerebrale rachitis wordt behandeld met hypofyse-cerebri. Heeft hij broers of zussen? Er is sprake van een groeistoornis, veroorzaakt door iets wat de moeder vóór de geboorte is overkomen.

X.: Sie hat mir nachher erzählt, daß sie die ganze Zeit halb irrsinnig gewesen
ist.

X.: Ze vertelde me achteraf dat ze zich de hele tijd in de war voelde.

Dr. Steiner: Der Junge ist in diesen Zustand versetzt worden durch
die Schwangerschaft. Dann werden wir das machen mit ihm und ihn
in die Schule hineinnehmen, wenn die Hilfsklasse von Dr. Schubert
eröffnet wird.

De jongen is door de zwangerschap in deze toestand geraakt. Dan gaan we dat met hem doen en hem naar school brengen zodra de speciale klas van Dr. Schubert opent. <7>

Dann haben Sie wohl andere Fragen.

Dan heeft u waarschijnlijk nog andere vragen.

Es wird noch einmal gefragt nach der Feststellung der Stellung Dr. Steiners im
Äußeren der Schule.

<1A> Er wordt nog gevraagd over de positie van Dr. Steiner binnen de school.

Blz. 228

Dr. Steiner: Diese Feststellung meiner Stellung hat nur einen Opportunitätswert. Das wäre gut gewesen, wenn dazumal, als das Lehrerkollegium eingereicht war, ich mit eingereicht worden wäre. Nur da, wenn es einmal geschehen könnte, daß man nötig hätte der Behörde gegenüber die Sache exakt zu haben, das ist natürlich das, worauf es ankommt.

Deze opmerking over mijn positie is puur opportunistisch. Het zou beter zijn geweest als ik was opgenomen in de lijst met docenten die werd ingediend. Het is natuurlijk alleen belangrijk als de autoriteiten de exacte gegevens ooit nodig zouden hebben.

X.: Wenn ich vorschlagen darf, wenn man jetzt eine Gesamtliste einreicht und
an der Spitze Sie selbst nennt.

X.: Mag ik voorstellen om nu een complete lijst in te dienen, met u bovenaan?

Dr. Steiner: Es sieht immer jetzt komisch aus, weil sie es mit den
alten Listen vergleichen.

Het ziet er dan wel weer vreemd uit nu, omdat ze het vergelijken met de oude lijsten.

X.: Repariert werden muß es doch.

X.: Het moet toch worden rechtgezet.

Dr. Steiner: Man kann kaum etwas anderes machen, als daß man
schreibt, es sei vergessen worden, und man trägt es nach. „Wir haben
leider das vorige Mal vergessen und tragen es nach.” Ich wüßte sonst
keine Möglichkeit, darüber wegzukommen. Sonst sieht es immer
komisch aus, wenn man es stillschweigend macht. Auch wenn man
eine neue Liste macht.

Er is weinig anders aan te doen dan te schrijven dat het vergeten was en het alsnog toevoegt. “We zijn het helaas de vorige keer vergeten en voegen het nu toe.” Ik weet geen andere manier om dit op te lossen. Anders ziet het er wel vreemd uit als het stiekem gebeurt. Zelfs als er een nieuwe lijst wordt gemaakt. <1A>

Es wird eine Frage gestellt wegen der Gegnerschaft gegen die Anthroposophie.

Er wordt een vraag gesteld over de tegenstand tegen de antroposofie.

Dr. Steiner: Diese Gerüchte tauchen immer auf. Das steht überall in der Schweiz. Jetzt ist man auf der Spur nach anderen Verzweigungen dieser verleumderischen Dinge, die daraufhinzielen, durch Machinationen die Spur zu verwischen, daß ich etwas mit der Anthroposophie getan hätte, aber die Lehre zu nehmen und von anderer Seite zu verbreiten. Man geht darauf aus, die Lehre von sich aus zu verbreiten, aber die Spur zu verwischen, daß es von mir kommt.

Deze geruchten blijven opduiken. Het is overal in Zwitserland zo. Nu wordt er onderzoek gedaan naar andere takken van deze lasterlijke activiteiten, die erop gericht zijn om door middel van machinaties te verhullen dat ik iets met antroposofie te maken heb, maar om de leerstellingen van een andere bron over te nemen en te verspreiden. De bedoeling is om de leerstellingen onafhankelijk te verspreiden, maar te verhullen dat ze van mij afkomstig zijn.

Wäre außerdem noch etwas?

Is er nog iets anders?

X. fragt wegen des Weltschulvereins, der seinen Sitz in Dornach haben, aber in
Deutschland arbeiten solle. Wenn man jetzt die deutsche Sektion gründen
würde, dann könnte man bei den Hochschulkursen in Dornach das ganze ordnen.

<8> X. vraagt ​​naar de World School Association, die gevestigd zou moeten zijn in Dornach maar actief is in Duitsland. Als de Duitse afdeling nu zou worden opgericht, zou alles georganiseerd kunnen worden tijdens de hogeschoolcursussen in Dornach.

Dr. Steiner: Müssen wir nicht zuerst den Weltschulverein haben,
bevor wir eine deutsche Sektion begründen könnten? Der Weg zum
Weltschulverein könnte jetzt nur der sein, daß man nun wirklich
sichtbarlich von einem bestimmten internationalen Zentrum aus die
Sache macht.
Es könnte das Zentrum des Weltschulvereins Dornach sein, aber es
muß nicht das Zentrum sein, von dem aus es gemacht wird.

Moeten we niet eerst de World School Association hebben voordat we een Duitse afdeling kunnen oprichten? De enige manier om nu een World School Association op te richten, is door het project zichtbaar te leiden vanuit een specifiek internationaal centrum. Het centrum van de Wereldschoolvereniging  zou in Dornach kunnen zijn, maar het hoeft niet het centrum te zijn van waaruit de organisatie wordt aangestuurd.

Blz. 229

Damals hätten wir eine ganz bestimmte Form der Agitation gehabt, daß wir
mit aller Schärfe betont hätten, wir haben noch eine kleine Schule und können nicht weiter, müssen so viele Kinder abweisen. Dieser Agitationsstoff ist uns jetzt entzogen. Nun müssen wir den Weltschulverein anders anfangen. Da kann man natürlich, wenn wir in Dornach einen guten Besuch haben, zunächst anfangen, Stimmung zu machen. Ich glaube nicht, daß es von hier aus gemacht werden soll, weil wir nicht die negative Anlehnung haben, daß wir sagen können, da warten hundert Kinder vor den Toren der Schule.
Nun müssen wir es anders anfangen. Da können wir in Dornach dafür agitieren, und dann habe ich gedacht, daß es jetzt von einem internationalen Orte aus geschehen müßte, etwa vom Haag aus. Wir haben eine begründete Hoffnung, daß man für unsere Bewegung noch etwas tun könnte. Aber natürlich würden wir uns das Ganze verpfuschen, wenn wir hier den Weltschulverein begründen würden. Wir können alles mögliche für die Waldorfschule tun, dafür ist soviel Stimmung da; gründen dürfen wir ihn von hier aus nicht. Damals habe ich mir
gedacht, wir leiten hier eine energische Agitation ein. Von London aus würde ich die Begründung viel eher begrüßen. Das ist noch nicht zu erreichen. Und außerdem ist die Hoffnung, daß die andere Sache viel schneller geht

Destijds zouden we een heel specifieke vorm van actie hebben gevoerd, waarbij we met alle macht benadrukten dat we maar één kleine school hebben en niet verder kunnen uitbreiden, dat we zoveel kinderen moeten afwijzen. Dit middel is ons nu niet meer ter beschikking. Nu moeten we de Wereldschoolvereniging op een andere manier opzetten. Natuurlijk, als we een goede opkomst in Dornach hebben, kunnen we beginnen met het creëren van een positieve sfeer. Ik denk niet dat we dat hier moeten doen, omdat we hier niet de negatieve context hebben om te zeggen dat er honderd kinderen voor de schoolpoort staan ​​te wachten. Nu moeten we anders beginnen. We kunnen er campagne voor voeren in Dornach, en ik dacht dat het nu vanuit een internationale locatie zou moeten gebeuren, misschien vanuit Den Haag. We hebben goede hoop dat er nog iets voor onze beweging gedaan kan worden. Maar natuurlijk zouden we de hele zaak verpesten als we de Wereldschoolvereniging hier zouden oprichten. We kunnen alles doen wat mogelijk is voor de Waldorfschool; er is zoveel steun voor. We mogen hem hier niet oprichten. Destijds dacht ik dat we hier een krachtige campagne zouden starten. Vanuit Londen zou ik de oprichting veel eerder verwelkomen. Dat is nu nog niet haalbaar. En bovendien is er de hoop dat de andere kwestie veel sneller zal verlopen.

Die Textüberlieferung wird an dieser Stelle sprunghaft und unsicher, sowohl
was die Interpunktion anbelangt als auch, wer was gesagt hat. Mögliche
Lücken sind hier durch Punkte angedeutet. Im Manuskript steht:

De tekstoverdracht wordt op dit punt sprongsgewijs en onzeker, zowel
wat betreft interpunctie als wie wat zei. Mogelijke hiaten worden aangegeven met punten. Het manuscript luidt:

. . . das ist hoffnungslos, vom Haag aus .. . da sitzt niemand . . ., im Haag; vielleicht um so besser . . .

… dat is hopeloos, vanuit Den Haag … er is niemand daar …, in Den Haag; misschien maar beter …

Dr. Steiner: Das hatte ich auch früher beim Weltschulverein gemeint,
daß ich es machen müßte. Wir haben im Haag eine Anzahl von Anthroposophen.

Ik had dat eerder ook al gedacht bij de Wereldschoolvereniging, dat ik het zou moeten doen. We hebben een aantal antroposofen in Den Haag.

X.; Ich glaube, sie sind alle durcheinander.

X.: Ik denk dat ze allemaal in de war zijn.

(X.): Sie können mit H. nicht rechnen. Er bekennt niemals, daß er zur Anthroposophie gehört.

(X.): Je kunt niet op H. rekenen. Hij geeft nooit toe dat hij tot de antroposofie behoort.

Wenn ich nach dem Haag ginge, würde ich in H. einen Helfer haben.

Als ik naar Den Haag zou gaan, zou ik een helper hebben in H.

X.: Solange Sie da sind!

X.: Zolang u er  bent!

Dr. Steiner: Mehr braucht es nicht .. . Es genügt, wenn er das eine
auf die Beine bringt, wenn er die Wege ebnet.

Dat is alles wat nodig is … Het is al genoeg als hij dat ene ding voor elkaar krijgt, als hij de weg vrijmaakt.

X.: Er versperrt die Wege .. .Er hat verheimlicht, daß es ein Goetheanum

X: Hij blokkeert de weg…Hij hield het bestaan ​​van een Goetheanum geheim.

Blz. 230

gibt. Die Studenten waren überrascht, als sie hörten, daß es das gibt, obgleich
sie unter H.s Leitung in die Schweiz geführt wurden.

De studenten waren verrast toen ze van het bestaan ​​ervan hoorden, ondanks dat ze onder leiding van H. naar Zwitserland waren gebracht.

Dr. Steiner: So sind die Menschen! Aber auf eine andere Weise, als
daß man die Menschen nimmt, wie sie sind, kommt man nicht weiter . . .
In der weiteren Debatte werden außer Haag auch noch Zürich und Genf genannt.

Zo zijn mensen nu eenmaal! Maar je komt nergens zonder mensen te accepteren zoals ze zijn…
In de daaropvolgende discussie worden, naast Den Haag, ook Zürich en Genève genoemd.

X.: Müssen wir von hier aus nicht noch einige Voraussetzungen machen? Wir
sollten über den Namen der einzelnen Schule nachdenken. Wir finden nicht
das, worauf Sie abzielten.

X: Moeten we vanuit hier niet een aantal voorwaarden stellen? We moeten de naam van elke afzonderlijke school bekijken. We kunnen niet vinden waar u naar verwees.

Dr. Steiner: Ich glaube nicht, daß es besonders aktuell ist, den
Namen der einzelnen Schule zu finden. Was wollen Sie von hier aus
für Bedingungen schaffen?

Ik denk niet dat het relevant is om de naam van elke afzonderlijke school te vinden. Welke voorwaarden wilt u hieruit scheppen?

X.: Ich bin mir nicht sicher, ob von uns aus alles bedacht ist.

X: Ik weet niet zeker of we alles hebben overwogen.

Dr. Steiner: Schließlich handelt es sich darum, daß man sich auf dieHöhe der Situation stellt im gegebenen Augenblick, das ist heute. Ich habe es mitgeteilt. Wenn man mit solchen elementaren Sätzen unserer Bewegung dienen würde, dann wäre gedient. Man muß die Weltsituation begreifen.
Wir müssen die Dinge ausnutzen. Sehen Sie, wir haben zum Beispiel hier den Verlag gegründet, dieser Verlag hat bis jetzt wenig getan.
Aber zwei Bücher sind erschienen, Dr. Steins Buch und Polzers Buch. Also fast wenigstens Erstlingswerke in großer Auflage. In wenig Wochen sind die beiden Bücher abgesetzt. Uns ist heute gesagt worden, daß auch das Buch gegen Traub ausverkauft ist. Die Leute da verschlafen. Die Bewegung trägt heute schon, wenn man die Strömung aufnehmen wird. Die Strömung als solche ist da.

Uiteindelijk gaat het erom ons aan te passen aan de huidige situatie, die van vandaag. Dat heb ik al duidelijk gemaakt. Als we onze beweging met zulke fundamentele principes zouden kunnen dienen, dan zouden we er baat bij hebben. We moeten de wereldwijde situatie begrijpen.
We moeten het beste maken van wat we hebben. Kijk, we hebben hier bijvoorbeeld de uitgeverij opgericht, en deze uitgeverij heeft tot nu toe nog niet veel gedaan. Maar er zijn twee boeken verschenen: het boek van Dr. Stein en het boek van Polzer. Dus in ieder geval bijna debuutwerken in grote oplage. Over een paar weken zullen beide boeken uitverkocht zijn. We hoorden vandaag dat het boek tegen Traub ook uitverkocht is. Mensen zitten te slapen.

Die Bewegung trägt heute schon, wenn man die Strömung aufnehmen wird. Die Strömung als solche ist da. Es schwimmt niemand darinnen. Man muß wirklich sagen, die Strömung ist da, es schwimmt niemand darin. Man sieht es an den öffentlichen Vorträgen, die immer stark besucht werden. Es ist wirklich wahr, Bewegung ist schon da, man denkt gar nicht daran, daß eine solche Bewegung da ist.
In Wirklichkeit — nicht wahr, die Dinge, die hier gesagt werden, werden auch vertraulich gesagt — ist es notwendig, eine Bemerkung zu machen. Es kommt vor, daß die Leitung des Kommenden Tages keinen richtigen Begriff hat, daß es eine Dreigliederungsbewegung gibt. Das ist nicht etwas, was man zur Agitation unter uns brauchen darf, man soll sich bewußt werden, daß Schlafzustand vorhanden ist.
Es wird viel begonnen und hört dann auf. Wenn ich sollte alle einzel-

De beweging heeft vandaag de dag al gewicht in de schaal, als je de stroom maar wilt volgen. De stroom ís er. Niemand zwemt erin mee. Je moet echt zeggen: de stroom ís er, niemand zwemt erin mee. Je kunt het zien aan de openbare lezingen, die altijd goed bezocht worden. Het is echt waar, de beweging is er al, je denkt er niet eens aan dat zo’n beweging bestaat.
In werkelijkheid – is het niet zo dat de dingen die hier gezegd worden ook vertrouwelijk gezegd worden – is het nodig om een ​​opmerking te maken. Het blijkt dat de leiders van de Komende Dag geen echt begrip hebben voor het bestaan ​​van een drieledige maatschappijbeweging. Dit is niet iets om onder ons opgewonden over te raken; we moeten ons ervan bewust worden dat er sprake is van inactiviteit.
Veel dingen worden begonnen en vervolgens weer gestopt. Als ik alle individuele

Blz. 232

nen Aufträge geben, dann kann ich nur sagen, das kann alles geschehen; dann dürfen nicht die Sitzungen bis drei Uhr nachts dauern.
In Berlin werden Sie die wenigste Unterstützung finden. In Berlin ist
keine Neigung vorhanden. Aber in Berlin könnte man nur eben etwas
machen, wenn wir einmal acht Tage dort sein könnten. In drei Tagen
könnten wir es nicht machen. Berlin sieht nicht über die Mauern von
Berlin hinaus.

Als ik alle individuele opdrachten zou moeten geven, dan kan ik alleen maar zeggen dat alles mogelijk is; dan mogen de vergaderingen niet tot drie uur ’s ochtends duren.
In Berlijn zul je de minste steun vinden. Daar is geen enkele bereidheid. Maar in Berlijn zou er alleen iets mogelijk zijn als we er acht dagen konden zijn. In drie dagen lukte het niet. Berlijn kijkt niet verder dan zijn eigen muren.

X.: Wann würde es möglich sein, das im Haag zu machen?

X: Wanneer zou zoiets in Den Haag mogelijk zijn?

Dr. Steiner: Wenn man sehen würde, daß man Stimmung machen
kann, dann wird man in Dornach daran denken, ziemlich nahezu im
Anschluß daran.

Als men zou zien dat er een goede sfeer gecreëerd kon worden, dan zouden ze het in Dornach overwegen, vrijwel direct daarna.

X.: Dann müßte man schlüssig werden, wie man die Stimmung am besten
erzeugt.

X: Dan zou men moeten uitzoeken hoe die sfeer het beste gecreëerd kon worden.

Dr. Steiner: Ja, sehen Sie, da müßte man manchmal in edlerem Sinne agitieren lernen. Nicht wahr, wenn Sie zum Beispiel die Gruppe Haaß-Berkow bei ihrer Jause anhören würden, so würden Sie sehen, sie haben eine Hand dafür, Stimmung zu machen. Es müßte zum Beispiel einmal, wo die Leute aus der Fremde kommen, gelingen, andere Gesprächstitel anzuführen. Es kommt auf Stimmungmachen an. Das muß nicht in unedlem Sinne gemeint sein. Es kommt darauf an, daß man Stimmung macht, statt daß man sich darüber unterhält, wie man — ich will nicht sagen, von was man sich unterhält! Wenn so viel Menschen auf einem Platz beisammen sind, da geht so viel von Mensch zu Mensch zu machen.

Ja, kijk, soms moet je leren om op een meer geraffineerde manier campagne. te voeren. Wanneer je bijvoorbeeld naar de Haass-Berkow-groep zou luisteren tijdens het eten, zou je zien dat ze een talent hebben voor het creëren van een goede sfeer. Als er bijvoorbeeld mensen van ver komen, is het belangrijk om andere gespreksonderwerpen aan te snijden. Het gaat erom een ​​goede sfeer te creëren. Dit moet niet op een onoprechte manier bedoeld te zijn. Het gaat erom een ​​goede sfeer te creëren, in plaats van te praten over hoe – ik wil niet zeggen waar – je het over hebt! Wanneer zoveel mensen op één plek samenkomen, kan er zoveel tussen hen gebeuren.

Es handelt sich darum, für Zwecke der Gründung des Weltschulvereins die rechte Stimmung zu machen. Nehmen Sie an, Sie bringen es zustande, daß also fünfzig Menschen die Meinung kriegen, es muß ein Weltschulverein gegründet werden. Wenn die Leute von Dornach abreisen, und es in der richtigen Weise erregt wird, das bedeutet, daß drei Wochen darauf fünfhundert, sechs Wochen darauf fünftausend die Meinung haben, es muß ein Weltschulverein gegründet werden.
Man muß das Zeug haben, in einer Anzahl von Menschen eine solche
Meinung zu erregen.

Het gaat erom de juiste sfeer te creëren voor de oprichting van de Wereldschoolvereniging. Stel dat je vijftig mensen ervan kunt overtuigen dat er een Wereldschoolvereniging moet worden opgericht. Als die mensen Dornach verlaten en de zaak op de juiste manier wordt aangezwengeld, betekent dat dat drie weken later vijfhonderd, zes weken later vijfduizend mensen van mening zullen zijn dat er een Wereldschoolvereniging moet worden opgericht. Je moet in staat zijn om zo’n mening bij een aantal mensen op te wekken.

X.: Wäre es nicht möglich, daß die Waldorflehrer Propaganda machen im
Anschluß an Vorträge?

X: Zou het voor Waldorf-leraren niet mogelijk zijn om na lezingen reclame te maken?

Dr. Steiner: Das können Sie selbstverständlich. Dem müßte die Stimmungsmache parallel gehen. Wie kommt es denn eigentlich, daß so
etwas in der Anthroposophischen Gesellschaft nie aufkommen kann, wie im besten Sinne des Wortes ein Korpsgeist?

Natuurlijk kan dat. De campagne zou hand in hand moeten gaan met het creëren van de sfeer. Hoe kan het dan dat zoiets als een ware esprit de corps, nooit kan ontstaan ​​in de Antroposofische Vereniging?

Blz. 232

Mehrere Lehrer versuchen, diese Frage zu beantworten.

Verschillende docenten proberen deze vraag te beantwoorden.

Dr. Steiner: So lange wir eine Anthroposophische Gesellschaft bloß waren, kam es auf all das nicht an, da brauchten wir kein Geld. Es ist das Unglück da, daß wir es jetzt brauchen. Und jetzt handelt es sich nicht darum, daß man geldgierig ist, es handelt sich darum, daß die Bewegung getragen werden muß. Das kriegt man nicht anders, als wenn Stimmung gemacht wird. Nun möchte man durchaus — das ist dasjenige, was ich schmerzlich empfinde: es besteht eine gewisse innere Opposition bei sehr vielen, die etwas tun sollten. Sie möchten das nicht tun, was ich für das Rechte halte, sondern irgendwie etwas anderes. Sie sträuben sich furchtbar. Das ist die Sitte unserer Zeit, als wenn wir bloß aus dem Geiste zu wirken brauchten, als wenn wir kein Geld brauchten. Wenn man Geld braucht, da muß man eben etwas tun dazu. Es braucht nicht unidealistisch zu sein, aber es muß etwas getan werden. Ich glaube nämlich, daß viel mehr Opposition ist, als Sie annehmen, innere Opposition. So ein Sich-Stemmen, Sträuben ist da; Schlaf, absolute Cliquenbildung. Es wäre gut, wenn man Korpsgeist entwickelt.
Wir können noch nicht eine Sektion begründen von etwas, was noch nicht besteht.

Zolang we slechts een Antroposofische Vereniging waren, deed dit er allemaal niet toe; we hadden geen geld nodig. Het ongelukkige is dat we het nu wél nodig hebben. En nu gaat het niet om hebzucht; het gaat erom dat de beweging gedragen wordt. Dat kan alleen worden bereikt door een positieve sfeer te creëren. Nu zou je natuurlijk graag willen – en dit is wat ik pijnlijk voel: er is een zekere innerlijke tegenstand onder velen die iets zouden moeten doen. Ze willen niet doen wat ik als juist beschouw, maar iets heel anders. Ze verzetten zich hevig. Dat is de teneur van onze tijd, dan dat wij alleen maar vanuit de geest hoeven te handelen, wij ook geen geld nodig hebben. Als je geld nodig hebt, moet je er iets voor doen. Het hoeft niet onidealistisch te zijn, maar er moet wel iets gebeuren. Ik geloof dat er veel meer tegenstand is dan je denkt, innerlijke tegenstand. Er is een soort weerstand, een terughoudendheid; lethargie, absolute kliekvorming. Het zou goed zijn als er een gevoel van saamhorigheid zou ontstaan.
We kunnen geen afdeling oprichten voor iets dat nog niet bestaat.

X.: Von irgendwo dürfte doch der Anstoß ausgehen.

X: De impuls moet toch ergens vandaan komen?

Dr. Steiner: Das müßte von einem weiteren Kreis ausgehen.

Die moet uit een bredere kring komen.

X.: Vielleicht könnte man herantreten an Vertreter der lokalen Schulbestrebungen und sie erwärmen für den Weltschulverein, zum Beispiel Rektor B. in Br.

X.: Misschien kunnen we vertegenwoordigers van de lokale schoolbewegingen benaderen en hen enthousiast maken voor de Wereldschoolvereniging, bijvoorbeeld rector B. in Br.

Dr. Steiner: Es handelt sich nicht darum, daß man den Namen Weltschulverein in die Welt bringt, sondern daß man eine Organisation in die Welt setzt. B. ist warm genug. In dem Augenblick, wo man den Weltschulverein hat, ist er auch dabei und wird wirken. Nicht wahr, bei B. in Br. bedeutet es nichts anderes, als daß man ein Loch mehr aufmacht für das Geldschnorren. Ob Sie als Waldorflehrerschaft oder als Weltschulverein herumgehen und Geld sammeln, auf das kommt es nicht an. Das ist nur ein neuer Name für dieselbe Sache. Man muß eine wirkliche Organisation schaffen, die eine Organisation für sich
ist.

Het gaat er niet om de naam Wereldschoolvereniging wereldwijd bekend te maken, maar om een ​​organisatie op te richten. B. is enthousiast genoeg. Zodra de Wereldschoolvereniging er is, zal die betrokken en effectief zijn. Is het niet zo dat B. in Br. gewoon weer een manier vindt om geld in te zamelen? Of je nu geld inzamelt als Waldorfleraren of als de Wereldschoolvereniging, dat maakt niet uit. Het is gewoon een nieuwe naam voor hetzelfde. Je moet een echte organisatie oprichten, een organisatie met een eigen identiteit.

X.: Wir müssen den Zeitpunkt des Dornacher Hochschulkurses ausnützen.

X.: We moeten gebruikmaken van de cursus aan de universiteit van Dornach.

Dr. Steiner: Es ist nötig, daß wir diese Leute zu Trägern des Agitationsgedankens machen. Von den Menschen werden wir direkt nicht 

Het is noodzakelijk dat we deze mensen de dragers maken van het idee van actievoering.

Blz. 233

viel haben können, das werden arme Schlucker sein, die lieber etwas beziehen möchten. Solche haben wir auch. Es kommt darauf an, daß diese Leute die Träger des Gedankens sind und diesen Gedanken hinaustragen. Dann kommt es darauf an, daß diese Agitation warm erhalten bleibt. Wenn wir im Haag etwas inaugurieren — es braucht kein Verein zu sein, eine Agitation braucht nur entfaltet zu werden —, wenn wir das vom Haag aus machen können, so darf man
nicht vergessen, es besteht eine starke Stimmung dafür, man muß Mitteleuropa aufhelfen. Sie möchten das schon. Wenn man da den rechten Ton trifft, so geschieht etwas. Man muß versuchen, die Gefühle, die da sind, so zu formulieren, daß es in die rechte Richtung kommt. Der Gesichtspunkt ist schon da. Das wäre schon zu erreichen. Das könnte bald geschehen, wenn die Seelen aufwachen würden. — Sie sind wach genug. Wenn Sie etwas recht Gescheites mit derselben Kraft in Dornach hinausschmettern, so ist das schon ganz gut.
Es ist doch besser, wenn nicht die Bettler und Landstreicher den
Verein gegen Verarmung gründen, sondern die, die etwas in der
Tasche haben.

We zullen niet veel rechtstreeks van de mensen krijgen. Het zullen arme stakkers zijn die liever iets ontvangen. We hebben er ook zulke. Waar het om gaat, is dat deze mensen de dragers van het idee zijn en het uitvoeren. Dan is het belangrijk dat dit stemming maken warm blijft. Als we iets in Den Haag initiëren – het hoeft geen vereniging te zijn, een warme stemming hoeft alleen maar op gang te komen – als we dat vanuit Den Haag kunnen doen, dan mogen we niet vergeten dat er een sterk sentiment voor is; we moeten Centraal-Europa helpen. Ze willen het. Als je de juiste toon aanslaat, gebeurt er iets. Je moet proberen de gevoelens die er zijn zo te formuleren dat het de goede kant op gaat. Het perspectief is er al. Dat zou kunnen gebeuren. Dat zou snel kunnen gebeuren als de zielen zouden ontwaken. – Ze zijn voldoende wakker. Als je erin slaagt om met dezelfde kracht iets echt slims tot uiting te brengen in Dornach, is dat heel goed.
Het is ongetwijfeld beter als de vereniging tegen armoede niet wordt opgericht door bedelaars en zwervers, maar door mensen die wel iets te besteden hebben.

Es wird über Stuttgarter Hochschulkurse im kommenden Winter gesprochen
und berichtet, über welche Gebiete einzelne Lehrer vorzutragen gedenken.

Er wordt gesproken over hogeschoolcursussen in Stuttgart volgend winterseizoen en er zijn berichten over welke onderwerpen individuele leraren willen behandelen.

Dr. Steiner: Es ist viel geredet worden, es müßte etwas geschehen.
Ich würde nur nicht wünschen, daß es von hier aus in die Hand
genommen wird, eine Art hochschulmäßige Vorträge, und daß das
ins Wasser fällt. Das wäre das allerschlimmste. Ich würde über
Anthroposophie, Philosophie und so etwas reden.

Er is veel over gesproken; er moet iets gebeuren.
Ik zou het gewoon niet willen dat het hier wordt opgepakt, een soort hogeschoolachtige voordrachten, en dat het dan niet doorgaat. Dat zou het ergste zijn wat ik me kan voorstellen. Ik zou het hebben over antroposofie, filosofie en dat soort dingen.

X.; Wir hatten in Aussicht genommen, eine Art Semestralvorlesungen.

X.: We hadden een soort collegereeks van een semester voor ogen.

Dr. Steiner: Man kann die Lehrfächer anders gruppieren. Ich würde nicht so nach diesen alten Schablonen gruppieren. Ich würde mehr nach den sachlichen Gesichtspunkten gruppieren. – Sie können doch, Herr von Baravalle, Einsteins Theorie und Quantentheorie behandeln.

De onderwerpen kunnen anders worden ingedeeld. Ik zou ze niet indelen volgens die oude sjablonen. Ik zou ze meer indelen op basis van het onderwerp. – U kunt, meneer von Baravalle, toch Einsteins theorie en de kwantumtheorie behandelen.

X.: Ich glaube, daß wir es den Studenten leichter darstellen. Die Leute werden es hier verstehen.

X.: Ik denk dat we het op die manier makkelijker aan de studenten kunnen presenteren. De mensen hier zullen het begrijpen.

Dr. Steiner: Synthetische Geometrie, davon verspreche ich mir ungeheuer viel für eine Gesundung. Ich bin einverstanden mit dem, was Sie sich als Programm vorsetzen. Diese vielleicht wirklich ganz andersartigen Vorstellungen, die die Leute bekommen, wenn außer dem, eine Ellipse aus der Gleichung bestimmen zu können, wenn sie

Synthetische meetkunde, ik verwacht er enorm veel van voor een hernieuwde kennismaking. Ik ben het eens met wat u voor ogen hebt als programma. Dit zijn wellicht heel verschillende ideeën die mensen krijgen wanneer ze,  naast het kunnen bepalen van een ellips aan de hand van een vergelijking, ook begrijpen hoe een ellips ontstaat uit een bundel stralen. Dat is een hele opgave.   

Blz. 234

aus einem Strahlenbüschel die Genesis einer Ellipse begreifen, das ist viel. Ich weiß nicht, ob das nicht zum Beispiel ganz interessant wäre, die Grundbegriffe der analytischen Geometrie, dann die der synthetischen Geometrie, dann parallele Kegelschnittlinien, analytisch und synthetisch. Jetzt wird es meistens so gelehrt, daß man einen Kurs hat für analytische Geometrie und einen für synthetische. Dieses reizvolle, was da wäre, wenn man die ganze Kegelschnittlehre analytisch und synthetisch lernt!
Ich glaube, wir müssen es heute beschließen. Die Hochschulkursc würde ich Ihnen sehr ans Herz legen. Bringen Sie den Plan nach Dornach mit. In Dornach haben wir mehr auf Personen uns gerichtet. Die Studenten wollen es mehr nach Fächern. Man könnte doch spezialisieren. — Dr. Schubert, über die Seele der Sprache ist nicht viel erforscht worden!
Im Sinne meiner heutigen Anfangsworte möge sich unser Zusammenwirken entfalten. 

Ik weet niet of het niet heel interessant zou zijn om bijvoorbeeld de basisbegrippen van de analytische meetkunde te behandelen, vervolgens die van de synthetische meetkunde, en daarna parallelle kegelsneden, zowel analytisch als synthetisch. Momenteel wordt het meestal gegeven met één cursus analytische meetkunde en één cursus synthetische meetkunde. Stel je voor hoe aantrekkelijk het zou zijn om de volledige theorie van kegelsneden zowel analytisch als synthetisch te leren!
Ik denk dat we hier vandaag een besluit over moeten nemen. De hogeschoolcursussen zou ik u zeer aanraden. Neem het plan mee naar Dornach. In Dornach hebben we ons meer gericht op individuen. De studenten geven de voorkeur aan een meer vakgerichte aanpak. Je zou je kunnen specialiseren. — Dr. Schubert, er is nog niet veel onderzoek gedaan naar de ziel van de taal!
In de geest van mijn openingswoorden van vandaag, moge onze samenwerking bloeien. <8>
GA 300A/214-234

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3537-3323

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Steiner over oordelen (GA 97)

.

Zie de inleiding

In de 16e voordracht van GA 97 schetst Steiner een bepaalde ontwikkeling die de mensheid heeft doorgemaakt.
De nadruk ligt op ‘het denken’.
Hij vergelijkt de mens in Atlantis en de latere mens en legt het waarom de mens steeds helderder is gaan denken, bij de werking van de macht van Lucifer.
Deze is de drager en brenger van het licht in het denken.
Hij brengt het ook in verband met hoe het etherlijf van de mens daardoor verandert en zegt van die veranderingen:

Die früheren Entwickelungszustände der Menschheit werden nun im einzelnen Menschenleben noch einmal in Siebenjahresrhythmen wiederholt.

De vorige stadia van de menselijke ontwikkeling herhalen zich nu in individuele mensenlevens in cycli van zeven jaar.

Wanneer je deze zin isoleert van de context – wat ook vandaag de dag nog gebeurt – ontstaat de indruk dat ‘het kind de fasen van de ontwikkeling van de mensheid’ herhaalt.
En dus een tijd ‘een Atlantiër’ of een ‘Griek’ is enz.

Maar dat is te kort door de bocht: het gaat om een zekere parallel wat de ontwikkeling van het bewustzijn betreft.

Een uitgebreide artikelenreeks over dit onderwerp vind je hier.

GA 97

Das christliche Mysterium

Het christelijke mysterie

Voordracht 16, Düsseldorf, 4 april 1906

Die Kinder des Luzifer
Die Ablösung der Blutsliebe durch die geistige Liebe

De kinderen van Lucifer
De verandering van liefde bij bloedverwantschap door geestelijke liefde

Blz. 168

Die früheren Entwickelungszustände der Menschheit werden nun im einzelnen Menschenleben noch einmal in Siebenjahresrhythmen wiederholt.( )
Erst nach der Geschlechtsreife soll der Mensch selbst urteilen lernen. Der Ätherkörper wird zu diesem Zeitpunktgelockert, und der Astralkörper ist erst jetzt bereit, nach außen tätigzu sein.
Diese Entwickelung, die also heute der einzelne Mensch in Siebenjahresrhythmen durchmacht, hat die Menschheit als solche im
Lauf ihrer großen Entwickelungsepochen absolviert. Ein Teil der
untergeordneten Kräfte im Menschen wurde heraufgehoben zur
Ausbildung der Urteilskraft. 

De vroegere stadia van de menselijke ontwikkeling herhalen zich nu in individuele mensenlevens in cycli van zeven jaar. 
Pas na de puberteit moet een mens zelfstandig leren oordelen. Tegen deze tijd maakt het etherlijf zich losser en is het astrale lichaam klaar om zich naar buiten toe te manifesteren.
Deze ontwikkeling, die de individuele mens tegenwoordig in de zevenjaarsfasen doormaakt, werd door de mensheid als geheel voltooid in de loop van haar grote ontwikkelingsfasen. Een deel van de ondergeschikte krachten in de mens kwam binnen het bereik voor de ontwikkeling van het oordeelsvermogen.
GA 97/168
Niet vertaald

Rudolf Steiner over oordelenalle artikelen

Over etherlijf en astraallijf

Rudolf Steiner: alle artikelen

Algemene menskunde voordracht 9

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden

.

3536-3322

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Pesten (17-4)

.
Anne Brockmann, Erziehungskunst 03-2026

.

Brandpreventie i.p.v. de brandweer
.

Een persoon, zijn of haar situatie en problemen niet geïsoleerd bekijken, maar ze begrijpen als onderdeel van een groter geheel  – dat is de systemische benadering.

Maatschappelijk werker Fridtjof Meyer-Radkau heeft dit concept van systemisch denken en handelen verweven met het Waldorfonderwijs en traditioneel schoolmaatschappelijk werk, en er een boek over geschreven. In gesprek met onze redacteur legt hij uit hoe de systemische benadering ook kan helpen bij het aanpakken van pesten.

Razna (naam veranderd door de redactie) en school? Lange tijd was dat geen probleem. De eerste paar jaren waren zorgeloos. Razna leerde gemakkelijk en met plezier. Ze had ook vrienden. Maar toen kon ze voor langere tijd niet naar school. Toen Razna terugkeerde, was er plotseling veel veranderd.

Een klasgenoot maakt gemene opmerkingen tegen haar – eerst één keer, daarna steeds weer, elke keer dat hij haar ziet. Tijdens de pauzes, in de gangen en op het schoolplein. En hij verzamelt een groep om zich heen. Ergens onderweg naar huis vangt hij haar op. Nog meer gemene opmerkingen. Beledigingen en vernederingen. Dat Duits niet Razna’s moedertaal ia, was tot dan toe nooit een probleem geweest. Nu wordt ze ermee geconfronteerd en belachelijk gemaakt.

Steeds vaker zit Razna bij Fridtjof Meyer-Radkau. In de blauwe bouwkeet, die hij deelt met zijn collega Janina Richter en die in een hoek van het schoolplein staat. Meyer-Radkau is schoolmaatschappelijk werker op de Vrije Interculturele Waldorfschool in Berlijn. Voor Razna is het een vertrouwenspersoon, de bouwkeet een toevluchtsoord. Ze vertelt hem wat ze meemaakt en hoe het haar dwarszit.

Het duurt niet lang voordat Meyer-Radkau een denkbeeldige bril opzet – de ‘pestbril’, zoals hij die noemt. Daarmee beoordeelt hij of wat hij via Razna meemaakt, mogelijk pestgedrag is. “In wezen,” legt hij uit, “zijn er twee criteria om dit te beoordelen. Gaat het om terugkerend gedrag? Is het op een vernederende manier gericht tegen iemand zelf, tegen zijn of haar diepste wezen?”
Misschien zijn er al stappen ondernomen om het tegen te gaan. Als die niet effectief zijn geweest, is dat een andere aanwijzing.

Meyer-Radkau wil waarschuwen voor overhaaste conclusies trekken.

Vaststellen van pestgedrag vereist vaak vertrouwelijke gesprekken met meerdere mensen – en dus tijd.

In Razna’s geval nam de maatschappelijk werker van de Waldorfschool eerst contact op met haar leerkrachten. Hij vroeg niet alleen naar Razna, maar ook naar de klas als geheel. “Hoe ervaart u de kinderen op dit moment? Hoe gaat het met ze – individueel en als groep?” Hij stelde dezelfde vragen aan de klassenvertegenwoordiger. De leerkracht overlegde eerst met Razna en sprak daarna met haar ouders. De leerkrachten werkten nauw samen met Razna, en Meyer-Radkau vat het als volgt samen: “We hebben de situatie niet gebagatelliseerd of gedramatiseerd. We namen het leed van het meisje en de signalen van pestgedrag die we zagen serieus en onderzochten de zaak systematisch.”

Geen sprake van schuld

Met Razna’s toestemming benaderde Meyer-Radkau eindelijk de klasgenoot die Razna lastigviel, haar op weg naar huis onderschepte en haar voor de ogen van andere vrouwelijke klasgenoten belachelijk maakte. Meyer-Radkau wil het woord ‘dader’ niet gebruiken als hij het over de jongen heeft. Hij wil Razna ook geen ‘slachtoffer’ noemen. Hij vindt ‘dader’ en ‘betrokkene’ passender. Want Meyer-Radkau maakt één ding volkomen duidelijk: “Pesten oplossen gaat nooit over het toewijzen van schuld.” Wat essentieel is, zegt hij, is om te achterhalen wat er momenteel speelt in de systemen waar de betrokkenen deel van uitmaken. Hoe ziet Razna’s wereld er nu uit – zowel op school als daarbuiten? En wat is haar situatie?

Klasgenoten? Wat zou hen kunnen verontrusten, overweldigen of beangstigen? Meyer-Radkau adviseert: “Het is het beste om de ouders of andere verzorgers erbij te betrekken, omdat zij de situatie het beste kennen.”

De toestemming van de betrokkenen is een voorwaarde voor elke stap. Transparantie schept namelijk een basis van vertrouwen en biedt zekerheid. Maar nog belangrijker:

“Omdat pesten inherent grensoverschrijdingen zijn, en handelen zonder voorafgaand overleg in zo’n situatie een verdere inbreuk zou betekenen,” zoals Meyer-Radkau weet. Soms is het moeilijk te accepteren dat de angst voor negatieve gevolgen bij een confrontatie groter is dan het geloof dat er een uitweg is. Maar dit is wel zo.

Maar dat moet je dan maar doorstaan. En Meyer-Radkau kan er zelfs iets positiefs in vinden: “Hoe paradoxaal het ook mag lijken, de persoon die erdoor getroffen wordt, ervaart in ieder geval dat er naar hem of haar geluisterd wordt en dat zijn of haar woorden gerespecteerd worden. Dat op zich kan al een vorm van empowerment zijn.”

Het versterken en stabiliseren van de betrokkenen is in elk geval een belangrijk onderdeel van de aanpak van pesten. Waar liggen mijn grenzen en hoe kan ik daarvoor opkomen? Welke andere mogelijkheden zijn er om te reageren op kwetsend gedrag?

Soms is het weleens ongemakkelijk

Razna was het ermee eens dat de schoolmaatschappelijk werker aan wie ze haar verhaal had verteld, alle betrokkenen bij het pesten zou benaderen en erbij betrekken van wie hij dan zinvol acht.
 “In lijn met de ‘no-blame’-aanpak hebben we uiteindelijk een kleine steungroep van vier meisjes uit dezelfde klas om haar heen gevormd. Zij kregen de taak om te reageren als er nog meer beledigingen of vernederingen zouden plaatsvinden.” Ze moesten Razna ook naar het treinstation begeleiden. Hierdoor kon ze weer veilig naar school lopen, legt Meyer-Radkau uit. Hij zegt dat afgesproken maatregelen altijd concreet en controleerbaar moeten zijn om effectief te zijn. Hij werkt net zo intensief voor en met de jongen die het pesten begon. Want, niet geheel onverwacht voor de schoolmaatschappelijk werker, is het duidelijk geworden: ook hij heeft het moeilijk. Zijn gedrag jegens Razna is slechts een symptoom van zijn eigen problemen. Meyer-Radkau meldt dat niet alleen hij, maar ook de leraren, nog steeds regelmatig in contact staan ​​met beide families. “In dit geval is iedereen gelukkig reflectief en coöperatief. Dat is natuurlijk niet altijd het geval, en dan moet je als schoolmaatschappelijk werker soms hard optreden. Het kan alle kanten opgaan, en we moeten een dikke huid hebben.”

Jezelf als onderdeel van de groep zien

Kijkend naar Razna, haar klasgenoten en de andere leerlingen, heeft Meyer-Radkau er vertrouwen in dat ze binnenkort weer constructief als gemeenschap zullen samenleven. Toch wil hij niet altijd alleen maar de “brandweerman” zijn: “Ik ben absoluut geen voorstander van de gedachte: ‘We hebben een brandweer; die lost het wel op als er brand uitbreekt.’ Ik wil brand in de eerste plaats voorkomen. Er zijn brandveiligheidsmaatregelen, en die gaan ons allemaal aan.” Het vereist het besef dat iedereen die in een klas werkt, ook deel uitmaakt van de unieke dynamiek ervan. Voor Meyer-Radkau omvat dit in het bijzonder de leerkrachten – of ze zich er nu van bewust zijn of niet. Want, zoals de maatschappelijk werker van een Waldorfschool zegt: “Uiteindelijk zijn het de volwassenen die verantwoordelijk zijn voor het vormgeven van de relaties op school.”
Bovendien moet er consensus zijn om de daders van pesten niet moreel aan te spreken, de zogenaamde ‘no-blame’-aanpak. Daarom pleit Meyer-Radkau voor training over het thema pesten voor het hele personeel. Hij is ervan overtuigd dat dit het broodnodige bewustzijn zal vergroten. Vervolgens zouden, indien mogelijk, interdisciplinaire teams moeten worden gevormd – bestaande uit specialisten uit het onderwijs en de administratie, de buitenschoolse opvang en het maatschappelijk werk. Want pesten kan alleen wortel schieten “waar veel te veel mensen het niet hebben opgemerkt of het veel te lang hebben genegeerd.” Dat moet veranderen.

Fridtjof Meyer-Radkau: Waldorfschulsozialarbeit. Praxishandbuch für standortbezogene Konzeptarbeit. 152 Seiten, 21 Euro
Pädagogische Forschungsstelle Stuttgart.

.

Erziehungskunst

Opvoedingsvragen: alle artikelen   pesten onder nr. 17

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Leerproblemenalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3528-3314

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Pesten (17-3)

.
Angelika Lonnemann, Erziehungskunst,
.

Pesten, moed en de kracht van verandering

Dit is een verhaal over pijn en genezing, over de kracht van structuren en de kracht van verandering. Het zien laat dat pesten niet zomaar verdwijnt, maar mensen een leven lang kan beïnvloeden. Het laat ook zien dat scholen kunnen veranderen – als ze dat willen, als ze opletten en als ze controlemechanismen ontwikkelen.

Het is een zonnige middag, ergens in Duitsland.
Martin, een vader, begeleidt zijn zoon naar een verjaardagsfeestje. Terwijl de kinderen spelen, blijft hij in de keuken zitten met een kop koffie en een andere vader – een oud-klasgenoot met wie hij tijdens zijn schooltijd nauwelijks contact had. Ze raken aan de praat over vroeger, over hun basisschooltijd. En plotseling gaat er een venster open voor beiden. De andere man vertelt over diepe emotionele wonden die hij nog steeds met zich meedraagt. Over vernederingen die nog steeds pijn doen. Zijn kind zit op een Waldorf-kleuterschool – zelfs dat was een enorme hindernis voor hem – maar school? Nooit! De wonden zitten te diep. Voor Martin is deze ontmoeting een eyeopener. Hij heeft zelf drie kinderen, van wie er twee naar dezelfde Waldorfschool gaan waar hij ooit leerling was.

Hoewel ook hij gepest werd en geweld meemaakte, koos hij voor deze school. “Dat was alleen mogelijk omdat ik hulp zocht om te verwerken wat ik had meegemaakt,” zegt Martin, die al jaren betrokken is bij de ouderraad van de school.

De angst in de klas

Begin jaren negentig ging Martin naar een Waldorfschool in Duitsland. Zijn ouders stonden dicht bij de antroposofische beweging en zijn broers en zussen zaten er al. Alles leek goed te gaan. Maar vanaf het begin ging er iets mis. Er zaten 36 kinderen in de eerste klas; later waren dat er soms zelfs 42. De leerkracht was net afgestudeerd, had geen ervaring en was zelf een jonge vader van meerdere jonge kinderen. Een overschot aan jongens zorgde voor een bijzondere situatie dynamiek. De klas was levendig en luidruchtig. “Er heerste veel angst in de klas,” herinnert Martin zich. De leraar gooide zijn sleutels naar de kinderen. Kinderen moesten buiten de deur staan ​​en de hele tijd dat ze wachtten de deurknop ingedrukt houden, zodat het van binnenuit duidelijk was dat ze er nog steeds waren. “Er was een constante angst voor straf,” zegt Martin. De drastische maatregelen werkten niet, maar ze creëerden een klimaat van angst en een slechte sociale sfeer in de klas.

Eén situatie uit de derde klas staat Martin nog helder voor de geest. Het ging over hardop lezen. “De leraar vernederde kinderen die niet vloeiend en goed konden lezen,” vertelt Martin. “Er ontstond een klimaat waarin het volkomen acceptabel was om iemand voor een groep te vernederen.” Martin ontwikkelt een overlevingsstrategie. Hij berekent wanneer hij aan de beurt is om hardop te lezen – de leraar leest altijd van achter naar voren, waarbij elke leerling ongeveer 30 seconden tot een minuut leest. Dan gaat hij vroeg naar de wc en loopt hij heen en weer in de gang tot de rij hem gepasseerd is. Een kind dat zichzelf beschermt door weg te vluchten.

Nu we dit gesprek voeren, herinnert Martin zich andere straffen die zijn leraar gebruikte: “Vaak moesten we als straf achter onze stoel of in de hoek staan. We moesten ook onze mond met zeep spoelen als we vloekten. Hij ‘maakte’ kinderen die leken te dagdromen en niet meededen aan de les wakker door water uit een gieter over hun hoofd te spetteren, terwijl de rest van de klas riep: ‘Word wakker!'”

Een dankbaar slachtoffer

Martin is een spraakzaam, extravert kind. Naïef, zoals hij zelf zegt. “Toen vertrouwde ik mijn innerlijke leven naïef en vol vertrouwen toe aan mijn medemens.”

Hij heeft moeite om te onderscheiden wat hij anderen wel en niet moet vertellen, bijvoorbeeld over zijn eerste verliefdheden op meisjes. Dit maakt hem het perfecte doelwit. “Ik was een dankbaar slachtoffer voor klasgenoten die het leuk vonden om me te plagen,” zegt hij. De leraar, die zich vooral bezighoudt met discipline en rust, merkt het pesten niet eens op. En de school heeft geen structuren om externe hulp in te schakelen.

Hoe normaal geweld en vernedering zijn geworden, wordt duidelijk tijdens het eerste schoolreisje, rond de zesde klas. Een jongen met lang haar, die door de anderen als onverzorgd wordt beschouwd, wordt voor ieders ogen – leraren en klasgenoten – vastgehouden en zijn tanden worden met geweld gepoetst. Er wordt water in zijn gezicht gespat.

Later worden er grappen over gemaakt. Gevolgen? Geen.

Voor Martin zelf wordt het uiteindelijk ondraaglijk. Het is heel hip om de binnenkant van inktverwijderaar uit tubes te vissen en de omhulsels als spuugbakjes te gebruiken. Omdat Martin als spraakzaam wordt beschouwd en de leraar hem in de gaten wil houden, zit hij meestal vooraan – een perfect doelwit. Kwijlende propjes papier belanden in zijn nek. Als hij klaagt, haalt de leraar zijn schouders op. “Toen ging ik tijdens de pauze alleen naar huis,” vertelt Martin. “Ik kon het niet meer aan, de druk, het feit dat niemand me hielp.” Gedurende de tijd dat hij bij zijn leerkracht zat, beheerste dit gevoel van hulpeloosheid Martins leven. Het leek onmogelijk om ergens hulp te krijgen. “Mijn ouders geloofden me en luisterden naar me, maar er gebeurde nog steeds niets.”

De mislukte ontsnappingspoging

Uiteindelijk proberen zijn ouders een andere aanpak. Ze regelen proefdagen voor Martin op een openbare school in de buurt, een school met een hoog percentage leerlingen met een migratieachtergrond. Martin zou daar een week blijven. Na twee dagen stopt hij ermee. “Het was zo onbekend en overweldigend voor me dat ik zei: ‘Wat ik ken, geeft me meer zekerheid’, legt hij uit. Het vertrouwde, hoe pijnlijk het ook was, voelde veiliger dan het onbekende. Een paradoxale beslissing die onthult hoe diep Martin al onzeker was.

Na de mislukte schoolwissel ontstonden er hevige discussies tussen zijn ouders en zijn leerkracht. Daarna werd Martin door de meeste klasgenoten genegeerd. ‘Maar dat was ongelooflijk opluchtend,’ zegt hij. Genegeerd worden was beter dan dagelijks getreiterd worden. Wat hem hielp: een kleine, hechte groep vrienden die hem altijd steunden. ‘Ik was nooit helemaal zonder vrienden.’ Twee van deze vriendschappen bestaan ​​nog steeds.

Op de middelbare school ging het aanzienlijk beter. Een ervaren leraar wist de klassendynamiek in een positieve richting te sturen. Buitenschoolse activiteiten en gemeenschappen boden Martin steun – de protestantse kerk, zijn catechisatie.

De last die blijft hangen

En dan was er die ontmoeting op een kinderfeestje. De voormalige klasgenoot, die ‘tot op de dag van vandaag nog steeds diepe emotionele wonden met zich meedraagt’,  iemand die nooit therapie heeft gehad, het nooit heeft verwerkt. “Hij heeft het trauma van zijn jeugd nog steeds niet overwonnen,” zegt Martin peinzend. Zelf heeft hij wel hulp kunnen zoeken. Hij is twee keer in therapie geweest: als jongvolwassene kort na zijn schooltijd en later toen hij vader werd. “Ik had een familie en later een partner die dit altijd als een belangrijk probleem zagen. Ik kon altijd openlijk praten over het zoeken naar hulp.”

De verandering

Waarom stuurt Martin zijn eigen kinderen dan naar precies die school waar hij zelf zoveel pijn heeft ervaren? Als onderwijzer in het reguliere onderwijs, met inzicht in veel verschillende schooltypen, zegt hij: “Naar mijn mening is Waldorfonderwijs, wanneer het niet wordt toegepast door incompetente en verwaarloosde individuen, nog steeds een benadering die het beste aansluit bij de behoeften van kinderen.” Bovendien heeft hij ontdekt dat zijn oude school nu anders is. Zo is er bijvoorbeeld nu schoolmaatschappelijk werk voor leerlingen in de onderbouw en bovenbouw. ​​Twee voltijdse maatschappelijk werkers per school – hoewel Martin vindt dat dat nog steeds niet genoeg is. In de eerste twee schooljaren wordt er gewerkt met een team-teachingmodel. Geen enkele leerkracht staat alleen in de vaak nog steeds grote klassen; er is altijd een tweede volwassene aanwezig. “Dat is heel belangrijk,” benadrukt Martin. Want wat hij zelf meemaakte, was ook het gevolg van isolatie. Een jonge, overbelaste leraar, alleen met 40 kinderen, zonder toezicht, zonder enige ondersteuning.

Tegenwoordig maken alle leerlingen kennis met conflictoplossing via een speciale module aan het einde van de onderbouw. ​​Schoolmaatschappelijk werkers zijn beschikbaar tijdens alle pauzes. Er is een actieve leerlingenraad in de onderbouw en bovenbouw. ​​Participatieve projecten waarbij leerlingen een gevoel van eigenwaarde ervaren. Martin vond zijn recente betrokkenheid bij het ontwikkelen van het beleid voor de bescherming van kwetsbare personen bijzonder waardevol. De ouderraad werd uitgenodigd om mee te doen en een externe dienstverlener leverde ook een bijdrage. Tijdens workshops werd erkend dat de machtspositie van de klassenleerkracht in Waldorfscholen een tweesnijdend zwaard is. “Wat we enerzijds zo prachtig vinden, kan anderzijds net zo goed veroordeeld worden. En er moeten absoluut checks and balances zijn. Ik denk dat die op onze school nog niet perfect zijn, maar ze zijn goed geïntegreerd, zodat je erop kunt vertrouwen dat gebeurtenissen zoals die in mijn jeugd niet meer kunnen gebeuren,” zegt Martin.

Wat blijft er over?

Een confrontatie met het verleden, met name rond die overbelaste leerkracht, heeft op de school nog niet plaatsgevonden. “Er wordt gewoon niet over gesproken.” Martin vindt het belangrijk om dit aan te kaarten. En hij heeft een duidelijke eis: “Het is dringend noodzakelijk dat alle Waldorfscholen proactief hun geschiedenis onder ogen zien – inclusief de lokale geschiedenis van de individuele scholen.” Hij hoopt dat de Federatie van Onafhankelijke Waldorfscholen dit met dezelfde toewijding zal eisen als het beleid ter voorkoming van geweld, dat alle Waldorfscholen in 2022 verplicht moesten invoeren.

Martin heeft pijn en genezing ervaren; hij heeft gezien hoe structuren, zoals die op zijn oude school, kunnen veranderen.
Pesten kan iemand een leven lang tekenen. Zijn verhaal laat ook zien hoe verschillend mensen met trauma omgaan. In tegenstelling tot zijn klasgenoot kon hij steun zoeken. Martin heeft vrede gesloten met zijn verleden. Hij is actief in de ouderraad en zet zich in voor verdere verbetering van de structuren op zijn voormalige school. En binnenkort zal hij zijn jongste kind naar de school sturen die hem zoveel pijn heeft bezorgd – omdat hij ziet dat de school is verbeterd.

“Wat ik ken is veiliger” – deze uitspraak van toen heeft vandaag een andere betekenis. Het is niet langer de angst voor het onbekende die hem op de Waldorfschool houdt, maar de hoop op wat mogelijk is wanneer mensen bereid zijn te veranderen.

Erziehungskunst

Opvoedingsvragen: alle artikelen   pesten onder nr. 17

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Leerproblemenalle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3527-3313

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Goedheid in de opvoeding

.

Zeven jaar zijn verstreken sinds duizend kleuterleidsters voor het laatst bijeenkwamen in het Goetheanum om zich te wijden aan het thema kindertijd. Nu zijn er drie kernwoorden voor de vroege kinderopvoeding gekozen als centraal thema: goedheid, liefde en kracht*. Wat tegenstrijdig lijkt, is in werkelijkheid een gradatie: door liefde wordt de kracht goed, en door kracht wordt liefde onwrikbaar. Onwrikbaar in haar goedheid – dat is wat goedheid’ betekent.

.

In een serie van 3 worden deze aspecten besproken:

Over ‘de liefde’.

Over ‘de kracht 

Laury Clark, das Goetheanum 26-03-2026

.

“Goedheid is het enige eerlijke antwoord op alles.” – George Sanders

Goedheid betekent oprechte zorg en mededogen tonen door behulpzame daden, zonder er iets voor terug te verwachten. De etymologie van het woord ‘goedheid’ komt uit het Oudengels en is afgeleid van het woord ‘kynd’, dat verwijst naar iemands familie. In deze periode, van het midden van de 5e tot de 12e eeuw, betekende goedheid het behandelen van je familie met mededogen en vriendelijkheid.
Sindsdien is de maatschappij geëvolueerd en is het woord ‘goedheid/vriendelijkheid’ gaan verwijzen naar de deugd van het universeel behandelen van alle mensen met een goed hart.

De oorsprong van het woord ‘vriendelijk- Engels heeft ‘kind’ – in het Duitse Kind, heeft een vergelijkbare wortel. Het kleine kind is vol onschuldige goedheid, pas uit de spirituele wereld, maar verlangt ernaar om van degenen die voor het zorgen te leren hoe het goedheid kan tonen.

Onze taak als opvoeders is het creëren van rolmodellen die het kind begeleiden. Jonge kinderen zitten vol enthousiasme en willen van hun leerkrachten leren hoe ze in het leven moeten staan. Een rolmodel zijn is een verantwoordelijkheid en vereist toewijding en vrijgevigheid van de leerkracht. We kunnen onszelf afvragen: hoe zijn mijn relaties met mijn collega’s, mijn vrienden en mijn familie? Creëer ik rolmodellen die het kind kan volgen? Ons werk met het Waldorf-onderwijs richt zich op het natuurlijke vermogen van jonge kinderen om meer te doen dan alleen maar na te doen wat de leerkracht hen leert. Het is het voorrecht van de leerkracht om te laten zien wat het betekent om mens te zijn.

Het jonge kind neemt de gedachten, gevoelens en handelingen van zijn verzorgers transparant waar en imiteert ze met onbewust vertrouwen. Het heeft geen filters; alles wat de volwassenen om hem heen doen en zeggen, vloeit in zijn ervaring. De imitatie van het jonge kind begint met het met volle aandacht waarnemen van iets, het innerlijk reconstrueren ervan en vervolgens het volgen en imiteren van het patroon

Ieder mens heeft een beschermengel die hem begeleidt. Wanneer we opkomen voor anderen en hen onbaatzuchtig en vriendelijk behandelen, weerspiegelen we het werk van de engel in ons. Het jonge kind herkent dit gebaar en begint te voelen en te imiteren hoe het goedheid kan tonen. We zijn niet perfect en soms gaan dingen niet zoals we willen. Het is belangrijk om genereus te zijn voor onszelf, zodat we een vergevende, compassievolle relatie met onszelf kunnen ontwikkelen. Onze krachtbron is onuitputtelijk wanneer we ons spiritueel inspannen. Het is een deugd om na een val, te midden van moeilijkheden en uitdagingen, weer op te staan ​​en opnieuw te beginnen. De kinderen voelen dit aan bij hun leerkracht en het geeft hen moed voor hun eigen worstelingen.

Veel kinderen komen bij ons met moeilijkheden. Elk kind draagt ​​een geheim met zich mee, en het is ons voorrecht als opvoeders om hen te begeleiden en te ondersteunen. Wanneer we deze houding aannemen, zegt Henning Köhler, “legt de engel van het kind de juiste vraag in mijn mond, en de essentiële vraag, die geen woorden nodig heeft, wordt door de engel in mijn blik, mijn vingertoppen, mijn lichaamstaal en de klank van mijn stem gelegd.”1

Bij deze kinderen is het essentieel dat de verzorger zich extra inspant om gevoelig, empathisch en begripvol te zijn ten aanzien van de situatie van het kind. Een kind zal zich verzetten tegen een leerkracht die geen empathie toont. Warmte en geborgenheid zijn belangrijk, zodat het kind zich veilig en geliefd voelt. Juist deze kinderen, die het meest van ons vragen, helpen ons om nieuwe mogelijkheden in onszelf te ontwikkelen. Het cultiveren van tolerantie, acceptatie en geduld heeft op zichzelf al een helende werking. Zelfs overdreven vriendelijkheid is een waardevol geschenk voor deze kinderen.

Tekeningen van een jongen (5 jaar oud) uit de VS, 1986. Bron: ChildArt eV Archief

 

 

 

 

 

 

 

 

.

In zijn lezing ‹Het lot van de mens en het lot van de naties› 2  beschrijft Rudolf Steiner hoe belangrijk het is voor iemands eigen hart om empathie te voelen voor de harten van anderen, vooral voor hen die lijden. “Hoe vaak is er wel niet gezegd dat wanneer menselijke zielen doordringen in spirituele sferen, ze ook steeds beter in staat worden om hun eigen gevoelens te verbinden met het lijden van anderen. En inderdaad, een van ons zal zich vaak in een situatie bevinden waarin de gebeurtenissen van onze tijd pijn veroorzaken. Dan zullen we kunnen zien of we sterk genoeg zijn om ons met het juiste gevoel te verbinden met het lijden van de ander, of het lijden dat in de ziel van de ander leeft, een pijn kan worden die wij zelf voelen. De potentie bestaat voor de mensheid om geleidelijk een punt te bereiken waarop het lijden dat in een ander leeft ons niet spaart, maar in ons blijft voortleven.”

Kunnen onze harten heilige tederheid bewaren en de deugd van onbaatzuchtige vriendelijkheid jegens onze broeders en zusters cultiveren? Spirituele goedheid richt zich op het goede van de daad, niet op iemands eigen waarde daarin. Wanneer we ons ego opzij kunnen zetten en volledig aanwezig kunnen zijn voor een ander, verrichten we een daad van goedheid die ons bevrijdt voor de genade om deel uit te maken van wat we doen.

In haar memoires getiteld ‹Ik ben een meisje uit Afrika3  beschrijft Elizabeth Nyamayaro haar buitengewone verhaal over hoe ze ondanks onvoorstelbare tegenslagen volhardde en uiteindelijk haar weg naar haar missie vond. Later in haar leven werd ze adviseur bij de Verenigde Naties en een voorvechter van sociale rechtvaardigheid. Ze draagt ​​haar memoires op met de volgende woorden: “Aan mijn allerliefste Gogo, wiens onwankelbare geest, liefde en wijsheid de kern van mijn wezen hebben gevormd.”
Elizabeth beschrijft een van haar mooiste jeugdherinneringen aan haar grootmoeder Gogo. Zij leerde haar dat niemand zich echt goed kan voelen als een ander zich niet goed voelt. De Ubuntu-groet in haar gemeenschap was: “Ndiripo kana waka diyiwo,” wat zich vertaalt naar: “Ik voel me goed zolang jij je goed voelt.” Wat een prachtige manier om iemand te begroeten.

Er worden nu kinderen geboren die de kwaliteit van ‘spirituele goedheid’ bezitten. Enkele jaren geleden zei een antroposofische arts op een conferentie voor onderwijzers in New York: ‘Het zijn de kinderen die ons het laatste nieuws uit de spirituele wereld brengen.’ Ik heb de afgelopen 50 jaar ervaren dat deze diepgaande uitspraak waar is, en ik ben zo blij en dankbaar dat ik mijn leven met jonge kinderen mag doorbrengen.

Onlangs maakte een zeer gevoelig vijfjarig kind een traumatische ervaring mee. Tijdens een bezoek aan vrienden zag het kind een filmfragment met verontrustende beelden. Ze kreeg nachtmerries en zei ook: “Ik heb nare gedachten.” Er werd veel gehuild en geworsteld, omdat het meisje niet begreep waarom ze de beelden die ze had gezien niet los kon laten. Samen met haar ouders maakte ze uiteindelijk een ‘gereedschapskist’ met artistieke materialen waarmee ze haar verdriet en angst kon uiten – in tekeningen en kleine bijenwasgels, waarvan ze geloofde dat ze haar zouden beschermen. Ze vroeg God om haar te helpen. Een paar weken later zei het kind tegen haar moeder: “Nu weet ik dat ik anderen kan helpen die hetzelfde meemaken als ik, omdat ik hetzelfde heb meegemaakt. Ik zal ze mijn verhaal vertellen en ze helpen.” Dit is een verbazingwekkende uitspraak voor zo’n jong kind, een vermogen tot spirituele goedheid om de pijn van anderen als haar eigen pijn te voelen en anderen met compassie en begrip te dienen, zoals Rudolf Steiner beschreef.


Tekening van een meisje (5 jaar oud) uit Duitsland, 1921. Bron: ChildArt eV Archief

 

 

 

 

 

    

Peuters en kleuters: alle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Menskunde en pedagogie:  alle artikelen

Vrijeschool in beeldpeuters en kleuters

.

3525-3311
.
.
.

VRIJESCHOOL – De kracht in de opvoeding

.

Zeven jaar zijn verstreken sinds duizend kleuterleidsters voor het laatst bijeenkwamen in het Goetheanum om zich te wijden aan het thema kindertijd. Nu zijn er drie kernwoorden voor de vroege kinderopvoeding gekozen als centraal thema: goedheid, liefde en kracht*. Wat tegenstrijdig lijkt, is in werkelijkheid een gradatie: door liefde wordt de kracht goed, en door kracht wordt liefde onwrikbaar. Onwrikbaar in haar goedheid – dat is wat goedheid’ betekent.

.

In een serie van 3 worden deze aspecten besproken:

Over ‘de liefde’. .

Over de ‘goedheid’ (binnenkort oproepbaar) .

Waar voorheen externe krachten gezag en dominantie verleenden, is het tegenwoordig de innerlijke kracht van de opvoeders – een geschenk aan de kinderen, zodat zij hun vrijheid kunnen verwerven. .

Clara Aerts, das Goetheanum 26-03-2026

.

KRACHT IN DE OPVOEDING

De olijfboom

Andalusië, februari 2026. Nils, de zesde storm van het jaar, trekt over de Sierra Nevada en raast met volle kracht over de zuidelijke hellingen. Alle levende wezens zoeken beschutting. Eenzame bomen buigen en kreunen onder de geselende orkaanwinden. Ik kijk vol ontzag naar de eenzame oude olijfboom aan de rand van het terras. Hij lijkt onaangetast terwijl zijn uitgestrekte takken in de wind wiegen. De woedende storm wordt weerspiegeld in de rusteloze dynamiek van duizenden bladeren, die zich simpelweg overgeven aan deze kracht. Hun reactie, hun manier van overleven, is dansen op het ritme en tempo van deze externe kracht. Terwijl ik dit observeer, besef ik dat kracht niet alleen schuilt in de rechtheid van de stam, diep verankerd in de aarde door zijn wortels. Kracht ligt ook in de flexibiliteit van de takken, die in harmonie bewegen met de externe krachten. Kracht is zelfs te vinden in het toegewijde gebaar van de kleine blaadjes, die weerloos lijken in contact met de dynamiek die hen omringt, en toch niet loslaten.

Waar de kracht vandaan komt

Als we aan het begin van ons leven de kracht zoeken, vinden we die in het vermogen om met overgangen en veranderingen om te gaan. Elke dag wakker worden, de terugkeer naar onze vroege kindertijd, of het vermogen om het onverwachte te verwelkomen: het zijn allemaal uitingen van kracht. Elk kind betreedt deze wereld met een individueel gebaar; sommige kondigen hun komst aan met denkbeeldige trommels en trompetten, terwijl anderen op de drempel blijven staan ​​en hun omgeving aftasten met gevoelige antennes. We hebben de neiging om kracht toe te schrijven aan degenen die luid hun aanwezigheid verkondigen, maar kunnen we die kracht ook herkennen in degenen die zich inhouden en observeren? In beide contrasterende gebaren is er een manifestatie van de Ik-aanwezigheid, en wanneer die binnen gezonde grenzen blijft, bevordert ze innerlijke kracht. Rudolf Steiners inzichten in constitutie, temperament en ziel- en planetentypologie helpen ons de individuele kwaliteiten te begrijpen die een persoon in deze wereld meebrengt. Vanuit dit perspectief is kracht ons vermogen tot innerlijke groei. Potentieel voor innerlijke groei. Onderzoek naar de ontwikkeling van een ‘goed karakter’ wijst op typische eigenschappen, aangeboren sterke punten, waarop het onderwijs zou moeten voortbouwen om andere, minder ontwikkelde kwaliteiten te bevorderen.1.  Hier spelen volwassen verzorgers een cruciale rol bij het creëren van een vruchtbare bodem hiervoor. Wanneer het zich ontwikkelende zelf van het jonge kind wordt uitgenodigd en ondersteund om wortel te schieten in zijn of haar aangeboren fysieke gesteldheid, worden individuele eigenschappen een potentieel voor groei, ongeacht hoe ze zich manifesteren. Zonder de schoonheid van hun oorspronkelijke natuur te breken of te veroordelen, moeten extraverte kinderen worden ondersteund bij het beheersen van hun ongetemde energie. Introverte kinderen moeten met creatief geduld worden aangemoedigd om anderen te vertrouwen en zichzelf te laten zien zonder hun gevoelige ziel te beschamen. Waar deze ondersteuning ontbreekt, kan een natuurlijke neiging een gedragsprobleem of een zwakte worden, in plaats van zich te ontplooien als een kracht.

Ontwikkel innerlijke kracht

Geen opgave voor iemand m et zwakke zenuwen! Vooral voor hen die zich in crisistijden bevinden en op plekken die hopeloos lijken, vergt het innerlijke kracht en diepgewortelde veerkracht om elke dag weer op te staan ​​en een veilige haven van menselijke warmte te creëren voor de volgende generatie. Rudolf Steiner gaf onder andere de volgende spreuk om onze levenskracht te versterken.2

Ik draag rust in mijzelf;
ik draag in mijzelf
de krachten, die mij sterken.
Ik wil mij vervullen
met de warmte van deze krachten;
ik wil mij doordringen
met de macht van mijn wil.
En voelen wil ik
hoe rust uitstroomt
door mijn gehele zijn,
wanneer ik mij versterk
door de macht van mijn streven
om de rust als kracht
in mijzelf te vinden.

Ik geloof dat deze “innerlijke rust” me helpt om overeind te blijven in tijden van twijfel of crisis. Net als de olijfboom, die onwrikbaar in de storm staat, maar toch dicht bij alles wat er gebeurt. Net zoals verzorgers de verantwoordelijkheid hebben om een ​​ondersteunende en koesterende omgeving te creëren voor jonge kinderen om hun innerlijke ontwikkeling te bevorderen, zijn wij als volwassenen verantwoordelijk voor het creëren van een spirituele omgeving in onszelf die ons hogere zelf en onze innerlijke groei ondersteunt. Deze innerlijke drijfveer van verzorgers is een levend voorbeeld van hoe zij een baken voor kinderen kunnen zijn, die hen de weg wijzen in moeilijke tijden.

Lichamelijke en geestelijke gezondheid

Het is dan ook niet verwonderlijk dat het bevorderen van fysieke en mentale gezondheid de eerste stap is op het pad van innerlijke scholing.3  We zijn gezegend en tegelijkertijd uitgedaagd door wisselende gezondheidstoestanden. We moeten leren ermee om te gaan. Tegelijkertijd kunnen we ervoor zorgen dat onze situatie verbetert, al is het maar in kleine stapjes. Het beeld van het lichaam als tempel van de ziel onderstreept deze spiritueel-fysieke eenheid. Zonder fysieke vitaliteit zijn onze handelingen verlamd, onze gevoelens afgestompt en ons denken vertroebeld. Zonder mentaal en emotioneel welzijn ontbreekt het ons aan innerlijke balans om de uitdagingen van het leven rustig aan te gaan. Naast de crises van onze tijd, belasten digitale technologieën ook onze fysieke en mentale gezondheid. Als we de innerlijke kracht willen ontwikkelen die we nodig hebben voor onze rol als opvoeders, moeten we bewust en verstandig omgaan met deze moderne technologieën en de schadelijke effecten ervan tegengaan met gezondheidsbevorderende activiteiten. De tijd die we met jonge kinderen in de natuur doorbrengen en die we besteden aan zinvolle huiselijke en artistieke activiteiten biedt talloze mogelijkheden om onze aanwezigheid in de reële ruimte en tijd te versterken en ons welzijn te cultiveren.

Netwerken

Als mens koesteren we idealen in ons hart: het perfecte kind, de altijd steunende ouders, de toegewijde collega, de begripvolle leidinggevende, de geduldige, liefdevolle partner. Het leven confronteert ons echter met de realiteit, en wanneer we wrijving, conflict of teleurstelling ervaren, is onze eerste reactie vaak om de vinger naar een ander te wijzen. Wanneer we leren begrijpen hoe diep we verbonden zijn met “de ander”, verschuift ons perspectief en richten we onze blik naar binnen. We proberen de ander niet langer te corrigeren, maar vragen ons in plaats daarvan af: Wat kan ik veranderen aan mijn denken, voelen of handelen, zodat de uitdaging die ik met het kind ervaar zichzelf oplost? Of: Hoe kan ik mijn houding veranderen, zodat de irritatie die ik voel jegens de ouders of collega’s verdwijnt? Zulke reflecties verbreden ons innerlijke blikveld en helpen ons te bevrijden van oordelende en zelfkritische denkpatronen. Wanneer we erin slagen onze innerlijke realiteit te transformeren, groeit er een gevoel van sereniteit en vrede in ons. Deze innerlijke kracht helpt ons om de dialoog te onderhouden en onze communicatieve vaardigheden te verbeteren. Het versterkt ook de sociale structuur van gezonde gemeenschappen, iets waar ouders en kinderen tegenwoordig naar op zoek zijn.

Wat niemand ziet, maar wat er wel toe doet

We onderschatten de kracht van gedachten en gevoelens! Het kost tijd en ervaring om te begrijpen dat een haatdragende gedachte net zo reëel en effectief is als een fysieke klap. We hebben allemaal wel eens ogenschijnlijk vriendelijke ontmoetingen meegemaakt waarbij we een onderstroom van vijandigheid voelden of ons beoordeeld voelden. Zulke ervaringen leren ons dat de gedachten en gevoelens van anderen levende realiteiten zijn die een directe impact hebben op onze ziel, en dat we aandacht moeten besteden aan hoe we zelf over anderen denken en voelen. Of we onze aandacht nu richten op onze kleine gemeenschappen of op wereldwijde gebeurtenissen, wat we denken en voelen is belangrijk en zal hun vooruitgang beïnvloeden. Wat autoriteiten eisen, wat de maatschappij als succes verwacht, staat vaak haaks op wat in ons hart leeft als onze plicht jegens kinderen. De pioniers op wiens schouders wij staan, zagen zichzelf vaak als ridders op een heilige missie om de kindertijd te beschermen en op te komen voor wat zij als ‘innerlijke waarheid’ beschouwden. Tegelijkertijd adviseert Steiner ons om niets aan onze omgeving op te leggen waarvoor zij geen begrip heeft. Het lijkt erop dat we dit in de stilte van ons hart moeten afwegen om zo waarachtig mogelijk te handelen en tot compromissen in staat te zijn. Het inzicht dat de ware essentie van een persoon in zijn of haar innerlijke leven te vinden is, verandert het onderwijsparadigma volledig en is nog steeds vreemd aan de gangbare pedagogiek van vandaag. Maar ook Steiner- en Waldorfpedagogen worden beïnvloed door deze ‘druk om te slagen’, het verlangen om de beste leraar te zijn, de populairste leraar. Zelfs als we de druk van het streven naar academisch succes bespaard blijven, is er vaak een stille competitie om de klas met de mooiste tekeningen, de mooiste lantaarns. Het vergt kracht en moed om deze verleidingen te weerstaan ​​en prioriteit te geven aan activiteiten die, hoewel noodzakelijk, geen externe resultaten opleveren die door anderen kunnen worden gemeten, zoals meer tijd om te spelen of wandelingen in de natuur.

Standvastigheid

Tegen de stroom in zwemmen en volharden in tegenspoed vereist kracht en standvastigheid. Net zoals gedachten en gevoelens realiteit zijn, zo is een beslissing een levende kracht. In plaats van te wachten op een succesvolle uitkomst, wordt kracht opgebouwd door de ‘liefde voor actie’ zelf. Het is net als spieren opbouwen door herhaling en oefening. Nadat we een beslissing hebben genomen, vergeten we die vaak naarmate de dag vordert. Momenten van reflectie en een terugblik op de dag dienen dan als een nuttige herinnering. Standvastigheid als kracht van de ziel is een wilskracht die zich onbaatzuchtig aan de wereld geeft. Zo’n opoffering is te vinden bij al diegenen die zich dag in dag uit liefde inzetten om een ​​gezonde omgeving te creëren voor de kinderen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. Het vereist en bouwt kracht op om het goede en betekenisvolle te vinden in het eindeloze, repetitieve huishoudelijke werk dat noodzakelijk is en vaak onopgemerkt blijft door de mensen om ons heen.

Dankbaarheid en harmonie

Steiner noemt dankbaarheid voor het leven ‘alomvattende liefde’ en zegt dat ‘we alleen kunnen begrijpen wat we liefhebben’. Maar wat voor soort liefde wordt hier bedoeld? Een ‘alomvattende liefde’ die voortkomt uit dankbaarheid is een beeld van grootsheid en verhevenheid, zoals de vleugels van een engel die alles bijeenhouden tot het weer heel is – als een hemels geluid, samengesteld uit de harmonie van menselijk gelach en zuchten. Wanneer we zo’n gevoel van dankbaarheid voor ons leven cultiveren – voor de zegeningen en de uitdagingen – ontwikkelen we in onszelf een helende kracht die vergelijkbaar is met de ‘morele goedheid’ waaruit het kleine kind geboren wordt en die het hier op aarde probeert te vinden. Kracht als innerlijke vrede ontstaat wanneer we het leven zo benaderen dat alle eerder beschreven zielsvermogens in harmonie en overeenstemming komen. De stormen zijn voorbijgetrokken en de olijfboom staat er nog steeds, uitkijkend over de vallei. Slechts één oude tak is gebroken. De bladeren zijn gevallen en de laatste olijven zijn over het land verspreid als zaad voor de toekomst. Het land is weer in vrede, wachtend tot het leven zijn schoonheid opnieuw ontvouwt.

  1. Christopher Peterson, Character Strengths: Research and Practice, in: Journal of College and Character 10, 2009.
  2. Rudolf Steiner, Mantrische Sprüche und Seelenübungen II. GA 268. (vertaald/blz.14)
  3. Rudolf Steiner, Wie erlangt man Erkenntnisse höherer Welten? GA 10, Dornach 1994. Vertaald.

Peuters en kleutersalle artikelen 

Opvoedingsvragenalle artikelen 

Menskunde en pedagogie:  alle artikelen 

Vrijeschool in beeldpeuters en kleuters .  

.

3524-3310

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Liefde, kracht en goedheid in de opvoeding

.
‘Goetheaunum’ meldt:

Zeven jaar zijn verstreken sinds duizend kleuterleidsters voor het laatst bijeenkwamen in het Goetheanum om zich te wijden aan het thema kindertijd. Nu zijn er drie kernwoorden voor de vroege kinderopvoeding gekozen als centraal thema: goedheid, liefde en kracht*. Wat tegenstrijdig lijkt, is in werkelijkheid een gradatie: door liefde wordt de kracht goed, en door kracht wordt liefde onwrikbaar. Onwrikbaar in haar goedheid – dat is wat goedheid’ betekent. 

In een serie van 3 worden deze aspecten besproken:

Over ‘de kracht’

Over de ‘goedheid’ (binnenkort oproepbaar)

Philipp Reubke, das Goetheanum 26-03-2026

.

liefde in de opvoeding

Stokbonen hebben zon nodig, net als kleine kinderen


Wie in maart in Zwitserland stokbonen zaait, kan niet genieten van de snelgroeiende klimplanten. Het is simpelweg nog te koud voor de kieming. Wie een zeug wil helpen bij het werpen in de Noorse winter, moet de stal goed afdichten en een infraroodlamp installeren. En wie investeerders zoekt voor een modern zeilschip dat biologische specerijen en koffie vanuit het zuidelijk halfrond naar Europa brengt, moet enthousiasme opwekken.

Dit geldt ook voor het onderwijs. Degenen die voor jonge kinderen zorgen, zowel in gezinnen als in instellingen, komen niet ver met stress, zorgen en winstgerichte berekeningen. Maar met vreugde, vrijgevigheid en een warme relatie met ouders, collega’s en kinderen worden gunstige ontwikkelingsomstandigheden gecreëerd.

“Vreugde en plezier zijn de krachten die de fysieke vormen van de organen op de juiste manier naar voren brengen.”1 , zei Steiner in 1907.

“Opgewekte uitingen van de kant van de opvoeders en, bovenal, oprechte, niet geforceerde liefde. Zulke liefde, die de omgeving warm doordringt, in de ware zin van het woord, vormt de basis voor de ontwikkeling van de lichamelijke organen.”2  

Simpel gezegd, een uitspraak die vaak wordt aangehaald, maar in werkelijkheid een grote uitdaging vormt voor het leven thuis, in de crèche en in de kleuterschool. Een collega uit Wenen zei: “In Waldorf-crèches hebben we een ‘professionele vriendschap’, een ‘professionele liefde’ voor ouders en collega’s nodig.”

Soms stromen liefde, vriendschap en emotionele warmte vanzelf. Maar bij sommige ouders, collega’s en kinderen blijft de bron droog. Een jong kind heeft deze eigenschappen nodig om te gedijen, net als een bonenpit. Ze maken aandacht en zorg effectief. Voor docenten betekent professionaliteit dat ze een zon zijn die helder schijnt op alles en niet zomaar de pronkbonen op sommige dagen in de schaduw laat staan.

Ik ben de bron van mijn warmte

Alles hangt ervan af of de volwassenen in de crèche en kleuterschool erin slagen om liefde, die verder gaat dan louter sympathie en antipathie, als een effectief gevoel te ontwikkelen door middel van innerlijke activiteit. Dit is aanzienlijk moeilijker dan het ophangen van een infraroodlamp.
Carl Rogers gaf vele suggesties voor het bevorderen van deze houding, die hij empathie noemde.
3.
Veel is ook te vinden in de geschriften van Rudolf Steiner, bijvoorbeeld in de essaybundel ‘Hoe verkrijg ik kennis van de hogere werelden?’, die, gezien veel passages, ook wel ‘Hoe word ik een Waldorf-leraar?’ genoemd zou kunnen worden. Zodra het gevoel opkomt dat iemand anders de reden is dat mijn warmte en licht opdrogen, zodra ik die persoon daarom begin te zien als een tegenstander tegen wie ik hardheid en kilheid toon, is het goed om mezelf af te vragen: Wat kan ik zelf doen om de weg vrij te maken voor warmte en licht? Als een kind, een collega of een medewerker me steeds lastigvalt, is het een goed idee om niet die persoon te haten, maar mezelf af te vragen: Hoe kan ik me gedragen zodat die persoon zich in de toekomst ontwikkelt en me misschien niet meer lastigvalt?
4

Een van de redenen voor het afnemen van vriendschap en liefde is simpelweg dat ik er geen vriendschap of liefde voor terugkrijg. De fabrikant van de infraroodlamp geeft hem me alleen als ik ervoor betaal. Zou mijn vermogen tot liefde dan ook afhankelijk moeten zijn van beloning? Omdat ik mijn vermogen tot liefde voor mijn beroep wil vergroten, moet ik iets doen om mezelf te bevrijden van mijn verslaving aan beloning en succes. Iedereen die een pad van innerlijke ontwikkeling bewandelt, zal deze taak onderweg tegenkomen.5  Maar wie met kleine kinderen leeft of werkt, heeft ook te maken met wezens die onze liefde nodig hebben zoals sperziebonen de zon nodig hebben. Het mag niet afhangen van een beloning!

Het bestuderen van het kind en de kindertijd

Liefde zou als de zon moeten zijn, niet als een infraroodlamp. Het kan, en gebeurt vaak, dat ik het kind met oprechte genegenheid en warme betrokkenheid begeleid, maar wat ik in hun bijzijn doe, is simpelweg wat ik leuk vind en waar ik bijzonder goed in ben. Ik brei en haak urenlang, ik zing en dans, ik schilder en beeldhouw, maar wat heeft het kind op die leeftijd, in die context, nu echt nodig? Ze hebben niet alleen nodig wat ik leuk vind om te doen, of wie ik ben geworden. De kans die ik heb om te voorkomen dat ik het kind te veel beïnvloed met mijn beperkte persoonlijkheid, is om me te verdiepen in de ontwikkeling van kinderen in het algemeen en van het kind in het bijzonder, en om een ​​oprechte interesse te ontwikkelen. Door antroposofie te bestuderen, praktijkonderzoek te doen en kinderen te observeren, kan ik mijn vooroordelen verzachten en de positieve kant van de zon cultiveren. Op die manier geef ik het kind niet alleen wat ik wil geven, maar ook steeds meer wat het kind nodig heeft.

Of, zoals Steiner in een van zijn laatste essays zegt: Het zou geweldig zijn als we ons wat minder bezighielden met onszelf te behagen en onszelf in een gunstig licht te plaatsen met wat we doen. Als we ons niet uitsluitend bezighielden met het ‘trotse gevoel onszelf te openbaren door middel van daden’.6 , maar het gaat er veeleer om te doen wat de wereld nodig heeft, “wat de wereld bevestigt”, zoals hij zegt, want dan versterken we de liefde die steeds meer liefde voor de buitenwereld wordt. Dit betekent echter niet dat het leven op de kleuterschool en de betrokkenheid bij de maatschappij een 24-uurs daad van zelfopoffering moet worden. “Mensen vinden zichzelf niet door naar zichzelf te zoeken, maar door zich gewillig en in liefde met de wereld te verbinden.”7

Maar stel dat we dit advies ter harte hadden genomen en ons regelmatig hadden ingespannen om de kinderen en het kind te begrijpen, zodat onze liefde werkelijk van nut zou kunnen zijn: Ons leerproces wordt voortdurend belemmerd, ons begrip voortdurend vertroebeld door een ander soort trots: Hoe vaak denk ik dat ik alles weet, en luister ik niet meer goed, observeer ik niet meer aandachtig en zonder vooroordelen, vasthoudend aan favoriete meningen, aan ideeën die ik jaren geleden heb gevormd en koester omdat ze van mij zijn? Alleen onbevooroordeelde observatie en eerbiedig luisteren leiden tot echt leren en liefde.

De dagelijkse sociale workshop

Al honderd jaar vormen Waldorf-kleuterscholen een unieke voorbereiding op een leven lang leren en liefhebben. Er is volop tijd en ruimte voor spel dat door de kinderen zelf wordt geïnitieerd. Hier ervaren kinderen (in plaats van te analyseren en te begrijpen) dagelijks hoe hun eigen gedrag en karaktereigenschappen hun relaties met anderen vormgeven. Ze leren hoe hun verlegenheid en soms pestgedrag hen vaak isoleren. Vrij spel is de dagelijkse sociale werkplaats, een intensieve voorbereiding op sociale verantwoordelijkheid en samenwerking, niet alleen voor de specerijenhandel tussen Noord en Zuid. Tijdens het vrije spel moedigen volwassenen de initiatieven van de kinderen aan; iedereen doet waar hij of zij op dat moment zin in heeft. Niemand krijgt beloningen en er is geen competitie. Een liefde voor actie overheerst gedurende het grootste deel van de dag. Ook een nieuwsgierige instelling en een streven naar begrip worden in Waldorf-kleuterscholen gecultiveerd. Vrij spel draait heel vaak om leren: Hoe blijft een plank op twee stoelen staan? Wat gebeurt er als ik een bord op de grond gooi? Wat gebeurt er met het water in een plas als ik er een steen of mezelf in gooi? Hoe voelt de aarde aan als ik er met mijn vinger een gaatje in maak voordat ik het bonenzaadje plant? Luisteren naar de wind in de bomen, zonder uitleg of interpretatie, en naar de biggetjes die de compostbak leegmaken. Dit is een cruciale voorbereiding voor onderzoekers, wier neiging om snel te oordelen en te verklaren hun verdere leerproces vaak belemmert.

Leren om je verbonden te voelen – zelfs met tegenstanders – leren om je in te zetten zonder afhankelijk te zijn van een beloning, leren luisteren naar en kijken naar de omgeving en je gedrag laten leiden door wat je hoort. Leren liefhebben. De kiemen van sociale verantwoordelijkheid uit de Waldorf-kleuterschool.


 

Voetnoten

  1. Rudolf Steiner, De opvoeding van het kind vanuit het perspectief van de geesteswetenschap, in: Lucifer-Gnosis. Verzamelde essays. GA 34, p. 327.  
  2. Ibid., blz. 328.
  3. Zie bijvoorbeeld Carl Rogers, The New Man: Collected Essays. Klett-Cotta, Stuttgart 2017. 
  4. Rudolf Steiner, De weg tot inzicht in hogere werelden? GA 10, p. 104: “Als ik een opvoeder ben en mijn leerling niet aan mijn verwachtingen voldoet, moet ik mijn gevoelens in de eerste plaats niet op de leerling richten, maar op mezelf. Ik moet me zo één voelen met mijn leerling dat ik mezelf afvraag: ‘Is wat er bij de leerling tekortschiet niet een gevolg van mijn eigen handelen?’ In plaats van mijn gevoelens op hem te richten, zal ik dan eerder nadenken over hoe ik zelf moet handelen, zodat de leerling in de toekomst beter aan mijn eisen kan voldoen.”
  5. Ibid., p. 107: “Succes is alleen doorslaggevend wanneer een handeling uit verlangen wordt verricht. Maar alle handelingen die uit verlangen worden verricht, zijn waardeloos in vergelijking met de hogere wereld. Hier bepaalt alleen de liefde de uitkomst van een handeling. In deze liefde moet alles wat de esoterische leerling tot handelen aanzet, tot uitdrukking komen.”
  6. Rudolf Steiner, Kerngedachten van de antroposofie. GA 26, p. 276.
  7. Ibid., blz. 277.
    [in de gelinkte GA 26 bevinden zich geen p.276 en 277]

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het etherlijf (GA 66)

 

.

In  de serie ‘Rudolf Steiner over het etherlijf’ vind je zijn uitspraken daarover vanuit verschillende voordrachten.
Het is opvallend dat Steiner ditzelfde onderwerp telkens als het ter sprake komt, van de meest verschillende kanten belicht en hij voegt daar telkens weer nieuwe gezichtspunten bij.

Dat geldt bv. ook voor GA 66.
Wat hij daar over het etherlijf zegt, is voor leerkrachten belangrijk.
Immers, zij worden geacht in de jaren tussen tandenwisseling en puberteit ‘het etherlijf te verzorgen.’
Omdat het een direct verband heeft met het geheugen [v.a. blz. 244], het kunnen onthouden, is het ook van belang dat je als leerkracht een gevoel krijgt voor ‘hoe sterk is het etherlijf van dit kind in aanleg’.
Dat is niet eenvoudig.
Maar de aanwijzingen uit de diverse voordrachten kunnen een voedingsbodem zijn  voor een dieper begrip.

Hier wordt bijna concreet beschreven wat er gebeurt als we ons iets kunnen herinneren.
Tevens behandelt Steiner hier het hoofd als iets ‘voorgeboortelijks’ en de ledematen als iets ‘na-dodelijks’, wat weer als een uitbreiding gezien kan worden over het hoofd als verleden en de ledematen als toekomst, zoals o.a. beschreven in voordracht 2 van de Algemene menskunde’, vanaf [2-2] t/m [2-4] 

GA 66   niet vertaald

Geist und Stoff, Leben und Tod

Geest, stof, leven en dood

Voordracht 1, Berlijn, 15. februari 1917 

Geest, stof, leven en dood

Blz. 34

Man sieht, was man den Tod nennt, das ist nicht bloß der einmalige Vorgang, den der Mensch am Ende seines Lebens durchmacht, sondern der Tod ist dasjenige, was fortwährend wirksam ist im Menschen, so wirksam, daß fortwährend das Lebendige bekämpft wird, daß der Tod immer sich vollzieht, in kleinen Teilwirkungen sich vollzieht. Und gerade indem der Tod von der Geburt oder sagen wir der Empfängnis des Menschen an arbeitet, so aber, daß seine Wirkung immer wieder ausgeglichen werden kann, arbeitet Leben und Tod in dem Menschen fortwährend ineinander. Und indem das Physische in seinem Wachstum in dieser Weise bekämpft wird von dem Seelischen, entwickelt sich das Geistige.
Das Physische entwickelt sich, indem es sprießt und sproßt; aber alles Sprießende und Sprossende ist auch unterworfen einer rückläufigen Entwicklung, einem Verfall. Dieser Verfall zeigt sich immer – nur im beschleunigten Prozeß im Tode -, wenn Bewußtsein, Selbstbewußtsein, kurz, wenn Geistigkeit sich entwickeln soll, was sich immer durchsetzend zeigen muß das Stoffliche.

We zien dat wat we dood noemen niet slechts de eenmalige gebeurtenis is die een persoon aan het einde van zijn leven ondergaat, maar veeleer iets dat voortdurend in een persoon actief is, zo actief dat het leven constant wordt tegengewerkt, dat de dood altijd plaatsvindt, in kleine, geleidelijke effecten. En juist omdat de dood vanaf de geboorte, of laten we zeggen de conceptie, werkzaam is, maar op zo’n manier dat de effecten ervan altijd in evenwicht kunnen worden gehouden, spelen in een persoon ​​leven en dood voortdurend op elkaar in. En omdat het fysieke, in zijn groei, op deze manier wordt tegengewerkt door de ziel, ontwikkelt het geestelijke zich.
Het fysieke ontwikkelt zich door te ontkiemen en te groeien; maar alles wat ontkiemt en groeit, is ook onderhevig aan een regressieve ontwikkeling, een verval. Dit verval manifesteert zich altijd – alleen in een versneld proces bij de dood – wanneer bewustzijn, zelfbewustzijn, kortom, wanneer spiritualiteit zich moet ontwikkelen, wat zich altijd moet doen gelden boven het materiële.
GA 66/34
Niet vertaald 

Voordracht 2, Berlijn 17 februari 1917

Lot en ziel

Blz. 48/49

Dieser Bildekräfteleib ist im Menschen ebenso wie der physische Menschenleib. Wie dieser physische Menschenleib mit seinem Leben verläuft in physischen und chemischen Prozessen, so trägt der Mensch in sich, diesen physischen Menschenleib durchdringend, in dem Leben zwischen Geburt und Tod diesen Bildekräfteleib. Ich nenne ihn so aus dem Grunde, weil wir, wenn wir ihn schauen, wenn wir wirklich hinausdringen über die bloß stofflichen Vorgänge, dann gewahr werden, daß ebenso, wie in dem physischen Leib die physischen und chemischen Kräfte die Vorgänge dieses physischen Leibes bewirken, der Mensch getrieben wird zwischen Geburt und Tod durch die Kräfte dieses Bildekräfteleibes, welche da sein müssen, damit das Wachstum verläuft, damit eine Entwickelung verläuft, damit der Mensch hinübergetragen wird von Tag zu Tag, von Jahr zu Jahr, wie sie verfließen zwischen Geburt und Tod.

Dit vormkrachtenlijf is in de mens net zo aanwezig als het fysieke menselijke lichaam. Net zoals dit fysieke menselijke lichaam met zijn leven verloopt in fysische en chemische processen, zo draagt de mens in zich, doordringend in dit fysieke menselijke lichaam, in het leven tussen geboorte en dood dit vormkrachtenlijf. Ik noem het zo omdat we, als we ernaar kijken, als we echt verder kijken dan de louter materiële processen, ons realiseren dat, net zoals in het fysieke lichaam de fysieke en chemische krachten de processen van dit fysieke lichaam bewerkstelligen, de mens tussen geboorte en dood wordt gedreven door de krachten van dit vormkrachtenlijf, die er moeten zijn om de groei te laten verlopen, om een ontwikkeling te laten verlopen, om de mens van dag tot dag, van jaar tot jaar te laten gaan, zoals die verstrijken tussen geboorte en dood.
GA 66/48-49
Niet vertaald

Voordracht 5, Berlijn 17 maart 1917

Raadsels van ziel en wereld: onderzoek en gezichtspunten in het Duitse geestesleven

Blz. 159

Das Charakteristische ist, daß die Naturforschung nicht heraufkommt mit ihren Methoden zu dem, was eigentlich Äther ist. Denn die Naturforschung braucht zu ihrer wirklichen Betätigung doch immer materielle Grundlagen. Der Äther selber aber entzieht sich gewissermaßen doch immer den materiellen Grundlagen. Er erscheint in Verbindung mit materiellen Vorgängen, er ruft materielle Vorgänge hervor; aber er ist sozusagen mit den Mitteln, die an die materiellen Grundlagen gebunden sind, nicht zu fassen.

Het kenmerkende is dat de natuurwetenschap met haar methoden niet tot de kern komt van wat ether eigenlijk is. Want de natuurwetenschap heeft voor haar werkelijke betrokkenheid altijd materiële grondslagen nodig. De ether zelf onttrekt zich echter in zekere zin altijd aan de materiële grondslagen. Die verschijnt wel in verband met materiële processen, roept materiële processen op, maar is als het ware niet te vatten met de middelen die aan de materiële grondslagen gebonden zijn.
GA 66/159
Niet vertaald

Voordracht 7, Berlijn 31 maart 1917

Das Jenseits der Sinne und das Jenseits der Seele

Voorbij de zintuigen en voorbij de ziel

Blz. 244

Es soll nur das eine herausgehoben werden, daß in der allerersten Kindheit das leiblich Entwickeltste am Menschen das Haupt ist. Das Haupt wächst im ganzen Leben so, daß es sich viermal vergrößert, während der ganze übrige Organismus so wächst, daß er sich zwanzigmal vergrößert gegenüber dem, was er in der Kindheit ist. Denken Sie also, wie verschieden das Tempo ist im Wachsen des Hauptes und im Wachsen des übrigen Organismus. Das rührt davon her, daß Haupt und übriger Organismus zwei verschiedene Metamorphosen ein und desselben sind, aber auf eine ganz eigentümliche Art. Das Haupt tritt beim Menschen, indem er seinen physischen Lebenslauf beginnt, sogleich in einer gewissen Vollkommenheit auf; der übrige Organismus dagegen tritt mit der denkbar größten Unvollkommenheit auf, muß sich erst langsam entwickeln zu dem Grad von Vollkommenheit, den er im physischen Leben erreichen soll. Also ganz verschiedene Entwickelungszeitläufe machen Haupt und übriger Organismus durch.

In de vroege kindertijd is het hoofd het meest fysiek ontwikkelde deel van een mens. Gedurende het leven groeit het hoofd vier keer zo groot als in de kindertijd, terwijl de rest van het lichaam twintig keer zo groot wordt. Bedenk dan eens hoe verschillend het groeitempo is tussen het hoofd en de rest van het lichaam. Dit komt voort uit het feit dat het hoofd en de rest van het lichaam twee verschillende metamorfoses van een en hetzelfde zijn, maar op een zeer bijzondere manier. Wanneer een persoon aan zijn fysieke leven begint, verschijnt het hoofd onmiddellijk in een zekere mate van perfectie; de ​​rest van het lichaam daarentegen verschijnt in de grootst mogelijke imperfectie en moet zich eerst langzaam ontwikkelen tot het niveau van perfectie dat het in het fysieke leven zal bereiken. Het hoofd en de rest van het lichaam ondergaan dus volledig verschillende ontwikkelingsprocessen.

Das Haupt des Menschen weist zurück auf eine lange vorhergehende geistige Entwicklung. Wir gehen, indem wir in unser physisches Dasein durch Empfängnis und Geburt eintreten, als seelisch-geistiges Wesen aus einer geistigen Welt heraus. Was wir während einer geistigen Entwicklung in der geistigen Welt durchmachen, das enthält eine Summe von Kräften, die zunächst sich vorzugsweise im Haupt ausprägen; daher weist das, was als so vollkommen und sich nur mehr wenig vervollkommnend sich im Haupte darstellt, auf eine Entwicklung hin, die der Mensch hinter sich hat. Der übrige Organismus ist gleichsam dasselbe auf einer anfänglichen Stufe. Er ist im Anfange daran, die Kräfte

Het menselijk hoofd wijst terug op een lang voorafgaande spirituele ontwikkeling. Bij de conceptie en geboorte betreden we ons fysieke bestaan ​​en komen we als een geest-zielenwezen uit een geestelijke wereld. Wat we tijdens de spirituele ontwikkeling in die spirituele wereld ervaren, omvat een optelsom van krachten die zich aanvankelijk vooral in het hoofd manifesteren; daarom wijst wat in het hoofd zo perfect en slechts een klein beetje perfecter lijkt, op een ontwikkeling die de mens al heeft doorgemaakt. De rest van het organisme is als het ware hetzelfde in een beginstadium. Het bevindt zich in het beginstadium van de ontwikkeling van deze krachten.

Blz. 245

 zu entwickeln, welche, wenn sie zur vollkommenen Entwicklung kommen könnten, bestrebt wären, aus dem ganzen übrigen Organismus dasselbe zu machen, was physisch im Haupte ist. So paradox das klingt, es ist doch so. Das Haupt zeigt, daß es ein umgewandelter übriger Organismus ist; der übrige Organismus, daß er ein noch nicht gewordenes Haupt ist. Gewissermaßen so wie das grüne Blatt ein noch nicht gewordenes Blumenblatt ist, und das gefärbte Blumenblatt ein umgewandeltes Laubblatt. Und dasjenige, was der Mensch durch seinen übrigen Organismus ausbildet, das verleibt sich der Seele ein. Und wenn der Mensch durch die Pforte des Todes geht, tritt das in eine geistige Welt ein, macht eine Entwicklung zwischen dem Tod und einer neuen Geburt durch, und wird in einem späteren Leben zu den Kräften, die dann im Haupte sich ausbilden, so wie das Haupt der Gegenwart sich aus dem Organismus eines früheren Erdenlebens herausgebildet hat.

om zich te ontwikkelen, wat, als het een perfecte ontwikkeling zou bereiken, ernaar zou streven om de rest van het organisme gelijk te maken aan wat fysiek in het hoofd aanwezig is. Hoe paradoxaal dat ook klinkt, het is zo. Het hoofd laat zien dat het een getransformeerde rest van het organisme is; de rest van het organisme, dat het een hoofd is dat nog niet volledig gevormd is. In zekere zin, net zoals het groene blad een nog niet gevormd bloemblaadje is, en het gekleurde bloemblaadje een getransformeerd blad. En datgene wat een persoon ontwikkelt door de rest van zijn organisme wordt opgenomen in de ziel. En wanneer een mens door de poort van de dood gaat, betreedt deze een geestelijke wereld, ondergaat een ontwikkeling tussen dood en wedergeboorte, en wordt in een later leven tot de krachten die zich dan in het hoofd ontwikkelen, net zoals het huidige hoofd zich ontwikkelde uit het organisme van een vorig aards leven.

Und das Haupt ist gewissermaßen ein Werkzeug der ätherischen Welt, wie ich sie eben beschrieben habe, und der übrige Organismus ist auch ein Werkzeug dieser ätherischen Welt. Der Mensch hat seinen physischen Organismus nicht bloß gewissermaßen wie einen Ausschnitt aus der ganzen physischen Welt an sich, sondern er hat, durch den physischen Organismus zusammengehalten, einen Ätherorganismus in sich, der nur wahrgenommen werden kann, wenn man, wie ich es beschrieben habe, zur imaginativen Erkenntnis aufsteigt. Dann aber, wenn einem wirklich das, was ätherisch

En het hoofd is, in zekere zin, een instrument van de etherische wereld, zoals ik zojuist heb beschreven, en de rest van het organisme is eveneens een instrument van deze etherische wereld. Mensen bezitten hun fysieke organisme niet slechts als een soort segment van de gehele fysieke wereld, maar, bijeengehouden door het fysieke organisme, dragen ze in zich een etherisch organisme dat alleen waargenomen kan worden wanneer men opstijgt naar imaginatieve kennis, zoals ik heb beschreven. Dan, wanneer wat etherisch is werkelijk 

Blz. 246

ist, anschaulich wird, dann tritt einem der große Unterschied entgegen zwischen dem, was als Ätherleib des Menschen zugrunde liegt dem Haupte, und als Ätherleib zugrunde liegt dem übrigen Organismus. Und gerade so, wie das Haupt und der übrige Organismus ganz verschiedenes Tempo haben mit Bezug auf ihr Wachstum, so hat dasjenige, was kraftet und lebt im Ätherleib des Hauptes, und was lebt im Ätherleib des übrigen Organismus, ganz verschiedene innere Kraftentwicklungen, die verschiedene innere Imaginationen hervorrufen. Und kommt man überhaupt zur imaginativen Welt, dann tritt einem die Imagination des Ätherleibes des Kopfes in Wechselwirkung mit der Imagination des Ätherleibes des übrigen Organismus entgegen. Und dieses lebendige Zusammenwirken im menschlichen Ätherorganismus ist dasjenige, was der Inhalt einer höheren Selbsterkenntnis ist.

voor iemand waarneembaar wordt, komt het grote verschil aan het licht tussen wat ten grondslag ligt aan het hoofd als het etherische lichaam van de mens en wat ten grondslag ligt aan de rest van het organisme. Net zoals het hoofd en de rest van het organisme een totaal verschillende groeisnelheid hebben, zo hebben ook de krachten die kracht en leven geven in het etherische lichaam van het hoofd en de krachten die leven in het etherische lichaam van de rest van het organisme een totaal verschillende innerlijke ontwikkeling, die aanleiding geeft tot verschillende innerlijke imaginaties. En wanneer men de imaginatieve wereld in het algemeen bereikt, stuit men op de interactie tussen de imaginatie van het etherische lichaam van het hoofd en de imaginatie van het etherische lichaam van de rest van het organisme. En deze levende wisselwerking binnen het menselijke etherische organisme vormt de inhoud van hogere zelfkennis.

Dadurch, daß der Mensch auf diese Weise dazu kommt, sich nun wirklich zu erkennen, gelangt er auch dazu, gewisse Seelenerlebnisse in der richtigen Weise bewerten zu können. Wäre das, was ich angeführt habe, nicht so, wie ich es geschildert habe, so würde der Mensch niemals das haben können, was man eine Erinnerung nennt. Der Mensch würde sich nach den Sinneseindrücken Vorstellungen bilden können, die würden aber immer vorübergehen. Daß der Mensch sich an das einmal Erlebte erinnern kann, das beruht darauf, daß, indem der Ätherleib des Hauptes in Wechselwirkung tritt mit dem Ätherleib des übrigen Organismus, dasjenige, was im Ätherleib des Hauptes wirkt, in dem Ätherleib des übrigen Organismus Veränderungen hervorruft, die bleibend sind, und die heraufwirken bis in den physischen Organismus. Jedesmal, wenn etwas im Menschen Platz greift in seinem seelisch-leiblichen Leben, was dem Gedächtnis angehört, tritt zunächst in dem durch die imaginative Erkenntnis vorstellbaren

Door zichzelf op deze manier werkelijk te leren kennen, krijgt een mens ook het vermogen om bepaalde zielservaringen correct te beoordelen. Als wat ik heb beschreven niet zo zou zijn als ik het heb uitgelegd, zou een mens nooit kunnen bezitten wat we een geheugen noemen. Een mens zou weliswaar ideeën kunnen vormen op basis van zintuiglijke indrukken, maar deze zouden altijd vluchtig zijn. Dat de mens zich kan herinneren wat hij ooit heeft meegemaakt, komt doordat het etherlichaam van het hoofd in wisselwerking treedt met het etherlichaam van de rest van het organisme, waardoor datgene wat in het etherlichaam van het hoofd werkt, in het etherlichaam van de rest van het organisme blijvende veranderingen teweegbrengt die doorwerken tot in het fysieke organisme. Telkens wanneer iets dat tot het geheugen behoort, zich nestelt in iemands mentale en fysieke leven, vindt er eerst een verandering plaats in het etherische organisme 

Blz. 247

Ätherorganismus eine Veränderung auf; die aber setzt sich fort in den physischen Organismus. Und dadurch allein haben wir die Möglichkeit, wiederum heraufzuholen gewisse Gedanken, daß sich das, was vom Ätherorganismus des Hauptes in den übrigen Ätherorganismus hineingesendet wird, ausprägt in der physischen Leiblichkeit. Nur dadurch, daß irgend etwas bis in unsere physische Leiblichkeit Eindrücke gemacht hat, sind wir imstande, es gedächtnismäßig zu behalten.

dat door middel van verbeeldingskracht waarneembaar is; maar dit zet zich voort in het fysieke organisme. En alleen door dit proces hebben we de mogelijkheid om bepaalde gedachten te herinneren, namelijk dat wat vanuit het etherische organisme van het hoofd naar de rest van het etherische organisme wordt gestuurd, zich manifesteert in het fysieke lichaam. Alleen omdat iets een indruk heeft achtergelaten op ons fysieke lichaam, kunnen we het in ons geheugen bewaren.
GA 66/244-247
Niet vertaald

Steiner gebruikt hier de woorden ‘physisch’ -dat ‘lichamelijk’ betekent, maar ook ‘Leiblichkeit’ dat meer in de richting van het ‘levende’ wijst, dus ergens op de grens van fysiek lichaam en etherlijf. 

.

Algemene menskunde: voordracht 1 –over het etherlijf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3507-3295

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over godsdienstonderwijs (GA 304A)

.

Als Rudolf Steiner in 1919 de cursussen geeft voor de op- en inrichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart, worden uiteraard ook de vakken genoemd die onderwezen gaan worden.

Het was in die tijd gebruikelijk dat in het ‘openbare’ onderwijs – laat ik voor het gemak maar zeggen: dominee of pastoor – onderwijs gaven over de geloofsrichting die zij vertegenwoordigden: die dienst die ze aan hun god wilden bewijzen, dus godsdienstonderwijs.

De kinderen die naar de vrijeschool komen, krijgen geen antroposofische godsdienst. Steiner wil van de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school maken, ‘slechts’ een methodeschool.
Dat heeft hij vele keren benadrukt!

Maar wanneer niet-confessionele ouders – aanvankelijk de antroposofisch zich oriënterende ouders – ook voor hun kinderen godsdienstonderwijs ‘vanuit de antroposofie’ willen, geeft Steiner daar richtlijnen voor. Dat noemt hij bewust ‘wereldbeschouwing’, antroposofisch georiënteerde wereldbeschouwing’.

In deze voordracht gaat het over:

Het oproepen van een religieuze stemming <1>
Vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school, maar een methodeschool; de plaats van dominee en/of pastoor <2> <3>
Ontstaan van antroposofisch godsdienstonderwijs  – dat christelijk is. <3>
Al het onderwijs moet eigenlijk religieus zijn, d.w.z. van het materiële naar het geestelijke leiden – dat kan in elk vak <4>
Wekken van moraliteit door dankbaarheid; ontplooiing van liefde; gevolgen voor het sociale leven <5>

GA 304A      op deze blog vertaald, behalve vdr. 1 en 2

Anthroposophische Menschenkunde und Pädagogik

Antroposofische menskunde en pedagogiek

Voordracht 7, Den Haag 19 november 1923

Die Kunst der moralischen und physischen Erziehung

De kunst van de morele en fysieke opvoeding

Blz. 141

Von ganz besonderer Bedeutung ist aber, daß wir in diesem Sinne auch wissen, die religiöse Entwicklung des Kindes zu leiten. Diese religiöse Entwicklung des Kindes, sie kann nicht eigentlich, wenn sie innerlich wahr sein soll – und eine religiöse Erziehung führt eigentlich nur wirklich zu etwas Religiösem, wenn diese religiöse Empfindung ganz tief innerlich aus der menschlichen Seele selbst hervorgeht -, sie kann überhaupt nicht dadurch erzielt werden, daß man den Inhalt irgendeiner religiösen Geschichte oder den Inhalt eines Bekenntnisses dem Kinde vermittelt. Sondern alle religiöse Erziehung muß eigentlich dadurch an die menschliche Seele herangebracht werden, daß der Leh­rende und Erziehende imstande ist, die religiöse Stimmung im Kinde zu erregen. Ist sie nicht in ihm selbst, so kann er sie auch nicht im Kinde entwickeln. Ist die religiöse Stimmung aber in ihm, dann hat er nur nötig, das zu tun, was wir in der Waldorfschule für den sogenannten «Freien Religionsunterricht» ausüben. Es ist eine Verleumdung, wenn gesagt wird: in der Waldorfschule solle Anthroposophie gelehrt werden. Gerade um dieses Urteil nicht aufkom­men zu lassen, weil es durchaus unrichtig ist, habe ich von Anfang an bestimmt für die Waldorfschule, daß der Religionsunterricht gegeben wird von den entsprechenden Religionsgemeinschaften. So daß die katholischen Kinder katholischen Religionsunterricht von katholischen

<1> Heel belangrijk is echter, dat we wat dit betreft, ook weten hoe we de religieuze ontwikkeling van het kind moeten leiden. Die kan eigenlijk niet, wanneer ze innerlijk waar moet zijn – een religieuze opvoeding leidt eigenlijk alleen werkelijk tot iets religieus, wanneer dit religieuze gevoel heel diep vanuit het innerlijk van de menselijke ziel komt – zeer zeker niet bereikt worden doordat men de inhoud van een of ander religieus verhaal of de inhoud van een geloofsrichting aan het kind doorgeeft. Eigenlijk zou elke religieuze opvoeding aan de menselijke ziel gegeven moeten worden doordat de leerkracht en opvoeder in staat is de religieuze stemming in het kind op te roepen. Als hij die niet heeft, kan hij die ook niet in het kind ontwikkelen. Heeft hij echter dat religieuze gevoel, dan hoeft hij alleen maar te doen wat wij op de vrijeschool voor het zogenaamde ‘vrije godsdienstonderwijs’ doen. <1>
<2> De vrijeschool is, dat zou ik hier ook nadrukkelijk willen onderstrepen, geen wereldbeschouwelijke school. Wij willen in de vrijeschool geen jonge antroposofen opvoeden, maar wij willen de antroposofie gebruiken opdat de vrijeschool in de juiste betekenis van het woord een methodeschool kan zijn. Dat is ze. Alleen de juiste opvoedmethode op elk gebied willen wij door antroposofie bereiken. Het is laster wanneer er gezegd wordt: in de vrijeschool moet antroposofie aangeleerd worden. Juist om dit oordeel niet te laten ontstaan, omdat het volstrekt onjuist is, heb ik vanaf het begin voor de vrijeschool bepaald dat het godsdienstonderwijs wordt gegeven door de desbetreffende geloofsgemeenschappen. Zodat de katholieke kinderen katholiek godsdienstonderwijs kunnen krijgen van katholieke

Blz. 142

Geistlichen erhalten können, daß die evangelischen Kinder evangelischen Religionsunterricht vom evangelischen Religionslehrer erhalten können.
Nun waren durch die besonderen Verhältnisse, in denen die Waldorfschule gegründet worden ist, viele Dissidentenkinder in der Schule. Für diese wurde zunächst probeweise ein freier christlicher Religionsunter­richt eingerichtet von
uns. Und wir haben dabei die Befriedigung erlebt, daß Kinder von ganz atheistischen Eltern in diesen freien Religionsun­terricht mit Zustimmung ihrer Eltern kamen. Man kann schon sagen, dieser freie Religionsunterricht ist außerordentlich gut besucht. Aber wir sind streng darauf bedacht, daß wir es nicht mit einer Weltanschauungs­schule, sondern mit einer Methodenschule zu tun haben. Einer Metho­denschule in weitestem Sinne, so daß das Richtige an das Kind in der richtigen Weise und im richtigen Zeitpunkte herangebracht wird. Also nur für die Kinder, die freiwillig dazukommen, ist der freie Religionsun­terricht da. Allerdings sind das weitaus viel mehr Kinder als die, die vom katholischen oder evangelischen Religionslehrer Unterricht erhalten. Das ist etwas, wofür wir nichts können. Sie fühlen sich im freien Religionsunterricht außerordentlich angemutet, und er ist ein durch und durch christlicher; während sie sonst davonlaufen. Aber das erzähle ich nur als eine Tatsache, nicht um ein Urteil auszusprechen.

geestelijken; dat de evangelische kinderen evangelisch godsdienstonderwijs kunnen krijgen van evangelische godsdienstonderwijzers. <2>
<3> Door de bijzondere omstandigheden waardoor de vrijeschool werd opgericht, waren er veel ‘dissidenten’kinderen op school. Voor hen wordt bij wijze van proef door ons een vrij, christelijk godsdienstonderwijs ingericht. En daarbij ervoeren wij de vreugde dat kinderen van volkomen atheïstische ouders met hun toestemming naar dit vrije godsdienstonderwijs toekwamen. Je mag wel zeggen dat dit vrije godsdienstonderwijs buitengewoon goed bezocht wordt. Maar we letten er streng op dat we niet met een wereldbeschouwelijke school van doen hebben, maar met een methodeschool. Een methodeschool in de ruimste zin van het woord, zodat het kind het juiste op de juiste manier en op het juiste tijdstip bijgebracht kan worden. Dus het godsdienstonderwijs is er alleen voor de kinderen die er vrijwillig heen gaan. 
En inderdaad zijn dat verreweg veel meer kinderen dan die, die van katholieke of evangelische godsdienstleerkrachten les krijgen.
Daar hebben wij niets mee van doen. Zij voelen zich bij het godsdienstonderwijs buitengewoon aangesproken en het is door en door christelijk; terwijl ze er anders voor weglopen. Maar dat zeg ik alleen als feit, niet om een oordeel uit te spreken. <3>

Ja, nun ist es aber so, daß dieser freie Religionsunterricht von folgen­dem Gesichtspunkte aus eingerichtet ist: Eigentlich kann religiös gewirkt werden in jeder Stunde, bei jedem Gegenstand. Und das geschieht auch bei uns. Wenn der Lehrer selbst dasjenige, was im sinnlich-physischen Leben da ist, durch die eigene Stimmung seiner Seele überall anknüpft an das Übersinnlich-Göttliche, so geht eigentlich alles, aber nicht in einer sentimentalen, mystisch-verschwommenen Weise, sondern in selbstverständlicher Weise aus dem Physischen ins Geistige über. Man muß dabei nur das nötige Taktgefühl haben. Dann aber kann das, was da durch die verschiedenen Unterrichtsgegenstände an das Kind herangebracht wird, in religiöser Stimmung zusammenge­faßt werden. Dazu haben wir dann diese paar besonderen Religionsstun­den, die wir extra in der Woche den Kindern geben lassen im freien Religionsunterricht. Da wird also einfach das was sonst lebt im Unterricht

<4> Maar nu is het echter zo dat dit vrije godsdienstonderwijs vanuit de volgende gezichtspunten ingericht is: eigenlijk kan er ieder uur religieus gewerkt worden, in ieder vak. En bij ons gebeurt dat ook. Wanneer de leerkracht zelf, wat er in het zintuiglijk-materiële leven is, door zijn eigen zielenstemming overal aansluit bij het bovenzintuiglijk-goddelijke, dan gaat eigenlijk alles, maar niet op een sentimentele, mystiek-vage manier, maar op een vanzelfsprekende manier vanuit het materiële naar het geestelijke over. Daarbij moet je wel het nodige gevoel voor tact hebben. Daardoor echter kan wat door de verschillende vakken het kind wordt bijgebracht, in religieuze stemming samengevat worden. En daarbij hebben we dan nog deze paar bijzondere godsdiensturen die we extra in de week aan de kinderen laten geven in het vrije godsdienstonderwijs. Daar wordt dus simpelweg dat wat anders in het onderwijs leeft

Blz. 143

und hinführt zum Göttlich-Geistigen, zusammengefaßt durch das, was sich erhebt als eine Hinlenkung zum Göttlich-Geistigen aus der Naturbetrachtung, aus der Beobachtung des geschichtlichen Erlebens des Menschen. So daß nach und nach bei richtiger Entwicklung der religiösen Stimmung ja in der Tat im Kinde die sittlichen Impulse als dasjenige gefühlt werden, wo der Gott in der Menschennatur, in der menschlichen Wesenheit selber spricht. Dazu muß allerdings eines entwickelt werden, das für die moralische Erziehung und auch für die richtige Entwickelung der religiösen Stim­mung von Bedeutung ist, und was heute oftmals viel zuwenig berück­sichtigt wird: Man muß früh anfangen, im Kinde zu entwickeln ein ehrliches, aber auch ganz offenes Gefühl von Dankbarkeit. Gewiß, in dem naturgemäßen Verhältnis, in dem selbstverständlichen Verhältnis, das sein muß zwischen Unterrichtendem und Erziehendem und dem Kinde zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, muß die Liebe heranwachsen, und auf diese Entfaltung der Liebe muß viel Sorgfalt verwandt werden.

en naar het goddelijk-geestelijke leidt, samengenomen door wat zich verheft vanuit de natuurbeschouwing, vanuit het bezien van de historische beleving van de mens, als een zich richten op het goddelijk-geestelijke. Zodat stap voor stap bij de juiste ontwikkeling van de religieuze stemming daadwerkelijk in het kind de morele impulsen beleefd worden als iets waarbij de god in de natuur van de mens, in het mensenwezen zelf, spreekt. <4>  <5>  Daarvoor moet echter één ding ontwikkeld worden dat voor de morele opvoeding en ook voor een goede ontwikkeling van de religieuze stemming belangrijk is en wat tegenwoordig veel te weinig gezien wordt: we moeten er vroeg mee beginnen in het kind een eerlijk, maar ook heel open gevoel te ontwikkelen voor dankbaarheid. En zeer zeker moet in de natuurlijke relatie, in de vanzelfsprekende relatie die er tussen de leerkracht, de opvoeder en het kind tussen de tandenwisseling en de puberteit moet bestaan, liefde groeien en aan de ontplooiing van de liefde moet veel toewijding worden besteed.

Aber die Dankbarkeit muß so entwickelt werden, daß das Kind das Empfangene spürt. Was es auch sei, das von dem anderen Empfangene fordert das Fühlen der Empfindung der Dankbarkeit heraus. In dem Aufleben der Dankbarkeit wird eine unge­heure Bereicherung der Seele entwickelt. Man sollte schon beim ganz kleinen Kinde darauf sehen, daß es in das Gefühl der Dankbarkeit hineinwächst. Sieht man beim kleinen Kinde schon darauf, dann modifi­ziert sich, metamorphosiert sich dieses Dankbarkeitsgefühl dann, wenn das Kind in die zweite Lebensepoche kommt, in Liebe. Die Liebe bekommt diese besondere Färbung in allen Lebensverhältnissen, daß sie durchsetzt ist von Dankbarkeit. Und wer ein wenig das soziale Leben der Menschen beobachten kann, der weiß, was für ein wichtiger Impuls gerade bei der Behandlung der großen sozialen Fragen das wäre, wenn wir die Menschen wiederum so erziehen könnten, daß Dankbarkeit in ihnen lebt. Denn diese Dankbarkeit ist eine Brücke, die sonst nicht geschlagen werden kann zwischen Menschengemüt und Menschenge­müt, zwischen Menschenherz und Menschenherz.
Wenn die Menschen verstehen würden, einander in Dankbarkeit 1gegenüberzustehen, dann würde vieles von dem nicht da sein, was heute

Maar de dankbaarheid moet zo ontwikkeld worden, dat het kind merkt wat het ontvangt. Wat het ook is, wat het van de ander ontvangt, het roept het gevoel op dat dankbaarheid ervaren wordt. Met het ontstaan van dankbaarheid wordt de ziel buitengewoon rijker. Bij het heel kleine kind moet je er al op letten dat het naar het voelen van dankbaarheid toegroeit. Als je daar bij een klein kind al op let, dan verandert, metamorfoseert zich dit gevoel van dankbaarheid, wanneer het kind de tweede levensfase binnengaat, in liefde. In elke levensrelatie krijgt de liefde deze bijzondere kleur omdat ze doortrokken is van dankbaarheid. En wie een beetje het sociale leven van de mens kan waarnemen, weet wat voor een belangrijke impuls m.n. voor de aanpak van de grote sociale problemen het zou geven, wanneer wij de mensen weer zo zouden kunnen opvoeden dat er in hem dankbaarheid leeft.
Want deze dankbaarheid is een brug die anders niet gebouwd kan worden tussen de gevoelens van de mensen, tussen de harten van de mensen.
Als de mensen zouden begrijpen, met dankbaarheid tegenover elkaar zouden staan, dan zou er veel van wat er tegenwoordig

Blz. 144

in einer grotesken Weise oftmals als sogenannte soziale Forderungen, sozialer Radikalismus und dergleichen auftritt, wobei ich mich nicht engagiere für diese oder jene Lösung des sozialen Problems. Was ich darüber zu sagen habe, können Sie in meinem Buche «Die Kernpunkte der sozialen Frage» nachlesen. Aber dann, wenn diese Dankbarkeit früh im Kinde als Keim gelegt wird, wenn sie sich hineinlebt in jene Liebe beim Kinde zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, wenn sie dem Kinde anerzogen wird auch seelisch, so daß mit der Geschlechtsreife auch die Seele sich entfaltet in rechter Liebe zu den Menschen, zu der ganzen Natur, zu den göttlich-geistigen Wesenhaftigkeiten, wenn da überall die Dankbarkeit mitgeht, dann entfaltet sich hieraus in dem Menschen die religiöse Stimmung so, daß er etwas in sich haben kann, das ein ungeheurer Schutz der Seele sein kann: die Dankbarkeit gegen­über den göttlich-geistigen Mächten für das Leben überhaupt. Es ist wichtig für die innere Erwärmung des Lebens, für die innere Gestützt­heit des Lebens, daß wir dieses Gefühl haben können: Wir sind dankbar für dieses Erdenleben den göttlich-geistigen Mächten. Das ist eine starke Lebenskraft, dieses Gefühl der Dankbarkeit für das Leben. Ich möchte sagen: was intensiviert im Blute die organischen Kräfte für den Leib, das liegt in ähnlicher Weise in dem, was geistig vitalisiert die Seele, wenn diese Seele dem ganzen Weltenall gegenüber in bezug auf das eigene Leben dankbare Liebe entwickeln kann.

op een groteske manier dikwijls als zogenaamde sociale eisen, sociaal radicalisme e.d. zich voordoet, waarbij ik mij niet geroepen voel tot deze of gene oplossing van het sociale probleem. Wat ik daarover heb te zeggen, kan u nalezen in mijn boek ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk‘.
Maar dan, als deze dankbaarheid vroeg in het kind als kiem aangelegd wordt, wanneer die een deel wordt van die liefde bij het kind tussen de tandenwisseling en de puberteit, wanneer het kind daarmee opgevoed wordt, ook met zijn gevoel, zodat met de puberteit ook de ziel opengaat voor de echte liefde voor de mens, voor de hele natuur, voor de goddelijk-geestelijke wezens, wanneer er overal dankbaarheid bij is, dan ontwikkelt zich hieruit in de mens de religieuze stemming zo, dat hij iets met zich mee kan dragen dat een buitengewoon beschermend gevoel geven kan: dankbaarheid voor de goddelijk-geestelijke machten, voor het leven in het algemeen. Om het leven innerlijk warmte te geven, om in het leven innerlijke steun te ervaren, is het belangrijk dat we dit gevoel hebben: wij zijn de goddelijk-geestelijke machten dankbaar voor dit aardeleven. Dit gevoel van dankbaarheid is een sterke kracht voor het leven. ik zou willen zeggen: wat in het bloed de organische krachten voor het lichaam intensiveert, ligt op een gelijksoortige manier in wat geestelijk de ziel vitaliseert, wanneer deze voor het hele universum in relatie tot zijn eigen leven dankbare liefde kan ontwikkelen. <5>
GA 304A/141-144
Op deze blog vertaald/141-144

.

Rudolf Steiner: godsdienstonderwijs alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3506-3293

.

.

.

.