Categorie archief: vrijeschool pedagogie

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300B – Vergadering 16 juni 1921

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven.
Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan.
De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

Er wordt gezocht naar een vaste vorm om het schooljaar te openen. Iedere klassenleerkracht spreekt zijn/haar klas toe <1>
Een eerste aanzet om in de 10e klas EHBO te geven <2>
Over de werkdruk bij leerkrachten. Steiner vindt 22 uur al erg zwaar. <3>
Het onderwijs mist nog vitaliteit; het moet kunstzinniger; er is wat lusteloosheid: durf eens van je lesstof af te wijken, een kwinkslag e.d. <4>

 

RUDOLF STEINER

.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart

1919 bis 1924

Zweiter Band

Das dritte und vierte Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 2

Het derde en vierde schooljaar

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

Toevoegingen in blauw zijn van mij.

GA 300B

 

Konferenz vom Donnerstag 16. Juni 1921, 16 Uhr

Vergadering van donderdag 16 juni 1921, 16u

Blz. 17

Dr. Steiner: Nun wäre es gut, wenn heute damit begonnen würde, daß Sie alles vortrügen, was Sie auf der Seele haben. Morgen wird die Schulvereinskonferenz nicht so lange dauern, dann kann vielleicht nachher noch gesagt werden, was gesagt werden muß. Ich möchte herausbekommen, was aus dem Lehrerkollegium selbst hervorgeht.

Het zou goed zijn om vandaag te beginnen met het bespreken van alles wat jullie bezighoudt. De vergadering van de schoolvereniging morgen duurt niet zo lang, dus wellicht kunnen de resterende punten daarna aan de orde komen. Ik wil graag horen welke ideeën er vanuit het lerarenteam zelf naar voren komen.

X.: Wir haben Samstag Schuleröffnungsfeier. Darüber ist noch nicht gesprochen worden.

X.: Zaterdag vindt de openingsceremonie van de school plaats. Dat is nog niet besproken.

Dr. Steiner: Die Sache ist schwierig, daß diese zwei Dinge rasch aufeinander folgen, Schluß und Eröffnung. Haben Sie irgend etwas gedacht, wie Sie es beginnen möchten?

Het feit dat deze twee gebeurtenissen – de afsluiting en de opening – zo kort op elkaar volgen, maakt de situatie lastig. Hebben jullie al nagedacht over hoe jullie willen beginnen?

X.: Wenn wir Herrn Doktor bitten dürften zu sprechen.

X.: Als we u zouden mogen vragen om te spreken, dokter.

Dr. Steiner: Ich werde das ganz gerne tun, daß ich etwas sage. Aber
ich halte es für unbedingt notwendig, wenn wie in der Antwort zur
Frage auch wieder die Klassenlehrer die Kinder ganz kurz empfangen
würden. Und ich weiß nicht, ob man nicht überhaupt das sichtbare
Symbolum des Schulanfangs entwickeln soll.

<1> Ik zeg graag een paar woorden. Ik acht het echter absoluut noodzakelijk – net als bij de beantwoording van de vraag – dat de klassenleerkrachten de kinderen kort verwelkomen. En ik vraag me af of we niet eigenlijk een zichtbaar symbool voor de start van het schooljaar zouden moeten ontwikkelen.

Es macht doch einen gewissen Eindruck auf die Kinder, wenn die Klassenlehrer ihre Kinder empfangen, und auch Repräsentanten für nicht klassenmäßige
Unterrichtsgegenstände, ein Sprachlehrer, ein Eurythmielehrer, ein
Handfertigkeitslehrer, eine Handarbeitslehrerin. Es ist eine etwas lange Galerie. Es macht einen gewissen Eindruck, wenn man ihnen ein beherztes Wort am Anfang sagt. Sie werden sehen, es macht einen Eindruck. Ich will die Ansprache zuerst machen, dann könnte sich das daranschließen, und dann — wäre es ganz unmöglich, daß doch irgend etwas den Kindern auch musikalisch entgegenklingt? Daß man etwas spielt als Schluß der Feier? Es wäre schön, wenn die Feier musikalisch ausklingen würde.

Het maakt zeker indruk op de kinderen wanneer de klassenleerkrachten hen verwelkomen, samen met de leraren voor vakken buiten het vaste klassenprogramma: een taaldocent, een euritmiedocent, een docent handvaardigheid en een docent handwerken. Het is een hele rij. Het maakt indruk wanneer ze bij de opening met een bezield woord worden toegesproken. U zult zien, het maakt indruk. Ik ben van plan eerst het woord te richten tot de aanwezigen; daarna zouden de voorstellingen kunnen volgen, en vervolgens… zou het mogelijk zijn om ook wat muziek voor de kinderen te hebben? Om iets te spelen aan het slot van de plechtigheid? Het zou mooi zijn als de plechtigheid met muziek zou eindigen.

X..’ Wir können etwas singen.

X…: We zouden iets kunnen zingen.

Dr. Steiner: So würde ich es schon meinen.

Dat is precies wat ik in gedachten had. <1>

Es wird nach der Klassenverteilung gefragt.

Er wordt een vraag gesteld over de toewijzing van de klassen.

Dr. Steiner: Das ist keine leichte Frage. Einige der neuen Klassenlehrer haben wir schon ganz fest, andere werden erst später eintreten können. Fräulein Düberg wird die Klasse la übernehmen, Fräulein v. Grunelius die 3b und Herr Ruhtenberg die 5b. Dann käme die 8., 9. und 10. Klasse.

Dat is geen eenvoudige vraag. We hebben voor sommige nieuwe klassen al definitief leerkrachten vastgelegd, terwijl anderen pas later kunnen beginnen. Juffrouw Düberg neemt klas 1a voor haar rekening, juffrouw v. Grunelius klas 3b en de heer Ruhtenberg klas 5b. Dan zijn er nog de klassen 8, 9 en 10.

Blz. 18

Es wird sich nicht leicht machen lassen, auch da, wie es sonst wünschenswert wäre, das bisherige System beizubehalten.
(Zu Herrn X.): Würde es Ihnen möglich sein, da auch Mechanik und Feldmessen mit Situationszeichnen zu machen? Es wäre doch wohl wünschenswert, wenn wir es so einrichten könnten, daß wir in der 10. Klasse drei Lehrer hätten; das würde nach sich ziehen, daß wir auch in der 9. Klasse drei Lehrer hätten. Es wäre gut, wenn wir die letzten drei Klassen so fuhren, daß drei Lehrer sie versorgen.
Bei Dr. Schwebsch ist es so, daß wir ihn noch ersetzen müssen bis Anfang Juli. Wir haben sehr wenig Lehrkräfte. Es fehlt der Englert. Dr. Kolisko wird erst im Herbst eintreten.
Wie wir den Stoff verteilen, das würde so sein, daß — ich hätte eigentlich am liebsten vier Lehrer für diese drei Klassen. Es wird vorläufig nicht gehen. Was möchten Sie am liebsten unterrichten, Dr. Stein?

Het zal niet eenvoudig zijn om het bestaande systeem te handhaven – ook al zou dat op zich wenselijk zijn.
(Tot de heer X): Zou het voor u mogelijk zijn om ook mechanica en landmeten inclusief topografisch tekenen te verzorgen? Het zou zeker wenselijk zijn als we het zo konden regelen dat we drie leraren voor de tiende klas hadden; dat zou betekenen dat we ook drie leraren voor de negende klas zouden hebben. Het zou goed zijn om de laatste drie klassen zo in te richten dat ze door drie leraren worden verzorgd.
Wat dr. Schwebsch betreft: we moeten nog een vervanger voor hem vinden tot
begin juli. We hebben maar weinig onderwijzend personeel. Englert ontbreekt.
Dr. Kolisko komt pas in de herfst bij ons.
Wat de verdeling van de lesstof betreft – tja, eigenlijk zou ik de voorkeur geven aan vier leraren voor deze drie klassen.
Dat zal voorlopig niet mogelijk zijn. Wat zou u het liefst willen geven, dr. Stein?

X.: Mir wäre am liebsten, wenn Herr Doktor mir eine Aufgabe stellen würde.

X.: Ik zou het prettig vinden als u, dokter, mij een taak zou toewijzen.

Dr. Steiner: Ich meine, Sie sollten bei diesen Dingen bleiben, bei denen Sie gewesen sind: die Literaturgeschichte übernehmen und dazu noch die Geschichte in der 10. Klasse. Also Literatur und die deutsche Sprache in allen dreien, Geschichte in der 10. Klasse. Dann würde ich meinen, die Geschichte für die 8. und 9. Klasse übernimmt der Dr. X., und Sie, Herr Y., die Fächer, die da sind Mathematik, Physik und Naturwissenschaften für die drei Klassen, und dann für die 10. Klasse Mechanik und Feldmessen, Situationszeichnen. —
Nur ist da eine Schwierigkeit, das ist nur der dritte Teil der Zeit. Wir machen keinen Stundenplan, bestimmen nur die Zeit für jedes Fach. — Ich habe vier Lehrer gewollt, es läßt sich jetzt noch nicht einrichten. Für Turnen den jungen Englert ausprobieren.

Ik denk dat u zich moet beperken tot de vakken die u al deed: literatuurgeschiedenis en geschiedenis voor de tiende klas. Dus literatuur en Duitse taal voor alle drie de klassen, en geschiedenis voor de tiende klas. Verder stel ik voor dat Dr. X. geschiedenis voor de achtste en negende klas op zich neemt, en dat u, meneer Y., wiskunde, natuurkunde en natuurwetenschappen voor alle drie de klassen verzorgt, evenals mechanica, landmeten en topografisch tekenen voor de tiende klas. — Het enige probleem is dat dit slechts een derde van de beschikbare tijd in beslag neemt. We stellen nog geen volledig lesrooster op; we verdelen alleen de tijd per vak. — Ik had graag vier leraren gehad, maar dat is op dit moment niet haalbaar. We zouden de jonge Englert kunnen proberen voor gymnastiek.

X.; Ich hatte damit gerechnet, daß ich die Lebenskunde in einer der höheren
Klassen übernehmen sollte oder beim Unterricht für bereits Entlassene.

X.: Ik had verwacht dat ik ‘levenskunde’ zou gaan geven in een van de hogere klassen of aan de leerlingen die de school al hebben verlaten.

Dr. Steiner: Die Lebenskunde kommt erst in der 11. Klasse. Sie sind Elektriker. Es müßte jemand Spinnerei und Weberei unterrichten, das ist ein besonderer Lehrgegenstand in der technischen Hochschule. Das können auch unsere Leute vom Forschungsinstitut machen.

‘Levenskunde’ komt pas in de elfde klas aan bod. U bent elektricien. Iemand moet spinnen en weven onderwijzen; dat is een gespecialiseerd vak aan de technische school. Mensen van ons onderzoeksinstituut zouden dat ook kunnen doen.

X..- Ich kann das lernen.

X.: Ik kan het leren.

Dr. Steiner (zu Dr. Kolisko): Wenn Sie im Oktober eintreten, so könnten Sie doch Gesundheitslehre und Verbandslehre in der 10. Klasse übernehmen; das müssen wir haben.

<2> (tegen Dr. Kolisko): Wanneer u in oktober bij ons komt, zou u gezondheidsleer en verbandleer voor de tiende klas op u kunnen nemen; dat moet echt worden ingevuld. <2>

Jetzt bliebe nur noch die Vertretung für die 1b . (Zu Frau Stein, die einige Monate beurlaubt gewesen war:) Sie wollen wieder in die Eurythmie. Könnten Sie nicht einmal für sechs Wochen die 1. Klasse b übernehmen? Ihr Dialekt ist das einzige Bedenken, das nehmen die Kinder an.* Vielleicht ist es die beste Lösung, wenn wir Dr. Schubert bitten, diese Vertretung in der lb zu übernehmen.
* FrauSteinwar Ungarin.
Für den Religionsunterricht habe ich viel gesucht, ich finde niemanden. Es ist notwendig, daß die Kinder nach den Klassen verteilt werden. Ich möchte vermeiden, daß der Religionsunterricht als irgend etwas in die Schule Eingereihtes erscheint.
Es wird die Verteilung des Sprachunterrichts besprochen. Dabei wird erwähnt, daß in einigen Gruppen des altsprachlichen Unterrichts nur wenige Kinder sind.

Nu hoeft alleen de vervangende leerkracht voor klas 1b nog te worden gevonden. (Tegen mevrouw Stein, die enkele maanden met verlof was geweest:) U wilt weer euritmie gaan geven. Zou u klas 1b niet voor zes weken kunnen overnemen? Het enige punt van zorg is uw dialect – dat nemen de kinderen over.* Misschien is de beste oplossing om dr. Schubert te vragen deze vervanging in klas 1b op zich te nemen.
* Mevrouw Stein was Hongaarse.
Ik heb uitgebreid gezocht naar een leerkracht godsdienstonderwijs, maar ik kan niemand vinden. Het is noodzakelijk om de kinderen in hun respectievelijke klassen in te delen. Ik wil voorkomen dat godsdienstonderwijs slechts overkomt als iets dat aan het schoolleerplan is bijgeplakt.
De verdeling van de taallessen wordt besproken. Er wordt op gewezen dat er in sommige groepen voor klassieke talen maar heel weinig kinderen zitten.

Dr. Steiner: Wenn Sie auch nur einen haben, wenn nur einer da ist, muß er unterrichtet werden. Das nutzt nichts, das muß eben sein. Im Herbst kommt Fräulein Dr. Röschl, da werden wir die Sache kräftig in Angriff nehmen können. Über den Lehrplan sprechen wir noch.
Wir werden erst in der 5. Klasse anfangen.
Im Handarbeitsunterricht, da können wir nur die 10. Klasse dazunehmen und müssen es immer künstlerischer und künstlerischer machen.

Zelfs als er maar één is – als er slechts één leerling aanwezig is – moet er les worden gegeven. Daar is geen ontkomen aan; het moet gewoon gebeuren. Dr. Röschl komt in de herfst; dan kunnen we deze zaak voortvarend aanpakken. Het leerplan bespreken we later.
We beginnen pas in de vijfde klas met dit vak.
Wat betreft de lessen handvaardigheid: we kunnen de tiende klas erbij betrekken, maar we moeten het onderwijs steeds meer een artistiek karakter geven.

Es wird über die Belastung der einzelnen Lehrer gesprochen.

<3> De werkbelasting van individuele leraren wordt besproken.

Dr. Steiner: Herr X. hat 22 Stunden, das ist zuviel; ebenso Herr Y.
mit 24 Stunden. Herr Z. könnte noch mehr übernehmen, er hat
16 Stunden. Herr V. hat mit 22 Stunden auch reichlich viel.

Es wird nun gefragt nach dem Zusammenhang der verschiedenen inneren
Organe des Menschen mit anderen Epochen der Geschichte.*
* Vier Tage zuvor hatte Dr. Steiner am Schluß des ersten Vortrages des Kurses über „Menschenerkenntnis und Unterrichtsgestaltung” gesagt, bei der
Funktion der Leber könne der Lehrer lernen, wie die Geschichte des späteren Ägypten zu behandeln sei.

De heer X. heeft 22 uur – dat is te veel; hetzelfde geldt voor de heer Y.
met 24 uur. De heer Z. zou meer op zich kunnen nemen; hij heeft 16 uur. Ook de heer V. heeft met 22 uur een zeer zware belasting. <3>

Vervolgens komt de vraag aan de orde naar het verband tussen de verschillende
menselijke inwendige organen en andere tijdperken uit de geschiedenis.*
* Vier dagen eerder, aan het einde van de eerste voordracht van de cursus “Menskunde en opvoeding ” [GA 302/23] Vertaald/22, had Dr. Steiner gezegd dat de leraar kon leren hoe de geschiedenis van het latere Egypte te benaderen door de functie van de lever te bestuderen.

Dr. Steiner: Man sollte das nicht furchtbar bewußt machen. Wenn man es zu bewußt macht, dann würde man etwas Erzwungenes tun.
Ich würde das lieber dem überlassen, daß der Geschichtslehrer sich eine Kenntnis des menschlichen Organismus anschaffen soll. Dann wird er schon auf das Organ kommen, das die Stimmung gibt.
Es ist noch nicht überall genug Lebendigkeit im Unterricht darin.

Men moet er geen groot, bewust punt van maken. Als je het te bewust aanpakt, wordt het resultaat geforceerd.
Ik laat het liever aan de geschiedenisleraar over om kennis van het menselijk organisme op te doen. Hij zal dan vanzelf uitkomen bij het orgaan dat de stemming bepaalt.
<4> Er zit in nog niet genoeg vitaliteit in het onderwijs.

Blz. 20

Sie haben in den meisten Klassen Schwierigkeiten in bezug auf die Mitarbeit der Kinder. Sie sind nicht alle aufmerksam, es arbeiten nicht alle mit. Das ist etwas, was noch überwunden werden muß.
Es ist mir zum Beispiel aufgefallen, wie bei dieser Jean-Paul-Besprechung die Kinder etwas lethargisch gewesen sind.

U ervaart moeilijkheden bij de deelname van de kinderen aan de meeste lessen. Niet allemaal zijn ze aandachtig; niet iedereen doet mee. Dat is iets wat nog overwonnen moet worden.
Ik merkte bijvoorbeeld hoe lusteloos de kinderen waren tijdens die bespreking over Jean Paul.

X.: Es war immer nur dann, wenn ich zu abstrakt war, wenn ich versucht
habe, zu stark Begriffliches zu bringen. Wenn ich selbst Beispiele gebildet
habe und Ähnliches, dann waren sie ganz dabei.

X.: Dat gebeurde alleen wanneer ik te abstract was – toen ik probeerde concepten te introduceren die te zwaar waren. Telkens als ik zelf met voorbeelden kwam, of iets dergelijks, waren ze volledig betrokken.

Dr. Steiner: Es ist nötig, daß Sie nicht die Teilnahme überspannen, sondern wirklich manchmal etwas wie „Rührt euch!” eintreten lassen, ohne daß dadurch die Kinder ausarten. Und das erreicht man dadurch, daß man an bestimmten Stellen die gespannte Aufmerksamkeit so etwas entschlüpfen läßt und irgend etwas einfügt, indem man eine Kleinigkeit bespricht oder einen Spaß macht oder dergleichen. Das ist für die Kinder ungeheuer gut, wenn Sie etwas einfließen lassen, was nicht zur Stunde gehört, so daß man ein menschliches Verhältnis hineinbringt. Nicht Spaßvogel für die Klasse werden, aber ein menschliches Verhältnis entstehen lassen, das ist sehr wichtig; daß man das menschliche Verhältnis der Kinder untereinander einbezieht.

Je moet vermijden dat je hun betrokkenheid te zwaar belast; in plaats daarvan moet je ruimte bieden voor momenten van ontspanning – een soort fase van ‘even op adem komen’ – zonder dat de kinderen uit de bocht vliegen. Dit bereik je door die gespannen aandacht op bepaalde momenten wat te laten verslappen en er iets anders tussendoor te gooien: een klein detail bespreken, een grapje maken, of iets dergelijks. Het is enorm waardevol voor de kinderen als je iets in de les verweeft dat er niet direct mee te maken heeft, en zo een menselijke verbinding tot stand brengt. Je moet niet de clown van de klas worden, maar het toelaten van een menselijke verbinding is erg belangrijk – ook wat betreft de menselijke onderlinge relaties tussen de kinderen. <4>

Dr. Steiner liest einen Brief des Stadtarztes vor, worin er unter anderem
schrieb, daß die Schüler der Waldorfschule schlechte Zähne hätten.

leest een brief voor van de gemeentarts, waarin deze onder meer schreef dat de leerlingen van de Waldorf-school een slecht gebit hebben.

Dr. Steiner: Das ist ein Bluff! Das ist etwas, was nur festgestellt werden könnte, wenn man der Sache nachginge. Das ist Blech! Da müßte man feststellen, welche Kinder schlechte Zähne haben. Das müßte gemacht werden. Man hat festzustellen, wieviele Kinder schlechte Zähne haben; die gute Zähne haben, scheidet man aus. Bei denen, die schlechte Zähne haben, genau nachforschen, woher sie kommen, ob es Proletarierkinder sind; man müßte auf die Kinder das
Augenmerk lenken. Die schlechten Zähne sind wirklich auch noch davon herrührend, daß wir viele Proletarierkinder haben, weil die
 roletarier-Stadtkinder ungepflegte, schlechte Zähne haben. Haben
Sie irgendwelche Apercus nach dieser Richtung hin?

Dat is bluf! Dat is iets wat alleen vastgesteld kan worden door de zaak daadwerkelijk te onderzoeken. Het is onzin! Men zou precies moeten vaststellen welke kinderen een slecht gebit hebben. Dat is wat er moet gebeuren. Men moet nagaan hoeveel kinderen een slecht gebit hebben; degenen met een goed gebit worden buiten beschouwing gelaten. Wat betreft degenen die wel een slecht gebit hebben, moet jr precies onderzoeken waar ze vandaan komen – of het kinderen van het proletariaat zijn; op die kinderen zou de aandacht gericht moeten worden. Het slechte gebit komt werkelijk voort uit het feit dat we veel kinderen uit het proletariaat hebben, omdat kinderen van arbeiders uit de stad vaak een verwaarloosd, slecht gebit hebben. Heeft u waarnemingen in die richting?

X.: Ich habe meine Klasse untersucht. Die Zähne sind nicht besonders
schlecht. Am schlechtesten bei K., der aus Amerika kam.

X.: Ik heb mijn klas onderzocht. Het gebit is niet bijzonder slecht. Het ergste geval is K., die uit Amerika kwam.

Dr. Steiner: Daß diejenigen Kinder, die von sehr weit kommen, einen schadhaften Zahn oder mehrere haben, das ist etwas sehr Gewöhnliches. Man müßte das untersuchen auf den Sachgehalt hin dorfschule schlechte Zähne haben.

Het komt vaak voor dat kinderen die van heel ver komen, een of meer gebrekkige tanden hebben. Men zou de feiten moeten onderzoeken. Het is in ieder geval onzin om te beweren dat de kinderen van de Waldorf-school een slecht gebit hebben.

Blz. 21

Die Waldorfschule bestand nicht ganz zwei Jahre, als der Stadtphysikus sie untersuchte. Unter allen Umständen, wenn dämonische Gewalten diese Kinder zusammengetragen haben, so könnte, selbst wenn die Waldorfschule verschlechternd wirken könnte, so könnte das nicht sich zeigen. Selbst wenn man so weit gehen würde, es gäbe etwas in der Waldorfschule, was die Zähne kaputt macht — man könnte beim Eurythmiesaal, bei dem könnte man das denken —, das kann nicht in eindreiviertel Jahren sich zeigen.
Dieser Turnsaal, der ist doch etwas recht Schlimmes, das ist er schon.
Es ist offenbar der Grund, die Grundbeschaffenheit doch nicht gut; es muß etwas Modriges sein. Der Keller, der dünstet aus. Es ist vor allen Dingen ein modriger Geschmack darin. Die Eurythmie wird in andere Räume verlegt. Wie weit stehen wir mit dem Fertigwerden der neuen Räume?

De Waldorf-school bestond nog geen twee jaar toen de gemeentelijke geneesheer haar inspecteerde. Zelfs als men — onder welke omstandigheden dan ook — zou aannemen dat demonische krachten deze kinderen hadden samengebracht, zou een eventueel schadelijk effect van de school zich op dat moment nog onmogelijk kunnen manifesteren. Zelfs als men zo ver zou gaan te beweren dat er iets in de Waldorf-school was dat het gebit van de kinderen aantastte — men zou daarbij bijvoorbeeld aan de eurythmiezaal kunnen denken — dan nog zou een dergelijk effect niet binnen anderhalf tot twee jaar zichtbaar kunnen worden.
Die gymzaal is inderdaad een bijzonder slechte plek; daarover bestaat geen twijfel. De bouwkundige staat is klaarblijkelijk slecht; er moet een muffe sfeer hangen. Er stijgen dampen op uit de kelder. Bovenal hangt er een muffe geur in de lucht. De euritmielessen worden naar andere ruimtes verplaatst. Hoe ver zijn we gevorderd met de nieuwe ruimtes?

Bl. 21

Es wird berichtet.

Er wordt verslag uitgebracht.

Dr. Steiner: Im nächsten Frühjahr kommt die 11. Klasse, da brauchen wir eine Menge neuer Räume. Vor allen Dingen brauchen wir Räume, die noch mehr ausreichen für den musikalischen Unterricht; das brauchen wir wirklich. Im Grunde genommen ist das immer noch ein Surrogat, ein klägliches. Das ist eine furchtbare Sorge. Es fehlt noch etwas zu diesem Fertigwerden, was sehr wichtig ist, das Geld: zwei bis zweieinhalb Millionen. Aus dem Vermögen des Waldorfschulvereins können wir nichts dazugeben.

Komend voorjaar komt de elfde klas erbij; daarvoor hebben we een groot aantal nieuwe lokalen nodig. We hebben vooral behoefte aan lokalen die beter geschikt zijn voor muziekonderwijs; dat hebben we echt nodig. Wat we nu hebben, is in feite nog steeds een noodoplossing – en wel een erbarmelijke. Het baart grote zorgen.
Eén ding dat nog ontbreekt voor de voltooiing van het project is cruciaal: het geld – twee tot tweeënhalf miljoen. We kunnen niets bijdragen vanuit het vermogen van de Waldorfscholenvereniging.

Molt schlägt vor, die Firma solle es machen und dazu eine Hypothek beschaffen.

Molt stelt voor dat de onderneming de zaak op zich neemt en een hypotheek afsluit

Dr. Steiner: Ist das nicht, wie man in Wien sagt, gehupft wie gesprungen?

Is dat geen– zoals ze in Wenen zeggen – lood om oud ijzer?

Molt: Auch bei uns sagt man so.

Molt: Dat zeggen we hier ook.

Es wird noch über die Möglichkeit gesprochen, Geld zu beschaffen.

Er volgt een verdere bespreking over de mogelijkheden om fondsen te werven.
GA 300B/17-21
Niet vertaald

.

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3608-4001

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geheugen (5)

.

goede gewoontes aanleren

.

Dat aanleren begint al heel vroeg, eigenlijk al ‘in de wieg’. Als baby en de jaren daarna leert het kind ongelooflijk veel: door de kracht van de nabootsing.
Via de zintuigen – Steiner: het jonge kind is een en al zintuig – neemt het onbewust vrijwel alles over wat er in de omgeving gebeurt, niet alleen aan gebaren, maar ook aan stemmingen.
Dit gebeurt omdat het geest-zielenwezen van het jonge kind zich nog voor een deel ‘om hem heen’ bevindt, nog niet tot binnen de grenzen van het lichamelijke is geïncarneerd.
In de Algemene menskunde wordt dit zo verwoord
:

Das Seelische ist so verbunden mit diesem Kopfe, daß das Kind, indem es geboren wird und auch noch während es sich entwickelt in den ersten Lebensjahren, im Kopfe alles Seelische träumt. Wir haben einen sehr, sehr ausgebildeten Leib als Kopf. Wir haben darin eine träumende Seele, eine deutlich träumende Seele und einen noch schlafenden Geist. . Diese Entwicklung ist ja bis zum Zahnwechsel hin so, daß der Mensch vorzugsweise ein nachahmendes Wesen ist. Es tut der Mensch alles dasjenige, was er seiner Umgebung absieht. Daß er das tun kann, verdankt er eben gerade dem Umstande, daß sein Kopfgeist schläft. Dadurch kann er mit diesem Kopfgeiste außerhalb des Kopfleibes weilen. Er kann sich in der Umgebung aufhalten. Denn wenn man schläft, so ist man mit seinem Geistig-Seelischen außerhalb des Leibes. Das Kind ist mit seinem Geistig-Seelischen, mit seinem schlafenden Geiste und mit seiner träumenden Seele außerhalb des Kopfes. Es ist bei denen, die in seiner Umgebung sind, es lebt mit denen, die in seiner Umgebung sind. Daher ist das Kind ein nachahmendes Wesen. Daher entwickelt sich auch aus der träumenden Seele heraus die Liebe zur Umgebung, vorzugsweise die Liebe zu den Eltern.

De verbinding van de ziel met het hoofd is zo, dat een kind na de geboorte, en ook nog tijdens zijn ontwikkeling in de eerste levensjaren, in zijn hoofd een droombewustzijn heeft van het gebied van de ziel. En het gebied van de geest slaapt in het hoofd.
Dat betekent een merkwaardige samenvoeging van lichaam, ziel en geest in het hoofd van de mens. We hebben een zeer, zeer ontwikkeld lichaam als hoofd met daarin een dromende ziel, een duidelijk dromende ziel en een nog slapende geest. Nu gaat het erom dit zojuist geschetste feit in overeenstemming te zien met de hele ontwikkeling van de mens. Deze ontwikkeling verloopt tot
de tandenwisseling immers zo, dat de mens in die fase voornamelijk nabootst. De mens doet alles wat hij om zich heen ziet na. Dat hij dat kan doen, heeft hij te danken aan het feit dat zijn geest in zijn hoofd slaapt. Daardoor kan hij met dit geestelijke hoofd buiten zijn lichamelijke hoofd blijven. Deze geest kan zich in de buitenwereld ophouden. Wanneer men slaapt is men met geest en ziel buiten het lichaam. Het kind is met zijn geest en ziel, die slapen respectievelijk dromen, buiten het hoofd. Het is bij degenen die om hem heen zijn, het leeft met degenen die om hem heen zijn.
Daardoor bootst het kind na. Daardoor ontwikkelt zich vanuit de dromende ziel de liefde tot de omgeving, vooral de liefde tot de ouders.
GA 293/161
Vertaald/155

Ik vraag me weleens af, als ik zoiets lees, waarom tref je dan in de wereld zoveel niet-liefde, zelfs haat, tot de omgeving aan. Is het in deze fase al verkeerd gegaan?

Er is dus een a.h.w. een ‘onbegrensd’ contact met de omgeving, een bepaalde interactie die door het geest-zielenwezen via het hoofd naar de ‘rest van het lichaam’ wordt gestuurd.

Die Erlebnisse der höheren Glieder übertragen sich immer mehr und mehr auf die unteren Glieder. Da sehen wir, wie wichtig es ist für den Menschen, daß er eine Ahnung davon habe, daß die höheren Glieder hineinwirken müssen in die dichteren Glieder. Es ist so in des Menschen Hand gestellt, in gesunder, praktischer Weise hineinzuwirken in die niedern Glieder.

De ervaringen van de hogere wezensdelen worden in toenemende mate overgedragen op de lagere wezensdelen. Hier zien we hoe belangrijk het voor de mens is om enig besef te hebben van het feit dat de hogere wezensdelen moeten inwerken op de dichtere wezensdelen. Het ligt in de macht van de mens om op een gezonde, praktische wijze op de lagere wezensdelen in te werken.

Dem Äther- oder Lebensleib wird von oben herunter eingeprägt, was wir Gewohnheit, Übung oder was wir Gewissen nennen.

Wat wij gewoonte, beoefening of geweten noemen, wordt van bovenaf in dit ether- of levenslichaam ingeprent.
GA 57/273
Niet vertaald

In ons volwassen leven hebben we ook vele gewoontes: we staan meestal dagelijks rond dezelfde tijd op en gaan op een bepaalde tijd weer naar bed; de maaltijden vinden als regel rond dezelfde tijden plaats enz.
Soms moeten we daarvan afwijken, maar dan merken we al gauw dat we daar moeite mee hebben, zoals veel mensen bv. bij de overgang van zomer- naar wintertijd v.v. We raken van slag.
En omdat kinderen deel uitmaken van een gezin, is dat voor hen ook zo.

M.a.w. willen we in onze levenskrachten goed functioneren, dan is ritme daarbij van essentieel belang.

En hoe jonger het kind, des te belangrijker het ritme waarin de dingen gebeuren waarmee het moet opgroeien, is.
En omdat het kind sterk afhankelijk is van ritme, is het ook zinvol om dezelfde dingen bij herhaling, hetzelfde te doen.
(Ritmische) herhaling voor de jongsten, maar ook voor het wat oudere kind, de peuter en de kleuter.
Ook voor hen is het goed dat veel hetzelfde gaat – een soort vast ritueel – het geeft zekerheid, zo gaan de dingen in de wereld.

Als dan voor de periode 7 tot 14 geldt dat hier het etherlijf pas echt kan worden opgevoed, geldt ook zeker dat de al begonnen gewoontevorming moet worden voortgezet.
En hoewel de kracht van de nabootsing afneemt, doet het kind nog gewoon wat jij voorleeft.
Ook daarom in de basisschool vaste patronen bij van alles en nog wat.
Het klaarzetten van de schilderspullen, de volgorde: een vast patroon geeft zekerheid.
Je zou dat ook als ‘iets ritmisch’ kunnen beschouwen.
Ritme neigt hier naar maat: het regelmatige terugkeren.
Het is ook een ‘verloop in de tijd’ en daarmee is het a.h.w. ‘etherlijf-eigen’: ook het etherlijf is in zekere zin een tijdlijf, i.t.t. het fysieke lichaam dat een ruimtelichaam is. 

Het eigen voorbeeld

Met in het achterhoofd de ‘pedagogische wet’ weet je, dat je eigen astraalwezen – het openstaan voor allerlei indrukken, het daarop (direct) reageren, het a.h.w. ‘kortstondige’ bij ons is, terwijl gewoontevorming ontstaat door het ‘langdurige’.
Hier moet je dus als leerkracht ook je eigen gewoontevorming cultiveren.
Hoe doe jij de dingen (voor)?
Heb je in de gaten of je planten in de klas hun regelmatige zorg krijgen?
Hoe hangen de jassen aan de kapstok en hoe staan de kaplaarzen?


Hoe liggen de krijtjes in de bak onder het bord?
Hoe is het handschrift op het bord?

 

 

Hoe hangen de schilderingen aan de muur? Slordig of verzorgd?

Deze kan echt niet. Jammer dat zoiets op Pinterest terechtkomt!

Dat ziet er heel wat verzorgder uit! 

Als je na een dag voor de klas de moeite neemt naar jezelf te kijken  – alsof je die dag achter in de klas had gezeten – zie je, tenminste zo verging het mij, veel gedragingen waarvan je je kan afvragen: ‘Waarom doe ik dat zo?’
En dan is vaak het antwoord niet makkelijk te vinden. Veelal kwam ik uit bij mijn eigen schooltijd of jonge jaren en soms wist ik: ‘O ja, die deed dat ook’. 
Zo diep kan iets zich in je nestelen wat je onbewust hebt opgenomen.

Er kan nog oneindig veel meer gezegd worden:
Ga je op je eigen tafel zitten als je vertelt; of op een kindertafel; hoe opgeruimd is je tafel steeds; hoe is het met de kastjes van de kinderen; hoe begin en eindig je de dag, zoveel, zoveel.
Toen ik pas begon, was het op dit gebied bij mij ook zeker niet, zoals ik het hier idealiter beschrijf, maar toen ik het belang ervan ging zien, kon ik er ook veel bewuster mee omgaan. 

En met Goethes woorden:

Wie altijd strevend zijn best,

Die kunnen wij verlossen.

vastberaden voorwaarts!

 

Rudolf Steiner over: geheugen

Geheugen, herinnerenalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3607-4000

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 26 mei 1921

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven.
Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan.
De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

Gezichtspunten bij de vraag of een kind mee kan naar een hogere klas <1>
Heeft de klas een slecht geheugen of pak je de dingen verkeerd aan
; levendig, tastbaar en sluitend beeld geven; generatieketting; humor <2>
Over een zeer druk, slordig kind, zittenblijven of hulpklas <3>
Kind met zwakke ogen; kinderen met problemen: o.a. dwangmatig, astma, <4>
Taal, niet-Nederlandse taal, daarin schrijven in klas 3? <5>
Getuigschrift: voor de ouders; voor het kind <6>
Vrij godsdienstonderwijs – de leraar die het geeft, los van het college; Christus het middelpunt; <7>
Oprichten euritmiegroep voor bekendmaken school? Oprichten schoolkoor? <8>
Mogen leerlingen werk van Steiner lezen? <9>

 

RUDOLF STEINER

.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart

1919 bis 1924

Erster Band

Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1

Het eerste en tweede schooljaar

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

Toevoegingen in blauw zijn van mij.

GA 300A

Blz. 278

Konferenz vom Donnerstag 26. Mai 1921, 20—2 Uhr

Vergadering van donderdag 26 mei 1921, 20 – 2 uur 

Dr. Steiner: Wir werden uns wohl über den Schulschluß zu unterhalten haben. Sie haben eine Anzahl von Fragen?

We moeten het hebben over het einde van het schooljaar. U heeft een aantal vragen?

X.: Die Frage, wie die Versetzung in diesem Jahr gehandhabt werden soll.
Allgemeines wegen der 10. Klasse und der folgenden. Eine Bitte um einen
Kursus über Erziehung der über Vierzehnjährigen, auch betreffend den Religionsunterricht. Weiter, was bei uns eine „bourgeoise Methode” ist, und wie
es ausgemerzt werden könnte. Eine Frage wegen des Instrumentalunterrichts.
Ob man in der 3. Klasse in den Fremdsprachen schon schreiben oder nur sprechen soll. Eine Frage betreffend Lebenskunde und soziale Erkenntnis. Eine
Frage nach dem Eurythmie-Sonderkurs. Auch wegen einer Versammlung mit
Lehrern, wegen pädagogischer Wochen und wegen eines Mitteilungsblattes.

X.: De vraag hoe de overgang naar de volgende klas dit jaar moet worden aangepakt.
Algemene zaken betreffende de tiende klas en de daaropvolgende klassen.
Een verzoek om een cursus over het onderwijs aan leerlingen ouder dan veertien, inclusief het vak godsdienstonderwijs.
Voorts de kwestie wat bij ons als een “burgerlijke methode” wordt beschouwd en hoe die zou kunnen worden weggenomen.
Een vraag over lessen in instrumentale muziek.
Of bij vreemde talen in de derde klas de nadruk moet liggen op schrijven of uitsluitend op spreken.
Een vraag over levenskunde en maatschappelijk inzicht.
Een vraag over de speciale cursus euritmie.
Ook wat betreft een bijeenkomst met
leerkrachten, pedagogische weken en een nieuwsbrief.

Dr. Steiner: Ich denke, wir werden die einzelnen Punkte absolvieren, indem wir zuerst versuchen, die Dinge zu sagen, welche die einzelnen Lehrkräfte über das vorzubringen haben, was mit der Fortsetzung und mit dem Ende des Schuljahres zusammenhängt. Dann werden wir leichter die Frage nach der Versetzung der Kinder besprechen können. Ich denke, wir beginnen bei der 9, Klasse. Ich werde die verehrten Lehrkräfte bitten, die Erfahrungen vorzubringen, die sie auf den Schluß des Schuljahres vorzubringen haben.
Es wird über jede einzelne Klasse gesprochen, zuerst über die 9.

Ik stel voor dat we de afzonderlijke punten behandelen door eerst te horen wat de verschillende leerkrachten te zeggen hebben over het verloop en de afronding
van het schooljaar. Daarna zullen we beter in staat zijn de kwestie van de overgang van de kinderen naar de volgende klas te bespreken.
Ik stel voor dat we beginnen met de negende klas. Ik wil de gewaardeerde leerkrachten vragen hun ervaringen en waarnemingen te delen met betrekking tot het einde van het schooljaar.
Elke klas wordt afzonderlijk besproken, te beginnen met de negende.

Dr. Steiner: Ich war darin bei der Jean Paul-Besprechung. Sind Sie zufrieden mit der Art, wie die Kinder teilnehmen?
Was ist in der Eurythmie zu sagen? Der eine Lethargische, der U. A., ist nicht wirklich lethargisch; der macht nur einen lethargischen Eindruck.
Falls eine 10. Klasse zu errichten sein würde, so würden alle Schüler
aufzusteigen haben.
Nun kommen wir zur 8. Klasse. Sind da Schüler, die in Betracht kommen als so schwach, daß man sie zurücklassen soll?

Dat heb ik waargenomen tijdens de bespreking over Jean Paul. Bent u
tevreden over de manier waarop de kinderen deelnemen?
<1> Wat valt er te zeggen over de euritmie? Eén lusteloze leerling – U.A. –
is niet echt lusteloos; hij wekt slechts die indruk.
Als er een tiende klas zou worden opgericht, zouden alle leerlingen
moeten overgaan.
Laten we nu naar de achtste klas kijken. Zijn er leerlingen die
misschien als zo zwak worden beschouwd dat ze zouden moeten blijven zitten?

X.: Es wäre bei H. K. zu überlegen, ob er nicht in einer tieferen Klasse besser
vorwärtskommt.

X.: Wat H.K. betreft, zou het de moeite waard kunnen zijn om te overwegen of hij in een lagere klas betere vorderingen zou maken.

Dr. Steiner: Meinem Eindruck nach müßte er nicht zurückbleiben.
Ist es einer von denen, die in bestimmten Fächern mehr zurück sind?

Ik heb de indruk dat hij niet hoeft te blijven zitten.
Behoort hij tot de leerlingen die bij bepaalde vakken achterblijven?

X.: Er schläft förmlich ein.

X.: Hij valt bijna in slaap.

Dr. Steiner: Er ist physisch schwach. Er war bei der Quäkerspeisung.

Hij is fysiek zwak. Hij heeft deelgenomen aan het voedselprogramma van de Quakers.

X.: Es sind so schlimme häusliche Verhältnisse.

X.: Zijn thuissituatie is erg slecht.

Blz. 279

Dr. Steiner: Es fragt sich in einem solchen Fall, ob Sie glauben, daß er im nächsten Jahre in der 9. Klasse stören wird, oder ob man ihn unter Umständen doch wird mitbringen können. Wenn solche Verhältnisse vorliegen, ist solch ein Schock nicht gerade das Wünschenswerte.

In een geval als dit is de vraag of u verwacht dat hij volgend jaar in de negende klas voor onrust zal zorgen, of dat het wellicht toch mogelijk is hem mee te laten gaan. Onder dergelijke omstandigheden is een dergelijke schok nauwelijks wenselijk.

X.: Ich glaube nicht, daß er stören wird.

X.: Ik geloof niet dat hij voor onrust zal zorgen.

Dr. Steiner: Ist in der Eurythmie etwas zu gewinnen aus ihm?

Is er bij euritmie iets met hem te bereiken?

Eine Eurythmielehrerin: Er strengt sich an. — Der P. R. ist verwachsen, soll
man ihn einzeln vornehmen?

Een euritmiedocent: Hij doet zijn best. — P. R. heeft een ontwikkelingsachterstand; moeten we individueel met hem werken?

Dr. Steiner: Haben wir eine gewisse Anzahl solcher Kinder durch die
verschiedenen Klassen durch? Man muß, so gut man kann, mit den
Kindern innerhalb derselben Gruppe fertig werden. Es geht nicht an,
daß man den P. R. absondert. Ist sprachlich etwas zu sagen?
Der H. K. bliebe zu bedenken. Ich glaube doch, daß es kaum zweifelhaft sein kann, daß wir diesen in die 9. Klasse hinaufnehmen. Ich werde vielleicht morgen oder übermorgen in die Klasse kommen. Wir müssen den Hilfsunterricht haben. Daran müssen wir denken. In einer niedrigeren Klasse würden solche Schüler ebenso stören.

Hebben we vaker met dit soort kinderen in de verschillende klassen te maken? Men moet zien rond te komen met de kinderen die in dezelfde groep zitten, zo goed en zo kwaad als dat gaat. Het is niet haalbaar om P. R. te isoleren. Is er iets te zeggen over de spraak?
We moeten ook nog naar H. K. kijken. Ik denk dat er weinig twijfel over kan bestaan ​​dat we hem naar de negende klas moeten laten overgaan. Misschien bezoek ik de klas morgen of overmorgen. We moeten zorgen voor remedial teaching; dat moeten we in gedachten houden. Dergelijke leerlingen zouden in een lagere klas net zo goed voor onrust zorgen. <1

X.: Die Kinder in meiner 6. Klasse haben ein schlechtes Gedächtnis. Es muß
ein Fehler im Unterricht sein.

<2> X.: De kinderen in mijn zesde klas hebben een slecht geheugen. Er moet iets mis zijn met het onderwijs.

Dr. Steiner: Man kann nicht sagen, das Gedächtnis aller Kinder sei
schwach.

Je kunt niet zeggen dat het geheugen van alle kinderen zwak is.

X.: Die Kinder haben die Dinge nicht behalten. Sie haben keine klaren Bildei,
zum Beispiel von Ägypten.

X.: De kinderen hebben de leerstof niet onthouden. Ze hebben geen helder voorstellingsvermogen – van Egypte bijvoorbeeld.

Dr. Steiner: Auf welche Weise versuchen Sie die bildliche Vorstellung beizubringen ?

Hoe pak je het overbrengen van die voorstellingen aan?

Es wird vom Geographieunterricht berichtet.

Er wordt verslag uitgebracht over de aardrijkskundeles.

Dr. Steiner: An die Pyramiden und Obelisken erinnern die Kinder sich. Sie müssen sich dabei fragen, ob Sie wirklich alles im einzelnen gemacht haben, um allen Kindern ein Bild beizubringen von der wirklichen Lage Ägyptens, so daß das Kind nicht Lücken hat im Vorstellen, wenn es auf Ägypten kommen soll. Wenn man Ägypten bloß heraushebt, und es keine Vorstellungen hat, wie es von hier aus nach Ägypten käme, wenn es kein plastisches Bild hat, dann ist es
sehr leicht möglich, daß das Gedächtnis aussetzt. Vielleicht muß man darauf achten, daß alle Einzelheiten getan sind, damit die Kinder eine völlig plastische Vorstellung und eine lückenlose Vorstellung haben von der Lage Ägyptens in bezug auf den eigenen Ort.

De kinderen herinneren zich de piramides en obelisken wel. Je moet je afvragen of je er werkelijk alles aan hebt gedaan om alle kinderen een beeld te geven van de daadwerkelijke ligging van Egypte – zodat een kind geen hiaten in zijn voorstelling heeft wanneer het onderwerp Egypte ter sprake komt. Als je Egypte eruit licht zonder dat de kinderen enig idee hebben hoe ze er vanuit hier kunnen komen – zonder een levendig, tastbaar beeld – dan kan hun geheugen ze heel gemakkelijk in de steek laten. Misschien moet je ervoor zorgen dat elk detail aan bod komt, zodat de kinderen een volkomen levendig, tastbaar en sluitend beeld hebben van de ligging van Egypte ten opzichte van hun eigen woonplaats.

Blz. 280

Das Kind wird etwas wissen von Pyramiden und Obelisken, aber nicht weiß es, daß sie in Ägypten sind. Es ist sehr zu überlegen, ob wirklich alle diese Dinge, die zu geschlossenen Vorstellungen führen, gemacht werden. Lassen Sie die Kinder nur Afrika zeichnen? Vielleicht sollte man immer zur Spezialkarte noch etwa eine europäische oder sonst eine zeichnen lassen, die einen Überblick und den Zusammenhang verschafft.

Het kind weet misschien wel iets over piramides en obelisken, maar beseft niet dat ze zich in Egypte bevinden. Het is zeker de moeite waard om te overwegen of alle activiteiten die leiden tot het vormen van volledige, samenhangende voorstellingsbeelden, ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Laat u de kinderen enkel Afrika tekenen? Misschien zou men hen, naast een gespecialiseerde kaart, ook een kaart van Europa – of een andere regio – moeten laten tekenen die een overzicht biedt en de bredere context zichtbaar maakt.

X..- Ich habe gefragt, in welcher Himmelsrichtung sie Ägypten suchen würden.

X…: Ik vroeg in welke richting ze Egypte zouden zoeken.

Dr. Steiner: Vielleicht muß man die Städte suchen, über die man kommt, wenn man von hier nach Ägypten geht. Diese Art von Gedächtnisfehlern rührt her von irgendwelchen Lücken im übrigen Vorstellungserwerb. Wenn die Kinder geschlossene Vorstellungen kriegen, dann ist es ganz zweifellos, daß das Gedächtnis besser wird.
Das war bei Herrn Ö. nicht der Fall. Die Kinder waren interessiert.
Sie haben alles verstanden, waren enthusiasmiert. Sie haben sich aber nichts gemerkt, weil er die Dinge heraushob und nicht größere Zusammenhänge gab. Größere Zusammenhänge herstellen, das ist eine gute Art von Gedächtnispflege.
Das gilt in der verschiedensten Weise für verschiedene Unterrichtszweige. Es gilt vor allem für solche Dinge wie Geographie, es gilt auch für gewisse naturgeschichtliche Dinge. Für Geschichte, natürlich, da gilt es ganz besonders. Bei der Geschichte ist es wichtig, daß auf jede mögliche Weise gesucht werden muß, den Kindern konkrete Vorstellungen zu geben.

Misschien moet men kijken naar de steden die men passeert tijdens de reis van hier naar Egypte. Dit soort geheugenhiaat komt voort uit leemten in het totale proces van beeldvorming. Wanneer kinderen samenhangende voorstellingsbeelden opbouwen, verbetert hun geheugen ongetwijfeld. Dat was bij de heer Ö niet het geval. De kinderen waren geïnteresseerd; ze begrepen alles en waren enthousiast. Toch bleef er niets van hangen, omdat hij specifieke details isoleerde zonder de bredere context te schetsen. Het leggen van bredere verbanden is een uitstekende manier om het geheugen te ontwikkelen.
Dit geldt op verschillende manieren voor uiteenlopende vakken. Het geldt vooral voor aardrijkskunde, en ook voor bepaalde aspecten van de natuurkunde. En natuurlijk is het in het bijzonder van belang bij geschiedenis. Bij geschiedenis is het cruciaal om naar elke mogelijke manier te zoeken om kinderen concrete voorstellingsbeelden te bieden.

Wenn man so etwas bespricht wie die Perserkriege, würde ich niemals versäumen, wenigstens wo wichtige Knotenpunkte sind, irgend jemand herauszuheben. Heute haben Sie den athenischen Läufer gehabt: ich würde niemals versäumen, den Kindern eine recht anschauliche Vorstellung zu verschaffen, wie lange es her ist, daß ein solcher Mensch gelebt hat, zum Beispiel die Generationen nachrechnen zu lassen: Großvater und Sohn und so weiter. Ich würde die Reihe konstruieren bis herauf zum athenischen Läufer. Es würden sich ergeben 55 bis 56 hintereinanderstehende Menschen. Die Kinder bekommen dadurch eine Vorstellung, wie lange die Zeitlinie hinaufgeht. Ich würde fragen, welcher ist Zeitgenosse des Mysteriums von Golgatha? Solche Vorstellungen zu Hilfe nehmen, und darauf ruhen lassen die Kinder. Man redet von Ägypten und will ihnen beibringen, wie sie von Stuttgart nach Ägypten kommen. Man hält in Venedig, dann versucht man ein bißchen abzurücken vom
 Thema und einen Witz zu machen, was auf Venedig Bezug hat.

Wanneer ik iets als de Perzische Oorlogen besprak, liet ik nooit na – althans op cruciale keerpunten – een specifiek persoon eruit te lichten. Vandaag was dat bijvoorbeeld de Atheense hardloper; ik zorgde er altijd voor dat de kinderen een levendig beeld kregen van hoe lang geleden zo iemand leefde – bijvoorbeeld door ze de generaties te laten uitrekenen: grootvader, zoon, enzovoort. Ik zette dan de reeks uit die helemaal terugleidde tot die Atheense hardloper. Dat leverde een rij op van 55 of 56 mensen die achter elkaar stonden. Zo kregen de kinderen een besef van de tijdsspanne. Ik vroeg dan: “Wie was een tijdgenoot van het Mysterie van Golgotha?” Men moet dergelijke begrippen gebruiken en de kinderen erbij laten stilstaan. Stel dat men over Egypte spreekt en wil uitleggen hoe men daar vanuit Stuttgart komt: men zou halt kunnen houden in Venetië en vervolgens even van het onderwerp afwijken om een ​​grapje te vertellen dat met Venetië te maken heeft.

Blz. 281 

Es muß Humor in den Unterricht hinein, sonst leidet auch das Gedächtnis.

Humor moet in de lessen worden gebracht; anders lijdt ook het geheugen daaronder. <2>

X. spricht über einige schwach befähigte Kinder in der 6a, besonders über
W. G. Er ist übersanguinisch, daß er beinah närrisch ist. Er schreibt die Buchstaben nicht zusammen, ein Wort nicht zu Ende. Er sagt, was ihm einfällt.

<3> X. spreekt over enkele kinderen met beperkte vaardigheden in klas 6a, met name W. G. Hij is zo buitensporig sanguinisch dat het aan het dwaze grenst. Hij verbindt zijn letters niet met elkaar en maakt woorden niet af. Hij flapt eruit wat er in hem opkomt.

Dr. Steiner: Das ist ein seelisch nicht so altes Kind. Er ist seelisch auf der Stufe von acht oder sieben Jahren. Nun ist es bei ihm so, daß er sich nicht sehr viel daraus machen würde, wenn man ihn zurückläßt.
Es würde sich darum handeln, wie wir uns prinzipiell zur Versetzungsfrage verhalten. Dieser W. G. wäre einer, der dafür in Betracht kommen würde. Es würde ihm gut tun, den Stoff zweimal hintereinander durchzunehmen. Wir werden die Frage prinzipiell erörtern.

Dat is een kind dat qua ziel nog niet zo rijp is. Op zielsniveau bevindt hij zich op het niveau van een zeven- of achtjarige. Het punt is: hij zou het niet erg vinden om te blijven zitten.
Het is een kwestie van onze algemene houding ten aanzien van overgang naar een volgende klas. Deze W. G. is iemand die daarvoor in aanmerking zou komen. Het zou hem goed doen om de lesstof twee keer achter elkaar te doorlopen. We zullen deze kwestie principieel bespreken.

X.: Ich würde ihn sehr ungern abgeben.

X.: Ik zou hem met grote tegenzin afstaan.

Dr. Steiner: Er wäre der einzige von denen, die Sie genannt haben.
Den E. W. könnte man in die Hilfsklasse geben.

Hij zou de enige zijn van degenen die u noemde.
E. W. zou in de klas voor speciaal onderwijs geplaatst kunnen worden.

X.: Mehrere können noch nicht richtig schreiben.

X.: Verscheidene anderen kunnen nog steeds niet goed schrijven.

Dr. Steiner: Alle diese würden nur in die Hilfsklasse kommen. W. E. ist ein ausgesprochener Kandidat der Hilfsklasse. Er kann seine Gedanken nicht orientieren. Wie ist er musikalisch? Die Mehrzahl wird musikalisch sein. Er wird auch im Handfertigkeitsunterricht nicht besonders tüchtig sein. W. E. wird durch lebhafte Farben hypnotisiert sein.
Wir müssen die Einrichtung eines Hilfsunterrichts in Betracht ziehen.
Über einige Kinder in der 5. Klasse, besonders über E. E.

Die zouden alleen geschikt zijn voor de klas voor buitengewoon onderwijs. W. E. is absoluut een kandidaat voor de klas voor buitengewoon onderwijs. Hij kan
zijn gedachten niet ordenen. Hoe is hij muzikaal gezien? De meerderheid zal muzikaal zijn. Hij zal ook niet bijzonder vaardig zijn in handarbeid. W. E. zal gefascineerd zijn door felle kleuren.
We moeten overwegen om speciaal remediërend onderwijs op te zetten.
Wat betreft enkele kinderen in de vijfde klas, met name E. E.

X.: Er kommt nicht mit. In den Sprachen ist er begabt. Er ist schlau, gerissen.

X.: Hij kan niet meekomen. Hij is begaafd in talen. Hij is scherpzinnig, sluw.

Dr. Steiner: Man müßte mit möglichster Berücksichtigung seiner Individualität ihn ab und zu beschäftigen, ihn anreden. Dann muß man das variieren, sich immer wieder speziell mit ihm beschäftigen.

Men zou hem bezig moeten houden en af ​​en toe moeten aanspreken, waarbij men de grootst mogelijke aandacht heeft voor zijn individualiteit. Vervolgens
moet men deze aanpak variëren en specifiek met hem in contact blijven.

X.: Sollte er nicht in die Hilfsklasse kommen?

X.: Zou hij niet in de hulpklas geplaatst moeten worden?

Dr. Steiner: Was soll er in der Hilfsklasse machen? Er ist ein leidenschaftlicher Zwickel. Es würde auf ihn einen tieferen Eindruck machen, wenn man ihn ein Paar Schuhe machen läßt. Man müßte so etwas schaffen, daß er Nägel einschlägt und Schuhe machen kann. Richtige Stiefel für jemand anderen. Man müßte den E. im Handarbeitsunterricht Schuhe machen lassen: das wäre schon etwas.

Wat zou hij in de hulpklas moeten doen? Hij is een enthousiaste
schoenmaker. Het zou een diepere indruk op hem maken als hij een paar schoenen zou mogen maken. Men zou het zo moeten regelen dat hij spijkers kan inslaan en schoenen kan maken. Echte laarzen voor iemand anders. Men zou E. schoenen moeten laten maken tijdens de handarbeidles: dat zou pas iets zijn.

Bzl. 282

Das wird ihm Spaß machen, besohlen, Doppelsohlen machen.

Hij zal daarvan genieten – zolen aanbrengen, dubbele zolen maken. <3>

Über die 4. Klasse.

Wat betreft de vierde klas.

Dr. Steiner: Ich war in der Klasse, und ich muß sagen, die ist recht, mit Ausnahme von drei oder vier, die werden aber dann das, was sie nicht können, schnell nachholen. Im Rechnen sind einige schwächer, andere sehr gut. Ich meine, es ist eine Klasse, die ein wenig unter dem gelitten hat, daß sie drei aufeinanderfolgende Lehrkräfte hatte.
Die Klasse nimmt man glatt in die 5. hinauf. Die vorige Lehrerin konnte außerordentlich gut Disziplin halten, sie war, was man in bourgeoisen Schulen ,,streng” nennt. Die Kinder hatten sie sehr gern. Dann kamen Sie. Heute war eine musterhafte Disziplin.

Ik ben in de klas geweest en ik moet zeggen dat het een goede klas is – op drie of vier leerlingen na, al zullen zij snel inhalen wat ze missen. Wat rekenen betreft zijn sommigen zwakker, anderen erg goed. Ik zou zeggen dat het een klas is die er wat onder heeft geleden dat ze drie opeenvolgende leerkrachten heeft gehad.
De klas kan zonder problemen overgaan naar de vijfde klas. De vorige leerkracht
was uitzonderlijk goed in het handhaven van discipline; ze was wat mensen op burgerlijke scholen ‘streng’ noemen. De kinderen waren erg op haar gesteld. Toen nam u het over. Vandaag was de discipline voorbeeldig.

X.: Ich habe mich in den Ruf der Strenge gesetzt.

X.: Ik heb de reputatie streng te zijn.

Dr. Steiner: Den Erfolg werden Sie erst sehen, wenn Sie sie längere
Zeit haben.
L. H. hat wohl schwache Augen: die Augenachsen paralleler machen! Sie konvergieren zu stark. Versuchen Sie, ihn zu gewöhnen, ein klein wenig, so viel wie ein halber Zeigefinger, das Buch weiter weg halten zu lassen, als er es gewohnt ist. Die Sehachsenkreuzung etwas vom Gesicht wegschieben.
Der B. E. ist mir aufgefallen, der ist an einem Tage aufgewacht.
Die Kinder waren ganz erstaunt darüber, daß B. etwas sagt.

De resultaten zul je pas zien als je ze gedurende langere tijd onder je hoede hebt gehad.
<4> L. H. lijkt zwakke ogen te hebben – zijn oogassen moeten meer evenwijdig lopen! Ze convergeren te sterk. Probeer hem eraan te wennen het boek iets verder weg te houden dan hij gewend is –ongeveer de breedte van een halve wijsvinger. Verleg het punt waar de gezichtslijnen elkaar kruisen iets verder van zijn gezicht af.
B. E. viel me op; hij leek op een dag plotseling wakker te worden.

De kinderen waren behoorlijk verbaasd om B. iets te horen zeggen.

X.: Die Mutter ist besorgt, der M. I. habe etwas vom Vater übernommen.

X.: De moeder maakt zich zorgen dat M.I. iets van zijn vader heeft geërfd.

Dr. Steiner: Er hat einen Anflug von kindischem Wesen. Er ist offenbar ein Preuße, ein kleiner. Er ist nicht eigentlich pathologisch. Wenn Sie wollen, können Sie es schwach pathologisch nennen. Er ist in Berlin geboren; er hat durch die Sprache etwas Süßliches bekommen. Wenn er eine gute Führung hat, so kann er ganz normal werden.

Hij heeft iets kinderlijks over zich. Hij is duidelijk een Pruis – een kleintje. Hij is niet echt pathologisch. Zo u wilt, zou men het licht pathologisch kunnen noemen. Hij is in Berlijn geboren; zijn manier van spreken heeft iets zoetsappigs. Met goede begeleiding kan hij volkomen normaal worden.

X.: Er legt sich eine Statistik der elektrischen Bahnen an; er hält sich abseits.

X.: Hij stelt statistieken op over elektrische spoorwegen; hij houdt zich afzijdig.

Dr. Steiner: Man muß ihn liebevoll führen. Das einzig Bedenkliche ist die Statistik der Tramways. Man muß versuchen, ihm ein anderes Interesse beizubringen, ihm dies abzugewöhnen. Er soll deutsch schreiben lernen.
Sie haben in der 2. Klasse einzelne Schüler, die sehr gut sind. Bei Ihnen ist die Schwierigkeit, daß die Klasse eine solche Größe hat.
Die pathologischen Kinder G., H. N. und M. H. müssen auch in die
Hilfsklasse.

Hij moet met liefde worden begeleid. Het enige zorgwekkende punt is die tramstatistiek. U moet proberen zijn interesse op iets anders te richten en hem deze gewoonte af te leren. Hij moet Duits leren schrijven.

U heeft enkele zeer goede leerlingen in de tweede klas. De moeilijkheid voor u is de grootte van de klas.

De pathologische kinderen G., H.N. en M.H. moeten ook in de klas voor speciaal onderwijs worden geplaatst.

Blz. 283

Der B. R. ist nicht ganz normal. Er müßte nachmittags eine besondere Unterstützung kriegen. Das ist schwierig bei einzelnen Ihrer Kinder. Er hat ein zu kleines Gehirn, der B. R. Man braucht ihn nur anzuschauen. Es ist kleiner geblieben, als es sein sollte. Man muß versuchen, doch diese Eigenschaft bei ihm zu bekämpfen. Er hat die Unmöglichkeit, ganz mit vollem Anteil aufzupassen. Man muß ihn öfter aufrufen und öfter auf dem Korridor und auf der Straße mit ihm allerhand reden, wobei er beim Zuhören etwas denken muß. Es ist die Mutter ebenso wie er.

B. R. is niet helemaal normaal. Hij zou ’s middags extra begeleiding moeten krijgen. Dit is bij sommige van uw kinderen een uitdaging. B. R. heeft een te kleine hersenomvang; dat zie je zo aan hem. Het is kleiner gebleven dan het zou moeten zijn. We moeten proberen deze eigenschap bij hem tegen te gaan. Hij is niet in staat om met volle aandacht ergens bij te blijven. Hij moet vaak worden aangesproken, en men moet regelmatig met hem praten – in de gang of op straat – over allerlei zaken die van hem vragen dat hij tijdens het luisteren ook nadenkt. Zijn moeder is net zo. <4>

X.: Manche haben in der 1. Klasse schon neue Zähne, manche noch nicht.

X.: Sommige kinderen in de eerste klas hebben hun nieuwe tanden al, andere nog niet.

Dr. Steiner: Fertig gezahnt kann kein Kind in der 1. Klasse haben, das geschieht erst im achten Jahr. Es handelt sich in bezug auf das Schulalter nur darum, ob sie schon angefangen haben zu zahnen.
Der O. Nr. käme auch für die Hilfsklasse in Betracht. Er kehrt die Worte um. Man kann ihn eine Zeitlang in der Hilfsklasse haben, wo man jedes Kind individuell behandelt.

Geen enkel kind in de eerste klas heeft al een volledig blijvend gebit; dat gebeurt pas in het achtste levensjaar. Wat de schoolleeftijd betreft, gaat het er alleen om of het wisselen van de tanden al is begonnen.
Ook O. Nr. zou in aanmerking komen voor de klas voor kinderen met speciale behoeften. Hij haalt woorden door elkaar. Hij zou enige tijd in die klas kunnen doorbrengen, waar elk kind individuele aandacht krijgt.

X. über T. M.

X. over T. M.

Dr. Steiner: Das Pathologische ist bei T. M. weniger stark, er ist
schon gesünder.

Bij T. M. is het pathologische aspect minder uitgesproken; hij is gezonder.

X.: Er hat asthmatische Anfälle in der Nacht.

X.: Hij heeft ’s nachts last van astma-aanvallen.

Dr. Steiner: Mit mäßiger Menge von Arsen behandeln in Form von
Levicowasser. Eine Unregelmäßigkeit des astralischen Leibes ist bei
diesem Jungen, den könnte man physisch kurieren. In der Woche
zweimal, verdünnen, ein Viertel Trinkglas mit Wasser gemischt.
Dann würden Sie alle Schüler hinaufnehmen in die 2. Klasse.

Behandel hem met een matige hoeveelheid arseen in de vorm van
Levico-water. Er is sprake van een onregelmatigheid in het astrale lichaam van
deze jongen; hij zou fysiek genezen kunnen worden. Twee keer per week – verdund, gemengd met water in een kwart drinkglas.
Vervolgens zou u alle leerlingen naar de tweede klas laten overgaan.

X. fragt nach F. O. in der bisherigen Klasse la.

X. vraagt ​​naar F. O., die momenteel in klas 1a zit.

Dr. Steiner: Er sollte durch die Hilfsklasse gefördert werden, daß er in die bisherige 2. Klasse, künftige 3. Klasse kommen könnte.
Jetzt wären wir wohl mit den einzelnen Klassen zu Ende.
Es wird über den Sprachunterricht berichtet.

Hij moet via de remedial teaching worden ondersteund, zodat hij kan doorstromen naar wat nu de tweede klas is – de toekomstige derde klas.
We zijn nu waarschijnlijk klaar met de individuele klassen. <4>
Er wordt verslag uitgebracht over het taalonderwijs.

Dr. Steiner: Man kann versuchen, durch die Gruppenabteilung etwas zu erreichen. Wir können sie in Gruppen zusammenbringen, so daß
wir diejenigen mit gleichen Kenntnissen und Fähigkeiten beisammen
haben.

Men kan proberen iets te bereiken door middel van groepering. We kunnen hen in groepen samenbrengen, zodat leerlingen met vergelijkbare kennis en vaardigheden bij elkaar zitten.

X.: Ich glaube, es wäre gut, in der 6. Klasse etwas Gedrucktes zu lesen.

<5> X.: Het lijkt me goed om in de zesde klas teksten in drukletter te lezen.

Blz. 284

Dr. Steiner: Wie alt sind die Schüler? Man müßte eine mäßig große Erzählung heraussuchen. Man müßte eine Erzählung finden, eine Novelle, etwas, was Substanz hat, nichts Oberflächliches. Es wäre möglich, so etwas wie ein historisches Stück zu lesen aus Mignet. Da lernen sie auch sehr viel daran.
Den Sprachunterricht werden wir neu gliedern müssen. Da ist es auch so, daß man die Schüler so schwer befriedigen kann. Beim Sprachunterricht muß man die Schüler viel fragen, da herrscht die Ansicht, daß die Schüler unzufrieden sind. Lernen tun sie am meisten ander Lektüre. Viel Hilfe ist das Sich-Hineinfinden in eine zusammenhängende Lektüre. Das Auswendiglernen ist nur ein Hilfsmittel. Man geht Satz für Satz vor. Bei den Kleinen immer sprechen.

Hoe oud zijn de leerlingen? We zouden een verhaal van behoorlijke omvang moeten kiezen – een verhaal of een novelle, iets met inhoud, niets oppervlakkigs. Het zou mogelijk zijn om bijvoorbeeld een historisch verslag van Mignet te lezen; daar leren ze ook veel van.
We zullen de taallessen moeten herstructureren. Het is vaak lastig om de leerlingen op dit vlak tevreden te stellen. Taalonderwijs vereist dat je de leerlingen veel vragen stelt, en de heersende opvatting is dat leerlingen ontevreden zijn. Ze leren het meeste door te lezen. Zich verdiepen in een doorlopende tekst helpt enorm. Uit het hoofd leren is slechts een hulpmiddel. Je gaat zin voor zin te werk. Bij de jongere leerlingen moet de nadruk altijd op het spreken liggen.

X.: Soll man in der 3. Klasse in den Fremdsprachen auch schreiben?

X.: Moeten leerlingen in de derde klas ook schrijfoefeningen in vreemde talen doen?

Dr. Steiner: Man kann anfangen, kurze und leichte Sätze zu schreiben, die einen einfachen Gedanken ausdrücken.

Je kunt beginnen met het schrijven van korte, eenvoudige zinnen die een heldere gedachte uitdrukken. <5>

X. fragt, ob man drei Lieder von Dr. Steiner als Chor drucken lassen darf.

X. vraagt ​​of drie liederen van Dr. Steiner gedrukt mogen worden voor koorgebruik.

Dr. Steiner: Diese Chorlieder können Sie ruhig dem Dornacher Verlag übergeben, die werden viel gekauft werden.

Je kunt die koorliederen gerust aan de uitgeverij in Dornach overhandigen; ze zullen heel goed verkopen.

X.: Können wir daraufrechnen, Texte zu bekommen für Kinder?

X.: Kunnen we rekenen op teksten voor kinderen?

Dr. Steiner: Es ist jetzt eine Sache da, die ist aber für jüngste Kinder.
Das Frühlingslied.
Der Instrumentalunterricht würde nur ein Surrogat sein können. Das
müssen wir vorläufig lassen.

Er is nu echter één ding dat voor de jongste kinderen bestemd is.
Het lentelied.
Instrumentaal muziekonderwijs zou slechts een surrogaat kunnen zijn. Dat
moeten we voorlopig terzijde laten.

X.: Ich habe einiges aus der Heileurythmie verwendet. Soll ich so fortfahren?

X.: Ik heb gebruikgemaakt van enkele elementen van de euritmie-therapie. Moet ik op deze manier doorgaan?

Dr. Steiner: Was ich heute gesehen habe, hat mich ganz gut befriedigt.
In der 5. Klasse sind viele Buben, die könnten Turnunterricht bekommen. Das wäre unser Schulprogramm, daß es eine Stunde schon wäre. Wir werden es auch vergeistigen, sobald wir es machen können.

Wat ik vandaag zag, stemde mij zeer tevreden.
Er zitten veel jongens in de vijfde klas; zij zouden gymnastiekles kunnen krijgen. Ons schoolprogramma voorziet daarin in een lesuur. We zullen dit ook gaan vergeestelijken zodra we daartoe in staat zijn.

X.: In der 9. Klasse ist angefangen worden zu modellieren.

X.: In de negende klas is men begonnen met boetseren.

Dr. Steiner: Was ich gesehen habe, hat mich befriedigt.
Nun möchte ich Sie fragen, ob wir die Zeugnisse wieder so ausstellen wie im vorigen Jahr. Es ist eine gute Art, die Zeugnisse so auszustellen. Genau so, wie im vorigen Jahr.

Wat ik zag, was bevredigend.
<6> Nu wil ik graag vragen of we de rapporten op dezelfde wijze moeten uitreiken als vorig jaar. Het is een goede manier van rapportuitreiking — precies zoals vorig jaar.

X.: Wir haben sie optimistisch gehalten.

X.: We hebben de toon ervan optimistisch gehouden.

Dr. Steiner: Es handelt sich darum, daß man die Sätze richtig faßt. Wenn man nicht gut individualisiert, was schwierig ist, dann wird man, wenn man die Sätze zu streng formuliert, sehr viele zurückstoßen. Es würde sich schon darum handeln, wenn jemand ein großer Nichtsnutz ist, daß man schreibt, es wäre dringend zu wünschen, daß er im nächsten Jahr sich zusammennähme. In der Formulierung würde manches liegen. Auch Mängel positiv ausdrücken, aber in
bezug auf die Formulierung streng sein.
Da sind wir einig, daß wir die Zeugnisse ausstellen wie im vorigen Jahr. Ein möglichst treues Bild. Unten wiederum für jedes Kind einen Spruch ins Zeugnis, der für die Individualität des Kindes richtunggebend sein kann, als Leitmotiv für die Zukunft. Nun würde ich doch gerne haben, da das Kind dieses Zeugnis behält, daß auf jedem Zeugnis alle Lehrer unterschreiben, die tätig waren an dem Kinde.
Gerne würde ich haben wollen, daß jedes Kind alle Unterschriften hat. Es ist nicht unbedeutend, daß die Kinder alle Unterschriften haben von den Lehrern, die an dem Kinde gearbeitet haben. Es soll der Name des Klassenlehrers daraufstehen und dabei auch stehen „Klassenlehrer”, so daß das Kind weiß: zu dem gehört es; und die anderen stehen darunter. Es wäre gut, wenn der Lehrer selbst den Text schreibt, der Klassenlehrer den längsten, und jeder andere Lehrer eine kurze Bemerkung.

Het komt erop aan de uitspraken juist te formuleren. Als men niet goed individualiseert – wat lastig is – en als men de uitspraken te streng formuleert, vervreemdt men zich van heel veel mensen. Het doel zou bijvoorbeeld moeten zijn dat, wanneer iemand een notoire nietsnut is, men schrijft dat het dringend te hopen valt dat hij zich in het komende jaar zal herpakken. Veel hangt af van de formulering. Zelfs tekortkomingen moeten positief worden verwoord, al moet men wel streng zijn wat de formulering betreft.
We zijn het erover eens dat we de getuigschriften op dezelfde manier zullen uitreiken als vorig jaar: door een zo waarheidsgetrouw mogelijk beeld te schetsen. Onderaan het getuigschrift van elk kind moet opnieuw een spreuk staan ​​die als leidraad voor de individualiteit van het kind kan dienen – een leidend thema voor de toekomst. Aangezien het kind dit getuigschrift behoudt,
wil ik graag dat elke leerkracht die met het kind heeft gewerkt, het ondertekent. Ik wil dat elk kind over alle handtekeningen beschikt. Het is van betekenis voor de kinderen om de handtekeningen te hebben van alle leerkrachten die met hen
hebben gewerkt. De naam van de klassenleerkracht moet erbij staan, aangeduid als “Klassenleerkracht”, zodat het kind weet: “Bij diegene hoor ik”; de anderen moeten daaronder worden vermeld. Het zou goed zijn als de leerkrachten de tekst zelf schrijven – waarbij de klassenleerkracht het langste gedeelte
schrijft en elke andere leerkracht een korte opmerking toevoegt. <6>

Zur Frage der Versetzung.

Wat betreft de overplaatsing:

Dr. Steiner: Es blieben eigentlich diese beiden Geschwister P., und
dann wäre sonst fast niemand, nur der F. Die H. M. kann auch in die
Hilfsklasse kommen. Die anderen würden wir mitnehmen.
Jetzt kommt die Frage der Hilfsklasse. Es wird sich darum handeln, ob wir eine Lehrkraft brauchen. Dr. Schubert sollte sie übernehmen.
Es wird die Liste der Lehrer aufgestellt, die den Hauptunterricht erteilen.

In feite zijn alleen de twee P.-kinderen nog over, en
verder nauwelijks iemand anders – alleen F. H. M. zou ook in de
bijzondere klas geplaatst kunnen worden. De anderen zouden we erbij nemen.
Nu rijst de vraag over de bijzondere klas. Het zal ervan afhangen of we daarvoor een leerkracht nodig hebben. Dr. Schubert zou die taak op zich nemen.
Er wordt een lijst opgesteld van de leerkrachten die de hoofdlessen zullen verzorgen.

Dr. Steiner: Wie wäre es, wenn man den Dr. Schwebsch aus Berlin
herbeorderte? Er soll am 11. Juni herkommen.
Wir bekommen im Herbst Fräulein Dr. Röschl für Latein und Griechisch, das wird natürlich eine sehr gute Zuwachskraft sein. — Nun brauchen wir noch eine Verbesserung, eine neue Kraft für die neueren Sprachen, und wenn es der junge Englert wäre. Er ist noch sehr jung. Er soll auch am 11. Juni hierher oder vorher nach Dornachkommen.

Wat dacht u ervan om Dr. Schwebsch uit Berlijn te halen? Hij komt op 11 juni aan.
In de herfst komt Dr. Röschl erbij voor Latijn en Grieks; zij zal uiteraard een zeer waardevolle aanwinst voor het lerarenkorps zijn. — Nu hebben we nog een verbetering nodig – een nieuwe leerkracht voor moderne talen – misschien de jonge Englert. Hij is nog erg jong. Ook hij zou hierheen moeten komen – of eerst naar Dornach – op 11 juni.

Es wird über den freien Religionsunterricht berichtet. 

<7> Er wordt verslag uitgebracht over de vrije godsdienstles.

Blz. 286

Ein Klassenlehrer sagt, er sei bei den Religionsstunden seiner Klasse dabei
gewesen, um auf Ordnung zu sehen; er sei sich wie ein Wauwau vorgekommen.

Een klassenleerkracht vertelt dat hij bij de godsdienstlessen van zijn klas aanwezig was om de orde te handhaven; hij voelde zich daarbij slechts een opzichter.

Dr. Steiner: Es ist schon so, diese eine Ausnahme ist doch in einem
gewissen Sinne möglich. Das ist dies, daß man festhält, was wir zu unserer Pädagogik rechnen. Wir müssen annehmen, daß die Klassen und der Lehrer zusammengehören. Weil die Religionsstunden verschiedene Klassen zusammen haben, so halte ich es für durchaus möglich, wenn der betreffende Klassenlehrer in der Klasse ist, während ein anderer Lehrer Unterricht erteilt. Wir kommen auch kaum anders über die Sache hinaus, als daß wir versuchen, kleinere Klassen zu machen.

Dat is inderdaad het geval; deze ene uitzondering is in zekere zin mogelijk. Het gaat erom vast te houden aan wat wij als onderdeel van onze pedagogie beschouwen. We moeten ervan uitgaan dat de klassen en de leerkracht bij elkaar horen. Aangezien bij godsdienstlessen verschillende klassen worden samengevoegd, vind ik het volkomen terecht dat de betreffende klassenleerkracht aanwezig is terwijl een andere leerkracht de les geeft. Er is nauwelijks een andere manier om dit probleem op te lossen dan door te proberen kleinere klassen te vormen.

X.: Es ist nicht immer innere Teilnahme dabei; es sind zu viele.

X.: Er is niet altijd sprake van innerlijke betrokkenheid; er zijn te veel leerlingen.

Dr. Steiner: Diese Gruppen sind zu groß. Das sollten sie nicht sein, damit der Unterricht innig sein kann.
Wir müssen ein Gefühl für die Jahreszeiten bei den Kindern erwecken. Und wir müssen mehr ins Auge fassen, daß die Kinder ein möglichst plastisches Bild des Christus bekommen; daß das in dem Mittelpunkt Ihrer Betrachtung steht, und zwar auf allen Stufen, so daß wir darauf zurückkommen, und das ganze Erdenleben des Christus im Mittelpunkt steht. Das persönliche Verhältnis zum Christus muß gehütet werden, auch auf der unteren Stufe, daß es wie eine Art
innerer Kultus hineinkommt. Das persönliche Verhältnis der Kinder zum Christus hüten! Es muß ein idealer Kultus in der Stunde sein.
Symbolik und Bild müssen eine Rolle spielen, so daß das Gefühl sehr stark mitgenommen wird.

Deze groepen zijn te groot. Dat zouden ze niet moeten zijn als het onderwijs diepgaand betrokken moet maken.
We moeten bij de kinderen een gevoel voor de seizoenen wekken. En we moeten er meer op toezien dat de kinderen een zo levendig en tastbaar mogelijk beeld van Christus krijgen – dat dit centraal staat in uw aanpak, in alle leerjaren, zodat we er steeds naar terugkeren en het aardse leven van Christus het middelpunt blijft. De persoonlijke relatie met Christus moet worden gevoed – ook in de lagere klassen – zodat deze een soort innerlijke daad van verering wordt. Voed de persoonlijke relatie van de kinderen met Christus! De les zelf moet een ideale daad van verering zijn. Symboliek en beeldspraak moeten een rol spelen, zodat de gevoelens diep worden aangesproken.

Als Religionslehrer gehören Sie nicht der Schule an. Den erteilen Sie, wie wenn Sie Pastor in einer anthroposophischen Kirche draußen wären und hereinkommen.
Was die Schulung vom vierzehnten Jahr an betrifft, die Pädagogik der über Vierzehnjährigen, so werden wir sehen, daß einige Stunden veranstaltet werden können, wenn ich am 10. zurückkomme. Das hängt zusammen mit dem, was Sie bourgeoise Methoden genannt haben.

Als godsdienstleraar maakt u geen deel uit van het schoolteam. U geeft het vak op vergelijkbare wijze als een voorganger van een antroposofische gemeente van buitenaf dat zou kunnen doen. <7>
Wat het onderwijs vanaf veertienjarige leeftijd betreft – de pedagogie voor leerlingen ouder dan veertien – zullen we bekijken hoe we enkele lessen kunnen inplannen wanneer ik op de 10e terugkom. Dit hangt samen met wat u “burgerlijke methoden” noemde.

X.: Im vorigen Jahr war soziale Erkenntnis als Lebenskunde fakultativ eingeführt worden.

X.: Vorig jaar werd “sociaal inzicht” – gegeven als een cursus praktische levensvaardigheden – als keuzevak ingevoerd.

Dr. Steiner: Das hängt zusammen mit der Didaktik der höheren Klassen. Die Lebenskunde würde am besten von uns erteilt werden.
Es müssen dann die sprachlichen Fächer dafür wegbleiben. Die alten

Dat heeft betrekking op de onderwijsmethoden voor de hogere
klassen. Idealiter zouden wijzelf deze cursus levensvaardigheden moeten geven.
Er zouden dan taalvakken moeten vervallen om er ruimte voor te maken.

Blz. 288

Praktiker, die zweijährige Schulpraxis durchgemacht haben, müßten
solche Gegenstände geben.

Ervaren leraren – zij die twee jaar praktijkervaring in het onderwijs hebben opgedaan – zouden dergelijke vakken moeten geven.

Über eine n Sonderkurs für Eurythmie.

<8>Met betrekking tot een speciale euritmiecursus.

Eine Eurythmielehrerin: Die Aufführung war außerordentlich fruchtbar; sie
tat sehr viel, um die Waldorfschule bekanntzumachen. Es wird sich so herausstellen, daß eine Extragruppe gebildet wird.

Een euritmiedocent: De voorstelling was buitengewoon vruchtbaar; ze heeft veel bijgedragen aan de bekendheid van de vrijeschool. Het heeft er alle schijn van dat er een speciale groep gevormd zal worden.

Dr. Steiner: Man kann zweierlei machen: entweder wir machen Aufführungen mit den Kindern der Waldorfschule, dann müssen wir dabei stehenbleiben, aus der gewöhnlichen Kinderschar auszuwählen, oder wir verzichten darauf und machen es mit einer Gruppe. Das wären nicht Kinder der Waldorfschule. Wir würden das nicht mehr als Leistungen der Waldorfschule als solche in die Öffentlichkeit hineinführen können. Man kann diese zwei Dinge machen: entweder wir machen Aufführungen mit den Kindern der Waldorfschule, dann
dürfen wir keine Sondergruppe bilden, oder wir bilden — das kann eingerichtet werden — eine Sonderabteilung für Eurythmie an der Waldorfschule, die nebenherläuft. Das kann hier ganz offiziell dabei sein. Dann können wir sagen: ,, Aufführungen mit Schülern der Sonderklasse der Waldorfschule.”

Er zijn twee mogelijke benaderingen: ofwel we brengen voorstellingen met de leerlingen van de vrijeschool – waarbij we ons moeten beperken tot een selectie uit de algemene leerlingenpopulatie – ofwel we zien daarvan af en werken met een aparte groep. Dat zouden dan geen leerlingen van de vrijeschool zijn. We zouden dergelijke voorstellingen dan niet meer aan het publiek kunnen presenteren als werk van de vrijeschool zelf. We hebben twee opties: ofwel we brengen voorstellingen met de leerlingen van de vrijeschool – wat betekent dat we geen speciale groep kunnen vormen – ofwel we richten (wat haalbaar is) een speciale euritmieafdeling op binnen de vrijeschool, die naast het reguliere programma loopt. Dit zou officieel geïntegreerd kunnen worden. Dan zouden we kunnen zeggen: “Voorstellingen door leerlingen van de speciale klas van de vrijeschool.”

X.: Wenn die Kinder singen würden in einem Chor, dann müßten sie auch
ausgesucht werden.

X.: Als de kinderen in een koor zouden zingen, zouden ze ook geselecteerd moeten worden.

Dr. Steiner: Wenn es so wäre, daß man einen Chor bildet aus den einzelnen Schülern, das ist eine Sache, die kaum gut vorkommen kann. — Entweder die Leistungen nehmen, wie sie gerade treffen, oder wir errichten eine besondere Eurythmieabteilung. Beides kann gemacht werden, vielleicht sogar bloß nach Sympathie, nach Antipathie. Es wird eine große Menge begabter Eurythmisten geben, die auf diese Weise verwendet werden können. Wir dürfen es dann aber
nicht als Aufführung der Waldorfschule deklarieren.

Als men uit de individuele leerlingen een koor zou willen samenstellen, is dat iets dat nauwelijks goed kan werken. — Ofwel men neemt de talenten zoals ze nu eenmaal zijn, ofwel we richten een speciale euritmie-afdeling op. Beide is mogelijk, misschien zelfs simpelweg op basis van persoonlijke voorkeur. Er zullen heel wat begaafde euritmisten zijn die op die manier kunnen worden ingezet. Maar dan moeten we het niet bestempelen als een voorstelling van de Waldorfschool.

X.: Man könnte aus den größeren Mädchen eine Gruppe bilden.

X.: Men zou een groep kunnen vormen uit de oudere meisjes.

Dr. Steiner: Man könnte es ganz gut machen, wenn man Aufführungen von der Waldorfschule macht. Sie sehen, die kleinen Sputzen, die haben den größten Erfolg. Es kann eine Sonderabteilung von vorgerückten Eurythmisten sein. Das einzige ist, daß man diejenigen, die also Eurythmie als Beruf treiben, dispensiert von der gewöhnlichen Eurythmieübung. Solche Dinge können vorkommen. Das müßten Sie einrichten ganz als eine von der Schule getrennte Sache.
Ich glaube, es sind solche da, die brennend gerne Eurythmie treiben würden, nur wäre es schön, wenn auf diesem Wege wenigstens, wenn auch nur als Surrogat,

Het zou heel goed kunnen werken als men voorstellingen vanuit de Waldorfschool brengt. Kijk, de kleine meisjes, die boeken het meeste succes. Het zou een speciale afdeling van gevorderde euritmisten kunnen zijn. Het enige punt is dat degenen die euritmie beroepsmatig beoefenen, vrijgesteld zijn van de reguliere euritmielessen. Zulke dingen kunnen voorkomen. Je zou dat moeten opzetten als iets dat volledig losstaat van de school.
Ik geloof dat er enkelen zijn die heel graag aan euritmie zouden willen doen,
maar het zou mooi zijn als er op zijn minst op deze manier – al is het maar als vervanging –

Blz. 288

einige junge Buben hineinkommen würden. In Dornach haben wir nur den einzigen S., der braucht ein halbes Jahr, um eine Vorstellung vorzubereiten, so daß wir niemals männliche Eurythmisten auf der Bühne sehen. Wie die Eurythmie eingerichtet worden ist, das war in München, da sind die Herren aufgetreten; mit vier Männern haben wir debütiert. Dann ist immer mehr und mehr die Männlichkeit in den Hintergrund getreten. Die Damen sind
begabter gewesen. Hier sind die Studenten sehr begabt. Es ist ganz merkwürdig, wie viel bessere Doktoren die Damen sind als die Männer.

 enkele jonge jongens bij zouden kunnen komen. In Dornach hebben we er maar één – S. – en hij doet er een half jaar over om een ​​voorstelling voor te bereiden, waardoor we nooit mannelijke euritmisten op het toneel zien. Toen de euritmie net ontstond – in München was dat – traden er wel degelijk mannen op; we debuteerden met vier mannen. Daarna raakte het mannelijke element steeds meer op de achtergrond. De vrouwen waren begaafder. Hier zijn de leerlingen zeer begaafd. Het is heel opmerkelijk hoeveel beter de vrouwen als arts zijn dan de mannen.

X.: Die Kinder der oberen Klassen, die sich musikalisch ausbilden wollen, müssen anfangen, sich zu üben. Könnten die nicht von den Stunden dispensiert werden, die durch schwere Körperarbeit die Geschicklichkeit der Finger
behindern?

X.: Leerlingen in de hogere klassen die een muzikale opleiding willen volgen,
moeten beginnen met oefenen. Zouden ze niet vrijgesteld kunnen worden van lessen die de vingerbehendigheid belemmeren door zware lichamelijke arbeid?

Dr. Steiner: Nach dieser Richtung könnte man den Lehrplan individualisieren. Das könnte man schon machen. Wir sollten auch daran denken, besondere Übungsräume zu haben. Es müssen die Dinge bleiben, die Menschenbildung geben; sonst kann man spezialisieren.

Het lesprogramma zou in dat opzicht kunnen worden geïndividualiseerd.
Dat is zeker iets wat gedaan zou kunnen worden. We zouden ook kunnen overwegen om speciale oefenruimtes in te richten. We moeten de elementen
behouden die de menselijke ontwikkeling bevorderen; daarnaast kan men zich specialiseren. <8>

X.: Die Schüler haben in der Schülerbibliothek gefragt, ob sie Werke von Dr.
Steiner lesen dürfen. Sollen die älteren Kinder etwas sozial Gerichtetes
bekommen?

<9> X.: Leerlingen hebben in de schoolbibliotheek gevraagd of ze werken van dr.
Steiner mogen lezen. Zouden de oudere kinderen iets met een maatschappelijke insteek moeten krijgen?

Dr. Steiner: Wenn wir die 10. Klasse einrichten, so werden wir auch durch die Lektüre erzieherisch wirken müssen. Es ist im allgemeinen noch etwas früh, diese Dinge zu geben. Dagegen würde es vielleicht möglich sein, einzelne Zyklen zu geben, wenn sie entsprechend gedruckt würden. ,»Christentum als mystische Tatsache”, vielleicht auch die „Theosophie”. Da müssen Präliminarien ausgearbeitet werden.

Wanneer we de tiende klas opzetten, zullen we ook via de leesstof een pedagogische invloed moeten uitoefenen. Over het algemeen is het nog wat vroeg om dit soort materiaal aan te bieden. Aan de andere kant zou het wellicht mogelijk zijn om afzonderlijke voordrachtenreeksen aan te bieden – mits ze in een geschikte vorm zijn uitgegeven. *Het christendom als mystiek feit*, en misschien ook *Theosofie*. Daarvoor zouden dan wel de nodige voorbereidingen getroffen moeten worden.

Es wird gefragt, ob die Schüler Vorträge von Dr. Steiner besuchen dürfen.

Er wordt gevraagd of de leerlingen lezingen van Dr. Steiner mogen bijwonen.

Dr. Steiner: Meinen Sie, daß es eine große Erbauung gibt, ein solcher Vortrag? Vielleicht können wir doch nicht herumkommen, diese Sache den Eltern zu überlassen. Wir können keine Verfügung treffen.
Die Eltern müssen das tun und auch selber verantworten.

Denkt u dat zo’n lezing grote geestelijke verdieping biedt? Misschien ontkomen we er uiteindelijk niet aan om deze kwestie aan de ouders over te laten. Wij kunnen daar geen beslissing over nemen. De ouders moeten zelf beslissen en de verantwoordelijkheid dragen. <9>

Es wird gefragt, ob man ein Mitteilungsblatt herausgeben und „Pädagogische
Wochen” für Lehrer veranstalten soll. Die Diskussionen mit den Lehrern
waren doch recht erfreulich.

Er wordt gesproken over het uitbrengen van een nieuwsbrief en het organiseren van ‘pedagogische weken’ voor leraren. De gesprekken met de leraren zijn veelbelovend verlopen.

Dr. Steiner: Über was diskutieren Sie denn?

Dr. Steiner: Wat voor onderwerpen bespreekt U?

X.: Über das Verhältnis von Schule und Staat; auch mancherlei Pädagogisches.

X.: De verhouding tussen school en staat; daarnaast diverse pedagogische kwesties.

Blz. 289

Dr. Steiner: Ich halte es für einen Luxus. Die wesentlichen Punkte mißversteht man am meisten. Wenn Sie mit der Bewegung weiterkommen wollen, müssen Sie an die Konsumenten gehen, nicht an die Fabrikanten. Man kann das machen als nettes Plauderstündchen, heraus kommt dabei nichts. Ich habe mich nie widersetzt; wenn Sie finden, daß man es tun soll, so tun Sie es nur ruhig. Es ist schon soviel Kraft verpufft worden, indem man immer wieder neue Sachen unternimmt, die eigentlich aussichtslos sind. In der Schweiz kann man sich den Luxus gönnen, auch unter der Lehrerschaft zu agitieren. Wir haben es erlebt beim Osterkurs, daß die Schweizer gesagt haben: Bei uns sind die Schulen frei. — Die Schweizer Schulen sind ganz versklavt. Ich glaube nicht, daß wir uns dafür zu ereifern brauchen.
Wir können das Waldorfschul-Prinzip nur zum Modell machen. Eine zweite Schule werden wir nicht mehr errichten können. Sie wird ein Modell bleiben, so daß wir also auch nicht etwas anderes brauchen, als diese Schule als Modell zu erhalten, bis daß man sie aus Wut aufhebt. Einen Sinn hat es jetzt nur, gegen dieses Schulgesetz mit einer Weltbewegung sich aufzulehnen. Es ist die höchste Zeit, fiir den Weltschulverein etwas zu tun.

Ik beschouw het als een luxe. Juist de essentiële punten worden vaak verkeerd begrepen. Als u met de beweging vooruitgang wilt boeken, moet u zich tot de consumenten richten, niet tot de fabrikanten. U kunt het wel als een aangenaam gesprek voeren, maar dat zal tot niets leiden. Ik heb nooit in de weg gestaan; als u vindt dat het moet gebeuren, doe het dan vooral. Er is al zoveel energie verspild aan het steeds weer opzetten van nieuwe initiatieven die in wezen zinloos zijn. In Zwitserland kan men zich de luxe veroorloven om onder het onderwijzend personeel campagne te voeren. Dat zagen we tijdens de paascursus, waar de Zwitsers zeiden: “Onze scholen zijn vrij.” — Zwitserse scholen zijn volledig geknecht. Ik geloof niet dat we ons daarover druk moeten maken. We kunnen van het vrijeschoolprincipe slechts een model maken. Het zal ons niet lukken een tweede school op te richten. Het zal bij dat ene model blijven; we hoeven dus niets anders te doen dan deze school als model in stand te houden, totdat ze uit rancune wordt gesloten. Het enige dat nu zinvol is, is om als onderdeel van een wereldwijde beweging in verzet te komen tegen deze onderwijswet. Het is de hoogste tijd om iets te doen voor de Wereldschoolvereniging.

Es handelt sich darum, den Weltschulverein ins Leben zu rufen, so daß eine Riesenbewegung für die Verselbständigung des Unterrichtswesens, für die Befreiung des Schulwesens international durch die Welt ginge. Deshalb glaube ich, wir sollten jetzt diese Schule mit ihrer Schülerzahl so innerlich gediegen
wie möglich machen, und nach oben ausbauen. Jedes Jahr eine neue Klasse, und nach oben ausbauen.
Das Mitteilungsblatt wird aus Mangel an Mitarbeiterschaft nicht gehen. Pädagogische Woche ist ein Luxus. Ist noch etwas?

Het doel is om een ​​wereldwijde schoolvereniging op te richten, zodat een enorme beweging voor de autonomie van het onderwijs – voor de bevrijding van het schoolsysteem – zich over de wereld kan verspreiden. Daarom ben ik van mening dat we deze school – met de huidige leerlingenpopulatie – nu zo
intern solide mogelijk moeten maken en naar boven toe moeten uitbreiden.
Elk jaar een nieuwe klas toevoegen en naar boven toe uitbreiden.
Een nieuwsbrief is niet haalbaar bij gebrek aan personeel. Een “pedagogische week” is een luxe. Is er nog iets anders?

Frage nach der Schlußfeier.

Vraag over de afsluitende bijeenkomst.

Dr. Steiner: Die Schlußfeier könnte man im Kuppelsaal des Kunstgebäudes machen. Wenn sie so gemacht wird, daß die Kinder einen Schlußpunkt haben, ein paar Gedanken aufnehmen, so ist es doch gut. Es gehört zum ganzen im seelischen Erleben, sonst gehen die Kinder bloß fort und beginnen ein neues Schuljahr: sie werden zuletzt zu gleichgültig. Die Schlußfeier ist der Abschluß eines ganzen Schuljahres. Daß nur acht Tage Ferien dazwischenliegen, ist eine
Ausnahme. Es ist eine neue Klasse, die jede Schülerklasse dann beginnt. Es muß nicht prosaisch werden.
Warum sind denn die Monatsfeiern nicht mehr gewesen? Es ist sehr schade. Ich glaube schon, daß wir sie machen sollten.

De afsluitende bijeenkomst zou in de Koepelzaal van het Kunstgebouw kunnen plaatsvinden. Als deze zo wordt vormgegeven dat de kinderen een gevoel van afronding ervaren en enkele gedachten meenemen, dan is dat een goede zaak. Het maakt deel uit van de totale ervaring voor het zielenleven; anders vertrekken de kinderen simpelweg en beginnen ze aan een nieuw schooljaar – ze worden uiteindelijk te onverschillig. De afsluitende bijeenkomst markeert het einde van een volledig schooljaar. Dat er tussendoor slechts een pauze van acht dagen is, vormt een uitzondering. Elke klas begint in feite aan een nieuw leerjaar. Het hoeft geen alledaagse aangelegenheid te worden.
Waarom zijn de maandelijkse bijeenkomsten stopgezet? Dat is erg jammer. Ik ben van mening dat we ze wel zouden moeten houden.

GA 300A/278-289

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3603-3396

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het geheugen (4)

.

In deel 3 belichtte ik een bepaalde kant van ‘het sterker maken’ van het etherlijf van het kind.
Sterker maken omdat het de drager is van het geheugen en het geheugen is een zeer belangrijk vermogen om mens te kunnen zijn.

Zonder geheugen zou het leven niet meer menswaardig zijn: we zouden geen verleden kennen; we zouden iedere dag alles weer van voren af aan moeten leren.

In deel 1 en 2 van deze serie zijn daar van Steiner diverse uitspraken over te vinden, die allemaal neerkomen op:

( ) die Eindrücke von gestern werden durch das Gedächtnis dauernd für meine Seele.

Door middel van de herinnering bewaart de ziel het gisteren;
GA 9/39
Vertaald/54

Wanneer je Steiners uitspraken over het etherlijf bestudeert, zal je zeer veel tegenkomen dat het ‘de drager van gewoonten’ is. Soms doet hij net iets meer mededelingen, waardoor je telkens ook nieuwe gezichtspunten krijgt.

(  )  der Träger der Gewohnheiten, der bleibenden Neigungen, des Temperamentes und des Gedächtnisses.

(het etherlijf ) de drager van gewoonten, van diepgewortelde neigingen, van het temperament en het geheugen.
GA 34/317
Vertaald

Was im Gedächtnis lebt, was wir uns merken von Tag zu Tag, lebt in unserem Äther- oder Lebensleib. Daß wir einmal ein Klavierstück spielen, liegt in unserem astralischen Leibe; daß wir die Fähigkeit, die Gewohnheit des Spielens erwerben, liegt im Ätherleibe. Alle Gewohnheiten sind im Ätherleibe oder Lebensleibe. Wenn wir ein sittliches Urteil fällen, so ist das wieder eine Tat des astralischen Leibes. Wenn sich uns eine gewisse Richtung des Urteilens durch wiederholtes Urteilen einprägt, so wird das sittliche Urteil zu einem dauernden, zum Gewissen.

Wat in ons geheugen voortleeft – wat we van dag tot dag behouden – zetelt in ons ether- of levenslichaam. Het daadwerkelijke spelen van een pianostuk op een bepaald moment behoort tot het astraallijf; het verwerven van de vaardigheid of gewoonte om te spelen behoort tot het etherlijf. Alle gewoonten zetelen in het ether- of levenslichaam. Wanneer we een moreel oordeel vellen, is dat op zijn beurt een daad van het astraallijf. Als een bepaalde manier van oordelen in ons verankerd raakt door herhaalde oordeelsvorming, dan wordt het morele oordeel iets blijvends: het wordt geweten.
GA 57/272-273
Niet vertaald

Alles, was der Mensch an seinem Ätherleib ausbildet, entwickelt sich, wenn auch sehr langsam, und die Erziehung kann dafür sorgen, ganz bestimmte Gewohnheiten heranzuziehen. Das, was im Ätherleib im einen Leben vorgeht, kommt im nächsten Leben im physischen Leibe zum Dasein. Alle Neigungen und Gewohnheiten des jetzigen Ätherleibes geben im nächsten Leben die Disposition zu Gesundheit oder Krankheit.

Alles wat iemand in zijn etherlijf ontwikkelt, groeit – zij het heel langzaam – en door opvoeding kunnen bepaalde gewoonten worden bevorderd. Wat zich in het ene leven in het etherlijf afspeelt, manifesteert zich in het volgende in het fysieke lichaam. Alle neigingen en gewoonten van het huidige etherlichaam bepalen de aanleg voor gezondheid of ziekte in het volgende leven.
GA 95/65
Vertaald: Antroposofie voor het leven/v.a. blz. 63

Dieser Ätherleib ist der Träger der Gewohnheiten des Menschen. Er ist vor allem der Träger des Gedächtnisses und des Temperamentes, überhaupt von alledem, was bleibende seelische Eigenschaften im Menschen sind. Wenn wir vom Seelischen des Menschen sprechen, so meinen wir nicht zuletzt das Temperament und die ursprüngliche Charakteranlage. Das drückt sich der Form nach im Ätherleibe aus.

Dit etherlijf is de drager van de gewoonten van een mens. Het is bovenal de drager van het geheugen en het temperament – ​​ja, van alles wat de blijvende zielskwaliteiten van een mens uitmaakt. Wanneer we over de menselijke ziel spreken, doelen we niet in de laatste plaats op temperament en aangeboren karaktereigenschappen; deze vinden hun uitdrukking in de vorm van het etherlijf.
GA 96/106
Niet vertaald

Was also im Leben vorübergehend in uns aufleuchtet und wieder verschwindet, haftet im Astralleib. Was jedoch zum blei­benden Lebensstock des Menschen gehört, insofern es sich seelisch ausdrückt, alles was in die Gewohnheit eingeht, so daß der Mensch es sich durch lange Zeit des Lebens hindurch, vielleicht auf immer merkt, alles, was mit dem Temperament zu tun hat, das ist im Ätherleib, der dichter ist als der Astralleib. Wenn es dem Menschen ge­lingt, eine Gewohnheit, eine Temperamentseigenschaft zu ändern, wenn er zum Beispiel eine gewohnheitsmäßige Nachlässigkeit ablegt und ein achtsamer Mensch wird, so zeigt sich das im Ätherleib und nicht bloß im Astralleib. Wenn ein Mensch viel lernt und es so auf-nimmt, daß es nach und nach ganz sein seelisches Eigentum und Bestandteil seines Inneren wird, so daß er es nicht nur weiß, sondern im tieferen Sinne besitzt, so ändert er damit die Konfiguration seines Ätherleibes. Wenn jemand einen moralischen Grundsatz aufnimmt und sich immer wieder sagen muß: Der Grundsatz besteht, daher befolge ich ihn – dann haftet er doch nur im Astralleib. Wenn er aber so in ihn einzieht, daß er nicht mehr anders kann, dann haftet er im Ätherleib. Das Übergehen vom Astralleib in den Ätherleib vollzieht sich im Leben langsam und allmählich.

Alles wat tijdens het leven tijdelijk in ons opflakkert en vervolgens weer verdwijnt, hecht zich dus aan het astraallijf. Wat echter tot de blijvende substantie van iemands leven behoort – voor zover dit tot uitdrukking komt in de ziel –, alles wat een gewoonte wordt (zodat men het langdurig, misschien wel voor altijd, behoudt) en alles wat met het temperament samenhangt, zet zich vast in het etherlijf; dit is dichter van aard dan het astraallijf. Wanneer iemand erin slaagt een gewoonte of een temperamenttrek te veranderen – bijvoorbeeld door een gewoonte van slordigheid af te leggen en een oplettend mens te worden –, dan manifesteert deze verandering zich in het etherlijf, en niet slechts in het astraallijf. Wanneer iemand veel leert en dit zodanig in zich opneemt dat het geleidelijk een wezenlijk deel van het innerlijk wordt – zodat men het niet alleen weet, maar in diepere zin ook bezit –, verandert men daarmee de configuratie van het etherlijf. Als iemand een moreel principe aanvaardt, maar zichzelf steeds moet voorhouden: “Dit principe bestaat, dus zal ik ernaar handelen”, dan blijft dit slechts in het astraallijf verankerd. Maar als dat principe zo diep in de aard van de persoon overgaat dat deze niet anders meer kan handelen, dan hecht het zich aan het etherlijf. Deze overgang van het astraallijf naar het etherlijf voltrekt zich langzaam en geleidelijk in de loop van een mensenleven.
GA 96/108
Niet vertaald

Der Ätherleib hat die beiden Hauptaufgaben einmal alle Lebensfunktionen des physischen Körpers anzuregen, das heiβt, die Substanz des physischen Körpers dauernd vor dem Zerfall zu schützen und den Aufbau dieser Substanz zu regeln; dann aber bildet der Ätherleib den Sitz des Gedächtnisses.

Het etherlijf heeft twee hoofdtaken: ten eerste het stimuleren van alle vitale functies van het fysieke lichaam – dat wil zeggen: de substantie van het fysieke lichaam voortdurend beschermen tegen verval en de opbouw van die substantie reguleren; en ten tweede dient het  als zetel van het geheugen.
GA 100/38
Niet vertaald

Dit zijn maar enkele citaten uit een groter aantal.

M.n. in GA 96 geeft Steiner aanwijzingen voor wat er in de tijd van 7 – 14 jaar voor het etherlijf moet gebeuren:

1] Goede gewoontes aan te leren.

2] In deze periode moet ook aan het geheugen worden gewerkt. Het is daarom noodzakelijk dat het kind degelijke gewoontes aanleert en een schat aan kennis uit het hoofd leert.

3] Naast het goede voorbeeld, ook directe instructie op basis van autoriteit.
Door het kind voortijdig vrij te laten wat de autoriteit betreft, ontneem je het etherlijf de kans op een grondige vorming.

4] Voorbeelden en gelijkenissen geven i.p.v. bewijzen en oordelen.

5] Het kind moet zoveel mogelijk over grote persoonlijkheden worden verteld.
Het is net zo belangrijk om het kind geen morele principes bij te brengen, maar morele parabels.
Hoe meer je beeldspraak gebruikt, hoe meer effect je op het kind hebt.

6] Het etherlijf verkommert, wordt zwak en ongeschikter als het geen inspiratie kan putten uit grote voorbeelden.

Op deze aspecten zal in aparte artikelen worden ingegaan (nog niet oproepbaar)

.

Rudolf Steiner over: geheugen

Geheugen, herinnerenalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3599-3392

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 305 – slotwoord

.

In de vertaling van GA 305 :
Onderwijs en opvoeding’ zijn de voordrachten 10, 11 en 12 niet opgenomen.

Die staan op deze blog vertaald [10]  [11]  [12]

Het slotwoord van 28 augustus 1922 ontbreekt eveneens in de Nederlandse uitgave.

Het wordt hieronder weergegeven.

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst
Spirituelle Werte in Erziehung und sozialem Leben

Opvoeding en onderwijs
Spirituele grondslagen

Schlusswort
anläßlich einer Gründungsversammlung einer Vereinigung, die in
England im Sinne dieser Vorträge wirken wollte

Slotwoord
bij de oprichtingsbijeenkomst van een vereniging
die in Engeland in de geest van deze voordrachten wil werken

Blz. 255

Oxford, 28 augustus 1922

Meine Damen und Herren, aus der Art, wie ich mir erlaubte, diese Vorträge hier vor Ihnen zu halten, werden Sie ja entnehmen können, wie ernst mir die Summe der Impulse ist, welche durch die besondere Erziehungsmethode ja nur, ich möchte sagen, einen partiellen Ausdruck finden für das Gebiet desjenigen, was nach meiner Meinung im gegenwärtigen Augenblicke der Menschheitsentwickelung durch eine vertiefte Lebensauffassung, durch eine wirklichkeitsgemäße Lebensauffassung geschehen soll. Und wenn Sie den Grundton nehmen, den ich glaube eingehalten zu haben in diesen Vorträgen, dann werden Sie mir glauben, daß es aus dem tiefsten Herzen heraus gesprochen ist, wenn ich Ihnen herzlich dafür danke, nicht so sehr selber als im Namen der Sache, für die ich ja mein ganzes Dasein einstellen möchte, wenn ich Ihnen herzlich danke dafür, daß Sie sich entschlossen haben, hier für diese Gegend die Sache in die Hand zu nehmen.

Dames en heren, uit de wijze waarop ik deze voordrachten aan u heb gepresenteerd, zult u ongetwijfeld opmaken hoe serieus ik de samenhang van impulsen beschouw – impulsen die via deze specifieke onderwijsmethode weliswaar slechts ten dele tot uitdrukking komen, maar die toch verband houden met wat in mijn ogen in dit stadium van de menselijke evolutie bereikt zou moeten worden door een verdiept, op de werkelijkheid gericht levensinzicht. En als u let op de grondtoon die ik in deze voordrachten heb trachten te handhaven, zult u mij geloven wanneer ik – vanuit het diepst van mijn hart, en niet zozeer uit eigen belang als wel ten dienste van de zaak waaraan ik mijn gehele bestaan ​​wil wijden – u oprecht dankzeg voor uw besluit om deze zaak hier in deze regio ter hand te nemen.

Es ist zu wünschen, daß innerhalb der Gemeinschaft, die Sie zu bilden beschlossen haben, aus den Entschlüssen heraus, die Sie sich vorgenommen haben, eine Anzahl von Persönlichkeiten sich einfindet, welche mit ihrer Kraft dasjenige tragen, von dem Sie sich nach dem heutigen Meeting einiges versprechen.
Es handelt sich bei einer solchen Sache immer, meine Damen und Herren, darum, daß Persönlichkeiten die Sache tragen. Und dasjenige, was anthroposophische Bewegung genannt wird, kann nur dadurch in der Welt vorwärtskommen, daß einzelne Persönlichkeiten sie tragen.
Vereinigungen, Gesellschaften müssen da sein; aber das Wichtigste ist, daß Persönlichkeiten herauswachsen aus den Gesellschaften, die mit der unmittelbaren Kraft des Menschen dasjenige tragen, was als das Richtige eingesehen werden muß.
Wenn wir an die so wichtige Position denken, in der sich insbesondere die Bevölkerung dieses Landes im gegenwärtigen welthistorischen Augenblicke befindet, und wenn wir ernst nehmen die Verantwortung, die aus dieser Position hervorgeht, dann können wir uns auch sagen, daß aus einem solchen Beschlüsse, wie Sie ihn heute gefaßt haben, etwas außerordentlich Wichtiges hervorgehen kann.

Het is te hopen dat er binnen de gemeenschap die u voornemens bent te vormen – en voortvloeiend uit de besluiten die u heeft genomen – een aantal individuen zal opstaan ​​die op eigen kracht datgene zullen dragen waarvan u na de bijeenkomst van vandaag zoveel verwacht.
Bij een onderneming als deze, dames en heren, hangt alles af van individuen die de zaak vooruithelpen. De beweging die bekendstaat als de antroposofische beweging kan in de wereld immers alleen vooruitkomen als individuele persoonlijkheden haar schragen. Uiteraard moeten er verenigingen en genootschappen bestaan; toch is het allerbelangrijkste dat er vanuit deze genootschappen individuen naar voren treden die – puttend uit de directe kracht van de menselijke geest – staande houden wat als juist wordt erkend.
Wanneer we de cruciale positie beschouwen waarin de bevolking van dit land zich op dit specifieke moment in de 

Blz. 256

welthistorischen Augenblicke befindet, und wenn wir ernst nehmen die Verantwortung, die aus dieser Position hervorgeht, dann können wir uns auch sagen, daß aus einem solchen Beschlüsse, wie Sie ihn heute gefaßt haben, etwas außerordentlich Wichtiges hervorgehen kann. Denn mag auch heute
das Häuflein der Menschen noch klein sein, die sich sagen: Die Welt
braucht einen Einschlag ins Geistige —, es wird davon abhängen, ob das
kleine Häuflein zu einer immer größeren Masse wird, daß die Welt
überhaupt durch neue Impulse in ihrer Entwickelung vorwärtskomme.
Was ich heute morgen im Vortrag mir zu sagen erlaubte: Die alten
Impulse, sie sind im Grunde genommen alle abgelaufen. Wir reden noch
in den alten Worten; Zahlen, und starke Parteien reden in den alten
Worten. Versuchen wir in neuen Worten zu reden, und versuchen wir, daß die Sache in die Wirklichkeit eindringe. Berauschen wir uns nicht daran, daß wir spirituelle Werte hineintragen wollen in die Entwickelung. Berauschen wir uns nicht daran! Seien wir uns klar darüber, daß «Hineintragen spiritueller Werte in die Wirklichkeit», geradeso Schlagwort werden kann, wie irgend etwas anderes Schlagwort geworden ist.

wereldgeschiedenis bevindt, en wanneer we de verantwoordelijkheid die uit die positie voortvloeit serieus nemen, kunnen we tegen onszelf zeggen dat er uit het besluit dat u vandaag heeft genomen, wel eens iets van buitengewoon belang zou kunnen voortkomen. Want ook al is het aantal mensen dat tegen zichzelf zegt – “de wereld heeft een injectie van het spirituele nodig” – vandaag de dag nog klein, het hangt ervan af of dat kleine groepje uitgroeit tot een steeds grotere
massa, wil de wereld in zijn evolutie überhaupt vooruit kunnen komen
door middel van nieuwe impulsen.
Wat ik in mijn voordracht van vanochtend [11] naar voren bracht, was dit:
De oude impulsen zijn in wezen allemaal uitgewerkt.
We spreken nog steeds in de oude termen; grote aantallen mensen en
machtige groeperingen spreken nog steeds in de oude termen. Laten we proberen in nieuwe termen te spreken en ervoor zorgen dat deze zaak
doordringt tot in de werkelijkheid. Laten we ons niet bedwelmen door het idee
dat we spirituele waarden in de evolutie willen brengen.
Laten we ons daardoor niet bedwelmen! Laten we ons goed realiseren dat
“het brengen van spirituele waarden in de werkelijkheid” net zo goed
een holle frase kan worden als al het andere.

Es kommt darauf an, daß wir mit vollem Herzen mit ganzem Gemüte einstehen für dasjenige, was aus dem Leben, durch das Leben, für das Leben geführt, gedacht und gewollt werden soll. Das ist es, worauf es ankommt.
Und wenn zunächst aus dieser Vereinigung hervorgeht dasjenige, was der Erziehung gegeben werden kann, und ich glaube, heute gegeben werden muß, so wird sicher etwas außerordentlich Schönes, und etwas, was mit den Entwickelungsbedingungen der Menschheit im gegenwärtigen Zeitraum zusammenhängt, aus diesen Ihren Entschlüssen hervorgehen.
Das ist es, was ich mir nur als ein paar Worte des herzlichsten Dankes
erlauben wollte zu sagen dafür, daß Sie heute Ihre Herzen vereinigt haben mit demjenigen, was in diesem Kursus vielleicht in Ideen ausgesprochen worden ist, aber was eigentlich durchaus ernstlich gemeint war und durch fühlendes Menschenwesen herausgeholt werden sollte aus der Entwickelung der Menschheit, um einen Impuls abzugeben für die Entwickelung in die Zukunft hinein.

Waar het op aankomt, is dat wij met hart en ziel staan ​​voor datgene wat vanuit het leven, door het leven en ten behoeve van het leven geleid, gedacht en gewild moet worden. Dat is wat telt.
En als uit deze verbondenheid datgene voortkomt wat aan het onderwijs kan – en, naar mijn overtuiging, vandaag de dag ook moet – worden meegegeven, dan zal er uit uw besluiten ongetwijfeld iets buitengewoon moois ontstaan, iets dat ten diepste verbonden is met de voorwaarden voor de menselijke ontwikkeling in het huidige tijdperk.
Ik wilde graag deze woorden van oprechte dank uitspreken, omdat u vandaag uw hart heeft verbonden met wat in deze cursus wellicht slechts als ideeën werd verwoord – maar wat wel met de grootste ernst was bedoeld en door voelende mensen aan de evolutie van de mensheid moest worden ontleend, om zo een impuls te geven aan de toekomstige ontwikkeling.
GA 305/25-256   

Voordracht 1 t/m 9 vertaald.    Voordracht 10      voordracht 11     voordracht 12
.

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Rudolf Steiner over pedagogievindplaatsen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3598-3391

.

.

.

.

           

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 23 maart 1921

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven.
Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan.
De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

Onrustige klas – hoe werkt het imponderabele <1>
8e klas geschiedenis: lezen Schiller ‘De dertigjarige oorlog’ <2>
Leerlingen lezen elkaar voor in Engelse les klas 7 Christmas Carol <3>

RUDOLF STEINER

.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart

1919 bis 1924

Erster Band

Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1

Het eerste en tweede schooljaar

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

Toevoegingen in blauw zijn van mij.

GA 300A

Blz. 273

Konferenz vom Mittwoch 23. März 1921, wohl abends

Vergadering van woensdag 23 maart 1921 – waarschijnlijk ’s avonds

Dr. Steiner (zu Ruhtenberg, der vertretungsweise die 5b übernommen hatte): Wie haben Sie sich hineingefunden in die 5. Klasse?

<1> (tot Ruhtenberg, die tijdelijk de leiding over klas 5b op zich had genomen): Hoe is het in de vijfde klas gegaan?

X.: Die Kinder sind schwatzhaft und unruhig.

X.: De kinderen zijn kletserig en onrustig.


Dr. Steiner: Auf was ist die Schwatzhaftigkeit zurückzuführen? Die frühere Lehrerin, Fräulein Lang, ist immer zurechtgekommen.

Wat is de oorzaak van dat kletsen? De vorige leerkracht, juffrouw Lang, had de zaak altijd goed onder controle.

X.: Ich habe bei ihr zugehört, bei ihr waren die Kinder durchaus ruhig.

X.: Ik heb haar lessen bijgewoond; bij haar waren de kinderen volkomen stil.

X.: Diese Klasse war immer besonders schwierig.

X.: Deze klas is altijd al bijzonder lastig geweest.

Dr. Steiner: Das ist eine eigentümliche Erscheinung. Fräulein Lang hat sie ruhig gehalten, da liegt immerhin ein Rätsel verborgen.

Dat is een merkwaardig verschijnsel. Juffrouw Lang hield ze rustig; daar schuilt een raadsel in.

X.; Sie war sehr streng.

X.: Ze was erg streng.

Dr. Steiner: Ich mache Sie darauf aufmerksam, daß da etwas vorliegt, was für uns wichtig ist. Fräulein Lang ist eine in Württemberg geprüfte Lehrerin. Wenn wir beurteilt werden, dann wird man die Neigung haben, die stramme Disziplin auf die seminaristische Ausbildung in Württemberg zurückzuführen. Als dazumal die drei inspizierenden Weisen in der Schule waren, da hat einer ganz besonders bei der Frau K. gesagt: Man hätte gesehen, daß es mit der Disziplin nicht ginge bei den nicht Geprüften. Sie hätten es in der Klasse gemerkt, wenn eine richtig geprüfte Lehrerin da war.

Ik wil u erop wijzen dat hier iets aan de hand is dat voor ons van belang is. Juffrouw Lang is een in Württemberg gediplomeerd leerkracht. Bij inspecties zal men geneigd zijn die strenge discipline toe te schrijven aan de lerarenopleiding die zij in Württemberg heeft gevolgd. Toen de drie inspecterende wijzen de school bezochten, merkte een van hen op – specifiek met betrekking tot
mevrouw K. – dat het duidelijk was dat de discipline niet gehandhaafd kon worden door ongediplomeerde leerkrachten; ze konden in de klas het verschil merken wanneer er een gediplomeerd leerkracht aanwezig was.

X.: Ich habe den Eindruck, es liege daran, daß es mir nicht genügend möglich war, mich zu präparieren.

X.: Ik heb de indruk dat het voortkomt uit het feit dat ik me niet voldoende heb kunnen voorbereiden.

Dr. Steiner: Da kommen wir zu den Imponderabilien. Es ist nicht bloß wichtig, was der Lehrer tut, sondern was der Lehrer ist, wie er in der Seelenverfassung ist. Das ist einmal durchaus so. Das muß in Betracht gezogen werden. Solche Dinge treten einem besonders stark entgegen an den Gymnasien, wo sehr häufig die Lehrer des Morgens mit starkem Kater in die Schule kommen, weil sie abends in der Kneipe sind. Da ist der Teufel los, nur durch die Tatsache, daß der Lehrer einen Brummschädel hat. Das gehört zu den Imponderabilien. Das ist der radikalste Fall. Sobald das Eigentümliche eintritt, daß man nicht genügend präpariert ist, da vibriert die Seele anders als sonst. Das spiegelt sich sehr leicht in der Disziplinlosigkeit. Daß man wirklich präpariert ist, das ist die Schwierigkeit bei unseren Lehrern in der Waldorfschule. Es ist bei der anstrengenden Tätigkeit furchtbar schwer, zu präparieren. Warum lachen Sie?

Dat brengt ons bij de niet-meetbare factoren. Het gaat niet alleen om wat de leraar doet, maar om wat de leraar *is* – de toestand van zijn ziel. Dat is zeker het geval; daarmee moet rekening worden gehouden. Dergelijke zaken komen vooral aan het licht op gymnasiums, waar leraren ’s ochtends vaak met een enorme kater op school verschijnen omdat ze de avond ervoor in de kroeg hebben doorgebracht. Er ontstaat chaos, simpelweg omdat de leraar bonzende hoofdpijn heeft. Dat valt onder de categorie van het imponderabele. Dat is het meest extreme voorbeeld. Zodra zich de situatie voordoet dat men niet voldoende voorbereid is, trilt de ziel anders dan gewoonlijk. Dit vertaalt zich maar al te gemakkelijk in een gebrek aan discipline. Werkelijk voorbereid zijn – dat is de moeilijkheid voor onze leraren op de vrijeschool. Gezien de zwaarte van het werk is het ontzettend moeilijk om zich voor te bereiden. Waarom lacht u? <1>

Blz. 274

X.; Weil es so ist!

X. Omdat het zo is!

Dr. Steiner: Wollen wir uns noch einmal zum Bewußtsein bringen, welche Lehrkräfte wir brauchen. — Ja, da wäre die 6. Die braucht nicht geteilt zu werden. 54 Kinder, das kann man noch ertragen.
Aber dann müssen wir an die 9. denken. Dann müssen wir eine 10. anschließen. Da werden wir eine Einteilung treffen.

Es werden die Klassen mit ihren Klassenfachlehrern durchgegangen und verteilt.

Laten we ons nog eens voor de geest halen welke leraren we nodig hebben. — Wel, er is de zesde klas. Die hoeft niet gesplitst te worden. 54 kinderen – dat is nog wel te doen.
Maar dan moeten we kijken naar de negende klas. En dan moeten we een tiende klas toevoegen. Daar zullen we regelingen voor treffen.

De klassen worden samen met de vakleerkrachten doorgenomen en de taken worden verdeeld.

Dr. Steiner: Ich möchte, daß Fräulein Dr. Röschl herkommt. Ich finde sie sehr geeignet. Ich möchte sie sehr gerne hier haben für Lateinisch und Griechisch. Sie kann erst vom Herbst an.
Ist Ruhtenberg frei? Mit Rücksicht darauf, daß ich Fräulein Dr. Röschl durchaus dahaben möchte, würde ich meinen, daß es gut wäre, wenn diese 5b für die Dauer von Herrn Ruhtenberg besorgt würde.
Es würde sich dann nur um zwei neue Lehrkräfte handeln.
Ist nicht Fräulein Klara Michels Fachlehrerin? Sie würde dann wohl nur für eine höhere Klasse in Betracht kommen.
Dr. Kolisko sagt, daß er vom Herbst an an die Schule kommen könnte.

Ik zou graag willen dat Fräulein Dr. Röschl hierheen komt. Ik acht haar zeer geschikt. Ik zou haar hier heel graag hebben voor Latijn en Grieks. Ze kan echter pas in de herfst beginnen.
Is Ruhtenberg beschikbaar? Aangezien ik absoluut wil dat Fräulein Dr. Röschl hier komt, lijkt het me goed als de heer Ruhtenberg voorlopig deze klas 5b op zich neemt.
Dat zou betekenen dat we nog maar twee nieuwe leraren nodig hebben.
Is Fräulein Klara Michels geen vakleerkracht? Zij zou waarschijnlijk alleen voor een hogere klas in aanmerking komen.
Dr. Kolisko zegt dat hij vanaf de herfst naar de school zou kunnen komen.

Dr. Steiner: Wenn dann Dr. Kolisko eintritt, könnte es sich etwas verschieben. — Es ist nicht leicht, Lehrkräfte zu finden. Beworben haben sich riesig viele, aber keine brauchbaren.

Als Dr. Kolisko er dan bij komt, kan de situatie misschien wat verschuiven. — Het is niet eenvoudig om leraren te vinden. Er hebben zich enorm veel mensen aangemeld, maar niemand was geschikt.

X.: Ich bin im Geschichtsunterricht in der 9. Klasse bei der Gegenwart angekommen.

X.: In mijn geschiedenislessen aan de negende klas ben ik bij het heden aangekomen.

Dr. Steiner: Sie dachten zu Jean Paul überzugehen. Ich würde meinen, das, was wir festgelegt haben, müßte fest eingehalten werden. Mit der 8. sind Sie auch bis zur Gegenwart gekommen? Ich würde Ihnen empfehlen, mit der 8. Klasse zu lesen die ersten Kapitel von Schillers „Dreißigjährigem Krieg”. Darin ist sehr viel Bildendes; darin sind sehr viele Dinge, die bis zur Gegenwart gehen.

U was van plan over te gaan op Jean Paul. Ik ben van mening dat we ons strikt <2> aan de gemaakte afspraken moeten houden. Bent u met de achtste klas ook al bij het heden aanbeland? Ik zou u aanraden om met de achtste klas de eerste hoofdstukken van Schillers *Dertigjarige Oorlog* te lezen. Dat bevat veel vormend materiaal; het behandelt tal van zaken die tot in het heden doorwerken. <2>

X.: Sollte es nicht möglich sein, im englischen Unterricht in der 7. Klasse irgend etwas aus einem Buch zu lesen?

<3> X.: Zou het niet mogelijk zijn om tijdens de Engelse les in de zevende klas iets uit een boek te lezen?

Dr. Steiner: Vielleicht ist es doch möglich. Wieviel Zeit werden Sie haben, um zu lesen? Wie könnte man das bewirken, daß „Christmas Carol” gelesen würde? Es ist außerordentlich instruktiv, wenn jedes Kind das Buch hat und man sie einzeln herausruft und vor den anderen in zwangloser Weise vorlesen läßt, damit sie zusammenlesend denkend arbeiten. 6a, 6b: Poetisches; Prosa nach der Poesie.

Misschien is dat toch mogelijk. Hoeveel tijd heeft u voor het lezen? Hoe zouden we het kunnen aanpakken om *A Christmas Carol* te lezen? Het is buitengewoon leerzaam als elk kind het boek heeft en u ze individueel vraagt ​​om op een ontspannen manier voor de klas voor te lezen, zodat ze samenwerken – waarbij ze gezamenlijk lezen en nadenken. 6a, 6b: Poëtisch materiaal; proza ​​volgend op poëzie. <3>

Blz. 275

Im Lateinkurs kann man Ovid oder Vergil lesen. Plutarch, kleine Geschichten.

Bij Latijn kan men Ovidius of Vergilius lezen. Plutarchus – korte verhalen.

X. sagt, er habe Ovid gelesen.

X. zegt dat hij Ovidius heeft gelezen.

Dr. Steiner: Bleiben Sie dabei, bis sie arg viel können.

Blijf ermee doorgaan totdat ze de stof goed beheersen.

Es wird nach Plinius gefragt.

Er wordt een vraag gesteld over Plinius.


Dr. Steiner: Plinius ist eine gute Lektüre. Livius für die ältesten Schüler: da muß man auf die Intimitäten eingehen. Livius hat eine sehr schlechte Überlieferung; er ist der berühmte Schriftsteller, bei dem man immer Konjekturen macht.
Im Griechischen würde ich solche Sprüche mit ihnen durchnehmen
(Dr. Steiner gibt ein Beispiel); es gibt sehr viel solche Zweizeiler im Griechischen.

Plinius is goede lectuur. Livius voor de oudste leerlingen – daar moet men dieper ingaan op de fijnere punten. De tekstoverlevering van Livius is zeer gebrekkig; hij is de beroemde auteur wiens werk voortdurend om tekstcorrecties vraagt.
Bij Grieks zou ik dergelijke spreuken met hen doornemen (Dr. Steiner geeft een voorbeeld); er zijn heel veel van zulke disticha in het Grieks.

Es wird gefragt wegen des Religionsunterrichts.

Er wordt een vraag gesteld over godsdienstonderwijs.

Ein Klassenlehrer: Ich war mit darin in der Klasse 6b. Das ging ganz gut.

Een klassenleerkracht: Ik heb de les in klas 6b ook bijgewoond. Het verliep heel goed.

Dr. Steiner: Man kann jemandem viel helfen, wenn man mit in der Klasse ist.

Je kunt iemand enorm helpen door in de klas aanwezig te zijn.

Wie steht die Sache mit der Eurythmie? Da wollte ich, daß es Frau Doktor hört.

Hoe staat het met de euritmie? Ik wilde dat Mevrouw Steiner daarvan op de hoogte is.

Es wird berichtet. Es war eine Extraklasse gemacht worden.

Er wordt verslag uitgebracht. Er was een extra klas opgezet.

Frau Dr. Steiner: Für einige junge Herren und Damen ist es nicht schlecht, wenn sie bloß zuschauen.

Mevrouw Steiner: Voor sommige jongemannen en jonge vrouwen is het niet erg als ze alleen maar toekijken.

Dr. Steiner: Es ist das Prinzip, die Eurythmie der Schule zu zeigen, dadurch durchbrochen, daß man einen Extrakurs macht. Wenn es richtiges Schulprinzip ist, wird man das nicht machen; man wird nicht eine Extragruppe zubereiten. Aus dem gewöhnlich verlaufenden Schulunterricht würde man es dadurch herausnehmen. Daß man eine Schüleraristokratie macht, das ist etwas, was das Pädagogische in der Schule stört.

Het principe van het presenteren van de euritmie van de school wordt geschonden door een aparte cursus te geven. Als men het ware schoolprincipe volgt, zou men dat niet doen; men zou geen speciale groep voorbereiden. Dat zou de activiteit losmaken uit de reguliere stroom van schoollessen. Het creëren van een aristocratie van leerlingen verstoort het pedagogische werk van de school.

X: Es ist deshalb gemacht worden, weil einige Kinder für Aufführungen gebraucht wurden.

X: Het gebeurde omdat er enkele kinderen nodig waren voor optredens.

Dr. Stemer: Es müssen unter den gewöhnlichen Schülern einige sein, die man brauchen kann. Daß man extra welche präpariert, in einer besonderen Gruppe, das ist unpädagogisch.

Er moeten onder de reguliere leerlingen wel enkelen zijn die ingezet kunnen worden. Er een paar uitpikken om ze in een speciale groep voor te bereiden, is onpedagogisch.

X.: Ich habe mit Herrn N. gesprochen, und er meinte, ob es nicht besser wäre,einen Kurs außerhalb der Schule zu machen.

X: Ik heb met de heer N. gesproken en hij vroeg zich af of het misschien beter zou zijn om een cursus buiten de school om te houden.

Blz. 276

Dr. Steiner: Dann können wir niemals sagen, daß wir die Waldorfschulkinder vorführen. Das ist ein Gesichtspunkt, der für die Öffentlichkeit in Betracht kommt. Es ist niemals in einer Konferenz von einem solchen Extrakurs die Rede gewesen.

Dan kunnen we nooit zeggen dat we de vrijeschoolleerlingen tentoonstellen. Dat is een gezichtspunt dat voor het publiek van belang is. Er is in een lerarenvergadering nooit sprake geweest van zo’n speciale cursus.

X.: Das hat sich bei der ersten Aufführung ergeben.

X.: Dat idee ontstond tijdens de eerste uitvoering.

Dr. Steiner: Es müßten solche einschneidenden Sachen innerhalb der Konferenz zur Sprache kommen. Sonst könnte eines Tages von irgendjemand beschlossen werden, eine Anzahl Kinder auszuwählen und einen Schachkurs zu machen. Prinzipiell ist es dasselbe. Es geht eigentlich nicht. Es ist eine Aristokratie, die man bildet.

Zulke belangrijke zaken moeten in de lerarenvergadering worden besproken. Anders zou iemand op een dag kunnen besluiten een aantal kinderen te selecteren en een schaakcursus te geven. In principe komt het op hetzelfde neer. Dat kan echt niet. Het creëert een soort aristocratie.

Frau Dr. Steiner: Ich begreife das.

Mevrouw Steiner): Dat begrijp ik.

X.: Ich wollte fragen, ob der Gedanke an den Kindergarten aufgegeben ist.

X.: Ik wilde vragen of het idee van de kleuterschool is opgegeven.

Dr. Steiner: Aufgegeben ist er nicht. Wir müssen nur warten, bis wir ihn einrichten können.

Die is niet opgegeven. We moeten alleen wachten tot we het kunnen opzetten.

X.; Wir wollten die Frage der Fortbildungsschule vorbringen.

X.: We wilden de kwestie van de vervolgschool aan de orde stellen.

Dr. Steiner: Gibt es da konkrete Möglichkeiten? Wir müssen einmal den Lehrplan der 10. Klasse festsetzen. Da muß etwas hinein, was wirkliche Lebenspraxis ist. Aber Fortbildungsschule? Liegen denn konkrete Möglichkeiten dafür vor?

Zijn daar concrete mogelijkheden voor? We moeten op enig moment het leerplan voor de tiende klas vaststellen. Dat moet iets bevatten dat verband houdt met de praktijk van alledag. Maar een vervolgschool? Zijn daar concrete mogelijkheden voor?

X.: Es handelt sich um die Kinder, die ausgetreten sind, daß man die gefaßt hätte. Es war jetzt nicht möglich, aus Platzmangel und Geldmangel. Man müßte es vorbereiten für das nächste Jahr.

X.: Het gaat om de kinderen die de school hebben verlaten; het idee was om hen samen te brengen. Dat was op dit moment niet mogelijk vanwege een gebrek aan ruimte en middelen. We zouden ons daarop moeten voorbereiden voor volgend jaar.

Dr. Steiner: Die Vorbereitung würde darin bestehen, zu sorgen, daß die Behörden uns nicht in die Suppe spucken.

De voorbereiding zou eruit moeten bestaan ​​dat we ervoor zorgen dat de autoriteiten geen roet in het eten gooien.

X.: Es ist so, daß nichtstaatliche Fortbildungsschulen vorgesehen sind. Sie müssen nachweisen, daß der Lehrplan nicht unter dem der andern ist.

X.: De situatie is zo dat er voorzieningen zijn voor niet-overheidsgebonden scholen voor vervolgonderwijs. Men moet aantonen dat het leerplan niet onderdoet voor dat van de andere scholen.

Dr. Steiner: Wir hätten den Wahnsinn machen sollen, die Kinder in spezielle Sachen hineinzustecken. Wir können das nicht mitmachen, wenn wir bei unserer Pädagogik bleiben wollen. Wir können doch nur dasjenige einrichten, was den Menschen vorwärtsbringt. Wenn wir Fortbildungsschulen errichten wollen, müssen wir es so einrichten, daß die Kinder etwas davon haben für ihre menschliche Fortbildung. Von uns wird entschieden, was für eine Schule wir errichten wollen. Es hat kein Mensch bezweifelt, daß Strakosch berufen war zu einer

We zouden hebben moeten meegaan in de waanzin om de kinderen in gespecialiseerde programma’s onder te brengen. Daar kunnen we niet aan meedoen als we trouw willen blijven aan onze onderwijsaanpak. We kunnen immers alleen iets opzetten dat de menselijke ontwikkeling bevordert. Als we scholen voor vervolgonderwijs willen oprichten, moeten we ze zo inrichten dat de kinderen er daadwerkelijk baat bij hebben voor hun menselijke ontwikkeling. Het is aan ons om te beslissen wat voor soort school we willen oprichten. Niemand twijfelde eraan dat Strakosch de juiste persoon was voor een

Blz. 277

allgemeinen Fortbildungsschule. Es sollte eine Art praktisch-gymnasiale Fortbildung sein, eine menschliche Fortbildungsschule. Eine andere Sache zu errichten, haben wir nicht die geringste Veranlassung. Es ist doch nicht nötig, daß man dasselbe macht, was die anderen auch machen.

algemene school voor vervolgonderwijs. Het was de bedoeling dat het een soort praktisch en tegelijk gymnasiumvervolgonderwijs zou worden – een school voor menselijke ontwikkeling. We hebben niet de minste reden om iets anders op te zetten. Het is niet nodig dat wij precies doen wat anderen doen.

X.: Die Sache ist so: die Kinder, die in einen Beruf hineinkommen, müssen eine von den staatlichen Schulen besuchen.

X.: De situatie is als volgt: kinderen die een vakopleiding volgen, moeten naar een van de staatsscholen.

Dr. Steiner: Die, die schon in solche Fachschulen gehen, kommen doch nicht zu uns hinein. Wir werden niemand darinnen haben in unseren Klassen. Was uns fehlt, ist die Möglichkeit, die Kinder vom fünfzehnten Jahr an nach unserem Lehrplan zu unterrichten. Das ist dazumal konstatiert worden. Die Frage ist vorläufig erledigt. Das haben wir schon einmal verhandelt; wir können es hier nicht weiter erörtern. Die ganze Frage ist die akuteste: wie ist die Zeit auszufüllen zwischen Volksschule und Hochschule? Wenn wir die Möglichkeit dadurch schaffen könnten, daß wir die Behörden dazu kriegen, uns anzuerkennen, dann würden wir furchtbar Zulauf haben. Ist denn eine Möglichkeit vorhanden, wenn nicht eine solche Lehrlingszeit vorliegt, daß jemand solche Leute in einen Betrieb aufnimmt?

Degenen die al dergelijke beroepsscholen bezoeken, zullen niet naar ons toe komen. Wij zullen hen niet in onze klassen hebben. Wat ons ontbreekt, is de mogelijkheid om kinderen vanaf hun vijftiende levensjaar volgens ons eigen leerplan les te geven. Dat is destijds zo vastgelegd. De zaak is voorlopig afgehandeld. We hebben dit al besproken; we kunnen er hier niet verder op ingaan.
De allerbelangrijkste vraag is: hoe moet de tijd tussen de lagere school en het hoger onderwijs worden ingevuld? Als we de mogelijkheid zouden kunnen creëren — door erkenning van de autoriteiten te verkrijgen — dan zouden we een enorme toestroom van leerlingen zien.
Bestaat er, bij gebrek aan een dergelijke leerlingopleiding, een mogelijkheid voor iemand om zulke jongeren in een bedrijf op te nemen?

X.: Wer nicht bei einem anerkannten Meister gelernt hat, kann nicht angestellt werden.

X.: Iemand die niet is opgeleid door een erkende meester, kan niet worden aangenomen.

Dr. Steiner: Man kann nichts machen! Es ist alles so abgezirkelt, daß es bloß noch kein Gesetz gibt, wie man die Gabel halten muß. Die Frage müßte studiert werden, auf welche Weise man Fortbildungsschulen einrichten kann, daß sie im Sinne der volkspädagogischen Aufsätze Fortbildungsschulen sein können. Die Waldorfschule müßte versuchen, das bei den Behörden durchzudrücken. Man müßte der Schule mehr Ansehen verschaffen.

Er is niets aan te doen! Alles is zo streng gereguleerd dat alleen een wet die voorschrijft hoe men een vork moet vasthouden, nog ontbreekt. We moeten onderzoeken hoe we scholen voor vervolgonderwijs kunnen opzetten zodat ze ook werkelijk als zodanig functioneren, in de geest van de essays over openbaar onderwijs. De Waldorfschool zou moeten proberen dit bij de autoriteiten gedaan te krijgen.
We moeten meer aanzien voor de school verwerven.
.

GA 300A/273-277

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’ (20)

.

Dit artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
.

Zie ‘voorwoord‘.

Dit is het laatste artikel uit het boekje ‘Lebenskunde muss aller Unterricht geben’

De auteur bespreekt een geschiedenis van de kunst; gaat in op het ontbreken van kunst in het onderwijs en de gevolgen daarvan op de ontwikkeling van het (gevoels)leven van de jeugd. 

.

Siegfried Pütz, Ottersberg
.

De maatschappelijke impact van kunst
.

Tot aan de middeleeuwen – en nog lang daarna van invloed – vormden de domeinen van ambacht, kunst en technologie (begrippen die we tegenwoordig als gescheiden beschouwen) een samenhangend geheel, waarbij elk element op het andere was gericht en door hun invloed werd gevormd. Bovendien vormde dit verenigde domein voor de creatieve mens – en binnen de context waarin de creatie zelf plaatsvond – één geheel met wetenschap en religie.

Zelfs Albrecht Dürer beschouwde zichzelf als ambachtsman; bovendien werden, tot ver in de zestiende eeuw, ook de technische en ambachtelijke vaardigheden die gepaard gingen met het opkomende beroep van ‘mechanicus’ gevormd door dezelfde mentaliteit die destijds creatieve activiteit mogelijk maakte op het gebied dat wij nu als kunst bestempelen.
Het verschijnsel van de ‘kunstenaar-ingenieurs’ uit de renaissance illustreert hoe nauw de sferen van ambacht en kunst verbonden en verweven waren met wat destijds bekendstond als mechanische technologie. Evenzo getuigen de vormen, verhoudingen en het wezenlijke karakter van het gereedschap en de gebruiksvoorwerpen uit die tijd van de gedeelde mentaliteit waaruit ze voortkwamen. Vorm, materiaalgebruik en ontwerp vormden – naast functionele geschiktheid en technisch nut – een onafscheidelijk geheel. Om het beeld compleet te maken, hoeft men slechts op te merken dat deze zelfde eenheid ten grondslag lag aan de totstandkoming van alles wat mensen in hun dagelijks leven omringde, en elk voorwerp zijn eigen, kenmerkende karakter verleende.

Men kan stellen dat wat wij vandaag de dag kunst noemen – en wat tot uiting komt in ware spiritualiteit binnen architectuur, beeldende kunst, poëzie, enzovoort – ook het ontwerp verrijkte van de voorwerpen die mensen in hun dagelijks leven omringden.

De opvallend wijdverbreide wens van tegenwoordig om ‘authentieke, oude’ voorwerpen in de eigen leefomgeving op te nemen, is onder meer een symptoom van zowel een ervaren gemis als een verlangen naar vormkwaliteiten die verder reiken dan louter functioneel nut en objectieve bruikbaarheid. Dit verschijnsel blijkt zelfs uit de huidige trend om winst te maken met reproducties van oude modellen – waarvan sommige het toppunt van kitsch vormen. De menselijke zintuigen – die tegenwoordig vaak louter functioneel worden benaderd – hunkeren naar een vorm van voeding uit de zintuiglijke wereld om hen heen die hen voedt en verheft; een voeding die voortkomt uit een veel diepere en ingrijpendere oorsprong dan louter utilitair nut. Er is inderdaad steeds meer aandacht voor deze fundamentele spirituele en psychologische behoeften van de mens, wat de weg kan vrijmaken voor nieuwe benaderingen.

Men zal tot essentiële conclusies komen voor het voortbestaan van de gezonde zintuiglijke activiteit van de mens, wanneer men uitgaat van het besef dat de moderne techniek, die het leven steeds meer bepaalt — in tegenstelling tot die vroegere „techniek” die verbonden was met kunst en ambacht – voor de mens een aanvulling nodig heeft die hem helpt het door techniek gedomineerde dagelijks leven het hoofd te bieden zonder zijn ware menselijkheid in gevaar te brengen.

Het is namelijk een fundamentele misvatting, die tot veel verkeerde oordelen leidt, te geloven dat de moderne techniek voortkomt uit een voortdurende verdere ontwikkeling van vroegere en allereerste stadia van technische omgang met het bestaan. Tot aan de ontplooiing van de natuurwetenschap, die voortkwam uit de ontdekkingen van Copernicus, Kepler en Galileo, waren ambacht en techniek geen gescheiden domeinen. Beide waren verbonden met de kunst als hun inspirerende bron. Het was de kunst die voor ambacht en techniek de menselijke maatstaf vaststelde. Uit deze verbondenheid vond alle techniek haar dienende taak en een uitdrukkingsvorm die het bijbehorende karakter droeg.

Pas met de intredende verandering in het wereldbeeld en met de opkomst van het natuurwetenschappelijke denken traden geleidelijk aan die zelfstandigheden op die we vandaag de dag kennen. De eenheid van wetenschap, kunst en religie viel uiteen, en naarmate de natuurwetenschap het menselijk denken en handelen meer ging bepalen, nam ook de scheiding tussen kunst, ambacht en techniek steeds verder toe. Vooral sinds de uitvinding van de stoommachine werd de techniek door de natuurwetenschap in haar greep genomen en versmolt zij nu met deze.

Zo is de geboorte van de natuurwetenschap tegelijkertijd de oorzaak van het ontstaan van wat als moderne techniek moet worden beschouwd. En in dit feit ligt zowel de essentie van de moderne techniek verankerd als haar eenzijdige werking.

Zo leeft de mens steeds sterker in een situatie die enerzijds wordt bepaald door het abstracte rationele denken en die anderzijds een wereld vormt waarvan de onrust en rusteloosheid hem in toenemende mate tot een motorisch bewegingsmens vormen. Noch in de beroepswereld, die door de technische omstandigheden noodzakelijkerwijs is verobjectiveerd, noch in alles wat de mens als buitenwereld omringt en hem – steeds nieuwe reacties uitlokkend – in zijn greep houdt in een voortdurend groeiende en voortdurend veranderende beweging, is er ruimte of voeding voor zijn persoonlijke wezenlijke kern. Zijn individuele behoeften en verlangens blijven daarin onbesproken, kwijnen weg of worden verdrongen. Noch de hoogtechnologische arbeidswereld, noch het veelzijdige bewegingsleven van het dagelijks leven zijn een behoefte aan of bieden mogelijkheden voor het emotionele aspect van de mens.

Het lijkt erop dat het huidige leven geen behoefte heeft aan het menselijke midden, de ‘hartmens’. Wie op zakelijke functies van technische samenhangen met gevoelens reageert, is ongeschikt als technicus; wie zich bijvoorbeeld emotioneel gedraagt achter het stuur van een auto, brengt zijn medemensen in gevaar.

Toch blijkt juist uit de huidige stand van de wetenschappelijke techniek dat de ingewikkelde en subtiele eisen ervan steeds grotere aanspraken stellen aan de persoonlijkheidskrachten en de karaktereigenschappen van de mens. Evenzo wordt bijvoorbeeld ook het aanpakken van de toenemende verkeersproblematiek steeds meer een kwestie van karakter en van menselijk sociaal gedrag.

Zonder een reële en even nuchtere als praktische opvoeding tot menselijke evenwichtigheid loopt de mens van vandaag, meer dan ooit tevoren, het gevaar zich zowel in interpersoonlijke relaties als in de sociale context van de samenleving te laten leiden door asociale motieven. Het feit dat talloze van deze antisociale driften in verlegde vorm voorkomen of in hun perverse vorm zelfs als gerechtvaardigd worden beschouwd, maakt dit hele vraagstuk alleen maar ernstiger.

De veelgehoorde geruststelling dat we ‘nu eenmaal in een pragmatische wereld leven’, is nauwelijks geestrijker of verantwoordelijker dan het ‘na ons de zondvloed’. Vraag je eens af wat er uiteindelijk onvermijdelijk in een niet zo verre toekomst het einde van het algemeen heersende pragmatisme zal betekenen, als er geen daadwerkelijk effectieve factoren worden ingezet tegen de daaruit voortkomende en voortdurend toenemende bedreiging voor de mens.

Wetenschap, techniek en economie bepalen het leven en, in toenemende mate, ook het gehele onderwijsstelsel. Geen van deze gebieden kan op eigen kracht de menselijke zielsvermogens vormen of bevorderen die enerzijds de zelfstandige persoonlijkheid de innerlijke vrijheid verschaffen en anderzijds leiden tot een sociaal bewustzijn als een bewuste wilshouding.

Tegenwoordig wordt er uitsluitend via het hoofd opgeleid en gevormd, en daarnaast hooguit nog via de ledematen. Maar dat ook het gehele gevoelsleven van de mens opvoeding, passende voeding en een harmoniserende ontplooiing behoeft om zich te kunnen ontwikkelen tot een gezonde heelheid van de mens, wordt ondanks ons overigens zo vooruitstrevende denken in een mate veronachtzaamd die bijna onbegrijpelijk is. Voor de ontwikkeling van het hoofd en ook voor de opvoeding van de ledematen worden de bijbehorende disciplines, evenals methodiek en didactiek, als onmisbaar beschouwd. Daarentegen laat men het gehele gevoelsleven min of meer aan zijn lot over.

Uit deze minachting of de volstrekt ondergeschikte waardering van dit gebied vloeien bijna alle betreurde tijdverschijnselen voort. Want uit het veronachtzamen van de hier aanwezige noodzaak ontstaan illusoire sentimenten en ondoordachte emotionele reacties, en blijven de deuren wijd openstaan voor gevoelsverharding, gevoelsverwildering en emotionele betrokkenheid bij pseudo-vervullingen.

Van oudsher was het de taak van de kunst om die voor de gezondheid van de hele mens onmisbare gevoelsvorming teweeg te brengen. Hier volstaat het te vermelden hoe de middeleeuwse mens – in overeenstemming met de toenmalige bewustzijnshouding – de noodzakelijke voeding en vorming van zijn gevoel ervoer, bijvoorbeeld door het betreden en aanschouwen van de domkerken, kathedralen en hun beeldhouwwerken. In een wereld die in de eerste plaats werd gekenmerkt door de directe aanschouwelijkheid van de essentie van kunst, wetenschap en religie, ontstonden uit deze indrukken en de vorming van het gevoelsleven ook de sociale drijfveren die bij die tijd pasten. En de kunst had hier nog een vanzelfsprekende en even verstrekkende als veelomvattende sociale taak.

Tegenwoordig aarzelt men vaak om kunst in een maatschappelijke context te plaatsen en denkt men dat er een doel aan de kunst wordt toegekend wanneer er sprake is van haar maatschappelijke invloed. Men ziet daarbij over het hoofd dat ook vandaag de dag de kunst zich alleen kan voeden uit dezelfde bronnen als sinds het begin van haar bestaan. Alleen onze huidige, zo contextloze manier van denken over de kunst – die kan leiden tot de volledige sociale isolatie van een van het leven losstaand l‘art pour l’art’-standpunt – is een novum in het kunstbewustzijn en in wezen volstrekt ongeschikt voor de kunst.

Dit is pas ontstaan sinds de tijd dat de kunst, door de Verlichting, het positivisme van de materialistische natuurwetenschap en de opkomst van het technische tijdperk, uiteindelijk uit het algemene leven werd verdrongen en in de huidige sociale isolatie terechtkwam. De kunst als een ‘l’art pour l’art’ beschouwen is in feite niet alleen helemaal niet modern, maar ook een herhaling van het in veel opzichten illusoire denken uit de tweede helft van de 19e eeuw.

Als men de kunstgeschiedenis sinds haar ontstaan niet vanuit het perspectief van een geïntellectualiseerd esthetisme bestudeert, maar fenomenologisch, dan komt haar sociale missie, die door de millennia heen standhoudt, vanzelf naar voren. De esthetiserende houding ten opzichte van de kunst, die is voortgekomen uit oppervlakkige principes en criteria, is nieuw; de sociale werking die immanent verweven is met alle kunst is echter even oud als de kunst zelf.

Juist vanuit een houding die het sociale aspect van de kunst ontkent, zou men vandaag de dag een perverse sociale invloed van het artistieke kunnen vaststellen. Hiervoor kan niet alleen veel worden aangevoerd dat voortkomt uit contextloze en nadrukkelijk willekeurige opvattingen over kunst, maar dit zou ook nog eens moeten worden aangetoond voor de zogenaamde toegepaste kunst op het gebied van de reclame. Bovendien moet hier nog het feit worden genoemd dat politieke agitatoren en dictaturen niet zelden vanuit een perverse drang de kunst zelfs bij voorkeur tot een prostituee maken voor hun machtsdoelen.

Vanuit een ver vooruitziend voorgevoel van wat zich nu in onze tijd steeds duidelijker en dreigender manifesteert, schreef Schiller zijn Esthetische Brieven. Ze maken deel uit van de erfenis van het Duitse idealisme, die nu – met name in onze hoogtechnologische wereld – eindelijk en dringend moet worden omarmd. Een onbevooroordeelde beschouwing van de situatie van de hedendaagse mens maakt duidelijk dat de invloeden die hij onophoudelijk ondervindt van de natuurwetenschappen en de techniek, moeten worden aangevuld met die van de kunst.

In de veranderde bewustzijnstoestand kan dit niet worden bereikt via de passieve, gemoedelijke beleving van pure beeldendheid, zoals die in de middeleeuwen gebruikelijk was. De mens van onze tijd wil en moet zijn verhouding tot de kunst door eigen activiteit verwerven. En de talrijke ervaringen die voorhanden zijn, tonen aan hoe uit een procesmatige beleving van de elementen van de kunst zowel een individueel bewuste verhouding tot de kunst in het algemeen ontluikt, als dat er een gebied in de mens zelf tot leven komt waarin hij zichzelf als individualiteit ervaart en waarneemt en waarin hij tot een werkelijke bevrediging van zijn behoefte aan vrijheid kan komen.

Aan het begin van de 20e eeuw was het de jeugdbeweging die in opstand kwam tegen een leven dat evenzeer werd gekenmerkt door achterhaalde tradities als door de illusie dat alleen de verworvenheden van de uiterlijke vooruitgang een menswaardig bestaan konden garanderen. Deze jeugdbeweging vond haar kern in de behoefte om zin en waarde te geven aan de gevoelswereld van de jonge mens. De jeugd voelde de vastgeroeste aard van de burgerlijke beschaving en verzette zich ertegen haar gevoelens te binden aan postulaten die twijfelachtig waren geworden en aan inhoudsloze sentimentaliteiten. Wat destijds vanuit de jeugd opkwam als protest tegen een wereld die alleen door uiterlijkheden werd gekenmerkt en de wezenlijke vragen negeerde, had met name voor het gehele onderwijsstelsel voldoende reden kunnen zijn om op zoek te gaan naar essentiële ideeën voor fundamentele hervormingen.

Hoewel men in Midden-Europa, naast vele andere zaken, ook Schillers Esthetische Brieven als een van de belangrijkste leidende ideeën op dit gebied beschouwde, vond het onderwijsstelsel, dat deels in de meest bekrompen tradities bleef steken, hierop geen antwoord. De kiemen en aanzetten van die jeugdbeweging werden uiteindelijk echter verstikt in de waanzin van bloed en ijzer van de Eerste Wereldoorlog.

Na deze ramp richtte Rudolf Steiner de Waldorfschool op. In de pedagogiek die hij daarmee in de praktijk bracht, hebben de ideeën die Schiller in zijn Esthetische Brieven uiteenzette hun eigentijdse invulling gevonden. Sindsdien is het mogelijk om ook op het gebied van het schoolonderwijs weer te spreken van een maatschappelijke werking van de kunst die aansluit bij de tijd.

In het algemeen onderwijs werd echter — ondanks de mogelijkheden die er in de eerste naoorlogse jaren bestonden — een echte hervorming opnieuw met succes verhinderd door de conservatieve krachten. Dit feit moet in direct verband worden gebracht met het succes dat Hitler vervolgens met name bij de jeugd had. Het nationaalsocialisme wist dat vacuüm in het midden op uiterst bekwame wijze op te vullen met de bijbehorende nationale en volksgerichte pseudowaarden.

Inmiddels is het laatste derde deel van de 20e eeuw* aangebroken en nog steeds is er, ondanks de discussie die hierover al vele jaren gaande is, noch de neiging noch een gegrond vooruitzicht op een fundamentele hervorming van het onderwijs. En naast het feit dat het onderwijs in West-Duitsland** in vergelijking met andere cultuurstaten in het algemeen achterop raakte, werden hier bijvoorbeeld zelfs de lesuren voor het zogenaamde kunstonderwijs aanzienlijk ingekort.

Vanuit een pedagogisch standpunt dat dit opportuun acht, past het natuurlijk ook om de cybernetica toegang te verlenen tot het onderwijs. Maar al in 1954 waarschuwde Portmann, naast anderen, voor het voortzetten van de toenmalige opvoedingsmethoden en pleitte hij voor de school als een instelling voor kunst en cultuur, omdat anders de mens onvermijdelijk zou veranderen in een robot, in een cybernetisch monster.
Welke gevolgen cybernetische leermethoden zullen hebben, is waarschijnlijk relatief eenvoudig voor te stellen voor iemand die in de mens meer ziet dan bepaalde positivistische biologen. Deze gevolgen zullen echter ongetwijfeld van een nog veel ingrijpender aard zijn dan die welke we vandaag de dag concreet voor ogen hebben als gevolg van de eerdere nalatigheden en tekortkomingen van het onderwijsstelsel.

Een van deze gevolgen is ongetwijfeld ook die honger die de jeugd van vandaag in toenemende mate in haar algehele geesteshouding laat zien. In onze wetenschappelijk geobjectiveerde wereld is er echter niets voorhanden waarmee deze honger zou kunnen worden gestild. Aangezien ook de school nalaat om de nodige vaardigheden te ontwikkelen waarmee jongeren zich geestelijk verder kunnen ontwikkelen zonder aan deze honger te lijden, zoekt de jeugd zelf naar voeding. Dat gebeurt met een deels schokkende toewijding aan zaken die haar door zakelijk ingestelde, gewetenloze kringen worden aangeboden in de vorm van een beroep op oerwoudinstincten. Hieronder vallen de jazzfan, de Beatle, de verschillende verslavingen die in kelderbars, seksfeestjes en dergelijke bevrediging zoeken, en nog veel meer, tot aan de zwerver toe. Deze laatste is in zekere zin nog als een positief verschijnsel te beschouwen, in zoverre dat hij zich, in eerste instantie, door de vorm van zijn protest probeert te onttrekken aan elke beïnvloeding en sturing.

Bij dit alles moet in feite worden gesproken van een soort moderne vervangende jeugdbeweging. Deze ontstaat in plaats van een opstand voor echte idealen en vindt haar werkelijke oorzaak in de verwaarloosde en ongeschoolde middenklasse. Een ander kenmerk is de hectische, koortsachtige opwinding die tot extase kan leiden, en hier hoort ook het feit bij dat deze veelzijdige en massapsychotisch optredende verschijnselen worden gestuurd door een onverantwoordelijk commercieel management.

Wat verder opvalt aan deze jeugdige onstuimigheid en haar kenmerkt, is het plotselinge einde ervan in het individuele levensverloop. Van die, hoe extatische roes ook, blijft natuurlijk niets over, en aan het einde van het inhoudsloze intermezzo staat uiteindelijk de vaak ronduit armzalige burger. Een kleinburgerlijkheid die met name wordt gekenmerkt door het feit dat zij nu, na deze zinloze verspilling van echte krachten in die roesperiode, vervalt in het flagrante en mateloze opportunisme, dat zijn steeds verder uithollende bevrediging vindt in het consumentisme en in het zogenaamde succesprestige. Alleen een denkwijze die voortkomt uit een bewustzijn dat door het geïndustrialiseerde pluralisme is gemanipuleerd, kan menen in al deze feiten geen brandende vragen te hoeven zien die aanleiding geven tot diepe bezorgdheid.

Zolang men voorbijgaat aan de noodzaak en eisen van het mensbeeld die op veelzijdige wijze door de tijdverschijnselen aan het licht zijn gekomen, zullen alle opvoedkundige en sociaal-pedagogische theorieën onvruchtbare ideologieën blijken te zijn. Ze dragen in latente vorm de bijbehorende asociale effecten in zich en belemmeren een door de mens gevormde toekomst met alleen maar toenemende complexiteit.
Waar men zich bij alle wezenlijke levensvragen vanuit een deterministisch-causaal denken beperkt tot het hoofd en de ledematen, kan het niet anders dan dat het menselijke centrum een speelterrein wordt voor het emotionele en ondoorgrondelijke dierlijke in de mens. In plaats van werkelijk menselijke sociale drijfveren wordt ons leven daarom doordrongen door sociale voorstellingen en sociale motieven die voortkomen uit een perverse dierlijke kant in de mens. Ideologieën van de pluralisten over een termietenmaatschappij, het brute uitleven van machtsinstincten in politiek en economie en de primitieve erotisering van het culturele leven zijn hiervoor slechts enkele opvallende voorbeelden uit de uitgebreide feitenlijst.

Wat nu de kunst zelf betreft, zo is zowel haar sociale isolatie als haar veelvuldig waarneembare asociale effect juist het gevolg van het feit dat zij — ondanks en juist vanwege haar ‘l’art pour l’art’ — midden in de draaikolk van de genoemde verschijnselen is terechtgekomen. Enerzijds worden elektronisch gegenereerde geluiden net zo goed als mogelijkheden voor muziek besproken, terwijl puur technisch geconstrueerde prullaria tot de beeldende kunst worden gerekend. Anderzijds worden de weergave van subliminale abstrusiteiten [betekent dat iets erg moeilijk te begrijpen, duister of ingewikkeld is] en het willekeurig benadrukken van resultaten van een ongebreidelde emotionaliteit beschouwd als gerechtvaardigde artistieke vrijheid.

Het is veelzeggend dat een van de veelbesproken boeken over moderne kunst uit het midden van de twintigste eeuw de titel *Loss of the Center* (Sedlmayr) draagt. Dit wijst tevens op een cruciaal inzicht in de wijze waarop kunst haar maatschappelijke impact werkelijk kan verwezenlijken: niet door een van buitenaf opgelegd doel te dienen, maar door haar eigen, wezenlijke bestemming te vervullen. Bovendien ligt de vrijheid van de kunstenaar noch in het willekeurig toegeven aan onderbewuste, persoonlijke impulsen, noch in het verwerpen van de eisen die de tijdgeest aan hem stelt.

Juist voor de kunstenaar is het essentieel om te beseffen ‘waarvan’ hij zich moet bevrijden en ‘waartoe’ hij die vrijheid moet verwerven. Pas dan kan er sprake zijn van een artistieke houding die werkelijk in overeenstemming is met de tijd. Vanuit dit perspectief openen zich als vanzelf de authentiek individuele wegen van de maatschappelijk werkzame, creatieve geest.

De aan tekorten gerelateerde kwalen van de moderne mensheid – die steeds duidelijker zichtbaar worden in de zogenaamde ‘welvaartsmaatschappij’ – tonen onmiskenbaar aan dat de werkelijke sociale kwestie niet, zoals pragmatici ten onrechte aannemen, van rationele aard is en louter met materiële middelen kan worden opgelost. Het is veeleer een spirituele kwestie die in de eerste plaats moet worden opgelost door de ‘krachten van het midden’ te activeren – krachten die momenteel zozeer worden veronachtzaamd of slechts als marginaal worden beschouwd. Deze opgave betreft bovenal de kunst en de kunstenaar die vanuit een sociale impuls handelt. Hieruit komt op dit moment een dringende uitdaging voor de toekomst voort: de volgende generatie kunstenaars zo op te leiden en toe te rusten dat zij de eisen van de tijd kunnen herkennen en daaraan het hoofd kunnen bieden.

Hier kan nog een laatste punt aan worden toegevoegd. De tijd vraagt ​​om de ontbrekende maatschappelijke impact van kunst. De omvang en de aard van de daarmee gepaard gaande opgaven zijn zodanig dat ze zeker niet door de kunstenaar alleen kunnen worden opgelost. Het noodzakelijke inzicht bij degenen die op prominente posities maatschappelijke verantwoordelijkheid dragen, moet gepaard gaan met een daarmee corresponderende bereidheid tot handelen, om te kunnen realiseren wat vereist is.

Hoewel het leven in deze eeuw in beslissende mate door de economie wordt gevormd, wordt zelden onderkend dat de eenzijdige invloed die de mens ondergaat door het samengaan van economie, wetenschap en technologie, een tegenwicht vanuit de kunst vereist. Vanuit een oppervlakkige, utilitaire optiek mag dit wellicht slechts als een abstract uitgangspunt worden beschouwd; bedrijfsleiders die hun verantwoordelijkheid voor bredere maatschappelijke vraagstukken serieus nemen, zouden echter moeten inzien dat de maatschappelijke rol van kunst van fundamenteel belang is. Deze noodzakelijke invloed kan echter alleen worden gerealiseerd als bedrijfsleiders – in samenwerking met kunstenaars die daartoe in staat zijn – de vereiste maatregelen omzetten in de praktijk, en dat met dezelfde nuchtere, pragmatische gedrevenheid die zij doorgaans aan de dag leggen voor de specifieke behoeften van het bedrijfsleven zelf.

*het artikel is van vóór of in 1971
**in die tijd bestond ook Oost-Duitsland nog

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3580-3373

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’ (19)

.

Dit artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
.

Zie ‘voorwoord‘.

.
Ook dit artikel, hoewel lang geleden geschreven, bevat inhoud waar we vandaag de dag nog steeds mee te maken hebben. Het schetst in het kort ook enkele belangrijke kenmerken van het vrijeschoolonderwijs.
.

Dr. A. H. Bos, Zeist
.

Vrijeschoolonderwijs en het beroepsleven van volwassenen
.

Dit tijdschrift streeft er voortdurend naar een nieuw licht te werpen op het vrijeschoolonderwijs – zowel wat betreft de fundamenten die door Rudolf Steiner zijn gelegd als de praktische toepassing ervan in talloze zelfstandige vrijescholen.
In dit artikel willen we laten zien hoe deze ideeën op vruchtbare wijze zijn aangepast voor volwasseneneducatie en hoe de kwestie kan worden bekeken vanuit het totaal andere perspectief van het ‘sociale driegeleding’.

Als je het wezenlijke verschil tussen het vrijeschoolonderwijs en vrijwel alle andere schooltypen en onderwijshervormingsbewegingen zou moeten verwoorden, zou dat als volgt kunnen: het basisconcept van de vrijeschool is het mensbeeld van de zich ontwikkelende mens.
De jaren die een kind op school doorbrengt, maken deel uit van een machtige stroom; de oorsprong daarvan in het voorgeboortelijke sfeergebied onttrekt zich aan ons zicht, net zoals het leven na de dood buiten ons huidige begripsvermogen valt.
In zijn boeken en voordrachten schetste Rudolf Steiner een beeld van de enorme ontwikkelingsreis van het individu en van de mensheid als geheel.
Mensen komen ter wereld met een veelheid aan vermogens en mogelijkheden; de opgave is om deze tot ontplooiing te brengen. We brengen een diepe wijsheid mee uit het voorgeboortelijke sfeergebied, en het doel is om de herinnering daaraan te wekken. We hoeven niets ‘toe te voegen’; we hoeven slechts datgene te wekken en in zijn ontwikkeling te stimuleren wat de ziel reeds in zich draagt. Het is duidelijk hoe deze pedagogische benadering contrasteert met andere onderwijsmethoden die geworteld zijn in het negentiende-eeuwse positivistisch-mechanistische mensbeeld – een visie die de mens beschouwt als een ‘tabula rasa’ (een onbeschreven blad) waarin allerlei zaken moeten worden ingebracht en waarin de leerstof moet worden ingeprent. Net als bij een machine kan er dan – qua vermogens en potentieel – niets meer uitkomen dan wat er door de ontwerper in is gestopt.

Op de vrijeschool is iedere lesstof ontwikkelingsstof. We hoeven niets toe te voegen; we moeten veeleer voeding bieden aan de ontwikkelingsmogelijkheden die inherent zijn aan de ziel. Uiteraard moeten we ook bedenken dat de zich ontwikkelende mens zijn plaats in de moderne wereld moet innemen. Hij moet fundamentele vaardigheden als lezen, schrijven en rekenen beheersen; hij moet zijn weg vinden in de uiterlijke wereld en de spelregels begrijpen, de weg kennen enz.

Niets hiervan mag echter ooit een doel op zich zijn – zoals in de meeste scholen wel het geval is – want dan gaat het ten koste van de menselijke ziel. Het is geen kunst om een ​​kind te leren rekenen; de vraag is of we dat kunnen doen op een manier die de ontwikkeling van morele krachten bevordert.
Het is geen kunst om een ​​kind een aantal historische feiten bij te brengen; de vraag is of we die zo kunnen overbrengen dat het kind een innerlijke band opbouwt met de geschiedenis en de eigen tijd, en dat er wilskrachten worden gewekt om de toekomst actief vorm te geven.
Wanneer iemand de school verlaat, wordt het leven zelf de school. In bredere zin wordt de enorme maatschappelijke wereld daarbuiten een leeromgeving.

De beroepswereld draagt ​​het stempel van dezelfde filosofie – en hetzelfde mensbeeld – als de zojuist beschreven schoolvormen. Het beroepsleven richt zich op uiterlijke productiviteit – op wat tastbaar, meetbaar en zichtbaar is als positief economisch resultaat (examenresultaten!) – en niet op de innerlijke beleving van degene die het werk verricht. Het beroepsleven is pragmatisch en zakelijk. Wie spreekt over menselijke ontwikkeling, krijgt vaak een standaardreactie: “Wij zijn hier geen onderwijsinstelling; mensen moeten zichzelf ontwikkelen – maar dan wel in hun vrije tijd.”

Weliswaar heeft de beroepswereld inmiddels ontdekt dat mensen kunnen leren en dat dit economische voordelen oplevert. Daarom wordt ons tijdperk overspoeld met bijscholing, cursussen, workshops en dergelijke. Toch worden deze bijna allemaal gekenmerkt door de poging om er iets “in te stoppen” zodat het er snel weer “uitgehaald” kan worden. Bovendien zijn veel van deze opleidingsactiviteiten eenzijdig; ze zijn niet gericht op de mens, maar op de functie. Het doel is om het individu toe te snijden op een specifieke rol. Dergelijke activiteiten staan ​​ver af van het idee dat werk zelf zou kunnen dienen als een voortdurende bron van persoonlijke ontwikkeling. Doorgaans vinden deze activiteiten plaats als aanvulling op het eigenlijke werk – fysiek gescheiden daarvan en buiten de werkplek – en voorafgaand aan het aanvaarden van de betreffende functie. Zodra men echter met het werk is begonnen, verdwijnt elke gedachte aan opleiding en ontwikkeling meestal naar de achtergrond. Het doel wordt puur economisch: er moeten specifieke goederen worden geproduceerd of diensten worden verleend tegen zeer concurrerende prijzen. De toegepaste technische en organisatorische methoden zijn nauw afgestemd op dit economische doel. We zien hier dezelfde mentaliteit als bij het ontwerp van gereedschappen en machines ontstaan ​​door een proces van logische analyse, gebaseerd op een helder omschreven kwantitatief doel, gevolgd door een rationele constructie uit afzonderlijke onderdelen. Wie zich verdiept in de moderne organisatietheorie – die de basis vormt voor de structuur van vrijwel alle grote maatschappelijke instellingen (bedrijven, overheidsinstanties, verenigingen, onderwijsinstellingen, enzovoort) – komt overal de figuur van de ontwerper tegen. Alles is logisch bedacht en rationeel op elkaar afgestemd, maar nergens komt je de mens tegen. De machine fungeert hierbij als het onderliggende archetype.

De noodzaak om als mens binnen een dergelijk logisch systeem te functioneren, roept een gevoel van onbehagen op; men merkt dat het systeem als zodanig de mens niet werkelijk kent – ​​dat wil zeggen: het slaagt er niet in om creativiteit, initiatief of verantwoordelijkheidsbesef aan te spreken; kortom, het doet geen beroep op het specifiek menselijke ontwikkelingspotentieel.

Dit onbehagen bleef lange tijd sluimerend, omdat er aanvankelijk meer primaire behoeften vervuld moesten worden. Zolang er sprake is van werkelijke behoeften op puur fysiek niveau, komen hogere behoeften nog niet tot uiting. Naarmate de welvaart toeneemt en er een basis van fysieke verzadiging is gelegd, ontstaat er ruimte voor behoeften van de ziel – zoals erkenning, waardering, positieve menselijke relaties, een gevoel van vervulling in het werk, enzovoort. De afgelopen decennia is er veel aandacht besteed aan deze kwesties (denk aan ‘human relations’ en personeelsmanagement). Gaandeweg wordt echter duidelijk dat de problematiek rond de mens in het arbeidsproces niet louter op het niveau van de ziel kan worden opgelost – tenzij men erkent dat er zich een spirituele ‘Ik-kern’ in de menselijke ziel wil ontwikkelen en dat er aan de behoeften van de ziel nog fundamentelere spirituele behoeften ten grondslag liggen. Deze laatste behoeften zijn verbonden met de menselijke ontwikkeling in de loop van een heel leven. Wie gedurende langere tijd de gelegenheid heeft gehad om met mensen op alle niveaus te spreken – uit uiteenlopende maatschappelijke lagen en in de meest uiteenlopende beroepssituaties – en daarbij ook de ervaringen van anderen betrekt zoals die in recente literatuur naar voren komen, komt tot de conclusie dat er een groeiende weerstand tegen werken bestaat. Mensen willen zich nergens meer aan verbinden; ze missen de wil daartoe; ze ervaren werk als iets negatiefs, enzovoort. Deze verschijnselen wijzen op een opkomende kloof in onze cultuur die catastrofale gevolgen zou kunnen hebben. Ze leiden tot een kloof die het individu dwingt in twee werelden te leven: de ene is de wereld van het beroep – een domein waar steeds minder ruimte is voor de mens, waar men er als het ware ‘uit wordt georganiseerd’, en waar men zich moet neerleggen bij het feit dat hij vele uren per dag zielsdodend werk moet verrichten – werk waarbij hij geen persoonlijk belang heeft bij de doelstellingen en methoden ervan; de andere wereld is die van de vrije tijd, waarin iemand het verdiende geld kan gebruiken – mits hij “geluk” heeft in zijn beroepsleven – om een ​​zekere mate van “mens-zijn” te kopen, en waarin hij hoopt opnieuw menselijkheid te ervaren.

Dit dualisme kan niet eeuwig blijven bestaan: want als de ene sfeer van het menselijk bestaan ​​wordt opgeofferd, zullen de krachten die zich daarvan meester maken onvermijdelijk proberen zich ook de andere sfeer toe te eigenen. We zien de eerste tekenen hiervan al in de commercialisering van de vrije tijd en in het feit dat de menselijkheid die men in de vrije tijd koopt, een namaakmenselijkheid is – een menselijkheid die op den duur een groeiende leegte in de ziel achterlaat.

Het beroepsleven moet worden vermenselijkt – niet door intermenselijke relaties een rooskleurig vernisje te geven, maar door de filosofie en praktijk van leiderschap en organisatie te doordringen van een nieuwe inhoud, gebaseerd op het concept van de zich ontwikkelende mens. Op die manier treedt het individu werkelijk als een zelfbewust wezen het beroepsleven binnen. Bij elke functie moet men, naast de twee eerder genoemde vragen, een derde vraag stellen: niet slechts of de functie doelgericht is – dat wil zeggen, of ze uiteindelijk bijdraagt ​​aan het bevredigen van klantbehoeften (wat de economische taak van de onderneming is) – en evenmin enkel of ze logisch past in de totale functiestructuur (organisatie in strikte zin vertegenwoordigt het “juridische aspect” van het bedrijf, aangezien ze in wezen een complex van regels, normen en afspraken vormt met betrekking tot de gebieden waarop iedereen op gelijke voet staat); maar ook of de functie een zinvolle rol kan spelen in de geestelijke ontwikkeling van de medewerkers.

Dit betekent dat er, als het ware, een volledig nieuwe dimensie wordt toegevoegd aan het functioneren van de onderneming. We weten nog weinig over de ontwikkelingsdynamiek van de volwassene; we hebben weinig inzicht in welke soorten werk – in de verschillende fasen van de menselijke levensloop – de ontwikkeling remmen of juist bevorderen; en we hebben nog weinig geleerd over de vraag of alternatieve combinaties van functies, taakverdelingen, taakontwerpen, communicatiemethoden, besluitvormingsprocedures en dergelijke een positieve invloed op het individu zouden kunnen hebben. Toch is het dringend noodzakelijk dat we ons met deze vragen bezighouden. Hier ligt een grotendeels onontgonnen terrein, zowel voor wetenschappelijk onderzoek als voor organisatorische en pedagogische verbeeldingskracht en creativiteit. Net zoals er voor elke vrijeschoolleerkracht een pedagogische uitdaging erin bestaat om lesstof om te zetten in materiaal voor persoonlijke ontwikkeling, staan ​​we voor een vergelijkbare uitdaging: elke werksituatie omzetten in een kans voor ontwikkeling.

Met “ons” bedoelen we het Nederlands Pedagogisch Instituut in Zeist, Nederland, dat – onder leiding van professor Lievegoed – zich al tien jaar in de praktijk met deze vraagstukken bezighoudt. Dit sociaal-pedagogische werk heeft ook in Zwitserland wortel geschoten.

Dr.Bos was medewerker van het NPI.
Hij schreef boeken en artikelen.  
Op deze blog staan een aantal van zijn artikelen.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3577-3370

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’ (9)

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven‘

.

Zie ‘voorwoord‘.

Het waarom van de stages staat in dit artikel. In onderstaande artikel zien we een praktische uitwerking.

Deze beschrijving van een 9e klas doet me denken aan een soortgelijke ervaring die ik zelf met een 7e klas had – die bestond toen nog – tijdens een werkweek op een bd-boerderij. De leerlingen deden werk dat ertoe deed, bv. het uitmesten van een kippenverblijf; wieden, poten en oogsten. Elke dag was er afwisselend als groep een kookploeg – ook de inkopen doen – een corveeploeg. ’s Middags ontspannen activiteiten, bv. per roeiboot een verkenningstocht over de daar aanwezige wateren.

De idee om 7e klassen een week op een b.d.-boerderij te laten werken, werd o.a. met niet aflatende ijver gepromoot door wijlen Hans Peelen, ouder, uit Den Haag, ook de mede-initiator van de nu nog zo populaire herfst- en voorjaarsmarkten/bazaars op vrijescholen.

.
Werner Bode, Bochum

.

Landbouwstage voor de negende klas in Wörme

 

Het was de tweede keer dat de school uit Bochum met een negende klas een stage op het platteland kon organiseren.

Het idee voor dergelijke projecten ontstond tijdens recente vergaderingen, toen de vraag opkwam hoe het onderwijs in de hogere klassen beter kon worden gekoppeld aan de praktijk. De noodzaak om leerlingen praktijkervaring te laten opdoen, is in onze tijd immers steeds dringender geworden.

Het is belangrijk om jongeren, terwijl ze nog op school zitten, de kans te geven kennis te maken met de echte arbeidswereld en zich daarin te bewijzen. Vooral wanneer ze de adolescentie bereiken, hebben zowel jongens als meisjes behoefte aan ervaringen die ze opdoen door directe betrokkenheid bij de concrete realiteit van moderne werkprocessen.

Voor onze leerlingen van de negende klas leek een ervaring waarbij ze volledig in het boerenleven opgingen, een logische en bij hun leeftijd passende keuze. In deze levensfase komen vragen over de fundamentele processen van het bestaan ​​met bijzondere intensiteit naar boven. Wat is de verhouding van de mens tot de aarde, tot de plantenwereld en tot dieren? Welke problemen veroorzaken technologie en moderne maatschappelijke omstandigheden voor mensen? Kortom, alle prangende levensvragen worden opnieuw gesteld en houden hun ontwakende bewustzijn meer dan ooit bezig. Gepaard aan een oerdrang om hun lichaam krachtig in te zetten, willen jongeren van deze leeftijd hun wilskracht op de proef stellen en taken uitvoeren die energie, bedachtzaamheid, moed en tegenwoordigheid van geest vereisen. Daarbij komt de gezonde, natuurlijke wens om in de natuur te zijn – een behoefte die in onze industriële regio [Ruhrgebied]maar al te zelden wordt vervuld.

Met dit in gedachten is het een groot geluk dat onze school een band heeft opgebouwd met landgoed “Wörme”. De boerderij ligt aan de noordrand van de Lüneburger Heide, op een enigszins afgelegen en rustige plek in een prachtig landschap. Uitgestrekte dennenbossen en echte heidevelden strekken zich in alle richtingen uit. Het landgoed van circa 160 hectare omvat alle essentiële elementen van een boerderij: naast bos, akkers en weilanden zijn er heidevelden en stukken onontgonnen land die nog voor landbouwdoeleinden geschikt gemaakt zouden kunnen worden. Een waterrijke rivier en diverse zijbeken zorgen voor een gunstige watervoorziening en maken de aanleg van vijvers mogelijk. Er worden rogge, haver en gerst verbouwd. Een waardevol ras heideaardappel, dat ter plaatse is ontwikkeld, gedijt hier goed en wordt voortdurend verder veredeld. Daarnaast worden er diverse wortelgewassen en groentesoorten geteeld. De boerderij biedt onderdak aan koeien, varkens, paarden, ganzen en kippen, en zelfs aan een aanzienlijke kudde Heidschnucke-schapen. Het kan dan ook worden omschreven als een volwaardig agrarisch bedrijf. Even belangrijk voor ons stageconcept is echter het feit dat de boer die met zijn grote gezin op landgoed Wörme woont, zelf ouder is van een kind op een vrijeschool. Het gaat hier om de heer Von Hörsten, die bij velen al bekendstaat om zijn werk in de biologisch-dynamische landbouw.

De heer Von Hörsten zet zich al jaren in voor het opzetten van landbouwgerelateerde jongerenprogramma’s. Op zijn initiatief ontstond jongerencentrum “Wörme” in een gerestaureerde voormalige schaapskooi.

Net als veel klassen van vrijescholen uit Hannover, Rendsburg en Bremen – die er voorheen alleen op excursie kwamen – verbleef ook onze negende klas in deze inmiddels wijd en zijd bekende “schaapskooi”.

Onze stage duurde helaas maar twee weken. Die twee weken zaten echter boordevol activiteiten. Er werd zes uur per dag gewerkt. De ene groep werkte op het land en oogstte aardappelen, wortelen en knollen. Een tweede groep werkte in het bos, waar in een moerassig gebied een forellenvijver werd aangelegd. De derde groep bleef op het landgoed en kreeg kookles van mevrouw Von Hörsten; de “leerling-koks” moesten daarbij ook maaltijden bereiden voor iedereen die op de boerderij werkte. En het smaakte heerlijk! De groepen wisselden elke paar dagen van werkplek.

Wat betreft de zorg en gastvrijheid die onze klas tijdens de stage heeft ervaren, kunnen we de heer en mevrouw Von Hörsten en hun hele gezin alleen maar hartelijk bedanken! Wie kan werkelijk beseffen wat het betekent om 38 leerlingen in de huiselijke kring op te nemen? We vernamen ook, bijna terloops, dat er speciaal voor ons een varken was geslacht. Ook de kwaliteit van het Demeter-gecertificeerde voedsel – waarvan een deel op de boerderij zelf was geproduceerd – droeg in grote mate bij aan onze energie en ons enthousiasme.

De productie van dit Demeter-gecertificeerde voedsel vormde tevens het uitgangspunt voor de intellectuele verdieping die de leerlingen kregen: deels tijdens het werk, maar vooral ’s avonds, na de nabespreking van de dagactiviteiten door de heer Von Hörsten. Op die manier werden de levensomstandigheden die planten en dieren nodig hebben om op een boerderij te gedijen, vanuit steeds weer nieuwe invalshoeken bekeken.

’s Avonds kwamen ook vragen aan de orde die specifiek waren voor deze boerderij, zoals heggen die oorspronkelijk als windkering waren geplant, ontwikkelden zich bijvoorbeeld gaandeweg tot “levensaders” voor vogels en vele andere nuttige kleine dieren. Ook werden ervaringen uitgewisseld over de positieve effecten van omheinde weiden op de veehouderij. De problemen rond bemesting en plaagbestrijding waren bijzonder interessant, aangezien deze direct verband houden met de tegenwoordig veelbesproken bijwerkingen veroorzaakt door het gebruik van chemische middelen. Daartegenover kon de heer Von Hörsten de methoden beschrijven die hij – in de loop van jarenlange arbeid – had ontwikkeld om hogere opbrengsten te behalen zonder kunstmest of giftige bestrijdingsmiddelen. Het revitaliseren van de bodem stond bij hem centraal. Gedurende deze dagen ontwikkelden alle betrokkenen een steeds rijker en veelzijdiger inzicht in de boerderij als levend organisme. Geïnspireerd door hun ervaringen in Wörme, bloeide onze negende klas op en straalde ze een vreugdevolle, innerlijke vitaliteit uit. Ondanks het zware werk leken de leerlingen te bruisen van energie. Het is moeilijk onder woorden te brengen hoeveel plezier en uitbundige vrolijkheid elke dag met zich meebracht.

De grootste voldoening kwam echter voort uit de uitstekend gekozen opdracht: het aanleggen van een forellenvijver. Aan de noordrand van het boerderijterrein lag een moerassige laagte, begroeid met elzen, waar een beekje doorheen stroomde. Men vond er een geschikte plek om door middel van een dam een ​​grote vijver te creëren. Daarvoor moesten echter eerst honderden kleine bomen worden gekapt en vele grote boomstronken worden uitgegraven. Bestond er een mooiere taak voor negendeklassers? Wie zich de locatie voor de geest haalt, ziet de leerlingen daar stuk voor stuk aan het werk: men kon zich verwonderen over de uiteenlopende houdingen, variërend van koppige vastberadenheid tot een oprechte opgaan in de elementen van het moerassige terrein!

Wat werkelijk inspireerde, was het bijna ongelooflijke eindresultaat: tegen de laatste dag was er daadwerkelijk een enorme vijver ontstaan. Tijdens een ceremoniële handeling werden er tien forellen in uitgezet. Een timmerman had speciaal voor de vijver een zogenaamde ‘monnik’ – een uitlaatconstructie – gemaakt, waardoor de installatie vakkundig werd aangelegd. De stage in Wörme was voor alle leerlingen en docenten, maar ook voor het personeel van de boerderij, een geheel nieuwe ervaring van leren in de praktijk. Uiteraard kon dit verslag slechts enkele hoogtepunten belichten. Een dagtocht naar Hamburg en een avond waarop de klas huiselijke muziek ten gehore bracht voor de boerderijgemeenschap, vormden de afsluiting van de tijd in Wörme.

Voor alle deelnemers was het een ware ontmoeting: een ontmoeting met mensen die op het platteland werken en midden in de tijdgeest staan, maar ook een ontmoeting met de wereld van de landbouw, waaraan wij sinds mensenheugenis ons dagelijks brood te danken hebben.

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3564-3348

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’ (8)

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

.

Zie ‘voorwoord‘.

.

Toen er in 1958 in Bochum een nieuwe bovenbouw werd opgericht, volgde men niet traditiegetrouw de sinds 1919 betreden paden, maar probeerde men vanuit de tijdgeest te luisteren naar wat voor de leerlingen – de volwassenen van de toekomst – in hun tijd, essentieel is.

Dat kan ook 70 jaar later tot gezichtspunten leiden die het leerplan verrijken.

.

Johannes Kiersch, Bochum
.

Over het leerplan van de bovenbouw
.

Bij de oprichting van de Rudolf Steiner-school in Bochum in 1958 leefde onder de vrienden en oprichters de sterke wil om dit nieuwe onderwijsinitiatief op effectieve wijze te verankeren in de specifieke maatschappelijke omstandigheden van het Ruhrgebied. Men zag het voor zich als een ‘Rudolf Steinerschool voor het Ruhrgebied’ – niet louter omdat ze in het hart van dit industriegebied zou worden gevestigd, maar omdat ze kinderen die opgroeiden in een geïndustrialiseerde, hoogtechnologische omgeving wilde helpen om – dankzij haar genezende en veilige kracht – op verantwoorde wijze hun plaats in te nemen binnen de levensomstandigheden van hun medemensen en bij te dragen aan de bescherming van die omstandigheden om vanuit eigen inzicht samen te werken. Het was niet de bedoeling een “pedagogische provincie” te creëren – een plek waar cultuur en onderwijs worden gecultiveerd, los van het werkelijke leven en louter omwille van zichzelf – maar veeleer een school voor actieve mensenliefde in een moderne vorm.

Dit voornemen van de oprichters – dat volledig werd onderschreven door het nieuwe lerarenteam – zou onvermijdelijk een grote invloed hebben op alle inspanningen rondom het werk in onze bovenbouw. ​​Het doel was om verder te kijken dan het traditionele vrijeschoolleerplan en programma’s op te zetten die bij adolescenten een besef konden wekken van de veelzijdige verantwoordelijkheden die het volwassen leven in een hoogontwikkelde, professionele wereld uiteindelijk van ieder van hen zou vragen. Het was noodzakelijk om doelen, mijlpalen en duidelijke fasen van inzicht vast te stellen, die de weg naar dit verantwoordelijkheidsgevoel tastbaar zouden maken door middel van een boeiende, logische opbouw.

Zo werden er praktische stages ingevoerd: een landbouwstage in de negende klas (zeven jaar geleden ingevoerd), een techniekstage in de tiende, en in de elfde klas een stage in de industrie (zes jaar geleden) of in de heilpedagogie (vijf jaar geleden). Evenzo werd het concept van een “jaarproject”, [eindwerkstuk] in de twaalfde klas – dat elders al zijn waarde had bewezen – overgenomen en verder ontwikkeld om aan te sluiten bij het vrijeschoolleerplan; dit leidde tot de creatie van een vrijeschool-eindexamen dat een betekenisvolle afsluiting van ons onderwijsprogramma vormt. Het vreemdetalenonderwijs werd uitgebreid – met een nieuwe nadruk op moderne vreemde talen – en aanzienlijk versterkt door maatregelen om de werkdruk voor individuele leerlingen te verminderen en door het werken met niveaugroepen. Momenteel ontwikkelen we drie aanvullende beroepsvoorbereidende cursussen – in houtbewerking, metaalbewerking en sociaal werk – voor leerlingen uit de elfde en twaalfde klas die nog maar één vreemde taal volgen.

Al deze initiatieven geven een duidelijke structuur aan de beleving van de bovenbouwjaren, zoals die door de gehele schoolgemeenschap wordt ervaren. Net zoals individuele onderwijsperiodes altijd als iets bijzonders werden gezien – als een kostbaar geschenk van het betreffende schooljaar – en met vreugdevolle verwachting werden tegemoetgezien door leerlingen, ouders en leraren, zo is het nu ook bekend dat de negende klas naar Wörme reist, de tiende naar Hallig Hooge en de elfde naar Lohr. Deze namen beloven niet slechts een avontuurlijke schoolreis; ze fungeren als sleutels tot nieuwe omgevingen; ze bieden kansen om zich buiten de muren van het klaslokaal te bewijzen en wekken een verantwoordelijkheidsgevoel op voor menselijke en mondiale vraagstukken – een besef dat gaandeweg de weg naar de eindexamens steeds meer een individuele invulling krijgt, totdat het op het moment van de overgang naar het beroepsleven zijn eigen, diep persoonlijke en een gestructureerde vorm aanneemt. Een sterk besef van doelgerichtheid doordringt het werk in de bovenbouw wanneer leraren en ouders erin slagen de nieuwe aspecten van het leerplan doordacht vorm te geven – een doelgerichtheid die het werk van onze jongeren stuurt met het oog op de toekomst, in plaats van op de tradities van het verleden. De eerbiedwaardige monumenten uit het verleden – waarvan de vrijeschool zich te midden van een afbrokkelende cultuur als hoeder beschouwt – krijgen nieuw leven naast dit hernieuwde engagement voor de toekomst.
De theocratische culturen van India, Perzië, Egypte en de klassieke oudheid – waarvan de prestaties in het leerplan van de tiende klas van de vrijeschool uitzonderlijk veel ruimte krijgen via vier weken ‘periodeonderwijs’ – verschijnen nu naast de nuchtere techniek van het landmeten; de mysterieuze spirituele reizen van Parzival en zijn wereld worden diepgaand beleefd terwijl de indrukken van de industriële stage in de elfde klas nog in de geest van de leerlingen nazinderen; de existentiële worstelingen van Faust in de twaalfde klas gaan hand in hand met het omgaan met de individuele uitdagingen van het jaarlange zelfstandige project.

Men ervaart dat de Rudolf Steinerschool bewust probeert de schijnbaar onoverbrugbare tegenstellingen van het werkelijke leven met elkaar te verzoenen; dat ze niet terugdeinst voor de raadsels van het moderne bestaan, maar leerlingen juist begeleidt om deze met kalme vastberadenheid het hoofd te bieden. Wanneer dit met volledige toewijding wordt nagestreefd, raken veel van de vragen die het onderwijsdebat op andere scholen domineren grotendeels naar de achtergrond. Het is dan niet langer nodig om verhit te debatteren over zaken als de democratisering van het schoolleven, audiovisuele hulpmiddelen en onderwijsmachines, wijzigingen in de examenstof, seksuele voorlichting, de modernisering van verouderde leerboeken en dergelijke.

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3563-3347

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 22 november 1920

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

Kinderen met problemen: lethargisch, apathisch, lichaamsoriëntatie; geen slapheden tolereren: krijtje goed vasthouden, niet sjokken; gedachtevlucht, onsamenhangend schrijven; soms niet meteen ingaan op een gedraging, maar pas de volgende dag. <1>
Spreken in koor goed, maar individueel controleren! <2>
Kletsen, lawaai, niet opletten; spanning, nieuwsgierigheid wekken <3>
Snel gekwetst, invloed moeder <4>
Geen interesse in euritmie: vormen tekenen en uitvoeren <5>
Prentenboek met beweegbare platen <6>
Hulpje om GGD vast te stellen <7>

 

RUDOLF STEINER

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924

Erster Band Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1 Het eerste en tweede schooljaar

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A

Blz. 244

Vergadering van maandag 22 november 1920, 16—18.30u

Blz. 244 en 245 zijn hier vertaald met het oog op de muurversieringen in de school.

Blz. 245/246

Dann ist da eine Sache, die ich zur Sprache bringen muß. Es sind allerlei Dinge im Bau begriffen. Nun, nicht wahr, ist es so, daß der musikalische Unterricht unter dem Nichtvorhandensein von geeigneten Räumen an allen Möglichkeiten des fruchtbaren Unterrichtes leidet. Das ist doch eine Kalamität. Nicht wahr, wenn halt der Musiklehrer taub wird dadurch, daß er in einem ganz ungeeigneten Raum unterrichten muß, so ist das eine Kalamität. Das ist etwas, dem abgeholfen werden müßte. Man hat eine solche Befriedigung für die
Waldorfschule, wenn so ein Quartett auftritt. Das zeigt, was geleistet werden könnte, wenn alle Grundlagen da wären. Es wäre gut, wenn eine gewisse Sicherheit dafür vorhanden ist, daß darauf Rücksicht genommen wird, daß die Musik tatsächlich einmal für drei, vier Jahre ordentlich untergebracht ist.

Dan is er nog één ding dat ik moet aankaarten.
Er wordt van alles gebouwd. Is het niet zo dat muziekonderwijs lijdt onder het gebrek aan geschikte ruimtes, waardoor vruchtbaar onderwijs onmogelijk wordt? Dat is een ramp. Is het niet zo dat als de muziekdocent doof wordt doordat hij les moet geven in een volstrekt ongeschikte ruimte, dat ook een ramp is? Dat moet verholpen worden. Je krijgt zoveel voldoening van de Waldorfschool als zo’n kwartet optreedt. Dat laat zien wat er bereikt kan worden als alle fundamenten op hun plaats liggen. Het zou goed zijn als er enige garantie was dat er rekening wordt gehouden met de huisvesting van muziek gedurende drie of vier jaar.

X.: Ein Musiksaal ist vorgesehen.

X.: Er is een muziekzaal gepland.

Dr. Steiner: Ist der Musiklehrer als Sachverständiger zugezogen worden? Das wäre notwendig, daß Sie das selbst anordnen, was Sie
wollen. Es müßte schon dafür gesorgt werden, daß die Turnhalle zu
gleicher Zeit für den musikalischen Teil der Schule etwas hat.

Is de muziekdocent als expert geraadpleegd? Dat zou nodig zijn, zodat u zelf kunt regelen wat u wilt. Er moet voor gezorgd worden dat de gymzaal tegelijkertijd ook beschikbaar is voor het muziekonderwijs van de school.

Der Musiklehrer: Ich brauche auch für die Vorbereitung des Unterrichts einen
geeigneten Raum. Ich müßte etwas klanglich ausprobieren.

De muziekleraar: Ik heb ook een geschikte ruimte nodig voor de lesvoorbereiding. Ik moet wat experimenteren met geluiden.

Dr. Steiner: Es wäre notwendig, daß diese Sachen so eingerichtet werden, wie Sie es selbst angeben.
Werden genügend große Räume da sein für den Handfertigkeitsunterricht? Wie kommen Sie durch mit allen Kindern? Wenn Sie immer solch einen Trupp haben, dann können Sie kaum durchkommen.

Het is noodzakelijk dat deze ruimtes worden ingericht zoals u zelf aangeeft.
Zijn er voldoende grote ruimtes voor de handvaardigheidslessen? Hoe gaat om al die kinderen in toom houden? Als u altijd zo’n grote groep hebt, zult u het nauwelijks redden.

X.: Es fängt mit der 6. erst an.

X.: Het begint pas in de 6e.

Dr. Steiner: Trotzdem weiß ich nicht, ob Sie durchkommen können.
Viel mehr hat man nicht Platz in den Räumen, die ein Winkelwerk
sind. Die Kinder werden krank werden. Das wären Fingerzeige, die
notwendig gewesen wären zu beachten.
Jetzt möchte ich, daß sich die Freunde aussprechen über die Dinge,
die sie gerne besprochen hätten.

Zelfs dan weet ik niet of u het wel aankunt.

Er is niet veel ruimte meer in de lokalen, die een doolhof van hoekjes zijn. De kinderen zullen ziek worden. Dit zijn waarschuwingssignalen waar men rekening mee had moeten houden.
Nu wil ik graag dat de vrienden vertellen wat ze graag hadden willen bespreken.

X.: Ich wollte fragen, wie man Kinder behandeln soll, die lethargisch sind.

<1> X.: Ik wil graag vragen hoe je omgaat met kinderen die lusteloos zijn.

Dr. Steiner: Wie ist der Sch. im Handfertigkeitsunterricht? Er geht
so komisch. Ich habe im vorigen Jahre bei einigen schwach begreifenden Kindern so etwas als Grundübungen angegeben, daß sie am
eigenen Körper denken mußten. ,,Greife mit dem rechten dritten
Finger deine linke Schulter an.” Solche Dinge werden sie am eigenen

Hoe gaat het met Sch. in de handvaardigheidsles? Hij loopt zo vreemd. Vorig jaar gaf ik een aantal kinderen met leerproblemen eenvoudige oefeningen waarbij ze in termen van hun eigen lichaam moesten denken. “Pak je linkerschouder vast met je rechter middelvinger.” Ze moeten over zulke dingen nadenken in termen van hun eigen lichaam.

Körper denken müssen. Ich habe auch gezeigt, man zeichnet ihnen etwas auf, was man stilisiert; sie müssen daraufkommen, was das ist.
Oder man läßt sie das Symmetrische dazu machen. Man bildet Anschauungen, die mit dem Körperbau zusammenhängen. Diese Übungen in den Unterricht eingefügt, sind außerordentlich weckend für schläfrige Kinder. Bei diesem Jungen ist das Schlaf.
Ich würde Sie darum bitten, bei den Kindern keine Lässigkeit im Kleinen zu dulden. Nicht dulden, daß die Kinder die Kreide halten wie die Feder, daß die Kinder keine Ungeschicklichkeit begehen.
Auf solche Sachen würde ich ganz stark achten. Fast die Hälfte der Kinder hält die Kreide schlecht. Das muß man ihnen nicht durchlassen. Auf diese Dinge muß man doch furchtbar stark sehen.
Ich würde den Kindern nicht gestatten, so herauszutröpfeln, wie heute das kleine Mädchen. Da würde ich trachten, daß die sich den Gang bessern kann. Das hat ungeheuer viel Weckendes.
Der N. in der 6. ist auch so sehr apathisch. Bei dem würden solche Übungen sehr rasch helfen.
Ich würde auch eine Zeitlang sehr sehen auf das kleine Mädchen in der 4. Klasse, rückwärts auf der rechten Seite. Die neigt dazu, sich furchtbar viel auszudenken. Sie hat sich ausgedacht, daß die ganze Szene von dem ,,Lied vom braven Mann” am Mittelländischen Meer spielt. 

Ik heb ook laten zien dat je iets gestileerds tekent; ze moeten dan bedenken wat het voorstelt.

Of je laat ze de symmetrie daarbij vinden. Je vormt concepten die te maken hebben met de structuur van het lichaam. Deze oefeningen, die in de lessen zijn verwerkt, zijn buitengewoon stimulerend voor slaperige kinderen. In het geval van deze jongen is dat slaap.

Ik wil u daarom vragen om geen enkele onzorgvuldigheid bij de kinderen te tolereren, zelfs niet in kleine dingen. Tolereer niet dat de kinderen het krijtje als een pen vasthouden, tolereer niet dat de kinderen onhandig zijn. Ik zou daar heel goed op letten. Bijna de helft van de kinderen houdt het krijtje slecht vast. Dat mag u niet laten gebeuren. U moet hier heel goed op letten.

Ik zou de kinderen niet laten sjokken met hun gangetje, zoals het meisje vandaag deed. Ik zou proberen ervoor te zorgen dat ze haar gangetje kan verbeteren. Dat heeft een enorm stimulerend effect.

N. in groep 6 is ook erg apathisch. Zulke oefeningen zouden hem snel helpen.

Ik zou ook het meisje in groep 4, rechtsachter, een tijdje goed in de gaten houden. Ze verzint namelijk van alles. Zo heeft ze zich bijvoorbeeld voorgesteld dat de hele scène uit “Het lied van de goede man” zich afspeelt aan de Middellandse Zee.

Das alles schreibt sie in Anlehnung an das Lied vom braven Mann. „Der Tauwind kam vom Mittagsmeer.” Von da aus macht sie eine phantastische Geographie. Mit diesem kleinen Mädchen muß man oft sprechen, die ist der Gefahr ausgesetzt, an Gedankenflucht zu leiden. „Das Ägäische Meer fließt ins Mittelländische Meer.”
Der Junge, der Kleine — es sind einzelne darunter, die haben eine reizende Schrift, einzelne sind sehr weit —, der kleine Junge schreibt so, wie mancher kommunistische Redner redet. Er paßt dann nicht auf. Er schreibt ohne Zusammenhang, wie ein Redner vom Kommunismus redet. Für den wären auch solche Übungen weckend.

Ze schrijft dit alles met verwijzing naar het lied over de dappere man. “De dooi kwam van de middagzee.” Van daaruit creëert ze een fantastische geografie. Je moet vaak met dit meisje praten; ze loopt het risico op gedachtevlucht. “De Egeïsche Zee stroomt in de Middellandse Zee.”

De jongen, de kleine – sommigen hebben een charmant handschrift, anderen zijn heel begaafd – de kleine jongen schrijft zoals sommige communistische redenaars praten. Hij let dan niet op. Hij schrijft onsamenhangend, zoals een spreker over het communisme praat. Zulke oefeningen zouden hem ook stimuleren.

-X. fragt wegen F. L.

-X. vraagt ​​naar F.L.

Dr. Steiner: Der Junge, der F. L., müßte vielleicht doch oft aufgerufen werden. Es ist nicht so schlimm. Er ist nur verträumt. Er kommt mit sich selbst schwer zurecht. Er müßte das Gefühl haben, man interessiert sich für ihn. Dann wird es sofort gehen. Es geht doch jetzt besser.

De jongen, F.L., zou misschien vaker aan het woord moeten komen. Het is niet zo erg. Hij is gewoon een beetje dromerig. Hij heeft moeite om met zichzelf om te gaan. Hij moet voelen dat iemand in hem geïnteresseerd is. Dan zal het meteen lukken. Het gaat nu beter.

X.: Er spricht in der Stunde nicht mit.

X.: Hij spreekt niet mee in de les.

Dr. Steiner: Ob er sich nicht aufraffen könnte? Er hat eine

Blz. 248

fortwährende Angst, daß man ihn nicht lieb hat. Das ist sein Grundphänomen. Man soll nicht hinter ihm etwas suchen.

Zou hij zich niet kunnen herpakken? Hij heeft een aanhoudende angst dat hij niet geliefd is. Dat is zijn fundamentele karaktertrek. Je moet niet achter zijn gedrag een diepere betekenis zoeken.

X.: Was würden Sie raten für Ch. D. in der 2. Klasse?

X.: Wat zou u  aanraden voor Ch. D. in de tweede klas?

Dr. Steiner: Hat sie etwas angenommen vom Unterrichtsinhalt? Was
haben Sie gegen sie?

Heeft ze iets van de lesstof begrepen? Wat heeft u tegen haar?

X.; Ich werde charakterlich nicht fertig.

X.: Ik kan haar karakter niet aan.

Dr. Steiner: Setzen Sie sich ganz in die Nähe und bemerken Sie nicht, wenn sie mit Ihnen kokettiert. Bemerken Sie es zunächst nicht, und immer erst am nächsten Tag sprechen Sie mit ein paar Worten über das, was sie ausgefressen hat am ersten Tag. Nicht wenn es gerade ausgefressen wird, sondern vierundzwanzig Stunden danach.

Ga heel dicht bij haar zitten en doe alsof u niet merkt dat ze met u koketteert. Merk het in eerste instantie niet op, en spreek pas de volgende dag met een paar woorden over wat ze de eerste dag heeft uitgehaald. Niet wanneer het net gebeurt, maar vierentwintig uur later.

X.: Bei mir in der 4. ist der W. R. K. Der folgt nicht; er lernt nicht und stört
dauernd die anderen Kinder. Er ist schläfrig und apathisch.

X.: Bij mij in de vierde klas zit W. R. K. Hij volgt de les niet; hij leert niet en stoort voortdurend de andere kinderen. Hij is slaperig en apathisch.

Dr. Steiner: Da würde ich es auch versuchen mit diesen Übungen.
Alles von Grund auf mit den Kindern machen, daß sie keine Schablonen in die Hand bekommen, noch ausgesprochene Formen, die übersichtlich sind.

Dan zou ik het ook met deze oefeningen proberen.
Alles vanaf de basis met de kinderen doen, zodat ze geen sjablonen in handen krijgen, noch uitgesproken vormen die overzichtelijk zijn. <1>

X. (der die 5. Klasse übernommen hat, weil Frau K. krank wurde): Es ist vor
allem eins, daß dadurch, daß die Klassen viel an Lehrern gewechselt haben, im
Rechnen die Kenntnisse ungleichmäßig sind. Soll ich das Rechnen abbrechen
und lieber einen anderen Gegenstand nehmen?

X. (die de 5e klas heeft overgenomen omdat mevrouw K. ziek werd): Het is vooral zo dat, doordat de klassen vaak van leraar zijn gewisseld, de kennis van rekenen ongelijkmatig is. Moet ik met rekenen stoppen en liever een ander vak nemen?

Dr. Steiner: Wie lange glauben Sie zu brauchen, daß jedes Kind so
weit ist, daß es geht?

Hoe lang denkt u nodig te hebben voordat elk kind zo
ver is dat het kan?

X..-Die Majorität in der Klasse ist nicht schlecht im Rechnen.

X..De meerderheid van de klas is niet slecht in rekenen.

Dr. Steiner: Nun meine ich das: der Unterricht im Chor ist gut; er ist gut mit Maß gemacht. Wenn allzuviel im Chor gesprochen wird, dann bitte ich nicht zu vergessen, daß die Gruppenseele eine Realität ist, daß Sie nie darauf rechnen können, daß die Kinder als einzelne das können, was sie im Chor richtig machen. Man hat so das Gefühl, wenn die Kinder im Chor sprechen, daß man sie leichter ruhig erhält.
Ein so gutes Mittel es ist, mäßig betrieben, damit die Gruppenseelenhaftigkeit in Regsamkeit kommt, so wenig ist es doch gut, die Kinder allzusehr der Gruppenseele zu überlassen. Sie können als einzelne nicht das, was sie im Chor können. Da müßte noch weiser geschaltet werden. Sie müssen die Kinder einzeln recht viel fragen. Man muß es tun. Es hat seinen großen erzieherischen Wert. Ja nicht glauben,

<2> Wat ik bedoel is dit: het lesgeven in koor is goed; het is goed gedoseerd. Als er te veel in koor wordt gesproken, dan vraag ik u niet te vergeten dat de groepsziel een realiteit is, dat u er nooit op kunt rekenen dat de kinderen als individuen
kunnen wat ze in koor goed doen. Men heeft zo het gevoel dat wanneer de kinderen in koor spreken, men ze gemakkelijker rustig houdt.
Hoe goed dit middel ook is, mits met mate toegepast, om de groepsgeest tot leven te brengen, het is toch niet goed om de kinderen te veel aan de groepsgeest over te laten. Ze kunnen als individuen niet wat ze in koor kunnen. Daar zou nog verstandiger mee omgegaan moeten worden.
Je moet de kinderen afzonderlijk heel vaak vragen stellen. Dat moet je doen. Het heeft een grote pedagogische waarde. Geloof vooral niet,

Blz. 249

wenn die Kinder unruhig werden, daß man sie dann im Chor sprechen lassen muß.

dat als de kinderen onrustig worden,  je ze dan in koor moet laten spreken. <2>

X.: Was soll man gegen die Unruhe tun?

X.: Wat moet je tegen die onrust doen?

Dr. Steiner: Was machen die Kinder dann?

Wat doen de kinderen dan?

X.: Sie sprechen, schwätzen, lärmen.

<3> X.: Ze praten, kletsen, maken lawaai.

Dr. Steiner: Es scheint beim Rechenunterricht zu sein. Neulich, wie ich da war, waren die Kinder wunderbar ruhig.

Het lijkt tijdens de rekenles te zijn. Onlangs, toen ik daar was, waren de kinderen heerlijk rustig.

X.: Die haben Angst gehabt vor Dr. Steiner, das haben die anderen nachher
gesagt.

X.: Ze waren bang voor Dr. Steiner, dat hebben de anderen achteraf
gezegd

Dr. Steiner: Sie müssen es eine Zeitlang so machen, daß Sie versuchen, die Neugierde der Kinder zu erregen, daß sie unter einer gewissen Spannung dem Unterricht folgen; durch die Sache selbst, nicht durch außerunterrichtliche Mittel.

U moet het een tijdje zo aanpakken dat u probeert de nieuwsgierigheid van de kinderen te prikkelen, zodat ze onder een zekere spanning de les volgen; door de les zelf, niet door middelen buiten de les om. <3>

(Zu Fräulein Hauck): Nicht wahr, die Kinder im Handarbeitsunterricht, ich habe sie noch nie unartig gefunden. Ich glaube, es wird sich auch geben. Die Kinder werden sich an Sie gewöhnen. Die 4. ist eigentlich artig und regsam. Sie gingen auf eine schwierige Auseinandersetzung ein und dachten gründlich nach. Ich habe etwas darüber gesprochen. Sie müssen nur nicht gleich — Sie sind ganz noch jung und morgenschön als Lehrerin der Waldorfschule; Sie müssen noch warten, bis die Kinder kommen, Sie nahe zu sehen.

(Tegen juffrouw Hauck): Nietwaar, de kinderen tijdens de handwerkles, ik heb ze nog nooit onhandelbaar gevonden. Ik geloof dat het wel goed komt. De kinderen zullen aan u wennen. De 4e klas is eigenlijk braaf en levendig. Ze gingen in op een moeilijke discussie en dachten grondig na. Ik heb er iets over gezegd. U moet alleen niet meteen — u bent nog heel jong en veelbelovend als lerares op de Waldorfschool; u moet nog even wachten tot de kinderen u van dichtbij leren kennen.

X.: Der G. Z. leidet an Heimweh. Er hat einen großen Fragetrieb.

X.: G. Z. heeft heimwee. Hij stelt heel veel vragen.

Dr. Steiner: Er ist auch im Physikunterricht ganz aufmerksam. Ich war verwundert darüber, daß er so artig ist. Die Frau, bei der er wohnt, sagt, er kritisiert sehr stark und schimpft furchtbar über die Lehrer und über die Schule und sagt, auf anderen Schulen hat er viel mehr gelernt. Man müßte wissen, ob es stimmt.

Ook tijdens de natuurkundeles is hij heel aandachtig. Ik was verbaasd dat hij zo braaf is. De vrouw bij wie hij woont, zegt dat hij erg kritisch is en vreselijk scheldt op de leraren en de school, en dat hij op andere scholen veel meer heeft geleerd. Men zou moeten weten of dat klopt.

X.: Das Kind G. D. fühlt sich leicht gekränkt und ungerecht behandelt.

<4> X.: Het kind G. D. voelt zich snel gekwetst en onrechtvaardig behandeld.

Dr. Steiner: Die Mutter hält sich für eine geistvolle Dame und da scheint sie manchen Kohl zu reden. Sie hat fürchterliches Zeug im Laufe der Jahre geredet. Was ist für eine Kalamität vorhanden?

De moeder beschouwt zichzelf als een geestrijke dame en daarbij lijkt ze nogal wat onzin uit te kramen. Ze heeft in de loop der jaren vreselijke dingen gezegd. Wat voor vreselijks is er aan de hand?

X.: Die Mutter beklagt sich, ich würde das Kind überanstrengen.

X.: De moeder klaagt dat ik het kind te veel zou belasten.

Dr. Steiner: Ich glaube nicht, daß man mit der Mutter so leicht fertig
wird. Sie ist so eine Salonspinne.
Man bemerkt oftmals bei den Kindern, die noch lenkbar sind und
mit denen man im Grunde alles machen könnte, daß bei denen die

Ik geloof niet dat je het zo gemakkelijk met de moeder voor elkaar krijgt. Ze is zo’n salon-spinnetje.
Je merkt vaak bij kinderen die nog beïnvloedbaar zijn en met wie je in principe alles zou kunnen doen, dat er bij hen 

Blz. 250

schrecklichsten Familienverhältnisse zugrunde liegen. Dieser kleinere Bruder, der bei einer vorsichtigen Behandlung ein ausgezeichneter Junge wäre, der kann nicht hochkommen in diesem Milieu. Er ist begabt, er hat alle die Krankheiten, die seine Mutter hat, in erhöhtem Maße, nur in anderer Form. Auf diese Dinge braucht man nicht zu achten, dann tut man sofort das Richtige.

vreselijke gezinsomstandigheden aan ten grondslag. Deze jongere broer, die bij een zorgvuldige begeleiding een uitstekende jongen zou zijn, kan in deze omgeving niet tot zijn recht komen. Hij is begaafd, hij heeft alle kwalen die zijn moeder heeft, in verhoogde mate, alleen in een andere vorm. Aan deze dingen hoef je geen aandacht te besteden, dan doe je meteen het juiste. <4>

Eine Eurythmielehrerin: Bei R. F. gelingt es mir nicht, daß er Interesse an der
Eurythmie gewinnt.

<5> Een euritmielerares: Bij R. F. lukt het me niet om hem interesse te laten krijgen in de euritmie.

Dr. Steiner: Ironisieren Sie ihn doch einmal! Er war in einer Klosterschule. Die Hauptsache ist, daß er in der Eurythmie nicht mittut. Ich würde doch versuchen, ihn Eurythmieformen zunächst zeichnen zu lassen. Er soll Ihnen Formen zeichnen. Wenn er gezeichnet hat, dann lassen Sie ihn sie machen.

Probeer hem toch eens op een ironische manier te benaderen! Hij zat op een kloosterschool. Het belangrijkste is dat hij niet meedoet aan de euritmie. Ik
zou toch proberen hem eerst euritmievormen te laten tekenen. Hij moet vormen voor u tekenen. Als hij ze heeft getekend, laat hem ze dan uitvoeren. <5>

Dr. Steiner: Nun haben wir Ihre Fibel. Die Sache ist ausgezeichnet und würde für den, der sie benützt, außerordentlich anregend sein. Es könnte sich das Allerverschiedenartigste daran knüpfen. Die Sache jetzt als eine Probe des Geistes, der in der Waldorfschule waltet, zu geben, das wäre sehr gut. Wie ich überhaupt meine, daß es gut wäre, wenn man von dieser Art das, was auf den Unterricht Bezug hat, herausgeben würde. Nicht bloß die Aufsätze, sondern das, was im Unterricht sich betätigt. Es kostet aber ein Kapital. Es handelt sich
darum, wie wir zurechtkommen. So wie Sie es zusammengestellt haben, wenn diese Zeichnungen darin sind, muß das auch entsprechend gedruckt sein.

Nu hebben we uw leerboek. Het is uitstekend en zou voor degene die het gebruikt buitengewoon stimulerend zijn. Er zouden de meest uiteenlopende dingen aan gekoppeld kunnen worden. Het zou heel goed zijn om dit nu te presenteren als een voorbeeld van de geest die in de Waldorfschool heerst. Ik vind het overigens in het algemeen een goed idee om dit soort materiaal dat betrekking heeft op de lessen, uit te geven. Niet alleen de opstellen, maar ook wat er tijdens de lessen gebeurt. Het kost echter veel geld. Het gaat erom
hoe we dit kunnen financieren. Zoals u het hebt samengesteld, als deze tekeningen erin staan, moet het ook op de juiste manier worden gedrukt.

Die Schrift herbekommen, das kann man schon. Man kann sie machen. Wir machen auch das Titelblatt. Die Schriften, die jetzt zu haben sind, sind fürchterlich. Es handelt sich darum, das durch das ganze Buch durchzuführen. Das Ganze würde 20 000 Mark kosten; wenn wir zunächst darauf rechnen, daß wir 1000 absetzen, so müssen wir solch eine Fibel für 40 Mark verkaufen. Wie kommen wir da finanziell zurecht! Es wäre interessant, sich darüber zu unterhalten, wie man es machen kann. Man müßte es überlegen. Bücher sind furchtbar teuer. Sie können diese Dinge nicht mit einer gewöhnlichen Schrift machen. Es ist etwas so eigenartiges und als Fibel so charakteristisch, daß es gefördert werden sollte. Nun würde ich ein Nachwort dazu schreiben. Wenn es so hinauskommt, versteht es kein Mensch. Es würde darüber gesprochen werden.
Jetzt haben sie ein System, das ich ganz brauchbar finde, für ein Bilderbuch mit verschiebbaren Bildern, wo man unten an Schnüren

Het lettertype regelen, dat kan wel. Dat kunnen we zelf doen. We maken ook de titelpagina. De lettertypes die nu verkrijgbaar zijn, zijn vreselijk. Het gaat erom
dat we dit door het hele boek heen doorvoeren. Het geheel zou 20 000 mark kosten; als we er in eerste instantie vanuit gaan dat we er 1000 verkopen, dan moeten we zo’n leesboekje voor 40 mark verkopen. Hoe krijgen we dat financieel voor elkaar! Het zou interessant zijn om te bespreken hoe we dit kunnen aanpakken. We zouden er over moeten nadenken. Boeken zijn vreselijk duur. Je kunt dit soort dingen niet met een gewoon lettertype maken. Het is iets zo bijzonders en als leesboek zo karakteristiek, dat het ondersteund zou moeten worden. Nu zou ik er een nawoord bij willen schrijven. Als het zo uitpakt,
begrijpt niemand er iets van. Er zou over gesproken worden.
<6> Nu hebben ze een systeem dat ik heel bruikbaar vind, voor een prentenboek met verschuifbare plaatjes, waarbij je onderaan aan touwtjes

Blz. 251

zieht, wo man einen kurzen Text hat und oben verschiebbare Bilder. Ein solches Bilderbuch würde außerordentlich notwendig sein beim Kindergarten. Wenn Sie sich damit beschäftigen würden! Fürchterlich philiströs sind die heutigen Bücher.

trekt, waarbij je een korte tekst hebt en daarboven verschuifbare afbeeldingen.
Zo’n prentenboek zou buitengewoon noodzakelijk zijn op de kleuterschool. Als u zich daar eens mee bezig zou houden! De boeken van tegenwoordig zijn vreselijk bekrompen. <6>

X.: Ich wollte fragen, ob man im Religionsunterricht auch alte Dokumente heranziehen kann.

X.: Ik wilde vragen of men in de godsdienstles ook oude documenten kan gebruiken.

Dr. Steiner: Natürlich. Auch Selbsterfundenes. — Ich meine, daß man Herrn A. schon den Vorschlag machen sollte, daß er die Hälfte der Religionsklasse übernimmt. Geben Sie ihm nur die Hälfte. Wählen Sie selbst aus die, die Sie loshaben wollen. Er wird trotz seines Alters ebenso jung und morgenschön sein.

Natuurlijk. Ook zelf bedachte dingen. — Ik vind dat men de heer A. al het voorstel zou moeten doen dat hij de helft van de godsdienstklas op zich neemt. Geef hem maar de helft. Kies zelf de kinderen die u dan af wil staan. Hij zal ondanks zijn leeftijd net zo goed jong en stralend zijn.

X.: Würde Herr A. auch teilnehmen an den Handlungen?

X.: Gaat de heer A. ook deelnemen aan de Handelingen?

Dr. Steiner: Das wird sehr bald nötig sein.

Dat zal zeer binnenkort nodig zijn.

(Zu Fräulein H.): Jetzt möchte ich, daß Fräulein S. zu Ihnen kommt. Ich meine, daß es gut wäre, wenn Fräulein S. bei Ihnen darin wäre, daß Sie ihr die Fortsetzung des Unterrichts überlassen. Sie unterrichten eine Stunde, Sie sind darin, bleiben im Kontakt. Dazwischen jemand anderes. Mir kommt vor, daß Sie das wollen sollten.
Natürlich braucht das nicht pedantisch durchgeführt zu werden. Nur meine ich, daß angefangen werden sollte, denn in diesem Raum ist diese Klasse von Ihnen allein nicht zu bewältigen.

(Tegen juffrouw H.): Nu zou ik graag willen dat juffrouw S. bij u komt. Ik denk dat het goed zou zijn als juffrouw S. erbij zou zijn, zodat u haar de voortzetting van de les kunt overlaten. U geeft een uur les, u bent erbij, u houdt contact. Tussendoor iemand anders. Het lijkt mij dat u dat zou moeten willen. Dat hoeft natuurlijk niet pedant te worden uitgevoerd. Maar ik vind dat er een begin mee moet worden gemaakt, want in deze ruimte is deze klas voor u alleen niet te bolwerken.

Ich habe sicher gedacht, daß ich Ihnen diesen Bericht geben kann. Ich habe so viel zu tun, daß ich ihn erst von Dornach aus schicken kann. Das war mir eine Beruhigung, daß Sie auch nicht fertig sind.
Für das Goetheanum habe ich schon geschrieben. Da haben Sie noch
nicht geschrieben.

Ik dacht er zeker van te zijn dat ik u dit verslag kon geven. Ik heb het zo druk dat ik het pas vanuit Dornach kan versturen. Het stelde me gerust dat u ook nog niet klaar bent. Voor het Goetheanum heb ik al geschreven. Dat heeft u nog niet geschreven.

X.: Ich möchte den Jahresbericht jetzt doch setzen lassen.

X.: Ik wil het jaarverslag nu toch laten opstellen.

Dr. Steiner: Ich schreibe ihn wirklich, wenn ich in Dornach ankomme. Ich gebe ihn Herrn M. mit. Man müßte diese Beiträge durchredigieren. Wenn ich nur Zeit hätte! Ich müßte ihn mitnehmen und ihn machen in Dornach.

 Ik ga het echt schrijven zodra ik in Dornach aankom. Ik geef het mee aan de heer M. Deze bijdragen zouden grondig moeten worden geredigeerd. Had ik maar tijd! Ik zou het mee moeten nemen en het in Dornach moeten afmaken.

Dr. W. ist auch unglücklich und macht schon so verdrossene Gesichter den ganzen Tag. Sie sollen die Vorträge von H. machen? Mein Vater hat zwar, wie ich immer mit einer gewissen psychologischen Sensation erzähle, die Liebesbriefe für die Burschen des ganzen Ortes geschrieben. Die sind immer gekommen und haben sich die Liebesbriefe schreiben lassen. Die Mädchen waren furchtbar entzückt. Aber daß Sie die H.’sehen Vorträge machen sollen! Ich werde in

Dr. W. is ook ongelukkig en trekt al de hele dag zo’n chagrijnig gezichten. Moet u de lezingen van H. verzorgen? Mijn vader heeft, zoals ik altijd met een zekere psychologische sensatie vertel, de liefdesbrieven voor de jongens van het hele dorp geschreven. Die kwamen altijd langs en lieten zich de liefdesbrieven schrijven. De meisjes waren er ontzettend blij mee. Maar dat u de lezingen van H. moet houden! Ik zal in

Blz. 252

Zürich Vorträge zu halten haben, ich werde dem H. sagen, daß er seine Vorträge selbst machen muß.
Dann habe ich daran zu denken, Sie möchten eine Art Ritual für die
Weihnachtshandlung haben. Ist sonst eine Frage noch zu besprechen ?
Anschaulichkeit hat man nicht bloß, um das, was zu erklären ist, anschaulich zu machen, sondern auch, um den Geist beweglicher zu machen. So würde ich es gar nicht unberechtigt finden, wenn man das größte gemeinschaftliche Maß durch Zeichnungen so veranschaulichen würde, daß man die in beiden Zahlen enthaltenen Primzahlen in ein Gefäß hineinwirft; dann sind nur die Primzahlen, die in beiden sind, darin. Man hat die Möglichkeit, das ins Anschauliche zu versetzen. Ein großes Gefäß, man nimmt den Primfaktor 2, den schmeißt man hinein. Das ist ein Maß, mit dem kann man beides messen.
Es handelt sich darum, nicht bloß das zu unterstützen, was man begreiflich machen will, sondern das Gedächtnis wird dadurch unterstützt, daß man Raumesvorstellungen einführt, die anschaulich sind; daß die Kinder genötigt sind, da Raumesvorstellungen zu haben. Es ist das kein Tadel.

Zürich lezingen moeten houden; ik zal de heer H. zeggen dat hij zijn lezingen zelf moet geven.
Dan moet ik er nog aan denken dat u een soort ritueel wilt voor de kersthandeling.
Is er verder nog een vraag die besproken moet worden?
Concretisering dient niet alleen om datgene wat uitgelegd moet worden concreet te maken, maar ook om de geest flexibeler te maken.
<7> Ik zou het dan ook helemaal niet ongegrond vinden als je de grootste gemeenschappelijke deler door middel van tekeningen zo zou illustreren dat je de priemgetallen die in beide getallen voorkomen in een vat gooit; dan zitten er alleen de priemgetallen in die in beide voorkomen. Je hebt de mogelijkheid om dit concreet te maken. Een grote schaal, je neemt de priemfactor 2, die
gooit je erin. Dat is een maat waarmee je beide kan meten.
Het gaat erom niet alleen datgene te ondersteunen wat je begrijpelijk wil maken, maar het geheugen wordt ook ondersteund doordat je ruimtelijke voorstellingen introduceert die aanschouwelijk zijn; zodat de kinderen gedwongen worden om daar ruimtelijke voorstellingen van te hebben. Dat is geen kritiek. <7>

Diese Stunde war schon eine ausgezeichnete. Es könnte sich daran etwas anschließen, um die Kinder zum räumlichen Vorstellen zu bringen.
Wenn niemand mehr etwas zu fragen hat, werden wir abschließen. Ich
kann nur sagen, dies, was zum Teil herumgesprochen wird, daß die ganze Schule durch die Zunahme der Kinderzahl an Intimität verloren hat, kann ich nicht als Mangel empfinden. Ich kann nicht sagen, daß es etwas ist, was man besonders unangenehm empfinden muß.
Das muß man nehmen, wie es ist. Im übrigen, eigentlich kann ich sagen, ich finde, daß die Schule doch recht gute Fortschritte gemacht hat nach jeder Richtung hin. Hat jemand eine andere Meinung?
Nun möchte ich noch erwähnen; unsere Stuttgarter Unternehmungen müssen in einer gewissen Beziehung ein harmonisches Ganzes sein und müssen als solches empfunden werden. Es muß ein harmonisches Zusammenwirken sich immer mehr herausbilden. Wenn die Dinge überall so gegangen wären, wie sie im vorigen Jahr in der Waldorfschule gegangen sind, in bezug auf das Pädagogisch-Didaktische, so würde es gut sein. Die Waldorflehrer wirken wacker mit, damit das andere auch unterstützt werden kann. Es muß das, was hier in Stuttgart ist, als Ganzes betrachtet werden. Die Anthroposophische Gesellschaft mit der Waldorfschule zusammen ist der geistige Teil des dreigliedrigen Organismus. Der Bund für Dreigliederung muß ein politischer Teil sein; dazu müssen die Waldorflehrer

Dit was echt een uitstekende les. Er zou hierop iets kunnen volgen om de kinderen ruimtelijk denken bij te brengen.
Als niemand meer vragen heeft, ronden we af. Ik kan alleen maar zeggen dat wat er deels wordt beweerd, namelijk dat de hele school door de toename van het aantal leerlingen aan intimiteit heeft ingeboet, ik dat niet als een tekortkoming beschouw. Ik kan niet zeggen dat het iets is wat men als bijzonder onaangenaam hoeft te ervaren.
Dat moet men nemen zoals het is. Overigens kan ik eigenlijk zeggen dat ik vind dat de school toch behoorlijk goede vooruitgang heeft geboekt op alle vlakken. Heeft iemand een andere mening?
Nu wil ik nog het volgende vermelden: onze activiteiten in Stuttgart moeten in zekere zin een harmonieus geheel vormen en als zodanig worden ervaren. Er moet zich steeds meer een harmonieuze samenwerking ontwikkelen. Als de zaken overal zo zouden zijn verlopen als vorig jaar in de Waldorfschool, wat betreft het pedagogisch-didactische aspect, dan zou dat goed zijn. De Waldorfleraren werken dapper mee, zodat ook het andere kan worden ondersteund. Wat hier in Stuttgart is, moet als een geheel worden beschouwd. De Antroposofische Vereniging vormt samen met de Waldorfschool het geestelijke deel van het drieledige organisme. De Bond voor Driegeleding moet een politiek deel zijn; daarvoor moeten de Waldorfleraren

Blz. 253

durch ihren Rat beitragen. Der Kommende Tag wäre der wirtschaftliche Teil im Ganzen. Die Waldorfschule ginge ja fort. Jeder muß das Nötige dazu tun, daß die anderen Dinge nicht einschlafen. Namentlich der Bund für Dreigliederung, von dessen Regsamkeit hängt alles ab. Wir müssen darauf bedacht sein, daß uns mit jedem neuen Schritt neue Aufgaben erwachsen. Dadurch, daß die Del Montesche Fabrik hinzugekommen ist, haben wir eine Schar von Arbeitern. Eine solche Betriebsversammlung, wie wir sie gehalten haben, ist ja vom heutigen sozialen Leben aus gesehen wirklich ganz deutlich. Es ist jede Brücke abgebrochen zwischen Arbeiterschaft und führenden Klassen. Wenn wir nicht in der Lage sind, durch die Dreigliederungsbewegung gemeinsame Interessen hervorzurufen, wie sie in den siebziger Jahren vorhanden waren in der europäischen Bevölkerung, wo die Proletarier sich interessiert haben für die demokratische Idee, so daß gemeinsame Interessen vorhanden sind, daß man auf etwas anderes denkt als bloß das Brot, wenn das nicht der Fall sein kann, kommen wir auf keinem Gebiete weiter. Wir müssen eine geistige Atmosphäre schaffen. In bezug darauf schläft das Stuttgarter geistige Leben in den letzten fünf Monaten einen tiefen Schlaf, und es muß wiederum auferweckt werden.

door hun advies een bijdrage te leveren. ‘De komende dag’ zou in het teken moeten staan van het economische aspect in zijn geheel. De Waldorfschool zou immers doorgaan. Iedereen moet het nodige doen om te voorkomen dat de andere zaken in de vergetelheid raken. Met name de Bond voor Driegeleding, waarvan de activiteit alles bepaalt. We moeten er rekening mee houden dat elke nieuwe stap nieuwe taken met zich meebrengt.
Doordat de fabriek van Del Monte erbij is gekomen, hebben we een hele groep arbeiders. Zo’n bedrijfsvergadering, zoals we die hebben gehouden, is vanuit het huidige sociale leven gezien echt heel duidelijk. Elke brug tussen de arbeidersklasse en de leidende klassen is verbroken. Als we niet in staat zijn om via de driegeledingsbeweging gemeenschappelijke belangen te creëren, zoals die in de jaren zeventig bestonden onder de Europese bevolking, waar de proletariërs zich interesseerden voor het democratische idee, zodat er gemeenschappelijke belangen zijn en men aan iets anders denkt dan alleen maar aan brood, als dat niet het geval kan zijn, komen we op geen enkel gebied verder. We moeten een geestelijke sfeer scheppen. Wat dat betreft slaapt het geestelijke leven in Stuttgart al vijf maanden een diepe slaap, en het moet weer tot leven worden gewekt.

Das tritt dadurch hervor, daß die Dreigliederungszeitung, die so gut ist, als sie sein kann, in den letzten fünf Monaten gar nicht an Leserzahl zugenommen hat. Sie hat auch nicht zugenommen an Mitarbeiterzahl. Wir brauchen Mitarbeiter für die Dreigliederungszeitung.
Das Ziel muß uns vor Augen schweben, die Dreigliederungszeitung möglichst schnell in eine Tageszeitung zu verwandeln. Wenn gewisse Konsequenzen gezogen werden, wenn wir also solche Betriebe angliedern, ohne daß wir etwas Positives leisten für die politische Bewegung Mitteleuropas, dann überleben wir das nicht. Wir können nicht Betriebe nach und nach aufnehmen und nicht zu gleicher Zeit etwas mit Stoßkraft leisten, was etwas ist.
Im politischen Leben und im sozialen Leben sind nicht Dinge einfach wahr, sondern sie sind, wenn man heute zu einer solchen Versammlung geht, etwas sagt, das ist heute wahr, aber wenn man sich nicht entsprechend verhält in den nächsten Monaten, so ist es nicht mehr wahr, so wird es unwahr. Wenn der Kommende Tag so etwas bleibt wie eine gewöhnliche Unternehmung, so wird das unwahr. Es ist wahr, wenn es uns gelingt, wirklich mit Stoßkraft vorwärtszukommen. Da handelt es sich darum, wie weit wir in der nächsten Zeit gegen alle Vorurteile im Aktuellen zugreifen.
Solch ein Mensch wie der Stinnes hat eine große Bedeutung für die nächste Zukunft.

Dat blijkt uit het feit dat de Driegeledingskrant, die zo goed is als ze maar kan zijn, de afgelopen vijf maanden helemaal geen groei in het lezersaantal heeft gekend. Ook het aantal medewerkers is niet toegenomen. We hebben medewerkers nodig voor de Driegeledingskrant. We moeten ons ten doel stellen om de Driegeledingskrant zo snel mogelijk om te vormen tot een dagblad. Als bepaalde consequenties worden getrokken, dat wil zeggen als we dergelijke ondernemingen onder onze vleugels nemen zonder dat we iets positiefs bijdragen aan de politieke beweging in Midden-Europa, dan zullen we dat niet overleven. We kunnen niet stukje bij beetje ondernemingen opnemen en tegelijkertijd met daadkracht iets van betekenis tot stand brengen.
In het politieke en sociale leven zijn dingen niet zomaar waar, maar als je vandaag naar zo’n bijeenkomst gaat en iets zegt, dan is dat vandaag waar, maar als je je de komende maanden niet dienovereenkomstig gedraagt, dan is het niet meer waar, dan wordt het onwaar. Als de „Kommende Tag” zoiets blijft als een gewone onderneming, dan wordt dat onwaar. Het is waar als het ons lukt om echt met daadkracht vooruit te komen. Het gaat erom in hoeverre we de komende tijd tegen alle vooroordelen in ingrijpen in de actualiteit.
Zo iemand als Stinnes is van groot belang voor de

Blz. 254

nächste Zukunft. Seine Ideen gewinnen an Anhang. Insbesondere in seiner Partei, der Deutsch-Idiotischen Partei, das heißt der deutschen Industrie-Partei, da gewinnen diese Ideen eine agitatorische Kraft.
Man muß sich klar sein, daß da geniale Hintermänner sind. Er strebt an, es dahin zu bringen durch eine Riesenvertrustung des geistigen Lebens und der wirtschaftlichen Unternehmungen, daß das Proletariat knierutschend vor den Toren seiner Unternehmungen erscheint, um Einlaß zu bitten. Dazu ist er auf dem besten Wege. Und es ist systematisch, was er tut. Und mit solchen Leuten steht schon wiederum die geistige Bewegung in Deutschland in einem gewissen
Zusammenhang. Bei uns versteht man die Mache viel zu wenig. Graf Keyserling (in Darmstadt) hat die Mache sehr gut verstanden. Er hat starke Finanzkräfte hinter sich. Dasjenige, was mit Stinnes heraufzieht — Sie können das verfolgen in den Badenschen Zeitungen —, wird als eine Heilslehre hingestellt. Das bringt eine Art von Dreigliederung herauf, aber in ahrimanischer Ausgabe. Sie kommt als Teufelswerk, wenn sie nicht so gemacht wird, wie wir sie machen können.
Nun handelt es sich darum, daß man die Augen sehend, die Ohren hörend, die Nasen riechend macht für alles das, was heraufzieht. Es ist schön, absolute Theorien hinzustellen. Es ist notwendig, daß man das Größte an die Einzelheiten anknüpft. Unser Wirken muß aktuell werden. Ich habe in meinem Vortrag in der Liederhalle am Bergarbeiterstreik angeknüpft. Wir sollen vom Alltäglichen die Leute heraufheben zu großen Gesichtspunkten.

nabije toekomst. Zijn ideeën winnen aan aanhang. Met name in zijn partij, de Deutsch-Idiotische Partei, dat wil zeggen de Duitse Industriepartij, krijgen deze ideeën een opruiende kracht.
Men moet zich goed realiseren dat er geniale krachten achter zitten. Hij streeft
ernaar dit te bereiken door een enorme concentratie van het intellectuele
leven en de economische ondernemingen te bewerkstelligen dat het proletariaat op zijn knieën voor de poorten van zijn ondernemingen verschijnt om toegang te vragen. Daar is hij goed op weg. En wat hij doet, is systematisch. En met zulke mensen staat op haar beurt de intellectuele beweging in Duitsland weer in een zekere samenhang. Bij ons begrijpt men het gekunstelde veel te weinig. Graaf
Keyserling (in Darmstadt) heeft het onechte heel goed begrepen. Hij heeft
sterke financiële krachten achter zich. Wat er met Stinnes opkomt — u kunt dat volgen in de Badense kranten —, wordt voorgesteld als een heilsleer. Dat brengt een soort driegeleding teweeg, maar dan in een ahrimanische versie. Het komt over als duivels werk, als het niet zo wordt gedaan zoals wij het kunnen doen.
Het gaat er nu om dat men de ogen laat zien, de oren laten horen en de neuzen laten ruiken voor alles wat er opkomt. Het is mooi om absolute theorieën te formuleren. Het is noodzakelijk dat men het grote geheel aan de details koppelt. Ons werk moet actueel worden. In mijn voordracht in de Liederhalle heb ik aangeknoopt bij de mijnwerkersstaking. We moeten de mensen vanuit het alledaagse naar grotere perspectieven tillen.

Da muß schon hier alles zusammenwirken. Der Kommende Tag wird dadurch wahrscheinlich funktionieren. Dem Bund für Dreigliederung schadet es nicht, wenn ihm manchmal ein bißchen Feuer unter den Sitz gemacht wird.
Unmittelbar aktuell ist die Frage, was wird mit der Kinderschar der neu übernommenen Fabriken? Das ist die Frage, die ein Vorwurf wird, wenn wir nicht zugreifen. Nun, nicht wahr, Dr. Ungers Betrieb hat eine Kinderschar, Del Montes Betrieb hat eine Kinderschar; dadurch, daß wir sie übernommen haben, wächst uns die Aufgabe, wie gründen wir dafür eine Waldorfschule. Wir müßten dafür sorgen.
Ebensogut möchte ich erinnern an das, was ich gestern an einem anderen Ort gesagt habe; die Studenten, die sich engagiert haben dafür, diesen Aufruf zu verbreiten, gegen die haben wir die heilige Pflicht, sie nicht sitzen zu lassen. Da müssen wir fest dahinter sein.
Der Aufruf ist eine furchtbar wackere Tat. Er schlägt ein. Die landwirtschaftlichen Schüler von Hohenheim haben reagiert darauf. Wir
müssen unsere Bewegung als eine solche auffassen, die nicht stehenbleiben kann, die mit jedem Tag fortschreiten muß, sonst hat sie gar keinen Sinn. Ins Austragsstübel können wir uns noch nicht setzen.

Alles moet hier dus samenwerken. ‘De komende dag’ zal daardoor waarschijnlijk
goed verlopen. Het kan voor de Bond voor Driegeleding geen kwaad als er af en toe een beetje vuur onder de stoel wordt aangestoken.
De vraag die nu op de voorgrond staat, is: wat gebeurt er met de kinderen van de
nieuw overgenomen fabrieken? Dat is de vraag die een verwijt zal worden als we geen actie ondernemen. Welnu, nietwaar, de fabriek van Dr. Unger heeft een groep kinderen, de fabriek van Del Monte heeft een groep kinderen; doordat we ze hebben overgenomen, groeit onze taak: hoe richten we daarvoor een Waldorfschool op? Daar moeten we voor zorgen.
Ik wil ook graag herinneren aan wat ik gisteren op een andere plek heb gezegd; de studenten die zich hebben ingezet om deze oproep te verspreiden, tegenover hen hebben we de heilige plicht om hen niet in de steek te laten. Daar moeten we volledig achter staan.
De oproep is een ontzettend moedige daad. Hij slaat aan. De landbouwstudenten van Hohenheim hebben erop gereageerd. We moeten onze beweging zien als een beweging die niet stil kan blijven staan, die elke dag vooruit moet gaan, anders heeft ze helemaal geen zin. We kunnen nog niet achter de geraniums gaan zitten.

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3560-3344

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven (1 – voorwoord en inhoud)

.
Zo ongeveer tot 1980 gaf de Zwitserse vrijeschoolbeweging een tijdschrift uit ‘Die Menschenschule’- [school voor de mens/mensenschool].
Soms werd er met verschillende artikelen bij elkaar een speciale uitgave gemaakt.

Een daarvan is ‘Lebenskunde muss aller Unterricht geben‘. [1971]

De titel daarvan is ontleend aan een uitspraak van Rudolf Steiner uit 1919, gedaan in voordracht 4 van GA 192:  ‘Geesteswetenschappelijke behandeling van sociale en pedagogische vraagstukken’ [op deze blog vertaald.]

‘Lebenskunde’ is niet zo’n makkelijk te vertalen woord. 
‘Kennis’ van het leven lijkt mij – kijkend naar de context – te passief, teveel ‘hoofd’. Veel meer gaat het in de richting van ‘je thuis voelen in het leven omdat je er veel aspecten van kent, je als leerling je in veel aspecten hebt kunnen inleven; hebt kunnen doen.
.

Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
.

Voorwoord
.

H.R.Niederhäuser

Met deze woorden beschreef Rudolf Steiner in het voorjaar van 1919 de taak van een moderne school, nog voordat de Waldorfschool bestond. Lesgeven als ‘weet hebben van het leven’ is een leidmotief geworden van de Waldorfschool.

De manier waarop de levensvaardigheden worden gerealiseerd in de Waldorfschoolbeweging toont de grootste diversiteit. Elke school neemt het motief op en ontwerpt het anders dan naar gelang van de lokale omstandigheden en innerlijke mogelijkheden, maar ook op verschillende momenten weer anders. Alleen in creatieve vrijheid ontstaat leven.

In die zin moeten de volgende essays worden opgevat als stimulerende aanmoedigingen, niet als een leer die overgenomen moet worden, hoe succesvol die ook lijkt.

De lezer zou gemakkelijk kunnen denken dat wat beschreven wordt nu de inhoud van de les in het algemeen is. In werkelijkheid is het echter slechts een deel; wat wordt geschetst is een van de stromen die wordt gevoed door vakmanschap, die het schoolleven doordrenken met het artistieke en die worden opgenomen in de belangrijkste lessen (wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, natuurgeschiedenis, enz.) 

Lebenskunde in de ware zin van het woord begint voor het eerst rond het negende jaar met een heemkundeles. Daar leren en ervaren de kinderen het werk van de boer: ploegen, zaaien, dorsen, brood en kaas bakken; Ze horen hoe er een huis wordt gebouwd en bouwen zelf een klein muurtje; Ze leren over de berroepen van de mens.

De Lebenskunde krijgt dan rond het twaalfde jaar een sterk accent en dat steeds meer met het begin van de aardse volwassenheid. Daar leren de kinderen de stenen kennen, krijgen ze hun eerste natuurkunde, en iets later maken ze kennis met scheikunde. Dit neemt vervolgens toe van klas tot klas in verband met vakmanschap en technologie. Hierdoor moeten de leerlingen de technische wereld steeds beter leren begrijpen en aan de hand van enkele belangrijke voorbeelden volledig doorgronden.

Maar naast datgene wat uiteindelijk leidt tot begrip van de machines, moet er een even sterk tegenwicht komen: veelzijdige inspanningen om ook het kunstzinnige te begrijpen. Dit begrip van kunst vindt zijn basis in veelzijdige oefeningen vanaf de eerste klas.

Want ook het kunstzinnige is, net als de techniek, door de mens geschapen en als een bijzondere schepping aan de rijken van de natuur toegevoegd. Deze twee rijken in hun mogelijkheden en grenzen leren kennen en ten volle waarderen, ja zeggen leren tegen het rijk van de techniek en dat van de kunst nog voordat de jongere zich aan een specifieke beroepsopleiding wijdt, dat schept soevereiniteit en vrijheid ten opzichte van het leven. 

Johannes Kiersch

Toen de eerste Waldorfschool in de jaren twintig naast de kunstzinnige vakken ook vakgebieden als technologie, tuinbouw, eerste hulp, spinnen, kartonwerk en boekbinden, en stenografie in haar leerplan opnam, deed zij dit met het oog op de overgang naar het beroepsleven, dat van de meeste mensen toen al een hoogontwikkeld begrip van allerlei technische en praktische processen vereiste. Inmiddels zijn de eisen nog verder gestegen. Wie zich vandaag de dag in het beroepsleven en als burger wil redden, heeft overzicht en zowel praktische als theoretische vaardigheden nodig op vele gebieden waar een halve eeuw geleden nog niemand aan dacht.

Daarom hebben veel Waldorfscholen enige tijd geleden besloten om de genoemde vakken nog verder uit te breiden. Men herinnerde zich de bedoeling van Rudolf Steiner om aan de Waldorfschool een ‘bijscholingsschool’ voor jonge arbeiders te koppelen, die naast een grondige algemene vorming een ambachtelijke basisopleiding (houtbewerking, ook met machines) zou moeten bieden, samen met elementaire economie en een inleiding in de boekhouding en het schrijven van zakelijke brieven. Dit plan was in 1920 gestrand op de strenge voorschriften voor het beroepsonderwijs in Württemberg en werd nu opnieuw opgepakt, zij het niet in zijn volle omvang. Verschillende Waldorfscholen ontwikkelden een ‘praktische richting’, die – met behoud van slechts één vreemde taal voor sommige leerlingen – naast de gebruikelijke ambachtelijke en artistieke vakken speciale cursussen of periodes voor timmeren, pottenbakken, smeden, koperbewerking, weven en dergelijke omvatte. De school in Neurenberg richtte een timmer- en een slotenmakerswerkplaats in, die leidt tot het vakdiploma. Het idee van de bijscholingsschool voor arbeiders is op bijzonder uitgebreide wijze gerealiseerd in het kader van de Hibernia-school in Wanne-Eickel.

Een Waldorfschool die niet de specifieke weg van beroepsgerichte opleidingen volgt, moet andere wegen zoeken.

Wat bedoelde Rudolf Steiner toen hij de technologische vakken, zoals stenografie, handelscorrespondentie en boekhouden, in het leerplan opnam? Zeker wilde hij de leerlingen daarmee nuttige vaardigheden voor het beroepsleven meegeven, maar daar ging het niet alleen om. Voor hem ging het erom een eigentijds wereldbegrip te wekken. Wie de Waldorfschool verlaat, moet in staat zijn om de ingewikkelde structuren van de moderne beschaving te doorgronden en ze te begrijpen als een zinvol geheel. Hij mag geen machine hoeven te gebruiken waarvan hij niet op zijn minst in principe weet hoe deze werkt. Hij moet het productieproces van zijn bedrijf leren begrijpen en zich een nauwkeurig beeld kunnen vormen van wat zijn werk te maken heeft met dat van anderen. Hij mag de instellingen van het openbare leven niet met bijgelovige vooringenomenheid benaderen, maar moet zich daarin als vrij mens kunnen redden. Hij moet zich een alomvattend begripsvermogen eigen hebben gemaakt.

Dit was voor sommige Waldorfscholen aanleiding om het leerplan voor de bovenbouw uit te breiden, in die zin dat er stages in de landbouw, op het veld, in de industrie en in sociale beroepen in werden opgenomen. Deze stages worden van het negende tot en met het twaalfde schooljaar per klas gedurende twee tot drie weken georganiseerd.

Van het Novalis College in Eindhoven weet ik o.a. dat dit in de jaren 1990 een bloeiende zgn. praktische stroom had met hout- en metaalbewerken, textiele werkvormen en koken.
Ook werd er de stage ingevoerd vanaf de 9e klas.

Inhoudsopgave van de artikelen in deze uitgave:

Wanneer er geen link onderstaat is het artikel nog niet oproepbaar

H. R. Niederhäuser Johannes Kiersch:
[1] Lebenskunde muß aller Unterricht geben,
Het hele onderwijs moet leiden tot kennis van het leven (voorwoord hierboven)

Edgar Förster:
[2] Vom Hausbau in der dritten Klasse
Over de huizenbouw in de 3e klas

Martin Zacharias:
[3] Wie die Kinder das Holz kennen lernen
Hoe de kinderen hout leren kennen

Kurt Königsmann:
[4] Wir wollen arbeiten lernen
Wij willen leren werken

Christine Britsche:
[5] Menschenkunde in der Mittelstufe
Menskunde in de middenbouw

Rudolf Steiner:
[6] Wie der Technologie-Unterricht wirkt
Hoe technologie-onderwijs werkt

Wolfgang Schad:
[7] Zur Gestaltung der Oberstufe
De bovenbouw vormgeven

Johannes Kiersch:
[8] Vom Oberstufenplan
Over het leerplan van de bovenbouw

Werner Bode:
[9] Landwirtschaftspraktikum der neunten Klasse in Wörme ….
Landbouwprakticum in de 9e klas

Günther Oling:
[10] Kunstunterricht in der neunten Klasse
Kunstonderwijs in de 9e klas

Rudolf Steiner:
[11] Kunstverständnis begründet Welt- und Menschenverständnis . .
Kunstonderwijs wekt begrip voor mens en wereld

Alexander Strakosch:
[12] Der Unterricht im Spinnen am Spinnrad
Les in spinnen aan het spinnewiel

Hellmuth Britsche:
[13] Aus dem Epochenunterricht der Allgemeinen Berufskunde . .
Uit het periodeonderwijs algemene beroepen

J. Christen:
[14] Feldmessen in der zehnten Klasse
Landmeten in de 10e klas

Werner Spalinger:
[15] Vom Feldmessen
Over landmeten

Günter Winkelmann:
[16] Eine Betriebserkundung der zehnten Klasse
Een bezoek aan een bedrijf in de 10e klas

[17] Aus Berichten von Schülern
Wat leerlingen zeggen

[18] Aufzeichnungen Rudolf Steiners auf einem Notizblatt
Aantekeningen van Rudolf Steiner op een notitieblaadje

[19] Dr. A. II. Bos: Die Waldorf-Pädagogik und das Berufsleben der Erwachsenen
De vrijeschoolpedagogie en het beroepsleven van de volwassene

Siegfried Pütz: Soziales Wirken in der Kunst
Sociale werking in de kunst

.

.

Rudolf Steiner over pedagogiekalle artikelen op deze blog

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3555-3339

.

.

.

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (10-7)

.

*GA 293         Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

MENS EN DIER

Nadat Steiner het motief van hoofd – borst – ledematen met de cirkels, het ronde en het stralende, nog een keer herhaalt, sluit hij dat a.h.w. af met het wijzen op lichaam, ziel en geest.  [10-2]  [10-3]  [10-4]

En via ‘geest’ komt hij nu ook nog eens terug op het concilie van Constantinopel in 869, wat hij al deed in voordracht 3 [3-2]

Hij noemt daar een aantal gevolgen.

Blz. 156    vert. 151

Geist gibt es seit dem Jahre 869 für die vom Katholizismus ausgehende Kultur des Abendlandes nicht mehr. – Aber mit der Beziehung zum Geiste ist abgeschafft worden die Beziehung des Menschen
zur Welt. Der Mensch ist mehr und mehr in seine Egoität hineingetrieben worden. Daher wurde die Religion selbst immer egoistischer und
egoistischer, und heute leben wir in einer Zeit, wo man, ich möchte
sagen, wiederum aus der geistigen Beobachtung heraus die Beziehung
des Menschen zum Geiste und damit zur Welt kennenlernen muß.
Wer hat denn eigentlich die Schuld, daß wir einen naturwissenschaftlichen Materialismus bekommen haben? Daß wir einen naturwissenschaftlichen Materialismus bekommen haben, daran hat die Hauptschuld die katholische Kirche, denn sie hat im Jahre 869 auf dem Konzil von Konstantinopel den Geist abgeschafft. Was ist damals eigentlich geschehen?

Geest bestaat niet meer – sinds 869 – voor de van het katholicisme uitgaande cultuur van het Avondland. –
Maar met de afschaffing van de verbinding met de geestelijke wereld is ook de verbinding van de mens met de wereld afgeschaft. De mens is meer en meer op zijn ego teruggeworpen. Daardoor werd de religie zelf steeds egoïstischer, en tegenwoordig leven we in een tijd waarin we – laten we het zo uitdrukken – weer vanuit de geestelijke waarneming de verbinding van de mens met de geestelijke
wereld en daardoor met de wereld moeten leren kennen.
Wie is er eigenlijk schuldig aan, dat we een natuurwetenschappelijk materialisme hebben gekregen? Dat we een natuurwetenschappelijk materialisme hebben gekregen, is voornamelijk te wijten aan de katholieke kerk, want die heeft in 869 op het Concilie van Constantinopel de geest afgeschaft.

Omdat – zoals we zagen – de ledematen het meest ‘geest’ zijn – viel een begrip daarvoor weg en dat opende de weg naar ‘de mens als (hoger)* dier’.

Blz. 157   vert. blz. 152

Gerade indem die katholische Kirche dem Menschen verborgen hat die Natur
seiner Gliedmaßen, seinen Zusammenhang mit der Welt, hat sie verursacht, daß die spätere materialistische Zeit verfallen ist in die Idee, die nur für den Kopf eine Bedeutung hat, die sie aber für den ganzen Menschen anwendet.

Juist doordat de katholieke kerk voor de mens de ware aard van zijn ledematen, zijn verbinding met de wereld, heeft verborgen, is ze er de oorzaak van dat de latere materialistische tijd een gedachte koestert die alleen voor het hoofd geldt, maar door het materialisme voor de hele mens gehanteerd wordt. In wezen heeft de katholieke kerk het materialisme op het gebied van de evolutieleer gecreëerd

En dan: 

Die katholische Kirche ist in Wahrheit die Schöpferin des Materialismus auf dem Gebiet der Evolutionslehre. 

In wezen heeft de katholieke kerk het materialisme op het gebied van de evolutieleer gecreëerd.
GA 293/156
Vertaald/152

*In mijn jeugd was het zo: of je geloofde de Bijbel – de mens is door God geschapen, of je nam aan wat wetenschappelijk gemeengoed was: de mens stamt af van de dieren.
Toen ik naar de middelbare school ging, gebruikten we bij biologie een methode: ‘Leerboek der dierkunde – deel 1: de mens’.
Dat ‘afstammen van de dieren’ werd op zeker ogenblik meer specifiek ‘van de apen’.
Met het boek van Desmond Morris ‘De naakte aap – een zoölogische studie van het menselijke dier’ – werd in 1967 concreet wat al lang werd gedacht en uitgesproken.
(In 1931 duidde de Belgische dichter Raymond Herreman in het gedicht Euridice (1931) de mens al aan als ‘naakte aap’).

Ik was laatst in een restaurant waar ik op een kast dit beeldje aantrof:

 

 

 

 

 

 

 


En er zijn allerlei afbeeldingen te vinden in deze trant:

Maar in verschillende wetenschapsdisciplines is deze idee los gelaten en wordt nu aangenomen dat de afstamming van de mens veel eerder dan ‘na de chimpansee’ zich als een aparte tak afsplitste van een gemeenschappelijke voorouder.

Veel mensen denken dat de mens afstamt van de mensapen, zoals de chimpansee. Dat is echter niet waar. We delen weliswaar een voorouder, maar beide soorten hebben miljoenen jaren evolutie doorgemaakt. “Onze gemeenschappelijke voorouder was noch mens, noch chimpansee.”
Kennislink, maart 2023


Voor veel mensen is dit nog ‘de wetenschap’ over de afstamming van de mens, een soort gemeengoed dus.

Tegelijkertijd heeft de mening dat de mens een dier is, zich sterker en met meer overtuigingskracht verspreid.
Telkens kom je wel ergens tegen ‘de mens en de andere dieren’.
Soms twijfelend uitgesproken, soms met een een onwetenschappelijke zekerheid, zoals bij Trouw-columnist Jelle Reumer: ‘De mens is een dier. PUNT UIT!
Dan is het niet vreemd dat de grote verschillen die er tussen mens en dier bestaan, niet meer worden gezien. Deze zelfde Reumer zegt vervolgens: ‘‘Niets menselijks is de dieren vreemd. (…)’.

Wie zich verdiept in het mensbeeld dat in de Algemene menskunde verschijnt, of ruimer, in de antroposofie, ziet meteen dat mensen die de kreet ‘de mens en de andere dieren’ bezigen, alleen naar al datgene kijken wat hier ‘astraallijf wordt genoemd.
Het Ik – de geestelijke kern van de mens die bij de dieren ontbreekt – wordt niet gezien: de geest is immers al in 869 afgeschaft!

Nu kan ik me goed voorstellen dat als je – nog weinig wetend van de vrijeschoolpedagogie – laat staan de menskundige achtergronden – als nieuwe vrijeschoolleerkracht biologie, net afgestudeerd aan de universiteit, wel even moet slikken als je met die andere visie geconfronteerd wordt.
Stel je je ervoor open of kijk je meewarig naar een stelsel van gedachten dat door jouw studie al lang achterhaald lijkt te zijn…..

Voordracht 10 laat geen ruimte om je aan de de inhoud ervan te onttrekken:

Blz. 158  vert. blz. 152

Es geziemt insbesondere dem heutigen Lehrer der Jugend, solche Dinge zu
wissen. Denn er soll sein Interesse verknüpfen mit dem, was in der
Welt geschehen ist. Und er soll die Dinge, die in der Welt geschehen,
aus den Fundamenten heraus wissen.

Vooral de leraren in deze tijd zouden zulke dingen moeten weten, want zij dienen interesse te hebben voor wat er in de wereld gebeurd is. En zij dienen de ware
achtergronden van de gebeurtenissen in de wereld te doorzien.

Das ist aber notwendig, daß insbesondere der Lehrer, der sonst mit dem werdenden Menschen gar nichts machen kann, die Kulturtatsachen aus den Fundamenten heraus zu erfassen in der Lage ist. Dann wird er etwas in sich aufnehmen, was notwendig ist, wenn er aus seinem Inneren heraus durch die
un- und unterbewußten Beziehungen zum Kinde in der richtigen Weise
erziehen will.

Maar het is noodzakelijk dat vooral de leraren in staat zijn de ware achtergronden van culturele gebeurtenissen te doorgronden, anders kunnen ze met opgroeiende mensen niets beginnen. Wanneer de leraar zich in de achtergronden verdiept, dan zal hij iets in zich opnemen wat noodzakelijk is, wil
hij vanuit zijn innerlijk, via on- en onderbewuste verbindingen met het kind, op de juiste wijze opvoedend werken.

Over dit ‘vanuit zijn innerlijk, via on- en onderbewuste verbindingen’ heeft Steiner vaker gesproken. 
Hij gebruikt dan dikwijls ook het woord ‘imponderabel’.

Zie Steiner over het imponderabele.

Hier vind je de meeste van die opmerkingen die er allemaal op neerkomen dat het van wezenlijk belang is voor de verhouding met je leerlingen hoe je over de opgroeiende mens denkt.
Dat is de mens als geestelijk wezen.
Dus niet een mens bij wie de geest ontbreekt.
Zoals het zo kernachtig in de morgenspreuk wordt verwoord:

‘(de wereld) waarin de mens, bezield, de geest een woning geeft.

De drieledige mens dus!

Denn dann wird er vor dem Menschengebilde die richtige Achtung haben.

Want dan zal hij werkelijk eerbied hebben voor de mens als schepping.

Er wird anders an dieses menschliche Gebilde herantreten, als wenn er nur so etwas wie ein besser ausgebildetes Viehchelchen, einen besser ausgebildeten Tierleib im Menschen sieht. Heute tritt der Lehrer im Grunde genommen, wenn er sich auch manchmal in seinem Oberstübchen Illusionen darüber hingibt,
er tritt mit dem deutlichen Bewußtsein vor den anderen Menschen hin, daß der aufwachsende Mensch ein kleines Viehchelchen, ein Tierlein ist und daß er dieses Tierlein zu entwickeln hat – etwas weiter, als es die Natur schon entwickelt hat.

Hij zal zich anders opstellen tegenover het bouwwerk van de mens dan wanneer hij in de mens alleen maar een soort beter ontwikkeld beestje ziet, een beter ontwikkelde diergestalte. De leraar van tegenwoordig stelt zich – hoewel hij wel eens in zijn bovenkamer de illusie heeft dat dat anders is – toch zo op, dat volgens hem de opgroeiende mens een klein beestje, een klein diertje is, en dat hij dit diertje moet ontwikkelen – iets verder dan de natuur al gedaan heeft.

Door Steiners mededelingen kunnen vrijeschoolleerkrachten tot die stemming geraken die hier wordt bedoeld.
Dat wil voor mij niet per definitie zeggen dat leerkrachten die deze gezichtspunten niet kennen, geen goede opvoeders en lesgevers zouden kunnen zijn. [Opspattend grind]
Evenals dat mensen die het standpunt huldigen dat ‘de mens ook een dier is’. per definitie hun medemens anders behandelen dan iemand die over ‘de kroon van de schepping’ spreekt. 

Toch – en dat is een eigen ervaring – kunnen deze gezichtspunten je dieper doordringen van het gegeven hoe uniek ieder mens, dus ook iedere leerling is. Je kan nog meer recht doen aan het feit dat deze een individuele geest is/heeft, een volkomen uniek Ik waarvoor je als opvoeder moet zorgen.

Anders wird er fühlen, wenn er sagt:
Da ist ein Mensch, von dem gehen Beziehungen aus zur ganzen Welt, und in jedem einzelnen aufwachsenden Kind habe ich etwas, wenn ich daran etwas arbeite, tue ich etwas, was in der ganzen Welt eine Bedeutung hat. Wir sind da im Schulzimmer: in jedem Kinde liegt ein Zentrum von der Welt aus, vom Makrokosmos aus. Dieses Schulzimmer ist der Mittelpunkt, ja viele Mittelpunkte für den Makrokosmos. –

Hij (de opvoeder) zal heel andere gevoelens hebben, wanneer hij zegt: daar is een mens; van hem uit bestaan er verbindingen met de hele wereld; in ieder afzonderlijk kind dat opgroeit leeft iets – wanneer ik daaraan werk, dan doe ik iets wat betekenis heeft voor de hele wereld. We zijn in de klas. In ieder kind ligt een centrum van de wereld, van de macrokosmos uit gezien. Deze klas is het middelpunt, ja, er zijn hier vele middelpunten voor de macrokosmos

Er wird in dem Menschengebilde überall die Beziehungen zur großen Welt sehen.

Hij zal in de vorm van de mens overal verbindingen met de grote wereld
zien.

Denken Sie sich, lebendig das gefühlt, was das bedeutet! Wie da die Idee vom Weltenall und seinem Zusammenhang mit dem Menschen übergeht in ein Gefühl, welches durchheiligt alle einzelnen Vornahmen des Unterrichtes. Ohne daß wir solche Gefühle vom Menschen und vom Weltenall haben, kommen wir nicht dazu, ernsthaftig und richtig zu unterrichten. In dem Augenblick, wo wir solche Gefühle haben, übertragen sich diese durch unterirdische Verbindungen auf die Kinder.

Denkt u zich eens in, voelt u dat eens mee, wat dat betekent! Dat betekent dat daar de idee van het heelal en zijn verbinding met de mens overgaat in een gevoel dat alle afzonderlijke handelingen in het onderwijs tot heilige daden maakt. Zonder zulke gevoelens over de mens en de kosmos zullen we niet in volle ernst en op de juiste wijze kunnen onderwijzen. Zodra we zulke gevoelens hebben, worden ze via onderaardse verbindingen op de kinderen overgedragen.

Blz. 159  vert. 153

Gehen Sie in die Schule hinein nur mit egoistischen Menschengefühlen, dann brauchen Sie alle möglichen Drähte – die Worte -, um sich mit den Kindern zu verständigen. Haben Sie die großen kosmischen Gefühle, wie sie entwickeln solche Ideen, wie wir sie eben entwickelt haben, dann geht eine unterirdische Leitung zu dem Kinde. Dann sind Sie mit den Kindern eins. Darin liegt etwas von geheimnisvollen Beziehungen von Ihnen zum Schulkinderganzen. Aus solchen Gefühlen heraus muß auch das aufgebaut sein, was wir Pädagogik nennen. Die Pädagogik darf nicht eine Wissenschaft sein, sie muß eine Kunst sein.

Stapt u de school in met enkel egoïstische mensengevoelens, dan heeft u allerlei draden – woorden namelijk – nodig, om met de kinderen te communiceren.
Heeft u grote kosmische gevoelens, die opgeroepen worden door ideeën als die welke wij net ontwikkeld hebben, dan gaat er een onderaardse leiding naar het kind. Dan bent u één met de kinderen. Dat is een facet van de geheimzinnige verbindingen die er bestaan tussen u en de schoolklas. Wat wij pedagogie noemen, moet uit zulke gevoelens opgebouwd zijn. De pedagogie mag geenszins
een wetenschap zijn, ze moet een kunst zijn.

Andere plaatsen waar Steiner iets soortgelijks opmerkt:

Als Frage der übersinnlichen Welt an die sinnliche, so sollte eigentlich vor dem Gemüte des Lehrenden  oder Erziehenden jedes Kind stehen.

In het gemoed van de leraar of de opvoeder zou eigenlijk ieder kind gezien moeten worden als een vraag van de boven­zinnelijke wereld aan de zintuiglijke wereld.
GA 296/70
Vertaald/81

( ) für ihn ist der einzelne Zögling ein Rätsel. Für ihn ist dasjenige, was im einzelnen Zögling sich auslebt, etwas, das mit jedem Tag, mit jeder Stunde lebendig gelöst werden muß.

Voor de vrijeschoolpedagoog is iedere leerling een raadsel; iets wat in iedere individuele leerling tot uiting komt en wat op een levendige manier elke dag, elk uur opgelost moet worden.
GA 297/136  
Op deze blog vertaald/136

Denn durch die Geburt bringen wir aus der geistigen Welt unsere Anlagen mit. Jedesmal, wenn ein Mensch geboren wird, kommt eine Botschaft aus der geistigen Welt in die physisch-sinnliche Welt herunter.

Met de geboorte brengen wij uit de geestelijke wereld onze aanleg mee. Iedere keer, wanneer er een mens wordt geboren, komt er een boodschap uit de geestelijke wereld in de fysiek-zintuigelijke.
GA 297a/34
Op deze blog vertaald/34

Man soll sich nicht sagen: du sollst dies oder jenes in die Kinderseele hineingießen, sondern du sollst Ehrfurcht vor seinem Geiste haben. Diesen Geist kannst du nicht entwickeln, er entwickelt sich selber. Dir obliegt es, ihm die Hindernisse seiner Entwicklung hinwegzuräumen, und das an ihn heranzubringen, das ihn veranlaßt, sich zu entwickeln.

Je moet niet tegen jezelf zeggen: dit of dat moet je in de kinderziel naar binnen gieten, maar je moet eerbied hebben voor zijn geest. De geest kun je niet ontwikkelen, die ontwikkelt zichzelf. Het is je taak alles wat hem kan hinderen bij zijn ontwikkeling uit de weg te ruimen en hem bij te brengen wat hem in staat stelt zich te ontwikkelen.
GA 305/74
Vertaald/80

Wenn uns der Mensch in diesem Erdendasein das wertvollste Geschöpf der Götter ist, dann müssen wir vor allen Dingen fragen: Was haben die Götter in dem Menschen vor uns hingestellt? Wie haben wir dasjenige, was sie uns überlassen haben, hier auf Erden an dem Menschen zu entwickeln?

Als de mens in dit aardebestaan voor ons het waardevolste schepsel van de goden is, dan moeten we voor­al vragen: wat hebben de goden in de mens voor ons neerge­zet? Hoe moeten we dat wat zij aan ons hebben toevertrouwd, hier op aarde aan de mens ontwikkelen?
GA 307/132    
Vertaald/169

Er (der Lehrer) soll mit einer ungeheuren Ehrfurcht vor dem Kinde stehen und wissen: da ist ein Göttlich-Gei­stiges auf die Erde heruntergestiegen. Daß wir dieses wissen, mit diesem unser Herz durchdringen und von da aus Erzieher werden, darauf kommt es an.

De leerkracht moet een ongekende eerbied voor het kind hebben en weten: iets uit de goddelijk-geestelijke wereld is naar de aarde gekomen. Dat wij dit weten, tot ons hart laten doordringen en van daaruit opvoeder worden, daar komt het op aan.
GA 311/19
Op deze blog vertaald/19

Voordracht 10 sluit af met:

Die Pädagogik darf nicht eine Wissenschaft sein, sie muß eine Kunst sein. Und wo gibt es eine Kunst, die man lernen kann, ohne daß man fortwährend in Gefühlen lebt? Die Gefühle aber, in denen man leben muß, um jene große Lebenskunst auszuüben, die Pädagogik ist, diese Gefühle, die man haben muß zur Pädagogik, die feuern sich nur an an der Betrachtung des großen Weltalls und seines Zusammenhanges mit dem Menschen.

En waar bestaat er een kunst die men kan leren zonder voortdurend in gevoelens te leven? Maar de gevoelens waarin men moet leven, om die grote levenskunst die pedagogie heet uit te kunnen oefenen, deze gevoelens die men moet hebben ten behoeve van de pedagogie, die ontvlammen alleen wanneer men het grote heelal beschouwt en zijn verbinding met de mens
GA 293/156-158
Vertaald/151-153

Zie ook
H.Poppelbaum: Mens en dier
Leen Mees: Dieren zijn wat mensen hebben
Leen Mees: De aangeklede engel

 

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
(Slechts een klein deel is daar nu oproepbaar. Voor het verkrijgen van een gratis scan: mail vspedagogie (voeg toe eraan vast) apenstaartje gmail.com)

Algemene menskunde: voordracht 10 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3551-3336

.

.

.

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het geheugen (3)

.
Een functie van het astraallijf

We kwamen er in de vorige artikelen achter dat Steiner herinneren ziet als een ‘lezen van het etherlijf door het astraallijf’.
Gebeurtenissen, waarnemingen die bij ons ‘binnen’komen – of we daar een bewust aandeel in hebben of niet – maken een indruk op ons – we gebruiken heel vaak het woord ‘indrukwekkend(e)’.
Als Steiner het woord ‘lezen’ gebruikt, denken we misschien te snel aan een boek, dus aan een concreet, vast ding.
Maar dat is het etherlijf allerminst: er wordt over gezegd dat het beweegt, stroomt, fluctueert. Ook dat het krachten zijn, vormende, (groei)-krachten.
En dát zou het astraallijf dan lezen.

Uit andere mededelingen weten we dat het astraallijf de drager is van het bewustzijn.
Als we dus door ons iets te herinneren ‘er weet van hebben’, heeft het astraallijf dus iets kunnen lezen.
Om even in dit beeld te blijven: hoe duidelijk is dan dát wat ingeschreven werd, is het een duidelijke tekst, eventueel in hoofdletters of is het een vaag, a.h.w. verbleekt schrift. M.a.w. hoe staat/zit het in het etherlijf (gegrift).

Het etherlijf

Op verschillende plaatsen noemt Steiner het etherlijf  ‘de drager van het geheugen, de herinneringen’.
Stel dat we in dit geval eens zouden zeggen: als ‘iets’ ‘iets’ moet dragen, moet het sterk genoeg zijn om dat te kunnen doen.

En voor vrijeschoolleerkrachten zou dus de vraag kunnen zijn: ‘Als ik mijn leerlingen iets wil leren dat ze zich moeten blijven herinneren, moet ik dan niet eerst het instrument zo sterk maken dat het de kracht, het vermogen krijgt om te dragen. 

De ontwikkeling van het geheugen is voor Steiner iets zeer belangrijks, wat uit deze woorden blijkt:

Eine Seelenkraft, auf welche in dieser Zeit der menschlichen Entwicklung besonderer Wert gelegt werden muß, ist das Gedächtnis.

Een innerlijk vermogen, dat in deze ontwikkelingsfase van het kind een bijzondere aandacht verdient, is het geheugen.

In deze ontwikkelingsfaseis de 2e fase, die tussen tandenwisseling en puberteit.

Die Entwicklung des Gedächtnisses ist eben an die Umbildung des Ätherleibes gebunden.

De ontwikkeling van het geheugen is immers ten nauwste verbonden met de verandering van het etherlijf.

Da dessen Ausbildung so erfolgt, daß er gerade zwischen Zahnwechsel und ­Geschlechtsreife frei wird, so ist diese Zeit auch diejenige, in der von außen bewußt auf die Fortentwicklung des Gedächtnisses gesehen werden muß. Das Gedächtnis wird bleibend einen geringeren Wert haben, als es hätte für den betreffenden Menschen haben können, wenn in dieser Zeit das Entsprechende versäumt wird. Das Vernachlässigte kann später nicht mehr nachgeholt werden.

Daar deze ontplooiing zo verloopt, dat juist tussen tandenwisseling en geslachtsrijpheid het etherlichaam vrij wordt, moet ook in deze tijd van buitenaf, bewust gewerkt worden aan een verdere vorming van het geheugen. Als tijdens deze fase het noodzakelijke op dit gebied verzuimd wordt, dan zal het geheugen van degeen, die dat verzuim betreft, zwakker blijven dan wel nodig was geweest. Het verzuimde kan later niet meer worden ingehaald.
GA 34/333-334
Vertaald

Dat betekent dat we pas rond of na de tandenwisseling gericht aan het geheugen moeten gaan werken. 

En vóór de tandenwisseling dan?

In de 1e zeven jaar werkt het etherlijf nog aan het fysieke lichaam: het is er a.h.w. nog zo mee verbonden dat het nog niet zelfstandig is. 
Steiner maakt wat dit ‘nog niet zelfstandig’ betreft, een vergelijking met het fysieke lichaam van het ongeboren kind: ook dit is nog niet zelfstandig en wordt indirect – van binnenuit – ontwikkeld. 
Na de geboorte van het fysieke lichaam is het etherlijf daarin nog niet zelfstandig; het werkt er ‘van nature’; we moeten het z’n gang laten gaan, zoals we een bloem die wil gaan bloeien haar gang laten gaan. Alvast wat blaadjes eruit peuteren o.i.d. levert alleen schade op en zeker niet de bloem die op weg was ‘zichzelf’ te worden.  

Als het etherlijf dan ‘klaar’ is met het opbouwwerk, komt dit tot een zichtbare afsluiting in de tandenwisseling. Dit gezichtspunt verwoordt Steiner in vele voordrachten: over de tandenwisseling.

Als je al die passages bestudeert, krijg je een indruk van de werkzaamheid van het etherlijf in de eerste zevenjaar. 
Voor een gezonde ontwikkeling kunnen we niets anders doen dan voorwaarden scheppen waaronder het etherlijf zijn opbouwende werk kan verrichten.
Zie bv. in GA 34.

En zoals we na de fysieke geboorte het fysieke lichaam verzorgen, zo moeten we na de geboorte van het etherlijf dit prille zelfstandig wordende etherlijf ook verzorgen.

Vom siebenten bis zum vierzehnten Jahre darf die Erziehung des Ätherleibes in die Hand genommen werden.

Van het zevende tot het veertiende jaar mag de opvoeding van het etherlijf ter hand worden genomen.

Steiner spreekt hier over ‘opvoeding’ van het etherlijf. Een andere vorm van wat we voor het lichaam ‘voeding’ noemen.

Steiners ‘pedagogische wet’

Vóór een aantal aanwijzingen op te sommen, lijkt het me hier zinvol Steiners zgn. ‘pedagogische wet’ te noemen, die inhoudt dat de volwassene met zijn Ik inwerkt op het astraallijf van het kind, met zijn astraallijf op diens etherlijf en met zijn etherlijf op diens fysieke lichaam.
Als wij dus op het etherlijf van het kind een positieve invloed willen uitoefenen – in het kader van dit artikel nog steeds met de achterliggende gedachte het sterk te maken als geheugen/herinneringskracht – zullen we – opvoeding is zelfopvoeding – aan ons astraallijf moeten werken. Dat gaat niet zonder de ‘inschakeling’ van ons Ik.
Het een is niet los te zien van het ander, ook in groter verband niet:

Die ganze Kulturentwickelung drückt sich für den Menschen in solcher Arbeit des Ich an seinen untergeordneten Gliedern aus. Diese Arbeit geht bis in den physischen Leib hinunter. Unter dem Einflüsse des Ich ändert sich die Physiognomie, ändern sich die Gesten und Bewegungen, das ganze Aussehen
des physischen Leibes. Man kann auch unterscheiden, wie die verschiedenen Kultur- und Bildungsmittel auf die einzelnen Glieder der menschlichen Wesenheit verschieden wirken. Die gewöhnlichen Kulturfaktoren wirken auf den Empjßndungsleib; sie bringen diesem andere Arten von Lust und Unlust, von Trieben usw. bei, als er vom Ursprünge aus hatte. Die Versenkung in die Werke der Kunst wirkt auf den Ätherleib. Indem der Mensch durch das Kunstwerk die Ahnung eines Höheren, Edleren erhält als das ist, was die Sinnesumgebung darbietet, gestaltet er seinen Lebensleib um. Ein mächtiges Mittel zur Läuterung und Veredelung des Ätherleibes ist die Religion. Die religiösen Impulse haben dadurch ihre großartige Mission in der Menschheitsentwicklung.
Das, was man Gewissen nennt, ist nichts anderes als das Ergebnis der Arbeit des Ich an dem Lebensleib durch eine Reihe von Verkörperungen hindurch. Wenn der Mensch einsieht, daß er dies oder jenes nicht tun soll, und wenn durch diese Einsicht ein so starker Eindruck auf ihn gemacht wird, daß sich dieser bis in seinen Ätherleib fortpflanzt, so entsteht eben das Gewissen.

De gehele ontwikkeling van de cultuur is een uitdrukking van het feit, dat in de mens deze omwerking der lagere lichamen door het ‘ik’ plaats vindt, een omwerking, die zich tot in het fysieke lichaam voortzet. Onder invloed van het ‘ik’ veranderen het gelaat, de gebaren en bewegingen, het gehele aanzien van het fysieke lichaam. Men kan ook onderscheiden, hoe de verschillende gebieden van de cultuur en middelen van beschaving op de afzonderlijke delen van het mensenwezen verschillend inwerken. De gewone cultuurelementen beïnvloeden het gewaarwordingslichaam; zij brengen hierin een verandering teweeg, zodat andersoortige gevoelens van sympathie en antipathie, andere neigingen enzovoort optreden dan tevoren. Het zich aandachtig verdiepen in kunstwerken oefent een werking op het etherlichaam uit. Doordat het kunstwerk de mens in aanraking brengt met iets wat hoger en edeler is dan de gegeven zintuigelijke wereld, wordt het etherlichaam tot hogere ontwikkeling gebracht. Een machtig middel tot loutering en veredeling van het etherlichaam is de religie. De religieuze impulsen hebben daardoor hun grootse en verstrekkende taak in de mensheidsontwikkeling.
Dat wat men ‘geweten’ noemt, is niets anders dan het resultaat van de arbeid van het ‘ik’ aan het levenslichaam gedurende een reeks van incarnaties. Wanneer de mens inziet, dat hij de een of andere daad niet moet verrichten en wanneer dit inzicht een zo sterke indruk op hem maakt, dat deze zich tot in zijn etherlichaam voortplant, dan ontstaat geweten.

Es kann aber das Ich noch zu einer höheren ureigensten Arbeit an der eigenen Wesenheit des Menschen kommen. Dies geschieht, wenn nicht bloß der Astralleib bereichert, sondern der Äther- oder Lebensleib ­umgestaltet wird. Der Mensch lernt so manches im Leben; und wenn er von irgendeinem Punkte aus auf dieses Leben zurückblickt, so kann er sich sagen: ich habe vieles gelernt; aber er wird in einem viel geringeren Maße von einer Umwandlung von Temperament, Charakter, von einem Besser- oder ­Schlechterwerden des Gedächtnisses während des Lebens sprechen können. Das Lernen betrifft den Astralleib; die letzteren Umwandlungen dagegen betreffen den Äther- oder Lebensleib. Es ist daher kein unzutreffendes Bild, wenn man die Veränderung des Astralleibes im Leben mit dem Gang des ­Minutenzeigers der Uhr, die Umwandlung des Lebensleibes mit demjenigen des Stundenzeigers vergleicht­.

Het is echter mogelijk, dat het ‘ik’ komt tot een nog hogere individuele activiteit ter ontwikkeling van ’s mensen eigen wezen. Dit geschiedt, wanneer niet alleen het astrale lichaam wordt omgewerkt. De mens leert in zijn leven velerlei dingen; en wanneer hij op het een of andere moment terugblikt op de afgelegde levensweg, dan kan hij dit bij zichzelf constateren. Maar hij zal in veel geringere mate een verandering kunnen bespeuren in zijn temperament, zijn karakter, of zijn geheugen, hetzij dat beter of slechter is geworden tijdens zijn leven. Het leren houdt verband met het astrale lichaam, de verandering van temperament, karakter enzovoort echter met het ether- of levenslichaam. Het is daarom geen onjuist beeld, wanneer men de verandering van het astrale lichaam tijdens het leven met de gang van de grote wijzer, de omwerking van het levenslichaam daarentegen met het tempo van de kleine wijzer van een klok vergelijkt.
GA 34/318-319
Vertaald

Aber es gibt andere Kulturmittel, wodurch das Ich an sich arbeitet, und das sind die religiösen Impulse der Menschheit. Was aus der Religion stammt, ist ein arbeitender Motor des Geisteslebens, ist mehr als äußere Rechtsgrundsätze und Moralgrundlagen. Wenn das Ich auf Grund religiöser Impulse arbeitet, dann arbeitet es in den Ätherleib hinein. Ebenso wenn das Ich aufgeht in Betrachtung eines Kunstwerkes und eine Ahnung erhält, daß hinter dem sinnlichen Dasein ein Ewiges, Verborgenes verkörpert sein kann, dann wirkt die künstlerische Vorstellung nicht nur in den Astralleib, sondern der Mensch veredelt und läutert den Ätherleib. Könnten Sie einmal als praktischer Okkultist beobachten, wie eine Wagnersche Oper auf die verschiedenen Glieder der menschlichen Natur wirkt, es würde Sie überzeugen, daß besonders die Musik es ist, die ihre Vibrationen tief hineinsenken läßt in den Ätherleib. Nun ist auch der Ätherleib der Träger von alledem, was mehr oder weniger bleibend ist in der menschlichen Natur.

Maar er zijn andere culturele middelen waarmee het Ik aan zichzelf werkt, en dat zijn de religieuze impulsen van de mensheid. Wat voortkomt uit religie is een werkende motor van het spirituele leven, meer dan externe wetmatige principes en morele grondslagen. Wanneer het Ik werkt op basis van religieuze impulsen, werkt het in op het etherisch lichaam. Evenzo, wanneer het Ik verzonken is in de beschouwing van een kunstwerk en een vermoeden krijgt dat er iets eeuwigs en verborgens belichaamd kan zijn achter het zintuiglijke bestaan, dan werkt de artistieke conceptie niet alleen in op het astrale lichaam, maar veredelt en zuivert de mens ook het etherisch lichaam. Als u, als praktisch occultist*, zou kunnen observeren hoe een Wagneriaanse opera de verschillende delen van de menselijke natuur beïnvloedt, zou u ervan overtuigd zijn dat het vooral de muziek is die haar trillingen diep in het etherisch lichaam laat doordringen. Nu is het etherisch lichaam ook de drager van alles wat min of meer permanent is in de menselijke natuur.

*te begrijpen als iemand die zijn helderziende vermogens ontwikkeld heeft of aan het ontwikkelen is.

Man hat sich klarzumachen, was für ein Unterschied ist zwischen Entwicklung des Ätherleibes und des Astralleibes. Erinnern wir uns an den eigenen Lebensgang. Denken Sie nach, was Sie alle gelernt haben seit Ihrem achten Lebensjahr; das ist ungeheuer viel. Bedenken Sie den Inhalt Ihrer Seele: Prinzipien, Vorstellungen und so weiter. Das sind Veränderungen, Umwandlungen Ihres Astralleibes. Aber nun denken Sie nach, wie wenig sich bei den meisten Menschen das ändert, was man Gewohnheiten, Temperament nennt, was man allgemein Fähigkeiten nennt. Wenn jemand jähzornig ist, so hat sich das schon früh angezeigt und hat sich wenig geändert. Wenn einer ein vergeßliches Kind war, so wird er heute noch ein vergeßlicher Mensch sein. Man kann für diese ungleiche Entwicklung ein kleines Beispiel gebrauchen. Diese Entwicklung verhält sich so, wie wenn die Veränderungen des Astralleibes durch den Minutenzeiger und die Veränderungen des Ätherleibes durch den Stundenzeiger der Uhr angezeigt würden. Dasjenige, was der Mensch an seinem Ätherleib ändert, was das Ich gemacht hat aus dem Ätherleib, nennt man Buddhi oder, wenn man ein deutsches Wort gebrauchen will, Lebensgeist.

Je moet je het verschil realiseren tussen de ontwikkeling van het etherlijf en het astrale lijf. Laten we eens terugdenken aan onze eigen levensloop. Denk eens aan wat je allemaal hebt geleerd sinds je achtste; het is enorm veel. Denk eens aan de inhoud van je ziel: principes, ideeën, enzovoort. Dit zijn veranderingen, transformaties van je astrale lijf. Maar bedenk nu eens hoe weinig veranderingen er bij de meeste mensen plaatsvinden in wat we gewoonten, temperament en in het algemeen wat we vaardigheden noemen. Als iemand opvliegend is, was dat al vroeg zichtbaar en is er weinig veranderd. Als iemand een vergeetachtig kind was, zal hij dat vandaag de dag nog steeds zijn. We kunnen een klein voorbeeld gebruiken om deze ongelijke ontwikkeling te illustreren. Deze ontwikkeling gedraagt zich alsof de veranderingen in het astraallijf worden aangegeven door de grote wijzer en de veranderingen in het etherlijf door de kleine wijzer van een klok. Dat wat een mens verandert in zijn etherlijf, dat wat het Ik van het etherlijf heeft gemaakt, wordt buddhi genoemd of, als je een Duits woord wil gebruiken, Lebensgeist, levensgeest.
GA 54/125 -126
Niet vertaald

Middelen die ons ten dienste staan om onze eigen wezensdelen te cultiveren, zijn dus volgens bovenstaande tekst: kunst: kunstwerken, muziek, religie.
Er is natuurlijk meer, denk o.a. aan deze oefeningen die Steiner gaf.
Dit alles kan maken dat je ‘meer mens’ wordt. En daarmee werk je – zie de opmerkingen over het
imponderabeleop het kind.
Daarmee word je steeds meer de natuurlijke
autoriteit die Steiner bedoelt.

Dat lijkt een omweg: jezelf ontwikkelen om op de drager van het geheugen zo positief te werken, dat dit sterker wordt.
Concreter nog: ook al gaat het hierboven over de taak van het Ik, ons astraalwezen is van directe invloed op het etherlijf van de kinderen, als we van de ‘pedagogische wet’ uitgaan. En ons Ik is in staat aan ons astraallijf te werken.

Dat heeft Steiner uitvoerig beschreven in boeken en voordrachten.
Niet zo uitgebreid in de Algemene menskunde.
Naar aanleiding daarvan vatte ik e.e.a. samen in dit artikel over het geestzelf.

Voor verdere studie: vanaf hier volgen verschillende bronnen.

.

Rudolf Steiner over: geheugen

Geheugen, herinneren: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3550-3335

.

.

.

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Schoolrijpheid (8)

.
Barbara Zaar*, Erziehungskunst frühe Kindheit, zomer 2023

.

Over een goed of het best mogelijke moment om naar school te gaan

.

Voor vrijwel alle kinderen en hun ouders is de overgang van de kleuterschool naar de basisschool een cruciaal moment. Het is een langverwachte, of minder vaak gevreesde, gebeurtenis die maanden van tevoren al hun gedachten bezighoudt. Ook de leerkrachten in de kleuterschool merken dit – zowel in de emotionele verwachting van de kinderen als ook – non-verbaal – aan de signalen van veranderingsprocessen die zich niet zichtbaar afspelen. Maar wanneer is het dan eindelijk zover?

Allereerst is het belangrijk om rekening te houden met de leerplicht. Deze wordt uitsluitend bepaald door de chronologische leeftijd van het kind. Tot een paar jaar geleden was de uiterste datum in Baden-Württemberg (de dag waarop een kind zes jaar oud moest zijn) 30 september. Deze is inmiddels (net als vele jaren geleden!) vervroegd naar 30 juni.

Het blijft echter altijd de vraag of een kind in de leerplichtige leeftijd ook daadwerkelijk klaar is voor school, of dat uitstel overwogen moet worden. Deze beslissing ligt doorgaans bij de (begeleidende) leerkrachten van de betreffende school en de ouders. Bij twijfel wordt ook de afdeling volksgezondheid geraadpleegd.

Op vrijescholen wordt de vraag naar schoolrijpheid vanuit zowel pedagogisch als medisch oogpunt bekeken, mits er een schoolarts beschikbaar is. In elk geval worden verschillende aspecten in de beslissing meegenomen, voortkomend uit het begrip van het kind als een geleidelijk ontwikkelend, emotioneel en spiritueel wezen. Dit vergt meestal meer inspanning, maar maakt meer individuele beoordelingen mogelijk en biedt de gelegenheid om eventuele verborgen ontwikkelingsbehoeften in kaart te brengen. Ouders kunnen vervolgens, indien nodig, op aanbeveling van de schoolarts een aanvraag tot uitstel indienen bij hun lokale basisschool. Dit geeft de beslissing over de schoolstartdatum de aandacht die het verdient, gezien de vaak verstrekkende gevolgen voor het hele leven van het kind: te vroeg of te laat – beide kunnen desastreuze gevolgen hebben! We vinden niet altijd het absoluut ideale moment voor een kind, omdat we maar één schoolstartdatum per jaar hebben. Studies en praktijkervaring tonen echter aan dat, op de lange termijn, bij twijfel, iets meer ontwikkelingstijd voordeliger is dan minder.

De “lichamelijke religiositeit” van het kind

Maar hoe bepalen we of een kind schoolrijp is?
Om deze vraag echt te begrijpen, moeten we teruggaan naar de wortels van het bestaan ​​van een kind, naar zijn oorsprong, zijn aard. Vanuit een prenatale, embryonale wereld van ‘eenheid’, vanuit de waterwereld van volledige bescherming en zorg betreedt de pasgeborene een vreemde ‘duale’ wereld waar luchtige en vaste elementen niet langer in water zijn opgelost, maar afzonderlijk bestaan.
Tussen deze twee polen moet de ziel van het kind zich geleidelijk vestigen en vertrouwd raken met de elementen op aarde.
De eerste ademhaling van de pasgeborene, als zijn eerste onafhankelijke ‘handeling’ op aarde, markeert het begin van de bezieling (inspiratie), de intrede van de ziel in het lichaam en, door de opname van zuurstof, het begin van het onafhankelijke leven van de nieuwe mens, los van de moederlijke placenta.
De ziel van het kind begeeft zich in zekere zin actief naar zijn ‘lichamelijke thuis’, dat aanvankelijk het geërfde lichaam is dat door de ouders is verstrekt.

Net zoals het embryo en de foetus volledig afhankelijk zijn van de vliezen van het chorion en het amnion, van de omgeving van het moederlijke organisme – waar het door wordt beademd, gevoed, ontgift en op vele manieren beschermd – zo heeft ook de pasgeborene nu behoefte aan een omhulling van begrip, liefde en koesterende zorg van zijn ouders. De openheid van het zich ontwikkelende kind naar zijn omgeving, de nauwe band ermee en de eenheid ermee, blijft lang na de geboorte bestaan, zij het op een ander niveau.

Het is verbazingwekkend en veelzeggend dat dit kleine wezentje, ondanks al zijn onvolmaaktheid en afhankelijkheid, ons toch diep kan raken en met respect kan vervullen. Het lijkt, alleen al door zijn aanwezigheid, de hele ruimte waarin zijn wieg staat te vullen, de mensen eromheen te raken en te vragen om zachtheid en eerbiedige stilte.
Maar wie, wat roept ons? De stem van het kind, die eens tot ons gaat spreken, is het niet; ook geen roepende blik, een gebaar of zijn ‘lichaamstaal’. Het lijkt eerder iets verborgens, iets wat we in eerste instantie meer aanvoelen dan ‘zien’, iets dat gekenmerkt wordt door een toekomst, maar waarvan we erop vertrouwen dat het zich zal ontwikkelen en manifesteren. Het is als de zachte eerste ontmoeting met de onsterfelijke geest-ziel van het kind, zijn ware individualiteit, die lijkt op te rijzen boven het kleine, nog hulpeloze lichaam van de baby en ons roept.
Alle opvoeding – vooral in de eerste mysterieuze drie jaar – zal proberen aan te voelen welke steun de ziel van het kind nodig heeft om in het hulpeloze lichaam thuis te raken, te vormen en zelf geleidelijk in staat te raken om in de wereld te leven.

Groei, orgaanontwikkeling en het algemene leervermogen bereiken hun hoogtepunt in de eerste levensjaren. De specifiek menselijke vaardigheden – het overwinnen van de zwaartekracht om rechtop te lopen, het verwerven van taal en het koppelen van diverse zintuiglijke waarnemingen aan gedachten – worden door het kind in de eerste tweeënhalf tot drie jaar verworven, een periode waar het zich later doorgaans niets van herinnert.

Wat stelt het kind in staat zulke opmerkelijke prestaties te leveren? Een belangrijke factor ligt juist in deze kinderlijke amnesie – het gebrek aan geheugen – en daarmee samenhangend in de bewustzijnstoestand van het jonge kind, dat zich thuis voelt in beelden en geen abstracte gedachten kent. Het kind valt ook vaker in een diepe slaap, waaruit het de kracht put voor ontwikkeling in de breedste zin van het woord.

In zijn wakkere toestand leeft het kind echter volledig in overgave aan de wereld via zijn zintuigen. Het oog, het oor, de smaakzin of de huid als tastorgaan staan niet op zichzelf: eerder dompelt het kind zich in plaats daarvan onder in zijn omgeving door middel van zijn algemene zintuiglijkheid en in volledige zintuiglijke openheid met al zijn zintuigen. De indrukken dringen diep door in het lichaam van het kind.

Het lijkt bijna alsof het hele kleine lichaam wordt gegrepen, bijvoorbeeld door de ervaring van smaak wanneer de baby aan de borst van zijn moeder drinkt en tevreden tegen haar aan ligt en met haar meebeweegt; of wanneer zijn adem stokt bij het zien van een misschien onbekende of vreemde persoon, om seconden later verlichting te vinden in een diepe uitademing of zelfs in huilen. Het hele kind openbaart zich in deze levensfase, zoals Rudolf Steiner het noemt, “als een soort onderzoekend oog”.

Met fundamentele sympathiekrachten en een diepe interesse verbindt het zich met de wereld, wil het alles ervaren, zich erover verwonderen en het actief begrijpen door middel van het nabootsen.
Het gaat zonder vooroordelen in de wereld op en is juist daardoor zo onvergelijkbaar in staat om te leren, maar ook kwetsbaar.

Alles dringt in het kind door – een woord, een geluid, een aanraking – evenals de daarin uitgedrukte moraal of immoraliteit. Bij het jonge kind worden deze indrukken nog niet, zoals Rudolf Steiner verder beschrijft in zijn pedagogische
uitleg, weerspiegeld en kritisch geëvalueerd in de spiegel van het bewustzijn, maar blijven ze de levensprocessen van het nog dromerige, onbewuste kind doordringen. Ze vormen zijn organen en hun functies via de bloedsomloop en de ademhaling. Ze beïnvloeden de groei, ontwikkeling en de ontwikkeling van de motoriek van het kind.

Door na te bootsen en steeds weer te herhalen wat het kind in zijn omgeving waarneemt, gebaseerd op levende voorbeelden, belichaamt het de wereld als het ware, waardoor het er fysiek mee vertrouwd raakt. Later zal het ze zich ook fysiek ‘herinneren”, omdat het ze heeft ervaren en heeft geleerd ermee om te gaan. Of het nu gaat om voedingsstoffen, warmte en kou, water, zwaartekracht en ruimtelijke verhoudingen, of om het in contact komen met ziekteverwekkers – dit alles kan bijdragen aan de rijping, individualisering, groeiende competentie en het ontwikkelen van vertrouwen van het kind, die allemaal diep geworteld zijn in het lichaam. Het geërfde lichaam van de ouders dient het kind ‘als een soort model waarop zijn spirituele en mentale wezen werkt, waarbij het de indrukken van zijn omgeving verwerkt als een puur imiterend wezen’ (Rudolf Steiner).

Dit proces vindt plaats in de eerste zeven jaar tot de schoolrijpheid, terwijl het kind, met zijn groei- of vormingskrachten, zich ontwikkelt van het hoofd, via de borstkas, naar de buik en de ledematen.
De dominantie van de hoofdomvang komt in het eerste derde deel van de eerste zeven jaar overeen met de groei en actieve ontwikkeling van de zintuigen en de hersenen. Rechtop lopen, taal en denken worden verankerd.

Tijdens het tweede derde deel van de eerste zeven jaar ontwikkelt het middengedeelte van het lichaam, inclusief de ribbenkast, zich relatief snel. In deze periode ontwikkelt het kind zijn motorische en taalvaardigheden verder, waardoor de longfunctie, ademhaling en hartfunctie verbeteren. Reflexen uit de vroege kindertijd worden intensief aangevuld en vervangen door doelbewuste bewegingspatronen; een gevoel van veiligheid in het eigen lichaam ontstaat en wordt verder ontwikkeld. Ook de sociale interactie tussen kinderen neemt toe; fantasierijk spel wordt mogelijk.

Ten slotte, in het laatste derde deel van de eerste zeven jaar, worden de groei en de ontwikkeling van de ledematen duidelijker. De fysieke veerkracht en behendigheid nemen toe, evenals de grove en fijne motoriek, de coördinatie en de vloeiendheid van bewegingen, bijvoorbeeld bij het touwtjespringen.

Maar ook alle andere eerder verworven taalkundige, artistieke of sociale vaardigheden worden verder ontwikkeld en het kind wordt een steeds betere kenner van zijn kleine wereld.

Het instrument wordt bemachtigd

In de eerste zeven jaar leeft het kind nog in een nauwe verbinding tussen lichaam en ziel. Alles is nog één. Deze tijd lijkt een herinnering aan de wereld waaruit het kind is voortgekomen en die wordt gekenmerkt door de eerdergenoemde ‘eenheid’: de fysieke vorm van de moeder.
Wat betreft de ziel van het kind en haar spirituele aard, lijkt het een nagloed van haar thuisland, dat is vrijgesteld van de wetten van het aardse rijk: de wereld van ons leven vóór en na de dood.

Tegen het einde van de eerste zeven jaar begint er echter een verandering. De intensieve integratie in het lichaam door middel van sensomotorische waarneming, de betekenisvolle verbinding van zintuiglijke ervaringen met de eigen beweging in de nabootsing ervan, loopt ten einde.

Zodra het lichaam van het kind, van hoofd tot teen, op deze manier is veroverd en gevormd, en tegelijkertijd op een unieke manier is gegroeid, vindt er een geleidelijke bevrijding plaats van deze etherische vormende krachten van het fysieke. Het instrument van het lichaam wordt gebouwd; nu bereidt de ziel van het kind zich voor om ermee te leren spelen en geleidelijk zijn verborgen essentie tot leven te brengen.
Waar aanvankelijk alles draaide om voeding, vormgeving en verzorging van het lichaam, vindt er nu een bevrijding van de groeikrachten van deze taken plaats. Het is aan Rudolf Steiner te danken dat hij dit principe ontdekte aan het einde van de eerste zevenjarige periode, die hij beschrijft als de “metamorfose van vormende krachten in denk- en zielskrachten”. Naarmate de curve van de fysieke groei afvlakt, komt een groot deel van de vormende krachten vrij voor nieuwe taken. Een deel blijft beschikbaar voor de fysieke processen van groei, regeneratie en voortplanting. Kinderen ervaren deze overgang vaak als een crisis, en het is van groot belang om zich hiervan bewust te zijn. Er is namelijk een fysieke en mentale inspanning gemoeid met deze “reconstructie”, die begrepen moet worden om misinterpretaties te voorkomen.

Men zou kunnen spreken van een nieuwe geboorte, de geboorte van het etherlijf, dat – net als het fysieke lichaam na het verlaten van de moederlijke omhulsels – nu onafhankelijk wordt in verbinding met de geest-ziel van het kind. Hieruit vloeit een schat aan fysieke, psychologische en spirituele verschijnselen voort, die nu allemaal als geheel worden beschouwd in het schoolrijpheidsonderzoek.

Net als een weerspiegeling van de genetische samenstelling van de ouders van het kind, die geleidelijk individuele inprenting ondergaat en uiteindelijk “afgeworpen” wordt, zijn de nog ongedifferentieerde melktanden, die nu uitvallen – te beginnen bij de voortanden – en vervangen worden door veel karakteristiekere blijvende tanden. Soms verschijnen de eerste kiezen zelfs nog eerder. Op enkele uitzonderingen na wordt de hele kwestie van de kaakstand pas nu relevant.

Bovendien laat het kind ons zien dat het tot aan de uiteinden van zijn ledematen is gegroeid. De verhouding tussen hoofd en lichaam is veranderd. De armen zijn lang genoeg om het hoofd te grijpen en de grootte van het kind is nu in evenwicht tussen horizontaal en verticaal: armspan en lichaamslengte komen overeen.

Net zoals het etherische lichaam zich steeds meer naar het psychische rijk richt, is er nu in de vorm van het kind een verandering naar een grotere lichaamslichtheid waar te nemen.
De voeten bereiden hun voetbogen voor op een soepele gang; de wervelkolom ontwikkelt zijn typische krommingen, ook in de zin van een vrije, veerkrachtige, rechtopstaande houding. De voorheen mollige armen onthullen de kleine gewrichten en de spieren die ze bewegen. De nek wint aan hoogte en dient als basis voor de doelgerichte bewegingen van het hoofd om zintuiglijke indrukken of emotionele expressie te versterken. Er kan meer lucht door de neusholtes, ademhalen door de mond is niet langer nodig. Een verandering in de verhouding tussen de twee harttonen is hoorbaar in de hartslag van het kind.
De motorische vaardigheden zijn nu zo ver ontwikkeld dat springen op één en twee benen mogelijk is; evenals staan ​​op één been, voorwaarts en achterwaarts balanceren. Het kind ervaart ruimte, zelfs waar het die niet kan zien. Het laat in de omgang met de bal zien of het zich bij het gooien naar de ‘wereld’ kan draaien en de bal ook bij het vangen kan ontvangen; of het kind zijn bewegingen zo kan aanpassen dat de bal altijd op de juiste plek terechtkomt. Ook het uitdagende touwtjespringen wekt nu de interesse van het kind. De fijne motoriek, de potloodgreep en de oog-handcoördinatie worden zichtbaar. Dit alles is gebaseerd op een succesvolle vermindering van de spierreflexen uit de vroege kindertijd en is daarvan afhankelijk.

De blik van het kind wordt alerter, meer gefocust en niet langer uitsluitend geleid door indrukken van buitenaf. Het toont een groeiende interesse in het begrijpen van de wereld om zich heen, waarin en waarmee het tot dan toe “alleen maar heeft geleefd” en waarin het zich fysiek heeft ontwikkeld.

Het schoolgaande kind heeft een zeker innerlijk leven: eigen ideeën, plannen, reflectie op wat er gisteren, in het verleden, heden en de toekomst is gebeurd, worden denkbaar; een eerste conceptvorming ontstaat. Getallen, hoeveelheden en vormen kunnen worden gegrepen, nagetekend en ook onthouden. Waar het geheugen van het kleine kind werd gevormd door fysieke actie en ervaring, kan het nu steeds vrijer leven in mentale beelden.

De ontwikkeling van de intellectuele vermogens van een kind, in samenhang met de fysieke ontwikkeling, is een van de essentiële criteria voor schoolrijpheid en duidt op een reeds afgerond fysiek ontwikkelingsproces. Kinderen hebben nu nieuwe stimulatie nodig op het gebied van denken en verbeelding, rekenen, tekenen en schrijven. Taalbegrip en -gebruik zijn nu gezond, evenals de correcte uitspraak van klanken. Soms ontbreekt het hen nog aan de moed om te spreken, vooral in een nieuwe situatie. Anderen spreken juist heel veel. In dat geval moet men zich afvragen of er sprake is van een algemene emotionele onrijpheid en of het kind zich misschien nog niet los kan maken van zijn of haar ouders.

Luisteren naar en vertalen van wat er gehoord wordt in de eigen
taal of beweging, bijvoorbeeld klappen, duidt op het vermogen om aandachtig te luisteren en te volgen wat er gehoord wordt.

Ook de schilderingen van de toekomstige schoolkinderen geven inzicht in hun ontwikkelingsfase of andere relevante aspecten (schildert het kind überhaupt? Hoe en wat schildert het kind? Kleurgebruik? Lijnvoering? enz.).

Ten slotte moet ook de houding van het kind ten opzichte van school in overweging worden genomen, vooral in de hierboven genoemde onduidelijke gevallen. Is het kind echt geneigd tot het schoolleven, of wil het gewoon zijn of haar vrienden volgen? Kan je erop vertrouwen dat het kind de dagelijkse schoolroutine echt aankan (zelfs op een vrijeschool!), of zou het kind misschien uitgeput raken en zijn of haar kinderlijke vreugde verliezen?

Met de uitgangspunten van het medisch onderzoek hebben we een handig hulpmiddel om een ​​diagnose van schoolrijpheid te bevestigen of uit te sluiten. Niettemin zijn er lastige individuele gevallen die een individuele aanpak vereisen. Dit omvat de vraag naar alternatieven. Waar kan het kind zijn of haar laatste jaar op de kleuterschool nog productief doorbrengen? Het is de moeite waard om dit met de leerkrachten te bespreken. Het verschuiven van de einddatum is een voorbeeld van de mogelijkheid om de zaken opnieuw te bekijken. De schoolrijpheid van een kind, diepgaand bekeken, beschrijft veel meer dan een bepaalde leeftijd of lichaamslengte (zelfs lange kinderen kunnen onvolgroeid zijn!) of interesse in letters en cijfers. Het geeft informatie over de vraag of het kind zijn of haar lichaam al daadwerkelijk heeft kunnen ontwikkelen als fysieke basis, zodat het vervolgens het voertuig kan worden voor de intellectuele individualiteit van de opgroeiende persoon, diens gedachten, emotionele drijfveren en handelingen. En dit heeft aanzienlijke gevolgen voor
tevredenheid en gezondheid – mogelijk voor een leven lang.

*Barbara Zaar, schoolarts voor kleuter- en basisonderwijs met eigen praktijk

.

Schoolrijpheid: alle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3549-3334

.

.

.

.