VRIJESCHOOL – Steiner over vertellen

 

RUDOLF STEINER OVER VERTELLEN

De tekst in blauw is van mij, cursief en vet eveneens

Op de vrijescholen neemt het vak ‘vertellen’, de vertelstof, een belangrijke plaats in.
In zijn pedagogische voordrachten sprak Steiner er herhaaldelijk over.
Hier volgen zijn uitspraken.

Op 21 aug. 1919

En wanneer u een kind veel vertelt waarover het zich verheugt of ook verdriet heeft, dan vormt dat vanuit de onderste mens het astrale lichaam.
Steiner behandelt hier de krachten die in de mens werken: die vanuit het hoofd naar de ledematen toe en vanuit de ledematen naar het hoofd, het denken, naar het hart, het gevoel – hier astraal lichaam genoemd.

Denkt u maar eens over uw eigen belevenissen na, heel precies. Ik denk dat u allemaal het volgende wel eens hebt meegemaakt. U liep over straat en bent van iets geschrokken. Dan bent u niet alleen met uw hoofd en hart
ge­schrokken, maar ook met uw ledematen. U heeft de schrik in de be­nen gehad. Daaruit zult u kunnen afleiden dat de mens zich helemaal overgeeft aan iets dat gevoelens en affecten oproept en niet alleen met hart en hoofd.

Dat is een waarheid die men in opvoeding en onderwijs vooral voor ogen moet houden. Men moet er op toezien dat de gehele mens aan­gesproken wordt. Denkt u daarom van dit gezichtspunt uit aan het vertellen van legenden en sprookjes. Probeert u een juist gevoel hier­voor te hebben, zodat u vanuit uw eigen stemming sprookjes kunt vertellen, dan zult u zo vertellen dat een kind in het hele lichaam iets voelt klinken van wat verteld wordt. U richt zich dan werkelijk tot het astrale lichaam van het kind. Van het astrale lichaam straalt iets omhoog naar het hoofd, iets wat het kind daar moet voelen. Men moet het gevoel hebben dat men het hele kind aanspreekt en dat pas uit de gevoelens, uit de affecten die men oproept, het begrip moet komen voor wat verteld is. Laat het daarom een ideaal zijn om, wan­neer u een kind sprookjes of legenden vertelt of met hem schildert of tekent, niets te verklaren, niet begripsmatig te werken, maar de gehele mens aan te spreken. Dan gaat het kind weg en komt pas achteraf uit zichzelf tot begrip van de dingen. Probeert u dus het ik en het astrale lichaam van onder naar boven op te voeden, zodat hoofd en hart pas op de tweede plaats komen. Probeert u nooit zo te vertellen dat u het hoofd en het verstand aanspreekt, maar zo dat u in het kind een soort stille huivering (binnen bepaalde grenzen) oproept, dat u lust- of onlustgevoelens oproept die de gehele mens aangrijpen en nog naklinken wanneer het kind weer naar huis gaat. En dan komt het pas tot begrip en interesse. Probeert u te werken doordat u geheel en al verbonden bent met de kinderen. Probeert u niet kunstmatig inte­resse op te wekken door middel van sensaties, maar probeert u, door een innerlijke verbinding met de kinderen te leggen, de interesse uit het eigen wezen van het kind te laten ontstaan. [1]

Dan moeten we in de eerste plaats proberen om in het eerste schooljaar veel eenvoudige gesprekjes met de kinderen te hebben in de klas. We lezen zo min mogelijk voor*, maar bereiden ons zo goed voor, dat we alles wat we willen overdragen kunnen vertellen. Dan proberen we de kinderen te laten navertellen wat wij verteld hebben, wat zij gehoord hebben. We gebruiken echter geen leesstof die de fantasie niet stimuleert, maar zo mogelijk leesstof die de fantasie juist sterk stimuleert, vooral sprookjes. Zo veel mogelijk sprookjes. En als we dit vertellen en navertellen lang geoefend hebben, dan proberen we de kinderen ertoe te brengen om kort iets te vertellen van wat ze zelf hebben beleefd. We laten het kind ons bijvoorbeeld iets vertellen waar het zelf graag over vertelt. Bij al dit vertellen, navertellen en vertellen van belevenissen gaan we zonder pietluttig te zijn over van het dialect naar het algemeen beschaafd Nederlands. We doen dat door eenvoudigweg de fouten die het kind maakt** — eerst maakt het bijna alleen maar fouten, laten minder – te corrigeren. Door de kinde­ren te laten vertellen en navertellen, maken we de overgang van het spreken in dialect naar het algemeen beschaafd Nederlands. Dat kunnen we zo doen en toch zullen de leerlingen aan het eind van het eerste schooljaar het niveau bereikt hebben dat tegenwoordig vereist is.[2]

Deze opmerking slaat ook op alle overige vertelstof. De thema’s voor de verschillende klassen – de vertelstof – moet uit het hoofd worden verteld.
Juist omdat deze thema’s zo bij de leeftijd passen, is het zaak dat deze op een zo kunstzinnig mogelijke manier bij de kinderen komen, dat betekent o.a. dat er tussen jou en de klas zich geen boek bevindt. Ik weet dat dit lastig is, vooral wanneer er, zoals in de mythologieën veel namen de revue passeren. Een schriftje op je bureau met ‘kapstok’woorden kan een hulp zijn, wanneer je niet alles hebt kunnen onthouden. Zo af en toe daar vanuit je ooghoeken een blik op werpen, stoort niet.
Overigens vond Steiner dit voor al het lesgeven: niet voor de klas vanuit een boek. Hij zegt daarover o.a.:

‘Het is mij altijd een gruwel geweest als een leraar voor een klas staat, het boek in de hand heeft en uit het boek onderwijs geeft of als hij een schrift heeft, waarin hij genoteerd heeft wat hij vragen wil, en steeds hierin kijken moet. Zeker, het kind denkt niet meteen daaraan met zijn gewone bewustzijn; maar de kinderen zijn pienter in hun onderbewustzijn en men ziet, als men er oog voor heeft, dat zij in zichzelf zeggen: ‘Die weet het helemaal niet wat ik leren moet. Waarom moet ik dat leren, wat hij niet weet?’ Dat is altijd het oordeel in het onderbewustzijn bij kinderen, die uit een boek of schrift door een leraar worden onderwezen.
Men moet op zulke niet meetbare factoren, op zulke details in het onderwijs bijzonder veel acht slaan. Want zodra het onderbewustzijn van het kind merkt, de onderwijzer weet het zelf niet, hij moet eerst in zijn schrift kijken, dan vindt het kind het onnodig om het zelf te leren. [3]

*De foute woorden die een kind spreekt – bv. voltooide deelwoorden – moet je verbeteren. Het werkt heel goed als je de manier waarop dit woord uitgesproken moet worden, in een zinnetje nog eens herhaalt. ‘Ik ben zo gevalt’ – ‘Ach, ben je zo gevallen?’ Vanuit de nabootsing leren de kinderen veel. Dan hoef je niet zo schoolmeesterachtig te corrigeren.
In het dialect zitten soms elementen die het juiste schrijven in de weg zitten. Zo had ik eens een meisje in de klas dat uit een streek kwam waar men de eind t/d in het voltooid deelwoord bijna niet uitsprak. Zij bleek later veel moeite te hebben deze ook te schrijven. Ze hoorde ze a.h.w. niet. 

(ook op) 21 aug. 1919
Na aanwijzingen voor het periodenonderwijs zegt Steiner:
Na dit eigenlijke onderwijs laten we volgen wat ons bijvoorbeeld in de vorm van vertellen te doen staat. In het eerste schooljaar zullen we voornamelijk sprookjes vertellen. In het tweede schooljaar proberen in verhalende vorm over het leven van de dieren te vertellen. We zullen overgaan van de fabel naar de waarheid, naar hoe de relatie is van de dieren onderling.
Deze laatste zin slaat m.i. op het verschil in ‘dierkunde’ vóór het 9e jaar en erna.
Na ‘dit eigenlijke onderwijs’ betekende voor mij ‘aan het einde van het hoofdonderwijs’, dus zo rond 10u – 10.15.  Iets verderop in deze voordracht staat:
‘Nu zou het in het ideale onderwijs zo zijn dat een kind dagelijks beslist niet meer dan anderhalf uur (periode) besteedt aan de geconcentreerde lessen, waarvoor de inspanning van het hoofd vereist is. Dan kunnen we nog een half uur sprookjes vertellen.’

Even later:
‘Nu zult u zich met allerlei dingen moeten bezighouden. Geleidelijk aan zullen we tot een indeling van het werk komen, doordat we er met elkaar over spreken. Maar ik denk dat het goed is wanneer u zich bezighoudt met de vraag wat u in het verteluur  (omdat Steiner hierna nog onderscheid maakt tussen deze vertelstof en die van het ‘godsdienstuur’ is het begrijpelijk dat onderstaande vertelstof DE vertelstof is geworden die aan het eind van het hoofdonderwijs wordt verteld), met de kinderen moet doen. De eigenlijke lessen zullen wel voortvloeien uit onze alge­mene pedagogische gezichtspunten. Maar voor de verteluren moet u onderwerpen hebben die de hele schooltijd door, van het zevende tot het veertiende jaar, aan de kinderen in vrije vorm verteld kunnen worden.’

Daarvoor is nodig dat u in de eerste schooljaren zoals gezegd een zekere schat aan sprookjes ter beschikking heeft. Voor de tijd daarna zou u zich op het vertellen van dierenverhalen in samenhang met fabels moeten voorbereiden. Dan bijbelse geschiedenis als onderdeel van de algemene geschiedenis en los van het andere godsdienstonder­wijs. Dan scènes uit de oude geschiedenis, scènes uit de geschiedenis van de middeleeuwen en uit de nieuwere geschiedenis. Vervolgens moet u zich erop voorbereiden om verhalen over de volkeren te ver­tellen, over hun karakter, wat vooral samenhangt met de natuurlijke omstandigheden waarin zij leven. Dan de onderlinge betrekkingen tussen de volkeren, tussen Indiërs, Chinezen, Amerikanen, wat hun karakteristieken zijn en dergelijke, dat wil zeggen volkenkunde. Dat is een heel bijzondere noodzaak met het oog op de huidige tijd.

Tijdens het spreken schreef Rudolf Steiner het volgende overzicht op het bord:

1     sprookjes
2     dierenverhalen in samenhang met de fabel
3     bijbelse geschiedenis als deel van de algemene geschiedenis (Oude Testament)
4     scènes uit de oude geschiedenis
5     scènes uit de middeleeuwse geschiedenis
6     scènes uit de nieuwere geschiedenis
7     verhalen over volkeren
8     volkenkunde [4]

E.A.Karl Stockmeyer, een leerkracht die bij de voordrachten (GA 293, 294 en 295) aanwezig was en later zijn notities gebundeld heeft in ‘Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschulen’: 
‘Deze opsomming (hierboven 1 – 8) stond toen ook op het bord, voor zover ik mij kan herinneren. In het leerplan dat Caroline von Heydebrand heeft samengesteld is deze niet opgenomen, vandaar dat deze aan veel leerkrachten niet bekend is en nu zou men kunnen denken dat de lijst van de vertelstof alleen maar een opsomming is zonder dat deze op de klassen betrekking heeft. Ik twijfel er niet aan, dat de opsomming van de 8 zo exact gegeven thema’s op de 8 toen bestaande klassen slaat.’ [5]

von Heydebrand:[6]
1e klas:
De bonte beelden van de sprookjes die het voorstellingsvermogen van de kinderen stimuleren en in kunstzinnig gevormde beelden de diepste geheimen van de mensheid bevatten, maar ook de zichtbare uiterlijk-realistische werkelijkheid, vormt de vertelstof van deze klas.
2e klas:
Bij het vertellen en navertellen zoekt men de overgang van het sprookje naar de fabel en dierenverhalen. Het kind is op deze leeftijd nog zo met zijn omgeving verbonden, dat het de dieren het beste begrijpt, wanneer deze als mensen optreden. Dat nu zit in de fabel. Legenden brengen harmonie voor wat aan het dier beleefd is, wanneer het kind door de legenden hoort hoe de mens naar volmaaktheid streeft. Deze zijn daardoor een noodzakelijke aanvulling op de dierenfabel en het dierenverhaal.
In de passages uit Steiners voordrachten hierboven wordt (nog) niet gesproken over ‘legenden’.
Ik heb het altijd als een evenwichtige afwisseling ervaren: de ondeugden van de dieren tegenover de deugden van de heiligen.

Die afwisseling is belangrijk en mag volgens mij niet zo gehanteerd worden als ik weleens heb gezien, in een ‘periode’ fabels vertellen (gedurende  (een paar ) weken, en dan weer veel legenden). Om en om, lijkt mij.
3e klas
De stof voor het vertellen en navertellen wordt in dit schooljaar geboden door de verhalen  uit het oude testament, de eerste wereld- en cultuurgeschiedenis voor het kind.
4e klas
Vertelstof en leesstof voor deze klas worden o.a. geboden door de sagen van de Germaanse mythologie en heldentijd.
5e klas
De sagen van de klassieke oudheid bieden stof voor het vertellen en lezen.
(Omdat er in deze klas ook geschiedenis over o.a. de Grieken wordt gegeven, is het raadzaam tijdens de geschiedenisperiode niet ook nog eens Griekse mythologie te vertellen -aan het einde van het  hoofdonderwijs – maar dit te combineren. (Je kunt ook teveel vertellen!)
6e klas
Lees – en vertelstof kunnen o.a. uit de volkerenkunde worden gehaald.
(bij Steiner zijn het ‘episoden ‘uit de nieuwere geschiedenis’. In de praktijk van alledag betekende dit vooral: Romeinse mythologie, overgaand in verhalen over historische figuren en gebeurtenissen.
klas 7
Lees- en vertelstof wordt geboden door volken- en rassenkunde.
Hoewel Steiner hier alleen zegt ‘verhalen over volkeren’ , heeft von Heydebrand daaraan toegevoegd: ‘rassenkunde’.
klas 8
Hier noemt von Heydebrand niet concreet  vertelstof, maar ‘uitgezochte stukken als lees- en bespreekstof’ uit o.a. werken van Goethe, Herder en Schiller.
Het geven van ‘rassenkunde’ heeft op een bepaald ogenblik geleid tot nog al wat commotie. Wie het periodenschrift dat aanleiding was tot deze commotie bekijkt, vindt daarin ‘antroposofie’ en Steiner is altijd duidelijk geweest over ‘antroposofie in het vrijeschoolonderwijs‘ o.a.:

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE 
‘We willen hier in de vrijeschool geen wereldbeschouwelijk onderwijs geven. De vrijeschool moet geen school zijn waarin een bepaalde wereldbeschouwelijke overtuiging geleerd wordt, waarin we de kinderen met antroposofische dogma’s volproppen. We zullen in onze lessen geen antroposofische dogma’s onderwijzen. Antroposofie is geen lesinhoud – we streven ernaar de antroposofie in de praktijk te brengen. We zullen de inzichten die de antroposofie ons schenkt, omzetten in werkelijke lespraktijk.

Het zal niet zozeer aankomen op de theoretische achtergrond van de antroposofie, als wel op het praktische hanteren  van wat uit de antroposofie in de pedagogie in het algemeen en in de methodische aanpak in het bijzonder kan worden. Het gaat erom hoe de antroposofie in het onderwijs in praktijk gebracht kan worden. ‘

Bij Stockmeyer wordt noch in de 7e, noch in de 8e gesproken over ‘rassenkunde’.
Wanneer Steiner in de lerarenvergaderingen van 1919 tot 1924 steeds weer nieuwe aanwijzingen voor het onderwijs in de verschillende klassen geeft, is er nergens sprake van ‘rassenkunde’, dus ook niet in klas 6 en 7.

Toen ik destijds de opleidingscursus tot vrijeschoolleerkracht volgde was ‘rassenkunde’ geen onderwerp, geen inhoud van dit opleidingsprogramma; ik heb dan ook nooit iets met ‘rassenkunde’ te maken gehad.

De vertelstof van klas 7 bestond bij mij voornamelijk uit verhalen van ontdekkingsreizigers en hun contacten met de tot dan toe onbekende volkeren.
De bekende vrijeschoolleerkracht Hans Rudolf Niederhäuser stelde een verhalenbundel samen: ‘Fremde Länder,  Fremde Völker’, maar daarin is niets te vinden van een ‘rassenkunde’. Wel verhalen uit de verhalencultuur van Eskimo’s; rendiernomaden; Japanners, Arabieren, negerstammen in Afrika; Indianenstammen in Noord-Amerika; Inca’s en Russen.[7]

 

Op deze site vind je veel meer over de vertelstof; vooral mooie illustraties voor bv. een bordtekening.

[1] GA 294 Opvoedkunst – methodisch-didactische aanwijzingen, blz.20
[2] idem, blz. 144
[3] GA 311, blz. 60
[4] GA 295  Praktijk van het lesgeven – werkbesprekingen met leraren, blz 17, 18, 19
[5] E.A.Karl Stockmeyer Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschulen, 1965, blz. 55,56
[6] Caroline von Heydebrand Vom Lehrplan der freien Waldorfschule, 1965
[7] H.R. Niederhäuser Fremde Länder, Fremde Völker

Advertenties

6 Reacties op “VRIJESCHOOL – Steiner over vertellen

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – GA 309 – vragenbeantwoording (3) | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 309 – voordracht 4 | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  4. Pingback: VRIJESCHOOL – VERTELLEN – Klas 2 (groep 4) | VRIJESCHOOL

  5. Pingback: VRIJESCHOOL – VERTELSTOF -Alle artikelen | VRIJESCHOOL

  6. Pingback: VRIJESCHOOL – RUDOLF STEINER – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s