Categorie archief: plantkunde

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.
Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

.
VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 1750 artikelen

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
via de blog van Madelief Weideveld

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

 

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

 

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

Advertenties

VRIJESCHOOL – Plantkunde – bomen

.

 

De inhoud van onderstaand artikel is over het algemeen geen leerstof voor de kinderen.
De leerkracht echter, die wél een aantal bomen behandelt, kan er zijn (in)zicht mee verruimen, al naar gelang of deze materie haar/hem aanspreekt.

Eldert Outmans, Jonas 22, 21-06-1985

 

Bomen, planeten, metalen
.

Een ‘kosmische kijk’ in de strijd tegen de bossterfte

Iedere boom staat onder invloed van een planeet. Het zaaien van boomzaden onder bepaalde planeetconstellaties levert sterkere bomen op dan wanneer hier geen rekening mee wordt gehouden. De aantasting van de bossen door de zure regen zou hiermee een halt kunnen worden toegeroepen.

Een ‘kosmische kijk’ waarin brede verbanden zichtbaar worden gemaakt.

Een ieder die wel eens een boom heeft geplant heeft daarbij ervaren dat dit een fundamenteel ander gebeuren is dan het uitplanten van een eenjarig gewas, zoals prei. Die prei staat hooguit een jaar te velde en wordt dan geoogst. Bij het planten van een boom denken we vooreerst aan de toekomst: zal hij over dertig, veertig jaar nog voldoende ruimte om zich heen hebben? Net als een mensenkind heeft hij aanvankelijk steun nodig. Zo lang de wortels nog niet voldoende zijn uitgegroeid dienen we hem te beschermen tegen storm en wind. Daartoe slaan we in het plantgat een paal waaraan de boom met een band wordt bevestigd.

Een boom is iets, en misschien zouden we kunnen zeggen is iemand. Vooral bij oudere bomen kunnen we een overeenkomstig gevoel hebben als bij mensen waarmee we ons verbonden voelen. Vroeger was het hier en daar de gewoonte om bij de geboorte van een kind de placenta te begraven en er een boom bovenop te planten. Ouders en verwanten legden zodoende een sterke relatie tussen het opgroeiende mensenkind en zijn of haar boom.

Zoals wij enerzijds vreugde kunnen beleven aan de aanblik van een boom die zich manifesteert met een uitbundig gebladerte, zo droef kunnen wij gestemd worden wanneer we zien dat een boom wordt geveld. Zo was ik eens getuige van het rooien van een prachtig bloeiende boomgaard die plaats moest maken voor woningbouw. Een voor een werden de bomen met een soort rijdende hijskraan met wortel en al uit de grond getrokken. Ze hingen dan als reusachtige boeketten in de takels waarna ze werden weggereden om in een vuurzee te worden verbrand, een schouwspel dat me door merg en been ging. Die verbondenheid met bomen kunnen we niet alleen met ons gevoel benaderen, ook ons denken kan deel hebben aan dit proces wanneer we ons uiteenzetten met de wetmatigheden waarin de bomen ‘hun wortels’ hebben.

Vanuit de oudheid zijn ons allerlei verbanden overgeleverd tussen bomen, weekdagen, planeten, metalen en mensen. Hier zal ik later in het artikel op terugkomen, maar eerst zullen we de strijd tussen geloven en weten hebben uit te vechten. Met overlevering, geloven op gezag, blindelings aannemen hebben we in deze tijd ‘wetenschappelijk’ afgerekend. Alles wat beweerd wordt moet bewezen worden, moet voor iedereen zichtbaar zijn. Dat is een goede zaak. Maar het is aan de andere kant ook dom om iedere overgeleverde waarde a priori bij het grof vuil te zetten. Vele zaken die uit de oudheid tot ons zijn gekomen en waarvoor we aanvankelijk geen verklaring hadden, blijken bij nader onderzoek de toets van wetenschappelijkheid te kunnen doorstaan.

Bomen en planeten

In de oudheid werden bepaalde bomen gezien als staande onder invloed van specifieke planeten. Onder planeten dienen we dan te verstaan de hemellichamen die we met het blote oog zien bewegen tegen het tapijt van vaste sterren, dus de eigenlijke vijf oude planeten (mercurius, venus, mars, jupiter, saturnus) maar ook de zon en de maan. Volgens overlevering is elk van deze planeten gerelateerd aan een bepaalde boomsoort:

es                                                                         zon

kers                                                                     maan

eik                                                                       mars

iep                                                                       mercurius

esdoorn                                                              jupiter

berk                                                                   venus

beuk                                                                  saturnus

Zoals bekend worden de bossen tegenwoordig bedreigd door de zure regen afkomstig van industrie, autouitlaatgassen en intensieve veehouderij. Al deze oorzaken te zamen zijn in de grond van de zaak een expressie van de hebzucht van de mens die terwille van zijn begeerte naar comfort de ecologie geweld aandoet. Door ons te omringen met allerhande artikelen die we grotendeels niet echt nodig hebben, oefenen wij een zuigkracht uit op de industrie die in grote mate verantwoordelijk moet worden gesteld voor de lucht- en watervervuiling. En voor de stervende bossen, waarvan wij mensen zodoende de veroorzakers zijn.

Nu kunnen en moeten wij aan de ene kant die vervuiling terugdringen door het beperken van onze behoeften en het hanteren van milieuvriendelijke productieprocessen. Aan de andere kant, en daar gaat het hier om, kunnen we het sterven van de bossen een halt toeroepen door in opgekweekte bomen vanaf het ontkiemen krachten in te bouwen waardoor ze meer weerstand hebben tegen bovengenoemde invloeden. Het is vooral Georg W. Schmidt [1] (antroposoof, landbouwer en natuuronderzoeker) die op dit gebied baanbrekend werk heeft verricht. Door boomzaden onder verschillende planeetconstellaties te zaaien kwam hij tot de ontdekking dat boompjes ontstaan uit zaad dat aan de aarde was toevertrouwd op het moment dat de maan in oppositie staat met de planeet die bij de desbetreffende boom hoort, groter in aantal en sterker waren dan met de maan in conjunctie met die planeet. Bijvoorbeeld zaailingen van de esdoorn die zijn uitgezaaid tijdens maan/opposit jupiter zijn krachtiger dan die tijdens maan/conjunct jupiter. Door dit principe in zijn proefbos te hanteren kreeg hij niet alleen gezondere bomen, ook de ecologie bleek te verbeteren. Zo kwamen de mieren die waren verdwenen, terug. Omgekeerd is het nu zo dat de proeven van Schmidt als een bewijs kunnen gelden voor het bestaan van de relatie van bovengenoemde bomen met de hun toegedichte planeten.

Planeten en weekdagen

Dat de dagen van de week elk een bepaalde kwaliteit hebben en stuk voor stuk gerelateerd zijn aan een van de zeven planeten, daarvan was men zich in oude tijden welbewust. Dit komt tot uitdrukking in de naamgeving waarin we in verschillende talen duidelijk het verband tussen planeten en weekdagen kunnen terugvinden:

maandag                                                            maan

dinsdag,                                                             mardi (Frans) mars

woensdag,                                                         mercredi (Frans) mercurius

donderdag,                                                       jeudi (Frans) jupiter

vrijdag,                                                              vendredi (Frans) venus

zaterdag                                                           saturnus

zondag                                                               zon

Om een en ander wat te concretiseren heb ik de desbetreffende bomen in een kring in mijn tuin geplant (zie tekening) en wel zodanig dat de es (de zonneboom) staat op de noord-zuidlijn van het middelpunt naar het zuiden. Uiteraard zou ik zeggen, want in het zuiden heeft de zon z’n hoogste stand. Vervolgens staan op gelijke afstanden langs de cirkel vanuit het middelpunt gezien rechts-omgaande, de kers, de eik, de iep, de esdoorn, de berk, de beuk. Elke boom is gerelateerd aan een bepaalde weekdag, met andere woorden gaande van boom tot boom doorlopen we de dagen van de week zoals de wijzers van de klok de uren door lopen. Bovengenoemde noord-zuidlijn verdeelt de bo-.mencirkel in twee gelijke delen waarbij de overliggende bomen in verschillende opzichten eikaars tegenbeeld blijken te zijn (kers— beuk, eik-berk, iep-esdoorn). Maar dit geldt niet alleen voor de bomen, deze polariteiten vinden we ook terug bij de planeten en de metalen, zoals hieronder nader wordt uitgewerkt.

Planeten en metalen

Oude overleveringen spreken van een verband tussen goud en de zon, zilver en de maan, ijzer en mars, enzovoort. Alle planeten hebben als het ware hun aardse tegenhanger in de vorm van metalen. Langs de weg van de gewone ons ten dienste staande onderzoekmethoden kunnen we deze verbanden niet aantonen. Een klomp goud zal niet in beweging worden gebracht onder invloed van de zon. Maar wanneer dat goud ‘beweeglijk’ wordt gemaakt door het in de vorm van een metaalzout (bijvoorbeeld goudchloride) op te lossen, en deze vloeistof te laten opstijgen in filtreerpapier, blijkt het zo ontstane stijgbeeld bij verschillende zonnestanden ook verschillende beelden op het filtreerpapier te vertonen.
Heel duidelijk wordt dit wanneer vóór, tijdens en na een zonsverduistering deze proeven worden genomen. Het middelste stijgbeeld is volkomen verschillend van de andere twee. Om misverstanden te voorkomen: deze proeven worden niet genomen onder invloed van de uiterlijke zon, maar binnenshuis. Het was vooral mevrouw L. Kolisko die haar leven lang onderzoek heeft gedaan op dit gebied. Zij heeft onschatbaar bewijsmateriaal vergaard betreffende de samenhang tussen planeten en metalen. Ze heeft daarmee de realiteit van de oude overleveringen aangetoond.

Intellectueel gesproken waren het vooral de voordrachten van Fritz Julius [2](Bomen en planeten) en Leen Mees [3] (Levende metalen) die veel hebben bijgedragen tot onderstaande beschouwingen. In religieuze zin zijn dat de Baumwochensprüche van Johannes Hemleben [4], voortkomend in Symbole der Schöpfung. Die boomspreuken spinnen onzichtbare draden tussen bovenstaande gebieden en de kern van ons wezen. Ze wekken ons op om ons bezig te houden met spirituele inhouden. Laten we een en ander wat nader bekijken. Uiteraard kunnen in dit korte bestek slechts enkele gezichtspunten worden behandeld. Het wordt een boeiend spel wanneer de lezer via z’n eigen waarnemingen en denken nieuwe visies kan toevoegen.

Wanneer we ons het beeld voor ogen stellen van de in de meimaand bloeiende kersenboom, dan laat dit de indruk na van leven, van uitbundig leven en licht. Dit wordt in extenso beleefd bij de aanblik van een kersenboomgaard. Voordat de bladeren zich ontplooien verschijnt de bloesem, wit en transparant. Rond die bloesem dartelen duizenden insecten die daarmee het element ‘leven’ onderstrepen.
Als we het beeld van een bloeiende kersenboomgaard laten overgaan in dat van een beukenbos, dan krijgen we een gevoel van somberheid, van verstarring en dood. Onder de beukenbomen groeit vrijwel niets. Een beukenboom is een hoogst asociaal schepsel, wat we bij het uitbotten kunnen waarnemen: terwijl sommige exemplaren al groene bladeren krijgen, zijn anderen nog in pure wintertooi. Ook per boom is dat verschil waar te nemen: hier en daar een tak met jong gebladerte, terwijl andere takken er nog niet over denken hun bladeren te ontvouwen. Ja, de beuk is een heel eigenzinnige boom! Als we met één woord het karakter van de beuk zouden willen uitdrukken, dan komt ons allereerst het woord ‘ernst’ in gedachte. Ernstig en majestueus staat hij daar, de beuk, zelfs een beetje ongenaakbaar. De kers daarentegen komt ons (en de vogels) tegemoet met z’n sappige vruchten.

Wanneer we de planeten saturnus en maan tegenover elkaar stellen, dan valt vooreerst op dat satumus – in het Grieks chronos, de god van de tijd – te maken heeft met het verstarde verleden, terwijl de beweeglijke maan vernieuwingsprocessen begeleidt, bijvoorbeeld het kiemen van zaden, zoals bij de boer vroeger bekend was, vroeger, toen de boer nog geen agrariër was. De invloed van de maan op de plantengroei is door Maria Thun duizendvoudig bewezen. Het resultaat van haar experimenten is de basis van haar zaaikalender die van uur tot uur de beste zaaitijd geeft voor de verschillende soorten gewassen. Zoals bekend, wordt ook de eb- en vloedbeweging veroorzaakt door de maan.

Lood is een zwaar metaal, ‘loodzwaar’. Lood is een giftige substantie. Het ziektebeeld van iemand die op een of andere wijze lood in z’n bloed heeft opgenomen wijst op afname van vitaliteit wat onder meer tot uitdrukking komt in een vale gelaatskleur. Lood wordt (of werd) gebruikt voor letters in de drukkerij. De zetters moeten veel melk drinken om de giftige werking van lood te neutraliseren. Melk is een substantie die vervuld is van levenskrachten, dezelfde krachten die onder invloed van de maan onze gewassen doen kiemen en groeien.

Zo giftig als lood is, zo ongiftig is zilver, vandaar dat zilver onder meer toepassing vindt in de chirurgie voor pennen bij botbreuken. Geven we iemand gepotentieerd zilver dan wordt hij high, z’n bewustzijn wordt doezelig en hij gaat fantaseren, het tegenbeeld van de invloed van lood op het menselijk lichaam, die wijst in de richting van snelle veroudering, van verstarring. Zo is een gedrukt artikel (loodproces) het eindprodukt van een levendige gedachtenstroom (zilver-proces) die hierin verstart.
Zilver heeft te maken met beelden, denk aan spiegelbeeld, een niet reëel beeld dat we via de spiegel opvangen. Let wel: een spiegel is een glazen plaat met een zilverlaag. Zilver is het belangrijkste medium in de fotografie en heeft dus alles te maken met beeldvorming.

Nergens zijn de tegenstellingen tussen linker- en rechterzijde van de bomencirkel zo duidelijk als hier: de tere berk heeft iets lieflijks, zijn twijgen worden door de wind heen en weer bewogen, hij wortelt ondiep. De stoere eik wortelt diep, trotseert wind en storm, hij straalt kracht uit. Berk en eik, representanten van de beide seksen, respectievelijk vrouw en man. (Het is in deze tijd, waarin vrouwen het mannelijke principe sterk in zich willen ontwikkelen, gevaarlijk om deze tegenstelling te benadrukken, even gevaarlijk als het is deze tegenstelling, die voor ieder duidelijk zichtbaar aanwezig is, te ontkennen.) In de medische handboeken worden de planeettekens van venus (♀) en mars (♂) gehanteerd wanneer wordt geduid op vrouwelijke, respectievelijk mannelijke organen. Venus is de godin van de liefde, mars is de oorlogsgod; ook hier de polariteit vrouw-man.

De metalen koper en ijzer passen in dit beeld. Het koper wordt daar gebruikt waar soepelheid vereist is, zoals het binnenste van een kraan waarin twee koperen delen min of meer elastisch op elkaar sluiten. Souplesse, een vrouwelijke eigenschap waarvan in de bikkelharde zakenwereld veelal handig ge(mis)bruik wordt gemaakt (directiesecretaresse bijvoorbeeld). In allerlei communicatieve beroepen functioneren vrouwen doorgaans beter dan mannen (telefoniste, receptioniste, kleuterjuf, ziekenverzorgster). Gaan we na waar ijzer wordt gebruikt, dan zien we ras dat dat daar is waar kracht wordt vereist: voor bruggen, kanonnen, rails, hijskranen, gewapend beton, enzovoorts. Het is een opmerkelijk feit dat de man iets meer ijzer in zijn bloed heeft dan de vrouw, terwijl de laatste iets meer koper in haar bloed heeft dan de man. Bij de zwangere vrouw is de hoeveelheid koper het drievoudige van normaal, ze is dan extreem vrouwelijk.

De vrij stugge bladeren en bladstelen van de esdoorn zijn op een harmonische wijze gegroepeerd aan de takken. Zo niet bij de iep. Bij deze laatste doet het gebladerte wat rommelig aan, het is een speelbal voor de wind. Als polariteit komt hier naar voren de rust van de esdoorn tegenover de beweeglijkheid van de iep. Deze laatste is vervuld van uitbundige levenskracht en zodoende de snelste groeier van alle bomen van de kring.
De planeten jupiter en mercurius ontlenen hun naam aan de overeenkomstige Griekse goden; Jupiter, de God van de wijsheid, een toonbeeld van zelfverzekerde rust. Mercurius is daar de God van de handel en van de dieven. Maar ook van de geneeskunde. Allemaal activiteiten waarvoor een grote beweeglijkheid is vereist.

Als we de metalen kwik en tin onder de loep nemen, dan valt vooreerst op dat de eerste als enige vloeibaar is bij kamertemperatuur. Als we een kwikdruppel op een bord laten vallen, spat het uiteen in duizende kleine druppeltjes, die even later weer samenklonteren. We zouden kunnen zeggen dat kwik het element beweging kreeg ingebouwd. Kwik vindt toepassing in allerlei meetinstrumenten (bijvoorbeeld de thermometer) waarbij op een schaalverdeling fasen van een beweeglijk proces worden afgelezen. Tin daarentegen heeft de functie van versteviging, het wordt als het ware gebruikt als skelet voor zachtere metalen, zo is brons (een alliage van koper en tin) vele malen sterker dan puur koper.

Zoals uit de tekening blijkt heeft de es geen overbuurman in de bomenkring. Evenals de leeuw de koning der dieren is, zo zou je kunnen zeggen dat de es de koning der bomen is, hoogopgroeiend met takken die twee aan twee tegenover elkaar aan de stam ontspringen en daarmee de kruisvorm tot uitdrukking brengen.
Met recht kunnen we zeggen dat de zon de koning onder de planeten is, hij is het centrum van ons planetenstelsel waar licht en warmte aan ontspringt. Licht en warmte, twee hoedanigheden die onmisbaar zijn voor al het leven op aarde.

Het goud, dat tot exponent van hebzucht is geworden, wordt thans in zwaar bewaakte bunkers opgeslagen, waar het aan het oog is onttrokken. Hoe anders dan in vroegere tijden toen goud werd gezien als een heilig metaal dat onder meer door een ingewijde koning werd gebruikt om naar te kijken bij z’n meditatie over staatsaangelegenheden. Het edele goud had zodoende de werking van een katalisator. Goud heeft heel bijzondere kwaliteiten: bladgoud kan worden geplet tot een dikte van een tienduizendste millimeter. Het is dan, wanneer we het tegen het licht houden, nagenoeg transparant en vertoont een prachtige groene kleur. Een oplossing van 1 op 100.000.000 colloidaal goud in water heeft een onwaarschijnlijk mooie purperkleur. Eens was ik in de Karlstein, de burcht bij Praag waar keizer Karei IV (1316 – 1378) destijds resideerde. Deze burcht is nu museum, en, zoals dat in een museum tegenwoordig toegaat: kinderen lopen er schreeuwend en joelend doorheen. Maar merkwaardigerwijs, wanneer ze dan boven komen in de kapel waar vroeger alleen de priester en de keizer (blootsvoets) toegang hadden, dan worden zelfs die lawaaimakers heel stil, er wordt daar niet gepraat, hoogstens gefluisterd. Waardoor? Door de werking van het goud! Alle wanden zijn belegd met bladgoud, de ramen zijn azuurblauw. Al met al zó indrukwekkend dat zelfs kinderen die a-religieus zijn opgevoed, zoals dat in Tsjecho-Slowakije veelal het geval is, hier bij wijze van spreken ‘door de knieën gaan’. Goud kunnen we bestempelen als de koning onder de metalen. Es, zon en goud, ieder op zijn terrein de expressie van het edele, reine, verhevene. Onder de dagen van de week neemt de zondag een bijzondere plaats in, we zouden kunnen zeggen dat hij de koning is onder de weekdagen, de dag waarop de mens zich althans vroeger, bezig hield met het religieuze leven, met deelname aan kerkdiensten en mis.

.

[1] Schmidt: Die Methode der Pflanzenregeneration

[2] Julius: Bomen en planeten

[3] Mees: Levende metalen

[4] Hemleben: Boomspreuken

Verschillende bomen in het leesboek van de plantkunde 

Plantkunde: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Plantkunde – plantendelen – vrucht olijf

.

Olijfolie is geen onbekende meer in de Nederlandse keuken. Dat is peper b.v. oook niet, maar dat is al eeuwen geleden naar ons land gehaald. De olijfolie is in dit opzicht nog ‘jong’, nog maar een jaar of dertig geleden aan zijn opmars begonnen.

Enkele wetenswaardigheden.

Uit het Brabants Dagblad, 12-05-2001 en 24-12-2003

Olijfolie verovert Boterland

In de schappen van de supermarkt werd dus zo’n twintig jaar geleden meer plaats ingeruimd voor olijfolie. Puur in de fles, of als basis in mayonaises, kuipjes boter en bakjes salade. 

Nog tien jaar eerder was in de helft van de Nederlandse keukenkastjes een fles olijfolie te vinden. 
De Europese Unie voerde in 1992 promotiecampagnes. 
Uit onderzoek bleek ‘olijfolie lekker en gezond’.

Er vond een ‘Zevenlandenonderzoek’ plaats naar de lange termijneffecten van voeding op gezondheid:
Kreta spande de kroon. Er kwamen op het Griekse eiland nauwelijks hart- en vaatziekten voor. Een mediterraan dieet met groenten, rauwkost, vis en onverzadigde vetten vormt de basis voor gezondheid. Bij de vetten speelt olijfolie de hoofdrol. Daartegen kan geen enkele andere olie op: geen zonnebloemolie, maïsolie, sojaolie of koolzaadolie komt in de buurt wat betreft het gehalte onverzadigde vetzuren.
Onverzadigde vetzuren zijn goed voor de gezondheid, want ze zorgen voor een stijging van de hoeveelheid ‘goede’ cholesterol in het bloed en een daling van de hoeveelheid ‘slechte’ cholesterol. Olijfolie heeft een prima vetbalans: gemiddeld 77% enkelvoudig onverzadigde vetzuren, 9 % meervoudig onverzadigd en slechts 14 % verzadigde vetten.

De dichter Homerus noemde olijfolie ‘vloeibaar goud’.

voorbeeld tegen tijdens hun vakantie in Spanje en denken dat je er diarree van krijgt.

Als je ergens last van krijgt, is dat van het water uit de kraan en ijsblokjes. Verder hebben mensen vaak moeite met het etiket. Wat is vierge of wat is milde olijfolie? Dat soort vragen krijgen wij. Men weet niet datje olijfolie ook in zoete gerechten kunt gebruiken, r Eigenlijk kun je al het vet vervangen door olie, behalve als je boter hebt die stijf moet worden.”

Het eeuwige leven van de olijfboom

De olijfboom hoort al duizenden jaren bij het mediterrane landschap. Langs de kustlijnen van de Middellandse Zee floreert hij. Een kwestie van gunstig klimaa en vruchtbare bodem. Driekwart van de wereldproduc tie komt uit dit gebied. De grootste producent is Bertolli, in 1870 begonnen met een winkeltje in hartje Toscane.• Olijfbomen komen net als wijnstokken van oorsprong uit het Midden-Oosten (Perzië, Mesopotamië) waar ze in het wild groeiden. Wie of waar voor het eerst begonnen werd met het conserveren en persen van olijven is onbekend. Wel breidde de teelt zich rond het begin van onze jaartelling uit over het hele oostelijk Middellandse Zee gebied. Via Griekenland kwam de olijf in Italië terecht en de Romeinen verbreidden de teelt op hun beurt naar Spanje. Zo’n 150 jaar geleden namen Spaanse Franciscaner monniken olijfbomen mee naar Californië.

Alle omstandigheden zijn van invloed op de kwaliteit van een olijf. Van snoei tot weer en van aarde tot pluk, alles draagt bij of doet afbreuk aan aroma en smaak. Vandaar dat olijfolie per merk net als wijn van jaar tot jaar verschilt.

• Er zijn zeker vijftig verschillende olijvenrassen met allemaal eigen karakteristieken. Vaak zijn bepaalde soorten olijven specifiek voor een gebied. De EU heeft 59 regio’s een beschermde status gegeven, zoals de Sierre de Segura (Spanje) en Riviera Ligure (Italië). Dat staat garant voor continuïteit. De oliën smaken en ruiken allemaal anders, die je in een speciaalzaak kunt uitproberen.
Typisch voor Spanje, met rond de 1.000.000 ton het grootste olijf-olieproducerende land, zijn bijvoorbeeld de hojiblanca, de picual, picudo, arbequina en verdial. Specifiek Italiaanse rassen zijn de frantoio, leccino,

coratina en ogliarola. Frankrijk teelt vooral aglandau-olijven en Griekenland kent zijn eigen koroneiki en kalamata-olijven.

Olijfbomen kunnen heel oud worden. Wel tweehonderd jaar. Ze lijken het eeuwig leven te hebben, want uit de oude stam komt spontaan een nieuwe scheut omhoog.

Olijven zijn wintervruchten. De groene olijf wordt in september en oktober geoogst, de zwarte van november tot februari. Olijven kunnen tegen vorst zolang de temperatuur niet verder zakt dan -10 graden.

Vierge of extra vierge?

Een olijfolie mag niet zomaar ‘vierge’ (fijn, zuiver) of ‘extra vierge’ heten. De Europese Unie heeft er in 1991 strenge regels voor opgesteld. Die draaien vooral om een ‘organoleptische’ puntenwaardering. Deze puntentelling is uitgedokterd op grond van geur, smaak en hoe een olie aanvoelt in de mond.

• Extra vierge, de fijnste olijfolie, moet een 6,5 scoren. Het gehalte aan vrije vetzuren is maximaal 1 gram per honderd gram.
• Vierge, dient minstens een 5,5 te halen. Voor de zuurte is 2 gram de limiet.
• De gewone classico of milde olijfolie komt voort uit het mengen van geraffineerde olijfoliën met olijfoliën onder de 5,5. De zuurtegraad is niet meer dan 1,5 gram per honderd gram.
• Aan de kleur of herkomst van olijfolie is niets af te leiden over de smaak of kwaliteit. De smaak kan alleen bepaald worden door te proeven. Dat olijfolie van de eerste persing (Extra Vergine) altijd beter (of gezonder) is dan andere persingen is evenmin een vaststaand feit. Wel zijn de eerste persingen doorgaans duurder.

Olijven en persingen

• Voor de productie van 1 liter olijfolie zijn 5 kilo olijven nodig.

• Een rijpe olijf bevat 15 tot 35 procent olie.

De rest van de vrucht bestaat uit pit, vruchtvlees en water.

• Olijven worden hydraulisch geperst of elektrisch gemalen. Vroeger kende men een ‘eerste koude persing’, waarna kokend water op de persplaten werd gegooid en nog eens geperst. Verhitting is er nu niet meer bij. Eén persing is genoeg om alle sappen te winnen.

• Als een soort antieke kwaliteitsaanduiding staat soms ‘eerste koude persing’ op de etiketten. Eigenlijk is dat flauwekul.

• Kleurverschillen van de olie – van lichtgeel tot donkergroen – zeggen niets over de kwaliteit.

.

meer over olijfolie

over de olijfboom

5e klas plantkunde: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vlinders in de klas

.

Vlinders fascineren de mensheid sinds eeuwen, zoals oude Egyptische voorstellingen bewijzen en nog steeds behoren ze bij onze leefwereld, vooral voor die van de kinderen en de jeugd. Op veel scholen en kleuterscholen worden er rupsen gevoerd, tot ze als vlinder tevoorschijn komen en vrijgelaten worden.

Je met iets vertrouwd maken, het veelsoortige ontdekken in wat je al kent, waarmee je vertrouwd bent steeds weer bewonderen, ook zoeken naar samenhangen: dat zijn een paar motieven die mij*, naast het zo diepzinnige beeld van de metamorfose van de ziel, gemotiveerd hebben, beginnend in mijn eerste klas, gedurende mijn klassenleraarschap de wereld van rupsen en vlinders te ontdekken. Het omgaan met de rupsen in een klas kun je met een paar eenvoudige maatregelen organiseren: de kinderen en ik nemen alleen de rupsen mee die op een plant zitten die ze eten – de waardplant – of de rupsen die ik intussen ken. Ik ben verantwoordelijk, dus ik moet beslissen, wat ik goed kan behartigen en zelf onderzoeken. Omdat je in het schoolleven van alledag de weekenden heb en in mei de vrije dagen, moet ik inschatten hoeveel werk er nog bijkomt en in noodgevallen alleen aankan, zodat de rupsen ook in deze tijd verzorgd worden.

Hoe kom je aan rupsen? Het mooiste is, als je ze vindt. Veel bekende en mooie vlinders komen op veel plaatsen naar de brandnetels, zoals

de kleine vos,

bron

de dagpauwoog,

bron

het landkaartje, 

bron

de gehakkelede aurelia

bron

 

de atalanta

bron

Nu moet je een blik ontwikkelen voor waar je ze kan vinden: jaargetijde, landschap. Dat kunnen de kinderen heel snel. Op wandelingen neem ik glazen potjes mee met een metalen schroefdeksel.
Als ‘stal’ gebruik ik grote inmaakpotten die ik met gaas afsluit. In de tussentijd hebben we in onze school de kweekkastjes van Ento-Meier aangeschaft. Op internet vind je bovendien nog van alles ter stimulering of eenvoudige bouwwijzen van kasten. In een vaas met een lange hals of een glas met schroefdeksel en gaatjes erin kun je het voedsel rechtop zetten, zodat de rups niet in het water valt en verdrinkt. Je moet het rupsenverblijf schoonhouden en de bewoners hebben telkens vers voedsel nodig. Als de rupsen zich verpopt hebben, kan je het voedsel weghalen en het verblijf schoonmaken. Sommige jaren heb ik de poppen eruit genomen en in de klas opgehangen.

Het verpoppen en uitkomen is zo mooi en indrukwekkend, dat ik daarover niets wil schrijven. Veel mooier is het dat deze of gene zelf eerbiedig naar de vlinders kijkt om het kleine wonder zelf mee te beleven.

In mijn klas kwamen tot nog toe dagpauwogen, nachtpauwogen, kleine vossen, uiltjes, spinners, bonte beren, atalanta’s, motten,  landkaartjes, distelvlinders, aurelia’s en koninginnepages. Vaak hebben we poppen op school en thuis laten overwinteren. Dat zijn allemaal vlinders die nog niet ernstig bedreigd zijn. Dat de mens deze dieren beschermen kan, kan voor kinderen een grondhouding zijn voor een verantwoordelijk begrip voor het milieu en dat is tegenwoordig voor de vlinders wel op zijn plaats. Natuurlijk moet dat niet in de plaats komen van natuurbescherming en het in je eigen tuin zetten van voedsel- en nectarplanten.

Wat bij de ervaringen in de klas  ook steeds weer hoort is, dat rupsen of poppen aangetast kunnen zijn door parasieten. In de onderbouw kan je deze ervaringen goed begeleiden met zinvolle verhaaltjes of gesprekjes. Je moet jezelf ook voor ogen houden dat in een ecologisch evenwicht in de natuur er van de 100 eieren uiteindelijk maar een stuk of twee de metamorfose tot vlinder doormaken. In een ongerept leefmilieu dient dit het behoud van de eigen soort en in het licht van het ecologisch evenwicht ook het in stand houden van andere soorten. 

In de klas zijn de rupsen en hun vormverandering een groot, rustig verlopend avontuur: het zoeken en vinden, het dagelijkse verzorgen – en je moet niet onderschatten hoe alleen al het eten, rusten, groeien en verpoppen van de rupsen de kinderen dag voor dag boeit en dat het indruk maakt – de gesprekjes, het wachten, het waarnemen van elke kleine verandering en ieder teken dat op het uitkomen wijst, de schoonheid van de jonge vlinder die de kinderen, wanneer het zo ver is, voorzichtig in het licht houden en laten vliegen.

In de klas komen langzaam na elkaar de vlinders die overwinterden, zoals de landkaartjes, de dagpauwogen en op een morgen ook een koninginnepage tevoorschijn. Iedere keer als ze uitkomen wordt dat door de kinderen als een nieuw wonder beleefd en is aanleiding om aan het eind van de morgen naar buiten te gaan: wij brengen de vlinders voorzichtig naar de nabij gelegen natuur waar ze de nectarplanten en de waardplanten voor de rupsen kunnen vinden.

De koninginnepage laten we los in de schooltuin, waar we haar vorige zomer vonden. Zoals de mooie grote vlinder in de zon haar vleugels uitspreidt en uiteindelijk wegvliegt, zal ons allen nog lang heugen!

.
*Simona Grünhage, Erziehungskunst, juli/aug. 2018

.

Grohmann: vlinder en bloem

Vlinderstichting

.

1722

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde – vruchten (2)

.

Wilde vruchten in bossen en langs wegen

Aan het eind van de zomer rijpen de vruchten. Als we daar in de komende winter van willen genieten moeten we nu actief worden. Allerlei soorten sap en jam kunnen we maken. Een aantal suggesties.

Het is alweer bijna afgelopen. September, toch vaak nog zulk prachtig weer brengend, is de herfstmaand, de maand van Michael die ons al groot en ernstig staat op te wachten om de wintermaanden tegemoet te gaan. We moeten weer bij ons zelf terugkomen na een zomer van laat maar waaien en vakantie vieren.

Voor stadsmensen is dat moeilijker, buitenmensen hebben in juli al de weilanden gemaaid en het hooi opgeslagen en augustus-oogstmaand brengt zeker veel werk met zich mee. Het koren moet gebonden en op schoven gezet vóór het onweer losbarst. Wie de afscheidsgaven van de zomer niet op een landje heeft staan moet nu zoeken en verzamelen. Bramen, natuurlijk, en bosbessen, maar er zijn nog veel meer wilde vruchten waar we ons mee kunnen wapenen vóór de winter komt.

Ik noem er hier een aantal met wat suggesties voor de verwerking. Wat het zoeken en plukken betreft, een goede flora is wel belangrijk want er is veel giftigs tussen al dat rode en zwarte schoons.

Amerikaanse Vogelkers (Prunus Serotina).
In bossen. Rauw zijn de vruchten zoet maar bitter, gekookt zijn ze pas écht lekker. Bijvoorbeeld voor gelei.

Lijsterbes (Sorbus aucuparial).
In bossen en langs wegen. Niet rauw eten, niet écht giftig maar wel sterk laxerend. Voor gelei.

Meidoorn (Crataegus spec.).
Bossen, hagen en duinen. Vooral geschikt om samen met andere vruchten tot gelei verwerkt te worden. Pluk ze niet overrijp dan bevatten ze veel geleermiddel.

meidoornzie voor beschrijving

Mispel (Mespilus germanica).
In bossen en heggen, vooral in het zuiden van ons land, verder in tuinen. Rauw lekker als ze goed rijp zijn, gepoft als appels in de oven ook heerlijk.

Rozebottels (Rosa spec.).
In heggen en parken. Altijd goed de stugge borstelharen verwijderen, die kunnen veel irritatie veroorzaken. Aardige kinderen bewaren die haren graag om ze als jeukpoeder te gebruiken.

Van de vruchten kan, gedroogd, thee gezet worden. Ook voor limonadesiroop en gelei lekker.

Wilde Appel (Malus Sylvestris).
In bossen en langs wegen. Rauw niet lekker, gepoft met veel zoetigheid wel. Als geleermiddel in gelei heel waardevol.

Zwarte Vlier (Sambucus Nigra).
In bossen, heggen, duinen etc. Verwar nooit zwarte vlier met kruidvlier die giftig is. De eerste heeft houtige stengels en de tweede groene kruidachtige. Voor sap en gelei.

Beuk (Fagus Sylvatica L.).
In parken en bossen. Rauw zijn beukenootjes een klein beetje giftig, niet al te veel zo eten. Geroosterd zijn ze prima consumeerbaar, het meel kan tot brood gebakken worden, als je dóór blijft malen krijg je beukenootjespasta.

Hazelaar (Corylus avellana). In parken en bossen. Rauw lekker, geroosterd of in brood of taart heerlijk.

In de bibliotheek zijn nog wel boeken waar meer bekend en onbekend zoek- en vindbaar lekkers in staat. Een heel leuk en betaalbaar boekje vond ik Eetbare wilde vruchten, zaden en noten, door Erik en Marian de Graaf uit de serie Ecologische Alternatieven van de Kleine Aarde.

Voor wie bezwaar heeft tegen veel suiker en toch echte gelei wil is het leuk om te weten dat Agar-agar (Kanten) een goed bindmiddel is voor gelei. Gebruik dan potten met twist off-deksels en zet die na het vullen en dichtdraaien omgekeerd weg. Zo blijft het allemaal best goed tot het volgende jaar.

En dan nog voor wie op z’n speurtochten naar bovenstaande vruchten langs een verlaat korenveld loopt: probeer van de boer wat tarwe of haverstro los te krijgen. Want ook dat hoort bij deze tijd, vlechten met goudgeel stro. Er zijn natuurlijk heel ingewikkelde dingen te doen met stro maar het is ontspannend om er gewoon lange vlechten van te maken. Daar kun je dan verder mee werken. Maak er kransen van, en harten, sterren en zonnen en hang ze dan op boven de eettafel om dank te zeggen aan een zomer die misschien niet ideaal was maar toch weer goed voor ons heeft gezorgd.

illustraties van de schrijfster:

Nicole Karrèr, Jonas 1, 31-08-1984

.

 

Plantkunde: alle artikelen

.

1595

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Goethes fenomenologische methode

.

Waarnemen is niet eenvoudig. Je moet er je tijd voor nemen. Je wil wat opschrijven, vastleggen. Dat gaat in een klas niet zo makkelijk. Als je bezig bent, ben je meestal zo op je werk geconcentreerd dat het daarbij nog extra waarnemingen doen aan de kinderen, er vaak bij inschiet.
Toch zijn er dagelijks ook vele ogenblikjes waarin het wel kan. Je moet niet te veel willen. Neem bijv. Steiners aanwijzingen voor de temperamenten, die criteria “Stärke’ en ‘Erregbarkeit’: doet het kind iets intensief of oppervlakkig en is het druk of rustig. Neem een paar kinderen, volg die een aantal dagen extra – ook op het plein! Zo bouw je je eigen methode op en door over de kinderen te spreken met je collega’s die ze ook lesgeven, ontstaat er een groot beeld.

Een fenomenoligsche methode: aanvankelijk zonder oordeel.

Goethe was er heel sterk in:

        Goethes fenomenologische methode

‘ Gebaren, tendensen en werkingen ’

Bij het nauwkeurig waarnemen van planten in hun groei van kiemblad naar bloem, kan je vaststellen dat de vormen van de uitwendige organen van een plant zich na elkaar en veelal ook uit elkaar ontwikkelen. Deze ontwikkeling wordt door Goethe ‘metamorfose’ genoemd.

Bob Siepman van der Berg over het karakteristieke van de methode die Goethe toepaste: ‘In welk opzicht is Goethes aanpak ‘anders’?’

Op eenenveertigjarige leeftijd, na een periode van veertien jaar grondige bestudering van de plantenwereld, publiceerde Goethe zijn botanische hoofdwerk ‘Die Metamorphose der Pflanzen’.
In de Nederlandse vertaling daarvan werd een artikel van Rudolf Steiner opgenomen waarin het ontstaan en de ontwikkeling van de metamorfoseleer uitvoerig besproken wordt.
Ik wil daarom in dit artikel niet verder ingaan op allerlei historische achtergronden. Allereerst zal ik een aantal centrale gezichtspunten en resultaten uit ‘Die Metamorphosen der Pflanzen’ bespreken. Van daaruit kom ik tot de vraag: hoe is Goethe tot deze inzichten en resultaten gekomen? In het beantwoorden van deze vraag wil ik tenslotte iets zichtbaar maken van het bijzondere of karakteristieke van zijn methode.

Wanneer wij bloemendragende planten waarnemen, kunnen we daar verschillende uitwendige delen of organen aan onderscheiden, zoals kiem- en stengelbladeren, kelk- en kroonbladeren, meeldraden, stampers, vruchten en zaden. Wanneer wij ook nog een bepaalde plant gedurende het verloop van weken en maanden vervolgen in zijn groei, kunnen we er een indruk van krijgen hoe deze uitwendige onderdelen of organen van de plant overwegend na elkaar en veelal ook uit elkaar zich ontwikkelen. Goethe spreekt in zijn inleiding over een ‘geheime verwantschap’ van al deze uitwendige delen van de plant. Sommige planten, zoals bijvoorbeeld de pioenroos, vertonen deze verwantschap op een zeer sprekende wijze, zoals blijkt uit figuur 1.

De verschillende onderdelen van deze pioenroos heb ik geplukt en tussen wat krantenpapier gedroogd, waarna ik ze in een spiraal naast elkaar heb gelegd. Het grootste samengestelde blad (aan de buitenkant) was het onderste blad aan de stengel. Dit blad is dan ook het eerste stengelblad dat in het voorjaar verschijnt. De overige bladeren zitten hoger aan de stengel en ontstaan later en wel in de volgorde waarin ik ze in de spiraal naar binnen naast elkaar heb gelegd.

De centrale gedachte bij Goethe is nu dat deze uitwendige delen of organen van de plant verschillende verschijningsvormen zijn van een in wezen identiek orgaan. De werking waardoor dit in-wezen-identiek orgaan in steeds iets veranderende vorm verschijnt, wordt door Goethe ‘metamorfose’ genoemd. Gelet op de verschillende manieren waarop deze metamorfose bij een plant kan optreden, maakt Goethe een onderscheid in drie soorten: de regelmatige, de onregelmatige en de toevallige metamorfose.
De regelmatige wordt door Goethe ook wel de voortschrijdende genoemd, omdat deze vanaf de allereerste ontplooiing van de kiembladeren tot aan de uiteindelijke vorming van het zaad zich trapsgewijs ontwikkelt, zonder afwijkingen in de reeks.
De onregelmatige metamorfose kan ook de terugschrijdende genoemd worden, omdat dan de natuur als het ware één of enkele schreden terug doet, zoals in het geval dat er op de plaats waar normaal meeldraden gevormd worden nog meer bloembladeren ontstaan. Bij talloze gekweekte bloemen, zoals bij vele rozensoorten, vind je dan niet alleen extra kroonbladeren maar ook bepaalde overgangsvormen. Dit zijn organen die wat betreft hun uiterlijke gedaante een overgang laten zien tussen bijvoorbeeld een kroonblad en een meeldraad. In figuur 2 zijn wat voorbeelden getekend van zulke ‘tussengedaantes’ of ‘overgangsvormen’ bij een roos.

 

 

 

De toevallige metamorfose, die bijvoorbeeld door insecten veroorzaakt kan worden en die dan onder andere kan leiden tot galletjes, Iaat Goethe buiten beschouwing.

Goethe schetst zeer levendig hoe de groei en ontwikkeling bij een groot aantal eenjarige bloemendragende planten plaatsvindt. Hij beschrijft daarbij ook zeer uitvoerig en gedetailleerd de vorming van de afzonderlijke organen ter bevestiging en illustratie van zijn metamorfosegedachte. In deze beschrijvingen spreekt Goethe van ‘gebaren’, ‘tendensen’ of ‘werkingen’, die we kunnen ervaren bij het vervolgen van de metamorfose van de plant. Goethe noemt als een belangrijk geheel van ‘werkingen’ een drievoudige uitbreiding en samentrekking die je bij het vervolgen van de groei van de plant kunt ervaren.

De eerste uitbreiding en samentrekking vindt plaats in het loofbladgebied. Vanaf de ontkieming van het zaad en de vorming van de kiembladeren tot aan de allergrootste groene stengelbladeren ervaren we een uitbreiding. Dan worden de bladeren meestal weer kleiner en kan men spreken van een samentrekking met als eindpunt de vorming van de kelk. De tweede uitbreiding en samentrekking vindt plaats in het bloemgebied. Met de vorming van de kleurrijke kroonbladeren begint de plant zich opnieuw uit te breiden om vervolgens bij de vorming van meeldraden en stamper zich weer samen te trekken. De derde uitbreiding en samentrekking vindt plaats in het vruchtgebied van de plant. In het ontstaan en zwellen van de vrucht ziet men een laatste alzijdige uitbreiding en de zaden, pitten of bonen zijn te beschouwen als de meest samengetrokken delen van de plant. Goethe spreekt ook nog over twee andere werkingen of tendensen die eveneens een tegengesteld of beter gezegd polair karakter hebben. Het is de tendens van het vergroeien of verenigen tegenover de tendens van het insnijden of verdelen van onderdelen van de plant.

Het insnijden of verdelen ervaar je als je bijvoorbeeld de later gevormde stengelbladeren van een boterbloem of een paardenbloem vergelijkt met de
eerstgevormde stengelbladeren onderaan de stengel. Het vergroeien of verenigen ervaar je bij bloemen met een gesloten kroon, bijvoorbeeld een grasklokje of een narcis.

In een veel later verschenen werk over de spiraaltendens in de plantenwereld onderscheidt Goethe ook nog een verticaaltendens en een spiraaltendens, die hij eveneens als twee tegenover elkaar staande werkingen beschouwt. Daarnaast zijn er bij de voortschrijdende metamorfose nog andere werkingen of tendensen te zien, zoals bijvoorbeeld de algemene tendens tot verfijning van de vormen en de grote toename en verandering aan kwaliteiten bij de vorming van de bloem, hetgeen door Goethe ook wel met het begrip ‘Steigerung’ wordt aangeduid. Met dit begrip wil Goethe ook tot uitdrukking brengen dat de plant in zijn ontwikkeling stapsgewijs een soort hoogtepunt of climax bereikt bij het verschijnen van de bloem.

Het is opmerkelijk dat Goethe overal zeer veel aandacht besteedt aan allerlei uitzonderingen en afwijkingen in de plantengroei. Goethe zegt hierover dat men de afzonderlijke vormingstendensen hierdoor beter kan leren kennen. Dit komt omdat bij de ‘normale’ ontwikkeling van de plant de afzonderlijke werkingen of krachten die de groei en ontwikkeling van de plant bepalen op een harmonische of evenwichtige manier samenwerken. Uitzonderingen of afwijkingen daarentegen ontstaan meestal doordat bepaalde tendensen gaan overheersen en juist in de ontstane onevenwichtigheid of eenzijdigheid spreken ze zich veel duidelijker uit. Zo is het te begrijpen dat Goethe aparte hoofdstukken wijdt aan de bespreking van een doorgegroeide roos en een doorgegroeide anjer. De ‘verticale stengeltendens’ wint het hier als het ware van de ‘perifere bladtendens’. Figuur 3 toont de doorgegroeide roos.

naar een aquarel van Goethe

In de voorafgaande alinea kwam reeds een interessant methodisch aspect naar voren. Nu wil ik echter nog wat systematischer ingaan op de methode die Goethe bij zijn plantenstudies hanteerde. We kunnen ons de vraag stellen: ‘Wat zeggen deze resultaten ons over Goethes werkwijze?’ Ook kunnen we ons daarbij afvragen in welk opzicht Goethes aanpak ‘anders’ is dan de gangbare methoden in de biologie. Wanneer we wat dit betreft willen doordringen tot de essentie, dan moeten we mijns inziens onze vraagstelling toespitsen op de volgende twee vragen:

1. Wat voor een waarnemende, voorstellende en denkende activiteiten moet Goethe verricht hebben om tot deze resultaten te komen?

2. In hoeverre zijn dit algemeen gangbare activiteiten in de plantkunde en in de wetenschap in het algemeen?

Om een antwoord te krijgen op deze vragen moeten we onze aandacht richten op de beschrijvingen in ‘Die Metamorphose der Pflanzen’. Hetgeen mij hieraan opgevallen is laat zich in drie niveau’s onderscheiden die overeenkomen met de eerste drie fasen of stappen in de Goetheanistische fenomenologie.

1. Zijn beschrijvingen getuigen van een buitengewoon nauwkeurig waarnemen en vergelijken van planten en onderdelen van planten.
2. Zijn beschrijvingen zijn daarbij zodanig dat we ons daardoor de planten niet meer als onbeweeglijke, verstarde voorwerpen voorstellen, maar als groeiende en zich ontwikkelende levende wezens.
3. In zijn beschrijvingen spreekt Goethe over gebaren, tendensen en werkingen waarmee hij een dynamisch geheel aanduidt wat als zodanig niet in de directe zintuiglijke waarneming gegeven is.

Ten aanzien van het laatste punt kunnen we ons de vraag stellen wat dan wel de hoedanigheid is van dat ‘dynamisch geheel’. Wanneer we het niet kunnen waarnemen in de gewone zin van het woord kunnen we het mogelijkerwijze wel met een beweeglijk voorstellen scheppen! Het vermogen dat hiervoor nodig is en dat over het algemeen nog weinig ontwikkeld is, noemt Goethe de ‘exacte zintuiglijke fantasie’. Deze uitdrukking laat zien dat het hier gaat om een bijzondere verbinding of synthese van twee menselijke vermogens, namelijk enerzijds het heldere, exacte zintuiglijke waarnemen en voorstellen en anderzijds de beweeglijke, scheppende fantasie. Alleen hierdoor is het mogelijk om onze verstarde, foto-achtige voorstellingsbeelden van de zintuiglijke wereld tot leven te wekken en kan ons denken een levendigheid krijgen die we niet of nauwelijks aantreffen in de gangbare natuurwetenschap.

Juist het in beweging brengen of tot leven wekken van de voorstellingsbeelden vormt een fundamenteel verschil met de gangbare methode in de biologie. Men kan ook zeggen dat er in de Goetheanistische fenomenologie sprake is van een terughouden of uitgestelde – en daardoor ‘verruimde begripsvorming’. Deze verruimde begripsvorming vindt plaats, zoals reeds uiteengezet werd, op basis van een rijk, dynamisch beeld wat men uitgaande van de zintuiglijke waarneming eerst zelf actief moet scheppen. Het gevolg is dat in de fenomenologie de waarnemingsgegevens niet gereduceerd en verarmd worden en zo alleen kunnen leiden tot causaal-mechanische verklaringsmodellen, maar dat ze daarentegen een plaats krijgen in een rijk en omvattend levend beeld dat in zijn gebarentaal tot ons kan gaan spreken.

Bob Siepman van der Berg, Jonas 19, 11-05-1984

.

Goethe: metamorfose van de planten

Plantkunde: alle artikelen -waaronder Goethes fenomenologische methode

VRIJESCHOOL in beeldplantkunde

.

1362

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – 5e klas – plantkunde – tarwe

.

TARWE

De boer werkt met de bodem, met planten en dieren (en mensen). Al deze factoren staan in een wisselwerking met elkaar. Ze vormen een groter geheel, een bedrijfsorganisme. De mens vormt de ruggengraat van dit organisme; hij maakt het tot een individuali­teit.

Kenmerkend voor organismen is, dat ze een ontwikkeling doormaken. Bij een individua­liteit kun je spreken van een biografie. Als boer schrijf je mee in de biografie van het be­drijf. Elk facet van het bedrijfsorganisme ver­telt in zijn of haar taal een deel van de bio­grafie van het bedrijf. Je kunt leren luisteren naar de taal van een bepaald gewas, van een grondsoort, een bemestingssoort, enzovoorts. De talen ervan kennen betekent dat je bewus­ter kunt meeschrijven aan de biografie van het geheel.

Wanneer je de taal van een gewas wilt leren, doe je dat door nauwkeurig waarnemen. Je kunt daarbij zo exact mogelijk kijken naar wat er met de plant gebeurt tijdens het groei­proces. Wanneer je daarbij ook let op de ei­gen gevoelens tijdens dat waarnemen, kun je een besef krijgen van het wezen van het ge­was. Dat besef noem ik: kwaliteitsgevoel. Zowel voor de boer als voor de medewerkers van het Bolkinstituut is een wezenlijke vraag: hoe ontwikkel je dat kwaliteitsgevoel?

Laten we eens gaan luisteren (kijken) naar de taal van tarwe.

De tarwekorrel wordt gezaaid in de donkere, lucht en water bevattende, kruimelige grond. Aanvankelijk groeien er drie worteltjes uit. Een witte spruit zoekt de weg omhoog. Zo­dra deze spruit vlak onder het grondopper­vlak het licht ontmoet, ontstaat een ‘knoop’ en worden nieuwe wortels gevormd, die uit­groeien tot het uiteindelijke wortelstelsel van de plant. Het tussenstuk, de zogenaamde halmheffer, ontstaat alleen als de korrel en­kele centimeters diep gezaaid is.

In het luchtelement groeit nu de spruit om­hoog, aanvankelijk nog binnen een grijs vlies, de schede. Maar al snel steekt ze er als een groene lancet boven uit. Er hangt nu een heel zacht groen waas over het veld.

Het eerste blad ontrolt als het ware in de ver­tikaal gerichte groeibeweging. Met het verder gaan van deze vertikale groei, ontrolt ‘van­zelf’ ook het tweede blad. (Bij wintertarwe die in oktober gezaaid is speelt zich dit af in november-december, voordat de winter echt zijn intrede doet. Zomertarwe wordt om­streeks maart gezaaid).

Een nieuw aspect komt naar voren, er ont­staan zijspruiten. De plant stoelt uit. Na eni­ge tijd is een (gras-)polletje gevormd. De grootte hiervan kan sterk variëren, afhanke­lijk van de groei-omstandigheden. De akker lijkt nu (mei) op een weelderig grasveld. Het groene blad bedekt de gehele bodem.

Na deze meer in een horizontaal vlak optre­dende groei, schieten één of meer stengels de hoogte in.

In juni zitten meerdere bladeren aan de stengel. De onderste beginnen al af te sterven. Onder het bovenste blad is een verdikking zichtbaar, waaruit de aar te voorschijn komt. Deze groeit voorbij het laatste blad (het vlag- blad). Uit de kafjes van de aar hangen op een gegeven ogenblik meeldraden: de tarwe bloeit.

Het groeiproces richt zich nu steeds meer op het bovenste gedeelte van de plant: het vlagblad, de hals en de aar. Onderin wordt het afsterven van de bladeren steeds duidelijker. Ook sterven kleine, niet aardragende sprui­ten af.

In juli wordt de korrel gevormd, waarbij de productie van suikers, als basis voor het zet­meel, grotendeels plaatsvindt in vlagblad, hals en aar. In de korrel bevindt zich eerst een waterige vloeistof (waterrijp), die steeds dikker en witter wordt (melkrijp). Dit ver- stevigingsproces gaat verder (deegrijp) tot de korrel hard wordt (hardrijp) en tenslotte niet of nauwelijks met de nagels te splijten is. Het afstervingsproces is nu doorgedrongen tot het bovenste deel van de plant. Ook vlagblad, hals en aar zijn (nagenoeg) geel geworden.

De plant bestaat nu uit enkele droge, gele, rechte stengels met aren. De bladeren zijn in­gedroogd, vergeeld hangen zij onopvallend langs de stengel. Als je in het gewas staat, is de grond tussen de planten weer goed te zien. Het bovenste laagje grond is nu ook vaak uit­gedroogd door de hoogstaande zomerzon. ‘Plotseling’ treedt er iets nieuws op: het sten­geldeel direkt onder de aar gaat buigen. De aar ‘knikt’ meer of minder. Dit is een meer horizontaal gerichte ontwikkeling, waarbij de plant weer een ‘driedimensionaal karak­ter’ krijgt, al blijft de vertikale tendens in de plant sterk overheersen.

Peter Brul, Jonas, 24 01-08-1980

.

Grohmann: over de granen

Plantkunde: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: plantkunde

VRIJESCHOOL  in beeld: 5e klas

.

1335

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.