Tagarchief: varen

VRIJESCHOOL – Plantkunde – klas 5 (1)

.

OVER PLANTKUNDE IN KLAS 5

De verschijningen van het plantenrijk kunnen we verge­lijken met de groeistadia van een pasgeboren kind tot puber. De geaardheid van de plant vergelijken we met het karakter van de mens.
De plantenwereld is een een­heid en elke plant is verbonden met zijn omgeving. Elke plant is afhankelijk van de zon, de lucht, de aarde of het water en dus ook gebonden aan het jaargetijde of het klimaat.
Bekijken we de plant in haar omgeving, dan volgt hieruit dat plantkunde sterk samenhangt met aardrijks­kunde. De plant bezien we altijd in haar geheel, om dan vervolgens te kijken welke delen zij heeft: wortels, stengel, blad, bloem, vrucht en zaad. De bloeiende plant, die al deze delen heeft, noemen we de hoogste planten­soort. De laagste plant is die, welke het minst van deze kenmerken heeft.
De leerkracht stelt de planten voor als de begroeiing van de aarde, te vergelijken met de haren van de mens. Zonder planten was de aarde kaal. Zomers, als er aan de buitenkant van de aarde alles groeit en bloeit, is het in het binnenste der aarde stil. De aarde zelf “slaapt”. Daaraan tegengesteld is de winter: in de winter is het in het binnenste van de aarde heel actief en bewegelijk, de winter bereidt zich als het ware voor op de lente. De aarde waakt dan, net als de mens die wakker is en waarin van alles gebeurt. Deze voorstel­lingen probeert de leerkracht bij het kind op te roepen.

De laagste plant is de paddenstoel, [1] deze bloeit immers niet, heeft geen wortels,  stengel, groene bladeren, bloem, vrucht of zaad. De paddenstoel heeft wel veel water, aarde en schaduw nodig en groeit heel dicht bij de grond. De opening van de paddenstoel is naar de aarde gericht, niet naar de zon, in tegenstelling tot de bloei­ende plant. De fijne stof, die uit de hoed van de paddenstoel in de aarde valt, zorgt voor een netwerk van draden. Het stof is vrucht, bloem en stuifmeel tegelijk. We vinden paddenstoelen in alle kleuren, maar het zijn “kleuren van de aarde” en niet van de zon.

De geweldige uitbreiding die bij de boom boven de aarde plaatsvindt, blijft bij de paddenstoel in de grond. De paddenstoel vergelijken we met een zuigeling. Net als deze moet hij gevoed worden en heeft fijne voeding nodig. Beide gebruiken hun kracht om het voedsel te verteren en om te groeien, verder slapen ze.

We gaan dan over naar de korstmossen. Het korstmos heeft nog weinig vorm en ordening. Het steekt een heel klein beetje bo­ven de aarde uit en de stengeltjes staan allemaal dicht tegen elkaar aan, het steunt op elkaar. Het korstmos is sterk. We zoeken de plaatsen op waar het groeit. Dit mos heeft een stengelprincipe. We vergelijken het korstmos met een kind van enkele maanden, dat nog ongecontroleerd met armen en benen beweegt, dat grijpt en om zich heen kijkt, maar verder hulpeloos is.
We gaan naar de algen en wieren, die meebewegen in het water. Ze hebben licht en water nodig-, alleen in de lucht kunnen ze niet leven. Ze hebben bladgroen en kunnen daardoor zelf voedsel produceren. Hoewel ze veel op een groene plant lijken, hebben algen de ondersteuning van water nodig. We vergelijken ze met het kind dat kan zitten en krui­pen, maar nog niet alleen kan staan.
Het mos is eigenlijk al een echt plantje. Het is groen, heeft stengel en blaadjes en komt in vele verschillende vormen voor. Het heeft veel vocht nodig en maar een beetje zon. Het mos steunt echter nog geheel op de aarde, de stengels zijn nog niet krachtig en zelfstandig. Zo kunnen we dan mos vergelijken met een kind dat net kan staan en zijn eerste woordjes stamelt.
De volgende stap is naar de varens en de paardenstaarten. We ontdekken, dat deze wortels en groene bladeren hebben. De bladeren groeien al een flink eind boven de grond en komen in allerlei vormen voor. Bloemen hebben de varens niet, dus ook geen zaad of vruchten, doch slechts eenvoudige sporen die op de bladeren groeien. De varen kan haar voedsel voor haar bladeren gebruiken, zo­dat deze in volle pracht kan groeien. De varen is een echte plant en staat met haar wortels stevig in de grond. Varens en paardenstaarten beschouwen we als de middelste soorten uit het plantenrijk. We vergelijken ze met het kind omstreeks het derde jaar: het loopt en staat stevig, zegt “ik” en wordt zelfbewuster.

Vervolgens vertellen we over de naaldbomen, de altijd groene bomen die een rechte, sterke stam hebben waarmee ze tot hoog in de lucht kunnen rijken. Met hun naalden lijken ze de blaadjes van een boom te willen nadoen. Hoewel deze boom geen bloemen heeft, behoort hij toch al tot de bloeiende planten. Hun bloeiwijze bestaat uit ” kleine boompjes” op de takken. Als we goed kijken zien we zelfs in het midden van deze boompjes een klein stamme­tje. Daaraan zitten de schubben van de kegel, die tevens zaadjes bevat, vast. Met de geur van zijn hars wedijvert de naaldboom met de bloemen. De naaldboom vergelijken we met een kleuter: hoewel deze flink en zelfstandig is, leeft hij nog sterk in de nabootsing. Van de naaldbomen gaan we over naar de parallelnervige planten, de planten met een enkelvoudige bloeiwijze ( monocotyledonen). Voorbeelden hiervan zijn de bol­gewassen tulp, hyacint,  krokus en het sneeuwklokje, maar ook de grassen en granen.
We gaan hier in op de bolgewassen. De bloem van de bolgewassen is meestal in drieën gedeeld. Het lange gladde blad omvat van onderaf de stengel. In de grond verbergen ze een bloembol. In het vroege voorjaar laten deze planten zien, hoe snel ze kunnen groeien. Bij de eerste zonnestralen steken ze hun groene sprieten bov­en de aarde en ook de bloem volgt dan snel. Aan deze bloem kunnen we geen aparte kelk onderscheiden. De bloem opent zich in het zonlicht. We vergelijken de monocotyledonen met het kind omstreeks het zevende jaar tot en met het kind van tien jaar. In deze jaren staat het kind open voor wat het leert. Het wordt als het ware door nieuwe kennis verlicht. In het kind is nog veel verborgen dat niet uit de verf komt.
Nu gaan we over tot de eenvoudige dicotyledonen. Hiertoe behoren de meeste planten die wij kennen van de hei, het bos en van ’t veld, zoals het viooltje, de boterbloem, de dotterbloem, de anemoon en de paardenbloem. Al deze planten hebben veel licht en lucht nodig. Het kind echter nog als de bloem in knop: groene en ge­kleurde blaadjes zijn nog niet te onderscheiden, bloeien zal het pas later.  Kinderen tussen elf en veertien jaar vergelijken we met de dicotyledonen.

Het zijn de planten met een dubbele bloeiwijze:  ze hebben én kelkblaadjes én kroonblaadjes, (onder andere de ranonkel­soorten). We laten het kind zien waar het naartoe zal groeien. Het kind zal worden als een bloeiende roos. In hemzelf zullen groene kelkbladeren en kleurige bloembladeren te onderscheiden zijn. Heftige gevoelens en eigen gedachten en ideeën maken het persoonlijke van het kind kleurrijker.

Een plantkundeperiode in de vijfde klas.
Het lokaal ziet er heel anders uit dan anders op de eerste dag van de plantkundeperiode. Aan de wanden en kastdeuren han­gen grote kleurige aquarellen waarop onder andere dennenbomen, paddenstoelen, berken, varens, een tulp en een roos te zien zijn. Met uitbottende forsythia- en kornoeljetakken, zoet geurende hyacinten en een bakje gevuld met kussentjes mos, geven de tafel onder het bord een feestelijk aanzien. Fossielen en barnstenen met overblijfselen van planten, grote en kleine zaden en takjes katoenpluizenbollen liggen er los naast. Een stapeltje plantenboeken om in te snuffelen completeert het geheel. Zo, nu weten de kinderen zeker dat een plankundeperiode begint.

De lerares vertelt enkele inleidende bijzonderheden over planten, bijvoorbeeld dat de plant graag naar de zon wil groeien, dat het lijkt alsof de zon de planten naar zich toetrekt. Zij vertelt wat de klas in deze periode zal gaan doen: Ze zullen planten bekijken en bespreken, ze zullen veel planten schilderen en er ook over schrijven. Nadat het volgende gedichtje door een van de kinderen is voorgelezen, schrijven zij het van het bord over in de kersverse periodeschriften:

Ik wou dat ik zo wijd
mijn armen kon strekken.
Ik wou dat ik verblijd
mijn lichaam hoog kon rekken.
Ik wou dat ik zo rein
kon groeien en kon bloeien.
Ik wou dat ik zo fijn
mijn kleuren kon doen gloeien,
zodat iedereen kon zien
wat ik zo lang gemaakt heb.
(geschreven door de lerares)

Op de overgebleven ruimte op de bladzijde wordt een voor­jaarsbloem getekend. Wanneer de schriften en de kleurdozen weer in de kastjes liggen, volgt de klas de ontwikkeling van de paardenbloem door de seizoenen heen. De weg begint in de warme zomerlucht waardoor kleine parachuutjes zweven. Zij komen uit de witte pluizenboel. ’s Winters rust het zaad in de donkere aarde. Alle zaadjes “weten” precies wanneer het voor hen warm genoeg is om te ontkiemen. De lerares vertelt over de kiemworteltjes en de kiemblaadjes, over de bladvorming, over de knop en de bloem. Iedereen heeft weleens een paardenbloem geplukt, dus kunnen de kinderen zelf beschrijven hoe de bloem er vanbinnen uitziet. Heel kort horen zij iets over de bevruchting, het verleppen en het overblijven van het vruchtbeginsel. Wanneer de rol van de seizoenen aan de orde komt, wordt de aarde in de zomer vergeleken met de slapende mens, terwijl de aarde in de winter, als alles wordt voorbereid, van binnen wakker is.
Twee vragen krijgen de kinderen mee naar huis om over na te denken: Waar zouden onze gedachten en gevoelens zijn als wij slapen?
Wat is je vroegste herinnering?
Penselen, waterpotten, voorgeweekt papier en gele en blauwe verf worden uitgedeeld. Licht en water komen van boven – en van onderaf naar elkaar toe. Zij zoeken elkaar als het ware op. Het daarvoor gebruikte geel en blauw raken elkaar slechts even aan. Daar ontstaat een vleugje groen, net als­of op die plaats de eerste lentesprietjes uitkomen.

Dit gedichtje komt de volgende dag in hun schriften te staan:

De vier elementen
Zo vast en droog de aarde is,
Zo nat en vloeiend het water is.
Zo licht en vluchtig is de lucht,
De warmte rijpt de vrucht.
                                                                                            (lerares)

De verschillende stadia van de paardenbloem en de daarbij be­horende jaargetijden vatten de kinderen zelf samen, in terug­gaande lijn:

pluisje                                             – eind zomer

bloem                                              – zomer

knop                                                 – lente

wortel, steel, blad                          – lente
kiembladeren,

kiemwortel                                     – lente

zaadje                                              – winter, herfst

Wanneer zij vertellen over hun allereerste herinnering, blijken deze vaak met schrikbelevingen te maken hebben: een gat in je hoofd, in het water gevallen, een kop thee over je benen, een vechtpartij op straat…….
Een meisje meende zich zelfs te herinneren uit de kinderwagen te zijn gevallen. Over de vraag waar je gedachten en gevoelens zijn als je slaapt, hebben de kinderen nauwelijks nagedacht, dat vonden ze zo’n stomme vraag. Het eenvoudigste antwoord leek hen: ” Die slapen ook!”
De juf gaat er dan verder maar niet op in. Een jongen heeft spontaan enkele takken met katjes meegebracht die al helemaal geel zijn. Voor de klas vertelt hij er van alles over en tekent zelfs een dwarsdoorsnede van een katje op het bord. De lerares gaat door op zijn verhaal. Zij vertelt over de bloei van bomen, over stuifmeel en het bijenbezoek, over de verschillende zaadvormen, over het verspreiden van het zaad door de vogels en de wind. Het water en het licht worden weer geschilderd, maar ze weten nu al beter wat ze met elkaar kunnen doen. Met behulp van de aarde vormen ze een plant, die omhoog naar de zon groeit en haar blaadjes één voor één uitstrekt naar beide kanten. Wanneer deze per kind zo verschillende planten de volgende dag beke­ken worden, lijkt de ene plant in een moeras te staan, de andere op een berg of in een woestijn. De kleursterkte en de hoeveelheid lucht en water in de schilderingen maken deze verscheidenheid aan planten mogelijk.

Nadat de leerstof van de vorige dag heel kort met behulp van de kinderen herhaald is, vertelt de lerares uitgebreid over paddenstoelen. Tot slot maakt zij een vergelijking met een volledige plant: Bij de paddenstoel blijft alles onder de aarde, behalve de top. Hij wil niet veel weten van de zon. Thuis moeten de kinderen een gedichtje over de paddenstoelen maken.
Nogmaals schildert de klas de plant van gisteren, maar nu met vier kleuren. De aarde geeft stevigheid aan de wortels en een lichte waas van warmte die de knop omhult, brengt de rode bloem tot bloei. Weer ontstaat bij ieder kind een ander soort bloem: een strobloem, een rode zonnebloem, een pioenroos, een cactus…..

Enkele paddenstoelgedichtjes worden voorgelezen. Daarna schrijven de kinderen hun eigen vers stilletjes in hun schrift. Sommige vinden andermans gedicht zo leuk, dat ze die ook op schrijven:

Paddestoel klein
en paddestoel rond,
jij staat zomaar op de grond,
op het zachte groene mos
in het grote dennenbos.
(leerling)

Kleine tekeningetjes in de opgespaarde ruimtes laten geheime plekjes in het bos zien, waar paddenstoelen het naar hun zin hebben. De lerares leest nog eens enkele herinneringen van de kinderen voor. Dan merkt zij op dat een baby eigenlijk net zo afhankelijk en hulpeloos is als de paddenstoel. Beiden kunnen zich niet zelf voeden en toch groeien zij allebei heel snel en zijn even rond van vorm.
In de paarsblauwe schaduw van een boom­stam sparen de kinderen de vorm van paddenstoelen uit.
De donkere aarde biedt de nodige beschutting. De stemming op de schilderbladen is die van een geheimzinnige vollemaansnacht. Nadat de kinderen hebben gehoord over de korstmos en diens reacties op water en zon en diens voorzichtige pogingen blad te vormen, schrijven zij dit gedichtje van het bord over:

Korstmos zo hoog op de rots
leef je van water en zon.
Jij groeit daar zo trots,
waar niets meer leven kon.
Jij bent zo kleurig en klein,
maar je kunt niet veel
meer dan een paddenstoel zijn,
zonder wortel en zonder steel.
( lerares)

De diepzee en haar oerwouden van veelkleurige en veelvormige algen en wieren zijn nu het onderwerp van de les. In het water gevormd en nog net niet verstoken van het licht, deinen deze wortelloze planten mee met de beweging van het water.  Zij wor­den als het ware door het water gedragen, maar kunnen zich nog wel aan de zeebodem vasthechten. De lerares vertelt nu over de ontwikkeling van het kleine kind, hoe het leert eten, zit­ten, kruipen en staan.

Wouden van wier en algen in vele kleurschakeringen en vormen, die zacht onder water bewegen, verschijnen op het vochtige papier. Eerst schilderen de kinderen het blauwe water en daarna de planten. Daartussen zwemmen kleine felgekleurde vissen, octopussen en kwallen.

Die dag hebben de kinderen thuis gedichtjes gemaakt. De volgende ochtend worden enkele voorgelezen, waarna er een wordt uitge­kozen om naast het eigen gedicht op te schrijven in de schriften:

Daar staat een alg diep onder zee,
zijn bladeren gaan met de golven mee.
Een alg heeft een ontzettend groot blad,
en die voelt natuurlijk heel erg nat.
De vissen zwemmen tussen de bladeren door
en bijten soms in een rechteroor,
want vissen eten graag algen.
Mij lijkt het om te walgen!
( leerling )

Ranke algen en kleurige visjes op de lichtblauwe zee­bodem versieren de rest van de bladzijde. Op het volgende blad komt te staan:
We hebben een vergelijking gemaakt tussen de plantenstadia en de ontwikkeling van het kind:
paddestoel    – baby: rond, hulpeloos, afhankelijk,

korstmos       – enkele maanden oud: het kind leert zich bewegen, grijpen en                                           kijken,

algen               – ongeveer een jaar oud: het kind kan zitten en kruipen, maar                                              nog niet alleen staan,

mossen          – na het eerste jaar; het kind kan alleen staan en begint                                                         woordjes te zeggen.

Nu zijn de mossen aan de beurt. Onder de bomen in het bos die nu nog helemaal kaal zijn, vind je de prachtigste groene plekken. Je vindt daar een soort mininatuur van heel veel kleine plantjes. Deze hebben veel van de vormen die we ook in het plantenrijk onder de “grote” planten tegenkomen: struiken, palmen, bomen. De kinderen horen over het bloemetje, de bestuiving, het sporendoosje op zijn lange stengel, over zijn behulpzaamheid aan de bomen, over de vroegere moerassen in ons land en het ontstaan van turf.
Dan wordt het mos geschilderd: op een licht plekje in het bos, waar de zon net tussen de bomen door kan schijnen, groeien kleine kussentjes mos in allerlei groene tinten. Daar bovenuit groeien de prachtigste lichtgroene varens met hun lange bladeren en hun krullen.

De lerares vraagt de kinderen thuis een herinnering over de eerste tijd op school op te schrijven. Wanneer zij deze een dag later aan elkaar hebben verteld, wijst de lerares hun op het verschil tussen de tijd van hun vroegste herinnering en die toen ze een jaar of zes waren. Hoeveel meer weten, voelen en kunnen ze al….  Zij geeft een be­schrijving van een kind dat iedereen in zijn omgeving nabootst en op een gegeven moment beseft dat het zelf een ” ik ” is. Wanneer de kinderen de mos – en varen­schilderingen van de vorige dag bekijken, krijgen zij meer over de varens te horen. Deze hebben samengestelde veernervige bladeren, waarop aan de achterkant sporen groeien.

Wanneer je zou proberen ze uit te graven, merk je dat ze stevig in de aarde staan:  ze hebben wortels. De varens hebben geen echte stengels en ook geen bloemen.

De lerares beschrijft de sfeer van, het dennenbos met de rood­achtige gloed van de afgevallen naalden, de donkere zwijgzaam­heid van de streng gevormde bomen.
Achter het bos kleurt de avondhemel rood….. ‘Een uur later zijn deze bossen geschilderd en liggen de schilderingen te drogen in het waterige voorjaars­zonnetje.
De volgende dag worden de belangrijke dingen over de varens nog eens aangestipt en daarna schrijven de kinderen zelf wat ze nu over de varens weten:

De varens zijn bladeren, gelijk uit de grond. In warmere landen zijn ze net zo hoog als een boom. Daar leven de wortels een halve meter onder de grond. Het samengestelde blad heeft tientallen blaadjes aan de zogenaamde steel. Varens zijn er hier in Noord – Holland. Er zijn vele soorten varens.  Ze hebben sporen op hun bladeren en leven van water en licht.
( uitwerking leerling )

Besproken wordt de ontwikkeling van het kind van drie tot zes jaar, het eerste “ik”- zeggen, zijn spel en zijn grenzeloze fantasie. Wanneer de kinderen de bijzonderheden van de dennenboom hebben gehoord, kondigt de lerares aan dat ze morgen over de dicotyl en de monocotyl zullen praten en dat ze nu een van die planten gaan schilderen.
Ze beginnen met blauw van onderen en geel van bovenaf. Onder de aarde heeft de tulp haar bruine bol met de kleine witte worteltjes. Het lange blad omvat van onderaf de stengel. Om de bloem heen schilderen de kinderen de lichte, roodachtige waas van de warmte. Na een korte herhaling over de naaldbomen schrijft de klas er weer een stukje over. Ze mogen dat ook in gedicht – of gespreksvorm doen. Ook eigen ervaringen en herinneringen die met naaldbomen te maken hebben, mogen in het schrift komen.

De dennen hebben geen bladeren, maar naalden. Aan de takken groeien dennenappels. Die zijn roodbruinig. De stam is kaarsrecht en in het voorjaar zit er veel hars aan. Er zijn vele soorten naaldbomen: sparren, fijnspar en nog, veel meer. De grove den of pijnboom is een bijzonder taaie naaldboom, die men herkent aan de lichtrode schors en de blauwgroene naalden. De naalden van een den ruiken naar citroen en prikken. In de herfst en in de winter blijven ze groen.
(uitwerking leerling)

De kinderontwikkeling van het zesde tot veertiende jaar wordt nu beschreven: het voor het eerst naar de grote school gaan, het willen leren, de gevoelens van eenzaamheid rond het negende jaar en dan het langzaam bewuster worden van de eigen gevoelswereld en het komen tot eigen gedachten en ideeën. Zo horen de kinderen niet alleen wat ze zelf kunnen herkennen, maar tevens wat nog komt, waarnaar ze kunnen uit­kijken.
Op het bord staat een wilde roos getekend. Een uitgebreid wortelnet houdt de plant stevig in de aarde. De ver­schillen worden behandeld tussen de tulp, die al in het voorjaar uitschiet en de roos, die geduldig werkt aan haar steeds fijner en uitgewerkter samengestelde blaadjes en die rustig de tijd neemt voor de knop, waar zij in de groene kelk de gekleurde kroonbladeren verborgen houdt. Tenslotte ontvouwt zij haar bloem in de vorm van een vijfster. Alle elementen, de lucht, het water, de aarde en de zon, werken ten volle met haar mee.

Wanneer de kinderen de roos gaan schilderen, vraagt de lerares hun net zo veel geduld en nauwkeurigheid uit te oefenen als de roos zelf doet. Zij hebben tijdens deze periode veel plezier gekregen in het steeds terugkerende schilderen, maar nu zoemt het in het lokaal van de ijver. De prachtigste rozen, van verfijnd tot uitbundig, ontstaan op de vochtige schilderbladen. De laatste periodeweek is bestemd voor allerlei uitstapjes. De eerste dag gaat de klas op de fiets naar het Jacques P. Thijssepark, waar ze in groepjes langs kronkelpaadjes, bruggetjes en sloot­jes komen om het park te verkennen. Sommige kinderen gaan meteen Indiaantje spelen als ze de bosjes zien, anderen kletsen meer dan ze kijken, maar er zijn er ook die met de juf willen meelopen en haar van alles aanwijzen wat ze van de plantkundelessen herkennen. Weer terug in de klas schrijven de kinderen een verslagje.

Het tweede uitstapje leidt naar het Amsterdamse Bos. Van tevoren is de klas in tweeën gesplitst en deze helften zijn elk in vijf groepjes van drie personen opgedeeld. Beide helf­ten krijgen een geheim woord op dat uit vijf letters bestaat. Elk drietal krijgt een letter tot zijn beschikking en moet een vraag bedenken, waarvan het antwoord met deze letter begint. De vragen moeten met plantkunde te maken hebben. Op een groot ruig veld, dat omringd wordt door bosjes en sluippaden,worden de fietsen neergezet. De groepjes van de ene klassenhelft krijgen vijf minuten de tijd om zich in het struikgewas te verbergen, de groepjes van de andere helft gaan even later op zoek en moeten bij elke gevonden post een vraag beantwoorden of een opdracht uitvoeren, bijvoorbeeld:

–  Wijs een mini- oerwoud aan.

–  Zoek twee bladeren: een veernervig en een parallelnervig.

–  Zoek een boom met witte schors. Hoe heet deze boom?

Bij elk goed beantwoorde vraag of uitgevoerde opdracht krijgt de zoekgroep een letter dat in het geheime wachtwoord past.
Op deze wijze zijn de kinderen tijdens hun spel toch in gedachten bezig met de plantkunde, terwijl ook de mistige maartstemming, het uitbottende groen om hen heen en de drijvende planten in de sloot hun niet zijn ontgaan.
In het Vondelpark gaat de klas eerst bomen bekijken en daarna ook natekenen. Op een veld staan twee reusachtige kastanjebomen. Die willen de kinderen tekenen. Al gauw zoeken zij een plekje in het gras om te beginnen. Meegebrachte plastic vuilniszakken moeten de broeken beschermen tegen het vochtige gras.

Maar helaas, het begint te druppelen. “We gaan gewoon door hoor!”,  laten de kinderen weten. Toch worden zij door een lange plensbui het park uitgejaagd. Daar gaan ze weer, dwars door de stad, koude regen op hun hoofd, rode handen aan het stuur, gemopper…… Terug in de klas moeten zij bijkomen bij de kachel met warme chocolademelk. Slechts zeven tekeningen hebben de terugtocht overleefd. Na deze koude belevenis willen de kinderen de dag daarna niets liever dan in alle rust schrijven en tekenen in de behaaglijkheid van het lokaal.
Een mooie gelegenheid om het gedicht van de roos en de tulp, dat al een paar dagen op het bord stond, over te schrijven. Natuurlijk hoort daar een tekening bij.

Over de tulp en de roos.

De tulp,  zij heeft verborgen
al haar delen in het klein.
Zo vlug als de zon in de morgen
kan zij er in de lente zijn.
En de roos is zo voorzichtig.
Diep wortelt zij in de aarde.
Alle elementen evenwichtig
benut zij hun waarde.
(lerares)

In een bijna transparant geschilderde achtergrond van lichtgeel en rose worden drie witte boomstammen uitgespaard. In heuvelachtige landschappen staan even later drie berkenbomen bij de één met korte, dikke stammen, bij de ander smal en rank.

De hangende en opwaaierende bladersluiers hebben alle nuances tussen geel en donkergroen. Donkerbruine vlekken verlevendigen de witte bast.

Tijdens de laatste les leggen de kinderen hun schilderingen op de juiste volgorde, maken van dun karton een kaft, die van een opschrift en een tekening wordt voorzien en zetten het boekwerk met een klemmetje vast.

Tenslotte reciteren de kinderen nog eens alle gedichten uit deze periode. Tussendoor vertelt de juf nog iets nieuws over sommige plantensoorten.  “Wie heel goed kijkt, kan heel veel bijzondere dingen over de planten aan de weet komen.”

Heemkunde, Geert Grooteschool Amsterdam, jaartal onbekend)

[1] Zie de opmerking in de reactieruimte

De ontwikkeling van het kind en de samenhang met de plantenladder vind je vooral in het leesboek voor de plantkunde

.
Plantkunde: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klasplantkunde

.

243-229

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (43)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.154, hoofdstuk 43                                                                         alle hoofdstukken

 

EEN FAMILIE VAN SPECERIJKRUIDEN EN GIFPLANTEN
Niet aan alle planten die familie van elkaar zijn, kun je dit aan de buitenkant zien; maar aan die we nu bespreken, de schermbloemigen, zie je het duidelijk. Peterselie, venkel, anijs, koriander, kervel, kummel, dille, lavas en selderij zijn kruiden waarvan iedereen de naam weleens gehoord heeft. Dille en venkel bv. maken de sla pittig en lekker van smaak; ook om augurken in te maken worden ze gebruikt. Nu eens zijn het de bladeren die men neemt, dan weer de droge vruchtjes, zoals bv. bij de kummel en koriander. Maar ook kunnen sommige wortels gegeten worden, bv. die van selderij en pastinaak. Zelfs van de peterselie kan men de wortels als groente gebruiken. De belangrijkste groente echter, uit de familie van de schermbloemigen is de wortel of peen. Wanneer je eenmaal weet tot welke plantenfamilie deze behoort, dan proef je ook, dat deze verwant moet zijn met de bovengenoemde kruiden, zelfs wanneer je nog niet hebt gezien hoe de gele peen bloeit en de andere genoemde planten dat doen.

Wanneer je de bladeren met elkaar vergelijkt, zie je dat de overeenkomst zo opvallend is, dat je je niet kunt vergissen. Sommige lijken zo op elkaar dat je eerst moet leren ze van elkaar te onderscheiden. Dat ze familie van elkaar zijn, zie je bij de eerste oogopslag; ook als je nog geen groot plantkundige bent. Tot de familie van de schermbloemigen behoren ook vele giftige planten.

Sommige zijn heel gevaarlijk, zoals de scheerling; andere zijn weliswaar minder giftig, maar toch altijd nog zo schadelijk, dat ze als voedsel voor de mens niet gebruikt kunnen worden. De scheerling, ook wel gevlekte scheerling genoemd, omdat ook de zeer giftige waterscheerling bestaat, kun je aan de holle bladstelen herkennen, de roodgevlekte stengels die er bijna zo uitzien, alsof die met bloed besprenkeld zijn en aan de geur die aan muizen doet denken. De eivormige vruchten hebben golvende ribben. Natuurlijk kunnen hier niet alle giftige schermbloemigen beschreven worden, alleen de honds- of wilde peterselie moet op z’n minst genoemd worden, omdat deze overal voorkomt.

De giftige hondspeterselie.

Zolang de schermbloemigen nog geen bloemen, maar alleen bladeren hebben, kun je ze makkelijk met varens verwisselen, want allebei de planten doen zich kennen als dragers van grote, in eindeloos vele punten verdeelde bladeren. Zo gauw er echter bloemen tevoorschijn komen, kan er geen twijfel meer bestaan over welke bladeren bij een varen en welke bij een schermbloem horen, want een varen bloeit, zoals we al weten, helemaal niet.

Bladeren van de adelaarsvaren

Blad van het knolribzaad, een schermbloemige

Een overbekende schermbloem is het zevenblad. Hij groeit in de tuin als een moeilijk uit te roeien onkruid, omdat hij niet zoals de meeste schermbloemen een penwortel, maar een kruipende wortelstok heeft. Zijn bladeren die een erg goede wilde groente vormen, als ze jong geplukt worden, zijn niet zo fijn geleed en gesplitst als bij de meeste andere schermbloemigen.

Zevenblad.

De schermbloemen heten naar hun bloemen, de schermen. Een scherm is het, wanneer veel bloemstelen vanuit één punt wegstralen, ja, de schermbloemigen hebben zelfs meestal samengestelde schermen, wat betekent dat iedere schermbloemstraal aan de top nogeens een kleine schermbloem vormt. Het is duidelijk dat een samengestelde scherm dan erg veel stralen moet hebben en daarom ook erg veel kleine bloemen en vruchten. Ze spreiden zich uit als een paraplu en daarom worden ze schermbloemen genoemd. Elk bloempje apart heeft vijf blaadjes, vijf meeldraden en twee stijlen in het midden. De groene kelk is meestal zo klein dat je hem eerst moet zoeken. Onder het bloembekleedsel bevindt zich het vruchtbeginsel. Dit  springt of valt bij het rijpworden in twee droge zaden uiteen. Nooit kan een schermbloem een vlezige vrucht voortbrengen, al is het nog zo’n kleine. Bij sommige schermbloemen zijn de bloemen zo klein, dat je in het begin helemaal niet merkt, dat ze al open zijn. Dat is zo bv. bij de dille en de lavas. Alleen omdat er in een scherm zoveel bij elkaar staan, maakt dat ze opvallen. Maar de insecten hebben het wel door. Dat komt omdat de bloemen geuren en ook zoete nectar afscheiden. Alle mogelijke kervertjes, maar ook vliegen kruipen rond op de schermen en lurken en nippen. Niemand wordt van deze gedekte tafel buitengesloten, omdat het ook helemaal geen kunst is, er te komen en het honingpotje te vinden. De schermbloemen doen het dus anders dan de narcissen, rozen en lelies. Zij maken uit zeer veel heel kleine aparte bloempjes, één grote bloemschaal, die er dan uitziet als één grote bloem.

Dikwijls zijn de aparte bloempjes net schijfjes, soms is het schijfje gebogen, naar boven of naar beneden. Bij de lavas, waarbij het bloempje bovendien opvallend klein is, wanneer je het afmeet aan de manshoge plant, is het scherm net een hoepel. Iedere schermbloem doet het net weer even anders en toch zijn alle schermbloemen  naar één patroon opgebouwd.

Bij de wilde peen die ’s zomers bijna overal op de weilanden groeit, kun je nog iets bijzonders waarnemen. Om te beginnen zit er precies in het midden een aparte zwarte bloem, die echter nooit opengaat en ten tweede sluit het scherm zich, zodra de bloeitijd voorbij is en de zaden rijpen, doordat de stelen van de schermbloem boven het midden van het scherm zich samenbuigen.
Dus doet de wilde peen het net zo met zijn scherm als vele andere planten het met hun bloemen doen, wanneer die zich na de bloeitijd weer sluiten. Je kunt daaraan zien, dat hoewel een schermbloem uit vele keine bloemen bestaat, deze toch eigenlijk net één grote bloem is. De insecten die ernaar toe komen denken dat ook.

En toch-ook al komen er in een schermbloem zeer veel bloempjes voor, het is toch geen echte bloem. Ja, veel schermbloemen  zien er zelfs verkommerd uit.

Pastinaak.

Een botanicus moet zich wel afvragen of een bloeiplant die zulke mooie bladeren kan vormen, dan toch niet ergens wat verborgen heeft, wat aan de bloemen ontbreekt. De bloemkleuren van de schermbloemen zijn ook al niet zo mooi, zo opvallend en stralend of zelfs verblindend zoals bij veel andere planten. Meestal zijn ze eenvoudigweg witachtig; ze kunnen ook wel roodachtig, geelgroen of groenachtig zijn. Soms zijn de bloempjes die aan de rand staan wat groter. Dat is bv. al heel goed te zien bij de berenklauw, die tot in de herfst op de weiden te vinden is. Je denkt dan dat zo’n schermbloem het liefst uit de vele bloempjes een bloem zou willen vormen, maar dat lukt de schermbloemen toch niet en steeds dringt de vraag zich op, waar hebben de schermbloemigen hun bloeikracht verstopt. Je kunt er niets van zien; maar wanneer je bedenkt dat de kruidige geur minder in de bloemen, dan wel in de bladeren, in de stengel, ja, zelfs  zoals bv. bij de selderij, bij de peen en de peterselie, tot in de penwortel terechtkomt, dan kom je erop dat deze kruidige geur of smaak misschien toch niet anders is dan de omgevormde bloeikracht. Hoe verder het kruidige naar beneden tot in de wortel doordringt, des te zoutachtiger wordt het, omdat in de aarde het zout thuis is.

Chaerophyllum hirsutum (geen Nederlandse naam)

Nu voelen we ook aan, waarom de schermbloemen weliswaar kruidig geuren, waarom ze echter geen bloemgeuren hebben. De kracht van het geuren is naar beneden getrokken, daarom is er van boven te weinig van en daarom zijn ook de kleuren zwakker. De stoffen die in de zaadvruchten, in de bladeren, stengels en wortelstokken van de schermbloemige verborgen zijn, worden etherische olie genoemd; ook hars en balsemstoffen zitten in de schermbloemige.

Men moet de planten eerst fijnwrijven, kauwen, koken of ze eenvoudig als kruid gebruiken, wanneer je de krachtige geur tevoorschijn wil laten komen. Het is bij sommige planten net als bij sommige mensen: hoe dikwijls denk je niet dat iemand weinig in zich heeft en dan merk je dat hij met de allerbeste eigenschappen bedeeld is; alleen zitten die wat dieper verborgen en daarom vallen ze niet zo op.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

48-46

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (18)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.67, hoofdstuk 18                                                                           alle hoofdstukken

 

OVER BIJZONDERE VARENS
Wie zo naar varens kijkt als in het vorige hoofdstuk werd beschreven, die zal moeten zeggen, dat ze tussen de lagere gewassen en de hogere planten, de bloemplanten, staan, precies in het midden! Ze komen tot groene bladeren die ze in ieder geval prachtig vormgeven. Dan is hun ontwikkeling ten einde en wat er nu zou moeten komen, de bloei, met alles wat erbij hoort, dat moeten ze aan die planten overlaten die niet meer op de varentrap staan, maar al op de trap van de bloemplanten.

Wanneer je iets heel graag zou willen kunnen wat anderen ook kunnen, dan doe je heel erg je best het op zijn minst toch na te doen. Dat doen vele varens. Omdat de bloemplanten voor het stuifmeel en het zaad bijzondere plantendelen hebben, hebben de varens er ook moeite mee het stuifmeel zo maar met het groene blad samen te vormen; ze maken op z’n minst een verschil tussen groen blad en andere bladeren die dan uitsluitend voor het stuifmeel zijn.
En dat gelukt hun werkelijk.
Een voorbeeld is de in onze bossen vaak voorkomende dubbelloofvaren. Zijn smalle blad bestaat uit ‘ribben’, het is veerdelig. Net zoals de trechtervarens bouwt ook het dubbelloof eerst een mooie groene kelk, de bladtrechter. Later echter groeien uit het midden van de trechter weer andere jonge waaiers. Ze staan rechtop en worden ook langer dan de andere. Op het eerste gezicht zien ze eruit alsof ze zullen verdrogen. Maar dat doen ze niet, dat lijkt maar zo, omdat de randen opgekruld zijn. Kijk je nu precies naar zo’n rechtopstaand waaierblad, dan zie je gelijk hoe het bij hem is. Hij is namelijk aan de achterkant bruin van de sporen. Daarom noemt men de groene het onvruchtbare waaierblad en die rechtopstaande het vruchtbare.
Het dubbelloof zou graag èn een bloemenkroon èn ook meeldraden hebben en zo bootst hij dan met z’n groene, onvruchtbare bladen de bloemkroon na en met z’n vruchtbare waaierbladen in het midden van de trechter doet hij net zoals de bloemplanten met hun meeldraden.
Meer krijgt hij nog niet voor elkaar en zo moet hij al met al toch een kruid blijven.

rechts een vruchtbaar, links een onvruchtbaar waaierblad van het dubbelloof

Behalve  het dubbelloof zijn er ook nog andere varensoorten die het ook zo doen.  Bij de struisvaren die wegens zijn schoonheid ook in tuinen geplant wordt, zien de vruchtbare waaiers er net zo uit als struisveren.
Bijzonder koddig doen twee kleine varens aan, die bovendien maar een enkel blad hebben: de addertong en de maanvaren. Omdat ze maar één enkel blad hebben, kunnen ze er natuurlijk geen twee verschillende van maken. Er zit voor hen niets anders op om hun blad dan maar in tweeën te delen. De benedenhelft laten ze, zoals die is, de bovenhelft vormen ze om en maken die alleen geschikt voor sporen. Het lijkt wel, alsof er twee verschillende bladeren zijn, maar in werkelijkheid zijn het twee verschillende delen van één blad.

Varen met ‘bloeiwijze’. De maanvaren is een bijzondere varen. Hij bootst, hoewel de hele plant maar uit één blad bestaat, een bloeiplant na. Wat er op het plaatje als zaad uitziet, is in werkelijkheid de opgerichte, bovenste helft van een blad dat in een stuifmeel dragend blad veranderde.

De natuuronderzoekers die de fossielen van de oeroude planten hebben onderzocht, konden vaststellen dat de varens in vervlogen tijden veel groter en ook veel talrijker waren dan tegenwoordig. Onze huidige bloemplanten waren toen nog niet ontstaan en de varentrap was de hoogste trap in het plantenrijk. Niet alleen machtiger in hun groei en veel meer gevormd waren de varens toen, ze waren ook volmaakter. Vele ontwikkelden zich tot zeer hoge boomvarens, andere zochten net als lianen de ene boom na de andere. Weer andere kwamen zelfs niet tot op de grond naar beneden, maar die groeiden boven in het gebied van kruin. Tegenwoordig vind je alleen in het oerwoud nog van deze woekerende varengewassen.

We noemen de aardetijd waarin de varengewassen de hoogste planten waren en bijna de enige op aarde, de steenkooltijd, omdat door die uitbundige groei de steenkool is ontstaan.

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

23-21

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (17)

.

Gerbert Grohmann

‘Leesboek voor de plantkunde’

blz.59, hoofdstuk 17                                                                         alle hoofdstukken

 

OVER DE VARENS
Iedereen kent wel die altijd durende pracht van onze zomerse bossen en men geniet van de fraai gevormde bladeren. Wanneer er op schaduwrijke plaatsen in tuinen of parken varens worden geplant, ontplooien ze hun fiere trechters statig en mooi. Maar nog nooit heeft iemand er bloemen aan gezien, want de waaier van  bladen [men spreekt bij varens eerder van bladen dan van bladeren] van de varen-is hun hoogste trap. Als plant zonder bloem kan een varen natuurlijk ook geen vruchten en zaden hebben.
Toch is er iets wonderlijks aan deze planten. Al in het voorjaar wanneer je ze uit de grond ziet komen, kun je ze op het eerste gezicht al van de andere gewassen onderscheiden. Eerst vind je alleen maar een groepje bruine, halfronde koppen. Weldra echter wordt je getoond dat er iets naar boven komt. Dan zie je ook dat deze koppen in werkelijkheid opgerold zijn als een slak en wel zo dat ze allemaal naar een gemeenschappelijk middelpunt wijzen. Het duurt niet zo lang of de ‘slakken’ wikkelen zich uit tot de waaiervorm van de varen.

twee zich uitwikkelende varenbladen

Daarbij worden ze steeds maar kleiner en links en rechts van de sterke middennerf worden ook de zijblaadjes uitgevouwen. Het is een geheimzinnig gezicht, de zich afrollende varenstruik in de schemer van het bos. Je weet eigenlijk niet of ze je doen denken aan dieren met opgerolde koppen, de rug naar buiten gekeerd of dat ze wel lijken op een groepje mensen dat bij elkaar staat en samen praat.
Zijn de waaiers tenslotte helemaal uitgevouwen, dan staan ze als echte plantenbladeren in een cirkel. Van de slakken is niets meer te zien, want ze zijn tot het puntje van het blad recht getrokken.

Hoe komt het toch dat de varenwaaiers zo prachtig zijn en hoe is het te verklaren dat ze samen een trechter vormen. Dat komt omdat de varens geen bloemen hebben en alle kracht die de zon hun geeft, gebruiken om hun bladen zorgvuldig vorm te geven. En met hun bladtrechter die er bijna als een reuze bloemenkelk uitziet, nemen ze de vorm van een bloem alvast maar aan. Alles wat ze kunnen, volbrengen ze met hun bladen.

Naast de trechtervarens zijn er ook nog veel andere varensoorten. Ook in warme landen komen er veel voor. Je kunt deze uitheemse soorten soms in een hortus botanicus zien. De mooiste onder hen zijn de boomvarens die er bijna als palmen uitzien, want ze hebben een stam en het bladrozet zit daar bovenop, zich prachtig ontvouwend en mooi geleed. Vanzelfsprekend ziet degene die iets van varens begrijpt dadelijk dat hij geen echte palm voor zijn neus heeft. Hij herkent in het midden de jonge slak van de waaier. Het zal wel een toverachtig gezicht zijn in een bos rond te lopen dat uit louter boomvarens  bestaat.

eikvaren

De adelaarsvaren die ook in onze bossen vaak voorkomt, is over de hele wereld verspreid. Hij is zo hoog dat een kind er zich in kan verbergen. Zijn waaier vormt geen trechter en de lange stelen waarop de bladen zich uitbreiden, houd je in het begin voor stengels. Dat zijn ze niet, want varens hebben nooit stengels, over de hele aarde niet, alleen bladstelen, zoals je dadelijk ziet, wanneer je zo’n trechterblad uittrekt en apart bekijkt. Het is een stengel wanneer er knopen inzitten. Blad-en bloemsteeltjes hebben geen knopen. Dus zijn dit louter aparte, grote bladen die de warwinkel van adelaarsvarenbladen vormen.

linksboven: muurvaren; daaronder het grote waaiervormige blad van de mannetjesvaren; rechtsboven een blad van het dubbelloof; daaronder het blad van de gewone eikvaren 

Pak eens een waaierblad, wanneer het volop zomer is en draai het eens om, bekijk het eens goed! Je zult iets interessants ontdekken. Daar zie je namelijk dat de onderkant van het blad een merkwaardige bruine tekening vertoont. Dikwijls zijn het kleine of grote puntjes of streepjes, soms is ook de hele onderkant bruin gekleurd, alsof die verroest is. Bij de adelaarsvaren zit er aan de zijkant van het blad een smalle bruine rand. Wanneer je nu wil weten wat deze eigenaardige tekeningen betekenen, dan hoef je alleen maar het eenvoudige proefje te herhalen, wat je ook bij de paddenstoelen kan doen: Je neemt een varenblad en legt het op een wit vel papier. De volgende dag moet je dat er voorzichtig afhalen. Dan zie je dat de bruine puntjes of streepjes een afdruk op het witte papier hebben gemaakt, net zo als de voering van de paddenstoel; dus ook hier zijn er sporen uitgekomen. De bruine tekeningen op de bladeren hebben dan ook te maken met de voortplanting. Natuurlijk komen er uit de sporen wanneer die op de grond gevallen zijn, nieuwe varens. Maar de ontwikkeling daarvan is veel ingewikkelder dan bij de paddenstoelen. Er komt namelijk niet meteen een nieuwe varen uit een spore. Wie een ijverige natuuronderzoeker is, kan het verloop volgen. Het beste kun je voor dit doel een mooie trechtervaren uitzoeken, bv. een mannetjesvaren of een vrouwtjesvaren. In de nazomer moet je onder de waaier de bosgrond onderzoeken. Daar zal je een klein plantje ontdekken dat in de verste verte niet op een varen lijkt, want het ziet eruit als een heel klein algenplantje of als een stukje bronmos. De kleur is groen, zoals bij een blad, de vorm heeft iets weg van een hartje en het geheel is niet groter dan een centimeter. Wie wil er geloven dat dit kleine blaadje iets te maken heeft met varens? Toch is het zo en dat kun je weer ontdekken door goed waar te nemen. Onder de vele voorkiemen-zo noemt men zo’n klein hartvormig blaadje-zijn er wel die verder in hun ontwikkeling zijn. Er groeien namelijk heel kleine en eerst nog eenvoudige varenblaadjes op. Wanneer er een paar gegroeid zijn, komen ook al snel de eerste ‘slakken’, klein maar sierlijk.

stadia van de voorkiem

Steeds krachtiger worden de slakken, tot er een echte varenplant met een wortel gereed is. Zo wordt de kring gesloten en de voorkiem kan vergaan. Wanneer we tot slot nog een keer naar de varens kijken om te begrijpen wat ze in het bijzonder bereikt hebben, zien we: ze streven ernaar een bloemplant te worden; ze krijgen het echter nog niet voor elkaar en moeten zich i.p.v. door bloemen (stuifmeel en echt zaad) vermeerderen door sporen. Daarbij keren ze zich van de zon af naar beneden, i.p.v. naar boven, zoals de bloemenplanten.

Zoals iemand die iets geleerd heeft daar graag nog eens aan terugdenkt, zo herinneren de varens zich de vroegere algenfase. Hun herinnering is de voorkiem.

Maar de herinnering is al wel minder geworden: de voorkiem is klein-zoals je je ook sommige dingen niet goed meer herinnert. Ondanks dat kunnen de varens, wanneer ze naar hun grote bladen kijken, zeggen: ‘Wij zijn toch al bijna echte planten.’

varens uit andere landen

blad van de tongvaren. Deze varen vormt een uitzondering wanneer deze, zoals op de tekening te zien is, geen samengestelde, maar enkelvoudige bladen heeft, die iedere lente zich toch ook uit ‘slakken’ ontwikkelen. Dus is het blad ondanks zijn eenvoud, toch een echt varenblad.
De streepjes op het blad-aan de onderkant-zijn niet anders dan de plaatsen waar het stuifmeel gevormd en verstrooid wordt. Ook de tongvaren vormt een mooie trechter. De plant groeit het liefst op vochtige en schaduwrijke plaatsen; op steenachtige bosgrond, maar ook op muren en bij bronnen.

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

21-19

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (10)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.35, hoofdstuk 10                                                                            alle hoofdstukken

 

OVER DE VOLMAAKTE EN DE ONVOLMAAKTE PLANTEN EN OVER KLEINE KINDEREN

In de natuur komt geen wezen voor dat in zijn soort niet volmaakt is. Desondanks kun je bij dieren en ook bij planten over meer volmaakt en minder volmaakt spreken; je moet alleen in de gaten houden, hoe het bedoeld is.
Als de meest volmaakte planten worden namelijk die gewassen beschouwd die alle delen die er eigenlijk zijn, gevormd hebben, namelijk wortel, stengel, blad, bloem, zaad en vrucht. Iedereen weet toch dat veel planten geen bloemen hebben, zoals bv. de varens. Hun hoogste trap is dan het blad. Of neem eens de paardenstaart. Deze merkwaardige plant heeft niet eens bladeren. Hij vormt daarvoor in de plaats wel zijn stengels zorgvuldiger, maar bloemen in de eigenlijke zin van het woord heeft ook de paardenstaart niet. Dus staat ook hij lager in zijn ontwikkeling dan de bloeiende planten. Echt merkwaardig zijn de paddenstoelen, want die hebben noch stengels, noch bladeren. Daarom rekent men ze tot de allereenvoudigste gewassen die er zijn. De mossen en de korstmossen staan al weer wat hoger. Alleen al omdat ze er groen uitzien, kun je zeggen dat ze verwant zijn aan de bladdragende planten en ze hebben ook meestal heel kleine blaadjes en steeltjes. Als je wat aandachtiger naar de mosblaadjes kijkt, dan valt je op, hoe erg eenvoudig deze gevormd zijn. Niet eens nerven of vaten zijn er te bekennen en i.p.v. echte wortels hebben de mossen alleen maar zuigdraadjes, als ze al niet zomaar hun stengeltje in aarde laten overgaan.

De plantkundigen noemen daarom zulke eenvoudig gevormde gewassen: de lagere planten, omdat ze in de ontwikkelingsrij helemaal onderaan staan en omdat ze ook meestal vlak op de grond groeien. Varens en paardenstaarten worden weliswaar ook nog tot de lagere planten gerekend, maar ze zijn toch al veel volmaakter gevormd. Een hogere plant echter moet een bloem hebben, al is het maar een heel eenvoudige, zoals bij de naaldbomen, de kegel. Op z’n minst moeten er ook zaden gevormd worden. De hoogste planten zijn vanzelfsprekend de echte bloeiende planten. De zon geeft hun niet alleen bladeren, maar verandert deze ook nog in bloemen en met de bloemen komen ook voor ’t eerst de kleuren in het plantenrijk aan het licht, terwijl de lagere planten er allemaal groen uitzien. Alleen de paddenstoelen hebben kleuren. Maar dit komt door iets heel bijzonders en dat zal later verteld worden.

Wanneer je het plantenrijk volgt van de laagste tot de hoogste trap en ook alle tussenfasen bekijkt, krijg je een lange rij te zien. Deze toont je hoe de planten door de zon steeds beter leren al hun delen tevoorschijn te brengen.

Dat is eigenlijk net zoals bij de mensen. Een heel klein kind, dat net op de wereld gekomen is, moet ook langzamerhand leren, wat een mens moet kunnen. In ’t begin kan het bijna niets, zo’n kleine baby, alleen drinken en met z’n armpjes en beentjes in de lucht spartelen. Maar doel en orde zit er in deze bewegingen nog helemaal niet en het kan ook nog niets zinnigs met zijn ledematen uitvoeren. Het kan alleen maar wanorde maken.
Maar dat verandert echter, wanneer innerlijk het zielenlicht begint te branden. Spoedig kan het kind iets pakken en vasthouden, eerst de fles, dan leert het zitten en later kruipt het in de kamer rond, tot het eindelijk op z’n beentjes heeft leren staan en tenslotte heeft leren lopen. De grote mensen zeggen dan, dat het kind dagelijks knapper wordt en ze bedoelen daarmee, dat het steeds meer leert.

Later speelt het goed, weet waarom het handen en voeten heeft en weet hoe die te gebruiken. Ook in de ogen begint de glans van het ontwaakte zielenleven op te lichten. Want alleen dit zielenlicht is het, dat het kind leidt bij zijn daden en wandaden. Wanneer het spreken erbij komt, ontstaat de mogelijkheid iets te doorzien en zich uit te drukken. Als het dan eindelijk zes jaar is, kan het kind naar school, waar het leert schrijven en lezen en rekenen en nog veel meer. Maar wat moet er dan van tevoren al veel ontwikkeld worden.

Wanneer de zon op de aarde schijnt, is dat niet precies hetzelfde als ons zielenlicht, maar het is hoe dan ook, licht en ook in dit licht leeft goddelijke wijsheid. Precies zoals bij het kind het innerlijk licht, zo kan het uiterlijk licht pas langzamerhand aan de planten leren, steeds iets volmaakter naar buiten te brengen.

Eerst liggen de planten, de lagere dan, nog op de aarde of ze zwemmen eenvoudigweg in het water. Dan richten ze zich op, krijgen stengels en bladeren, leren hoe ze deze bladeren moeten vormen en kunstzinnig ordenen; de stengel wonderbaarlijk vertakken en geschikte wortels te vormen. En wanneer de bloemen verschijnen is dit voor de planten precies hetzelfde als voor een kind dat nu op school iets leren kan.

De planten nemen nu de insecten op, de kinderen echter de wijsheid. Dat is het verschil.

In de volgende hoofdstukken zal nu worden beschreven, hoe de planten zich gedragen, wanneer ze door de zon van de ene trap op de andere geplaatst worden en hoe de aarde daarbij meehelpt. De planten leren om steeds verder volmaakt te worden, tot ze tenslotte het meest volmaakte en het mooiste bereiken: de bloem.

De planten nemen nu de insecten op, de kinderen echter de wijsheid. Dat is het verschil.

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

14-12

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.