Tagarchief: paardenstaart

VRIJESCHOOL – Plantkunde – klas 5 (1)

.

OVER PLANTKUNDE IN KLAS 5

De verschijningen van het plantenrijk kunnen we verge­lijken met de groeistadia van een pasgeboren kind tot puber. De geaardheid van de plant vergelijken we met het karakter van de mens.
De plantenwereld is een een­heid en elke plant is verbonden met zijn omgeving. Elke plant is afhankelijk van de zon, de lucht, de aarde of het water en dus ook gebonden aan het jaargetijde of het klimaat.
Bekijken we de plant in haar omgeving, dan volgt hieruit dat plantkunde sterk samenhangt met aardrijks­kunde. De plant bezien we altijd in haar geheel, om dan vervolgens te kijken welke delen zij heeft: wortels, stengel, blad, bloem, vrucht en zaad. De bloeiende plant, die al deze delen heeft, noemen we de hoogste planten­soort. De laagste plant is die, welke het minst van deze kenmerken heeft.
De leerkracht stelt de planten voor als de begroeiing van de aarde, te vergelijken met de haren van de mens. Zonder planten was de aarde kaal. Zomers, als er aan de buitenkant van de aarde alles groeit en bloeit, is het in het binnenste der aarde stil. De aarde zelf “slaapt”. Daaraan tegengesteld is de winter: in de winter is het in het binnenste van de aarde heel actief en bewegelijk, de winter bereidt zich als het ware voor op de lente. De aarde waakt dan, net als de mens die wakker is en waarin van alles gebeurt. Deze voorstel­lingen probeert de leerkracht bij het kind op te roepen.

De laagste plant is de paddenstoel, [1] deze bloeit immers niet, heeft geen wortels,  stengel, groene bladeren, bloem, vrucht of zaad. De paddenstoel heeft wel veel water, aarde en schaduw nodig en groeit heel dicht bij de grond. De opening van de paddenstoel is naar de aarde gericht, niet naar de zon, in tegenstelling tot de bloei­ende plant. De fijne stof, die uit de hoed van de paddenstoel in de aarde valt, zorgt voor een netwerk van draden. Het stof is vrucht, bloem en stuifmeel tegelijk. We vinden paddenstoelen in alle kleuren, maar het zijn “kleuren van de aarde” en niet van de zon.

De geweldige uitbreiding die bij de boom boven de aarde plaatsvindt, blijft bij de paddenstoel in de grond. De paddenstoel vergelijken we met een zuigeling. Net als deze moet hij gevoed worden en heeft fijne voeding nodig. Beide gebruiken hun kracht om het voedsel te verteren en om te groeien, verder slapen ze.

We gaan dan over naar de korstmossen. Het korstmos heeft nog weinig vorm en ordening. Het steekt een heel klein beetje bo­ven de aarde uit en de stengeltjes staan allemaal dicht tegen elkaar aan, het steunt op elkaar. Het korstmos is sterk. We zoeken de plaatsen op waar het groeit. Dit mos heeft een stengelprincipe. We vergelijken het korstmos met een kind van enkele maanden, dat nog ongecontroleerd met armen en benen beweegt, dat grijpt en om zich heen kijkt, maar verder hulpeloos is.
We gaan naar de algen en wieren, die meebewegen in het water. Ze hebben licht en water nodig-, alleen in de lucht kunnen ze niet leven. Ze hebben bladgroen en kunnen daardoor zelf voedsel produceren. Hoewel ze veel op een groene plant lijken, hebben algen de ondersteuning van water nodig. We vergelijken ze met het kind dat kan zitten en krui­pen, maar nog niet alleen kan staan.
Het mos is eigenlijk al een echt plantje. Het is groen, heeft stengel en blaadjes en komt in vele verschillende vormen voor. Het heeft veel vocht nodig en maar een beetje zon. Het mos steunt echter nog geheel op de aarde, de stengels zijn nog niet krachtig en zelfstandig. Zo kunnen we dan mos vergelijken met een kind dat net kan staan en zijn eerste woordjes stamelt.
De volgende stap is naar de varens en de paardenstaarten. We ontdekken, dat deze wortels en groene bladeren hebben. De bladeren groeien al een flink eind boven de grond en komen in allerlei vormen voor. Bloemen hebben de varens niet, dus ook geen zaad of vruchten, doch slechts eenvoudige sporen die op de bladeren groeien. De varen kan haar voedsel voor haar bladeren gebruiken, zo­dat deze in volle pracht kan groeien. De varen is een echte plant en staat met haar wortels stevig in de grond. Varens en paardenstaarten beschouwen we als de middelste soorten uit het plantenrijk. We vergelijken ze met het kind omstreeks het derde jaar: het loopt en staat stevig, zegt “ik” en wordt zelfbewuster.

Vervolgens vertellen we over de naaldbomen, de altijd groene bomen die een rechte, sterke stam hebben waarmee ze tot hoog in de lucht kunnen rijken. Met hun naalden lijken ze de blaadjes van een boom te willen nadoen. Hoewel deze boom geen bloemen heeft, behoort hij toch al tot de bloeiende planten. Hun bloeiwijze bestaat uit ” kleine boompjes” op de takken. Als we goed kijken zien we zelfs in het midden van deze boompjes een klein stamme­tje. Daaraan zitten de schubben van de kegel, die tevens zaadjes bevat, vast. Met de geur van zijn hars wedijvert de naaldboom met de bloemen. De naaldboom vergelijken we met een kleuter: hoewel deze flink en zelfstandig is, leeft hij nog sterk in de nabootsing. Van de naaldbomen gaan we over naar de parallelnervige planten, de planten met een enkelvoudige bloeiwijze ( monocotyledonen). Voorbeelden hiervan zijn de bol­gewassen tulp, hyacint,  krokus en het sneeuwklokje, maar ook de grassen en granen.
We gaan hier in op de bolgewassen. De bloem van de bolgewassen is meestal in drieën gedeeld. Het lange gladde blad omvat van onderaf de stengel. In de grond verbergen ze een bloembol. In het vroege voorjaar laten deze planten zien, hoe snel ze kunnen groeien. Bij de eerste zonnestralen steken ze hun groene sprieten bov­en de aarde en ook de bloem volgt dan snel. Aan deze bloem kunnen we geen aparte kelk onderscheiden. De bloem opent zich in het zonlicht. We vergelijken de monocotyledonen met het kind omstreeks het zevende jaar tot en met het kind van tien jaar. In deze jaren staat het kind open voor wat het leert. Het wordt als het ware door nieuwe kennis verlicht. In het kind is nog veel verborgen dat niet uit de verf komt.
Nu gaan we over tot de eenvoudige dicotyledonen. Hiertoe behoren de meeste planten die wij kennen van de hei, het bos en van ’t veld, zoals het viooltje, de boterbloem, de dotterbloem, de anemoon en de paardenbloem. Al deze planten hebben veel licht en lucht nodig. Het kind echter nog als de bloem in knop: groene en ge­kleurde blaadjes zijn nog niet te onderscheiden, bloeien zal het pas later.  Kinderen tussen elf en veertien jaar vergelijken we met de dicotyledonen.

Het zijn de planten met een dubbele bloeiwijze:  ze hebben én kelkblaadjes én kroonblaadjes, (onder andere de ranonkel­soorten). We laten het kind zien waar het naartoe zal groeien. Het kind zal worden als een bloeiende roos. In hemzelf zullen groene kelkbladeren en kleurige bloembladeren te onderscheiden zijn. Heftige gevoelens en eigen gedachten en ideeën maken het persoonlijke van het kind kleurrijker.

Een plantkundeperiode in de vijfde klas.
Het lokaal ziet er heel anders uit dan anders op de eerste dag van de plantkundeperiode. Aan de wanden en kastdeuren han­gen grote kleurige aquarellen waarop onder andere dennenbomen, paddenstoelen, berken, varens, een tulp en een roos te zien zijn. Met uitbottende forsythia- en kornoeljetakken, zoet geurende hyacinten en een bakje gevuld met kussentjes mos, geven de tafel onder het bord een feestelijk aanzien. Fossielen en barnstenen met overblijfselen van planten, grote en kleine zaden en takjes katoenpluizenbollen liggen er los naast. Een stapeltje plantenboeken om in te snuffelen completeert het geheel. Zo, nu weten de kinderen zeker dat een plankundeperiode begint.

De lerares vertelt enkele inleidende bijzonderheden over planten, bijvoorbeeld dat de plant graag naar de zon wil groeien, dat het lijkt alsof de zon de planten naar zich toetrekt. Zij vertelt wat de klas in deze periode zal gaan doen: Ze zullen planten bekijken en bespreken, ze zullen veel planten schilderen en er ook over schrijven. Nadat het volgende gedichtje door een van de kinderen is voorgelezen, schrijven zij het van het bord over in de kersverse periodeschriften:

Ik wou dat ik zo wijd
mijn armen kon strekken.
Ik wou dat ik verblijd
mijn lichaam hoog kon rekken.
Ik wou dat ik zo rein
kon groeien en kon bloeien.
Ik wou dat ik zo fijn
mijn kleuren kon doen gloeien,
zodat iedereen kon zien
wat ik zo lang gemaakt heb.
(geschreven door de lerares)

Op de overgebleven ruimte op de bladzijde wordt een voor­jaarsbloem getekend. Wanneer de schriften en de kleurdozen weer in de kastjes liggen, volgt de klas de ontwikkeling van de paardenbloem door de seizoenen heen. De weg begint in de warme zomerlucht waardoor kleine parachuutjes zweven. Zij komen uit de witte pluizenboel. ’s Winters rust het zaad in de donkere aarde. Alle zaadjes “weten” precies wanneer het voor hen warm genoeg is om te ontkiemen. De lerares vertelt over de kiemworteltjes en de kiemblaadjes, over de bladvorming, over de knop en de bloem. Iedereen heeft weleens een paardenbloem geplukt, dus kunnen de kinderen zelf beschrijven hoe de bloem er vanbinnen uitziet. Heel kort horen zij iets over de bevruchting, het verleppen en het overblijven van het vruchtbeginsel. Wanneer de rol van de seizoenen aan de orde komt, wordt de aarde in de zomer vergeleken met de slapende mens, terwijl de aarde in de winter, als alles wordt voorbereid, van binnen wakker is.
Twee vragen krijgen de kinderen mee naar huis om over na te denken: Waar zouden onze gedachten en gevoelens zijn als wij slapen?
Wat is je vroegste herinnering?
Penselen, waterpotten, voorgeweekt papier en gele en blauwe verf worden uitgedeeld. Licht en water komen van boven – en van onderaf naar elkaar toe. Zij zoeken elkaar als het ware op. Het daarvoor gebruikte geel en blauw raken elkaar slechts even aan. Daar ontstaat een vleugje groen, net als­of op die plaats de eerste lentesprietjes uitkomen.

Dit gedichtje komt de volgende dag in hun schriften te staan:

De vier elementen
Zo vast en droog de aarde is,
Zo nat en vloeiend het water is.
Zo licht en vluchtig is de lucht,
De warmte rijpt de vrucht.
                                                                                            (lerares)

De verschillende stadia van de paardenbloem en de daarbij be­horende jaargetijden vatten de kinderen zelf samen, in terug­gaande lijn:

pluisje                                             – eind zomer

bloem                                              – zomer

knop                                                 – lente

wortel, steel, blad                          – lente
kiembladeren,

kiemwortel                                     – lente

zaadje                                              – winter, herfst

Wanneer zij vertellen over hun allereerste herinnering, blijken deze vaak met schrikbelevingen te maken hebben: een gat in je hoofd, in het water gevallen, een kop thee over je benen, een vechtpartij op straat…….
Een meisje meende zich zelfs te herinneren uit de kinderwagen te zijn gevallen. Over de vraag waar je gedachten en gevoelens zijn als je slaapt, hebben de kinderen nauwelijks nagedacht, dat vonden ze zo’n stomme vraag. Het eenvoudigste antwoord leek hen: ” Die slapen ook!”
De juf gaat er dan verder maar niet op in. Een jongen heeft spontaan enkele takken met katjes meegebracht die al helemaal geel zijn. Voor de klas vertelt hij er van alles over en tekent zelfs een dwarsdoorsnede van een katje op het bord. De lerares gaat door op zijn verhaal. Zij vertelt over de bloei van bomen, over stuifmeel en het bijenbezoek, over de verschillende zaadvormen, over het verspreiden van het zaad door de vogels en de wind. Het water en het licht worden weer geschilderd, maar ze weten nu al beter wat ze met elkaar kunnen doen. Met behulp van de aarde vormen ze een plant, die omhoog naar de zon groeit en haar blaadjes één voor één uitstrekt naar beide kanten. Wanneer deze per kind zo verschillende planten de volgende dag beke­ken worden, lijkt de ene plant in een moeras te staan, de andere op een berg of in een woestijn. De kleursterkte en de hoeveelheid lucht en water in de schilderingen maken deze verscheidenheid aan planten mogelijk.

Nadat de leerstof van de vorige dag heel kort met behulp van de kinderen herhaald is, vertelt de lerares uitgebreid over paddenstoelen. Tot slot maakt zij een vergelijking met een volledige plant: Bij de paddenstoel blijft alles onder de aarde, behalve de top. Hij wil niet veel weten van de zon. Thuis moeten de kinderen een gedichtje over de paddenstoelen maken.
Nogmaals schildert de klas de plant van gisteren, maar nu met vier kleuren. De aarde geeft stevigheid aan de wortels en een lichte waas van warmte die de knop omhult, brengt de rode bloem tot bloei. Weer ontstaat bij ieder kind een ander soort bloem: een strobloem, een rode zonnebloem, een pioenroos, een cactus…..

Enkele paddenstoelgedichtjes worden voorgelezen. Daarna schrijven de kinderen hun eigen vers stilletjes in hun schrift. Sommige vinden andermans gedicht zo leuk, dat ze die ook op schrijven:

Paddestoel klein
en paddestoel rond,
jij staat zomaar op de grond,
op het zachte groene mos
in het grote dennenbos.
(leerling)

Kleine tekeningetjes in de opgespaarde ruimtes laten geheime plekjes in het bos zien, waar paddenstoelen het naar hun zin hebben. De lerares leest nog eens enkele herinneringen van de kinderen voor. Dan merkt zij op dat een baby eigenlijk net zo afhankelijk en hulpeloos is als de paddenstoel. Beiden kunnen zich niet zelf voeden en toch groeien zij allebei heel snel en zijn even rond van vorm.
In de paarsblauwe schaduw van een boom­stam sparen de kinderen de vorm van paddenstoelen uit.
De donkere aarde biedt de nodige beschutting. De stemming op de schilderbladen is die van een geheimzinnige vollemaansnacht. Nadat de kinderen hebben gehoord over de korstmos en diens reacties op water en zon en diens voorzichtige pogingen blad te vormen, schrijven zij dit gedichtje van het bord over:

Korstmos zo hoog op de rots
leef je van water en zon.
Jij groeit daar zo trots,
waar niets meer leven kon.
Jij bent zo kleurig en klein,
maar je kunt niet veel
meer dan een paddenstoel zijn,
zonder wortel en zonder steel.
( lerares)

De diepzee en haar oerwouden van veelkleurige en veelvormige algen en wieren zijn nu het onderwerp van de les. In het water gevormd en nog net niet verstoken van het licht, deinen deze wortelloze planten mee met de beweging van het water.  Zij wor­den als het ware door het water gedragen, maar kunnen zich nog wel aan de zeebodem vasthechten. De lerares vertelt nu over de ontwikkeling van het kleine kind, hoe het leert eten, zit­ten, kruipen en staan.

Wouden van wier en algen in vele kleurschakeringen en vormen, die zacht onder water bewegen, verschijnen op het vochtige papier. Eerst schilderen de kinderen het blauwe water en daarna de planten. Daartussen zwemmen kleine felgekleurde vissen, octopussen en kwallen.

Die dag hebben de kinderen thuis gedichtjes gemaakt. De volgende ochtend worden enkele voorgelezen, waarna er een wordt uitge­kozen om naast het eigen gedicht op te schrijven in de schriften:

Daar staat een alg diep onder zee,
zijn bladeren gaan met de golven mee.
Een alg heeft een ontzettend groot blad,
en die voelt natuurlijk heel erg nat.
De vissen zwemmen tussen de bladeren door
en bijten soms in een rechteroor,
want vissen eten graag algen.
Mij lijkt het om te walgen!
( leerling )

Ranke algen en kleurige visjes op de lichtblauwe zee­bodem versieren de rest van de bladzijde. Op het volgende blad komt te staan:
We hebben een vergelijking gemaakt tussen de plantenstadia en de ontwikkeling van het kind:
paddestoel    – baby: rond, hulpeloos, afhankelijk,

korstmos       – enkele maanden oud: het kind leert zich bewegen, grijpen en                                           kijken,

algen               – ongeveer een jaar oud: het kind kan zitten en kruipen, maar                                              nog niet alleen staan,

mossen          – na het eerste jaar; het kind kan alleen staan en begint                                                         woordjes te zeggen.

Nu zijn de mossen aan de beurt. Onder de bomen in het bos die nu nog helemaal kaal zijn, vind je de prachtigste groene plekken. Je vindt daar een soort mininatuur van heel veel kleine plantjes. Deze hebben veel van de vormen die we ook in het plantenrijk onder de “grote” planten tegenkomen: struiken, palmen, bomen. De kinderen horen over het bloemetje, de bestuiving, het sporendoosje op zijn lange stengel, over zijn behulpzaamheid aan de bomen, over de vroegere moerassen in ons land en het ontstaan van turf.
Dan wordt het mos geschilderd: op een licht plekje in het bos, waar de zon net tussen de bomen door kan schijnen, groeien kleine kussentjes mos in allerlei groene tinten. Daar bovenuit groeien de prachtigste lichtgroene varens met hun lange bladeren en hun krullen.

De lerares vraagt de kinderen thuis een herinnering over de eerste tijd op school op te schrijven. Wanneer zij deze een dag later aan elkaar hebben verteld, wijst de lerares hun op het verschil tussen de tijd van hun vroegste herinnering en die toen ze een jaar of zes waren. Hoeveel meer weten, voelen en kunnen ze al….  Zij geeft een be­schrijving van een kind dat iedereen in zijn omgeving nabootst en op een gegeven moment beseft dat het zelf een ” ik ” is. Wanneer de kinderen de mos – en varen­schilderingen van de vorige dag bekijken, krijgen zij meer over de varens te horen. Deze hebben samengestelde veernervige bladeren, waarop aan de achterkant sporen groeien.

Wanneer je zou proberen ze uit te graven, merk je dat ze stevig in de aarde staan:  ze hebben wortels. De varens hebben geen echte stengels en ook geen bloemen.

De lerares beschrijft de sfeer van, het dennenbos met de rood­achtige gloed van de afgevallen naalden, de donkere zwijgzaam­heid van de streng gevormde bomen.
Achter het bos kleurt de avondhemel rood….. ‘Een uur later zijn deze bossen geschilderd en liggen de schilderingen te drogen in het waterige voorjaars­zonnetje.
De volgende dag worden de belangrijke dingen over de varens nog eens aangestipt en daarna schrijven de kinderen zelf wat ze nu over de varens weten:

De varens zijn bladeren, gelijk uit de grond. In warmere landen zijn ze net zo hoog als een boom. Daar leven de wortels een halve meter onder de grond. Het samengestelde blad heeft tientallen blaadjes aan de zogenaamde steel. Varens zijn er hier in Noord – Holland. Er zijn vele soorten varens.  Ze hebben sporen op hun bladeren en leven van water en licht.
( uitwerking leerling )

Besproken wordt de ontwikkeling van het kind van drie tot zes jaar, het eerste “ik”- zeggen, zijn spel en zijn grenzeloze fantasie. Wanneer de kinderen de bijzonderheden van de dennenboom hebben gehoord, kondigt de lerares aan dat ze morgen over de dicotyl en de monocotyl zullen praten en dat ze nu een van die planten gaan schilderen.
Ze beginnen met blauw van onderen en geel van bovenaf. Onder de aarde heeft de tulp haar bruine bol met de kleine witte worteltjes. Het lange blad omvat van onderaf de stengel. Om de bloem heen schilderen de kinderen de lichte, roodachtige waas van de warmte. Na een korte herhaling over de naaldbomen schrijft de klas er weer een stukje over. Ze mogen dat ook in gedicht – of gespreksvorm doen. Ook eigen ervaringen en herinneringen die met naaldbomen te maken hebben, mogen in het schrift komen.

De dennen hebben geen bladeren, maar naalden. Aan de takken groeien dennenappels. Die zijn roodbruinig. De stam is kaarsrecht en in het voorjaar zit er veel hars aan. Er zijn vele soorten naaldbomen: sparren, fijnspar en nog, veel meer. De grove den of pijnboom is een bijzonder taaie naaldboom, die men herkent aan de lichtrode schors en de blauwgroene naalden. De naalden van een den ruiken naar citroen en prikken. In de herfst en in de winter blijven ze groen.
(uitwerking leerling)

De kinderontwikkeling van het zesde tot veertiende jaar wordt nu beschreven: het voor het eerst naar de grote school gaan, het willen leren, de gevoelens van eenzaamheid rond het negende jaar en dan het langzaam bewuster worden van de eigen gevoelswereld en het komen tot eigen gedachten en ideeën. Zo horen de kinderen niet alleen wat ze zelf kunnen herkennen, maar tevens wat nog komt, waarnaar ze kunnen uit­kijken.
Op het bord staat een wilde roos getekend. Een uitgebreid wortelnet houdt de plant stevig in de aarde. De ver­schillen worden behandeld tussen de tulp, die al in het voorjaar uitschiet en de roos, die geduldig werkt aan haar steeds fijner en uitgewerkter samengestelde blaadjes en die rustig de tijd neemt voor de knop, waar zij in de groene kelk de gekleurde kroonbladeren verborgen houdt. Tenslotte ontvouwt zij haar bloem in de vorm van een vijfster. Alle elementen, de lucht, het water, de aarde en de zon, werken ten volle met haar mee.

Wanneer de kinderen de roos gaan schilderen, vraagt de lerares hun net zo veel geduld en nauwkeurigheid uit te oefenen als de roos zelf doet. Zij hebben tijdens deze periode veel plezier gekregen in het steeds terugkerende schilderen, maar nu zoemt het in het lokaal van de ijver. De prachtigste rozen, van verfijnd tot uitbundig, ontstaan op de vochtige schilderbladen. De laatste periodeweek is bestemd voor allerlei uitstapjes. De eerste dag gaat de klas op de fiets naar het Jacques P. Thijssepark, waar ze in groepjes langs kronkelpaadjes, bruggetjes en sloot­jes komen om het park te verkennen. Sommige kinderen gaan meteen Indiaantje spelen als ze de bosjes zien, anderen kletsen meer dan ze kijken, maar er zijn er ook die met de juf willen meelopen en haar van alles aanwijzen wat ze van de plantkundelessen herkennen. Weer terug in de klas schrijven de kinderen een verslagje.

Het tweede uitstapje leidt naar het Amsterdamse Bos. Van tevoren is de klas in tweeën gesplitst en deze helften zijn elk in vijf groepjes van drie personen opgedeeld. Beide helf­ten krijgen een geheim woord op dat uit vijf letters bestaat. Elk drietal krijgt een letter tot zijn beschikking en moet een vraag bedenken, waarvan het antwoord met deze letter begint. De vragen moeten met plantkunde te maken hebben. Op een groot ruig veld, dat omringd wordt door bosjes en sluippaden,worden de fietsen neergezet. De groepjes van de ene klassenhelft krijgen vijf minuten de tijd om zich in het struikgewas te verbergen, de groepjes van de andere helft gaan even later op zoek en moeten bij elke gevonden post een vraag beantwoorden of een opdracht uitvoeren, bijvoorbeeld:

–  Wijs een mini- oerwoud aan.

–  Zoek twee bladeren: een veernervig en een parallelnervig.

–  Zoek een boom met witte schors. Hoe heet deze boom?

Bij elk goed beantwoorde vraag of uitgevoerde opdracht krijgt de zoekgroep een letter dat in het geheime wachtwoord past.
Op deze wijze zijn de kinderen tijdens hun spel toch in gedachten bezig met de plantkunde, terwijl ook de mistige maartstemming, het uitbottende groen om hen heen en de drijvende planten in de sloot hun niet zijn ontgaan.
In het Vondelpark gaat de klas eerst bomen bekijken en daarna ook natekenen. Op een veld staan twee reusachtige kastanjebomen. Die willen de kinderen tekenen. Al gauw zoeken zij een plekje in het gras om te beginnen. Meegebrachte plastic vuilniszakken moeten de broeken beschermen tegen het vochtige gras.

Maar helaas, het begint te druppelen. “We gaan gewoon door hoor!”,  laten de kinderen weten. Toch worden zij door een lange plensbui het park uitgejaagd. Daar gaan ze weer, dwars door de stad, koude regen op hun hoofd, rode handen aan het stuur, gemopper…… Terug in de klas moeten zij bijkomen bij de kachel met warme chocolademelk. Slechts zeven tekeningen hebben de terugtocht overleefd. Na deze koude belevenis willen de kinderen de dag daarna niets liever dan in alle rust schrijven en tekenen in de behaaglijkheid van het lokaal.
Een mooie gelegenheid om het gedicht van de roos en de tulp, dat al een paar dagen op het bord stond, over te schrijven. Natuurlijk hoort daar een tekening bij.

Over de tulp en de roos.

De tulp,  zij heeft verborgen
al haar delen in het klein.
Zo vlug als de zon in de morgen
kan zij er in de lente zijn.
En de roos is zo voorzichtig.
Diep wortelt zij in de aarde.
Alle elementen evenwichtig
benut zij hun waarde.
(lerares)

In een bijna transparant geschilderde achtergrond van lichtgeel en rose worden drie witte boomstammen uitgespaard. In heuvelachtige landschappen staan even later drie berkenbomen bij de één met korte, dikke stammen, bij de ander smal en rank.

De hangende en opwaaierende bladersluiers hebben alle nuances tussen geel en donkergroen. Donkerbruine vlekken verlevendigen de witte bast.

Tijdens de laatste les leggen de kinderen hun schilderingen op de juiste volgorde, maken van dun karton een kaft, die van een opschrift en een tekening wordt voorzien en zetten het boekwerk met een klemmetje vast.

Tenslotte reciteren de kinderen nog eens alle gedichten uit deze periode. Tussendoor vertelt de juf nog iets nieuws over sommige plantensoorten.  “Wie heel goed kijkt, kan heel veel bijzondere dingen over de planten aan de weet komen.”

Heemkunde, Geert Grooteschool Amsterdam, jaartal onbekend)

[1] Zie de opmerking in de reactieruimte

De ontwikkeling van het kind en de samenhang met de plantenladder vind je vooral in het leesboek voor de plantkunde

.
Plantkunde: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klasplantkunde

.

243-229

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (19)

.

Gerbert Grohmann

‘Leesboek voor de plantkunde’

blz.70, hoofdstuk 19                                                                     alle hoofdstukken

 

OVER DE AKKERPAARDENSTAART EN ZIJN FAMILIE
Op zanderige tot klei-achtige akkers, maar ook langs de randen van straten, op bouwplaatsen en op spoordijken breiden zich dikwijls de paardenstaarten uit. Ze zien eruit als kleine dennenboompjes met hun grasgroene ribbenachtige opbouw. Het opvallendste aan hen is, dat ze geen bladeren hebben, want ze bestaan uit louter stengeldelen. Daarom kun je eerst niet bevroeden hoe nauw verwant ze met de varens zijn en dat ze zelfs tot de varengewassen behoren. Er zou een volledige plant ontstaan, wanneer je de bladen van de varen zou kunnen nemen en die aan de stengels van de paardenstaart zou kunnen zetten.
Hier zie je nog een keer dat de planten van de varentrap nog niet de kracht hebben, echte planten te zijn, want de zon maakt eerst weer twee verschillende plantensoorten van hen. De ene zijn de varens. Aan hen geeft de zon de mooie bladen, terwijl de paardenstaarten alleen de stengels hebben. Het komt in de natuur soms voor, dat pas twee planten samen één volmaakte vormen.
De paardenstaarten zijn in hun soort toch wonderbaarlijk sierlijk gevormd. Zowel de stengeldelen, alsook de zijtakjes zijn fijn geleed. Ze bestaan uit louter korte stukjes die kunstzinnig in elkaar geschoven zijn, zodat je ze uit elkaar kunt trekken. Neem je de zijtakjes in je hand dan lijken het net insectensprieten of lange spinnenpoten, die ook zo geleed zijn en laat je ze door je vingers glijden, dan voel je hoe ruw ze zijn. Dat komt omdat er fijne kiezel, een tere glaslaag omheen zit. Je hoort het duidelijk knisteren, wanneer je een paardenstaart schudt. Vroeger werden de paardenstaarten gebruikt om tin te schuren. Bovendien hangt met het rijke gehalte aan kiezel samen, dat de paardenstaart een goed geneesmiddel is.
Nu kun je aan de groene paardenstaart niet het geringste ontdekken waardoor je zou kunnen zeggen hoe die stuifmeel of sporen vormt en als de paardenstaarten varens zijn, dan moeten ze toch sporen vormen. Daar zit weer een geheim in verborgen dat je pas ontdekt, wanneer je niet alleen de groene stengels bekijkt, maar ook de plaats waar ze groeien. Hij doet erg voornaam, deze paardenstaart. Hij gedraagt zich als een klein dennenboompje en is erg in zijn sas en hij heeft er geen zin in zich te ontsieren met die sporen. ‘Die delen die sporen maken, moeten maar op eigen benen staan’, zegt hij bij zichzelf. En zo laat hij dan, al vóór zijn groene stengels ontspruiten, andere, niet-groene stengels uit zijn langgestrekte onderaardse stengeldelen tevoorschijn komen. Je vindt ze heel vroeg in ’t voorjaar, vaak al in maart, op dezelfde plaatsen waar later de groene boompjes zullen staan. Wie niet weet dat deze vruchtbare opschieters bij de groene stengels horen, die herkent het ook niet dadelijk. Ze zien er namelijk bruinachtig uit. Maar ze zijn net zo geleed als de groene stengels. Bovenop zit een klein kegeltje, net een kleine sparappel. Maar het zijn geen schubben, zoals bij een echte sparappel. Het zijn uitsluitend uiterst kleine paddenstoelen. Vanbuiten zie je alleen maar veel regelmatige zeshoekjes, zoals bij een honingraat. Buig je de kegel echter wat, dan zie je ook de korte steeltjes van de zeshoekige paddenstoelenhoed en waar bij de paddenstoel de voering zit, hangen bij de paardenstaart twaalf witte ‘zakjes’. Dat zijn de sporenzakjes. Zo doet een paardenstaart dat, wanneer hij het deel met de sporen niet bij zich wil hebben. Hij wil met de paddenstoelachtige eenvoud niets meer te maken hebben. Dat vindt hij te aards-te plomp. Dat zet hij van zich af-precies zoals de varens doen met de algentrap-en zet ervoor in de plaats een vruchtbare stengel. Daardoor kan hij dan zijn onvruchtbare stengel ongestoord naar de zon richten. De zon geeft deze die mooie geledingen en doet hem naar alle kanten stralen alsof hij zelf de zon in zich draagt. Jammer dat de paardenstaart toch nog een varen is! Dus hij heeft er niet zoveel aan dat hij de paddenstoel afgezworen heeft, want tot een echte bloeiplant brengt hij het nog niet, al vormen zijn stengels nog zulke mooie boompjes.

rechts twee voorjaarsscheuten van de akkerpaardenstaart met de sporenaren, links een groene, onvruchtbare stengel

Wat de akkerpaardenstaart doet, doet de reuzenpaardenstaart ook, waarvan de groene, onvruchtbare scheuten op vele plaatsen echte kleine bossen vormen, die toch nog meer dan een meter hoog worden, in ’t bijzonder op vochtige, moerassige plaatsen. De voorjaarsscheuten zijn kort en dik en lijken nog veel meer op paddenstoelen dan de dunne voorjaarsscheuten van de akkerpaardenstaart. Andere paardenstaartensoorten zijn weer iets eenvoudiger. Ze vormen eerst een groene stengel en zetten hun sporendoosjes bovenop de punt. Zo doet bv. de bospaardenstaart het. Daar zitten de onvruchtbare en vruchtbare stengels al ineen en pas wanneer de sporendoosjes verwelken, spruiten de groene zijstukjes in stralenvorm uit de stengel. Dus de vruchtbare en onvruchtbare stengel zijn hier gescheiden in de tijd.

In het ondiepe water van vijvertjes, sloten en poelen, kun je soms dicht bij elkaar staande paardenstaarten vinden die geen zijtakjes hebben. Je denkt eerst dat het riet is, vooral wanneer ze groot worden. Omdat ze èn hard èn hol zijn, lijken ze ook wel op bamboe.

Onder de fossielen van de steenkooltijd komen ook veel afdrukken voor van paardenstaarten. Maar deze oerwereldpaardenstaarten moeten veel groter geweest zijn, groter dan onze reuzenpaardenstaart. De onderzoekers hebben ontdekt dat ze zo groot als bomen moeten zijn geweest met dikke stammen, echte boomstammen. Hoe klein en onwerkelijk lijken onze paardenstaarten dan nu. Maar zo verandert het leven op aarde.

Wanneer er iets nieuws ontstaat, zoals bv. de bloeiplant, moet het oude eerst kleiner worden of helemaal verdwijnen.

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

24-22

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (10)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.35, hoofdstuk 10                                                                            alle hoofdstukken

 

OVER DE VOLMAAKTE EN DE ONVOLMAAKTE PLANTEN EN OVER KLEINE KINDEREN

In de natuur komt geen wezen voor dat in zijn soort niet volmaakt is. Desondanks kun je bij dieren en ook bij planten over meer volmaakt en minder volmaakt spreken; je moet alleen in de gaten houden, hoe het bedoeld is.
Als de meest volmaakte planten worden namelijk die gewassen beschouwd die alle delen die er eigenlijk zijn, gevormd hebben, namelijk wortel, stengel, blad, bloem, zaad en vrucht. Iedereen weet toch dat veel planten geen bloemen hebben, zoals bv. de varens. Hun hoogste trap is dan het blad. Of neem eens de paardenstaart. Deze merkwaardige plant heeft niet eens bladeren. Hij vormt daarvoor in de plaats wel zijn stengels zorgvuldiger, maar bloemen in de eigenlijke zin van het woord heeft ook de paardenstaart niet. Dus staat ook hij lager in zijn ontwikkeling dan de bloeiende planten. Echt merkwaardig zijn de paddenstoelen, want die hebben noch stengels, noch bladeren. Daarom rekent men ze tot de allereenvoudigste gewassen die er zijn. De mossen en de korstmossen staan al weer wat hoger. Alleen al omdat ze er groen uitzien, kun je zeggen dat ze verwant zijn aan de bladdragende planten en ze hebben ook meestal heel kleine blaadjes en steeltjes. Als je wat aandachtiger naar de mosblaadjes kijkt, dan valt je op, hoe erg eenvoudig deze gevormd zijn. Niet eens nerven of vaten zijn er te bekennen en i.p.v. echte wortels hebben de mossen alleen maar zuigdraadjes, als ze al niet zomaar hun stengeltje in aarde laten overgaan.

De plantkundigen noemen daarom zulke eenvoudig gevormde gewassen: de lagere planten, omdat ze in de ontwikkelingsrij helemaal onderaan staan en omdat ze ook meestal vlak op de grond groeien. Varens en paardenstaarten worden weliswaar ook nog tot de lagere planten gerekend, maar ze zijn toch al veel volmaakter gevormd. Een hogere plant echter moet een bloem hebben, al is het maar een heel eenvoudige, zoals bij de naaldbomen, de kegel. Op z’n minst moeten er ook zaden gevormd worden. De hoogste planten zijn vanzelfsprekend de echte bloeiende planten. De zon geeft hun niet alleen bladeren, maar verandert deze ook nog in bloemen en met de bloemen komen ook voor ’t eerst de kleuren in het plantenrijk aan het licht, terwijl de lagere planten er allemaal groen uitzien. Alleen de paddenstoelen hebben kleuren. Maar dit komt door iets heel bijzonders en dat zal later verteld worden.

Wanneer je het plantenrijk volgt van de laagste tot de hoogste trap en ook alle tussenfasen bekijkt, krijg je een lange rij te zien. Deze toont je hoe de planten door de zon steeds beter leren al hun delen tevoorschijn te brengen.

Dat is eigenlijk net zoals bij de mensen. Een heel klein kind, dat net op de wereld gekomen is, moet ook langzamerhand leren, wat een mens moet kunnen. In ’t begin kan het bijna niets, zo’n kleine baby, alleen drinken en met z’n armpjes en beentjes in de lucht spartelen. Maar doel en orde zit er in deze bewegingen nog helemaal niet en het kan ook nog niets zinnigs met zijn ledematen uitvoeren. Het kan alleen maar wanorde maken.
Maar dat verandert echter, wanneer innerlijk het zielenlicht begint te branden. Spoedig kan het kind iets pakken en vasthouden, eerst de fles, dan leert het zitten en later kruipt het in de kamer rond, tot het eindelijk op z’n beentjes heeft leren staan en tenslotte heeft leren lopen. De grote mensen zeggen dan, dat het kind dagelijks knapper wordt en ze bedoelen daarmee, dat het steeds meer leert.

Later speelt het goed, weet waarom het handen en voeten heeft en weet hoe die te gebruiken. Ook in de ogen begint de glans van het ontwaakte zielenleven op te lichten. Want alleen dit zielenlicht is het, dat het kind leidt bij zijn daden en wandaden. Wanneer het spreken erbij komt, ontstaat de mogelijkheid iets te doorzien en zich uit te drukken. Als het dan eindelijk zes jaar is, kan het kind naar school, waar het leert schrijven en lezen en rekenen en nog veel meer. Maar wat moet er dan van tevoren al veel ontwikkeld worden.

Wanneer de zon op de aarde schijnt, is dat niet precies hetzelfde als ons zielenlicht, maar het is hoe dan ook, licht en ook in dit licht leeft goddelijke wijsheid. Precies zoals bij het kind het innerlijk licht, zo kan het uiterlijk licht pas langzamerhand aan de planten leren, steeds iets volmaakter naar buiten te brengen.

Eerst liggen de planten, de lagere dan, nog op de aarde of ze zwemmen eenvoudigweg in het water. Dan richten ze zich op, krijgen stengels en bladeren, leren hoe ze deze bladeren moeten vormen en kunstzinnig ordenen; de stengel wonderbaarlijk vertakken en geschikte wortels te vormen. En wanneer de bloemen verschijnen is dit voor de planten precies hetzelfde als voor een kind dat nu op school iets leren kan.

De planten nemen nu de insecten op, de kinderen echter de wijsheid. Dat is het verschil.

In de volgende hoofdstukken zal nu worden beschreven, hoe de planten zich gedragen, wanneer ze door de zon van de ene trap op de andere geplaatst worden en hoe de aarde daarbij meehelpt. De planten leren om steeds verder volmaakt te worden, tot ze tenslotte het meest volmaakte en het mooiste bereiken: de bloem.

De planten nemen nu de insecten op, de kinderen echter de wijsheid. Dat is het verschil.

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

14-12

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.