Tagarchief: 5e klas

VRIJESCHOOL – 5e klas – uit het leerplan

.

De kopjes zijn door mij aangebracht.

LEERPLAN VAN DE VIJFDE KLAS

De 5e-klasser
Een grootse adem gaat door het leerplan van de vijfde klas.
De belangstelling voor de buitenwereld wordt mondiaal in de aardrijkskunde en geschiedenis. Maar ook wordt denkend een poging tot benadering van het innerlijk gedaan.
De eerste interesse. voor ontwikkeling, samenhang van binnen- en buitenwereld, begrip voor oorzaak en gevolg, en verschijnselen van het menselijke zieleleven, vragen van leven en dood en andere diepgaande problemen, gaat ontstaan.

Na de psychologische crisis van de vierde klas, samenhangend met het beleven van “Ik en Wereld”, in hun tegengesteldheid, wordt door de vijfdeklasser meestal een zeker evenwicht hervonden. Het kind wordt harmonischer, het voelt een nieuwe zekerheid komen door de begripsmatige benadering van de wereld, die langzaamaan binnen zijn bereik gaat komen. Deze zekerheid geeft innerlijke kracht, zodat het kind weer wat van zichzelf losraakt en het vermogen kan ontwikkelen om waar te nemen, oog te hebben voor “de ander” en “het andere”. Dit wordt dan beleefd als een positieve factor in de eigen ontwikkeling.

Nu, het leerplan biedt veel kansen om oog voor de wereld te hebben.

aardrijkskunde
Ruimtelijk in de aardrijkskunde, die van het economische moet uitgaan. Hoeveel mensen werken voor je om je thee, koffie, brood, boter en suiker op de ontbijttafel. te krijgen?
Landbouwers, veetelers, vervoerders, groot- en kleinhandelaren, het is een kringloop van belangen, die te denken geeft.

Of men wil of niet, men werkt voor elkaarI Het kind, dat zegt “we betalen er toch voor?”, wordt dadelijk gecorrigeerd; als het dan niet door de andere kinderen is, dan toch door het Griekse verhaal van Midas, die moest verhongeren omdat hij de gave had gekregen alles in goud te veranderen, wat hij aanraakte. Deze koning Midas kreeg dan ook ezelsoren!

De “ontbijttafel” leidt al naar Brazilië, Cuba, China, India.
Waar en onder welke omstandigheden groeien koffie, thee, suikerriet, pindanoten? Waarvandaan komt ons graan?

Enfin, machtig interessante dingen! De intelligentie van de vijfdeklasser ontwaakt voor uiterlijke dingen. Wat is geld waard? Wat menselijke arbeid? Wat producten of productiemiddelen? Het kind kan erover denken. Maar nog op
onegoïste wijze.

Nederlandse taal
In de taallessen is het belangrijk te oefenen in spreken en schrijven, hoe je uitdrukt, dat jijzelf iets denkt of zegt, of een ander! Ook is het heel belangrijk mee te leven in de uitdrukkingswijzen van “doen” en “ondergaan”. Het is een heel verschil om mee te leven met de slager of met de koe. Het oefenen van actieve en passieve vormen, van directe en indirecte rede is bijzonder vruchtbaar voor een steeds genuanceerder taalgebruik.

geschiedenis
Ook de geschiedenis begint in de vijfde klas. Evenals de aardrijkskunde is deze geschiedenis mondiaal.
Wereldgeschiedenis dus.
Tienduizend jaar terug gaan in de tijd is niet gering. De IJstijdcatastrofe leidde tot een nieuwe reeks cultuurperioden, waarin ook wij onze plaats hebben. Er worden beelden geschetst van deze culturen: India, Perzië, Egypte en Babylon, Israël, Griekenland en Rome.

Hoe waren die volken? Waar liggen hun landen? Wat heeft hun cultuur bijgedragen tot de ontwikkeling van de mensheid? Welke zijlijnen kunnen getrokken worden naar onze eigen tijd?
Het thema van de ontwikkelingsgedachte, reeds aangeslagen in de derde klas, bij de verhalen uit het Oude Testament, komt nu met zijn causale aspecten onder de aandacht. Geschiedenis heeft een ontwikkelingsrichting.

In de vijfde klas komt in hoofdzaak de mythologie van de Grieken aan de orde.

Maar ook de verhalen van de Hindoes staan ia de belangstelling. Beide mythologiën zijn filosofisch getint.

biologie
In de biologie wordt van dierkunde de overgang gezocht naar plantkunde. De plant heeft een dubbele wetmatigheid; die van een grond-idee, die in de materie gerealiseerd wordt en zich handhaaft, en die van een variabel karakter, dat geheel wordt bepaald door de krachten van de omgeving. De plant in zijn wetmatigheden, zijn metamorfosen en vormveranderingen, is voor het denkende bewustzijn een boeiend wezen, dat ook de mogelijkheid geeft de problemen van onsterfelijkheid, van idee en verschijning, van leven en dood te bespreken. De plant is een levende causaliteit. Het leerplan voor de vijfde klas is een bijzonder aantrekkelijk leerplan, zowel voor de kinderen als voor de leerkracht.

P.C. Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens ontbreken

.

5e klas: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – alle beelden

1111

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 5e klas – alle artikelen

.

Uit het leerplan

Aardrijkskunde
alle artikelen

Dierkunde
alle artikelen

Geschiedenis
alle artikelen

Handenarbeid
[1]

Nederlands
[1] o.a. grammatica – lijd.v.; directe-indirecte rede; hexameter

[2] Nederlandse taalonderwijs
Het binnenste buiten over: leer- en ontwikkelingsdoelen klas 5; vertelstof; n.a.v. literatuur uit de Oudheid; van beeld – naar abstract bewustzijn; grammatica: bedrijvend en lijdend; hexameter; voorbeelden grammatica: actief/passief, directe en indirecte rede; naamvallen; toneel, met voorbeeld (gedeelte)
taalspelletjes vanaf klas 1
Naamvallen

Niet-Nederlandse talen
Frans: leerplangezichtspunten

Plantkunde
alle artikelen

Rekenen
alle artikelen

spraakoefeningen

sterren kijken (8 – 12jr)

Vertelstof
algemeen, waaronder klas 5
idem

Vormtekenen
zie de blog

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 5e klas -Nederlandse taal (1)

.

taal klas 5 1

Na de stormachtige periode in de vierde klas keert de rust in de vijfde langzamerhand weer.

Een vijfdeklasser gaat zich verdiepen in het gedrag van zijn klasgenootjes en probeert te begrijpen waarom de ander niet zus, maar zo doet:

Juf, het is zo gek hè, maar ik vind de kinderen zo anders worden, zo ingewikkeld. Eerst vond ik de kinderen of leuk òf stom, maar nu kun je dat niet meer zomaar zeggen.

Dat ze genuanceerder gaan denken, is ook goed te merken in de omgang: ze helpen elkaar, springen voor aangevallen klasgenoten in de bres en troosten waar dat nodig is.
Voor het eerst wordt hier en daar met voorzichtige grapjes op elkaar gereageerd en het begint een leuke sport te worden om een ander op de kast te jagen. Ook de relatie tot volwassenen verandert; plotseling begint het kind zich van hen los te maken. De klas ontdekt dat ze als groep meer macht kunnen hebben dan de leerkracht. Zijn alwetendheid wordt aangetast omdat blijkt dat boeken ook antwoord op vragen kunnen geven.

De elfjarige vindt het heerlijk om in atlassen en encyclopedieën te bladeren en te snuffelen. Tijden kan hij over de kaart gebogen zitten zonder er genoeg van te krijgen. In plaats van fantasietekeningen maken de kinderen dan ook liever landkaarten. Het fantasiespel binnenshuis gaat verdwijnen voor bordspelen. Op regenachtige dagen zit de halve klas in het speelkwartier te dammen, de andere helft kijkt toe en geeft raad. Met gewichtige gezichten bewonderen ze elkaars postzegelalbums en alles wat volgens de laatste rage verzameld dient te worden, wordt verhandeld en geruild.
De vijfdeklasser is geïnteresseerd in de samenhang tussen wat in hemzelf leeft en wat hij in de buitenwereld vindt. Geleidelijk aan krijgt hij zo meer vat op de wereld.
Het uiterlijk van de kinderen begint meer en meer uit de verf te komen. Er komt meer tekening in het gezicht; de bewegingen worden soepeler. Het kind ziet er gezond en bloeiend uit.

Uit de leerstof in de vijfde klas
Het opkomen van het verstandelijk begrip wordt in de Griekse mythologie en historie mooi weergegeven. Het orakel van Delphi geeft raadselachtige spreuken, die de mens pas kunnen helpen als hij door eigen denken de oplossing vindt. De goden hebben menselijke eigenschappen en daarmee ook menselijke onhebbelijkheden. Zij bieden niet zomaar hulp, de mensen moeten zelf ook iets doen. Na de autoriteitscrisis van de vierde klas richten de kinderen hun bewondering op de Griekse helden, zoals de sterke Heracles en de slimme Odysseus.

Bij het rekenen wordt het metrieke stelsel behandeld. Men gaat uit van menselijke maten, zoals el, voet en duim, en maakt dan de overgang naar de abstracte maten van het gangbare metrieke stelsel. Tiendelige breuken, in schrijfwijze veel abstracter dan de gewone breuken, worden geleerd en onder andere toegepast in eenvoudige procentberekeningen.

Bij de plantkunde worden de verschillende stadia behandeld: paddenstoelen, korstmossen, algen en wieren, mossen, varens, eenzaadlobbigen en tweezaadlobbigen.

Bij de menskunde wordt voorzichtig ingegaan op de ontwikkeling van baby tot puber.

De aardrijkskunde laat zien hoe over de hele wereld mensen voor elkaar aan het werk zijn. Je kunt bijvoorbeeld van het kopje thee uitgaan dat je ’s ochtends gewoontegetrouw bij je ontbijt drinkt. Mannen, vrouwen en kinderen in Sri Lanka verbouwen en oogsten die thee onder de brandende zon. Handelaren keuren en kopen het en zeelieden brengen het met hun schip naar de Rotterdamse haven. Daar wordt het door de havenarbeiders gelost. Voor het naar de winkels gaat, wordt de thee gewogen en verpakt.
De leraar probeert zo kleurrijk mogelijk te vertellen welke gang het product moet gaan. Zo worden in de klas grote denkbeeldige reizen meegemaakt.

De geschiedenis van de Oude Wereld laat onder andere zien hoe de verschillende volkeren omgaan met de dood. De Indiërs beschouwen het leven op aarde als schijn en het leven na de dood als werkelijkheid. De Egyptenaren daarentegen hechtten zoveel waarde aan het aardse leven, dat ze hun doden allerlei aardse gebruiksvoorwerpen en sieraden meegaven, opdat het hen na de dood in materieel opzicht aan niets zou ontbreken. Een van de mooiste verhalen die in de vijfde klas verteld kunnen worden, is het meer dan 4000 jaar oude Assyrische verhaal over koning Gilgamesj. Deze gaat, nadat hij voor het eerst met de dood geconfronteerd wordt, op zoek naar de onsterfelijkheid. Na vele omzwervingen leert hij te aanvaarden dat ook hij aan de dood zal moeten toegeven.

Over het Nederlands in de vijfde klas

Spreken
Dit is het jaar van de hexameter, het metrum waarin Homerus zijn Ilias en Odyssee schreef. Aanvankelijk stuit het reciteren bij de kinderen op enige weerstand, maar eenmaal bezig, kunnen ze er vaak niet genoeg van krijgen. Nee, niet ophouden, het gaat netzo lekker! Het ritme is krachtig, doch rustgevend.

Stevig snoerden zij mij met een goedgedraaid touw aan de banken
Vast van het schip en gingen er uit en namen een maaltijd,
Vlug aan het strand van de zee. Maar vanzelf ontknoopten de Goden
Maklijk mijn boeien…

(Odyssee, vertaling A. W. Timmerman)

Vaak lópen de kinderen de gedichten. De ene keer met bedaarde stappen in de maat, terwijl zij samen het gedicht reciteren, de andere keer echt in het ritme, dus met lange en korte passen. Dan reciteert de leraar alleen, want èn spreken èn in het ritme lopen is wel erg moeilijk. Het kan ook zo dat de ene helft van de klas loopt, terwijl de andere helft reciteert.

Lezen
Bij de leesteksten wordt gelet op de stijl. De leraar zoekt teksten met korte, afgebeten zinnen of juist teksten vol bijzinnen en uitvoerige overpeinzingen. Het gaat erom wat de kinderen gevoelsmatig ervaren bij de verschillende stijlen. Op deze manier wordt nu de grondslag gelegd voor wat later een logisch en intellectueel begrip moet worden.

Grammatica
De lijdende en bedrijvende vorm.
Letterlijk genomen heeft de uitdrukking lijdende vorm een negatieve betekenis. Toch kunnen zinnen in de lijdende vorm uitdrukking geven aan iets positiefs:
Eerst werd het jongetje door zijn vader gebaad, waarna het door zijn moeder wordt gevoed.
Het is dus niet per se noodzakelijk dat we in de lijdende vorm het slachtoffer zijn.

Nog nooit werd in de taal de lijdende vorm zo vaak gebruikt: de groente wordt gekweekt, het brood wordt gebakken, de krant wordt bezorgd, reizen worden georganiseerd. Daarmee blijft onzichtbaar wie het werk verricht.

Hoewel de leraar de lijdende vorm met sympathie heeft geïntroduceerd, stimuleert hij de kinderen de bedrijvende vorm vaker te gebruiken omdat deze vorm sterker tot onze verbeelding spreekt.

Als oefening kunnen de kinderen passieve zinnen in de actieve vorm zetten:

In de stad wordt muziek gemaakt.
–  De fanfare maakt muziek in de stad.
–  De orgeldraaiers maken muziek in de stad.

Wie de muziek maakt, mogen de kinderen zelf bedenken.

De directe en indirecte rede
De directe en indirecte rede geven ons een goede gelegenheid om op een bepaald aspect van de sociale omgang dieper in te gaan.

Het maakt veel uit of je je eigen mening geeft of die van een ander weergeeft. Dit onderscheid valt voor de meeste kinderen niet mee.

Wanneer je letterlijk citeert wat een ander gezegd heeft, moet je even van je eigen mening afzien en je in de ander inleven. Wanneer je echter vertelt over wat een ander gezegd heeft, moet je erop letten, dat je er niet onbewust iets van jezelf bijvoegt en zo de woorden niet helemaal feitelijk weergeeft. Dit laatste is oorzaak van menige ruzie. Het oefenen met directe en indirecte rede ontwikkelt het sociale verantwoordelijkheidsgevoel.

De kinderen kunnen allerlei dialogen schrijven uit hun eigen leefwereld, bijvoorbeeld:
Wat de meester en de telaatkomer tegen elkaar zeiden of Hoe Kees en Willem ruzie kregen, of op een hoger plan uit de leer- en vertelstof: Een gesprek tussen Pallas-Athene en Ariadne.

De trappen van vergelijking en het bijwoord
Hoe kunnen wij de drie trappen van vergelijking voor de kinderen interessant maken? Veel voorbeelden vinden we bij de kinderen zelf:

Vorig jaar waren jullie groot, sterk, slim, handig en sportief. Dit jaar zijn jullie groter, sterker, slimmer, handiger en sportiever. Het liefst zouden jullie het grootst, het sterkst, het slimst, het handigst en het sportiefst zijn.

Vele voorbeelden van de overtreffende trap zijn te vinden in de sportwereld. In het kader van de vertelstof zoeken we ze in de Griekse heldenverhalen of de Olympische Spelen.

Het is leuk om de kinderen erop attent te maken dat de groei bij de vergrotende trap tot uitdrukking komt in de beweeglijke letter r aan het eind — Hector is dapperder dan Paris — en dat bij de overtreffende trap met st tot stilstand komt wat bij de vergrotende trap nog in beweging was: Odysseus is het slimst.

Bij de behandeling van de vergrotende en de overtreffende trap krijgen we vanzelf te maken met bijwoorden: Hij lacht het hardst. Een mooie gelegenheid om nog eens de aandacht te vestigen op het verschil tussen bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. Je kunt het grappig maken door het bijvoeglijke naamwoord en het bijwoord tegengestelde betekenissen te geven:

De snelle marathonloper liep langzaam toen hij zag dat zijn veter los zat. De deftige dame liep gillend op de vechtende tekkels af.

Directe en indirecte rede — een eerste taalperiode
Wanneer de les is begonnen, lijkt het of we ons in het oude Griekenland bevinden. De beginregels van de Odysse klinken als één stem uit vijfentwintig monden:

taal klas 5 2

De zangerige klanken van de Griekse taal worden vloeiend door het metrum gedragen. Het duurt niet lang of de kinderen kennen de tekst uit het hoofd, zodat zij ook kunnen lopen in de maat van het gedicht. Daartoe worden de tafels en stoelen aan de kant geschoven. Het duurt een tijdje voor de kinderen achter elkaar in de kring staan. Allemaal met de rechtervoet beginnen. Schoorvoetend en lacherig worden de eerste stappen in de maat van het vers gezet.

Sommigen trappen hun voorganger op de hielen en krijgen als antwoord een duw terug. Anderen lopen met een zorgvuldig bestudeerde nonchalance, alsof ze door de Kalverstraat slenteren. Al doende echter wordt de kring een gelijkmatig geheel.

De stap die gezet wordt in de stilte van de cesuur, accentueert de harmonie tussen het ritme en de maat. Hoewel de kinderen zich dit niet bewust zijn, voelen zij dit laatste wel degelijk. Wanneer zij de klas na afloop weer op orde brengen, is de stemming merkbaar anders dan vóór het lopen.

Even later luisteren de kinderen naar de streken van Tijl Uilenspiegel. Tijl is in dienst bij een boer en volgt diens instructies zo letterlijk op. dat alles fout loopt.

Wanneer hij in opdracht van zijn baas een zak erwten in de stad heeft gekocht, krijgt hij op de terugweg al gauw genoeg van zijn zware last. Als hij op de top van een heuvel staat uit te blazen, herinnert hij zich wat de boer hem de vorige keer heeft geleerd toen hij met een paar gestikte biggen van de markt was gekomen. Hij had Tijl toen boos toegesnauwd dat je zoiets voor je uit moet drijven. Dit brengt Tijl op een briljant idee. Hij knoopt de zak open en schudt hem leeg. zodat alle erwten van de heuvel afrollen. Vrolijk zingend komt hij thuis met de lege zak over zijn schouders. Wanneer de boer argwanend vraagt waar zijn erwten zijn gebleven, antwoordt Tijl dat ze zó wel zullen komen. De boer begrijpt dat hij naar zijn erwten wel kan fluiten en roept woedend dat Tijl de zak aan een touw op zijn rug had moeten hangen. Tijl belooft zijn baas dat hij daar de volgende keer aan zal denken. Hoe de geit, die Tijl een week later kopen moest, aan zijn einde is gekomen, valt nu niet moeilijk meer te raden.

Twee kinderen mogen voor de klas komen om Tijl en de boer na te spelen. De andere kinderen krijgen de opdracht vooral goed te onthouden wat de spelers zeggen:

De boer zei, dat Tijl een zak erwten in de stad moest kopen. Als deze zin in de indirecte rede op het bord is geschreven, moeten de kinderen bedenken hoe het precies is gezegd:

De boer zei: „ Tijl, je moet in de stad een zak erwten kopen”. [1] Het gedeelte tussen de aanhalingstekens wordt in kleur geschreven. Enkele andere voorbeelden volgen:

Tijl antwoordde dat het goed was en dat de baas hem maar geld moest meegeven.

Tijl antwoordde: ,,Goed baas, geef me maar geld mee”. De boer vroeg waar zijn erwten waren. ,, Waar zijn mijn erwten?”, vroeg de boer.

Hoewel de lerares de leestekens wel op het bord gebruikt, zegt zij er nog niets over. Sommige kinderen merken de aanhalingstekens op, kijken er nog eens extra aandachtig naar en fronsen het voorhoofd. Anderen zien de tekens niet eens.

De volgende dagen vertelt de lerares steeds een korte episode uit het leven van Tijl, wat gevolgd wordt door een rollenspel en het zeggen en opschrijven van enkele zinnen in de directe in indirecte rede. Al gauw maken de kinderen gebruik van de leestekens. Nu kunnen ook ingewikkelder zinnen in de directe rede behandeld worden:

„Jij driedubbele ezelskop”, schreeuwde de boer, „begrijp je dan helemaal niets?”

De dwaze Uilenspiegel wordt nu even aan de kant geschoven. De klas gaat zelf zinnen bedenken. De lerares geeft een voorbeeld, dat de kinderen enigszins verbaast:

De keukenmeid brulde van verdriet: ,,De soep is gelukt!”

Dat kan niet, vinden de kinderen en zij slaan druk aan het overleggen hoe het wèl moet:

De keukenmeid brulde van verdriet: ,,De soep is mislukt!”

Zelf maken ze bij voorkeur voorbeelden waarin de gemoedsstemming niet overeenkomt met hetgeen in de directe rede staat:

De boze buurvrouw snauwde:,, Wil je een koekje, schatje?” „Kindje”, lachte moeder, „nu krijg je billenkoek”.

De juiste versie van deze zinnen zetten de kinderen later in de indirecte rede. Ter oefening krijgen de kinderen teksten waarin zij de directe rede moeten veranderen in de indirecte rede, behalve daar waar de directe rede toepasselijker is. Of zij moeten in teksten met indirecte rede de directe rede aanbrengen waar dit het meest zinvol is.

Het schip aller tijden — een eerste taalperiode
In deze periode zullen de werkwoordsvervoegingen centraal staan.

Hoewel de kinderen hiermee in de vierde klas ruimschoots geoefend hebben, lijkt het dit jaar weer splinternieuw omdat ze nu de spellingsregels beginnen te ontdekken.

Met Het schip aller tijden, dat de leraar levensgroot op het bord getekend heeft, komen de kinderen voor het eerst in aanraking met alle werkwoordstijden.

Wanneer de kinderen dit in hun schrift hebben nagetekend, doen zij een seinspel, dat ondanks het speelse karakter een groot beroep doet op het denkvermogen. De leraar zet voor de klas twee tassen naast elkaar met een onderlinge afstand van ruim twee meter. De linkertas is de plaats van de voltooide mast, de rechter tas die van de onvoltooide. Een meisje wordt uitgenodigd als seingever op het schip te komen staan. Wanneer de leraar een zinnetje zegt, bijvoorbeeld Ik reis, moet de seingever bij de juiste mast gaan staan, met de armen de plaats van de juiste werkwoordstijd aangeven en daarbij de ingewikkelde naam van de werkwoordstijd zeggen:

taal klas 5 3

De eerste leerling wordt het nog niet zo moeilijk gemaakt. De leraar zegt slechts zinnetjes met de werkwoorden die op de zeilen staan geschreven en de tekening op het bord biedt nog de nodige houvast.

Maar de daarop volgende dagen worden de seinopdrachten steeds pittiger. De leraar noemt nieuwe werkwoorden, zodat de kinderen elke keer opnieuw even moeten nadenken. Later moeten zij het zonder de hulp van het bord stellen.

taal klas 5 4Wanneer de kinderen eenmaal goed aan dit sein-spel gewend zijn, verzint de leraar allerlei variaties. In plaats van hemzelf dicteren de kinderen om beurt de nieuwe zinnetjes of hij noemt een werkwoord, bijvoorbeeld klimmen, gaat zelf op het schip staan en laat de kinderen zeggen welke tijd hij aangeeft: Ik zou klimmen, onvoltooid verleden toekomende tijd.

taal klas 5 5

 

 

 

 

 

 

Wie meent dat deze oefeningen onzinnig zijn, zou het zelf eens moeten proberen. Hoewel de spellingsregels met behulp van ’t Kofschip hier erg toepasselijk lijken, gebruikt de leraar hen nog niet in de vijfde klas.

Om te weten of een voltooid deelwoord eindigt op een d of een t, moeten de kinderen het woord in de verleden tijd zetten, zodat zij via het gehoor achter de juiste spelling komen:

wandelde   –   gewandeld    fietste   –   gefietst

Om te weten of een werkwoord zwak of sterk is, geldt in de vijfde klas maar één regel: verstand op nul, zég het werkwoord maar! moedigt de leraar aan.

Opmerkelijk is, dat de kinderen het, juist door er niet over na te denken, altijd bij het goede einde hebben. Verstand op nul, zeg het maar, zijn tijdens deze periode gevleugelde woorden geworden.

De lerares die twee keer in de week Franse les geeft in deze klas, heeft de leraar gevraagd om elke ochtend een Frans gedichtje met de kinderen te reciteren, zodat zij wat vaker Frans kunnen spreken.
Terwijl de leraar hiertegen geen enkel bezwaar heeft, blijken de kinderen wel degelijk bezwaar te maken:
We doen het al genoeg met de Franse juf.
Zo komt de leraar ermee in zijn maag te zitten. Omdat bij een groot aantal kinderen het vervoegen van de werkwoorden moeizamer gaat dan hij verwachtte, bedenkt hij hoe het mes aan twee kanten zou kunnen snijden.

In vier rijtjes op het bord laat hij zien hoe de Nederlanders, de Engelsen, de Fransen en de Duitsers hun regelmatige werkwoorden vervoegen. Samen met de kinderen bekijkt hij welke bijzonderheden de verschillende talen tonen.

U bijvoorbeeld, is in het Nederlands de tweede persoon enkelvoud, terwijl het in het Frans de tweede persoon meervoud is. In het Nederlands spreken we van hij, zij en het, terwijl het Frans slechts il en elle kent. Op verzoek van de klassenleraar gaan ook de Franse en de Duitse lerares gedurende deze weken tijdens hun les met de kinderen werkwoorden vervoegen. Door de afwisseling in de herhaling krijgen de kinderen plezier in het schrijven van de vervoegingsrijtjes. [2]

Bij de bedrijvende en de lijdende vorm, vertelt de leraar gaat het om inzet. Je geeft inzet of je ontvangt inzet. Ter illustratie schetst hij een situatie die zich in de Middeleeuwen zou hebben kunnen afspelen:

Een bakker bakt drie manden vol lekkere broden. Eén brood is voor zijn eigen gezin, maar de rest is voor andere mensen bestemd. Hij laadt de manden op zijn kar en gaat ermee naar de markt. Daar komt ook een boer met een kist vol rode kolen. De boer ruilt met de bakker een kool voor een brood. Zij ruilen inzet voor inzet. De bakker heeft de boer nodig en de boer heeft de bakker nodig.

Wanneer de leraar een verbinding legt met onze tijd en vertelt hoe we nu persoonlijke inzet ruilen voor geld, geeft hij ook enkele voorbeelden van hoe we inzet tegen inzet kunnen ruilen, bijvoorbeeld een vriendendienst of een burenhulp. Een van de kinderen reageert hierop met: Ja maar meester, als jij brood koopt, wat is dan jouw inzet? Oh, heel eenvoudig, antwoordt deze, ik heb een zoon van de bakker in de klas. Die brengt me trouwens ook nog elk weekend een taart. Als door een zwerm wespen gestoken veert de hele klas op. Is dat zo? klinkt het ongelovig.

Twee kinderen zijn nu de bakker en de boer op de markt. Eerst spelen zij de ruilhandel op hun eigen manier, maar ter afsluiting zegt de bakker: Ik bak het brood. De rode kool wordt door de boer verbouwd. De boer voegt daar het zijne aan toe: Ik verbouw de rode kool. Het brood wordt door de bakker gebakken. De klas gaat nu in groepjes allerlei situaties verzinnen, waarin een ruil wordt gedaan. Wanneer enkele groepen dit voor de klas spelen, moet daarin op een bepaald moment de bedrijvende en de lijdende vorm tegenover elkaar worden gezet: Ik kietel Berend. Ik word door Berend achterop de fiets genomen. Ik neem Suzanne achterop de fiets. Ik word door Suzanne gekieteld.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)

.

[1] De plaatsing van de aanhalingstekens is voor velen lastig. Dit wordt erover gezegd:
Volgorde punt – aanhalingsteken
Vraag:
Komt de punt binnen het aanhalingsteken te staan in de volgende zin? Hij zei: ‘Ik heb dat boek allang gelezen.’
Antwoord
Ja.
Toelichting
De punt komt binnen het aanhalingsteken te staan, als hij hoort bij het citaat of bij de directe rede die als geheel binnen de aanhalingstekens geplaatst worden. Bijvoorbeeld:
(1) Zij antwoordde: ‘Ik denk niet dat ik nog langer met je om wil gaan.’
Hoort echter de punt niet bij het deel dat tussen aanhalingstekens staat, dan wordt hij geplaatst na het aanhalingsteken. Bijvoorbeeld:
(2) Zij fluisterde iets van ‘eeuwig trouw’ en ‘altijd blijven houden van’.

Als vuistregel kun je stellen dat bij het citeren van een hele zin of hele zinnen de punt binnen de aanhalingstekens komt, terwijl je hem bij het citeren van delen van zinnen erbuiten plaatst.

Wat doen we als de regels leiden tot meer dan twee leestekens na elkaar? In zin (1) hoort er na het laatste aanhalingsteken eigenlijk nog een punt te volgen. Immers, de eerste punt sluit alleen het citaat af; de tweede punt de gehele zin. Toch plaatsen we die tweede punt niet. Het principe is dat we bij voorkeur niet drie of meer leestekens op elkaar laten volgen. Op dit principe bestaan echter uitzonderingen.

In de volgende zin kan het vraagteken duidelijk niet gemist worden:
(3) ‘Heb je dat boek al gelezen?’, vroeg hij.

Hier nemen we voor lief dat er wél drie leestekens naast elkaar staan. Sommige schrijvers vinden die opeenhoping van leestekens zo lelijk dat ze de komma weghalen (‘Heb je dat boek al gelezen?’ vroeg hij.).

Bijzonderheid
Een noot komt na het aanhalingsteken. Voorbeeld:
(4) De auteur vermeldt: ‘Deze opvatting van het vorstendom heeft lang doorgewerkt.’5

[2] Een samenwerking die door Steiner zeer werd aanbevolen: vakkenintegratie/vakkenconcentratie; ‘economie’ in het onderwijs
>

5e klasalle artikelen

Nederlands: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: alle beelden

.

467-433

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Plantkunde – klas 5 (4)

.

IN HET PLANTENRIJK

Hebben de kinderen in de 4de klas kennis gemaakt met de dierenwereld, in de 5de klas voeren we ze in het plantenrijk.
Waar ligt dat eigenlijk, het plantenrijk?

Deze vraag sticht een algemeene verwarring en verbazing.

Natuurlijk ligt het op aarde! Maar waar? En na een kort over­leggen en samenvoegen van de verschillende gedachten, die uit de klas naar boven komen, zien we dat moeder aarde gekleed is in een breed plantenkleed, waar alleen ,,hoofd” en “voeten”, de beide polen, uit te voorschijn komen.

Wel zijn er in het kleed groote gaten of plaatsen waar het heel dun geweven is: de oceanen, de woestijnen en de hooggebergten. Om ’t middel draagt de aarde een dichte gordel: de tropencirkel, zwaar van oerwouden; naar ,,boven” en naar ,,onderen” toe wordt het kleed dunner, om eindelijk in een schraal kantwerk te eindigen.

Laten we de verschillende streken eens nauwkeuriger bezien. Zijn de woestijnen open plaatsen? Neen, geheel open zijn ze niet, want bijna overal zijn ze gewoonlijk bedekt met een heel dun laagje van miniem kleine bleekgroene plantjes; bovendien vinden we bij de oase’s wat palmen, sterke taaie planten, met stevige, droge, diep groene bladeren; of ook wel cactussen, die even droog en taai zijn als de woestijn zelve en met hun zeldzame, vurig-bloeiende bloemen ook antwoorden op de hitte van de woestijn.

En de hooggebergten? Ja, wel breede ruimten zijn hier kaal, hetzij door ijs en sneeuw, hetzij door de gladde, harde steenvlakten. Maar toch vinden we overal nog wel plantjes: de rotsplantjes. Doch hoe anders zijn ze dan wij ze kennen. Klein en vet en inééngedrongen zijn ze, en ze verstoppen zich graag onder en tusschen de steenen voor het schelle licht van de hooge streken. De rotsen en steenen houden het water voor hen vast, dus zelf moeten ze van den regen en de smeltende sneeuw profiteeren en hun blaadjes dik opvullen met sap, om iets over te hebben voor de droge dagen.

De oceanen? Vinden we daar niet de wieren? Dus ook planten. Maar planten, die zich gewillig en onderdanig naar het water ge­voegd hebben: hun stelen en dunne slierende blaadjes zijn zoo buig­zaam en bewegelijk dat ze elke gril van de golven kunnen volgen en zelfs de aarde volkomen kunnen loslaten als ’t water dit eischt.

Uit dit alles zien we dat de planten heel nauw samenhooren met hun omgeving: allereerst en ’t meest met de aarde, maar ook met het water, de lucht en het licht.

Zon, regen, wind en aarde vormen met de plantenwereld één groot, schoon geheel, waarin de planten, met een onuitputtelijke vindingrijkheid en een taai uithoudingsvermogen, steeds nieuwe vormen en nieuwe mogelijkheden vindend, zich buigen en voegen naar het onderling spel van deze vier.

Is de aarde sterk, de zon dichtbij en stroomt rijkelijk de regen, dan vormen zich de geweldige reuzen, met de eenvoudige gladde, diepgroene bladeren en de overvloedige vruchtenrijkdom van de tropen. Is de zon maar zwakjes, doch wordt de aarde geholpen door koelen, vochtigen wind, dan vinden we een plantenwereld, die een keur van blad en bloem ten toon spreidt.

In de lage landen van de gematigde luchtstreken komen zelfs vele soorten voor, die aan één exemplaar wel drie verschillende bladeren vertoonen. naar mate deze aan lucht en licht zijn bloot­gesteld; verschillend dikwijls zoowel naar vorm als naar kleur. (De boterbloem e.a..)

Deze gegevens, het onderling spel van zon, regen, wind en aarde in onze gedachten dragend, gaan we nu de planten nader bekijken en reizen van den evenaar naar de pool. Van palmen, vijgen, rijst en suikerriet gaan we langs sinaasappels, olijven, aman­delen, perziken, en kersen, langs beuken en eiken, door weidebloemen en graanvelden naar de dennen en sparren van de noorde­lijke landen. Spar en berk houden ons, van de boomen, het langst gezelschap, tot we eindelijk, vlak bij het pool-ijs, het rendiermos, de allerlaatste, ook achterblijft. — Een zelfde reis kunnen we doen van het lage land naar de hooggebergten. —

Zoo hebben de kinderen een overzicht van het heele plantenrijk gekregen, waarmee metéén een basis is gelegd voor de economische aardrijkskunde, die ook op het programma van dit leerjaar staat.

Maar nuttig is natuurlijk ook dat. verschillende planten, vooral die van de onmiddellijke omgeving, nader bekeken en gekend worden.

Hoe dit te doen.

We blijven nu dus in ons eigen land en verzamelen in een onder­ling gesprek alles wat de kinderen van onze planten weten. Karak­teristieke planten grijpen we er uit: de eik en het viooltje. Men. voelt de tegenstelling!

Al gauw geven de kinderen zelf de eigenaardige karaktertrekken aan. We zien in de eik moed en kracht uitgedrukt: moed en kracht in de wortels, den stam, de takken en bladeren; in het viooltje spreekt de bescheidenheid.

Deze ontdekking, dat de planten de uitdrukking geven aan ver­schillende ziele-eigenschappen, wordt een vreugde voor de kinderen en het stroomt van voorbeelden: de vroolijke, frissche brutaliteit van de paardebloem, de vrome reinheid van de lelie, de behaag­zucht, van anjeliertjes, de eenvoud en trouw van de den, de ijdele, luie zelfgenoegzaamheid van de waterlelie, enz. enz.

De planten worden beschouwd naar wortel, stengel, blad en bloem, naar omgeving en beweging.

Ten slotte een proef of we de planten goed begrepen hebben: enkele kinderen komen voor de klas één of meer planten voorstellen, in de hun eigenaardige bweging, die ontstaat of bij het zich ont­wikkelen, óf door den invloed van de omgeving; en de anderen moeten raden. En in ons midden gaan leven, eik en beuk en treur­wilg, de sneeuwklokjes, de paardebloem, wat men wil; een bonte verscheidenheid van planten. Het plantenrijk leeft in ons midden, wij leven in het plantenrijk.

Dit voorstellen van planten door een typeerende beweging, bleek de klas zoo gegrepen te hebben, dat het kon doorwerken in de Nederlandsche
Taalperiode, die op de plantkunde-methode volgde. De kinderen kwamen er toe, aan de hand van bewegingen, het eigenaardige van een plant of bloem uit te drukken in kleine ge­dichtjes. Hoewel deze echter pas ten volle tot hun recht komen wanneer de bewegingen erbij gezien worden, mogen enkele hier gegeven worden, zoodat men eraan kan aflezen hoe de kinderen zich met de planten één gevoeld hebben:

De sneeuwklokjes (door een meisje; leeftijd 11 jaar).

Fijn wiegelen de sneeuwklokjes hun hoofdjes heen en weer:

De zon die had geschenen, nu sliepen ze niet meer!

Ze luiden in den zuidenwind het lieve voorjaar in.

De and’re bloempjes slapen nog, zij maken het begin.

Kling-kling.

De Crocusjes (van een ander meisje).

Hoor! de vogels fluiten!

Het is niet meer koud!

Dan kom ik gauw naar buiten:

Ik krijg het zoo benauwd.

Heusch het is niet dolletjes In die donkere bolletjes!

(Een jongen over hetzelfde:)

De crocusjes, geel, wit en paars

Steken recht als een kaars

Hun kopjes naar boven,

Om de lente te loven.

De Paardebloem (van een jongen):

Op het dak daar staat een bloem,

Hij heeft een echte schooiers-roem.

Want hij is zoo taai en sterk,

De boeren bezorgt hij het meeste werk.

Van boven geel, van onder groen,

Men noemt hem ook wel: paardebloem.
.

(Ostara, blad vrijeschool Den Haag, 21/22  dec. 1931 (in spelling van die tijd – auteur onbekend))
.

Veel van wat hier is genoemd, wordt gedetailleerder uitgewerkt in Grohmann’s ‘leesboek voor de plantkunde

.

Plantkunde: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klasplantkunde\

 

246-232

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Plantkunde – Klas 5 (3)

.

DE BLOEMENKLOK VAN Linnaeus

‘Bloemen zeggen hoe laat het is. Stop zaadjes van klaprozen, anjers, strobloemen en goudsbloemen in een pot. Te zijner tijd openen en sluiten de planten hun bloemen op gezette tijden. Je kunt de klok erop gelijkzetten.’

Aldus een krantenartikel.

Dat laatste is niet helemaal waar. Als de zon niet schijnt, gaan sommige bloemen niet open.

Toch een prachtige illustratie hoe de plant reageert op het licht.

Voor meer informatie:

kijk hier  of hier of zoek via google onder bloemenklok: er zijn veel doorverwijzingen.

Ooit was het zaad ‘als klok’ te koop; nu heb ik het nog niet kunnen ontdekken.

Als jij het weet, geef het even door:

pieterhawitvliet apenstaartje gmail   punt   com

.

245-231

.

Plantkunde: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klasplantkunde

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde – Klas 5 (2)

.

TWEEËNVEERTIG MEISJES EN JONGENS ZAGEN DE NATUUR

Mijn klas en ik begonnen de plantkunde  met de paardenbloem. Tweeënveertig meisjes en jongens zaten vol verwachting voor me. Ik zocht een groep van de wildste kinderen uit, voor wie flink aan­pakken echt goed was en zei hun: ‘We hebben twee mooie paardenbloemplanten nodig, met wortel en al – want anders is het geen hele plant! -uit de schooltuin, en wel van de paden, waar ze veelvuldig groeien, maar eigenlijk storen. Je krijgt ze daar niet uitgeroeid, omdat ze een wortel hebben die heel diep de grond in­gaat. Op het pad is het heet en droog en alleen diep in de aarde vinden ze water. Haar lange wortel heet penwortel en ze heeft ook kleine zijworteltjes. En,’ zo zei ik, ‘ik wil geen afgebroken wortels zien, maar alleen volledig gave. Begin dus ver van de plant te graven!’

Onze tuinbouwlerares was verbaasd toen zij ’s middags de ijverige arbeid van deze groep bemerkte. Door overmaat van ijver, en omdat de kinderen toch te dicht bij de plant groeven, brachten ze eerst alleen verminkte plantenwortels aan de dag. Maar ze waren volhardend en zo hadden ze, nadat het pad op die manier van ongeveer vijftien paardenbloemen be­vrijd was, toch twee volledige planten voor de volgende morgen, die ze trots als trofee in het klaslokaal brachten.

Een groep rustige kinderen had ik op dezelfde middag naar de wei naast de school gestuurd, uiteraard met toestem­ming van de boer. Zij hadden het gemak­kelijk om hun paardebloem uit te graven, omdat de planten op de vochtige wei niet van die lange wortels hebben.

Nu vergeleken we de planten en de kinderen ontdekten dat, waar de aarde helemaal droog is de wortel heel lang is maar de plant zelf laag blijft. De blade­ren van de bladrozet hebben scherp ge­zaagde bladranden, de bloemstelen zijn kort. De plant zit in elkaar gedrukt op de grond. In de vochtige wei zijn de bladeren en de bloemstelen veel langer, de bladeren zijn aan de rand minder ge­zaagd, de wortels zijn maar net zo lang als de bladeren.

Dat was al een interessante vergelij­king. En nu was het geluk ons op een excursie ook nog goed gezind. Toen wij langs een moeras kwamen, hoorde ik een indianengehuil en dan kwamen een paar kinderen met van opwinding rode hoof­den aangehold met een paardenbloemplant die ze in het moeras gevonden hadden, waar ze maar zelden groeit en zich he­lemaal niet thuis voelt. Hoewel we an­ders op onze uitstapjes naar buiten alleen kijken en niets bespreken, riepen de kin­deren hier zelf, omdat ze al zoveel met belangstelling over de paardenbloem ge­leerd hadden: ‘Deze heeft geen paarden­bloembladeren meer!’ En inderdaad wa­ren de ongeveer 40 cm lange bladeren helemaal niet meer gezaagd, maar alleen nog een beetje golvend gewelfd. Verder had de paardenbloem in het moeras slechts een heel klein worteltje. Hij was dus pre­cies het tegenovergestelde van de plant op het droge pad met zijn lange wortel en de kleine, scherp gezaagde bladeren en lage bloemen.

De volgende dag in de klas vonden we nog, dat het water en het licht iets met de bladrand uit te staan moesten hebben. Waar veel licht is ontstaat een scherpgetande bladrand, waar veel water is kan het licht, zo meenden we, geen mooie vormen uitsnijden. Wij droogden de grote gewelfde bladeren en hebben ze lang bewaard, tot de tand des tijds ze verkruimelde!

levend inzicht vanuit het geheel
Het denken in een levendige samenhang leert men vooral ook goed door de vele gedaanteverwisselingen of metamorfoses van de planten. De ouders zouden zich de moeite moeten getroosten het klas­sieke boekje van Goethe ‘Metarmorfose der plant’ zelf te lezen. Daarin leren we de plant zo te aanschouwen dat we de kinderen tot een levend inzicht ervan kunnen brengen.
Er is een plantenfamilie die ons de mogelijkheid van gedaanteverwisseling van de levende plant op prachtige wijze laat zien. Dat is de familie kool, die tot de kruisbloemigen behoort. Wanneer de hele kracht van de plant in de wortel schiet krijgen we de knolraap. Maar wan­neer de stengelknop overheerst en tot een dikke kop wordt, dan wordt het een rode of witte kool of een savoyekool. De kin­deren merkten ook meteen, dat de bloem­kool een omgevormde machtige groente-bloem is. Men ziet nog de kleine roosjes erin zitten! Dat de bladeren de ogen van de plant vormen wisten de kinderen al. De tuinman kan door zijn kweekkunst de planten bij hun omvormingen helpen. En als dan aan een heel lange stengel vele kleine okselknoppen zitten, wat is dat dan? Dat zijn de spruitjes!
De koolrabi had ik bij deze bespre­king verstopt en buiten beschouwing ge­laten. Nu hield ik in elke hand drie grote koolrabi’s omhoog en vroeg: ‘Maar wat is er nu aan de hand met de koolrabi?’ Diep zwijgen en nadenken. Dan plotse­ling, je ziet het gebeuren, gaat één van de jongens een licht op en hij roept: ‘Ik weet het! Hij heeft immers bladeren. Dat moet dus een verdikte stengel zijn.’ Voor de klas was het een gezamenlijk avon­tuur, want in feite had één het voor allen gevonden. Het werd dan ook ten volle doorproefd, want de koolrabi werd in kleine stukjes verdeeld en heerlijk opge­geten.

Het hart moet aan­gesproken worden
Opvoeden is tegenwoordig altijd een ge­nezen, omdat de capaciteiten van de kin­deren zich niet meer harmonisch en ge­zond ontwikkelen, maar zich ten dele verminderen of voorbijgaand ongezonde veranderingen vertonen. Zo neemt het geheugen bij de kinderen tegenwoordig meer en meer af. Hierbij moeten we ook wel bedenken dat alleen datgene in de herinnering levend blijft wat met het hart opgenomen kon worden, of het nu een rekenkundige regel, grammatica of aard­rijkskunde is. Ook het waarnemingsver­mogen verdwijnt steeds meer om plaats te maken voor een vroegrijp intellect. Juist met plantkunde kunnen we nu een wezenlijke heilpedagogiek beoefe­nen!

Ik ging nu over tot de planten die door het klimaat, d.w.z. het samenspel der elementen, sterke veranderingen onder­gaan. Ik moest me behelpen met mooie afbeeldingen, want het ging om bergbloemen en in Hannover, dat in een landschap ligt dat zo plat is als een bord, zijn geen bergen. Ik wilde echter de kinderen de polvormende planten van het gebergte laten zien: de heerlijke sleutel­bloemgewassen, zoals het Mannsschild (Aretia Alpina L.) en uit de familie der kruisbloemigen het ‘Steinschmückel’, let­terlijk het steensieraad, een mooie pas­sende naam voor de vriendelijke rose bloemetjes (Petrocallis Pyrenaica), het bekende stengelloze lijmkruid uit de an­jerfamilie en tenslotte de Himmelsherold, hemelheld, de bergvergeetmijniet uit de familie der ruwbladigen. Deze polplanten groeien alleen op een hoogte van 1800-3500 m.

Wat is voor deze planten nu het ka­rakteristieke? Ze zitten alle als kussens heel laag op de grond, hebben heel lan­ge wortels, die vaak de rotsspleten volgen en stralende, helder gekleurde bloemen. De kinderen overlegden nu: licht hebben deze planten hoog in de bergen genoeg, vandaar de stralende bloemen die altijd bij het licht horen. Steen en aarde hebben ze ook genoeg, vandaar de lange wortels. Maar wat ontbreekt er, want zonder re­den veranderen de planten zich niet. Het water ontbreekt, omdat het van de berg afloopt en deze planten staan dus op droge grond. En direct antwoordt de le­vende plant en trekt haar bladeren en haar waterige stengel terug en – hup! -daar zitten ze allemaal op de aarde. En dat doet niet alleen één familie, maar alle die op deze hoogte leven kunnen.

Het lag voor de hand nu ook nog de cactus uit de woestijn te bespreken. De stengel is hier dik en reusachtig gewor­den. De kandelabercactus bereikt zelfs de hoogte van een telegraafpaal. De kleur is groen en hij houdt de plant in stand. Maar waar zijn de bladeren ge­bleven? Hoe is het klimaat in de woes­tijn? Er is daar een overvloed van licht en warmte. En bepaald ook genoeg aarde, d.w.z. zand! Maar het water ont­breekt geheel. De bladeren hebben zon­der uitzondering water nodig. We weten hoe ze, als ze door ons op een wande­ling geplukt worden, al vaak op weg naar huis verwelken. In de woestijn laat de plant haar bladeren geheel verdwijnen en heeft ze omgevormd tot doorns.

De meeste kinderen kenden de broei­kas. Het is daar benauwd, omdat het heet is en er veel waterdamp in de lucht zit. Een beetje waterdamp zit ook nog in de lucht van de bergen, waar de pol­gewassen groeien, die kleine blaadjes hebben. Maar hier in de woestijn ont­breekt ieder spoortje van waterdamp in de lucht en er is geen regenwater. Ik vertelde de kinderen, dat in de woestijn die ik achter Los Angeles gezien had, vele sanatoria waren. Want deze droge lucht is geneeskrachtig voor tuberculose, astma en kinkhoest.

De stengel van alle planten groeit van de aarde naar het licht, ook de stammen van de bomen. Bij het vermolmen van de boomstammen bemerkt men dat daar eigenlijk aarde in de stammen omhoog­getrokken is, want de stam wordt nu op­nieuw tot aarde. En zo is ook de cactus eigenlijk een stuk aarde boven de aarde, uitgestulpte aarde.

De cactusplant met haar heerlijke vuurrode bloemen is als de pendant van zo’n landschap. Zoals de droge hete lucht en het licht direct op de hete bo­dem knallen, zo zit hier de vuurrode bloem direct op haar aardbodem, de cactusstam.

Er konden hier natuurlijk alleen enke­le suggesties gegeven worden op dit ge­bied. Gelukkig is er juist hierover uit­stekende literatuur, die de ouders helpen kan zelf te leren waarnemen. Een leven­dige belangstelling voor het plantenrijk is daarbij een eerste vereiste.

Wat echter op deze manier in de kin­derjaren opgenomen wordt, leeft verder in het kind als een geschenk voor later, omdat het steeds een levendige en goede verbinding met de planten, de tuin en het landschap zal behouden.

(Elisabeth Klein, Jonas 10-04-1971)

.

Plantkunde: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klasplantkunde

.

244-230

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde – klas 5 (1)

.

OVER PLANTKUNDE IN KLAS 5

De verschijningen van het plantenrijk kunnen we verge­lijken met de groeistadia van een pasgeboren kind tot puber. De geaardheid van de plant vergelijken we met het karakter van de mens.
De plantenwereld is een een­heid en elke plant is verbonden met zijn omgeving. Elke plant is afhankelijk van de zon, de lucht, de aarde of het water en dus ook gebonden aan het jaargetijde of het klimaat.
Bekijken we de plant in haar omgeving, dan volgt hieruit dat plantkunde sterk samenhangt met aardrijks­kunde. De plant bezien we altijd in haar geheel, om dan vervolgens te kijken welke delen zij heeft: wortels, stengel, blad, bloem, vrucht en zaad. De bloeiende plant, die al deze delen heeft, noemen we de hoogste planten­soort. De laagste plant is die, welke het minst van deze kenmerken heeft.
De leerkracht stelt de planten voor als de begroeiing van de aarde, te vergelijken met de haren van de mens. Zonder planten was de aarde kaal. Zomers, als er aan de buitenkant van de aarde alles groeit en bloeit, is het in het binnenste der aarde stil. De aarde zelf “slaapt”. Daaraan tegengesteld is de winter: in de winter is het in het binnenste van de aarde heel actief en bewegelijk, de winter bereidt zich als het ware voor op de lente. De aarde waakt dan, net als de mens die wakker is en waarin van alles gebeurt. Deze voorstel­lingen probeert de leerkracht bij het kind op te roepen.

De laagste plant is de paddenstoel, [1] deze bloeit immers niet, heeft geen wortels,  stengel, groene bladeren, bloem, vrucht of zaad. De paddenstoel heeft wel veel water, aarde en schaduw nodig en groeit heel dicht bij de grond. De opening van de paddenstoel is naar de aarde gericht, niet naar de zon, in tegenstelling tot de bloei­ende plant. De fijne stof, die uit de hoed van de paddenstoel in de aarde valt, zorgt voor een netwerk van draden. Het stof is vrucht, bloem en stuifmeel tegelijk. We vinden paddenstoelen in alle kleuren, maar het zijn “kleuren van de aarde” en niet van de zon.

De geweldige uitbreiding die bij de boom boven de aarde plaatsvindt, blijft bij de paddenstoel in de grond. De paddenstoel vergelijken we met een zuigeling. Net als deze moet hij gevoed worden en heeft fijne voeding nodig. Beide gebruiken hun kracht om het voedsel te verteren en om te groeien, verder slapen ze.

We gaan dan over naar de korstmossen. Het korstmos heeft nog weinig vorm en ordening. Het steekt een heel klein beetje bo­ven de aarde uit en de stengeltjes staan allemaal dicht tegen elkaar aan, het steunt op elkaar. Het korstmos is sterk. We zoeken de plaatsen op waar het groeit. Dit mos heeft een stengelprincipe. We vergelijken het korstmos met een kind van enkele maanden, dat nog ongecontroleerd met armen en benen beweegt, dat grijpt en om zich heen kijkt, maar verder hulpeloos is.
We gaan naar de algen en wieren, die meebewegen in het water. Ze hebben licht en water nodig-, alleen in de lucht kunnen ze niet leven. Ze hebben bladgroen en kunnen daardoor zelf voedsel produceren. Hoewel ze veel op een groene plant lijken, hebben algen de ondersteuning van water nodig. We vergelijken ze met het kind dat kan zitten en krui­pen, maar nog niet alleen kan staan.
Het mos is eigenlijk al een echt plantje. Het is groen, heeft stengel en blaadjes en komt in vele verschillende vormen voor. Het heeft veel vocht nodig en maar een beetje zon. Het mos steunt echter nog geheel op de aarde, de stengels zijn nog niet krachtig en zelfstandig. Zo kunnen we dan mos vergelijken met een kind dat net kan staan en zijn eerste woordjes stamelt.
De volgende stap is naar de varens en de paardenstaarten. We ontdekken, dat deze wortels en groene bladeren hebben. De bladeren groeien al een flink eind boven de grond en komen in allerlei vormen voor. Bloemen hebben de varens niet, dus ook geen zaad of vruchten, doch slechts eenvoudige sporen die op de bladeren groeien. De varen kan haar voedsel voor haar bladeren gebruiken, zo­dat deze in volle pracht kan groeien. De varen is een echte plant en staat met haar wortels stevig in de grond. Varens en paardenstaarten beschouwen we als de middelste soorten uit het plantenrijk. We vergelijken ze met het kind omstreeks het derde jaar: het loopt en staat stevig, zegt “ik” en wordt zelfbewuster.

Vervolgens vertellen we over de naaldbomen, de altijd groene bomen die een rechte, sterke stam hebben waarmee ze tot hoog in de lucht kunnen rijken. Met hun naalden lijken ze de blaadjes van een boom te willen nadoen. Hoewel deze boom geen bloemen heeft, behoort hij toch al tot de bloeiende planten. Hun bloeiwijze bestaat uit ” kleine boompjes” op de takken. Als we goed kijken zien we zelfs in het midden van deze boompjes een klein stamme­tje. Daaraan zitten de schubben van de kegel, die tevens zaadjes bevat, vast. Met de geur van zijn hars wedijvert de naaldboom met de bloemen. De naaldboom vergelijken we met een kleuter: hoewel deze flink en zelfstandig is, leeft hij nog sterk in de nabootsing. Van de naaldbomen gaan we over naar de parallelnervige planten, de planten met een enkelvoudige bloeiwijze ( monocotyledonen). Voorbeelden hiervan zijn de bol­gewassen tulp, hyacint,  krokus en het sneeuwklokje, maar ook de grassen en granen.
We gaan hier in op de bolgewassen. De bloem van de bolgewassen is meestal in drieën gedeeld. Het lange gladde blad omvat van onderaf de stengel. In de grond verbergen ze een bloembol. In het vroege voorjaar laten deze planten zien, hoe snel ze kunnen groeien. Bij de eerste zonnestralen steken ze hun groene sprieten bov­en de aarde en ook de bloem volgt dan snel. Aan deze bloem kunnen we geen aparte kelk onderscheiden. De bloem opent zich in het zonlicht. We vergelijken de monocotyledonen met het kind omstreeks het zevende jaar tot en met het kind van tien jaar. In deze jaren staat het kind open voor wat het leert. Het wordt als het ware door nieuwe kennis verlicht. In het kind is nog veel verborgen dat niet uit de verf komt.
Nu gaan we over tot de eenvoudige dicotyledonen. Hiertoe behoren de meeste planten die wij kennen van de hei, het bos en van ’t veld, zoals het viooltje, de boterbloem, de dotterbloem, de anemoon en de paardenbloem. Al deze planten hebben veel licht en lucht nodig. Het kind echter nog als de bloem in knop: groene en ge­kleurde blaadjes zijn nog niet te onderscheiden, bloeien zal het pas later.  Kinderen tussen elf en veertien jaar vergelijken we met de dicotyledonen.

Het zijn de planten met een dubbele bloeiwijze:  ze hebben én kelkblaadjes én kroonblaadjes, (onder andere de ranonkel­soorten). We laten het kind zien waar het naartoe zal groeien. Het kind zal worden als een bloeiende roos. In hemzelf zullen groene kelkbladeren en kleurige bloembladeren te onderscheiden zijn. Heftige gevoelens en eigen gedachten en ideeën maken het persoonlijke van het kind kleurrijker.

Een plantkundeperiode in de vijfde klas.
Het lokaal ziet er heel anders uit dan anders op de eerste dag van de plantkundeperiode. Aan de wanden en kastdeuren han­gen grote kleurige aquarellen waarop onder andere dennenbomen, paddenstoelen, berken, varens, een tulp en een roos te zien zijn. Met uitbottende forsythia- en kornoeljetakken, zoet geurende hyacinten en een bakje gevuld met kussentjes mos, geven de tafel onder het bord een feestelijk aanzien. Fossielen en barnstenen met overblijfselen van planten, grote en kleine zaden en takjes katoenpluizenbollen liggen er los naast. Een stapeltje plantenboeken om in te snuffelen completeert het geheel. Zo, nu weten de kinderen zeker dat een plankundeperiode begint.

De lerares vertelt enkele inleidende bijzonderheden over planten, bijvoorbeeld dat de plant graag naar de zon wil groeien, dat het lijkt alsof de zon de planten naar zich toetrekt. Zij vertelt wat de klas in deze periode zal gaan doen: Ze zullen planten bekijken en bespreken, ze zullen veel planten schilderen en er ook over schrijven. Nadat het volgende gedichtje door een van de kinderen is voorgelezen, schrijven zij het van het bord over in de kersverse periodeschriften:

Ik wou dat ik zo wijd
mijn armen kon strekken.
Ik wou dat ik verblijd
mijn lichaam hoog kon rekken.
Ik wou dat ik zo rein
kon groeien en kon bloeien.
Ik wou dat ik zo fijn
mijn kleuren kon doen gloeien,
zodat iedereen kon zien
wat ik zo lang gemaakt heb.
(geschreven door de lerares)

Op de overgebleven ruimte op de bladzijde wordt een voor­jaarsbloem getekend. Wanneer de schriften en de kleurdozen weer in de kastjes liggen, volgt de klas de ontwikkeling van de paardenbloem door de seizoenen heen. De weg begint in de warme zomerlucht waardoor kleine parachuutjes zweven. Zij komen uit de witte pluizenboel. ’s Winters rust het zaad in de donkere aarde. Alle zaadjes “weten” precies wanneer het voor hen warm genoeg is om te ontkiemen. De lerares vertelt over de kiemworteltjes en de kiemblaadjes, over de bladvorming, over de knop en de bloem. Iedereen heeft weleens een paardenbloem geplukt, dus kunnen de kinderen zelf beschrijven hoe de bloem er vanbinnen uitziet. Heel kort horen zij iets over de bevruchting, het verleppen en het overblijven van het vruchtbeginsel. Wanneer de rol van de seizoenen aan de orde komt, wordt de aarde in de zomer vergeleken met de slapende mens, terwijl de aarde in de winter, als alles wordt voorbereid, van binnen wakker is.
Twee vragen krijgen de kinderen mee naar huis om over na te denken: Waar zouden onze gedachten en gevoelens zijn als wij slapen?
Wat is je vroegste herinnering?
Penselen, waterpotten, voorgeweekt papier en gele en blauwe verf worden uitgedeeld. Licht en water komen van boven – en van onderaf naar elkaar toe. Zij zoeken elkaar als het ware op. Het daarvoor gebruikte geel en blauw raken elkaar slechts even aan. Daar ontstaat een vleugje groen, net als­of op die plaats de eerste lentesprietjes uitkomen.

Dit gedichtje komt de volgende dag in hun schriften te staan:

De vier elementen
Zo vast en droog de aarde is,
Zo nat en vloeiend het water is.
Zo licht en vluchtig is de lucht,
De warmte rijpt de vrucht.
                                                                                            (lerares)

De verschillende stadia van de paardenbloem en de daarbij be­horende jaargetijden vatten de kinderen zelf samen, in terug­gaande lijn:

pluisje                                             – eind zomer

bloem                                              – zomer

knop                                                 – lente

wortel, steel, blad                          – lente
kiembladeren,

kiemwortel                                     – lente

zaadje                                              – winter, herfst

Wanneer zij vertellen over hun allereerste herinnering, blijken deze vaak met schrikbelevingen te maken hebben: een gat in je hoofd, in het water gevallen, een kop thee over je benen, een vechtpartij op straat…….
Een meisje meende zich zelfs te herinneren uit de kinderwagen te zijn gevallen. Over de vraag waar je gedachten en gevoelens zijn als je slaapt, hebben de kinderen nauwelijks nagedacht, dat vonden ze zo’n stomme vraag. Het eenvoudigste antwoord leek hen: ” Die slapen ook!”
De juf gaat er dan verder maar niet op in. Een jongen heeft spontaan enkele takken met katjes meegebracht die al helemaal geel zijn. Voor de klas vertelt hij er van alles over en tekent zelfs een dwarsdoorsnede van een katje op het bord. De lerares gaat door op zijn verhaal. Zij vertelt over de bloei van bomen, over stuifmeel en het bijenbezoek, over de verschillende zaadvormen, over het verspreiden van het zaad door de vogels en de wind. Het water en het licht worden weer geschilderd, maar ze weten nu al beter wat ze met elkaar kunnen doen. Met behulp van de aarde vormen ze een plant, die omhoog naar de zon groeit en haar blaadjes één voor één uitstrekt naar beide kanten. Wanneer deze per kind zo verschillende planten de volgende dag beke­ken worden, lijkt de ene plant in een moeras te staan, de andere op een berg of in een woestijn. De kleursterkte en de hoeveelheid lucht en water in de schilderingen maken deze verscheidenheid aan planten mogelijk.

Nadat de leerstof van de vorige dag heel kort met behulp van de kinderen herhaald is, vertelt de lerares uitgebreid over paddenstoelen. Tot slot maakt zij een vergelijking met een volledige plant: Bij de paddenstoel blijft alles onder de aarde, behalve de top. Hij wil niet veel weten van de zon. Thuis moeten de kinderen een gedichtje over de paddenstoelen maken.
Nogmaals schildert de klas de plant van gisteren, maar nu met vier kleuren. De aarde geeft stevigheid aan de wortels en een lichte waas van warmte die de knop omhult, brengt de rode bloem tot bloei. Weer ontstaat bij ieder kind een ander soort bloem: een strobloem, een rode zonnebloem, een pioenroos, een cactus…..

Enkele paddenstoelgedichtjes worden voorgelezen. Daarna schrijven de kinderen hun eigen vers stilletjes in hun schrift. Sommige vinden andermans gedicht zo leuk, dat ze die ook op schrijven:

Paddestoel klein
en paddestoel rond,
jij staat zomaar op de grond,
op het zachte groene mos
in het grote dennenbos.
(leerling)

Kleine tekeningetjes in de opgespaarde ruimtes laten geheime plekjes in het bos zien, waar paddenstoelen het naar hun zin hebben. De lerares leest nog eens enkele herinneringen van de kinderen voor. Dan merkt zij op dat een baby eigenlijk net zo afhankelijk en hulpeloos is als de paddenstoel. Beiden kunnen zich niet zelf voeden en toch groeien zij allebei heel snel en zijn even rond van vorm.
In de paarsblauwe schaduw van een boom­stam sparen de kinderen de vorm van paddenstoelen uit.
De donkere aarde biedt de nodige beschutting. De stemming op de schilderbladen is die van een geheimzinnige vollemaansnacht. Nadat de kinderen hebben gehoord over de korstmos en diens reacties op water en zon en diens voorzichtige pogingen blad te vormen, schrijven zij dit gedichtje van het bord over:

Korstmos zo hoog op de rots
leef je van water en zon.
Jij groeit daar zo trots,
waar niets meer leven kon.
Jij bent zo kleurig en klein,
maar je kunt niet veel
meer dan een paddenstoel zijn,
zonder wortel en zonder steel.
( lerares)

De diepzee en haar oerwouden van veelkleurige en veelvormige algen en wieren zijn nu het onderwerp van de les. In het water gevormd en nog net niet verstoken van het licht, deinen deze wortelloze planten mee met de beweging van het water.  Zij wor­den als het ware door het water gedragen, maar kunnen zich nog wel aan de zeebodem vasthechten. De lerares vertelt nu over de ontwikkeling van het kleine kind, hoe het leert eten, zit­ten, kruipen en staan.

Wouden van wier en algen in vele kleurschakeringen en vormen, die zacht onder water bewegen, verschijnen op het vochtige papier. Eerst schilderen de kinderen het blauwe water en daarna de planten. Daartussen zwemmen kleine felgekleurde vissen, octopussen en kwallen.

Die dag hebben de kinderen thuis gedichtjes gemaakt. De volgende ochtend worden enkele voorgelezen, waarna er een wordt uitge­kozen om naast het eigen gedicht op te schrijven in de schriften:

Daar staat een alg diep onder zee,
zijn bladeren gaan met de golven mee.
Een alg heeft een ontzettend groot blad,
en die voelt natuurlijk heel erg nat.
De vissen zwemmen tussen de bladeren door
en bijten soms in een rechteroor,
want vissen eten graag algen.
Mij lijkt het om te walgen!
( leerling )

Ranke algen en kleurige visjes op de lichtblauwe zee­bodem versieren de rest van de bladzijde. Op het volgende blad komt te staan:
We hebben een vergelijking gemaakt tussen de plantenstadia en de ontwikkeling van het kind:
paddestoel    – baby: rond, hulpeloos, afhankelijk,

korstmos       – enkele maanden oud: het kind leert zich bewegen, grijpen en                                           kijken,

algen               – ongeveer een jaar oud: het kind kan zitten en kruipen, maar                                              nog niet alleen staan,

mossen          – na het eerste jaar; het kind kan alleen staan en begint                                                         woordjes te zeggen.

Nu zijn de mossen aan de beurt. Onder de bomen in het bos die nu nog helemaal kaal zijn, vind je de prachtigste groene plekken. Je vindt daar een soort mininatuur van heel veel kleine plantjes. Deze hebben veel van de vormen die we ook in het plantenrijk onder de “grote” planten tegenkomen: struiken, palmen, bomen. De kinderen horen over het bloemetje, de bestuiving, het sporendoosje op zijn lange stengel, over zijn behulpzaamheid aan de bomen, over de vroegere moerassen in ons land en het ontstaan van turf.
Dan wordt het mos geschilderd: op een licht plekje in het bos, waar de zon net tussen de bomen door kan schijnen, groeien kleine kussentjes mos in allerlei groene tinten. Daar bovenuit groeien de prachtigste lichtgroene varens met hun lange bladeren en hun krullen.

De lerares vraagt de kinderen thuis een herinnering over de eerste tijd op school op te schrijven. Wanneer zij deze een dag later aan elkaar hebben verteld, wijst de lerares hun op het verschil tussen de tijd van hun vroegste herinnering en die toen ze een jaar of zes waren. Hoeveel meer weten, voelen en kunnen ze al….  Zij geeft een be­schrijving van een kind dat iedereen in zijn omgeving nabootst en op een gegeven moment beseft dat het zelf een ” ik ” is. Wanneer de kinderen de mos – en varen­schilderingen van de vorige dag bekijken, krijgen zij meer over de varens te horen. Deze hebben samengestelde veernervige bladeren, waarop aan de achterkant sporen groeien.

Wanneer je zou proberen ze uit te graven, merk je dat ze stevig in de aarde staan:  ze hebben wortels. De varens hebben geen echte stengels en ook geen bloemen.

De lerares beschrijft de sfeer van, het dennenbos met de rood­achtige gloed van de afgevallen naalden, de donkere zwijgzaam­heid van de streng gevormde bomen.
Achter het bos kleurt de avondhemel rood….. ‘Een uur later zijn deze bossen geschilderd en liggen de schilderingen te drogen in het waterige voorjaars­zonnetje.
De volgende dag worden de belangrijke dingen over de varens nog eens aangestipt en daarna schrijven de kinderen zelf wat ze nu over de varens weten:

De varens zijn bladeren, gelijk uit de grond. In warmere landen zijn ze net zo hoog als een boom. Daar leven de wortels een halve meter onder de grond. Het samengestelde blad heeft tientallen blaadjes aan de zogenaamde steel. Varens zijn er hier in Noord – Holland. Er zijn vele soorten varens.  Ze hebben sporen op hun bladeren en leven van water en licht.
( uitwerking leerling )

Besproken wordt de ontwikkeling van het kind van drie tot zes jaar, het eerste “ik”- zeggen, zijn spel en zijn grenzeloze fantasie. Wanneer de kinderen de bijzonderheden van de dennenboom hebben gehoord, kondigt de lerares aan dat ze morgen over de dicotyl en de monocotyl zullen praten en dat ze nu een van die planten gaan schilderen.
Ze beginnen met blauw van onderen en geel van bovenaf. Onder de aarde heeft de tulp haar bruine bol met de kleine witte worteltjes. Het lange blad omvat van onderaf de stengel. Om de bloem heen schilderen de kinderen de lichte, roodachtige waas van de warmte. Na een korte herhaling over de naaldbomen schrijft de klas er weer een stukje over. Ze mogen dat ook in gedicht – of gespreksvorm doen. Ook eigen ervaringen en herinneringen die met naaldbomen te maken hebben, mogen in het schrift komen.

De dennen hebben geen bladeren, maar naalden. Aan de takken groeien dennenappels. Die zijn roodbruinig. De stam is kaarsrecht en in het voorjaar zit er veel hars aan. Er zijn vele soorten naaldbomen: sparren, fijnspar en nog, veel meer. De grove den of pijnboom is een bijzonder taaie naaldboom, die men herkent aan de lichtrode schors en de blauwgroene naalden. De naalden van een den ruiken naar citroen en prikken. In de herfst en in de winter blijven ze groen.
(uitwerking leerling)

De kinderontwikkeling van het zesde tot veertiende jaar wordt nu beschreven: het voor het eerst naar de grote school gaan, het willen leren, de gevoelens van eenzaamheid rond het negende jaar en dan het langzaam bewuster worden van de eigen gevoelswereld en het komen tot eigen gedachten en ideeën. Zo horen de kinderen niet alleen wat ze zelf kunnen herkennen, maar tevens wat nog komt, waarnaar ze kunnen uit­kijken.
Op het bord staat een wilde roos getekend. Een uitgebreid wortelnet houdt de plant stevig in de aarde. De ver­schillen worden behandeld tussen de tulp, die al in het voorjaar uitschiet en de roos, die geduldig werkt aan haar steeds fijner en uitgewerkter samengestelde blaadjes en die rustig de tijd neemt voor de knop, waar zij in de groene kelk de gekleurde kroonbladeren verborgen houdt. Tenslotte ontvouwt zij haar bloem in de vorm van een vijfster. Alle elementen, de lucht, het water, de aarde en de zon, werken ten volle met haar mee.

Wanneer de kinderen de roos gaan schilderen, vraagt de lerares hun net zo veel geduld en nauwkeurigheid uit te oefenen als de roos zelf doet. Zij hebben tijdens deze periode veel plezier gekregen in het steeds terugkerende schilderen, maar nu zoemt het in het lokaal van de ijver. De prachtigste rozen, van verfijnd tot uitbundig, ontstaan op de vochtige schilderbladen. De laatste periodeweek is bestemd voor allerlei uitstapjes. De eerste dag gaat de klas op de fiets naar het Jacques P. Thijssepark, waar ze in groepjes langs kronkelpaadjes, bruggetjes en sloot­jes komen om het park te verkennen. Sommige kinderen gaan meteen Indiaantje spelen als ze de bosjes zien, anderen kletsen meer dan ze kijken, maar er zijn er ook die met de juf willen meelopen en haar van alles aanwijzen wat ze van de plantkundelessen herkennen. Weer terug in de klas schrijven de kinderen een verslagje.

Het tweede uitstapje leidt naar het Amsterdamse Bos. Van tevoren is de klas in tweeën gesplitst en deze helften zijn elk in vijf groepjes van drie personen opgedeeld. Beide helf­ten krijgen een geheim woord op dat uit vijf letters bestaat. Elk drietal krijgt een letter tot zijn beschikking en moet een vraag bedenken, waarvan het antwoord met deze letter begint. De vragen moeten met plantkunde te maken hebben. Op een groot ruig veld, dat omringd wordt door bosjes en sluippaden,worden de fietsen neergezet. De groepjes van de ene klassenhelft krijgen vijf minuten de tijd om zich in het struikgewas te verbergen, de groepjes van de andere helft gaan even later op zoek en moeten bij elke gevonden post een vraag beantwoorden of een opdracht uitvoeren, bijvoorbeeld:

–  Wijs een mini- oerwoud aan.

–  Zoek twee bladeren: een veernervig en een parallelnervig.

–  Zoek een boom met witte schors. Hoe heet deze boom?

Bij elk goed beantwoorde vraag of uitgevoerde opdracht krijgt de zoekgroep een letter dat in het geheime wachtwoord past.
Op deze wijze zijn de kinderen tijdens hun spel toch in gedachten bezig met de plantkunde, terwijl ook de mistige maartstemming, het uitbottende groen om hen heen en de drijvende planten in de sloot hun niet zijn ontgaan.
In het Vondelpark gaat de klas eerst bomen bekijken en daarna ook natekenen. Op een veld staan twee reusachtige kastanjebomen. Die willen de kinderen tekenen. Al gauw zoeken zij een plekje in het gras om te beginnen. Meegebrachte plastic vuilniszakken moeten de broeken beschermen tegen het vochtige gras.

Maar helaas, het begint te druppelen. “We gaan gewoon door hoor!”,  laten de kinderen weten. Toch worden zij door een lange plensbui het park uitgejaagd. Daar gaan ze weer, dwars door de stad, koude regen op hun hoofd, rode handen aan het stuur, gemopper…… Terug in de klas moeten zij bijkomen bij de kachel met warme chocolademelk. Slechts zeven tekeningen hebben de terugtocht overleefd. Na deze koude belevenis willen de kinderen de dag daarna niets liever dan in alle rust schrijven en tekenen in de behaaglijkheid van het lokaal.
Een mooie gelegenheid om het gedicht van de roos en de tulp, dat al een paar dagen op het bord stond, over te schrijven. Natuurlijk hoort daar een tekening bij.

Over de tulp en de roos.

De tulp,  zij heeft verborgen
al haar delen in het klein.
Zo vlug als de zon in de morgen
kan zij er in de lente zijn.
En de roos is zo voorzichtig.
Diep wortelt zij in de aarde.
Alle elementen evenwichtig
benut zij hun waarde.
(lerares)

In een bijna transparant geschilderde achtergrond van lichtgeel en rose worden drie witte boomstammen uitgespaard. In heuvelachtige landschappen staan even later drie berkenbomen bij de één met korte, dikke stammen, bij de ander smal en rank.

De hangende en opwaaierende bladersluiers hebben alle nuances tussen geel en donkergroen. Donkerbruine vlekken verlevendigen de witte bast.

Tijdens de laatste les leggen de kinderen hun schilderingen op de juiste volgorde, maken van dun karton een kaft, die van een opschrift en een tekening wordt voorzien en zetten het boekwerk met een klemmetje vast.

Tenslotte reciteren de kinderen nog eens alle gedichten uit deze periode. Tussendoor vertelt de juf nog iets nieuws over sommige plantensoorten.  “Wie heel goed kijkt, kan heel veel bijzondere dingen over de planten aan de weet komen.”

Heemkunde, Geert Grooteschool Amsterdam, jaartal onbekend)

[1] Zie de opmerking in de reactieruimte

De ontwikkeling van het kind en de samenhang met de plantenladder vind je vooral in het leesboek voor de plantkunde

.
Plantkunde: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klasplantkunde

.

243-229

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL- Atlantis in klas 5

.

ANTROPOSOFIE IN HET VRIJESCHOOLONDERWIJS
Hoewel Rudolf Steiner op veel plaatsen in zijn (pedagogische) voordrachten duidelijk maakte dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn en zeker geen school waar antroposofie aangeleerd moet worden, zoeken critici* naarstig naar feiten die kunnen aantonen dat de vrijeschool wel degelijk in die zin een ‘antroposofische’ school is.

Zo wordt er ook ijverig gevorst om te kunnen bewijzen dat, wat men noemt het racistisch karakter van de antroposofie, ook terug te vinden is in het leerplan van de vrijeschool.

Voor hen biedt ‘Atlantis’ een aanknopingspunt.

Wie vertrouwd is met het werk van Steiner weet dat hij uitvoerig heeft bericht over Atlantis.

En zoals hij over Atlantis spreekt, is Atlantis antroposofie. En omdat antroposofie geen inhoud van leerstof hoort te zijn –het zijn de woorden van Steiner –zou het gemakkelijk voor de hand moeten liggen Atlantis geen onderwerp te maken van bv. het geschiedenisonderwijs in klas 5.

Dit gebeurt echter wel en daarmee hebben de critici een punt.

PERIODESCHRIFTEN
Ze beginnen hun kritiek vaak met het weergeven van tekst die ze hebben gevonden in de periodeschriften van het vak geschiedenis in de 5e klas.

En ook hier hebben ze een punt: wat in het periodeschrift staat is lesinhoud geweest.

In sommige schriftjes staat de indeling van tijdsfasen, zoals Steiner die gaf voor de na-Atlantische tijd:

Oer-Indische, Oer-Perzische, Babylonisch-Chaldeïsche-Egyptische tijd; Grieks-Latijnse tijd, Middeleeuwen. (en verder). Vaak compleet met jaartallen zoals ook die door Steiner zijn gegeven.

En de critici hebben nog een punt wanneer ze erop wijzen dat in het Oer-Indië, (7227-5067) , in het periodeschriftje ‘zomaar’ ineens sprake is van Buddha , die rond 540-480 voor Christus leefde.

Het gaat de critici niet zozeer om aan te tonen dat het geschiedenisonderwijs in de 5e klas eigenlijk antroposofisch onderwijs is, maar om iets veel ernstigers. Daar kom ik later op terug.

LEERPLANAANWIJZINGEN VAN STEINER
Kunnen we ons beroepen op de leerplanaanwijzingen van Steiner wanneer we over ‘zijn’ Atlantis vertellen?

Ik heb tot op heden geen concrete aanwijzingen gevonden.
In de vergaderingen met de leerkrachten [1] vraagt een leraar van de 8e klas of Atlantis genoemd kan worden in de geologieles. Steiner bevestigt dat, vertelt er wat bij, maar komt er later niet op terug wanneer voor de 8e klas de aanwijzingen voor het vak geologie worden gegeven. En voor de 5e klas worden die aanwijzingen ook niet gegeven.

Voeg daarbij Steiners opmerkingen over ‘antroposofisch’ onderwijs.

Dan zijn er m.i. geen motieven meer om Steiners Atlantis in de 5e klas aan de orde te stellen.

Moeten de leerlingen in de klas een opsomming van de ‘na-atlantische cultuurperioden’ voorgeschoteld krijgen?

Om dezelfde redenen is daar ook geen aanleiding toe.

Steiner heeft het niet over ‘fases’, maar over ‘scènes uit de oude geschiedenis.’ [2]
Moeten de leerlingen de door Steiner gegeven jaartallen in hun schrift schrijven en/of leren?

Wie bij zichzelf te rade gaat, heeft waarschijnlijk net als ik, eigenlijk geen benul hoe lang geleden 10.000 jaar is. Ja,erg lang, maar het blijft een leeg, niet doorleefd begrip. Voor zover ik bij mijn leerligen van 11 jaar heb kunnen waarnemen, is er nog geen ‘orgaan’ aanwezig om iets meer te beleven dan ‘erg lang’.
Voor Steiner was dit m.i. ook een feit. Hij geeft niet voor niets op zeker ogenblik een voorbeeld hoe je ‘lang geleden’ aan kinderen nog enigszins duidelijk kan maken.

Daaraan heb ik ook beleefd dat ‘lang geleden’ voor kinderen van die leeftijd dan wel ‘dichterbij’ komt. Maar de generaties terugvervolgen tot 8- of  9- of 10-duizend jaar, dat lijkt me niet te werken.

Dus zouden we m.i. die jaartallen geheel buiten beschouwing moeten laten. Het blijven abstracties.

‘GESCHIEDENIS AANLEREN’
Het boek ‘Geschichte lehren’ van Christoph Lindenberg [3] is m.i. hèt boek om je als leerkracht op het eerste geschiedenisonderwijs in klas 5 voor te bereiden. Er is geen Nederlandse vertaling van. Hier is een vertaling van het hoofdstuk ‘Klas 5’.

Als we in de 2e geschiedenisperiode in klas 5 vooral over Griekenland vertellen, is de stof voor het grootste gedeelte gebaseerd op bronnen en daarmee ‘echte’ geschiedenis. Wanneer je naar de geschiedenis kijkt van de Egyptenaren vertel je toch ook heel veel wat in de bronnen verifieerbaar is. En dat geldt ook voor de Perzische tijd met bv. de stedenbouw.

Van de Indische tijd is Buddha ‘geschiedenis’.

Maar al de genoemde culturen hebben ook hun bijzondere mythologieën en andere verhalen. Het wordt moeilijker om die exact onder ‘geschiedenis’ te rangschikken.

Voor het lesgeven is dat ook helemaal niet nodig. De mensheid heeft die voortgebracht en het is belangrijk dat jonge kinderen met de creaties van de mensheid waartoe ook zij behoren, kennismaken.

In de eerste geschiedenisperiode met name, zal er zeker in het begin, meer sprake zijn van cultuur, dan van geschiedenis. Voor sommige critici iets om over te vallen; voor ons als vrijeschoolleerkrachten iets vanzelfsprekends.

DE EERSTE ‘GESCHIEDENISDAG’
Als je als leerkracht daar op een maandagochtend staat – de eerste dag van de eerste geschiedenisperiode van je klas – (en misschien ook jouw eerste geschiedenisperiode in je 5e klas), moet je met ‘iets’ beginnen.

Ik greep vaak terug op wat de kinderen van het verleden al wisten en van lieverlee kwamen we zo ver terug in de tijd dat bijna vanzelf de verhalen uit de 3e klas, het Oude Testament, genoemd werden. En altijd was er wel een kind dat de zondvloed noemde.

Ik vond dat een welkome aansluiting om op verder te gaan: ‘Veel meer bevolkingsgroepen hebben zulke verhalen over de ondergang van de wereld.’ (Sommige kinderen noemen bijna vanzelfsprekend de Dag Ragnarok uit de Edda).

Dan kun je verder met bv.:

‘Dit is het verhaal van het volk van de Indiërs’: hier vertel je dan het verhaal van ‘Manoe en de vis’.

MANOE?
Wanneer dit in het periodeschrift wordt naverteld, hebben de critici, denken ze, weer ‘beet’. Immers: ook Steiner spreekt over een Manoe en, jawel, hij doet dit in samenhang met de ondergang van ……Atlantis.

Uit de Atlantismededelingen van Steiner halen de critici meestal de ondergang van Atlantis naar voren. Deze zou zich hebben voltrokken door grote watersnoden – vergelijkbaar met de ondergang van de wereld zoals beschreven in het zondvloedverhaal in de bijbel.

Volgens Steiner werden er wel mensengroepen gered. Deze trokken onder leiding van ‘Manoe’ naar veiliger streken en zouden weer bewoonbaar land hebben gevonden.
Ook in de verhalen over het ontstaan van de Indische cultuur is sprake van  ‘Manoe’
Worden er dan in de klas verzen uit de heilige boeken van India opgeschreven en gereciteerd, dan kunnen ook de ‘rishis’ ter sprake komen.

VOER VOOR CRITICI
Voor de critici opnieuw een handvat: immers, ook Steiner spreekt over rishis in zijn mededelingen rond Atlantis. En wanneer er dan ook nog sprake is van een bevolkingsgroep die de Indiërs zelf de Arayans noemen, vaak vertaald met Ariërs, dan is het feest voor de critici, want ook Steiner spreekt over Ariërs en het blanke ras, dat het leidende zou zijn in de huidige ontwikkelingsfase van de mensheid.

En met deze ingrediënten vormen de critici hun standpunt dat het geschiedenisonderwijs in klas 5, Atlantis’  een middel is, ‘om Steiners mensheidsontwikkelingsmodel het onderwijs binnen te smokkelen.’ (De bedriegelijke verpakking (Prange);  het Paard van Troje (De Jonghe) en de in mijn ogen schaamteloze opmerking  ‘dat op deze manier (Duits:‘kindgerecht’, dus op kinderniveau, racisme bedreven wordt. (Lichte)

ATLANTIS TABOE?
Moet Atlantis dan vermeden worden?

Het gaat erom, denk ik, wat je met het noemen voorhebt.

Er zijn de mededelingen van Plato; er zijn verschillende visies op Atlantis; de Atlantische Oceaan dankt er zijn naam aan.

Er zijn videospelletjes die Atlantis heten. Sommige kinderen hebben die; ze weten ervan of hebben oudere broers of zussen die ze hebben.

Zo was er in mijn klas ooit een kind met een oudere broer die fan was van de Engelse zanger Donovan die een Atlantissong heeft.

Dus, wat wil je ermee in de klas.

Hoe je het ook wendt of keert, bij wie je ook te rade gaat, Atlantis blijft een schimmig gebied.

DIT IS WEL EEN AANWIJZING VAN STEINER:
‘In de vijfde klas zal men zich dan alle inspanning getroosten om met de kinderen een begin te kunnen maken met werkelijke historische begrippen. En men moet er ook absoluut niet voor terugschrikken om het kind juist in deze tijd, in de vijfde klas, begrippen bij te brengen over de cultuur van de oosterse volkeren en van de Grieken.’ [4]
M.i. valt Atlantis niet onder ‘werkelijk historische begrippen’.

In het Duitse vrijeschoolblad  ‘ERZIEHUNGSKUNST’ :
‘Het zou onzin zijn om uitspraken van Steiner in de vorm van leuke verhalen of in de vorm van overgeleverde mythen aan zijn leerlingen te vertellen, omdat ze dat niet zijn en omdat er geen aanleiding bestaat om over zulke uitspraken (bedoeld wordt hier alles wat Steiner over Atlantis heeft gezegd) in de zin van een op zichzelf staand esoterisch weten te beschikken.
Afgezien daarvan zijn er geen leerplanaanwijzingen van Steiner die tot zoiets aanleiding zouden geven.’

[1] R.Steiner: GA 300 A Konferenzen mit de Lehrern, blz.85/86
[2]R.Steiner: GA 295 Erziehungskunst-Seminarbesprechungen, 1969
Vertaling: Praktijk van het lesgeven, blz.20
Uitg.Vrij Geestesleven1989 ISBN 90-6038-187-4
(nu: uitg.Christofoor)
[3]Lindenberg: Geschichte lehren
Stuttgart 1981 ISBN 3-7725-0243-1
[4]Praktijk van het lesgeven, blz.149

 *Ramon de Jonghe; Prange; Andreas Lichte

.

[1] Is het geschiedenisonderwijs in klas 5 ‘antroposofisch?
[2] deel 2
.

5e klas geschiedenis: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas geschiedenis

71-69

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL -Grohmann – ‘over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner

.

Gerbert Grohmann:

‘Over de eerste dier- en
plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner’

Zur ersten Tier-und Pflanzenkunde in der Pädagogik Rudolf Steiners
Menschenkunde und Erziehung Band 3
Verlag Freies Geistesleben Stuttgart, 1979
ISBN 3 7725 0203 2

deel 2:

PLANT – AARDE – MENSENZIEL

Inhoudsopgave:
Voorwoord bij de 1e uitgave-zie onder
(blz. 85-86)
Uitwerkingen van de 9e werkbespreking
(blz. 87-114)(nog niet oproepbaar)
Uitwerkingen van de 10e werkbespreking
(blz. 115-121)(nog niet oproepbaar)
Uitwerkingen van de 11e werkbespreking
(blz. 122-143)(nog niet oproepbaar)
Nog enige fundamentele vragen
blz. 144-148)(nog niet oproepbaar)

Bij uitgeverij Phaidos – zie rechts in de ‘linklijst’ – zijn ook een aantal vertalingen te vinden; daarom ga ik met mijn eigen vertalingen voorlopig niet verder.


Voorwoord bij de 1e druk (1953)
Vóór de opening van de Waldorfschool in Stuttgart in september 1919 bereidde Rudolf Steiner de toekomstige leerkrachten op hun nieuwe taak voor (21 aug.-6 sept).

’s Morgens werden  de fundamentele voordrachten over algemene menskunde [1] en over het  methodisch-didactische [2] gehouden, ’s middags vonden in een vrije gedachtenwisseling werkbesprekingen [3] plaats.
In zoverre de laatste over plantkunde gaan, zullen die onderwerp van behandeling zijn.

De door Rudolf Steiner gegeven aanwijzingen zijn buitengewoon.

Ze betekenen, ondanks hun bescheiden vorm, pedagogische, maar ook natuurwetenschappelijke impulsen van  revolutionaire betekenis, waarnaast alles verbleekt, wat zich anderszins aan vernieuwingspogingen voordoet. Het komt er slechts op aan dat wij het niet laten afweten  en ons steeds weer moeite getroosten deze in ons op te nemen en te verwerken.  Wat Rudolf Steiner in zijn werkbesprekingen ontwikkelde is verrassend genoeg. Het werd consequent  naar de geest van de pedagogie van de Waldorfschool neergezet. Men zou het oerpedagogisch kunnen noemen.

Wanneer wij ons uitsluitend aan de voorbeelden zouden houden waaraan Rudolf Steiner zijn ideeën uitwerkte, zouden wij in dezelfde fout vervallen als het tijdvak dat in Goethe niet de Copernicus en Kepler van de organische wereld erkende, omdat het maar een paar dingen zag.

Zeer zeker zijn de voorbeelden van Rudolf Steiner voor ons van onschatbare waarde, maar we moeten ze niet navolgen, zonder tegelijkertijd steeds te vragen: wat heeft Rudolf Steiner door zijn raadgevingen eigenlijk geïnaugureerd?

Daarom hebben wij het hier tot opdracht gemaakt in het bijzonder de pedagogische en methodische basis uit te werken.

Omdat het in de werkbesprekingen niet om voordrachten ging, maar om besprekingen, moet de vrije manier van spreken in de gaten worden gehouden. Het gesprek ging heen en weer, waardoor zo nu en dan  wat omzettingen in de tekstvolgorde nodig werden. Maar aan de lezer zij met nadruk gezegd dat onze uiteenzettingen volledig zijn. Geen aanwijzing en geen van de besproken thema’s werd weggelaten. Wanneer het op de woorden van Rudolf Steiner bijzonder aankwam, werd het citaat toegevoegd.

De schrijver dezes had niet het geluk tot de kring van die personen te horen met wie de werkbesprekingen werden gehouden. Alleen het feit dat hij zich vele jaren van zijn leven aan de studie van de plantenwereld heeft gewijd en dat hij ook lang als leraar met de pedagogie van Rudolf Steiner mocht werken, gaf hem de moed het woord te nemen.

Een bijzonder probleem ontstond voor hem daardoor dat hij zich bij het schrijven steeds voor de vraag gesteld zag, in hoeverre de inhoud van zijn eerdere boeken met het onderhavige werk enigszins een geheel zou vormen, of verondersteld kon worden of verwijzingen genoeg zouden zijn of dat er geciteerd  zou moeten worden. De voorliggende uiteenzettingen zijn zo gehouden dat zij ook op zich gelezen kunnen worden; toch kan het niet anders of de bekendheid met de andere boeken van de auteur betekenen een verrijking. In het werk ‘De Plant’ is de wetenschappelijke basis van een door geestenwetenschap geïnspireerde plantkunde gelegd, in het ‘Leesboek voor de plantkunde’ is veel uitgewerkt, wat hier alleen maar principieel methodisch behandeld kan worden, zodat het ‘Leesboek’ en onze uiteenzettingen alleen al door de verscheidenheid van de lezerskring waar het zich op richt, zich wederzijds kunnen beïnvloeden. Vooral voor de in de 11e werkbespreking  genoemde ontwikkelingstrap in het plantenrijk moet het leesboek worden aanbevolen.
Na deze vooropmerkingen gelooft de schrijver dat hij kan afzien van de meeste van de soms nodige aparte aanwijzingen in de tekst.

Stuttgart, Pasen 1953, Gerbert Grohmann

[1]Rudolf Steiner: ‘Allgemeine Menschenkunde’
GA 293
Vertaling: ‘Algemene menskunde als basis voor de pedagogie’

[2]Rudolf Steiner: ‘Erziehungskunst Methodisch-Didaktisches’
GA 294
Vertaling:Opvoedkunst”

[3]Rudolf Steiner:’Erziehungskunst Seminarbesprechungen und Lehrplanvorträge’
GA 295
Vertaling:’Praktijk van het lesgeven’

 

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

70-68

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde – 5e klas

.

PLANTKUNDE 5E KLAS

In klas 5-groep 7-krijgen de leerlingen voor het eerst plantkunde.

De leerkracht kan voor de voorbereiding veel halen uit

‘Leesboek voor de plantkunde’

 Gerbert Grohmann

Dat Grohmann zeer bevlogen was voor zijn vakgebied: plant- en dierkunde, is af te lezen aan zijn enthousiasme en zijn taalgebruik.
Dat laatste is niet altijd zo te gebruiken als hij hier doet, maar ik heb de vertaling daarom niet anders gemaakt.
Wie ook hoofdstukken met de kinderen wil lezen, moet daarop bedacht zijn.
Het lezen met de kinderen van klas 5 of 6 van enkele hoofdstukken is zeker aan te raden. Je oefent het lezen en je herhaalt nog eens de behandelde stof.

Bij hoofdstuk 46, over de geneeskrachtige planten, merk je dat de tijd niet stil gestaan heeft. Bepaalde passages kun je niet zonder meer met de kinderen lezen. Ik geloof dat nu niet meer iedere moeder iets weet van de venkelthee bij buikpijn……

Het boek biedt ook nog goede voorbereidingsmogelijkheden voor de periode voedingsleer in klas 7.

Klik voor de inhoud

Van Gerbert Grohmann verscheen ook:
 ‘OVER DE EERSTE DIER- EN PLANTKUNDE IN DE PEDAGOGIE VAN RUDOLF STEINER’

Grohmann werkt hier de aanwijzingen die Steiner in de werkbesprekingen (GA 295: praktijk van het lesgeven) over plantkunde gaf nader uit.

Klik hier voor de inhoud 

5e klas – plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – plantkunde

 

69-67

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (56)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.211, hoofdstuk 56                                                                         alle hoofdstukken

 

NAWOORD VOOR DE VOLWASSENEN
Het komt er niet op aan dat een gedachte op alles toepasbaar is, maar dat we met ons begrip doordringen tot het wezenlijke van de zaak.
Rudolf Steiner

Het leesboek dat hier ligt, is geschreven voor diegenen die het zo willen.

Het heeft al een kleine geschiedenis. Voor het eerst verscheen het in 1936 in Dresden, toen nog met de titel ‘Kleine plantkunde voor kinderen.’ De wijze waarop het werd ontvangen was ook voor de schrijver een verrassing.
Daarna deelde het kleine werk het lot van de tijd. Het werd door de barbaren verboden; de oplage werd vernietigd.
Na de oorlog nam de Novalisuitgeverij het boek weer op. In 1948 verscheen het opnieuw in een nieuwe bewerking en met de titel van nu.
De uitgave die nu voorligt is de tweede bewerking. Deze is weer met veel uitgebreid.

Moge deze net zo warm onthaald worden als de vorige oplagen!

Bij het doorkijken bleek dat de gedachten die de schrijver voor ouders en opvoeders bij de laatste uitgave meegegeven had, ook nu nog opgeld doen. Daarom wordt het oude nawoord, een beetje veranderd, ook aan deze uitgave toegevoegd:
Je kunt van leerkrachten, ook van de beste onder hen, vaker de mening horen dat het echt wel moeilijk is kinderen een weg te wijzen tot het begrip plantkunde; veel moeilijker dan bv. tot de dierkunde, want wat bezield is staat van nature veel dichter bij het kind. Het wordt helemaal niet ontkend dat beschrijvingen en opsommingen niet goed of nodig zijn, maar de kern van onderwijs blijft toch het innerlijke beeld van de plant en de levensprocessen waarmee het kind zich verbinden kan op een liefdevolle manier. Ik meen dat dit wel uit mijn boek naar voren komt, toch geloof ik dat ik de volwassenen een paar verklaringen schuldig ben over de door mij gebruikte methode, die zonder twijfel niet gebruikelijk is.

Geen enkele leerstof, tenzij deze dat tot doel heeft, blijft zonder invloed op de geest-zieleontwikkeling van het kind. Wellicht is het misschien beter om te zeggen dat elke leerstof een opgave moet vervullen die ver uitgaat boven het leren kennen. Daarmee zijn de methodische vragen in de belangstelling komen te staan. Wie denkt het wezen van het kind aangesproken te hebben, wanneer hij eenvoudigweg een zwak aftreksel van de wijsheid van volwassenen brouwt en alleen weglaat wat voor de kinderen  te hoog gegrepen is, die vergist zich zeer. Men moet met kinderen anders over planten spreken dan met volwassenen, heel anders zelfs en de methoden moeten met de kinderen door de leeftijdsfasen heen mee veranderen. Nooit moet worden vergeten dat er niet maar één manier is om de natuur te begrijpen, maar dat er veel meer mogelijkheden zijn en het is een symptoom van de beperking die onze door en door materialistische tijd met zich mee heeft gebracht te beweren dat alleen het intellect er aanspraak op kan maken objectief genoemd te worden.
Intellect en geest zijn beslist niet hetzelfde. Wie met kinderen plantkunde behandelen wil die moet kunstzinnige beelden hanteren.
Het zuivere beeld is in staat geestelijke inhouden te verwoorden, anders dan het intellect.
Doet men, zoals ik, een poging het leven van de plantenwereld in objectieve beelden weer te geven, dan zal iemand dikwijls met een begripsvol knipoogje toegeven dat die manier van doen  met kinderen dan wel enigszins mogelijk is, maar voor volwassenen toch onwaardig, ja zelfs belachelijk, omdat het toch tegen de waarheid ingaat.
Maar zo verstikkend het op het kind werken moet wanneer we het het verbleekte beeld van de grotemensenwetenschap willen intrechteren, die het nooit echt in zich opnemen kan, zo vernietigend is het iets te vertellen wat men voor zichzelf als niet waar af moet wijzen. Ik wil daarom met nadruk opmerken dat achter de beelden die ik gebruik de waarheid staat die ik ook met redenen kan omkleden. Zijn deze beelden geen ludieke fantasterijen of smakeloze vergelijkingen, dan ontwikkelen deze zich als zaadkorrels en metamorfoseren later geheel uit zichzelf, zonder dat het kind dat opgroeit ze belachelijk hoeft te vinden of te ontkennen.
Het wezenlijke van de in dit boek gebruikte ideeën dank ik aan  het bestuderen van het werk van de geniale pedagoog Rudolf Steiner.  Een onderwijspraktijk van vele jaren door de gezamenlijke leeftijdsfasen tot aan de leeftijd van de universiteit hebben mij geleerd de vruchtbaarheid ervan te waarderen.
Innerlijkheid is een vanzelfsprekende trek van het kinderwezen. Wie zou geloven dat het nodig is om deze door een schijnbaar kinderlijke manier van uitdrukken te willen bewerkstelligen, die zou juist ingaan tegen deze hartelijkheid. Helaas worden de uitdrukkingen kinderlijk en kinderachtig niet steeds uit elkaar gehouden. Ik kan mij niet voorstellen dat men kind en plant nader tot elkaar brengt , wanneer je bv. steeds verkleinwoordjes gebruikt, over het ‘zoete, kleine viooltje’ en van het ‘lieve vergeet-mij-nietje’ spreekt. In plaats hiervan moet men liever in beeldvorm en in de gedachten invoegen wat men voor wenselijk houdt. Verder is echt niets nodig, want waar geest aanwezig is, roept deze ook geestdrift op. Daarom heb ik er ook van afgezien alleen maar interessante feiten als iets sensationeels aan elkaar te knopen. Om het directe meebeleven niet te beïnvloeden heb ik mij heel bewust beperkt tot wat men gewoon met de ogen zien kan. In hoeverre ik erin ben geslaagd de simpele verteltrant vruchtbaar te maken, mag de lezer zelf beoordelen.
Het valt de plantkunde ten deel het kinderlijke denken aan te spreken en te ontwikkelen. Juist in de plantkunde heeft men daarvoor de prachtigste mogelijkheden door, als men iets wil verklaren van wat apart staat, op steeds grotere samenhangen te wijzen. Vanaf het 10e levensjaar begint het kind gevoelsmatig te vragen naar het waarom van wat zich in de wereld manifesteert. Wat een diepingrijpende invloed moet het op het aanwezige denken van de mens van nu hebben, wanneer die nu juist door plantkundeonderwijs het denken kon oefenen en ontwikkelen. Ik ben ervan overtuigd dat dit zich kan uitstrekken tot in het sociale denken, voelen en willen.
Men moet alleen de moed hebben en de ruime blik ervoor openen om de gevolgen ervan te doorgronden. Dan zijn er geen bijzaken.

Helaas is het niet mogelijk alles in één leesboek samen te proppen wat in de persoonlijke omgang met kinderen ontwikkeld kan worden. De beelden die men zou moeten gebruiken zouden gevaar lopen verkeerd geïnterpreteerd te worden. Het gaat hierbij juist om die innerlijke zaken die het kind het meest bewegen. Natuurlijk moet er ook een onderscheid zijn tussen het geschreven en het gesproken woord. Het komt heel anders over wanneer het kind een indruk heeft van de persoonlijkheid van de leerkracht, de klank van zijn stem hoort, zijn mimiek en gebaren waarneemt. De geschreven tekst moet maar voor één uitleg vatbaar zijn, geconcentreerder dan het gesproken woord in de les hoeft te zijn. Die lezers die graag dieper zouden willen ingaan op de door Rudolf Steiner gebrachte ideeën die te maken hebben met plantkunde, zou ik het boekje van de schrijver willen aanraden ‘plant-aarde-mensenziel.’* Het bevat ook de tekst van de seminaruren die Steiner voor de eerste leerkrachten van de Waldorfschool in Stuttgart gaf.

Ik kan mij wel voorstellen dat de ‘strenge leerkracht’ bij de lectuur van mijn leesboek hier en daar misprijzend het voorhoofd fronst, maar ik heb deze keer de vrijheid genomen onbekommerd mijn eigen inzichten te volgen. Mogen goede geesten mijn gids zijn geweest!

Wie de methode die ik gebruikt heb niet waarderen kan, laat mijn leesboek in alle rust voor diegenen liggen voor wie het geschreven is. Misschien wil ook menig volwassene zich nog eens heel graag als kind beschouwen en wat ik leren wil opgewekt en vrolijk tot zich nemen. In ieder geval hebben de ervaringen met mijn kleine plantkunde getoond dat niet alleen kinderen mijn lezerspubliek zijn geworden.

Dr.Gerbert Grohmann

*In 1979 opgenomen in Grohmann: Zum ersten Tier-und Pflanzenkunde in der Pädagogik Rudolf Steiners-Menschenkunde und Erziehung Band 3
Uitg. Freies Geistesleben Stuttgart-ISBN 3 7725 0203 2
(uitverkocht, geen herdruk gepland)

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

63-61

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (55)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.202, hoofdstuk 55                                                                         alle hoofdstukken

 

DE REIS VAN EEN PLANTKUNDIGE IN HET SCANDINAVISCHE HOOGGEBERGTE
Op weg naar het noorden kan de reiziger bij de poolcirkel voor het eerst deel hebben aan de grote belevenis de middernachtzon te zien, tenminste toch wel een paar dagen rond de tijd van de  zomerzonnewende. In de dagen ervoor en erna staat de zon om middernacht weliswaar niet meer aan de hemel, maar er heerst toch buiten nog zo’n heldere schemer dat je de kleinste lettertjes kunt lezen. Hoe verder je je nu vanaf de poolcirkel noordwaarts begeeft, des te langer duurt de tijd waarin de zon niet meer ondergaat, maar alleen de horizon nadert. In Noord-Scandinavië duurt de middernachtzon gemiddeld twee maanden.

Vanzelfsprekend heerst op elk gebied van de aarde ongeveer evenveel dag als nacht, maar poolwaarts komt tegen het midden van de zomertijd steeds meer daglicht, het donker spitst zich toe op het midden van de winter, zodat in de zomer de aanwezigheid van het  licht sterk overheerst en we moeten ons afvragen of deze eenzijdigheid niet een opmerkelijke invloed uitoefent op het plantenleven.

Hemel en aarde staan in het noorden plotseling tegenover elkaar. Door wat er ‘s nachts gebeurt, spreekt de hemel van het noorden een machtige taal (poollicht). Beneden op aarde liggen de oeroude steenmassa’s die tekenend zijn voor het Scandinavisch continent. Wanneer je kijkt naar de hoogtegetallen van deze bergen, dan ontdek je dat die de getallen van het Midden-Europese gebergte bij lange niet benaderen. De hoogste berg van Zweden is niet meer dan 2000 meter , heeft echter vier gletsjers. (De hoogte van de grootste alpenbergen komt in de buurt van 5000 meter.) Wanneer je in Scandinavië een berg beklimt van maar 1300 tot 1500 meter dan laat je de boomgrens al na zo’n paar honderd meter boven de zeespiegel achter je en spoedig  bevind je je al in het grootse landschap van het hooggebergte. Daar heeft het maken van vergelijkingen met verder naar het zuiden gelegen bergen geen zin meer, omdat de aarde zelf, wanneer je noordelijker komt, al net een hoge berg is.

Je komt niet veel plantensoorten tegen die niet ook voorkomen in de Midden-Europese hogere bergen, alleen spelen ze in het hoge noorden een heel andere rol. Daar bedekken ze altijd grote vlakten, zo niet hele bergen. In de poolstreken zijn er, in vergelijking met de tropen, veel minder verschillende soorten planten, net zoals aan de polen ook steeds dezelfde sterrenbeelden aan de hemel cirkelen, terwijl in de tropen de hele sterrenhemel boven de horizon verschijnt.

Laten we allereerst eens naar de wijdse berghoogten kijken die men in Scandinavië fjeld noemt. Dit landschap verheft zich als een boomloos rotsgebied met een onvruchtbare bodem, bijna overal heide-achtig, moerasachtig boven de boomgrens die daar al naar gelang de breedtegraad, al bij 400 tot 600 meter hoogte kan liggen en voegt zich als eilanden die kilometers ver weg uitgestrekt liggen in de streken met bomen. Naast cypergrassen, bv. wollegras, korstmossen en mossen, russenachtige gewassen uit de russenfamilie, grassen enz. is de fjeld  meestal door dwergstruiken bedekt. In Zweden noemt men zulke gebieden ‘rished’, dat betekent ‘rijshoutachtige heide’. Daar groeien bijzonder veel heidekruidsoorten, naast de blauwe en de rode bosbes, de rijsbes, ook de veenbesberendruif en kraaiheide, maar ook soorten die betoverend mooi bloeien zoals de alpenheide en die daar op lijken. Zo ontstaat in het verwarde naast en door elkaar groeien van deze taaie verhoute gewasssen een verend kussen, waarop je als op een matras loopt. Wanneer je er lang op moet lopen, is dat heel vermoeiend. De vruchten van de vele bessendragende dwergstruiken dienen in verse, maar ook in droge toestand de rijke vogelwereld, zoals bv. het sneeuwhoen, tot voedsel. Een prachtig sieraad van de veenheide is de kruipbraam, een lage, niet rankende braamsoort. Zij heeft maar twee of drie bladeren en bloeit in het voorjaar met een enkele grote, vierdelige anemoonachtige bloei. De vrucht heeft de grootte van een tuinaardbei. Als ze nog onrijp is, ziet ze er rood uit, maar wanneer ze rijp is, oranjegeel. Zij smaakt zo zoet als honing. Het is werkelijk een aanlokkelijk gezicht deze vruchten die als koraal oplichten, tussen veenmos, rendiermos en donkergekleurd struikgewas te zien staan.

De planten van de fjeld vormen een gezelschap van hardloofgewassen, deels zelfs altijd groene met dikwijls ook naaldvormige bladeren.

Gedurende de lente echter wordt de fjeld bedekt met bloemen en nog eens bloemen die ook sterk geuren. Wanneer een voorwerp glanst, laat dit het licht niet naar binnen, maar spiegelt het terug. Zo doet de aarde dit in het hoge noorden met het levensbrengende zonnelicht. Zij spiegelt de werkingen van de hemel terug als een bloemenweide die aan de oppervlakte verschijnt als een bloemenlaag die er a.h.w. opgeblazen ligt. Weelderige groei en bladvorming kunnen echter niet ontstaan.

Water is in dit landschap overvloedig aanwezig. Het staat in moeras- en veenplassen – het komt samen in talrijke meren – bijna ieder deel vormt een ketting van meren-het circuleert tussen hemel en aarde, maar het wordt niet erg door het plantenleven opgenomen. Ook het aardeleven zelf  verloopt hier traag. Dode plantendelen, afgestorven en omgevallen bomen vervallen maar langzaam in deze moerasachtige grond. Zo worden dikke veenlagen gevormd.

Uit de noordelijke aarde verspreidt zich, in ’t bijzonder na het smelten van de sneeuw, wanneer de wilgenstruiken bloeien en de berken uitlopen, een wonderbaarlijke, balsemieke geur. Ook de lentebloemen geuren. Toch moet gezegd worden dat er een gebrek is aan geurige kruiden in de plantenwereld van de noordelijke bergen.

De balsemieke berkengeur is harsachtig en bloemengeur is bloemengeur, maar het is toch iets anders, wanneer ook bladeren en stengel zo doortrokken raken van warmte dat ze geuren, zoals bv. bij zoveel lipbloemigen uit onze eigen plantenwereld. Zulke planten waarvan de bladeren geuren, vind je in de Scandinavische gebergten nauwelijks. Ook de schermbloemigen ontbreken, op de engelwortel na, die door de Lappen graag wordt gegeten.

Maar onze schildering van de fjeldflora zou niet volledig zijn als we niet aan de kleine, over heel het noorden verbreide, sierlijke struik met zijn slechts centimetergrote niervormige blaadjes zouden denken: de dwergberk. Deze wordt nooit een grote struik of zelfs maar een boom. Alleen in gunstiger omstandheden brengt hij meterslange takken voort. In het hooggebergte, waar hij nog aanmerkelijk boven de boomgrens voorkomt, kun je ze met een duimdik, kort, maar darmachtig gedraaid stammetje tegen de grond aangevleid zien. Een bijna ontroerend gezicht, wanneer daar dan nog tussen de zeer kleine blaadjes ook nog de vele nietige bloemkatjes zichtbaar zijn. Wanneer je dan bedenkt, hoe klein de jaarlijkse groei kan zijn, dan zie je hoe erg oud zo’n kleine struik moet zijn. Hij is dus de dwerg onder de struiken. Je ziet hem op de fjeld overal. De grotere zuster van de dwergberk is de noordelijke witte berk. Men noemt hem ook de gedraaide berk. Hij is de boom van het hoge noorden, zodra den en spar terugblijven. Bovendien groeien in de noordelijke wouden ratelpopulieren, lijsterbessen en vogelkersen. De berken vind je meestal vergroeid; alleen op zeer gunstige plaatsen kunnen ze zich als onze berken tot boom ontwikkelen. Zwaar gaan ze gebukt onder de last van de sneeuw en het ruwe weer. Je kunt het aan hen zien, dat ze, neergedrukt tot op de grond, steeds nieuwe pogingen doen zich op te richten en in deze eeuwige strijd wordt de eigenlijke boomgestalte gevormd, die je met recht ook kromhout kan noemen. De berk is toch ondanks haar taaiheid en bestendigheid tegen de winterkou geen sterke boom, die zich tegen weerstanden goed staande kan houden. Wanneer je scheefgegroeide berken zo vlak naast dennen met hun sierlijk opgerichte stammen ziet staan, dan valt het onderscheid tussen beide bijzonder duidelijk op. De berk neemt haar kracht niet uit haar stam, maar uit haar bladerkruin en deze is meegaand; bij de den daarentegen is de stam de hoofdzaak.

Wie de noordelijke berkenbossen, waar je heg noch steg kunt vinden in deze schier onbegrensde oerbossen, eenmaal heeft leren kennen, zal ze niet gauw vergeten. Nog minder zul je de moeilijkheden vergeten die je aan eigen lijf en leden ervaart wanneer je door moeras, over stenen, afgeknotte en gebroken takken je weg moet vinden. In het bijzonder in de maanden juni, juli en augustus, wanneer de reiziger waar deze zich ook bevindt in een wolk van steekmuggen is gehuld die in mond, neus, ogen en oren kruipen, kan deze noordelijke jungle voor hem een echte hel worden. En toch maken de mooie beelden het steeds weer goed!

Laten we nog eens stilstaan bij een andere struik die in het noorden in vele soorten verspreid voorkomt en heel zijn schoonheid aan de dag legt, de wilg. Hij staat aan de oever van de wilde beken met het prachtige wit vilten gebladerte, of het zachtglanzende blauwgroen dat de laagste plekken van het moeras aankleedt; ja zelfs op grotere berghoogten tref je hem nog aan als prachtige struik, waarvoor je vol bewondering blijft staan en dan zeg je dat er ook in een aangelegd park niets mooiers te vinden is. Krachtig groeiend en toch ook door het hoogteklimaat edel doorvormd. De wilg is een vriend van de koelte en van het water. Maar eveneens behoort hij tot het beweeglijke luchtelement, vooral wanneer hij de zaden die uitgerust zijn met lange vliegharen, aan de wind toevertrouwd. En dat is nu juist het mooiste kleed van dit kind van het noorden, wanneer het daar staat met dicht behaarde, met zijde bedekte zilverglanzenden blaadjes en met witte wol behangen vruchtkatjes. Wat je ziet is zeker even mooi als een in bloei staande vruchtboom.

In het hooggebergte ontbreken natuurlijk ook die wilgsoorten niet, die meer in pollen voorkomen en die de plantkundige al kent van Midden-Europese gebergten: de poolwilg, de kruidwilg enz. Deze vertakken zich vaak al onder de grond in het losse gesteente en komen alleen met hun kussentjes van heel kleine blaadjes en net zo nietige katjes in het licht. Dat je toch te maken hebt met houtgewas merk je pas wanneer je deze wijdvertakte ‘struik’ uitgraaft.

Laten we tot slot nog enige beelden aan ons voorbijtrekken zoals die zich aan ons voordoen wanneer we vanaf het hooggebergte weer naar de laagte van het dal afdalen. We bevinden ons midden in de maand juli. Al bij het beklimmen, nadat we ons door het moerasgebied en de wilgenstruiken hebben geworsteld en de laatste kromme berken ons erop attent maakten dat we de boomgrens overschreden, bevonden wij ons a.h.w. in een bloementuin. Maar de bergklimmer van het alpengebied is nog niet in staat een met de werkelijkheid overeenkomend beeld te schetsen van deze lente in de bergen die eigenlijk midden in de zomer valt, want het zijn niet die planten die voor ons het prototype zijn als we aan de bloemenpracht van onze bergen denken: gentianen, sleutelbloemsoorten, mansschildsoorten, anemonen enz. Ook het alpenroosje speelt lang niet zo’n grote rol als in onze bergen; hier zijn het veel meer de heidekruidsoorten. Tere klokjes, verder nog dopheide en andere bedekken de steenachtige grond zover het oog reikt. Daartussen natuurlijk steenbreeksoorten en de laatste bloeiplanten die nog in het dal thuishoren. Maar wanneer we nu eens een van de hoogst gelegen toppen beklimmen, in zo verre de zon de sneeuw al heeft doen smelten! Behalve dan wat cypergras zijn de rotsspleten en de grond zonder planten. Slechts hier en daar beweegt een gletsjerboterbloem in de wind. Die is dwergachtig klein met een korte steel, met maar één blaadje en een bloem. Weldra is het gedaan met het plantenleven, alleen mos en korstmos kunnen nog spaarzaam groeien. Bij het dalen komen we al gauw weer de dwergwilgen tegen, de poolwilg, de kruipwilg en andere zoals we ze al geschetst hebben. Ze hebben al blaadjes. Het blad van het jaar daarvoor vind je wat lager terug, door het smeltwater massaal bij elkaar gestroomd. Overal is het ‘lente’geworden. Ontelbare bloempjes zie je waar het gesteente zo ver verweerd is, dat de planten daarin hun wortelstelsel  tot ontwikkeling konden brengen, daaronder zijn veel kruisbloemen. Kussentjes zo groot als een vuist en kleinere polletjes zijn met bloemen overdekt. En wat lichten ze op, wat stralen ze rein!

Je kunt in zulke noordelijke streken niet zo maar zeggen, welke planten  je tegen  zal komen omdat je je op deze of gene hoogte bevindt. Of een gebied naar de zon toeligt, of dat het in de schaduw ligt, kan in dit gebied van scherpe tegenstellingen al bijna het verschil betekenen van zomer en winter. Het hooggelegen dal, waar onze tocht nu door voert, ligt tegen de noordhelling. Het is nog steeds met een laag van meerdere meters diepe sneeuw bedekt. Nog voor het grootste deel onder de sneeuw verborgen, liggen drie meren, het ene achter het andere. Dus is voorzichtigheid geboden, omdat de ijslaag aan het smelten is. Je hoort het klotsen van het ijskoude, kristalheldere water. Een gletsjer hangt aan de andere kant van het dal en toont een smaragdgroene breukplaats, juist daar, waar hij in het middelste meer afkalt, d.w.z. afbreekt. Hier bevinden we ons nog midden in de winter, hoogstens in februari, het is bijna ondraaglijk licht. Maar de zon heeft al een deel van de met grind bedekte helling blootgelegd. En daar is het plantenleven al weer! Het is de sneeuwboterbloem die zachtjes in de wind beweegt. Een paar bloemsteeltjes maar met slechts twee of drie blaadjes. Het spel van het morgenlicht in deze doorschijnende bloemblaadjes is een spel van kleuren op een donkere aarde. En het kan nog niet lang geleden zijn dat de sneeuw daar verdwenen is, want blaadjes en steel zijn nog bleek. Een klein bloembed te midden van de dodelijke wildernis. Zoveel schoonheid ook daar waar maar zelden een mens komt.

Nu ontvouwt het hoogste dal zich voor onze blik. De waterloop van de drie meren stort plotseling in de diepte, de val breekt schuimend tegen de rotsen. Diep beneden in het dwarsdal zie je de beek al die van de geweldige gletsjertong vandaan komt die twee uren gaans hoger ligt. Die mondt na een mooie delta gevormd te hebben weer opnieuw in een meer uit, want ook in dit dal ligt een reeks meren achter elkaar. Maar wat is het beeld plotseling veranderd. Al tussen de zijarmen van de waterval staan op eenzame plaatsen de eerste wilgenstruiken. De steile helling voor ons is echter bezaaid met viooltjes, geen blauwe of violette of zo, maar stralend gele, het kenmerk van ons bergmassief. Hoe ze afsteken tegen het frisse groen. Echt een sterrenhemel op aarde. Blauwe en rode bergbloemen van verschillende families, zoals bv. diep rode koekoeksbloemen vind je daartussen, want we zijn nu al lang niet meer in februari. Het is maart geworden. Nu duiken de bloeiende grassen en de wel vertrouwde lentebloemen op, zoals de moerasdotterbloem. De steile helling is een echte bloementuin. Wij moeten naar beneden, daar waar de lappentent staat, maar het kreupelhout maakt het afdalen moeilijker.

Steeds lieflijker wordt het beeld, hoe verder we ons van de ongenaakbare hoogte komend naar de dalbodem begeven. Daar beneden is het mei. We vinden nu geen uitgesproken hooggebergteplanten meer. Ook de steenbreek, verder naar boven nog een regelmatige verfraaier van de rotsen, verdwijnt. Alleen nog een grotere, weelderiger groeiende soort, ook geel, groeit woekerend aan alle waterlopen. Wat we nu om ons heen zien mogen we al wel een weide noemen; een  lenteweide met kogelbloemen. Daar staat tussen de stenen de maar doorbloeiende sneeuwheide, zo mooi als je je maar kunt wensen. We lopen in de dalbodem nog uren langs het meer, dat aan beide kanten door donkere, hoogreikende steil opstijgende bergwanden omsloten is. We hebben geen haast, want we hoeven niet bang te zijn voor duisternis in deze maand. Tegen de ontoegankelijke rotswanden trekt zich kreupelhout samen dat je in de war maakt doordat het je aan de dwergdennen doet denken van onze eigen hooggebergten. Maar we bevinden ons al lang niet meer in de streek waar dennen gedijen kunnen en wat hier de rotswanden met struiken bekleedt, zijn jeneverbesstruiken.

Door het vocht van de ondergrond neemt de muggenplaag weer lastig toe. Maar tot we de eerste menselijke bewoning hebben bereikt, moeten we nog ruim vijf uur gaan.

Spoedig zien we de eerste kreupelberk weer en tenslotte betreden we het berkenbos met zijn vele problemen voor de wandelaar.

Terug naar de inhoud

 

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

61-59

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (54)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.193, hoofdstuk 54                                                                            alle hoofdstukken

 

OVER HET AANGEZICHT VAN DE AARDE
Het plantenleven moet wel anders zijn, waar de zon niet zoals bij ons op de aarde schijnt, waar ook maan en sterren andere banen volgen, zomer en winter, dag en nacht anders verlopen en waar tropische hitte of poolkoude de overhand krijgen.

De zon stijgt in onze streken schuin omhoog. Ze beschrijft een boog aan de hemel die in de zomer groter, in de winter kleiner is, nooit echter, staat ze, zelfs niet in de tijd van de hoogste zonnestand, loodrecht boven ons in het zenit.

Een heel ander beeld wordt de bewoners van de meer equatoriaal gelegen landen geboden. In de tropen zie je de zon ’s morgens loodrecht omhoog gaan en ’s avonds verwijnt ze weer loodrecht achter de horizon. Op de tijd van de hoogste zonnestand loopt ze midden langs de hemel, zodat een loodrecht in de aarde gestoken stok ’s middags helemaal geen schaduw werpt, omdat de zon precies in het verlengde ervan staat. Maar ook in de andere jaargetijden stijgt ze hoger dan bij ons en daarom moet haar leven brengende kracht op aarde ook wel groter zijn.

het oerwoud*
Waar voldoende water voorhanden is of dit nu komt door regelmatige regenval of aan de oevers van rivieren of in moerasgebieden, kan zij een plantengroei tevoorschijn roepen waarvan de weelderigheid alles ver te boven gaat van wat er bij ons is te vinden, zelfs in de vruchtbaarste streken. De grondslag  van het tropische oerwoud vormen de machtige bomen. Reusachtige kruinen waarin natuurlijk ook een zeer gevarieerde dierenwereld  voorkomt, verdringen zich naast elkaar en raken met hun takken verstrikt. Alleen de sterkste kunnen het volhouden en wanneer er eens zo’n boomreus omvalt of breekt, sleept hij krakend alles wat naast en onder hem staat, mee naar beneden. Iedere boom is ook als een tuin, want van onder tot boven is hij bedekt met andere planten, zodat je soms z’n bast niet eens te zien krijgt. Klimplanten trekken zich aan de stammen omhoog. Tussen de stammen heerst de schemer, want nog voor de zon door de bladeren heen gedrongen is, hebben de planten het licht al bijna geabsorbeerd. Daarbij komt nog dat het erg warm en ook heel vochtig is in het oerwoudonderhout zoals in een kas waar je nauwelijks kan ademen wanneer je er nog niet aan gewend bent.

Planten die van de schaduw houden, vormen het onderhout, maar boven in de boomkruin is een tweede plantenwereld ontstaan. De slingerplanten die nog beneden in de grond wortelen, trekken zich rond de boomstammen als touwen omhoog, slingeren zich van tak tot tak en vormen wanneer ze bloeien wonderbaarlijke bloemenslingers. Andere klimmen tot in het hoogste topje waar ze bij het felle zonlicht gekomen een bloemenzee uitstorten van een verkwistende hoeveelheid en kleurigheid. Weer andere tropische oerwoudgewassen wortelen meteen  bovenin de boomkruinen, waar zich in hoeken van takken of holle stammen enz. humus, verzameld heeft. Daar waar bij ons hoogstens mos en paardenstaarten willen groeien, vind je bloeiende planten en grote varens door elkaar. De zon is in staat ook heel andersoortige en veel meer bloemen tevoorschijn te toveren.

Tropische orchideeën zien er vaak als dieren uit. Hun kleuren zijn doordringend en soms eng. Dat komt door de moerasachtige hitte.

De bovenmatig woekerende kracht van de aarde en een veel sterker werkende zon dan bij ons, laten het plantenleven als een vloedgolf naar buiten stromen, zodat een deel tot hoog in de toppen opgetild wordt, daar een tweede overvloedige groene wereld vormend. Deze planten komen met hun wortels niet meer tot op de aardbodem. Zulke planten die als klimplanten van de grond tot in de hoogste boomtoppen opklimmen, noem je lianen. Een natuuronderzoeker heeft de lianen van het tropische oerwoud als volgt beschreven:

‘Wanneer dat mooie woord ‘liaan’ klinkt, licht uit de schemering van de jeugdherinneringen een hele reeks prachtige beelden op, in krachtige lijnen en bonte kleurenpracht. Boven de reusachtige stammen van het oerwoud, die net als pijlers van een grote hal oprijzen, welft zich een loofdak waardoorheen hier en daar ijle zonnestralen breken. Op de woudbodem weelderig groen van varens die van de schaduw houden en de dode stammen van de omgevallen bomen begroeien of machtige struiken en verder nog een woest bruin netwerk van wortels, dat het bijna onmogelijk maakt dat je op die stille duistere bodem nog vooruitkomt. In tegenstelling tot het griezelige midden van het bos, geeft de zoom van het oerwoud een bont beeld van licht. Een wirwar van alle denkbare plantenvormen groeit glooiend omhoog langs het dichtste struikgewas, zich nog verder in de hoogte verheffend, hoger en hoger tot in de kruinen van de woudreuzen, zodat je eigenlijk niets meer ziet van wat zich in die grote hal bevindt. Dat is de echte wereld van de lianen.

Alles slingert, rankt en klimt door elkaar en het oog doet een vergeefse poging erachter te komen welke stammen, welke bladeren, welke bloemen en welke vruchten bij elkaar horen. Hier vlechten en vormen de lianen groene muren en tapijten, daar hangen ze als schommelende slingers of als gordijnen aan de takken die er verstrikt in zitten, naar beneden en op weer andere plaatsen hangen ze gespannen als gevlochten draden tussen de takken, van boom naar boom, gebouwd als zwevende bruggen, ja zelfs als deftige galerijen met spits- en rondbogen. Alleenstaande bomen worden door de ineengevlochten lianen omhuld tot ze een groene zuil zijn en wat nog meer voorkomt: tot het midden van een groene piramide waarboven de kruin zich als een paraplu uitspreidt. Zijn de lianen samen met de bomen die hen tot steun dienden, oud geworden en zijn het loof en het groen verdwenen dan lijken ze wel touwen die tussen aarde en boomkruin gespannen zijn en dan komen die zeldzame vormen tevoorschijn die we aanduiden met de naam ‘bostouw’. Nu eens strak getrokken, dan weer slap en schommelend, richten ze zich op uit de wirwar van woudgroen en gaan door elkaar kruipend, hoog bovenin op in de boomtakken. Sommige van deze bostouwen zien eruit als kurkentrekkers en weer andere zijn als de vingers van een hand uitgespreid, uitgehold, soms tot sierlijke trappen, de beroemde ‘apenladder’ gevormd. De groene slingers, de loofslingers van de lianen zijn hoog bovenaan gesierd met de meest bonte bloemen. En waar bloemen bloeien en vruchten rijpen, ontbreekt het ook niet aan de gasten die deze bezoeken, aan het bonte volk van de vlinders en aan de woudzangers die het liefst verblijven aan de woudzoom met de dooreengevlochten lianen.’

Omdat de zon zich zo zeer aan de woekerende aarde opdringt, worden ook de plantendelen met elkaar verwisseld. De bloeikracht komt tot in de bladeren, wortels, stammen en basten en maakt ze aromatisch. Maar ook bloemen en vruchten hebben heel ander vuur en kostelijk aroma. We krijgen immers de vurigste specerijen uit de tropen.

Dat het beeld van begroeiing van de warme zones van de aarde volkomen verandert, ja zelfs in het tegendeel verandert, als het water ontbreekt dat voor het plantenleven beslist noodzakelijk is, is geheel vanzelfsprekend. De opborrelende krachten trekken zich terug en de zon werkt door haar onbarmhartige kracht verdorrend, verhardend op de aarde. In plaats van de weelderigheid treedt de dorheid, i.p.v. het oerwoud komt de steppe of zelfs de woestijn.

de woestijn
Een woestijn is een gebied waarin zo goed als geen plant meer groeien kan, ongeacht of het een steen- of  zandwoestijn is. In de steppe groeit tenminste nog gras dat tijdens de korte regenperioden toch telkens weer opfrist.

Wanneer er sprake is van woestijnen denk je gewoonlijk aan de Sahara, hoewel er in andere werelddelen dan Afrika genoeg gebieden zijn die deze naam verdienen. Wie zou denken dat de oorzaak van de woestijn steeds de onvruchtbare bodem is, vergist zich zeer, want het is al vaak gebleken dat het aan de mens kan liggen woestijngebied in voortreffelijk cultuurland te veranderen. Steeds kun je van Egypte met zijn kunstmatige bevloeiingssysteem het meest leren, al is het niet het enige voorbeeld in zijn soort. Aan de andere kant is ook menig vruchtbaar gebied door ondoordacht of gewetenloos ingrijpen van de mens pas echt tot woestijn geworden. Waar de mens bv. egoïstisch de wouden omhakte, kwamen wolkbreuken en zo spoelde de vruchtbare bodemlaag weg of de bodem droogde uit, omdat er geen beschermend bladerdak meer aanwezig was. Dan kwam de wind en blies alles weg tot op de kale stenen.

Een steenwoestijn bleef achter.

Veel planten zijn door het woestijnklimaat hoogst merkwaardig veranderd. Ze zijn sterk samengetrokken en hebben of helemaal geen of alleen nog heel kleine bladeren. Wanneer de korte regenperiode voorbij is, staan ze daar als een bladloze struik. Het sterke zonlicht heeft aan vele van hen doornen gegeven, zodat ze ondoordringbaar zijn (doornstruik). Ook groeien er kussenplanten in de woestijn. Ze vomen halfkogelvormige bollen en zijn dikwijls met zeer lange penwortels verankerd. De stam die boven de grond komt is zo dik vertakt en  zo verhard  dat je eerder aan koraalriffen moet denken dan aan een plant. Maar hoe zou ooit een uitgespreide plant met weke stengels en bladeren overgeleverd aan de hete wind en op een diep tot in de zandbodem uitgedroogde aarde, kunnen bestaan?

Veel leren kun je in dit opzicht van de cactussen die zoals bekend, in de steenwoestijnen van Mexico thuis zijn. Die hebben al helemaal geen bladeren meer, maar alleen nog stengeldelen die vlezig geworden zijn, met een leerachtige huid overtrokken. Een cactus heeft zijn bladeren in een verdikte stengel naarbinnen getrokken. Daarom is de stengel groen, in sommige gevallen is deze zowaar platgedrukt en heeft een bladvorm gekregen. De geurige en meestal kort levende cactusbloemen schijnen helemaal niet bij de dorre, met stekels bezette stengels te passen. Juist omdat de cactus geen bladeren heeft, moeten zijn bloemen wel meteen op de stam zitten en zo weet je gelijk, wat er tussenin ontbreekt: de bladeren.

Dus doet de cactus hetzelfde als de woestijnomgeving waarin hij leeft, waar de hete lichtdoorstroomde lucht direct op de dode steen drukt en waar geen water deze eenzijdigheid oplost. Maar de cactussen zelf hebben wel veel vocht in hun vlezige stam opgeslagen. Anders zouden ze de droogteperiode nauwelijks overleven. En bovendien heeft een cactus ook veel vuurkracht verzameld. Omdat hij zo langzaam groeit en zo hard is, merk je het nauwelijks. Wanneer dan de bloemen uitkomen zie je pas, hoe het brandt!

Veel zuidelijke planten zijn buitengewoon groot geworden. Daarbij zijn ze echter eenvoudig gebleven, wat je bv. aan de palmen kan zien. Hun machtige palmbladeren, hard als de huid van een hagedis, zijn veel minder doorwerkt dan sommige van onze inheemse planten, bv. de kleinere weidebloemen. Ook hun stam kan niet vergeleken worden met de stam van onze bomen: het zijn starre, onvertakte reusachtige bladeren. Zo kan de tropenzon haar planten groot laten worden, zonder deze zorgvuldiger op te bouwen.

de steppe
Misschien zie je de tegenstelling tussen vochtigheid en droogte wel het meest opvallend in de steppen; want die veranderen met het beginnen van de regentijd in een verbluffend korte tijd helemaal. Dan worden ze groen en overal komen prachtige bloemen uit de eerst zo troosteloze bodem tevoorschijn, zodat je je plotseling in een toverland waant. Maar dit heerlijke duurt niet lang want wanneer de regenloze tijd aanbreekt, verdwijnt alles weer en de dorheid krijgt de overhand. De bolgewassen trekken zich onder de aarde terug en het gras verdort en de zaadplanten sterven ook.

Zo komt het dat een reiziger de Zuid-Afrikaanse hoogvlakte als de meest verschrikkelijke, droogste, meest verbrande, als in een oven gebakken, meest verzengende, meest uitgeputte, meest godverlaten streek waarover de zon ooit heeft geschenen, kon beschrijven, terwijl een ander die in hetzelfde gebied reisde tijdens de regentijd het land als een wonderoord beschreef. Zo is het levenbrengende water in staat de aarde te veranderen!

In de tropen is iedere dag als een korte zomer. Een winter zoals bij ons, komt niet voor, alleen regenperioden, die – al naar gelang van welke kant de wind over zee komt-in verschillende tijden liggen. Je kunt ook zeggen, dat in de tropen het jaar in een dag is veranderd. Is de zon eenmaal achter de horizon verdwenen, wordt het heel snel volkomen nacht. De tropen hebben geen schemer. Bovendien wordt het ‘s nachts in vergelijking tot de dag veel kouder dan bij ons.

de poolstreken
Precies tegenovergesteld is het in de poolstreken, want daar gaat de zon maar eenmaal per jaar op, namelijk in de lente. Ze beschrijft haar baan, zonder onder te gaan, laag over de horizon, tot ze op het middaguur dat tegelijkertijd het midden van de zomer is, haar hoogste stand bereikt. Vanaf dit tijdstip wordt haar baan die dus toch al laag is, nog lager en ze zakt langzaam achter de horizon weg. Een poolnacht duurt zes maanden, net zo lang als de pooldag. Ook maan en sterren, die in de tropen met de zon loodrecht omhoog stijgen, trekken in de poolstreken –alleen ’s winters zichtbaar –in parallelle cirkels boven de horizon. Dat de zon onder zulke omstandheden maar heel zwak is en niet zo diep in de aarde kan dringen, zal iedereen beamen. We weten toch dat grote landen, zoals het binnenland van Groenland met eeuwig ijs, als rotsblokken bedekt blijven, omdat de zonnewarmte onvoldoend kracht heeft het ijs te doen smelten, ondanks dat de poolzomer door geen nacht onderbroken wordt. Waar het eerste plantenleven zich kan vertonen, blijft het toch heel klein; heel dicht bij de aarde. Een oppervlakkig mos- en korstmosgebied vormt het begin. Ook op de toendra’s komen slechts kleine vertakte gewassen voor. Weliswaar ontbreekt het in deze moerasgebieden niet aan water, maar noch de aarde, noch de zon zijn in staat leven te brengen. Zijn in de tropen de gewassen groot en machtig, de poolgewassen zijn klein en nietig, maar wel heel zorgvuldig gevormd. Ook al zouden ze veel groter zijn, dan zouden ze er nog steeds mooi uitzien.

Wat echter heel vreemd aandoet en het poollandschap de indruk geeft van een troosteloze leegte, is het geheel ontbreken van bomen. Geen boom, geen struik is tot ver in de omtrek te bekennen. Wat een tegenstelling als je aan de tropen denkt! De aarde is hier te zwak om ze omhoog te stuwen; ze kan alleen maar een dunne laag tevoorschijn brengen, die er op sommige plaatsen maar als een dun deklaagje uitziet. Het eerste wat als boomgroei te vinden is,  net als op de hoge bergen, is de wilg. De dwergwilg met zijn  nietige blaadjes en ontelbaar kleine katjes drukt zijn takjes zo dicht tegen de aarde aan, dat zo’n struik je doet denken aan een kussenplant.

Ook de eerste dennen hebben nog een zeer merkwaardige groei. Omdat ze steeds weer stuk vriezen en zich niet opwaarts kunnen strekken, blijven zij eveneens dicht bij de grond, omdat ze zich onmiddellijk boven de grond vanuit een middelpunt vertakken. Pas de punten van de takken komen wat omhoog en die zien er dan uit als kleine boompjes, zodat je de indruk krijgt van een kleine struik, terwijl er toch maar één plant groeit. In het volgend hoofdstuk zal dit stukje aarde nog nauwkeuriger worden beschreven.

De gewassen die geen hout vormen zijn dwergachtig ineengekrompen, de delen zijn verhard, alleen aan het einde meer in de vorm gekomen. Vele vormen kussentjes en bedjes, die niet zelden de vorm van een bol hebben. De zomer tovert dan een overvloed aan bloemen tevoorschijn, waarvan de kleuren onvergelijkbaar zuiver zijn. Ook hier beleeft de reiziger die het meemaakt een wonder. De massale hoeveelheid bloemen zweeft als een tweede stralende laag boven de verharde planten. Vlinders vertonen zich en fladderen boven de in de wind trillende bloemsoorten. Net alsof ze ernaartoe geblazen zijn, komen ons deze arctische bloemen voor. Ze zijn het spiegelbeeld van de heldere poolsterrenhemel. In de verstarde sprieten treffen we de kinderen van de verharde aarde aan. Het is net alsof een scheidslijn getrokken is tussen hemel en aarde, die elkaar wel aanraken, maar niet doordringen kunnen. Ook daarin zie je de tegenstelling tussen poolplant en tropenplant.

 tropen                                                         poolstreken

warmtepool                                                                       koudepool
aarde levend                                                                     aarde dood
planten uitgebreid                                                          planten samengetrokken
plantengroei tot in de lucht opgetild                      plantengroei aan de aard-
bodem gekluisterd
bloeikracht in de plant doorgedrongen                 bloeikracht buiten de plant

gematigde zones
In de gematigde zones waar wij wonen gaan deze tegenstellingen in elkaar over. Dag en nacht, zomer en winter wisselen elkaar regelmatig af. Hier groeien weliswaar niet de meeste planten, ook niet de grootste die er zijn, maar het leven is rijk afwisselend en de mens kan daar het beste werken.

Voor dit boek ten einde is, moet nog verteld worden hoeveel je kan leren als je een hoge berg beklimt. Iedere berg doet namelijk de hele aarde na. Hoe hoger je komt, des te kouder wordt het en des te zwakker ook het aardeleven. Daarentegen staat dat de hemel met zijn krachten sterker wordt. Het is daarom ook niet zo verwonderlijk dat je op de hoge bergen vaak dezelfde planten vindt als in de poolstreken. Vooral degene die het geluk heeft een hoge berg te beklimmen die in de tropen ligt, heeft gelegenheid alle aardzones aan zijn oog voorbij te laten trekken net zo alsof hij een verkorte reis van noordpool naar evenaar maakt. Vanuit de eeuwige sneeuw komt hij in een gebied van korstmos en mos, dan betreedt hij bossen die zeer lijken op onze gemengde bossen. Al naar gelang de aard van de berg kunnen het ook naaldwouden zijn. Na elkaar komen er dan tropische delen van het plantendek bij, totdat je tenslotte in het dal aangekomen bent.

Maar ook de bergen in ons land (Duitsland) zijn grote leermeesters. Je moet ze alleen weten te bekijken. Zijn de gentianen, alpenroosjes niet net zo gebouwd als de bloeiende planten van de poolstreken? Kussen- en bedplanten tref je in grote hoeveelheden aan en ook hier ligt een tweede laag van reine bloemenpracht over de dwergachtige uitlopers. Bij bomen en struiken ontwikkelen zich de houtige delen bijzonder en deze vleien zich bijna zoals in de poolstreken tegen de bodem of tegen de rotsen.

Zo kun je de aarde met twee reusachtige bergen vergelijken die met hun grondoppervlak omgekeerd tegen elkaar zijn gezet. De toppen zijn de beide polen en op de evenaar komen ze bij elkaar.

*om dit lange hoofdstuk wat overzichtelijk te houden heb ik zelf de kopjes aangebracht

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

60-58

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (53)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.192, hoofdstuk 53                                                                               alle hoofdstukken

 

OVER DE OLIEPALM
Deze stamt uit de warme streken van West-Afrika en is net als de kokospalm en de dadelpalm een vederpalm. Zowel van het vruchtvlees, als ook van het zaad, wordt de olie gebruikt; die van het zaad is waardevoller. De door harde schalen omsloten zaden worden in grote massa’s bij ons ingevoerd en tot spijsolie verwerkt (palmpittenolie). Uit de olie van het vruchtvlees maakt men zeep en kaarsen. De vruchten zien eruit als pruimen en meer dan duizend vormen samen een bal, zoals een groot geworden aardbei. Wanneer we bakken en braden of anderszins vet of olie gebruiken, moeten we er maar eens aan denken dat deze olie misschien in de tropen aan een palm gegroeid is en een verre reis heeft moeten maken.

Palmolie wordt net als andere oliën tot spijsvet verwerkt.

Vanzelfsprekend zijn er naast de kokospalm, dadelpalm en oliepalm nog veel andere palmsoorten die van veel nut zijn voor de mens, wanneer ze hun zaden, vruchten of bladeren, vezels of hun hout schenken. Ja, in veel landen van de tropen zou het leven zonder de palmen bijna onmogelijk zijn.

Terug naar de inhoud

 

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

59-57

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (52)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.190, hoofdstuk 52                                                                         alle hoofdstukken

 

OVER DE DADELPALM
Ook deze palm maakt in de verre woestijngebieden het leven van de mensen mogelijk; te meer daar hij niet, zoals de kokospalm, aan de kust gebonden is. De bedoeïnen nemen gedroogde en daarna geperste dadelvruchten, in schapenleer ingenaaid, mee op hun verre woestijnreizen. Zo blijven de dadels jarenlang goed en vormen dikwijls het enige voedsel van deze sober levende mensen. Het sap dat bij het persen tevoorschijn komt, noemt men ook wel dadelhoning. Net zoals bij onze vruchtbomen, zijn er van de dadel verschillende soorten. De zoete dadels die wij om hun heerlijke smaak heel graag eten, hebben als voedsel minder betekenis. Veel belangrijker zijn echter de soorten met meelachtig vruchtvlees, dat zetmeel bevat. De pit van de dadel is het zaad. De steenharde massa wordt door de kiemende plant langzaam verteerd. De plantkundigen rekenen de dadels tot de bessen.

Ze bevatten geen vet of olie.

Uit de Indische zilveren dadel wordt zelfs palmwijn bereid; maar daartoe moet je de jonge bladeren aansnijden. Uit het merg van de stam van de Aziatische sagodadelpalm kun je zetmeel winnen, maar niemand die zijn palmen goed verzorgd heeft, laat dat toe, want je moet daarvoor heel diep in de boom snijden.

Als wij het grote nut die de dadelpalmen de mens brengt, uitvoerig opsommen, dan moeten we heel veel van wat we tot lof van de kokospalm al gezegd hebben weer noemen.  Ook de stammen van de dadelpalm bevat bouwhout en hout voor ander nuttige doelen. Ze zijn wat dikker dan die van de kokospalm en de bladeren die niet zo groot zijn als die van de kokospalm, worden ook voor die doeleinden gebruikt als waarvoor de kokosbladeren gebruikt worden, dus voor dakbedekking, voor vlechtwerk, om bezems te binden enz. Dus de dadelpalm is wel net zo’n helper en weldoener voor de mens als de kokospalm. Bedenk je dan, dat hij zelfs in de woestijn geplant kan worden als hij met zijn zeer diep grijpende wortels nog maar een beetje water kan vinden- dan begrijp je wel wat zijn betekenis is.

Een Arabisch dichterwoord zegt, dat de dadelpalm met zijn voeten in het water staat en het hoofd naar het vuur van de hemel opheft.

Iedere woestijnreiziger zal hem met vreugde begroeten, wanneer hij na lange, moeilijke dagen, de dadelpalm in de verte ziet verschijnen.

De stammen worden maar tot twintig meter hoog en staan rechterop dan de door de wind gebogen stammen van de kokospalm. Voor het kweken van deze palm is het erg belangrijk te weten, dat deze in tegenstelling tot de kokospalm tweehuizig is. Stuifmeel en vruchtbeginsel zijn over twee bomen verdeeld. Daar vanzelfsprekend de vruchtbare bomen onvergelijkbaar meer waard zijn, maar het stuifmeel toch niet gemist kan worden, laat men maar een paar palmen met stuifmeel staan. Het stuifmeel blijft erg lang goed, ook wanneer het van de boom af is en zo komt het dat de stuifmeelhalmen een belangrijke handelswaar vormen. Ze worden eenvoudigweg bij elkaar gebonden in de palmen gehangen die vrucht kunnen dragen. Met hoeveel vreugde en welgevallen kan een palmboomeigenaar dan de dikke massa dadels aan zijn boom zien rijpen. Een goede dadelpalm draagt per jaar zo’n honderd kilo en is na honderd jaar uitgeput. Dadelpalmen zijn daar waar ze groeien voor de mens net zo onontbeerlijk als voor de noorderling het graan. Zo brengt ieder gebied van de aarde zijn bijzondere gaven voort.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

58-56

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.