Tagarchief: 5e klas

VRIJESCHOOL – 5e klas – uit het leerplan

.

De kopjes zijn door mij aangebracht.

LEERPLAN VAN DE VIJFDE KLAS

De 5e-klasser
Een grootse adem gaat door het leerplan van de vijfde klas.
De belangstelling voor de buitenwereld wordt mondiaal in de aardrijkskunde en geschiedenis. Maar ook wordt denkend een poging tot benadering van het innerlijk gedaan.
De eerste interesse. voor ontwikkeling, samenhang van binnen- en buitenwereld, begrip voor oorzaak en gevolg, en verschijnselen van het menselijke zieleleven, vragen van leven en dood en andere diepgaande problemen, gaat ontstaan.

Na de psychologische crisis van de vierde klas, samenhangend met het beleven van “Ik en Wereld”, in hun tegengesteldheid, wordt door de vijfdeklasser meestal een zeker evenwicht hervonden. Het kind wordt harmonischer, het voelt een nieuwe zekerheid komen door de begripsmatige benadering van de wereld, die langzaamaan binnen zijn bereik gaat komen. Deze zekerheid geeft innerlijke kracht, zodat het kind weer wat van zichzelf losraakt en het vermogen kan ontwikkelen om waar te nemen, oog te hebben voor “de ander” en “het andere”. Dit wordt dan beleefd als een positieve factor in de eigen ontwikkeling.

Nu, het leerplan biedt veel kansen om oog voor de wereld te hebben.

aardrijkskunde
Ruimtelijk in de aardrijkskunde, die van het economische moet uitgaan. Hoeveel mensen werken voor je om je thee, koffie, brood, boter en suiker op de ontbijttafel. te krijgen?
Landbouwers, veetelers, vervoerders, groot- en kleinhandelaren, het is een kringloop van belangen, die te denken geeft.

Of men wil of niet, men werkt voor elkaarI Het kind, dat zegt “we betalen er toch voor?”, wordt dadelijk gecorrigeerd; als het dan niet door de andere kinderen is, dan toch door het Griekse verhaal van Midas, die moest verhongeren omdat hij de gave had gekregen alles in goud te veranderen, wat hij aanraakte. Deze koning Midas kreeg dan ook ezelsoren!

De “ontbijttafel” leidt al naar Brazilië, Cuba, China, India.
Waar en onder welke omstandigheden groeien koffie, thee, suikerriet, pindanoten? Waarvandaan komt ons graan?

Enfin, machtig interessante dingen! De intelligentie van de vijfdeklasser ontwaakt voor uiterlijke dingen. Wat is geld waard? Wat menselijke arbeid? Wat producten of productiemiddelen? Het kind kan erover denken. Maar nog op
onegoïste wijze.

Nederlandse taal
In de taallessen is het belangrijk te oefenen in spreken en schrijven, hoe je uitdrukt, dat jijzelf iets denkt of zegt, of een ander! Ook is het heel belangrijk mee te leven in de uitdrukkingswijzen van “doen” en “ondergaan”. Het is een heel verschil om mee te leven met de slager of met de koe. Het oefenen van actieve en passieve vormen, van directe en indirecte rede is bijzonder vruchtbaar voor een steeds genuanceerder taalgebruik.

geschiedenis
Ook de geschiedenis begint in de vijfde klas. Evenals de aardrijkskunde is deze geschiedenis mondiaal.
Wereldgeschiedenis dus.
Tienduizend jaar terug gaan in de tijd is niet gering. De IJstijdcatastrofe leidde tot een nieuwe reeks cultuurperioden, waarin ook wij onze plaats hebben. Er worden beelden geschetst van deze culturen: India, Perzië, Egypte en Babylon, Israël, Griekenland en Rome.

Hoe waren die volken? Waar liggen hun landen? Wat heeft hun cultuur bijgedragen tot de ontwikkeling van de mensheid? Welke zijlijnen kunnen getrokken worden naar onze eigen tijd?
Het thema van de ontwikkelingsgedachte, reeds aangeslagen in de derde klas, bij de verhalen uit het Oude Testament, komt nu met zijn causale aspecten onder de aandacht. Geschiedenis heeft een ontwikkelingsrichting.

In de vijfde klas komt in hoofdzaak de mythologie van de Grieken aan de orde.

Maar ook de verhalen van de Hindoes staan ia de belangstelling. Beide mythologiën zijn filosofisch getint.

biologie
In de biologie wordt van dierkunde de overgang gezocht naar plantkunde. De plant heeft een dubbele wetmatigheid; die van een grond-idee, die in de materie gerealiseerd wordt en zich handhaaft, en die van een variabel karakter, dat geheel wordt bepaald door de krachten van de omgeving. De plant in zijn wetmatigheden, zijn metamorfosen en vormveranderingen, is voor het denkende bewustzijn een boeiend wezen, dat ook de mogelijkheid geeft de problemen van onsterfelijkheid, van idee en verschijning, van leven en dood te bespreken. De plant is een levende causaliteit. Het leerplan voor de vijfde klas is een bijzonder aantrekkelijk leerplan, zowel voor de kinderen als voor de leerkracht.

P.C. Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens ontbreken

.

5e klas: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – alle beelden

1111

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – 5e klas – alle artikelen

.

Uit het leerplan

Aardrijkskunde
alle artikelen

Dierkunde
alle artikelen

Geschiedenis
alle artikelen

Handenarbeid
[1]

Nederlands
[1] o.a. grammatica – lijd.v.; directe-indirecte rede; hexameter

[2] Nederlandse taalonderwijs
Het binnenste buiten over: leer- en ontwikkelingsdoelen klas 5; vertelstof; n.a.v. literatuur uit de Oudheid; van beeld – naar abstract bewustzijn; grammatica: bedrijvend en lijdend; hexameter; voorbeelden grammatica: actief/passief, directe en indirecte rede; naamvallen; toneel, met voorbeeld (gedeelte)
taalspelletjes vanaf klas 1
Naamvallen

Niet-Nederlandse talen
Frans: leerplangezichtspunten

Plantkunde
alle artikelen

Rekenen
alle artikelen

spraakoefeningen

sterren kijken (8 – 12jr)

Vertelstof
algemeen, waaronder klas 5
idem

Vormtekenen
zie de blog

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 5e klas -Nederlandse taal (1)

.

taal klas 5 1

Na de stormachtige periode in de vierde klas keert de rust in de vijfde langzamerhand weer.

Een vijfdeklasser gaat zich verdiepen in het gedrag van zijn klasgenootjes en probeert te begrijpen waarom de ander niet zus, maar zo doet:

Juf, het is zo gek hè, maar ik vind de kinderen zo anders worden, zo ingewikkeld. Eerst vond ik de kinderen of leuk òf stom, maar nu kun je dat niet meer zomaar zeggen.

Dat ze genuanceerder gaan denken, is ook goed te merken in de omgang: ze helpen elkaar, springen voor aangevallen klasgenoten in de bres en troosten waar dat nodig is.
Voor het eerst wordt hier en daar met voorzichtige grapjes op elkaar gereageerd en het begint een leuke sport te worden om een ander op de kast te jagen. Ook de relatie tot volwassenen verandert; plotseling begint het kind zich van hen los te maken. De klas ontdekt dat ze als groep meer macht kunnen hebben dan de leerkracht. Zijn alwetendheid wordt aangetast omdat blijkt dat boeken ook antwoord op vragen kunnen geven.

De elfjarige vindt het heerlijk om in atlassen en encyclopedieën te bladeren en te snuffelen. Tijden kan hij over de kaart gebogen zitten zonder er genoeg van te krijgen. In plaats van fantasietekeningen maken de kinderen dan ook liever landkaarten. Het fantasiespel binnenshuis gaat verdwijnen voor bordspelen. Op regenachtige dagen zit de halve klas in het speelkwartier te dammen, de andere helft kijkt toe en geeft raad. Met gewichtige gezichten bewonderen ze elkaars postzegelalbums en alles wat volgens de laatste rage verzameld dient te worden, wordt verhandeld en geruild.
De vijfdeklasser is geïnteresseerd in de samenhang tussen wat in hemzelf leeft en wat hij in de buitenwereld vindt. Geleidelijk aan krijgt hij zo meer vat op de wereld.
Het uiterlijk van de kinderen begint meer en meer uit de verf te komen. Er komt meer tekening in het gezicht; de bewegingen worden soepeler. Het kind ziet er gezond en bloeiend uit.

Uit de leerstof in de vijfde klas
Het opkomen van het verstandelijk begrip wordt in de Griekse mythologie en historie mooi weergegeven. Het orakel van Delphi geeft raadselachtige spreuken, die de mens pas kunnen helpen als hij door eigen denken de oplossing vindt. De goden hebben menselijke eigenschappen en daarmee ook menselijke onhebbelijkheden. Zij bieden niet zomaar hulp, de mensen moeten zelf ook iets doen. Na de autoriteitscrisis van de vierde klas richten de kinderen hun bewondering op de Griekse helden, zoals de sterke Heracles en de slimme Odysseus.

Bij het rekenen wordt het metrieke stelsel behandeld. Men gaat uit van menselijke maten, zoals el, voet en duim, en maakt dan de overgang naar de abstracte maten van het gangbare metrieke stelsel. Tiendelige breuken, in schrijfwijze veel abstracter dan de gewone breuken, worden geleerd en onder andere toegepast in eenvoudige procentberekeningen.

Bij de plantkunde worden de verschillende stadia behandeld: paddenstoelen, korstmossen, algen en wieren, mossen, varens, eenzaadlobbigen en tweezaadlobbigen.

Bij de menskunde wordt voorzichtig ingegaan op de ontwikkeling van baby tot puber.

De aardrijkskunde laat zien hoe over de hele wereld mensen voor elkaar aan het werk zijn. Je kunt bijvoorbeeld van het kopje thee uitgaan dat je ’s ochtends gewoontegetrouw bij je ontbijt drinkt. Mannen, vrouwen en kinderen in Sri Lanka verbouwen en oogsten die thee onder de brandende zon. Handelaren keuren en kopen het en zeelieden brengen het met hun schip naar de Rotterdamse haven. Daar wordt het door de havenarbeiders gelost. Voor het naar de winkels gaat, wordt de thee gewogen en verpakt.
De leraar probeert zo kleurrijk mogelijk te vertellen welke gang het product moet gaan. Zo worden in de klas grote denkbeeldige reizen meegemaakt.

De geschiedenis van de Oude Wereld laat onder andere zien hoe de verschillende volkeren omgaan met de dood. De Indiërs beschouwen het leven op aarde als schijn en het leven na de dood als werkelijkheid. De Egyptenaren daarentegen hechtten zoveel waarde aan het aardse leven, dat ze hun doden allerlei aardse gebruiksvoorwerpen en sieraden meegaven, opdat het hen na de dood in materieel opzicht aan niets zou ontbreken. Een van de mooiste verhalen die in de vijfde klas verteld kunnen worden, is het meer dan 4000 jaar oude Assyrische verhaal over koning Gilgamesj. Deze gaat, nadat hij voor het eerst met de dood geconfronteerd wordt, op zoek naar de onsterfelijkheid. Na vele omzwervingen leert hij te aanvaarden dat ook hij aan de dood zal moeten toegeven.

Over het Nederlands in de vijfde klas

Spreken
Dit is het jaar van de hexameter, het metrum waarin Homerus zijn Ilias en Odyssee schreef. Aanvankelijk stuit het reciteren bij de kinderen op enige weerstand, maar eenmaal bezig, kunnen ze er vaak niet genoeg van krijgen. Nee, niet ophouden, het gaat netzo lekker! Het ritme is krachtig, doch rustgevend.

Stevig snoerden zij mij met een goedgedraaid touw aan de banken
Vast van het schip en gingen er uit en namen een maaltijd,
Vlug aan het strand van de zee. Maar vanzelf ontknoopten de Goden
Maklijk mijn boeien…

(Odyssee, vertaling A. W. Timmerman)

Vaak lópen de kinderen de gedichten. De ene keer met bedaarde stappen in de maat, terwijl zij samen het gedicht reciteren, de andere keer echt in het ritme, dus met lange en korte passen. Dan reciteert de leraar alleen, want èn spreken èn in het ritme lopen is wel erg moeilijk. Het kan ook zo dat de ene helft van de klas loopt, terwijl de andere helft reciteert.

Lezen
Bij de leesteksten wordt gelet op de stijl. De leraar zoekt teksten met korte, afgebeten zinnen of juist teksten vol bijzinnen en uitvoerige overpeinzingen. Het gaat erom wat de kinderen gevoelsmatig ervaren bij de verschillende stijlen. Op deze manier wordt nu de grondslag gelegd voor wat later een logisch en intellectueel begrip moet worden.

Grammatica
De lijdende en bedrijvende vorm.
Letterlijk genomen heeft de uitdrukking lijdende vorm een negatieve betekenis. Toch kunnen zinnen in de lijdende vorm uitdrukking geven aan iets positiefs:
Eerst werd het jongetje door zijn vader gebaad, waarna het door zijn moeder wordt gevoed.
Het is dus niet per se noodzakelijk dat we in de lijdende vorm het slachtoffer zijn.

Nog nooit werd in de taal de lijdende vorm zo vaak gebruikt: de groente wordt gekweekt, het brood wordt gebakken, de krant wordt bezorgd, reizen worden georganiseerd. Daarmee blijft onzichtbaar wie het werk verricht.

Hoewel de leraar de lijdende vorm met sympathie heeft geïntroduceerd, stimuleert hij de kinderen de bedrijvende vorm vaker te gebruiken omdat deze vorm sterker tot onze verbeelding spreekt.

Als oefening kunnen de kinderen passieve zinnen in de actieve vorm zetten:

In de stad wordt muziek gemaakt.
–  De fanfare maakt muziek in de stad.
–  De orgeldraaiers maken muziek in de stad.

Wie de muziek maakt, mogen de kinderen zelf bedenken.

De directe en indirecte rede
De directe en indirecte rede geven ons een goede gelegenheid om op een bepaald aspect van de sociale omgang dieper in te gaan.

Het maakt veel uit of je je eigen mening geeft of die van een ander weergeeft. Dit onderscheid valt voor de meeste kinderen niet mee.

Wanneer je letterlijk citeert wat een ander gezegd heeft, moet je even van je eigen mening afzien en je in de ander inleven. Wanneer je echter vertelt over wat een ander gezegd heeft, moet je erop letten, dat je er niet onbewust iets van jezelf bijvoegt en zo de woorden niet helemaal feitelijk weergeeft. Dit laatste is oorzaak van menige ruzie. Het oefenen met directe en indirecte rede ontwikkelt het sociale verantwoordelijkheidsgevoel.

De kinderen kunnen allerlei dialogen schrijven uit hun eigen leefwereld, bijvoorbeeld:
Wat de meester en de telaatkomer tegen elkaar zeiden of Hoe Kees en Willem ruzie kregen, of op een hoger plan uit de leer- en vertelstof: Een gesprek tussen Pallas-Athene en Ariadne.

De trappen van vergelijking en het bijwoord
Hoe kunnen wij de drie trappen van vergelijking voor de kinderen interessant maken? Veel voorbeelden vinden we bij de kinderen zelf:

Vorig jaar waren jullie groot, sterk, slim, handig en sportief. Dit jaar zijn jullie groter, sterker, slimmer, handiger en sportiever. Het liefst zouden jullie het grootst, het sterkst, het slimst, het handigst en het sportiefst zijn.

Vele voorbeelden van de overtreffende trap zijn te vinden in de sportwereld. In het kader van de vertelstof zoeken we ze in de Griekse heldenverhalen of de Olympische Spelen.

Het is leuk om de kinderen erop attent te maken dat de groei bij de vergrotende trap tot uitdrukking komt in de beweeglijke letter r aan het eind — Hector is dapperder dan Paris — en dat bij de overtreffende trap met st tot stilstand komt wat bij de vergrotende trap nog in beweging was: Odysseus is het slimst.

Bij de behandeling van de vergrotende en de overtreffende trap krijgen we vanzelf te maken met bijwoorden: Hij lacht het hardst. Een mooie gelegenheid om nog eens de aandacht te vestigen op het verschil tussen bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. Je kunt het grappig maken door het bijvoeglijke naamwoord en het bijwoord tegengestelde betekenissen te geven:

De snelle marathonloper liep langzaam toen hij zag dat zijn veter los zat. De deftige dame liep gillend op de vechtende tekkels af.

Directe en indirecte rede — een eerste taalperiode
Wanneer de les is begonnen, lijkt het of we ons in het oude Griekenland bevinden. De beginregels van de Odysse klinken als één stem uit vijfentwintig monden:

taal klas 5 2

De zangerige klanken van de Griekse taal worden vloeiend door het metrum gedragen. Het duurt niet lang of de kinderen kennen de tekst uit het hoofd, zodat zij ook kunnen lopen in de maat van het gedicht. Daartoe worden de tafels en stoelen aan de kant geschoven. Het duurt een tijdje voor de kinderen achter elkaar in de kring staan. Allemaal met de rechtervoet beginnen. Schoorvoetend en lacherig worden de eerste stappen in de maat van het vers gezet.

Sommigen trappen hun voorganger op de hielen en krijgen als antwoord een duw terug. Anderen lopen met een zorgvuldig bestudeerde nonchalance, alsof ze door de Kalverstraat slenteren. Al doende echter wordt de kring een gelijkmatig geheel.

De stap die gezet wordt in de stilte van de cesuur, accentueert de harmonie tussen het ritme en de maat. Hoewel de kinderen zich dit niet bewust zijn, voelen zij dit laatste wel degelijk. Wanneer zij de klas na afloop weer op orde brengen, is de stemming merkbaar anders dan vóór het lopen.

Even later luisteren de kinderen naar de streken van Tijl Uilenspiegel. Tijl is in dienst bij een boer en volgt diens instructies zo letterlijk op. dat alles fout loopt.

Wanneer hij in opdracht van zijn baas een zak erwten in de stad heeft gekocht, krijgt hij op de terugweg al gauw genoeg van zijn zware last. Als hij op de top van een heuvel staat uit te blazen, herinnert hij zich wat de boer hem de vorige keer heeft geleerd toen hij met een paar gestikte biggen van de markt was gekomen. Hij had Tijl toen boos toegesnauwd dat je zoiets voor je uit moet drijven. Dit brengt Tijl op een briljant idee. Hij knoopt de zak open en schudt hem leeg. zodat alle erwten van de heuvel afrollen. Vrolijk zingend komt hij thuis met de lege zak over zijn schouders. Wanneer de boer argwanend vraagt waar zijn erwten zijn gebleven, antwoordt Tijl dat ze zó wel zullen komen. De boer begrijpt dat hij naar zijn erwten wel kan fluiten en roept woedend dat Tijl de zak aan een touw op zijn rug had moeten hangen. Tijl belooft zijn baas dat hij daar de volgende keer aan zal denken. Hoe de geit, die Tijl een week later kopen moest, aan zijn einde is gekomen, valt nu niet moeilijk meer te raden.

Twee kinderen mogen voor de klas komen om Tijl en de boer na te spelen. De andere kinderen krijgen de opdracht vooral goed te onthouden wat de spelers zeggen:

De boer zei, dat Tijl een zak erwten in de stad moest kopen. Als deze zin in de indirecte rede op het bord is geschreven, moeten de kinderen bedenken hoe het precies is gezegd:

De boer zei: „ Tijl, je moet in de stad een zak erwten kopen”. [1] Het gedeelte tussen de aanhalingstekens wordt in kleur geschreven. Enkele andere voorbeelden volgen:

Tijl antwoordde dat het goed was en dat de baas hem maar geld moest meegeven.

Tijl antwoordde: ,,Goed baas, geef me maar geld mee”. De boer vroeg waar zijn erwten waren. ,, Waar zijn mijn erwten?”, vroeg de boer.

Hoewel de lerares de leestekens wel op het bord gebruikt, zegt zij er nog niets over. Sommige kinderen merken de aanhalingstekens op, kijken er nog eens extra aandachtig naar en fronsen het voorhoofd. Anderen zien de tekens niet eens.

De volgende dagen vertelt de lerares steeds een korte episode uit het leven van Tijl, wat gevolgd wordt door een rollenspel en het zeggen en opschrijven van enkele zinnen in de directe in indirecte rede. Al gauw maken de kinderen gebruik van de leestekens. Nu kunnen ook ingewikkelder zinnen in de directe rede behandeld worden:

„Jij driedubbele ezelskop”, schreeuwde de boer, „begrijp je dan helemaal niets?”

De dwaze Uilenspiegel wordt nu even aan de kant geschoven. De klas gaat zelf zinnen bedenken. De lerares geeft een voorbeeld, dat de kinderen enigszins verbaast:

De keukenmeid brulde van verdriet: ,,De soep is gelukt!”

Dat kan niet, vinden de kinderen en zij slaan druk aan het overleggen hoe het wèl moet:

De keukenmeid brulde van verdriet: ,,De soep is mislukt!”

Zelf maken ze bij voorkeur voorbeelden waarin de gemoedsstemming niet overeenkomt met hetgeen in de directe rede staat:

De boze buurvrouw snauwde:,, Wil je een koekje, schatje?” „Kindje”, lachte moeder, „nu krijg je billenkoek”.

De juiste versie van deze zinnen zetten de kinderen later in de indirecte rede. Ter oefening krijgen de kinderen teksten waarin zij de directe rede moeten veranderen in de indirecte rede, behalve daar waar de directe rede toepasselijker is. Of zij moeten in teksten met indirecte rede de directe rede aanbrengen waar dit het meest zinvol is.

Het schip aller tijden — een eerste taalperiode
In deze periode zullen de werkwoordsvervoegingen centraal staan.

Hoewel de kinderen hiermee in de vierde klas ruimschoots geoefend hebben, lijkt het dit jaar weer splinternieuw omdat ze nu de spellingsregels beginnen te ontdekken.

Met Het schip aller tijden, dat de leraar levensgroot op het bord getekend heeft, komen de kinderen voor het eerst in aanraking met alle werkwoordstijden.

Wanneer de kinderen dit in hun schrift hebben nagetekend, doen zij een seinspel, dat ondanks het speelse karakter een groot beroep doet op het denkvermogen. De leraar zet voor de klas twee tassen naast elkaar met een onderlinge afstand van ruim twee meter. De linkertas is de plaats van de voltooide mast, de rechter tas die van de onvoltooide. Een meisje wordt uitgenodigd als seingever op het schip te komen staan. Wanneer de leraar een zinnetje zegt, bijvoorbeeld Ik reis, moet de seingever bij de juiste mast gaan staan, met de armen de plaats van de juiste werkwoordstijd aangeven en daarbij de ingewikkelde naam van de werkwoordstijd zeggen:

taal klas 5 3

De eerste leerling wordt het nog niet zo moeilijk gemaakt. De leraar zegt slechts zinnetjes met de werkwoorden die op de zeilen staan geschreven en de tekening op het bord biedt nog de nodige houvast.

Maar de daarop volgende dagen worden de seinopdrachten steeds pittiger. De leraar noemt nieuwe werkwoorden, zodat de kinderen elke keer opnieuw even moeten nadenken. Later moeten zij het zonder de hulp van het bord stellen.

taal klas 5 4Wanneer de kinderen eenmaal goed aan dit sein-spel gewend zijn, verzint de leraar allerlei variaties. In plaats van hemzelf dicteren de kinderen om beurt de nieuwe zinnetjes of hij noemt een werkwoord, bijvoorbeeld klimmen, gaat zelf op het schip staan en laat de kinderen zeggen welke tijd hij aangeeft: Ik zou klimmen, onvoltooid verleden toekomende tijd.

taal klas 5 5

 

 

 

 

 

 

Wie meent dat deze oefeningen onzinnig zijn, zou het zelf eens moeten proberen. Hoewel de spellingsregels met behulp van ’t Kofschip hier erg toepasselijk lijken, gebruikt de leraar hen nog niet in de vijfde klas.

Om te weten of een voltooid deelwoord eindigt op een d of een t, moeten de kinderen het woord in de verleden tijd zetten, zodat zij via het gehoor achter de juiste spelling komen:

wandelde   –   gewandeld    fietste   –   gefietst

Om te weten of een werkwoord zwak of sterk is, geldt in de vijfde klas maar één regel: verstand op nul, zég het werkwoord maar! moedigt de leraar aan.

Opmerkelijk is, dat de kinderen het, juist door er niet over na te denken, altijd bij het goede einde hebben. Verstand op nul, zeg het maar, zijn tijdens deze periode gevleugelde woorden geworden.

De lerares die twee keer in de week Franse les geeft in deze klas, heeft de leraar gevraagd om elke ochtend een Frans gedichtje met de kinderen te reciteren, zodat zij wat vaker Frans kunnen spreken.
Terwijl de leraar hiertegen geen enkel bezwaar heeft, blijken de kinderen wel degelijk bezwaar te maken:
We doen het al genoeg met de Franse juf.
Zo komt de leraar ermee in zijn maag te zitten. Omdat bij een groot aantal kinderen het vervoegen van de werkwoorden moeizamer gaat dan hij verwachtte, bedenkt hij hoe het mes aan twee kanten zou kunnen snijden.

In vier rijtjes op het bord laat hij zien hoe de Nederlanders, de Engelsen, de Fransen en de Duitsers hun regelmatige werkwoorden vervoegen. Samen met de kinderen bekijkt hij welke bijzonderheden de verschillende talen tonen.

U bijvoorbeeld, is in het Nederlands de tweede persoon enkelvoud, terwijl het in het Frans de tweede persoon meervoud is. In het Nederlands spreken we van hij, zij en het, terwijl het Frans slechts il en elle kent. Op verzoek van de klassenleraar gaan ook de Franse en de Duitse lerares gedurende deze weken tijdens hun les met de kinderen werkwoorden vervoegen. Door de afwisseling in de herhaling krijgen de kinderen plezier in het schrijven van de vervoegingsrijtjes. [2]

Bij de bedrijvende en de lijdende vorm, vertelt de leraar gaat het om inzet. Je geeft inzet of je ontvangt inzet. Ter illustratie schetst hij een situatie die zich in de Middeleeuwen zou hebben kunnen afspelen:

Een bakker bakt drie manden vol lekkere broden. Eén brood is voor zijn eigen gezin, maar de rest is voor andere mensen bestemd. Hij laadt de manden op zijn kar en gaat ermee naar de markt. Daar komt ook een boer met een kist vol rode kolen. De boer ruilt met de bakker een kool voor een brood. Zij ruilen inzet voor inzet. De bakker heeft de boer nodig en de boer heeft de bakker nodig.

Wanneer de leraar een verbinding legt met onze tijd en vertelt hoe we nu persoonlijke inzet ruilen voor geld, geeft hij ook enkele voorbeelden van hoe we inzet tegen inzet kunnen ruilen, bijvoorbeeld een vriendendienst of een burenhulp. Een van de kinderen reageert hierop met: Ja maar meester, als jij brood koopt, wat is dan jouw inzet? Oh, heel eenvoudig, antwoordt deze, ik heb een zoon van de bakker in de klas. Die brengt me trouwens ook nog elk weekend een taart. Als door een zwerm wespen gestoken veert de hele klas op. Is dat zo? klinkt het ongelovig.

Twee kinderen zijn nu de bakker en de boer op de markt. Eerst spelen zij de ruilhandel op hun eigen manier, maar ter afsluiting zegt de bakker: Ik bak het brood. De rode kool wordt door de boer verbouwd. De boer voegt daar het zijne aan toe: Ik verbouw de rode kool. Het brood wordt door de bakker gebakken. De klas gaat nu in groepjes allerlei situaties verzinnen, waarin een ruil wordt gedaan. Wanneer enkele groepen dit voor de klas spelen, moet daarin op een bepaald moment de bedrijvende en de lijdende vorm tegenover elkaar worden gezet: Ik kietel Berend. Ik word door Berend achterop de fiets genomen. Ik neem Suzanne achterop de fiets. Ik word door Suzanne gekieteld.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)

.

[1] De plaatsing van de aanhalingstekens is voor velen lastig. Dit wordt erover gezegd:
Volgorde punt – aanhalingsteken
Vraag:
Komt de punt binnen het aanhalingsteken te staan in de volgende zin? Hij zei: ‘Ik heb dat boek allang gelezen.’
Antwoord
Ja.
Toelichting
De punt komt binnen het aanhalingsteken te staan, als hij hoort bij het citaat of bij de directe rede die als geheel binnen de aanhalingstekens geplaatst worden. Bijvoorbeeld:
(1) Zij antwoordde: ‘Ik denk niet dat ik nog langer met je om wil gaan.’
Hoort echter de punt niet bij het deel dat tussen aanhalingstekens staat, dan wordt hij geplaatst na het aanhalingsteken. Bijvoorbeeld:
(2) Zij fluisterde iets van ‘eeuwig trouw’ en ‘altijd blijven houden van’.

Als vuistregel kun je stellen dat bij het citeren van een hele zin of hele zinnen de punt binnen de aanhalingstekens komt, terwijl je hem bij het citeren van delen van zinnen erbuiten plaatst.

Wat doen we als de regels leiden tot meer dan twee leestekens na elkaar? In zin (1) hoort er na het laatste aanhalingsteken eigenlijk nog een punt te volgen. Immers, de eerste punt sluit alleen het citaat af; de tweede punt de gehele zin. Toch plaatsen we die tweede punt niet. Het principe is dat we bij voorkeur niet drie of meer leestekens op elkaar laten volgen. Op dit principe bestaan echter uitzonderingen.

In de volgende zin kan het vraagteken duidelijk niet gemist worden:
(3) ‘Heb je dat boek al gelezen?’, vroeg hij.

Hier nemen we voor lief dat er wél drie leestekens naast elkaar staan. Sommige schrijvers vinden die opeenhoping van leestekens zo lelijk dat ze de komma weghalen (‘Heb je dat boek al gelezen?’ vroeg hij.).

Bijzonderheid
Een noot komt na het aanhalingsteken. Voorbeeld:
(4) De auteur vermeldt: ‘Deze opvatting van het vorstendom heeft lang doorgewerkt.’5

[2] Een samenwerking die door Steiner zeer werd aanbevolen: vakkenintegratie/vakkenconcentratie; ‘economie’ in het onderwijs
>

5e klasalle artikelen

Nederlands: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: alle beelden

.

467-433

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Plantkunde – klas 5 (4)

.

IN HET PLANTENRIJK

Hebben de kinderen in de 4de klas kennis gemaakt met de dierenwereld, in de 5de klas voeren we ze in het plantenrijk.
Waar ligt dat eigenlijk, het plantenrijk?

Deze vraag sticht een algemeene verwarring en verbazing.

Natuurlijk ligt het op aarde! Maar waar? En na een kort over­leggen en samenvoegen van de verschillende gedachten, die uit de klas naar boven komen, zien we dat moeder aarde gekleed is in een breed plantenkleed, waar alleen ,,hoofd” en “voeten”, de beide polen, uit te voorschijn komen.

Wel zijn er in het kleed groote gaten of plaatsen waar het heel dun geweven is: de oceanen, de woestijnen en de hooggebergten. Om ’t middel draagt de aarde een dichte gordel: de tropencirkel, zwaar van oerwouden; naar ,,boven” en naar ,,onderen” toe wordt het kleed dunner, om eindelijk in een schraal kantwerk te eindigen.

Laten we de verschillende streken eens nauwkeuriger bezien. Zijn de woestijnen open plaatsen? Neen, geheel open zijn ze niet, want bijna overal zijn ze gewoonlijk bedekt met een heel dun laagje van miniem kleine bleekgroene plantjes; bovendien vinden we bij de oase’s wat palmen, sterke taaie planten, met stevige, droge, diep groene bladeren; of ook wel cactussen, die even droog en taai zijn als de woestijn zelve en met hun zeldzame, vurig-bloeiende bloemen ook antwoorden op de hitte van de woestijn.

En de hooggebergten? Ja, wel breede ruimten zijn hier kaal, hetzij door ijs en sneeuw, hetzij door de gladde, harde steenvlakten. Maar toch vinden we overal nog wel plantjes: de rotsplantjes. Doch hoe anders zijn ze dan wij ze kennen. Klein en vet en inééngedrongen zijn ze, en ze verstoppen zich graag onder en tusschen de steenen voor het schelle licht van de hooge streken. De rotsen en steenen houden het water voor hen vast, dus zelf moeten ze van den regen en de smeltende sneeuw profiteeren en hun blaadjes dik opvullen met sap, om iets over te hebben voor de droge dagen.

De oceanen? Vinden we daar niet de wieren? Dus ook planten. Maar planten, die zich gewillig en onderdanig naar het water ge­voegd hebben: hun stelen en dunne slierende blaadjes zijn zoo buig­zaam en bewegelijk dat ze elke gril van de golven kunnen volgen en zelfs de aarde volkomen kunnen loslaten als ’t water dit eischt.

Uit dit alles zien we dat de planten heel nauw samenhooren met hun omgeving: allereerst en ’t meest met de aarde, maar ook met het water, de lucht en het licht.

Zon, regen, wind en aarde vormen met de plantenwereld één groot, schoon geheel, waarin de planten, met een onuitputtelijke vindingrijkheid en een taai uithoudingsvermogen, steeds nieuwe vormen en nieuwe mogelijkheden vindend, zich buigen en voegen naar het onderling spel van deze vier.

Is de aarde sterk, de zon dichtbij en stroomt rijkelijk de regen, dan vormen zich de geweldige reuzen, met de eenvoudige gladde, diepgroene bladeren en de overvloedige vruchtenrijkdom van de tropen. Is de zon maar zwakjes, doch wordt de aarde geholpen door koelen, vochtigen wind, dan vinden we een plantenwereld, die een keur van blad en bloem ten toon spreidt.

In de lage landen van de gematigde luchtstreken komen zelfs vele soorten voor, die aan één exemplaar wel drie verschillende bladeren vertoonen. naar mate deze aan lucht en licht zijn bloot­gesteld; verschillend dikwijls zoowel naar vorm als naar kleur. (De boterbloem e.a..)

Deze gegevens, het onderling spel van zon, regen, wind en aarde in onze gedachten dragend, gaan we nu de planten nader bekijken en reizen van den evenaar naar de pool. Van palmen, vijgen, rijst en suikerriet gaan we langs sinaasappels, olijven, aman­delen, perziken, en kersen, langs beuken en eiken, door weidebloemen en graanvelden naar de dennen en sparren van de noorde­lijke landen. Spar en berk houden ons, van de boomen, het langst gezelschap, tot we eindelijk, vlak bij het pool-ijs, het rendiermos, de allerlaatste, ook achterblijft. — Een zelfde reis kunnen we doen van het lage land naar de hooggebergten. —

Zoo hebben de kinderen een overzicht van het heele plantenrijk gekregen, waarmee metéén een basis is gelegd voor de economische aardrijkskunde, die ook op het programma van dit leerjaar staat.

Maar nuttig is natuurlijk ook dat. verschillende planten, vooral die van de onmiddellijke omgeving, nader bekeken en gekend worden.

Hoe dit te doen.

We blijven nu dus in ons eigen land en verzamelen in een onder­ling gesprek alles wat de kinderen van onze planten weten. Karak­teristieke planten grijpen we er uit: de eik en het viooltje. Men. voelt de tegenstelling!

Al gauw geven de kinderen zelf de eigenaardige karaktertrekken aan. We zien in de eik moed en kracht uitgedrukt: moed en kracht in de wortels, den stam, de takken en bladeren; in het viooltje spreekt de bescheidenheid.

Deze ontdekking, dat de planten de uitdrukking geven aan ver­schillende ziele-eigenschappen, wordt een vreugde voor de kinderen en het stroomt van voorbeelden: de vroolijke, frissche brutaliteit van de paardebloem, de vrome reinheid van de lelie, de behaag­zucht, van anjeliertjes, de eenvoud en trouw van de den, de ijdele, luie zelfgenoegzaamheid van de waterlelie, enz. enz.

De planten worden beschouwd naar wortel, stengel, blad en bloem, naar omgeving en beweging.

Ten slotte een proef of we de planten goed begrepen hebben: enkele kinderen komen voor de klas één of meer planten voorstellen, in de hun eigenaardige bweging, die ontstaat of bij het zich ont­wikkelen, óf door den invloed van de omgeving; en de anderen moeten raden. En in ons midden gaan leven, eik en beuk en treur­wilg, de sneeuwklokjes, de paardebloem, wat men wil; een bonte verscheidenheid van planten. Het plantenrijk leeft in ons midden, wij leven in het plantenrijk.

Dit voorstellen van planten door een typeerende beweging, bleek de klas zoo gegrepen te hebben, dat het kon doorwerken in de Nederlandsche
Taalperiode, die op de plantkunde-methode volgde. De kinderen kwamen er toe, aan de hand van bewegingen, het eigenaardige van een plant of bloem uit te drukken in kleine ge­dichtjes. Hoewel deze echter pas ten volle tot hun recht komen wanneer de bewegingen erbij gezien worden, mogen enkele hier gegeven worden, zoodat men eraan kan aflezen hoe de kinderen zich met de planten één gevoeld hebben:

De sneeuwklokjes (door een meisje; leeftijd 11 jaar).

Fijn wiegelen de sneeuwklokjes hun hoofdjes heen en weer:

De zon die had geschenen, nu sliepen ze niet meer!

Ze luiden in den zuidenwind het lieve voorjaar in.

De and’re bloempjes slapen nog, zij maken het begin.

Kling-kling.

De Crocusjes (van een ander meisje).

Hoor! de vogels fluiten!

Het is niet meer koud!

Dan kom ik gauw naar buiten:

Ik krijg het zoo benauwd.

Heusch het is niet dolletjes In die donkere bolletjes!

(Een jongen over hetzelfde:)

De crocusjes, geel, wit en paars

Steken recht als een kaars

Hun kopjes naar boven,

Om de lente te loven.

De Paardebloem (van een jongen):

Op het dak daar staat een bloem,

Hij heeft een echte schooiers-roem.

Want hij is zoo taai en sterk,

De boeren bezorgt hij het meeste werk.

Van boven geel, van onder groen,

Men noemt hem ook wel: paardebloem.
.

(Ostara, blad vrijeschool Den Haag, 21/22  dec. 1931 (in spelling van die tijd – auteur onbekend))
.

Veel van wat hier is genoemd, wordt gedetailleerder uitgewerkt in Grohmann’s ‘leesboek voor de plantkunde

.

Plantkunde: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klasplantkunde\

 

246-232

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Plantkunde – Klas 5 (3)

.

DE BLOEMENKLOK VAN Linnaeus

‘Bloemen zeggen hoe laat het is. Stop zaadjes van klaprozen, anjers, strobloemen en goudsbloemen in een pot. Te zijner tijd openen en sluiten de planten hun bloemen op gezette tijden. Je kunt de klok erop gelijkzetten.’

Aldus een krantenartikel.

Dat laatste is niet helemaal waar. Als de zon niet schijnt, gaan sommige bloemen niet open.

Toch een prachtige illustratie hoe de plant reageert op het licht.

Voor meer informatie:

kijk hier  of hier of zoek via google onder bloemenklok: er zijn veel doorverwijzingen.

Ooit was het zaad ‘als klok’ te koop; nu heb ik het nog niet kunnen ontdekken.

Als jij het weet, geef het even door:

pieterhawitvliet apenstaartje gmail   punt   com

.

245-231

.

Plantkunde: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klasplantkunde

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde – Klas 5 (2)

.

TWEEËNVEERTIG MEISJES EN JONGENS ZAGEN DE NATUUR

Mijn klas en ik begonnen de plantkunde  met de paardenbloem. Tweeënveertig meisjes en jongens zaten vol verwachting voor me. Ik zocht een groep van de wildste kinderen uit, voor wie flink aan­pakken echt goed was en zei hun: ‘We hebben twee mooie paardenbloemplanten nodig, met wortel en al – want anders is het geen hele plant! -uit de schooltuin, en wel van de paden, waar ze veelvuldig groeien, maar eigenlijk storen. Je krijgt ze daar niet uitgeroeid, omdat ze een wortel hebben die heel diep de grond in­gaat. Op het pad is het heet en droog en alleen diep in de aarde vinden ze water. Haar lange wortel heet penwortel en ze heeft ook kleine zijworteltjes. En,’ zo zei ik, ‘ik wil geen afgebroken wortels zien, maar alleen volledig gave. Begin dus ver van de plant te graven!’

Onze tuinbouwlerares was verbaasd toen zij ’s middags de ijverige arbeid van deze groep bemerkte. Door overmaat van ijver, en omdat de kinderen toch te dicht bij de plant groeven, brachten ze eerst alleen verminkte plantenwortels aan de dag. Maar ze waren volhardend en zo hadden ze, nadat het pad op die manier van ongeveer vijftien paardenbloemen be­vrijd was, toch twee volledige planten voor de volgende morgen, die ze trots als trofee in het klaslokaal brachten.

Een groep rustige kinderen had ik op dezelfde middag naar de wei naast de school gestuurd, uiteraard met toestem­ming van de boer. Zij hadden het gemak­kelijk om hun paardebloem uit te graven, omdat de planten op de vochtige wei niet van die lange wortels hebben.

Nu vergeleken we de planten en de kinderen ontdekten dat, waar de aarde helemaal droog is de wortel heel lang is maar de plant zelf laag blijft. De blade­ren van de bladrozet hebben scherp ge­zaagde bladranden, de bloemstelen zijn kort. De plant zit in elkaar gedrukt op de grond. In de vochtige wei zijn de bladeren en de bloemstelen veel langer, de bladeren zijn aan de rand minder ge­zaagd, de wortels zijn maar net zo lang als de bladeren.

Dat was al een interessante vergelij­king. En nu was het geluk ons op een excursie ook nog goed gezind. Toen wij langs een moeras kwamen, hoorde ik een indianengehuil en dan kwamen een paar kinderen met van opwinding rode hoof­den aangehold met een paardenbloemplant die ze in het moeras gevonden hadden, waar ze maar zelden groeit en zich he­lemaal niet thuis voelt. Hoewel we an­ders op onze uitstapjes naar buiten alleen kijken en niets bespreken, riepen de kin­deren hier zelf, omdat ze al zoveel met belangstelling over de paardenbloem ge­leerd hadden: ‘Deze heeft geen paarden­bloembladeren meer!’ En inderdaad wa­ren de ongeveer 40 cm lange bladeren helemaal niet meer gezaagd, maar alleen nog een beetje golvend gewelfd. Verder had de paardenbloem in het moeras slechts een heel klein worteltje. Hij was dus pre­cies het tegenovergestelde van de plant op het droge pad met zijn lange wortel en de kleine, scherp gezaagde bladeren en lage bloemen.

De volgende dag in de klas vonden we nog, dat het water en het licht iets met de bladrand uit te staan moesten hebben. Waar veel licht is ontstaat een scherpgetande bladrand, waar veel water is kan het licht, zo meenden we, geen mooie vormen uitsnijden. Wij droogden de grote gewelfde bladeren en hebben ze lang bewaard, tot de tand des tijds ze verkruimelde!

levend inzicht vanuit het geheel
Het denken in een levendige samenhang leert men vooral ook goed door de vele gedaanteverwisselingen of metamorfoses van de planten. De ouders zouden zich de moeite moeten getroosten het klas­sieke boekje van Goethe ‘Metarmorfose der plant’ zelf te lezen. Daarin leren we de plant zo te aanschouwen dat we de kinderen tot een levend inzicht ervan kunnen brengen.
Er is een plantenfamilie die ons de mogelijkheid van gedaanteverwisseling van de levende plant op prachtige wijze laat zien. Dat is de familie kool, die tot de kruisbloemigen behoort. Wanneer de hele kracht van de plant in de wortel schiet krijgen we de knolraap. Maar wan­neer de stengelknop overheerst en tot een dikke kop wordt, dan wordt het een rode of witte kool of een savoyekool. De kin­deren merkten ook meteen, dat de bloem­kool een omgevormde machtige groente-bloem is. Men ziet nog de kleine roosjes erin zitten! Dat de bladeren de ogen van de plant vormen wisten de kinderen al. De tuinman kan door zijn kweekkunst de planten bij hun omvormingen helpen. En als dan aan een heel lange stengel vele kleine okselknoppen zitten, wat is dat dan? Dat zijn de spruitjes!
De koolrabi had ik bij deze bespre­king verstopt en buiten beschouwing ge­laten. Nu hield ik in elke hand drie grote koolrabi’s omhoog en vroeg: ‘Maar wat is er nu aan de hand met de koolrabi?’ Diep zwijgen en nadenken. Dan plotse­ling, je ziet het gebeuren, gaat één van de jongens een licht op en hij roept: ‘Ik weet het! Hij heeft immers bladeren. Dat moet dus een verdikte stengel zijn.’ Voor de klas was het een gezamenlijk avon­tuur, want in feite had één het voor allen gevonden. Het werd dan ook ten volle doorproefd, want de koolrabi werd in kleine stukjes verdeeld en heerlijk opge­geten.

Het hart moet aan­gesproken worden
Opvoeden is tegenwoordig altijd een ge­nezen, omdat de capaciteiten van de kin­deren zich niet meer harmonisch en ge­zond ontwikkelen, maar zich ten dele verminderen of voorbijgaand ongezonde veranderingen vertonen. Zo neemt het geheugen bij de kinderen tegenwoordig meer en meer af. Hierbij moeten we ook wel bedenken dat alleen datgene in de herinnering levend blijft wat met het hart opgenomen kon worden, of het nu een rekenkundige regel, grammatica of aard­rijkskunde is. Ook het waarnemingsver­mogen verdwijnt steeds meer om plaats te maken voor een vroegrijp intellect. Juist met plantkunde kunnen we nu een wezenlijke heilpedagogiek beoefe­nen!

Ik ging nu over tot de planten die door het klimaat, d.w.z. het samenspel der elementen, sterke veranderingen onder­gaan. Ik moest me behelpen met mooie afbeeldingen, want het ging om bergbloemen en in Hannover, dat in een landschap ligt dat zo plat is als een bord, zijn geen bergen. Ik wilde echter de kinderen de polvormende planten van het gebergte laten zien: de heerlijke sleutel­bloemgewassen, zoals het Mannsschild (Aretia Alpina L.) en uit de familie der kruisbloemigen het ‘Steinschmückel’, let­terlijk het steensieraad, een mooie pas­sende naam voor de vriendelijke rose bloemetjes (Petrocallis Pyrenaica), het bekende stengelloze lijmkruid uit de an­jerfamilie en tenslotte de Himmelsherold, hemelheld, de bergvergeetmijniet uit de familie der ruwbladigen. Deze polplanten groeien alleen op een hoogte van 1800-3500 m.

Wat is voor deze planten nu het ka­rakteristieke? Ze zitten alle als kussens heel laag op de grond, hebben heel lan­ge wortels, die vaak de rotsspleten volgen en stralende, helder gekleurde bloemen. De kinderen overlegden nu: licht hebben deze planten hoog in de bergen genoeg, vandaar de stralende bloemen die altijd bij het licht horen. Steen en aarde hebben ze ook genoeg, vandaar de lange wortels. Maar wat ontbreekt er, want zonder re­den veranderen de planten zich niet. Het water ontbreekt, omdat het van de berg afloopt en deze planten staan dus op droge grond. En direct antwoordt de le­vende plant en trekt haar bladeren en haar waterige stengel terug en – hup! -daar zitten ze allemaal op de aarde. En dat doet niet alleen één familie, maar alle die op deze hoogte leven kunnen.

Het lag voor de hand nu ook nog de cactus uit de woestijn te bespreken. De stengel is hier dik en reusachtig gewor­den. De kandelabercactus bereikt zelfs de hoogte van een telegraafpaal. De kleur is groen en hij houdt de plant in stand. Maar waar zijn de bladeren ge­bleven? Hoe is het klimaat in de woes­tijn? Er is daar een overvloed van licht en warmte. En bepaald ook genoeg aarde, d.w.z. zand! Maar het water ont­breekt geheel. De bladeren hebben zon­der uitzondering water nodig. We weten hoe ze, als ze door ons op een wande­ling geplukt worden, al vaak op weg naar huis verwelken. In de woestijn laat de plant haar bladeren geheel verdwijnen en heeft ze omgevormd tot doorns.

De meeste kinderen kenden de broei­kas. Het is daar benauwd, omdat het heet is en er veel waterdamp in de lucht zit. Een beetje waterdamp zit ook nog in de lucht van de bergen, waar de pol­gewassen groeien, die kleine blaadjes hebben. Maar hier in de woestijn ont­breekt ieder spoortje van waterdamp in de lucht en er is geen regenwater. Ik vertelde de kinderen, dat in de woestijn die ik achter Los Angeles gezien had, vele sanatoria waren. Want deze droge lucht is geneeskrachtig voor tuberculose, astma en kinkhoest.

De stengel van alle planten groeit van de aarde naar het licht, ook de stammen van de bomen. Bij het vermolmen van de boomstammen bemerkt men dat daar eigenlijk aarde in de stammen omhoog­getrokken is, want de stam wordt nu op­nieuw tot aarde. En zo is ook de cactus eigenlijk een stuk aarde boven de aarde, uitgestulpte aarde.

De cactusplant met haar heerlijke vuurrode bloemen is als de pendant van zo’n landschap. Zoals de droge hete lucht en het licht direct op de hete bo­dem knallen, zo zit hier de vuurrode bloem direct op haar aardbodem, de cactusstam.

Er konden hier natuurlijk alleen enke­le suggesties gegeven worden op dit ge­bied. Gelukkig is er juist hierover uit­stekende literatuur, die de ouders helpen kan zelf te leren waarnemen. Een leven­dige belangstelling voor het plantenrijk is daarbij een eerste vereiste.

Wat echter op deze manier in de kin­derjaren opgenomen wordt, leeft verder in het kind als een geschenk voor later, omdat het steeds een levendige en goede verbinding met de planten, de tuin en het landschap zal behouden.

(Elisabeth Klein, Jonas 10-04-1971)

.

Plantkunde: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klasplantkunde

.

244-230

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde – klas 5 (1)

.

OVER PLANTKUNDE IN KLAS 5

De verschijningen van het plantenrijk kunnen we verge­lijken met de groeistadia van een pasgeboren kind tot puber. De geaardheid van de plant vergelijken we met het karakter van de mens.
De plantenwereld is een een­heid en elke plant is verbonden met zijn omgeving. Elke plant is afhankelijk van de zon, de lucht, de aarde of het water en dus ook gebonden aan het jaargetijde of het klimaat.
Bekijken we de plant in haar omgeving, dan volgt hieruit dat plantkunde sterk samenhangt met aardrijks­kunde. De plant bezien we altijd in haar geheel, om dan vervolgens te kijken welke delen zij heeft: wortels, stengel, blad, bloem, vrucht en zaad. De bloeiende plant, die al deze delen heeft, noemen we de hoogste planten­soort. De laagste plant is die, welke het minst van deze kenmerken heeft.
De leerkracht stelt de planten voor als de begroeiing van de aarde, te vergelijken met de haren van de mens. Zonder planten was de aarde kaal. Zomers, als er aan de buitenkant van de aarde alles groeit en bloeit, is het in het binnenste der aarde stil. De aarde zelf “slaapt”. Daaraan tegengesteld is de winter: in de winter is het in het binnenste van de aarde heel actief en bewegelijk, de winter bereidt zich als het ware voor op de lente. De aarde waakt dan, net als de mens die wakker is en waarin van alles gebeurt. Deze voorstel­lingen probeert de leerkracht bij het kind op te roepen.

De laagste plant is de paddenstoel, [1] deze bloeit immers niet, heeft geen wortels,  stengel, groene bladeren, bloem, vrucht of zaad. De paddenstoel heeft wel veel water, aarde en schaduw nodig en groeit heel dicht bij de grond. De opening van de paddenstoel is naar de aarde gericht, niet naar de zon, in tegenstelling tot de bloei­ende plant. De fijne stof, die uit de hoed van de paddenstoel in de aarde valt, zorgt voor een netwerk van draden. Het stof is vrucht, bloem en stuifmeel tegelijk. We vinden paddenstoelen in alle kleuren, maar het zijn “kleuren van de aarde” en niet van de zon.

De geweldige uitbreiding die bij de boom boven de aarde plaatsvindt, blijft bij de paddenstoel in de grond. De paddenstoel vergelijken we met een zuigeling. Net als deze moet hij gevoed worden en heeft fijne voeding nodig. Beide gebruiken hun kracht om het voedsel te verteren en om te groeien, verder slapen ze.

We gaan dan over naar de korstmossen. Het korstmos heeft nog weinig vorm en ordening. Het steekt een heel klein beetje bo­ven de aarde uit en de stengeltjes staan allemaal dicht tegen elkaar aan, het steunt op elkaar. Het korstmos is sterk. We zoeken de plaatsen op waar het groeit. Dit mos heeft een stengelprincipe. We vergelijken het korstmos met een kind van enkele maanden, dat nog ongecontroleerd met armen en benen beweegt, dat grijpt en om zich heen kijkt, maar verder hulpeloos is.
We gaan naar de algen en wieren, die meebewegen in het water. Ze hebben licht en water nodig-, alleen in de lucht kunnen ze niet leven. Ze hebben bladgroen en kunnen daardoor zelf voedsel produceren. Hoewel ze veel op een groene plant lijken, hebben algen de ondersteuning van water nodig. We vergelijken ze met het kind dat kan zitten en krui­pen, maar nog niet alleen kan staan.
Het mos is eigenlijk al een echt plantje. Het is groen, heeft stengel en blaadjes en komt in vele verschillende vormen voor. Het heeft veel vocht nodig en maar een beetje zon. Het mos steunt echter nog geheel op de aarde, de stengels zijn nog niet krachtig en zelfstandig. Zo kunnen we dan mos vergelijken met een kind dat net kan staan en zijn eerste woordjes stamelt.
De volgende stap is naar de varens en de paardenstaarten. We ontdekken, dat deze wortels en groene bladeren hebben. De bladeren groeien al een flink eind boven de grond en komen in allerlei vormen voor. Bloemen hebben de varens niet, dus ook geen zaad of vruchten, doch slechts eenvoudige sporen die op de bladeren groeien. De varen kan haar voedsel voor haar bladeren gebruiken, zo­dat deze in volle pracht kan groeien. De varen is een echte plant en staat met haar wortels stevig in de grond. Varens en paardenstaarten beschouwen we als de middelste soorten uit het plantenrijk. We vergelijken ze met het kind omstreeks het derde jaar: het loopt en staat stevig, zegt “ik” en wordt zelfbewuster.

Vervolgens vertellen we over de naaldbomen, de altijd groene bomen die een rechte, sterke stam hebben waarmee ze tot hoog in de lucht kunnen rijken. Met hun naalden lijken ze de blaadjes van een boom te willen nadoen. Hoewel deze boom geen bloemen heeft, behoort hij toch al tot de bloeiende planten. Hun bloeiwijze bestaat uit ” kleine boompjes” op de takken. Als we goed kijken zien we zelfs in het midden van deze boompjes een klein stamme­tje. Daaraan zitten de schubben van de kegel, die tevens zaadjes bevat, vast. Met de geur van zijn hars wedijvert de naaldboom met de bloemen. De naaldboom vergelijken we met een kleuter: hoewel deze flink en zelfstandig is, leeft hij nog sterk in de nabootsing. Van de naaldbomen gaan we over naar de parallelnervige planten, de planten met een enkelvoudige bloeiwijze ( monocotyledonen). Voorbeelden hiervan zijn de bol­gewassen tulp, hyacint,  krokus en het sneeuwklokje, maar ook de grassen en granen.
We gaan hier in op de bolgewassen. De bloem van de bolgewassen is meestal in drieën gedeeld. Het lange gladde blad omvat van onderaf de stengel. In de grond verbergen ze een bloembol. In het vroege voorjaar laten deze planten zien, hoe snel ze kunnen groeien. Bij de eerste zonnestralen steken ze hun groene sprieten bov­en de aarde en ook de bloem volgt dan snel. Aan deze bloem kunnen we geen aparte kelk onderscheiden. De bloem opent zich in het zonlicht. We vergelijken de monocotyledonen met het kind omstreeks het zevende jaar tot en met het kind van tien jaar. In deze jaren staat het kind open voor wat het leert. Het wordt als het ware door nieuwe kennis verlicht. In het kind is nog veel verborgen dat niet uit de verf komt.
Nu gaan we over tot de eenvoudige dicotyledonen. Hiertoe behoren de meeste planten die wij kennen van de hei, het bos en van ’t veld, zoals het viooltje, de boterbloem, de dotterbloem, de anemoon en de paardenbloem. Al deze planten hebben veel licht en lucht nodig. Het kind echter nog als de bloem in knop: groene en ge­kleurde blaadjes zijn nog niet te onderscheiden, bloeien zal het pas later.  Kinderen tussen elf en veertien jaar vergelijken we met de dicotyledonen.

Het zijn de planten met een dubbele bloeiwijze:  ze hebben én kelkblaadjes én kroonblaadjes, (onder andere de ranonkel­soorten). We laten het kind zien waar het naartoe zal groeien. Het kind zal worden als een bloeiende roos. In hemzelf zullen groene kelkbladeren en kleurige bloembladeren te onderscheiden zijn. Heftige gevoelens en eigen gedachten en ideeën maken het persoonlijke van het kind kleurrijker.

Een plantkundeperiode in de vijfde klas.
Het lokaal ziet er heel anders uit dan anders op de eerste dag van de plantkundeperiode. Aan de wanden en kastdeuren han­gen grote kleurige aquarellen waarop onder andere dennenbomen, paddenstoelen, berken, varens, een tulp en een roos te zien zijn. Met uitbottende forsythia- en kornoeljetakken, zoet geurende hyacinten en een bakje gevuld met kussentjes mos, geven de tafel onder het bord een feestelijk aanzien. Fossielen en barnstenen met overblijfselen van planten, grote en kleine zaden en takjes katoenpluizenbollen liggen er los naast. Een stapeltje plantenboeken om in te snuffelen completeert het geheel. Zo, nu weten de kinderen zeker dat een plankundeperiode begint.

De lerares vertelt enkele inleidende bijzonderheden over planten, bijvoorbeeld dat de plant graag naar de zon wil groeien, dat het lijkt alsof de zon de planten naar zich toetrekt. Zij vertelt wat de klas in deze periode zal gaan doen: Ze zullen planten bekijken en bespreken, ze zullen veel planten schilderen en er ook over schrijven. Nadat het volgende gedichtje door een van de kinderen is voorgelezen, schrijven zij het van het bord over in de kersverse periodeschriften:

Ik wou dat ik zo wijd
mijn armen kon strekken.
Ik wou dat ik verblijd
mijn lichaam hoog kon rekken.
Ik wou dat ik zo rein
kon groeien en kon bloeien.
Ik wou dat ik zo fijn
mijn kleuren kon doen gloeien,
zodat iedereen kon zien
wat ik zo lang gemaakt heb.
(geschreven door de lerares)

Op de overgebleven ruimte op de bladzijde wordt een voor­jaarsbloem getekend. Wanneer de schriften en de kleurdozen weer in de kastjes liggen, volgt de klas de ontwikkeling van de paardenbloem door de seizoenen heen. De weg begint in de warme zomerlucht waardoor kleine parachuutjes zweven. Zij komen uit de witte pluizenboel. ’s Winters rust het zaad in de donkere aarde. Alle zaadjes “weten” precies wanneer het voor hen warm genoeg is om te ontkiemen. De lerares vertelt over de kiemworteltjes en de kiemblaadjes, over de bladvorming, over de knop en de bloem. Iedereen heeft weleens een paardenbloem geplukt, dus kunnen de kinderen zelf beschrijven hoe de bloem er vanbinnen uitziet. Heel kort horen zij iets over de bevruchting, het verleppen en het overblijven van het vruchtbeginsel. Wanneer de rol van de seizoenen aan de orde komt, wordt de aarde in de zomer vergeleken met de slapende mens, terwijl de aarde in de winter, als alles wordt voorbereid, van binnen wakker is.
Twee vragen krijgen de kinderen mee naar huis om over na te denken: Waar zouden onze gedachten en gevoelens zijn als wij slapen?
Wat is je vroegste herinnering?
Penselen, waterpotten, voorgeweekt papier en gele en blauwe verf worden uitgedeeld. Licht en water komen van boven – en van onderaf naar elkaar toe. Zij zoeken elkaar als het ware op. Het daarvoor gebruikte geel en blauw raken elkaar slechts even aan. Daar ontstaat een vleugje groen, net als­of op die plaats de eerste lentesprietjes uitkomen.

Dit gedichtje komt de volgende dag in hun schriften te staan:

De vier elementen
Zo vast en droog de aarde is,
Zo nat en vloeiend het water is.
Zo licht en vluchtig is de lucht,
De warmte rijpt de vrucht.
                                                                                            (lerares)

De verschillende stadia van de paardenbloem en de daarbij be­horende jaargetijden vatten de kinderen zelf samen, in terug­gaande lijn:

pluisje                                             – eind zomer

bloem                                              – zomer

knop                                                 – lente

wortel, steel, blad                          – lente
kiembladeren,

kiemwortel                                     – lente

zaadje                                              – winter, herfst

Wanneer zij vertellen over hun allereerste herinnering, blijken deze vaak met schrikbelevingen te maken hebben: een gat in je hoofd, in het water gevallen, een kop thee over je benen, een vechtpartij op straat…….
Een meisje meende zich zelfs te herinneren uit de kinderwagen te zijn gevallen. Over de vraag waar je gedachten en gevoelens zijn als je slaapt, hebben de kinderen nauwelijks nagedacht, dat vonden ze zo’n stomme vraag. Het eenvoudigste antwoord leek hen: ” Die slapen ook!”
De juf gaat er dan verder maar niet op in. Een jongen heeft spontaan enkele takken met katjes meegebracht die al helemaal geel zijn. Voor de klas vertelt hij er van alles over en tekent zelfs een dwarsdoorsnede van een katje op het bord. De lerares gaat door op zijn verhaal. Zij vertelt over de bloei van bomen, over stuifmeel en het bijenbezoek, over de verschillende zaadvormen, over het verspreiden van het zaad door de vogels en de wind. Het water en het licht worden weer geschilderd, maar ze weten nu al beter wat ze met elkaar kunnen doen. Met behulp van de aarde vormen ze een plant, die omhoog naar de zon groeit en haar blaadjes één voor één uitstrekt naar beide kanten. Wanneer deze per kind zo verschillende planten de volgende dag beke­ken worden, lijkt de ene plant in een moeras te staan, de andere op een berg of in een woestijn. De kleursterkte en de hoeveelheid lucht en water in de schilderingen maken deze verscheidenheid aan planten mogelijk.

Nadat de leerstof van de vorige dag heel kort met behulp van de kinderen herhaald is, vertelt de lerares uitgebreid over paddenstoelen. Tot slot maakt zij een vergelijking met een volledige plant: Bij de paddenstoel blijft alles onder de aarde, behalve de top. Hij wil niet veel weten van de zon. Thuis moeten de kinderen een gedichtje over de paddenstoelen maken.
Nogmaals schildert de klas de plant van gisteren, maar nu met vier kleuren. De aarde geeft stevigheid aan de wortels en een lichte waas van warmte die de knop omhult, brengt de rode bloem tot bloei. Weer ontstaat bij ieder kind een ander soort bloem: een strobloem, een rode zonnebloem, een pioenroos, een cactus…..

Enkele paddenstoelgedichtjes worden voorgelezen. Daarna schrijven de kinderen hun eigen vers stilletjes in hun schrift. Sommige vinden andermans gedicht zo leuk, dat ze die ook op schrijven:

Paddestoel klein
en paddestoel rond,
jij staat zomaar op de grond,
op het zachte groene mos
in het grote dennenbos.
(leerling)

Kleine tekeningetjes in de opgespaarde ruimtes laten geheime plekjes in het bos zien, waar paddenstoelen het naar hun zin hebben. De lerares leest nog eens enkele herinneringen van de kinderen voor. Dan merkt zij op dat een baby eigenlijk net zo afhankelijk en hulpeloos is als de paddenstoel. Beiden kunnen zich niet zelf voeden en toch groeien zij allebei heel snel en zijn even rond van vorm.
In de paarsblauwe schaduw van een boom­stam sparen de kinderen de vorm van paddenstoelen uit.
De donkere aarde biedt de nodige beschutting. De stemming op de schilderbladen is die van een geheimzinnige vollemaansnacht. Nadat de kinderen hebben gehoord over de korstmos en diens reacties op water en zon en diens voorzichtige pogingen blad te vormen, schrijven zij dit gedichtje van het bord over:

Korstmos zo hoog op de rots
leef je van water en zon.
Jij groeit daar zo trots,
waar niets meer leven kon.
Jij bent zo kleurig en klein,
maar je kunt niet veel
meer dan een paddenstoel zijn,
zonder wortel en zonder steel.
( lerares)

De diepzee en haar oerwouden van veelkleurige en veelvormige algen en wieren zijn nu het onderwerp van de les. In het water gevormd en nog net niet verstoken van het licht, deinen deze wortelloze planten mee met de beweging van het water.  Zij wor­den als het ware door het water gedragen, maar kunnen zich nog wel aan de zeebodem vasthechten. De lerares vertelt nu over de ontwikkeling van het kleine kind, hoe het leert eten, zit­ten, kruipen en staan.

Wouden van wier en algen in vele kleurschakeringen en vormen, die zacht onder water bewegen, verschijnen op het vochtige papier. Eerst schilderen de kinderen het blauwe water en daarna de planten. Daartussen zwemmen kleine felgekleurde vissen, octopussen en kwallen.

Die dag hebben de kinderen thuis gedichtjes gemaakt. De volgende ochtend worden enkele voorgelezen, waarna er een wordt uitge­kozen om naast het eigen gedicht op te schrijven in de schriften:

Daar staat een alg diep onder zee,
zijn bladeren gaan met de golven mee.
Een alg heeft een ontzettend groot blad,
en die voelt natuurlijk heel erg nat.
De vissen zwemmen tussen de bladeren door
en bijten soms in een rechteroor,
want vissen eten graag algen.
Mij lijkt het om te walgen!
( leerling )

Ranke algen en kleurige visjes op de lichtblauwe zee­bodem versieren de rest van de bladzijde. Op het volgende blad komt te staan:
We hebben een vergelijking gemaakt tussen de plantenstadia en de ontwikkeling van het kind:
paddestoel    – baby: rond, hulpeloos, afhankelijk,

korstmos       – enkele maanden oud: het kind leert zich bewegen, grijpen en                                           kijken,

algen               – ongeveer een jaar oud: het kind kan zitten en kruipen, maar                                              nog niet alleen staan,

mossen          – na het eerste jaar; het kind kan alleen staan en begint                                                         woordjes te zeggen.

Nu zijn de mossen aan de beurt. Onder de bomen in het bos die nu nog helemaal kaal zijn, vind je de prachtigste groene plekken. Je vindt daar een soort mininatuur van heel veel kleine plantjes. Deze hebben veel van de vormen die we ook in het plantenrijk onder de “grote” planten tegenkomen: struiken, palmen, bomen. De kinderen horen over het bloemetje, de bestuiving, het sporendoosje op zijn lange stengel, over zijn behulpzaamheid aan de bomen, over de vroegere moerassen in ons land en het ontstaan van turf.
Dan wordt het mos geschilderd: op een licht plekje in het bos, waar de zon net tussen de bomen door kan schijnen, groeien kleine kussentjes mos in allerlei groene tinten. Daar bovenuit groeien de prachtigste lichtgroene varens met hun lange bladeren en hun krullen.

De lerares vraagt de kinderen thuis een herinnering over de eerste tijd op school op te schrijven. Wanneer zij deze een dag later aan elkaar hebben verteld, wijst de lerares hun op het verschil tussen de tijd van hun vroegste herinnering en die toen ze een jaar of zes waren. Hoeveel meer weten, voelen en kunnen ze al….  Zij geeft een be­schrijving van een kind dat iedereen in zijn omgeving nabootst en op een gegeven moment beseft dat het zelf een ” ik ” is. Wanneer de kinderen de mos – en varen­schilderingen van de vorige dag bekijken, krijgen zij meer over de varens te horen. Deze hebben samengestelde veernervige bladeren, waarop aan de achterkant sporen groeien.

Wanneer je zou proberen ze uit te graven, merk je dat ze stevig in de aarde staan:  ze hebben wortels. De varens hebben geen echte stengels en ook geen bloemen.

De lerares beschrijft de sfeer van, het dennenbos met de rood­achtige gloed van de afgevallen naalden, de donkere zwijgzaam­heid van de streng gevormde bomen.
Achter het bos kleurt de avondhemel rood….. ‘Een uur later zijn deze bossen geschilderd en liggen de schilderingen te drogen in het waterige voorjaars­zonnetje.
De volgende dag worden de belangrijke dingen over de varens nog eens aangestipt en daarna schrijven de kinderen zelf wat ze nu over de varens weten:

De varens zijn bladeren, gelijk uit de grond. In warmere landen zijn ze net zo hoog als een boom. Daar leven de wortels een halve meter onder de grond. Het samengestelde blad heeft tientallen blaadjes aan de zogenaamde steel. Varens zijn er hier in Noord – Holland. Er zijn vele soorten varens.  Ze hebben sporen op hun bladeren en leven van water en licht.
( uitwerking leerling )

Besproken wordt de ontwikkeling van het kind van drie tot zes jaar, het eerste “ik”- zeggen, zijn spel en zijn grenzeloze fantasie. Wanneer de kinderen de bijzonderheden van de dennenboom hebben gehoord, kondigt de lerares aan dat ze morgen over de dicotyl en de monocotyl zullen praten en dat ze nu een van die planten gaan schilderen.
Ze beginnen met blauw van onderen en geel van bovenaf. Onder de aarde heeft de tulp haar bruine bol met de kleine witte worteltjes. Het lange blad omvat van onderaf de stengel. Om de bloem heen schilderen de kinderen de lichte, roodachtige waas van de warmte. Na een korte herhaling over de naaldbomen schrijft de klas er weer een stukje over. Ze mogen dat ook in gedicht – of gespreksvorm doen. Ook eigen ervaringen en herinneringen die met naaldbomen te maken hebben, mogen in het schrift komen.

De dennen hebben geen bladeren, maar naalden. Aan de takken groeien dennenappels. Die zijn roodbruinig. De stam is kaarsrecht en in het voorjaar zit er veel hars aan. Er zijn vele soorten naaldbomen: sparren, fijnspar en nog, veel meer. De grove den of pijnboom is een bijzonder taaie naaldboom, die men herkent aan de lichtrode schors en de blauwgroene naalden. De naalden van een den ruiken naar citroen en prikken. In de herfst en in de winter blijven ze groen.
(uitwerking leerling)

De kinderontwikkeling van het zesde tot veertiende jaar wordt nu beschreven: het voor het eerst naar de grote school gaan, het willen leren, de gevoelens van eenzaamheid rond het negende jaar en dan het langzaam bewuster worden van de eigen gevoelswereld en het komen tot eigen gedachten en ideeën. Zo horen de kinderen niet alleen wat ze zelf kunnen herkennen, maar tevens wat nog komt, waarnaar ze kunnen uit­kijken.
Op het bord staat een wilde roos getekend. Een uitgebreid wortelnet houdt de plant stevig in de aarde. De ver­schillen worden behandeld tussen de tulp, die al in het voorjaar uitschiet en de roos, die geduldig werkt aan haar steeds fijner en uitgewerkter samengestelde blaadjes en die rustig de tijd neemt voor de knop, waar zij in de groene kelk de gekleurde kroonbladeren verborgen houdt. Tenslotte ontvouwt zij haar bloem in de vorm van een vijfster. Alle elementen, de lucht, het water, de aarde en de zon, werken ten volle met haar mee.

Wanneer de kinderen de roos gaan schilderen, vraagt de lerares hun net zo veel geduld en nauwkeurigheid uit te oefenen als de roos zelf doet. Zij hebben tijdens deze periode veel plezier gekregen in het steeds terugkerende schilderen, maar nu zoemt het in het lokaal van de ijver. De prachtigste rozen, van verfijnd tot uitbundig, ontstaan op de vochtige schilderbladen. De laatste periodeweek is bestemd voor allerlei uitstapjes. De eerste dag gaat de klas op de fiets naar het Jacques P. Thijssepark, waar ze in groepjes langs kronkelpaadjes, bruggetjes en sloot­jes komen om het park te verkennen. Sommige kinderen gaan meteen Indiaantje spelen als ze de bosjes zien, anderen kletsen meer dan ze kijken, maar er zijn er ook die met de juf willen meelopen en haar van alles aanwijzen wat ze van de plantkundelessen herkennen. Weer terug in de klas schrijven de kinderen een verslagje.

Het tweede uitstapje leidt naar het Amsterdamse Bos. Van tevoren is de klas in tweeën gesplitst en deze helften zijn elk in vijf groepjes van drie personen opgedeeld. Beide helf­ten krijgen een geheim woord op dat uit vijf letters bestaat. Elk drietal krijgt een letter tot zijn beschikking en moet een vraag bedenken, waarvan het antwoord met deze letter begint. De vragen moeten met plantkunde te maken hebben. Op een groot ruig veld, dat omringd wordt door bosjes en sluippaden,worden de fietsen neergezet. De groepjes van de ene klassenhelft krijgen vijf minuten de tijd om zich in het struikgewas te verbergen, de groepjes van de andere helft gaan even later op zoek en moeten bij elke gevonden post een vraag beantwoorden of een opdracht uitvoeren, bijvoorbeeld:

–  Wijs een mini- oerwoud aan.

–  Zoek twee bladeren: een veernervig en een parallelnervig.

–  Zoek een boom met witte schors. Hoe heet deze boom?

Bij elk goed beantwoorde vraag of uitgevoerde opdracht krijgt de zoekgroep een letter dat in het geheime wachtwoord past.
Op deze wijze zijn de kinderen tijdens hun spel toch in gedachten bezig met de plantkunde, terwijl ook de mistige maartstemming, het uitbottende groen om hen heen en de drijvende planten in de sloot hun niet zijn ontgaan.
In het Vondelpark gaat de klas eerst bomen bekijken en daarna ook natekenen. Op een veld staan twee reusachtige kastanjebomen. Die willen de kinderen tekenen. Al gauw zoeken zij een plekje in het gras om te beginnen. Meegebrachte plastic vuilniszakken moeten de broeken beschermen tegen het vochtige gras.

Maar helaas, het begint te druppelen. “We gaan gewoon door hoor!”,  laten de kinderen weten. Toch worden zij door een lange plensbui het park uitgejaagd. Daar gaan ze weer, dwars door de stad, koude regen op hun hoofd, rode handen aan het stuur, gemopper…… Terug in de klas moeten zij bijkomen bij de kachel met warme chocolademelk. Slechts zeven tekeningen hebben de terugtocht overleefd. Na deze koude belevenis willen de kinderen de dag daarna niets liever dan in alle rust schrijven en tekenen in de behaaglijkheid van het lokaal.
Een mooie gelegenheid om het gedicht van de roos en de tulp, dat al een paar dagen op het bord stond, over te schrijven. Natuurlijk hoort daar een tekening bij.

Over de tulp en de roos.

De tulp,  zij heeft verborgen
al haar delen in het klein.
Zo vlug als de zon in de morgen
kan zij er in de lente zijn.
En de roos is zo voorzichtig.
Diep wortelt zij in de aarde.
Alle elementen evenwichtig
benut zij hun waarde.
(lerares)

In een bijna transparant geschilderde achtergrond van lichtgeel en rose worden drie witte boomstammen uitgespaard. In heuvelachtige landschappen staan even later drie berkenbomen bij de één met korte, dikke stammen, bij de ander smal en rank.

De hangende en opwaaierende bladersluiers hebben alle nuances tussen geel en donkergroen. Donkerbruine vlekken verlevendigen de witte bast.

Tijdens de laatste les leggen de kinderen hun schilderingen op de juiste volgorde, maken van dun karton een kaft, die van een opschrift en een tekening wordt voorzien en zetten het boekwerk met een klemmetje vast.

Tenslotte reciteren de kinderen nog eens alle gedichten uit deze periode. Tussendoor vertelt de juf nog iets nieuws over sommige plantensoorten.  “Wie heel goed kijkt, kan heel veel bijzondere dingen over de planten aan de weet komen.”

Heemkunde, Geert Grooteschool Amsterdam, jaartal onbekend)

[1] Zie de opmerking in de reactieruimte

De ontwikkeling van het kind en de samenhang met de plantenladder vind je vooral in het leesboek voor de plantkunde

.
Plantkunde: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klasplantkunde

.

243-229

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.