Tagarchief: moerasdotterbloem

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (55)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.202, hoofdstuk 55                                                                         alle hoofdstukken

 

DE REIS VAN EEN PLANTKUNDIGE IN HET SCANDINAVISCHE HOOGGEBERGTE
Op weg naar het noorden kan de reiziger bij de poolcirkel voor het eerst deel hebben aan de grote belevenis de middernachtzon te zien, tenminste toch wel een paar dagen rond de tijd van de  zomerzonnewende. In de dagen ervoor en erna staat de zon om middernacht weliswaar niet meer aan de hemel, maar er heerst toch buiten nog zo’n heldere schemer dat je de kleinste lettertjes kunt lezen. Hoe verder je je nu vanaf de poolcirkel noordwaarts begeeft, des te langer duurt de tijd waarin de zon niet meer ondergaat, maar alleen de horizon nadert. In Noord-Scandinavië duurt de middernachtzon gemiddeld twee maanden.

Vanzelfsprekend heerst op elk gebied van de aarde ongeveer evenveel dag als nacht, maar poolwaarts komt tegen het midden van de zomertijd steeds meer daglicht, het donker spitst zich toe op het midden van de winter, zodat in de zomer de aanwezigheid van het  licht sterk overheerst en we moeten ons afvragen of deze eenzijdigheid niet een opmerkelijke invloed uitoefent op het plantenleven.

Hemel en aarde staan in het noorden plotseling tegenover elkaar. Door wat er ‘s nachts gebeurt, spreekt de hemel van het noorden een machtige taal (poollicht). Beneden op aarde liggen de oeroude steenmassa’s die tekenend zijn voor het Scandinavisch continent. Wanneer je kijkt naar de hoogtegetallen van deze bergen, dan ontdek je dat die de getallen van het Midden-Europese gebergte bij lange niet benaderen. De hoogste berg van Zweden is niet meer dan 2000 meter , heeft echter vier gletsjers. (De hoogte van de grootste alpenbergen komt in de buurt van 5000 meter.) Wanneer je in Scandinavië een berg beklimt van maar 1300 tot 1500 meter dan laat je de boomgrens al na zo’n paar honderd meter boven de zeespiegel achter je en spoedig  bevind je je al in het grootse landschap van het hooggebergte. Daar heeft het maken van vergelijkingen met verder naar het zuiden gelegen bergen geen zin meer, omdat de aarde zelf, wanneer je noordelijker komt, al net een hoge berg is.

Je komt niet veel plantensoorten tegen die niet ook voorkomen in de Midden-Europese hogere bergen, alleen spelen ze in het hoge noorden een heel andere rol. Daar bedekken ze altijd grote vlakten, zo niet hele bergen. In de poolstreken zijn er, in vergelijking met de tropen, veel minder verschillende soorten planten, net zoals aan de polen ook steeds dezelfde sterrenbeelden aan de hemel cirkelen, terwijl in de tropen de hele sterrenhemel boven de horizon verschijnt.

Laten we allereerst eens naar de wijdse berghoogten kijken die men in Scandinavië fjeld noemt. Dit landschap verheft zich als een boomloos rotsgebied met een onvruchtbare bodem, bijna overal heide-achtig, moerasachtig boven de boomgrens die daar al naar gelang de breedtegraad, al bij 400 tot 600 meter hoogte kan liggen en voegt zich als eilanden die kilometers ver weg uitgestrekt liggen in de streken met bomen. Naast cypergrassen, bv. wollegras, korstmossen en mossen, russenachtige gewassen uit de russenfamilie, grassen enz. is de fjeld  meestal door dwergstruiken bedekt. In Zweden noemt men zulke gebieden ‘rished’, dat betekent ‘rijshoutachtige heide’. Daar groeien bijzonder veel heidekruidsoorten, naast de blauwe en de rode bosbes, de rijsbes, ook de veenbesberendruif en kraaiheide, maar ook soorten die betoverend mooi bloeien zoals de alpenheide en die daar op lijken. Zo ontstaat in het verwarde naast en door elkaar groeien van deze taaie verhoute gewasssen een verend kussen, waarop je als op een matras loopt. Wanneer je er lang op moet lopen, is dat heel vermoeiend. De vruchten van de vele bessendragende dwergstruiken dienen in verse, maar ook in droge toestand de rijke vogelwereld, zoals bv. het sneeuwhoen, tot voedsel. Een prachtig sieraad van de veenheide is de kruipbraam, een lage, niet rankende braamsoort. Zij heeft maar twee of drie bladeren en bloeit in het voorjaar met een enkele grote, vierdelige anemoonachtige bloei. De vrucht heeft de grootte van een tuinaardbei. Als ze nog onrijp is, ziet ze er rood uit, maar wanneer ze rijp is, oranjegeel. Zij smaakt zo zoet als honing. Het is werkelijk een aanlokkelijk gezicht deze vruchten die als koraal oplichten, tussen veenmos, rendiermos en donkergekleurd struikgewas te zien staan.

De planten van de fjeld vormen een gezelschap van hardloofgewassen, deels zelfs altijd groene met dikwijls ook naaldvormige bladeren.

Gedurende de lente echter wordt de fjeld bedekt met bloemen en nog eens bloemen die ook sterk geuren. Wanneer een voorwerp glanst, laat dit het licht niet naar binnen, maar spiegelt het terug. Zo doet de aarde dit in het hoge noorden met het levensbrengende zonnelicht. Zij spiegelt de werkingen van de hemel terug als een bloemenweide die aan de oppervlakte verschijnt als een bloemenlaag die er a.h.w. opgeblazen ligt. Weelderige groei en bladvorming kunnen echter niet ontstaan.

Water is in dit landschap overvloedig aanwezig. Het staat in moeras- en veenplassen – het komt samen in talrijke meren – bijna ieder deel vormt een ketting van meren-het circuleert tussen hemel en aarde, maar het wordt niet erg door het plantenleven opgenomen. Ook het aardeleven zelf  verloopt hier traag. Dode plantendelen, afgestorven en omgevallen bomen vervallen maar langzaam in deze moerasachtige grond. Zo worden dikke veenlagen gevormd.

Uit de noordelijke aarde verspreidt zich, in ’t bijzonder na het smelten van de sneeuw, wanneer de wilgenstruiken bloeien en de berken uitlopen, een wonderbaarlijke, balsemieke geur. Ook de lentebloemen geuren. Toch moet gezegd worden dat er een gebrek is aan geurige kruiden in de plantenwereld van de noordelijke bergen.

De balsemieke berkengeur is harsachtig en bloemengeur is bloemengeur, maar het is toch iets anders, wanneer ook bladeren en stengel zo doortrokken raken van warmte dat ze geuren, zoals bv. bij zoveel lipbloemigen uit onze eigen plantenwereld. Zulke planten waarvan de bladeren geuren, vind je in de Scandinavische gebergten nauwelijks. Ook de schermbloemigen ontbreken, op de engelwortel na, die door de Lappen graag wordt gegeten.

Maar onze schildering van de fjeldflora zou niet volledig zijn als we niet aan de kleine, over heel het noorden verbreide, sierlijke struik met zijn slechts centimetergrote niervormige blaadjes zouden denken: de dwergberk. Deze wordt nooit een grote struik of zelfs maar een boom. Alleen in gunstiger omstandheden brengt hij meterslange takken voort. In het hooggebergte, waar hij nog aanmerkelijk boven de boomgrens voorkomt, kun je ze met een duimdik, kort, maar darmachtig gedraaid stammetje tegen de grond aangevleid zien. Een bijna ontroerend gezicht, wanneer daar dan nog tussen de zeer kleine blaadjes ook nog de vele nietige bloemkatjes zichtbaar zijn. Wanneer je dan bedenkt, hoe klein de jaarlijkse groei kan zijn, dan zie je hoe erg oud zo’n kleine struik moet zijn. Hij is dus de dwerg onder de struiken. Je ziet hem op de fjeld overal. De grotere zuster van de dwergberk is de noordelijke witte berk. Men noemt hem ook de gedraaide berk. Hij is de boom van het hoge noorden, zodra den en spar terugblijven. Bovendien groeien in de noordelijke wouden ratelpopulieren, lijsterbessen en vogelkersen. De berken vind je meestal vergroeid; alleen op zeer gunstige plaatsen kunnen ze zich als onze berken tot boom ontwikkelen. Zwaar gaan ze gebukt onder de last van de sneeuw en het ruwe weer. Je kunt het aan hen zien, dat ze, neergedrukt tot op de grond, steeds nieuwe pogingen doen zich op te richten en in deze eeuwige strijd wordt de eigenlijke boomgestalte gevormd, die je met recht ook kromhout kan noemen. De berk is toch ondanks haar taaiheid en bestendigheid tegen de winterkou geen sterke boom, die zich tegen weerstanden goed staande kan houden. Wanneer je scheefgegroeide berken zo vlak naast dennen met hun sierlijk opgerichte stammen ziet staan, dan valt het onderscheid tussen beide bijzonder duidelijk op. De berk neemt haar kracht niet uit haar stam, maar uit haar bladerkruin en deze is meegaand; bij de den daarentegen is de stam de hoofdzaak.

Wie de noordelijke berkenbossen, waar je heg noch steg kunt vinden in deze schier onbegrensde oerbossen, eenmaal heeft leren kennen, zal ze niet gauw vergeten. Nog minder zul je de moeilijkheden vergeten die je aan eigen lijf en leden ervaart wanneer je door moeras, over stenen, afgeknotte en gebroken takken je weg moet vinden. In het bijzonder in de maanden juni, juli en augustus, wanneer de reiziger waar deze zich ook bevindt in een wolk van steekmuggen is gehuld die in mond, neus, ogen en oren kruipen, kan deze noordelijke jungle voor hem een echte hel worden. En toch maken de mooie beelden het steeds weer goed!

Laten we nog eens stilstaan bij een andere struik die in het noorden in vele soorten verspreid voorkomt en heel zijn schoonheid aan de dag legt, de wilg. Hij staat aan de oever van de wilde beken met het prachtige wit vilten gebladerte, of het zachtglanzende blauwgroen dat de laagste plekken van het moeras aankleedt; ja zelfs op grotere berghoogten tref je hem nog aan als prachtige struik, waarvoor je vol bewondering blijft staan en dan zeg je dat er ook in een aangelegd park niets mooiers te vinden is. Krachtig groeiend en toch ook door het hoogteklimaat edel doorvormd. De wilg is een vriend van de koelte en van het water. Maar eveneens behoort hij tot het beweeglijke luchtelement, vooral wanneer hij de zaden die uitgerust zijn met lange vliegharen, aan de wind toevertrouwd. En dat is nu juist het mooiste kleed van dit kind van het noorden, wanneer het daar staat met dicht behaarde, met zijde bedekte zilverglanzenden blaadjes en met witte wol behangen vruchtkatjes. Wat je ziet is zeker even mooi als een in bloei staande vruchtboom.

In het hooggebergte ontbreken natuurlijk ook die wilgsoorten niet, die meer in pollen voorkomen en die de plantkundige al kent van Midden-Europese gebergten: de poolwilg, de kruidwilg enz. Deze vertakken zich vaak al onder de grond in het losse gesteente en komen alleen met hun kussentjes van heel kleine blaadjes en net zo nietige katjes in het licht. Dat je toch te maken hebt met houtgewas merk je pas wanneer je deze wijdvertakte ‘struik’ uitgraaft.

Laten we tot slot nog enige beelden aan ons voorbijtrekken zoals die zich aan ons voordoen wanneer we vanaf het hooggebergte weer naar de laagte van het dal afdalen. We bevinden ons midden in de maand juli. Al bij het beklimmen, nadat we ons door het moerasgebied en de wilgenstruiken hebben geworsteld en de laatste kromme berken ons erop attent maakten dat we de boomgrens overschreden, bevonden wij ons a.h.w. in een bloementuin. Maar de bergklimmer van het alpengebied is nog niet in staat een met de werkelijkheid overeenkomend beeld te schetsen van deze lente in de bergen die eigenlijk midden in de zomer valt, want het zijn niet die planten die voor ons het prototype zijn als we aan de bloemenpracht van onze bergen denken: gentianen, sleutelbloemsoorten, mansschildsoorten, anemonen enz. Ook het alpenroosje speelt lang niet zo’n grote rol als in onze bergen; hier zijn het veel meer de heidekruidsoorten. Tere klokjes, verder nog dopheide en andere bedekken de steenachtige grond zover het oog reikt. Daartussen natuurlijk steenbreeksoorten en de laatste bloeiplanten die nog in het dal thuishoren. Maar wanneer we nu eens een van de hoogst gelegen toppen beklimmen, in zo verre de zon de sneeuw al heeft doen smelten! Behalve dan wat cypergras zijn de rotsspleten en de grond zonder planten. Slechts hier en daar beweegt een gletsjerboterbloem in de wind. Die is dwergachtig klein met een korte steel, met maar één blaadje en een bloem. Weldra is het gedaan met het plantenleven, alleen mos en korstmos kunnen nog spaarzaam groeien. Bij het dalen komen we al gauw weer de dwergwilgen tegen, de poolwilg, de kruipwilg en andere zoals we ze al geschetst hebben. Ze hebben al blaadjes. Het blad van het jaar daarvoor vind je wat lager terug, door het smeltwater massaal bij elkaar gestroomd. Overal is het ‘lente’geworden. Ontelbare bloempjes zie je waar het gesteente zo ver verweerd is, dat de planten daarin hun wortelstelsel  tot ontwikkeling konden brengen, daaronder zijn veel kruisbloemen. Kussentjes zo groot als een vuist en kleinere polletjes zijn met bloemen overdekt. En wat lichten ze op, wat stralen ze rein!

Je kunt in zulke noordelijke streken niet zo maar zeggen, welke planten  je tegen  zal komen omdat je je op deze of gene hoogte bevindt. Of een gebied naar de zon toeligt, of dat het in de schaduw ligt, kan in dit gebied van scherpe tegenstellingen al bijna het verschil betekenen van zomer en winter. Het hooggelegen dal, waar onze tocht nu door voert, ligt tegen de noordhelling. Het is nog steeds met een laag van meerdere meters diepe sneeuw bedekt. Nog voor het grootste deel onder de sneeuw verborgen, liggen drie meren, het ene achter het andere. Dus is voorzichtigheid geboden, omdat de ijslaag aan het smelten is. Je hoort het klotsen van het ijskoude, kristalheldere water. Een gletsjer hangt aan de andere kant van het dal en toont een smaragdgroene breukplaats, juist daar, waar hij in het middelste meer afkalt, d.w.z. afbreekt. Hier bevinden we ons nog midden in de winter, hoogstens in februari, het is bijna ondraaglijk licht. Maar de zon heeft al een deel van de met grind bedekte helling blootgelegd. En daar is het plantenleven al weer! Het is de sneeuwboterbloem die zachtjes in de wind beweegt. Een paar bloemsteeltjes maar met slechts twee of drie blaadjes. Het spel van het morgenlicht in deze doorschijnende bloemblaadjes is een spel van kleuren op een donkere aarde. En het kan nog niet lang geleden zijn dat de sneeuw daar verdwenen is, want blaadjes en steel zijn nog bleek. Een klein bloembed te midden van de dodelijke wildernis. Zoveel schoonheid ook daar waar maar zelden een mens komt.

Nu ontvouwt het hoogste dal zich voor onze blik. De waterloop van de drie meren stort plotseling in de diepte, de val breekt schuimend tegen de rotsen. Diep beneden in het dwarsdal zie je de beek al die van de geweldige gletsjertong vandaan komt die twee uren gaans hoger ligt. Die mondt na een mooie delta gevormd te hebben weer opnieuw in een meer uit, want ook in dit dal ligt een reeks meren achter elkaar. Maar wat is het beeld plotseling veranderd. Al tussen de zijarmen van de waterval staan op eenzame plaatsen de eerste wilgenstruiken. De steile helling voor ons is echter bezaaid met viooltjes, geen blauwe of violette of zo, maar stralend gele, het kenmerk van ons bergmassief. Hoe ze afsteken tegen het frisse groen. Echt een sterrenhemel op aarde. Blauwe en rode bergbloemen van verschillende families, zoals bv. diep rode koekoeksbloemen vind je daartussen, want we zijn nu al lang niet meer in februari. Het is maart geworden. Nu duiken de bloeiende grassen en de wel vertrouwde lentebloemen op, zoals de moerasdotterbloem. De steile helling is een echte bloementuin. Wij moeten naar beneden, daar waar de lappentent staat, maar het kreupelhout maakt het afdalen moeilijker.

Steeds lieflijker wordt het beeld, hoe verder we ons van de ongenaakbare hoogte komend naar de dalbodem begeven. Daar beneden is het mei. We vinden nu geen uitgesproken hooggebergteplanten meer. Ook de steenbreek, verder naar boven nog een regelmatige verfraaier van de rotsen, verdwijnt. Alleen nog een grotere, weelderiger groeiende soort, ook geel, groeit woekerend aan alle waterlopen. Wat we nu om ons heen zien mogen we al wel een weide noemen; een  lenteweide met kogelbloemen. Daar staat tussen de stenen de maar doorbloeiende sneeuwheide, zo mooi als je je maar kunt wensen. We lopen in de dalbodem nog uren langs het meer, dat aan beide kanten door donkere, hoogreikende steil opstijgende bergwanden omsloten is. We hebben geen haast, want we hoeven niet bang te zijn voor duisternis in deze maand. Tegen de ontoegankelijke rotswanden trekt zich kreupelhout samen dat je in de war maakt doordat het je aan de dwergdennen doet denken van onze eigen hooggebergten. Maar we bevinden ons al lang niet meer in de streek waar dennen gedijen kunnen en wat hier de rotswanden met struiken bekleedt, zijn jeneverbesstruiken.

Door het vocht van de ondergrond neemt de muggenplaag weer lastig toe. Maar tot we de eerste menselijke bewoning hebben bereikt, moeten we nog ruim vijf uur gaan.

Spoedig zien we de eerste kreupelberk weer en tenslotte betreden we het berkenbos met zijn vele problemen voor de wandelaar.

Terug naar de inhoud

 

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

61-59

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (36)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.125, hoofdstuk 36                                                                         alle hoofdstukken

.

WAT JE AAN DE BLADEREN VAN DE BOTERBLOEM KAN ZIEN
Wanneer de gele boterbloemen, ook wel eens hanenvoeten genoemd, bloeien, zijn de weiden op hun mooist. Je kan dan bossen bonte bloemen plukken waarin geen kleur ontbreekt.En wat lichten ze mooi teer op. Vooral wanneer er klokjes bijzitten, steekt het volle geel van de boterbloem bij het blauwe en violet prachtig af.

De vele verschillende boterbloemsoorten die er zijn, komen op even zo vele andere plaatsen voor; sommige in de bergen, zoals bv. de alpenboterbloem; andere meer op moerasachtige bodem of zelfs in het water, zodat alleen de bloemen maar boven water uitkomen, zoals bij de golvende waterranonkel.

Het meest voorkomend is toch de scherpe boterbloem. Hij is één van onze bekendste weidebloemen. Wanneer hij in volle bloei staat, zie je dikwijls het groen van de weide niet meer, zoveel eigele boterbloemschoteltjes als daar staan. Scherpe boterbloem heet de plant omdat de bladeren een scherpe smaak hebben en omdat ze iets giftig zijn.

Je kunt heel veel leren, wanneer je de bladeren aandachtig bekijkt. De onderste zien er namelijk heel anders uit dan de bovenste, zodat je een interessante trap krijgt, wanneer je ze in volgorde bekijkt. Om te beginnen wordt het al meteen duidelijk, waar de naam “hanenvoet” vandaan komt, want deze handvormig gedeelde bladeren met hun punten lijken veel op de poten van een haan. Meestal zijn ze met een donkerbruine tekening versierd.

De onderste bladeren zijn kleiner en hebben een bijna ronde omtrek. Maar de volgende al, die aan erg lange stelen zitten, vormen duidelijk vijfhoeken. Het blad is in vijf hoofdpunten opgedeeld, die ook weer in kleinere spitsen verdeeld zijn. Dan volgen de bladeren die aan de stengel zitten. Ze zien er  bijna nog net zo uit als de voorafgaande, zij het dat ze aan kortere stelen zitten. Hoe dichter de blaadjes de bloem naderen, des te eenvoudiger en kleiner worden ze en des te spitser lopen de punten toe. Uiteindelijk is er nog één enkele, zeer dunne straal over. Wanneer je niet zou weten  dat het bovenste en het onderste blad van de boterbloem aan een en dezelfde stengel groeien, dan zou je nauwelijks geloven dat ze bij elkaar horen.

Volgorde van de blaadjes van de scherpe boterbloem.

Zo’n verandering  van de stengelbladeren, zoals je aan de scherpe boterbloem kan zien, vind je ook bij veel andere boterbloemsoorten, al naargelang waar ze groeien. De goudgele boterbloem bv. groeit bijzonder graag op vochtige plaatsen, op vochtige weiden of aan de rand van het bos. Bovendien is hij de eerste boterbloemsoort van de lente die al zeer vroeg in bloei komt. Daarom moet hij zich behoorlijk inspannen, de rondachtige blaadjes die het eerst komen, in echte boterbloemblaadjes te veranderen. Hij moet eerst een paar pogingen doen en wanneer het hem dan eindelijk is gelukt, komt meteen de zon en wil bloemen maken. Ze splitst de stengelbladeren terdege, zodat ze een stralend karakter krijgen. Nog veel meer dan bij de scherpe boterbloem zijn daarom bij de gulden boterbloem de stengelblaadjes anders dan de wortelbladeren en hier kun je je nog meer verbazen over het feit dat er zoveel verschillende bladvormen aan één plant kunnen voorkomen.

Dat de onderste bladeren zo rondachtig zijn en dat ze van die brede vlakken hebben, komt door het vocht van de bodem. Aan de moerasdotterbloem, die zeer verwant is aan de boterbloem, zie je heel duidelijk, hoe de bladeren worden, wanneer er veel water in binnendringt. Dan wordt de hele plant plomp en log. Ze krijgt vlezige bladeren uit één stuk en dikke stengels die zich tenslotte  op de natte grond ter ruste leggen.

Wanneer daarentegen een plant recht de hoogte inschiet en een slanke vertakte stengel vormt, zoals bij de boterbloem, dan kan de lichtdoorstraalde lucht diep in de stengelblaadjes doordringen, deze klieven en in stukken scheuren en ze vormen geven die als bliksemstralen wegschieten. Aan de boterbloem kun je dit alles zien. Maar de bladeren zijn aan de boterbloem ook het voornaamste. Je kunt je ook wel indenken dat de zon er weinig moeite mee heeft zo’n lenteplant te veranderen. De boterbloem heeft er immers zelf ook veel plezier in. Hij vindt het leuk steeds nieuwe bladvormen te ontwikkelen. Dat zie je ook duidelijk aan de vele familieleden van de boterbloem die hun veranderkunst zelfs op de bloemen uitleven. De boterbloem heeft nog een regelmatiger bloem met een vijfdelige kroon en net zo’n kelk; bij andere boterbloemsoorten echter, zoals bv. de ridderspoor en de monnikskap, weet je op den duur niet meer wat nu eigenlijk de kelk en wat nu de kroon is, zo zeer is alles veranderd. Het zijn kloeke veranderingskunstenaars, deze planten.

Goudgele boterbloem. Hij is de eerste boterbloem die in de lente bloeit. De onderste bladeren zien er heel anders uit dan die aan de stengels zitten.

Sommige hebben weer bloemen die er bijna zo uitzien als diertjes met staarten, zoals kikkervisjes of zoiets, die zich alleen niet kunnen bewegen, omdat ze aan een bloemsteel vastzitten. Dat is zo bij bv. de ridderspoor en bij veel akelei-achtigen. Ook de akelei is een boterbloemachtige. Je kunt al snel zien dat ze familie zijn aan de drie blaadjes van de bloemstengeltjes. Ze hebben niet eens een steel. Alleen de niet-bloeiende plantjes hebben bladstelen. Dan hoef je er ook niet meer verbaasd over te staan dat de bloem van de bosanemoon niet eens een groene kelk heeft, want de groene stengelblaadjes hebben die al voor zichzelf genomen. Wanneer je goed kijkt kun je veel begrijpen.

Twee blaadjes van de dotterbloem. Zij zien eruit als grote lappen, want de plant wortelt in een moerasachtige bodem. Zo worden de bladeren dik en vormloos.

Anemonen

Sag, woher kommen
die schönen, die frommen,
die tausend und aber Millionen
weissgekleidter Anemonen.

‘Wir sind die Kindlein, die abgeschieden
so frühe hienieden;
nun wohnen wir oben
im Vaterhause da droben.”

Was tut ihr nun hier
im Waldesrevier,
ihr lieblichen Kleinen,
beim Frühlingserscheinen?

‘Drum dürfen wir fort,
jedes an seinen Heimatort;
auf  Ostern, da wird Vakanz gegeben,
drei Wochen lang welch ein Freudenleben!’

‘Und drum sind wir hier
im Waldesrevier
alle weissgekleidet. M:agdlein wie Söhnlein
mit goldenen Krönlein.’

von den schwäbischen Bauerndichter CHRISTIAN WAGNER

blad van monnikskap                                               blad van ridderspoor

Al mogen de boterbloemen dan nog zulke grote bladkunstenaars zijn en al mogen ze zelfs hun bloemen als tovenaars veranderen, zo gauw ze uitgebloeid zijn, is het met ze gedaan. Ook al zouden de weiden niet gemaaid worden, ze moeten afsterven, want ze hebben al hun kracht gegeven aan het vormen van blad; voor echte vruchten blijft niets meer over. Wanneer de bloem uitgevallen is, kan de scherpe boterbloem alleen maar een klein stekelbolletje aan zijn bloemstelen omhoog houden. Dat zijn de zaadbestanddelen van de boterbloem die uit de vele vruchtbeginsels van de bloemen zijn ontstaan.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

41-39

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.