VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (16)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.52, hoofdstuk 16                                                                       alle hoofdstukken

 

HET MOS
Je houdt van de mossen, omdat ze zo klein zijn. Wanneer je in het bos ligt, zodat je ze van heel dichtbij onder ogen krijgt, zie je pas hoe zorgvuldig ieder plantje apart gevormd is. Vele zien er als dennenboompjes uit. Dat zijn de boompjesmossen. Andere doen je denken aan varens of aan nietige dennen- of sparrentakjes. Weer andere hebben roodachtige, doorzichtige blaadjes en vertakte steeltjes. Zo is iedere soort anders, wonderschoon en elk heeft iets eigens. Het beste doen de mossen het waar het vochtig is, zoals in het bos, maar ook op drogere plaatsen, bv. in holten van stenen, in rotsspleten; ja, zelfs op daken, waar wat aarde samengeklonterd is kan mos voorkomen. De rotsmossen zijn heel klein.

Een beroemde mossenonderzoeker heeft eens een grap uitgehaald door verschillende mossoorten te verzamelen en daarmee landschapsbeelden te vormen. Toen hij klaar was, bleek dat in de mossenwereld bijna alle planten in het klein voorkomen. Op deze manier kreeg de mossenonderzoeker bv. een oerwoudlandschap, waar het weelderig woekert. Een ander beeld leverde een oase met palmenvormen op, enz. je kunt daaruit leren dat de mossen, precies zoals de algengewassen, in werkelijkheid een hele trap van het plantenrijk zijn. Wanneer je in een bos bent en je verdiept je in het kijken naar de grote bomen, dan kan het je plotseling vreemd voorkomen, wanneer je eraan denkt dat er nog een tweede, een heel kleine plantenwereld onder de grote aanwezig is en wel die van de mossen. De bijzonderheden van deze kleine plantentrap zullen nu beschreven worden.

Verschillende boompjesmossen, takjesmossen en bladmossen. In het midden 3 turfmosplantjes

Het eerste wat je moet bedenken is, dat mosplantjes niet alleen op zichzelf kunnen groeien. Slechts als een kussen of een plag gedijen ze. Ze zuigen dan het water in zich op als een spons, zodat ook de grond steeds vochtig blijft. Als er geen mos zou bestaan, zou het regenwater altijd meteen naar het dal vloeien; in beken en rivieren zou het water hoog komen te staan en alles zou overstromen. Bovendien zou het water geen zin hebben, want de bosgrond zou al spoedig weer uitgedroogd zijn en dat zou de bomen schade berokkenen.

Nu zie je ook dat de kleinste onder de gewassen erg belangrijke taken in het leven van de hele natuur toebedeeld krijgen.

Sommige mossoorten hebben lichtgroen blad, andere zijn donker gekleurd, maar ze zijn allemaal groen. Het moeten dus wel echte planten zijn, deze mossen. Anders zouden ze ook geen kleine blaadjes en stengeltjes hebben. Die krijgen ze van de zon; maar zoveel zonlicht als de grote planten hebben de mossen niet nodig, zoals je aan de mossen in het bos kunt zien die half in de schaduw liggen. Ze zijn nog heel nauw verbonden met de aarde. Eigenlijk vormen ze zelfs de overgang van de aarde naar de planten. De zon wekt het plantenleven maar een klein beetje, wanneer hij mossen vormt; daarom zijn deze zo klein. Maar waar mos voorkomt, wordt ook de aarde levendiger. Je moet maar eens kijken, hoe het van leven wemelt in zo’n moskussentje. Je ontdekt er alle mogelijke slakken, mieren, wormen, spinnen, duizendpoten, larven en poppen in.

Ook boomwortels hebben het best naar hun zin in deze vochtigheid.

Nu is het heel duidelijk dat zulke lagere gewassen als mos, nog weinig kunnen. Trek je een plantje uit een kussentje, dan zie je dat het geen echte wortels heeft. Sommige hebben weliswaar bosjes zuigdraden, die je met wortels zou kunnen vergelijken, veel ervan gaat beneden gewoon in aarde over, zodat je helemaal niet weet waar de plant ophoudt en de aarde begint. Zo dicht horen de mossen bij de aarde, dat ze niet eens een speciaal worteltje voor zichzelf nodig hebben. En van echte bloemen kan bij de mossen nog helemaal geen sprake zijn.

Wat doen de mossen dan, wanneer ze zich willen voortplanten? Hebben ze dan helemaal niets wat je met bloemen zou kunnen vergelijken? Ze hebben wel iets en iedereen die niet als een dromer door het bos wandelt, heeft het vast wel met eigen ogen gezien. Ook mossen vormen sporen en stoppen die in een naar voren knikkend kapseldoosje dat aan lange harde haren zit. ’s Zomers zie je die op de mosstengeltjes. In ’t begin zit er zelfs een sierlijk gevormd bastachtig mutsje overheen. Je kunt dat wegtrekken, maar later wanneer de moskapseldoosjes rijp geworden zijn, valt het er vanzelf af. Dan zie je ook dat de kapseltjes door kleine dekseltjes afgesloten zijn, die er natuurlijk af moeten als de sporen uitgestrooid moeten worden. Dus kunnen ook mossen nog te weinig om stuifmeel en zaad precies uit elkaar te houden, want wanneer je goed kijkt naar zo’n mossporendoosje dan moet je eigenlijk zeggen dat het er uitziet als een klein zaaddoosje en tegelijkertijd als een meeldraadje. Nu de mossen van die merkwaardige sporendoosjes hebben, willen ze er ook wel kleine bloemkroontjes bij. En inderdaad, die kun je ook gemakkelijk vinden; alleen zitten ze niet aan hetzelfde stengeltje als waaraan de kapseldoosjes zitten. Daar moet een geheim in verborgen zijn. Maar eerst wordt nog beschreven hoe de mossen het klaar spelen om tot kleine bloemkroontjes te komen.

Venushaarmos en sterrenmos met sporenkapseltjes. Bij het haarmos zit er nog een huikje over het kapseltje gestulpt. Daarnaast is getekend hoe het kapseltje zelf eruit ziet met het kleine dekseltje.

Laten we, als heel mooi voorbeeld,  eens het gouden vrouwenhaarmos, het venusmos, nemen, een van de bekendste boompjesmossen die zijn naam gekregen heeft omdat zijn haren er bijna uitzien als metaalachtig goudglanzend madonnahaar. Deze mosplantjes maken namelijk eenvoudigweg hun bovenste stengelblaadjes breder, geven hun een geelrode kleur en leggen die dan zo naast elkaar dat het wel op een stervormig schoteltje lijkt. Wie deze in het bos vindt, roept: “Het mos bloeit!” en zeker, de grote planten doen het ook niet anders, als ze hun bloeiende sterren uit gewone bladeren laten ontstaan. Wel is bij de echte bloeiplanten meteen de stamper klaar. En dat krijgen vele mossen niet voor elkaar. De bloeisterretjes en de sporenkapseltjes staan over aparte kussentjes verdeeld, dus moet je dat mos tweehuizig noemen. Het mos wordt echter niet door kleine insecten bezocht, want vlinders en bijen enz. doen net of de mosbloempjes in ’t geheel niet bestaan. Daarom moeten de mossen genoegen nemen met de aarde, d.w.z. het water. Ze worden niet bestoven, maar besproeid. Door de dauw of regen verzamelt zich namelijk een klein waterdruppeltje in ieder mosschoteltje en daarbinnen scheidt het mosplantje bevruchtingsstof af. Die druppeltjes spatten – wanneer het regent uiteraard – van de mosschoteltjes op de stengeltjes, waaraan de kapseltjes met dat steeltje groeien. Dat kan natuurlijk alleen maar bij slecht weer gebeuren, wanneer zelfs de echte bloeiplanten niet door insecten bezocht worden. Hier kun je ook weer zien dat de mossen toch nog heel anders gevormd zijn dan de bloeiplanten.

Een mosstengeltje met doorgegroeide bloei. In het midden van de eerste bloei is het stengeltje eenvoudigweg verder gegroeid. Zulke doorgroeiingen komen ook voor bij echte bloeiplanten, bv. bij rozen.

Maar ze hebben in ieder geval iets erbij geleerd, wat noch de paddenstoelen, noch de algen kunnen, namelijk zich op te richten. Dat zie je ook al aan de stijve haren van het doosje, maar je kunt het ook zien aan de stengeltjes die het mos vormt. Weliswaar vlijen deze stengeltjes zich nog vaak tegen de aarde aan, er zijn er toch ook die zich strekken richting aarde – zon.

Ten slotte moet er nog iets over het veenmos worden verteld, omdat het de veenlagen, het moeras vormt. Je kan het door zijn lichtgroene kleur gemakkelijk van de bladmossen onderscheiden, waarover we tot nog toe spraken. Wanneer het helemaal droog is, ziet het er zelfs wit uit. Maar het gebeurt zelden, dat het echt helemaal verdroogt, omdat het heel veel water in zich op kan nemen en vast kan houden. Grijp je in de lichtgroene sponsachtige kussentjes, dan kun je er een stuk uittrekken en tussen je handen uitknijpen. Wanneer er geen water meer uitdruppelt is het mos heel licht geworden. Het groeit alleen maar op die plaatsen waar het water erg lang blijft staan, omdat het niet weg kan stromen en meestal liggen er uitgestrekte waterpoelen waarin de veenmoskussentjes groeien. Wanneer je er op stapt dan is dat week en slap, zodat je wankelt en menigeen die de gevaren van het moeras niet goed in de gaten had, is erin weggezonken en jammerlijk aan zijn einde gekomen, want de moslagen kunnen vele meters dik zijn. Dat komt omdat dit mos wel honderden jaren oud kan worden. In sommige moerassen heeft men op een diepte van enkele meters nog machtige boomstammen gevonden van bomen die tegenwoordig niet meer voorkomen. Die zijn daar niet in weggezonken, zoals je wellicht eerst zou denken, maar het veenmos is in vele honderden jaren zo hoog gegroeid, steeds laag op laag bouwend, dat het boven de stammen uitgekomen is. Zo zijn de stammen behouden voor verrotting. Dus hier is de aarde a.h.w. zelf gegroeid en heeft ze die onder zich begraven.

Wanneer je er een enkel plantje uittrekt zie je er een lange draad aan hangen. Dat is de stengel die langzaam vergaat. Af en toe vertakt deze zich. Het veenmos is een mossoort die geen wortels heeft. Het gaat van onder in aarde over, in turf namelijk die het met z’n verbrokkelende, vervenende overblijfsels zelf vormt. Wanneer je turf wil winnen, moet je kanalen graven om het water weg te laten lopen. Dan kan de turf gestoken worden. Dat betekent dat je brokken uitspit in de vorm van een brood en die zet je op elkaar. Dan drogen ze en kun je ze daarna als brandstof gebruiken. Turf lijkt wel wat op bruinkool.

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

20-18

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

5 Reacties op “VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (16)

  1. Pingback: GROHMANN: LEESBOEK VOOR DE PLANTKUNDE-inhoud | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: WAT STAAT OP DEZE BLOG | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (10) | VRIJESCHOOL

  4. Pingback: VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (11) | VRIJESCHOOL

  5. Pingback: VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (55) | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s