VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (17)

.

Gerbert Grohmann

‘Leesboek voor de plantkunde’

blz.59, hoofdstuk 17                                                                         alle hoofdstukken

 

OVER DE VARENS
Iedereen kent wel die altijd durende pracht van onze zomerse bossen en men geniet van de fraai gevormde bladeren. Wanneer er op schaduwrijke plaatsen in tuinen of parken varens worden geplant, ontplooien ze hun fiere trechters statig en mooi. Maar nog nooit heeft iemand er bloemen aan gezien, want de waaier van  bladen [men spreekt bij varens eerder van bladen dan van bladeren] van de varen-is hun hoogste trap. Als plant zonder bloem kan een varen natuurlijk ook geen vruchten en zaden hebben.
Toch is er iets wonderlijks aan deze planten. Al in het voorjaar wanneer je ze uit de grond ziet komen, kun je ze op het eerste gezicht al van de andere gewassen onderscheiden. Eerst vind je alleen maar een groepje bruine, halfronde koppen. Weldra echter wordt je getoond dat er iets naar boven komt. Dan zie je ook dat deze koppen in werkelijkheid opgerold zijn als een slak en wel zo dat ze allemaal naar een gemeenschappelijk middelpunt wijzen. Het duurt niet zo lang of de ‘slakken’ wikkelen zich uit tot de waaiervorm van de varen.

twee zich uitwikkelende varenbladen

Daarbij worden ze steeds maar kleiner en links en rechts van de sterke middennerf worden ook de zijblaadjes uitgevouwen. Het is een geheimzinnig gezicht, de zich afrollende varenstruik in de schemer van het bos. Je weet eigenlijk niet of ze je doen denken aan dieren met opgerolde koppen, de rug naar buiten gekeerd of dat ze wel lijken op een groepje mensen dat bij elkaar staat en samen praat.
Zijn de waaiers tenslotte helemaal uitgevouwen, dan staan ze als echte plantenbladeren in een cirkel. Van de slakken is niets meer te zien, want ze zijn tot het puntje van het blad recht getrokken.

Hoe komt het toch dat de varenwaaiers zo prachtig zijn en hoe is het te verklaren dat ze samen een trechter vormen. Dat komt omdat de varens geen bloemen hebben en alle kracht die de zon hun geeft, gebruiken om hun bladen zorgvuldig vorm te geven. En met hun bladtrechter die er bijna als een reuze bloemenkelk uitziet, nemen ze de vorm van een bloem alvast maar aan. Alles wat ze kunnen, volbrengen ze met hun bladen.

Naast de trechtervarens zijn er ook nog veel andere varensoorten. Ook in warme landen komen er veel voor. Je kunt deze uitheemse soorten soms in een hortus botanicus zien. De mooiste onder hen zijn de boomvarens die er bijna als palmen uitzien, want ze hebben een stam en het bladrozet zit daar bovenop, zich prachtig ontvouwend en mooi geleed. Vanzelfsprekend ziet degene die iets van varens begrijpt dadelijk dat hij geen echte palm voor zijn neus heeft. Hij herkent in het midden de jonge slak van de waaier. Het zal wel een toverachtig gezicht zijn in een bos rond te lopen dat uit louter boomvarens  bestaat.

eikvaren

De adelaarsvaren die ook in onze bossen vaak voorkomt, is over de hele wereld verspreid. Hij is zo hoog dat een kind er zich in kan verbergen. Zijn waaier vormt geen trechter en de lange stelen waarop de bladen zich uitbreiden, houd je in het begin voor stengels. Dat zijn ze niet, want varens hebben nooit stengels, over de hele aarde niet, alleen bladstelen, zoals je dadelijk ziet, wanneer je zo’n trechterblad uittrekt en apart bekijkt. Het is een stengel wanneer er knopen inzitten. Blad-en bloemsteeltjes hebben geen knopen. Dus zijn dit louter aparte, grote bladen die de warwinkel van adelaarsvarenbladen vormen.

linksboven: muurvaren; daaronder het grote waaiervormige blad van de mannetjesvaren; rechtsboven een blad van het dubbelloof; daaronder het blad van de gewone eikvaren 

Pak eens een waaierblad, wanneer het volop zomer is en draai het eens om, bekijk het eens goed! Je zult iets interessants ontdekken. Daar zie je namelijk dat de onderkant van het blad een merkwaardige bruine tekening vertoont. Dikwijls zijn het kleine of grote puntjes of streepjes, soms is ook de hele onderkant bruin gekleurd, alsof die verroest is. Bij de adelaarsvaren zit er aan de zijkant van het blad een smalle bruine rand. Wanneer je nu wil weten wat deze eigenaardige tekeningen betekenen, dan hoef je alleen maar het eenvoudige proefje te herhalen, wat je ook bij de paddenstoelen kan doen: Je neemt een varenblad en legt het op een wit vel papier. De volgende dag moet je dat er voorzichtig afhalen. Dan zie je dat de bruine puntjes of streepjes een afdruk op het witte papier hebben gemaakt, net zo als de voering van de paddenstoel; dus ook hier zijn er sporen uitgekomen. De bruine tekeningen op de bladeren hebben dan ook te maken met de voortplanting. Natuurlijk komen er uit de sporen wanneer die op de grond gevallen zijn, nieuwe varens. Maar de ontwikkeling daarvan is veel ingewikkelder dan bij de paddenstoelen. Er komt namelijk niet meteen een nieuwe varen uit een spore. Wie een ijverige natuuronderzoeker is, kan het verloop volgen. Het beste kun je voor dit doel een mooie trechtervaren uitzoeken, bv. een mannetjesvaren of een vrouwtjesvaren. In de nazomer moet je onder de waaier de bosgrond onderzoeken. Daar zal je een klein plantje ontdekken dat in de verste verte niet op een varen lijkt, want het ziet eruit als een heel klein algenplantje of als een stukje bronmos. De kleur is groen, zoals bij een blad, de vorm heeft iets weg van een hartje en het geheel is niet groter dan een centimeter. Wie wil er geloven dat dit kleine blaadje iets te maken heeft met varens? Toch is het zo en dat kun je weer ontdekken door goed waar te nemen. Onder de vele voorkiemen-zo noemt men zo’n klein hartvormig blaadje-zijn er wel die verder in hun ontwikkeling zijn. Er groeien namelijk heel kleine en eerst nog eenvoudige varenblaadjes op. Wanneer er een paar gegroeid zijn, komen ook al snel de eerste ‘slakken’, klein maar sierlijk.

stadia van de voorkiem

Steeds krachtiger worden de slakken, tot er een echte varenplant met een wortel gereed is. Zo wordt de kring gesloten en de voorkiem kan vergaan. Wanneer we tot slot nog een keer naar de varens kijken om te begrijpen wat ze in het bijzonder bereikt hebben, zien we: ze streven ernaar een bloemplant te worden; ze krijgen het echter nog niet voor elkaar en moeten zich i.p.v. door bloemen (stuifmeel en echt zaad) vermeerderen door sporen. Daarbij keren ze zich van de zon af naar beneden, i.p.v. naar boven, zoals de bloemenplanten.

Zoals iemand die iets geleerd heeft daar graag nog eens aan terugdenkt, zo herinneren de varens zich de vroegere algenfase. Hun herinnering is de voorkiem.

Maar de herinnering is al wel minder geworden: de voorkiem is klein-zoals je je ook sommige dingen niet goed meer herinnert. Ondanks dat kunnen de varens, wanneer ze naar hun grote bladen kijken, zeggen: ‘Wij zijn toch al bijna echte planten.’

varens uit andere landen

blad van de tongvaren. Deze varen vormt een uitzondering wanneer deze, zoals op de tekening te zien is, geen samengestelde, maar enkelvoudige bladen heeft, die iedere lente zich toch ook uit ‘slakken’ ontwikkelen. Dus is het blad ondanks zijn eenvoud, toch een echt varenblad.
De streepjes op het blad-aan de onderkant-zijn niet anders dan de plaatsen waar het stuifmeel gevormd en verstrooid wordt. Ook de tongvaren vormt een mooie trechter. De plant groeit het liefst op vochtige en schaduwrijke plaatsen; op steenachtige bosgrond, maar ook op muren en bij bronnen.

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

21-19

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.