Tagarchief: jeneverbes

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (55)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.202, hoofdstuk 55                                                                         alle hoofdstukken

 

DE REIS VAN EEN PLANTKUNDIGE IN HET SCANDINAVISCHE HOOGGEBERGTE
Op weg naar het noorden kan de reiziger bij de poolcirkel voor het eerst deel hebben aan de grote belevenis de middernachtzon te zien, tenminste toch wel een paar dagen rond de tijd van de  zomerzonnewende. In de dagen ervoor en erna staat de zon om middernacht weliswaar niet meer aan de hemel, maar er heerst toch buiten nog zo’n heldere schemer dat je de kleinste lettertjes kunt lezen. Hoe verder je je nu vanaf de poolcirkel noordwaarts begeeft, des te langer duurt de tijd waarin de zon niet meer ondergaat, maar alleen de horizon nadert. In Noord-Scandinavië duurt de middernachtzon gemiddeld twee maanden.

Vanzelfsprekend heerst op elk gebied van de aarde ongeveer evenveel dag als nacht, maar poolwaarts komt tegen het midden van de zomertijd steeds meer daglicht, het donker spitst zich toe op het midden van de winter, zodat in de zomer de aanwezigheid van het  licht sterk overheerst en we moeten ons afvragen of deze eenzijdigheid niet een opmerkelijke invloed uitoefent op het plantenleven.

Hemel en aarde staan in het noorden plotseling tegenover elkaar. Door wat er ‘s nachts gebeurt, spreekt de hemel van het noorden een machtige taal (poollicht). Beneden op aarde liggen de oeroude steenmassa’s die tekenend zijn voor het Scandinavisch continent. Wanneer je kijkt naar de hoogtegetallen van deze bergen, dan ontdek je dat die de getallen van het Midden-Europese gebergte bij lange niet benaderen. De hoogste berg van Zweden is niet meer dan 2000 meter , heeft echter vier gletsjers. (De hoogte van de grootste alpenbergen komt in de buurt van 5000 meter.) Wanneer je in Scandinavië een berg beklimt van maar 1300 tot 1500 meter dan laat je de boomgrens al na zo’n paar honderd meter boven de zeespiegel achter je en spoedig  bevind je je al in het grootse landschap van het hooggebergte. Daar heeft het maken van vergelijkingen met verder naar het zuiden gelegen bergen geen zin meer, omdat de aarde zelf, wanneer je noordelijker komt, al net een hoge berg is.

Je komt niet veel plantensoorten tegen die niet ook voorkomen in de Midden-Europese hogere bergen, alleen spelen ze in het hoge noorden een heel andere rol. Daar bedekken ze altijd grote vlakten, zo niet hele bergen. In de poolstreken zijn er, in vergelijking met de tropen, veel minder verschillende soorten planten, net zoals aan de polen ook steeds dezelfde sterrenbeelden aan de hemel cirkelen, terwijl in de tropen de hele sterrenhemel boven de horizon verschijnt.

Laten we allereerst eens naar de wijdse berghoogten kijken die men in Scandinavië fjeld noemt. Dit landschap verheft zich als een boomloos rotsgebied met een onvruchtbare bodem, bijna overal heide-achtig, moerasachtig boven de boomgrens die daar al naar gelang de breedtegraad, al bij 400 tot 600 meter hoogte kan liggen en voegt zich als eilanden die kilometers ver weg uitgestrekt liggen in de streken met bomen. Naast cypergrassen, bv. wollegras, korstmossen en mossen, russenachtige gewassen uit de russenfamilie, grassen enz. is de fjeld  meestal door dwergstruiken bedekt. In Zweden noemt men zulke gebieden ‘rished’, dat betekent ‘rijshoutachtige heide’. Daar groeien bijzonder veel heidekruidsoorten, naast de blauwe en de rode bosbes, de rijsbes, ook de veenbesberendruif en kraaiheide, maar ook soorten die betoverend mooi bloeien zoals de alpenheide en die daar op lijken. Zo ontstaat in het verwarde naast en door elkaar groeien van deze taaie verhoute gewasssen een verend kussen, waarop je als op een matras loopt. Wanneer je er lang op moet lopen, is dat heel vermoeiend. De vruchten van de vele bessendragende dwergstruiken dienen in verse, maar ook in droge toestand de rijke vogelwereld, zoals bv. het sneeuwhoen, tot voedsel. Een prachtig sieraad van de veenheide is de kruipbraam, een lage, niet rankende braamsoort. Zij heeft maar twee of drie bladeren en bloeit in het voorjaar met een enkele grote, vierdelige anemoonachtige bloei. De vrucht heeft de grootte van een tuinaardbei. Als ze nog onrijp is, ziet ze er rood uit, maar wanneer ze rijp is, oranjegeel. Zij smaakt zo zoet als honing. Het is werkelijk een aanlokkelijk gezicht deze vruchten die als koraal oplichten, tussen veenmos, rendiermos en donkergekleurd struikgewas te zien staan.

De planten van de fjeld vormen een gezelschap van hardloofgewassen, deels zelfs altijd groene met dikwijls ook naaldvormige bladeren.

Gedurende de lente echter wordt de fjeld bedekt met bloemen en nog eens bloemen die ook sterk geuren. Wanneer een voorwerp glanst, laat dit het licht niet naar binnen, maar spiegelt het terug. Zo doet de aarde dit in het hoge noorden met het levensbrengende zonnelicht. Zij spiegelt de werkingen van de hemel terug als een bloemenweide die aan de oppervlakte verschijnt als een bloemenlaag die er a.h.w. opgeblazen ligt. Weelderige groei en bladvorming kunnen echter niet ontstaan.

Water is in dit landschap overvloedig aanwezig. Het staat in moeras- en veenplassen – het komt samen in talrijke meren – bijna ieder deel vormt een ketting van meren-het circuleert tussen hemel en aarde, maar het wordt niet erg door het plantenleven opgenomen. Ook het aardeleven zelf  verloopt hier traag. Dode plantendelen, afgestorven en omgevallen bomen vervallen maar langzaam in deze moerasachtige grond. Zo worden dikke veenlagen gevormd.

Uit de noordelijke aarde verspreidt zich, in ’t bijzonder na het smelten van de sneeuw, wanneer de wilgenstruiken bloeien en de berken uitlopen, een wonderbaarlijke, balsemieke geur. Ook de lentebloemen geuren. Toch moet gezegd worden dat er een gebrek is aan geurige kruiden in de plantenwereld van de noordelijke bergen.

De balsemieke berkengeur is harsachtig en bloemengeur is bloemengeur, maar het is toch iets anders, wanneer ook bladeren en stengel zo doortrokken raken van warmte dat ze geuren, zoals bv. bij zoveel lipbloemigen uit onze eigen plantenwereld. Zulke planten waarvan de bladeren geuren, vind je in de Scandinavische gebergten nauwelijks. Ook de schermbloemigen ontbreken, op de engelwortel na, die door de Lappen graag wordt gegeten.

Maar onze schildering van de fjeldflora zou niet volledig zijn als we niet aan de kleine, over heel het noorden verbreide, sierlijke struik met zijn slechts centimetergrote niervormige blaadjes zouden denken: de dwergberk. Deze wordt nooit een grote struik of zelfs maar een boom. Alleen in gunstiger omstandheden brengt hij meterslange takken voort. In het hooggebergte, waar hij nog aanmerkelijk boven de boomgrens voorkomt, kun je ze met een duimdik, kort, maar darmachtig gedraaid stammetje tegen de grond aangevleid zien. Een bijna ontroerend gezicht, wanneer daar dan nog tussen de zeer kleine blaadjes ook nog de vele nietige bloemkatjes zichtbaar zijn. Wanneer je dan bedenkt, hoe klein de jaarlijkse groei kan zijn, dan zie je hoe erg oud zo’n kleine struik moet zijn. Hij is dus de dwerg onder de struiken. Je ziet hem op de fjeld overal. De grotere zuster van de dwergberk is de noordelijke witte berk. Men noemt hem ook de gedraaide berk. Hij is de boom van het hoge noorden, zodra den en spar terugblijven. Bovendien groeien in de noordelijke wouden ratelpopulieren, lijsterbessen en vogelkersen. De berken vind je meestal vergroeid; alleen op zeer gunstige plaatsen kunnen ze zich als onze berken tot boom ontwikkelen. Zwaar gaan ze gebukt onder de last van de sneeuw en het ruwe weer. Je kunt het aan hen zien, dat ze, neergedrukt tot op de grond, steeds nieuwe pogingen doen zich op te richten en in deze eeuwige strijd wordt de eigenlijke boomgestalte gevormd, die je met recht ook kromhout kan noemen. De berk is toch ondanks haar taaiheid en bestendigheid tegen de winterkou geen sterke boom, die zich tegen weerstanden goed staande kan houden. Wanneer je scheefgegroeide berken zo vlak naast dennen met hun sierlijk opgerichte stammen ziet staan, dan valt het onderscheid tussen beide bijzonder duidelijk op. De berk neemt haar kracht niet uit haar stam, maar uit haar bladerkruin en deze is meegaand; bij de den daarentegen is de stam de hoofdzaak.

Wie de noordelijke berkenbossen, waar je heg noch steg kunt vinden in deze schier onbegrensde oerbossen, eenmaal heeft leren kennen, zal ze niet gauw vergeten. Nog minder zul je de moeilijkheden vergeten die je aan eigen lijf en leden ervaart wanneer je door moeras, over stenen, afgeknotte en gebroken takken je weg moet vinden. In het bijzonder in de maanden juni, juli en augustus, wanneer de reiziger waar deze zich ook bevindt in een wolk van steekmuggen is gehuld die in mond, neus, ogen en oren kruipen, kan deze noordelijke jungle voor hem een echte hel worden. En toch maken de mooie beelden het steeds weer goed!

Laten we nog eens stilstaan bij een andere struik die in het noorden in vele soorten verspreid voorkomt en heel zijn schoonheid aan de dag legt, de wilg. Hij staat aan de oever van de wilde beken met het prachtige wit vilten gebladerte, of het zachtglanzende blauwgroen dat de laagste plekken van het moeras aankleedt; ja zelfs op grotere berghoogten tref je hem nog aan als prachtige struik, waarvoor je vol bewondering blijft staan en dan zeg je dat er ook in een aangelegd park niets mooiers te vinden is. Krachtig groeiend en toch ook door het hoogteklimaat edel doorvormd. De wilg is een vriend van de koelte en van het water. Maar eveneens behoort hij tot het beweeglijke luchtelement, vooral wanneer hij de zaden die uitgerust zijn met lange vliegharen, aan de wind toevertrouwd. En dat is nu juist het mooiste kleed van dit kind van het noorden, wanneer het daar staat met dicht behaarde, met zijde bedekte zilverglanzenden blaadjes en met witte wol behangen vruchtkatjes. Wat je ziet is zeker even mooi als een in bloei staande vruchtboom.

In het hooggebergte ontbreken natuurlijk ook die wilgsoorten niet, die meer in pollen voorkomen en die de plantkundige al kent van Midden-Europese gebergten: de poolwilg, de kruidwilg enz. Deze vertakken zich vaak al onder de grond in het losse gesteente en komen alleen met hun kussentjes van heel kleine blaadjes en net zo nietige katjes in het licht. Dat je toch te maken hebt met houtgewas merk je pas wanneer je deze wijdvertakte ‘struik’ uitgraaft.

Laten we tot slot nog enige beelden aan ons voorbijtrekken zoals die zich aan ons voordoen wanneer we vanaf het hooggebergte weer naar de laagte van het dal afdalen. We bevinden ons midden in de maand juli. Al bij het beklimmen, nadat we ons door het moerasgebied en de wilgenstruiken hebben geworsteld en de laatste kromme berken ons erop attent maakten dat we de boomgrens overschreden, bevonden wij ons a.h.w. in een bloementuin. Maar de bergklimmer van het alpengebied is nog niet in staat een met de werkelijkheid overeenkomend beeld te schetsen van deze lente in de bergen die eigenlijk midden in de zomer valt, want het zijn niet die planten die voor ons het prototype zijn als we aan de bloemenpracht van onze bergen denken: gentianen, sleutelbloemsoorten, mansschildsoorten, anemonen enz. Ook het alpenroosje speelt lang niet zo’n grote rol als in onze bergen; hier zijn het veel meer de heidekruidsoorten. Tere klokjes, verder nog dopheide en andere bedekken de steenachtige grond zover het oog reikt. Daartussen natuurlijk steenbreeksoorten en de laatste bloeiplanten die nog in het dal thuishoren. Maar wanneer we nu eens een van de hoogst gelegen toppen beklimmen, in zo verre de zon de sneeuw al heeft doen smelten! Behalve dan wat cypergras zijn de rotsspleten en de grond zonder planten. Slechts hier en daar beweegt een gletsjerboterbloem in de wind. Die is dwergachtig klein met een korte steel, met maar één blaadje en een bloem. Weldra is het gedaan met het plantenleven, alleen mos en korstmos kunnen nog spaarzaam groeien. Bij het dalen komen we al gauw weer de dwergwilgen tegen, de poolwilg, de kruipwilg en andere zoals we ze al geschetst hebben. Ze hebben al blaadjes. Het blad van het jaar daarvoor vind je wat lager terug, door het smeltwater massaal bij elkaar gestroomd. Overal is het ‘lente’geworden. Ontelbare bloempjes zie je waar het gesteente zo ver verweerd is, dat de planten daarin hun wortelstelsel  tot ontwikkeling konden brengen, daaronder zijn veel kruisbloemen. Kussentjes zo groot als een vuist en kleinere polletjes zijn met bloemen overdekt. En wat lichten ze op, wat stralen ze rein!

Je kunt in zulke noordelijke streken niet zo maar zeggen, welke planten  je tegen  zal komen omdat je je op deze of gene hoogte bevindt. Of een gebied naar de zon toeligt, of dat het in de schaduw ligt, kan in dit gebied van scherpe tegenstellingen al bijna het verschil betekenen van zomer en winter. Het hooggelegen dal, waar onze tocht nu door voert, ligt tegen de noordhelling. Het is nog steeds met een laag van meerdere meters diepe sneeuw bedekt. Nog voor het grootste deel onder de sneeuw verborgen, liggen drie meren, het ene achter het andere. Dus is voorzichtigheid geboden, omdat de ijslaag aan het smelten is. Je hoort het klotsen van het ijskoude, kristalheldere water. Een gletsjer hangt aan de andere kant van het dal en toont een smaragdgroene breukplaats, juist daar, waar hij in het middelste meer afkalt, d.w.z. afbreekt. Hier bevinden we ons nog midden in de winter, hoogstens in februari, het is bijna ondraaglijk licht. Maar de zon heeft al een deel van de met grind bedekte helling blootgelegd. En daar is het plantenleven al weer! Het is de sneeuwboterbloem die zachtjes in de wind beweegt. Een paar bloemsteeltjes maar met slechts twee of drie blaadjes. Het spel van het morgenlicht in deze doorschijnende bloemblaadjes is een spel van kleuren op een donkere aarde. En het kan nog niet lang geleden zijn dat de sneeuw daar verdwenen is, want blaadjes en steel zijn nog bleek. Een klein bloembed te midden van de dodelijke wildernis. Zoveel schoonheid ook daar waar maar zelden een mens komt.

Nu ontvouwt het hoogste dal zich voor onze blik. De waterloop van de drie meren stort plotseling in de diepte, de val breekt schuimend tegen de rotsen. Diep beneden in het dwarsdal zie je de beek al die van de geweldige gletsjertong vandaan komt die twee uren gaans hoger ligt. Die mondt na een mooie delta gevormd te hebben weer opnieuw in een meer uit, want ook in dit dal ligt een reeks meren achter elkaar. Maar wat is het beeld plotseling veranderd. Al tussen de zijarmen van de waterval staan op eenzame plaatsen de eerste wilgenstruiken. De steile helling voor ons is echter bezaaid met viooltjes, geen blauwe of violette of zo, maar stralend gele, het kenmerk van ons bergmassief. Hoe ze afsteken tegen het frisse groen. Echt een sterrenhemel op aarde. Blauwe en rode bergbloemen van verschillende families, zoals bv. diep rode koekoeksbloemen vind je daartussen, want we zijn nu al lang niet meer in februari. Het is maart geworden. Nu duiken de bloeiende grassen en de wel vertrouwde lentebloemen op, zoals de moerasdotterbloem. De steile helling is een echte bloementuin. Wij moeten naar beneden, daar waar de lappentent staat, maar het kreupelhout maakt het afdalen moeilijker.

Steeds lieflijker wordt het beeld, hoe verder we ons van de ongenaakbare hoogte komend naar de dalbodem begeven. Daar beneden is het mei. We vinden nu geen uitgesproken hooggebergteplanten meer. Ook de steenbreek, verder naar boven nog een regelmatige verfraaier van de rotsen, verdwijnt. Alleen nog een grotere, weelderiger groeiende soort, ook geel, groeit woekerend aan alle waterlopen. Wat we nu om ons heen zien mogen we al wel een weide noemen; een  lenteweide met kogelbloemen. Daar staat tussen de stenen de maar doorbloeiende sneeuwheide, zo mooi als je je maar kunt wensen. We lopen in de dalbodem nog uren langs het meer, dat aan beide kanten door donkere, hoogreikende steil opstijgende bergwanden omsloten is. We hebben geen haast, want we hoeven niet bang te zijn voor duisternis in deze maand. Tegen de ontoegankelijke rotswanden trekt zich kreupelhout samen dat je in de war maakt doordat het je aan de dwergdennen doet denken van onze eigen hooggebergten. Maar we bevinden ons al lang niet meer in de streek waar dennen gedijen kunnen en wat hier de rotswanden met struiken bekleedt, zijn jeneverbesstruiken.

Door het vocht van de ondergrond neemt de muggenplaag weer lastig toe. Maar tot we de eerste menselijke bewoning hebben bereikt, moeten we nog ruim vijf uur gaan.

Spoedig zien we de eerste kreupelberk weer en tenslotte betreden we het berkenbos met zijn vele problemen voor de wandelaar.

Terug naar de inhoud

 

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

61-59

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (22)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.81, hoofdstuk 22                                                        alle hoofdstukken

SAMENVATTEND OVERZICHT VAN ONZE NAALDBOMEN
De zilverspar heeft donkergroene, glanzende naalden die in een plat vlak geplaatst zijn. Op de onderkant van iedere naald zijn in de lengte twee witte strepen getrokken, waardoor de takken van de onderkant grijsgroen lijken. De dikke kegels blijven rechtop staan en vallen nog aan de boom uit elkaar. De zilverspar heeft een meterslange paalwortel. Oude bomen herken je al uit de verte, omdat ze – in tegenstelling tot de gewone spar – hun onderste takken hebben laten vallen. De boomtop is met groeien opgehouden en de bovenste takken zijn groter en staan omhoog. Ze vormen het ‘adelaarsnest’. Tot een zilverspar volgroeid is, gaan er wel 200 jaar voorbij. Vanaf die tijd groeit de stam alleen nog in de dikte. Hij kan een doorsnede bereiken van twee meter.

De fijnspar is onze belangrijkste boom uit het bergwoud. Tot op zeer hoge leeftijd behoudt hij een boomtop die piramidevormig toeloopt. Bomen die alleen staan reiken met hun laagste takken wel tot op de grond. Een fijnspar heeft meer dan honderd jaar nodig om volgroeid te zijn. Ze wortelen oppervlakkig. Daarom nemen door de storm ontwortelde sparren een vlak stuk aarde mee omhoog. Ze hebben geen penwortel. De naalden staan niet streng tweedelig geordend, maar ze staan vaak rondom de twijg. De sparrenkegels worden, als ze bloeien, prachtig purperrood. Wanneer ze rijp worden, vallen ze om, hangen naar beneden en laten in hun geheel los.

De den heeft bijzonder lange naalden, die paarsgewijs groeien. In het vlakke, platte land komt hij het meest voor. Ook kan hij voorkomen op zandige bodem, omdat hij met zijn penwortel tot aan het grondwater reikt. In het bos vormt de den paraplu-achtige kruinen en kale stammen. Wanneer hij vrij staat, kan hij er ook anders uitzien en net zoals vele loofbomen, zich vertakken. De dennenappels zijn kort en gedrongen met wigvormige schubben. De dennenappels worden pas rijp in het derde jaar na de bloei.

In het veen komt de moerasden voor, waarvan de takken zich soms als slangen over de bodem kronkelen. Ook de bergden van het hooggebergte heeft liggende takken, die pas aan de top omhoog komen. De arve of alpenden, eveneens een boom uit het hooggebergte, heeft een dikke, rechtopgaande stam. Zijn  mooie lange naalden staan in bosjes van vijf. De zaden hebben geen vleugeltjes en worden als zaden gegeten. Vanwege hun schoonheid worden ook buitenlandse soorten aangeplant, bv. de Weymouthden. Uit dennen wordt terpentijn gewonnen, alsmede hars voor de viool.

De liefelijkste van onze naaldbomen is de lariks, de lork. In de herfst laat hij zijn zachte, lichtgroene naalden vallen. Je zou hem de berk onder de naaldbomen kunnen noemen. Ondanks zijn tere voorkomen, komt hij tot hoog in het gebergte voor, waar je de hoogstammige, op licht aangewezen boom, dikwijls in kleinere groepen aantreft. Een heel mooi gezicht is het, wanneer in het voorjaar tussen de jonge, lichtgroene naaldscheden de purpurrode bloeikegels staan. Uit het hars van de lariks komt de beste terpentijn en er wordt zelfs een geneesmiddel van bereidt.

De taxus heeft brede en zachte naalden, die van boven donkergroen en aan de onderkant lichtgroen zijn. De bast van de taxus bladdert net zo af als bij de plataan. De boom heeft geen kegels, maar rode, besachtige bekervruchtjes, met een pit in het midden. Hoge taxussen komen zelden voor omdat ze heel langzaam groeien. Ook grote taxusstruiken zie je zelden. Daar staat tegenover dat vroeger de taxus heel veel voorkwam. Ze vormden het kreupelhout van de bossen, want ze houden van schaduw. Bij onze voorouders stond hij in hoog aanzien. De markt van de godenstad Asgard zou met taxussen beplant  zijn geweest.

Tegenwoordig worden de taxussen met uitsterven bedreigd. Nog een paar oude bomen leggen getuigenis af van hun vroegere pracht. De ouderdom van een paar wordt op één of twee duizend geschat. Taxussen kunnen meer dan tien meter hoog worden en een stamomvang bereiken van tot drie meter. Tegenwoordig vind je de taxus alleen nog als heester. De rode, slijmerige vruchten zijn niet giftig*, maar de naalden zijn voor sommige dieren schadelijk, zoals bv. het paard, het schaap en het zwijn, wanneer die de wilde grond ongehinderd afgrazen. De taxus neemt onder de naaldbomen een uitzonderingspositie in, omdat hij geen hars heeft en tweehuizig is. Wie erop let, kan vaststellen, dat de taxussen met katjes slanker zijn dan die met vruchten.

Ook de jeneverbes heeft geen gewone kegels, maar bessen met een blauwe waas, waaraan je wel kan zien dat ze alleen maar vlezig geworden kegels zijn (kegelbessen). De smaak ervan is kruidig. De jeneverbes groeit meestal als een struik en staat alleen. Zijn stam vertakt zich al meteen boven de grond; de naalden, hard, prikkend, vormen een ondoordringbare wirwar. Vele buitenlandse jeneverbessoorten die hun kruin vlak boven de aarde als een scherm uitbreiden, worden als sierstruiken aangeplant.

Ook de ceders en de cipressen van de zuidelijke landen, alsmede de levensbomen, die men vaak op kerkhoven vindt, behoren tot de naaldbomen. De levensboom heeft weliswaar geen naalden, maar korte bladschubben; maar de talloze kleine, verhoute kegeltje bewijzen hun verwantschap met de naaldbomen. De takken geuren net als bloemen, wanneer je ze fijn wrijft.

*Het vruchtvlees is niet giftig, maar in het zaad zit taxine en dat is wel erg giftig. Het zaadomhulsel verteert in de mensenmaag – niet in de vogelmaag – en het gif komt vrij.
Wat te doen als

Om een den van een spar en deze van een lariks te onderscheiden helpt een eenvoudig ezelsbruggetje:
spar begint met S, de s van solo: de naalden staan apart
den begint met D, de d van duo: de naalden staan met z’n tweeën
lariks begint met L, de l van legio, er staan veel naalden bij elkaar

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

24-22

.

VRIJESCHOOL Grohmann – leesboek voor de plantkunde (20)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.74, hoofdstuk 20                                                                  alle hoofdstukken

 

DE ZILVERSPAR EN DE FIJNSPAR
Beide bomen zijn ons als woudbomen goed bekend, in het bijzonder in de bergen. De schors van de fijnspar, ook gewoon spar genaamd, is in tegenstelling tot de zilvergrijze gladde bast van de zilverspar, roodbruin gekleurd en ruw.
Wanneer je een sparrenbos inloopt, krijg je een heel ernstig gevoel. Je voelt je door een grote rust omhuld en je kunt zelfs niet anders dan je voorstellen dat dit bos er altijd al geweest is, zo oud lijkt het wel. Het ruisen van de sparrenbossen is het zingen van de eeuwigheid. Rechtlijnig en gelijkmatig streven de zuilachtige stammen omhoog. In het bijzonder bij oude bomen treden de stammen steeds duidelijker op de voorgrond.
Wanneer er een loofboom in een naaldbos staat, valt deze door zijn totaal andere takken duidelijk op, ook wanneer hij geen bladeren heeft. Hij vertakt zich en splitst zich in twijgen naar boven toe, als het bloedvatenstelsel in het menselijk lichaam, terwijl bij de spar één stam van de wortel tot de boomtop naar boven reikt. Zijn takken steken naar opzij uit en lijken precies op een paardenstaart in verdiepingen geordend. Daar moeten toch bijzondere krachten in de aarde hun invloed doen gelden; dat deze zo’n gelijkmatige zuilenstam opricht.

Al wanneer je de heel jonge boompjes bekijkt die je vaak onder de oude bomen vindt of die de bosbouwkundige op de kweekbedden of in kwekerijen uit zaden wint, kun je je verbazen over de regelmaat waarmee ze gebouwd zijn. Kijk je er vanboven op, dan neem je een ster waar; zo staan de takken ten opzichte van elkaar; die lager zitten, vormen a.h.w. steeds een kruis met die hoger zitten. Alsof de passer eraan te pas is gekomen, zo is het bij de zilverspar. Denk je er eens over na waar je deze vormen eerder hebt gezien, dan kom je bij de sneeuwvlokken uit. Zo is het dus met de sparren; ze bootsen sterren na en willen net zo gevormd zijn als sneeuwvlokken.
Sterrenbomen zijn het, deze sparren en de gladde stammen streven omhoog naar de sterren.

De sparren hebben hun grote rust en plechtigheid van de rustig langs de hemel gaande sterrenbeelden. Wat een prachtig gezicht wanneer een boom eens helemaal al zijn takken naar alle kanten vrij ontplooien kan. De zon daarentegen, die zomer en winter op de aarde veroorzaakt, heeft niet dezelfde invloed op sparrenbomen als op loofbomen, daarom behouden de sparren ook hun naalden verschillende jaren lang, ze blijven ‘s winters groen en laten hun vruchten, de sparrenkegels, niet in één jaar rijp worden. De naalden zijn de bladeren van de spar. Maar deze naalden zijn in een andere vorm veranderd. Alleen de middennerven zijn overgebleven, terwijl het bladoppervlak samengetrokken is. De naaldbladeren kunnen zich ook niet zo uitbreiden als bij de loofbomen. In het begin kun je nauwelijks geloven dat de sparren tot de bloeiplanten behoren, omdat ze geen bloemen hebben, net zo min als groene bladeren. Ze zetten, wanneer ze willen bloeien en vruchtdragen, eenvoudigweg nog een keer een klein boompje op hun takken, want iedere sparrenkegel is niet anders dan een klein boompje met een stammetje, de spil in het midden.

Schub van een kegel van de fijnspar. Je ziet de twee zaadjes met de vleugeltjes erop liggen.

Daaromheen vind je de schubben in wonderlijke schuine rijen, net als visschubben, geordend. Zo simpel gaat het nog bij de sparren en zo langzaam gaat hun ontwikkeling, dat ze er niet eens toe komen hun zaden in een stengeltje of een zaaddoosje te doen.  Ze leggen ze eenvoudig op de schubben, steeds twee naast elkaar. Deze zaden hebben vleugels. Neem je een tak die sparrenkegels draagt mee naar huis en je legt die een paar dagen lang in een verwarmde kamer, dan drogen ze uit en de schubben spreiden zich uit. Wanneer je ze dan optilt en schudt, zie je iets vrolijks, want onder de schubben dwarrelen honderden gevleugelde zaden tevoorschijn, als kevers of sprinkhanen. Dat daaronder die schubben vetrijke zaden zitten, weten de eekhoorntjes ook. Ze houden de kegels tussen hun voorpoten vast, trekken de schubben eruit, de een na de ander, tot de spil over is. Die laten ze dan naar beneden vallen. De kruisbekken daarentegen, buigen de schubben met hun kruissnavels uit elkaar en maken ze kapot. Zo vinden deze vogels hun voedsel bij de sparren en hoe blij ze zijn hoor je wel, wanneer ze in zwermen door de wouden van de bergen scheren.
In de lente, wanneer de kegels maar een paar centimeter groot zijn, zien ze er bij de spar wonderbaarlijk donkerrood uit en staan daar als gloeiende kaarsen op de donkergroene takken. Wat een prachtig gezicht!
In deze staat moet je de kegels als bloeiwijze beschouwen. Later kleuren ze groen en worden ze groter en zwaarder. De spar heeft niet de kracht ze overeind te laten staan en ze kiepen om en hangen naar beneden. De zaden vallen eruit, zo lang de kegels nog aan de boom hangen. Dan vallen ze eraf.

Heel anders gaat het toe bij de zilverspar. Deze sterke en mooie boom laat zijn grote en zware kegels rechtop staan. Je ziet ze alleen veel minder vaak, omdat ze heel hoog bovenin staan. Ze vallen ook niet in z’n geheel naar beneden, zoals bij de spar, maar vallen aan de boom al als blaadjes uit elkaar. Daarom vind je de kegels van de zilverspar niet zo gauw.
Zo gaan de bloemen van de sparren langzaam over in vruchten, eenvoudig doordat ze groter worden en verhouten.
Alle naaldbomen, jeneverbessen en taxussen incluis, hebben zulke houtachtige vruchten, zo verhard zijn ze. Wie oplet kan vaststellen dat de sparren zeker niet elk jaar even krachtig bloeien en vruchtdragen. Er zijn echt uitgesproken sparrenjaren.
Tot de bloem behoren echter ook de meeldraden. De sparren plaatsen die op aparte, veel kleinere, gelige kegeltjes. Je vindt deze stuifmeelkegels of meelkatjes in het voorjaar in grote massa’s aan de uiteinden van de twijgen. Ze doen je in de verte denken aan de sporenkegeltjes van de paardenstaarten.
Alleen al wanneer je tegen een twijgje tikt en wanneer het waait, trekken hele wolken stuifmeel door het bos. Dus zijn de sparren windbloeiers.
In sommige jaren kan het voorkomen dat de hele omgeving door dit stuifmeel geel bepoederd is. Wanneer de stuifmeelkegeltjes dan leeg zijn, vallen zij meteen af en liggen in het bos verspreid in het rond, verdroogd en bruin.

Twee kiemplantjes van de zilverspar. Hier staan de kleine kiemblaadjes net zoals de eerste naalden al mooi in een zesster .

De naaldbomen waartoe de sparren horen, zijn de eerste gewassen op de ontwikkelingstrap van het plantenrijk, die het stuifmeel en het zaad duidelijk onderscheiden. Omdat ze geen sporen meer vormen, moeten ze tot de bloeiplanten gerekend worden. Het beste kunnen ze zaad vormen; daarom zou je ze beter zaadplanten kunnen noemen. De lariks en de jeneverbes hebben zelfs sappige vruchten.

Iets belangrijks echter mag je niet vergeten, wanneer je aan de sparren denkt: het hars en de lekker ruikende olie van de naalden. Maak je een wond in een spar dan druppelt het hars eruit. In de lucht verhardt het tot barnsteen. In het hout, in de schors, ja zelfs in de groene kegels is het aanwezig, kortom de hele boom is ervan doordrongen. Het hars maakt dat het hout voortreffelijk brandt; de vlam krijgt er de helle schijn van. Bij de zilverspar komt het hars niet in het hout terecht, alleen maar in de schors; in het hout zitten andere stoffen, zoals terpentijn, dat ook brandbaar is. Samen met de vluchtige naaldolie geeft het de takken en twijgen een balsemachtige geur. Vooral wanneer je dit hout in het vuur gooit ruikt het heerlijk.
Een groot wonderlijk geheim zit in de geur van het hars en de aroma van de vluchtige naaldolie verborgen. Het is toch niet anders dan de veranderde, omgevormde bloemengeur die we daar waarnemen en de lichtkracht van de vlam is niets minder dan een bloem die in het inwendige van de boom vastgehouden wordt en nu naar buiten oplicht. We hebben al gezien dat de sparren bij al hun schoonheid en hun verhevenheid toch erg traag zijn, langzaam als de loop der sterren. Ze spelen het niet klaar kleurige kronen en geurige bloemen voort te brengen. Voor ze zover komen, zijn ze al aan het verhouten ten prooi gevallen en de bloemstoffen blijven in het hout, onder de schors en in de naalden steken. Je kunt ze met je ogen niet zien, deze betoverde bloemen en wil je ze desondanks aan het licht brengen, dan moet je het hout aansteken. Een hel oplaaiende vlam is de bloem van de naaldbomen. Zo staan ze voor ons, deze betoverde wezens en niemand begrijpt ze, die hun geheim niet kent.

Stil en zwijgend sparrenbos, we houden van je; wij vereren je en jij toont ons hoe geheimen van de hemel, verborgen in het innerlijk, toch helder en rein kunnen zijn.

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

25-23

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.