VRIJESCHOOL Grohmann – leesboek voor de plantkunde (20)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.74, hoofdstuk 20                                                                  alle hoofdstukken

 

DE ZILVERSPAR EN DE FIJNSPAR
Beide bomen zijn ons als woudbomen goed bekend, in het bijzonder in de bergen. De schors van de fijnspar, ook gewoon spar genaamd, is in tegenstelling tot de zilvergrijze gladde bast van de zilverspar, roodbruin gekleurd en ruw.
Wanneer je een sparrenbos inloopt, krijg je een heel ernstig gevoel. Je voelt je door een grote rust omhuld en je kunt zelfs niet anders dan je voorstellen dat dit bos er altijd al geweest is, zo oud lijkt het wel. Het ruisen van de sparrenbossen is het zingen van de eeuwigheid. Rechtlijnig en gelijkmatig streven de zuilachtige stammen omhoog. In het bijzonder bij oude bomen treden de stammen steeds duidelijker op de voorgrond.
Wanneer er een loofboom in een naaldbos staat, valt deze door zijn totaal andere takken duidelijk op, ook wanneer hij geen bladeren heeft. Hij vertakt zich en splitst zich in twijgen naar boven toe, als het bloedvatenstelsel in het menselijk lichaam, terwijl bij de spar één stam van de wortel tot de boomtop naar boven reikt. Zijn takken steken naar opzij uit en lijken precies op een paardenstaart in verdiepingen geordend. Daar moeten toch bijzondere krachten in de aarde hun invloed doen gelden; dat deze zo’n gelijkmatige zuilenstam opricht.

Al wanneer je de heel jonge boompjes bekijkt die je vaak onder de oude bomen vindt of die de bosbouwkundige op de kweekbedden of in kwekerijen uit zaden wint, kun je je verbazen over de regelmaat waarmee ze gebouwd zijn. Kijk je er vanboven op, dan neem je een ster waar; zo staan de takken ten opzichte van elkaar; die lager zitten, vormen a.h.w. steeds een kruis met die hoger zitten. Alsof de passer eraan te pas is gekomen, zo is het bij de zilverspar. Denk je er eens over na waar je deze vormen eerder hebt gezien, dan kom je bij de sneeuwvlokken uit. Zo is het dus met de sparren; ze bootsen sterren na en willen net zo gevormd zijn als sneeuwvlokken.
Sterrenbomen zijn het, deze sparren en de gladde stammen streven omhoog naar de sterren.

De sparren hebben hun grote rust en plechtigheid van de rustig langs de hemel gaande sterrenbeelden. Wat een prachtig gezicht wanneer een boom eens helemaal al zijn takken naar alle kanten vrij ontplooien kan. De zon daarentegen, die zomer en winter op de aarde veroorzaakt, heeft niet dezelfde invloed op sparrenbomen als op loofbomen, daarom behouden de sparren ook hun naalden verschillende jaren lang, ze blijven ‘s winters groen en laten hun vruchten, de sparrenkegels, niet in één jaar rijp worden. De naalden zijn de bladeren van de spar. Maar deze naalden zijn in een andere vorm veranderd. Alleen de middennerven zijn overgebleven, terwijl het bladoppervlak samengetrokken is. De naaldbladeren kunnen zich ook niet zo uitbreiden als bij de loofbomen. In het begin kun je nauwelijks geloven dat de sparren tot de bloeiplanten behoren, omdat ze geen bloemen hebben, net zo min als groene bladeren. Ze zetten, wanneer ze willen bloeien en vruchtdragen, eenvoudigweg nog een keer een klein boompje op hun takken, want iedere sparrenkegel is niet anders dan een klein boompje met een stammetje, de spil in het midden.

Schub van een kegel van de fijnspar. Je ziet de twee zaadjes met de vleugeltjes erop liggen.

Daaromheen vind je de schubben in wonderlijke schuine rijen, net als visschubben, geordend. Zo simpel gaat het nog bij de sparren en zo langzaam gaat hun ontwikkeling, dat ze er niet eens toe komen hun zaden in een stengeltje of een zaaddoosje te doen.  Ze leggen ze eenvoudig op de schubben, steeds twee naast elkaar. Deze zaden hebben vleugels. Neem je een tak die sparrenkegels draagt mee naar huis en je legt die een paar dagen lang in een verwarmde kamer, dan drogen ze uit en de schubben spreiden zich uit. Wanneer je ze dan optilt en schudt, zie je iets vrolijks, want onder de schubben dwarrelen honderden gevleugelde zaden tevoorschijn, als kevers of sprinkhanen. Dat daaronder die schubben vetrijke zaden zitten, weten de eekhoorntjes ook. Ze houden de kegels tussen hun voorpoten vast, trekken de schubben eruit, de een na de ander, tot de spil over is. Die laten ze dan naar beneden vallen. De kruisbekken daarentegen, buigen de schubben met hun kruissnavels uit elkaar en maken ze kapot. Zo vinden deze vogels hun voedsel bij de sparren en hoe blij ze zijn hoor je wel, wanneer ze in zwermen door de wouden van de bergen scheren.
In de lente, wanneer de kegels maar een paar centimeter groot zijn, zien ze er bij de spar wonderbaarlijk donkerrood uit en staan daar als gloeiende kaarsen op de donkergroene takken. Wat een prachtig gezicht!
In deze staat moet je de kegels als bloeiwijze beschouwen. Later kleuren ze groen en worden ze groter en zwaarder. De spar heeft niet de kracht ze overeind te laten staan en ze kiepen om en hangen naar beneden. De zaden vallen eruit, zo lang de kegels nog aan de boom hangen. Dan vallen ze eraf.

Heel anders gaat het toe bij de zilverspar. Deze sterke en mooie boom laat zijn grote en zware kegels rechtop staan. Je ziet ze alleen veel minder vaak, omdat ze heel hoog bovenin staan. Ze vallen ook niet in z’n geheel naar beneden, zoals bij de spar, maar vallen aan de boom al als blaadjes uit elkaar. Daarom vind je de kegels van de zilverspar niet zo gauw.
Zo gaan de bloemen van de sparren langzaam over in vruchten, eenvoudig doordat ze groter worden en verhouten.
Alle naaldbomen, jeneverbessen en taxussen incluis, hebben zulke houtachtige vruchten, zo verhard zijn ze. Wie oplet kan vaststellen dat de sparren zeker niet elk jaar even krachtig bloeien en vruchtdragen. Er zijn echt uitgesproken sparrenjaren.
Tot de bloem behoren echter ook de meeldraden. De sparren plaatsen die op aparte, veel kleinere, gelige kegeltjes. Je vindt deze stuifmeelkegels of meelkatjes in het voorjaar in grote massa’s aan de uiteinden van de twijgen. Ze doen je in de verte denken aan de sporenkegeltjes van de paardenstaarten.
Alleen al wanneer je tegen een twijgje tikt en wanneer het waait, trekken hele wolken stuifmeel door het bos. Dus zijn de sparren windbloeiers.
In sommige jaren kan het voorkomen dat de hele omgeving door dit stuifmeel geel bepoederd is. Wanneer de stuifmeelkegeltjes dan leeg zijn, vallen zij meteen af en liggen in het bos verspreid in het rond, verdroogd en bruin.

Twee kiemplantjes van de zilverspar. Hier staan de kleine kiemblaadjes net zoals de eerste naalden al mooi in een zesster .

De naaldbomen waartoe de sparren horen, zijn de eerste gewassen op de ontwikkelingstrap van het plantenrijk, die het stuifmeel en het zaad duidelijk onderscheiden. Omdat ze geen sporen meer vormen, moeten ze tot de bloeiplanten gerekend worden. Het beste kunnen ze zaad vormen; daarom zou je ze beter zaadplanten kunnen noemen. De lariks en de jeneverbes hebben zelfs sappige vruchten.

Iets belangrijks echter mag je niet vergeten, wanneer je aan de sparren denkt: het hars en de lekker ruikende olie van de naalden. Maak je een wond in een spar dan druppelt het hars eruit. In de lucht verhardt het tot barnsteen. In het hout, in de schors, ja zelfs in de groene kegels is het aanwezig, kortom de hele boom is ervan doordrongen. Het hars maakt dat het hout voortreffelijk brandt; de vlam krijgt er de helle schijn van. Bij de zilverspar komt het hars niet in het hout terecht, alleen maar in de schors; in het hout zitten andere stoffen, zoals terpentijn, dat ook brandbaar is. Samen met de vluchtige naaldolie geeft het de takken en twijgen een balsemachtige geur. Vooral wanneer je dit hout in het vuur gooit ruikt het heerlijk.
Een groot wonderlijk geheim zit in de geur van het hars en de aroma van de vluchtige naaldolie verborgen. Het is toch niet anders dan de veranderde, omgevormde bloemengeur die we daar waarnemen en de lichtkracht van de vlam is niets minder dan een bloem die in het inwendige van de boom vastgehouden wordt en nu naar buiten oplicht. We hebben al gezien dat de sparren bij al hun schoonheid en hun verhevenheid toch erg traag zijn, langzaam als de loop der sterren. Ze spelen het niet klaar kleurige kronen en geurige bloemen voort te brengen. Voor ze zover komen, zijn ze al aan het verhouten ten prooi gevallen en de bloemstoffen blijven in het hout, onder de schors en in de naalden steken. Je kunt ze met je ogen niet zien, deze betoverde bloemen en wil je ze desondanks aan het licht brengen, dan moet je het hout aansteken. Een hel oplaaiende vlam is de bloem van de naaldbomen. Zo staan ze voor ons, deze betoverde wezens en niemand begrijpt ze, die hun geheim niet kent.

Stil en zwijgend sparrenbos, we houden van je; wij vereren je en jij toont ons hoe geheimen van de hemel, verborgen in het innerlijk, toch helder en rein kunnen zijn.

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

25-23

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

5 Reacties op “VRIJESCHOOL Grohmann – leesboek voor de plantkunde (20)

  1. Pingback: GROHMANN: LEESBOEK VOOR DE PLANTKUNDE-inhoud | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: WAT STAAT OP DEZE BLOG | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – PLANTKUNDE – spar | VRIJESCHOOL

  4. Pingback: VRIJESCHOOL – Plantkunde – planten (35) | VRIJESCHOOL

  5. Pingback: VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (29) | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s