.
De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]
MENS EN DIER
Nadat Steiner het motief van hoofd – borst – ledematen met de cirkels, het ronde en het stralende, nog een keer herhaalt, sluit hij dat a.h.w. af met het wijzen op lichaam, ziel en geest. [10-2] [10-3] [10-4]
En via ‘geest’ komt hij nu ook nog eens terug op het concilie van Constantinopel in 869, wat hij al deed in voordracht 3 [3-2]
Hij noemt daar een aantal gevolgen.
Blz. 156 vert. 151
Geist gibt es seit dem Jahre 869 für die vom Katholizismus ausgehende Kultur des Abendlandes nicht mehr. – Aber mit der Beziehung zum Geiste ist abgeschafft worden die Beziehung des Menschen
zur Welt. Der Mensch ist mehr und mehr in seine Egoität hineingetrieben worden. Daher wurde die Religion selbst immer egoistischer und
egoistischer, und heute leben wir in einer Zeit, wo man, ich möchte
sagen, wiederum aus der geistigen Beobachtung heraus die Beziehung
des Menschen zum Geiste und damit zur Welt kennenlernen muß.
Wer hat denn eigentlich die Schuld, daß wir einen naturwissenschaftlichen Materialismus bekommen haben? Daß wir einen naturwissenschaftlichen Materialismus bekommen haben, daran hat die Hauptschuld die katholische Kirche, denn sie hat im Jahre 869 auf dem Konzil von Konstantinopel den Geist abgeschafft. Was ist damals eigentlich geschehen?
Geest bestaat niet meer – sinds 869 – voor de van het katholicisme uitgaande cultuur van het Avondland. –
Maar met de afschaffing van de verbinding met de geestelijke wereld is ook de verbinding van de mens met de wereld afgeschaft. De mens is meer en meer op zijn ego teruggeworpen. Daardoor werd de religie zelf steeds egoïstischer, en tegenwoordig leven we in een tijd waarin we – laten we het zo uitdrukken – weer vanuit de geestelijke waarneming de verbinding van de mens met de geestelijke
wereld en daardoor met de wereld moeten leren kennen.
Wie is er eigenlijk schuldig aan, dat we een natuurwetenschappelijk materialisme hebben gekregen? Dat we een natuurwetenschappelijk materialisme hebben gekregen, is voornamelijk te wijten aan de katholieke kerk, want die heeft in 869 op het Concilie van Constantinopel de geest afgeschaft.
Omdat – zoals we zagen – de ledematen het meest ‘geest’ zijn – viel een begrip daarvoor weg en dat opende de weg naar ‘de mens als (hoger)* dier’.
Blz. 157 vert. blz. 152
Gerade indem die katholische Kirche dem Menschen verborgen hat die Natur
seiner Gliedmaßen, seinen Zusammenhang mit der Welt, hat sie verursacht, daß die spätere materialistische Zeit verfallen ist in die Idee, die nur für den Kopf eine Bedeutung hat, die sie aber für den ganzen Menschen anwendet.
Juist doordat de katholieke kerk voor de mens de ware aard van zijn ledematen, zijn verbinding met de wereld, heeft verborgen, is ze er de oorzaak van dat de latere materialistische tijd een gedachte koestert die alleen voor het hoofd geldt, maar door het materialisme voor de hele mens gehanteerd wordt. In wezen heeft de katholieke kerk het materialisme op het gebied van de evolutieleer gecreëerd
En dan:
Die katholische Kirche ist in Wahrheit die Schöpferin des Materialismus auf dem Gebiet der Evolutionslehre.
In wezen heeft de katholieke kerk het materialisme op het gebied van de evolutieleer gecreëerd.
GA 293/156
Vertaald/152
*In mijn jeugd was het zo: of je geloofde de Bijbel – de mens is door God geschapen, of je nam aan wat wetenschappelijk gemeengoed was: de mens stamt af van de dieren.
Toen ik naar de middelbare school ging, gebruikten we bij biologie een methode: ‘Leerboek der dierkunde – deel 1: de mens’.
Dat ‘afstammen van de dieren’ werd op zeker ogenblik meer specifiek ‘van de apen’.
Met het boek van Desmond Morris ‘De naakte aap – een zoölogische studie van het menselijke dier’ – werd in 1967 concreet wat al lang werd gedacht en uitgesproken.
(In 1931 duidde de Belgische dichter Raymond Herreman in het gedicht Euridice (1931) de mens al aan als ‘naakte aap’).
Ik was laatst in een restaurant waar ik op een kast dit beeldje aantrof:

En er zijn allerlei afbeeldingen te vinden in deze trant:
Maar in verschillende wetenschapsdisciplines is deze idee los gelaten en wordt nu aangenomen dat de afstamming van de mens veel eerder dan ‘na de chimpansee’ zich als een aparte tak afsplitste van een gemeenschappelijke voorouder.
Veel mensen denken dat de mens afstamt van de mensapen, zoals de chimpansee. Dat is echter niet waar. We delen weliswaar een voorouder, maar beide soorten hebben miljoenen jaren evolutie doorgemaakt. “Onze gemeenschappelijke voorouder was noch mens, noch chimpansee.”
Kennislink, maart 2023

Voor veel mensen is dit nog ‘de wetenschap’ over de afstamming van de mens, een soort gemeengoed dus.
Tegelijkertijd heeft de mening dat de mens een dier is, zich sterker en met meer overtuigingskracht verspreid.
Telkens kom je wel ergens tegen ‘de mens en de andere dieren’.
Soms twijfelend uitgesproken, soms met een een onwetenschappelijke zekerheid, zoals bij Trouw-columnist Jelle Reumer: ‘De mens is een dier. PUNT UIT!
Dan is het niet vreemd dat de grote verschillen die er tussen mens en dier bestaan, niet meer worden gezien. Deze zelfde Reumer zegt vervolgens: ‘‘Niets menselijks is de dieren vreemd. (…)’.
Wie zich verdiept in het mensbeeld dat in de Algemene menskunde verschijnt, of ruimer, in de antroposofie, ziet meteen dat mensen die de kreet ‘de mens en de andere dieren’ bezigen, alleen naar al datgene kijken wat hier ‘astraallijf wordt genoemd.
Het Ik – de geestelijke kern van de mens die bij de dieren ontbreekt – wordt niet gezien: de geest is immers al in 869 afgeschaft!
Nu kan ik me goed voorstellen dat als je – nog weinig wetend van de vrijeschoolpedagogie – laat staan de menskundige achtergronden – als nieuwe vrijeschoolleerkracht biologie, net afgestudeerd aan de universiteit, wel even moet slikken als je met die andere visie geconfronteerd wordt.
Stel je je ervoor open of kijk je meewarig naar een stelsel van gedachten dat door jouw studie al lang achterhaald lijkt te zijn…..
Voordracht 10 laat geen ruimte om je aan de de inhoud ervan te onttrekken:
Blz. 158 vert. blz. 152
Es geziemt insbesondere dem heutigen Lehrer der Jugend, solche Dinge zu
wissen. Denn er soll sein Interesse verknüpfen mit dem, was in der
Welt geschehen ist. Und er soll die Dinge, die in der Welt geschehen,
aus den Fundamenten heraus wissen.
Vooral de leraren in deze tijd zouden zulke dingen moeten weten, want zij dienen interesse te hebben voor wat er in de wereld gebeurd is. En zij dienen de ware
achtergronden van de gebeurtenissen in de wereld te doorzien.
Das ist aber notwendig, daß insbesondere der Lehrer, der sonst mit dem werdenden Menschen gar nichts machen kann, die Kulturtatsachen aus den Fundamenten heraus zu erfassen in der Lage ist. Dann wird er etwas in sich aufnehmen, was notwendig ist, wenn er aus seinem Inneren heraus durch die
un- und unterbewußten Beziehungen zum Kinde in der richtigen Weise
erziehen will.
Maar het is noodzakelijk dat vooral de leraren in staat zijn de ware achtergronden van culturele gebeurtenissen te doorgronden, anders kunnen ze met opgroeiende mensen niets beginnen. Wanneer de leraar zich in de achtergronden verdiept, dan zal hij iets in zich opnemen wat noodzakelijk is, wil
hij vanuit zijn innerlijk, via on- en onderbewuste verbindingen met het kind, op de juiste wijze opvoedend werken.
Over dit ‘vanuit zijn innerlijk, via on- en onderbewuste verbindingen’ heeft Steiner vaker gesproken.
Hij gebruikt dan dikwijls ook het woord ‘imponderabel’.
Zie Steiner over het imponderabele.
Hier vind je de meeste van die opmerkingen die er allemaal op neerkomen dat het van wezenlijk belang is voor de verhouding met je leerlingen hoe je over de opgroeiende mens denkt.
Dat is de mens als geestelijk wezen.
Dus niet een mens bij wie de geest ontbreekt.
Zoals het zo kernachtig in de morgenspreuk wordt verwoord:
‘(de wereld) waarin de mens, bezield, de geest een woning geeft.
De drieledige mens dus!
Denn dann wird er vor dem Menschengebilde die richtige Achtung haben.
Want dan zal hij werkelijk eerbied hebben voor de mens als schepping.
Er wird anders an dieses menschliche Gebilde herantreten, als wenn er nur so etwas wie ein besser ausgebildetes Viehchelchen, einen besser ausgebildeten Tierleib im Menschen sieht. Heute tritt der Lehrer im Grunde genommen, wenn er sich auch manchmal in seinem Oberstübchen Illusionen darüber hingibt,
er tritt mit dem deutlichen Bewußtsein vor den anderen Menschen hin, daß der aufwachsende Mensch ein kleines Viehchelchen, ein Tierlein ist und daß er dieses Tierlein zu entwickeln hat – etwas weiter, als es die Natur schon entwickelt hat.
Hij zal zich anders opstellen tegenover het bouwwerk van de mens dan wanneer hij in de mens alleen maar een soort beter ontwikkeld beestje ziet, een beter ontwikkelde diergestalte. De leraar van tegenwoordig stelt zich – hoewel hij wel eens in zijn bovenkamer de illusie heeft dat dat anders is – toch zo op, dat volgens hem de opgroeiende mens een klein beestje, een klein diertje is, en dat hij dit diertje moet ontwikkelen – iets verder dan de natuur al gedaan heeft.
Door Steiners mededelingen kunnen vrijeschoolleerkrachten tot die stemming geraken die hier wordt bedoeld.
Dat wil voor mij niet per definitie zeggen dat leerkrachten die deze gezichtspunten niet kennen, geen goede opvoeders en lesgevers zouden kunnen zijn. [Opspattend grind]
Evenals dat mensen die het standpunt huldigen dat ‘de mens ook een dier is’. per definitie hun medemens anders behandelen dan iemand die over ‘de kroon van de schepping’ spreekt.
Toch – en dat is een eigen ervaring – kunnen deze gezichtspunten je dieper doordringen van het gegeven hoe uniek ieder mens, dus ook iedere leerling is. Je kan nog meer recht doen aan het feit dat deze een individuele geest is/heeft, een volkomen uniek Ik waarvoor je als opvoeder moet zorgen.
Anders wird er fühlen, wenn er sagt:
Da ist ein Mensch, von dem gehen Beziehungen aus zur ganzen Welt, und in jedem einzelnen aufwachsenden Kind habe ich etwas, wenn ich daran etwas arbeite, tue ich etwas, was in der ganzen Welt eine Bedeutung hat. Wir sind da im Schulzimmer: in jedem Kinde liegt ein Zentrum von der Welt aus, vom Makrokosmos aus. Dieses Schulzimmer ist der Mittelpunkt, ja viele Mittelpunkte für den Makrokosmos. –
Hij (de opvoeder) zal heel andere gevoelens hebben, wanneer hij zegt: daar is een mens; van hem uit bestaan er verbindingen met de hele wereld; in ieder afzonderlijk kind dat opgroeit leeft iets – wanneer ik daaraan werk, dan doe ik iets wat betekenis heeft voor de hele wereld. We zijn in de klas. In ieder kind ligt een centrum van de wereld, van de macrokosmos uit gezien. Deze klas is het middelpunt, ja, er zijn hier vele middelpunten voor de macrokosmos
Er wird in dem Menschengebilde überall die Beziehungen zur großen Welt sehen.
Hij zal in de vorm van de mens overal verbindingen met de grote wereld
zien.
Denken Sie sich, lebendig das gefühlt, was das bedeutet! Wie da die Idee vom Weltenall und seinem Zusammenhang mit dem Menschen übergeht in ein Gefühl, welches durchheiligt alle einzelnen Vornahmen des Unterrichtes. Ohne daß wir solche Gefühle vom Menschen und vom Weltenall haben, kommen wir nicht dazu, ernsthaftig und richtig zu unterrichten. In dem Augenblick, wo wir solche Gefühle haben, übertragen sich diese durch unterirdische Verbindungen auf die Kinder.
Denkt u zich eens in, voelt u dat eens mee, wat dat betekent! Dat betekent dat daar de idee van het heelal en zijn verbinding met de mens overgaat in een gevoel dat alle afzonderlijke handelingen in het onderwijs tot heilige daden maakt. Zonder zulke gevoelens over de mens en de kosmos zullen we niet in volle ernst en op de juiste wijze kunnen onderwijzen. Zodra we zulke gevoelens hebben, worden ze via onderaardse verbindingen op de kinderen overgedragen.
Blz. 159 vert. 153
Gehen Sie in die Schule hinein nur mit egoistischen Menschengefühlen, dann brauchen Sie alle möglichen Drähte – die Worte -, um sich mit den Kindern zu verständigen. Haben Sie die großen kosmischen Gefühle, wie sie entwickeln solche Ideen, wie wir sie eben entwickelt haben, dann geht eine unterirdische Leitung zu dem Kinde. Dann sind Sie mit den Kindern eins. Darin liegt etwas von geheimnisvollen Beziehungen von Ihnen zum Schulkinderganzen. Aus solchen Gefühlen heraus muß auch das aufgebaut sein, was wir Pädagogik nennen. Die Pädagogik darf nicht eine Wissenschaft sein, sie muß eine Kunst sein.
Stapt u de school in met enkel egoïstische mensengevoelens, dan heeft u allerlei draden – woorden namelijk – nodig, om met de kinderen te communiceren.
Heeft u grote kosmische gevoelens, die opgeroepen worden door ideeën als die welke wij net ontwikkeld hebben, dan gaat er een onderaardse leiding naar het kind. Dan bent u één met de kinderen. Dat is een facet van de geheimzinnige verbindingen die er bestaan tussen u en de schoolklas. Wat wij pedagogie noemen, moet uit zulke gevoelens opgebouwd zijn. De pedagogie mag geenszins
een wetenschap zijn, ze moet een kunst zijn.
Andere plaatsen waar Steiner iets soortgelijks opmerkt:
Als Frage der übersinnlichen Welt an die sinnliche, so sollte eigentlich vor dem Gemüte des Lehrenden oder Erziehenden jedes Kind stehen.
In het gemoed van de leraar of de opvoeder zou eigenlijk ieder kind gezien moeten worden als een vraag van de bovenzinnelijke wereld aan de zintuiglijke wereld.
GA 296/70
Vertaald/81
( ) für ihn ist der einzelne Zögling ein Rätsel. Für ihn ist dasjenige, was im einzelnen Zögling sich auslebt, etwas, das mit jedem Tag, mit jeder Stunde lebendig gelöst werden muß.
Voor de vrijeschoolpedagoog is iedere leerling een raadsel; iets wat in iedere individuele leerling tot uiting komt en wat op een levendige manier elke dag, elk uur opgelost moet worden.
GA 297/136
Op deze blog vertaald/136
Denn durch die Geburt bringen wir aus der geistigen Welt unsere Anlagen mit. Jedesmal, wenn ein Mensch geboren wird, kommt eine Botschaft aus der geistigen Welt in die physisch-sinnliche Welt herunter.
Met de geboorte brengen wij uit de geestelijke wereld onze aanleg mee. Iedere keer, wanneer er een mens wordt geboren, komt er een boodschap uit de geestelijke wereld in de fysiek-zintuigelijke.
GA 297a/34
Op deze blog vertaald/34
Man soll sich nicht sagen: du sollst dies oder jenes in die Kinderseele hineingießen, sondern du sollst Ehrfurcht vor seinem Geiste haben. Diesen Geist kannst du nicht entwickeln, er entwickelt sich selber. Dir obliegt es, ihm die Hindernisse seiner Entwicklung hinwegzuräumen, und das an ihn heranzubringen, das ihn veranlaßt, sich zu entwickeln.
Je moet niet tegen jezelf zeggen: dit of dat moet je in de kinderziel naar binnen gieten, maar je moet eerbied hebben voor zijn geest. De geest kun je niet ontwikkelen, die ontwikkelt zichzelf. Het is je taak alles wat hem kan hinderen bij zijn ontwikkeling uit de weg te ruimen en hem bij te brengen wat hem in staat stelt zich te ontwikkelen.
GA 305/74
Vertaald/80
Wenn uns der Mensch in diesem Erdendasein das wertvollste Geschöpf der Götter ist, dann müssen wir vor allen Dingen fragen: Was haben die Götter in dem Menschen vor uns hingestellt? Wie haben wir dasjenige, was sie uns überlassen haben, hier auf Erden an dem Menschen zu entwickeln?
Als de mens in dit aardebestaan voor ons het waardevolste schepsel van de goden is, dan moeten we vooral vragen: wat hebben de goden in de mens voor ons neergezet? Hoe moeten we dat wat zij aan ons hebben toevertrouwd, hier op aarde aan de mens ontwikkelen?
GA 307/132
Vertaald/169
Er (der Lehrer) soll mit einer ungeheuren Ehrfurcht vor dem Kinde stehen und wissen: da ist ein Göttlich-Geistiges auf die Erde heruntergestiegen. Daß wir dieses wissen, mit diesem unser Herz durchdringen und von da aus Erzieher werden, darauf kommt es an.
De leerkracht moet een ongekende eerbied voor het kind hebben en weten: iets uit de goddelijk-geestelijke wereld is naar de aarde gekomen. Dat wij dit weten, tot ons hart laten doordringen en van daaruit opvoeder worden, daar komt het op aan.
GA 311/19
Op deze blog vertaald/19
Voordracht 10 sluit af met:
Die Pädagogik darf nicht eine Wissenschaft sein, sie muß eine Kunst sein. Und wo gibt es eine Kunst, die man lernen kann, ohne daß man fortwährend in Gefühlen lebt? Die Gefühle aber, in denen man leben muß, um jene große Lebenskunst auszuüben, die Pädagogik ist, diese Gefühle, die man haben muß zur Pädagogik, die feuern sich nur an an der Betrachtung des großen Weltalls und seines Zusammenhanges mit dem Menschen.
En waar bestaat er een kunst die men kan leren zonder voortdurend in gevoelens te leven? Maar de gevoelens waarin men moet leven, om die grote levenskunst die pedagogie heet uit te kunnen oefenen, deze gevoelens die men moet hebben ten behoeve van de pedagogie, die ontvlammen alleen wanneer men het grote heelal beschouwt en zijn verbinding met de mens
GA 293/156-158
Vertaald/151-153
*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner
[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
(Slechts een klein deel is daar nu oproepbaar. Voor het verkrijgen van een gratis scan: mail vspedagogie (voeg toe eraan vast) apenstaartje gmail.com)
Algemene menskunde: voordracht 10 – alle artikelen
Algemene menskunde: alle artikelen
Rudolf Seiner: alle artikelen op deze blog
Menskunde en pedagogie: alle artikelen
.
3551-3336
.
.
.
.