VRIJSCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 10 (10-3)

.

Enkele gedachten bij blz. 148-161 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

De borst

Het hoeft niet te verbazen dat Steiner veel over ‘de borst’ heeft gezegd, als deel van de lichamelijk bekeken drieledige mens. 
En dat weer vanuit vele gezichtspunten. En steeds vrijwel meteen in tegenstelling tot enerzijds het hoofd, anderzijds de ledematen.
Het is eigenlijk onmogelijk iets – in dit geval – over de borst duidelijk te maken, zonder de andere twee daarbij te betrekken.
Steiner maakt met deze methode waar wat hij bijv. op blz. 116 (vert) beweerde:

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.
GA293/113
Vertaald/116

En bijv. hier: Real lernt man die Dinge aber nur kennen, wenn man sie in der Welt wirklich aufeinander be­ziehen kann.

Je leert de dingen pas in hun realiteit kennen, wanneer je ze in de wereld reëel met elkaar in verband kan brengen.
GA 301/42  
Op deze blog  vertaald 42

Een goede oefening is om overal bij de opmerkingen over de borst jezelf steeds af te vragen waar een tegenstelling is te vinden en hoe die dan is bij het hoofd en/of de ledematen.

Vorm 

Wanneer ik nu van alles te berde breng, zijn dat geen ‘bewijzen’, maar in het ‘wijzen op’ kan er iets duidelijk worden van waar het in deze voordracht om gaat.

Dit ‘beetpakken’ van de borstkas(t) lukt niet zodanig als we dat bij het hoofd kunnen. Leggen wij onze handen om een hoofd, dan ervaren we dat we het min of meer omvatten. In dit opzicht kan je de borst niet omvatten – letterlijk niet – en hier word je al geconfronteerd met ‘de grotere bol’ die Steiner tekent:

De tegentellingen:

Blz. 152  vert. 148

Wir haben darauf aufmerksam gemacht, wie im wesentlichen die Kopfform die Form des Kugeligen ist, wie in dieser kugeligen Kopfform das eigentliche leibliche Wesen des menschlichen Hauptes liegt. Wir haben dann darauf aufmerksam gemacht, daß der Brustteil des Menschen ein Fragment einer Kugel ist, so daß also, wenn wir schematisch zeichnen, wir dem Kopfe eine Kugelform, dem Brustteil eine Mondenform geben und daß wir uns klar sind, daß in dieser Mondenform ein Kugelfragment, ein Teil einer Kugel enthalten ist. Daher werden wir uns sagen müssen: Wir können ergänzen die Mondform des menschlichen Brustgliedes. Und Sie werden nur dann dieses Mittelglied der menschlichen Wesenheit, die menschliche Brustform, richtig ins Auge fassen können, wenn Sie sie auch als eine Kugel betrachten, aber als eine Kugel, von der nur ein Teil, ein Mond sichtbar ist und der andere Teil unsichtbar ist. Sie sehen daraus vielleicht, daß in denjenigen älteren Zeiten, in denen man mehr die Fähigkeit gehabt hat als später, Formen zu sehen, man nicht unrecht hatte, von Sonne dem Kopf entsprechend, von Mond der Brustform entsprechend zu sprechen. Und wie man dann, wenn der Mond nicht voll ist, von dem Mond eben nur ein Kugelfragment sieht, so sieht man von dem menschlichen Mittelgliede in der Brustform eigentlich nur ein Fragment. Daraus können Sie ersehen, daß die Kopfform des Menschen hier in der physischen Welt etwas verhältnismäßig Abgeschlossenes ist. Die Kopfform zeigt sich physisch als etwas Abgeschlossenes. Sie ist gewissermaßen ganz dasjenige, als was sie sich gibt. Sie verbirgt am allerwenigsten von sich.
Der Brustteil des Menschen verbirgt schon sehr viel von sich; er läßt ctwas von seiner Wesenheit unsichtbar. Es ist sehr wichtig für die Erkenntnis der Wesenheit des Menschen, das ins zu fassen, daß vom Brustteil ein gut Stück unsichtbar Ljnd so können wir sagen: Der Brustteil zeigt uns nach der Seite, nach rückwärts, seine Leiblichkeit; nach vorwärtst er in das Seelische über. Der Kopf ist ganz Leib; der Drustteil des Menschen ist Leib nach rückwärts, Seele nach vorwärts. Wir tragen also einen wirklichen Leib nur an uns, in- dem wir unser Haupt auf den Schultern ruhen haben. Wir haben an uns Leib und Seele, indem wir unsere Brust heraus- gliedern aus dem übrigen Brustteil und sie durcharbeiten, durchwirken lassen von dem Seelischen.

We hebben erop gewezen∘ dat de vorm van het hoofd in essentie die van de bol is, en dat deze bolle vorm van het hoofd het eigenlijke, lichamelijke wezen van het menselijk hoofd uitdrukt.


Vervolgens hebben we erop gewezen dat de borst van de mens een fragment van een bol is, zodat we dus — wanneer we het schematisch tekenen — het hoofd een bolle vorm en de borst de vorm van een maansikkel kunnen geven en het ons zodoende duidelijk is dat deze maansikkel een fragment, een deel van een bol is. Met andere woorden, we kunnen de sikkelvorm van de menselijke borst completeren. En u zult dit middengebied van het wezen van de mens, de vorm van de borst, slechts dan op de juiste wijze zien, wanneer u ook dit als een bol beschouwt — maar dan als een bol waarvan slechts een gedeelte, een sikkel, zichtbaar is en waarvan het andere gedeelte onzichtbaar is.

Daaraan kunt u wellicht zien, dat men in vroeger tijd, toen men meer dan later het vermogen had vormen te zien, geen ongelijk had, wanneer men zei dat de vorm van het hoofd overeenkomt met de zon

en de vorm van de borst met de maan. En zoals men ook slechts een fragment ziet van de maan, wanneer ze niet vol is, zo ziet men in de vorm van de borst eigenlijk slechts een fragment van het middengebied van de mens.

U ziet dus dat het hoofd van de mens hier in de fysieke wereld een tamelijk voltooide vorm heeft. De vorm van het hoofd manifesteert zich fysiek als iets voltooids. Ze is als het ware helemaal zoals zij zich voordoet. Ze verbergt het minst van zichzelf.

Het borstgedeelte verbergt al heel veel van zichzelf; het laat een deel van zijn wezen onzichtbaar. Voor het inzicht in het wezen van de mens is het zeer belangrijk voor ogen te houden, dat een groot stuk van het borstgedeelte onzichtbaar is. En zo kunnen we zeggen: het borstgedeelte toont aan de achterkant zijn fysieke verschijningsvorm, naar de voorkant gaat het over in de ziel.

Het hoofd is geheel en al lichaam;

de borst van de mens is naar achteren toe lichaam en naar voren toe ziel.

Het werkelijk lichamelijke aan ons is dus alleen het hoofd dat op de schouders rust.

We hebben lichaam en ziel doordat we in onze borst, als afgezonderd deel van de gehele borst, de ziel opnemen en laten werken.

Hoewel dus de borstkas fysiek gezien een begrenzing heeft door de ribben, wijst Steiner hier met name op de ziel die hij schematisch met de cirkelvorm aangeeft.
M.i. kunnen of moeten we zelfs deze borstcirkel groter denken wanneer we over de ziel spreken.
Via de zintuigen – voornamelijk bij het hoofd horend – komt de wereld bij ons binnen en we kunnen die wereld vasthouden door de beelden die we ervan maken. We hoeven maar één keer ergens geweest te zijn en de mogelijkheid bestaat dat iets zo’n indruk op ons heeft gemaakt, dat we de voorstelling daarvan ons leven lang meedragen. We hoeven op die plaats nooit meer te komen – we zijn er door onze voorstelling telkens als we willen.
Maar zoiets kan bijv. niet worden gezegd over onze adem. Die kunnen we niet vanaf een bepaalde plaats in ons bewaren en er een leven lang over beschikken. Telkens zijn we met ons ademen gebonden aan de grote ruimte om ons heen waar ‘de lucht’ zich bevindt. 
We staan in verbinding met iets wat in een veel grotere cirkel om ons heen is.
Nu is dit nog het fysieke vlak.

Zien we de borst als de fysieke drager van ons gevoel, door de organen hart en longen, dan blijkt de cirkel ook veel groter te zijn.
De invloed van het fysieke roffelen op de borst door het alfamannetje op de apenrots, betekent iets tot in de wijde omtrek waar tot op grote afstand rekening mee wordt gehouden,

In GA 208 bijv. spreekt Steiner duidelijk over een verbinding van de rompmens met ‘het kosmische’ – dus de grotere cirkel.

GA 208  blz. 22

Zwischen dem, was wir sind als irdische Wesen, gemildert durch das Kosmische, was wir sind als kosmisches Wesen, gemildert durch das Irdische, zwischen beiden liegt der Rumpfesmensch.

Tussen wat we zijn als aards wezen, afgezwakt door het kosmische, wat we zijn als kosmisch wezen, afgezwakt door het aardse, tussen die twee bevindt zich de rompmens.
GA 208/22  
Niet vertaald

En even verderop in GA 293:

blz. 153  vert. 150

Beim Brustteil ist ein Stück von der Peripherie übriggeblieben.

Bij het borstgedeelte is een stuk van de periferie overgebleven.

( ) Het hoofd heeft zijn middel­punt ergens in zichzelf: een concentrisch middelpunt.

Blz. 156  vert. 153

Nicht hat in der Mitte der Kugel die Brust ihren Mittelpunkt die Brust hat den Mittelpunkt sehr weit weg. Das ist hier in der Zeichnung nur fragmentarisch angesetzt, denn es wäre sehr groß, wenn es ganz gezeichnet würde. Also weit weg hat die Brust den Mittelpunkt.

De borst heeft haar middelpunt niet in het midden van de bol; het middelpunt van de borst is heel ver weg. Dat is hier in de tekening slechts fragmentarisch weergegeven, want het zou een heel grote tekening worden, wanneer alles erop zou moeten staan. [En dan nogmaals!: De borst heeft een middelpunt dat heel ver weg is.

Blz. 157-158    vert. 154

Nun könnte man auch noch eine andere Zeichnung vom Menschen machen. Man könnte sagen: Der Mensch ist zunächst eine riesengroße Kugel, die die ganze Welt umfaßt, dann eine kleinere Kugel, und dann eine kleinste Kugel. Nur die kleinste Kugel wird ganz sichtbar; die etwas größere Kugel wird nur zum Teil sichtbar; die größte Kugel wird nur in ihren Einstrahlungen am Ende hier sichtbar, das übrige bleibt unsichtbar. So ist der Mensch aus der Welt heraus gebildet in seiner Form.

Nu zou men ook nog een andere tekening van de mens kunnen maken. Men zou kunnen zeggen: de mens is in de eerste plaats een reusachtige bol, die de gehele kosmos omvat; vervolgens een kleinere bol en een nog kleinere. Alleen de kleinste bol wordt geheel zichtbaar; de grotere bol wordt slechts ten dele zichtbaar; de grootste bol wordt alleen zichtbaar aan de uiteinden van de stralen – de rest blijft onzichtbaar. Zo heeft de mens vanuit de kosmos zijn vorm gekregen.

Inmiddels heeft Steiner gesproken over de metamorfose van verschillende botten.
Dat zal op deze blog in een apart artikel gebeuren.

Het thema: geslotener worden en zich meer openen – in Goethes metamorfoseleer het ‘ballen und spreizen’ – is hier weer terug bij het ‘lichaam’ – het uitgangspunt van voordracht 10.

Und wiederum im mittleren System, im Brustsystem, haben wir die Vereinigung des Kopfsystems und des Gliedmaßensystems. Wenn Sie das Rückgrat mit den Ansätzen der Rippen betrachten, so werden Sie sehen, daß das der Versuch ist, sich abzuschließen nach vorne. Nach rückwärts ist das Ganze abgeschlossen, nach vorne ist nur der Versuch gemacht des Abschließens; er gelingt nicht ganz. Je mehr die Rippen dem Kopfe zugeneigt sind, desto mehr gelingt es ihnen, sich abzuschließen, aber je weiter nach unten gelegen, desto mehr mißlingt es ihnen. Die letzten Rippen kommen nicht mehr zusammen, weil ihnen da entgegenwirkt diejenige Kraft, die dann in den Gliedmaßen von außen kommt.

We keren terug naar het middengebied, het borststelsel, waar het hoofdstelsel en het ledematenstelsel samengaan. Wanneer u kijkt naar de ruggengraat met de aanhechtingen van de ribben, dan zult u zien dat dat de poging is zich naar voren toe af te sluiten. Van achteren is het geheel afgesloten, naar voren toe is het bij een poging gebleven: het afsluiten lukt niet helemaal. Hoe dichter de ribben bij het hoofd liggen, des te meer lukt het hun zich af te sluiten, maar hoe verder ze naar onderen liggen, des te minder lukt het. De laatste ribben sluiten zich niet meer aaneen, aangezien ze daar tegengewerkt worden door de kracht die van buiten komt en in de ledematen leeft.

De laatste zin vraagt ook om een nadere verklaring, maar dat zou voor hier nu te ver buiten het onderwerp van voordracht 10 gaan.

Wanneer je onderstaande afbeelding ziet, mis je daarbij hoofd en ledematen. Die erbij denken, kan je het gevoel geven dat bovenaan – bij de atlas en de draaier – de verdichting vanuit de borst gezien, niet kleiner kan worden en de opening bij de valse ribben niet groter. 
Toch gaat het verdichten en het verruimen door, maar ineens op een ander niveau: de geslotenheid van het ‘ronde’ hoofd en de verwijding van de ribben die ‘ineens’ ledematen zijn. Dit ‘ineens’ is de metamorfose.
Tegelijkertijd is de afbeelding een prachtige illustratie van het middengebied, waarvan we steeds zeggen, dat dit het ritmische gebied is.

De voorzijde van de borst

De achterkant

De achterkant lijkt door zijn meer gesloten zijn dan de voorkant, de ‘dichtere’ kant. De meer materiële kant. Daar tekent Steiner dan ook de ‘maanvorm’. 
Die meer materiële kant is daardoor ‘aardser’ in zijn kwaliteit. Harder en minder kwetsbaar dan de voorkant. Met deze kant kunnen we ons ‘open’ stellen, we kunnen er iemand aan onze borst of ons hart drukken; met de andere kant keren we iemand de rug toe. 
Daarmee zien we de antipathie- en de sympathiekant, m.a.w. we ‘zien’ de ziel.

Zoals Steiner het hoofd met de zon vergelijkt, zo doet hij dat voor de borst met de maan. 
Hij zegt dat men dat ook ‘in oude tijden’ deed, maar daarvan heb ik nog geen voorbeelden gevonden.

In Algemene menskunde [10-1] heb ik de woorden over de dierkunde uit GA 294 geplaatst. 
Ik herhaal dat hier niet, behalve de passage over de romp en de maan:

Dann aber versuchen Sie, im Kinde die Vorstellung hervorzurufen, daß der Rumpf gewissermaßen ein Fragment des Kopfes ist. Versuchen Sie, das durch eine Zeichnung beim Kinde hervorzurufen, indem Sie ihm sagen: Der Kopf ist kugelförmig. Nimmst du ein Stück aus der Kugel heraus, indem du dies (das schraffierte Stück der Zeichnung) abschneidest und das andere zurückbehältst, so daß gewissermaßen der Mond zurückbleibt von der Sonne, dann bekommst du die hauptsächlichste Form des Rumpfes. – Es würde gut sein, wenn Sie aus Wachs oder geknetetem Teig eine Kugel formten, das schraffiert Angedeutete abschnitten und wirklich sphärisch den Mond zurückbehielten in seiner Gestaltung, damit Sie in dem Kinde wirklich eine solche Vorstellung von einem Kugelfragment für den menschlichen Rumpf hervorrufen. 

Dat roept namelijk tegelijkertijd gevoels- en wilselementen wakker, want het kind gaat het hoofd kunstzinnig, als bolvorm, zien. Dat is belangrijk. Daardoor spreekt u de hele mens aan en niet alleen zijn intellect. En dan probeert u bij de kinderen de voorstelling op te roepen dat de romp in zekere zin een fragment is van het hoofd. Probeert u dit met behulp van een tekening te doen en zegt u dan: ‘Het hoofd heeft de vorm van een bol. Neem je een stukje weg uit de bol door dit [het gearceerde deel van de tekening] eraf te snijden en de rest weg te laten, dan hou je als het ware de maan over van de zon en heb je in grote lijnen de vorm van de romp.’ Het zou goed zijn als u uit was of brooddeeg een bol zou vormen en dan het gearceerde deel van de tekening eraf zou halen, zodat u werkelijk een sferisch maantje overhoudt. Dan roept u in een kind werkelijk de voorstelling op dat de romp van de mens een deel van een bol is. 

Steiner hecht er belang aan dat wij de mens door de kinderen kunstzinnig laten ervaren en spoort ons aan ‘de maan’ als ‘romp’ te boetseren door in de bol, ‘de zon’ een stuk weg te halen. 
Dat kan met klei of brooddeeg en met bijenwas kun je zelfs met kleur werken. Het zijn suggesties.
Ik heb dat in al mijn 4e klassen gedaan. Je kunt er nog bepaalde gezichtspunten bij in de praktijk brengen, al hoeft dit niet. Ik heb het hoofd weleens uit blauwe bijenwas gemaakt – blauw als kleur van ‘het koele’ dat bij de functionaliteit van het hoofd hoort als het ‘koele’ denken. Geel voor de stralende ledematen en groen als midden tussen blauw en geel.
Toen ze klaar waren, zeiden kinderen altijd: ‘net baby’tjes’.
En als je de tekening uit de voordracht een slagje draait, ziet dat er inderdaad als een liggend mens uit:
dierkunde Steiner 5

Die indruk wordt nog versterkt als je naar de ligging van een embryo kijkt:

dierkunde embryo 1

Foetus op het einde van de 3e maand, 75 mm lang. Je ziet de figuur weer waarover in de voordracht wordt gesproken. [4.1]
Embryo in week 5. Ook hier valt de ‘maan’vorm op. [4-2]

 

Voor een beschouwing over de ledematen zie [10-4

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] Blechschmidt, E. ‘Vom Ei zum Embryo’ 1968, Stuttgart

 

Algemene menskunde: voordracht 10 alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2355

 

Wat op deze blog staat

.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.