VRIJESCHOOL – 4e klas – aardrijkskunde (8)

.
Ooit uitgegeven door Buro Schoolbioloog Groningen

.

Als je een aanleiding hebt om over Drenthe meer te vertellen, is deze informatie heel nuttig.
Die kan ook van pas komen, als je bv. met een hogere klas op kamp gaat naar Drenthe.

Heel lang geleden

Zo’n 20 miljoen jaar geleden maakte “Drenthe” – met andere delen van Nederland en de Noordzee – deel uit van een gebied, waarin rivieren uit Midden-Europa zand en slib brachten.

Tijdens één van de ijstijden – 200.000 jaar geleden – schoven enorme ijsmassa’s langzaam naar het zuiden tot in ons land. Van de rotsen van Scandinavië braken grote stukken af, die als grote zwerfstenen meekwamen met het ijs. Ook door het ijs fijngemalen stenen en gruis werden in grote hoeveelheden voor het ijs uitgeduwd. Toen het ijs eindelijk ging smelten, bleef dat puin als lage heuvels in het landschap achter (o.a. de Veluwe). In “Drenthe” kwam vooral keileem onder de smeltende gletsjers vandaan. Keileem lijkt wel wat op stopverf: je kunt het kneden en het laat geen water door. Al het smeltwater kon door die keileem niet in de “Drentse” bodem wegzakken, maar vloeide naar de kanten van “Drenthe” af; in die natte, lage delen zijn later vooral veenmoerassen ontstaan: de Veenkoloniën.

Na deze ijstijd waar wij het net over hadden, kwam er een warmere periode, maar …. die werd weer gevolgd door nog een ijstijd (70.000 – 10.000 jaar geleden).

Toen kwamen de gletsjers niet tot in Nederland, maar het was wel zo koud, dat er geen bomen meer konden groeien. Het hele jaar door was de bodem bevroren; alleen ’s zomers ontdooide de bovenste 50 cm. en dan was de aarde bedekt met mossen en bloemen. Zo’n landschap noemen we een toendra; je vindt dat nu nog in Noord-Rusland en in Lapland.

Toen leefden hier grote dieren als mammoeten en wolharige neushoorns, waar jacht op gemaakt werd.

Tjerk Vermaning vond o.a. vuistbijlen van Drentse Neanderthalers, die hier 50.000 jaar geleden geleefd hebben! We weten ook, dat er 15.000 jaar geleden rondtrekkende rendierjagers geweest zijn, die in tenten leefden. Alles wat ze nodig hadden, kregen ze van het rendier: huiden voor tenten en kleding, beenderen voor wapens, vlees om te eten.
In het laatste deel van deze ijstijd was het zo koud en droog dat er veel zand door de wind verplaatst werd: zo kwam er in “Drenthe” een laag dekzand over de keileem.

10.000 jaar geleden werd het langzaam weer warmer en zo is het gebleven. De toendra ontdooide en er begonnen dichte bossen te groeien, eerst met berken, later met dennen en nog weer later kwamen ook andere boomsoorten. Het klimaat was ondertussen veel vochtiger geworden; eeuwenlang regende het. In de laag gelegen delen rondom “Drenthe” ontstonden grote moerassen van riet, zegge en veenmos. ’s Zomers groeiden die planten snel; ’s winters verrotten ze niet zo goed; het volgende jaar groeiden er dan weer nieuwe planten bovenop. Zo ontstonden dikke lagen halfvergane plantenmassa’s, die we nu veen noemen. Het Boertangerveen was een heel groot moeras, waar eeuwen later – toen het veen turf geworden was – turf gestoken werd. Veenmoerassen zijn gevaarlijk. Als je denkt ergens te kunnen lopen, kun je wegzakken en stikken onder de plantenmassa’s. Tegenwoordig vinden we in Drenthe geen grote veenterreinen meer; de meeste zijn afgegraven, drooggelegd en veranderd in weilanden en akkers.

De mensen

Toen na de ijstijden grote bossen op de drogere zandgronden begonnen te komen, trokken de meeste jagers weg. Er kwamen ongeveer 4000 jaar geleden (dus 2000 j. v. Chr.) andere mensen naar “Drenthe”; het waren eigenlijk boeren. Ze maakten open plekken in het bos door een stuk bos af te branden, waar ze akkers op aan legden. Ze hielden ook vee, eerst schapen en geiten en later ook koeien. Door deze mensen en hun dieren kwamen er steeds meer open plekken, maar het bos werd nog niet bedreigd. Deze mensen bouwden van grote zwerfstenen familiegraven, de hunebedden. Omdat zij hun doden allerlei gereedschappen, gebruiksvoorwerpen en zelfs sieraden meegaven in het graf, weten wij iets van hun leefwijze.

Die eerste hunebedbouwers leefden in het Stenen Tijdperk, d.w.z. dat zij hun gereedschap van hout en steen maakten. Later gebruikten ze ook brons en ijzer. Je begrijpt, dat de mensen uit de IJzertijd met hun ijzeren bijlen beter konden
hakken!

Langzaam maar zeker verdween er steeds meer bos. Als de grond niets meer opleverde, trokken de mensen verder en brandden een nieuw stuk bos af; het oude braakliggende stuk grond veranderde vaak in heide, in een zandverstuivinkje en soms ook wel weer in bos.

Eeuwenlang bleef “Drenthe” zo, dus met bossen en stukjes hei en zandverstuivingen. De bewoners hadden weinig last van invallen van andere volkeren, want “Drenthe” was door de omliggende veenmoerassen min of meer afgescheiden van de rest van Nederland. De boeren van “Drenthe” waren vrije mensen, die zich door niemand lieten overheersen.
In de Middeleeuwen wilde de bisschop van Utrecht die eigenwijze boeren onderwerpen. Met 400 gepantserde ridders trok hij in 1227 naar “Drenthe” om het te bezetten. Maar de boeren lokten de ridders het veenmoeras in, waar de paarden wegzonken! Na deze slag bij Ane (bij Coevorden) hadden de boeren eeuwenlang geen last meer van vreemdelingen.

De dorpen

Langzaam maar zeker groeide de bevolking. Steeds meer bos werd afgekapt, waardoor de heidevelden steeds groter werden. Vanaf ongeveer de Middeleeuwen werden de dorpen steeds op dezelfde manier gebouwd: de boerderijen lagen kriskras om een open ruimte, de brink. Vlak bij het dorp lag de es, een grote gemeenschappelijke akker, waar elke boer een stukje van had. Om de es was een rand van eikenhakhout, die de akkers beschermde tegen de vraat van wild en schapen; de schapen graasden nl. op de hei (het veld) buiten de es.

De hei werd door de schapen kort gehouden; jonge boompjes kregen geen kans op te groeien tot grote bomen, zodat de hei hei bleef en niet weer in bos veranderde. De schapen werden niet alleen gehouden om de wol en het vlees, maar vooral ook omdat zij mest leverden.

’s Nachts werden zij nl. in de potstal gehouden, waar zij hun mest op de met plaggen bedekte vloer lieten vallen. Die met plaggen vermengde mest kwam dan later op de es om die vruchtbaar te houden.

In de buurt van het dorp was een beek; langs de oevers daarvan was gras- en hooiland, de madelanden (denk maar aan een madeliefje, dat in de wei groeit).

De boerderijen

De Drentse boerderijen in zo’n oud dorp lijken wel vastgegroeid aan de aarde. Zij passen zo goed bij het landschap. Dat komt, omdat ze gemaakt zijn uit materiaal van de natuur. Het eikenbos zorgde voor hout.
De muren waren eerst van leem, later van steen. Het enorme dak was bedekt met riet, dat afkomstig was uit de rietmoerassen (o.a. N.¥.-Overijssel).

Door de “baander” konden de wagens zo met de oogst of het hooi naar binnen rijden; de baanderdeur stond altijd naar de weg gekeerd.

Drenthe, d’olde lantschap, verandert

Tot zo’n 100 jaar geleden bleef alles zoals het was: brinkdorpen met de es en daarachter de grote, onafzienbare hei.

De opkomst en het gebruik, van kunstmest veranderde het oude landschap echter snel: schapen waren als mestleveranciers niet meer nodig; ze verdwenen dan ook.
De Heide Mij. begon met de ontginning van de woeste gronden, dus van de hei. Dankzij de kunstmest werden de heidevelden omgetoverd tot akker-bouwland met (zand)aardappelen, rogge, haver, enz.

Op de wat meer vochtiger zand- en beekgronden kwam meer veeteelt met koeien. Door Staatsbosbeheer werden grote stukken hei bebost.

Het Drenthe van nu bouwt op landbouw, veeteelt, op een nog bescheiden industrie en recreatie.

We willen de heide houden

Er bleef van de vroegere onafzienbare hei maar weinig over. Toch is de hei een mooi landschap met een aparte planten- en dierenwereld, die we graag willen houden. Als we het beetje hei – dat er nu nog hier en daar is – aan zijn lot overlaten, weet je wat er gebeurt: langzaam maar zeker wordt het weer bos doordat vliegdennen en berkjes de hei “bevolken”. Het bos zal deze touwtrekwedstrijd tussen hei en bos niet winnen, als wij de hei een handje helpen. Hoe? Door op de grotere heidevelden weer schaapskudden te laten grazen, net als vroeger. Zij vreten dan de opslag van jonge boompjes op en … het bos krijgt geen kans! Wij kunnen op kleinere terreinen helpen door de jonge boompjes er uit te steken. Wij doen dan aan beheerswerk! Dat doen we graag, want Natuurbeheer = Natuurbehoud!

Wat er met de oude veenmoerassen gebeurde ….

Weet je het nog? Toen de gletsjers smolten, vloeide het smeltwater van het hogere Midden-Drenthe af naar de kanten; daar maakte dat smeltwater brede dalen, waarvan het water niet verder weg kon stromen en ook niet in de bodem kon wegzakken door de keileem.

Eerst ontstonden er uitgestrekte moerassen van riet en andere waterplanten; als die tegen de wintertijd stierven, vulden ze de plas telkens een beetje op. Zo werd in de loop van eeuwen de bodem jaarlijks met een ‘klein laagje halfvergane planten opgehoogd tot die plassen en dalen zo goed als dicht gegroeid waren.

Het waren laagveenmoerassen geworden, waarin een bijzonder plantje kon gaan groeien: het veenmos. Dat veenmos groeit nl. alleen in ondiep voedselarm water; en … het groeit maar door: het sterft van onderen wel af en wordt dan bruin, maar op dat dode laagje veenmos komt weer nieuw veenmos, in enorme massa’s bij elkaar. Zo ontstonden dikke lagen dode veenmosplanten, hier en daar soms wel 4 meter dik! Het veen van veenmos noemen we hoogveen, omdat het boven het grondwater uit groeit.

Door die sompige hoogveenmoerassen is Drenthe eeuwen lang moeilijk bereikbaar geweest. Wel hebben mensen reeds voor onze jaartelling houten wegen door de moerassen gemaakt, o.a. tussen Valthe en Ter Apel.

Pas in de Middeleeuwen begonnen kloosterlingen voor het eerst de troosteloze veengebieden te ontginnen; dat deden ze vanuit zandruggen, die hier en daar in de moerassen lagen. Op die zandruggen ontstonden langzamerhand dorpjes.

De keuterboertjes staken daar – vooral na 1700 – ook wel turf, dat als brandstof diende. Jaarlijks brandden ze een laagje veen van zo’n 50 cm. af om in de as ervan boekweit te kunnen zaaien. Boekweit was toen het belangrijkste volksvoedsel. Door die afbranderij was de lucht soms wekenlang verduisterd!
Na 1927 was het afgelopen met de verbouw van boekweit.

In de Gouden Eeuw was er naast grote rijkdom van bv. de Amsterdamse kooplieden ook grote armoede in de steden en op het platteland. De Amsterdamse patriciërs staken toen veel geld in de turfgraverij in de hoop daar ook flink aan te verdienen. Arme stedelingen en dorpelingen kwamen tegen een hongerloontje in dienst van de “Compagnieën”. Het eerst werden de venen bij Smilde en Hoogeveen “aan snee gebracht”. De veenarbeiders woonden in tenten of hutten, die later vervangen werden door eenvoudige stenen huisjes. Die huisjes kwamen langs de vaart te staan. De vaart was gegraven om de turf per schip via Meppel en de Zuiderzee naar Amsterdam te kunnen brengen. Nu nog steeds kun je de dorpen, waar zich destijds de kolonisten vestigden herkennen aan de lange lintbebouwing (bv. Smilde, Stadskanaal). Omstreeks 1900 was het meeste veen hier verturfd en vertrokken er vele turfstekers en kanaalgravers naar de oostelijke venen.

Er was nog al eens wat strijd geweest tussen Groningers en Drenten om deze veengebieden. Stadhouder Willem Lodewijk liet daarom in 1645 door landmeter Jan Sems rechte grenslijnen trekken, maar toch bleef er strijd tussen de Drenten en o.a. de bewoners van Veendam en Wildervank.

De grote vervening in de Drents-Groningse gebieden kwam pas nadat de Groningers in 1817 het 50 km. lange Stadskanaal hadden gegraven. De schepen konden dan de turf via dit kanaal weer naar de stad afvoeren; wel moest er o.a. brug- en weggeld betaald worden; verder verplichtten de Groningers zich om “monden” (= zijkanalen of wijken) te graven.

Nadat het veen ontwaterd was, werd de turf gestoken tot op de zandlaag eronder; men vermengde die met de bovenste veenlaag en na bemesting kreeg men dan prima dalgrond, waarop men vroeger rogge, haver en boekweit verbouwde. Nu verbouwt men in de veenkoloniën o.a. veel fabrieksaardappelen.

De venen rondom Emmen werden pas na 1850 ontgonnen, na het verlengen van de Hoogeveense Vaart en het Stadskanaal en het graven van het Oranjekanaal. Emmen groeide snel; in het trieste veengebied woonden de mensen in plaggenhutten en armoedige huisjes; er was veel drankmisbruik, vrouwen- en kinderarbeid.

Toen na de Eerste Wereld Oorlog de turfprijzen ook nog daalden, ontstond er grote werkeloosheid onder deze arme bevolking. Maar …. na Wereld Oorlog II kwam er voor deze mensen gelukkig werk in de industrie. Emmen is nu een moderne stad. 

De ontoegankelijke veenmoerassen zijn dus de laatste twee eeuwen eigenlijk pas afgegraven. Op het afgegraven hoogveen kwam in de Groninger veenkoloniën landbouw en … strokarton- en aardappelmeelfabrieken.

Hoewel ook in de Drentse veengebieden enige industrie kwam, vooral na Wereld Oorlog II, is de landbouw hier toch hoofdzaak.

Bossen in het Drentse landschap

Bomen worden oud, maar niet zo oud dat je nu nog berken of dennen kunt vinden uit de tijd na de laatste ijstijd (10.000 jaar geleden)! Nee, toen het klimaat later warmer en vochtiger werd, verdwenen deze boomsoorten; er kwamen andere voor in de plaats zoals eik, iep, linde, es en els. Toch nam de eik op de zandige bodem de belangrijkste plaats in.

In die eikenbossen maakten de Hunebedbouwers open plekken en na hen deden andere bewoners dat ook. De bossen werden dus steeds kleiner, maar de akkers én de heidevelden steeds groter!

Als je het verhaal over de heide op goed gelezen hebt, weet je dat op die hei alleen maar schapen liepen om mest te leveren aan de boeren, (in ± 1900 waren er in Drenthe nog zo’n 100.000 heideschapen, nu nog ongeveer 2000). Je weet ook, dat de boeren die mest na het uitvinden van de kunstmest niet meer nodig hadden. Nou, daar zaten we dan met onze heidevelden en zandverstuivingen die niets opleverden!

Gelukkig zagen de mensen in, dat we behalve akkers ook bos nodig hebben; het bos levert ons immers hout, waar we huizen mee kunnen bouwen, waar we meubels van kunnen maken en papier niet-te-vergeten. Bovendien zijn de bossen steeds belangrijker geworden voor de recreatie, voor de ontspanning: in de weekends en in de vakanties willen de stedelingen graag een frisse neus halen, een neus vol lekkere, gezonde, zuurstofrijke boslucht. Dat is heel wat anders dan de stank van uitlaatgassen en fabrieksrook!

Vanaf ongeveer 1900 ging de Heide Mij. de woeste gronden dus ontginnen. Een deel van de heide veranderde in akkerland, maar de Heide Mij. en Staatsbosbeheer plantten ook veel bos aan: denk maar aan de Staatsbossen van bv. Gieten en Borger. Die bossen zijn het eigendom van de Nederlandse Staat. Je kunt zeggen, dat iedere Nederlander – jij ook – eigenaar is van een heel klein stukje van al die bossen. Nou, en daar zijn wij met z’n allen natuurlijk zuinig op!

De aangeplante bossen bestaan vooral uit naaldbomen, die beter op de voedselarme zandgrond willen groeien dan bv. eiken en beuken. Bovendien groeien ze sneller en zijn dus ook eerder kaprijp. Eiken zijn pas na zo’n 100 tot 150 jaar geschikt om prachtig dikke balken te leveren. Men zegt daarom ook wel eens: “Boompje groot, plantertje dood”. 

De naaldbomen komen vaak uit andere delen van de wereld: de Douglasspar bv. uit Noord-Amerika, de lariks uit Japan. Veel dennensoorten komen uit de bergen van Oostenrijk en Duitsland; alleen de grove den kwam vroeger ook wel in het wild voor.

Om de bomen snel te laten groeien, werden ze dicht opeen geplant; de jonge boompjes groeien dan naar het licht en vormen op die manier rechte stammetjes. Natuurlijk moet zo’n bos telkens uitgedund worden om de bomen voldoende licht en voedsel te geven. De bomen, die er tussenuit gehaald worden, worden gebruikt als palen of voor het maken van papier.

Toch bestaat een bos niet alleen maar uit bomen. Onder de hoge bomen – vooral onder loofbomen – groeit een tweede etage van kleinere bomen en heesters zoals bv. hazelaar, lijsterbes, vogelkers. Daaronder vinden we kruiden als lelietje-van- dalen, salomonszegel, bosanemoon en niet te vergeten varens en mossen.

Van al die planten leven allerlei kleine en grote dieren van bladluizen, rupsen, torren en kevers tot eekhoorns, konijnen, reeën en wilde zwijnen! En .. zulke plantenetende dieren worden op hun beurt weer opgegeten door roofinsecten, vogels, roofvogels en roofdieren. We zeggen wel eens: het is eten en gegeten worden!

Zelfs op en in de bosbodem leven plantjes en diertjes. Het zou er voor de bossen niet best uitzien, als er bv. in de herfst geen plantjes (bacteriën, schimmels, paddenstoelen) en diertjes (pissebedden, miljoenpoten, wormen) waren, die het gevallen blad opruimen, opeten en omzetten in voedingsstoffen, die de planten weer nodig hebben voor hun groei.

Alle planten en dieren hebben elkaar op een of andere manier nodig, kunnen niet zonder elkaar leven: het bos is een levensgemeenschap.

 Vermelde planten en dieren:

Wulp  //zandhagedis //adder

Struikheide // veenpluis  //  brem //  jeneverbes //  dophei // bekertjesmos

.

[3-4] Ellert en Brammert

4e klas: aardrijkskunde: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Plantkunde: alle artikelen

Dierkunde: dierkunde alle artikelen

.

3554-3338

.

.

.

.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.