.
Soms lijkt het in dit artikel dat de auteur van concrete vormen uitgaat die er in de wereld zijn te vinden en dat hij die als vormtekening gaat gebruiken. Maar overal blijkt dat hij dat niet echt doet, hij tekent niet na. Op de een of andere manier wil hij de kinderen vertrouwd maken met een vormenwereld en de aanpak die hij kiest, heeft m.i. alles te maken met het eersteklasmotief ‘recht en rond”, die hier ook ter sprake komen.
Iets anders is nog of je kinderen iets duidelijk moet maken met (hier) dwergen en elfen en engelen.
Zelf vind ik dat je deze ‘hogere’ en ‘lagere’ wezens niet zomaar moet gebruiken om iets van alledag aan te leren. Dan wordt iets wezenlijks tot een leuke verpakking. Daar komt nog bij dat je – wil je geloofwaardig overkomen (het imponderabele) m.i. zelf een bepaalde relatie tot deze wereld moet hebben.
Dr. Franz Brumberg, Hamburg, Erziehungskunst jrg. 4 nr 5 1930
Zuivere vormen in het eerste schooljaar
.
Zoals de beeldentaal van sprookjes de geestelijke voeding biedt die de verbeeldingskracht en het denkvermogen van het zevenjarige kind op de juiste wijze laat ontplooien, zo moeten ook ‘zuivere vormen’ aanvankelijk als beelden voor de ziel van het kind verschijnen. En zoals een sprookje pas werkelijk door het kind wordt opgenomen wanneer de geest door de beelden heen straalt, zo werken deze vormen pas op de juiste wijze in op de ziel van het kind wanneer het de onderliggende principes kan aanvoelen die ze van binnenuit hebben gevormd – het leven dat erin besloten ligt. Het heeft geen zin om lijnen en vormen op een abstracte, uiterlijke manier aan een zevenjarig kind te presenteren. De vormen moeten tot het kind spreken en hun geheime wetmatigheden via beelden onthullen. We moeten het kind de sleutel aanreiken die de wereld van zuivere vormen ontsluit. Deze sleutel is echter alleen te vinden door uit te gaan van de aard van het zevenjarige kind.
Het kind wil de krachten die deze zuivere vormen hebben gevormd niet via abstract denken ervaren; het wil deze vormgevende krachten juist met zijn gehele organisme beleven. Waar een volwassene het samenspel van krachten denkend kan volgen, moet het kind zich er actief aan overgeven. Zo luiden onze richtlijnen voor het leerplan schilderen en tekenen in het eerste schooljaar:
“Rechtheid en kromming” worden ervaren door het lopen van rechte en gebogen lijnen en door het plastisch met de hand in de lucht nabootsen van de vormen. Er wordt een innerlijk gevoel voor het ‘opvullen’ van de vormen ontwikkeld. Door banen zoals cirkels, ellipsen en lemniscaten te doorlopen – waarbij de krommingen al bewegend gestalte krijgen – en ze vervolgens te tekenen, ervaart het kind op elk punt een andere kwaliteit van kromming. Het leert de vormentaal begrijpen.
Wanneer het kind met zijn ledematen en zijn wil het innerlijke ritme van zuivere vormen volgt – een ritme dat zich openbaart in de afwisseling van toenemen en afnemen, van stijgende en dalende lijnen en vormen – dan zal de wereld van voorstellingen van het kind zich op natuurlijke en juiste wijze met deze ervaring verbinden. En hoewel de vorming van voorstellingen een proces van afsterven binnen het organisme inhoudt, willen er toch krachten in de gedachten van het kind stromen; krachten die het kind later door bewuste wilsdaden weer tot leven kan wekken.
Hieronder wil ik aan de hand van enkele voorbeelden schetsen hoe ik heb geprobeerd het kind in het eerste schooljaar vertrouwd te maken met zuivere vormen. Mijn aanpak was om te beginnen bij een beeld uit de natuur zelf, zodat de kinderen – via het gevoel – de grondstemming konden ervaren die door dit hele gebied heen klinkt. Ze moesten intuïtief aanvoelen hoe zuivere vormen uit kosmische krachten worden opgebouwd en hoe ze vervolgens weer oplossen en opgaan in de kringloop van het universele wordingproces. Op de dag dat ik met het werken aan zuivere vormen begon, was er net verse sneeuw gevallen. Veel kinderen hadden de sneeuwval buiten gezien; misschien hadden ze enkele vlokken op hun kleine handen opgevangen. Ze hadden waargenomen hoe de sneeuwsterren langzaam op hun huid smolten. “Hebben jullie ook gelet op de vorm van de sneeuwvlokken die uit de lucht naar beneden dwarrelden?”
Ik liet de kinderen naar het schoolbord komen, waar ze de vormen tekenden die ze hadden waargenomen. De meesten tekenden een zespuntige ster, al kwamen velen ook met andere vormen. Vervolgens zei ik: “Zie je, er vielen zilveren vlokken uit de hemel; je houdt ze in je handen totdat de warmte van je bloed ze doet smelten. Engelen hebben deze wonderlijke vormen gemaakt, en jullie konden getuige zijn van het werk van de engelen terwijl de sterren naar de aarde neerdaalden. Alles wat we zo dadelijk gaan ontdekken over lijnen, sterren en vormen, is voortgekomen uit het werken van hemelse krachten.” Vanuit deze stemming richtten we ons vervolgens op de zuivere vormen zelf. Mijn doel was om de stof vanuit twee invalshoeken te benaderen: ten eerste wilde ik de kinderen de rechte lijn en de kromme lijn laten ervaren; ten tweede wilde ik dat ze de polariteit van ‘binnen’ en ‘buiten’ zouden ervaren door middel van specifieke metamorfosen.
Wat betreft de ervaring van de rechte lijn en de kromme lijn zegt dr. Steiner het volgende in zijn cursus ‘Euritmie als zichtbare spraak’:
“Als je een rechte lijn hebt, is die lijn vanaf het allereerste begin volledig bepaald. Je hoeft slechts een klein stukje van die lijn te hebben en de hele lijn is als zodanig bepaald. De rechte lijn is iets waarvan de aard duidelijk bekend is.
De kromme lijn is er een die ons meevoert; men weet nooit precies wat het is of waarheen hij leidt.
In de euritmie is de rechte lijn de karakteristieke uitdrukking van het denken, terwijl de kromme lijn de karakteristieke uitdrukking van het willen is.”
Mijn doel was dus om de kinderen – door middel van de metamorfose van de rechte lijn en de kromme lijn – te laten ervaren hoe starheid oplost in leven, en hoe rustende denkkrachten transformeren tot dynamische wilskrachten. We gingen daarbij ongeveer uit van de volgende reeksen:

Het ligt voor de hand om de eerste vorm in verband te brengen met de vormgevende krachten van de wereld van gesteente en kristal. In kristalvormen komen altijd rechte lijnen voor. Wanneer kinderen deze lijnen lopen, ervaren ze: “Ik klim omhoog en omlaag.” Als dwergen zijn ze zo uit de diepten van de aarde opgestegen en hebben ze, al stampend op het ritme, hun weg over heuvel en dal gevonden. Wanneer deze rechte vorm vervolgens overgaat in een zwaaiende, golvende vorm, is de ervaring vergelijkbaar met de overgang van lopen naar rennen, of de opgang vanuit de levenloze wereld van gesteente naar de levende plantenwereld. De dwergen veranderen in zwevende elfen.
We kunnen het effect van deze vormen op het organisme van het kind het beste waarnemen door de rechtlijnige vormen te vergelijken met de gebogen vormen. Laten we bijvoorbeeld de rechte vorm heen en weer lopen, of deze met de hand in de lucht tekenen. Er is een recht stuk, dan een scherpe bocht – die een kortstondige blokkade of stilstand kan veroorzaken – dan weer een stuk, dan weer een stilstand, enzovoort. Men ziet hoe de kinderen stijver worden naarmate ze deze vorm lopen; er gaat een verstijvende werking van uit. Bij de ronde vorm ervaren we iets heel anders: de ronde vorm zwaait naar buiten; hij bevrijdt het kind en werkt gunstig op het ademhalingsritme. Men zou ook kunnen zeggen dat de rechte vorm meer overeenkomt met de strakke maat (het metrum), terwijl de gebogen, ronde vorm correspondeert met het ritme. Daarom laat men de kinderen de eerste vorm met stampende passen lopen, terwijl ze de tweede vorm rennend en met een zwaaiende, vloeiende beweging afleggen. Bij de ronde vorm moet erop worden gelet dat de hele lijn in één doorlopende beweging wordt getekend. Bij de rechte vorm zal het kind in de bocht van nature even pauzeren om de nieuwe richting op te nemen. Bovenal echter moet men ronde vormen aanbieden aan kinderen die te stijf zijn, en hoekige, rechte vormen aan kinderen die concentratie missen. Zo onthult de vormentaal ons zowel de opgave als het effect. Ik wil graag een tweede voorbeeld noemen met rechte en gebogen lijnen.

Ook hier kan men de hoekige vorm associëren met de wereld van de dwergen en de ronde vorm met die van de elfen. Dwergen schrijden door donkere gangen de diepte van de berg in, op weg naar hun grot. Het rijk van de rots dwingt hen rechte lijnen te volgen. Het pad voert steeds dichter naar het doel. In het midden ligt de schatkamer, waar ringen van goud en zilver worden gesmeed. De spiraal hoort bij de wereld van de elfen. Elfen dansen rond een bloem. De ochtend nadert; de zon staat op het punt op te komen. De elfen moeten zich terugtrekken in de bloemkronen. Wat zich ’s nachts in wervelende cirkels over de weide verspreidt, trekt zich ’s ochtends samen tot steeds nauwere cirkels, totdat het in de kelk van de bloem glijdt.
Het effect van deze vormen is ongetwijfeld een van concentratie, al verschilt de aard van die concentratie sterk: bij het lopen van de hoekige vorm ervaart men hoe men steeds dieper in een proces van verstilling en stolling wordt getrokken; een verhardende werking maakt zich voelbaar. Bij de naar binnen draaiende spiraal ervaart men het concentrerende effect daarentegen als iets wonderbaarlijk ritmisch. Het zwaait het rijk van de geest in, net zoals de elfenwezens zich elke ochtend onderdompelen in de stroom van opwellend leven.
Deze dienen als voorbeelden van rechte en gebogen vormen; laten we ons nu richten op de polariteit van binnen en buiten. Ook deze speelt een uiterst belangrijke rol in de gehele natuur. We hoeven slechts te kijken naar hoe het skelet van ons eigen lichaam volgens deze polariteit is gevormd. Terwijl het hoofd, met zijn ronde, bolvormige gestalte, het firmament weerspiegelt, strekken de botten van onze ledematen zich uit van binnen naar buiten. Gedachten stralen van buiten naar binnen uit — waarvan het skelet van het hoofd een beeld
vormt — terwijl de menselijke wil van binnen naar buiten reikt, zoals tot uitdrukking komt in het skelet van de ledematen. De cirkel vormt echter het beeld van de harmonie tussen binnen en buiten. Hier zijn binnen en buiten harmonieus op elkaar afgestemd; de krachten die vanuit het centrum naar buiten stralen en de krachten die vanuit de periferie naar binnen stralen, houden elkaar in evenwicht.

Daarom is het zo belangrijk om kinderen herhaaldelijk te laten ervaren wat een kring is. Je laat ze in een kring lopen; je laat ze de kring al bewegend ontdekken door elkaars hand vast te pakken; je verbreekt de kring; je beweegt naar binnen en naar buiten; je vormt de kring opnieuw. Binnen de kring ervaart de hele klas zichzelf als één geheel.
Enkele voorbeelden kunnen dit illustreren:
Deze voorbeelden kwamen in vele variaties voor. Maar ik liet de kinderen de polariteit van binnen en buiten ook met andere vormen ervaren. We tekenden bijvoorbeeld een gelijkzijdige driehoek; alle hoekpunten, zijden en hoeken zijn op gelijke wijze op het middelpunt gericht. We houden alleen de drie hoekpunten vast. Als we nu de zijden naar binnen zwenken:

Ten slotte komen we bij de derde vorm; hier heersen de externe krachten over de interne.
De tegenbeweging begint:

Interne krachten overwinnen externe krachten.
Samenvattend:

Aan deze enkele voorbeelden – die eindeloos gevarieerd zouden kunnen worden – hebben we wellicht genoeg. Ze waren slechts bedoeld om te illustreren hoe ik heb geprobeerd kinderen uit de eerste klas vertrouwd te maken met de wereld van de zuivere vormen. Zoals de ervaring van het rechte en het gebogene het kind kan leiden tot een ervaring van het zelf – waarbij de rechte lijn de richting van het denken weerspiegelt en de gebogen lijn die van het willen – zo kan ook de ervaring van binnen en buiten zich nog dieper uitstrekken. Het zevenjarige kind is afgestemd op de harmonisering van het ademhalingsritme, en de opvoeder moet er zorg voor dragen dat dit ritme op de juiste wijze overgaat in het zenuw-zintuigleven. In de ademhaling ervaart het kind immers voortdurend de verbinding tussen binnen en buiten. Zo kunnen zuivere vormen – die op diezelfde ervaring berusten – bijdragen aan het harmoniseren van het ademhalingsritme.
Maar de ervaring van binnen en buiten reikt zelfs tot in het morele domein; de mens bestaat immers zwevend tussen het innerlijke en het uiterlijke. Vanbinnen spreken de wezens van de geestelijke wereld; vanbuiten nadert alles wat zich in de fysieke wereld openbaart. Het innerlijke en het uiterlijke verenigen, het licht van de geest in de duisternis van de aarde brengen – dat is waarachtig mens-zijn. En in die geest kan de uitspraak van dr. Rudolf Steiner –
“Wie graag leert, ontsteekt het licht van de geest voor het leven!”*
– een ware gids worden voor de ziel van het kind.
*Deze uitspraak is letterlijk niet in het werk van Steiner te vinden, wél zijn er uitdrukkingen die erop lijken. Waarschijnlijk heeft de auteur die samengevat.
.
1e klas: alle artikelen
Rudolf Steiner over vormtekenen: alle artikelen
Vormtekenen: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: 1e klas
.
3582-3375
.
.
.
.