.
.
Tussen fabriek en pedagogiek
Emil Molt was naar buiten gericht en onwankelbaar overtuigd van de kracht van het spirituele. Gedreven door een moedige intuïtie maakte hij in 1919 de oprichting van de eerste vrijeschool mogelijk, dankzij een bijzondere samenwerking tussen het personeel en de ondernemer. Op 14 april j.l. was het 150 jaar geleden dat hij werd geboren.
Een van de opmerkelijke aspecten van de sociale constellatie die leidde tot de oprichting van de Waldorfschool in 1919, is enerzijds het dringende verzoek om een nieuwe school van de kant van de arbeiders van een sigarettenfabriek, en anderzijds de onafhankelijke, parallelle stappen die voorafgaand daaraan waren gezet door de Stuttgartse ondernemer Emil Molt, die al maandenlang toewerkte naar de oprichting van een dergelijke school. Het is historisch uniek dat de basis voor de oprichting van een school – geworteld in een bijzondere sociale wisselwerking tussen het personeel en de ondernemer – in de eerste plaats gelegen was in een bedrijfsmatige onderneming.
De markante persoonlijkheid van Emil Molt kwam tot uiting in zijn indrukwekkende verschijning: “De kleine, gedrongen, gezette gestalte met een fraai gevormd, groot en kaal hoofd verraadde een man met een sterke wil. Zijn kleine blauwe ogen waren levendig en straalden een intelligente, doordringende en energieke blik uit. Zijn grote mond met dunne lippen en een krachtige kin gaven zijn zeer innemende gezicht een markant karakter.” [1]
Zijn positie binnen de kring van antroposofen van zijn tijd was net zo uniek als zijn verschijning. Hij bouwde niet alleen een bloeiend bedrijf met honderden werknemers op en leidde dit, maar was ook – zowel persoonlijk als maatschappelijk – diep geworteld in zakenkringen die tot ver buiten Stuttgart reikten; hij kende politici en alle prominente figuren uit het toenmalige openbare leven. Hij deelde hun zorgen en vreugden, sprak hun taal, was sociaal vaardig en maakte wezenlijk deel uit van hun wereld. Hij ging om met schrijvers en kunstenaars en nodigde hen vaak bij zich thuis uit. Een bijzondere vriendschap verbond hem met Hermann Hesse, een vriend uit zijn kindertijd in Calw. “Molt is die vermogende vriend bij wie ik […] te gast was en van wie ik in zekere mate afhankelijk ben vanwege leningen, terwijl hij mij erkent als intellectueel en kunstenaar […].” [2]
Molt had Hesse graag in Stuttgart gezien om hem te winnen voor steun aan zijn activiteiten aldaar.
Tegelijkertijd koesterde Molt, als antroposoof, een onwankelbaar en compromisloos geloof in de werkzaamheid van de spirituele wereld. Voor hem was kennis van deze spirituele wereld onlosmakelijk verbonden met de vraag hoe zijn eigen handelen – en zijn zelfbeeld als dienaar van deze impulsen – het mogelijk konden maken dat spirituele impulsen zich zouden manifesteren. Rudolf Steiner merkte bij diverse gelegenheden dankbaar op dat deze houding van Molt het voor hogere spirituele krachten mogelijk maakte om zich te verbinden met de oprichting van de school.[3]
Molt was in 1900 voor het eerst met de antroposofie en Rudolf Steiner in aanraking gekomen via de ondernemer José del Monte uit Stuttgart. Hij voelde zich bijzonder sterk verbonden met de antroposofen Adolf Arenson en Carl Unger uit Stuttgart. Hij beschouwde hun voortdurende, intensieve en buitengewoon gedegen spirituele arbeid als een onmisbaar fundament voor het succes van de praktische activiteiten in Stuttgart. “Er loopt een directe lijn van dit werk naar het feit dat juist in Stuttgart al in 1911 het eerste afdelingscentrum kon worden opgericht, gevolgd door de Waldorfschool en de beweging voor de sociale driegeleding in 1919. Het is zeker veelzeggend dat er zoveel actieve zakenmensen samenkwamen in de plaatselijke afdeling aldaar.” [4]
Evenzeer van belang voor de succesvolle oprichting van de Waldorfschool was het feit dat Molt de twee pionierende Waldorfleerkrachten al jaren kende uit antroposofische kringen. In 1909 maakte Molt deel uit van de groep mensen die aanwezig was bij de ceremoniële inwijding van het modelgebouw in Malsch, een project dat was gerealiseerd door de 21-jarige Karl Stockmeyer. Enkele maanden daarvoor was hij ook aanwezig geweest toen Herbert Hahn – destijds pas 18 jaar oud – Rudolf Steiner voor het eerst hoorde spreken in Heidelberg.
Moedige intuïtie
Hoewel hij zichzelf in de eerste plaats als zakenman zag, baseerde hij de belangrijkste beslissingen in zijn leven niet op kleingeestige financiële berekeningen; in plaats daarvan handelde hij vrijgevig, geleid door een moedige intuïtie die in spiritualiteit geworteld was. “De afdelingshoofden en adjunct-directeuren van de fabriek tikten veelbetekenend tegen hun voorhoofd wanneer ze – bij afwezigheid van de baas – spraken over zijn visionaire plannen om een school op te richten. Ik kan niet tellen hoe vaak ik dat gebaar destijds heb gezien.” [5]
Toch werd de gedurfde koers van Molt uiteindelijk met succes bekroond. Hij stelde aanzienlijke bedragen uit zijn privévermogen ter beschikking voor antroposofische initiatieven, wendde kapitaalopbrengsten uit zijn fabriek aan voor spirituele doeleinden en wist – dankzij zijn uitgebreide netwerk – ook financiering uit andere bronnen te verwerven. Hij beheerde enorme bedragen met persoonlijke bescheidenheid en een sterk besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid. In zijn fabriek stond hij bekend als “Vader Molt”; op school werd hij “Schoolvader” en “Beschermheer” genoemd; voor het Eerste Goetheanum trad hij op als de door Rudolf Steiner aangestelde beheerder; en hij vervulde leidinggevende functies bij de naamloze vennootschappen “Der Kommende Tag” in Stuttgart en “Futurum” in Zwitserland. Hij zag zijn rol als die van een schakel naar de “buitenwereld” en als facilitator bij het realiseren van antroposofisch geïnspireerde projecten.
“Men had de indruk dat een deel van zijn ziel – net als in een intense dagdroom – verdiept was in belangrijke plannen en fundamentele overwegingen.” [6]
Hij droeg de last van de verantwoordelijkheid moedig, maar moest talloze persoonlijke conflicten doorstaan en lange tijd machteloos toezien hoe de ondernemingen economisch achteruitgingen. Gezien zijn cholerische temperament vormde het beoefenen van de deugd van vertrouwen in sociale contacten – iets waartoe Rudolf Steiner hem bijzonder had aangespoord – een bijzondere uitdaging. Tot aan het einde van zijn leven hield hij zich intensief bezig met het mislukken van de beweging voor sociale vernieuwing en zijn eigen rol daarin; er bestaan talrijke, voorheen ongepubliceerde manuscripten van zijn hand over dit onderwerp.
De oprichting en bloei van de school vormden het absolute hoogtepunt van zijn levensverhaal. [7] De school vervulde het hart van een man die altijd bereid was te geven. Hij had alles – tot het uiterste toe – over voor de school, de leraren en de leerlingen; en als hij niets meer te geven had, bood hij op zijn minst dozen vol Waldorf-Astoriasigaretten aan.
Aan het einde van het eerste schooljaar, toen het lerarenkorps zijn dominante rol binnen de school probeerde in te dammen en hem degradeerde tot ‘adviseur financiële zaken’, was hij diep gekwetst – zozeer zelfs dat Rudolf Steiner als bemiddelaar moest ingrijpen. Zijn vrouw Berta – ‘de ziel van zijn leven’ – deelde in alle vreugdevolle en moeilijke momenten en steunde hem onvoorwaardelijk; zelf maakte ze deel uit van het lerarenkorps als lerares handwerken. Zijn zoon Walter bracht hem regelmatig in gênante situaties – en niet alleen door ijverig sigaretten uit te delen aan zijn klasgenoten. In de tiende klas besloot Walter van school te gaan, een stap die zijn vader onbegrijpelijk vond.
Onbevreesd stond hij in de voorste linie bij de verdediging tegen aanvallen op Rudolf Steiner – zoals de campagne onder leiding van generaal-majoor Gerold von Gleich. Al in december 1919(!) schreef Dietrich Eckart – de sinistere, inspirerende figuur achter Adolf Hitler – kritisch over Molt en de oprichting van de school:
“Wat een heksensabbat is dit! Er opent zich een wereld die de rillingen over de rug doet lopen. De goede ‘schoolvader’! Als hij nog lang doorgaat met deze ‘Steiner-affaire’, vrees ik dat hij op een broeierige zomernacht door de lucht naar de Brocken zal zoeven, met de ‘dokter in de zwarte kunsten’ aan zijn zijde.” [8]
Slechts vier maanden voor zijn dood, toen hij voorzitter was van de schoolvereniging, voerde hij een gesprek met Leo Tölke – vertegenwoordiger van de nationaal-socialistische ouderengroep aan de Freie Waldorfschule Uhlandshöhe – over de opheffing van de vereniging. Hij stelde:
“Je kunt niet zomaar beweren dat de Waldorfschoolvereniging een organisatie is die op een specifieke wereldbeschouwing is gebaseerd, enkel omdat enkele prominente figuren deel uitmaakten van het bestuur van de Antroposofische Vereniging. Je kunt de pedagogie immers niet losmaken van de antroposofie!”
Daarop vroeg Leo Tölke: “Gelooft u dat men antroposoof moet zijn om deze pedagogie in de praktijk te brengen?” Molt antwoordde: “Ja! Je kunt de pedagogie niet louter aan de oppervlakte imiteren. Ze kan alleen op de juiste wijze worden toegepast als men een antroposofisch leerkracht is. Zonder dat kan men deze pedagogie nooit werkelijk gestalte geven.” [9]
Ook hier toonde hij een voorbeeldige, heldere en moedige houding.
Tegen deze achtergrond verbaast de oproep van Herbert Hahn – die Molt goed kende uit eigen ervaring – ons niet: “Het zou […] binnen de gehele Waldorf-schoolbeweging een spirituele praktijk moeten worden om het beeld van Emil Molt, naast dat van Rudolf Steiner, levend te houden in het bewustzijn van zowel leerkrachten als leerlingen.”[10]

Voorste rij 3e van links, met hoed, Emil Molt
[1] Rudolf Grosse, Erlebte Pädagogik. Schicksal und Geistesweg. Verlag am Goetheanum, Dornach 1998, S. 37.
[2] Elke Schlösser und Tomas Zdrazil, Kindheits- und Jugenderlebnisse von Hermann Hesse und seine Freundschaft mit dem Schulgründer und Hesse-Mäzen Emil Molt. In: Hermann-Hesse-Jahrbuch, Band 16, 2023, S. 146.
[3] Zum Beispiel siehe: Rudolf Steiner, Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik. Rudolf-Steiner-Verlag, Dornach 1992, S. 18.
GA 293 vertaald Op deze blog zie: artikel
[4] Emil Molt, Entwurf meiner Lebensbeschreibung. Freies Geistesleben, Stuttgart 1972, S. 133.
[5] Herbert Hahn, Begegnungen mit Emil Molt. In: Erziehungskunst, 23. Jg., H. 9, 1959, S. 253.
[6] Ebd. S. 251.
[7] Emil Molt, a. a. O., S. 207.
[8] Eckart nach Tomas Zdrazil, Freie Waldorfschule in Stuttgart. Rudolf Steiner – das Kollegium – die Pädagogik. Edition Waldorf, Stuttgart 2019, S. 276 f.
[9] Dietrich Esterl, Emil Molt. 1876–1936. Tun, was gefordert ist. Meyer, Stuttgart 2012, S. 229 f.
[10] Herbert Hahn, a. a. O., S. 25.
In het Nederlands:
Sophia Christine Murphy ‘Emil & Berta Molt Oprichters van de eerste Vrije School’
In ‘Vrije Opvoedkunst‘
Algemene menskunde: alle artikelen
100 jaar vrijeschool: alle artikelen
Sociale driegeleding: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: alle beelden
.
3596-3389
.
.
.
.