Tagarchief: Emil Molt

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner in de vrijeschool (GA 298)

.

100 JAAR VRIJESCHOOL

Vandaag* is het 100 jaar geleden dat in Stuttgart ’s werelds eerste vrijeschool werd geopend.

De Waldorfschool – genoemd naar de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek – werd officieel geopend door de directeur van de fabriek, Emil Molt.

Hij hield onderstaande toespraak: 

afgedrukt in GA 298 [1] 

blz. 18

Sehr verehrte Anwesende! Liebe Kinder! Im Namen meiner Firma, der Waldorf-Astoria, heiße ich Sie alle von Herzen willkommen, die Sie hierhergekommen sind, um teilzunehmen an der einfachen, schlichten Eröffnungsfeier unserer Waldorfschule. Herzlich willkommen heiße ich besonders die verehrten Gäste und danke denselben für ihr Erscheinen und das dadurch bewiesene Interesse an unserem Unternehmen.
Meine sehr verehrten Anwesenden! Diese Gründung der Waldorf­schule ist nicht etwa entsprungen einer bloßen Marotte eines einzelnen, sondern der Gedanke wurde geboren aus der Einsicht in die Notwendig­keiten unserer heutigen Zeit. Es war mir einfach Bedürfnis, in Wahrheit die erste sogenannte Einheitsschule ins Leben zu rufen und dadurch einem sozialen Bedürfnis wirklich abzuhelfen, so daß künftighin nicht nur der Sohn und die Tochter des Begüterten, sondern auch die Kinder der einfachen Arbeiter in die Lage versetzt werden, diejenige Bildung sich anzueignen, die heute notwendig ist zum Aufstieg zu einer höheren Kultur.

Zeer geachte aanwezigen! Beste kinderen!
Uit naam van mijn bedrijf, de Waldorf-Astoria, heet ik u allen die hier naar toegekomen zijn om de eenvoudige bescheiden openingsceremonie van onze vrijeschool mee te maken, van harte welkom.

In het bijzonder heet ik welkom de geachte gasten en ik bedank hen voor het feit dat ze gekomen zijn en de daarmee getoonde belangstelling voor wat wij gaan beginnen.
Mijn zeer geachte aanwezigen! Deze stichting van de vrijeschool is niet voortgekomen uit een of andere gril van de een of ander, maar de gedachte werd geboren uit het inzicht in wat voor onze huidige tijd nodig is.
Het was voor mij nu eenmaal een behoefte daadwerkelijk de eerste zgn. scholengemeenschap in het leven te roepen en daardoor daadwerkelijk in een sociale behoefte te voorzien, zodat in de toekomst niet alleen de zoon en dochter van de beter gesitueerden, maar ook de kinderen van de eenvoudige arbeider de kans krijgen zich zo te ontwikkelen als vandaag nodig is om een hogere cultuur te bereiken.

In diesem Sinne ist es mir persönlich eine tiefe Befriedigung, daß es möglich war, diese Institution ins Leben zu rufen. Aber es genügt heute ja nicht, eine bloße «Einrichtung» zu schaffen, sondern es tut not, diese Einrichtung zu erfüllen mit neuem Geiste. Und daß ein solcher Geist erfülle diese Einrichtung, dafür bürgt uns die anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft, und ich fühle mich innerlich tief ver­pflichtet, an dieser Stelle innigen Dank auszusprechen demjenigen, der uns diese Geisteswissenschaft vermittelt hat, unserem verehrten Herrn Dr. Rudolf Steiner. Aber ich danke auch der Behörde, welche es uns ermöglicht hat, mit dieser Einrichtung ins Leben zu treten, so daß wir heute in der glücklichen Lage sind, unsere Gedanken wirklich in die Tat überzuführen.

Wat dit betreft is het voor mij bijzonder bevredigend dat het mogelijk was, deze instelling in het leven te roepen. Maar tegenwoordig is het niet genoeg om alleen maar een ‘inrichting’ te maken, maar nodig is deze inrichting te vullen met een nieuwe geest. En dat een dergelijke geest deze inrichting kan vullen, daarvoor staat de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap garant en ik voel mij innerlijk diep verplicht op deze plaats mijn diepgemeende dank uit te spreken aan degene die ons deze geesteswetenschap meegedeeld heeft, onze geëerde heer doktor Rudolf Steiner. Maar ik dank ook de overheid die het ons mogelijk heeft gemaakt deze inrichting vorm te geven, zodat wij nu in de gelukkige omstandigheid verkeren, onze gedachten daadwerkelijk uit te voeren.

blz. 19

Nun wende ich mich aber besonders an euch, ihr lieben Waldorfleute:
Seien wir uns klar darüber, daß damit, daß wir etwas Derartiges ins Leben rufen dürfen, uns gleichzeitig eine hohe Verpflichtung auferlegt ist. Wir wollen uns dessen ganz klar sein, wir wollen an diesem Tage uns geloben, daß wir uns würdig zeigen wollen der Tatsache, daß wir als die ersten im Deutschen Reiche die Möglichkeit haben, diesen Gedanken der Einheitsschule, der so viel ausgesprochen wurde, hier in unserem Stuttgart zu verwirklichen. Wir wollen der Welt zeigen, daß wir nicht nur Idealisten sind, sondern daß wir Menschen der praktischen Tat sind, und daß unsere Kinder, gestärkt durch diese Schule, in Zukunft dem täglichen Leben besser und voller standhalten können.
In diesem Sinne schicken wir euch, ihr lieben Kinder, in diese Wal­dorfschule, damit ihr euch Kraft dort holt, um, wenn ihr diese Stätte verlaßt, als ganze Menschen dem schweren euch erwartenden Leben gewachsen zu sein. Aber es erwarten euch, ihr Kinder, innerhalb der Schule auch Freuden. Mir, dem es vergönnt war, den Lehrerkursus, den Herr Dr. Steiner abhielt, mitzumachen, am es deutlich zum Bewußt­sein, wieviel man selbst versäumen mußte in seiner Jugendzeit, und wie schwer es einem in vorgeschrittenem Alter wird, dasjenige nachzuholen, was man in jenen Zeiten versäumt hat, und es ist mir wirklich ein Herzensbedürfnis, das auszusprechen, daß, weil man in früheren Zeiten nicht selbst in der Lage war, diesen Sege zu genießen, man seinem Schicksal wenigstens dankbar sein muß, wenn man diesen Segen heute andern zukommen lassen darf. 

Nu richt ik mij in het bijzonder tot u, beste vrijeschoolmensen: laten we ons duidelijk voor ogen houden dat wij, nu we iets dergelijks in het leven mogen zetten, daarmee gelijktijdig een hoge verplichting aangaan. We willen het heel duidelijk stellen, we willen ons op deze dag vast voornemen om te staan voor het feit dat wij als eersten in het Duitse Rijk de mogelijkheid hebben dit idee van de scholengemeenschap dat zo vaak geklonken heeft, hier in ons Stuttgart te verwezenlijken. We willen de wereld laten zien dat wij niet alleen idealisten zijn, maar dat wij praktische mensen zijn en dat onze kinderen, sterker geworden door deze school, in de toekomst het dagelijks leven beter en innerlijk rijker aankunnen.
Met deze bedoeling, beste kinderen, sturen we jullie naar deze vrijeschool, zodat jullie daar krachten kunnen opdoen om, wanneer je deze plaats verlaat, als harmonische mensen het zware leven dat jullie wacht, aankunnen. Maar, kinderen, er wachten binnen de school ook vrienden op jullie. Omdat het mij vergund was de lerarencursus die mijnheer doktor Steiner hier hield, mee te maken, werd het me duidelijk bewust, hoeveel wij zelf niet meegekregen hebben in onze jeugd en hoe moeilijk het is om op latere leeftijd nog in te halen wat je in die tijd gemist hebt, en het is voor mij een diepe behoefte uit te spreken, dat, omdat wij vroeger niet de kans kregen deze zegeningen te smaken, wij toch een beetje ons lot dankbaar moeten zijn, dat we nu deze zegeningen aan anderen kunnen geven. 

blz. 20

Und so kann ich sagen: Ihr Kinder, die ihr hineingeht in diese neue Schule, es erwarten euch Freuden, und denjenigen, denen es vergönnt war, diesen Kursus durchzumachen, den Herr Dr. Steiner abgehalten hat mit den neuen Lehrkräften, die wissen, daß durch die neue Methode das Lernen nicht mehr, wie es bei uns Älteren der Fall war, eine Plage ist, sondern daß es bei euch zur Freude und zur Lust werden wird. Deshalb freut euch, ihr Kinder, daß ihr diese Schule genießen dürft. Aber zeigt euch, wenn ihr das heute auch noch nicht in seiner ganzen Tragweite verstehen könnt, zeigt euch bei der Entlassung aus dieser Bildungsstätte dem Leben und seinen Anforderun­gen gewachsen, zeigt der Welt dann die herrlichen Früchte dieser neuen Lehrmethode, die euch zu lebenstüchtigen, zielbewußten Menschen

En dus kan ik zeggen:op jullie, kinderen, die hier naar deze nieuwe school gaan, wachten vrienden en degenen die het vergund was aan deze cursus mee te doen die mijnheer doktor Steiner gehouden heeft met de nieuwe leerkrachten, weten dat door de nieuwe methode van leren, wat bij ons ouderen het geval was, geen plaag meer is, maar dat bij jullie vreugde en tevredenheid zal schenken. Daarom, kinderen, verheugen jullie je er maar op dat je dit onderwijs mag genieten. Maar laat zien, ook al kun je dit nu nog niet in de volle reikwijdte overzien, laat zien dat je als je deze leerplek verlaat, opgewassen bent tegen het leven en wat dit van je vraagt, laat de wereld dan maar zien welke prachtige vruchten deze nieuwe leermethode afwerpt, die jullie tot levenskrachtige, doelbewuste mensen

erziehen will. Aber auch darüber sind wir uns klar: Was wir hier schaffen durften, ist nur ein kleiner Anfang. Schwer ist die Last und groß die Verantwortung, die auf denjenigen ruht, welche sich dieser Aufgabe unterzogen haben, und groß werden vielleicht die Anfechtungen sein, welche mit der Zeit von vielen Seiten auf uns einstürmen werden; aber eines können wir heute schon sagen: Der Wille in uns wird so stark sein und die Gedanken werden so kräftig sein und der Mut so groß, daß wir auch alle diejenigen Dinge, die hemmend vielleicht an uns herankommen möchten, überwinden werden, weil wir wissen, welch hohes Ziel wir anstreben, und weil wir stets eingedenk sind der Verantwortung, die wir übernehmen.
Und Ihr, sehr verehrte Lehrer, die Ihr diese Arbeit übernommen habt, die Ihr selbst eingeführt worden seid in den Geist, der diese Schule beseelen soll, Ihr wißt ja, welch tiefe Verantwortung Euch damit aufer­legt ist, und ich richte die Bitte an Sie alle, die Sie mitwirken werden als Lehrkräfte an der Waldorfschule: seien Sie sich mit mir voll bewußt der außerordentlichen Schwere der Verantwortung und hören Sie nie auf, diese Verantwortung ebenso tief wie ich jederzeit zu verspüren. Und nun, meine sehr verehrten Anwesenden, indem ich dieses Institut den Waldorfleuten und damit auch der Öffentlichkeit übergebe, wünsche ich aus vollem Herzen:

wil opvoeden. Maar ook daarover zijn we duidelijk: wat we hier mogen doen, staat nog maar aan het begin. Het werk is moeilijk en de verantwoordelijkheid die rust op degenen die deze opgave op zich willen nemen, groot en groot zullen misschien ook de twijfels zijn die mettertijd van veel kanten op ons af zullen komen; maar één ding kunnen we nu wel zeggen: de wil in ons zal zo sterk zijn en de gedachten zo helder en de moed zo groot dat wij ook al die dingen die wellicht als hindernis op ons af komen, zullen overwinnen, omdat we weten wat voor hoog ideaal we nastrerven en omdat we steeds de verantwoordelijkheid die we aangaan, voor ogen houden. 
En u, geachte leerkrachten, die dit werk op u neemt, die zelf beginnend deze geest hebt leren kennen die de school moet bezielen, u weet wat voor een grote verantwoordelijkheid daarmee op uw schouders is gelegd en ik vraag u allen die als leeracht meewerken aan de vrijeschool: wees u met mij zich ten volle bewust van de buitengewone ernst van die verantwoordelijkheid en laat niet af, deze voortdurend zo diep te voelen als ik. En nu, zeer geachte aanwezigen, nu ik deze instelling aan u, vrijeschoolmensen, overdraag en daarmee ook aan het openbare leven, wens ik u van ganser harte:

Es möge wieder dort der Geist herrschen, den ein Goethe, ein Schiller, ein Herder und wie sie alle heißen, die großen Geisteshelden vergangener Zeiten, uns nahegebracht haben, damit dieser Geist durch die Schule der Zukunft auch wieder einziehen möge im deutschen Vaterlande. Wenn das der Fall sein wird, werden wir alle, die wir die Verantwortung tragen, dessen eingedenk sein, daß wir Die­ner sind jener geistigen Kräfte. Dann wird die Zeit anbrechen, wo auch wieder der Aufstieg beginnen wird aus der tiefen seelischen und körperlichen Not unseres armen Vaterlandes, und wir dürfen hoffen, daß dann die Menschen zahlreicher werden, welche unser Volk wieder hinaufführen können auf die Höhen und darüber hinaus, auf denen gestanden haben unsere Geisteshelden, ein Goethe und ein Schiller und so weiter.
Und indem ich nochmals meinen Wunsch für ein glückliches Gedei­hen unseres Unternehmens zum Ausdruck bringe, will ich geloben im Namen unserer Waldorfleute, im Namen unserer Schule, im Namen unserer Kinder, daß diese Schule eine Pflanzstätte werden soll, eine Quelle für alles Gute, für alles Schöne und für alles Wahre.

dat hier weer de geest mag heersen die een Goethe, een Schiller, een Herder en hoe ze allemaal verder mogen heten, die die grote helden van de geest uit vervlogen tijden ons hebben gebracht, opdat deze geest door de school van de toekomst ook weer zijn plaats zal krijgen in het Duitse vaderland. Wanneer dat dan het geval zal zijn, zullen we allen die de verantwoording dragen, eraan denken dat wij dienaren zijn van die geestelijke krachten. Dan zal de tijd aanbreken waarin ook de vooruitgang weer kan beginnen vanuit de diepe ellende en materiële nood van ons arme vaderland en we mogen hopen dat het aantal mensen dan groeit om ons volk weer groot te maken en meer nog, waar onze geesteshelden hebben gestaan, een Goethe, een Schiller enz. En als ik nogmaals mijn wens voor een gelukkige groei van ons werk tot uitdrukking breng, wil ik beloven uit naam van onze vrijeschoolmensen, uit naam van onze school, uit naam van onze kinderen, dat deze school een groeibodem zal worden, een bron voor alles wat goed, mooi en waar is.

[GA 298] Inleidende woorden Emil Molt
Niet vertaald
.

Medewerkers van de Waldorf-Astoriafabriek. Vooraan, met hoed in de hand, 3e van l. Emil Molt. 

De 1e vrijeschool in Stuttgart, 1930
.

100 jaar vrijeschool: alle artikelen
.

*artikel geplaatst op 7 september 2019

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (2)

.

Herinneringen van Hans Kühn aan de eerste jaren van de Driegeleding in Duitsland

Hans Kühn, fabrikant van medische apparaten, is een van de laatst overgeblevenen die in de jaren 1917 – 1924 actief hebben meegewerkt aan de verwerkelijking van de sociale denkbeelden van Rudolf Steiner, de ‘Drieledigheid van het sociale organisme’.
Zijn levensherinneringen zijn onlangs uitgegeven door het Philosophisch-Anthroposophischer Verlag te Dornach, voorzien van een aanhangsel met een aantal documenten uit deze, voor Duitsland en Europa zo beslissende jaren. 1) Het boek is net op tijd voltooid. Hans Kühn heeft de uitgave niet meer beleefd. In 1977 is hij gestorven, 88 jaar oud. Wél heeft hij nog volbewust meegeleefd met de sociale aardverschuivingen van de zestiger jaren: de studentenrevolte. ‘Zijn hoogopgerichte gestalte wekte tijdens deze bijeenkomsten als een vermanende herinnering aan het verleden.’ Aldus schrijft, in het voorwoord van dit boek, Manfred Schmidt Brabant, namens de sociaal-wetenschappelijke sectie aan het Goeetheanum.
Of ook dit boek moet worden gezien als een ‘vermanende herinnering?’ Of, veel meer, als een opwekking voor de toekomst? Het is begrijpelijk dat deze vraag de lezer geen ogenblik met rust laat. Ik kan mij voorstellen dat er lezers zijn die zeggen: ‘Het ware beter geweest wanneer dit boek niet was uitgegeven.’ Wat moeten wij met deze informatie uit een tijd die zó ver afstaat van de onze en geschreven is vanuit een werkelijkheid – Duitsland na wereldoorlog I – die zó sterk verschilt van de werkelijkheid waarin wij thans leven?
Men kan het ook anders zien. Afgezien van de historische betekenis van een dergelijk document, is het toch van belang dat allen, die zich
thans actief inzetten voor sociale driegeleding, zich de vraag stellen: ‘Waarop is destijds deze beweging stukgelopen en vanuit welke verwachtingen van de toekomst hebben destijds zóvelen hun hoop gevestigd op een maatschappelijke doorbraak, waarbij rechtsleven, geestesleven en economisch leven elk een eigen structuur zouden krijgen, autonoom, zonder te vervallen in het oude liberale maatschappijmodel?’

De situatie 1917 -1919 in Duitsland
Hoe groot de verwachtingen zijn geweest die Rudolf Steiner had betreffende de mogelijkheden tot verwerkelijking van de ‘Dreigliederung’, blijkt onder andere uit het feit dat hij in 1917 zijn twee memoranda schreef die hij aan de hoogste regeringsinstanties heeft voorgelegd: in Duitsland aan Von Kühlmann, de minister van buitenlandse zaken, in Oostenrijk aan keizer Karl. De gelegenheid daartoe werd hem geboden via relaties van Graf Von Lerchenfeld en Graf Polzer Hoditz.
In het volgend jaar, 1918, bezocht Rudolf Steiner, via bemiddeling van Hans Kühn, prins Max von Baden. Na dit gesprek bezocht de prins, vlak vóórdat hij tot rijkskanselier werd benoemd, Rudolf Steiner in zijn huis te Stuttgart. Het wachten was toen op de ‘Anntrittsrede’ in de Rijksdag, 3 oktober 1918. Men kan zich de teleurstelling bij Rudolf Steiner voorstellen, toen bleek dat in deze rede geen woord over de nieuwe maatschappijstructuur voorkwam, hoewel Steiner verwacht had dat de nieuwe rijkskanselier ‘de moed zou hebben gehad de idee van de ‘Dreigliederung’ te proclameren als bewijs ener diepgrijpende heroriëntatie en bereidheid tot vrede van het Duitse volk.’

Wat volgde, is algemeen bekend: de revolutie, de vlucht van de keizer naar Holland, en afkondiging van de ‘republiek van Weimar’ vanaf het balkon van het keizerlijke paleis te Berlijn.

Waarom zag Rudolf Steiner in 1917 en 1918 het moment gunstig voor een volledige heroriëntering op maatschappelijk gebied?

In 1917 hadden de Verenigde Staten de oorlog verklaard aan Duitsland. Een oorlog, die volgens president Wilson, niet was gericht tegen het Duitse volk maar tegen ‘de zelfzuchtige en autocratische macht van zijn regering.’ Reeds toen werd een beroep gedaan op het ‘zelfbeschikkingsrecht’ der volkeren, dat later in 1918 werd ingelast als een onderdeel van de 14 punten die de Verenigde Staten als voorwaarde stelden voor de vrede en de toekomstige herstructurering van Europa.

In 1917 brak ook de Russische Revolutie uit in Leningrad. Hier werden eveneens grote toekomstverwachtingen gekoesterd: een wereldrevolutie gebaseerd op de toekomst van een klassenloze samenleving.

Tegenover deze twee maatschappelijke verwachtingen – vanuit het Westen en vanuit het Oosten – stelde Rudolf Steiner zijn verwachting van een drieledige maatschappijstructuur als een opgave van Midden-Europa. Als basis voor een menswaardige vrede.

Inplaats daarvan kwam het verdrag van Versailles. De onderhandelingen daarover liepen vanaf januari 1919 tot juni 1919. In diezelfde tijd hield Steiner een reeks voordrachten over maatschappijvraagstukken en de ‘drieledigheid van het sociale organisme’. Met als begin – in februari – de voordrachten in Zürich in het neutrale Zwitserland, die later – april – in een boek zijn samengevat: ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk.’ [1] Aan de hand van de inhoud van dit boek kon nu gewerkt worden in een aantal bedrijven om vanuit ‘bedrijfsraden’ te komen tot een nieuwe ordening van het economische leven.

22 April 1919 werd te Stuttgart de ‘Bund für Dreigliederung des sozialen Organismus’ opgericht. Een van de eerste activiteiten van deze organisatie was de uitgave van een brochure, ‘Die ‘Schuld’ am Kriege’. Men hoopte daarmee te kunnen aantonen dat Duitsland niet aansprakelijk behoefde te worden gesteld voor de gevolgen van de oorlog, zoals door middel van het verdrag van Versailles dreigde te geschieden. Ter argumentatie dienden een aantal ‘overwegingen en herinneringen’ van de vroegere – inmiddels overleden – chef van de generale staf, Helmuth von Moltke, welke door zijn vrouw ter beschikking werden gesteld. Maar door het ingrijpen van een zijner familieleden – de gezant van Pruisen in de staat Würtemberg – werd deze publicatie verijdeld. Wederom was dit voor Rudolf Steiner een grote teleurstelling. Hij had willen verhinderen dat in het verdrag van Versailles Duitsland de schuld voor het uitbreken van de oorlog op zich nam en aansprakelijk werd voor de gevolgen hiervan. Zoals men weet zijn, op basis van deze schuldbekentenis, aan Duitsland zeer harde vredesvoorwaarden opgelegd. De gevolgen daarvan zijn reeds kort daarna – onder andere door de publicaties van John Maynard Keynes en Harold Nicholson – voorspeld. Pas veel later is gebleken welk een verderfelijke invloed dit verdrag heeft gehad op de economische en staatkundige ontwikkeling van Europa en de wereld.

De Bund für Dreigliederung heeft toch veel belangrijk werk gedaan, onder andere door oprichting van ‘Der Kommende Tag, Aktiengesellschaft für Förderung wirtschaftlicher und geistiger Werte’. Hierdoor ontstond een samenwerking van een aantal bedrijven op associatieve basis, waarvan de winst voor een belangrijk deel ten toede kwam aan culturele instellingen zoals de Waldorfschool, enkele wetenschappelijke researchinstituten, en ziekenhuizen. Men ging er daarbij van uit dat economisch zwakke bedrijven, wanneer deze beantwoordden aan een bepaalde behoefte, gesteund konden worden door sterke, in de verwachting dat met dit voorbeeld als model, een heroriëntatie kon plaats vinden van economische en sociale doelstellingen, athans in de staat Württemberg. Aanvankelijk kreeg men daarbij de steun van een deel van de arbeidersbevolking, ondanks tegenwerking van vakbonden en politieke partijen. Dat deze vernieuwingsbeweging tenslotte het niet heeft kunnen bolwerken tegen de tegenstroom, heeft verschillende oorzaken gehad, deels door inwendige moeilijkheden op het gebied van samenwerking, deels door de toenemende inflatie. Pas in 1924 bleek ‘Der Kommende Tag’ niet meer levensvatbaar en moest hij worden geliquideerd.

Al eerder kondigden zich, in het politieke vlak, de eerste symptomen aan van fervent nationalisme, waaraan tenslotte de republiek van Weimar is bezweken. Rudolf Steiner kreeg hiermee te maken tijdens een voordracht in München in 1922 waar een aanslag op hem werd gepleegd, die hij door uitzonderlijke tegenwoordigheid van geest wist te pareren.

Achteraf bezien, kan men slechts bewondering hebben voor het doorzettingsvermogen waarmee een betrekkelijk kleine groep de weerstanden op economisch en politiek gebied, het hoofd heeft geboden.

Op het gebied van het culturele leven, is een doorbraak gelukt: de oprichting van de Freie Waldorfschule die de moederschool is geworden van een internationale vrijeschoolbeweging, die na 60 jaar* thans wel zijn levensvatbaarheid heeft bewezen.

Kühn brengt ons in contact met de man, aan wiens initiatief deze schoolbeweging is te danken, Emil Molt, de directeur van de Waldorf Astoria sigarettenfabriek. Ook hij had een werkzaam aandeel aan de oprichting van ‘Der Kommende Tag’. De tragiek die zich ook hier heeft afgespeeld wordt ons niet bespaard. De aandelen Waldorf Astoria die in de gemeenschappelijke pool waren ingebracht, zijn later langs allerlei wegen in handen gekomen van Reemtsma, de meest geduchte concurrent. ‘Toen Emil Molt vijf jaar later (na de inbreng) in zijn geliefd privébureau zat’ – zo schrijft Kühn – ‘ging de deur open, enkele heren traden binnen en stelden zich voor als de huidige eigenaar van de Waldorf Astoria sigarettenfabriek. Men kan zich nauwelijks voorstellen wat er in deze bekwame Emil Molt is omgegaan, hij die zózeer met lichaam en ziel met zijn werk verbonden was. Als een bliksemslag trof hem deze entrée. Wie waren deze heren? Het waren vertegenwoordigers van zijn grootste concurrent, Reemtsma uit Hamburg. Zij wilden doodeenvoudig de concurrerende fabriek stilleggen. Later bleken de heren zo genadig te zijn dat zij er in toestemden dat de fabriek in Stuttgart met 1500 man personeel voor één jaar kon doorwerken en dat het bedrijf het schoolgeld voor de kinderen van de arbeiders bleef doorbetalen.

Toekomstperspectief
Wij behoeven echter niet stil te blijven staan bij deze tragische gebeurtenissen die zich in het begin van de twintiger jaren in Duitsland hebben afgespeeld. De herinneringen van Kühn laten duidelijk zien dat de sociale beweging voor driegeleding niet afgesloten is in 1924 – de liquidatie van ‘Der Kommende Tag’ – of 1925 – het overlijden van Rudolf Steiner.

Wel is duidelijk dat alle activiteiten, beschreven in dit boek, in hoofdzaak werden bepaald door de toenmalige noodsituatie waarin Duitsland verkeerde. Hetgeen niets afdoet aan de vruchtbaarheid van Rudolf Steiners ideeën en de mogelijkheid tot hun verwezenlijking vanuit andere situaties. Dat blijkt ook wel uit het boek. Ik denk hierbij aan het verslag van een discussieavond met arbeidersvertegenwoordigers uit verschillende grote bedrijven in Stuttgart.
Rudolf Steiner spreekt hier over arbeidersmotivatie, in hoeverre deze door andere factoren kan worden beïnvloed dan door het uitzicht op loon of honorarium. ‘Slechts dan kan sprake zijn van een gezonde gemeenschap wanneer iedere prestatie beantwoordt aan een tegenprestatie, wanneer bij de mensen de neiging aanwezig is om voor datgene wat anderen voor hem presteren, een gelijkwaardige contraprestatie te leveren. Dit schijnt weliswaar volkomen in tegenspraak te zijn met wat de huidige economische wetenschap leert. Hoogstens kan men zeggen dat het gezag van de staat dergelijke arbeidsverhoudingen kan afdwingen. Maar men zal zelf wel merken dat wanneer het eenmaal zover is, dit niet vol te houden is, ook al gaat men dan van het beginsel uit dat ‘er geproduceerd moet worden terwille van de consumptie’. Altijd zal daarbij de prestatie in overeenstemming moeten zijn met de contraprestatie. Men kan via de staat arbeidsdwang uitoefenen. Het kan ook zonder die dwang. De meest geraffineerde middelen kunnen worden uitgedacht om deze arbeidsdwang te ontduiken, om zich aan de arbeid te onttrekken. Op den duur zal blijken dat dwang tot arbeid niet vol te houden is. Hoofdzaak is, dat men gaat inzien dat arbeidsdwang niet nodig is wanneer men consequent uitgaat van het beginsel dat, objectief gezien, de prestatie gelijkwaardig zijn moet aan de contraprestatie.’ Met deze, reeds door Proudhon verkondigde leer van de ‘mutualité’ in het arbeidsproces, wordt door Rudolf Steiner een ‘sociale grondwet’ geformuleerd, waaraan in een tijd van steeds toenemende interdependentie van economische betrekkingen niemand meer onderuit kan.

Het blijft een levensgroot vraagstuk van bewustzijnsontwikkeling, dat zeker niet in een handomdraai kan worden opgelost. Hoogstens kan, vanuit een noodsituatie – zoals in Duitsland het geval is geweest – een stroomversnelling optreden. In onze tijd – de tijd van de verzorgingsstaat, vóór en achter het ‘ijzeren gordijn’ – is dit niet te verwachten. Niettemin blijft de objectieve noodzaak bestaan, en dit wordt in de tegenwoordige literatuur over ‘mentaliteitsverandering in het arbeidsproces’ en over ‘de verandering van instellingen van de onderneming’ ook wel ingezien. Men heeft nu echter met een geheel andere situatie te maken dan die in de tijd van 1917 – 1925 in Duitsland.

Dat wordt in het boek van Kühn ook erkend. Want wat heeft zich tussen 1925 en 1979, niet alleen in Duitsland maar ook in Europa en de wereld niet allemaal voltrokken? Door het nationaal-socialisme is in Duitsland een kortsluiting ontstaan in de continuïteit van de geschiedenis tussen het tijdperk vóór 1933 en het tijdperk na 1945. Daarop heeft onlangs nog Richard Lowenthal gewezen in een artikel in ‘Encounter’ (dec. 1978)
Voor Duitsers schijnt het uitermate moeilijk hun eigentijdse geschiedenis nog in verband te brengen met de geschiedenis vóór 1933, de machtsovername van Hitler. Verder is er het verschijnsel van de mentaliteit van de arbeidersbevolking in de verzorgingsstaat. Dat is een algemeen Europees verschijnsel. Een mentaliteit die wel erg verschilt van die, waarmee Rudolf Steiner in 1919 te maken had. Welke verwachtingen had Rudolf Steiner destijds niet van de ‘proletariër’ in Duitsland?

‘Zijn denkvermogen’ zo zei hij ‘is nog onverbruikt. De citroen is nog niet helemaal uitgeperst’ (zoals bij de ‘burgerlijke’ kringen het geval is) ‘Er leeft nog iets attavistisch in hem waardoor hij ontvankelijk is voor wat gezegd kan worden over nieuwe ordening der dingen.’

Wie de voordrachten leest die destijds Rudolf Steiner heeft gehouden voor de arbeiders aan de bouw van het Goetheanum, kan zich voorstellen wélk vertrouwen Rudolf Steiner heeft gehad in de ontvankelijkheid van de arbeidersbevolking voor de spirituele realiteit van een keerpunt op geestelijk, economisch en staatkundig gebied.

Misschien staan wij thans wederom voor een dergelijke ‘Umwertung aller Werte’. Een zekere scepsis ten opzichte van de inmiddels ingetreden ‘verburgerlijking’ van het ‘proletariaat’, is dan wel op zijn plaats. Veel meer is er van de jeugd te verwachten, ook al lijkt het tegendeel, na de doodgelopen révolte van de zestiger jaren. Sterker nog dan in 1919 zijn thans de universiteiten bolwerken geworden van de maatschappijwetenschappen – onder invloed van het natuurwetenschappelijk denken – die eerst doorbroken zullen moeten worden vóórdat er sprake kan zijn van een sociale vernieuwing in de zin van de ‘driegeleding’.

Wél kan men kiemen daarvoor aantreffen in allerlei ‘alternatieve’ werkgemeenschappen – in de landbouw, in het onderwijs, in de gezondheidszorg -waar men de ‘sociale grondwet’ -gelijkwaardigheid van prestatie en contraprestatie – in praktijk wil brengen, met verdere uitwerking van de inzichten van Rudolf Steiner uit de twintiger jaren van deze eeuw. Daar ligt toekomstkracht die kan worden ontwikkeld aan de hand van voorbeelden uit het verleden. Niet door deze als een ‘onveranderlijk model’ over te nemen, maar vanuit inzicht in de situatie waarvoor de tegenwoordige tijd ons plaatst aan de hand van vragen die ons daarbij worden gesteld.

In die zin kunnen wij dankbaar zijn voor de herinneringen aan ‘Rudolf Steiners strijd voor de toekomstige maatschappijstructuur’, die Hans Kühn ons heeft nagelaten.

Arnold Henny, Jonas 12, *09-02-1979
.

Dreigliederungszeit. Rudolf Steiners Kampf für die Gesellschafts-ordnung der Zukunft.

[1] De kernpunten van het sociale vraagstuk

.

Sociale driegeleding: alle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

1299

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.