Tagarchief: 100 jaar vrijeschool

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (2-1)

.

100 JAAR VRIJESCHOOL

Of het nu de vroegere Bond van vrijescholen was of de huidige Vereniging van vrijescholen, een schoolbeweging die pal staat voor vrijheid van onderwijs, is nooit ontstaan.
In de jaren zeventig, tachtig en negentig van de vorige eeuw leek het erop dat de idee van een ”vrij geestesleven’ ingebed in een drieledige sociale maatschappijstructuur bij velen begon te leven – vooral ook bij groepjes leerlingen van de vrijeschoolbovenbouw, bij ouders die hun krachten bundelden in een Landelijke Oudervereniging, wat leidde tot initiatieven: het houden van een congres bijv. en manifestaties op het Binnenhof in Den Haag.
Uiteindelijk verwaterde het initiatief.
Naast vele positieve zaken die wél tot stand zijn gekomen, moet toch de conclusie getrokken worden dat er bij de mijlpaal van 100 jaar vrijeschool, voor de vrijheid van onderwijs, laat staan voor een vrijgeestesleven, niets is bereikt.

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

In verschillende vrijescholen werden in de bovengenoemde jaren pogingen ondernomen om ook het besturen van een vrijeschool vanuit de idee van de driegeleding, vorm te geven.

IDEAAL

Op een tweetal pas opgerichte scholen waaraan ik verbonden was, wilden mensen werken met een ideaal: om de vrijeschoolpedagogie zo optimaal mogelijk te realiseren. We formuleerden het ‘wat en hoe’ van onze school, zo ideaal mogelijk. Alsof ons alle middelen ten dienste stonden om dit ideaal te verwerkelijken.
Maar, uiteraard stonden niet alle middelen ons ten dienste: we zaten in aftandse noodgebouwen bijv. met ongeschikte speelplaatsen; er was geen fysieke ruimte voor euritmie; een lesrooster maken was o.a. afhankelijk van de tijden waarop we in de gymzaal van een andere school zouden kunnen, enz.
De mensen die vaklessen gaven, konden ook niet altijd op de gewenste tijdstippen aanwezig zijn door hun persoonlijke levensomstandigheden.

En dan was er natuurlijk ‘de kas’ waaruit alles betaald zou moeten worden.

In die kas vloeiden alleen overheidsgelden: voor salarissen, leermiddelen, onderhoud e.d. 
Wat de salarissen betrof: die werden alleen voor gesubsidieerde leerkrachten vergoed. Extra vakleerkrachten: voor euritmie, handwerken, handenarbeid, bijv. werden van overheidswege niet betaald.
Het moge duidelijk zijn: om het schoolideaal te kunnen verwezenlijken waren er simpelweg te weinig inkomsten.

MAATSCHAP

Iedere gesubsidieerde leerkracht ging dan voor zichzelf na hoeveel salaris hij of zij dacht nodig te hebben om naar zijn of haar maatstaven redelijk te kunnen leven en of er dan iets van het salaris zou overblijven voor het schoolideaal.

Door de wettelijke bepalingen had de school verplicht een ‘schoolhoofd’, de latere directeur, die voor het werk een hoger salaris kreeg – de hoofdentoeslag -dan het ‘personeel’.
Maar door de ‘republikeins-democratische’ bestuursvorm (die we ook nog moesten leren hanteren) bestond er geen hoofd, dus ook geen hoofdentoeslag.
Deze kwam dus altijd ten goede aan het geheel. 

Nadat er een raming was gemaakt van de kosten van ‘het ideaal’ en nadat bekend was wat er van de salarisinkomsten van de overheiod overbleef, was het ‘tekort’ bekend. 

OUDERBIJDRAGE

Daarmee gingen we dan naar de ouders. En vroegen van hen, middels een ouderbijdrage, dit tekort te vullen.
De ouders leverden dan hun toezegging in en er werd gekeken of dit voldoende was om het tekort te dekken.
Wanneer dit niet het geval was, werden er alternatieven voorgesteld: concreet betekende dit: wat er van het ideaal dan niet verwezenlijkt zou gaan worden.

Na een tweede ronde waren inkomsten en uitgaven helder geraamd en werden op grond daarvan bijv. nieuwe collega’s aangesteld. 

Er waren geen lijsten met ouderbijdragetabellen – dat is later gekomen. Ouders bepaalden zelf – ongeacht het aantal kinderen – welke ouderbijdrage ze wilden geven. Zo waren ook zij samen medeverantwoordelijk voor het ideaal dat de leerkrachten wilden realiseren voor hun kinderen.

NIETS BIJDRAGEN GEEN OPTIE

Wel was het zo, dat niets bijdragen geen optie was. Als je zo’n school wilt, heb je er iets – jouw keuze – voor over: heb je er niets voor over, dan is het jouw keuze niet en dan moet je er ook niet tóch bij willen horen.

Zo simpel als ik het hier schets, was het niet. Het kostte veel tijd, spanning ook om alles op tijd voor het nieuwe schooljaar klaar te krijgen.
Ook het kiezen van wat er niet gerealiseerd zou worden, bij onvoldoende middelen, was vaak een bron van langdurig overleg, met ook de bijkomende irritaties, de onenigheid.

Je kan rusitg zeggen: het realiseren van een maatschap is een moeilijke sociale scholingsweg.
Inleveren op je salaris doet onmiddellijk een appel op je minder egoïstisch zijn en dat voelt voor velen moeilijk.
Maar ‘minder voor jezelf, betekent meer voor de gemeenschap’ en wil je vanuit de driegeledingsidee meer socialiteit onder de mensen brengen, dan is dit zonder dit uitgangspunt niet mogelijk.

Dan waren er nog talloze problemen i.v.m. de wet.
Van je wettelijke salaris werd een bepaald gedeelte ingehouden voor je latere pensioen. Bij vrijwillig minder salaris zou dit aandeel ook minder worden. Daarvoor was geen wettelijk kader, dus moest dit vastliggende pensioendeel werden afgedragen.
Dat bracht veel administratie met zich mee.

CENTRALE ADMINISTRATIE VOOR VRIJESCHOOLEN

In Haarlem stelde zich iemand beschikbaar om dit voor de Haarlemse school te regelen en al spoedig ook voor andere scholen: hier ontstond wat later de centrale administratie voor vrijescholen’ is geen heten.

Deze drijvende kracht was Jan Kluën en zijn medewerker – ik  vermoed de heer Mommersen/son?.
Ik bezocht hem verschillende keren om over bepaalde zaken te spreken en hij heeft mij, dus ons, veel geholpen en van goede raad voorzien.

In dit artikel past daar een welgemeende dank voor.

Bij het ontstaan van de Centrale Administratie voor vrijescholen:

Het Nederlands Pedagigsch Instituut legde zich ook toe op de ideële kant van de maatschap, maar ook op de praktische.

Ik weet niet of er nu nog vrijescholen bestaan die een maatschap vormen.

Op veel scholen is er de directeur – met het daarbij horende salaris. Je ontvangt simpelweg je subsidiesalaris. 
In bepaalde gevallen is het zo dat als je meer doet dan bij je uren hoort, je voor die uren een vergoeding krijgt: dan is er van driegeleding helemaal geen sprake meer: dan is arbeid gelijk aan geld, wat het niet zou moeten zijn.

Kortom: in deze zaken is er na 100 jaar vrijeschool niets tot stand gekomen.

De artikelen over ‘maatschap’ die nog in mijn bezit zijn, zullen op deze blog worden gepubliceerd.

Het ziet er nu naar uit, als een soort archief, maar misschien wel als impuls voor de komende 100 jaar.

De tijd zal het laten zien.

.

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
.
Sociale driegeledingalle artikelen

.

1714

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-3)

.
Een mooi voorbeeld van ‘sociale en individuele bewustwording’ is het stukje levensverhaal van Peter Schilinkski die als marxist vastloopt in het gedachtegoed van Marx en ‘toevallig’ Steiners ‘Kernpunten van het sociale vraagstuk’ in handen krijgt. 
Waarom artikelen over sociale driegeleding op deze vrijeschoolblog verschijnen, wordt hier verantwoord.
In onderstaand artikel zegt Schilinkski: 

„Steiner heeft in de laatste jaren van zijn leven gezegd, dat van de hele driegeleding eigenlijk alleen de vrijescholen zijn overgebleven. Op sommige antroposofen heeft die uitlating diepe indruk gemaakt. Zij denken, dat als zij voor de vrijescholen werken, zij daarmee ook voor de driegeleding actief zijn.

Hij heeft echter nog andere dingen gezegd, bijv. dat bepaalde gedachten en ideeën in de geschiedenis met intervallen telkens weer terugkomen, en dat er dan voor de driegeleding een nieuwe kans ontstaat. Andere antroposofen, waartoe ik behoor, zijn nu diep getroffen door juist déze uitlating. Zij zeggen: wij moeten de eerste de beste kans waarnemen om de driegeleding als maatschappijconceptie opnieuw in de wereld te brengen.

In het Nederlandse onderwijsveld neemt de weerstand tegen te veel overheidsbemoeienis toe. 

Zou ‘100 jaar vrijeschool’ zo’n interval kunnen zijn waarover hieronder wordt gesproken?

 

MAATSCHAPPELIJKE DRIEGELEDING 

Door mensen, die met bezorgdheid de chaotische situatie van 1917 gadesloegen, hierom gevraagd, ontvouwde Rudolf Steiner de gedachte van de maatschappelijke driegeleding. Deze houdt in, dat alleen een autonoom (doch van zijn machtsmiddelen ontdaan) economisch leven werkelijk voor de stoffelijke behoeften van de mens kan zorgen; dat slechts een bevrijd en vrij geestesleven, in onbelemmerde concurrentie van de verscheidenheid, die aan het geestelijk streven van de mensheid eigen is, in staat is om een cultuur te scheppen, waaraan alle mensen kunnen deelnemen en die inzichten te produceren, die nodig zijn om de overstelpende problemen van de toekomst op te lossen; en dat een onafhankelijk en democratisch rechtsleven te waken heeft voor de rechten van de mens. Juist omdat de drie gebieden volstrekt van elkaar afhankelijk zijn, zal hun autonomie tot samenspel en hieruit tot een organische samenleving leiden.

Voor wie vandaag* ziet, hoe het nieuwe maatschappijtype van de technocratie in zijn Oostelijke en zijn Westelijke variant in snel tempo naar de termietenstaat toegroeit, zal de opmerking van Steiner in 1919, dat de maatschappij van de toekomst of driegeleed of bolsjewistisch zal zijn, een angstwekkende actualiteit hebben.

Sedert de Tweede Wereldoorlog heeft Peter Schilinski onvermoeid gewerkt om de principes van de sociale driegeleding in de openbaarheid te brengen: door voordrachten, (straat-)gesprekken, uitgifte van het tijdschrift Jedermann en anderszins. Vorig jaar vond zijn streven een eerste bekroning in de oprichting van het eerste driegeledingscentrum ter wereld in Achberg (zie het artikel van Michiel Damen in Jonas 15).(niet op deze blog) In de week van 22 t/m 28 maart* hield hij een voordrachtsreis door Nederland.

Professor dr. D. Brüll had een gesprek met hem, waarvan hier Schilinski’s aandeel wordt weergegeven.

bepaalde ideeën komen in de geschiedenis met intervallen terug

„Ik ben altijd bewogen geweest door de vraag: hoe kan men alle mensen helpen? Ik was onbevredigd als slechts enkelen werden ondersteund, bijvoorbeeld als één mens de studie van drie studenten financierde, of een kleine groep een andere grotere groep probeerde te ondersteunen. De vraag: hoe kan men alle mensen helpen, leidde me aanvankelijk naar het marxisme. Dat is al lang geleden, meer dan dertig jaar en ik heb toen door het marxisme leren inzien dat het zo niet gaat. Want de partijleiding kan niet weten wie er hulp nodig heeft. De partijleiding moet, op grond van haar officiële principes, de ‘goeden’ begunstigen en de activiteiten van de ‘slechten’ verhinderen.

Steeds opnieuw heb ik met de vraag geworsteld: hoe kan het recht en de vrijheid van iedere mens worden verwerkelijkt? Toen heb ik aan het einde van de Tweede Wereldoorlog op een eigenaardige manier het boek van Rudolf Steiner ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk‘ in handen gekregen.

Wij hadden een studiegroep voor marxisme en we waren juist in een stadium gekomen dat wij tot de conclusie kwamen: zo gaat het niet. Ik was zeer gedeprimeerd. Toen kwam iemand met een rijdend bibliotheekje langs. In die tijd waren er bij ons bijna geen boeken te krijgen en er was een al helemaal aan flarden gelezen boekje bij, dat ik vanwege de titel kocht. Daar stond namelijk op de omslag ‘De kernproblemen van het sociale vraagstuk’.

Wij hadden net enkele duizenden bladzijden van Marx ‘Das Kapital’ doorgewerkt en we vonden het om zo te zeggen bespottelijk dat iemand op 110 bladzijden de kernproblemen van het sociale vraagstuk zou kunnen behandelen. We vonden het ook een ongelooflijke aanmatiging, maar ik zei tegen de anderen: ‘Als wij zoveel duizend bladzijden gelezen hebben, dan kunnen die 110 bladzijden er ook nog wel bij…….’

Op die manier ontstond de eerste marxistische studiegroep voor de kernproblemen van het sociale vraagstuk.

De studiegroep viel hierdoor uit elkaar. Enkelen vonden: ‘Dat is complete nonsens, laat die man dan maar op zijn eentje verder studeren, hij weet kennelijk niet wat hij wil’.
Maar ik had indertijd het gevoel: er zit geweldig veel in, alleen weet ik niet wat; je moet je er diepgaand mee bezighouden. Ik heb toen ongeveer twee jaar lang praktisch niets anders gedaan dan dit boekje en de geschriften van Steiner op maatschappelijk gebied bestuderen. Ik moet hieraan toevoegen, dat ik tijdens mijn studie de naam Rudolf Steiner nooit was tegengekomen … Ik studeerde geschiedenis, Frans en Latijn . . . Ook geen van mijn studiegenoten noemde die naam, ik heb de naam Steiner voor het eerst op dat smoezelige omslagje gezien.’

UITGAAN VAN CONSUMPTIE

„Ik moet zeggen, dat ik zonder de maatschappelijke driegeleding de antroposofie niet had kunnen aanvaarden. In mijn toenmalige levenssituatie was het voor mij beslissend of iemand iets kon zeggen over de vraag: hoe kan men alle mensen helpen, zonder daarvoor enkele te moeten onderdrukken. Daarop liep ook mijn studie van het marxisme uit: ook daar geldt de hulp niet alle mensen; er moeten mensen onderdrukt worden. Waar is echter een maatschappijsysteem ten behoeve van alle mensen?

Ik ben er nu zekerder van dan ooit, dat driegeleding de maatschappijvorm is, die de mens de materiële rechten vanzelfsprekend garandeert door vrije informatie en democratisch stemrecht. Maar veel belangrijker is, dat driegeleding de geestelijke ontwikkelingsmogelijkheden van de mens door middel van het vrije schoolwezen, en door een vrij geestesleven, de grootst mogelijke ontwikkelingskansen biedt. Dat is tegenwoordig voor mij van veel beslissender belang.

In de driegeleding wordt over het economische leven gezegd, dat men moet uitgaan van de consument, van de consumptie van de mensen. Dat is volkomen vanzelfsprekend! En toch zou ik daar nooit op gekomen zijn . . . Vanaf het moment dat ik dat bij Steiner las, dat men het bedrijfsleven moet inrichten vanuit het gezichtspunt van de consumptie, was dat voor mij de duidelijkste zaak van de wereld.

Het is interessant dat het gezichtspunt over het economische leven in dienst van de menselijke behoefte, door vertegenwoordigers van andere maatschappijvormen wel telkens naar voren wordt gebracht; maar tenslotte staat in alle andere systemen toch weer de productie op de eerste plaats! Driegeleding gaat wat dat betreft in de allereerste plaats en uitsluitend uit van een mobilisatie van de consumenten, hoe moeilijk dat ook is. Maar als ik de consument mobiliseer en als de consument zich bewust wordt van zijn belang in het economische leven, dan krijg je pas kans op een economisch leven in dienst van de consument.’

‘In het cultuurcentrum Achberg wordt geprobeerd twee dingen van de driegeleding te verwerkelijken: namelijk geestelijke vrijheid voor verschillende soorten activiteiten en wederzijdse gelijke rechten voor deze initiatieven. Wij willen daar dus een forum bieden waar de meest verschillende soorten initiatieven onder woorden gebracht kunnen worden en werkzaam kunnen zijn. Dat betekent uitwisseling van elkaars denkbeelden. Wij hopen vrijheid en gelijkgerechtigdheid dusdanig in de praktijk te brengen, dat deze levensvorm voor veel verschillende groeperingen aanleiding zal zijn om het Humboldthuis van Achberg als conferentieoord te gaan gebruiken. Daardoor kan waardering ontstaan voor de vrije uitwisseling van zeer verschillende levensovertuigingen. En daarmee zal men zowel de idee, alsook een stukje praktijk van de driegeleding eenvoudig als ervaring ondergaan. Dat is mijn hoop en mijn verwachting en voor de verwerkelijking hiervan wil ik alles in het werk stellen! ’

SOCIALE SAMENWERKING

‘Het ergste wat ons kan overkomen is dat onze antroposofische vrienden, die dc driegeleding kennen en de noodzaak daarvan inzien, ons niet voldoende ondersteunen. Dat zou heel erg zijn. Wij zijn aangewezen op mensen die de noodzaak van driegeleding inzien. Hier schuilt een merkwaardige tragiek van deze tijd. Wat overtrokken gezegd: de antroposofen zien de noodzaak van driegeleding in, maar zij doen niets voor de verbreiding ervan, en de marxisten zien de noodzaak van sociale werkzaamheid, maar zij staan vreemd tegenover de driegeleding, omdat zij zich blind staren op de „eenheidsstaat”.

In de Duitse Bondsrepubliek hebben wij op het ogenblik eigenlijk alleen marxistische groeperingen als een progressieve en actieve factor. De anderen zou ik niet actief willen noemen, terwijl de „driegeleders” pas op gang komen.
Wij hebben tot nu toe pas 60 groepen, dat is een heel klein beetje tegenover dat wat het marxisme in het westen op de been brengt.”

„Verder zie ik nog een gevaar, dat ons van de kant van de huidige maatschappij te wachten staat. Dat is de radicalisering in de Duitse Bondsrepubliek van rechts, via de CDU/CSU, en de radicalisering van de linkerzijde, dus via marxistisch-communistische groeperingen. Deze twee radicaliserende stromingen kunnen de kleine ruimte voor Achberg die wij voor driegeleding nodig hebben, op een heel gevaarlijke manier beperken. Dit gevaar zouden wij graag keren door over een steeds groter aantal driegeleders in alle lagen van de maatschappij te beschikken.
Dat kunnen ook onopvallende propagandisten zijn: bijv. de man die als werknemer helemaal geen grote redevoeringen houdt, maar die zijn collega’s zo nu en dan een paar tips geeft op grond van de ervaringen die zij hebben. Dat is bijv. de leraar die gezonde ideeën naar voren brengt als een van zijn collega’s op de onderwijsvoorschriften scheldt. Dat is de man die aan zijn medeambtenaar die in vertwijfeling raakt omdat de rechters van het praktische leven niets weten, daarvoor de verklaring kan geven. Ik vind deze informatieve taak in het dagelijkse leven minstens even belangrijk als de publieke spreker, want daar gaat het erom dat iemand in zijn beroepsleven het probleem van zijn medemens onderkent en onder woorden kan brengen.

Ja, in dit opzicht functioneert de driegeleding verwant aan het marxisme. In het boek ‘De kernproblemen van het sociale vraagstuk’ spreekt Steiner veel minder over de fouten van de mensen dan over de fouten van de instellingen; tegenwoordig zou je zeggen: de structuurfouten.”

BUITENPARLEMENTAIRE OPPOSITIE

„Steiner heeft in de laatste jaren van zijn leven gezegd, dat van de hele driegeleding eigenlijk alleen de vrijescholen zijn overgebleven. Op sommige antroposofen heeft die uitlating diepe indruk gemaakt. Zij denken, dat als zij voor de vrijescholen werken, zij daarmee ook voor de driegeleding actief zijn.

Hij heeft echter nog andere dingen gezegd, bijv. dat bepaalde gedachten en ideeën in de geschiedenis met intervallen telkens weer terugkomen, en dat er dan voor de driegeleding een nieuwe kans ontstaat. Andere antroposofen, waartoe ik behoor, zijn nu diep getroffen door juist déze uitlating. Zij zeggen: wij moeten de eerste de beste kans waarnemen om de driegeleding als maatschappijconceptie opnieuw in de wereld te brengen.

Ik heb het als een rampzalige situatie beleefd, dat antroposofische driegeleders in de tijd van de A.P.O. (de Duitse buitenparlementaire oppositie) schitterden door afwezigheid. Zij waren er niet, in aantal niet en ook niet in kwaliteit. Zij hadden de buitenparlementaire oppositie de ideële grondslag kunnen geven.”

“In de vrijheidsbeweging van de zestiger jaren kan men voor het eerst het vrijheidsstreven zien als een reële behoefte van mensenzielen: niet meer als een politiek programma, maar als een werkelijkheid in de ziel. Steiner heeft destijds al opgemerkt dat de jeugd verwacht, hier op aarde maatschappijvormen te vinden waarin zij in vrijheid geestelijke activiteit kan beoefenen. Zij is nu ten diepste teleurgesteld een maatschappij te vinden, die Steiner al in 1919 aanduidt als een maatschappij van mensen, die geen mensen zijn, maar maskers.

Ik vond het hoogst interessant om te horen dat Rudi Dutschke, die voordat hij mij ontmoette nog nooit een woord van Steiner had gelezen, uit eigen inzicht in publieke toespraken tegen zijn medestudenten zei: ,De mensen die wij op het ogenblik als volwassenen ontmoeten, zijn geen mensen, maar maskers.’

Letterlijk dezelfde woorden vindt men bij Steiner in toespraken tot de jeugd in 1924. (GA 217A ‘Die Erkenntnissaufgabe der Jugend’). Daarom heeft de huidige jeugd het zo moeilijk met de oudere generatie: het zijn karaktermaskers.”

„Voor het eerst sedert 1921 is er weer een centrum van waaruit de driegeledingsgedachte openlijk in de wereld wordt geplaatst, heeft de driegeleding een eigen huis gekregen. Deze impuls heeft hulp nodig: hulp in spirituele zin door medewerking van mensen. En ook hulp in materiële zin. Laat het voor heel veel mensen een brandende vraag worden: hoe kunnen wij het cultuurcentrum Achberg tot een steeds sterker middelpunt van de driegeledingsgedachte maken; hoe kunnen wij deze vormingsschool voor driegeleding tot een model maken van soortgelijke opleidingsinstituten in de toekomst? ”

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1552

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.