Tagarchief: windbloeier

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (26)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.97, hoofdstuk 26                                                                           alle hoofdstukken

 

DE EIKENBOMEN
De eik staat als een toonbeeld van mannelijke kracht voor ons. Hij heeft hout zo hard als steen, knoestige takken, donker loof en bereikt ook een buitengewoon hoge leeftijd. Daar staan ze, als standbeelden, deze oeroude eikenbomen en wat een tegenstelling met bv. de berk! De berk wil jong blijven en is in haar jeugd ook het mooist; een eik daarentegen komt er pas op hoge leeftijd aan toe zijn bijzondere karakter in zijn stam en kruin uit te drukken. Jonge eikenbomen wekken nog niet de indruk zo’n enorme kracht te hebben, als ze later doen. De twee eikensoorten die bij ons voorkomen, de zomereik en de wintereik, verschillen van elkaar, doordat bij de wintereik de geweldige stam vanaf de wortel tot in de top doorloopt, terwijl deze bij de zomereik meestal in drie of vier stammen opgedeeld wordt. Bijna rechthoekig buigen de zijtakken naar opzij, wanneer de kruin gevormd wordt. Hoekig gebogen en gedraaid doen ze je soms geloven, alsof ze in woede gevormd zijn. Trots weerstaan de eiken de wildste herfststormen.

Laat de dichter Gottfried ons vertellen, hoe hij een storm in het eikenbos meegemaakt heeft. In zijn ‘woudliederen’ zegt hij:

Arm in Arm und Kron’ an Krone steht der Eichenwald verschlungen,
Heut hat er bei guter Laune mir sein altes Lied gesungen.
Fern am Rande fing ein junges Bäumchen an sich sacht zu wiegen,
Und dann ging es immer weiter an ein Sausen, an ein Biegen;
Kam es her in mächt’gem Zuge, schwoll es an zu breiten Wogen,
Hoch sich durch die Wipfel wälzend kam de Sturmesflut gezogen.
Und nun sang und pfiff es graulich in den Kronen, in den Lüften,
Und dazwischen knarrt und dröhnt es unten in den Wurzelgrüften.
Manchmal schwang die höchste Eiche gellend ihren Schaft alleine,
Donnernder erscholl nur immer drauf der Chor vom ganzen Haine!
Einer wilden Meeresbrandung hat das schöne Spiel geglichen;
Alles Laub war weisslich schimmernd nach Nordosten hingestrichen.

Met zulke treffende woorden kan een dichter de eikenboom beschrijven. Echt waar, zo staan ze in de storm!

Geen wonder dat de eik eens aan een oorlogsgod gewijd was! Hij staat daar als een rots en alleen door zo langzaam en volhardend te groeien, kan hij zijn sterkte verkrijgen. Wanneer andere bomen al bijna hun lentekleed hebben, zijn de eiken nog steeds kaal. Laat lopen ze uit – de zomereik 10 tot 14 dagen eerder dan de wintereik – en in de herfst houden ze hun blad zo lang vast, dat het verdord en bruin aan de takken hangt. De wind ruist en ritselt er doorheen; zij nemen de tijd, deze sterke bomen! Wanneer de bladeren tenslotte uitkomen, is ook de bloeitijd daar. Maar een eik moet minstens dertig jaar oud zijn, wil hij voor het eerst bloeien.

Omdat de eik zo van storm houdt, wil hij ook door de wind bestoven worden. Geen vlinder, geen bij die iets met de bloesem van deze knorrepot te maken wil hebben en je kunt het je toch ook niet voorstellen dat op een eik zoiets als kleurige en geurige bloesem zou groeien, want wie zo mateloos sterk is, heeft weinig zin van die tere vormen als bloemblaadjes zijn, tevoorschijn te brengen. We moeten de eik wel proberen te begrijpen, dan kunnen we zijn wezen ook doorgronden.

Menigeen zal er nog wel niet op gelet hebben hoe een eik eigenlijk bloeit en het is geen wonder, want de bloesems van de eik zijn erg klein en onaanzienlijk. De stuifmeelkatjes hangen in losse katjes meteen onder de jonge blaadjes en de stamperkatjes staan op steeltjes. Ze zien er bijna als gewone knoppen uit.

Uit de stamperbloesems komen later natuurlijk de eikels met de dekseltjes, waar ze in zitten en net zoveel eikels als er later aan een stengeltje zitten, waren er stamperbloesems.

Klaterend vallen de vruchten door de bladeren, wanneer ze rijp zijn geworden en waar ze terechtkomen blijven ze liggen.

Nu zou het voor de eik niet zo best zijn, wanneer zijn plompe vruchten daar zouden blijven liggen, want hoe zou hij zich moeten verspreiden als hij zijn vruchten zomaar als stenen onder zich laat vallen. Die komen niet van hun plaats en toch moeten daaruit nieuwe bomen groeien die licht en lucht nodig hebben. Maar de eik heeft een ijverige helper die hem terzijde staat en de zaden wegbrengt: de gaai*. Zoals je al aan de naam ziet (Duits: Eichelhäher), zijn de eikels het voedsel van deze weliswaar prachtige, maar eveneens wat ruwe vogels. Dikwijls zie je er een zitten met een eikel in zijn snavel. Maar hoeveel eikels er in het najaar ook zijn, de gaaien kunnen ze onmogelijk opvreten. Zomaar laten liggen, willen ze ook niet en dus proberen ze er wat te verstoppen. Ze staan daarbij op de grond, boren met hun krachtige snavel een gat en doen daar de eikels in. Misschien is het de bedoeling van de gaai, deze later weer op te graven, maar tegen die tijd is hij dat al lang vergeten. Bovendien is de gaai een heel slechte botanicus. Hij weet namelijk niet, dat de eikel een vrucht is, die eenmaal verstopt, lustig begint te kiemen. Zo wordt de gaai zonder dat hij het weet, een bosbouwer die eiken aanplant.

Het is met de eik en de gaai net zoals met de bloemen en insecten, waarbij je de plant ook niet begrijpen kan, zonder het insect dat erbij hoort. De eik voedt de gaai en deze plant overal bomen. Hoeveel eiken van onze bossen zouden de gaaien hebben geplant? De wijze natuur heeft aan de eik deze slordige vogel als helper gegeven, omdat hij door zijn slordigheid nu juist zo nuttig is. Dus is bij de gaaien de slordigheid een goede eigenschap. Dat is wel even anders dan bij de mensen.

Natuurlijk zijn de gaaien niet de enige liefhebbers van eikels. Vroeger werden er wel kudden zwijnen in de eikenbossen gedreven om de waarde van het woud te schatten naar hoeveel zwijnen het voeden kon.

Nu zouden we de eikenboom werkelijk tekort doen, wanneer we zouden zeggen dat hij, omdat hij zo ruw is, niet iets zoets of vruchtachtigs zou hebben. Veel eerder is het bij de eik  zoals bij menige sterke en ruwe kerel: naar buiten toe willen ze het niet zo graag laten merken, dat zou tegen hun natuur zijn, maar van binnen zit ergens wel iets zachtaardigs.  Maar er moet eerst wat bijzonders gebeuren, wil dat zichtbaar worden.

Bij de eik moeten de galwespen een gaatje in de onderkant van het blad prikken en er een eitje in leggen. De eik gedraagt zich tegenover het kleine larfje hoogst merkwaardig. Hij begint het plotseling te verzorgen en hij bouwt er een bijzonder woonkamertje voor. Je vindt zulke larvenhuisjes in de herfst zeer vaak aan de eikenbladeren. Ze zijn zo groot als een kers en worden galappeltjes genoemd, omdat ze er bijna net zo uitzien als kleine appeltjes die rode wangen hebben gekregen. In iedere galappel zit een larfje dat daar behaaglijk van haar bestaan geniet en groeit, want de eik scheidt voortdurend stoffen af die zoet zijn en waarvan de larve groot wordt, tot ze volgroeid is. Zo veel zorgzaamheid hadden we van de eik, na alles wat we over hem hebben gehoord, toch niet verwacht. Maar er moet dan wel eerst iets bijzonders gebeuren.

Ook uit de barsten in de schors scheidt de eik zoete stoffen uit. Dan komen de vliegende herten en likken deze op. Ze vechten met hun geweien om de beste plaats, zodat je het soms heel zacht hoort knarsen. Wie te lomp is, wordt eraf gestoten en valt als een eikel naar beneden.

Je zou dus kunnen zeggen dat de eik tweeërlei soort vruchten heeft. De ene, de eikels namelijk, zijn de zaadvruchten, die de hemel door zijn scheppingkracht geeft, opdat de eik zich verspreiden kan; de andere echter, de galappeltjes kunnen alleen ontstaan wanneer er galwepen aan te pas komen. Dan wordt de eik plotseling teder en zorgzaam als een moeder.

Weer stoten we op een hoogst interessante samenhang in de natuur, want de kracht die hier een vrucht wekt, moet van buiten komen, in de gedaante van een dier en de vruchten die worden gevormd, groeien helemaal op de verkeerde plaats, aan de onderkant van het blad! Waar bij de echte vruchten de zaden zijn, vind je bij de galappels de insectenlarven. Zo erg maakt de galwesp de eik in de war.

Vroeger werden de galappels benut om inkt te maken: de ijzer-gal-inkt. In de galappeltjes zit namelijk een zeer wrang smakende stof, de looistof. Al wanneer je een galappeltje met een mes doorsnijdt, zodat het sap met het ijzer in aanraking komt, krijgt dit een blauw-zwarte kleur. Maar ook in de eikenschors zit veel looistof. Daarom kun je het als run, de looistof, goed gebruiken. Het zorgt voor het looien van dierenhuiden. Het zorgt ervoor dat het leer niet vergaat en trekt het samen. Natuurlijk ontstaat de golvend-bochtige samengetrokken vorm van het eikenblad door de samentrekkende kracht van de eik.

 Rätsel

Welches Tier hat nur vorne
der liebe Gott gemacht,
und hinten macht es
ein Bäckermeister?
Das Ganze springt
auf das erste hinauf.
as andre, denkt euch,
hört zweimal auf!

0-0-0

(niet bij Grohmann:)

Stormwind huilt over ’t heideland,
Jaagt over velden en akkers.
Wuivende wilg aan de waterkant
Fluistert, buigt u o makkers,
bukt u, ritselt de ranke berk.
Ruisend buigen de bomen.

Doch de eik staat trots en sterk,
hei – laat de vlagen maar komen,
zingt ook de stormwind zijn zegelied,
kraken ook takken en twijgen –
Fier sta ik pal en ik sidder niet,
nooit zal mijn kruin zich nijgen!

Stormwind raast voort met woest geweld
ver over bos en weide.
Doch de reus ligt neergeveld op de eenzame heide.

(herkomst onbekend)

*

De gaai is zo Vlaams als het maar kan
Een aantal jaar geleden ontnamen ornithologen de gaai zijn voorvoegsel ‘Vlaams’. Hun argument was dat de vogel oorspronkelijk niet uit Vlaanderen komt. Ze maakten echter een denkfout; de naam verwijst helemaal niet naar de etnische afkomst van de gaai. Taalkundig gezien is hij zelfs familie van de flamingo.
Al in de 14de eeuw trokken Vlaamse lakenhandelaren door Europa om hun vaak kleurrijke stoffen aan de man te brengen. De reizende handelslieden drongen door tot diep in Spanje, waar ze bekend kwamen te staan als Vlamingen, Flamencos. Als vanzelfsprekend werden de vlammend gekleurde stoffen die ze verkochten aan hun herkomst gekoppeld. Vlaams werd synoniem voor bont en kleurrijk.
Vervolgens kwamen de zigeuners naar Andalusië. In hun Spaanse benaming gitanos klinkt een verwijzing naar hun mogelijk Egyptische wortels. Hun afkomst is echter diverser. Ook vanuit het noorden kwamen reizende volken naar Spanje en in navolging van de rondtrekkende handelaren werden ze met Vlaanderen geassocieerd. Ze ontwikkelden een muziekstijl waarin allerlei invloeden weerklonken. Bij hun opzwepende dansen trokken de zigeuners hun mooiste kleren aan, de vrouwen droegen felgekleurde jurken. De baile flamenco is letterlijk de Vlaamse dans. Geen wonder dat ondertussen ook een vogel met prachtige roze en oranje veren het predikaat Vlaams binnensleepte: de flamingo.
Vanuit dit oogpunt bezien is het een groot onrecht dat de gaai met zijn kleurrijke verenpak niet langer als Vlaams door het leven mag gaan. Hij is een van de meest bontgekleurde vogels die in onze omgeving voorkomt en met voorsprong de meest Vlaamse van alle gaaien. Het wordt hoog tijd de naamswijziging ongedaan te maken. Flip van Doorn – Trouw -24 sept. 2016

grohmann-bij-de-eik

terug naar de inhoud

eik

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

31-29

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (24)

 .

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.90, hoofdstuk 24                                                                             alle hoofdstukken
.

LOFLIED OP DE BERK
Wanneer we aan de bomen zouden kunnen vragen wie het meest van de wind houdt en wanneer de wind ons zou kunnen zeggen met welke boom hij het liefst speelt, zou het antwoord zeker luiden: de berk, want zij is de boom van de wind. In dezelfde mate echter, hoort ze ook bij het zonlicht. In de schaduw kan ze niet gedijen en wanneer in de lente het bos zijn bladeren weer krijgt, staan de jonge berken dan niet tussen de donkere sparren, alsof ze zelf licht gaan geven? Het mooiste is hun meigroen in de klare morgenzon. Daar schittert ook de verblindend witte schors van de stam met de zwarte barsten, in sterke mate bij de grond; daar pronkt de lichte kruin zo rein als een jonkvrouw en bij iedere windvlaag wiegt ze zo bevallig, dat de driehoekige blaadjes licht en vrolijk fladderend bewegen.

Zo vinden wij de berk het mooist; zo willen we aan haar denken. Voor de tweede keer is het een genot naar de berk te kijken, wanneer in de herfst de blaadjes lichtend geel verkleuren.
Wanneer je de berk met andere bomen vergelijkt, valt je op dat deze geen echte kruin vormt. Ze heeft weliswaar een hoge stam, maar dan komen meteen de dunne, elastische takken. Daartussen ontbreken de sterke stammen. De berken zouden alleen maar takjes willen hebben die in de wind kunnen wiegen; heel anders dan de eiken, beuken en essen. Aan oude berken zie je de takken in slierten naar beneden hangen. Maar zo vreselijk oud worden berken helemaal niet. Ze willen hun jeugdkrachten bewaren en worden daarom juist zwak als andere bomen pas beginnen hun sterkste en krachtigste stammen en takken te laten groeien.

Zoals de berk haar twijgen door de wind laat wiegen, zo laat ze ook haar katjes bewegen.
Die laat ze daar hangen, nog voor de blaadjes helemaal uitgekomen zijn, want de berk is, in tegenstelling tot de wilg een windbloeier. Wanneer de berk bloeit is het net of ze de vele katjes die aan haar hangen naar omlaag wil laten  regenen. De wind schudt of rukt aan de bengelende stuifmeelkatjes en blaast het stuifmaal door de lucht. De zaadkatjes zijn tegen de bloeitijd veel kleiner dan de stuifmeelkatjes. In het begin staan ze rechtop aan dezelfde twijgen. Gedurende de zomer echter, wanneer ze groter worden en langzaam rijp worden, duikelen ze om en hangen dan aan dunne steeltjes eveneens naar omlaag. En weer is het de wind die de zaden in de herfst verpreidt. Dus is de berk niet alleen een windbloeier, maar tegelijkertijd een ‘windzaaier’.

Zo’n katje heeft ontelbare schubbetjes en daartussen eveneens veel kleine zaadjes. Ieder zaadkorreltje heeft twee perkamentachtige vleugeltjes, zodat die er als een kleine vlinder uitziet. Wat dwarrelen ze licht, deze nietige berkenzaadjes, wanneer de katjes uit elkaar schilferen. Alles aan de berk is even licht, luchtig en beweeglijk.

Zo zien de berkenzaadjes eruit door een vergrootglas. Met hun perkamentachtige vleugeltjes en de twee stempeldraadjes doen ze denken aan kleine insecten.

De berk is een levenslustige en oergezonde boom, zodat je bijna nooit ongedierte op haar vindt. En omdat ze zo gezond is, kun je ook geneesmiddelen uit haar bereiden, zoals bv. de berkenbladthee die zo goed tegen reumatiek helpt. Bij sommige volkeren word je, nadat je in bad bent geweest, met berkentwijgen geslagen, opdat je huid door de gezondmakende berkenstoffen gestimuleerd wordt.
In de meimaand stuurt de berk een zoete en lekker smakende sapstroom vanuit de wortel naar de bladerkruin. Wanneer je rond deze tijd een gat in de stam boort en je steekt er een pijpje in, dan druppelt dit sap eruit. Sommige natuurvolkeren bereiden er wijn uit of passen dat in de verse toestand toe als medicijn, want het schenkt de zieke jeugdkracht.
Wanneer je de jonge berkenblaadjes proeft, merk je de kruidige smaak. Ze hebben namelijk een balsemieke laag. En wie heeft de harsachtige geur nog niet waargenomen die van een berk afkomt! Zelfs de kale twijgjes geuren nog. De berk zweet deze balsemieke stoffen uit, omdat ze geen bloemen en geen vruchten draagt. Ze wil alleen maar bladeren dragen. Daarom verandert ze de stoffen van de bloem en geeft die eenvoudig aan blad en twijg. En in de bast legt ze voedzame stoffen aan, zoals suiker en olie, zodat veel natuurvolkeren die bast malen en meebakken in het brood wanneer de nood aan de man is. Ook juchtolie wordt uit de bast gewonnen. Wij gebruiken van de berk het hout of maken bezems van de twijgen; voor de volken van Noord-Europa en Noord-Azië is de berk echter een boom van levensbelang. Zij wordt in deze streken de grootste weldoenster, zonder wie de mensen helemaal niet zouden kunnen leven. Ook de bast kent vele toepassingen. Kunstig wordt deze afgepeld en dan net zo gebruikt als leer. Tassen, riemen, drinkgerei, ja zelfs schoenen worden ervan gemaakt. Met grotere stukken worden huizen bedekt, want berkenbast is waterdicht en vergaat bijna niet, omdat er zoveel looistof in zit. Dat wordt natuurlijk ook gebruikt om dierenhuiden te looien. Wanneer er een balk in de grond gezet moet worden die lang tegen het vocht bestand moet zijn, wordt deze eerst in berkenbast verpakt, zodat hij niet verrot. In Finland worden de kinderen in wiegen gelegd die uit berkenschors gevlochten zijn. Deze wiegen worden aan lange koorden aan het dak gehangen en er wordt een berkentak aan vastgemaakt, zodat grootmoeder het kind lekker wiegen kan.

Je ziet hoe veelzijdig de berk wordt gebruikt en dat ze voor de mensen van grote betekenis kan zijn. Wanneer je dan nog niet weet dat de berk niet veeleisend is, bescheiden, dat ze strenge vorst net zo kan weerstaan als tijdelijke droogte, zoals geen andere boom, dan moet je haar toch wel hoog aanslaan. De berk loopt niet te koop met haar voordelen en pronkt niet met haar kracht en schoonheid die ze in zich draagt. Wie zoals de berk is, heeft dat ook helemaal niet nodig.

Over de berk zou nog wel meer interessants te zeggen zijn, wanneer die gebieden geschilderd worden die op het noordelijk halfrond liggen. Daar waar het plantaardige van de aarde het af moet leggen tegen het ruwe klimaat.

meer over de berk:  hier
uit: Weledaberichten

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

29-27

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL Grohmann – leesboek voor de plantkunde (20)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.74, hoofdstuk 20                                                                  alle hoofdstukken

 

DE ZILVERSPAR EN DE FIJNSPAR
Beide bomen zijn ons als woudbomen goed bekend, in het bijzonder in de bergen. De schors van de fijnspar, ook gewoon spar genaamd, is in tegenstelling tot de zilvergrijze gladde bast van de zilverspar, roodbruin gekleurd en ruw.
Wanneer je een sparrenbos inloopt, krijg je een heel ernstig gevoel. Je voelt je door een grote rust omhuld en je kunt zelfs niet anders dan je voorstellen dat dit bos er altijd al geweest is, zo oud lijkt het wel. Het ruisen van de sparrenbossen is het zingen van de eeuwigheid. Rechtlijnig en gelijkmatig streven de zuilachtige stammen omhoog. In het bijzonder bij oude bomen treden de stammen steeds duidelijker op de voorgrond.
Wanneer er een loofboom in een naaldbos staat, valt deze door zijn totaal andere takken duidelijk op, ook wanneer hij geen bladeren heeft. Hij vertakt zich en splitst zich in twijgen naar boven toe, als het bloedvatenstelsel in het menselijk lichaam, terwijl bij de spar één stam van de wortel tot de boomtop naar boven reikt. Zijn takken steken naar opzij uit en lijken precies op een paardenstaart in verdiepingen geordend. Daar moeten toch bijzondere krachten in de aarde hun invloed doen gelden; dat deze zo’n gelijkmatige zuilenstam opricht.

Al wanneer je de heel jonge boompjes bekijkt die je vaak onder de oude bomen vindt of die de bosbouwkundige op de kweekbedden of in kwekerijen uit zaden wint, kun je je verbazen over de regelmaat waarmee ze gebouwd zijn. Kijk je er vanboven op, dan neem je een ster waar; zo staan de takken ten opzichte van elkaar; die lager zitten, vormen a.h.w. steeds een kruis met die hoger zitten. Alsof de passer eraan te pas is gekomen, zo is het bij de zilverspar. Denk je er eens over na waar je deze vormen eerder hebt gezien, dan kom je bij de sneeuwvlokken uit. Zo is het dus met de sparren; ze bootsen sterren na en willen net zo gevormd zijn als sneeuwvlokken.
Sterrenbomen zijn het, deze sparren en de gladde stammen streven omhoog naar de sterren.

De sparren hebben hun grote rust en plechtigheid van de rustig langs de hemel gaande sterrenbeelden. Wat een prachtig gezicht wanneer een boom eens helemaal al zijn takken naar alle kanten vrij ontplooien kan. De zon daarentegen, die zomer en winter op de aarde veroorzaakt, heeft niet dezelfde invloed op sparrenbomen als op loofbomen, daarom behouden de sparren ook hun naalden verschillende jaren lang, ze blijven ‘s winters groen en laten hun vruchten, de sparrenkegels, niet in één jaar rijp worden. De naalden zijn de bladeren van de spar. Maar deze naalden zijn in een andere vorm veranderd. Alleen de middennerven zijn overgebleven, terwijl het bladoppervlak samengetrokken is. De naaldbladeren kunnen zich ook niet zo uitbreiden als bij de loofbomen. In het begin kun je nauwelijks geloven dat de sparren tot de bloeiplanten behoren, omdat ze geen bloemen hebben, net zo min als groene bladeren. Ze zetten, wanneer ze willen bloeien en vruchtdragen, eenvoudigweg nog een keer een klein boompje op hun takken, want iedere sparrenkegel is niet anders dan een klein boompje met een stammetje, de spil in het midden.

Schub van een kegel van de fijnspar. Je ziet de twee zaadjes met de vleugeltjes erop liggen.

Daaromheen vind je de schubben in wonderlijke schuine rijen, net als visschubben, geordend. Zo simpel gaat het nog bij de sparren en zo langzaam gaat hun ontwikkeling, dat ze er niet eens toe komen hun zaden in een stengeltje of een zaaddoosje te doen.  Ze leggen ze eenvoudig op de schubben, steeds twee naast elkaar. Deze zaden hebben vleugels. Neem je een tak die sparrenkegels draagt mee naar huis en je legt die een paar dagen lang in een verwarmde kamer, dan drogen ze uit en de schubben spreiden zich uit. Wanneer je ze dan optilt en schudt, zie je iets vrolijks, want onder de schubben dwarrelen honderden gevleugelde zaden tevoorschijn, als kevers of sprinkhanen. Dat daaronder die schubben vetrijke zaden zitten, weten de eekhoorntjes ook. Ze houden de kegels tussen hun voorpoten vast, trekken de schubben eruit, de een na de ander, tot de spil over is. Die laten ze dan naar beneden vallen. De kruisbekken daarentegen, buigen de schubben met hun kruissnavels uit elkaar en maken ze kapot. Zo vinden deze vogels hun voedsel bij de sparren en hoe blij ze zijn hoor je wel, wanneer ze in zwermen door de wouden van de bergen scheren.
In de lente, wanneer de kegels maar een paar centimeter groot zijn, zien ze er bij de spar wonderbaarlijk donkerrood uit en staan daar als gloeiende kaarsen op de donkergroene takken. Wat een prachtig gezicht!
In deze staat moet je de kegels als bloeiwijze beschouwen. Later kleuren ze groen en worden ze groter en zwaarder. De spar heeft niet de kracht ze overeind te laten staan en ze kiepen om en hangen naar beneden. De zaden vallen eruit, zo lang de kegels nog aan de boom hangen. Dan vallen ze eraf.

Heel anders gaat het toe bij de zilverspar. Deze sterke en mooie boom laat zijn grote en zware kegels rechtop staan. Je ziet ze alleen veel minder vaak, omdat ze heel hoog bovenin staan. Ze vallen ook niet in z’n geheel naar beneden, zoals bij de spar, maar vallen aan de boom al als blaadjes uit elkaar. Daarom vind je de kegels van de zilverspar niet zo gauw.
Zo gaan de bloemen van de sparren langzaam over in vruchten, eenvoudig doordat ze groter worden en verhouten.
Alle naaldbomen, jeneverbessen en taxussen incluis, hebben zulke houtachtige vruchten, zo verhard zijn ze. Wie oplet kan vaststellen dat de sparren zeker niet elk jaar even krachtig bloeien en vruchtdragen. Er zijn echt uitgesproken sparrenjaren.
Tot de bloem behoren echter ook de meeldraden. De sparren plaatsen die op aparte, veel kleinere, gelige kegeltjes. Je vindt deze stuifmeelkegels of meelkatjes in het voorjaar in grote massa’s aan de uiteinden van de twijgen. Ze doen je in de verte denken aan de sporenkegeltjes van de paardenstaarten.
Alleen al wanneer je tegen een twijgje tikt en wanneer het waait, trekken hele wolken stuifmeel door het bos. Dus zijn de sparren windbloeiers.
In sommige jaren kan het voorkomen dat de hele omgeving door dit stuifmeel geel bepoederd is. Wanneer de stuifmeelkegeltjes dan leeg zijn, vallen zij meteen af en liggen in het bos verspreid in het rond, verdroogd en bruin.

Twee kiemplantjes van de zilverspar. Hier staan de kleine kiemblaadjes net zoals de eerste naalden al mooi in een zesster .

De naaldbomen waartoe de sparren horen, zijn de eerste gewassen op de ontwikkelingstrap van het plantenrijk, die het stuifmeel en het zaad duidelijk onderscheiden. Omdat ze geen sporen meer vormen, moeten ze tot de bloeiplanten gerekend worden. Het beste kunnen ze zaad vormen; daarom zou je ze beter zaadplanten kunnen noemen. De lariks en de jeneverbes hebben zelfs sappige vruchten.

Iets belangrijks echter mag je niet vergeten, wanneer je aan de sparren denkt: het hars en de lekker ruikende olie van de naalden. Maak je een wond in een spar dan druppelt het hars eruit. In de lucht verhardt het tot barnsteen. In het hout, in de schors, ja zelfs in de groene kegels is het aanwezig, kortom de hele boom is ervan doordrongen. Het hars maakt dat het hout voortreffelijk brandt; de vlam krijgt er de helle schijn van. Bij de zilverspar komt het hars niet in het hout terecht, alleen maar in de schors; in het hout zitten andere stoffen, zoals terpentijn, dat ook brandbaar is. Samen met de vluchtige naaldolie geeft het de takken en twijgen een balsemachtige geur. Vooral wanneer je dit hout in het vuur gooit ruikt het heerlijk.
Een groot wonderlijk geheim zit in de geur van het hars en de aroma van de vluchtige naaldolie verborgen. Het is toch niet anders dan de veranderde, omgevormde bloemengeur die we daar waarnemen en de lichtkracht van de vlam is niets minder dan een bloem die in het inwendige van de boom vastgehouden wordt en nu naar buiten oplicht. We hebben al gezien dat de sparren bij al hun schoonheid en hun verhevenheid toch erg traag zijn, langzaam als de loop der sterren. Ze spelen het niet klaar kleurige kronen en geurige bloemen voort te brengen. Voor ze zover komen, zijn ze al aan het verhouten ten prooi gevallen en de bloemstoffen blijven in het hout, onder de schors en in de naalden steken. Je kunt ze met je ogen niet zien, deze betoverde bloemen en wil je ze desondanks aan het licht brengen, dan moet je het hout aansteken. Een hel oplaaiende vlam is de bloem van de naaldbomen. Zo staan ze voor ons, deze betoverde wezens en niemand begrijpt ze, die hun geheim niet kent.

Stil en zwijgend sparrenbos, we houden van je; wij vereren je en jij toont ons hoe geheimen van de hemel, verborgen in het innerlijk, toch helder en rein kunnen zijn.

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

25-23

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.