VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (23)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.84, hoofdstuk 23                                                                       alle hoofdstukken

.

DE WILG
Wilgen groeien heel graag langs de oevers van beken, aan de loop van rivieren, aan de rand van vijvers en waar verder nog veel vocht in de bodem zit. Ze groeien snel, maar zijn daarom niet zo markant en ook niet zo sterk als beuken en eiken en ze worden niet oud. Aan de wilgen kun je goed zien dat boomstammen omhooggestuwde aarde zijn. Ze brokkelen makkelijk af en vermolmen gauw, zodat ze hol worden. Dan kun je de vermolmde lagen er met de hand uitkrabben. Alleen onder de bast blijft het hout jong en levend, ook wanneer de stam van binnen al zowat vergaan is. Wilgenhout is heel zacht, behalve om het op te stoken is het niet van veel nut en er leven ook heel wat insectenlarven in, die het onbruikbaar maken, zoals bijv. de vette wilgenhoutrups.
Je hoeft in het voorjaar alleen maar afgesneden wilgentenen in de grond te steken, of ze krijgen wortels en bladeren en na een paar jaar zijn daaruit nieuwe wilgenstruiken ontstaan, ja zelfs in een vaas krijgen de tenen wortels.
De katwilg of griendwilg of teenwilg met de smalle witviltige blaadjes wordt op heel natte bodem gestekt, want hij moet die lange, dunne tenen krijgen. Elke twee tot drie jaar kunnen ze geknot worden. Omdat ze zacht en buigbaar zijn, worden ze gebruikt om manden van te vlechten of om hoepels voor vaten van te maken of om bezems van te binden. Ze mogen alleen geen zijtwijgen hebben, want anders breken ze. Wanneer de wilgen vaak worden geknot, dan worden de stammen aan de bovenkant steeds dikker. Zo ontstaan de knotwilgen, die dus geen natuurvorm zijn, maar een door de mens verkregen boomvorm. Wat een spookachtige indruk maken ze, wanneer ze ’s avonds in de nevel opdoemen. Je denkt dat je de elfenkoning met zijn gevolg ontmoet.

De bladeren van de wilg zijn heel eenvoudig en toch kun je verbaasd zijn, hoeveel verschillende soorten er zijn.

Bladeren van verschillende wilgensoorten. Links de griendwilg, rechts de waterwilg.

De bladeren van de katwilg zijn lang en dun; breed, eivormig die van de waterwilg en daartussen staan alle mogelijke overgangen, grote en kleine. Ook de twijgen van de verschillende soorten zijn verschillend. Sommige zijn dan dun en wiegen in de wind zoals bij de treurwilg; andere zijn sterker en dikker, zoals bij de waterwilg; een paar hebben een rode schors, andere een gele en weer andere zien er gewoon groen uit. Zo is het ook met de katjes die in het voorjaar uitkomen. Grote en heel kleine, lange, smalle en kort en gedrongen kun je ze vinden. Iedere wilgensoort heeft echter haar bijzonderheid. Omdat het water met de wilgen speelt, daarom zijn er zoveel verschillen. De plantkundigen hebben wel meer dan 30 inheemse soorten geteld.

Zo gauw de zon warmer gaat schijnen, breken de zijdeachtige katjes open. Ze hoeven bijna niet te groeien, maar zich alleen maar te strekken, zodat de harde bruine huls, waarin ze de winter doorgebracht hebben, te klein wordt. Het is voor de wachtende mens het eerste voorjaarsteken wanneer ze daar lichtend verschijnen.
Deze katjes zijn de bloemen van de wilgen. In vele opzichten kun je ze nog met de kegels van de sparren vergelijken – niet hun uiterlijk – want ze zijn heel anders, maar wel hun opbouw. Ook ieder wilgenkatje heeft in het midden een klein stammetje en blaadjes eromheen. Nu zijn het echter bij de wilg geen kegelschubben, maar echte, heel kleine bloemblaadjes, zwartachtig van kleur.

Wie een katje uit elkaar haalt, kan ze duidelijk zien en leert tegelijkertijd hoe het zijdeachtige bekleedsel van de wilgenkatjes ontstaat. De blaadjes dragen namelijk lange, fijne wimperhaartjes aan de randen. Die zijn het, die samen het wonderlijke huidje maken. Maar de katjes hebben ook meeldraden en stampers. Pas als de katjes er al een paar weken zijn, breken deze bloemdelen door. Omdat de wilg een tweehuizige plant is, zijn de meeldraden en de stampers over verschillende bomen verdeeld. Er zijn dus wilgen met katjes die alleen maar meeldraden hebben en andere die alleen maar stampers hebben en geen meeldraden. De stuifmeelkatjes herken je aan het in de wijde omtrek oplichtende geel van de stuifmeelknopjes, de stamperkatjes daarentegen, zien er onopvallend groen uit. Opnieuw word je aan de sparrenkegels herinnerd, wanneer je de goedgeordende schuinlopende delen van de talrijke meeldraden en stampers ontdekt. Dat komt natuurlijk door de regelmaat waarin de bloemblaadjes staan. Voor de bijen zijn allebei de katjes even begerenswaardig, want onderin, bij zowel de meeldraden als de stampers, zitten nectarkliertjes.

Links een stamperbloesem, rechts een stuifmeelbloesem van de waterwilg. Iedere bloesem draagt een blaadje onder zich. De tere franjes van de vele blaadjes van de katjes vormen samen het haarkleed. Je ziet ook de nectarklieren aan de korte bloeistelen. In het midden een opengesprongen zaadkapsel. De zaden worden doorde wind meegedragen, omdat ieder zaadje een klein kuifje heeft.

Wat een gezoem en gegons in de bloeiende wilgen, wanneer op warme lentedagen de zon naar omhoog straalt. Het zijn de bijen die voor het eerst weer uitvliegen dat jaar. Bij de wilgen vinden ze wat ze zoeken. IJverig woelen ze in de katjes rond met hun zuigmondjes om bij de nectar te komen. De geur van de bloemen heeft ze aangetrokken en nu brengen ze een bezoek aan de stuifmeel- en stamperkatjes. Zo brengen zij het kleverige stuifmeel over op de stempels van de stampers en voltrekken de bestuiving, zonder daar zelf weet van te hebben.
De imker slaat de wilgen daarom hoog aan en plant graag  struiken in de buurt van zijn korven, omdat de katjes de eerste en vrijwel de enige bloemen zijn die de bijen kunnen vinden, wanneer ze na de lange winterrust hongerig naar voedsel uitvliegen. Wie zou er onnadenkend wilgentwijgen afbreken.
Na het bloeien vallen de stuifmeelkatjes af, want ze hebben hun opdracht vervuld; de stamperkatjes ontwikkelen zich verder. Ze worden aanzienlijk groter, zodat je de stamper duidelijk kan zien, terwijl het zwarte pelsje verdwijnt. Uit elk van de vele stampers ontstaat een klein zaadkapsel. In mei springen deze open en wat er naar buiten komt, zie je, wanneer de struik zijn groene blaadjes begint te ontplooien. Er verschijnen louter kleine wolvlokjes aan de takken. Dat zijn de plantenharen waarmee de wilg zijn zaden verspreidt. De wind komt en blaast ze uiteen, want hij is naast het water, de tweede helper van de wilgenstruik.

Waar wilgen groeien is het meestal windering, daarom zijn de wilgentenen ook zo soepel en buigzaam.

Wie het hooggebergte kent heeft weleens die merkwaardige dwergwilg gezien die daarboven voorkomt. Ze kunnen zich niet oprichten, maar laten hun takken en twijgen op de grond of op de rotsen kruipen. Wanneer je het niet weet, kom je niet op de gedachte dat je voor een struik staat, want deze ziet er enkel uit als een terneergedrukte plag die uit veel blaadjes met natuurlijk de kleine katjes bestaat.

Als je echter nauwkeurig onderzoekt, ontdek je makkelijk de wat verstopte houtige delen die alle in een gemeenschappelijke wortel en in een heel kort stammetje samenkomen. In het hooggebergte heeft de aarde weinig kracht om iets op te richten; ook de wilgen hebben hier te weinig eigen kracht in zich, zodat ze de takken en twijgen maar tot wortels omvormen. Van boom tot omlaaggedrukte dwergstruik moeten ze zich laten omvormen.
Zoals de aarde het wil, zo moeten ze zijn, in het dal is het anders dan in het gebergte.

Wie als een wilg is, kan zich ook snel aanpasen, maar het ontbreekt hem wel aan eigen kracht. Spoedig wordt hij kruimelig en hol.

Grohmann geeft ook een gedicht van Christian Morgenstern, waarvan ik geen vertaling hebben kunnen vinden, ook niet gemaakt.

Weidenkätzchen

Kätzchen ihr der Weide
wie aus grauer Seide,
wie aus grauem Samt!
O ihr Silberkätzchen,
sagt mir doch, ihr Schätzchen,
sagt, woher ihr stammt.

‘Wollens gern dir sagen:
Wir sind ausgeschlagen
aus dem Weidenbaum,
haben winterüber
drin geschlafen, Lieber,
in tieftiefem Traum.’

In dem dürren Baume
in tieftiefem Traume
habt geschlafen ihr?
In dem Holz, dem harten,
war, ihr weichen, zarten,
euer Nachtquartier?

‘Musst dich recht besinnen:
Was da träumte drinnen,
waren wir noch nicht,
wie wir jetzt im Kleide
blühn von Samt und Seide
hell im Sonnenlicht.

Nur als wie Gedanken
lagen wir im schlanken
grauen Baumgeäst;
unsichtbare Geister,
die der Weltbaumeister
dort verweilen lässt.’

Kätzchen ihr der Weide,
wie aus grauer Seide,
wie aus grauem Samt!
O ihr Silberkätzchen,
ja, nun weiss, ihr Schätzchen,
ich, woher ihr stammt.

Ook geeft hij nog een raadesl op:

Erst summt’s und brummt’s
wie eine Orgel,
dann fliegt das Haar ihm fort.
Zuletzt kommt’s in die Stube
und ringt die Hände.
Der Kopf bleibt draussen stehen,
beschneit in Winternächten

terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

28-26

.

Advertenties

5 Reacties op “VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (23)

  1. Pingback: WAT STAAT OP DEZE BLOG | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: GROHMANN: LEESBOEK VOOR DE PLANTKUNDE-inhoud | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – Heemkunde – klas 1 | VRIJESCHOOL

  4. Pingback: VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (27) | VRIJESCHOOL

  5. Pingback: VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (55) | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.