Tagarchief: levensboom

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (9)

.

Loïs Eijgenraam*, Vrije Opvoedkunst, maart 2016

.

Pasen   De levensboom

Palmpasen. De kinderen lopen met een tak van hun levensboom, de palmpaasstok, zingend van de haan op het stokje, de eieren bim bam beieren en de Paashaas die spoedig zat komen. Over een paar weken dansen zij om een andere tak van hun levensboom, de meiboom bij het Pinksterfeest.

Deze keer staan wij in de jaarfeestenrubriek stil bij de levensboom. De boom des levens.

Paradijs

In Genesis lezen wij over Adam en Eva die leven in het Paradijs. In het Paradijs staat de boom des levens en de boom van kennis van goed en kwaad. De boom des levens is niet alleen om naar te kijken, maar ook om van te eten. Adam en Eva leefden, net als het jonge kind, nog in een paradijselijk stemming waarin alles goed is, waar de onschuld is en waar de mens ononderbroken gevoed wordt door de levensboom. De vruchten van deze levensboom zijn geen gewone vruchten met levenskrachten, maar krachten van het eeuwige leven.

Adam en Eva mogen niet eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Als zij de verleiding niet kunnen weerstaan en toch van de boom eten, worden zij uit de paradijselijke stemming verdreven. In het evangelie wordt dit beschreven als ‘de zondeval’. Na de zondeval is de levensboom niet meer bereikbaar voor hen; hij wordt afgegrensd door een muur van vuur, waar Cherubijnen met een vlammend zwaard de wacht houden en de boom bewaken. Vanaf dat moment doet de dood haar intrede.

De boom in de mens

Rudolf Steiner beschrijft in voordrachten dat ieder mens beide bomen in zich draagt. Hij noemt het centraal zenuwstelsel van de mens een verschrompeld product van de oorspronkelijke boom van kennis van goed en kwaad. De wortels verbeelden de hersenen, de stam de ruggengraat en de vertakkingen ervan zijn verspreid over ons gehele lichaam.

De andere boom, de boom des levens dragen wij volgens Steiner ook als beeld mee in ons fysieke lichaam, het vegetatieve of autonome zenuwstelsel. Dit zenuwstelsel regelt alles in ons lichaam dat samenhangt met de spijsvertering, het hart, onze bloedsomloop.

De mens is in alle culturen, wereldwijd op zoek naar de levensboom.

In oude culturen zien wij rituelen rondom bomen. In bomen zouden (bescherm)geesten huizen. Bij bomen werden vroeger rechtszittingen gehouden en werden cultussen voltrokken.

Ook van de aartsvader Abraham wordt verteld, dat hij van boom tot boom trok en op al deze plekken ontmoetingen met de geestelijke wereld beleefde.

Adam en Golgotha

Wij gaan weer terug naar Adam. Adam wordt ouder en is stervende. Seth, zijn zoon gaat terug naar het Paradijs om geneeskrachtige olie voor Adam te zoeken. Een cherubijn opent de hemelpoort voor Seth en brengt hem bij de plaats waar de boom van de kennis van goed en kwaad en de boom van het leven ineengestrengeld samen verder zijn gegroeid. Dan verschijnt de aartsengel Michael voor Seth en spreekt: “Nog niet is de tijd gekomen dat Adam is genezen van de zondeval.

Op de nieuwe Adam, de Verlosser, zal de aarde nog vele duizenden jaren moeten wachten. Maar ik geef je toestemming om drie zaden van deze twee samengegroeide paradijsbomen voor de toekomst van de aarde mee te nemen”.

Seth ging terug naar de aarde waar Adam reeds gestorven was. Adam werd, nadat Seth de drie zaden in de mond van Adam had gelegd, begraven op Golgotha. Uit het graf groeide een vlammende struik die, nadat deze gesnoeid werd, steeds weer nieuwe twijgen en bladeren ontwikkelde. In de vlammende struik stond geschreven: ’ik ben die ik was, die is en die komen zal’.
Dit is een beeld van de mens die komt, sterft en weer op aarde komt. De mens komt uit het licht, gaat door de duisternis en keert weer terug naar het licht. De drie zaden van de twee ineen gegroeide bomen uit het Paradijs verbeelden deze drie geestelijke groeikiemen van de mens: komend uit het licht, gaand door de duisternis en weer terugkerend tot het licht.

Er wordt verteld dat van het hout van de struik die op het graf van Adam groeide, de kribbe van het Jezuskind is gesneden en 33 jaar later ook het kruis voor Christus op de berg Golgotha is gemaakt. Het kruis op Golgotha kan als een beeld voor de mens zijn, namelijk dat het kruis waar Christus aan stierf ook een opstandingslevenskruis is, ontsproten uit de boom des levens.

In de kunstgeschiedenis kunnen wij dit beeld ondermeer herkennen in de zogenaamde stenen (zonne)kruizen.

Stenen kruizen

Op vele stenen kruizen zien wij beelden en afbeeldingen van druivenranken, vogels die zingen in de takken, bloeiende rozen. Vlechtmotieven verbinden de vier windstreken en de vier seizoenen en daarmee de vier grote jaarfeesten. In het midden straalt de zon, beeld van het eeuwige leven die alles tot een samenhangede eenheid brengt in de beelden op deze kruizen.

In Ierland, maar ook in Turkije en Armenië, zijn stenen kruizen die dateren uit de 9de eeuw na Christus. Deze stenen kruizen staan op strategische punten geplaatst: bij wegen die elkaar kruisen, deuren van kerken, bij poorten en bij graven. De stenen hadden als opdracht de mens te herinneren aan zijn oorsprong en doel. Daarom werden het levenschenkende kruizen genoemd.

Het lijnenspel van de vlechtmotieven op deze kruizen zijn een beeld voor het levende denken van de mens. Ook in ons denken kunnen wij de draden en lijnen uit het verleden en heden tot een harmonisch patroon naar de toekomst gericht, vlechten. In het vlechten van deze levensdraden wordt de tijd in de ruimte verbeeld en daarmee zichtbaar gemaakt.

Rond 1900 is een spreuk opgeschreven die vrouwen in Schotland, op de Hybriden eilanden, uitspraken bij de haard, waar zij drie turfblokken in de vorm van een wiel in de haard hadden gelegd. Het eerste blok voor de God van het Leven, het tweede blok voor de God van de Vrede en het derde blok voor de God van de Genade. Daarna strooiden ze er een beetje as over uit, nooit zoveel dat het vuur zou doven.

De heilige Boom,
Die behoedt,
Die beschermt,
En omhult,
De haard,
Het huis,
De huishouding,
Deze avond,
Deze nacht,
Oh, deze avond,

Deze nacht,
En iedere nacht,
Iedere afzonderlijk nacht.

Palmpasen. De kinderen lopen met hun stokken door het land, een twijgje van de levensboom. Dit artikel eindigt met een gedicht van Albert Steffen.

Laat ons de bomen beminnen,
de bomen doen ons goed.
In al hun groene twijgen,
stroomt God zijn levensbloed.
Eens wilde ‘t hout verharden,
toen hing Christus er aan.
Dat wij ons zouden laven,
een eeuwig leven brak aan.

.

*Met toestemming van de auteur Loïs Eijgenraam

Boeken van de auteur

Website Loïs Eijgenraam

School voor antroposofische kinderopvang

.

Het verhaal over de drie zaden is te vinden in: ‘En het werd licht‘ van Jakob Streit
.

Palmpasen en Pasen: alle artikelen
.
VRIJESCHOOL in beeld: Palmpasen

.

1782

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (26)

.

DE LEVENSBOOM

Knipsels voor bijzondere gebeurtenissen

Zonnewende, 21 juni, midzomer­nacht. Het licht wil maar niet wijken, niemand gaat naar bed. Als het weer mee zit, blijven we allemaal laat bui­ten. De kamperfoelie geurt, de rozen­struiken zijn zwaar van de bloemen, de bomen staan dik in het groen en keren hun jongste loten naar ons toe. Het kon niet op sinds de lente. In weer en wind zijn alle planten onstui­mig gegroeid en uitgebot, maar nu heeft de zon dan toch haar hoogte­punt bereikt, en daarmee de groei­kracht ook.
Dan komt Sint-Jan, het feest van de omme­keer, van de wending. We vieren het hoogte­punt, de overvloed die ons gegeven werd. Maar we vieren het in het licht van de rijpingstijd die komen gaat. De planten vormen hun zaden, zetten het licht om in levens­kracht voor het volgende jaar. Wij nemen een pauze, adempauze, gaan met vakantie en be­raden ons intussen op wat we daarna zullen gaan doen. Het licht van buiten slaan we op in onszelf om het als zoeklicht in de donkere maanden te kunnen gebruiken. Sint-Jan is een natuurfeest bij uitstek. Waar­om? Allereerst omdat het een midzomerfeest is en wij al het bloeiende om ons heen ge­woon niet uit de viering weg kunnen denken. Verder heeft Johannes de Doper zelf ook een duidelijke verwijzing naar de natuur ge­geven toen hij zei: ‘De bijl is aan de wortel der bomen gelegd’. Het oude waarop we ver­trouwden is aangevreten, we moeten een nieuwe, eigen weg zoeken. Dat Johannes het boommotief kiest voor de­ze boodschap is allerminst verwonderlijk. Met zijn kruin in de hemel reikt hij naar het licht dat hij nodig heeft om te leven, tegelij­kertijd is hij stevig geworteld in moeder Aar­de waar hij zijn voedsel vandaan haalt. Beide zijn nodig voor de groei, ook voor de geeste­lijke groei van een mens. Als in de wortels wordt gehakt, wordt de ontwikkeling be­dreigd, moeten we naar iets anders gaan uit­kijken.

De boom komt als levensboom of kosmische boom in de mythologie van vele culturen voor. Hij dringt door tot de drie sferen van de hemel, de aarde en de onderwereld en weerspiegelt daarmee de kosmos. Hij is on­derhevig aan de wetten van de organische ontwikkeling, zoals de wisseling der seizoe­nen en wordt beleefd als de microkosmos, die de macht van het heilige belichaamt. Door zijn jaarlijkse ‘dood’ en ‘wedergeboor­te’ verbeeldt een boom de voortdurende rege­neratie van alle leven.

We kennen uit sprookjes ook de boom die redding brengt in een hopeloze situatie en waarvan de vrucht met moeite kan worden veroverd. Een tak moet geplukt of dient ter bescherming tegen boze machten. Uit de cul­tuur van de Indianenstam Sioux is het ver­haal bekend van de medicijnman en ziener Zwarte Eland die, toen hij negen jaar oud was, een visioen had waarin hij werd meege­nomen naar het middelpunt van de wereld. Daar ontmoet hij het centrum van de schep­ping, de voorvaderen die ‘alle wezens op aar­de met wortels, benen en vleugels hebben ge­maakt’. Zij verschijnen aan hem als oude mannen, ‘oud als de bergen’, als de sterren en als de paarden van de vier windstreken. Van hen krijgt hij een boog, het kruid van macht en verstand, een vredespijp en een tak van de levensboom. Het was een bloeiende tak die leefde en aan de uiteinden nieuwe lo­ten gaf. Aan deze loten kwamen vele blaad­jes die ritselden en in het loof begonnen de vogels te zingen. ‘Deze zal in het middelpunt van de kring van de natie staan’, zei de voor­vader. ‘Een stok om mee te wandelen en een hart voor het volk en door jouw krachten zul je hem tot bloei doen komen.’
In de Edda wordt door een zieneres de le­vensboom Yggdrasil beschreven: ‘Ik ken de negen werelden, negen sferen die  bedekt worden door de wereldboom. De boom die geplant is in wijsheid en die wortelt in de schoot der aarde. Ik ken een esp die Yggdra­sil heet. Die grote boom is nat van wit water. Daaruit stijgt de dauw die in de dalen valt. Hij groeit eeuwig groen naast de bron van Urd’. Bij de voet van de boom ontspringt de bron van de herinnering. Terwijl drie schikgodinnen de wortels dag en nacht water geven wordt er door de reuzenslang Nidhuggur voortdurend aan geknabbeld. De levensboom als wereldas, als Axis Mundi die middenin het universum staat, het stille punt waar alle schepping vanuit gaat wordt uitgebeeld in de Boeddhistische stoepa’s. De ene kant is bevestigd aan de poolster of de zon als vast punt waar de andere hemellichamen omheen draaien. Vanuit dat punt gaat hij dwars door de verschillende niveaus van het zijn tot in de onderwereld. Onder deze kosmische boom kreeg prins Sidhartha, toekomstige Boeddha, zijn verlichting. In het Nieuwe Testament beschrijft Johannes de Evangelist de levensboom die aan het einde der tijden in het midden van de hemelse stad Jeruzalem zal staan. ‘En de Engel toon­de mij een rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon van God en van het Lam. Middenop haar straat en aan weerszijden van de rivier staat het ge­boomte des levens, dat twaalf maal vrucht draagt, iedere maand zijn vrucht gevende; en de bladeren van het geboomte des levens zijn tot genezing der volkeren.’ [Openbaring v Joh.22]
De bloeiende amandelboom stond model voor de levensboom zoals die in de joodse traditie werd uitgebeeld. Mozes kreeg de op­dracht naar haar voorbeeld de zevenarmige kandelaar, de Menorah, te maken. Deze boom van licht omvatte de zeven bekende planeten zon (schoonheid), Venus (pracht), Mars (vastheid), Mercurius (grondvest), maan (koninkrijk), Saturnus (oordeel) en Jupiter (liefde).
De Menorah werd vaak uit papier geknipt en tezamen met andere symbolische knipsels opgehangen aan de oostmuur van het huis, de muur die naar Jeruzalem wees, en die ook de richting aangaf waarin men zich voor ge­bed opstelde.

st,jan levensboom 2
Joods knipwerk stoelt op een oude traditie. Al in de veertiende eeuw leefde in Spanje een zekere Rabbi Shem Tov ben Yitzhak ben Ardotiel die een verhandeling schreef, of lie­ver, knipte. Sindsdien is knipwerk bekend uit alle joodse centra, dat wat betreft vorm en onderwerp opvallend veel overeenkomst vertoont.

st. jan levensboom

De levensboom vormt erin een vast motief, naast de Davidsster en de Kroon. He­breeuwse letters verwijzen naar teksten uit de Talmoed. Het is niet onwaarschijnlijk dat gevluchte Portugese joden uiteindelijk de knipkunst in Nederland overbrachten. De meeste knipsels hier werden ter gelegen­heid van een gebeurtenis gemaakt, die bij­zondere betekenis had voor het gezin of de familie zoals een geboorte of een bruiloft. In de loop van de zeventiende eeuw ontwikkel­de zich de knipkunst in Nederland tot een ware volkskunst waarvan in verschillende musea nog de resultaten te bewonderen zijn. Voor diegenen die het knippen weer willen oppakken, bijvoorbeeld om een levensboom te knippen geef ik hier een paar praktische richtlijnen. Ze zijn ontleend aan het boekje Leer knippende zien van I.G. Kerp-Schlesinger (Cantecleer, De Büt 1977).

st,jan levensboom 4

–  Neem zwart, mat papier, ongeveer zo dik als het papier van een schoolschrift.   Sitspapier is door het lichteffect minder geschikt.

–  Als schaar wordt een rechte, slanke schaar gebruikt, die ook voor knipwerk gereser­veerd moet worden, er mag namelijk geen enkele onregelmatigheid op de bladen ko­men. De schaar moet soepel lopen.
–  Houd wat behangerslijm bij de hand in ge­val er iets teveel is weggeknipt. Er kan aan de achterkant van het knipwerk een stukje wor­den bijgeplakt om de fout te herstellen.
–  Het knippen begint waar de bladen van de schaar elkaar kruisen. Sluit de schaar niet zover dat de spitse punten elkaar raken. Dan komen er hapjes in de lijn die geknipt wordt.
–  Een knipper begint onderaan zijn werkstuk. De hand met de schaar verandert nauwelijks van richting, maar het papier wordt steeds gedraaid. De ene hand duwt dus langzaam de bladen van de schaar tegen elkaar terwijl de andere vlug het papier heen en weer be­weegt.
–  Bij een vouwknipsel (een papier wordt doormidden gevouwen en langs de vouwlijn dubbel geknipt) kunnen met potlood hulp­lijnen worden getrokken evenwijdig aan de vouwlijn die het gemakkelijk maken de fi­guren even groot te maken.
–  Symmetrie speelt in veel knipwerk een gro­te rol vandaar dat vele knipsels als vouwknipsels gemaakt worden waardoor je vanzelf de linker- en rechterkant van het papier hetzelf­de bewerkt. Begin met de middelste vorm en knip de buitenlijn van je figuur. Met nieuwe vouwlijnen kun je binnen iedere helft weer nieuwe symmetrie inknippen. Daarin is het belangrijk dat er een goede verhouding ont­staat tussen uitgeknipte en uitgespaarde vlak­ken. Je een voorstelling vormen van de fi­guur die je wegknipt kan daarbij een grote steun zijn.

st.jan levensboom 20005
–  Wil je uit een vorm een binnenvorm weg­knippen, houd dan even je vinger achter het papier zodat het niet uitscheurt.
–  Door een en dezelfde figuur gelijktijdig uit verschillende op elkaar liggende vellen papier te knippen heb je materiaal voor samenge­stelde composities die je later in kunt voe­gen.
– Tenslotte: eerst oefenen met eenvoudige vormen, een hartje, een denneboom, een vlinder.

Wie weet, als het erg hard regent op Sint-Jan, dan knippen we onze eigen levensboom uit in zwart papier!

 Willemijn Visser ’t Hooft, ‘Jonas’ 22, 22 juni 1984

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

203-193

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (3)

.

‘DRIE EI IS EEN PAASEI’
De dood schenk het leven

Er is een tijd geweest, waarin de mensen de veranderingen in de natuur meebeleefden: het verwelken van het leven in de herfst, het ontwaken van de natuur in de lente. Men nam echter niet alleen de uiterlijke feiten als buitenstaander waar, maar men liep de kring­loop van het jaar zelf met zijn hele wezen mee. — Wat gaat er om in de mens als hij zijn lichaamskracht voelt afnemen? Wat gaat er om in de kinderziel, als zij de levenskrachten in zich voelt ontwaken?

Toen de eerste christenen de kruisdood en de herrijzenis van Christus gingen herdenken, toen konden zij nog meemaken, hoe in de lente hun eigen leven opging in dat van de uiterlijke wereld. Hun religieuze belevenis, hun gevoel van verbonden te zijn met een hogere, bovenzinnelijke wereld inspireerde hen echter tot de gedachte: ‘De goddelijke wereld is in ons in het graf gelegd, maar hij is opgestaan. – Hem kan men begraven, zonder dat hij te gronde gaat.’

Doch hoe beleven wij in deze tijd nog de kringloop der seizoenen? Ons leven wordt steeds meer air-conditioned. De heb- en ge­makzucht verblinden ons, en als wij door de zichtbare wereld proberen heen te kijken naar een toekomst, dan zien we slechts ziek­te, dood en… niets. Dan wordt iedere religie een fopspeen, iedere bewering over een bo­venzinnelijke wereld, over een wereld achter de dingen een zoethouwertje.
En toch: alles wat wij verwachten van een sociale vernieu­wing, van een verbetering van onze maatschap­pij, het zal alleen dan mogelijk zijn, als de mensheid opnieuw en nu zeer bewust geïn­spireerd wordt door de gedachte, dat al het natuurlijke, het zintuigelijk waarneembare in directe samenhang staat met het morele, met het geestelijke. Het kan voor iemand die even dieper kijkt toch geen stom toeval zijn, dat hij hier in deze wereld is, dat zijn om­standigheden zijn zoals ze zijn. Hij zal zich afvragen: ‘Welke rol speel ik zelf in dit alles?’ – En dan heeft hij zichzelf en daarmee de wereld achter de dingen reeds ontdekt. Want als iets beweegt, als er iets gebeurt, dan moet er iets zijn, dat het in beweging brengt, dat het tot een feit maakt. In het zegenbrengende licht van de lentezon kan de bewust den­kende mens, als hij het wil, opnieuw de reali­teit ervaren van een wereld, die goddelijk, geestelijk, occult, bovenzinnelijk, achter de dingen is. Hoe men die wereld ook wil noe­men: voor de christen is dat de wereld die Christus voor de mens heropend heeft.

Christus heeft de mens de mogelijkheid ge­geven om zélf de hel van het niets, de ziekte en de dood te overwinnen. Door Zijn daad zette Hij in de plaats van de leugengestalte van de dood-als vernietiger de ware, werke­lijke gestalte van de dood-als-schenker-van-le­ven.

Toen de mens deze wereld achter de dood nog, zij het meer onbewust, kon beleven, ontstonden de oeroude, voorchristelijke ge­bruiken. Wat is de zin ervan? Het zijn alle­maal symbolen, beelden voor datgene wat eigenlijk niet in woorden kan worden weer­gegeven. Deze beeldentaal gebruikt ook de mythologie, gebruiken ook de sprookjes.

Paasei
Probeert u eens even te vergeten wat een ei is. Het is op het eerste gezicht – een witte gepolijste steen. En dan, nadat de hen het 21 dagen heeft bebroed, komt er een levend wezen, een kuiken uit te voorschijn. Een be­ter beeld voor het wonder der opstanding uit de dood is nauwelijks denkbaar. Dit schijn­baar dode ding heeft dus leven in zich! Heb­ben zo alle dingen niet een onzichtbare kracht in zich? De graankorrel, de boon, de plant, de boom, het water, de lucht, de aarde en het zonlicht? En de mens, die wij zien groeien en bewegen, zal die niet op zekere dag voor ons een nieuwe, niet vermoede kracht kunnen openbaren?
Veel mensen beginnen zich bewust te wor­den, dat de gebeurtenissen waarmee zij wor­den geconfronteerd, evenzeer als hun eigen beslissingen geen toevalligheden zijn. De mens draagt nog altijd in zich een bovenzin­nelijke levenskracht. Wie goed om zich heen kijkt, kan in vele van zijn medemensen de opstanding zien. Zou het kind, dat nog heel anders kijkt dan de volwassene, niet onbe­wust iets van die ontwaking mee beleven? Wat een vreugde als het een in de tuin of in het huis verstopt paasei vindt! Laten wij toch zoeken naar de eieren die overal in de wereld verstopt zijn!

Na de lichtfeesten in de wintertijd, begonnen in de lente de feesten der vruchtbaarheid. Maar de mens is niet alleen lichamelijk vruchtbaar. Zijn geest kan vruchtbaar zijn voor de hele wereld. De levensboom, waar­om wij ons schaarden met Kerstmis, is het symbool van de groei- en levenskrachten in de mens, maar ook van de ik-drager, de dra­ger van de geest. Wij zien in de lente dan ook deze levensboom als meiboom terugkeren. Met de palmpaasoptocht draagt ieder kind zijn eigen mei, zijn eigen levensboom. Bo­venop prijkt meestal de haan, het mytholo­gische dier, dat in de prilste morgenschemer de heraut is van de nieuwe dag die komt. Soms was het een zwaan, het symbool van de kracht in de ziel, die omhoog kan vliegen tot grote, geestelijke hoogten.
Vaak is een broodkrans, horizontaal of vertikaal, aan de paasstok gebonden. Deze duidt aan: het rad van de zon, de geestelijke zon, die eeuwig is. Aan de stok is altijd groen bevestigd van een boom die nooit verdort. In onze streken meestal van de buksboom (Buxus sempervirens), die dan ook dikwijls Bukspalm heet. Weer een symbool voor het eeuwige leven. Er hangen gedroogde of andere vruchten aan, of de stok is gestoken door één of meer­dere sinaasappels. Vruchten dragen immers het nieuwe levenszaad! De ‘palmpaas’ heeft de vorm van een mei­boom in het klein, doordat een ring ( men noemt het ‘rad’ of ‘wiel’) horizontaal rond­om de stok is opgehangen. Stam, krans en haan vormen de hoofdbestanddelen van de meiboom (Saksisch type). Ofwel het is een lange stok, waaraan appels, sinaasappels, krentenbroodjes enzovoort, zijn geregen, met bovenop de zwaan of de haan (Fries type). Ofwel het is een kruishout (een Chris­tussymbool), met gekleurd papier omwoeld, dat de bovengenoemde ingrediënten draagt (Zuid-Nederlands type) Maar overal hangen er de eieren aan, de paaseieren.

Palmprocessies
Met deze ‘palmpasen’ houden de kinderen een ommegang. Dit is een overblijfsel van de heidense lente-optochten en van de palm­processie. Deze processie werd het eerst in Jeruzalem gehouden. Een non uit de Provence, die in de 4de eeuw een pelgrimstocht maakte naar het Heilige Land, vertelt er over in haar dagboek. De gelovigen kwamen op de Olijfberg tesamen en geleidden vandaar de bisschop, die Christus verbeeldde, naar de stad. Allen droegen palm- of olijftakken. Van Jeruzalem uit verbreidde het gebruik zich over het westen.
In de middeleeuwen hield iedere stad één gezamenlijke processie. Er werd altijd een ‘palm-ezel’ meegevoerd. De ezel is het beeld van ’s mensen stoffelijke lichaam. Eerst was het een levende ezel, maar later werd het, omdat zo’n ezel erg koppig en weerbarstig kan zijn, een ezel van hout. Ook de berij­der, Christus, aanvankelijk door een hoge geestelijke voorgesteld, werd later in hout uitgebeeld. Eerst gedragen op de schouders, later op wielen voortgetrokken. U kunt de ‘palmezel nog in enkele musea zien. Het werd steeds meer een uiterlijk kijkspel. De hervorming maakte er een eind aan.
De oude gebruiken gaan van de volwassenen over naar de kinderen. Eerst bootsten zij ’s middags na wat zij ’s morgens hadden ge­zien. Al bezitten wij nog een keur van het dorp Uitgeest uit 1635, waarbij het lopen met Sint-Maartenslichten of met Palm- ofte diergelijcke groenten’ of met ‘Pingsterblommen’ wordt verboden, toch vinden wij dit ge­bruik nog zowel in protestantse als in ka­tholieke streken terug. Een van de meest interessante bijzonderhe­den is het lied, dat in vele varianten bij deze optocht gezongen wordt:

.
Pallem-pallem-pasen,
Ei – koer – ei,
Over enen zondag dan krijgen wij een ei.
Een ei is geen ei,
Twee ei is een hallef ei,
Drie ei is een Paas-ei.

Het oorspronkelijk lied, waar deze kinderdreun een kapot gezongen overblijfsel van is, kennen wij niet. Maar dit overblijfsel is al in­teressant genoeg. ‘Ei — koer –   ei1 komt waarschijnlijk van een Griekse smeekbede (op z’n Latijn uitgesproken), die ook nog te vinden is in de roomse mis: ‘Eleison, Kurië, eleison.’ Ontferm u. Heer, ontferm u.’ —
En dan die merkwaardige drie eieren! De oude Chinese wijzen leerden, dat alles ontstaat uit drie dingen: Twee krachten en het span­ningsveld tussen beide. Twee levende, steeds veranderende krachten en hun onderlinge relatie. Iets is lang en iets anders kort door het verschil tussen beide. Vader, moeder en kind. De Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Een aardse mens, zijn bovenzinnelijk hogere wezen, en dat waar de mens ik tegen zegt. De aarde, de hemel en… het ‘feest’.
Ons redenerend verstand heeft om dit te begrij­pen een norm nodig. Het moet een moment in de tijd, een vorm in de ruimte fixeren. Het levende, altijd groeiende krachtenveld tussen ruimte en oneindigheid, tussen tijd en eeuwigheid, kan slechts betreden worden door ons geestelijk wezen, door ons creatief vermogen, door onze inspiratie, door ons Ik. —
Eén ei, één kiem van een mensen-ik is niets, want iedere mens heeft de andere mens nodig. Twee-ei, twee mensen kunnen gemeenschap hebben en zich voortplanten, maar dat is nog maar de helft van het men­senwezen: het zintuigelijk-lichamelijke. Wat is een half ei? Het is ten dode gedoemd.!
Drie ei (niet drie eieren) de drie-eenheid van het lichaam, en de ziel, en de geest, die hen tot werkelijkheid brengt, dat is het werkelijke paasei: de opstanding uit de dood! – Chris­tus is de waarheid en het leven én de weg.

Paashaas
Uit het oosten kwam de haas naar onze lan­den gesprongen, om hier de paashaas te wor­den, die ons de eieren der opstanding brengt. Een zachtmoedig dier, dat zich snel voort­plant en dus een symbool voor de vrucht­baarheid. Hij heeft geen eigen huis, het hele land is zijn woning. Daarom is de haas ook het beeld voor ons hogere Ik-wezen. Wordt een haas achtervolgd, dan gaat een andere haas voor hem aan het lopen, om zijn ver­moeide soortgenoot te redden. Zo is hij tenslotte een symbool voor het Christus-wezen, dat onzelfzuchtig is en toch altijd achter­volgd wordt door de zelfzuchtigcn en dat zijn leven geeft voor zijn broeders.
Het kind kent nog niet het werkelijke kwaad, het kent de dood nog niet en is daar­om nog niet aan de eigen opstanding, aan het werkelijke, het christelijke paasfeest toe. Voor hem duurt het paasfeest meer dan één volle week. Want het paasfeest begint reeds met palmzondag, de zondag vóór Pasen. Dit feest heet dan ook ‘Palmpasen’. Het is het begin van de paasweek, het overwinnings­feest van de zichtbare, uiterlijke zon. Die schenkt ons ieder jaar een nieuwe lente en iedere morgen een nieuwe aarde dag. Aan haar dankt de aarde het natuurlijke leven. Maar deze natuurlijke zon gaat iedere avond onder. Zo bloeit het leven op, om weer te sterven in de dood.
Het was het stoffelijk li­chaam van Jezus, dat men eenmaal feestelijk binnenhaalde in Jeruzalem. Vijf dagen later liet men het kruisigen. Want het wezen, dat in dat lichaam woonde, het eeuwige licht van de geestelijke zon, dat had men niet gezien. Daarom vertelt het Lucasevangelie ook, dat Jezus, tijdens zijn intocht dichterbij de stad gekomen, Jeruzalem vóór zich zag en zei: ‘Och mocht gij op deze dag toch verstaan, wat tot uw vrede dient, maar thans is het verborgen voor uw ogen.’
Pasen, een week later, is het hoogfeest van het leven, dat geen ondergang kent en dat Christus aan de mens schonk door zélf mens te worden. Hij over­won de dood van de materie en opende de poort naar de geest. Hij onthulde voor onze ogen de toegang tot het wezenlijke vrede­feest.

Henk Sweers , ‘Jonas’ 09-04- 1976

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

100-97

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (22)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.81, hoofdstuk 22                                                        alle hoofdstukken

SAMENVATTEND OVERZICHT VAN ONZE NAALDBOMEN
De zilverspar heeft donkergroene, glanzende naalden die in een plat vlak geplaatst zijn. Op de onderkant van iedere naald zijn in de lengte twee witte strepen getrokken, waardoor de takken van de onderkant grijsgroen lijken. De dikke kegels blijven rechtop staan en vallen nog aan de boom uit elkaar. De zilverspar heeft een meterslange paalwortel. Oude bomen herken je al uit de verte, omdat ze – in tegenstelling tot de gewone spar – hun onderste takken hebben laten vallen. De boomtop is met groeien opgehouden en de bovenste takken zijn groter en staan omhoog. Ze vormen het ‘adelaarsnest’. Tot een zilverspar volgroeid is, gaan er wel 200 jaar voorbij. Vanaf die tijd groeit de stam alleen nog in de dikte. Hij kan een doorsnede bereiken van twee meter.

De fijnspar is onze belangrijkste boom uit het bergwoud. Tot op zeer hoge leeftijd behoudt hij een boomtop die piramidevormig toeloopt. Bomen die alleen staan reiken met hun laagste takken wel tot op de grond. Een fijnspar heeft meer dan honderd jaar nodig om volgroeid te zijn. Ze wortelen oppervlakkig. Daarom nemen door de storm ontwortelde sparren een vlak stuk aarde mee omhoog. Ze hebben geen penwortel. De naalden staan niet streng tweedelig geordend, maar ze staan vaak rondom de twijg. De sparrenkegels worden, als ze bloeien, prachtig purperrood. Wanneer ze rijp worden, vallen ze om, hangen naar beneden en laten in hun geheel los.

De den heeft bijzonder lange naalden, die paarsgewijs groeien. In het vlakke, platte land komt hij het meest voor. Ook kan hij voorkomen op zandige bodem, omdat hij met zijn penwortel tot aan het grondwater reikt. In het bos vormt de den paraplu-achtige kruinen en kale stammen. Wanneer hij vrij staat, kan hij er ook anders uitzien en net zoals vele loofbomen, zich vertakken. De dennenappels zijn kort en gedrongen met wigvormige schubben. De dennenappels worden pas rijp in het derde jaar na de bloei.

In het veen komt de moerasden voor, waarvan de takken zich soms als slangen over de bodem kronkelen. Ook de bergden van het hooggebergte heeft liggende takken, die pas aan de top omhoog komen. De arve of alpenden, eveneens een boom uit het hooggebergte, heeft een dikke, rechtopgaande stam. Zijn  mooie lange naalden staan in bosjes van vijf. De zaden hebben geen vleugeltjes en worden als zaden gegeten. Vanwege hun schoonheid worden ook buitenlandse soorten aangeplant, bv. de Weymouthden. Uit dennen wordt terpentijn gewonnen, alsmede hars voor de viool.

De liefelijkste van onze naaldbomen is de lariks, de lork. In de herfst laat hij zijn zachte, lichtgroene naalden vallen. Je zou hem de berk onder de naaldbomen kunnen noemen. Ondanks zijn tere voorkomen, komt hij tot hoog in het gebergte voor, waar je de hoogstammige, op licht aangewezen boom, dikwijls in kleinere groepen aantreft. Een heel mooi gezicht is het, wanneer in het voorjaar tussen de jonge, lichtgroene naaldscheden de purpurrode bloeikegels staan. Uit het hars van de lariks komt de beste terpentijn en er wordt zelfs een geneesmiddel van bereidt.

De taxus heeft brede en zachte naalden, die van boven donkergroen en aan de onderkant lichtgroen zijn. De bast van de taxus bladdert net zo af als bij de plataan. De boom heeft geen kegels, maar rode, besachtige bekervruchtjes, met een pit in het midden. Hoge taxussen komen zelden voor omdat ze heel langzaam groeien. Ook grote taxusstruiken zie je zelden. Daar staat tegenover dat vroeger de taxus heel veel voorkwam. Ze vormden het kreupelhout van de bossen, want ze houden van schaduw. Bij onze voorouders stond hij in hoog aanzien. De markt van de godenstad Asgard zou met taxussen beplant  zijn geweest.

Tegenwoordig worden de taxussen met uitsterven bedreigd. Nog een paar oude bomen leggen getuigenis af van hun vroegere pracht. De ouderdom van een paar wordt op één of twee duizend geschat. Taxussen kunnen meer dan tien meter hoog worden en een stamomvang bereiken van tot drie meter. Tegenwoordig vind je de taxus alleen nog als heester. De rode, slijmerige vruchten zijn niet giftig*, maar de naalden zijn voor sommige dieren schadelijk, zoals bv. het paard, het schaap en het zwijn, wanneer die de wilde grond ongehinderd afgrazen. De taxus neemt onder de naaldbomen een uitzonderingspositie in, omdat hij geen hars heeft en tweehuizig is. Wie erop let, kan vaststellen, dat de taxussen met katjes slanker zijn dan die met vruchten.

Ook de jeneverbes heeft geen gewone kegels, maar bessen met een blauwe waas, waaraan je wel kan zien dat ze alleen maar vlezig geworden kegels zijn (kegelbessen). De smaak ervan is kruidig. De jeneverbes groeit meestal als een struik en staat alleen. Zijn stam vertakt zich al meteen boven de grond; de naalden, hard, prikkend, vormen een ondoordringbare wirwar. Vele buitenlandse jeneverbessoorten die hun kruin vlak boven de aarde als een scherm uitbreiden, worden als sierstruiken aangeplant.

Ook de ceders en de cipressen van de zuidelijke landen, alsmede de levensbomen, die men vaak op kerkhoven vindt, behoren tot de naaldbomen. De levensboom heeft weliswaar geen naalden, maar korte bladschubben; maar de talloze kleine, verhoute kegeltje bewijzen hun verwantschap met de naaldbomen. De takken geuren net als bloemen, wanneer je ze fijn wrijft.

*Het vruchtvlees is niet giftig, maar in het zaad zit taxine en dat is wel erg giftig. Het zaadomhulsel verteert in de mensenmaag – niet in de vogelmaag – en het gif komt vrij.
Wat te doen als

Om een den van een spar en deze van een lariks te onderscheiden helpt een eenvoudig ezelsbruggetje:
spar begint met S, de s van solo: de naalden staan apart
den begint met D, de d van duo: de naalden staan met z’n tweeën
lariks begint met L, de l van legio, er staan veel naalden bij elkaar

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

24-22

.