Tagarchief: boom

VRIJESCHOOL – Grohmann – ‘over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner (2-2)

.

Gerbert Grohmann:

‘OVER DE EERSTE DIER- EN
PLANTKUNDE IN DE PEDAGOGIE VAN RUDOLF STEINER’

deel 2: 

PLANT – AARDE – MENSENZIEL

Uitwerkingen van de 10e werkbespreking
In GA 295 [1]

Grohmann blz. 115

Deze werkbespreking heeft als inhoud een groots opgezette schets van hoe je het methodisch voor elkaar kan krijgen dat er in het kind een gevoel gewekt wordt  dat de aarde geen doods wereldlichaam is, maar een organisme dat leeft, bezield is en doortrokken van geest.
Alle details van de werkbespreking staan in dienst van deze grote opdracht en moeten dientengevolge op waarde worden geschat.
Ook de indrukwekkende beelden van de bomen en de paddenstoelen, de samengesteldbloemigen enz., staan geenszins op zichzelf. Deze alleen maar te gebruiken als welkome voorbeelden, zou tekort doen aan de diepere betekenis die aan hen ten grondslag ligt en die hun pas hun ware belang geeft.

Rudolf Steiner heeft er dikwijls op gewezen en er vanuit de meest verschillende samenhangen over gesproken hoe belangrijk het is, dat de toekomstige generatie de aarde als organisme leert begrijpen, niet alleen maar vanuit een natuurwetenschappelijke basis, maar met name vanwege de wezenlijke relatie van de mens met zijn aardse bestaan. Een positieve levenshouding die helpt om de opgaven in het leven aan te kunnen, moet al op school als gevoelsbeleving aangelegd worden. Ook de opvatting over het leven van de plant en de zinvolle samenhang daarvan met het leven van het aarde-organisme speelt daarbij een rol.
En opnieuw wordt de manier van het beschouwen van de plantenwereld door een menselijk doel bepaald. Tegelijkertijd echter – mag wel gezegd worden – wordt de plantenwereld ook bevrijd uit een doodskist waarin deze door de vele doodse beschouwingen is neergelegd.

Rudolf Steiner legde in het begin van de 10e werkbespreking uit (twee opmerkingen die we al eerder besproken hebben, kunnen we hier weglaten) dat, als het zomer wordt, ja met de lente al, de slaap zich over de aarde verspreidt die steeds dieper wordt. In de herfst, wanneer de planten er niet meer zijn, houdt de slaap weer op. Verder legde Rudolf Steiner aan zijn uitleg een vergelijking van de slaap bij de mens en die van de aarde ten grondslag. Hij zei dat wanneer de mens inslaapt, zijn gevoelens,

Blz. 116

zijn hartstochten enz. mee de slaap in gaan. Maar daarin zouden ze er als planten uitzien.
Dan volgen de voorbeelden die al op blz. 107 gegeven zijn, van de kokette dame en de saaie mens. Aan de kokette dame kan helderziend worden waargenomen hoe er tijdens haar slaap voortdurend narcissen haar neus verlaten; bij de saaie mens komen er reusachtige bladeren vanuit zijn hele lijf.

Wanneer de mens in slaap valt – zo schets Rudolf Steiner verder – houdt alles op wat zielenleven is, bij de plantenwereld daarentegen, die ’s zomers slaapt, begint het zielenleven met het inslapen (d.w.z. het zielenleven van de aarde wordt in de planten zichtbaar). De plantenwereld ’s zomers is niet, zoals een deelnemer denkt, dromen van de aarde, maar de aarde slaapt ’s zomers. Dromen zou je kunnen zeggen over hoe de plantenwereld er in de lente en de herfst uitziet.

Het maartse viooltje bijv. zou je, als het groen is, nog met dromen kunnen vergelijken, maar niet wanneer het bloeit. Dan kun je de planten pas weer in de tijd wanneer de bladeren vallen, met dromen vergelijken.

In het verdere verloop van de werkbespreking ontwierp Rudolf Steiner voor een toehoorder het beeld van een bloesemboom. Hij gebruikte daarvoor weer de vorm van de directe rede tegen de kinderen. Rudolf Steiner zei:

‘Kijk eens goed naar een boterbloem, of een andere bloem die we uit kunnen graven. Onderaan zie je de wortels, dan de stengel, de bladeren, de bloemen en dan de meeldraden en de stamper, waaruit de vrucht wordt voortgebracht.’ Zo’n plant laat men de kinderen ook in het echt zien. Dan gaat men met de kinderen naar een boom: ‘Kijk eens, stel je die plant eens voor naast deze boom! Hoe ziet deze boom er dan uit? Ja, hij heeft onderaan ook wortels, zeker, maar dan is er geen stengel maar een stam. Dan spreidt hij eerst nog zijn takken  uit en dan lijkt het wel of op die takken pas de eigenlijke planten groeien. Want op die takken zitten veel blaadjes en bloemen. Er groeien als het ware kleine plantjes op die takken. We kunnen een weiland dan ook heel anders zien: over de hele wei groeien van die gele boterbloemen. De wei is bedekt met planten die allemaal hun wortels in de aarde hebben. Maar bij een boom is het alsof men de wei heeft opgepakt, omhooggetild en rond gebogen, zodat al die bloemen pas daar bovenop groeien. De stam is zelf een stuk aarde. De boom is hetzelfde als de wei, waarop de planten groeien.

Blz. 117

Hier hebben we dus het eerste beeld van deze werkbespreking! Rudolf Steiner maakt geen onderscheid tussen boomstam en groene stengel. Dit onderscheiden is niet alleen feitelijk nodig, maar speelt ook pedagogisch-methodisch een belangrijke rol, omdat later de begrippen ‘omhoog gegroeide aarde’, ‘uitwassen van de aarde’ voor boomstammen uitgewerkt moeten worden. Wanneer de aarde het voor elkaar krijgt zich omhoog te werken en levende, of half levende heuveltjes op te werpen, moet zij zelf levend zijn. Het hout van de boom is rotssteen op vegetatief niveau. Wanneer het bij zeer oude wilgen, linden of eiken vermolmt, wordt dat een soort aarde, ‘boomaarde’, precies zoals gesteente tot aarde kan verweren. De groene plantenstengel daarentegen, hoort niet bij het aardse. Die is een onderdeel van de eigenlijke plant die blaadjes, bloemen en vruchten draagt en alleen kan worden begrepen als resultaat van gestalte scheppende etherische kracht rondom de aarde.
Het weefsel van het cambium van de bomen dat het hout en de bast van de boom opbouwt, streeft naar een zo snel mogelijke verdichting, zelfs mineralisering, zonder daarvoor tijd te hebben gehad een echte plant te worden. Je zou het cambium het levende orgaan van de aarde kunnen noemen binnen de plant, waardoor de aarde haar recht laat gelden. Is dus de tendens als eigenschap van een boomstam duidelijk door het aardse bepaald, zo is aan de groene plant alles tegengesteld aan het aardse. Groeirichting, vorm en stofvorming worden alle door de kosmos bepaald. De boom heeft de stengelachtige gestalte van zijn takken en twijgen (vooral de jonge) en de zuilenvorm van de stam slechts a.h.w. van de stengel ‘geleend’, want de processen van hout- en bast(schors)vorming leunen aan tegen die van de stengel.
Wanneer we met de kinderen over de rol van de aarde bij de vorming van bomen spreken, zullen we waarschijnlijk de beschouwingen van hierboven niet nodig hebben, omdat kinderen beelden zoals deze onmiddellijk begrijpen. Voor de volwassene is het echter goed, ook de natuurwetenschappelijke grondslagen te doordenken.[2]   [zie Grohmann: leesboek voor de plantkunde – over de bomen]

Dan gaat Rudolf Steiner met het beeld verder. De boom wordt in een composiet zoals paardenbloem of kamille veranderd. ‘Te snel opgeschoten bomen’ worden de composieten later genoemd, bomen dus, waarbij niet eerst een stam wordt gevormd, ook geen kroon waardoor de aparte bloemen over de ruimte worden verdeeld, maar de vele kleine bloempjes blijven dicht opeen gedrongen in het korfje

Blz. 118

en vormen het bloemhoofdje, omdat alles zo snel moet gaan. Ten slotte worden boom, composiet en gewone planten simpelweg vergelijkend naast elkaar geplaatst. Rudolf Steiner schetst als volgt:

En dan gaan we van de boom naar de paardenbloem of de kamille. Die hebben ook wortels in de aarde; er is iets als een stengel en bladeren. Maar daar boven is de bloem samengesteld, daar staan allemaal kleine bloemetjes naast elkaar. Bij de paardenbloem is het immers zo dat die samengesteld is, hij heeft allemaal kleine bloemetjes, bloemetjes die helemaal volledig zijn en in de paardenbloem vastzitten. En nu hebben we dus: de boom, de samengesteldbloemigen en de gewone plant, de stengelplant. Bij een boom is het zo alsof de plantjes er pas bovenop groeien. Bij de samengesteldbloemigen zit de bloem op de gewone plaats; maar dat zijn geen bloemblaadjes, dat zijn talloze volledig ontwikkelde bloemen.

In het volgende stukje worden ook de paddenstoel en de varen erbij betrokken. Die zijn eveneens eenzijdigheden als plantengestalte. Maar dat is hier nu niet het meest wezenlijke, hoe verhelderen het ook mag zijn. De voorbeelden worden gegeven, omdat ze mogelijk maken met de kinderen de stap te zetten van het zintuiglijke naar het niet-zintuiglijke. De paddenstoel brengt alleen tot ontplooiing wat het bloei-achtige, vrucht-achtige aangaat, de varen bestaat alleen maar uit bladeren. De andere delen ‘mislukken’. Ze komen er niet, omdat de aarde die bij zich houdt. Dat betekent echter, dat ze a.h.w. in het levenslichaam van de aarde opgelost blijven. Ze zijn alleen in de krachten aanwezig, zoals later wordt gezegd. 

En nu stellen we ons het verhaal weer heel anders voor: dat de plant alles onder de aarde houdt. Ze wil wortels ontplooien, maar komt er niet toe. Ze wil bladeren ontvouwen, maar krijgt het niet voor elkaar. Alleen dat daar boven, dat wat anders in de bloem zit, ontvouwt zich: dan ontstaat er een paddenstoel. En als dan ook de wortels daaronder mislukken en er alleen maar bladeren ontstaan, dan ontstaan er varens. Dat zijn allemaal verschillende vormen, maar het zijn allemaal planten.’

In de volgende zin gaat Rudolf Steiner weer tot de directe rede over. We horen weliswaar niets nieuws,

Blz. 119

maar voelen toch hoe er volgens Rudolf Steiner met kinderen over wat al bekend is, gesproken moet worden. 

‘Ja, wat denk je nu eigenlijk, waarom is de paddenstoel eigenlijk een paddenstoel gebleven? Waarom is de boom een boom geworden? Laten we eens een paddenstoel met een boom vergelijken. Wat voor verschil is er? Is het niet zo, alsof de kracht van de aarde naar buiten is gedrongen, alsof haar innerlijk buiten zichtbaar is geworden in de boom en de hoogte in is gegaan, om daar pas bloemen en vruchten te ontwikkelen? En bij de paddenstoel heeft ze dat wat anders altijd op de aarde omhoog groeit in zichzelf vastgehouden, alleen het allerbovenste niet, dat zijn de paddenstoelen. Bij de paddenstoel is de boom onder de aarde, alleen de krachten ervan zijn aanwezig. De paddenstoel is wat anders het buitenste van de boom is. Als er ergens heel veel paddenstoelen groeien, dan is het alsof daar onder een boom is, alleen, hij is in de aarde. Als we een boom zien, dan is het alsof de aarde zichzelf omhoog heeft geduwd, zich heeft uitgestulpt en haar innerlijk naar buiten brengt.’

Met de laatste zin is zogezegd het sleutelwoord gevallen. Aan de planten kun je het zien: er is iets in de aarde aanwezig wat onzichtbaar is, wat echter naar boven kan komen en daar een zichtbare gestalte aan kan nemen. De begrippen die we nodig hebben om de ziel van de aarde te begrijpen, zijn daarmee gevormd, zonder dat we ook maar een ogenblik de concrete basis hebben verlaten. 
Dan gaat Steiner verder:

Als de aarde dus paddenstoelen laat groeien, dan houdt ze de kracht van de groeiende boom in zich vast. Maar wanneer de aarde bomen laat groeien, dan brengt ze de groeikracht van de boom naar buiten.’

Daar heeft u iets wat als het zomer wordt zeker niet binnen in de aarde is, maar wat er uitkomt. En als het winter is, dan duikt het de aarde in. Als het zomer is, dan zendt de aarde door deze kracht van de boom haar eigen kracht in de bloemen, ze laat ze zich ontvouwen, en wanneer het winter is neemt ze die kracht weer in zich terug. Waar is eigenlijk de kracht die ’s zomers daar buiten in de bomen rondwaart — groot in de bomen en heel klein in een viooltje – in de winter? Die is ’s winters onder in de aarde. En wat doen dan de bomen, de samengesteldbloemigen en al die andere wanneer het hartje winter is? Dan ontvouwen ze zich helemaal onder de aarde, dan zijn ze binnen in de aarde, ze ontplooien het zielenleven van de aarde.

Stel je toch eens voor wat die aarde allemaal gewaarwordt, voelt! Want wat jullie de hele zomer allemaal kunnen zien, de bloemen, de bladeren, alles wat zo overvloedig groeit en bloeit, de boterbloemen, de rozen,

Blz. 120

de anjers: ’s winters is het onder de aarde, en dat wat daaronder de aarde is, voelt dan, is boos of blij!’

 Zo krijgt men geleidelijk een begrip van het leven dat zich ’s winters onder de aarde afspeelt. Dat is de waarheid! En het is goed als men dat de kinderen bijbrengt. Dat is niet iets wat de materialistische mensen zweverig zouden kunnen vinden

Verder zegt Rudolf Steiner dat je op deze manier het echte zielenleven krijgt dat zich in de planten weerspiegelt. Onder de aarde bevindt zich zoiets als een reusachtige boom. Alleen wat de aarde daarvan niet bij zich kan houden en wat op het aardoppervlak naar buiten komt, wordt door natuurkrachten van buiten tot die rudimenten van bladeren omgewerkt zoals we die zien in mossen, varens e.d. Wat deze planten echter onder de aarde ontplooien, blijft ethersubstantie. 
Dan is er weer sprake van de boom die op aarde de groeit: 

De boom is zelf een stukje aarde, de stam en de takken. Wat daar gebeurt, is dat datgene wat bij paddenstoelen en varens nog onder de grond is naar buiten wordt getild. Als een boom langzaam de aarde in zou zakken, zou dus alles aan hem veranderen: als men hem zou laten zakken, dan zouden zijn bladeren en bloemen veranderen in varens, mossen en paddenstoelen en voor hem zou het dan winter worden. Alleen, hij onttrekt zich aan het winter worden. Hij is datgene wat zich enigszins aan het winter worden onttrekt. Maar zou ik zo’n paddenstoel of zo’n varen bij de kraag kunnen grijpen en steeds verder de aarde uit trekken, dan zou ik een hele boom uit de grond trekken. Want dat wat daar beneden aan ethersubstantie bestaat zou dan met de lucht in aanraking komen. En wat paddenstoelen waren, dat zouden in de lucht bloesems worden en er uitzien als bomen. En de eenjarige planten staan hier midden tussen. De samengesteldbloemige is datgene, althans in één bepaalde vorm, wat dan ontstaat. Als ik een samengesteldbloemige terug zou sturen, dan zouden zich ook enkel afzonderlijke bloemen ontwikkelen. De samengesteldbloemige is iets wat men een te snel opgeschoten boom zou kunnen noemen.
 Zo kan er ook een wens leven in de aarde. De aarde heeft de behoefte om de wens te laten wegzinken in de slaap. Dat doet ze ’s zomers, en de wens stijgt omhoog als een plant. Boven wordt hij dan pas zichtbaar – als waterlelie. Onder in de aarde leeft deze als wens, boven wordt hij een plant.

De aarde slaapt in de zomer en is in de winter wakker, maar ze kan op verschillende plaatsen gelijktijdig slapen, dromen en wakker zijn, zoals het ook op verschillende plaatsen naast elkaar zomer en winter, lente en herfst bestaan. Ze echter ook daar waar het dan zomer is, dus slaaptijd, op een paar plaatsen wakker zijn.

Blz. 121

Dat is bijv. het geval waar veel paddenstoelen groeien (niet de paddenstoel is wakker, maar de aarde).

Een lichte sluimer kunt u vergelijken met de gewone planten, een toestand van waken tijdens de slaap met de paddenstoelen – waar veel paddenstoelen zijn, daar is een plaats waar de aarde wakker is gedurende de zomer – en een heel intense, diepe slaap met de bomen. Daaraan kunt u aflezen dat de aarde niet net zo slaapt als een mens, maar dat de aarde op de ene plaats meer slaapt en op de andere meer wakker is, hier meer slaapt, daar meer wakker is. Zo is het ook bij de mens, die immers in het oog en in de andere zintuigorganen tegelijkertijd naast elkaar slaapt, waakt en droomt.

[2] Zie boeken van de schrijver
Die Pflanze
Heilpflanzen
Metamorphosen
Meer
Op deze blog:  leesboek plantkunde
leesboek voor de dierkunde

.Zur ersten Tier-und Pflanzenkunde in der Pädagogik Rudolf Steiners
Menschenkunde und Erziehung Band 3
Verlag Freies Geistesleben Stuttgart, 1979
ISBN 3 7725 0203 2

De 9e werkbespreking

[1] GA 295  vertaald
Uitverkocht: een scan ervan via vspedagogie@gmail.com

Plantkundealle artikelen

Vrijeschool in beeldPlantkunde

.

2730

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde – bomen

.

 

De inhoud van onderstaand artikel is over het algemeen geen leerstof voor de kinderen.
De leerkracht echter, die wél een aantal bomen behandelt, kan er zijn (in)zicht mee verruimen, al naar gelang of deze materie haar/hem aanspreekt.

Eldert Outmans, Jonas 22, 21-06-1985

 

Bomen, planeten, metalen
.

Een ‘kosmische kijk’ in de strijd tegen de bossterfte

Iedere boom staat onder invloed van een planeet. Het zaaien van boomzaden onder bepaalde planeetconstellaties levert sterkere bomen op dan wanneer hier geen rekening mee wordt gehouden. De aantasting van de bossen door de zure regen zou hiermee een halt kunnen worden toegeroepen.

Een ‘kosmische kijk’ waarin brede verbanden zichtbaar worden gemaakt.

Een ieder die wel eens een boom heeft geplant heeft daarbij ervaren dat dit een fundamenteel ander gebeuren is dan het uitplanten van een eenjarig gewas, zoals prei. Die prei staat hooguit een jaar te velde en wordt dan geoogst. Bij het planten van een boom denken we vooreerst aan de toekomst: zal hij over dertig, veertig jaar nog voldoende ruimte om zich heen hebben? Net als een mensenkind heeft hij aanvankelijk steun nodig. Zo lang de wortels nog niet voldoende zijn uitgegroeid dienen we hem te beschermen tegen storm en wind. Daartoe slaan we in het plantgat een paal waaraan de boom met een band wordt bevestigd.

Een boom is iets, en misschien zouden we kunnen zeggen is iemand. Vooral bij oudere bomen kunnen we een overeenkomstig gevoel hebben als bij mensen waarmee we ons verbonden voelen. Vroeger was het hier en daar de gewoonte om bij de geboorte van een kind de placenta te begraven en er een boom bovenop te planten. Ouders en verwanten legden zodoende een sterke relatie tussen het opgroeiende mensenkind en zijn of haar boom.

Zoals wij enerzijds vreugde kunnen beleven aan de aanblik van een boom die zich manifesteert met een uitbundig gebladerte, zo droef kunnen wij gestemd worden wanneer we zien dat een boom wordt geveld. Zo was ik eens getuige van het rooien van een prachtig bloeiende boomgaard die plaats moest maken voor woningbouw. Een voor een werden de bomen met een soort rijdende hijskraan met wortel en al uit de grond getrokken. Ze hingen dan als reusachtige boeketten in de takels waarna ze werden weggereden om in een vuurzee te worden verbrand, een schouwspel dat me door merg en been ging. Die verbondenheid met bomen kunnen we niet alleen met ons gevoel benaderen, ook ons denken kan deel hebben aan dit proces wanneer we ons uiteenzetten met de wetmatigheden waarin de bomen ‘hun wortels’ hebben.

Vanuit de oudheid zijn ons allerlei verbanden overgeleverd tussen bomen, weekdagen, planeten, metalen en mensen. Hier zal ik later in het artikel op terugkomen, maar eerst zullen we de strijd tussen geloven en weten hebben uit te vechten. Met overlevering, geloven op gezag, blindelings aannemen hebben we in deze tijd ‘wetenschappelijk’ afgerekend. Alles wat beweerd wordt moet bewezen worden, moet voor iedereen zichtbaar zijn. Dat is een goede zaak. Maar het is aan de andere kant ook dom om iedere overgeleverde waarde a priori bij het grof vuil te zetten. Vele zaken die uit de oudheid tot ons zijn gekomen en waarvoor we aanvankelijk geen verklaring hadden, blijken bij nader onderzoek de toets van wetenschappelijkheid te kunnen doorstaan.

Bomen en planeten

In de oudheid werden bepaalde bomen gezien als staande onder invloed van specifieke planeten. Onder planeten dienen we dan te verstaan de hemellichamen die we met het blote oog zien bewegen tegen het tapijt van vaste sterren, dus de eigenlijke vijf oude planeten (mercurius, venus, mars, jupiter, saturnus) maar ook de zon en de maan. Volgens overlevering is elk van deze planeten gerelateerd aan een bepaalde boomsoort:

es                                                                         zon

kers                                                                     maan

eik                                                                       mars

iep                                                                       mercurius

esdoorn                                                              jupiter

berk                                                                   venus

beuk                                                                  saturnus

Zoals bekend worden de bossen tegenwoordig bedreigd door de zure regen afkomstig van industrie, autouitlaatgassen en intensieve veehouderij. Al deze oorzaken te zamen zijn in de grond van de zaak een expressie van de hebzucht van de mens die terwille van zijn begeerte naar comfort de ecologie geweld aandoet. Door ons te omringen met allerhande artikelen die we grotendeels niet echt nodig hebben, oefenen wij een zuigkracht uit op de industrie die in grote mate verantwoordelijk moet worden gesteld voor de lucht- en watervervuiling. En voor de stervende bossen, waarvan wij mensen zodoende de veroorzakers zijn.

Nu kunnen en moeten wij aan de ene kant die vervuiling terugdringen door het beperken van onze behoeften en het hanteren van milieuvriendelijke productieprocessen. Aan de andere kant, en daar gaat het hier om, kunnen we het sterven van de bossen een halt toeroepen door in opgekweekte bomen vanaf het ontkiemen krachten in te bouwen waardoor ze meer weerstand hebben tegen bovengenoemde invloeden. Het is vooral Georg W. Schmidt [1] (antroposoof, landbouwer en natuuronderzoeker) die op dit gebied baanbrekend werk heeft verricht. Door boomzaden onder verschillende planeetconstellaties te zaaien kwam hij tot de ontdekking dat boompjes ontstaan uit zaad dat aan de aarde was toevertrouwd op het moment dat de maan in oppositie staat met de planeet die bij de desbetreffende boom hoort, groter in aantal en sterker waren dan met de maan in conjunctie met die planeet. Bijvoorbeeld zaailingen van de esdoorn die zijn uitgezaaid tijdens maan/opposit jupiter zijn krachtiger dan die tijdens maan/conjunct jupiter. Door dit principe in zijn proefbos te hanteren kreeg hij niet alleen gezondere bomen, ook de ecologie bleek te verbeteren. Zo kwamen de mieren die waren verdwenen, terug. Omgekeerd is het nu zo dat de proeven van Schmidt als een bewijs kunnen gelden voor het bestaan van de relatie van bovengenoemde bomen met de hun toegedichte planeten.

Planeten en weekdagen

Dat de dagen van de week elk een bepaalde kwaliteit hebben en stuk voor stuk gerelateerd zijn aan een van de zeven planeten, daarvan was men zich in oude tijden welbewust. Dit komt tot uitdrukking in de naamgeving waarin we in verschillende talen duidelijk het verband tussen planeten en weekdagen kunnen terugvinden:

maandag                                                            maan

dinsdag,                                                             mardi (Frans) mars

woensdag,                                                         mercredi (Frans) mercurius

donderdag,                                                       jeudi (Frans) jupiter

vrijdag,                                                              vendredi (Frans) venus

zaterdag                                                           saturnus

zondag                                                               zon

Om een en ander wat te concretiseren heb ik de desbetreffende bomen in een kring in mijn tuin geplant (zie tekening) en wel zodanig dat de es (de zonneboom) staat op de noord-zuidlijn van het middelpunt naar het zuiden. Uiteraard zou ik zeggen, want in het zuiden heeft de zon z’n hoogste stand. Vervolgens staan op gelijke afstanden langs de cirkel vanuit het middelpunt gezien rechts-omgaande, de kers, de eik, de iep, de esdoorn, de berk, de beuk. Elke boom is gerelateerd aan een bepaalde weekdag, met andere woorden gaande van boom tot boom doorlopen we de dagen van de week zoals de wijzers van de klok de uren door lopen. Bovengenoemde noord-zuidlijn verdeelt de bo-.mencirkel in twee gelijke delen waarbij de overliggende bomen in verschillende opzichten eikaars tegenbeeld blijken te zijn (kers— beuk, eik-berk, iep-esdoorn). Maar dit geldt niet alleen voor de bomen, deze polariteiten vinden we ook terug bij de planeten en de metalen, zoals hieronder nader wordt uitgewerkt.

Planeten en metalen

Oude overleveringen spreken van een verband tussen goud en de zon, zilver en de maan, ijzer en mars, enzovoort. Alle planeten hebben als het ware hun aardse tegenhanger in de vorm van metalen. Langs de weg van de gewone ons ten dienste staande onderzoekmethoden kunnen we deze verbanden niet aantonen. Een klomp goud zal niet in beweging worden gebracht onder invloed van de zon. Maar wanneer dat goud ‘beweeglijk’ wordt gemaakt door het in de vorm van een metaalzout (bijvoorbeeld goudchloride) op te lossen, en deze vloeistof te laten opstijgen in filtreerpapier, blijkt het zo ontstane stijgbeeld bij verschillende zonnestanden ook verschillende beelden op het filtreerpapier te vertonen.
Heel duidelijk wordt dit wanneer vóór, tijdens en na een zonsverduistering deze proeven worden genomen. Het middelste stijgbeeld is volkomen verschillend van de andere twee. Om misverstanden te voorkomen: deze proeven worden niet genomen onder invloed van de uiterlijke zon, maar binnenshuis. Het was vooral mevrouw L. Kolisko die haar leven lang onderzoek heeft gedaan op dit gebied. Zij heeft onschatbaar bewijsmateriaal vergaard betreffende de samenhang tussen planeten en metalen. Ze heeft daarmee de realiteit van de oude overleveringen aangetoond.

Intellectueel gesproken waren het vooral de voordrachten van Fritz Julius [2](Bomen en planeten) en Leen Mees [3] (Levende metalen) die veel hebben bijgedragen tot onderstaande beschouwingen. In religieuze zin zijn dat de Baumwochensprüche van Johannes Hemleben [4], voortkomend in Symbole der Schöpfung. Die boomspreuken spinnen onzichtbare draden tussen bovenstaande gebieden en de kern van ons wezen. Ze wekken ons op om ons bezig te houden met spirituele inhouden. Laten we een en ander wat nader bekijken. Uiteraard kunnen in dit korte bestek slechts enkele gezichtspunten worden behandeld. Het wordt een boeiend spel wanneer de lezer via z’n eigen waarnemingen en denken nieuwe visies kan toevoegen.

Wanneer we ons het beeld voor ogen stellen van de in de meimaand bloeiende kersenboom, dan laat dit de indruk na van leven, van uitbundig leven en licht. Dit wordt in extenso beleefd bij de aanblik van een kersenboomgaard. Voordat de bladeren zich ontplooien verschijnt de bloesem, wit en transparant. Rond die bloesem dartelen duizenden insecten die daarmee het element ‘leven’ onderstrepen.
Als we het beeld van een bloeiende kersenboomgaard laten overgaan in dat van een beukenbos, dan krijgen we een gevoel van somberheid, van verstarring en dood. Onder de beukenbomen groeit vrijwel niets. Een beukenboom is een hoogst asociaal schepsel, wat we bij het uitbotten kunnen waarnemen: terwijl sommige exemplaren al groene bladeren krijgen, zijn anderen nog in pure wintertooi. Ook per boom is dat verschil waar te nemen: hier en daar een tak met jong gebladerte, terwijl andere takken er nog niet over denken hun bladeren te ontvouwen. Ja, de beuk is een heel eigenzinnige boom! Als we met één woord het karakter van de beuk zouden willen uitdrukken, dan komt ons allereerst het woord ‘ernst’ in gedachte. Ernstig en majestueus staat hij daar, de beuk, zelfs een beetje ongenaakbaar. De kers daarentegen komt ons (en de vogels) tegemoet met z’n sappige vruchten.

Wanneer we de planeten saturnus en maan tegenover elkaar stellen, dan valt vooreerst op dat satumus – in het Grieks chronos, de god van de tijd – te maken heeft met het verstarde verleden, terwijl de beweeglijke maan vernieuwingsprocessen begeleidt, bijvoorbeeld het kiemen van zaden, zoals bij de boer vroeger bekend was, vroeger, toen de boer nog geen agrariër was. De invloed van de maan op de plantengroei is door Maria Thun duizendvoudig bewezen. Het resultaat van haar experimenten is de basis van haar zaaikalender die van uur tot uur de beste zaaitijd geeft voor de verschillende soorten gewassen. Zoals bekend, wordt ook de eb- en vloedbeweging veroorzaakt door de maan.

Lood is een zwaar metaal, ‘loodzwaar’. Lood is een giftige substantie. Het ziektebeeld van iemand die op een of andere wijze lood in z’n bloed heeft opgenomen wijst op afname van vitaliteit wat onder meer tot uitdrukking komt in een vale gelaatskleur. Lood wordt (of werd) gebruikt voor letters in de drukkerij. De zetters moeten veel melk drinken om de giftige werking van lood te neutraliseren. Melk is een substantie die vervuld is van levenskrachten, dezelfde krachten die onder invloed van de maan onze gewassen doen kiemen en groeien.

Zo giftig als lood is, zo ongiftig is zilver, vandaar dat zilver onder meer toepassing vindt in de chirurgie voor pennen bij botbreuken. Geven we iemand gepotentieerd zilver dan wordt hij high, z’n bewustzijn wordt doezelig en hij gaat fantaseren, het tegenbeeld van de invloed van lood op het menselijk lichaam, die wijst in de richting van snelle veroudering, van verstarring. Zo is een gedrukt artikel (loodproces) het eindprodukt van een levendige gedachtenstroom (zilver-proces) die hierin verstart.
Zilver heeft te maken met beelden, denk aan spiegelbeeld, een niet reëel beeld dat we via de spiegel opvangen. Let wel: een spiegel is een glazen plaat met een zilverlaag. Zilver is het belangrijkste medium in de fotografie en heeft dus alles te maken met beeldvorming.

Nergens zijn de tegenstellingen tussen linker- en rechterzijde van de bomencirkel zo duidelijk als hier: de tere berk heeft iets lieflijks, zijn twijgen worden door de wind heen en weer bewogen, hij wortelt ondiep. De stoere eik wortelt diep, trotseert wind en storm, hij straalt kracht uit. Berk en eik, representanten van de beide seksen, respectievelijk vrouw en man. (Het is in deze tijd, waarin vrouwen het mannelijke principe sterk in zich willen ontwikkelen, gevaarlijk om deze tegenstelling te benadrukken, even gevaarlijk als het is deze tegenstelling, die voor ieder duidelijk zichtbaar aanwezig is, te ontkennen.) In de medische handboeken worden de planeettekens van venus (♀) en mars (♂) gehanteerd wanneer wordt geduid op vrouwelijke, respectievelijk mannelijke organen. Venus is de godin van de liefde, mars is de oorlogsgod; ook hier de polariteit vrouw-man.

De metalen koper en ijzer passen in dit beeld. Het koper wordt daar gebruikt waar soepelheid vereist is, zoals het binnenste van een kraan waarin twee koperen delen min of meer elastisch op elkaar sluiten. Souplesse, een vrouwelijke eigenschap waarvan in de bikkelharde zakenwereld veelal handig ge(mis)bruik wordt gemaakt (directiesecretaresse bijvoorbeeld). In allerlei communicatieve beroepen functioneren vrouwen doorgaans beter dan mannen (telefoniste, receptioniste, kleuterjuf, ziekenverzorgster). Gaan we na waar ijzer wordt gebruikt, dan zien we ras dat dat daar is waar kracht wordt vereist: voor bruggen, kanonnen, rails, hijskranen, gewapend beton, enzovoorts. Het is een opmerkelijk feit dat de man iets meer ijzer in zijn bloed heeft dan de vrouw, terwijl de laatste iets meer koper in haar bloed heeft dan de man. Bij de zwangere vrouw is de hoeveelheid koper het drievoudige van normaal, ze is dan extreem vrouwelijk.

De vrij stugge bladeren en bladstelen van de esdoorn zijn op een harmonische wijze gegroepeerd aan de takken. Zo niet bij de iep. Bij deze laatste doet het gebladerte wat rommelig aan, het is een speelbal voor de wind. Als polariteit komt hier naar voren de rust van de esdoorn tegenover de beweeglijkheid van de iep. Deze laatste is vervuld van uitbundige levenskracht en zodoende de snelste groeier van alle bomen van de kring.
De planeten jupiter en mercurius ontlenen hun naam aan de overeenkomstige Griekse goden; Jupiter, de God van de wijsheid, een toonbeeld van zelfverzekerde rust. Mercurius is daar de God van de handel en van de dieven. Maar ook van de geneeskunde. Allemaal activiteiten waarvoor een grote beweeglijkheid is vereist.

Als we de metalen kwik en tin onder de loep nemen, dan valt vooreerst op dat de eerste als enige vloeibaar is bij kamertemperatuur. Als we een kwikdruppel op een bord laten vallen, spat het uiteen in duizende kleine druppeltjes, die even later weer samenklonteren. We zouden kunnen zeggen dat kwik het element beweging kreeg ingebouwd. Kwik vindt toepassing in allerlei meetinstrumenten (bijvoorbeeld de thermometer) waarbij op een schaalverdeling fasen van een beweeglijk proces worden afgelezen. Tin daarentegen heeft de functie van versteviging, het wordt als het ware gebruikt als skelet voor zachtere metalen, zo is brons (een alliage van koper en tin) vele malen sterker dan puur koper.

Zoals uit de tekening blijkt heeft de es geen overbuurman in de bomenkring. Evenals de leeuw de koning der dieren is, zo zou je kunnen zeggen dat de es de koning der bomen is, hoogopgroeiend met takken die twee aan twee tegenover elkaar aan de stam ontspringen en daarmee de kruisvorm tot uitdrukking brengen.
Met recht kunnen we zeggen dat de zon de koning onder de planeten is, hij is het centrum van ons planetenstelsel waar licht en warmte aan ontspringt. Licht en warmte, twee hoedanigheden die onmisbaar zijn voor al het leven op aarde.

Het goud, dat tot exponent van hebzucht is geworden, wordt thans in zwaar bewaakte bunkers opgeslagen, waar het aan het oog is onttrokken. Hoe anders dan in vroegere tijden toen goud werd gezien als een heilig metaal dat onder meer door een ingewijde koning werd gebruikt om naar te kijken bij z’n meditatie over staatsaangelegenheden. Het edele goud had zodoende de werking van een katalisator. Goud heeft heel bijzondere kwaliteiten: bladgoud kan worden geplet tot een dikte van een tienduizendste millimeter. Het is dan, wanneer we het tegen het licht houden, nagenoeg transparant en vertoont een prachtige groene kleur. Een oplossing van 1 op 100.000.000 colloidaal goud in water heeft een onwaarschijnlijk mooie purperkleur. Eens was ik in de Karlstein, de burcht bij Praag waar keizer Karei IV (1316 – 1378) destijds resideerde. Deze burcht is nu museum, en, zoals dat in een museum tegenwoordig toegaat: kinderen lopen er schreeuwend en joelend doorheen. Maar merkwaardigerwijs, wanneer ze dan boven komen in de kapel waar vroeger alleen de priester en de keizer (blootsvoets) toegang hadden, dan worden zelfs die lawaaimakers heel stil, er wordt daar niet gepraat, hoogstens gefluisterd. Waardoor? Door de werking van het goud! Alle wanden zijn belegd met bladgoud, de ramen zijn azuurblauw. Al met al zó indrukwekkend dat zelfs kinderen die a-religieus zijn opgevoed, zoals dat in Tsjecho-Slowakije veelal het geval is, hier bij wijze van spreken ‘door de knieën gaan’. Goud kunnen we bestempelen als de koning onder de metalen. Es, zon en goud, ieder op zijn terrein de expressie van het edele, reine, verhevene. Onder de dagen van de week neemt de zondag een bijzondere plaats in, we zouden kunnen zeggen dat hij de koning is onder de weekdagen, de dag waarop de mens zich althans vroeger, bezig hield met het religieuze leven, met deelname aan kerkdiensten en mis.

.

[1] Schmidt: Die Methode der Pflanzenregeneration

[2] Julius: Bomen en planeten

[3] Mees: Levende metalen

[4]* Hemleben: Boomspreuken

Verschillende bomen in het leesboek van de plantkunde 

Plantkunde: alle artikelen

*Er bestaat nog een andere vertaling:

BOOMSPREUKEN

ZONDAG

Zo spreekt de doorschijnende es,
de boom van de doorschijnende Zon:
0, mens, wees oprecht en voornaam,
Geeft U niet over aan onwaardige zaken.
Weest U wel bewust van zuivere mensenadel.

MAANDAG

Zo spreekt de zilveren Maan
in de meitijd door de bloeiende kersenboom
waarvan de bloesem in de zomer tot vruchten rijpt:
0, mens, zet als de plant
het lagere om in het hogere;
Louter de driften,
wordt rijp en oogst levensvruchten.

DINSDAG

Zo spreekt de knoestige eik,
de dienaar van de ijzeren Mars:
0, mens, wortel in de diepte
en strek U in de hoogte;
Wees krachtig en sterk,
Wees strijder ridder en beschermer.

WOENSDAG

Zo spreekt de kwikzilverige Mercurius
door de levende groeikracht van de iep
door zijn gevleugelde zaden:
0, mens, roert U,
Wees flitsend, levendig en snel.

DONDERDAG

Zo spreekt de esdoorn
met zijn gespreide bladeren,
De boom van Jupiter voor wie het tin heilig is:
0, mens, overwin de jacht en de haast in U;
Zoek uren van rust
waarin goedheid en wijsheid kunnen worden geboren

VRIJDAG

Zo spreekt de koperen Venus door de maagdelijke, zachte berk,
die zwak wortelt en veel licht drinkt:
0, mens, vorm aan Uw ziel met tederheid,
bewonder met liefde de schoonheid der wereld.

ZATERDAG

Zo spreekt de loden Saturnus
door de bomen van het donkere woud,
door de sparren, beuken en cypressen:
0, mens, voel de verantwoording
voor de nood van Uw tijd
en van de gehele mensheid,
Aanvaard met innigheid en ernst
de opgave, die het leven U stelt.

 

 Johannes Hemleben

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (26)

.

DE LEVENSBOOM

Knipsels voor bijzondere gebeurtenissen

Zonnewende, 21 juni, midzomer­nacht. Het licht wil maar niet wijken, niemand gaat naar bed. Als het weer mee zit, blijven we allemaal laat bui­ten. De kamperfoelie geurt, de rozen­struiken zijn zwaar van de bloemen, de bomen staan dik in het groen en keren hun jongste loten naar ons toe. Het kon niet op sinds de lente. In weer en wind zijn alle planten onstui­mig gegroeid en uitgebot, maar nu heeft de zon dan toch haar hoogte­punt bereikt, en daarmee de groei­kracht ook.
Dan komt Sint-Jan, het feest van de omme­keer, van de wending. We vieren het hoogte­punt, de overvloed die ons gegeven werd. Maar we vieren het in het licht van de rijpingstijd die komen gaat. De planten vormen hun zaden, zetten het licht om in levens­kracht voor het volgende jaar. Wij nemen een pauze, adempauze, gaan met vakantie en be­raden ons intussen op wat we daarna zullen gaan doen. Het licht van buiten slaan we op in onszelf om het als zoeklicht in de donkere maanden te kunnen gebruiken. Sint-Jan is een natuurfeest bij uitstek. Waar­om? Allereerst omdat het een midzomerfeest is en wij al het bloeiende om ons heen ge­woon niet uit de viering weg kunnen denken. Verder heeft Johannes de Doper zelf ook een duidelijke verwijzing naar de natuur ge­geven toen hij zei: ‘De bijl is aan de wortel der bomen gelegd’. Het oude waarop we ver­trouwden is aangevreten, we moeten een nieuwe, eigen weg zoeken. Dat Johannes het boommotief kiest voor de­ze boodschap is allerminst verwonderlijk. Met zijn kruin in de hemel reikt hij naar het licht dat hij nodig heeft om te leven, tegelij­kertijd is hij stevig geworteld in moeder Aar­de waar hij zijn voedsel vandaan haalt. Beide zijn nodig voor de groei, ook voor de geeste­lijke groei van een mens. Als in de wortels wordt gehakt, wordt de ontwikkeling be­dreigd, moeten we naar iets anders gaan uit­kijken.

De boom komt als levensboom of kosmische boom in de mythologie van vele culturen voor. Hij dringt door tot de drie sferen van de hemel, de aarde en de onderwereld en weerspiegelt daarmee de kosmos. Hij is on­derhevig aan de wetten van de organische ontwikkeling, zoals de wisseling der seizoe­nen en wordt beleefd als de microkosmos, die de macht van het heilige belichaamt. Door zijn jaarlijkse ‘dood’ en ‘wedergeboor­te’ verbeeldt een boom de voortdurende rege­neratie van alle leven.

We kennen uit sprookjes ook de boom die redding brengt in een hopeloze situatie en waarvan de vrucht met moeite kan worden veroverd. Een tak moet geplukt of dient ter bescherming tegen boze machten. Uit de cul­tuur van de Indianenstam Sioux is het ver­haal bekend van de medicijnman en ziener Zwarte Eland die, toen hij negen jaar oud was, een visioen had waarin hij werd meege­nomen naar het middelpunt van de wereld. Daar ontmoet hij het centrum van de schep­ping, de voorvaderen die ‘alle wezens op aar­de met wortels, benen en vleugels hebben ge­maakt’. Zij verschijnen aan hem als oude mannen, ‘oud als de bergen’, als de sterren en als de paarden van de vier windstreken. Van hen krijgt hij een boog, het kruid van macht en verstand, een vredespijp en een tak van de levensboom. Het was een bloeiende tak die leefde en aan de uiteinden nieuwe lo­ten gaf. Aan deze loten kwamen vele blaad­jes die ritselden en in het loof begonnen de vogels te zingen. ‘Deze zal in het middelpunt van de kring van de natie staan’, zei de voor­vader. ‘Een stok om mee te wandelen en een hart voor het volk en door jouw krachten zul je hem tot bloei doen komen.’
In de Edda wordt door een zieneres de le­vensboom Yggdrasil beschreven: ‘Ik ken de negen werelden, negen sferen die  bedekt worden door de wereldboom. De boom die geplant is in wijsheid en die wortelt in de schoot der aarde. Ik ken een esp die Yggdra­sil heet. Die grote boom is nat van wit water. Daaruit stijgt de dauw die in de dalen valt. Hij groeit eeuwig groen naast de bron van Urd’. Bij de voet van de boom ontspringt de bron van de herinnering. Terwijl drie schikgodinnen de wortels dag en nacht water geven wordt er door de reuzenslang Nidhuggur voortdurend aan geknabbeld. De levensboom als wereldas, als Axis Mundi die middenin het universum staat, het stille punt waar alle schepping vanuit gaat wordt uitgebeeld in de Boeddhistische stoepa’s. De ene kant is bevestigd aan de poolster of de zon als vast punt waar de andere hemellichamen omheen draaien. Vanuit dat punt gaat hij dwars door de verschillende niveaus van het zijn tot in de onderwereld. Onder deze kosmische boom kreeg prins Sidhartha, toekomstige Boeddha, zijn verlichting. In het Nieuwe Testament beschrijft Johannes de Evangelist de levensboom die aan het einde der tijden in het midden van de hemelse stad Jeruzalem zal staan. ‘En de Engel toon­de mij een rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon van God en van het Lam. Middenop haar straat en aan weerszijden van de rivier staat het ge­boomte des levens, dat twaalf maal vrucht draagt, iedere maand zijn vrucht gevende; en de bladeren van het geboomte des levens zijn tot genezing der volkeren.’ [Openbaring v Joh.22]
De bloeiende amandelboom stond model voor de levensboom zoals die in de joodse traditie werd uitgebeeld. Mozes kreeg de op­dracht naar haar voorbeeld de zevenarmige kandelaar, de Menorah, te maken. Deze boom van licht omvatte de zeven bekende planeten zon (schoonheid), Venus (pracht), Mars (vastheid), Mercurius (grondvest), maan (koninkrijk), Saturnus (oordeel) en Jupiter (liefde).
De Menorah werd vaak uit papier geknipt en tezamen met andere symbolische knipsels opgehangen aan de oostmuur van het huis, de muur die naar Jeruzalem wees, en die ook de richting aangaf waarin men zich voor ge­bed opstelde.

st,jan levensboom 2
Joods knipwerk stoelt op een oude traditie. Al in de veertiende eeuw leefde in Spanje een zekere Rabbi Shem Tov ben Yitzhak ben Ardotiel die een verhandeling schreef, of lie­ver, knipte. Sindsdien is knipwerk bekend uit alle joodse centra, dat wat betreft vorm en onderwerp opvallend veel overeenkomst vertoont.

st. jan levensboom

De levensboom vormt erin een vast motief, naast de Davidsster en de Kroon. He­breeuwse letters verwijzen naar teksten uit de Talmoed. Het is niet onwaarschijnlijk dat gevluchte Portugese joden uiteindelijk de knipkunst in Nederland overbrachten. De meeste knipsels hier werden ter gelegen­heid van een gebeurtenis gemaakt, die bij­zondere betekenis had voor het gezin of de familie zoals een geboorte of een bruiloft. In de loop van de zeventiende eeuw ontwikkel­de zich de knipkunst in Nederland tot een ware volkskunst waarvan in verschillende musea nog de resultaten te bewonderen zijn. Voor diegenen die het knippen weer willen oppakken, bijvoorbeeld om een levensboom te knippen geef ik hier een paar praktische richtlijnen. Ze zijn ontleend aan het boekje Leer knippende zien van I.G. Kerp-Schlesinger (Cantecleer, De Büt 1977).

st,jan levensboom 4

–  Neem zwart, mat papier, ongeveer zo dik als het papier van een schoolschrift.   Sitspapier is door het lichteffect minder geschikt.

–  Als schaar wordt een rechte, slanke schaar gebruikt, die ook voor knipwerk gereser­veerd moet worden, er mag namelijk geen enkele onregelmatigheid op de bladen ko­men. De schaar moet soepel lopen.
–  Houd wat behangerslijm bij de hand in ge­val er iets teveel is weggeknipt. Er kan aan de achterkant van het knipwerk een stukje wor­den bijgeplakt om de fout te herstellen.
–  Het knippen begint waar de bladen van de schaar elkaar kruisen. Sluit de schaar niet zover dat de spitse punten elkaar raken. Dan komen er hapjes in de lijn die geknipt wordt.
–  Een knipper begint onderaan zijn werkstuk. De hand met de schaar verandert nauwelijks van richting, maar het papier wordt steeds gedraaid. De ene hand duwt dus langzaam de bladen van de schaar tegen elkaar terwijl de andere vlug het papier heen en weer be­weegt.
–  Bij een vouwknipsel (een papier wordt doormidden gevouwen en langs de vouwlijn dubbel geknipt) kunnen met potlood hulp­lijnen worden getrokken evenwijdig aan de vouwlijn die het gemakkelijk maken de fi­guren even groot te maken.
–  Symmetrie speelt in veel knipwerk een gro­te rol vandaar dat vele knipsels als vouwknipsels gemaakt worden waardoor je vanzelf de linker- en rechterkant van het papier hetzelf­de bewerkt. Begin met de middelste vorm en knip de buitenlijn van je figuur. Met nieuwe vouwlijnen kun je binnen iedere helft weer nieuwe symmetrie inknippen. Daarin is het belangrijk dat er een goede verhouding ont­staat tussen uitgeknipte en uitgespaarde vlak­ken. Je een voorstelling vormen van de fi­guur die je wegknipt kan daarbij een grote steun zijn.

st.jan levensboom 20005
–  Wil je uit een vorm een binnenvorm weg­knippen, houd dan even je vinger achter het papier zodat het niet uitscheurt.
–  Door een en dezelfde figuur gelijktijdig uit verschillende op elkaar liggende vellen papier te knippen heb je materiaal voor samenge­stelde composities die je later in kunt voe­gen.
– Tenslotte: eerst oefenen met eenvoudige vormen, een hartje, een denneboom, een vlinder.

Wie weet, als het erg hard regent op Sint-Jan, dan knippen we onze eigen levensboom uit in zwart papier!

 Willemijn Visser ’t Hooft, ‘Jonas’ 22, 22 juni 1984

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

203-193

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (9)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.31, hoofdstuk 9                                                                              alle hoofdstukken

 

HOE DE BOMEN ONTSTAAN

Er is wel iets wonderlijks met de bomen, deze koningen onder de planten! Hoe zou je anders van een kroon kunnen spreken! Je moet alleen de juiste gedachten ontwikkelen als je tegenover een boom staat. Het komt er niet alleen op aan om de stam te bewonderen en met verbazing de hoogte van de top te bekijken; ook hoe hij gevormd is, hoe de takken zich vertakken en vertwijgen, hoe de kroon gebouwd wordt, moet je aandachtig bestuderen. Dan zul je gauw genoeg ontdekken hoe iedere boom zijn heel eigen karakter heeft. Ja, je moet van bomen houden, van elke zoals die is. Eerder kun je ze niet begrijpen.


Wanneer je ze met de planten vergelijkt die beneden op de grond groeien, dan moet je zeggen dat eigenlijk iedere boom een hele tuin op zich is, alleen met dit verschil dat alle planten hetzelfde zijn die daar bij elkaar staan. Wanneer je ziet hoe de kale takken zich in de winter naar de hemel uitstrekken, kun je nauwelijks geloven, dat die weer een keer groen zullen worden, bloesem zullen krijgen en vrucht zullen dragen. En toch beleven we dit ieder jaar opnieuw.

Maar beneden op aarde is het net zo. Ook zij schijnt gestorven te zijn, wanneer de sneeuw smelt. Dat is bij de bomen niet anders dan bij de aarde. Zij laten de planten die boven op hun takken groeien in de herfst rustig afsterven en trekken het leven in de knopen samen. En wanneer het lente wordt en de knoppen uitbotten, gebeurt hetzelfde als wanneer er beneden planten uit de zaden groeien. Wanneer de lariks groen wordt, is het of er gras aan de boom groeit.
In ander opzicht is er toch ook een groot verschil tussen de uitlopers van de bomen en de aardeplanten. De aardeplanten hebben hun wortels in de minerale grond en nemen de bodemstoffen op, terwijl de spruiten van takken en twijgen op een plaats staan die al plantaardig is. Als je deze op de vlakke aarde zou willen zetten, moesten ze heel anders worden en elke apart zou een wortel moeten krijgen. Nu is het voldoende dat ze allemaal een gezamenlijke wortel hebben.

Je kan het toch ook aan de bomen zien dat de zon minder moeite met ze heeft. Ze hoeven niet eerst kiemblaadjes te ontwikkelen, zoals de aardeplanten, maar zij kunnen meteen met de goede blaadjes beginnen en soms zitten er vóór de bladeren al bloesems aan. Dat komt omdat de ‘boomplanten’ niet in de minerale grond hoeven te wortelen.
Hoe zou het anders zo snel kunnen gaan, wanneer een boom uitloopt. De aardeplanten moeten eerst sterk worden en daarna kleine blaadjes ontwikkelen, tot de grote kunnen volgen. Bij de bomen verschijnen meteen de grote en helemaal gaaf. Zo veel gemakkelijker heeft de zon het ermee! Ze kan ook veel beter in de kroon doordringen met haar kracht, daarboven is de lucht anders en ook de vochtigheid en de warmte. Dat merken de vogels die zich in de bomen zo goed thuis voelen, natuurlijk ook. Ze beschouwen de boom als hun thuis, waar ze nesten bouwen en waar ze hun jongen uit kunnen broeden. De specht hamert z’n nest zelfs in de stam, zoals andere die in een nest op aarde broeden. Je kan het zelf niet helemaal navoelen hoe geborgen ze zich in deze luchtige ruimte, aan alle kanten omgeven door een bladerdak, moeten voelen, als je niet eens zelf naar boven klimt! Veel vogels vinden tegelijk hun voedsel in de bomen. Ze pikken de insecten weg die overal in spleten en reten zitten of op de bladeren en pas echt lekker vinden de vogels het wanneer de takken vol zaden en vruchten hangen. Wie kan zich een boom voorstellen zonder het bonte vogelleven en de eekhoorntjes horen er ook bij.

Wanneer je een gewoon hoopje aarde opwerpt ontstaat er daar meer leven dan op de vlakke grond. Alle mogelijke insecten maken er hun nestje in, insectenlarven en wormen, omdat lucht en licht er beter in kunnen doordringen. Ook de planten groeien op z’n heuveltje beter. Maar hoeveel levendiger moet de aarde dan wel worden, wanneer ze met haar kracht nog verder omhoog gaat en de boomstammen opricht, want boomstammen zijn zulke uitgroeisels van de aarde. Bij de gewone planten blijft de aarde bij de wortels, die als ze ouder worden, net zo hard worden als de bast van een boom; waar echter een boomstam staat, dringt de aardekracht omhoog en naar buiten toe wordt de bast afgescheiden. We zien dus dat de boomstammen deels tot de aarde, deels tot de planten horen. De plant op zich zou het niet voor elkaar krijgen.

Wie dat begrepen heeft, hoeft er zich niet meer over te verwonderen dat zoveel aparte plantjes samen een wereld voor zichzelf vormen, van de overige planten afgezonderd. Dat is nu een boom. 

Binnenin is het net een tuin; er bloeien bloemen en er rijpen vruchten.

Hoe aarde en boom bij elkaar horen is heel goed te zien, wanneer de stam heel oud wordt en tenslotte begint te vermolmen. Dan brokkelt het hout af en valt uiteen in een bruine massa die er net als tuinaarde uitziet en ook zo ruikt.
Je kunt in zo’n uitgeholde boomstam grijpen en er een handvol boomaarde -zo wordt dit genoemd-uithalen. Echt goed zie je dat een boom omhooggestuwde aarde is, wanneer je aan de vele insecten en insectenlarven denkt die binnen in het hout en in de bast leven en hun ontwikkeling doormaken, als leefden ze in de aarde. Ze boren gaten, zoals je vaak bij oude stokken kan zien en leggen er hun eitjes in. De larven denken dan dat ze in de grond leven en vreten ijverig verder. Veel kevers bv. doen dat. Kleinere kevers vreten soms een weg tussen het hout en de bast. Aan de sporen die ze achterlaten kun je nog vaststellen welke soort het is geweest. Dat zijn de bastkevers en de schorskevers, waarvan je dikwijls een mooi vreetplaatje vindt op stukken bast en op takken.

Je moet dieren en planten steeds samen bekijken, wanneer je erachter wilt komen wat de natuur doet. Zo is het ook met de bloesem. Nooit kan er leven ontstaan als zon en aarde niet zouden samenwerken. Geen van twee kan het op zich alleen. Zo geeft de zon de boom zijn bladeren, bloesem, zaden en vruchten; de aarde geeft met haar kracht de stam en de dikke takken. En als er dan ook nog mossen, korstmossen en zwammen in plaats van op de stenen of op de bosgrond, op de boomschors voorkomt, zie je duidelijk dat het verschil tussen een boomstam en de aarde helemaal niet zo groot is.

Der Hügel

Wie wundersam ist doch ein Hügel

der sich ans Herz der Soone legt,

indes des Winds gehalt’ner Flügel

des Gipfels Gräser leicht bewegt.

mit buntem Faltertanz durchwebt sich,

von wilden Bienen summt die Luft,

und aus der warmen Erde hebt sich

ein süsser, hingegeb’ner Duft

CHRISTIAN MORGENSTERN

(geen vertaling gemaakt, noch gevonden)

Tijdens een wandeling gemaakte foto’s:

boom-opgestuwde-aarde

boom-opgestuwde-aarde-5

boom-opgestuwde-aarde-4

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

 

13-11

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.